Op de plaats rust
Pelgrimspad 1, 19 september. Van Hardinxveld – Giessendam naar Rijswijk (NB)

Omdat de overvaart van Gorinchem naar Woudrichem vanaf 1 oktober maandenlang stil zal liggen en omdat het Groene Hartpad op één kort traject na is afgerond, besluit ik de laatste etappe daarvan even uit te stellen om nu alvast, na anderhalf jaar, weer een stukje van het Pelgrimspad te doen. Vandaar dat ik vanmorgen voor half tien uitstapte bij station Hardinxveld – Giessendam en dat als een tevreden man.
In Gorinchem had ik aan iemand die net de trein in stapte gevraagd of deze sprinter wel zou stoppen bij het bedoelde station. Dat was zo. Ik zag niet zo gauw een bordje maar met zo’n antwoord kon ik gerust instappen. Daarmee lag ik zomaar ineens een kwartier voor op mijn schema. Toch begon ik te twijfelen toen de trein zich in beweging zette. Was dit wel de goeie? Op de display van de coupé waarin ik zat kwam Hardinxveld twee keer voor, maar zonder Giessendam.
Ik vroeg het de conducteur toen zij mijn pasje kwam controleren. Ook zij wist het niet. De ene keer stopten ze er wel, de andere keer niet. Dom, vond ze van zichzelf: ze kon het niet zeggen. Ze ging het meteen even aan de bestuurder vragen. Twee tellen later kwam ze terug. Nee, de trein stopte niet bij Hardinxveld – Giessendam, tenminste, officieel niet, maar voor mij werd een uitzondering gemaakt. Deze keer zou de trein er wel stoppen. Zo wil iedereen zijn dag wel beginnen. Ik dankte de conducteur en beloofde haar dat ik haar in mijn testament zou gedenken, als de kinderen dat goed vonden.
In het dorpje koos ik onmiddellijk voor een verkeerde straat, wat heel erg knap is voor iemand die een gidsje en een gps bij zich heeft om een route te lopen die ook nog eens gemarkeerd is. Maar laat ik het niet
erger maken dan het is, want meer dan een paar minuten vertraging liep ik daardoor niet op.
Toen ik behoefte kreeg aan een bankje om wat koffie te drinken, duurde dat even. Toen was er eentje langs een doorgaande weg. Dat moesten we maar niet doen. Tien minuten later zat ik op een bank in het natuurgebied van Aveling. De brandnetels staken tussen de planken door, maar mijn regenjackie doet op mijn tochten vaker dienst als zitzeiltje. Wel moest ik op de schapenpoep om het bankje. Dat is gelukt. Even liggen zat er niet in. Vanwege die brandnetels, maar ook omdat er leuningen waren die geen rekening hielden met mijn postuur, in ligstand. Op de grond, dat kon al helemaal niet met die brandnetels en die poep. En dan: het was nog voor twaalven. Veel te vroeg!
Ik zat er goed. Pas na de koffie en drie boterhammen, toen ik nog vijf minuten verder was, kwam ik fraaiere plekken tegen, om te zitten en rond te kijken, te liggen. Maar ja, dat doe je niet. Ter hoogte van Schelluinen vertelde een bord dat het wandelpad langs het Kanaal van Stenenhoek was afgesloten en zo kwam ik langs vrijstaande huizen met bedrijven en hysterisch blaffende honden achter hekken. Als ik nog verder liep, kon ik een bankje voor een laatste boterham en een dutje wel vergeten. Wel viel mijn oog op een picknicktafel met bankjes daaraan vast. Daar lagen geiten op. Het bankje rechts was nog vrij. Eén geit keek me uitnodigend aan. Een hek hield me tegen. Pas op de terugweg, in de bus, at ik mijn vierde boterham op. Bij het veer naar Woudrichem kwam er onverhoopt een stuk appelgebak met slagroom tussen. Zo is er altijd wat.
De visarend
Groene Hartpad, 5 september. Van Alphen aan de Rijn naar Woerdense Verlaat

Of ik bij het station van Alphen ook de appelvormige rijwielstalling had gezien, wilde Hendrik gistermiddag weten. Had ik niet. Wat ben ik toch een blind paard, dacht ik naderhand. Was ik aan het eind van de wandeling teveel gefikseerd geweest op het perron dat ik moest hebben of zo? Wel had ik meteen een beeld van zo’n bouwsel.
Het mag me vandaag niet overkomen dat ik weer iets memorabels over het hoofd zie. En mijn feilen en falen van vorige keer kan ik goedmaken, want deze keer begin ik bij het station van Alphen.
Die stalling vind ik aan de voorkant van het stationsgebouw. Dat is een geruststelling, want vorige kwam ik de achterkant binnen. Daar is ie niet te zien. Maar goed, nu liep ik dus toch even naar de voorkant. Daar stond hij even grappig als groot en toch ook een beetje onopvallend te wezen. Nu begrijp ik waarom ik al zo’n concreet beeld van het ding had toen Hendrik daarover begon: ik heb het een paar jaar geleden al eens gezien.
Neemt niet weg dat ik gewaarschuwd ben. Ik moet alert zijn. Dat is alleen al verstandig om Alphen uit te kunnen lopen want na de Hefbrug moet je even wat verbodsborden negeren en soms rennen voor je leven vanwege oprukkend verkeer. Even later loop ik langs de Oude Rijn in een andere wereld en dat blijft voorlopig zo dankzij de weilanden die ik mag doorkruisen. Het gras golft als water om me heen en het zonlicht springt zo enthousiast uit een vandaag wel erg vrolijke lucht tevoorschijn dat het gras in de stevige wind soms meer zilver en grijs kleurt. Alsof het water is.
Uit die grazige plas vliegen geregeld vogels op. Geregeld, maar niet geregeld genoeg en ook veel te snel om ze op de foto te krijgen of om te zien wat voor vogels het zijn. Heus, ik heb ze gezien, maar kreeg ze met mijn camera niet te pakken en ik kan er niets over vertellen.
Later maakt dat geluidloos klotsende gras plaats voor het water van de Nieuwkoopse Plassen. Het Papepad of Oortjespad, loopt door het water en daar langs is een vlonderpad gemaakt. Het lijkt alsof ik na het gras van vanmorgen over water loop. Was dat oude pad niet genoeg, denk ik nog even, maar het vlonderpad is toch echt een andere ervaring dan het parallel lopende pad. En nog iets: als ik aan het eind langs het oude pad een bankje vind voor mijn boterham, koffie en een appel, kan ik het niet laten om mijn rugzak onder mijn hoofd te schuiven als ik ga liggen. Ik zak even weg, maar ik hoor het zoeven van de passerende fietsers. Die gaan niet over het vlonderpad. Voor een wandelaar is dat oude pad veel te onrustig, al denken joggers daar blijkbaar anders over.
De Meije, en dan door De Haeck naar Slikkendam. Voor de eerstvolgende bus heb ik alle tijd, dus ga ik nog één keertje liggen op een steiger tussen het riet. Er zijn wolkjes tussen die enorme wolkenvloot die langzaam oplossen, verdwijnen zoals vissen die ik vissers in het water terug zie gooien. Maar die wolken verdwijnen echt. Wat gebeurt er met jou en mij, als we verdwijnen? Wanneer ik uit mijn schuilplaats tevoorschijn kom, vraagt een man me of ik de visarend heb gespot. ‘U wel?’ vraag ik. Hij niet. ‘Ik ook niet.’ Daar laat ik het bij. Toch moet ik even slikken. Heb ik dan toch iets over het hoofd gezien vandaag?
De grauwe franjepoot
Groene Hartpad, 27 augustus. Van Zuidbuurt naar Alphen aan de Rijn

