Ga naar de inhoud

Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

Menu
  • Home
  • Och heden
  • Foto’s
  • Nieuws
  • Gedichten
    • Gedichten voor de ‘Kerst’
  • Iets anders
  • Tijdens de wandeling
  • Links
Menu

De Leeuwerik

Gepubliceerd op 15/01/202627/01/2026 door Len Borgdorff

De afgelopen jaren werd in het Mauritshuis de De Stier van Potter gerestaureerd, het schilderij waar ik als kind zo van onder de indruk was toen ik het voor het eerst zag. In dit verhaal speelt die kennismaking een belangrijke rol.

De cockpit

Het verhaal eindigt voor dit raam. Het begint er en alles wat er tussen begin en einde plaats vond, vindt hier zijn plek. Wat er gebeurde, gebeurde op een of andere manier allemaal hier. Het glas, gevat in smalle stalen omlijstingen, is niet dik. In de zomer staan de ramen open. ’s Winters vind je regelmatig bloemen op de ruiten geplakt van ijs. Zelfs een donkere wereld buiten lijkt dan nog licht te geven. Met zijn vinger kan hij die naar binnen halen, rondjes draaiend, geduldig, totdat er een kijkgat ontstaat dat vervolgens weer wordt dichtgeademd en er niets te zien is, behalve dat merkwaardige, gekristalliseerde licht.

Zijn slaapkamer deelt hij aanvankelijk met zijn oudere en later met zijn jongere broer, maar het is zijn kamer. Hij slaapt er niet alleen, hij speelt er ook regelmatig, maar vooral is zijn kamer de plek met het raam waar hij graag door naar buiten kijkt. Daarom is zijn bed ’s nachts vooral een kooi in een vliegtuig waarvan hij de gezagvoerder is.  Het bed is bijzaak. Het gaat om het raam.

‘This is your captain speaking’, de piloot in de cockpit. Sturen, optrekken, stijgen, dalen, versnellen, vertragen, het kan allemaal met de twee handles, de ijzers om het open raam mee vast te zetten. Hij kan ze blind  vastpakken. In één keer, zonder een aarzeling. Meestal staat hij daar alleen maar en kijkt hij naar buiten. Naar binnen. Als hij met een vriendje of met zijn broertje op zijn kamer speelt, is de kamer geen cockpit, maar rijden er autootjes over het zeil of is zijn bed Nederland en het bed aan de andere kant een ander land, een of ander eiland, een werelddeel. Soms is het kleedje op de grond het vlot waarmee ze wereldzeeën trotseren. Liever is hij alleen in zijn kamer en staat hij dus voor het raam, ijzers in de hand. Eerst om het vliegtuig te bedienen, later vooral omdat het hoorde bij het ritueel van het staan. De ansichtkaart boven zijn bed met een DC 8 die hoog boven de wereld vliegt, blijft er al die jaren hangen. Het speldje van de KLM waarmee het allemaal begon is verdwenen. Hij stuurde ooit een briefkaart naar de KLM. Of hij als verzamelaar niet ook een speldje van de KLM kon krijgen. Hij kreeg een kaart en een speldje. Wel een week lang wist  hij zeker dat hij later piloot zou worden. Dat had hem naar het raam gebracht, toen hadden zijn handen geleerd om de ijzers te omklemmen. Alleen het gebruik bleef, net als de kaart die hij met gluton boven zijn kussen had geplakt. Hij staat er als hij acht is, negen, tien, elf en al lang geen piloot meer worden wil. Hij denkt er altijd te blijven staan.

Direct voorbij hun achtertuin begint het glas van het Westland en dat houdt nergens op. Glas wordt hier en daar even afgewisseld met land, een paar bomen, schoorstenen, maar het glas herneemt zich zoals een zee eilanden omspoelt die ze vervolgens weer negeert. De kerktorens van Naaldwijk en ’s-Gravenzande zijn er, een boortoren aan de Grote Achterweg en wie naar links buigt ziet de kerk van Poeldijk, en rechts de vuurtoren van Hoek van Holland. De verre Nieuwe Kerk van Delft is er niet altijd. Die lijkt soms vergaan in de zee van glas die heel in de verte kan trillen waar lucht en glazen water samen beginnen. De kerk van Delft is een ding.

In die zee, tussen dat glas zijn slootjes, paadjes, graskanten met dovenetels, kikkers, slakken; ergens dwalen twee kinderen. Dat kan hij vanuit zijn cockpit allemaal zien als hij lang genoeg niet meer echt naar buiten kijkt, maar wegdroomt, daar voor dat raam.

Potter

Negen is hij als hij in het Mauritshuis de trappen opgaat, met  hun diepe treden en daarop een tapijt zo zacht dat je er uren op zou kunnen zitten alsof het een stoel was. Hij vindt het meteen een  plek om altijd te blijven, het hout, het marmer van de entree, het stucwerk, de vage geur van was, en dan die trap die even indrukwekkend groot als vriendelijk is. Er zijn weinig mensen, genoeg om allerlei talen te horen. Frans hoort hij, Engels. De mensen praten er net zo zacht als in de kerk, maar hier klinken stemmen veel prettiger, de stemmen van vooral grote dikke mensen aan wie je kon zien dat ze niet van hier waren. Ook dat bevalt hem, die andere bezoekers hier en daar, van zover naar hier gekomen zijn, met een auto, met een boot of een vliegtuig, en niet zoals hij met de bus uit Monster. Ze hadden er niet per se hoeven zijn en zonder die mensen was hij misschien toch wel op de zachte treden gaan zitten. Na de trap zijn er de zalen, met luchters, fraaie plafonds en dan die oude kasten en de stoelen. Hij heeft een zwak voor meubels, voor het hout, het bruin ervan, de was. Mahonie is hem het liefst. Het voelt zo prettig aan je vingers. Op de stoelen mag je niet zitten, er zijn kruislings draden over gespannen. Thuis heeft hij een boekje, Wat is antiek? I. Het is van Petra Clarijs, een mooie naam, Clarijs. Hij kreeg het met Sinterklaas. Vanwege de I in de titel zal hij voor zijn verjaardag om het tweede deel vragen.

Met zijn paspoort van de Melkbrigade, zijn M-paspoort, ging hij al een keer naar de Ridderzaal, ook alleen. Toen was er een groep jonge mensen, studenten misschien, met een gids. Ze stonden voor de troon die hij wel kende van televisie, van Prinsjesdag, wanneer ze ’s middags later naar school mogen. Op die dag zit de koningin in deze zaal op diezelfde troon.

Een gouden stoel, bekleed met een rood dat zonder meer koninklijk was. Hij zag de stoel niet goed, omdat die studenten voor hem stonden. Toen ze hem in de gaten kregen, werd hij naar voren gehaald, de gids tilde hem op en zette hem met een zwaai op de troon van koningin Juliana.

‘Bennie’ had hij gezegd toen de gids naar zijn naam vroeg. ‘Beste mensen, uw koning Bernhard de Eerste.’ Hoera, hoera, hoera hadden een paar studenten geroepen.

Dat was toen hij acht was, nu is hij negen en loopt hij met zijn M-paspoort door het Mauritshuis. Voorbij de stoelen met de afwerende bedrading. Hij gaat een volgende zaal in. Daar staat hij stil. Hij schrikt.

Dit is zijn eerste schilderij. Natuurlijk heeft hij vaak genoeg een schilderij gezien. Thuis hebben ze er twee, eentje in de voor- en een in de achterkamer en dan ook nog een paar tekeningen. Hij kent schilderijen ook van andere musea, maar daar is hij vooral verliefd op de kleur en de geur van meubels. Van schilderijen vindt hij hooguit een lijst mooi. Het Mauritshuis hangt vol met schilderijen en fraaie lijsten. Er zijn hier veel meer schilderijen dan stoelen en kasten. Hij zou met zijn vingers langs het hout willen gaan, maar dat durft hij niet.

