27 oktober 2026

Pas gisteren kwam het ervan weer bij Petra langs te gaan. In zijn verhaal over een bezoek aan een honderdjarige zegt Godfried Bomans ‘ik begreep dat het nu een kwestie van seconden was.’ En dan: ‘Daar hing de honderdjarige aan de touwen: hij was bezig een vogelnestje te maken. Ik kroop bijna in zijn oor en gilde: ‘wel gefeliciteerd!!’ De jubilaris schudde het hoofd, maakte een dubbele salto en sprong op de grond. ‘Ik ben niet doof’, zei hij.’
Petra is dat wel en ze zit in een luie stoel waar ze regelmatig uit opstaat om haar kromme, honderd jaar oude lijf een beetje te strekken.
Een bezoek aan haar is niet een kwestie van seconden, maar lang wachten is ook niet handig. Dus reden we gisteren naar Petra. We moesten wel zelf taart meenemen, maar die zou zij betalen.
Toen we binnenkwamen, keek ze niet eerst naar het lekkers dat we meegenomen hadden, maar naar haar portemonnee. Dat gaf mij de tijd om naar de kaarten op de deur te kijken. Voor haar honderdste verjaardag. En dit waren ze niet eens allemaal, want tussen de stapels en stapeltjes boeken, tijdschriften en kranten waren er nog meer te vinden. Dat werd duidelijk toen we aan de thee (Mente), koffie (ik) of een glaasje water (Petra) zaten. Met taart dus. Ze kon precies vertellen wat waar lag. Dat was ook nodig, want ik vroeg natuurlijk of ze intussen al iets van Joop en Rita had gehoord, twee oud-collega’s die na hun pensionering een nieuw leven in Wenen zijn gaan opbouwen, maar die jaar en dag tot trouwe bezoekers van Petronella behoorden. ‘Al iets gehoord uit Wenen?’ vroeg ik. Ze gebruikte één enkele vinger als
trefzekere afstandsbediening om Mente uit een stapeltje een grote smoezelige kaart tevoorschijn te laten trekken. Die had de reis van Wenen naar Driebergen niet ongeschonden doorstaan. Dat zag je meteen. Waterschade. Pas een maand na Petra’s verjaardag was hij bezorgd, terwijl die echt ruim op tijd in Oostenrijk op de post was gedaan, dat kon je aflezen aan de datering. Een maand te laat, smoezelig, maar door de posterijen wel keurig in plastic verpakt.
In de week na haar verjaardag, anderhalve maand terug, belde Petra me af en toe op om te vertellen van wie ze nu weer een kaart had gekregen of om haar duidelijk te maken wie een afzender ook al weer was. Meer dan tien oud-collega’s hadden haar bedacht, terwijl ze in 1984 al afscheid van ons had genomen.
Petra was erg blij met de kaarten en de brieven, heus, maar ze maakte zich vooral zorgen over Joop. Waarom had die niets van zich laten horen? Dat was toch niets voor hem. Dat is juist: dat is niets voor Joop. Maar ja, veronderstelde ik toen via de telefoon, mijn vakantiepost komt ook regelmatig pas ergens op de deurmat als ik al lang en breed thuis ben. Petra moest geduld hebben. Zou hij het misschien toch vergeten zijn? vroeg ze zich af. ‘Nee’, zei ik, ‘hij heeft me deze week gemaild om me te attenderen op een spelfout die ik had gemaakt, en in dat mailtje ging het ook over jou.’
Bij een volgend telefoontje vroeg ze zich af of Joop of Rita misschien iets was overkomen. Ik kon haar vertellen dat ze op dat moment elders in Oostenrijk een weekje vakantie vierden.
Daarna kwamen er geen telefoontjes meer uit Driebergen en ik had mijn hoofd bij andere zaken. Maar nu, nu we haar bezochten wilde ik toch echt weten of er uit Wenen wel een levensteken gekomen was. Ik was misschien net zo blij met de kaart als Petra. Intussen trok Mente uit een andere stapel op aanwijzing van Petra een paginagroot artikel tevoorschijn. Honderdjarige Petra Struyk viert haar verjaardag met high tea, staat erboven.