De vorige etappe liepen we vier maanden geleden. Vandaag loop ik alleen. Ik ben benieuwd of Aat er op een of andere manier bij is. Even ook overweeg ik om hem met mijn mobieltje wat foto’s te sturen om iets te zeggen over de plek waar ik koffie drink, deze keer niet met appelgebak, maar met een Hazerswoutje, een met spijs en vruchten gevuld rondje. Ik koos voor de kersenvariant. Had ik niet toch vanwege Aat gewoon appelgebak moeten bestellen, vroeg ik me nog even af, maar toen een groep de boerderij annex uitspanning met de duidelijke naam Jeu de Boer, binnenviel en onder meer appelgebak bestelde kwam de uitbater even later terug om te melden dat tot zijn schrik het appelgebak niet geleverd was. Ik had deze keer van thuis geen koffie meegenomen. Had ik dat niet toch moeten doen? Ook die vraag hoefde met een tweede kop koffie niet langer te spelen. Je weet nooit zeker of je wel ergens terecht kunt voor koffie op zo’n wandeling. Er was vandaag veel in the middle of nowhere, maar om koffie zouden we niet verlegen hebben gezeten. Waaruit maar weer blijkt dat Aat in zijn afwezigheid behoorlijk aanwezig was. Er waren paadjes, er was weiland om doorheen te banjeren, maar er waren ook geasfalteerde landweggetjes voorzien van onderbroken witte strepen. Als Aat een eind voor me was komen te lopen, telde ik wel de bomen of strepen als deze om te meten hoe groot de afstand was en om er voor te zorgen dat het aantal bomen slash strepen steeds minder werd. Een afwijking waar ik als kind al last van heb. Iets om het nooit over te hebben.
Eén keer heb het er wel over gehad. Dat was met mijn zus Ineke, van wie Aat dus de weduwnaar is. Zij had dat ook, maar dan als ze fietste. Lantaarnpalen, geparkeerde auto’s, bomen, allemaal om je afstand te bepalen en vooral om je hoofd af te leiden door het met wat rekenwerk op te zadelen en een wedstrijdje met jezelf te spelen. Vandaag waren de strepen er ook, maar er was geen Aat om in te halen. Hij schitterde bijna letterlijk door afwezigheid.
Bij de Wilck stonden mensen. Vogelspotters met joekels van lenzen. Behalve tapuiten en papen was er een grauwe franjepoot gespot. Dat was een zeldzaamheid. Ik moest het woord een paar keer herhalen, grauwe franjepoot, bang om het te vergeten. Dit moest ik Aat wel vertellen. Of ik even door een van die optische kanonnen mocht kijken. Dat mocht. Een vogelaar richtte de lens voor me en stelde scherp. Het duurde wel even voor ik de plek kon verbinden met een punt in de verte zoals ik het met het blote oog zag. Wat een afstand werd hier overbrugd. Maar ik zag hem, de grauwe franjepoot, niet luid maar wel heel duidelijk. Zag er uit als een strandlopertje, maar dan dus anders. Ik vertelde van mijn afwezige zwager. Die zou dit prachtig gevonden hebben. Maar met mijn verhaal over deze vogel kon ik hem wel jaloers maken. En dat is ook wat waard.
Tevreden was ik ook met de slechtvalk die samen met een duif op een hek zat. En op een paaltje zat nog een tapuit. Aat zou veel meer gezien hebben, neemt niet weg dat ik vandaag zijn spoor toch aardig gevolgd heb.
Defilé van Zoetermeer
Groene Hartpad, 28 april 2026, Van Zoetermeer naar Zoeterwoude