En nu die stier. Het duurt even voor hij een stap zet, niet naar voren; hij gaat juist een stap achteruit om alsof hij nu pas terugdeinst voor een beest dat zomaar op hem af zou kunnen stappen. Hij houdt niet van grote dieren en hier staat een reusachtige stier die zomaar uit de lijst zou kunnen stappen. Hij schrikt, maar misschien toch meer nog van het schilderij dan van het beest. Het kolossale doek zet iets in beweging in zijn hoofd. Het doek beweegt hem. Het is die beweging in zijn hoofd waarvan hij schrikt. Dat is niet bang. Toch zet hij als vanzelf nog een stap achteruit. Daarna pas komt hij stapje voor stapje weer naar voren. Naar dat merkwaardige in de lambrisering van deze zaal gevangen landschap dat stil zijn adem inhoudt, voor zo lang als dat duurt. Het zou zomaar kunnen dat het doek net als hij zo meteen voorzichtig een stapje naar voren zet, dat ze naar elkaar toe schuiven de stier en hij, en de man die achter de stier staat. Hij heeft intussen al gelezen dat dit schilderij gemaakt is door een meneer die Potter heet.

Het is echter dan echt, wat hij ziet. Dat heeft met licht te maken, met kleuren. Er hangt geen damp in de zaal waarin hij staat, geen nevel. Er is geen geur van gras of van sloot. Er is geen wind. Het weiland ruikt naar was. Wat buiten vanzelfsprekend aanwezig is, ontbreekt hier. Dat maakt wat hij ziet juist echter. Deze stier en ook de schapen, die hier dichterbij komen dan de schapen die hij bij een wandeling met zijn vader achter prikkeldraad ziet en die dan meteen op hem af komen omdat hij natuurlijk wel altijd brood voor ze meeneemt. Echter zelfs dan de varkens van zijn opa. Hij hangt regelmatig over een schot om de beesten te zien en ook die beer waar hij altijd een beetje sip van wordt. Hij is steeds weer blij dat hij geen varken is. Die levensechte varkens van zijn opa zijn niet in hem geïnteresseerd en de schapen van de wandeling gaat het meer om het brood.

Hier kijkt de stier hem aan, van de koe weet hij dat niet zeker, maar de ram met de gedraaide horens, ziet hem ook. Hij knikt naar ze en daarna kijkt hij even om. Je weet maar nooit. Er is verder niemand. Hij is alleen in de wereld van Potter.

De oude stoelen, de kast met hun vlamstructuur, het bijzondere inlegwerk, de fraai gebeeldhouwde draaiingen en koppen, ze doen op hun beurt een stap achteruit. Hijzelf gaat juist nog dichter bij het schilderij staan. Zo dicht als hij bij een echte stier niet komen kan. Ook dat maakt hem echter dan echt.

De cockpit

Op zomeravonden, vroeger, als hij al naar bed moest en zijn broer en zussen en grote kinderen uit de buurt nog buiten waren, keek hij naar ze. Betty zat op de schommel. Wim hing over het muurtje. Arie had zijn konijn los gelaten. Ze wisten wel dat hij daar stond en door het slaapkamerraam naar ze keek, maar keken vrijwel nooit zijn kant uit. Hij was er en hij was er niet. Hij had hun aandacht ook niet nodig. Als er iemand naar hem zwaaide, moest hij wel terugzwaaien en dat wilde hij niet. Hun wereld was de zijne niet, nu niet. Op het erf van de buren werd gebadmintond. Soms met Betty of met zijn andere zus. Je kon het horen als de shuttle weer werd weggeslagen. Zo klonk een zomeravond, aangenaam. Bij de buren konden ze een shuttle  veel langer in de lucht houden dan hij, of zijn broer en zussen.

Als hij uit het raam hangt en ver voorover buigt, kan hij de letters van de vuilnisbak lezen. Er zat een keer een mus op de rand van de put achter de keuken. Omdat hij daar heel lang zo rustig bleef zitten, leek het of hij dichterbij kwam. Hij zag de verschillende kleuren van het musje in streepjes naast elkaar liggen. Omdat het vogeltje zo lang bleef zitten en omdat hij goede ogen heeft.

Potter

Het schilderij van Potter is een raam. De stier kijkt rustig toe. Hij is veel dichter bij dan Betty wanneer zij op de schommel zit. De stier negeert hem niet, maar kijkt naar hem. Op de manier, waarop Bennie naar de stier durft kijken. Onbeschaamd en alsof ze er niet zijn voor elkaar. Alsof ze elkaar wel zien, maar ook beseffen dat er niet gezwaaid hoeft te worden, met een hand of met een staart. Hij ziet nu ook de kikker die niet wegspringt. Hij ziet de vliegen om de stier. Nu zijn ze niet hinderlijk. Hij kan daarna weer naar de stier kijken, die misschien intussen wat afwezig zijn ogen langs de schoenen van Bennie heeft laten glijden. Dat weet hij niet. Dat weet hij wel. Er is ook een vogeltje in de bovenhoek van het raam, van het schilderij. Een leeuwerik. Dat is een vogel die ook in het echt in de lucht stil kan staan. Hij kent hem niet uit het echt maar wel van een schoolplaat die bij meester Rijper in het lokaal hangt. Kikkers vangen vindt hij wel leuk, al weet hij vervolgens nooit wat je met zo’n beest moet doen. Hij stopt ze wel in een blikje of in een schoenendoos, maar nooit voor lang. Het dient geen doel. Hij voelt zichzelf bevrijd als hij zo’n beestje weer laat gaan. Wim van de buren blies zo’n kikker wel eens op, als een ballon. Dat was zielig. Hij had er niets van durven zeggen.

De kikker op het schilderij blijft gewoon zitten. Omdat hij geschilderd is, maar dat niet alleen. Hij hoeft helemaal niet weg te springen: er is niemand of niets om bang voor te zijn en honger heeft de kikker ook niet. De kikker heeft hier een eeuwig leven, woont de hemel. Als het donker wordt in het museum en de lampen in de zalen uitgaan, kan de stier gaan liggen. De boer mag naar huis. Misschien is er wel een geschilderd zijkamertje op deze verdieping, misschien moet de boer eerst de trap met de zachte lopers af. Bennie zou de voeten van de boer willen zien. Hij kijkt weer naar de leeuwerik.

Met Wim had hij een keer vogels gevangen. Dat wil zeggen: Wim had dat gedaan en Bennie was er bij. Het erf van de buren is groter dan hun tuin, maar veel kaler. Alleen langs muren staan in de zomer plantjes, viooltjes, afrikaantjes. Er is een tegelpad naar de garage achter, voor de rest is er zand. Iedere zaterdagmiddag wordt het erf geharkt. Zo nu en dan doet hij dat ook; dan maakt hij mooie patronen waarvan een dag later niets meer is te zien. De grote kinderen van de buren spelen er graag hun potjes badminton, maar ook mussen vinden dat erf wel fijn.

Wim had een houten raam bespannen met kippengaas dat een beetje bol stond. Dat zette hij midden op het zanderige erf. Het werd aan één kant met een stokje schuin omhoog gehouden. Aan dat stokje had Wim vliegertouw vastgemaakt. Een vogelval. Bennie was naar boven gestuurd. Hij moest door de slaapkamer van Gertruus naar het plat boven de bijkeuken. Naast de deur hangt een wijwaterbakje, zo heet dat. Er zit inderdaad wat water in. Daarvan vind je er meer bij de buren; het zijn vreemde dingen. Hij durft er niet zoals Gertruus zijn vingers in te steken en dan een kruisje te slaan, al zegt zij dat hij dat best mag. Hij denkt dat het niet mag van God. Dat is afgoderij. Een kruisje slaan bij wijze van grap kan God nog wel hebben, zijn vader doet dat immers ook wel eens. Maar het wijwaterbakje met dat betoverde water, nee.

Vanaf het erf gooide Wim een bolletje touw naar hem toe en even later stapte hijzelf ook het plat op. Eerst had hij wat brood onder de val gestrooid. Ze moesten stil zijn en wachten.

Een paar minuten later al zat hij midden op het erf met een vogeltje in zijn hand. Hij voelde de zachte scherpte van de pootjes. Het vogeltje bewoog, wilde wegvliegen. Daarom hield hij het wat steviger vast en toen voelde hij een hartje dat heel snel klopte. Dat moest angst zijn. Zo’n lijfje, dan moest het op dit moment, tussen zijn vingers, helemaal van angst zijn geworden. Veren van angst, pootjes van angst, oogjes, dat snaveltje en dat bewegen in zijn hand. Hij had de vogel meteen losgelaten. Daarna was hij over de muur naar hun eigen achtertuin geklommen en daar, achterin in de schuur had hij even gehuild. Hij wist niet eens goed waarom, alles was immers weer goed.

