6 juli 2026

Sinds anderhalve week slaap ik met een beademingsapparaat. Dat is wel een ding. Letterlijk en figuurlijk. Letterlijk omdat het weliswaar kleiner is dan het toestel dat mijn schoonmoeder ooit had ( het zit in de familie), maar groter dan ik verwacht had. Daar komt nog een slang bij die nogal weerbarstig is en ook ruimte vraagt, om opgevouwen te liggen én om zich te bewegen. Plus een fles gedestilleerd water.
Dan zijn er – we schuiven langzaam van letterlijk naar figuurlijk – de handelingen. Reservoir vullen, leren display te lezen, slang aansluiten, slang aansluiten. En ’s ochtends reservoir en masker schoonmaken – met een zacht zeepje – om de boel later weer naar behoren te kunnen herinstalleren. Ongemak ritualiseert het leven.
Mijn onweerstaanbaarheid als echt- en bed- en gespreksgenoot en minnaar is wordt uiteraard ook geweld aangedaan. We zitten nu op het vlak van de figuurlijke betekenis. Het slapen zelf? Ik slaap ermee, laat dat gezegd zijn, maar het apparaat dringt mijn dromen binnen en bepaalt mijn waken en mijn slapen op allerlei manieren. Zo is er veel wind, die ik als storm beleef in mijn dromen, die de diepte van stilte uit mijn slaapt bant en mij geregeld wakker maakt. Er ontsnapt een koude langs mijn wang of mijn oog. Ik word wakker van het moment waarop het masker weer goed probeer te draaien en valse trek te elimineren. Ik hoor een trein en vanuit mijn scheepshut het diepe ronken van een scheepsmotor. Dat is allemaal van binnen. Aan de buitenkant heerste rust, vertelt mijn geliefde.
Ook hoef ik niet meer wakker gepord te worden omdat ik niet meer adem krijg en daarom vergeefs probeer om mezelf wakker te woelen en lucht te krijgen. En het aantal ademstops is in één klap met sprongen gekelderd, aldus de display. Je zou dus mogen veronderstellen dat ik beter uitgerust wakker word. Maar dat is niet zo. Nog niet.
Luchtwegen geven sowieso gedoe. Als ik in de Maarsseveense Plassen zwem bij een matig noordwest windje, spat er water in mijn gezicht. Soms verslik ik me en telkens ben ik daar bang voor. Bang? Dat is het woord niet, vervelend is het wel. Vandaag daarom een driehoek gezwommen. Tot zover het zwemmen (en het apparaat), nu het fietsen. Daarbij verslik ik me ook nogal makkelijk, vaak in een vliegje dat er helemaal niet is, maar wel in de vorm van een vleugje of vleugeltje wind dat ook via mijn neus bij mijn keel weet te komen om me daar even verraderlijk al hinderlijk te kriebelen. Een soort transsubstantiatie lijkt het wel.
Ik moet vaak aan mijn vader denken. Aan zijn begin en aan zijn slot. Bij zijn geboorte gaf de dokter hem op omdat het kleintje niet begon te ademen. Gelukkig dacht zijn moeder er toen anders over. Zijn dood werd later ingezet toen hij zich verslikte.
Om weer terug te komen op het fietsen: bij een klimmetje kan het vrij snel misgaan. Kwestie van kracht en van ademnood. Daar kan ik wat aan doen door klimmen zoveel mogelijk te beperken. Morgen fietsen we weer een weekje weg. Met tentjes en kookgerei voor luie koks. Oostwaarts, waar weinig heuvels wachten. Om mezelf nog meer te ontzien gaat er nu ook geen laptop meer mee.. Van dat beademingsapparaat kan natuurlijk al helemaal geen sprake zijn. Ga me daar overdag buiten adem trappen om ’s nachts wat lucht te krijgen. Ik ben niet gek!
Geen laptop dus, natuurlijk wel een schrijfblok en een pen. Als ik weer terug ben, zal ik overtikken wat ik onderweg schreef.