Vorige keer een half rondje om Zoetermeer, vandaag om wat ooit het Zoetermeer geweest moet zijn. We lopen langs de Ringsloot om wat nu Meerpolder heet maar ooit het Zoetermeer was. Het lijkt wel een boulevard waarlangs geen schepen varen maar ganzen zwemmen. Je kunt het ook heuse een babyshower noemen, geen sjouwer, maar een sjower. Van een vader en een moeder gans en drie, vier en vaak vijf kleintjes. Er zijn af en toe tantes die onze komst aankondigen door op tijd met veel verontrustend gegak op te vliegen. Dat kunnen de ouders met hun kleintjes niet doen, dus die kiezen voor het water. Ik zie het, ook zonder alarmerende tantes, gebeuren: een eind verderop zitten de vogels nog op hun gemak te kakken op het pad, maar als ze me zien, lopen ze naar het water en zwemmen weg. Het mag er vredig uitzien allemaal en het lijkt inderdaad alsof ze daar langsglijden om ons trots het jonge, nog maar kort uit het ei gekropen volk te laten zien, maar zo is het niet. Wij zijn een vervelende onderbreking die ze op een ongelegen ogenblik het water in stuurt. Omdat ik van het eerste stel een foto maak, doe ik dat ook van het tweede. Bij het derde weet ik dat die foto’s alleen recht op voortbestaan hebben dankzij de kracht van de herhaling en dus ook dat ik het drijvende defilé tot de laatste deelnemers moet blijven fotograferen en dat ze dus allemaal in de fotoserie* terecht zullen komen.
Ik heb me niet afgevraagd waarom Zoetermeer Zoetermeer heet. Dat heeft natuurlijk met die Zoetermeerse Plas te maken die we ook passeren. Wel een pleonasme trouwens, Zoetermeerse Plas. Daarentegen zou de naam die Zoetermeer bij wijze van grapje in het Engels krijgt wel zo toepasselijk zijn: Sweet Lake City. Zoiets als Stad aan het Haringvliet, maar dan anders.
Zoetermeer werd ooit genoemd naar het meer waaraan het lag. Dat meer dankte zijn naam waarschijnlijk aan het feit dat daar ooit een riviertje in uitmondde dat de Zwet of zo heette. Iets dergelijks begint pas tot me door te dringen als we van de route afwijken voor een bushalte en door de Laan van Zwethof lopen. De Zweth zijn we onder Delft ook al tegen gekomen, als riviertje én als plaatsnaam. Dat zou betekenen dat het meer hier zijn naam niet kreeg omdat er veel suiker in zat, ook al hebben het Engelse ‘sweet’ en Nederlandse zoet dezelfde bron. Ik heb nog wel even aan die suikervariant gedacht, met zoet als tegenhanger van het zoute water iets verderop, maar dat is het dus niet. Ik heb het even opgezocht. Het gaat hier om een riviertje dat de Zwiet heette en dat betekent grens. In die betekenis komt zwet of zwiet vaker voor als naam voor een waterloop. Weer wat geleerd. Veel raapzaad ook onderweg, maar toch iets minder dan ik had verwacht. Jammer dat de paardenbloemen al waren uitgebloeid. Volgende keer lopen we weer over de Laan van Zwethof terug naar het begin van de volgende wandeletappe. Mooie huizen trouwens langs die laan.
* Die fotoserie vind je hier.
Fietsen naar Kijkduin
Maasroute van Brielle naar Den Haag, 18 april 2026

De Tweede Maasvlakte werd Tuur door de neus geboord. Hij had er graag een keertje willen fietsen en daar was het nooit van gekomen. Omdat de daarvoor geplande pont pas over een maand weer gaat varen, liep (fietste) het anders. Wel fietsten we door mijn geboorteland. Tuur en ik kennen elkaar al heel lang, maar de streek waarin mijn jeugdherinneringen zich afspelen, kent hij amper. Ik moest maar het een en ander laten zien. Hij is aan zijn trekken gekomen.
Ergens bij Kijkduin zouden we ons lunchpakketje soldaat maken. Een hoge, ‘valse’ duinheuvel daar leek me wel een goede plek. Ik kom er geregeld, al ging ik er nooit de trap op. Dat moesten we nu maar eens wel doen, want er was iets met die heuvel. Iets met landart. Ik wist er het fijne niet van. Nu wel en ik schaam me er een beetje voor dat ik nooit geweten heb van het Hemelse Gewelf, terwijl dat er al dertig jaar is. In zekere zin is het kunstwerk zelf geen gewelf, maar juist een kom, een soort krater, met in het midden van steen iets wat op een bank lijkt. Daar aten we onze boterhammetjes. Wel een beetje jammer om dat hier, op een plek die nota bene kijkduin heet, in een soort kuil te gaan zitten, dacht ik nog. Er kwamen andere mensen die kom in, via een tunneltje, en iemand ging op de veertig, vijftig centimeter brede rand van onze bank liggen. Het leek me niet lekker liggen: schuin achterover, voeten wat hoger dan je hoofd en dan op die
relatief smalle en in elk geval harde rand van steen.
Maar dat het wel de bedoeling was om dat te doen, begrepen we nu. Hier was die bank voor gemaakt. Pas door daarop te gaan liggen ontstond het kunstwerk en deed het zijn naam eer aan: hemels gewelf. Dat bleek toen ook wij er gingen liggen. Ongemakkelijk was het inderdaad, de eerste minuten, maar het wende. Snel genoeg om plezier te hebben in de mensen op de rand van de kom. Het leek wel of ze ondersteboven liepen, als insecten over je eigen oogrand. En dan was er vooral die lucht. Geschilderd door een Turner of een Weissenbruch of een Ruysdael, maar dan geschilderd met lucht. Dit is een plek om teug te keren. Iedere keer hetzelfde kunstwerk, elke keer anders, een permanente wisseltentoonstelling. Dit werk van James Turrell was, zou je kunnen zeggen, niet het werk zelf, maar de onmisbare voorwaarde voor een kunstwerk dat hij niet gemaakt had. Hij maakte een kom van aarde en steen om een hemelse gewelf van lucht en licht mogelijk te maken.
We begonnen gisteren als luchtfietsers met de lucht van Turner in ons kop, Tuur en ik, en zo eindigden we ook.
Het viel me niet mee om overeind te komen van dat merkwaardige stenen bed in die kom. Gelukkig trok iemand me overeind. We konden weer verder. Naar het station.
Fietsen met Turner
Maasroute van Dordrecht naar Brielle, 17 april 2026

Met fietsen had de eerste helft van de dag en van de reis amper te maken. De trein bracht ons met fiets en al naar Dordrecht. Daar reden we nog geen kilometer om ons allereerst uitgebreid met Turner bezig te houden, de man met die fraaie voornamen: Joseph Mallor William. Van hem hangt er namelijk momenteel een mooie selectie in het Dordrechts Museum. Je zou kunnen zeggen dat hier, bij Dordrecht de victorie van deze Engelse schilder begon. Hij kwam hier begin negentiende eeuw heen omdat hij zijn hart had verpand aan zeventiende-eeuwse Hollandse meesters, zo heet dat, als Van Ruysdael, Hobbema, Van Goyen en vooral Aelbert Cuyp. Zijn bewondering was de Engelsman wel een reis waard, al bezocht hij ook Duitsland. Cuyp inspireerde in 1818 Turner tot zijn The Dort Packetboat. Al meer dan twee eeuwen hangt het grote schilderij in Londen mooi te wezen, en nu dus, voor het eerst op de plek waar het verwekt werd.
Ik houd van Turner, om de kracht van zijn
transparantie, de kracht van zijn verfstreken, het gevoel voor water, lucht en beweging, om zijn verstand van verf als spul en als substantie van kleur. Om zijn gevecht daarmee.
Van zijn zeegezichten zagen we tijdens onze fietstocht naar Brielle vervolgens vrijwel niets terug. Er was water, maar geen zee. Er was wel veel groen. En er was lucht. We fietsten zeventig kilometer onder de lucht waarnaar we keken alsof het een lucht van Turner was.
Tuur en ik trapten al met al door een mooie voorjaarsdag met veel kakelvers groen, plezierig overdadig raapzaad en dus veel lucht. Luchtfietsers waren wij. Die alle tijd hadden om Turner te herkauwen en zijn luchten tot maat voor alle luchten te verheffen. Ik miste de verfstreken. Eén ding is duidelijk: voor mijn verjaardag vraag ik een zeeschap van Turner. Hoeft niet per se een grote te zijn.

