31 augustus 2026

Na ons bezoek aan het Van Gogh zochten en vonden we een bankje op het Museumplein. Waarom heet dit een plein, dacht ik, waarom niet veld, zoals het Malieveld in Den Haag? Er kwam geen antwoord en dat had ik ook niet verwacht. Ik wees Gerard de skatebaan aan de andere kant van dit enorme grasveld. We zouden er een klein half uur later nog even langs lopen. Een paar dagen eerder had ik daar, aan de andere kant van dit uitgestrekte veld rondgehangen met zoon en drie kleinkinderen. De foto’s die ik toen maakte, hadden Gerard nieuwsgierig gemaakt. Het leek hem een mooi parcours om te zien. Dat was dus voor straks. Nu was het tijd voor een boterham. Ik had er vier meegenomen en bood er Gerard eentje aan. Niet nodig; hij had zelf brood bij zich. Grappig. Doorgaans lunchen we ergens op een terras. Vgoegah, vgoegah, ja, toen namen we een zakje brood mee, een stikkezakkie, op zijn Westlands. Nu deden we dat zomaar weer. Dat hield Gerard niet bezig. Hij vroeg zich af wat zo’n groot grasveld hier deed, zo midden in de stad. Ik begon over andere steden en het begrip gezonde leefomgeving was al onderweg om door mij uitgesproken te worden, alleen kwam het zover niet. We werden afgeleid door het rappe en luid uitgesproken Spaans op het bankje achter ons. Zonder rugleuning zou Gerard tegen de rug achter hem hebben kunnen leunen, zo te horen dus een Spaanse of Zuidamerikaanse rug. Ikzelf zou achterover gevallen zijn, want achter mij zat niemand. Dat hoefde ook niet: om hardop te praten heb je geen mensen in je omgeving meer nodig. Je praat via je mobieltje met iemand op afstand. Alsof je niet bent waar je bent. Net als die ander, aan de andere kant van de draadloze lijn.
Onze blikken dwaalden over het gras waar als vriendelijk vee geen schapen of koeien lagen, maar mensen. Voor een kloeke bruine vlaai op het groen hoefde niemand hier bang de zijn. Die was er niet, wel waren er mobieltjes. Een snelle blik leerde dat van de twintig mensen die ik zo links en rechts zag er vijftien bezig waren met hun glasplaatje. Als Maxima en Willem Alexander hier rondliepen, of Mulisch’ kroonprins van Bessarabië, zouden ze niet worden opgemerkt. Behalve dan door die twee kerels op dat bankje met een boterham onder hun neus.
‘Waarom hebben ze overal die telefooncellen weggehaald?’ wilde Gerard weten.
Ja, waarom? Plots zag ik het voor me. Dat overal in het land telefooncellen weer zouden worden teruggeplaatst. Zonder toestel natuurlijk en al helemaal zonder die fraaie rij telefoonboeken. Gewoon weer die appelgroene verticaal geplaatste doodskisten. En dat je dan daarheen moest als je even wilde bellen. Er mocht royaal geplaatst worden, maar niet overdreven. Het kon immers geen kwaad als je even moest wachten bij een cel. Wie weet raakte je wel met een andere wachtende aan de praat. Er zijn in het land immers heel veel wachtenden vóór ons. De beller achter het glas mocht van haar of zijn kant trouwens best een beetje voortmaken. Ik kreeg zowaar een vakantiegevoel. Zag mezelf weer in een Frans dorpje in een cel staan om mijn moeder te bellen, terwijl er andere campinggasten kwamen aangeslenterd. Het idee dat ik mijn moeder weer eens even bellen kon, beviel ook.
Denk je de vreugde eens in van al die Engelsen als ze hun iconische knalrode K6 weer mochten herplaatsen. En wij weer onze groene hokjes. Dan zou de kletstante achter ons ongestoord ons brood laten eten terwijl wij verder konden praten over het gras in de stad, de skatebaan aan de andere kant van dit immense veld. Misschien zouden mensen elkaar weer eens opmerken en groeten. ‘En kijk, kijk daar! Daar heb je de kroonprins van Bessarabië!’