10 april 2026

Het kruis om mijn nek rammelde niet aan zijn ketting zoals een amper te temmen dier kan doen. Volgens de verhalen dan; eerlijk gezegd kan ik me niet zo gauw een beeld uit mijn leven van alledag voorstellen waarin een beest voorkomt met een ketting om zijn nek of poot. Ik heb veel beangstigends of meelijwekkends daaromtrent alleen maar van horen zeggen of van zien via tv of schermpje of lezen in krant of boek. Mijn wereld wordt bevolkt door genegenheid in huis, bloeiende bomen in de straat en fietscomputer die het doet en nu dus inderdaad een kettinkje dat is gebroken. Een kwetsbaar zilveren kettinkje dat om een pootje van een pimpelmees zonder moeite kapot getrokken had kunnen worden. Toch heeft dat kettinkje bijna vijftig, wat zeg ik, zestig jaar om mijn nek gezeten. Met een tussenpoze van jaren omdat mijn huid het zilver slecht verdroeg, maar dat bleek na verloop van tijd voorbij.
Zo is het gegaan. Gisteravond dronk ik ter afronding van de dag nog een restje sap, uit een bijna leeg pak aan mijn mond. Ook de laatste druppel wilde ik niet missen. Dat was dom. Die gleed namelijk snel naar mijn hals waar ik hem met een duim in één beweging niet alleen in zijn vaart probeerde te stoppen maar ook weg wilde vegen. Dat lukte. Meer nog: in diezelfde beweging wist ik ook nog het kettinkje stuk te trekken. Het kruisje dat er aan gebengeld had, viel op de grond. Onhoorbaar.
De vijf-, zestienjarige die ik ooit was, behing zich een tijdje met allerlei kettingen en
armbandjes. Ik vond ze gisteren terug in een envelopje. Afrikaanse kraaltjes, een belletje, een leren veter, een zwart geëmailleerd kruisje dat ik ooit zelf had gemaakt, met een rood hart in het midden. Niet iets om ooit nog te dragen, ook niet iets om weg te gooien. Gelukkig maar, want ook dit kruisje hing aan een kettinkje. Net zo zwart als het kruisje zelf, maar uit een doop in een reinigingsbadje kwam het zilverkleurig tevoorschijn. Wie wat bewaart. Gek, dat ik meteen wist waar ik die oude rommel zoeken moest.
Er zijn nog wat vragen. Bewaar ik het kapotte kettinkje en schuif ik het bij de rommeltjes van bijna zestig jaar geleden of gooi ik het weg? Waarom gooi ik dat hele envelopje niet meteen weg? Hoe lang zal dit nieuwe kettinkje? Het is nog dunner (en ouder) dan het vorige.
Waarom draag ik het kruisje ook alweer? Het is bedoeld als een hernieuwd, bescheiden statement. Te bescheiden om als sieraad aangemerkt te kunnen worden. Geen grote zilverkleurige plak waar je als gotic mee wegkomt. Niet zo manifest dat met mij onmogelijk een gesprek te beginnen zou zijn zonder het ook over dat kruis te hebben. Mijn kruisje is een bescheiden statement dat aangeeft dat ik een dergelijk gesprek niet uit de weg wil gaan.
Maar er wordt me nooit gevraagd waarom ik dat kruisje draag, dat vriendelijke, kleine kruisje aan een smal, kwetsbaar kettinkje. Een houten kurkentrekker, zoals Franciscusadepten wel dragen, is me te veel, al nodigt zo’n taukruis eerder uit tot een gesprek. Misschien. Al zullen er ook mensen zijn die denken dat ik Teun heet, of Tom of Ted.
Het kruis hangt weer om mijn nek. Met een gewicht dat geen last is.
* De foto is uit 1971