IJsvogeltje
Groene Hartpad, 28 maart 2026, Rondje om Zoetermeer

Direct daarna zeggen we vrijwel hetzelfde: ‘Ik heb hem gezien, maar ik heb geen foto,’ Aat, en ik: ‘De foto is mislukt, maar ik heb hem gezien.’ Dat is het geluk van iemand die schrijft. Daarna loopt mijn zwager verder in het besef dat hij nu in zijn camera niet ook een ijsvogeltje meedraagt, en ik in de wetenschap dat ik straks thuis ongetwijfeld de korte vlucht van het ijsvogeltje dat wij zagen in een stukje zal memoreren en daarmee voor de eeuwigheid zal behouden. Ik voel me gezegend.
Ik zal niet zeggen dat ik me alle keren dat ik een ijsvogel zag nog herinner en al helemaal niet dat ik al die momenten later op papier heb vastgelegd, maar iedere keer dat je een ijsvogeltje ziet, is memorabel en zou moeten worden geboekstaafd, ook al is het ene ijsvogeltje het andere niet, dus zo uniek is een ijsvogelervaring nu ook weer niet. Toch leeft er heel ver weg in mijn hoofd het idee dat dat wel zo is. Alsof er maar één ijsvogeltje bestaat, waarvan het een wonder is als je dat tegenkomt. Zoals ik in mijn leven twee keer koningin Juliana zag, een keer in Monster en een keer op een Rotterdamse kade. De eerste keer was voorzien, de tweede was een verrassing, een soort ijsvogeltjesmoment dus, met dit grote verschil dat er van koningin Juliana maar eentje was, terwijl ik heus wel weet dat er meer ijsvogeltjes zijn.
Ik was trouwens wel snel genoeg voor een foto van de Zoetermeerse ijsvogel. Daarvan moet je je wel afvragen of het niet beter was geweest wanneer ik die niet had gemaakt; het is een mislukte foto, zoals je zelf kunt zien op het plaatje hierboven. Je kunt je zelfs afvragen of niet juist door deze foto de werkelijkheid en de essentie van het
ijsvogelmoment niet ontoelaatbaar veel geweld werd aangedaan. De werkelijkheid van een ijsvogel is zijn staalblauwe kleur die vraagt om zonlicht, maar ook de zweem van oranjebruin daaromheen. De essentie is zijn flits, zijn snelheid. En het vermogen om klein te zijn, en toch opvallend. De essentie van een ijsvogel is – en dat deelt het beestje met heel veel kleine vogels – zijn ongrijpbaarheid. Zelfs als een vogel wel grijpbaar is.
Twee weken geleden vloog er bij Koos en Annette een groenling tegen het raam. Het beestje viel op de grond. Annette ontfermde zich erover door het in de holte van haar hand te nemen, intussen naarstig zoekend naar haar mobieltje om er een foto van te maken. Ze riep Koos. Die kwam net te laat: de groenling leek zich te herstellen en vloog uit Annettes hand naar een tak. Een tweede kans voor een foto zou je denken. Toen de camera er was, vloog de groenling weg.
Over een groenling gesproken. We kwamen er op onze wandeling ook eentje tegen. Het vogeltje scharrelde bij een struik. Een groenling is geen ijsvogel en ik ben een blinde vink, dus Aat moest me erop attent maken. Ik heb zijn foto’s nog niet gezien maar ik neem aan dat hij er een prachtig plaatje van heeft gemaakt. Ik deed hem na, al kostte het me moeite om tussen bruin blad, groen en grond een vogeltje te ontdekken. Dat het een groenling was, kon ik al helemaal niet zien. Thuis moest ik zelfs even zoeken op mijn beeldscherm.
De vreugde van vogels is misschien wel hun ongrijpbaarheid, onzichtbaarheid die even omslaat in een hemel die een fractie van een seconde wel zichtbaar is.
Ook de sneeuw verdwijnt
Groene Hartpad, 16 februari 2026, Van Delft naar Zoetermeer