Van de leeuwerik op het schilderij, krijgt hij een brok in zijn keel. Dat komt door die keer met die vogel bij Wim. Maar ineens doen ook de kikker, de stier en de andere dieren onder de boom ertoe. En die man die hij hem op een of andere manier niet vreemd is. Het is het hele schilderij dat hem dat dwarse gevoel in zijn keel geeft en het gevoel dat hij zomaar zou kunnen huilen. Verdriet is het niet. Helemaal niet. Hij zou hier voor altijd willen blijven, maar hij wil ook naar huis.

De cockpit

Hij zou nu graag voor het slaapkamerraam staan om vandaar het hele Westland te zien, om het raam open te doen, om zich voorover te buigen en voor de letters van de vuilnisbak. Op het schilderij ziet hij trouwens ook letters. Op een hek bij de man stond Paulus Potter, dan een f en dan 1647. Dat is meer dan driehonderd jaar geleden. Meer dan driehonderd en dat terwijl die dieren op het schilderij er bij staan en er liggen alsof ze pas net op die plek bij de boom terecht gekomen zijn, vandaag hier, morgen een eindje verderop. In het late daglicht van het schilderij en de kleuren van de glanzende verf. Driehonderd jaar vers, een dag van meer dan driehonderd jaar.

Bennie loopt het museum uit met een hoofd vol stier, met de wereld als een schilderij, echter dan echt. Om even van te schrikken misschien, en dat is goed, maar het stelt vooral gerust en het is troostrijk omdat het in stilte met hem mee gaat. Als hij thuis is, straks, zal hij in de cockpit voor het raam gaan staan, zijn handen aan de ijzers. Dan ziet hij het schilderij weer voor, hij weet het ziet.  Eerst de zee van glas van de kassen en warenhuizen en daaruit zou de stier oplichten, de man en ook de koe met de naar binnen gekeerde blik, die wegdromende koe.

Potter

Hij neemt het mee naar huis. Opnieuw loopt hij over het Binnenhof met zijn Ridderzaal en zijn troon. Hij komt voorbij de Cineac waar ze altijd heen mogen als ze in de stad zijn. De bijzondere Passage loopt hij voorbij. Hij loopt meer met een schilderij van een weiland met dieren in zijn hoofd, dan door een stukje Den Haag om bij de bus op de Varkenmarkt te komen. Om daar het snelst te komen kan hij de Passage maar beter voorbij lopen. Dat zou hij anders nooit gedaan hebben. Wel kijkt hij naar binnen bij de schoenwinkel van Van Haren om te zien of er achterin de zaak, bij de kassa, nog ballonnen aan het plafond hangen. Dat gaat vanzelf. Hij had er ooit eentje gekregen toen ze daar schoenen hadden gekocht. Een langwerpige gele ballon met in rode letters Van Haren Schoenen erop en een rood mannetje dat eruit zag als een schoenzool. De ballon zat aan een koperkleurig stukje ijzerdraad.

Het was nog een heel gedoe geweest het ding thuis te krijgen: eerst naar de bus, dan de rit naar Monster en daar moest hij met die ballon van de ene kant van het dorp naar de andere, Rijnweg, Wouterslaan, Kampschoërstraat, Choorstraat, gelukkig niet langs de schoenwinkels van Remeijn, Herpers of Oosterman.

De ballon kwam thuis al binnen een half uur tegen de hete kachel. Het is erger om een ballon te verliezen, dan dat het leuk is er eentje  te krijgen. Dat wist hij al, maar nu had hij het weer gevoeld. Hij moest er altijd om huilen, om een geklapte ballon.

Vandaag loopt hij met een onwaarschijnlijk groot schilderij van een stier in zijn hoofd naar de Varkenmarkt. Hij hoeft niet bang te zijn dat dat stuk gaat. Hij voelt of hij zijn M-paspoort nog heeft, haalt het tevoorschijn. Ook zijn buskaartje is er nog. Dat zit in het paspoort gestopt.

De cockpit

Het raam van zijn slaapkamer wordt na het Mauritshuis de lijst van een schilderij van het hele Westland. Het wordt daarom nog aantrekkelijker om de ramen open te doen en recht naar beneden te kijken, naar de zinken vuilnisbak, waarvan het deksel geen jaartal en geen naam van een schilder vermeldt, maar wel dat die bak geleverd is door Gemeentewerken Monster. Hij geniet van de lijst van zijn schilderij. De voorkant van het huis heeft houten raamlijsten, het veel slankere staal aan de achterkant vindt hij veel mooier. Ook als hij buiten staat, in de tuin. Dat de achtergevel schuil gaat achter grijs stucwerk, is verschrikkelijk, maar de ranke ramen maken veel goed. Hij houdt van huizen in Den Haag waar zijn oom en tante wonen bij wie hij graag logeert. In de Notenbuurt en bij de Thorbeckelaan. Stalen ramen. Daar zijn ook de muren veel mooier. De stenen hebben een warme kleur en ze springen zo prettig uit de voegen tevoorschijn. Warm, levendig en strak en helder tegelijk. Hij houdt van het huis waarin hij woont, maar met die Haagse muren zou hij er nog meer van houden. Binnen doet dat er niet toe. En daar wordt het raam, net als bij Paulus Potter maar zo heel anders, ook de lijst van een schilderij.

Van hieruit geen kikker, geen leeuwerik, maar des te meer mussen, spreeuwen, meeuwen en duiven. Je hoort er de kippen van hiernaast. En ’s nachts, vanuit de wereld achter de lijst in zijn slaapkamer, glijdt vanuit het wonderlijke doek achter het glas vijf keer achter elkaar een bundel licht over de muur bij zijn bed. Daarna is het donker, maar even later komt er weer vijf keer, stil, maar onverstoorbaar, een lichtbundel langs. Over het behang, over het portret van Willem van Oranje, over de DC8 op de ansichtkaart boven zijn bed. Een enkele keer sluipt hij naar het raam om te zien hoe in de verte de vuurtoren van Hoek van Holland na een vijfde lichtbaan rood oplicht.

Hij zoekt regelmatig de toren van de Nieuwe Kerk in Delft. Wat hij deed en zal blijven doen: daar die toren beklimmen. Hij neemt soms zelfs een verrekijker mee. Het is niet moeilijk om vanuit Delft de dikke toren van de oude kerk van Monster te vinden. Maar het huis aan de Choorstraat, vanwaaruit hij dus wel de Nieuwe Kerk kan zien, ziet hij niet. Ook als hij door zijn verrekijker tuurt, ziet hij het huis niet. Wat zou het leuk zijn als hij zijn eigen raam ontdekte. Als hij daar dan het jongetje zou zien staan dat vanuit dat raam als een gezagvoerder naar het Westland kijkt, dacht hij een keer toen hij niet op de toren stond en ook niet voor het  raam, maar wel in het bed lag, daar vlak achter, in de kooi van de piloot.

Potter

De gordijnen in zijn kamer gaan nooit dicht. Helemaal nooit. Daarom ziet hij de lichtbanen van de vuurtoren van Hoek van Holland steeds zo goed. Als er geen sterren zijn, geen maan ook, en als de vuurtoren hapert, is er een zwart vlak, uitzicht op niets.

Het grote doek van Potter is veel en veel groter dan het raam. Dat is gek. De stier vult een doek dat veel groter is dan het raam waardoor hij van Hoek van Holland naar Delft en Poeldijk kan kijken. Als hij voor het raam gaat staan. Als hij dichter bij de lijst zou gaan staan, daar in het Mauritshuis, zou er niets veranderen. De stier zou dichterbij komen, maar links of rechts zou niet een verre kerktoren zichtbaar worden.

Zou het schilderij van Potter net zo groot zijn als de raamkant van zijn kamer? Hij weet niet eens meer zo goed hoe groot dat doek in werkelijkheid is. Hij heeft nog helemaal niet in termen van meters over het schilderij nagedacht. Het meet overweldigend bij overweldigend.

Omdat ze beneden niet hoeven te horen dat hij uit bed is doet hij extra zachtjes. Zijn kamer is nooit helemaal donker: de slaapkamerdeur staat open – en die bestaat trouwens voor meer dan de helft uit ruitjes, terwijl er licht brandt op de overloop, of er is een nachtlampje. Als je je armen helemaal uitspreidt, dan ben je van uiterste vingertop links naar uiterste top rechts even breed als je lang bent. Hij denkt daarom dat zijn kamer meer dan drie meter breed is en bijna net zo hoog. Dat betekent dat het schilderij hier niet in zijn kamer past. Het zou misschien wel in de kamer passen, maar het kan niet door de deur of door de ramen. Het past alleen maar in zijn hoofd. Zoals hij het mee naar huis nam.

