Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

Och heden

26 november 2021

Student aan tafel bij kaarslicht




Vorige week was ik dus met Gerard, mijn kunstzinnige vriend uit Den Haag, in Gouda waar ik verliefd raakte op een bijzonder donkere ets van Rembrandt. Van de foto’s die ik ervan maakte, hoefde er maar eentje te zijn die me beviel. Dan zou ik al heel tevreden zijn. Aldus is geschied.

Maar thuis deed zich een bijzondere complicatie voor toen ik de ets opzocht in wat ik maar het Verzameld Werk van Rembrandt zal noemen. Daarin vond ik hem namelijk niet. Dat wil zeggen: ik vond hem wel, maar pas in derde of vierde instantie. Er was iets mis met mijn nog zo verse herinnering. In het grote Rembrandtboek staat de ets drie keer zo groot afgebeeld dan die in werkelijkheid is. Verder is de afdruk wat lichter, om niet te zeggen fletser, dan de ets die Museum Gouda van het Rijksmuseum had geleend. Nu bevat het boek een Weense variant, maar of die in het echt ook wat helderder is, weet ik niet. Hoe dan ook: de Nederlandse ets is mysterieuzer, boeiender. Maar dat was allemaal het probleem niet. Nee, het was ernstiger. Ik zocht namelijk naar een afbeelding waarbij de olielamp of kaars links van het midden te vinden is en de lezende student rechts zit. Zo had ik de plaat in mijn hoofd. Toen ik hem uiteindelijk toch aantrof dacht ik dan ook met een fout van het boek te maken te hebben, maar ook op de zeven foto’s die ik zelf maakte zit de jongen echt telkens links van de vlam en niet omgekeerd. Terwijl ik dit schrijf heb ik de afbeelding al drie keer tevoorschijn geklikt, want iedere keer denk ik dat het toch omgekeerd is.

Ik noemde Gerard en niet alleen omdat we vorige week samen in Gouda waren, maar ook omdat we elkaar leerde kennen toen ook ik nog tekende. Hij vertelde me toen hoe verhelderend het kan wezen om een tekening of wat dan ook voor de spiegel te houden. Spiegelbeeldig verraden zich de zwakke punten in een tekening of prent. Ja, op zijn kop zetten kan ook. Dan zie je iets sowieso omgekeerd, maar ook dan wordt er van de juiste verhoudingen iets prijsgegeven wat je bij gewone observatie niet een-twee-drie ziet.

Die truc werkte indertijd. Ik ben daarna veel minder gaan tekenen en uiteindelijk hield het helemaal op. Maar goed, intussen begin ik me stiekem toch af te vragen of de oorspronkelijke etsplaat van Rembrandt, dus het spiegelbeeld van de bekend geworden afdrukken, fraaier was dan de uiteindelijke etsen die ermee werden geperst. We kunnen dat makkelijk nagaan door de afbeelding op de computer horizontaal te spiegelen. Die term is van het digitale fotoprogramma, zeg ik erbij. Uitgaande van de denkbeeldige as waarom je een prent laat draaien, zou je dit net zo goed verticaal spiegelen kunnen noemen, maar er is nog veel meer van de wereld wat ik niet begrijp, dus dit laat ik maar even zitten.

Goed. Wat vind ik van de gespiegelde afbeelding? Nou ja, kijk… Mij bevalt ie veel beter. Je hoort me niet zeggen dat dit dus blijkbaar een zwak momentje was van Rembrandt en dat er op een of andere manier iets niet klopt. Dat zeg ik niet, want laten we wel wezen: ik werd verliefd op de ets met de jongen links en de brandende pit rechts. Je kunt daarom ook zeggen: eigenlijk is deze ets van Rembrandt nog mooier dan je zou denken.

Ik zet beide afbeeldingen bij dit stukje. Benieuwd welke van de twee je het beste bevalt.

24 november 2021

Kindersint




Heb ik al verteld dat de straat van mijn kinderenjaren zo druk was? Daar haal ik nu iets van af. Hij was ’s ochtends druk en tussen de middag en tegen zessen, maar op die woensdagmiddag dat Dirk, Jelte en ik als Pieten en als Sint door het leven gingen, was er geen verkeer. Voor het begin van ons avontuur doet dat er overigens niet toe. Het venijn van die rustige straat zit in de staart.

Drie huizen verder woonden oudere mensen die we Oom Leen en Tante Anna noemden. Hun kleinkinderen waren van mijn leeftijd. Een enkele keer speelde ik wel met ze. Dit jaar was het bijzonder dat hun Australische kleinzoon Bill bij hen logeerde. Dat vond ik interessant. Maar Bill was ziek geworden en dat betekende dat hij op die woensdagmiddag samen met zijn oma thuis was, zijn Australische ouders, broer en zussen waren al weer weg, maar Bill lag nog ziek in bed, beneden in de voorkamer, voor het raam.

Dirk, Jelte en ik besloten om hem te verrassen door hem op te zoeken als Sint en Pieten. Ik had een verschrikkelijke hekel aan de zwarte troep van een beroete kurk op mijn gezicht, en daarom was ik blij dat ik Sinterklaas mocht spelen. Daarvoor had ik ook wel een geschikte deftige stem tot mijn beschikking, vond ik. De staf was een stuk hengel, met crêpepapier en een kartonnen krul. Buurvrouw Hofstede had een pluche gordijn voor me. Er lag een mijter in het berghok boven, daar was een gevaarlijke baard ingeschoven, gemaakt van dat ellendige engelenhaar. Maar ja, het was die baard of zwarte roet. De oude Dikke Van Dale kon goed dienen als boek van Sinterklaas.
De pieten combineerden gymbroekjes met wollen maillots en weer veel crêpepapier. Van het wilgje in de achtertuin knipten we wat takken voor twee roe’s.
Die jongetjes toch, we waren negen, denk ik, en Jelte acht, moeten de moeders gedacht hebben. We waren blijkbaar aandoenlijk genoeg om met allerlei snoepgoed naar Bill te kunnen.

Mijn finest hour beleefde ik toen tante Anna, de oma van Bill dus, een comfortabele stoel voor me aanschoof, en ik met plechtige stem allerlei moois over die jongen uit het verre Australië voorlas dat helemaal niet in die Dikke Van Dale te lezen was. Onnozel was Bill niet, maar even, heel even was het allemaal waar wat daar gebeurde in die kamer. Zelfs ik geloofde een beetje in de Sint die ik toen was.

