7 maart 2026

Van december 1954 tot januari 1967 was dit mijn uitzicht. Zo’n beetje. Alle bebouwing op de voorgrond is vervangen. Schuren stonden toen niet achterin de tuin, maar juist dichtbij huis, behalve dan de garage rechts. Daar stond een andere garage, eentje met een puntdak waarvan de hoek zo flauw was dat je er zonder enige moeite tegenop kon lopen. Van het prachtige maar indertijd al wankele Westlandse muurtje is niets meer over. Het bosje achterin voorheen onze tuin, was verdwenen. Jammer. Ideale plek om je te verstoppen en dode dieren te begraven. De kassen voorbij de tuin zijn veel hoger, en het voorste warenhuis staat ten opzichte van vroeger een kwart slag gedraaid. Zou kat Sjimmie nog geleefd hebben, dan had hij niet meer zoals toen zonder enige aarzeling en soepel het sprongetje van muur naar kas gemaakt hebben. Gelukkig heeft hij dat niet meer hoeven meemaken.
En dan het raam waar ik doorheen kijk. Een geval van kunststof met muggengaas waardoor je door een fijnmazig raster de wijde wereld in kijkt. Niet de dubbele ramen in een smal stalen frame, die, vond ik toen iets moderns hadden, iets van nu, iets stads ook. En de uitzetijzers kon je gebruiken als knuppels wanneer het kamertje weer eens de cockpit was van het vliegtuig waarmee ik vanaf hier, voorheen de Choorstraat te Monster, mijn vluchten over de wereld maakte.
Nu is het de kamer van Lucy en zij slaapt er, anders dan ik, alleen. Ik had altijd een broer om de kamer mee te delen, eerst mijn grote broer, later Joris.
Er zijn een schoorsteenkanaal en een kort stukje muur verdwenen, maar dat maakt de kamer er niet groter op. De kamer is kleiner dan ik dacht, die van mijn zussen ook.
Wel zijn ze aangenaam hoog. Beneden zijn de kamers niet gekrompen en ik herken veel. De prachtige schoorsteenmantel in de voorkamer. De schuifdeuren tussen voor- en achterkamer, nu zonder glas-in-lood. Dat is lang geleden vervangen door glas met ingeslepen bloemmotief. Jammer van dat glas-in-lood vindt Petra, de vrouw die ons een kijkje in het huis gunt. In háár huis.
Er is een open keuken gekomen en dat is goed voor de kamer, al krijgt de gang daardoor een jammerlijk donker slot, het lot van veel oudere huizen. Kamerdeuren met glas, zou ik zeggen.
De trapleuning is dezelfde gebleven. Die had Petra weer kaal gemaakt. ‘Vroeger was hij geverfd,’ zei ik. Later twijfel ik daaraan als ik in in een flashback het hout van de leuning weer door mijn handen voel glijden in een poging naar beneden te komen zonder de treden aan te raken. Op een oude foto thuis zie ik het ook: de trapleuning was toen ook kaal.
Er is meer achteraf: de bekleding van de gang, zowel de vloer als de wanden bijvoorbeeld. Het uitzicht aan de voorkant heeft een ernstige genadeslag gekregen. Geen goederentrein meer en geen uitzicht op tuinderijen die welwillend beginnen met platglas. Maar dat uit het weidse uitzicht dat mijn cockpit ooit bood de gemetselde schoorstenen ontbreken, dringt pas later tot me door. Het glas is verder opgetrokken. Hoger en de lege plekken van open landjes ertussen zijn verdwenen.
Ik vertel Lucy van drie niet dat ik vroeger in haar kamertje sliep. En de andere kinderen beneden op de bank val ik niet lastig met vroeger. Die begrijpen dat wel. Ik merk het aan de manier waarop ze naar me kijken. Ik ben een vreemde spiegel voor ze.
Als we weggaan, loopt Lucy met haar moeder mee naar de voordeur om me uit te zwaaien.
* In het verhaal De leeuwerik speelt mijn vroegere slaapkamertje een belangrijke rol.