21 september 2025

Aan vijf meiden van voor in de dertig vroeg ik, de kermis van de reünie was toen een uurtje bezig, of ze deze middag al iets hadden gehoord over zichzelf dat ze waren vergeten en waarvan ze het leuk vonden dat weer te horen en nu vast niet meer vergeten zouden. Er kwam van alles, maar de opmerkingen hingen nog teveel aan hun eigen bestaan om bij mij over te komen. Daarna was het tijd voor vragen over het toen en nu van dit vijftal. Terwijl ze vertelden, deed ik niet alleen mijn best om te luisteren (veel geluid om ons heen), maar ook om die leerlingen van ooit weer een plaats te geven. Dat leidde me nogal af. Daarom duurde het lang voordat ik ze kon laten aansluiten bij wat er over hen in mijn geheugen lag opgeslagen. Corina ging heel snel. Femke bleef ik in gedachten de verkeerde naam geven, hoewel ik wel wist wie ze was. Jasmijn intrigeerde ondertussen het meest. Mooi, met ogen waaruit droom en ironie en enige tevredenheid elkaar verstonden en dat met oogleden die graag dicht wilden. Maar ik herkende haar niet. Haar kapsel was duidelijk niet van toen: asblond en geknipt voor een mooie jonge vrouw, maar ook haar blik hielp me niet aan een herinnering, ook haar lange lijf niet, ik keek naar de naam op het stickertje op haar borst. Jasmijn
Breukels… Ik wist het echt niet. Waarom kwamen uit de vier anderen wel die twaalf- tot achttienjarigen tevoorschijn die ik in de klas had gehad en waarom niet die steeds mooier wordende Jasmijn?
Intussen bezorgde Femke me de herinnering die ik vreugdevol mee naar huis nam. Zij studeerde iets bestuurskundigs en werd vervolgens erg ongelukkig van het werk dat ze met die studie kon doen. Haar vriendin, Eline, ook één van de vijf, had haar gevraagd wat ze doen wilde. ‘Nederlands’ had ze gezegd, daar aan toevoegend dat zij met haar 22 jaren toen, veel te oud was voor een hele studie. Ze kreeg van Eline op haar kop. Terecht, welke tweeëntwintigjarige voelt zich te oud voor studie? Lang verhaal kort: ze stond intussen zes jaar als docent Nederlands voor de klas. ‘En,’ voegde ze er aan toe, ‘ik heb meteen ook een poster in mijn lokaal opgehangen die bij u voor in de klas hing. Dat gedicht over Heppie.’ Ze zei het voor me op: Ik voel me ozo heppie / zo heppie deze dag. / en als je vraagt: wat heppie / als ik eens vragen mag, / dan zeg ik: hoe wat heppie, / wat heppik aan die vraag, / heppie nooit dat heppieje / dat ik hep vandaag? ‘Dat bedoel ik nou,’ zei ik, ‘een herinnering om mee naar huis te nemen.’
Dat was gisteren. Vanmorgen vroeg moest ik er even uit en terwijl ik op stond, kwam ook, maar dan in mijn hoofd, Jasmijn overeind, de veertienjarige die ik niet terugvond in de vrouw die ik bij de reünie zag. Een meisje met vooral onzekere ogen, gevangen in het te harde zwart dat pubermeisjes om hun jonge ogen tekenen en met een lijf waarin ze nog niet gesettled was. Én ik neurie, merk ik, ‘Corrina’ van Bob Dylan. Zoals me vroeger overkwam als de klas van Corina bezig was met een toets. Dan begon ik spontaan te neuriën of ik zong zachtjes ‘Corrina, Corrina, Gal, you’re on my mind.’ Voor ik aan de herhaling van die regels toe was, siste er wel iemand dat ik stil moest zijn. ‘We zitten een toets te maken!’ Stom van me, maar zoiets ging vanzelf.