12 mei 2026

Woensdagmorgen was daar dus de vrouw die met een huilend kind midden op straat zat. Ik schreef erover. Diezelfde dag, ’s middags, fietste ik met Lukas van Bunnik naar Tuindorp.
Dat is zeven kilometer en zoiets zou te doen moeten zijn voor een jongen van tien, leek me, al is het fietsen van vroeger niet het fietsen van nu. Dan heb ik het niet over het drukke verkeer, nee, het is helemaal niet meer gewoon om ook kinderen hele stukken te laten fietsen. Terwijl dat zo goed is. Dat was ook een van de redenen om Lukas met de fiets op te halen. Het was een verkapte missie om ook hem wat meer te laten fietsen. Lukas slingert. Opzettelijk. Je hebt fietspaden met een onderbroken middenstreep. Ook het kind in mij kan het af en toe niet laten om daar tussendoor te zigzaggen. Dat doet Lukas dus ook, maar ook als er helemaal geen onderbroken streep is. Hij reed keurig naast me, rechts, maar hij bleef maar zigzaggen, behalve op drukke momenten, dan hield hij zijn fiets keurig in bedwang. Telkens had ik de neiging om te zeggen dat hij maar beter kon stoppen met dat zigzaggen. Voor je het wist dook hij een berm in om vervolgens in de sloot daarnaast te kukelen, of hij kon een keer te veel naar links sturen en mij onderuit schoffelen en dan zou ik hem in mijn val meenemen. Lukas, je moet… Maar ik deed het niet. Ik zei niets en hij zigzagde onbekommerd verder. Ik hield me in en hield
hem bij, want zo was het wel: hij fietste in een stevig tempo. Hij was een fietsertje, dat was wel duidelijk.
Wel vond ik zijn fiets wat aan de kleine kant. Die bij ons in de schuur is een maatje groter en daar was hij wel aan toe. Hij had er al een paar keer op gezeten. Of hij die fietsen niet wilde omwisselen, vroeg ik hem. Maar nee, zijn eigen fiets beviel hem beter. Natuurlijk kon ik daar wel allerlei jamaars tegenin brengen, maar een opa moet zich niet overal mee bemoeien. Ik moest me sowieso gedeisd houden, want die jongen fietste kordaat met een rugzak op zijn rug (hij kwam logeren) naast me. Ik had hem toch een beetje onderschat.
Dat zei zijn moeder later ook. ‘Lukas is een fietsertje. Net als ik. En ik heb het weer van mijn vader.’ Die opmerking laat ik me natuurlijk graag aanleunen. Zeven kilometer is niet veel, maar misschien wel genoeg om me te gaan afvragen of deze Lukas niet een beter fietsertje was dan ik op die leeftijd. Al fietste ik toen veel en had ik een prettige fiets. Die kreeg ik voor mijn tiende verjaardag. Zes jaar later werd die gestolen. Dat klinkt als een roemloos eind, maar dat is het niet. Niet lang voor deze fiets uit mijn leven zou verdwijnen had ik er namelijk mee over de Laan van Meerdervoort gereden, met een meisje voor me op de stang. De oma van Lukas.
Dat bedacht ik terwijl Lukas vrolijk doorging met zigzaggen. Jammer voor hem, maar voor een geliefde was dat fietsje echt te klein en dan die stang, die liep zo schuin weg. Daar kon geen meisje op zitten. Met het oog op de liefde moet er echt een andere fiets komen. Veel jongensfietsen hebben met het oog op de liefde een verkeerde stang.
* Weer foto van internet.