25 november 2025

Deze november is een maandje struikelen. Niet mijn tijd van het jaar. Wat was ik vroeger blij dat ik ’s zomers jarig was. En ook dat niemand in mijn omgeving in november haar of zijn verjaardag hoefde vieren. Het leek me trouwens ook verschrikkelijk om in die maand begraven te worden. Of de Nederlandse benaming van Slachtmaand daaraan heeft bijgedragen, aan die weerzin tegen deze maand, of dat ik het juist een prettige bevestiging vond van hoe ik tegen die nare vier weken aankeek, weet ik niet. Had die aversie vooral met het weer te maken? Was ik zo gevoelig voor het korten van de dagen, het vallen van blad en de grauwheid van licht? Dat hield me allemaal niet bezig, maar de aversie was er. November en ik, wij hadden het niet op elkaar. Op mijn tiende kwam er aan de hand van mijn zus een jongeman binnen die jarig was op 12 november. Hij was een schorpioen, vertelde hij. Daar had je het al: zo’n verschrikkelijk dier. Dat hij me vervolgens vertelde dat ik een kreeft was maakte het alleen maar erger. Echt een schorpioenenstreek om me zoiets te vertellen. Vervelender was dat ik die schorpioen van 12 november begon te mogen. Dat strookte niet met elkaar. Kort na de eerste verjaardag die ik van hem meemaakte, kwam ik om twaalf uur uit school om thuis twee kamers vol mensen, gepraat en rook van sigaren aan te treffen. De zaak van mijn vader bestond 25 jaar en het was feest. Maar ik wist van niets. Mijn grote zussen en broer wel. Die gingen ’s avonds ook mee naar het feest in hotel Elzenhagen. Ik werd uitbesteed, smerige streek. Ik voelde me buitengesloten, ook toen ik de volgende dag door een
grauwe Molenstraat en niet langs mijn vertrouwde route naar school liep, al deden de kinderen van oom Jan en tante Nel (wel op het feest) nog zo aardig tegen me. Het was een novemberstreek.
Mijn tweede zwager bleek ook al een schorpioen uit de slachtmaand te wezen. Jaren later, we slaan een stukje over, werd ik vader van een novemberkind. Dat maakte onversneden droefenis helemaal onmogelijk. In plaats van weemoedig door het raam van ons huis aan de Utrechtse singel toe te zien hoe blad na natgeregend blad zijn boom moest loslaten, was ik bezig met slingers en ballonnen. Alles lijkt te wennen. Intussen is november de verjaardagsmaand bij uitstek geworden. Ik accepteer blijmoedig dat ik de opa ben van drie novemberkinderen. Het troost me dat ook zulke kinderen plezier hebben in de zomer. Misschien zijn ze wel te benijden omdat zij opgroeien zonder die zinloze aversie tegen november waar ik opnieuw last van heb.
Al een maand voel ik me grieperig. Van de vier weken die de maand telt, stond mijn auto er twee ter reparatie in een garage. We maakten twee begrafenissen mee, Mentes knie maakte lopen een straf, ze kreeg ook nog een hartinfarct en blaft af en toe de longen uit haar lijf en ik ben een mantelzorger die misschien wel ziek geworden is omdat ik zonder jas boodschapje hier en dingetje daar heb gedaan. We slapen geregeld in verschillende kamers, mijn lief en ik, om elkaar niet wakker te hoesten of met een nieuwe virale of bacteriële variant aan te steken. In geen twee weken meer een rondje gefietst, ook de maandelijkse wandeling moeten afzeggen met mijn schorpioenzwager. Die ene dan, want de andere leeft al jaren niet meer. O ja, mijn kleine camera was ook weer stuk en vanwege het besmette leidingwater zit er een deuk in de waterkoker. Vraag me even niet hoe dat gekomen is. November. Nog vijf dagen.
* foto genomen op vrijdag 7 november, met mobiel