Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

Tijdens de wandeling

Over de brug 

Van Uithuizen naar ‘t Zandt,
05 september 2020

Opnieuw een brug en weer moeten we daar overheen, maar deze keer blijf ik niet voor mijn plezier halverwege staan. Als je de Dijkumerweg volgt om na een paar kilometer in ’t Zandt aan te komen, moet je een brug over. Dat weten we nog niet als een groot geel bord ons vertelt dat de weg is opgebroken en dat we er niet door kunnen. ´Ook fietsers en voetgangers niet,´ wordt er apart bij verteld. Raadpleging van het mobieltje maakt duidelijk dat we een flink eind zullen moeten omlopen. Dat mobieltje geeft overigens niet aan dat er ergens een onoverkomelijke blokkade is. Maar we weten niet hoever we moeten lopen om daar überhaupt bij in de buurt te komen. Stel dat we twee kilometer moeten lopen om te ontdekken dat we inderdaad niet verder kunnen, dan moeten we ook weer twee kilometer terug en kunnen we daarna alsnog aan de dan onvermijdelijke omweg beginnen.

Er komt een auto aangereden, de vrouw achter het stuur aarzelt. Ik heb de indruk dat ze ons iets wil vertellen. Ze heeft het raampje al open gedraaid, zie ik.
Het is waar. De brug verderop wordt gerepareerd. Het wegdek is verwijderd. Alleen de balken liggen er nog.
‘Je zou het kunnen proberen. Jullie zijn met z’n tweeën.’
Vraag me niet waarom, maar ze heeft zelfs een foto van de onttakelde brug in het telefoontje en zo zien we welk mogelijk obstakel ons te wachten staat. Het is duidelijk: we moeten gewoon doorlopen. Die onttakelde brug nemen we wel.

Onderweg erheen veronderstel ik hardop dat het vast geen gezicht zal zijn om ons wijdbeens naar de overkant te zien hobbelen, met een voet op de ene balk en eentje op de andere. Ik zie er een beetje tegen op. Evenwicht is een gevoelig punt geworden in de loop der jaren. Dat laatste vertel ik Aat niet en al helemaal niet als hij het idee van mijn wijdbeens gestrompel weglacht.
‘Dat kan toch gewoon over een balk. Je zag op die foto toch hoe breed die dingen zijn?’

De gemankeerde brug over de Garsthuizermaar doet zich eerder voor dan verwacht. We lopen om een hek heen. Aat danst vervolgens inderdaad over één enkele balk naar de overkant. Aan het eind, net als ik mijn camera in mijn tas heb gestopt, begint hij frivool met zijn armen te wapperen, alsof hij niet loopt maar vliegt.
Dan ben ik aan de beurt. Ik heb moed geput uit het voorbeeld van de zwager die ooit mijn padvindersleider was en dus ook nog eens negen jaar ouder dan ik. Maar na drie, vier stappen verstar ik. Ik weet wel dat ik verder moet, maar dat moet dan toch maar op de onelegante wijdbeense manier die ik me had voorgesteld. Ik zie dat Aat zich intussen heeft omgedraaid om nog een keer over een balk te dansen, voor de lol. Dan merkt hij dat ik de oversteek heel anders ervaar dan hij.
Ik moet niet naar beneden kijken, zegt hij. Maar het gaat niet om hoogtevrees, ik moet juist naar beneden kijken om te zien waar ik mijn voeten neerzet. En ik moet vechten tegen de verstarring.
‘Zal ik je een hand geven?’ vraagt Aat. Dat hoeft niet.

Als we verder lopen hervind ik mezelf in grootspraak, maar daar trappen we niet in. Aat niet en ik niet. We leven bijna zestig jaar verder en we zijn nog steeds op stap. Vandaag blijkt dat er aan de verhoudingen van toen nooit iets veranderd is.

O, dacht ik, o, dat daar een Van der Laan voer 

Van Warffum naar Uithuizen,
04 september 2020

Je hoeft niet eens heel lang op internet rond te struinen om een behoorlijke bak voorgeslacht op het spoor te komen. Van mijn eigen familie heb ik intussen een aardig beeld. Wel vond ik het verrassend om een tijdje terug te lezen dat een voorvader 200 jaar geleden scheepsjager was, wat betekende dat hij een trekschuit bediende. Dat deed hij in de omgeving van Leiden.
Nieuwsgierig werd ik naar het voorgeslacht van de opa van Mente, dus naar mijn schoonopa, om precies te zijn, de vader van mijn schoonmoeder. Ik heb de man alleen maar dood gekend en van gekleurde en tamelijk summiere verhalen, al was het maar omdat zijn dochter enig kind was. Hij heette Klaas van der Laan en kwam uit Groningen; een combinatie die niet erg hoopgevend is; daarvan zijn er veel. Maar ineens kan ik hem via digitaal beschikbare archieven een stelletje jong gestorven broertjes en zusjes leveren, waar niemand van wist en ik zie dat die kindertjes op verschillende plaatsen het levenslicht zagen dan wel lieten. Dat heeft te maken met het beroep van zijn vader en dat van zijn grootvader. Dat waren schippers, dat lees ik in gedigitaliseerde archieven. Eén keer is er sprake van turfschipper en de overgrootvader eindigt als brandstoffenhandelaar (dat zal wel door de turf komen). Je komt geboorte en dood tegen in Harlingen, Zwolle, maar vooral op de plek waar zij leefden als ze niet op een binnenschip zaten en die plaats was Winsum – Obergum; dat is ook de plaats waar deze mensen zelf geboren werden en doorgaans stierven. En ze haalden er hun levenspartner vandaan.

De wandeling langs het Groningse deel van het Kustpad heeft ongetwijfeld bijgedragen aan mijn nieuwsgierigheid en dus ook aan mijn bevindingen.
Omgekeerd ben ik me erg bewust van het feit dat hier het voorgeslacht van mijn geliefde in zo ruime mate en zo langdurig ook heeft rondgelopen. Weliswaar zijn we Winsum – Obergum, het epicentrum van dit voorgeslacht, alweer voorbij, maar toen we vanmiddag een hoog bruggetje over gingen, dat de oevers verbond van wat ik geloof dat het de Westerwijtwerdermaar zal zijn, wilde ik heel nadrukkelijk dat hier Mentes voorgeslacht ook af en toe gevaren had, om er in Warffum, Kantens of Uithuizen iets van hun brandbare nering te slijten.
En omdat er niemand was die deze gedachte tegensprak, besloot ik, daar boven op dat bruggetje dat het ook zo was. Hier op deze plek voeren ze, Berend en Jan van der Laan, en bij het controleren van de naam Jan kom ik plots een derde schipper tegen, nou, ja, een varensgezel, ook een Berend; hij komt overigens uit Sauwerd, maar ja, dat ligt onder de rook van Winsum. Hoe dan ook, ze hebben allemaal gevaren op de plek waar ik nu op de hoge brug sta. Ik weet het zeker. Ik voel dat.
Het is een mooie plek.

Het kerkje van Breede 

Van Eenrum naar Warffum,
29 juli 2020

Het kerkje van Breede is in 2019 na een jaar weer geopend. Het moest gerestaureerd worden. Dat wist ik niet. In 1985 befietste ik het Hogeland om er alle oude kerkjes te bekijken, van buiten, en graag ook van binnen.
Dan moest ik ook naar Breede. Dat vertelden mensen in Middelstum me tenminste. Het kerkje daar was onlangs gerestaureerd. Maar Breede stond helemaal niet op mijn lijstje, ten onrechte misschien, maar zo was het wel, en de route die ik voor die dag gepland had, liep anders. Natuurlijk zou ik naar Breede gaan, zei ik, en ik bedankte het echtpaar voor de waardevolle tip. Nu kon ik dat kerkje bezoeken terwijl het nog lag na te dampen van de ingrijpende restauratie, als brood net uit de oven. Maar ik deed het niet; ik was het ook helemaal niet van plan.
Kerkjes bezocht ik indertijd op basis van twee gidsjes, ‘Langs de oude Groninger kerken’ van de onvolprezen Regn. Steensma en het boek ‘De oude dorpskerken boven de grote rivieren’ van Gé Verheul. Beide schrijvers hadden ongetwijfeld goede redenen om het kerkje van Breede niet te vermelden. Ik vermoed zelfs dat het kerkje door Verheul wel vermeld zou zijn als dat een paar jaar eerder was gerestaureerd. Er is intussen, maar dat is jaren nadat ik mijn zonde beging, wel aandacht gekomen voor het kerkje in een boek van Peter Karstkarel ‘Alle middeleeuwse kerken, van Harlingen tot Wilhelmshaven’. Daarin lees ik ook waaróm het kerkje nogal makkelijk werd overgeslagen. Van de veertiende-eeuwse oorsprong viel vrijwel niets meer te herkennen.
Maar het geeft geen pas om me achter wat literatuur te verschuilen. De opmerkingen van het echtpaar uit Middelstum waren indertijd duidelijk genoeg en ik herinner me dat ze me zelfs een artikel uit een plaatselijke krant lieten lezen dat voldoende redenen bood om mijn voorgenomen route te herzien. Ik deed het niet en het heeft 35 jaar aan me geknaagd. Geknaagd, ja.

Vandaag liep ik het kerkje zomaar in de armen. Het zag er kek en opgepoetst uit en de deur stond open, zodat ik niet alleen de in zomermaanden vaak frustrerende buitenkant kon zien (frustrerend vanwege al het boomblad dat kerkjes aan het oog onttrekt), maar ook de binnenkant waar niets en niemand me in de weg stond. Het voelde als een thuiskomt en dat nog wel op een plek waar ik nooit geweest was. Er was zelfs gelegenheid om voor je zelf thee of koffie te maken. Zover ging ik vandaag niet, maar Aat herinnerde me eraan dat mijn waterfles bijna leeg was en die heb ik daar gevuld.

Intussen ben ik weer thuis en van het water heb ik amper gedronken. Straks gebruik ik het water uit het kerkje van Breede om koffie mee te zetten. Daarna drink ik niet een bakkie troost, het is een beker van vergeving, want zoveel is me wel duidelijk geworden: de kerk van Breede neemt mij niets kwalijk. Is het niet fantastisch!

Koffie met slak 

Van Vierhuizen naar Eenrum,
28 juli 2020

Vanaf de bushalte kiezen we voor een pad dat gelardeerd is met slakken, in allerlei staten.
Met huisje, vaker zonder, levend, voortplantend, half of al heel lang dood. Een complete opsomming van de vele variëteiten is te makkelijk, te misselijkmakend ook, dus laat ik me beperken tot het voorlaatste stadium, dat van zwarte vlek, al kan die ook wel eens terug te voeren zijn op een klein kikkertje. Daarvan vind je ook specimen terug in diverse stadia. Ooit zong Tiny Tim zijn ‘As I tiptoe through the tulips,’ ook wij lopen voorzichtig en kijken goed waar we onze voeten zetten, zij het om een andere reden.

Op een plek waar wel een camping is met caravans en tenten, maar geen koffie, houdt dit ongerief abrupt op. Vandaar dat de man van de camping onze volle aandacht krijgt. Er is iets bijzonders aan de hand met de manier waarop hij nee zegt als wij vragen of we hier ergens koffie kunnen drinken. Hij wil er veel meer over vertellen. Dat is wel duidelijk. In plaats van dat te doen, valt hij stil. Maar niet omdat het onderwerp met zijn nee is afgedaan.
Hier staat een filosoof die door de simpele vraag naar koffie blijkbaar overstelpt wordt door allerlei onverwachte inzichten, overwegingen, zonder daar ook meteen ook woorden voor te kunnen vinden. Die komen even later langzaam op gang. Het is het begin van een lange trage stroom. Het begint me al te spijten dat ik met mijn ondoordachte vraag naar koffie zoveel innerlijke beroering teweeg heb gebracht bij deze zo vriendelijk ogende man. Ik voel me zelfs een beetje schuldig als we verder lopen, zonder de man de gelegenheid te hebben gegeven zich volledig uit te spreken over de koffie. Alsof een schrijver ons zijn nieuwste boek aanbiedt dat wij niet aannemen ‘omdat we toch geen tijd hebben om het te lezen.’ Alsof wij meer geïnteresseerd zijn in de banaliteit van koffie dan in een filosofische openbaring.
In Leens treffen we bij de bakker een aantal dames aan die verre van filosofisch zijn ingesteld, maar naast de koffie ook heerlijk gebak tevoorschijn toveren.

Liever zou ik niet op de slakken en de kikkers teruggekomen zijn, maar later lopen we weer voorzichtig op onze tenen over met organisch materiaal geplaveide paden. Af en toe kijken we op om te genieten van vergezichten die worden opgelicht door een zon die regelmatig zijn stralen door de fraaie bewolkte hemel slaat, maar niet te lang.

