Ga naar de inhoud

Een zachte berm

Len Borgdorff staat aan de kant

Menu
  • Home
  • Och heden
  • Foto’s
  • Nieuws
  • Gedichten
    • Gedichten voor de ‘Kerst’
  • Iets anders
  • Tussen hier en daar
  • Links
Menu

Rooie neus

Gepubliceerd op 16/05/202616/05/2026 door Len Borgdorff

16 mei 2026

Als zij een clownsneus opzet, is Carly niet een ander. Ze is dan juist zichzelf. Wel op een andere manier dan zonder die rooie dop, maar een ander is ze niet. Je kunt beter zeggen dat zij het dankzij die neus mogelijk maakt om te zijn wie zij ook is. En dat dat niet kan zonder die neus. Publiek doet er ook toe, maar er gebeurt al het nodige als ze alleen die neus al opzet. Of samen met iemand oefent. ‘Zonder de neus ben ik ook Carly, maar mét wordt er iets toegevoegd.’

Om ons heen andere gesprekken en we krijgen regelmatig hapjes en drankjes aangeboden. Een kwartiertje later blijkt ons gesprek zomaar afgelopen te zijn: andere mensen, andere woorden, andere onderwerpen. Maar zover is het nog niet.

Opmerkingen over angstaanjagende clowns hebben we al snel achter de rug. Carly heeft dan ook al duidelijk gemaakt dat clown zijn vooral een kwestie van luisteren en kijken is naar de mensen voor wie je clown staat te zijn. Die mensen moeten zich goed voelen; je moet merken dat ze blij zijn om wat je doet of laat. Daarom geen schmink, eventueel wat merkwaardige kleding. Geen rollende ogen. Wel die neus. Vannacht droomde ik dat ik langs de kant van de weg lag, samen met Mente. Er kwam een enorme stoet kinderen voorbij, eerst meisjes daarna jongens. Ze liepen niet snel en niet langzaam. Een jaar of vijftien waren ze. Vrolijk keken ze niet, ook niet droevig, maar net een tikkeltje sipper dan neutraal. Ze keken recht voor zich uit,

in de nek van wie er voor ze liep, zeg maar. De stoet was niet flets, alsof iemand aan de knop van de kleurverzadiging gezeten had, want een beetje grauw zag het er wel uit. Ze passeerden. Ons zagen ze niet.

Ik werd er wakker van. Mente lag naast me, van de kinderen natuurlijk geen spoor. Ik ben even uit bed gestapt, met een ongedefinieerd gevoel van gemis. Even later sliep ik natuurlijk weer en droomde mogelijk ook over iets waar ik me nu niets meer van herinner.

Tijdens dat gesprek vanmiddag met Carly kwam de droom terug. Ik wist ineens wat ik miste. Ik lag daar in de berm – wat ik doorgaans een prettige plek vind, maar nu wat minder – zonder iets anders te doen dan te kijken en ook zonder gezien te worden door die langstrekkende stoet van pubers, onderweg van nergens naar nergens. Jaar en dag heb ik niet stilletjes in de berm gelegen als pubers de revue passeerden, ze juist aangesproken en gezegd wat ze moesten doen, heb ik verteld van stam plus t en Henric van Veldeke. Heb ik Vondels Uytvaert van mijn Dochterken voorgelezen, idiote debatonderwerpen bedacht waarover ze elkaar verbaal in de haren moesten vliegen met steekhoudende argumenten. Gezegd dat ze niet bij hun buurman moesten kijken.

Dat was mijn rooie neus, bedacht ik nu. Een rol die ik speelde. Die rol is uitgespeeld. Vannacht kwamen die kinderen weer langs. Ik heb ze gezien alsof ik er niet was. Ik ben niet geweest wie ik ooit ook was: de man met krijtstrepen op zijn broek, de man die roept: ‘Nog één keer en ik smijt je het raam uit. Of nee, ik laat de rector halen. Laat die het maar doen. Ik ga mijn handen er niet aan vuil maken.’

De man met de rooie neus, maar dan anders. Ik werd wakker van gemis.

Zomaar wat plaatjes …

  • Contact
  • Privacy
© 2026 Een zachte berm | Aangedreven door Superbs Persoonlijk blog thema