19 maart 2026

Ik slaap al jaren met een knuffel in mijn bed. Ik zou niet zonder kunnen. In mijn kinderjaren was dat anders. Een gemis werd dat pas toen Joris bij me op de kamer kwam te slapen. Die had er drie. Allereerst was daar de door tante Jo gebreide, slungelige pop Krelis. Daarna kwam de hond Bobbie en kort daarna een klein hondje dat Robbie genoemd werd. Die lagen bij Joris in het ledikant. Krelis was een lange, dunne boer die zich uitstekend geleend zou hebben om aan een arm of been over de grond achter je mee te slepen, wat nooit gebeurde. Wat hem bijzonder maakte was niet alleen dat onze eigen tante Jo die had gemaakt, maar ook dat er een Griet was, een boerin, de vrouw van Krelis. Iets breder, maar even lang. Tante Jo had ook Griet gebreid, voor haar dochter Betsie, een paar maanden jonger dan haar neefje Joris. Zo leefden Krelis en Griet gescheiden van elkaar. De vraag is zelfs of ze elkaar ooit gezien hebben. Ik heb ze in elk geval alletwee gekend, want ik logeerde af en toe bij tante Jo.
Het knuffelgehalte van Krelis was laag. In dat opzicht leek hij op Bobbie. Een leuk hondje om te zien, voor een knuffel misschien wat aan de grote kant met een schofthoogte, gok ik, van een centimeter of dertig. Grootte is misschien betrekkelijk voor een knuffel. Zachtheid en aaibaarheid zijn dat niet. De derde knuffel, Robbie, was veel kleiner. En zachter, kneedbaarder ook. Als knuffel werd Robbie de favoriet van Joris en zo ontfermde ik me ’s avonds over Bobbie. Met hem nam ik in bed de dag door en overdag, als Joris en ik bootje speelden in onze slaapkamer was Bobbie onze scheepshond. Bobbie leek op het hondje van Kuifje; het kan zomaar zijn dat hij aan die striphond zijn naam te danken
had. Dat weet ik niet, ik kende toen nog geen Kuifjes.
Wit met zwart zo hier en daar, Bobbie, stugge vacht waaronder houtwol en een geraamte van ijzerdraad om de vorm erin te houden. Ik zei het al: Bobbbies aaibaarheid was gering en hij zag er ook wat hoekig uit. Geen hond voor op schoot, eerder eentje om tegen te zeggen dat ie op moest houden om met zijn vuille harde pootjes tegen je op te springen. Wat Bobbie overigens nooit deed. Aanhankelijksheidsbetuigingen die zijn kant uit kwamen nam hij voor lief, maar elke blijk van genegenheid van zijn kant was hem vreemd. Toch was hij dus mijn lievelingsknuffel. Zonder geknuffel, zonder dat hij mijn knuffel was.
Vanmorgen maakten mijn eigen knuffel en ik een wandeling bij de Hoge Berg, waar het van lammetjes wemelt. Op een of andere manier deden die me zomaar aan Bobbie denken. Lammetjes kunnen vertedering oproepen, ik zie mezelf niet een lammetje op schoot nemen, zoals je dat met een kat of met een schoothondje kunt doen. Een lammetje zal op dat punt zelf ook geen initiatief nemen. Al kwam er af en toe een lammetje onze kant uit om ons nieuwsgierig te bekijken.
Ik herinner me opeens van jaren terug dat Aat en ik over een grasdijk liepen waar schapen graasden, en lammetjes. Eentje liep er achter Aat aan en bleef hem volgen. Was er geen schaap dat zich om het kleintje bekommerde? wilde ik weten. Blijkbaar niet. Toen we voor onze verdere wandeling een hek over moesten, begon het lam te mekkeren. Dat bleef het doen terwijl we verder liepen. Het bleef bij het hek staan roepen om Aat.
Bobbie zou dat ook gedaan hebben. Die zou meegelopen zijn, al weet ik niet met wie. Maar dat kon Bobbie dus niet, lopen. Slijten wel, Daarom weet ik dat honden van binnen bestaan uit houtwol en ijzerdraad.