Rondje Joppe, 

14 juni 2020

Halverwege zijn we, maar vraag me niet precies waar we zijn, als ik hardop zeg dat het met het weer nog reuze meevalt. Er waren in deze contreien stevige buien voorspeld; daar hadden we het over toen we ons met koffie en appelgebak reisvaardig maakten.
Het begin van de wandeling bracht herinneringen aan eerdere wandelingen, ook in deze omgeving. Er hangt een zeer lichte nevel over het land en zelfs het woord nevel is al teveel. Maar het licht van de zon was hoe dan ook gefilterd en de lucht tendeerde van zachtblauw en een even zacht wit. De herinnering (Trekvogelpad) ging terug naar dezelfde tijd van het jaar. Ik zie het aan de jonge maisaanplant. De brave, overzichtelijke rijen waar de plantjes staan, met een groen dat al even vriendelijk en zacht is als het licht. Die wandeldag eindigde in een zwembad.
Heel in de verte horen we gerommel en er valt een regen waar je makkelijk tussendoor kunt lopen zonder nat te worden. En dat is nog steeds zo als we halverwege zijn. We vertrokken ergens bij Joppe, lopen de kant uit van Epse, buigen dan naar Harfsen en maken zo ons rondje af.
Ik heb het nog niet gezegd, of er trekt een flits door de lucht. Ik zie de schicht niet, want het gebeurt achter mijn rug, maar even gaat het licht aan en weer uit. Ik raak de tel kwijt, zo lang duurt het voor ik gerommel hoor. De kans is groot dat de bui voorbij trekt. De kans is even groot dat we er midden in komen te zitten.
Zelfs als ik weet dat het weer zal omslaan, dan nog kan ik me daar al wandelend of fietsend geen echte voorstelling van maken. Het heden dringt zich daarvoor teveel op. Maar er hangt ondertussen wel een heel erg gele lucht boven dat heden.
Er komt een spat op de lens van mijn camera. Als ik die wegveeg, vallen er meer.
Aat kijkt minder spiedend om zich heen. Hij had al gezegd dat het een slechte dag was om vlinders te zien (ik zag er twee: twee koolwitjes, en een bruine, te ver weg om tekening op de vleugels te ontwaren). Op vogelgebied komen we weinig spectaculairs tegen, al verandert Aat een roodborstje nog wel in een gekraagde roodstaart.
Langzaam maar zeker kom ik in een mentaal tussengebied terecht. Dat komt daar die vogels, de ontbrekende vlinders, de manier waarop vuil wordende lucht zich om de contouren van een schuurtje, een rij bomen en om de spaarzame koeien op het land sluit, een land waarin het regent terwijl het niet regent en omgekeerd. En als het dan toch harder begint te regenen lopen wij meestal onder rijk bebladerde bomen.
Al met al kom ik kletsnat bij de auto. Mijn regenjas is kletsnat, van binnen en van buiten. Mijn T-shirt ook.
‘Je moet ook een paraplu nemen,’ zegt Aat.
Maar ik heb het niet op paraplu’s; op regenjassen trouwens ook niet.
Ik was vergeten mijn wandelschoenen mee te nemen en het klittenband van een sandaal is stuk, maar daar heb ik deze keer weinig last van gehad. Mijn voeten zijn zwart van de modder. Maar ze voelen zo warm dat ik de viezigheid op de koop toe neem en het niet eens zo erg vind dat ik mijn wandelschoenen niet heb meegenomen. Blij ben ik ook met mijn korte broek, want natte broekspijpen zijn net zo erg als een natte regenjas, nee, erger.
Wandelen in de regen kan misschien nog het best bloot. Dan blijf je het droogst. Maar wel met een petje op.

 Door de bomen het licht zien 

Van Lauwersoog naar Vierhuizen,
07 maart 2020

Omdat de wandeling naar Lauwersoog wat kort was, spiraalden we gisteren nog een kilometer vijf in het jonge bos en langs het water rond de haven. Toen werd ook duidelijk dat we daarmee een voorschot namen op de route van vandaag. Die dubbeling was geen straf. Want gisteren was de dag zichtbaar onder een lichtgrijs floers én was er een dalende zon, vandaag stond alles in fel licht onder een helderblauwe lucht en gelukkig was wolken aan de rand en zagen ook de doorgaans donker ingewanden van het bos het licht.

Bij het ontbijt keek ik nog recht in de zon. Vandaar dat ik mijn ogen vooral op het bordje voor me gericht hield en Aat die, hoewel hij op een meter afstand recht tegenover me zat, onzichtbaar bleef. Af en toe kwam er uit het verblindende licht een hand tevoorschijn die me het vaatje met boter aanreikte. Buiten beschermde de klep van mijn pet me voor het felste licht zodat ik juist kon genieten van alle oplichtende kleur.

In het jonge bos van het Lauwersmeer probeerde de zon tussen bomen, takken en struiken door de grond te bereiken. Jong ochtendlicht dat zich uitstekend verdroeg met al even jong en bescheiden groen. Ook het mos om dood hout had er zin in vandaag. Licht, kleur, vrolijke verstilling, ondanks de vogels die we wel hoorden maar amper zagen. Zo viert een bos een zonnige voorjaarsmorgen.

Honden doen dat anders. Door verschillende bazen werden er een stuk of vijf uitgelaten bij de rand van een grote plas. De honden renden af en aan. Wat hadden die beesten het druk. Ze leken alleen maar oog en neus voor elkaar te hebben, al sprong er af en toe eentje in het voorbijgaan enthousiast tegen ons op.
De grootste hond zag er ook niet tegenop om een eind het water in te schieten om een stukje te zwemmen. Een andere hond die bij twee vrouwen hoorde met een lichte Amsterdam tong aarzelde even, maar ging er toen achteraan.
‘Hij kan toch helemaal niet zwemmen?’ vroeg de enen vrouw aan de ander.
Ik hoorde niet wat het antwoord was, maar hond nummer twee werd niet teruggeroepen.

De bomen gaven stof aan allerlei bespiegelingen waarmee ik je niet zal lastig vallen nu. Bomen in knop, maar ook halverwege afgezaagde stammen, stammen met een lichtgevende oranjeroze verfstreep als doodstekens of hun schors getrokken, ruim bemoste, afgestorven stukken boom. Bomen zonder indidualiteit zal leek het.

Mensen waren er nauwelijks.

PS De schoenen deden het uitstekend.
PS2 Mijn mobiel onderweg toch twee keer gebruikt, maar dat is weer een heel ander verhaal.

 Onderweg naar morgen 

Van Paessens naar Lauwersoog,
06 maart 2020

De onverwachte aankoop vorige week van nieuwe wandelschoenen heeft niet geleid tot een andere wandelervaring, als is het misschien verstandig om daar morgen, na de tweede wandeling, pas iets over te zeggen.

Om met het openbaar vervoer van Utrecht in Paessens te geraken, moet je drieënhalf uur rekenen: trein, trein, bus en belbusje. Wachttijden waren er nauwelijks. De reis duurde lang genoeg om de wekelijkse killersudoku uit Trouw te maken, een gesprek te voeren en een paar hoofdstukken te lezen. En om te reageren op allerlei appjes en mailtjes waarop ik werd getrakteerd. Dat hield niet op toen een frisse en stevige bries ons langs de Waddenzee voerde, van Paessens naar Lauwersoog.
Zowel Aat als ik trokken een capuchon over onze pet of muts.

Een kort traject vandaag, eigenlijk iets te kort en daarom gaven we er bij Lauwersoog een extra slinger aan. De vogels die we graag hadden willen zien, kwamen we niet tegen. Wel waren er wat bloemetjes die een beetje deden denken aan narcissen maar dat niet zijn. En in de avond aten we leng, een mij onbekende vis waarvan ik later bij ons huisje een afbeelding zag. Een leng kan 80 tot 180 cm worden. Het is een witvis die naar witvis smaakt. We kregen een flinke moot, maar dan nog was dat maar een fractie van de oorspronkelijk vis.

Morgen wil ik pas weer naar berichtjes op mijn telefoontje kijken als ik weer gewoon thuis ben. Of als ik, of in de trein zit, dan mag het ook. Overdag geen berichtjes. Dat lijkt me heerlijk.
En dat is nog maar één nachtje slapen van vandaag verwijderd.

 Meerkoeten 

Van Holwerd naar Paessens,
25 januari 2020

Vanmorgen werd bij navraag duidelijk dat de betonnen bakken langs de zeedijk geen kaboutergraven zijn. Het spijt me als ik mensen op het verkeerde been heb gezet.
Ook nu twijfel ik nog, want zoekend op het wereldwijde web kom ik geen duidelijke bevestiging tegen van het verhaal dat mij verteld werd als zijnde de juiste verklaring van deze bakken. Ik zou natuurlijk verder navraag kunnen doen bij Smit Bedum, een bedrijf dat allerlei prefabbeton aanlevert en dat blijkens de sticker die ik op de bakken aantrof ook daarvan de leverancier is.
Maar goed dit zou de juiste lezing zijn, volgens mijn informant, bewoner van Holwerd en voormalig politieman: het gaat hier om drinkbakken voor schapen. Dat verklaart de treetjes. Die zijn voor de pootjes. Wij hebben zowel gisteren als vandaag geen schaap gezien dat gebruik maakte van dergelijke bakken. Er kwamen überhaupt geen schapen op ons pad langs de dijk. Wel waren er van die vervelende veeroosters en er lagen, gisteren meer dan vandaag, ook wel schapenkeutels op ons pad. Ik vraag me nog wel even af waarom er twee gekoppelde bakken zijn en wat er in het midden onder de afneembare stalen plaat te zien is. Maar we laten de kwestie verder rusten en gaan even verder met de poep, want die leverde op sommige plekken serieus gevaar op deze zaterdag.
Was de luchtvochtigheid gisteren 97%, dan zou die vandaag wel eens hebben kunnen oplopen tot 98. En dan kan ganzenpoep bijzonder glad worden, zo glad dat ook het kloeke profiel van de zool van een wandelschoen geen verweer meer heeft als het grote glijden eenmaal aanvangt.
De ganzen zelf hadden hun toilet dat ons wandelpad was, al verlaten. We zagen, anders dan gisteren, enorme slierten door de lucht zeilen en op ruime afstand van ons landen. Sierlijke slierten waren het.
Eenden, die we niet gezien hadden, wilde, maar ook kuifeenden, wisten zich te verraden door bij tien- en tientallen op te vliegen als ze iets achter te rietkraag ontwaarden. Dat waren wij. Er was één eendenpaar dat zich van alle consternatie weinig aantrok en bleef dobberen, samen met een brandgans.

Al liepen we door een land van ‘mest en mist, van vuilen, kouden regen, / Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp, / Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen’ (De Genestet) en ook al had ik vergeten de beide baterijen van mijn camera op te laden, dat weerhield me er niet van om bekoord te raken door de meerkoeten die ver voor ons, bij de top van de zeedijk tevoorschijn kwamen. Het waren er minstens vijftig. Ze daalden langs de helling naar het pad, staken dat over naar de brede grasstrook rechts. Liepen vervolgens het water in, zwommen een stuk en gingen aan de overkant weer aan land om regelrecht naar een huis daar toe schommelen. Het was een nieuw huis, groot, met veel ramen, waarvan we ons afvroegen of het misschien een hotel zou zijn. Nu weten wij het: het is een meerkoetenhuis. Maar dan wel voor bovenmodale meerkoeten.

 Grafkeldertjes 

Van Ferwerd naar Holwerd,
24 januari 2020

Het leven is grijs. Bij gebrek aan boeiende luchten, bloeiende bloemen, verkeer dat we zouden moeten ontwijken, vogels die ons op afstand vergezellen of hoog in de lucht hangen, terwijl ze op zoek zijn naar prooi, probeer ik met verhalen over en uit de omgeving onze wandeling nog een beetje te verlevendigen. Ik was hier vaker en blijk bij Ferwerd, Hoogebeintum, Blija en Holwerd de nodige herinneringen of oude bekenden in voorraad te hebben. En dan zijn er nog de dorpen in de omgeving waar we niet doorheen lopen maar wel de torenspitsen van zien of gezien zouden hebben als het weer niet zo grauw was geweest.
Maar alles houdt een keer op en zo sjokken we op deze droeve vrijdag langs de zeedijk met een luchtvochtigheid van 97% volgens de Buienradar. Daarachter liggen de schorren en de slikken. We zien ze telkens weer als we even de dijk opgaan, die we aan onze linkerhand hebben. Verdwalen lukt hier niet.
Rechts van ons pad is meestal een strook gras van een meter een twintig breed. Daarachter ligt een sloot die te breed is om zonder polsstok te nemen, dat zijn we ook helemaal niet van plan, ook niet mét stok. Daar weer voorbij is gras- of zwaar beploegd kleiland. Maar zo zwaar kan het land niet zijn of aan de horizon lijkt het zich in nevelen te mengen met de lucht erboven.
Onder deze omstandigheden blijken de langwerpige grotendeels ingegraven betonnen bakken opwindend te kunnen zijn. Ze zullen met de afwatering te maken hebben, maar het lukt me niet om die veronderstelling te onderbouwen. Zo is er aan de slootkant geen buis en schuif ter hoogte van die betonnen bakken.
Ze zijn half ingegraven en de kleine treden aan de twee korte zijden doen denken aan een grafkelder, een twee-in-één-kuilkelder, een mij tot vandaag toe onbekende variant van het twee-onder-één-dakhuis. Maar de bakken zijn daarvoor te klein, tenzij de Friezen in niet al te lang voorbije tijden heel klein waren. Dat lijkt me onwaarschijnlijk en daarom ligt het ligt meer voor de hand om aan kaboutergraven te denken. Dat zullen het zijn.
Als ik weer even door het gras naast het wandelpad loop (vanwege mijn onderzoekende geest) lijk ik meer door een plas water te lopen dan door grasland.
Dat zou betekenen dat de lijkkistjes van de bijgezette kaboutertjes ronddrijven in de dubbele grafkelder. Ik luister aandachtig, buk me zelfs en leg mijn oor op het beton. Misschien botsen er twee tegen elkaar; dan zou ik dat moeten kunnen horen.
Ik hoor niets. Ondergronds is het blijkbaar windstil.