Het succes werd voortgezet op straat. Een paar meisjes, ook die zo mooie, prinsesachtige meisjes van Kester, waren nieuwsgierig geworden.
‘Jullie zijn toch niet stout geweest, kindertjes, zei ik met een stem waar de echte Sint jaloers op geweest zou zijn. ‘Want anders, ja anders, krijgen jullie met de roe. Nietwaar Pieten?’
Die liepen dreigend op de meisjes af. Die vluchtten midden over straat, jawel, naar hun huis, maar daar, precies daar, werden ze door de pietjes ingehaald en kregen ze met de roe. Ik had nog zo gevraagd of ze wel of niet stout waren geweest. Daar hadden ze geen antwoord op gegeven en dat was natuurlijk dom van ze.
Buurvrouw Kester had daar geen boodschap aan. Ze kwam naar buiten gestoven. Of we helemaal gek geworden waren om die kinderen met takken te slaan!
Ik wist wel zeker dat Dirk en Jelte echt niet hard geslagen hadden, maar daar ging het niet meer om. Het spel was uit. Midden op straat stonden die jongetjes in een volkomen mislukte sint-en-pietuitdossing.
Ik hoop toch zo dat Bill dat niet gezien heeft.

23 november 2021

Opnieuw 131




Veel later stond ik tegenover het huis dat geen Choorstraat 131 meer was en al lang niet meer uitzag op rails, struiken en daarachter tuinbedrijven, maar op een woonwijk. Mijn moeder in haar rolstoel en ik keken naar het huis van ooit. We wisten toen nog niet dat dit haar laatste levensjaar zou zijn. Ze wees naar het raam van wat vroeger de slaapkamer van mijn ouders was. Als ik niet kon slapen, ik had vaak oorpijn, mocht ik in hun bed. Daar zwaaide het licht van langsrijdende auto’s door de kamer. Ik stapte even uit bed om het licht van de vuurtoren van Scheveningen beter te zien, speelde met het gouden kwastje van de trekschakelaar en later, als mijn ouders naar bed gingen werd ik over de overloop naar mijn eigen bed gedragen. Dat gebeurde er allemaal achter de ramen van de slaapkamer waar mijn moeder nu naar wees.

‘Ik schoof het raam open,’ zei ze en ze hield haar vinger in de lucht. ‘En dan stak ik mijn kop naar buiten om te zien of ie er al aan kwam. Het was al nacht en hij was nog steeds niet thuis. Slapen lukte niet. Ik maakte me zorgen, waarom deed die vent dat nou toch weer? En dan ook nog in de auto.
Ik zag hem al van ver aankomen. Aan zijn lopen zag je hoeveel hij op had.’

Het gebeurde vaker in dat laatste jaar dat ik haar ergens mee naar toe nam en dat er dan sombere herinneringen bovenkwamen. Nu draaide ik de rolstoel weg en liep in de richting van het dorp.
‘Verschrikkelijk was dat. Altijd de schijn ophouden, altijd die angst.’

Anderhalve maand voor haar overlijden, dat niemand toen nog voorzag, begon ik over haar dood: ze was immers al 97. Ze wilde het er nooit over hebben. Dat werd zo gerespecteerd dat niemand er ooit over begon, maar was er niet iets dat haar gerust kon stellen, vertrouwen kon geven? Je houdt er immers niet altijd je mond over omdat je alles blijmoedig tegemoet ziet. En was er niet een lied? Vroeger zong mijn moeder veel, vooral daar in de keuken van Choorstraat 131. Ze had een mooie stem, vond ik. Ik herinner me nog dat ik op de schommel achter het huis zat en van haar zang genoot. Een psalm, ik weet niet welke. Toen begon drie huizen verder, op een dakterras dat toen nog ‘plat’ heette, buurvrouw Boonstra te zingen, Aag. Die kraste als een kraai, maar wel veel harder dan mijn moeder. Ik schoot ervan in de lach. Toen, jaren terug.

Mijn moeder ging niet in op mijn opmerkingen over dood en mooi liederen. Ze zei:
‘Ik zie je nog voor me. Ik lag op bed en jij sloop naar binnen en jij zag me niet. Ik deed voor alle zekerheid maar of ik sliep, maar volgde je door mijn oogharen. Je deed de linnenkast open en graaide achter het linnengoed. Je trok een rode jeep tevoorschijn, eentje met afstandsbediening. Dat was je cadeautje voor Sinterklaas. Je nam het mee naar je kamer en zette het later weer terug in de kast. Ik zag alles. Jij had mij nog steeds niet in de gaten. Jij wist alles precies.’ Ze lachte.
Ik wist dat het niet waar was. Ze lag daar toen niet. Ikzelf had haar ooit verteld dat ik als kind ruim voor Sinterklaas al stiekem met mijn cadeautjes speelde, samen met mijn broer of met Dirk.

Het gesprek over de dood kwam er nooit, maar deze ‘herinnering’ aan die slaapkamer aan de Choorstraat beviel me wel.

22 november 2021

Nummer 131




Vorige week trof ik op Facebook een oude ansichtkaart aan van de weg die vanuit Monster naar Poeldijk voert. Vandaar ook dat er op de kaart stond dat het hier ging om de Poeldijksche weg. Mijn nageslacht koppelt mijn kinderjaren aan de Molenstraat in Monster, aan een huis naast het kerkhof daar en ze kunnen ook het huis 200 meter verderop aanwijzen waar ik werd geboren. Dat weten ze allemaal wel.
Op die manier lopen mijn kinderen en kleinkinderen, maar ook mijn vrienden, ja zelfs mijn geliefde met een vals beeld rond waar het gaat om mijn kinderjaren. Nu mag ik hopen dat ik ze niet dierbaar ben om het kind dat ik was, maar toch stemt het me wel een beetje droef.
Mijn geboortehuis in de Molenwijk liet ik namelijk achter me in de winter van 54 – 55, ik was toen twee. Twaalf jaar later verhuisden we naar de Molenstraat en zo kwamen we weer in de Molenwijk terecht. Maar het betekent wel dat mijn kinderjaren getekend zijn door het huis aan die uitvalsweg naar Poeldijk. In die jaren heette dat stuk straat overigens geen Poeldijksche weg meer, maar Choorstraat, alsof het een deel was van een van de vier oudste doorgangsstraten van het dorp. Ik denk dat later om het dorp heen de Emmastraat gekomen is. Die sloot aan op het stuk weg waar ik me ooit zo thuis voelde en er zit dan ook logica in het later genomen besluit om dit stuk Choorstraat ook maar Emmastraat te noemen, al heeft me dat het vertrouwde adres Choorstraat 131 gekost.

