27 juni 2026

We gaan even terug. Bij de Och Heden van gisteren stond geen foto. Een gemiste kans, want die beklagenswaardige reiger midden op dat weiland zou een aandoenlijk plaatje hebben opgeleverd. In een poging dat een beetje goed te maken heb ik vanmorgen toch maar een camera meegenomen. Om het weiland alsnog te fotograferen. De reiger zou er wel niet meer staan, veronderstelde ik, en dat was ook zo. Er was meer gebeurd: in de brandende hitte is gisteren het hooi van het land gehaald. Misschien dat de reiger daarbij is meegenomen en nu deel uitmaakt van een hooibaal. Balen zag ik er trouwens niet. Geen rollen en geen blokken. Toch zet ik alsnog de foto van vandaag bij het stukje van gisteren.
Maar we gaan niet alleen terug in de tijd, we gaan ook een paar honderd meter terug op onze route. Nu om even af te stappen bij Hoeve De Klop.
Trouwe lezers met een goed geheugen weten dat ik het de afgelopen jaren af en toe had over een oud wit huis, bij fort Aan de Klop. In de tijd dat ik er iedere dag langs kwam onderweg naar school, woonde daar een oude vrouw, die Trouw las, op het CDA stemde, de luiken van het huis elke avond sloot om ze de volgende morgen weer te openen, en dat vaak op het moment dat ik langs reed. We hadden er een gewoonte van gemaakt om elkaar te groeten. De vrouw werd ouder en haar verval nam toe. Ik heb haar een jaar of vijf geleden nog eenmaal achter een rollator zien strompelen. Kort daarna verdween ze in een verpleegtehuis.
Het verval van het huis was intussen ten hemel schreiend. Ik begreep dat er een stille strijd gaande was tussen de kinderen van de vrouw en de gemeente. Het huis verloor zijn luiken, er vielen gaten in het dak. Het oude cement verdween tussen de stenen. Als ik niet zo’n flinke vent was geweest, zou ik na iedere fietstocht huilend zijn thuisgekomen, want het was een aandoenlijk huis. Mooi gelegen. Een historisch pand. Een monument waarover geen strijd zou mogen zijn. Maar de algehele verpaupering ging door.
Er kwam oranje dekzeil over het dak waarvan de nodige dakpannen weggleden. Het huis
werd nog even gekraakt, maar de krakers vertrokken al na een paar dagen omdat de boel ieder ogenblik kon instorten, ook al had iemand wel hier en daar stempels neergezet om de vergane glorie nog een beetje overeind te houden. Buiten stutten balken de gevel aan de achterkant. Die is nu overigens verdwenen.
Want opeens, anderhalve maand geleden, kwamen er hekken, kwam het erf vol te liggen met oude gribus die een fietstocht later was weggehaald. Het erf was leeg. Nog weer later hoorde ik getik als ik aankwam en ik zag hoe mannen bakstenen aan het bikken waren en in keurige stapels op het erf legden. Aanvankelijk keek ik daarvoor door gaten van waar ooit vensters waren. Nu er hele muren verdwenen zijn is de onttakeling nog beter te volgen.

Die onttakeling moet leiden tot wederopbouw begrijp ik nu, mede dankzij een informatiebord. Daarop lees ik dat hoeve De Klop dateert uit de zestiende eeuw, dat er in de loop van de tijd het nodige aan verspijkerd is, maar dat men nu met een verbouwing bezig is die recht wil doen aan de oude staat van het pand terwijl daarin nog vele jaren met plezier gewoond kan worden. Het bord vermeldt ook dat het boerderijtje niet te koop is. Het blijft in de familie.
Zo komt het toch nog goed.

De boerderij in betere tijden.