In de rug   

Van Sint Jacobiparochie naar Ferwerd,
14 december 2019

Zowel op vrijdagavond als zaterdagochtend wordt ons in het hotel gevraagd of wij soms gekomen zijn voor de kerstmarkt. Harlingen maakte zich al weken op voor het grote festijn, maar gisteren werd het spektakel afgeblazen vanwege de dreigende storm van vandaag. We kunnen de mensheid geruststellen: we zijn hier om te wandelen. Dat levert hier en daar meewarige blikken op. Aat geeft er nog een vrolijke draai aan; we zullen de wind flink in de rug hebben. Dat werkt, want als wijzelf onze ernstige onderneming al niet serieus nemen, waarom zou hotelpersoneel zich dan verder nog zorgen om ons maken? Het was al opgelucht toen het niet de brenger van slecht nieuws bleek te zijn, vanwege die kerstmarkt, nu was er al helemaal geen vuiltje meer aan de lucht.

De acht minuten naar de halte leggen wij droog af. Pas op het moment dat we in de bus stappen, wordt er een bak water over Harlingen uitgestort; wij zitten voorlopig goed.

Onderweg zijn er nauwelijks momenten dat je tegen de wind kunt leunen, maar vlugge blikken op mijn gps maken wel duidelijk dat ons gemiddelde een kilometer hoger ligt dan anders. Aat had het al gezegd. En nat worden we ook. De regen haalt ons in door horizontaal te vallen. Het gevolg is wel een kletsnat achterwerk en ook loopt er water via broek en sokken mijn waterdichte schoenen in.
Ik benijd Aat. Die heeft een kekke waterdichte katoenen broek van zeer dicht weefsel. Dan heeft hij de ook nog eens behandeld door er zowel aan de binnen- als buitenkant bijenwas in te strijken. Had ik maar zo’n broek.
Maar als ik mijn beklag doe over mijn onaangenaam aanvoelende achterdeel en over hielen die vanwege de nattigheid extra gevoelig beginnen te worden, vertrouwt hij me toe dat ook bij hem water in zijn schoenen loopt. De regen slaat bij de plooitjes in zijn knieholten door zijn broek heen. Zo’n broek hoeft ik niet.

Natuurlijk had ik gewoon mijn regenbroek moeten nemen. Die heb ik trouwens ook klaargelegd gisterochtend. Hij ligt nog keurig op het bankje bij de voordeur.

Volk op de vlucht   

Van Wijnaldum naar Sint Jacobiparochie,
13 december 2019

We gaan voor de shortcut, dus langs de dijk. Twaalf jaar geleden kwamen we terecht in Wijnaldum, daarna bewandelden we andere paden, en nu gaan we verder op de plek waar we toen stopten, via Roptazijl.

In de Waddenzee dobbert hier en daar een trosje eenden dat weinig waardering weet op te brengen voor de twee noeste wandelaars die we zijn. Ze zwemmen al weg als ze ons op ruime afstand zien lopen. Aat speurt naar een bijzonder exemplaar tussen de gewone wilde eenden. Vergeefs.
Dat eenden zowel in zoet als zout water leven, is geen nieuws, maar hoe gaat dat met het slobberen? Doen ze dat niet in het zoute water van de Waddenzee? Slobberen ze dan niet? Of wel en hebben ze een speciale klier om het zoute water te filteren? Volgens ons heeft een gewone eend die niet. En gaan ze af en toe naar een weiland langs de dijk om te fourageren? Nu in ieder geval niet. Ze keren ons de kont toe en kiezen het ruime sop.

Later komen we mussen tegen. Ze zitten in een grote struik en het zijn er zoveel dat Aat opnieuw een uitzondering tussen de huismussen wil kunnen aantreffen. Eén ringmusje is toch niet teveel gevraagd. Het lijkt wel of de struik in volle bloei staat, een bloei van grijsbruine bloemen. Maar opnieuw, als we naderen, verdwijnen ze en een ringmus krijgen we niet te zien.
Ze vliegen niet weg, op een paar na dan, maar kruipen dieper de struik in. Alsof dat een struikje-roer-me-niet is.

Eerder zagen we al een valkje balanceren op een uiterst dun twijgje boven in een boom. Deze week schreef ik een keer over een dode valk en over een foto die ik daarvan maakte ooit en die ik niet meer terug kan vinden. Vandaag krijgt de camera dus een levende valk te pakken. Dan vliegt hij weg. Dat beestje zal het wel goed hebben hier aan de Friese kust. Het wemelt er van de muizen.
Ook die verdwijnen als we naderen.

Oer   

Maashorst, bij Nistelrode,
13 september 2019

We bezoeken de Maashorst, bij Nistelrode. Het is het gebied waar de wisent, de tauros en de exmoorpony hun oerleven leiden, want alles is oer in dit gebied en hier kun je, samen met een handige app natuurlijk, ook aan je eigen oer toekomen. Ik vrees het ergste voor Aat. Aan het begin van de wandeling, net uit de auto, ziet hij er nog geciviliseerd uit maar hoe zal het zijn als straks in deze man het eigen oer ontketend wordt. Bang ervoor ben ik niet, maar, laten we zeggen, wel alert.
Het grote oer begint bij een kaal veld waar schrikdraad omheen gespannen was. Dat hoort, wordt me naderhand duidelijk, bij het oergevoel, schrikdraad, want we zullen het nog regelmatig tegenkomen. Voor onze voeten, maar aan de andere kant van het schrikdraad liggen drie varkens, niet roze maar bruinzwart, een beetje een oerkleur dus, waardoor ik desondanks onmiddellijk moest denken aan de vier in cellofaan verpakte leverworstjes die ik vanmorgen in de koelkast vond en waarvan ik er na enige aarzeling toch maar niet eentje gebruikte om uit te knijpen op een boterham voor de lunch. Met die beslissing ben ik nu toch wel een beetje blij. Twee varkens kijken even op van onze aanwezigheid, maar ze ploffen na een paar tellen weer naast elkaar. Ze spelen liever voor dooie leverworstjes. In de verte liggen soortgenoten van een veel groter formaat.
Na een paar minuten is daar het eerste hek dat we door moeten, maar dan heeft Aat al sporen van een ree gespot. Als hij het zegt, zie ik ze ook. Voorbij het hek zijn daar de drollen af en toe, tekens van groots leven dat zich in onze directe omgeving moet bevinden. Maar we zien niks. ´Tien vogels zien ons op dit moment,´ zegt Aat, ´maar wij zien niks.´ Dat is niet waar. Ik zie plukjes hei die nog in bloei staan, we zien vlindertjes en er vliegt een eend over het vlakke land die geen eend kan zijn, want kleiner, maar wel die kleuren, en waarvan we besluiten dat het een valk is, geen torenvalk – die zien we al vaak genoeg – maar een boomvalk. Het ging net iets te snel. We kijken naar een sprinkhaantje en er liep een soort kevertje met een opgeheven achterwerk alsof het een minischorpioentje was.
Even, een of twee hekken verder, denk ik het spoor te zien van een exmoorpony, en er is verse poep. Ons oerpad kruist hier en daar een geasfalteerd oerfietspad waarop ouderen, mensen die niet meer voor dagelijks brood naar hun werk moeten, op e-bikes de geest- en longenverruimende lucht van dit voorwereldlijk landschap inademen. Het kan niet anders of Aat heeft zijn oer zijn hele leven al laten spreken, want hij blijft de man zoals ik hem altijd al ken. Dat ervaar ik toch een beetje als een geruststelling.
Plotseling lopen we langs de auto waarmee we gekomen zijn. We waren er bijna aan voorbij gelopen. Een wisent, een taurus, een exmoorpony hebben we niet gezien. Het zou me niet verbazen als die een dagje naar de Efteling zijn, ook al zo’n basale behoefte.

Het weer en de muggen   

Kustpad van Anna Paulowna naar Hippolytushoef,
07 mei 2019

De chauffeur die ons met zijn busje van Schagen naar Anna Paulowna brengt, houdt wel van een praatje en hij heeft het beste met ons voor. Daarom zet hij ons niet af bij een halte maar op een plek iets dichter bij het beginpunt van onze wandeling. Daarvoor hoeft hij overigens niet van zijn eigen route af te wijken. Dat zou niet gaan: bij de centrale van Connexion in Alkmaar zouden ze dat onmiddellijk in de gaten hebben. ‘Want we worden gevolgd. Niet alleen ik, hoor, maar alle chauffeurs in de regio. Ik vraag me wel af of jullie het droog houden. De berichten zijn somber.’
Het weer is nog van een onbestemd karakter, minder wind en ook is het minder koud dan gisteren. Waarom moest die chauffeur dat nou toch zeggen? Dat van dat weer: wat niet weet wat niet deert. Na een paar kilometer tikken de hagelkorrels tegen mijn oren. Maar dat is ook weer zo voorbij. De rest van de dag doet zijn uiterste best om de voorspelling van de buschauffeur te logenstraffen.
Maar op muggen had ik niet gerekend. Ze zijn groot, lichter dan de muggen in en om het huis, ze steken niet, maar ze zijn met duizenden en duizenden en dat houdt maar niet op. Het kan niet anders of dit moet een streekgebonden fenomeen zijn. Jaren geleden liepen we over de Afsluitdijk toen we ook werden belaagd door zo’n overmacht aan muggen. Die kunnen nu blijkbaar de Afsluitdijk niet op vanwege werkzaamheden en daarom zitten ze nu hier.

Sporen in kleur   

Kustpad van 't Zand naar Anna Paulowna,
02 april 2019

Het voorjaar is al lang onderweg maar we leven nog aan de aarzelende kant van de lente. In Utrecht zijn de narcissen over hun hoogtepunt heen, hier nog niet. De hyacinten wisten het nog niet zo goed, toen we een maand geleden van Petten naar ’t Zand liepen, nu wel.’

Voor we het land in lopen, nog in ’t Zand, zie ik dat kinderen met krijt bezig zijn geweest, op de stoep voor hun huis. Over de grauwe tegels zijn lange lijnen getrokken van zacht blauw, geel en roze. De lange lijnen intrigeren me. Soms tekenen kinderen poppetjes met hele lange benen en armen. Alsof ze Giacometti zijn. Ik hou daarvan. Het zal de kwetsbaarheid ervan wezen die me zo aanspreekt. Hier ook. Een hinkelbaan is er natuurlijk ook.

Kinderen zijn de natuur zelf. Er zit geen plan in, er steekt geen agenda achter. Als het mooi weer is, ontstaat vanzelf de behoefte aan krijten. De kalk loopt uit alsof het om planten gaat die uit de grond tevoorschijn komen en nu op zoek zijn naar licht.

Als wij hier lopen, zijn de kinderen er niet. Die zitten waarschijnlijk op school. Maar zij zitten hier achter, achter die lijnen op de stoep. En als we later her en der, uit de grond allerlei gekleurd leven zien komen, ook uit de bomen, dan zien we niet wie daarvan de dader is. Wij zijn tevreden met de sporen die achter bleven.

Heren   

Kustpad van Petten naar 't Zand,
26 febuari 2019

‘Die bordjes staan er niet voor niks, heren. En dat draad is ook niet voor niks gespannen.’
Hij toont bijzonder jeugdig en atletisch, deze zestiger in korte broek. Voor hem uit fietst een meisje van een jaar of vier, naast hem loopt zijn vrouw. Een hondje is er ook.
Als ik over de draad geklommen ben, probeer ik hem nog even duidelijk te maken dat wij niet moedwillig op verboden terrein terecht gekomen zijn en nu juist bezig zijn om het te verlaten.
‘U kunt toch lezen, heren. U ziet die bordjes toch!’ De man bevalt me niet met zijn ‘heren’ en die bordjes. Hij heeft toch gezien dat wij van een kant kwamen die uitzicht bood op de achterkant van de bordjes. Ik hoef hem toch niet uit te leggen dat…
Maar ach, het heeft geen zin. Ik zeg maar niks meer, maar het steekt. Daarom schrijf ik het op.

Doorgaans blijven wij op het juiste kustpad door onze gps te gehoorzamen en de markeringstekens te volgen. Als het boekje van deze route niet uitverkocht geweest was, hadden we dat ook zeker bij ons gehad en geraadpleegd. Brave wandelaars die wij zijn.
Even boven Petten maakt de route een scherpe bocht, aldus mijn gps: een asfaltweg voert linea recta naar het strand, maar de markering suggereert een zandpaadje. Dat nemen we, want we zijn braaf maar we zijn ook in voor een avontuurtje. Maar na 200 meter houdt het pad op te bestaan en een markering ontbreekt, dus besluiten we ons weer te richten op de weinig avontuurlijke asfaltweg, maar we keren niet op onze schreden terug. In plaats daarvan kiezen we voor een ruime bocht om verderop weer op de route te komen.

