Ga naar de inhoud

Een zachte berm

Len Borgdorff staat aan de kant

Menu
  • Home
  • Och heden
  • Foto’s
  • Nieuws
  • Aan de muur
  • Gedichten
    • Gedichten voor de ‘Kerst’
  • Iets anders
  • Tussen hier en daar
  • Links
Menu

Wolkje

Gepubliceerd op 13/09/202613/09/2026 door Len Borgdorff

13 september 2026

Of er in zijn beleving nog iets is, wil ik weten. Iets dat, al is het maar heel zijdelings, zou kunnen doen denken aan een hiernamaals. Ik voorzie mijn vraag van wat voorbeelden of ziens- of zijnswijzen om hem een beetje op de door mij gewenste weg te helpen, maar Aat blijft alleen maar zijn hoofd schudden. Alleen als ik zeg dat ze er bij hem wel erg bekaaid van af komen, grinnikt hij  wat.

Tot de mooiste momenten van de afgelopen jaren behoren die waarop ik midden op de dag, tijdens een lange wandeling of dito fietstocht, zomaar ergens languit kan gaan liggen. Zo’n moment dat Nijhoff in De moeder de vrouw als volgt beschrijft:

Ook ik lig graag in het gras, of op een bankje, of, zoals vorige week, op een steiger. Als het licht al te fel is schuif ik een petje over mijn gezicht, maar als dat niet nodig is, kijk ik juist graag naar de lucht. Het is leuk om een vogel te zien overvliegen en die dan te volgen. Het mooist is wel om die zolang te kunnen volgen dat die er niet meer is. Even twijfel ik dan nog. Zie ik nog een minuscuul klein puntje? Ja? Nee? Nee. De vogel is opgelost. Dat is ie niet; dat weet ik ook wel. Die vogel vliegt buiten het bereik van mijn ogen of voorbij mijn horizon. Verder dan ik reiken kan. Zo beleef ik dood ook wel beetje. Iemand gaat verder dan welke mens ook maar kan reiken. Maar hij is er, om gezien te worden door andere ogen, een andere lucht,

in een andere wereld. Heb ik het woord troost al gebruikt?  Ik geloof het niet. Hoe dan ook: dat is een troostrijk beeld. En die andere ogen en die hand beleef ik als beelden voor hoe ik God ervaar.

Naar wolken kijk ik ook graag. Hoe ze overdrijven, van vorm veranderen. Enfin, we kunnen weer Nijhoff en zijn moeder in het gedicht Wolken erbij halen , of zoals in mijn geval, mijn eigen moeder, maar daar gaat het me nu even niet om. Wolken kunnen massieve gevaarten lijken, maar er zijn tussen die witgrijze kolossen in, of in een veel lichter bewolkte lucht, ook wolkjes die langzaam verdwijnen, niet achter een andere wolk, of ervoor, al kan dat ook, niet achter de horizon of zo, nee, ze lossen op. Ze zijn er. Ze maakten misschien deel uit van een grote wolkpartij, geen idee, maar nu verdwijnen ze, houden ze op te bestaan. Zou zoiets het hiernamaals van Aat zijn? Geen vogel voorbij de horizon.

Is de vraag of een verdwenen wolk wel verdwenen is . Is wat verdampt wel weg? Volgens de wet van het behoud van energie kan die niet verloren gaan, die energie. Links- of rechtsom bestaat die voort. Geldt dat ook niet voor materie? Voor bezieling. Misschien is een hiernamaals wel verweven met  ons hiernumaals. Dezelfde ingrediënten, maar anders gegroepeerd, ook waar het om bezieling gaat.

Waarover je niet spreken kan, daarover moet je zwijgen, noteerde Wittgenstein ooit ergens en Aat zegt hem dat na. Of een gesprek over het hiernamaals daarbij hoort? Worden hier niet juist geloof en poëzie wakker?

In het gras, of liggend op een bankje, lopen waak en slaap door elkaar en hoe langer ik naar de lucht kijk, hoe meer ook nu- en namaals dat gaan doen. Tot ik het petje over over mijn gezicht trek en even achter mijn horizon verdwijn. Daarna kom ik altijd opgewekt weer overeind.

Zomaar wat plaatjes …

  • Contact
  • Privacy
© 2026 Een zachte berm | Aangedreven door Superbs Persoonlijk blog thema