8 mei 2026

Nog geen 500 meter van huis trof ik een gevallen vrouw aan, met huilend kind op schoot. Midden op de weg. Een rustige straat, dat wel. Maar toch, ze zat er wel en zeer tegen haar zin. Ze zat er al toen ik kwam aangefietst, maar moeilijk was het niet om te begrijpen wat er was gebeurd, want behalve dit zeer aangeslagen tweetal op het asfalt waren daar een omgevallen bakfiets, een kilometertellertje en, jawel, een mobieltje. En een geparkeerde auto. Kwam nog bij dat de moeder, want het gaat om een jonge vrouw, maar tegen het jongetje bleef zeggen dat het zo dom was van mama. ‘Kereltje, kereltje, toch’, dat zei ze ook. Het jongetje had schrik, dat was duidelijk, maar verder was hij er onbeschadigd afgekomen. De moeder had een schram op haar elleboog en ik zag een bloedende vinger.
Ik zette de bakfiets overeind, stak het losgeschoten tellertje weer in zijn houdertje en raapte ook het ellendige mobieltje op. De auto waar ze tegenop gereden was, had een klein krasje onder de bumper. Zichtbaar voor wie naar sporen zocht van het ongeluk, maar zelfs de eigenaar zou het waarschijnlijk nooit zien. De vrouw zou straks even een briefje onder de ruitenwisser stoppen.
Zelf had ik geen pen en papier bij me; wel zat er een pleistertje in mijn portemonnee. Een pleistertje? In je portemonnee? Dat is een ander, overigens nogal oninteressant, verhaal. Neemt niet weg dat die pleister nu goed van pas kwam. Niet omdat de bloedende vinger er ernstig aan toe was, wel omdat het jongetje door die rare vinger van zijn moeder steeds meer verontrustende, rode vlekken op zijn kleren kreeg. Het jongetje had intussen de tijd gekregen aan
mij te wennen. Hij had begrepen dat ik een helper was. Hij liet zich gewillig door mij omhoogtrekken, zodat zijn moeder kon opstaan. Het leek allemaal wel mee te vallen. Ik hoefde daarom niet ook nog een zakdoekje tevoorschijn te trekken waarmee moeder en kind rare vegen konden verwijderen. Het voerde me te ver om het neusje van het jongetje te gaan snuiten en zijn gezicht af te vegen.
Ik voelde me heel erg de schoolmeester die ik ooit was. Op mijn kamer op school had ik regelmatig te maken met huilende kinderen en soms ook huilende moeders. Daarom stond er in een hoekje altijd een fles water met wat bekertjes en in mijn tas had ik een pakje papieren zakdoekjes. In een etuitje. Zo zag het pakje er altijd netjes, vers uit, bleven de tissues glad en strak. Het deed me altijd goed om die dingen paraat te hebben. Schoolmeester ben ik allang niet meer, maar dat pakje met zakdoekjes in een etuitje is gebleven, al leven we intussen wel drie etuitjes later (ook weer een ander verhaal). In mijn bidon had ik trouwens water zitten.
Nogmaals, er kwam vandaag geen zakdoekje aan te pas en ook het water werd niet gebruikt. Maar dus wel dat pleistertje dat min of meer toevallig in mijn portemonnee was blijven zitten.
Natuurlijk heb ik niet gezegd dat die vrouw niet zo stom had moeten zijn om nota bene met een kind in de bak van haar elektrische geval, fietsend nog wel, met haar mobieltje te gaan zitten rommelen. Dat begreep ze zelf nu ook wel.
Dat pleistertje was handig. Maar het was toeval dat ik het bij me had. Wat ik me nu afvraag: zal ik weer een ander pleistertje in mijn portemonnee stoppen? Je weet maar nooit.
* De foto is van internet geplukt.