En dan is daar dat onverbiddelijke hek, staan daar bordjes met hun rug naar ons toe, fietst daar een meisje, en lopen daar de meneer en een mevrouw. En er is ook een hondje.
Na onze overtreding lopen we achter ze aan. Bij het strand zet de vrouw het fietsje van haar kleindochter in een fietsklem. Dat lukt niet onmiddellijk. De man helpt door abrupt extra hard op het fietsstuur te drukken, waarbij de vinger van de vrouw klem komt te zitten. ‘Au!’ roept ze. ‘Ik help alleen maar,’ zegt de man. Dat doet hij niet.
‘Ik begrijp niet goed waarom voor straf de vinger van die vrouw vast moet komen te zitten en niet die van de man.’ Aat begrijpt het ook niet.

We lopen het strand op voor de mooiste strandwandeling sinds Sluis. Een septemberwandeling in februari.

Dienaren van het menselijk gemak   

Kustpad van Bergen naar Petten,
18 januari 2019

Ducttape heet ducttape. Dat is jammer. Ducktape zou ik leuker gevonden hebben. De eerste jaren dat het plakband in mijn leefwereld was doorgedrongen, dacht ik ook dat het zo heette. Een leuke naam, maar niet leuk genoeg om hem te onthouden blijkbaar. Hoe heet dat spul ook alweer? vroeg ik me in voorkomende gevallen af. Dan bedacht ik wel dat het een leuk woord was, dat wil zeggen: tape met een leuk ander woorddeel ervoor. Later wist ik wel beter en werd de associatie er ook een stuk ingewikkelder op: een samenstelling waarvan het eerste deel een mij onbekend woord is, maar dat me zou moeten doen denken aan een leuk woord. Weer later had ik de complete samenstelling eindelijk altijd paraat en kon ik die op elk gewenst moment uitspreken, al was ik me ervan bewust dat ik minder zeker was van de juiste schrijfwijze. Dat is jammer, want ik vind het leuk spul, waarvan het me deugd gedaan zou hebben als het in het Nederlands allesband had geheten, want dat is het.

Hier op de wandeling lijkt het er even op alsof bomen door allesband om de stam zelfs tegen splijten worden behoed. Natuurlijk weet ik beter, maar ik mag het best even denken. Dat is wel zo leuk. Ongetwijfeld werd er een a4’tje mee aan de boom bevestigd. En dat is verdwenen. Ik neem er een foto van, met het voornemen om alles wat ik vandaag tijdens onze wandeling door de natuur op het gebied van ducttape tegenkom vast te leggen, om in het jargon te blijven. Pas op het moment van de foto, zie ik dat er nog steeds een mededeling mee op zijn plaats wordt gehouden. De mededeling was bedoeld voor tegemoet komend al dan niet wandelend verkeer. Inderdaad een a4, maar gelamineerd. Ik zie er meer. De geïmproviseerde mededelingen zijn ongetwijfeld van hogerhand aangebracht. Geen informatie over een speurtocht voor een feestje, geen mededeling dat de boswachter 50 jaar geworden is en dat iedereen ter plekke bij wijze van felicitatie een of andere vogel moet nadoen.

Het is mooi spul, ducttape. Na een aanrijding een paar maanden geleden kon mijn auto dank zij dit allesband nog honderden kilometers rijden. En het scheurt ook zo aangenaam, zowel in de lengte als in de breedte, maar tegelijkertijd heeft het een onbedaarlijk krachtige rek en het plakt als de beste, en je kunt het, o wonder van menselijk vernuft, vrij makkelijk weer verwijderen. En daarvan zou ik tijdens deze wandeling een reportage maken.

Niet veel verder zie ik hoe in het bos, ook al met plastic band, maar nu opvallend rood en wit, perceeltjes zijn afgezet. Gisteravond zong ik in een bevriende kerk en daar had men een deel van de vloer met het lint afgezet. Vanwege een lekkage misschien, of omdat de vloer daar gelakt was. Tijdens het zingen vergat ik het me af te vragen. Hier zou het kunnen zijn dat de jonge aanplant beschermd moest worden, of er moest hier juist iets worden weggehaald. Ik weet het niet. Dat lint kon je ook voor van alles en nog wat gebruiken. Daarom zou ik ook alle momenten van het rood-witte lint vastleggen vandaag . Een kleine ode aan deze bescheiden dienaren van het menselijk gemak.

Ik liep verder en heb geen moment meer gedacht aan dat voornemen. Totdat ik weer thuis was en de foto’s zag. Het is er niet van gekomen.

Een rode kool voor Helmantel   

Kustpad van Egmond aan Zee naar Bergen,
26 november 2018

Het voornemen om me tijdens deze wandeling te buiten te gaan en alles maar te fotograferen wat er maar te fotograferen viel, loopt uit op een teleurstelling. Dit zou, dacht ik, de laatste wandeling worden met mijn huidige camera. Vandaar. Hij doet het nog goed, maar het is tijd om me na zeveneneenhalf jaar te trakteren op iets nieuws. De lens wil ik wel houden. Nog één keer mocht de body vlammen. Maar achteraf merkte ik dat ik maar 64 foto’s genomen had en ook dat een heel stel daarvan niet scherp was. Dat kon niet aan de camera liggen. Dan eerder aan de lens, misschien ook aan de vochtige lucht, maar waarschijnlijk aan de te lange sluitertijd die ik regelmatig koos. Dat hoopte ik maar. Rücksichtslos liet ik meer dan de helft in de digitale prullenbak verdwijnen. Daarbij vroeg ik me wel af of ik na de productie van zoveel rommel nog wel aan een nieuwe camera moest beginnen. Moest ik niet juist aan een nieuwe lens denken?

Nu, twee dagen later, vis ik een paar weggegooide foto’s uit de prullenbak om te zien wat er evt. verkeerd ging. En ik denk dat ik het weet: bij de onscherpe foto’s had ik een sluitertijd van 1/10de seconde en dat is te langzaam voor iemand van wie de handen een beetje trilleriger worden. Dat is in ieder geval jammer voor de foto van de kast waarin en waarbij allerlei waar van het land te koop werd aangeboden. Pompoenen voor een kwartje, eieren voor 1,75 en rode en witte kool voor maar één euro. Jams zijn er ook, maar op de bewogen foto kan ik niet meer lezen hoeveel daarvoor gevraagd wordt. Het kan niet anders of ook dat komt neer op veel product voor weinig geld.

De rode kool in de kast is van een zo in het oog springende paarsheid en schakering dat een schilder als Henk Helmantel ervan zou gaan kwijlen. Deze dag is grauw, het is windstil en koud, maar de rode kool zingt vanuit zijn deurloze kast dat God bestaat. En dit evangelie kost dus maar één enkele euro. Omdat onze weg nog lang is, laat ik de kolen waar ze liggen en volsta ik met een foto: stilleven met kool. De foto kan ermee door, zie ik later. Waarom die wel en die van de hele kast niet? Ik controleer het even en zie dat het stilleven is genomen met 1/60ste seconde, zij het met een iets te hoge iso-waarde. Het kan dus nog. Er zit nog foto in de serie van 1/10de en ook nog een keer 1/15de. Maar eigenlijk kun je ook wel zien dat die niet helemaal goed zijn.

Blijft de vraag: koop ik nu wel een nieuwe camera of niet. Voor dat geld kun je een heleboel goddelijke rode kolen eten.

Appeltaart met hond   

Kustpad van Wijk aan Zee naar Egmond aan Zee,
18 oktober 2018

De deur gaat naar binnen toe open en achter de deur verschijnt een dame die hier werkt. Haar kapsel hoort thuis in een kapsalon. Een bord met kloeke letters geeft aan dat je in deze kapsalon koffie kunt drinken en dat daarbij ook appeltaart geserveerd wordt. De deur lijkt wel een duwtje te kunnen gebruiken, maar ik wil natuurlijk niet de gastvrouw een bloedneus bezorgen met een al te gretige binnenkomst. Weliswaar kijkt ze uitnodigend, maar waarom neemt ze niet zelf het initiatief door die haar vertrouwde deur open te trekken?

Het wordt me duidelijk als er bij mijn voorzichtige poging de deur dan toch maar zelf open te doen een snuit tevoorschijn komt van een bruine maar intussen grijzende labrador. Daarmee is alle onduidelijkheid voorbij. De hond glipt langs ons naar buiten.

Ja, natuurlijk kunnen we koffie krijgen en appeltaart is er ook. Het is druk in de kapsalon en gezellig met nog twee klanten in een kapstoel, een gezin met twee net geknipte kinderen die ook nog iets lekkers hebben. Intussen vertelt de kapper aan een koffiedrinkende klant dat hij tenminste nog wél wat aan zijn uiterlijk doet. ‘Zie je niet dat ik een nieuwe bril heb? Dat zou jou ook enorm helpen.’

En dan staan er plotseling ook nog twee politieagenten binnen. Twee vrouwen. Ze wijzen erop dat de hond niet los mag lopen buiten. De kapper vertelt dat het beest geen vlieg kwaad doet en dat hij al jaren op het stoepje voor de zaak rondloopt. De vrouw van de kapsalon zet onze koffie neer en trekt de deur open. Als de hond weer naar binnen sukkelt is het stil in de kapsalon annex koffiehoek.

Een van de agenten herneemt: ‘Hij mag wel buiten, maar dan aan de lijn.’ De kapper verdeelt zijn aandacht over het kapsel dat hij onder handen heeft, de hond en zijn klanten die niet gediend zijn bij gemopper van zijn kant. Hij zegt niets meer. De twee agenten voelen zich ongemakkelijk. Je kunt het van hun ruggen aflezen. Ze gaan weg.

De klant die nodig aan een nieuwe bril zou moeten begint te blazen over corruptie bij het politiekorps, de neiging van alle agenten om wel over wissewasjes te zeiken, over een auto die twee tellen op een trottoirband staat, een kapotte bel of nu die onnozele hond waarvan je op honderd meter afstand al ziet dat hij daar al meer dan tien jaar zijn korte loopje heeft. En intussen maar corrupt wezen, elkaar wegpesten of bevoordelen. De kapper verdiept zich in het kapsel dat hij onder handen heeft.

De koffie is lekker, de appeltaart ook. Een leuke tent. Zonder het ongevraagde en onstuitbare commentaar van de klant aan het tafeltje naast ons hadden we graag een tweede kopje genomen.

Van Grietje zonder Hans   

Kustpad van Santpoort naar Wijk aan Zee,
12 september 2018

Terwijl we ons in de brasserie van Beeckestijn ontfermen over vroege koffie en een kloeke appelpunt loopt een meisje van twee resoluut naar het kinderkeukentje om daar in het oventje te kruipen. Hans en Grietje, denk ik, maar dan zonder Hans. ‘Dat wordt straks nog een saucijzenbroodje zeg ik tegen de vrouw bij de bar.’ Ook zij kijkt naar het meisje.
Een paar honderd meter verderop staat de brede stam van wat een gigantische beuk geweest moet zijn. Er staat een klein huisje achter. Alweer Hans en Grietje, denk ik. Veel verder heeft het leven me blijkbaar niet gebracht.
We lopen door. In nog steeds druilerige omstandigheden komen we bij het Noordzeekanaal. Nu geen Hans en Grietje, maar een boeketje in het gras langs de oever, onder een boom.
Een ongeluk, denk ik. Iemand is hier op zijn scootertje het pad afgesjeesd waarop Aat en ik nu lopen, toen tegen de boom geknald. Exit. Dan moet je als bromfietser wel heel ongelukkig bezig zijn geweest om dat voor elkaar te krijgen. Dan zou aan die boom, meer een boompje dan een boom trouwens, daarvan toch iets te zien moeten zijn. Een twijfelachtig geval dus.
Een verdrinking, veronderstelt Aat. Ook hem blijkt het boeketje bezig te houden. Op deze hoogte was waarschijnlijk ooit iemand verdronken. ‘Maar dan ligt het toch meer voor de hand dat je dan een boeket in het water gooit.’ ‘Water heeft geen plek,’ zegt Aat die ook een zeiler is. ‘Gras wel.’ Wat er is gebeurd, het waarom van de bloemen, we weten het niet. Gaat het wel om een herinnering van een Grietje aan haar Hans die hier met zijn scootertje dodelijk onderuit ging. Of van een Hans aan zijn Grietje die hier te water ging en het leven liet?
Waarom mag het niet een herinnering zijn van Hans en Grietje die elkaar ooit troffen, hier bij dit boompje, om daarna elkaar nooit meer los te laten? Waarom niet een vrolijke verklaring? Omdat dat niet past bij het sombere weer van vandaag.
En dan: stel je toch eens voor dat de bloemen een fataal ongeluk willen gedenken, wat voor slag zou het dan zijn voor de nabestaanden als twee wandelaars zich vrolijk lopen te maken over een Grietje die hier haar Hans vond, of een Jip zijn Janneke? We houden het maar op Romeo zijn Julia, dan heb je het alle twee: de liefde en de dood. Misschien gaat het wel om een geval van liefdesdood.
Een eind verderop brengt de pont ons naar de overkant van de Styx. Daar is het droog.