Hij kijkt naar de achterwand met het zwarte gat van raam dat elk ogenblik in een soort lamp verandert. Er is een tijd geweest dat de boer, de stier, de koe, er niet waren. Eerst was er alleen maar een rol doek en dat op een groot houten raam gespijkerd. En daarna is Paulus Potter dus aan de gang gegaan. Er is dus eerst niets. En dan is er een idee. En daarna komt er een schilderij. Maar stond de stier van Potter dan al in diens hoofd voor hij die schilderde. Hoe zat het met de kikker? Kwam die leeuwerik aangevlogen toen hij met zijn kwast naar de rechterbovenhoek ging van het doek?

Als een schilder aan iets denkt terwijl die schildert, dan kan het er ineens zomaar zijn.

Als hij zich over de vensterbank buigt, ziet hij de vuilnisbak. Bij een schilderij kan dat niet.

Het kost hem niet veel moeite om Sjimmie te zien, de kat die al een paar jaar dood is. Hij kan hem zelfs over het muurtje achter naar hun tuin zien lopen. Hij hoeft er niet eens voor uit zijn bed te stappen en voor het raam te gaan staan. Als hij in bed ligt en aan Sjimmie denkt, dan ziet hij de kat weer lopen. Als een schilder dat denkt, dan loopt er ineens een kat. Of er zit ergens een kikker en ineens zijn er weer vliegen om de stier. Hoe kwamen die vliegen op het doek?

Er komt altijd een moment dat hij zich erop betrapt dat hij intussen aan heel iets anders denkt. Of hij is in slaap gevallen. In elk geval loopt er dan geen kat meer over de muur. Bij een schilderij is dat anders. O ja, moet meneer Potter gedacht hebben, ik moet ook wat vliegen om de stier heen schilderen. Zou hij dan later, toen hij weer eens naar het schilderij keek ook gedacht hebben: o ja, ik had nog wat vliegen om de stier geschilderd? God zou zoiets nooit vergeten. Maar een schilder?

Jeannette

Heel lang geleden, lang voor de cockpit. Er is geen M-paspoort, nog geen lagere school, al komt die er aan. Er is wel een kleuterschool en ook een raampartij met uitzicht op een zee van glas, van een  Nieuwe Kerk in Delft weet Bennie nog niets, wel strijkt elke nacht het licht van de vuurtoren van Hoek van Holland over de muur van zijn kamer en over zijn bed. Net als bij Jeannette, want zij hebben het daarover gehad met elkaar.  Hij vond het toen bijzonder dat zij dat ook zag, iedere avond. Ze zijn even oud. Hij woont aan de ene kant van het rijtje huizen net buiten het dorp, zij aan de andere kant. Hij komt niet graag bij haar thuis. Jeannette heeft grote broers en die zijn vervelend. Hij is bang van ze. Een keer tilde Jan die nog ouder is dan zijn eigen grote zus hem op. Ondersteboven, als een konijn dat wordt doodgeslagen. Zo houdt hij hem boven het beerputje bij hun schuur. Eddie, ook een broer, haalt het roostertje weg en dan laat Jan hem aan zijn enkels zover zakken dat zijn hoofd bijna in het gat van het beerputje verdwijnt, niet groter dan een stoeptegel. De derrie staat bijna tot aan de rand. Tegenstribbelen heeft geen zin: zijn enkels zitten vastgeschroefd in Jans knuisten. Zijn hoofd kan elk moment tegen het muurtje van de schuur stoten of tegen de smerige binnenkant van het smalle beerputje, als het daar, veel erger, niet in verdwijnt.

 ‘Zeg genade. Genade.’ Dat doet hij: ‘Genade.’

‘Dat is niet genoeg. Je moet zeggen: Heb genade, Jan.’

‘Heb genade, Jan.’

‘En Eddie.’

‘Heb genade, Eddie.’

‘Heb genade, Jan en Eddie.’

Hangt zijn haar al in de derrie? Hij durft niet te kijken. Laat Jan hem nog verder zakken of niet?

‘Heb genade, Jan en Eddie.’

Hij mijdt hun huis en hun tuin. Maar Jeannette komt wel bij hem, om te spelen. Haar moeder is aardig en met haar broer Nico speelt hij wel eens al was die vijf jaar ouder dan hij, maar hij lijkt niet op Jan en Eddie.

Hun huizen zijn hetzelfde gebouwd. Jeannette slaapt in haar huis op dezelfde kamer als hij en ook zij ziet ’s avonds dus het licht van de Hoekse vuurtoren over de muur strijken, vijf keer achter elkaar, rustig en onverstoorbaar, en dan een pauze. Dat hebben ze elkaar verteld. Drie, vier en dan vijf zijn ze als ze met elkaar spelen.

Bennie is niet alleen een jongen, hij is ook nog eens een paar weken ouder dan Jeannette, al is zij is groter en steviger. Dat ze bij Van Vliet rooms zijn, is een onoverbrugbare kloof. Hun werelden liggen naast elkaar, lijken zelfs door elkaar te lopen. Maar zo is het toch niet echt. Ze spelen samen, houden elkaar graag vast. Maar, begrijpt hij, hun werelden zullen nooit samenvallen. Het zou God een gruwel zijn. Niet vanwege Jan en Eddie en helemaal niet met Jeannette met wie hij ondanks die broers zo graag speelt. Jeannette, die zo mooi is. Lichtblauwe ogen, overdonderend veel blond haar dat wild om haar hoofd kan zwaaien. Of verstild om haar gezicht valt, wanneer Jeannette zit te staren en er is alsof ze er niet is, terwijl hij naar haar kijkt. Dan is er haar gladde huid, alsof die altijd met olijfolie is ingesmeerd, zonder plakkerig te worden. Haar huid is vooral in de zomer mooi. De huid van Jeannette wordt graag bruin. Ze heeft geen wratten op haar vingers. Dat vindt hij belangrijk. Daar let hij op. Bij dansjes in een kring, op school moet Bennie wel eens een meisje bij de hand nemen en dan voelt hij de harde, ruwe wratten.

Er is iets ernstigs aan Jeannette. Je kan met haar niet met auto’s spelen. En poppen? Zijn er ooit poppen geweest? Wel klimmen ze in de bomen achterin hun tuin, of op de afbrokkelende muurtjes. Ze lopen over het dak van de garage bij de buren. Dat mag niet, maar als je het maar stiekem doet, is iedereen bereid om het niet te zien.

Achterin de schuur bij Bennie vind je stapels oude kranten. Die verzamelt zijn broer; Bennie mag wel eens mee, kranten ophalen. Het zijn er zoveel dat je daarmee wel een hut kan bouwen of, als er weer een grote partij is afgevoerd, waarbij je een stapel als stoel kan gebruiken. Daar zitten ze dan om vader en moeder te spelen en thee te drinken die er niet was. Ze zijn vader en moeder, maar hebben geen kinderen, Jeannette en hij. Wel zijn ze regelmatig koning en koningin. Een koningin die de verte in haar starende ogen vangen kan.

De cockpit

Dat is allemaal jaren geleden. Jeannette woont hier niet meer, maar hij  moet nog regelmatig aan haar denken. Na de stier van Potter, nadat Potter heeft besloten om de leeuwerik  te schilderen, als hij door het raam naar buiten kijkt, gebeurt dat vaker. Nu het raam de lijst geworden was van een schilderij met veel glas van de kassen, met lege stukjes land, de dunne schoorstenen bij de ketelhuizen. Een land met kikkers die je van hieruit niet ziet maar die er ongetwijfeld zijn als je je maar ver genoeg voorover buigt, of als je schilder wordt en een kwast in de verf doopt. Daarmee worden ook de sloten en slootjes, de eindeloze stapels terracotta bloempotjes en draineerbuizen zichtbaar, de rails van een veel te zware lorrie.

