13 april 2026

Vorige week. Boven het stopcontact zaten twee witte vlekjes. Je moest er wel de tijd voor nemen om ze te zien, maar dat is voor een meisje van drie dat er af en toe haar middagdutje doet geen probleem. Ook niet als de dikke gordijnen dicht zijn. Dat slapen ’s middags is bezig uit haar patroon van de dag te verdwijnen, al klautert ze nog steeds naar boven, naar het ledikantje om vandaar uit op haar gemak rond te kijken. En dan die vlekjes te zien. Om ze steeds weer te zien en om vervolgens te bedenken dat het oogjes zijn. Dat die oogjes naar haar kijken, die witte oogjes in de donkere wand.
Vandaar dat we na een tijdje door de babyfoon horen roepen dat er oogjes zijn. ‘Er zijn oogjes. Er zijn oogjes.’ Nora kent de kracht van de herhaling.
Haar oma heeft er kortemetten mee gemaakt door de oogjes met een viltstift zwart te maken en omdat dat niet genoeg is heeft ze ook nog eens een liefelijk plaatje over de oogjes geplakt. Een plaatje voor een poëziealbum. Nora heeft het allemaal gezien. Ze heeft er met haar neus bovenop gestaan toen ik een viltstift zocht. Ging mee naar zolder om erop toe te zien dat oma de oogjes wegkraste. Ging mee om een mooi plaatje uit te zoeken. En zo verder. Ze wilde na afloop zelfs nog even in het ledikant, zonder slaapzak deze keer, om te constateren dat de oogjes hadden plaatsgemaakt voor een vriendelijk tafereel. Nora ziet dat het nu goed is.
Deze week. Weer komt na verloop van tijd via de babyfoon het bericht onze kamer in dat er oogjes zijn. ‘Er zijn weer oogjes. Er zijn weer oogjes!’ En inderdaad: er zijn nog meer oogjes. Nu zijn die te vinden op de rug van een boek te midden van een hele reeks andere kinderboeken, want de meeste daarvan vind je ook in het kamertje waarin Nora slaapt als ze bij ons is. Het gaat om boeken met kleurige, levendige ruggetjes. Op één daarvan, op ‘Ik ben Vincent en ik ben niet bang’ van Enne Koens staan inderdaad twee oogjes. Ze zijn duidelijk bedoeld om te laten zien dat Vincent van zoiets niet bang is. Maar Nora dus nog wel. Die Vincent uit het boek mag zijn angsten overwonnen hebben, maar Nora niet. Zij kent die jongen helemaal niet en lezen kan ze ook niet. Daar staat tegenover dat Nora doorgaans voor niets en niemand bang is en met veel bombarie en vol zelfvertrouwen op de wereld afstapt. Indringende oogjes zijn net iets teveel gevraagd van een dappere peuter. ‘Er zijn oogjes. Er zijn weer oogjes.’
Ik heb het boek indertijd met veel plezier gelezen, maar voor iemand van drie is dat nog teveel gevraagd. Intussen vind ik het wel jammer voor de schrijfster. Het idee dat de zo vriendelijk Enne Koens met een boek van haar een klein meisje de stuipen op het lijf jaagt! Ik zou het Nora allemaal zo graag willen uitleggen. Maar het heeft geen zin. Tegelijkertijd vind ik het sneu dat dit boek van Enne Koens nu omgekeerd in de kast staat. Als een gevaarlijk boek. Volgende week. De tijd moet nog leren of deze simpele maatregel wel afdoende heeft gewerkt. Het zou zomaar kunnen wezen dat Nora ziet dat het boek er nog gewoon staat, maar dan met zijn ruggetje naar de muur. Wie weet klautert ze wel een keertje met slaapzak en al uit het ledikantje om het boek om te draaien en vervolgens via de babyfoon te roepen dat er oogjes zijn. ‘De oogjes zijn er weer. De oogjes zijn er weer.’