Het meisje en het beest   

Kustpad van Haarlem naar Santpoort,
15 augustus 2018

Het pad voert met een ruime boog om de Schotse hooglanders en eindigt waar er struiken komen tussen het pad en de vlakte waarop die kolossen op zeven gemakken hun dag staan te verdoen.
Daar staat het meisje, niet ver van het pad. En een paar meter voor haar staat het jonge rund. Het meisje staat er heel vanzelfsprekend te staan, maar ze is ook alert, niet onvoorzichtig. Ze kijkt gebiologeerd naar het beest tegenover haar, dat van zijn kant wel heel erg nieuwsgierig is naar dat meisje dat daar voor hem staat. Ik vind dat het een 'hij' moet zijn.

Soms doet het stiertje één of twee stappen naar voren en dan zet het meisje er een paar achteruit, voorzichtig, alsof ze niet zelf loopt maar voorzichtig naar achter geschoven wordt door een mechaniek dat de afstand tussen de twee gelijk houdt. Twintig meter verderop staat een volwassen hooglander toe te kijken. Ook dat heeft het meisje ongetwijfeld in de gaten.
Er zijn mensen, op de fiets, wandelend, en allemaal kijken ze naar het meisje en het beest. Sommigen blijven even staan.

Het meisje en het beest kijken elkaar aan. Dat is wat er gebeurt, eigenlijk is dat het enige wat er in deze door duinen omgeven vlakte gebeurt. De fietsers, de grazers, de wandelaars zijn hooguit entourage. Dan sjokt het grote dier van twintig meter verderop langzaam weg. Nu zijn alleen het meisje en het beest nog over. Zij zet een stapje vooruit.

Twaalf zal ze zijn. Op het pad, bij de struiken, niet ver achter haar, staat haar fiets. Ze is hier alleen naartoe gekomen, op haar fiets. Misschien doet ze dat wel iedere dag even en komt ze vanuit Santpoort of zo naar deze plek. Voor het kalf dat iedere dag groter wordt. Dat haar herkent.
Natuurlijk denk ik aan Belle en het beest, maar dit is echter. Natuurlijk denk ik aan de tot stier getransformeerde Zeus die verliefd is op koningsdochter Europa. En inderdaad, het meisje staat er majesteitelijk bij, maar dit tafereel is zoveel zuiverder dan het verhaal. Er is alleen dat meisje en die jonge stier. Ze kijken elkaar aan.

Verdrinkt het meisje in de gigantische kop tegenover haar, in de roodbruine rafels, in de wat fletse ogen omvat door kwetsbare, dikke oogleden? Ik schrik ervan als ik ineens moet denken aan de schilderijen die 50-plusdames wel maken van koeienkoppen. Wat ziet het stiertje?

Wij lopen verder, de route voert over een hoog duin. Boven kijk ik nog eens om. We leven een kwartiertje verder, maar zij staan er nog, het meisje en het stiertje. Onbeweeglijk. Ze fixeren elkaar. Nog steeds bestaat de rest van de wereld niet.

Mededogen   

Kustpad van Haarlem naar Santpoort,
15 augustus 2018

‘Afgelopen zaterdag heb ik ze nog gegeten,’ vertel ik Aat en ik wijs naar de scheermessen op het strand, die langwerpige schelpen. Er liggen er hier wel heel erg veel. De meeste zijn leeg, maar een enkele meeuw weet er hier en daar nog iets eetbaars uit te plukken.

Er liggen ook resten van krabben tussen. Die roepen altijd een zeker mededogen bij me op, met hun zijwaartse beweging, waarvan ik niet helemaal begrijp welk voordeel die kan bieden. Ongelukkige vluchters lijken het, wezentjes die worden platgedrukt door de zwaartekracht, met een vervaarlijk uiterlijk dat ze er alleen maar kwetsbaarder op maakt.

Kinderen genieten ervan om griezelend een krab aan zijn zijkanten op te pakken, om te draaien en te zien hoe even hulpeloos als verbeten hij met zijn scharen bezig is. Tien poten heeft ie en hij raakt er makkelijk een paar kwijt. Een meeuw heeft geen moeite met zijn schild.
Ik was er geen fan van als kind. Bang dat zo’n beest zijn schaar in mijn piemeltje zou zetten als ik in zee zwom, maar het viel nogal mee met deze voorbarige castratieangst. Die haalde het niet bij mijn weerzin tegen kwallen. Die hielpen me makkelijk het water uit. Natuurlijk heb ik wel eens met een schep een kwal gevierendeeld, maar ondanks mijn weerzin beleefde ik daar geen plezier aan. Zielig kon ik het nauwelijks vinden, maar daar lag het wel dicht tegen aan.

In Dominee met strooien hoed, misschien wel het beste verhaal van Jan Wolkers, dwingt de oudere broer van de hoofdpersoon in het verhaal om een krab te spietsen op een door een plank geslagen spijker, wrakhout dat is aangespoeld. Het is een offerritueel. Het jongetje doet het, uit angst voor zijn broer, maar ook omdat hij even meegezogen wordt in de zwarte magie van het ritueel. De krab wordt op de spijker geduwd, met zoveel kracht dat die spijker ook in de hand van het jongetje schiet. Die neemt aan dat dit zijn dood zal betekenen, een dood door bloedvergiftiging, een verdiende dood ook, een verdiende straf.

Op een of andere manier lijkt het alsof ik het zelf heb meegemaakt, met mij als voltrekker van het akelige ritueel en mijn broer als degene die mij daartoe ‘dwingt.’ Maar zo is het niet. Als ze al leefden, vond ik ze een beetje eng, maar vooral zielig. Dragers van een schuld die ze zelf nooit begingen. Maar bijna altijd kwam ik alleen maar dode, uitgeholde krabben tegen, net als vandaag. Sommige dieren hebben dat, die kom je bijna alleen maar dood tegen, slangen, mollen. En krabben dus. Mededogen, het woord dringt zich aan me op als ik het kleine witte schildje in het zand zie liggen.

Primevère du soir   

Kustpad van De Zilk naar Haarlem,
11 juli 2018

De teunisbloem drong pas tot mijn bewustzijn door toen we terechtkwamen in het huis waarin we nog steeds wonen. De kinderen gingen naar een nieuwe school waar op dat moment nog net schoolhoofd Teunissen de scepter zwaaide. Het toeval wilde dat de middenberm van de weg die wij moesten oversteken vol stond met teunisbloemen. Dat was in 1988.

Toch moeten we wachten tot 2008 voordat ik de bloem in mijn hart sluit. Die zomer bracht ik voor herstel na langdurig lichamelijk ongerief in alle rust door op een even aangename als afgelegen plek in Kortehemmen. Een omgeving met weinig mensen en veel teunisbloemen. Nee, moeders mooiste is het niet, maar verrassend is hij. En lelijk kun je hem echt niet noemen, al is het groen van de stengel wel wat bleek en is het geel met zijn bijna fosforescerende glans een beetje over de top.

Maar het is een heerlijke bloem om de avond mee te beginnen. Dat deed ik daar in Kortehemmen. Alsof de plant rekening met mijn herstel meende te moeten houden, kwamen de gele bloemen niet allemaal tegelijk uit, nee, aan het eind van elke middag en in de vroege avond sprongen er hier en daar knoppen open. Wilde je daar getuige van zijn, dan moest je wel opletten, want binnen de kortste keren had de knop plaatsgemaakt voor een bloem in volle bloei. Die bloemen gaan maar een dag mee. Maar de plant is onuitputtelijk in de productie van knoppen en dus van bloemen. Ik heb er ’s avonds veel bij gestaan, natuurlijk ook met camera op statief.

Hier op deze wandeling zie ik ze weer. Er bij stil blijven staan doe ik niet, want Aat loopt al honderd meter voor me, maar ik keek wel gauw even welke bloemen er straks, als wij al weer naar huis zijn, tevoorschijn zullen komen.

Natuurlijk is de bloem niet genoemd naar de man die in de jaren zeventig en tachtig hoofd was van een school hier in de wijk. Hij is vernoemd naar Antonius van Padua. Die zou op 13 juni 1231 gestorven zijn en dat werd daarom zijn naamdag. De teunisbloem – je begrijpt dat ik nu gewoon Wikipedia napraat – is naar hem genoemd omdat de bloem bloeit op zijn naamdag.

Nu zal Antonius wel nooit geweten hebben dat die datum zijn naamdag zou worden, want zoiets is doorgaans een postmortale aangelegenheid. Maar als men zijn geboortedatum als uitgangspunt had genomen, dan had dat ook goed gekund, de heilige van Padua zag het levenslicht op 15 augustus 1195. En dan bloeit de teunisbloem nog steeds. De bloem had daarom ook wel mariabloem kunnen heten, vanwege Mariahemelvaart.

Met de naam teunisbloem ben ik niet tevreden. Die doet geen recht aan een plant waarvan twee maanden lang dag aan dag bloemen tot bloei komen. In Engeland heet hij de evening primrose, de eerste avondroos. Dat is toch wel mooi. Mooier dan het Duitse nachtkaars, omdat in Nederland nachtkaarsen doorgaans op een weinig benijdenswaardige wijze uitgaan en weinig memorabels achterlaten. Maar de Fransen doen de bloem de meeste eer: primevère du soir. Schemerlente, zou dat wat zijn? Ik ben voor.

Varens en schrik   

Kustpad van De Zilk naar Haarlem,
11 juli 2018

We verlieten het Amsterdamse Waterleiding Duinen bij De Zilk. De uitgestrektheid van het veld met varens vond ik indrukwekkend en of al dat sprankelende groen wel tot zijn recht zou komen op een foto was nog maar zeer de vraag. Dat varens ook debet konden zijn aan een wat zoetige geur die in de verte denken deed aan de reuzebalsemien, dat verbaasde me. Maar daar zou ik sowieso niets van op de foto krijgen. Dat was vier weken geleden.

Op diezelfde plek kwamen we vandaag het gebied weer binnen. Deze keer wel met een kaartje dus zonder zonden, maar die zondeloosheid werd niet beloond door de staat waarin de varens nu verkeerden. Het was een droge, gele bedoening. Van een geur kon ik niets bespeuren. Nu leef ik niet geheel en al los van de wereld dus dat iets in een maand kan veranderen, weet ik maar al te goed. Zo lieten Mente en ik afgelopen mei een vriendelijke voorjaarstuin achter, om een paar weken daarna terug te keren in ontploft groen dat zich van alle kanten aan je opdrong.

Dat was anders. Nu was het de schrik van het onverwachte. Het varenland dat we in juni achter ons lieten, was opgehouden te bestaan op het moment dat we op zoek gingen naar een bushalte om pas bij onze terugkeer te worden teruggeplaatst. Het zou er een maand lang niet zijn, zo leek het. In de omgeving van Utrecht fiets ik vaak hetzelfde rondje: Westbroek, Tienhoven, die kant. Zomer en winter. Ook zijn er plekken waar ik in de zomer en de winter kom en daar tussendoor niet. Ja, dan zie je verschillen. Nee, ook die schrik was het niet. Dat was niet de schrik die past bij gesomber rond de teloorgang van zoveel veelbelovend groen dat door aanhoudende zon en uitblijvende regen niet de kans lijkt te krijgen om pas in de herfst aan zijn nadagen te beginnen. De schrik niet omdat alles er zo anders uitzag dan ik blijkbaar onbewust had verondersteld. Was het de schrik van en om mijn luie en vooringenomen geest. Nee, het was de schrik van mijn schrik. Zoiets.

Thuis hebben we de tuin op rantsoen gezet. Alleen als het al te gortig wordt, watert Mente wat bij. Ze bekijkt het van plant tot plant. Nu, bij terugkeer van de wandeling van De Zilk naar Haarlem, trof ik haar aan bij de grote varen achter in de tuin. Die moest bewaterd worden. Nu heeft dat niets met dit stukje te maken, want ik heb het niet over varens. Ik heb het over een soort schrik waarvan het me tegenvalt hoe moeilijk die op papier te vangen is. Zoals je de geur van varens niet op een foto krijgt. Metaschrik.

Wel kun je je daarom afvragen wat die twee foto’s van een veld met varens bij dit stukje doen, van hetzelfde veld, een foto uit juni en eentje uit juli.

Respect respect   

Kustpad van Katwijk naar De Zilk,
13 juni 2018

De scheefgegroeide boom verliest zijn laatste bladeren. Het is de titel van een verhaal van Dirk Ayelt Kooiman over de confrontatie van en een jonge man met een verleden waar diezelfde jongen geen idee van heeft. Een prachtig, fraai gedoseerd verhaal, waarvan de titel me onmiddellijk te binnen schiet als ik deze boom zie.

Wat deze boom overkwam is veel meer geweest dan scheef groeien. Zo’n krom geval heb ik zelden gezien. Nu heeft deze boom in de duinen geen blad natuurlijk, maar naalden, want het is een den. Van verlies is al helemaal geen sprake, de op de grond liggende kroon is juist opvallend groen en vol. Bomen groeien doorgaans omhoog maar omgevingsfactoren zijn erg bepalend voor de vorm.