De reproductie van De Stier die hij krijgt, zo groot als een ansichtkaart, hangt hij met gluton naast zijn bed, bij de Nieuwe Kerk van Delft, de DC 8 van de KLM en de graftombe van Willem van Oranje. Na een maand haalt hij de kaart met de stier weer weg en legt hij hem op de plank bij zijn hoofdeind. Later komen er boeken op te liggen. Hij heeft veel meer op met het schilderij dat hij in zijn hoofd mee naar huis nam, dat blijft groot en overweldigend. Daar wil Paulus Potter misschien nog wel eens iets aan toevoegen, omdat 1647 daar altijd nu blijft. Dat bevalt hem beter. Soms hangt hij het weer even voor het raam van de cockpit, als hij in bed ligt, maar het schilderij verdraagt het licht niet van de vuurtoren. Om het schilderij van Potter te zien,  weet hij, moet hij terug naar het Mauritshuis. Hij zou er wel opnieuw van willen schrikken. Maar nu kan dat nog niet, nu zich het verleden van een ander schilderij aan hem opdringt en heden wordt. Het schilderij dat in de lijst van zijn slaapkamerraam geklemd zit, dat hem het hele Westland laat zien, maar ook de vuilnisbak wanneer hij zich door het raam naar voren buigt, en ook de toren van Poeldijk wanneer hij wat nadrukkelijker naar links kijkt. Waarop vaak niet, maar soms ineens wel de Nieuwe Kerk van Delft te zien is. Er is meer: hij ziet wat hij niet zien kon maar meer en meer begint te missen, alsof het er wel is. Vooral de Jeannette van ooit ziet hij niet als hij door het raam naar buiten kijkt. En haar zoekt hij.

Potter

De leeuwerik zag hij pas toen hij wat langer naar het schilderij van Potter had gekeken. Zo blijft het. De stier is er altijd. Daarna de andere grote dieren en natuurlijk de man. Telkens is de kikker een aangename ontdekking en dan pas ziet hij weer de leeuwerik, zonder ernaar te zoeken. Alsof hij hem ineens hoort en automatisch de kant op kijkt vanwaar het geluid komt. Als hij een keer eerst de leeuwerik wil zien, is die er niet. Niet op het schilderij in zijn hoofd. Dat moet hij niet meer doen.

Het zou onzinnig zijn om door het raam naar buiten te kijken om te zien of hij Jeannette ergens ziet, samen met hem. Hij is niet gek! Door Potter is het raam waardoor hij zo graag kijkt de lijst van een schilderij geworden, een schilderij van glas en land, waarin je ook kikkers zou moeten kunnen zien. Als hij wil, kan hij Sjimmie de dode kat over het muurtje zien lopen, of door de goot van twee kappen van de kassen daarachter. De leeuwerik van Potter doet zich alleen ongevraagd voor, als hij het schilderij al weer een tijdje voor zich ziet. Jeannette ziet hij niet, die blijft weg. Zichzelf ziet hij ook niet, terwijl hij toch iedere dag te vinden is in de achtertuin die de voorgrond is van het schilderij.

Jeannette van een paar huizen verderop woont al lang ergens anders. Hij was haar eigenlijk al een beetje vergeten. Negen is hij en nu komt ze terug.  Dan schuift ze onder de lijst vandaan het doek in. Eerst als een leegte, later als de contouren van wie ze was, is, meisje van vier, vijf, tot bijna zes jaar, een paar weken jonger dan hij. Ze laat zich amper invullen. Ze is niet meer dan een onbestemd gevoel dat in hem begint te bewegen.

Achter de muur

De tuinderijen beginnen achter het brokkelige muurtje voorbij de bomen die niet meer dan wat te ver doorgegroeide struiken zijn. Met dat muurtje moet je voorzichtig zijn; het is eigenlijk te gevaarlijk om er zomaar op te klimmen. De voegen tussen de stenen kun je zonder moeite met je vingers wegkrabben. Alleen de steunberen kunnen wat meer hebben. Daar zitten ook genoeg gaten in om ze als trapje te gebruiken en bijvoorbeeld op de garage van de buren te komen.

Misschien maakt het muurtje samen met die garage ook wel deel uit van de onderlijst van het schilderij zoals hij dat vanuit de cockpit zien kan en begint daarachter pas de echte wereld, de geschilderde, de andere wereld. Voor kater Sjimmie golden en gelden geen beperkende maatregelen. Die liep regelmatig over dat muurtje om er, meestal bij de klimop in de poort, aan de andere kant weer af te springen, waar onkruid groeit, achter de lijst, tussen het muurtje en de kassen. Waar je wel kikkers tegen kunt komen en slakken. Het is verboden gebied, waarin je Sjimmie moeiteloos kon zien verdwijnen en waaruit hij soms zomaar, ook nu hij dood is, tussen het kruid en onkruid tevoorschijn kan komen om weer op het muurtje te springen om door je geaaid te worden. De Sjimmie van de doos bij de kachel, de Sjimmie die soms bij hem op bed sprong, als hij bijna sliep.

Toen Bennie Jeannette een keer vertelde dat Sjimmie een kattendominee is, keek zij hem vragend aan. Zijn zussen zeiden dat hij de dominee van de katten was. Als Sjimmie weer eens weg is, dan stond hij vast en zeker in de kattenkerk te preken. Een grapje. Sjimmie is een zwarte kater met een witte bef, zoals een dominee op de kansel. Dat neemt niet weg dat Bennie op een of andere manier gelooft dat het echt zo is. Hij wil het geloven. Het kost hem weinig moeite om Sjimmie in een groentekist te zien staan, met zijn voorpoten op de rand om vanaf deze kansel, waarschijnlijk in de schuur van Lagerweij, aan de verzamelde tuin- en zwerfkatten als predikant de ware kattenboodschap te brengen. Dat er een hemel is voor de dieren, net als voor de dode vogels die in de tuin begraven liggen, voor de konijnen die in de schuur geslacht worden, de muizen die door de wc gespoeld worden, de kippen bij de buren die zonder kop nog even door de tuin rennen.

‘Sjimmie is een kattendominee.’ Hij heeft Jeannette moeten uitleggen wat een dominee is en waarom die op Sjimmie zou lijken.

Roomsen hebben geen dominees. Er zijn pastoors en paters en die lopen de hele week in kleren die dominees alleen op zondag dragen als ze het trapje van de preekstoel op klimmen.

‘Een dominee is een soort pastoor.’ Dat begrijpt Jeannette wel. Toch doet het haar weinig, Sjimmie als kattendominee. En dat terwijl hij door zijn opmerkingen het gevoel krijgt bezig te zijn om zijn eigen, het juiste geloof, te verloochenen door een pastoor en hun eigen dominee over één kam te scheren.

Thuis zegt hij het nog wel, als Sjimmie weer binnenkomt, toen Sjimmie nog binnen kwam: ‘Daar heb je de dominee.’ Tegenover Jeannette noemt hij de kat alleen nog Sjimmie. Iedere keer vindt hij dat jammer. Hij doet er de kat mee tekort, maar vooral Jeannette. Had zij maar kunnen begrijpen dat Sjimmie een beetje dominee was, niet echt, maar toch, heel in de verte weer wél.

Ondanks die vreselijke broers van haar, Jan en Eddie, zou hij dolgraag met Jeannette willen trouwen, later als hij groot is. Hij houdt van haar. Ze zingt zelden met hem mee, terwijl hij dat juist zo graag doet. Ze praat weinig. En dat geeft allemaal niet. Het is het geloof dat er tussen haar en hem zit. Zijn geloof tegenover de afgodendienst van de Roomsen.

Zij komt bijna iedere dag naar hem toe. Ze voelt gewoon wanneer hij met haar wil spelen of samen met haar op een steunbeer van het muurtje wil staan om over de tuinderijen te kijken of naar het wilde kruid en onkruid achter het muurtje. Zij komt, hij gaat nooit naar haar toe. Hij houdt ervan dat zij zo sterk is, dat ze blauwe ogen heeft, zo helder en licht als hij bij niemand anders ziet. Dat blonde haar waarmee de zon speelt of dat zelf een zon kan zijn, en dan die lichtbruine gladde huid, die zo blij is met iedere zonnestraal en niet, zoals bij hem, eerst rood wordt en vervolgens een keer moet vervellen als de zomer is begonnen. Jeannette is een ernstige zon.

Ze laten zich ook wel eens langs de andere kant van het muurtje zakken. Daarbij helpen ze elkaar, al is dat helemaal niet nodig. Het muurtje ziet er aan de andere kant iets minder gehavend uit en al zijn er daar geen steunberen, er zijn genoeg gaten om houvast te vinden en je voeten in te zetten.