Er ligt zo hier en daar een restje van de sneeuw die gisteren viel. Soms zijn er blijkbaar hele ballen gerold waarvan zomaar een sneeuwpop gebakken had kunnen worden, maar die komen we niet tegen op onze wandeling, niets ook dat er op wijst dat er iemand daadwerkelijk bezig is geweest om dat te doen. Het verbaast me dat er nog zulke grote ballen gemaakt konden worden en dat in dit toch wat afgelegen bos.
In de loop van de dag verdwijnt die sneeuw. De regen wint het, al blijft het vandaag veel vaker droog. Koud is het ook niet en het licht zorgt deze maandag voor verzadigde kleuren. Komt nog bij dat Aat binnen een half uur een tiental verschillende vogelsoorten heeft gefotografeerd waar hij erg blij mee is. En dat is veel waard, een tevreden wandelmaat. Van mijn voornemen om hem deze keer bij de koffie en het gebak voor te zijn door snel af te rekenen, komt niets terecht. Als ik me tussen de twee koppen koffie even heb teruggetrokken, blijkt hij al betaald te hebben. Dat betekent wel dat er deze ochtend geen tweede koffie in zit in dit tentje boven de Delftse Hout, hoewel het eerste kopje erg lekker was, net als het appelgebak; vooral het bros gebakken deeg was lekker en had een prettige bite, ja, je moet overal op letten. Dat tweede bakje kwam een uur later, uit mijn thermosfles.
Nog even over die sneeuw. Tegen de tijd dat ik die zo’n beetje vergeten was, zag ik dat bij de wortels van een aantal bomen verderop allemaal witte papieren lagen. Daar was blijkbaar een groepje wandelaars simultaan aan het poepen geslagen. Toch merkwaardig.
Dat was natuurlijk een domme gedachte: het waren helemaal geen tissues of stukje wc-
papier. Het ging om schamele restjes sneeuw, onnozelaar die ik was. En dat terwijl ik die vlekken sneeuw eerder al vaak had meegenomen als ik een foto maakte, omdat die witte vlekken het op een plaatje zo leuk zouden doen! Meende ik.
Zojuist, thuis, heb ik de foto’s even doorgenomen en de meeste weggegooid. Pas daarna bedacht ik dat ik het over die witte vlekken had willen hebben in dit stukje, met als apotheose een foto van het vermeende wc-papier. Had ik al weggedaan.
Net als die waarin geel domineerde. Vanmorgen hoorde ik op de radio dat geel de lievelingskleur was van Van Gogh. Al wandelend dacht ik daaraan terug. Ik zag gele portretten voor me, gele interieurs, gele akkers natuurlijk, de gele zon, een gele kerk. Ook weggegooid, niet scherp genoeg.
Lopen tussen Delft en Zoetermeer is een bijzondere ervaring. Als kind kwam ik hier vaak. Groene polders en kassen en bebouwing. Dat was het. Nu liepen we door het jonge bos van de Delftse Hout, daarna door het moerasachtige Biesland en ten slotte bij Zoetermeer langs restanten van de Floriade van 1992. En af en toe toch een ouderwets weiland met de kassen zoals ik me die van vroeger herinner. Nee, over vroeger hebben we het tijdens deze wandeling niet gehad. Nou ja, op het eind. Toen ik vertelde van de Floriade, zei Aat dat hij er indertijd met Ineke was geweest. Verbaast me niks. Ik heb zelden een wandeling met Aat gemaakt waarin hij me niet wist te vertellen dat hij daar met Ineke was geweest. Ik hoor die verhalen graag. Ik ben trouwens ook regelmatig met Ineke deze kant uit geweest om te incasseren bij klanten van pa, toen hier nog geen bos was.
Het oude Delft
Groene Hartpad, 19 januari 2026, Van Den Hoorn naar Delftse Hout

Als ik van de trein naar huis loop, valt me de helder blauwe lucht op. Die hebben Aat en ik niet gezien op onze wandeling die ons op deze maandag van zuid naar noord Delft in en uit voerde. Meer dan anders liepen we naast elkaar. Dat was natuurlijk omdat Aat niet werd opgehouden door bijzondere vogels. Die ontbreken namelijk bij een stadswandeling. Niet dat we dat als een ernstig gemis ervoeren, want er was veel persoonlijk vroeger.
Dat begon al bij Den Hoorn. Ik was net toe aan de herinnering van de Hoornse brug en de herkenning van de kerk van Den Hoorn waar ik naar keek als ik in de auto zat te wachten wanneer mijn vader daar ergens een klant bezocht of even naar de bank moest, toen Aat hardop terugdacht aan zijn fietstochten van Naaldwijk naar de LTS in Delft, vlak bij het station. Die herinneringen bleven toen we via allerlei oudere nieuwbouw en parken de oude stad naderden. Hij wees naar een snackbar die er niet meer was, waar hij in de jaren vijftig voor vijftien cent patat kocht en naar de verdwenen Jamin, goed voor ijs van tien cent. Alsof het nieuwe station er niet stond wees hij me de plek waar ooit een huishoudschool had gestaan. Daar zat zijn eerste vriendinnetje op. ‘En hier kocht ik een keer een blad met naaktfoto’s.’
Af en toe frommelde ik er herinneringen
tussendoor aan mijn logeerpartijen in het Agnetapark of regelmatige beklimmingen van de toren van de Nieuwe Kerk. Mijn kerk was dat, samen met die van Monster, al vond ik – en vind ik nog steeds – diep in mijn hart de Oude Kerk van Delft veel mooier, maar die had ik nooit beklommen. Maar ik zweeg over Lambert van Meerten, de Vlamingstraat en museum Het Steen, waar ik ooit een tijdje bang op de trap had gezeten, omdat…, nou ja, dat vertelde ik dus niet. Ik liep vandaag vooral door het oude Delft van Aat, met het voornemen om te onthouden wat hij vertelde over de jongen die daar ooit school ging, en ook over later, toen hij er na een eerste Afrikaans avontuur, weer een baantje vond. Hoe zijn zoon en mijn eerste neefje ooit geboren werden in het inmiddels verdwenen Bethelziekenhuis.
Vreemd: er is zoveel ouds bewaard gebleven in Delft, wij keken vooral naar verdwenen plekken. Daar hoorde trouwens ook een stukje van zijn duim bij. Ooit, bij het zagen van bekisting voor het beton van een fundament, had hij dat eraf gezaagd. Dat was voor een gebouw dat heeft plaats gemaakt voor het nieuwe station. ‘Misschien ligt er nog iets van dat beton onder.’ ‘En dat stukje duim,’ dacht ik. Ik herinner me nog dat dat gebeurd was. 1967, het jaar waarin hij met mijn zus trouwde. Die is ook al heel herinnering.
fotoserie bij deze wandeling:
https://lenborgdorff.nl/Van%20Den%20Hoorn%20naar%20Delftse%20Hout/album/index.html
Lucht en licht
Groene Hartpad, 18 oktober 2025, Van Vlaardingen naar Den Hoorn 2