Hier tussen Katwijk en Noordwijk kan ik me daar van alles bij voorstellen: wind die al gelegenheid kreeg om regelmatig vanuit het zuidwesten een flinke aanloop te nemen om dat eenzame boompje daar op die zandrug eens even lekker te dissen. Hij is mogelijk een keer bijna helemaal omgegaan om daarna weer pogingen te doen de hoogte te bereiken, maar zodra hij een weer een beetje zijn kop opstak, kreeg diezelfde wind hem weer te pakken. En dan zijn er nog de hitte en de kou.

Ik word er een beetje bijbels van. ‘De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden,’ staat er in het Matteüs 21. Zo is deze mislukte boom wat mij betreft de mooiste boom van woensdag 13 juni, nee, van deze week. Vooruit: de boom van juni 2018.

’s Avonds merk ik dat ik me toch wat beter had moeten insmeren, mijn kuiten zijn behoorlijk verbrand vandaag. Aan de voorkant is daarvan niks te merken. En dat in die paar uur van de wandeling.

Weer denk ik aan de boom; ik word zelf die boom een beetje. Ik voel het verschil tussen luwte en wind, tussen schaduw en zonlicht. Mijn kuiten vertellen me het verhaal van zijn harde leven. ‘Respect, boom. Respect,’ mompel ik. Ik onderstreep mijn woorden door plechtig met een van mijn takken op mijn stam te slaan.

Dirk Ayelt Kooiman, De schrijver droomt. Drie verhalen. De Harmonie, Amsterdam 1976.

Klinkers   

Kustpad van Scheveningen naar Katwijk,
02 mei 2018

We hebben het mooiste weer van de wereld maar lopen zonder korte broek. Voor het overige valt er niets te klagen. Het eerste klimmen en dalen door mul zand heeft ons al vrij snel na de koffie en het gebak op de Pier (voor de gelegenheid even omgedoopt tot bedevaartsoord omdat mijn ouders elkaar daar voor het eerst ontmoetten, op de Hemelvaartsdag van 1938, 26 mei) tot de essentie van het wandelen gebracht en nu lopen we wat gemakkelijk over een verhard klinkerpad door de duinen, waar het grote dromen mij onmiddellijk ik zijn greep krijgt. Nooit, nee, nooit, besteedde ik aandacht aan die licht kantelende klinkers van een hellend duinpad, behalve dan als ik over zo’n pad fietste. Eerst op mijn eerste, zesde- of zevendehands en volstrekt uit- en afgeleefde zwarte fietsje waaraan alles rammelde als je over zo’n duinpad reed en na mijn tiende, op die kekke groen-beige Union waarop ikzelf in zo’n geval aan het rammelen sloeg. De zon staat schuin zodat de boven- en zijvlakken van de klinkers mooi contrasteren. Wat zijn klinkers toch veel mooier dan asfalt, ook al fietst dat misschien comfortabeler.

Aan asfalt gedacht: weliswaar zijn vorig jaar wat scheuren en leeggereden gaten gerepareerd in de straat waar ik woon, maar daar is niets meer van te merken. Overal vind je weer gaten in het asfalt en liggen losse brokken waar je als onoplettende fietser zo op onderuit kunt gaan. En het is lelijk. Heel lelijk. Vorige week, toen het weer nog somber en grauw maar droog was, fotografeerde een makelaar het huis van de buren. Of ik mijn auto maar even elders wilde parkeren. Ik ben inschikkelijk genoeg om dat te doen, ook al vond ik het niet gunstig voor de foto, want een rode auto zou voor aangename dieptewerking zorgen en in elk geval dat ellendige wegdek verhullen. De makelaar was het met me eens, maar ik zou hem ter wille zijn door de hele straat nat te spuiten. Dat zou de kwaliteit van de foto ook ten goede komen.

En nu, terwijl wij hier liepen, was het kijkdag. De voorspelling was dat het huis nog diezelfde dag verkocht zou worden. Aan wie? In zekere zin werd thuis, terwijl ik me in lange broek onder een strakblauwe hemel in de duinen tussen Scheveningen en Katwijk bevond, over mijn toekomst als buurman beslist. Wat zou ik blijken te worden? Een geval voor de rijdende rechter? Een soort opa? Een overspelige buurman? Een notoire klager?

‘Waarom maak je nou een foto van een paar van die stomme stenen?’ vroeg Aat toen ik hem aan het eind van de dag mijn foto’s liet zien.

Zoiets laat zich niet uitleggen.

Vuurtoren   

Kustpad van Loosduinen naar Scheveningen,
09 maart 2018

De regelmatige golven licht die door mijn slaapkamer streken waren er niet voor mij, dat wist ik. Zij dienden het scheepverkeer. Maar leken ze toch ook wel een beetje, zelfs wat tedere, belangstelling voor mij te hebben. Vijf keer gleed het licht door het raam, over de muur boven me, dan over de muur waarlangs mijn bed stond; over het plafond ook, en over mijn gezicht. 1, 2, 3, 4 en 5. Dan even niets en dan weer gleed het zwenklicht door het raam. En om te zien wat er gebeurde als het licht even wegbleef, hoefde ik me maar een beetje op te richten. Dan brandde er in de verte een rood licht. Als dat uitdoofde, volgde er weer een nieuwe reeks van vijf. Iets te langzaam om tellend bij in slaap te vallen, dat wel, maar aangenaam was het. De vuurtoren van Hoek van Holland streelde het land waar ik woonde en dat ik kende.

Als ik niet kon slapen, vanwege kiespijn of oorpijn of zo, of wanneer geestelijk ongemak me teisterde, mocht ik in het bed van mijn ouders, aan de voorkant van het huis. Ook zij hadden gordijnen in hun slaapkamer die er blijkbaar niet hingen om dichtgedaan te worden. Hier was het onrustiger vanwege het licht van autolampen dat grappig genoeg in zijn weerkaatsing juist in de tegengestelde richting leek te gaan van de auto die langsreed. Maar als er even geen wagen was, streek er, in twee zeer trage slagen, en minder geprononceerd dan in mijn eigen kamer, weer vuurtorenlicht langs de muren. Nu afkomstig uit Scheveningen.

Dat gebied heb ik belopen, deze keer en de vorige. Het gebied van de zaterdagmiddagen dat we even naar de Hoek gingen en langs het de toren reden en dat van de zaterdag- of zondagmiddag dat ik langs de vuurtoren van Scheveningen liep, met mijn vriendinnetje. Het land van herkomst, het land van 1, 2, 3, 4, 5 en rood, en een en twee en wacht…, een en twee en wacht...

We lopen verder. De vuurtorens blijven achter. Het meisje van heb ik meegenomen.

Luchttekenen   

Kustpad van Hoek van Holland naar Loosduinen,
06 februari 2018

Kon ik maar luchttekenen. Luchttekenen is en plein air, dus op locatie, uit het hoofd tekenen wat er niet meer is. De wandeling vandaag voert langs plaatsen die ik maar al te goed ken uit de jaren vijftig en zestig. Dat begint al in Hoek van Holland. Weliswaar lopen we met een boog om mijn geboorteplaats Monster heen, maar als we ter hoogte van Westerhonk de duinen uit komen, is daar dat charmante witte huisje met de blauwe luiken. En daarachter ontstaat, zie ik, een complete woonwijk. Dat is waar vroeger tuinderijen waren. Zo herinner ik het me. Achter het witte huisje heeft lange tijd geen huis gestaan, maar dat is er wel geweest, een eenvoudig tuindershuis dat opvallend lijkt op het huis dat er niet lang geleden gebouwd moet zijn, maar veel kleiner.

Volgens mij was het oude tuindershuisje een kwartslag gedraaid ten opzichte van dit nieuwe huis. Als ik kon luchttekenen dan zou ik niet alleen over de vaardigheden beschikken om een tekentechnisch verantwoord product op papier te zetten. Maar mijn vingers zouden ook aangeven wat me minder helder voor de geest staat dan ik meestal denk, vingers met geheugen zogezegd. ‘Ik zie het nog voor me.’ Maar als ik probeer om me een gedetailleerde voorstelling te maken om door het heden heen het verleden scherp te zien, gaat het mis. En daar zou een luchttekenaar met luchttekenvingers geen last van hebben.

In dat huisje dat er al tientallen jaren niet meer staat en nu dus vervangen is door een vergelijkbaar huis, werd mijn grootvader geboren en hier was mijn overgrootvader tuinman. Later lopen Aat en ik door het park bij Kraayenstein. Een paar jaar geleden nog maar reed ik hier met mijn moeder en plotseling begon zij over zomeravonden dat ze met vriendinnen hierheen trok, naar de schuit van haar vader. De tijd dat er geen park was bij Kraayenstein, geen woonwijk, er waren tuinderijen. Op de hoek van de Ockenburghstraat, Lozerlaan en Loosduinse Hoofdstraat maak ik de laatste foto vandaag. Hier was geen Lozerlaan. Deze is later tot hier doorgetrokken. De Monsterseweg werd Wilhelminastraat, alleen de Ockenburgstraat, die was er al wel. En de fietsenmaker zat er ook al, maar in een ander pand: álle huizen van wat ooit de Wilhelminastaat was, zijn vervangen.

Terwijl ik de foto maak, wordt het even juli 1964. Opa komt zijn huis uit, met een pannetje voor de melk. Aan de overkant, bij fietsenmaker Orie staat de melkboer met zijn karretje, een ijzeren hond. Mijn opa steekt over. Ik zou hem nog toe willen roepen. Pas op! Er komt een motor aan! Maar hij hoort niet hoe iemand hem vanuit het verre februari 2018 toeroept. Even later rolt zijn pannetje over de straatstenen van de Wilhelminastraat en nog weer wat later geeft opa de geest. Niets is meer wat het was. Ik wou dat ik kon luchttekenen.

Via de Symfoniestraat, ooit Prins Hendrikstraat, gaan we naar de tram. Die staat ons al op te wachten. Ik stap in. Achter me gaan de deuren dicht. Aat drukt nog op het knopje. Vergeefs, de tram, twee geschrokken dames en ik vertrekken zonder hem.
Onderweg bekijk ik de tekeningen die ik in gedachten heb gemaakt vandaag. Luchttekeningen.

Bunkers   

Kustpad van Maassluis naar Hoek van Holland,
12 januari 2018

Bunkers doen dat. Ze maken bij de eerste aanblik het jongetje in me wakker dat avontuur ruikt. Het klauteren, de minachting voor opgelopen schaafwonden, soldaten, oorlogstijd, onhuis, geheim. Maar het kleine jongetje heeft zijn stoute schoenen nog niet aan of daar dringt zich de pislucht aan hem op. Vooral die lucht. Een bunker is een muziekstuk in pis grote terts.

De eerste bunkers in het Staalduinse Bos komen me niet bekend voor. `Klopt,´ zegt Aat, ´dit deel was in onze tijd militair terrein. Daar konden we niet bij komen.´ De wandeling door het bos voert ons, zoals heel veel tussen Maassluis en Hoek van Holland, naar het verleden, naar de tijd ook dat er nog veel meer bunkers waren, rond 1960. Telkens weer joelde een bunker me toe, maar al vrij snel wist ik van de verschrikking ervan. De lucht, maar ook wat je aantrof. Duisternis, smalle gangen. Er was altijd fikkie gestookt, er lagen soms lege bierflesjes, vaker scherven ervan. En toen mijn broer me een kapotje (van een condoom had ook hij nog nooit gehoord) aanwees en iets vertelde over de functie daarvan en dat een bunker een ideale plek was voor geile jongens en meiden, was het uit.

Die smakeloosheid stond zo ver af van wat ik me kon voorstellen bij de genegenheid tussen een jongen en een meisje! Ik was geen onnozelaar die in een koets door het land zou reizen en razen met een glazen muiltje om de enige echte ware sprookjesprinses te vinden, maar toen de banaliteit tot me doordrong van wat er in een bunker kon gebeuren, wist ik dat zo’n onnozele prins me oneindig veel nader was dan een patat en bier verslindende Westlandse tuindersknecht die zijn troel een bunker in voerde.

Ik moest ineens denken aan Okke Jager, de in de vroege jaren zestig jonge en populaire televisiedominee. Op tv vertelde hij eens van een Chinese mandarijn die na zijn huwelijk de nacht doorbracht door alleen maar de arm van zijn bruid te strelen en te kussen. Of dat de linker arm was of de rechter weet ik niet meer, maar het was er maar een. De andere zou later volgen. En zo zouden zijn bruid en hij elkaar langzaam en in steeds groter verrukking en met steeds intenser verlangen nader komen. Hoe oud ik toen was? Tien? Twaalf? Zoiets.

Hoe kom ik toch op Okke Jager, vraag ik me af als we het bos uit lopen, maar als mijn oog valt op een zoveelste bunker, weet ik het weer. De aanzet van verrukking bij het zien van een bunker heeft het nooit kunnen winnen van de walging die erop volgde. En al heb ik de arm van de mandarijn al lang achter me gelaten, van de week heb ik met veel plezier een tijdje zitten kijken naar de vrouwenhand die op de mijne lag, terwijl we naar het nieuws keken. Ik bedoel: terwijl er een van de twee naar het nieuws keek.