Voor brandnetels en distels moet je oppassen, maar voor de rest is het allemaal goed te doen. Als het buiten koud of fris is, is het hier minder guur; bij warmte is het er juist iets minder benauwd. Veel valt er niet te doen. Ze zoeken wel naar kikkers, meestal tevergeefs. Slakken zijn er altijd wel. Ze verzamelen ze wel eens, al moet elke slak dan wel een anders getekend huisje hebben. Dubbele tellen niet. Ze zitten ook samen over een slak gebogen, hoofden tegen elkaar, terwijl hij zingt: ‘Slak, slak, kom uit je huisje; anders vertrap ik je huisje.’

Jeannette zingt nooit mee, maar ook zij kijkt gespannen of de slak inderdaad tevoorschijn komt. Gebeurt dat niet, dan laten zij het beestje verder met rust. Met vriendjes is dat anders, dan trap je een slak desnoods plat, al doet hij dat niet graag, maar vrienden doen zoiets. Jeannette zou niet gaan huilen of zo, als hij het met haar erbij ook deed, ook niet kwaad weglopen. Nee, ze zou hem aankijken met die lichte ogen van haar. Niet eens boos, maar vol onbegrip. Misschien zou ze even aan haar broers denken. Dat jongens die dingen deden. Hij zou zich enorm schamen. Dat hij dat wel eens heeft gedaan, vertelt hij haar daarom niet, zoals hij ook niet vertelt dat hij met een vriendje wel eens zout op slakken heeft gestrooid om vervolgens te zien hoe die al schuimend ten onder gaan. Zonder iets te zeggen, zonder het te weten leert Jeannette hem wat goed is en wat niet.

De cockpit

Het liefst staat hij hier met de ramen open. De stijlen van de twee stalen ramen overlappen elkaar weliswaar als ze dicht zijn en de stijl is inderdaad smal, zo smal zelfs dat die er bijna niet lijkt te zijn als je er met je neus dicht op gaat staan, maar hij is er wel en je ziet het. Jammer genoeg zijn ze vaak dicht: omdat het te koud is of omdat er een tocht door het huis komt waardoor er elders deuren dichtslaan. Dan roept er iemand van beneden en dan verdwijnt de anonimiteit. Hij wil hier staan zonder dat de mensen aan hem denken, hier zijn alsof hij er niet is. Hij is er ook niet. Hij is verdwenen in wat hij een schilderij is gaan noemen. Als de stier van Potter even een oog dichtkneep, voor het eerst sinds 1647, zou hij dat dan in de gaten hebben? Ja, natuurlijk, maar hij zou niet bedenken dat dat op zijn minst heel vreemd is, een knipogende stier op een schilderij. Dat zou niet meteen in hem opkomen. Hij zou zo graag de leeuwerik eens horen. Waarom is het niet juist raar dat dat niet gebeurt en waarom zou het wel raar zijn als hij het vogeltje dat daar hangt niet alleen zien zou maar ook horen?

Achter de muur

De ruimte tussen muur en kas is smal. Jeannette en hij kunnen er net liggen, languit, hoofd bij de muur, voeten bij de kas. Zomers kan dat prettig zijn. De strook is wel erg lang. Daarom duurt het even voordat zij voorbij de kas zijn. Die grenst aan een sloot, al kun je ook daar nog wel lopen, tussen kas en sloot; er is geen pad.

Een heel eind verderop is een huis. Het ligt ergens tussen de kassen, maar je kunt het vanaf de grond niet zien. Wel vanuit hun slaapkamerramen. Dan zien ze het alle twee altijd, in de verte. Hoe je er moet komen, is een raadsel. Het huis steekt boven het glas van de tuinderijen uit. Een paar bomen, twee schoorstenen, glas, maar een weg die naar het huis leidt, zie je niet. Jeannette weet zelfs hoe de mensen heten die daar wonen, want ook die zijn rooms. Hier bij de sloot is van het huis niets te zien. Maar het is er. Daarom lopen ze verder. Ze willen bij het mysterieuze huis komen. Ze denken dat het een vriendelijk huis is. Jeannette zegt dat er ook kinderen wonen.

Het lukt, zonder dat ze een echt pad tegenkomen. Als ze aan de rand van het erf staan, durven ze niet verder. Ze zoeken elkaars hand en blijven staan. Wat moeten ze hier nu doen? Wat als er mensen komen die vragen wat ze hier te zoeken hebben en hoe ze daar terecht gekomen zijn. Dat ze moeten vertellen over een muurtje, over rare doorgangen, stroken en bermen waarvan misschien wel niemand weet?  Als ze vertelden dat ze dit huis elke avond zien wanneer ze naar bed gaan. Dat het een beetje hún huis en juist ook weer niet omdat je er niet kan komen. Maar nu wel. Er is niemand. Via een andere grasberm lopen ze weer van het huis vandaan.

Ze zijn al een paar keer over een greppel of een smal slootje gesprongen. Dat stelt niks voor, al zijn de twee planken over een sloot naar de overkant spannende momenten. Niet alleen is zo’n plank een beetje gevaarlijk, het is ook een grens. Dat zeggen ze niet tegen elkaar, maar zo voelen ze het wel, allebei. Voorbij de tweede sloot kiezen ze wat vaker voor bestaande tuinderspaadjes. Als het even kan lopen ze hand in hand.

Langs de glazen wanden van kassen, langs vaalten en struiken, een sloot, over een paadje met kolengruis, langs velden waarop meloenen groeien, stukjes gras. Ze zijn zichtbaarder. Maar dan alleen voor mensen die er niet zijn. Nergens zien ze een ander huis. Er is glas en er is land.

Vanuit hun slaapkamers kun je veel schoorstenen zien. Daar praten ze over. Uit die schoorstenen steken beugels waarlangs je omhoog kon klimmen. Dat zou een goede manier zijn om te zien waar ze zijn. Misschien zien ze dan hun eigen huizen. Of het mysterieuze huis waar ze niet verder durfden en waarvan ze niet meer weten of het voor ze ligt of achter ze, links, rechts, ver, dichtbij. ‘Zuiderwijk,’ zegt Jeannette, ‘de mensen van het huis heten Zuiderwijk… Nelleke Zuiderwijk.’ Als ze het terugvinden, weten ze misschien ook weer hoe ze bij het muurtje kunnen komen.

Als ze een schoorsteen proberen, komen ze niet verder dan de eerste beugel omdat ze dan nog op elkaars handen kunnen staan. Ze proberen het bij een enorme berg bloempotten. De terracotta potten liggen in lange rijen op elkaar gestapeld. Zo is een berg ontstaan waar je tegenop kan klimmen. Als Bennie bijna boven is, schiet er een rij onder zijn voet vandaan. Er vallen meer stapels. Als hij toch bovenop de berg komt, merkt hij dat je amper iets meer kan zien dan vanaf het pad bij Jeannette. Hij ziet wel hoe zij naar hem kijkt. Dat vooral. Het is verschrikkelijk. Hij ziet dat ze bang is en dat maakt hem nog banger dan hij zelf ook al was. Ze slaat haar jurkje omhoog, alsof ze haar handen wil afvegen aan haar onderjurk. Maar ze heeft geen vieze handen. Ze doet dat omdat ze zenuwachtig is. Zoekt ze een zakdoekje in het zakje van haar onderjurkje? Dat hebben meisjes, een zakje in de onderjurk voor een zakdoek of voor iets anders, een dubbeltje of zo. Dan doen ze ineens hun rokje omhoog om iets te pakken. Soms is dat een dom gezicht. Het dunne katoen van Jeannette, met die grote blauwe ogen die wanhopig naar hem opkijken… Hij schiet te kort. Roomse meisje hebben op hun ondergoed een bedeltje, vaak van zilver, met een helder blauwe beeltenis van Maria of zo. Ook al zo mooi, maar wel rooms. Dat bedeltje is ter bescherming en dat is bijgeloof. Misschien zoekt Jeannette haar Mariabedeltje. Omdat Bennie de weg ook niet weet. Omdat ze ziet dat ook hij bang is.

Als hij de berg weer afklautert, rollen er meer bloempotten omlaag. Er vallen er een stel stuk. Hij wil de boel nog een beetje opruimen, maar Jeannette grijpt zijn hand. Ze zegt dat ze verder moeten. Hij schrikt een beetje van haar stem, hij hoopt dat ze niet gaat huilen.

