25 augustus 2025

Op 6 december 2013 pauzeerden we bij Te Aroha. Dat was niet lang nadat Tien en ik luidkeels hadden gezongen van a waitress who was workin’ in a cocktail bar. ‘When I met you’ en het vervolg met ‘don’t, don’t you want me.’ De hele tekst ging met het nodige lala gepaard omdat we de woorden lang niet altijd paraat hadden, de overtuigingskracht werd er niet minder om.
Dat hadden we allemaal net achter de rug en nu liepen we dus door een heuvelachtig gebied waar we één picknicktafel en een heleboel lage struiken zagen. Het ging om de rangiora, een struik die makkelijk gedijt waar de omstandigheden er naar zijn, want dat is wel een punt. Vooral op verstoorde grond doet ie het goed, lees ik ergens.
De struiken zijn laag, de bladeren groot, en de onderkant is zilverachtig. Je zou er op moeten kunnen schrijven, volgens Pieter, en hij nodigde me vervolgens uit om een gedicht op zo’n blad te zetten. Een gedicht vond ik wat veel gevraagd. Een haiku zou wat omvang betreft nog kunnen, maar bedenk er maar eens eentje als je net je longen uit je lijf hebt gezongen.
Dat nam niet weg dat zo’n blad uitermate geschikt zou zijn voor een bericht van iemand die ver weg is, en verder dan Nieuw-Zeeland kun je vanuit Nederland niet komen. Daarom schreef ik dit:
Post uit Te Aroha // Dichter dan op de huid / van dit bos / kan het niet
Het blad ging mee, al bleef het in Auckland toen Mente en ik een paar weken later van Auckland terugvlogen naar Nederland.
Er was toen al een aanval gedaan op de poëtische hebbelijkheden van het blad van de rangiora. Een week na de waitress en het beschrijven van het blad liepen we elders een meerdaagse wandeling waarbij ik even kwam op te lopen met een Kiwi uit Wellington. Toen we rangiorastruiken zagen, vertelde ik dat ik op zo’n blad een tekstje had geschreven. De man lachte. ‘Het is wc-papier! Als mensen in het bos hun behoefte hebben gedaan, vegen ze hun kont af met zo’n blad.’ Met deze woorden veranderde de man mij in een strontsmeerder. ‘Daarom noemen ze het bushman’s friend,’ voegde hij er aan toe. Die naam verzachtte de pijn, al was het niet meer dan een eufemisme. Nu vonden we deze tijdelijke metgezel om allerlei redenen een wat rare kwast: hij wist alles beter en verkondigde bij herhaling dat het zo verstandig van hem was dat hij een rood hoedje droeg. Op die manier zagen eventuele jagers dat hij een mens was en zouden ze niet schieten. We deden er maar onverstandig aan om met gedekte kleuren aan het wandelen te gaan. Alsof we over een militair oefenterrein liepen? Die man met zijn praatjes kon je maar beter niet serieus nemen.
Toen ik, weer een tijdje later, nog eens naar het blad keek, zag ik daarop eerlijke inkt en een lelijk maar mij vertrouwd handschrift. Die gekke Kiwi uit Wellington ook, met zijn bushman’s friend.
Op internet las ik trouwens dat de naam van de struik, een maori-woord, hemels welzijn betekent. Dat was heel iets anders dan wc-papier. Al kan een stoelgang een verademing zijn en al helemaal als je nergens toiletpapier ziet, maar wel de bladeren van de rangiora aantreft.