Het Rambonnetpad   

Kustpad van Hellevoetsluis naar Brielle,
08 december 2017

Als je Rambonnet heet, kan het niet anders of je werd op hoog niveau gebaard en zou het leven in en uitgaan op dure sloffen. Niet alleen naar Jean Jacques Rambonnet, ook naar andere familieleden met die naam zijn wegen of weggetjes genoemd, niet alleen het Rambonnetpad van Westvoorne. Onze Rambonnet was een hoge officier bij de Marine die zijn jonge jaren op de militaire vloot bij Nederlands Indië doorbracht, waarbij hij de Willemsorde kreeg uitgereikt, later Minister van Oorlog zou worden, maar ook enkele andere ministeries zou leiden, om zich in 1920, hij is dan 56, door Prins Hendrik te laten strikken als grote voortrekker (hoofdverkenner) van de Nederlandse padvinderij. Dat blijft hij tot 1937, het jaar waarin in Nederland de memorabele World Jamboree plaatsvindt. Het jaar ook waarin, in Naaldwijk een padvindersafdeling werd opgericht onder de naam Rambonnetgroep.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat er meer plaatselijke padvindersafdelingen waren en zijn met die naam: deze Rambonnet was de Nederlandse Baden Powell!

Aat en ik staan even stil bij het bordje Rambonnetpad. ‘Wie was die Rambonnet?’ Aat meent het geweten te hebben, maar dat moet dan al lang geleden zijn. De vraag houdt ons bezig omdat Aat in de tweede helft van de jaren vijftig lid werd van die padvindersclub in Naaldwijk. In 1961 kwam ik bij die club, als welpje eerst. Later zou ik me als verkenner onder Aats gezag plaatsen, en dat was er weer de oorzaak van dat hij mijn zus leerde kennen. Zodoende belopen we meer dan een halve eeuw later als zwagers het Kustpad. Even voor de goede orde: dat danken we dus niet aan Rambonnet, maar wel aan de naar hem genoemde scoutinggroep uit Naaldwijk.

De tekenen lijken niet te bedriegen als ik op nog geen minuut lopen vanaf het bordje Rambonnetgroep een voordeur zie waarop vier kloeke, maar onder ons gezegd niet erg fraaie, Franse lelies zie, het symbool van de padvinderij. We bevinden ons kortom in een padvinderij minnende omgeving en dat doet ons goed.

Thuis kost het me weinig moeite om meer de weten te komen over de naamgever van onze vroegere padvindersgroep, maar als ik even verder kijk, ontdek ik dat Rockanje, en dus ook Westvoorne, als burgemeester ene Frederik Lodewijk Johan Eliza Rambonnet heeft gekend. Het pad heeft helemaal niets met de scoutingvoorman te maken.

Het is nog erger, ontdek ik. Ruim een halve eeuw lang meende ik in de Franse lelie ook het symbool van scouting te mogen zien. Nu pas lees ik dat dit onjuist is. De grote padvinder Baden Powell zelf ontwierp een logo waarbij hij de naar het noorden wijzende kompasnaald als uitgangspunt gebruikte.

Zoveel is wel duidelijk: wij bouwen onze zekerheden op misverstanden en achter de beleliede voordeur woont geen akela.

Lag er bij jou geen lijk?   

Kustpad van Hellevoetsluis naar Brielle,
08 december 2017

De kou en de harde wind gaan me al tijdens reis met trein, metro en bus niet alleen in de kouwe kleren zitten, maar doen ook een stevig beroep op mijn blaas. Onderweg kijk ik een paar keer vergeefs of er egens een toilet is waarvan een bezoekje zich laat combineren met de vertrektijd van het ene vervoermiddel of het andere. Dat is niet het geval, maar gelukkig kan ik op dit punt veel hebben.

We lopen van de bushalte naar de plek waar we anderhalve maand geleden voet op Voornse grond zetten, het beginpunt van onze wandeling. Ik ben blij als ik een plek zie waar ik ongemerkt mijn blaas de ontspanning kan bieden waar die zo naar snakt.

Terwijl mijn blaas zich oplucht, dwalen mijn ogen naar de morsige ondergrond van de struiken. Een leeg bierblikje, wat schamele snippers van ooit bakjes voor de een of andere snacks geweest zullen zijn. Het ziet er onder de begroeiing allemaal wel erg mistroostig en viezig uit. Een plek waar zomaar ergens een stuk arm uit de grond zou kunnen steken. Of wat ooit een arm was. Ik waan me even de figurant waarmee de aflevering van een Engelse politieserie vaak opent. Ik zou mijn zwager terugroepen, want die is echt niet voor mijn plasje blijven wachten. Eén van ons zou 112 bellen, Ik zie de politie al aankomen, de boel wordt met linten afgezet. Zou er een kop koffie zijn voor de geschrokken man die ik ben? Dat zou ik wel lekker vinden. ‘En dan te bedenken dat we gezellig een dagje zouden gaan wandelen. Hoe moet dat nou, Aat?’ vraag ik aan mijn zwager.

Maar er is geen lijk, ook geen stukje, zelfs een dooie veldmuis ontbreekt. Er komt geen politie en Aat… Waar is Aat gebleven?

Die staat een eindje verderop tussen de struiken. Echte mannen.

‘Lag er bij jou geen lijk in te struiken?’ vraag ik.

Aat heeft er niet op gelet.

Wat vliegt daar   

Kustpad van Ouddorp naar Hellevoetsluis,
05 oktober 2017

‘Wat zeg je?’ roep ik terug. ‘Het is windkracht zes!’ Aat heeft zijn mobieltje er even bij gehaald om een getal aan onze wandeling te kunnen toevoegen. Intussen komt de wind uit het noordwesten, weet hij me nog te vertellen. Dat voelde ik al wel, al dacht ik voor ons vertrek vanmorgen nog dat we op vleugels over het Haringvliet zouden gaan. Dat valt een beetje tegen. Een paar jaar geleden fietste ik hier van noord naar zuid met een stevige tegenwind die me nog een petje had gekost. De wind stond nog bij me in het krijt, zou je denken.

En dan te bedenken dat ik dat petje toen in mijn binnenzak had gestopt. Blijkbaar was het door de malende bewegingen van mijn benen naar boven gekropen. Met zoveel wind hoef ik er niet op te rekenen dat ik mijn petje naar vier jaar weer terug zou vinden. Het was al zot genoeg om zoiets maar even te denken. We lopen dapper door. Het haar mag wit geworden zijn en ook wat dunner. Maar wat dat laatste betreft heb ik hem ruim ingehaald. Ja, dat haar houdt me bezig.

Af en toe komt er een slagregen langs, stevig maar te kort om te beklijven. De wind blaast de dam onmiddellijk droog en de wereld schoon, de lucht is kraakhelder en het water is van gepoetst zilver, van het beton van de dam kun je zo eten, lijkt het. Maar dan zie ik een dood rat liggen, op het fietspad. En om de rat is het nat en drabbig.

Even voorbij de dam zit een grote troep vogels op het land, twee soorten meeuwen: witte meeuwen en kokmeeuwen, de witten bij de witten en de koks bij de koks. Ze zullen niet blijven zitten als we dichterbij komen. Wat zal er een energie vrijkomen als ze zometeen opvliegen. Ik houd mijn camera klaar. Kijk, daar gaat de eerste, de tweede, nog twee en ja hoor, het regent vogels. Altijd leuk voor een foto.

De zilveren scherven in de lucht verdringen het beeld van de zompige rat en even meen ik zelfs mijn petje tussen de meeuwen te zien, dat petje van vier jaar geleden dan, want zijn opvolger heb ik deze keer nog beter opgeborgen.

Waar blijft de tijd   

Kustpad van Renesse naar Ouddorp (2),
04 oktober 2017

We hebben de wind in de rug en dat is gunstig. Een wandeling over het strand is altijd prettig. Van welbehagen heb ik mijn petje in mijn zak gestopt. Ik voel de wind aan mijn haren trekken, alsof ik nog de knul van ooit ben met de lange lokken. Alsof, zeg ik. Maar ik herinner me het blond dat voor mijn ogen dansen kon nog goed.

Het lijkt even alsof ik mijn leven grotendeels op het strand wandelend heb doorgebracht, starend naar het zand voor mijn voeten, zoals nu, de aandacht voor de schelpen, maar met een schuin oog voor hardere stukken strand waarop het makkelijker loopt, met de wonderlijke zee de dreunt of stilte maakt, licht is of dreigend donker. Ik loop hier een potje tijdloos te wezen. Met als aangename variant dat er vandaag geen weg terug is, dus straks hoeven we niet tegen de wind in met ogen vol zand.

Tijdloos, zei ik. Dat wil zeggen dat ik er weer de hond uitlaat, ik met mijn vader van de poffertjestent op Kijkduin naar Monster terugloop, of in stille verliefdheid met Marjo juist naar Kijkduin toe ga, met Aart naar Hoek van Holland, waar mijn broer me vertelt wat neuken is, ik met de kinderen bij Ouddorp of op Texel loop of weer bij Monster. Ik loop in zeven levens, lijkt het, tegelijk, maar zolang ik de zee links houd en de duinen rechts kan ik niet verdwalen en houd ik de wind in de rug.

Sorry Klaas   

Kustpad van Renesse naar Ouddorp,
04 oktober 2017

In Assisi fotografeerden Klaas en ik vorige week regelmatig dezelfde dingen, maar we keken anders. Ik ben meer een kijker die het maar niet kan laten een camera te schuiven tussen mijn neus en dat wat ik zie, een bestendiger van het moment probeer ik te zijn, iemand die zich verbind met wat hij ziet. Klaas is juist een echte fotograaf. Hij is bezig met technische mogelijkheden te stoeien: wisselende sluitertijden, belichting van punt a projecteren op punt b, ga maar door.

‘Als je nu zo doet, dan…’ of ‘Je kunt ook…’ en telkens weer ‘Je hoeft je camera niet uit te zetten; dat kost alleen maar tijd bij de volgende foto.’ Ik leer veel van hem.

Hier op de Brouwersdam geeft Klaas nog steeds zijn instructies. ‘Als je nou…’ hoor ik hem zeggen. Maar hij is er helemaal niet. Ik loop hier met Aat en die zal het worst wezen wat ik uithaal met mijn camera; hij loopt gewoon door. ‘Dat moet ik onthouden,’ dacht ik vorige week telkens wanneer Klaas met lichte hapering van zijn eerste woorden weer met een ferm afgeronde tip kwam. Maar vandaag maakt hij zijn zinnen niet af bij gebrek aan aanwezigheid en ik verval in het oude patroon: stilstaan, eerst vergeten de camera aan te doen, door de knieën, willekeurig aan de knoppen draaien.
Sorry Klaas.

In de regen   

Kustpad van Vrouwenpolder naar Westenschouwen,
15 augustus 2017

De tweede dag van onze wandeling: geen zon, maar regen. We lopen door de groenen duinen boven Burgh-Haamstede. Buienradar laat een smalle strook van regen zien, met een enkele felle rode punt die als een oudtestamentische wolk boven ons blijft, maar wij volgen rood-witte merktekens die op paaltjes en bomen zijn aangebracht. Het is trouwens geen wolk van vuur, maar van niet aflatende regen. En de wolk volgt ons, niet omgekeerd, als een baldadig kind of een losgelaten hond, die weliswaar voor je uitloopt, maar telkens omkijkt en als hij merkt dat je een ander pad neemt, even terugrent om weer voor je uit te lopen. Heel even leek het droog te worden, maar de wolk, het kind en de hond regenen weer vrolijk verder.
Gisteren, droog, windstil en 24 graden, waren op de Oosterscheldekering de bejaarde e-bikers niet aan te slepen en het viel niet mee om bij Westenschouwen een plekje op het strand te vinden. Nu zie je om het kwartier iemand die onder een paraplu loopt met een hond in de buurt die echt even naar buiten moest om de blaas te ontspannen.

Het is een andere wereld. Aat loopt met een paraplu. Ik zie hem af en toe hannesen als hij weer een paadje tussen de struiken in moet, maar bewonder ook de handigheid waarmee hij zo’n ding opent en sluit. Ik zit verstopt in een capuchon die ik telkens weer over mijn hoofd moet trekken omdat ik hem zonder het te weten blijkbaar weer eens van mijn hoofd heb getrokken.
Mijn overbodige GPS vertoont kuren: het touchscreen doet de raarste dingen nu er water op valt en ook mijn camera is van streek. Alles is zinloos gedoe.