De blaadjes aan de bomen van het Tanthooftbos lijken licht te geven. En dat niet alleen. Omdat er al veel blad bezig is tot brij op de grond te vervallen, zijn de achtergebleven blaadjes kleine zelfstandigen geworden. Ze doen kunstjes met het licht, met vormen die me aan bevroren ballet doen denken, stills uit een langzame film. Geen opwaaiende zomerjurken, maar zwevende herfstrokjes.
De zon liet even op zich wachten maar maakt er vandaag sowieso iets moois van. Een paard wordt in een bescheiden aureool gevonden, net als de hals van een jonge zwaan. En later, vlak voor we een kabouterbos in duiken, zie ik het licht ook langs de schouders glijden van een meisje dat voor me loopt.
Maar voor het zover is krijgen we nog ‘last’ van een vrouw die twee hondjes uitlaat. Juist als wij naderen maakt ze de beestjes los. ‘Niet naar de koeien, Miffy!, roept ze steeds. ‘Niet naar de koeien!’ Dat kan ook niet, want er ligt een sloot tussen ons pad en het land waar de jonge koeien grazen. Miffy zou midden in het water terechtkomen. Zodra het hondje of het andere beestje waarvan ik intussen weet dat het Petty heet even bij ons komen snuffelen, worden ze vermaand. Maar Aat en ik zijn onweerstaanbaar. ‘Laat die mensen met rust. Die meneren willen rustig wandelen!’ Ik word een beetje zenuwachtig, niet van de hondjes, wel van die vrouw. Aanvankelijk loopt ze voor ons, maar wij lopen haar voorbij en daarna hoor ik haar niet meer. Later, als ik omkijk, zie ik dat ze niet ver achter me loopt. De hondjes heeft ze weer aan de lijn gedaan. Arme beestjes.
Intussen loop ik achter een meisje dat er van achteren mooi uit ziet. Ze glanst. Misschien is ze met haar hondje wel op weg naar Lourdes om daar te verschijnen. Jammer, wij moeten
naar Delft. Zij kijkt af en toe om; ook van voren is ze mooi, zie ik. Haar hondje is een beige geval met een nonchalant permanentje, een terriër, maar vraag me niet van welke type. Daar kijkt ze naar. Het beest negeert Miffy en Petty achter me, heeft meer belangstelling voor de graskanten. Af en toe kijkt het beest me aan, komt naast me lopen, rent dan een stukje naar het meisje, zakt af en loopt weer even naast me. Het meisje trekt haar vest uit. Ik zie glanzend haar en glanzende gebronsde schouders. Het landschap is fraai, het meisje ook. ‘Dag hond,’ zeg ik als het meisje linksaf slaat waar wij rechtsaf moeten.
Daar komen Aat en ik in een stukje bos waar het wemelt van de plastic kabouters en daar weer voorbij heb je dan die bomen met die prachtige blaadjes waarvan het lijkt of het zachte licht ervoor zorgt dat zij nog even, bijna zonder gewicht, aan hun takken mogen blijven hangen, alsof ze zweven.
Ik moet nog iets vertellen. Een huis. Op een houten gevel, half achter de steiger van een schilder staat: ‘Ik ben een dichter, als ik wil dat de roos bloeit, bloeit de roos.’ Het maakt me benieuwd naar de bewoner van dat huis. Woont daar een dichter die gelooft in de bezwerende kracht van poëzie?
Een paar stappen verder, midden op het weiland achter het huis, staat een man. Zou dat de dichter zijn? Hij kijkt omhoog, naar een zweefvliegtuigje. Nu zie ik ook dat de man een apparaatje in zijn handen heeft. Daarmee bestuurt hij het vliegtuigje. Hij zet het naar zijn hand. Ik hoor geen motortje. Ik zie alleen hoe het vliegtuigje elegant bogen aflegt in de lucht. En ik zie die man in het gras die met het apparaatje in zijn hand iets in de lucht schrijft. Dat is nog allemaal voor de zon echt doorbreekt. Het is nog vroeg, maar dan al breekt er betovering door.
De goede richting
Groene Hartpad, 18 oktober 2025, Van Vlaardingen naar Den Hoorn 1

Bus 56 heeft als eindbestemming Begraafplaats Vlaardingen Holy. Dat staat met lichtende letters op het scherm: Begraafplaats Vlaardingen Holy. ‘We rijden naar onze eindbestemming, Aat,’ zeg ik. Hij antwoordt dat we allemaal in dezelfde bus zitten. Weliswaar stappen we eerder uit, bij halte Overdrevenpad, maar we hadden net zo goed kunnen blijven zitten, want een kwartier later lopen we alsnog langs de begraafplaats. Dan heb ik al wel een dode mol op ons pad aangetroffen, waarvan ik niet kon zien waarom hij op dit asfaltpad zijn laatste haaltje adem had teruggeblazen. Hij ziet er nog goed uit. Mollig ook, valt me op. Het beestje had nooit van Trump gehoord, van de verkiezingen, van de merkwaardige politieke lucht die er over Nederland hing, nooit dronk hij koffie, en nu was hij dood. Een kleine honderd meter verder lopen we langs een smal grasperkje met daarin een vijftal kloeke molshopen. Ik probeer me voor te stellen hoe het leven van de mol was. Hoe zijn klauwtjes voelden, of hij ergens buikpijn van kreeg, wat hun opwond, wat voor een mol het equivalent was van strelen. De mol van een eindje terug is misschien wel de gaafste dode mol die ik ooit zag, maar een levende heb ik nog nooit gezien. Het is zaterdag en dat betekent fietsers en joggers op ons pad, met hier en daar een hengelaar. Weer en omgeving doen er alles aan om het ons naar de zin te maken en de koffie bij Vlietzicht doet het goed in combinatie met het stuk appelgebak met slagroom. Het is nog tamelijk vroeg, maar blijkbaar heeft een groot gezelschap binnen afgesproken. Er komen telkens mensen aangedrenteld. Ze lopen meestal de ingang voorbij naar een zijzaal en komen dan weer terug om via een rolstoelhelling alsnog de hoofdingang te nemen. Blijkbaar waren ze hier eerder en zaten ze toen in die zijzaal. Nu dus niet. Aat
en ik zitten buiten. Het is nog wat fris zonder jas, dat stilzitten, maar ik ben een flinke vent.
We volgen het jaagpad langs de Vliet waarbij ik regelmatig stilsta om steeds dezelfde foto te nemen. De meesten zal ik voor de avond wegdoen. Fotograferen is vaak niet zozeer vastleggen, maar onderstrepen dat ik geniet van de omgeving en dat doe ik. Genieten van het land, maar ook van het kerkje van Schipluiden in de verte dat ik af en toe zie, van de skyline van Rotterdam wanneer ik omkijk en natuurlijk zoekt het kind in mij de torens van Delft. Die hebben me betoverd toen ik een jaar of acht was en dat is gebleven.
Het spijt me wel een beetje dat de route niet door Schipluiden voert maar erlangs. Ook mooi, daar niet van.
We komen in een smalle bosrand. Een mevrouw die me tegemoet komt, vertelt dat ze hier als kind al liep, dat dit een memorylane voor haar is, dat het hier het bosje van Tanthof heet. ‘Dat zei mijn moeder altijd: kom, we gaan naar het bosje van Tanthof…. Ik weet niet waarom het zo genoemd werd. Wat zijn die paddestoelen trouwens mooi. Maar geen rode met witte stippen.’ Ze vindt het niet erg als ik vertel dat ik mijn viltstiften vergeten ben.
Een paar honderd meter verder lees ik in de wandelgids: ‘’t Anthooft betekent ook waterkering.’ Dat had ik de vrouw graag verteld. De herfstblaadjes aan de takken lijken licht te geven.
Bij het Reinier de Graafziekenhuis nemen we de bus. We liepen in de goede richting vandaag: van begraafplaats naar herstellingsoord.
Pauze
Groene Hartpad, 24 september 2025, Van De Zweth naar Vlaardingen