De man die de foto op Facebook plaatste, vermeldde later dat de ansicht in kwestie ook op Marktplaats te vinden was. Nu niet meer, want ik heb hem gekocht en eergisteren kwam die binnen.
Op de voorgrond komen twee spoorlijnen samen: beide uit de oude Choorstraat. Dat traject werd in de jaren dertig vervangen door een lijn die om het dorp heen ging, dus via de genoemde Emmastraat. Zo heb ik het gekend. Daarmee werd het spoortraject veel smaller dan de oude ansicht laat zien. Dat gaf ruimte aan de weg die erlangs loopt. Die ken ik alleen als een drukke en geasfalteerde straat, met rechts daarvan een fietspad. Daarvoor werd overigens een deel van wat op de foto nog voortuin of –plaats genoemd zou kunnen worden, opgeofferd.
Een voetpad was er niet en wij liepen liever niet over dat fietspad. Daar was het nogal druk. Iets veiliger was het om direct over te steken en langs de spoorlijn te lopen, al ben ik daar meermalen aangereden, net als mijn vader. En dan zijn er nog de dodelijke ongelukken.

Was je die gevaarlijke weg eenmaal over, dan kon je eindeloos dwalen door tuinderijen en dat kon je ook doen als je achter het huis over een muurtje klom of een eindje verderop een inrit of laantje insloeg. Want zo was het: aan weerszijden van die zenuwbaan vond je een wereld om te dromen en te dwalen.
Op de foto lijkt ook de weg nog deel uit te maken van die wereld. Ik gok dat de plaat uit de jaren twintig is.
De kaart ziet er bijzonder vertrouwd uit met die huizen. Dat van ons was het eerste van het langere rijtje in de verte. De drie mensen die op de foto komen aangelopen bevinden zich ter hoogte van ons huis. Graag zou ik willen weten wie er op de foto staan. Kinderen van de familie Groenewegen, van de familie Kester? Ik heb geen idee. Ik kijk ernaar alsof ik een vreemdeling ben.

21 november 2021

Dies Irae




Omdat dit de laatste zondag is van het kerkelijk jaar worden we in de ochtendviering getrakteerd op een tweetal lezingen waar je niet vrolijk van wordt. Ze hebben een hoog Dies Iraegehalte. Dat is ook geen wonder. Sefanja 1 en 2 zijn een belangrijke bron geweest voor de Latijnse liedtekst van achthonderd jaar terug, vertelt de voorganger. Die poetst vervolgens de ellende die de mensen lijkt te wachten niet weg, maar hij heeft het wel over 'de literaire stijlfiguur van de overdrijving', en hij plaatst een en ander in een iets behapbaarder perspectief. Want zo zijn we in deze wat verlichte kerk: we maken de dingen liever iets kleiner dan groter. In onze vieringen hoef je niet te brullen, want we hebben een goede geluidsinstallatie (als je maar in de microfoon spreekt). We zingen ook niet met elkaar een variant op het Dies Irae, al was het maar omdat die niet meer is opgenomen in het Liedboek dat in de meeste PKN-kerken gebruikt wordt. 'Dag des oordeels, dag des Heren, Alles zal tot as verkeren.' We bevinden ons in goed gezelschap, want ruim 130 jaar geleden al nam Fauré het Dies Irae al niet meer op in zijn Requiem.

Muzikaal en tekstueel gezien is dat wel een beetje sneu omdat ellende zich doorgaans lekker laat voorlezen en ook laat zingen, maar zo is het wel. Nu is het einde der tijden en het besef dat we nu toch echt met zijn allen naar de challemiezen, de kelder, de maan en ook nog naar de bliksem gaan een besef van alle tijden en daarom denk ook ik meestal dat het nog wel meevalt, wat de kwaliteit van het voorlezen en zingen dan weer ten goede komt.

Na kerktijd trok ik thuis het tijdschrift Petrus uit zijn plastic slipje. Dat is een blad van de protestantse kerken dat alle gezindten die onder die vlag varen wil bedienen en dat zijn er nogal wat. Kortom, een veelkleurig blad dat zomaar aan de bediening van een zo gevarieerde doelgroep ten onder zou kunnen gaan. Bij zoveel bloedgroepen ligt bloedeloosheid op de loer.

Alhoewel, terwijl ik het blad van achter naar voren door bladerde, trof ik vier portretten aan van vluchtelingenkinderen op Lesbos. Ze vertellen heel kort wie ze zijn, wat ze is overkomen en ze staan stil bij hun droom. Ze willen voetballen, hun afwezige moeder knuffelen, naar Amerika. Twee willen dokter worden of op een andere manier mensen helpen, zich inzetten voor vrede. Want die ontbreekt. Ik realiseer me dat die kinderen, tieners in dit geval, hun Dies Irae beleven maar desondanks onverbeterlijke dromers zijn. Misschien worden het wel de drammers waar de wereld het van moet hebben. Ik hoop het.
Maar het kunnen de verbitterden van straks zijn. Ze kunnen ook leren om een geweer te pakken, of een mes, of om ontmoedigd hun dagen aan elkaar geregen te zien worden. Dat kan ook.

Ik blader verder naar voren in het blad Petrus en maak kennis met de 22-jarige Yousif Al Shewali. Hij fotografeert de ellende op Lesbos zoals hij voordien via sociale media verslag deed over de narigheid in Irak, zijn land van herkomst. Het werd en wordt niet erg gewaardeerd wat hij doet, maar hij houdt vast aan zijn missie: niet wegkijken. Het artikel over deze jongen eindigt niet met zijn droom, maar wel met zijn wens. Ik lees: 'Zelf wil hij ook dood. Hij is immers alles kwijt: zijn gezondheid, zijn waardigheid, en ook zijn hoop.'

Je vindt hem op Instagram als @yousif_alshewail.