Bij iedere stap komt veel lichter zand tevoorschijn, alsof je al lopend een schilletje van de grond lostrapt. Maar de dieren zijn ontspoord. Er zijn drollen die glimmen van versheid, zo lijkt het. Je zou denken dat het paard, het rund, het edelhert misschien, niet meer dan drie meter bij je vandaan kan staan. Dat zie je dus als je een capuchon op hebt: nat zand en glimmende drollen; de blik is omlaag gericht. Aat, met paraplu, ziet meer. ‘Zag je die reeën daar staan schuilen?’ vraagt hij vrolijk. ‘Wat voor kleur hadden ze?’ vraag ik om mijn gebrek aan opmerkzaamheid te maskeren. Aat geeft nog antwoord ook: ‘Bruin.’ ‘Dan zouden het zomaar reeën geweest kunnen zijn.’ Intussen ben ik weer wat alerter en dan zie ik in de verte in een flits twee reeën rennen. ‘Heb je ze gezien?’ Ik heb ze gezien. ‘Er lopen hier behalve reeën ook edelherten, zag ik aan de sporen.’ Aat is een meester in de regen. Hij ziet niet alleen alles, hij kan er ook nog een naam aangeven.

Kletsnat stap ik in Renesse in de bus. Nat van binnen en van buiten. Gelukkig heb ik droge kleren in mijn rugzak. In de bus kleed ik me om. Ik zie de mensen kijken. Niemand die iets zegt.

Duinroos   

Kustpad van Vrouwenpolder naar Westenschouwen,
14 augustus 2017

‘Zo noemde mijn vader me vroeger wel, Duinroos.’ Als we, door de duinen wandelend, een struik met duinrozen tegenkomen zegt Mente het telkens weer. Ze zei het al toen The Beatles nog bij elkaar waren, ze zegt het nu Justin Bieber al wat ouder wordt, en altijd op dezelfde manier. Het is een haar dierbare herinnering dat is wel duidelijk en blijkbaar werd dat ‘duinroos’ niet te pas en te onpas gebezigd, maar bleef het gereserveerd voor bijzonder momenten. Onze Duinroos was een kind toen haar vader haar zo noemde. Ik heb het hem nooit horen zeggen. De Duinroos zelf gebruikt al vanaf het eerste moment de verleden tijd: noemde, en benadrukt dat door ook ‘vroeger’ in het citaat mee te nemen. Ik heb het altijd een toepasselijke naam gevonden. Mijn lief heeft iets fragiels dat mij van meet af aan is blijven ontroeren en dat zal haar vader ook in haar gezien hebben. Tegelijkertijd staat de duinroos fleurig kwetsbaar te wezen waar andere bloemen het laten afweten. Het is, tegen de verwachting in, dus ook een taaie rakker, die duinroos.

Ik zal haar nooit Duinroos noemen, hoe toepasselijk die naam ook is. Ik sta immers buiten de herinnering van een vader met een dochtertje. ‘Zo noemde mijn vader me vroeger wel, Duinroos.’ Er is een tijd geweest dat het op mijn lippen lag om te zeggen dat ze me dat al enkele tientallen keren had verteld, maar dat heb ik nooit gedaan. Een uitgesproken goede herinnering bevestigt het goede van nu. Of geeft wat ruimte aan gevoeld gemis, dat kan natuurlijk ook. Bijvoorbeeld van een vader die er intussen niet meer is.

Maar ook tijdens deze wandeling over de Neeltje Jans, terwijl ze er helemaal niet bij is, hoor ik Mente bij het zien van de witte duinrozen toch zeggen: ‘Zo noemde mijn vader me vroeger wel, Duinroos.’ Ik zou nu natuurlijk vlug naar Aat kunnen rennen (hij loopt altijd door als ik stilsta voor een foto) om te vertellen dat Mente vroeger door haar vader Duinroos werd genoemd en dat ze dat altijd zegt als we duinrozen zien en dat ik het haar nu ook hoor zeggen, terwijl ze er niet eens bij is. Maar dat doe ik niet. Ik schrijf het liever even op.

Bramen   

Kustpad van Vrouwenpolder naar Westenschouwen,
14 augustus 2017

De gretigheid waarmee Aat op plukbare bramen afvliegt, overtreft de mijne. En dat terwijl ik toch een zekere naam heb opgebouwd op dit gebied. Het zit in de familie zou je kunnen zeggen, al is Aat vertegenwoordiger van het koude deel daarvan. Dat geldt trouwens ook voor Mente van wie ik weet dat ze op dit moment elders in het land bezig is om met een vriendin struiken te plunderen. Maar kleinzoon Luuk van anderhalf is zonder meer erfelijk belast. Hij gaat door roeien en door ruiten om een rijpe braam van een struik te krijgen. Maar ja, die zijn hier niet, Mente en Luuk. Aat is er wel. We lopen door de Zeeuwse duinen en al zitten de mooiste bessen op plaatsen waar we absoluut niet bij kunnen, er zijn er genoeg om onderweg te verorberen.

Ook mijn moeder is er niet. Natuurlijk niet: zij is een paar jaar geleden overleden en toen dat gebeurde was ze al veel te oud om zich nog op bramen te storten. Maar er waren andere tijden en toen waren er ook bramen die geplukt moesten worden, die erom schreeuwden om in een van de door mijn moeder meegebrachte emmers terecht te komen.
Zij plukte ze niet om onderweg wat te snoepen te hebben, haar ging het om het grote werk van eindeloze potten jam, flessen sap en bakjes saus. En ook al stond de zon bandend aan de hemel, wij moesten met haar mee om in een stevige lange broek en liefst een oud jek, in elk geval iets met lange mouwen, de struiken te trotseren en ook naar de zwarte glanzende vruchten te reiken die met een zeker dedain hingen te hangen met het idee dat zij van mensenvingers gevrijwaard zouden blijven. Nou dan kenden ze mijn moeder en haar voor de bramenpluk afgerichte kinderen niet!

Altijd wordt het weer augustus, altijd komen er weer bramen. Tevreden loop ik verder, van bramen verzadigd.

Hier werd iets groots verricht   

Kustpad van Vrouwenpolder naar Westenschouwen,
14 augustus 2017

Als het om de beschrijving van de Oosterscheldekering gaat, begint de wandelgids te ronken. Ik heb het over Nederlands Kustpad Deel 1, in wandeltermen is dat LAW 5-1. Lees maar even mee: ‘Een nog niet geheel uitgerolde mat zou onherroepelijk verloren gaan als de getijdestroom er vat op zou krijgen,’ staat er. En dat is niet niks, want we hebben dan al gelezen dat de ondermatten 200 bij 40 meter meten en de bovenmatten 60 bij 30.
Voor het leggen van die matten werd trouwens een speciaal mattenlegvaartuig ontworpen, de Cardium, en dat vaartuig is al even speciaal als de Mytilus en bijvoorbeeld toplaagstorter Trias.

Eerder befietste ik de kering bij een felle tegenwind. Het werd een memorabele tocht waarbij ik vervuld raakte van mijn eigen kunnen, maar vandaag, wandelend op een aantrekkelijke, windstille dag en na lezing van de tekst uit het boekje, bladzijde 60 en 61 om precies te zijn, ben ik vooral onder de indruk van wat hier aan groots verricht is. Ondanks de blauwe lucht en het licht dat de wereld zo vriendelijk kleur geeft vandaag, schakelt mijn uitzicht over op zwart-wit en steeds nadrukkelijker hoor ik hoe Philip Bloemendaal de tekst uit het boekje hardop herhaalt. Ik ben beland in een Polygoonjournaal en als een klein jongetje zwel ik van trots om wat die Nederlanders hier tot stand hebben gebracht. En één van hen ben ik.
Maar ach, waartoe ben ik in staat? Zelfs een poging om de zichtbare bouten en moeren te tellen gaat me al boven de pet.

YouTube

Kees en Arie   

Kustpad van Groede naar Dishoek,
1 april 2017

Vanaf de veerboot volgen we de kade van Vlissingen. Daar horen nog wel een paar slingeringen bij, maar niet lang nadat we Michiel de Ruyter gedag hebben kunnen zeggen, krijgen we te maken met een lange boulevard waaraan links de Westerschelde en rechts een onafzienbare rij huizen, nee, appartementen, pensions, hotels. Moest ik een cijfer geven voor deze huizen, dan kwam ik niet boven een gemiddelde zes uit. Maar dankzij het nabijgelegen oude centrum en vooral die machtige zeearm voor de deur, met zijn schepen af en aan, komt er daar een flinke bonus bovenop.

Al wandelend zijn we wel wat gaan detoneren met onze omgeving. Hier hoor je een bejaard echtpaar te zijn, of een trosje kinderen om je heen te hebben of een hond aan de lijn mee te zeulen. Een rugzak en stevig wandelschoenen doen het minder. Zeker is in ieder geval dat Kees en Arie er niet lopen. Wel zou ik ze zo maar ergens voor een raam kunnen zien staan. Drie keer per jaar huren de twee broers voor een kamer of appartement aan deze boulevard. Dat doen ze al heel lang. Andere vakantiebestemmingen kennen ze niet meer. Vanuit hun appartement hebben ze een goed zicht op de schepen die opstomen naar Antwerpen of het continent verlaten, beter dan vanaf de boulevard zelf. Daar kan het weer je trouwens parten spelen.
Voor het raam van hun appartement weten ze wat ze te doen staat. Arie tuurt scherp door een ongelofelijk dure kijker die ze speciaal voor deze hobby hebben aangeschaft. Zodra hij de identiteit van een schip weet, de naam ziet en de vlag herkent, dreunt hij die op en Kees herhaalt wat hij hoort. Check en dubbelcheck. Waarop één van de twee zegt dat ze die al hebben. Of nog niet, of al misschien. Daarover geeft Kees bescheid. Hij duikt in de laptop, ook voor het raam. Daarin staan alle schepen geregistreerd die ze tot nog toe hebben waargenomen. Als het even kan met foto. Kees brult het resultaat van zijn bevindingen naar zijn broer Arie alsof zijzelf bij roerige zee op de brug van een schip staan. Om eentonigheid te vermijden wisselen ze regelmatig. Dan doet Kees de kijker en Arie de laptop.
Na een of anderhalve week rijden ze samen terug naar hun huis in de Alblasserwaard.

Of ze er ook zijn nu wij over de boulevard lopen, durf ik niet te zeggen. Ik zie nergens twee mannen voor het raam staan, maar ik word natuurlijk ook erg afgeleid door die indrukwekkende zeeschepen aan mijn linkerhand. Mochten ze er toch zijn, dan nog is het uitgesloten dat zij ons zien. Wie let er nu op twee mannen met rugzakken op de boulevard van Vlissingen als er zoveel groots te zien valt.

Automatiseren   

Kustpad van Sluis naar Groede,
31 maart 2017

Boven ons tafeltje hangen twee grote taalkaarten waarop een aantal spel- en taalregels zijn samengevat. Dat ze in dit eetcafé hangen is niet verwonderlijk, begrijp ik, als ik lees dat dit hier vroeger de bewaarschool van Groede was.
Ongetwijfeld hebben de kaarten ooit in een klaslokaal gehangen, maar dat zal niet hier geweest zijn. We zitten dan wel heel dicht bij Vlaanderen, het heet hier niet voor niets Zeeuws-Vlaanderen, maar ik denk toch dat onmiskenbaar Vlaamse kaarten als deze over de grens gehangen zullen hebben, niet hier. Zo is er sprake van ‘Onze grote Vlaamse dichter Albrecht Rodenbach…’ en we lezen dankzij Sint-Niklaas waar we een streepje moeten plaatsen.

‘Wist jij dat allemaal al?’ vraag ik Aat. Hij vindt het maar een ingewikkelde toestand, al die taalregels. Voor mij is het gesneden koek, maar ik moet wel denken aan momenten waarop ik plotseling een regel moest uitleggen over bijvoorbeeld open en gesloten lettergrepen. Dat was toch iets voor groep vier, vijf? dacht ik dan. Ik heb dat wel vaker: eerst stekelig reageren. Maar ik wist natuurlijk ook wel dat het dodelijk zou wezen als ik zoiets stoms zou zeggen als ‘Weet je dat dan niet?’ of, ook heel erg: ‘Maar dat is toch heel eenvoudig!’ Dan nog liever een geamputeerde tong, maar beter was het om te zeggen: ‘Weet je wat, ik leg het uit.’ Of het ging over de dubbel ee aan het eind van sommige woorden, die elkaar maar niet konden loslaten, ook als je het woord verboog van zee naar zeeën,

of combineerde met de speciaal voor deze spellingregel geschapen zee-egel en zee-eend. Door de getormenteerde smoeltjes van goedwillende brug- of tweedeklassers drong dan pas tot me door wat taalregels konden aanrichten in het leven van jongeren. Ooit tekende Dick Bruna een affiche van Nijntje met daarboven de tekst: ‘Ik hoop dat de speling verandert wort.’

Het eten was lekker en voor zover ik weet hebben wij ons daarbij moeiteloos aan de regels gehouden die er bestaan rond eten en drinken. Ik beet niet op mijn tong of lip, verslikte me niet, wist zonder problemen mijn vork steeds weer naar mijn mond te brengen. Ja, ook het slikken ging me goed af en ik haalde een afgesneden stukje biefstuk wel door de daarvoor bestemde saus en bijvoorbeeld nooit een keertje door mijn bier. Alles ging keurig en zonder nadenken, geautomatiseerd.

Toen we opstonden, kregen de kaarten boven ons tafeltje weer aandacht. Dankbaar voor het feit dat spreken, eten en drinken ons zo goed af waren gegaan, liepen we naar onze kamer boven. Na zoveel voorspoed zou het met het slapen ook wel goed komen.