Jeannette

Nog niet eens zo lang geleden, een andere zaterdagmiddag, kwam ze door het poortje naar hun achtertuin gefietst. Hij zag haar op het pad. Zij heeft een doortrappertje. Zo noemt ze haar fiets. Je kan er niet mee remmen en de trappers gingen gewoon door. Dat zei Bennie toen nog niet veel. Het woord ‘doortrappertje’ beviel hem. Het maakte Jeannettes fiets bijzonder. Die had iets wat andere fietsen blijkbaar niet hebben. Het woord doorzettertje klonk er ook in door. Het is een klein blauw fietsje, met dezelfde banden als zijn step. Hij mocht het ook wel eens proberen. Hij twijfelde, maar het kon geen kwaad om er in ieder geval even op te gaan zitten. Het fietsje was dan wel even groot als zijn step, maar het leek kleiner en was tegelijkertijd veel spannender.

‘Ik hou je wel vast,’ zei Jeannette. ‘Gewoon je voeten op de trappers en dan vooruit trappen. En ook goed voor je kijken.’ Hij wist niet goed wat vooruit trappen is, maar zij duwde hem, de trappers bewogen en of hij dat nu wilde of niet: zijn benen bewogen mee.

Zijn moeder en zijn zussen kwamen naar buiten. ‘Bennie kan fietsen!’

Hij moest daarom ook de poort maar in, de flauwe bocht nemen, de poortdeur stond open. Het ging vanzelf. Even nog liep Jeannette mee, toen liet ze hem los. Hij voelde haar hand verdwijnen. Hij trapte, slingerde ook, maar zonder de schutting links of het oude muurtje rechts te raken. Om niet te vallen, mocht hij niet stoppen met trappen: dat wilden de trappers niet, merkte hij. Bij de scherpe bocht in de poort ging het mis. Hij moest wel langzamer. Liet zijn voeten van de trappers glijden. Die maalden door en sloegen hard tegen zijn benen. Het fietsje klapte tegen de muur, net als hij met zijn gezicht. Zijn knieën schuurde hij open aan de assintels op de grond.

Voorbij de hoek stonden Jan en Nico. Jan lachte, Nico grijnsde, zijn moeder roept half lacherig: ‘Wat doe je nou toch?’

Jeannette pakte haar fietsje en gooide dat naar Jan. Zijn moeder tilde hem op en droeg hem terug naar huis. Jeannette liep mee en laat haar fietsje liggen. Hij schaamde zich. Als hij nu maar niet ging huilen, terwijl die stoere Jeannette maar hem keek, alsof ze een dokter was.

Achter de muur

Zodra hij weer naast haar staat pakt ze zijn hand. Het hangt van hem af. Als hij de ene kant op gaat, doet Jeannette dat ook. Gaat hij de andere kant op, dan volgt ze hem. Hij wil die hand niet loslaten, die mag wel altijd in de zijne blijven, maar het kan niet, want hij moet opnieuw op de berg met bloempotten klauteren. Hij moet iets zien.

‘Ik zag iets,’ zegt hij, maar hij heeft niets gezien. Hij trekt zijn hand uit de hare en klimt voorzichtiger, beheerster dan de eerste keer weer omhoog. Ze moeten weer naar huis, alle twee. Hij moet weer naar beneden. Als hij haar nu niet een hand kan geven, dan is hij de hare voor altijd kwijt. Hij mag niet vallen. Hij kijkt nog een keer goed om zich heen. Tussen twee kassen verderop ziet hij een stukje van een brede sloot. Als ze die volgen, wie weet komen ze dan bij een weg uit. Hun eigen weg misschien, of anders de Zwartendijk. Als dat zo was, zou hij de weg weer weten.

Hij klimt omlaag, voorzichtig, beheerster dan de eerste keer. Er rollen weer bloempotten mee, minder, maar het blijft zonde; zoiets mag niet gebeuren. Toch raapt hij wat scherven op om in zijn zak te steken. ‘Om mee te krijten.’ Door dat te zeggen, denkt ze misschien aan oranje mannetjes op de stoep. Ze wil geen bloempotscherven, ze pakt zijn hand.

Bij een ketelhuis kiest hij een smal paadje. Dat moet naar de kassen verderop voeren waarachter hij zo-even de vaart zag. Dan zien ze een huis. Zomaar. Er stapt een vrouw naar buiten. Ze draagt een schort. Ze loopt recht op hen af. Jeannette en hij staan stil.

‘Wat doen jullie hier?’ vraagt ze. Zijn moeder zou even op haar hurken zijn gaan zitten. Dat doet deze mevrouw niet. Ook bukt ze zich niet zoals de juf op school. Ze blijft rechtop staan, maar ze klinkt vriendelijk. Jeannette begint te huilen en hijzelf raakt in de war, hij schrikt van het verdriet. Dat Jeannette nu toch huilt. Dat wil hij niet. Hij deed toch voorzichtig, hij hield haar hand vast. Ze hoefde nog niet te huilen. Ze waren de weg kwijt, zij was bang, maar huilen deed ze niet. Daar had hij zijn best voor gedaan. Nu, met die mevrouw erbij, huilt ze. Maar hij zou Jeannette langs de vaart in de verte naar de Zwartendijk brengen, of naar de Emmastraat of de Choorstraat. Daar zou hij weten waar ze woonden. Hij zou haar redden. Hij zou haar steun en toeverlaat zijn. Ze trekt haar handje uit de zijne om in haar betraande gezicht te wrijven. Hij doet een duik naar haar rokje, naar het onderjurkje met een zakje met daaraan een zakdoekje. Dat geeft hij haar, met de nederigheid van een verliezer. Even was hij blij met het huis en de vrouw. Het is een aardige mevrouw; dat begrijpt hij wel, maar Jeannette zoekt niet meer zijn hand.

De vrouw zakt toch even door haar knieën. In één beweging tilt ze Jeannette en hem op en voor hij het weet zitten zij elk op een arm. Waar ze vandaan komen, wil ze weten, wie ze zijn.

‘Snetje,’ zegt Jeannette.

‘Bennie Borsboom,’ zegt hij.

‘O, van de Poeldijkseweg.’

‘Choorstraat 131,’ zei hij.

Dat ze verdwaald zijn, hoeven ze niet te vertellen.

‘Als ik jullie nu weer terugbreng naar de Choorstraat, weten jullie de weg wel weer.’

Hij knikt. Jeannette reageert niet. Ze huilt niet meer. Ze zitten dicht bij elkaar op de armen van de vrouw. Hij links en Jeannette rechts.

Ze loopt vooral rechtdoor; pas op het eind komen ze langs de vaart te lopen waarvan hij achter de kassen een stukje had gezien. Bij de kruising van de Zwartendijk en de weg naar Poeldijk, de Kruisweg, zet de vrouw hen weer neer.

‘Geef elkaar maar een handje en loop maar regelrecht naar huis. Daar. Ik blijf hier nog wel even kijken. In de kant blijven, niet op het fietspad lopen.’

Bij het poortje kijkt hij nog eenmaal om naar de vrouw in de verte. Hij kent haar niet en zal haar nooit meer zien. Ze zwaait. Jeannette schiet meteen hun erf op, hij loopt alleen verder, door het poortje naar hun achtertuin. De keukendeur staat open. Zijn moeder is er met iets bezig.

Hij begint ineens te huilen en loopt naar haar toe. ‘Wat is er met jou aan de hand?’

De cockpit

Vanuit zijn raam kan hij het huis van de vrouw met het schort, niet ontdekken. Hij zoekt er regelmatig naar, maar blijkbaar gaat het schuil achter hij zou niet weten wat,  en dat terwijl hij het Westland telkens weer verstild voor zich ziet als een schilderij. De paadjes die Jeannette en hij belopen achter de muur, kan hij aardig reconstrueren. Hij denkt zelfs te kunnen aanwijzen waar de berg met bloempotten te vinden is. Hij weet dat een van de vele schoorstenen voor hem bij het ketelhuis hoort dat niet ver van het huis van de vrouw vandaan staat. Maar welke? Soms meent hij tussen het glas een stukje huis te ontdekken, maar of dat dan het huis is van de vrouw? Is het wel een stukje huis?

Na Potter, als Jeannette er al lang niet meer is, kijkt hij vanuit zijn raam, en soms ook vanaf het oude muurtje aan de achterkant van hun tuin, kijkt hij geregeld naar het schilderij waarin Jeannette en hij dwaalden. Bij Potter zie je steeds opnieuw ineens een kikker en een leeuwerik.