Opnieuw geen horecagelegenheid vandaag, wel een bankje. Een vrouw die vroeger waarschijnlijk al mooi was en in de loop der jaren in ieder geval goed bewaard is gebleven laat haar hondje uit. Het beest is niet in ons geïnteresseerd, de vrouw blijft staan om te zeggen dat we wel boffen met dit plekje. Dat is ook zo: mooi uitzicht, prachtig weer, een beker koffie. Alleen geen appelgebak, maar wie weet komt dat nog langs. ‘Die bank staat er nog niet zo lang, hoor.’ Als ik suggereer dat die misschien wel met het oog op onze komst hier is neergezet, vertelt zij dat ie er al wel een paar maanden staat. Zij zit er ook af en toe. Ik maak een uitnodigend gebaar. Ze kan er nog best bij. Dan zetten we onze rugzakken op de grond. Dat doet ze niet. Misschien vanwege het hondje dat begint te trekken. Gelukkig is het een kleine hond. ‘Toch lijkt die bank me niet nieuw,’ zeg ik en dat lijkt te kloppen. De gemeente heeft in deze omgeving wat banken verplaatst. De vrouw wenst ons een prettige dag toe en een heerlijk stuk appelgebak. Er komt een vliegtuig over. Even later weer eentje. ‘Het is druk op het vliegveld,’ zegt Aat. Hij zegt geen Zestienhoven, valt me op, maar ook geen Rotterdam Airport. Boven een bosje een eind verderop steekt een puntje van een kerktoren uit. Ik zag er al meer. Spitsen die ongetwijfeld bij een voormalige dorpskerk horen. Misschien zijn ze nog wel in gebruik, maar dorpskerken kun je ze amper meer noemen. De spits hier zou wel eens die van Kethel kunnen zijn. Daar zou ik wel eens heen willen. Misschien moet ik maar eens een tochtje in deze omgeving maken om kerken als die van Piershil en Kethel te bezoeken, dorpjes die zijn geannexeerd door Rotterdam, Schiedam of Vlaardingen. Thuis
heb ik nog oude ansichtkaarten waarop die kerken staan afgebeeld, voorzien van die vroegere dorpsnaam.
Was het wel het kerkje van Kethel? Later kijk ik in mijn kaartenverzameling en ik zie dat er niet een haantje op de toren staat zoals op de foto die ik vanaf het bankje nam, maar een kruis. Gelukkig biedt internet uitkomst. Het kruis van ooit is vervangen door een haan. Behalve een kaart van het exterieur heb ik er ook eentje waarop ik de binnenkant kan zien. Helaas geen jaartal en ook geen geadresseerde. Die kaart van het interieur was ooit bedoeld voor een jarig gemeentelid, zo vertelt een voorgedrukte tekst.
‘Beste jarige,’ staat er. ‘Van harte wens ik U namens de kerkenraad van onze Hervormde Gemeente in Kethel geluk met Uw verjaardag en herinner ik U aan het woord uit de Bijbel:
“Loof den Here, mijn ziel, en vergeet niet een van zijn weldaden.” (Psalm 103 : 2)’ De toenmalige predikant heeft er zelfs met vulpen zijn naam onder gezet: N. Warns. Nog even terug naar de wandeling. Soms verliezen we elkaar even uit het oog. Daardoor mis ik zijn ontmoeting met een vrouw die zei dat ze zijn camera zo mooi vond. Als hij het me vertelt kijkt hij met welgevallen naar zijn fototoestel. ‘Stommeling,’ zeg ik, ‘ze bedoelde jou!’ ‘Dat begrijp, maar je moet in zo’n situatie rustig te werk gaan.’ ‘Rustig? Zo’n situatie? Kijk eens om en denk eens na?’ Aat kijkt om. ‘Nou, waar is ze, die vrouw? Ik zal het je vertellen: ze is weg en je ziet haar nooit meer… Ze vond mijn camera zo mooi, zegt ie dan nog.
Zie ook:https://lenborgdorff.nl/Van%20De%20Zweth%20naar%20Vlaardingen/album/index.html
Geen gebak en geen tonic
Groene Hartpad, 21 augustus 2025, Van Hillegersberg naar De Zweth

