7 april 2026

Op de kop af zestig jaar geleden kwam Ank achter het bureau te zitten. Dat was een hele verandering. Tot nog toe hadden daar twee oudere mannen gezeten, meestal alleen ’s ochtends. Nu een meisje van achttien, bijna negentien. En niet voor een halve dag – waar ik als scholier vrijwel niets van merkte – maar ook ’s middags. Zo werd de voorkamer nog minder onze voorkamer en vooral kantoor. Dat neemt niet weg dat ik daar uit school de thee dronk die mijn moeder had gezet, nu met Ank erbij. Mijn moeder vond dat gezellig. Het viel me op dat die veel vertelde aan de beleefde en wat stille, maar vriendelijke Ank. Mijn moeder voelde zich bij haar thuis.
Dankzij Ank kwam ik vanaf toen ook aan een baantje voor in de zomervakanties. Vijf of zes jaar reed ik in juli en augustus voor half zes naar de tuin van haar vader en broer om daar tomaten te plukken en zo. Met Anks vader en broer, die alle twee Willem heetten, én met haar iets jongere zus Margriet. De meisjes hadden een hoofddoek om, meestal een grote boerenzakdoek, en ze droegen een oud wit overhemd van hun vader. Wit, zeg ik, maar zo’n hemd was vooral opvallend groen uitgeslagen. Ank droeg bovendien rubberen handschoenen. Zo zag ze er heel anders uit dan het keurige meisje dat bij ons thuis in de voorkamer zat, maar ze was ook in de tuin de rust en de vriendelijkheid zelve. Margriet was een heel ander geval. Met haar lag ik gelukkig voortdurend overhoop. Margriet hield op de hoogte van lokale roddels en voorzag het leven in het groot en klein en ook mijn doen en laten voortdurend van commentaar. Zo sprak ik zonder een eerlijke Westlandse tongval mijn moerstaal niet, vond ze, vond ze de dominee maar een dooie diender, en de buurman een opgedirkte
haan. En zo verder. Altijd was er iets voor mij om tegenin te gaan.
Ik was een slechte tuindersknecht. Wel van goeie wil, maar traag, en sterk was ik ook niet. Bij het tomatenplukken, liepen we gelijk op, in smalle padjes (geen paden of paadjes, maar padjes) naast elkaar, van achter naar voor. Ik kwam altijd als laatste uit zo’n padje tevoorschijn. Om toch een beetje gelijk te blijven, dook degene die al klaar was met een padje nog even dat van de traagste in om die al plukkend tegemoet te komen. Anhale, was dat. Ik moest bijna altijd aangehaald worden. Meestal was het Ank die me te hulp schoot. En altijd maakte Margriet daar dan een opmerking over. ‘Leentje kan het weer niet alleen af’, ‘de zoon van de baas paaien.’ Of zo. In het begin probeerde vader Willem zijn jongste dochter nog wat te sussen, maar mijn reacties maakten duidelijk dat ik Margriet verbaal wel aankon. ‘Ik word aangehaald door Ank,’ riep ik dan. ‘Jammer voor jou.’
Rond half acht ontbeten we en daarna kleedde vader Willem zich om voor de veiling, daar ging hij keurig in het pak naartoe, want hij was daar de voorzitter en Ank zorgde ervoor dat ze om half negen fris en keurig op haar kantoor kwam.
Een paar jaar later kwam ook Margriet op het kantoor van mijn vader te werken. Zij bleef dat bijna haar hele leven doen, ook toen Ank daar al lang weg was en ik al lang niet meer in de tuin werkte. Margriet overleed vijftien geleden. Indertijd verloor mijn moeder in korte tijd niet alleen haar oudste dochter, maar ook de vrouw die meer dan haar eigen kinderen bij haar kind aan huis was, samen met haar zus Ank. Want ook die bleef komen, deed later de boodschappen voor mijn moeder en bezocht haar tweede ‘moeder’ tot haar dood een of twee keer per week. Ank en Margriet hadden een eigen kopje. Voor Ank waren er altijd kokosmakronen in huis. Die moest ze wel zelf meenemen. Een moeder om te bezoeken is er al tien jaar niet meer. Sinds afgelopen vrijdag ligt Ank bij Margriet. Zelfde padje, zelfde graf.