18 november 2021

Kijkdozen




Op de tentoonstelling in Gouda hingen ook nogal wat werken van Godefridus Schalcken, een in zijn tijd zeer gewilde schilder van portretten, soms wat sensueel. Daarbij speelde licht, en dan bedoelen we vooral kaarslicht, een belangrijke rol. Dat verklaart ook waarom we bij 'Kaarslicht' een aantal werken van hem aantreffen. Het was zijn specialiteit. Begin 2016 was er een expositie aan hem gewijd in het museum van Dordrecht en niet voor niets, want daar heeft Schalcken heel lang gewoond en daar ook woonde zijn welgestelde familie.
Toen ik dinsdag met mijn kunstzinnige Haagse vriend de donkere kamer inliep moest ik denken aan het kamertje dat Schalcken indertijd maakte om zijn schilderijen hun nachtelijke karakter te geven, want je moet niet denken dat hij wachtte tot het donker was voor hij zijn door kaarslicht beschenen schonen schilderde. Dat gebeurde overdag, maar hij had daarvoor een soort levensgrote kijkdoos gemaakt, waarin het donker genoeg was om kaarslicht zijn optimale effect te geven. Door een luikje keek hij dan naar binnen. Misschien zat het model ook wel in de kijkdoos.
Maar had ik die kijkdoos daar ook gezien in Dordrecht of had ik me daar zelf een voorstelling van gemaakt? Ik wist het niet meer. Dat speelde door mijn hoofd toen ik de donkere, alleen door kaarsen verlichte kamer in Gouda binnenliep. Even daarna werd ik dus meegenomen door 'altijd Rembrandt', maar ook door een tekeningetje van Gesina ter Borch, inderdaad, uit de bekende familie. Er hing ook werk van haar beroemde broer, maar ik was vooral gecharmeerd van de tekening met een paar dat begeleid wordt door een dienstmeid met een grote lantaarn waarin al gauw zes kaarsen branden.
Zoiets is Schalcken met al zijn virtuositeit nooit gelukt, dat hij mij meenam en zo vergat ik deze fijnschilder en ook zijn Dordtse kijkdoos.

Tot we aan het eind van de tentoonstelling kwamen en daar een installatie aantroffen waar je een foto kon maken die een zeventiende-eeuws aandoend portret zou opleveren, bij kaarslicht. Alweer een soort kijkdoos dus. Gerard ? want laat ik mijn kunstzinnige vriend nu eindelijk maar eens zijn naam geven ? maakte een paar foto's van mij en daarna keerden we de rollen om. Toen moest ik toch weer aan die kamer van Schalcken denken, Dordrecht. Hadden Mente en ik daar ook niet foto's gemaakt van elkaar?

Ik heb het thuis nog eens uitgezocht. Nergens vind ik Mente of mezelf terug in een Schalckense setting, maar wel kom ik een foto tegen van een ruimte die perspectivisch klopt en het zou me niet verbazen als dat een nepstudio is die Schalcken gebruikt heeft of had kunnen gebruiken, al doet me dit vooral aan Vermeer denken, maar ook aan andere Delftse schilders. Dat komt natuurlijk door het doorkijkje links en die zwart-witte vloer. Hoe dan ook: de voorgrond laat de overgang zien van echt naar nep.

Ja, dat zijn allemaal leuke dingen voor de mensen, maar de ontroering van 'Kaarslicht' zit 'm toch in een paar schilderijen, tekeningen en etsen.

17 november 2021

Duisternis




Halverwege de tentoonstelling kwamen we terecht in een donkere kamer. Dit zou de beginzin van een alternatieve Dante kunnen zijn, waarbij mensen halverwege hun bestaan in een ellendige situatie terecht kunnen komen, maar zo is het helemaal niet, want naarmate de duisternis in Museum Gouda toenam, werd ik alleen maar vrolijker. Die donkere kamer was een reconstructie van een vertrek van twee, drie eeuwen terug, toen ruimtes bij avond en nacht hooguit door kaarsen werden verlicht. Ik zeg hooguit, want de meeste huishoudens zullen helemaal geen kaarsen of ander brandbaar materiaal voor hun verlichting hebben gehad toen. De meesten zullen daarvoor te arm zijn geweest.
De kamer in het museum was donker, ondanks de kaarsen, en ook ondanks de reflectievriendelijke wandbekleding en de koperen kandelaars en dito kroonluchter, de spiegel en het met fineerhout ingelegde kabinet, waarbij voor sommige bloemblaadjes stukjes parelmoer waren gebruikt, ter verhoging van de flonkervreugde in een kamer die desondanks zo donker bleef.

Het nieuwe leven begon na deze duisternis, want in het volgende vertrek hing een schilderij uit de school van Rembrandt, ‘De heilige familie bij avond’. Een ontroerend doek, maar ja, ik ben nu eenmaal een sentimentele vaatdoek als het om werk van Rembrandt gaat. Daar schuin tegenover trof ik een ets aan van een lezende man. Nee, ik zag een ets met een klein, helwit vlekje rechts van het midden, het enige stukje papier dat blank gebleven was, maar waarvoor ik toch mijn ogen stond dicht te knijpen. De rest bleef nog even zwart en gaf nuances alleen maar prijs doordat ik langer voor de ets bleef stilstaan. Er kwam een lezende jongeman tevoorschijn. Er werd veel gelezen bij dat moeizame kaarslicht van vroeger, was me al opgevallen bij eerdere schilderijen en tekeningen. Jammer dat we dat met onze optimale verlichtingsmogelijkheden niet vaker zijn gaan doen, maar daar gaat het nu niet over. Langzaam maar zeker kon ik een afbeelding uit deze kleine duisternis pellen van 15 bij 13 centimeter. Toen dat eenmaal gebeurd was, liet de suggestie van een lezende student aan een bureau en het schoteltje onder de brandende oliepit zich weer terugvertalen naar een wirwar van lijntjes, van aangebrachte krassen. Je kunt er met je neus bovenop staan. Je ziet precies wat al die lijnen en lijntjes doen, maar het wonder blijft en ook het besef dat ik dat nooit zou kunnen, wat ik wel een riant onvermogen vind trouwens. Ik hoef al die prachtige dingen niet te bakken; hoef ze alleen maar op te eten.

