25 april 2026

Er valt niet veel over te zeggen maar het leven was er bijzonder goed. We zaten er in de zon en zo heel lang heeft dat niet eens geduurd. Anderhalf uur, twee? Ik weet het niet. De tijd stond er stil. Dat was het vooral. Op de stoelen in de tuin, ook op de banken trouwens, lagen platte kussens in gebreide hoezen. Vrolijke kleuren, allerlei patronen. Mijn zus plukte er en passant eentje van een stoel: twee kussens op elkaar zat nog lekkerder. Dat deed ze handig, dat pakken. Je moet bedenken dat zij bij het lopen ook al een rollator moest voortduwen en dat over een pad dat rijkelijk was bestrooid met scherpe losse steentjes.
Toen we zaten, zaten we. Dat wil zeggen: zij zat en ik stond al weer op om binnen iets te bestellen. Koffie voor haar en ik verse muntthee. En twee tosti’s. Zij een gewone, maar wel met wit brood, ik een Ruinense, bruin. ‘Ik weet niet of dat er nog is,’ zei de vrouw achter de toonbank. ‘Is er nog wit brood!’ riep ze naar achteren. Er waren nog twee sneetjes. ‘Die zijn voor mijn zus,’ zei ik.
We hadden het goed, daar in de zon, in de luwte, op de stoelen met de leuke kussentjes, zoals die ook op andere stoelen lagen. Met onze koffie en thee. En tosti’s die naar ons onderweg waren. Toen die ons bereikten, was een halve opmerking genoeg. De witte tosti was per ongeluk ook een bruine geworden. ‘Macht der gewoonte,’ zei de kok, die een tand minder ruim compenseerde met een veelkleurige bloes uit Kenya. ‘Ik eet hem zelf op. ’t Is toch lunchtijd.’
We keken naar de tafels voorbij het terras met daarop plantjes waarvan mijn zus er straks een paar zou kopen. We keken naar de bomen die om de Luie Tuinman heen stonden. Zo heet deze theetuin annex kwekerij. We hadden het over de aandoenlijke kleurschakeringen van het jonge blad dat uit de boomtakken tevoorschijn was gesprongen. Daarna zeiden we even niets en bleven er naar kijken. Ook naar al die plantjes. Straks, was de bedoeling, zouden ze in een border of een plantenbak terecht komen, waar ze niet meer zo tot hun recht zouden komen als hier in deze uitgestrekte tuin.
‘Ik denk dat de kok extra beleg op mijn tosti heeft gedaan om het goed te maken.’ Een paar minuten later zei mijn zus het nog een keer. Ze was erg tevreden; dat was duidelijk. Achter de bomen was de diepte van het grasland en daarachter weer bomen. Coulissenlandschap, maar dan anders dacht ik. Ik zei het niet. Ik zei wel: ‘Dit is de beste plek van de wereld.’ Ik was hier al eens eerder geweest, daarom voegde ik er aan toe: ‘Hier schijnt altijd een voorjaarszon en hier woont de luwte. Hier is het altijd groen en dan al die kleurige plantjes en kussentjes’ ‘En de tosti is heerlijk,’ zei mijn zus. Zij had voor deze gelegenheid speciaal een pilletje genomen om haar lactose-allergie te pareren en het eten van een tosti met wit brood mogelijk te maken.
Er valt niet veel over te zeggen verder. We hadden het ergens en nergens over, we zwegen, we keken, we aten en we dronken. We waren twee katten in de zon. Maar dan op een stoeltje met een leuk kussentje en met een zonnebril op. Dat was het wel zo’n beetje.
* De foto is van internet geplukt.