Ga naar de inhoud

Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

Menu
  • Home
  • Och heden
  • Foto’s
  • Nieuws
  • Gedichten
    • Gedichten voor de ‘Kerst’
  • Iets anders
  • Tijdens de wandeling
  • Links
Menu

Waar is de roos gebleven?

Gepubliceerd op 29/11/202529/11/2025 door Len Borgdorff

Och Heden 28 november 2025

De griep is nog niet helemaal weg; daarom neem ik de auto naar Groenekan. Achter het dorpshuis zie ik Nico lopen. Ik draai mijn raampje open. We constateren dat we iets niet goed doen. Drie keer hebben we elkaar gezien het afgelopen jaar. De eerste keer bij de uitvaart van de vrouw van Teunis, de tweede keer bij het afscheid van Nico’s vrouw en nu dus omdat Teunis er niet meer is. We maken een afspraak. Nog voor Kerst.

Teunis kreeg dertig jaar geleden een ernstig ongeluk dat hem de rest van zijn leven tot een rolstoel veroordeelde. En hij moest zijn uiterste best doen om een beetje verstaanbaar te zijn. Het was nog een wonder dat hij het ongeluk had overleefd. Na dertig jaar komt aan dat wonder nu een einde. In de jaren negentig maakte het leven van Teunis juist een merkwaardige vlucht opwaarts. Aan een ongelukkig huwelijk dat zichtbaar aan hem vrat kwam een einde. Hij koos ervoor om niet langer als hoofd door het leven te gaan van het onderwijsondersteunend personeel te gaan, maar docent techniek te worden. Hij werd een goede docent. De voorzitter van de ouderraad schoof op een Valentijnsdag een kaartje bij hem door de bus. Of ze niet eens samen ergens iets konden gaan drinken. De rest is een geschiedenis waar de school van genoot. Eerst de ontluikende liefde. Hun ondertrouw, waarbij een volle aula (het werd gememoreerd tijdens een lustrumvoorstelling) opstond om spontaan te zingen dat ze maar lang zouden leven. Er werd veel geglunderd. Het was Teunis en Mieneke zo gegund. Dat was een paar dagen voor dat ongeluk. Mieneke had vrijwel niets, Teunis kwam zwaar verminkt tevoorschijn, het was ook een andere Teunis. Toch

trouwden Mieneke en hij, ruim een jaar na de eerder geplande datum.

Het einde was geen einde. Lichamelijk bleef Teunis een wrak, het spreken bleef moeilijk, maar er brak langzaam maar zeker een verstandige en tegelijk vrolijke Teunis door de eerdere verdwazing heen.

Al die jaren kwam Nico op bezoek bij Teunis, iedere week, voor een kop koffie, of hij nam hem mee. Ik zag hem alleen maar als ik van mijn vaste fietsrondje afweek. Als ik dan langs de brug bij Groenekan reed, had ik kans om er Teunis aan te treffen. Op de brug, in zijn rolstoel. We maakten dan een praatje dat regelmatig onderbroken werd, want iedere passant groette Teunis.

Tot de dood van Mieneke, ruim een half jaar geleden, woonde Teunis in  het huis dat zijn vader ooit bouwde. Zijn geboortehuis werd niet zijn sterfhuis. Jammer, maar onvermijdelijk. Direct na de dood van Mieneke kwam Teunis in een verpleegtehuis terecht. Hij huilde erom, zijn dochters huilden erom. Maar iedereen begreep dat dit het verstandigste was.

‘Er ligt een roos bij de brug,’ zei  zijn ene dochter vanmiddag. ‘Er ligt een roos bij de brug,’ zei even later zijn andere dochter.

Ik reed eerst nog even langs zijn huis. Zíjn huis. Er wonen nu kleine kinderen. Ik gun het ze, maar ik begrijp dat de dochters het moeilijk vinden om er langs te rijden.

Bij de brug zoek ik vergeefs naar de roos. Er stopt een auto. Twee vrouwen stappen uit. Ook zei komen voor de roos. Nergens een roos. ‘Meegenomen natuurlijk,’ veronderstelt een van de twee. Als ik zeg dat de wind hem misschien in het water heeft geblazen, kijkt ze me meewarig aan. ‘Het is windstil.’ Wanneer de vrouwen weer weg zijn loop ik nog wat heen en weer. Ik had het Teunis zo gegund dat iedereen die hier langskwam de bloem zou zien en zeggen zou: ‘Ach God, Teunis.’

Zomaar wat plaatjes …

  • Contact
  • Privacy
© 2025 Een zachte berm | Aangedreven door Superbs Persoonlijk blog thema