Intussen was ik wel begonnen om foto’s van de ets te maken. De duisternis moest blijven, vond ik.
‘Lukt het een beetje?’ vroeg iemand achter me. Het was een jonge vrouw en na de donkere kamer van Dante had ik even het idee dat hier mijn Beatrice stond. Dat was niet zo, deze vrouw heette Lucia en ze werkte in het museum. Ik vertelde haar dat ik een afbeelding van deze ets, maar ook ander materiaal van deze tentoonstelling, wilde gebruiken om bij een paar adventsvespers te laten zien. ‘Als het nodig is, kan ik u wel digitale afbeeldingen toesturen’ zei ze, ‘maar misschien maakt u zelf wel prachtige foto’s.’ Ik noteerde meteen het emailadres. ‘Neem maar gerust contact op!’ en toen liep ze verder en ik vergat de gegevens van de ets te noteren. Dat kwam door Lucia. Daarom heb ik haar intussen gemaild.

En nu zie ik dat diezelfde ets ook in mijn grote Rembrandtboek staat. Maar iets te flets, iets minder geheimzinnig.

* Rembrandt, Student aan tafel bij kaarslicht. 147 x 133 mm. Omstreeks 1642.

16 november 2021

Tegen de achtergrond




Vanwege haar verjaardag maakte ik met medewerking van haar ouders een fotoalbum van de eerste tien levensjaren van Liesje. Het is een kloek boek geworden waarmee ik ook wel een tijdje bezig ben geweest. Een punt van aandacht daarbij was onder meer de achtergrondkleur die je voor bladzijden gebruikt. Van wit en zwart ben ik een beetje af, al is het soms beter om die wel te gebruiken. Zoiets hangt vooral af van de foto’s zelf. Doorgaans is het handig om een kleur te gebruiken die ook in een of meer van de foto’s voorkomt, in elk geval een kleur die de afbeelding versterkt. Tegelijk kan een zekere afbakening ook geen kwaad, dus ik zet nogal gauw een kadertje om foto’s heen.

Bij de tentoonstelling ‘Kaarslicht’ in Museum Gouda viel me op dat daar uitdrukkelijk mee gewerkt werd. De wanden waren donker, alsof je in een wereld van schaars kaarslicht liep, waaruit de schilderijen moeizaam opdoemden, behalve dan het vlammetje van de lichtbron of de directe weerschijn daarvan op het schilderij. Stel je toch eens voor dat die wanden wit waren, dacht ik. Een Mondriaan of een Charley Toorop kan daar wel tegen. Het werk van Terborch, Schalken of Rembrandt al veel minder.
Zou het niet een al te aandoenlijke tentoonstelling worden, had ik me van te voren afgevraagd, want ja, kaarslicht en het uitspelen van clair-obscur kan ook makkelijk een trucje worden, de romantiek van de slagroomspuit, zeg maar. Mijn kunstzinnige Haagse vriend en ik hadden nog wel even getwijfeld. Ten onrechte: nu konden we er niet genoeg van krijgen.

Waar we niet voor kwamen, was een andere expositie, een etage hoger. Iets kleiner dan de tentoonstelling over kaarslicht, wat maar goed was ook, een aangename verrassing. ‘Met andere ogen’ heet ie en hij is er nog tot begin januari. Het is een meer educatieve tentoonstelling die je wil laten zien wat achtergrondinformatie bij een kunstwerk voor invloed kan hebben. Ook hingen er twee schilderijen, pendanten van elkaar, maar het ene schilderij hing in een rijke lijst, terwijl het andere zonder lijst aan de muur bevestigd was . Dat bracht me bij de kadertjes die ik had gebruikt in het fotoboek voor Liesje.
Ook was er een schilderij waar je gevraagd werd om je linkeroog te bedekken en dan naar de rechterkant te kijken en daarna omgekeerd. Ik deed dat, maar ik deed het niet goed. Toch merkte ik dat ik door mijn linkeroog kijkend meer kleur zag. Ik dacht dat het aan mijn ogen lag en ook dat dat de les was bij dit schilderij. Dat was dom, want dat had ik dan al heel lang moeten weten.
Even later stond mijn Haagse vriend voor hetzelfde doek en ik zag hem door het kokertje kijken dat hij van zijn hand had gemaakt. Toen pas zag ik wat er aan de hand was: de wand achter het recht gedeelte van het schilderij was gebroken wit, de het deel links was donker rood. Dom was ik, dat ik dat niet meteen had gezien, maar ik was wel tevreden dat mijn trucjes bij het maken van Liesjes fotoboek ook op museaal niveau werden toegepast.

Ik voelde me ook even een betrapt jongetje doordat mijn Haagse vriend zijn hand als kijkertje gebruikte. Dat had hij me geleerd, ooit, hij een zestienjarige van wie we toen al wisten dat hem een leven in de kunst wachtte, en ik zijn vriendje van veertien dat nog veel te leren had.

In het museumcafé namen we pompoensoep, zacht oranje, omlijst door een witte kom.

15 november 2021

Reis door de nacht

De familie in Leidsche Rijn speelt zich aardig in de kaart deze week. Samen worden ze honderd, zowel de paps als de mams vieren beiden hun veertigste verjaardag en morgen wordt Liesje tien. Wij zijn er vandaag geweest, deze keer voor een feestelijke oppasdag, waarbij de fiets van de jarige Klaas in de kamer stond. Nu kon hij zo jarig niet wezen of hij ging nog wel naar zijn voetbaltraining en na zijn verjaardagsetentje moest Liesje naar de kerk om te oefenen voor de kerstmusical. Wij brachten haar weg.

Met de auto slinger je langs een tweeënhalve kilometer lange route door de wijk naar de kerk in De Meern. En al is dat geslinger heftig, erg moeilijk is het allemaal niet, al zette ik de route toch ook maar even op mijn mobiel.
Waarom ik dat deed? Het drong pas tot me door toen ik het al had gedaan: ik raak in het donker steeds meer mijn oriëntatie kwijt. Er is niets aantrekkelijks meer aan buiten zijn in het duister en al helemaal niet in een auto, merkte ik. De trottoirbanden langs de smalle rijbanen slingerden wel heel erg onoverzichtelijk. Dat kwam door de duisternis, ja, maar ook door het valse gespetter van het licht van lantaarns en andere auto’s. Ik dacht aan mijn wekelijkse tochtjes naar Monster die ik vaak ’s avonds maakte. Dat vond ik wel gezellig, in een muzikale capsule door de nacht.

