17 april 2026

Met fietsen had de eerste helft van de dag en van de reis amper te maken. De trein bracht ons met fiets en al naar Dordrecht. Daar reden we nog geen kilometer om ons allereerst uitgebreid met Turner bezig te houden, de man met die fraaie voornamen: Joseph Mallor William. Van hem hangt er namelijk momenteel een mooie selectie in het Dordrechts Museum. Je zou kunnen zeggen dat hier, bij Dordrecht de victorie van deze Engelse schilder begon. Hij kwam hier begin negentiende eeuw heen omdat hij zijn hart had verpand aan zeventiende-eeuwse Hollandse meesters, zo heet dat, als Van Ruysdael, Hobbema, Van Goyen en vooral Aelbert Cuyp. Zijn bewondering was de Engelsman wel een reis waard, al bezocht hij ook Duitsland. Cuyp inspireerde in 1818 Turner tot zijn The Dort Packetboat. Al meer dan twee eeuwen hangt het grote schilderij in Londen mooi te wezen, en nu dus, voor het eerst op de plek waar het verwekt werd.
Ik houd van Turner, om de kracht van zijn
transparantie, de kracht van zijn verfstreken, het gevoel voor water, lucht en beweging, om zijn verstand van verf als spul en als substantie van kleur. Om zijn gevecht daarmee.
Van zijn zeegezichten zagen we tijdens onze fietstocht naar Brielle vervolgens vrijwel niets terug. Er was water, maar geen zee. Er was wel veel groen. En er was lucht. We fietsten zeventig kilometer onder de lucht waarnaar we keken alsof het een lucht van Turner was.
Tuur en ik trapten al met al door een mooie voorjaarsdag met veel kakelvers groen, plezierig overdadig raapzaad en dus veel lucht. Luchtfietsers waren wij. Die alle tijd hadden om Turner te herkauwen en zijn luchten tot maat voor alle luchten te verheffen. Ik miste de verfstreken.
Eén ding is duidelijk: voor mijn verjaardag vraag ik een zeeschap van Turner. Hoeft niet per se een grote te zijn.
