20 september 2026

Twee ruimtes in Fort Vechten, hier zes kilometer vandaan, twee zogenaamde logementen in een reduit, twee logementen dus, zijn met elkaar verbonden door een tussendeur die half open staat. Een kale deur, misschien anderhalve eeuw geleden dunnetjes bestreken met een matte verf van een onbestemde kleur. Die deur staat half open, maar je kunt er niet door. Om van het ene logement in het andere te komen moet je omlopen. Aan weerszijden van die deur is dan ook nog een hekje gezet, verankerd in de grond. En waarom? Omdat je die deur niet mag aanraken. Er staat namelijk iets op die deur geschreven. Dat gebeurde honderdtien jaar geleden, met krijt, gewoon schoolkrijt. Van schoolkrijtjes heb er ik heel wat weggeschreven in mijn leven. Kilometers tekst zijn het geweest, waarvan het meeste minder dan een uur bleef staan. Veel van wat wij doen is maar beperkt houdbaar. Een tijdlang schreef ik elke maandag een zogenaamd gedicht van de week op het bord. Dat hield het dan vijf dagen uit, als niet per ongeluk een al te enthousiaste schoonmaker het niet voortijdig wegveegde, of ikzelf, op een verstrooid moment.
Maar die tekst op de deur in een reduit van Fort Vechten staat er dus al meer dan een eeuw. Vandaar die hekjes.
Wat er op staat, op die deur? Het is een vraag. ‘Wanneer zal er vrede zijn?’ Dat staat er. Er staat geen antwoord bij. Die vraag werd in de eerste wereldoorlog op die deur gekalkt door een soldaat die daar toen gemobiliseerd was. Alleen op die manier heeft dat fort in zijn geschiedenis echt dienst gedaan, als verblijfplaats voor
gemobiliseerde jongemannen die klaar stonden om, als het echt niet anders kon, deel te nemen aan wat toen de Grote Oorlog heette.
Ik weet niet aan wie die soldaat dat vroeg: ‘Wanneer zal het vrede zijn?’ Toch niet aan zijn maten die van die deur gebruik maakten – hekje was er toen natuurlijk nog niet. Of aan de korporaal. Het moment van vrede hing immers helemaal niet van Nederland af. Dat probeerde, toen met succes, buiten die wereldbrand te blijven. En was het wel een vraag, dat ‘wanneer zal er vrede zijn’, of was het de wens of een verzuchting van iemand die er niet meer in gelooft. In vrede. Zoals je zegt ‘Houdt dit nou nooit eens op?’ Of ‘Gebruiken ze hun verstand wel?’
Niets doen is geen optie, zegt organisatie PAX in de Vredesweek die gisteren begon en waaraan in de viering van volgende week ruimer aandacht besteed zal worden. Niets doen is geen optie. En dat doen we ook niet. Om verder te komen lopen we voorzichtig om de vraag heen, zodat de vraag blijft staan: ‘Wanneer zal er vrede zijn?’ Wij lezen die vraag. Deze vraag over vrede in je hart, vrede in je huis, vrede in je familie, vrede tussen fatbikes en fietsen met een lage instap, vrede in je land, je wereld, onze wereld die ook de wereld is van anderen. We kunnen niet om deze kwetsbare vraag heen. Laat die vraag daar op die deur alsjeblieft blijven bestaan, maar laten wij niet met een boog om die vraag heen lopen. Daarvoor is het te laat. We hebben de vraag nu eenmaal gelezen. We moeten er iets mee. We moeten met een antwoord komen. Iemand stelt een vraag, zo opende Remco Campert ooit zijn beroemdste gedicht. Iemand. Aan zichzelf. Aan jou, aan mij, onze kinderen, aan overheden. Telkens weer die vraag. Zelfs als we het antwoord niet een-twee-drie weten, moeten we ervoor zorgen dat de vraag niet verdwijnt, dat die blijft klinken, blijft zeuren. We zouden soms een spons willen pakken en daarmee die deur… Dat doen we niet.
Tekst vandaag uitgesproken bij viering in de Pauluskerk in Utrecht