We zetten Liesje af op de plaats van bestemming en reden vervolgens door naar huis. Waar ik onderweg overheen reed, weet ik niet. Een steen misschien? Toch een raar uitstekende stoeprand? De auto schokte. We schrokken ervan. ‘Ik zou maar even stoppen,’ zei Mente. ‘Misschien heb je wel een lekke band.’
‘Als ik doorrijd, merk ik dat ook gauw genoeg.’ Ik reed door. Wel zette ik mijn bril af en dat was al een hele verbetering, al bleef het duister even duister. Zelfs op overbekend terrein vond ik het niet prettig om te rijden waar ik reed.

Ik heb al heel lang een hekel aan avondvergaderingen. Dat vind ik nog tamelijk gezond klinken, al weet ik dat ze onvermijdelijk zijn. Maar toen we onze wijk inreden, zei Mente - onze gedachten liepen blijkbaar parallel: ‘Ik geloof dat ik helemaal geen zin meer heb om naar de schouwburg te gaan ’s avonds.’ Dat was een verontrustende mededeling, want dat hebben we ons hele leven maandelijks gedaan. Maar het was ook schokkend om te merken dat ik er net zo over dacht.

Half acht was het toen we thuis kwamen en we hadden al een hele nacht achter de rug. Er was geen afwas, maar er was wel een bank en daarop voelden we ons thuis. In het valse licht van de televisie hadden we geen trek. Mente pakte een puzzelboekje en ik las bij Dostojevski hoe mensen door het duister van Sint-Petersburg enorme afstanden afleggen om ergens een verschrikkelijk feestje bij te wonen. Ik moest er niet aan denken zoiets te moeten doen. Nee, ik voelde me alleen maar thuis op deze bank en met dit ‘geselscap goet ende fijn’ en daarna volgde het bed, samen met datzelfde gezelschap.Samen binnen. Dat kon ik nou weer heel goed hebben.

14 november 2021

Nichtje

Op de verjaardag van zijn vader en moeder had Klaas het niet alleen druk als schenker. Of liever: met het schenken had hij het druk, maar er waren daarnaast momenten van aangenaam, verstild verpozen. Dit feest van veertig jaar papa en mama was ook de keer dat zijn nieuwgeboren nichtje voor het eerst uitging. En dat nog wel naar hun huis, en als dat geen teken was… Klaas heeft een zus, een broertje en vier neven, maar nichtjes kwamen er tot dusver in zijn familie niet voor. En neefjes van drie zijn wel klein, maar niet zo vertederend als een nichtje van een maand.

Hij eet het kind op met zijn ogen, zie ik. Tussen de drukke bedrijven van het schenken door loopt hij even langs de maxicosi om naar de kleine Sanne te kijken. En twee keer gebeurt het zelfs dat de moeder het kind uit het reiswiegje haalt en hij het even op schoot mag nemen. Hij glundert en zijn mondhoeken trekken onweerstaanbaar naar hun hoogste stand om daar te blijven staan. Natuurlijk kijkt hij stralend naar de mensen die naar hem kijken, maar hij heeft vooral aandacht voor het kleine meisje dat hij in zijn armen houdt. Klaas schenkt, hij voetbalt, en maandag krijgt hij voor zijn achtste verjaardag een stoere gele mountainbike die oplicht in het donker en waarop hij nog harder kan dan op zijn vorige fietsje, maar dit kind slaat alles. Hij is verliefd.

Ik maak een paar foto’s van Klaas en de kleine Sanne, zoals ik dat een paar jaar geleden deed van diezelfde, toen bijna vijfjarige Klaas en zijn nieuwe broertje, maar dit is anders. Klaas is groter nu. Hij is gevoeliger geworden voor het wonder, zo lijkt het. En er is die toe-eigening, want het is wel mooi zijn nichtje dat hij in zijn armen houdt. Hij zal zijn rechten niet laten gelden, maar eigenlijk is dit kindje ook een beetje van hem.

Tien ik acht jaar werd, werd er een neefje geboren. Hij was meteen al broer en hij was ook neef van andere neven en nichten, maar omdat we vanaf nu dezelfde verjaardagsdatum zouden delen, was hij toch een beetje meer van mij dan van die anderen. Dat zei ik natuurlijk tegen niemand, maar zo was het wel. Natuurlijk ben ik nu veel te groot voor dergelijke gedachten, maar heel, heel diep leeft die overtuiging nog steeds: Mans is vooral mijn neefje. Niet lang geleden, dus een kleine zestig jaar na dato, heb ik hem dat eens verteld. Hij vertelde me toen dat ik ook wat meer zijn neef was dan de andere neven.

Later dat jaar werd er ook nog een nichtje geboren, op 5 december, en zo kreeg ik een neef voor mijn verjaardag en een nichtje van Sinterklaas.

Ik kon me zomaar voorstellen dat Klaas zich, met de kleine Sanne in zijn armen, aan vergelijkbare bespiegelingen overgaf, maar al te lang kon dat niet duren, want toen waren er de handen van de moeder die het poppetje bij Klaas vandaan haalde om het tegen haar borst te drukken. Klaas stond op en pakte een fles wijn.
‘Wie wil er nog een glaasje wijn? Het is rode wijn!’

13 november 2021

Veertig

Ze mochten er wel bij zijn als de gasten kwamen en, heus, ze kregen ook wel iets te eten van de ingehuurde kok, maar omdat het de avond daarvoor vanwege Sint-Maarten al zo laat geworden was, moesten ze wel op tijd naar bed. De drie kinderen besloten daar alle begrip voor te hebben.Tommy stelde zich op bij de voordeur om daar iedereen welkom te heten. Hij had ontdekt dat zijn rubberlaarzen hard op de vloer kletsten als hij sprong. Dat lukte op de tegels in de gang, maar het laminaat in de kamer kletste ook luidruchtig en dat springen ging vanzelf, want Tommy werd enthousiast bij iedere nieuwe gast. HIj kende ze allemaal, de vrienden van zijn ouders, de ooms en tantes en de opa’s en oma’s.

