26 mei 2026

Bij de eerste camera’s zag je de boel op zijn kop staan als je door de zoeker keek. Dat is een. Twee is een opmerking die Gerard ooit maakte: als je een tekening of schilderij op zijn kop zet, kun je vaak zien of de compositie klopt. In de tijd dat ik nog tekende, heel, heel lang geleden, heb ik profijt gehad van die opmerking. Toch moest ik er niet aan denken toen mijn cameraatje opnieuw kuren vertoonde. Dat kwam een dag later pas, vandaag dus.
We gaat terug naar het zweetmoment. Gerard en ik bezochten net als veel te veel anderen de laatste tentoonstellingsdag van Het geel van Van Gogh in het naar hem vernoemde museum. Daar kwamen we al vrij snel tegenover een werk van Turner te staan, waar ik me na diens kleine tentoonstelling in Dordrecht extra op had verheugd. Omdat het druk was, kostte het tijd om een foto te maken zonder al die mensen erop. Foto’s kunnen daar minder goed tegen dan de gewone ogen van levende kijkers. Toen gebeurde het: het beeld klapte om. En dat niet alleen, er kwamen ook cijfers op de display: eerst een 3, daarna een 2, toen een 1 en daarna werd de foto genomen. Dat waren twee problemen in één. De camera versprong naar de tijdopnamestand en het beeld roteerde. En dan te bedenken dat ik de camera net weer terug had van een reparatie van een reparatie van een reparatie van ellende die begon in de zomer van het vorige jaar. Al met al was ik het fototoestelletje vier
of vijf maanden kwijt geweest. Nu, sinds een twee weken, leek dat het weer goed te doen: het ging aan als het aan moest en het beeld was weer scherp. En nu dit. Na een paar keer diep adem halen, kreeg ik de telfunctie er wel uit en het roteren hield gelukkig spontaan op. Vijf minuten.
Toen was het er weer. Nu kun je foto’s wel omgekeerd nemen, maar de oriëntatie speelde me parten, zoals ik ook met het cameraatje problemen kreeg toen ik de instellingen probeerde te beïnvloeden. Dat valt niet mee met een display vol omgekeerde tekst. Of omgekeerd, een apparaat waarbij je knoppen omgekeerd moet bedienen.
Ik schaamde me voor Van Gogh. Die man had in no time een oeuvre bij elkaar geschilderd en nu stond daar zo’n lummel een beetje met zijn camera te prutsen, tussen al dat prachtige werk. Waarom? Jaar en dag heb ik zonder camera door musea gelopen. Je mocht daar niet fotograferen. Waarom die vanzelfsprekendheid om dat nu wel te doen? Waarom wilde ik dat? Waarom die foto’s terwijl het om schilderijen gaat? Ja, ook die vragen kwamen langs bij al het geel van Van Gogh.
Gerard is minstens een even onverdroten fotograaf als ik. Hij doet dat de laatste tijd met een mobieltje, wat in een museum heel goed kan. Nu fotografeerde hij voor twee, wist ik.
De camera is weer naar de reparateur en ik kan thuis rustig de foto’s van de schilderijen van gisteren nog eens herkauwen. Bij Turner, de briljante schilder met een in dit geval omineuze achternaam, zie ik dat er toch een hand van iemand voor het doek hangt. Dat is die van Gerard, zie ik. De knul die me ooit vertelde dat het goed kan zijn een werk op zijn kop te zien.