Ga naar de inhoud

Een zachte berm

Len Borgdorff staat aan de kant

Menu
  • Home
  • Och heden
  • Foto’s
  • Nieuws
  • Aan de muur
  • Gedichten
    • Gedichten voor de ‘Kerst’
  • Iets anders
  • Tussen hier en daar
  • Links
Menu

Hulpstukken

Gepubliceerd op 15/08/202615/08/2026 door Len Borgdorff

14 augustus 2026

Omdat elke dag genoeg heeft aan zijn eigen leed, beperk ik me even tot deze vrijdag. Dat is de dag waarop ik als een flinke vent mijn dagelijkse rondje fiets en in deze zomermaanden ook nog afstap om een stukje te zwemmen in de Maarsseveense Plassen. Er zijn dingen waar ik graag mee te koop loop. Dit uitje hoort daarbij. Wat ik daar níet bij vertel is dat ik sinds een week eerst een zwemboei om mijn middel gesp voor ik het water in stap. Dat is geen stiekem geval dat je zomaar even wegmoffelt. Dat kan wel, maar dan moet je hem niet opblazen en daarmee verliest het ding zijn functie.

Ik ben een stuk groter dan die boei, hoe ver ik die ook op zou blazen, maar eenmaal in het water zijn de rollen omgekeerd. Dat is ook de bedoeling. Ik weet het. Ik ben niet gek. Het gaat er juist om dat je gezien wordt als de nood aan de man is. Dat is deze weken amper een probleem, maar het gebeurt regelmatig dat er verder niemand is. En dan kun je nog zo’n grote oranje boei met je mee trekken, er is niemand die je ziet.

Toch doe ik het. En de druppel die me daartoe bracht was een opmerking van een andere zwemmer, met zo’n ding, die me vertelde dat hij laatst iets in zijn benen voelde dat leek op beginnende kramp. Het viel allemaal mee. Niets aan de hand eigenlijk, maar net genoeg om hem ertoe te brengen om toch maar zo’n boei te bestellen. Dan kon hij in ieder geval een beetje leunen.

Bij het zwemmen had hij totaal geen last van het ding. En wat zo handig was: je kon je kostbare spulletjes mee het water in nemen.

Niet je fiets, maar wel de sleuteltjes. En je mobieltje. Er zijn zelfs mensen die er wat kleding in stoppen, weet ik nu.

De boei als kluisje dus. Dat laatste hoor ik intussen het vaakst.

Zo is het gegaan. En nu zwem ik dus samen met mijn fietssleuteltje en ook een keer met mijn portemonnee. Je hebt het ding amper in de gaten. Wel probeerde de boei me vorige week in te halen toen er een stevig windje stond. Het is hem niet gelukt. De boei dus.

Aan een bril raak ik intussen al aardig gewend. Dat moet ook wel, want zonder valt er goed te zwemmen, maar lezen kan ik helemaal niets en een schilderij is zonder bril niet aan mij besteed. Moet ik niet aan denken! De bril.

Kunstgebit? Nee. Zal er waarschijnlijk ook nooit komen. Gehoorapparaat? Lijkt me een kwestie van tijd. Maar ik heb sinds anderhalve maand wel een beademingsapparaat naast mijn bed staan. En dat betekent dat ik ’s avonds een masker om mijn hoofd wikkel. Dat is niet het goede woord, wikkelen, maar zo voelt het wel. Bij het omdoen, maar ook bij het liggen. Ik krijg een stoot lucht toegediend die er voor moet zorgen dat ik minder vaak en minder lang stop met ademen in mijn slaap. En het werkt! Als een profwielrenner bekijk ik elke morgen mijn score. Mijn gemiddelde van 23 stops per uur is intussen teruggebracht naar acht. Van hogerhand wordt de druk nu wat opgevoerd om onder de vijf te komen.

Dat zijn mooie dingen, zou je zeggen. Ik zal het niet ontkennen. Maar ik word er toch ook een beetje droef van. Mijn zus en broer lopen vaak met braces om hun handen. Artrose. Die dingen schijnen pijn te bestrijden. Zou voor mij ook wat zijn. Maar ik wil het niet. Niet nog een hulpstuk.

Hoor ik nou een rollator ritselen in de gang?

Zomaar wat plaatjes …

  • Contact
  • Privacy
© 2026 Een zachte berm | Aangedreven door Superbs Persoonlijk blog thema