9 september 2026

Is dit de laatste keer van het seizoen dat ik mijn zwembroek meeneem bij mijn vaste fietsrondje?
Ooievaars. Tot nu toe zag ik er 15, 13 langs de Vecht en twee bij de molens van Oud-Zuilen. Het huisje bij de Klopvaart. Er staan schermen omheen, maar daarvan waren er zojuist een paar opzij geschoven zodat ik goed kon zien dat er achter het oudste gedeelte beton in de bouwput is gestort. Er liggen stapels tegels; geen idee wat daar de bedoeling van is, maar er wordt gewerkt.
Nu zit ik op het bankje bij de Maarsseveense Plassen. Mijn bankje. Ik heb gezwommen in water dat weer wat koeler is dan de vorige keer, maar heerlijk vlak en dat onder een schone lucht. Hopelijk kan ik de komende maand nog een paar keer het water in.
Ik zit op het bankje. Afgedroogd, omgekleed. Appel is op, klokhuis ligt in de struiken achter me. Het is stil. Heel in de verte zie ik iemand met net zo’n zwemboei als ik sinds kort heb.
Ik ben hier de enige. Wel verraden wielsporen in het gras dat vlak voor mijn komst de auto van Natuurmonumenten hier langsgekomen is.
Het liefst zou ik op dit bankje zitten met mijn voeten in het gras, maar de grond vóór het bankje is kaal; er is zelfs een kuil ontstaan. En het is er vies, vandaar mijn slippers. Omdat ik
hier vaker zit heb ik de neiging me de plek een beetje toe te eigenen, vooral omdat ik hier meestal alleen ben. Maar het is anders. Een paar weken geleden sprak ik iemand die hier vlak achter woont. ’s Morgens om zeven uur gaat hij een stukje zwemmen en als hij zich heeft omgekleed gaat hij hier op ditzelfde bankje zitten. De dag dat ik hem sprak, zat hij er dan ook voor de tweede keer.
Verder laat de plek voor het bankje sporen van ander vertier achter. Heel lang kwam ik er de doppen van pistachenoten tegen en zonnebloempitten. Soms een leeg bierblikje of een flesje. Van die noten en pitten zie je niks meer nu er hier regelmatig een vuurtje wordt gemaakt, pal voor het bankje. Het kan niet anders of dit bankje is ook de vertrouwde plek voor een stel opgeschoten jongens en misschien ook meiden die ik moeilijk een plaats kan geven in mijn wereldje, daar op dat bankje. Die bezoekers ’s avonds op hun fatbikes of wat dan ook, hebben van mij geen weet. Ik laat als enig spoor een klokhuis in de bosjes achter. Vanwege de vieze grond stap ik in mijn slippers voor ik op het bankje ga zitten. En ik kies voor een puntje, waar de grond minder vies is. Maar niet voor het uiterste rechts, waar iemand ooit met veel geweld een stuk van de houten zitting heeft versplinterd.
Een paar meter bij me vandaan stond een kliko. Zo’n bak wordt goed gebruikt. Op warme dagen kan het hier drukker zijn en dan komt er altijd wel iemand langs die de weggegooide blikjes uit zo’n bak vist.
Zo iemand komt ook langs als ik er niet ben.
Sinds een week is van de kliko bij het bankje niet meer over dan een uitgeharde plas plastic en wat rommel die ooit braaf in de bak gemikt was. En de twee wieltjes.
Ik zit hier op een bankje. Het is hier aangenaam. Zodra aan de andere kant van de plas het lawaai van het containerbedrijf daar weer begint, ben ik weg.