7 oktober 2026

Op 7 april 2027 moet ik weer terugkomen bij de tandarts. Op de dag en het uur af dus precies een half jaar na het bezoekje van vandaag. Het zal me niet verbazen wanneer ik dan met weer een andere mondhygiënist en tandarts te maken krijg. Maakt niet uit, want er is nooit iets aan de hand, al moet ik wel goed blijven flossen of ragen. Als het weer dezelfde vrouwen zijn die dan in mijn mond kijken, zal ik ze waarschijnlijk niet herkennen. Er is in die praktijk veel wisseling van de wacht. Alleen de kwaliteit van mijn gebit is een constante. En ook de trap die ik op moet. Die herken ik wel. Alsof ik er gisteren ook op heb gelopen. De bladen op de tafel in de wachtruimte zijn blijkbaar vervangen, gezien de datum, maar ze zien er altijd oud uit, beduimeld en onaantrekkelijk. Vervelende bladen zijn het. Ik had een boek mee moeten nemen, denk ik iedere keer.
Over een half jaar zal er intussen het nodige gebeurd zijn. Er wacht nog een reis naar Nieuw-Zeeland bijvoorbeeld. Er moet nog het een en ander voor Schrijvers op Zondag gedaan worden. Aat zal er niet meer zijn. Een paar maanden geleden zat hij op de plek waar ik dit schrijf. Hij schoonde mijn computer af en toe op en hij verzorgde mijn website. Jaren en jaren stuurde ik mijn Och Heden naar hem. Hij zette ze vervolgens op mijn website. Pas een jaar of twee terug ben ik dat zelf gaan doen. Maar zodra er iets meer moest gebeuren, trok ik bij hem aan de bel. Afgelopen zomer wilde ik wat meer weten om zelf iets te kunnen doen, wanneer
hij daar niet toe in staat zou zijn. Een theoretische kwestie, want gezien zijn gezondheid had hij nog jaren te gaan. Dachten we.
Intussen weten we beter. Aan de vele wandelingen samen kwam abrupt een einde. Tientallen jaren gingen we maandelijks een dag wandelen. Eind april zijn we onder Zoeterwoude blijven steken. Vorige week brachten we hem naar een hospice. Hij is er nog maar hij wordt afgebroken. Er zijn nu nog losse stukken Aat.
Vanwege de tandarts haalde ik vanmorgen Nora niet op met de fiets, maar met de auto. Kinderliedjes wilde ze horen. Ik schoot even een zijweg in om de speellijst met kinderliedjes op mijn mobieltje tevoorschijn te toveren. Daarna keerde ik. Op een landweg. Moest ineens aan Aat denken. Vooral in de coronatijd maar ook op momenten dat openbaar vervoer ontoereikend was, reden we afzonderlijk naar het eindpunt van een wandeling om daarna in één auto naar het beginpunt te rijden. Zowel het begin en einde waren vaak een strook langs een landweg, zoals vanmorgen. Meestal kwam Aat net iets later op de afgesproken plek aan en dan wachtte ik dus op zijn komst, daar bij zo’n landweg. Nu hoefde ik alleen maar te keren. Ik hoef nooit meer op Aat te wachten, schoot het door me heen, terwijl Nora begon mee te zingen met een liedje van Sesamstraat. ‘Kop in de wolken’ was het.
Over een half jaar loop ik weer die trap bij de tandartsenpraktijk, waar alles hetzelfde is en alsof er intussen niet van alle is gebeurd, en waar ik niet meer weet of weer dezelfde vrouwen zich in gebit verdiepen.
Het zou zomaar kunnen dat ik dan, daar op de trap niet aan Aat denk. Dat vind ik een vervelend idee.