2 augustus 2026

Wie zou niet wenen, stond er boven het stukje in het blad van onze padvindersgroep de Rambonnetgroep in Naaldwijk en dat blaadje zal ergens in augustus of september 1962 verschenen zijn. Ik was een diepgelovig welpje dat in die jaren met volle overtuiging de leer van de padvinderij aanhing en daar mijn ziel en zaligheid van liet afhangen. Daarom spelde ik dat clubblad. Wat er te wenen viel, heb ik indertijd regelmatig herlezen. Bij een auto-ongeluk in juli van dat jaar waren de beide ouders van een gezin omgekomen waarvan er vier ook op de padvinderij zaten, een vijfde deed af en toe mee en de jongste van dit gezin met zes kinderen was er nog te klein voor. Het ging hier in mijn beleving om het padvindersgezin bij uitstek, maar ik kende die mensen niet. De twee jongens zaten als leiding bij de verkenners en de drie meisjes, ja, die zaten natuurlijk bij de meisjes, eentje als kabouter en twee als pv’ster, zoals dat heette. Pas na dat ongeluk kwam ik erachter om wie het ging. De afstand bleef.
De oudste van het gezin, vaandrig bij de verkenners, ging kort daarop naar de marine. Hem zag ik pas in de winter daarna, toen hij gebruind, in mariniersuniform een keertje langskwam bij een groepsbijeenkomst. Hij werd eerbiedig aangestaard. Mooie, stoere jongen, mooi uniform, gezicht dat fraai door de zon beschenen werd. Dan ook nog die tragische achtergrond. Toch was hij vrolijk. Hij genoot ervan om hier te zijn. Ik zag hem op afstand en vond hem een held, een soort Elvis Presley van de Rambonnetgroep, of liever Cliff Richard, want van mijn zussen en mijn grote broer had ik geleerd dat die veel beter was.
Dat was het. De echte winter moest nog komen en hij ging weer terug naar Aruba. Ik
zag de popster van de padvinderij pas een half jaar later terug. De welpen hielden toen hun zomerkamp in Zeist. Natuurlijk trok ik ook daar vooral op met mijn vriendje Dirk, maar ook met Hanneke, vier jaar ouder dan wij, schoonzus van onze Akela, meegegaan als extra hulp. Struise, goedlachse meid, die bij het eten, maar ook op andere momenten bij ons kwam zitten, bij Dirk en mij. Daar waren we trots op. We hadden veel plezier met zijn drieën, en wij tweeën, Dirk en ik, werden verliefd. Heel erg verliefd, op Hanneke. Dirk en ik waren kameraden in de liefde. We wisten heus wel dat wij als jongetjes van tien geen schijn van kans hadden. Zo’n mooie, grote meid zou nooit verliefd worden op een van ons. Praktisch voordeel daarvan was dat we elkaar dan ook niet als concurrenten hoefden te zien. Nee, wij konden juist eindeloos met elkaar praten over onze geliefde. Dirk en ik deelden schoolbank, kerk, gymnastiek, een straat om in te wonen, het welpschap en nu dus ook een liefde waarvan onze harten overliepen. Voor Hanneke die ons telkens opzocht en toch een onbereikbare prinses bleef, omdat wij in alle opzichten een maatje te klein voor haar waren. Wij mochten al gelukkig zijn met de kruimels van haar aandacht en dat waren we ook.
De popster van de Rambonnetgroep kampeerde die week met een groep verkenners bij Austerlitz en op een middag kwamen zij bij ons welpjes op bezoek. In de verte hoorde ik geroep en gelach. Ik liep naar buiten. Tussen de bomen verschenen de vaandrig en zijn gevolg. Om zijn schouders lag Hanneke, als de buit van een jager, zoals je wel op plaatjes zag. Deze buit lachte en ze spartelde met haar benen zodat haar jurk om het gezicht van de vaandrig wapperde. Twee onbereikbare grootheden. Cliff Richard meets Brigitte Bardot, zoiets. Ik voelde me krimpen. Zo’n vaandrig, dat was me wel duidelijk, kon moeiteloos de hele wereld naar zijn hand zetten. Zodra Aat er was, zag Hanneke Dirk en mij niet staan. Dat begrepen wij.
* De foto bij dit stukje komt van internet en is van 2023. Toch zou dit zomaar het gebouw van 1962 kunnen zijn.