Klaas had het druk met de drank. Hij hielp zijn vader met het opnemen van de bestellingen en het inschenken, waarbij het eerste zijn voorkeur had. En Liesje voelde zich groot, te groot om meteen bij opa en oma aan te schuiven, zijn creëerde een tafel voor de jonge tantes en haarzelf. Pas later kroop ze onder een fleece dekentje bij opa Henk. De achterdeur stond open voor de ventilatie maar ook om een open verbinding te hebben met de kok die er zijn vuren had om een enorme reeks hapjes op klaar te maken. We hadden elkaar, we hadden het eten, en dat was hartverwarmend genoeg, maar een enkeling trok toch maar een jas aan of sloeg een dekentje om.

Liesje opende de avond door op een tafeltje te gaan staan, om stilte te vragen en te vertellen dat we hartelijk welkom waren op de veertigste verjaardag van papa en mama. Later zou ze nog vragen om een liedje en nog weer later vroeg ze weer om aandacht, maar wist ze vervolgens niet meer wat ze ook al weer wou zeggen.
Klaas maakte zich onmisbaar als schenker. Ook hij beklom het tafeltje om te roepen: ‘Wie wil er nog iets te drinken?’ Reactie wachtte hij niet af. Daarvoor ging hij liever ook iedereen nog eens persoonlijk langs of hij pakte een fles om iemand de inhoud ervan op te dringen. Zodra Tommy kans zag, klauterde hij op het tafeltje om de gasten te laten zien hoe prachtig hij kon dansen en met hoeveel lawaai hij van het tafeltje op de grond kon springen. Al met al werd het een avondvullend programma voor alle drie.

Toen het voor Tommy toch te laat werd, moest oma Mente hem naar bed brengen en natuurlijk moest ze dan ook iets voorlezen. Hij koos voor een boekje met het paasverhaal, waaraan, ook in dit boekje, het verhaal van het lijden vooraf gaat. Dat leek Mente op dit late uur wat teveel gevraagd, al kostte het haar wel wat moeite om de aandacht van het jongetje voor de kruisweg, Golgotha en de opstanding af te leiden.
Klaas trok wit weg toen hij hoorde dat het half elf was. Zo laat had hij nog nooit meegemaakt en dat terwijl hij het de avond daarvoor op wederrechtelijke wijze al zo laat had gemaakt. Hij liet zich zonder slag of stoot door oma Geertje meenemen naar zijn kamer.
En Liesje? Van Liesje weten wij niets, want voor alle opa’s en oma’s was het de hoogste tijd om te vertrekken toen zij nog met een tante en twee ooms een spelletje zat te doen.

12 november 2021

Sint-Maarten

Liesje kon nu wel zelfstandig met een paar vriendinnetjes op pad om al zingend zoveel mogelijk snoep en die ene onvermijdelijke mandarijn te scoren, maar vanwege de kleine Tommy moest Klaas voor grote broer spelen. Gelukkig gingen er met zijn groepje nog wel twee vriendinnetjes mee en papa hield op afstand een oogje in het zeil. Zodra Tommy door had hoe het werkte, nam die de leiding. Hij rende naar een deur, belde aan, wat in dat gedeelte van Leidsche Rijn niet moeilijk is voor een jongetje dat net drie geworden is, want de bellen zitten er opvallend laag. De code van een brandende kaars voor het raam, was hem volledig ontgaan of interesseerde hem niet; in elk geval belde hij overal aan. De anderen begrepen die code wel, maar ze lieten het ongeleide projectiel dat luisterde naar de naam Tommy zijn gang gaan, zij het op afstand. Alsof ze er niet bij hoorden of in ieder geval geen schuld hadden aan diens minachting van de regels. Het leverde Tommy veel meer snoep op dan de anderen, vooral ook omdat hij al hard begon te zingen zodra hij een bel had ingedrukt. Hij overrulede iedereen.

Rond kwart voor acht troffen de groepjes elkaar in het huis van vrienden. Daar werd de oogst geïnspecteerd. Behalve die van Klaas, want die kneep er in de drukte tussenuit om naar een vriendje aan de Parkzichtlaan te gaan. Omdat hij daar toch liep, belde hij zo hier en daar eens aan om een lied uit zijn Sint-Maartenrepertoire te putten en vervolgens snoep in ontvangst te nemen.

Bij het vriendje belde hij niet aan. Door het raam zag hij een kamer met teveel volwassenen en Pepijn zag hij niet. Daarom liep hij nog een stukje door om zijn succes te prolongeren. En dat lukte. Intussen begon men zich elders zorgen te maken, want waar was Klaas nou toch? Snel contact met huize Pepijn maakte duidelijk dat hij daar niet was. Paniek. Liesje barstte in tranen uit. ‘Ik wil mijn broertje niet kwijt. Ik wil mijn broertje niet kwijt.’ Her en der sprongen vaders en moeders en ook kinderen tevoorschijn om Klaas te zoeken. Rond half negen trof men hem aan op de Parkzichtlaan. Hij was al weer op de terugweg, maar zo hier en daar belde hij nog ergens aan, bij de huizen die hij op de heenweg had overgeslagen omdat er toen anderen voor een snoepje hadden staan zingen.

De verwijten die hem ten deel vielen liet hij gelijkmoedig over zich heen komen. Half negen was inderdaad wel erg laat voor een jongen die nog acht moest worden en alleen in het donker was ook niet zo verstandig, maar hij wist ook dat ze hem de enorme hoeveelheid snoep die hij intussen had verzameld niet zouden afnemen. Daarvoor moest je het gemopper maar op de koop toe nemen. En dat huilen van zijn zus? Hij hield er zijn mond over, maar eerlijk gezegd vond hij het prachtig dat zij zich zoveel zorgen om hem had gemaakt en eigenlijk gold dat ook voor al die mensen die naar hem op zoek waren geweest.

Zo viel hij een half uurtje later in slaap, veel te laat natuurlijk, maar met het besef dat zoveel mensen met al hun gemopper veel van hem hielden en met de wetenschap dat er beneden een enorme berg snoep op hem wachtte, morgen en de dagen daarna.