Vorige week begaf mijn gps-apparaat het. De route vandaag staat nu weliswaar op mijn mobiel, maar hoe lang de batterij het volhoudt is me onbekend en simpelweg het pijltje over een paars lijntje laten schuiven is er niet bij. Of toch wel… Ik heb Komoot en de GPX-viewer op mijn telefoon, maar kies voor de laatste omdat die app gratis is. We lopen meteen al verkeerd maar zonder om te lopen. Eerst woonwijk, daarna industriegebied en dan zijn er ook nog wegwerkzaamheden waarbij het geplande pad gewoon verdwenen is. We beklimmen daarom het talud van de weg die de Bergschenhoekseweg heet. Niemand wil dit allemaal weten, dat begrijp ik best, maar de kleine vreugde die het biedt om voor het eerst met behulp van die app eigenwijs te wezen door vast te houden aan een verdwenen route en dan toch nog goed uit te komen, is toch wel een beetje het vermelden waard. Even later zien we een trap die al wordt overgroeid met braamstruik en waarvan de toegang met timmerwerk onmogelijk is gemaakt. We zouden hier een flinke bocht kunnen afsnijden. Dat doen we niet. Loopt die trap wel tot beneden toe door of maakt onkruid de doorgang halverwege niet onmogelijk? Later, als we beneden zijn, zien we dat we met enige moeite de bocht inderdaad hadden kunnen afsnijden. Intussen zien we links of rechts weer de roodgele stickers van ons streekpad, vaak met daar de naam van ‘ons’ Groene Hartpad. En daar gaat het om.
Dit gedoe maakt de nogal saaie route er wel prettiger op en dat geldt ook voor het vervolg dat langs Berkel en Rodenrijs voert. Hier kwam ik als kind regelmatig als ik met mijn vader langs klanten ging, tuinders die aan het werk waren op nu goeddeels verdwenen en door vrijstaande huizen vervangen tuinderijen. Ik herinner me de veiling nog al herken ik het gebouw niet, net zo min als de omgeving. En toch het type weg en die rijtjes huizen hier en daar waarin ooit tuinders of tuinderknechten woonden.
Huizen die de tijd nog overleefd hebben. In zo’n huisje woonde de kleuter die mijn moeder was in de vroege jaren twintig van de vorige eeuw.
Aat vertelt dat hij dat bij de vorige wandeling al had, bij Capelle. Daar woonde een tante bij wie hij als jochie logeerde. Zo weten we van dit wat saaie stuk toch nog een aangename aangelegenheid te maken. Wij pauzeren door op een rond betonblok te gaan zitten. Daar drinken we onze koffie en eten we een paar boterhammen, want een tent waar we ons van appelgebak kunnen laten voorzien is er onder de rook van Rotterdam niet bij.
Dat betonblok is een domme zet: een paar honderd meter verder komen we lang de Zweth te lopen. Een water waarvan de naam, alweer vanwege vroeger, tot onze verbeelding spreekt, maar het is ook heerlijk om er te lopen en we hadden hier heel goed onze boterhammen kunnen eten, maar die zijn al op, net als de koffie.
Er zit veel voorn in de Zweth vertelt een visser die net een visje van de haak haalt en teruggooit in het water. Of die het druk heeft, wil ik weten als ik zie dat er al weer een vis aan zijn hengel hangt, weer een voorn, groter dan de vorige. De man zit hier het liefst met zijn kleinzoon, maar die kon helaas vanmiddag niet.
Bij restaurant Aan de Zweth, goed voor een Michelinster, zouden we wel kunnen lunchen, maar voor alleen een glaasje tonic moeten we met het pontje even de Delftse Schie over naar de brasserie. Heel dichtbij, maar dat doen we niet. Zul je zien dat we net de bus missen en diekomt hier in de vakantietijd maar één keer per uur langs.
Fotoserie op deze site: https://lenborgdorff.nl/Van%20Hillegersberg%20naar%20De%20Zweth/album/index.html
Langs de oever van de Rotte
Groene Hartpad, 21 juli 2025, Van Capelle aan de IJssel naar Hillegersberg

Had ik wel zin in een wandeling langs de Kralingse en later de Bergsche Voorplas en dus ook langs de Rotte? De vorige van alweer drie maanden geleden had me wel een beetje gerustgesteld want het Schollebos, toch ook een door voormalig veengebied voerend stadspark, was helemaal niet verkeerd. Maar ja, wat wil je in het voorjaar als alles willen bloeien en gras en boomblad nog zo fris groen zijn? En ze zouden er onvermijdelijk zijn, de wat duffe woonwijken of straten en huizen van een halve eeuw oud.
En zo was het ook. Die huizen, die straten en die wijken waren er. Maar er was en bleef veel enthousiast groen en water was er ook. En veel watervogels leerden hun tweede broedsel van dit jaar zwemmen. Dat is altijd leuk.
Onderweg las ik dat de Rotte nog geen twintig kilometer lang is en een grote brede stroom kun je het al helemaal niet noemen. Wonderlijk dat naar dit toch niet al te indrukwekkende water een wereldstad genoemd is. Zodra wij langs de Rotte liepen begon Aat te zingen. Het bekende lied dat begint aan de oever van de Rotte en eindigt met tragische doodslag. Zover kwam Aat niet. Ik onderbrak hem: hij was te vroeg. Pas een volgende keer zouden we tussen Delft en Overschie lopen.
In onze wandelgids keek ik of ik nog iets interessants kon vermelden over de omgeving. Het beroemdste popfestival ooit noemde ik niet. Ik ben daar niet naartoe geweest en zo boeiend is het nu ook weer niet om daar nu nog over te praten. Wél meldde ik dat de eilanden in de Kralingse Plas zijn ontstaan doordat men in de jaren na de oorlog puin van ooit gebombardeerde gebouwen in deze grote plas gedumpt had.
Dat wist ik niet en dat was toch goed om te weten. Ook las ik dat de naam van het riviertje waarschijnlijk te danken is aan een verdwenen dorpje dat Rotta heet, Roode Aa. Zoals, lees ik op bladzijde 95, Breda is afgeleid van Breede A en Gouda van Gouden Aa. Dat gaf onderweg toch nog stof tot nadenken. Aa of A staat voor water, maar welk brede water is er bij Breda? En zou het water van de Rotte rood- of bruinachtig zijn geweest vanwege het veen, en zou men dan Gouda diezelfde kleur van het water van de Gouwe goud hebben genoemd? Vragen waarop ik het antwoord niet wist. Ook kon ik niet zeggen waarom ik me nooit eerder heb afgevraagd waaróm het riviertje hier zo heette. Zou Rottige in de naam van het Friese Rottige Meenthe ook roodachtig betekenen? Ook veengebied immers. Ik wist het allemaal niet.
Wat ik ook niet wist en nu nog steeds niet: waarom staat er temidden van veel betrekkelijke nieuwbouw een oude schoorsteen in de omgeving van de Paradijslaan? Een monument, neem ik aan, maar ik maak me wel een beetje zorgen om de staat van de metalen singels die om de pijp geslagen zijn. Zo was er veel dat ons bezig hield tijdens de wandeling en dan heb ik het niet eens gehad over de voortdurende dreiging boven ons hoofd. We hielden het goeddeels droog, kan ik intussen vertellen. Gelukkig hadden we desondanks niet voor niets ook een parapluutje en een regenjas meegenomen.
* Fotoserie op deze site: Van Capelle aan de IJssel naar Hillegersberg