Jeannette

Hij weet van haar verhuizing. Zijn vader wijst zelfs de plek een keer aan waar het huis gebouwd wordt waar Jeannette komt te wonen, bij de tuin van haar vader. Daar heette het Poeldijkseweg; het was maar een kilometer verderop, voorbij de Kruisweg.

Het huis is nog in aanbouw; de betonnen brug over de vaart ligt er al, breed genoeg om met een auto overheen te rijden.

Hoe moet het nu verder met Jeannette en hem? Als ze een keer in de poort aan het spelen zijn, steekt Nico zijn hoofd boven een muurtje om te zeggen dat ze moesten komen.

‘Voor de mis.’

Op het erf zijn ook andere buurkinderen, maar niet Jeannettes vervelende grote broers. Behalve Nico dan en die is niet zo vervelend. Hij heeft een jurk aangetrokken, een donkere jurk voor oude vrouwen. Op het veldje staat een keukentafel met bloempotten en flessen die allemaal iets anders voorstellen.

Dit is een roomse mis, met Nico als pastoor of priester of hoe dat heet. Nico knielt. Hij verplaatst voorwerpen, verricht handelingen die in het luchtledige blijven hangen maar zwaar zijn van een ondoorgrondelijke betekenis. Nico bidt zoals roomsen  dat doen: snel, prevelend, met teksten die niet lijken op die van de dominee in de kerk. Hij slaat een kruis. De anderen hebben weet van wat Nico doet. Bennie is de enig protestant op het erf van Jeannette, in deze roomse kerk, deze wereld van afgoderij waartegen in zijn kerk iedere zondag wordt gewaarschuwd. ‘Gij zult u voor dien niet buigen noch hen dienen.’ Hier hoort Jeannette bij. In een wereld waarin mannen jurken dragen, onnavolgbare teksten uitspreken en steeds weer knielen. De bloempotten en flessen stellen beelden voor, en kaarsen en wierookvaten of nog iets anders; dat begrijpt hij. Hij is aanwezig bij de viering van een andere wereld. Hij begint er Nico wel veel aardiger door te vinden. Dit is een spel waarin Nico echt gelooft.

Bennie kijkt vooral naar Jeannette. Zeggen haar ogen iets? Wat haar broer doet, betekent dat iets voor haar? De andere kinderen volgen Nico, maar niemand zingt mee, niemand vouwt zijn handen, geen enkel kind knielt, niemand slaat een kruisje zoals anders, bij het eten. Intussen is dit wel hun wereld; ongetwijfeld hebben ze allemaal zo’n kleine medaille aan hun ondergoed met de afbeelding van Maria of zo. In de slaapkamer van elk kind hier hangt een wijwaterbakje, naast de deur of naast het bed. Daarin dopen ze ’s avonds voor het slapen gaan hun vingers.

Hij wil dat het voorbij is en dat Jeannette en hij door de poort naar een steunbeer gaan om in het land achter het muurtje te komen en daar door het gras te lopen. Hand in hand. Dat zou hij willen.

Jeannette

Het is zomervakantie en ze zoeken elkaar vaak op. Ze spelen met andere kinderen. Er is geen kind in de buurt, geen kind op school, zijn beste vriendje niet, geen ander mens, moeder, zus, tante of oom, weet hij intussen, die zoveel in hem teweeg brengt als Jeannette. Het meisje met de doortrapper waarop hij mag fietsen zonder het te vragen, die zijn hand pakt als ze naast elkaar lopen. Die zijn hand pakte toen ze naast elkaar liepen. Met wie hij weer de wereld in wil gaan, nu om het beter te doen. Ze zouden niet verdwalen. Hij zou haar redden, desnoods over een plank over een sloot dragen, al is zij sterker dan hij, het meisje met de blauwste ogen ooit en een huid waar ook de zon zoveel van houdt. Hij houdt van het roomse meisje met die akelige broers.

Na de zomervakantie gaan ze alle twee naar de grote school. Niet naar dezelfde natuurlijk, maar ze zullen zelfs niet meer even samen een stukje op lopen ’s ochtends of ’s middags, nu Jeannette en Bennie niet meer in hetzelfde blok wonen.

Achterin hun diepe schuur hebben ze met stapels oude kranten een soort hut gemaakt. Een muur van oud papier scheidt het laatste stukje van de rest van de schuur af en daarachter hebben ze, ook al van oude kranten, een tafel en twee stoelen gemaakt. Ook alleen zit hij er graag. Hij houdt van de lucht van het papier, van de intimiteit, de stilte. Het is een kluis.

Jeanette is niet iemand om prinsje en prinsesje of koning en koninginnetje mee te spelen. Toch doen zij dat. Zij trekken zich terug in hun papieren paleis, ver van de wereld en zitten er op hun tronen. ‘Toen deed jij dit en ik zei dat.’ Dat zeggen ze niet. Jeannette zit rechtop, kijkt voor zich uit en zwijgt. Het is haar al genoeg om op haar troon te zitten. Hun tronen staan dicht bij elkaar.

‘Maar als jij dan toch de koningin was en ik de koning, zouden we dan niet ook moeten trouwen?’ vraagt Bennie toch. Jeannette knikt: ze zouden inderdaad moeten trouwen.

‘Ik ga morgen verhuizen.’

‘Maar dan moeten we vandaag nog trouwen.’

Ze staan op, het gebeurt. Misschien had Nico erbij moeten zijn, met een jurk aan. Dit is beter, zij tweeën. Ze geven elkaar een hand en blijven elkaar vasthouden als ze weer gaan zitten. Nu zijn ze getrouwd.

‘Morgen moet ik weg.’

‘Ja. We zijn getrouwd.’

‘Ja.’

De cockpit

Gaf hij haar nou nog een zoen op haar wang of niet? Hij weet het niet meer. Zelfs van hier af kan hij goed zien dat hun gezichten heel dicht bij elkaar zijn op het moment dat ze trouwen. Hij kijkt door het ruitje in de schuur, dwars door de muren van stapels kranten. Hij ziet de structuur van haar huid.

Vanuit zijn slaapkamer kan hij hun rijk overzien. De schuur. Hij ziet de paadjes achter de oude muur, tussen de kassen.

Behalve hier, voor het raam van zijn cockpit, ziet hij haar nooit meer. Dat verbaast hem. Het kan niet anders of zij rijdt nog dagelijks voorbij hun huis, op weg naar school en terug. Hij ziet haar niet meer en ook niet haar broers.

Een keer stuurt zijn vader hem nog eens langs bij het nieuwe huis. Hij moet er een kwitantie afgeven. Er is niemand thuis. Hij kijkt door het grote raam, loopt achterom, loopt een eindje de tuin in. Uiteindelijk schuift hij het papiertje door de brievenbus.

Als hij voor het raam staat overziet hij het hele Westland en er zijn plekken die hij zomaar dichterbij kan halen of hij zijn ogen nu open heeft of dicht. Hij kijkt naar een heden dat niet ophoudt, lijkt  het. Het raam en het uitzicht zijn er nog, zelfs als ook Bennie daar al lang niet meer woont.

Potter

Als hij door het Mauritshuis loopt, wordt het toch weer een beetje spannend om te mee maken hoe het schilderij van Potter op hem af zal komen als hij de zaal binnenkomt. Zal hij het doek weer zo groot vinden? Zal hij de kleurrijkheid ervan weer zo verrassend vinden dat wat hij ziet wel echter lijkt dan de gewone werkelijkheid? Komt de stier weer net zo overrompelend dichtbij? Is die stille kikker er nog? Het schilderij is een heden dat zich blijft voltrekken. Met een leeuwerik die alles overziet. Die zo hoog vliegen kan dat hij veel meer ziet dan anderen. Ook het land waardoor ooit twee kleuters dwaalden, hand in hand?

Vanaf die keer dat  hij thuiskwam met het grote schilderij van Potter in zijn hoofd, ziet hij het regelmatig overrompelend dichtbij wanneer hij in zijn cockpit voor het raam staat. De ogen van Jeannette, haar huid, haar haren. Dan luistert hij naar haar zwijgen, voelt hij de wanhoop op de stapel bloempotten. Een schilderij waarvan de kleuren nog nat zijn.

2022 en 2025

Zomaar wat plaatjes …

  • Contact
  • Privacy
© 2026 Een zachte berm | Aangedreven door Superbs Persoonlijk blog thema