11 november 2021

De tempel van de wetenschap

Met een hard, helder en dwingend goedemorgen stapte hij altijd de personeelskamer binnen. Zelfs voor iemand als ik, met een bijzonder matige accelaratie waar het ging om het begin van de dag, was het onmogelijk om me volledig aan deze luidruchtige vrolijkheid te onttrekken. ‘Goedemorgen, Ton,’ mompelde terug.
Ton Ockhuijsen kwam altijd fris voor de dag. Gladgeschoren en een prettige onderkin, onberispelijk kapsel waarmee je decennia kon trotseren, altijd een kostuum. Hij kwam duidelijk uit een andere wereld dan ik, al waren we collega’s. Je kon niet zonder plezier naar hem kijken. Dat heb je met opgeruimde mensen.

Af en toe moest ik een les van hem in voor een vraag of opmerking.
‘Dag collega!’ werd me bij binnenkomst toegebulderd, of ‘Dag meneer de conrector.’ Ockhuijsen sprak in uitroeptekens. En steevast volgde: ‘Welkom in de tempel der wetenschap! Wat brengt u ertoe om dit onderricht te komen onderbreken?’ Onderwijs geven was een spel voor hem. Een serieus spel, maar een spel, waarbij hij speler en spelleider was en de bezoeker een hinderlijke onderbreking die overigens geen vat had op zijn humeur.

Bij zijn afscheid kreeg hij van zijn vakbroeders en –zusters van natuurkunde allerlei hersenbrekende spelletjes die hij al begon uit te proberen terwijl een volgende collega in de aanslag stond om ook een cadeautje te geven. Een homo ludens in hart en nieren en met volle overgave.

Lang na zijn pensionering trof ik hem bij een lezing bij Boekhandel Bouwman. Hij was daar een vaste klant en ik zou er die avond iets presenteren. In die boekhandel werkte ook een mederedacteur van me, van Liter, in wie Ockhuijsen een liefhebber van spelletjes en raadsels had ontdekt. Na die ontmoeting werd ik via onze wederzijdse literaire vriend telkens bedacht met verhalen over een moord, waarbij je moest bedenken wie de dader was of met de vraag om in een onvolledige reeks de ontbrekende getallen in te vullen. ‘Geef je hem ook aan Len. Laat die jongen zijn hersens maar eens goed laten kraken.’ Ik gebruikte die dingen wel als er een (volwassen) kinderen meeging om samen mijn oude moeder in Monster op te zoeken.
De boekhandel is er niet meer, de wederzijdse vriend werkt allang ergens anders, de wekelijkse ritjes naar Monster dienen geen doel meer en nu is ook de hogepriester van de tempel der wetenschap overleden.

Op de rouwkaart staat onder andere het logo van Scouting Nederland. Ik wist niet dat hij een padvinder was, een hopman of vaandrig of oubaas misschien. Maar ik had het kunnen weten, een spelende soldaat. Een herinnering.’
Een man ook die zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen, zijn vrienden ook, tot voor een paar dagen in hun midden hadden en nu niet meer.

10 november 2021

Van der Vlies

In mijn eerste jaar op Blaucapel was ik mentor van A22. Natuurlijk werd ik uitgeprobeerd. Na de herfstvakantie was dat wel achter de rug en nog geen maand later kon ik al meewarig en inlevend over mijn leerlingen praten, ook bij de voorbereiding van de rapportvergadering van de klas, samen met de te jong overleden Sarie en met Bas van der Vlies, toen afdelingsleider van de atheneumafdeling. ‘Tussen tafellaken en servet,’ zei hij toen we de lijst van meisje Wristers bespraken. Ik begon spontaan Paul van Vliet na te zingen:

Meisjes van dertien, niet zo gelukkig
Meisjes van dertien, d’r net tussenin.
Daarna gingen we verder.


‘Ken je ook dat liedje van Paul van Vliet van een kind dat bij zijn vader achterop zijn fiets zit?’ vroeg hij een tijdje later. Ik begon weer te zingen. Hij vertelde dat het liedje van de meisjes dat ik had gezongen hem op die fietsende vader had gebracht en dat hij daardoor steeds moest denken aan de kampeertochten die hij vroeger met zijn vader maakte, op de fiets en van die fietstochten kwam hij op de watersnoodramp zoals hij die had meegemaakt.
Toen Bas in 1981 in de Tweede Kamer terecht kwam, werd er in zijn plaats een nieuwe conrector benoemd, maar het verse kamerlid bleef wel op de personeelslijst van College Blaucapel staan, conform de regel. Als er om wat voor reden dan ook géén vervolg kwam op zijn juist begonnen politieke carrière, dan kon hij weer gewoon terugkomen in zijn vorige baan. Dat betekende dus dat zijn opvolger tijdelijk benoemd werd als waarnemend lid van de schoolleiding. Ik weet even niet meer precies om wie dat ging. In de jaren na het vertrek van Bas kwam er ook nog een fusie en dat leverde ook wat gedoe op over het aantal plaatsen in de schoolleiding, maar voor boventalligheid na een fusie bestonden regelingen.

In 1989 speelde dat niet meer, alleen bleef de laatst benoemde conrector altijd tijdelijk en plaatsvervangend schoolleider; Bas behield zijn rechten. Dat was het jaar waarin ik conrector werd. Ik had de benoeming ook al op papier, inclusief de mededeling dat die tijdelijk was en dat het om vervanging ging. Op een woensdag in juni aan het eind van de middag zag ik Bas naar de ingang van de school lopen. Hij kwam er voor een gesprek met de rector, begreep ik niet veel later, want na een half uurtje liep hij mijn lokaal binnen. ‘Ik kom je feliciteren met je nieuwe functie,’ zei hij. En hij vertelde dat hij zojuist bij Johan was geweest om alsnog zijn ontslag in te dienen. ‘Het is onzin dat ik nog gebruik zou maken van het recht om hier terug te komen. En ik vind het niet aardig voor jou. Dus je krijgt binnenkort een nieuwe benoemingsakte waarop de woorden vervanging en tijdelijk niet meer voorkomen. Het doet er allemaal niet toe, maar ik vind het leuk om te doen en ik vind het ook leuk om dit je even te komen vertellen.’

Een jaar of twintig geleden trof ik hem in de trein, of liever: hij zag mij. Hij reisde eersteklas en ik tweede. Hij kwam me achterna om samen verder te reizen. Hoe zou het met oud-collega Otto zijn, vroegen we ons af. Waarschijnlijk niet zo goed. Daar moesten we maar eens aandacht aan besteden, besloten we. Ik heb Bas daarna niet meer ontmoet. Toen ik een paar jaar terug bij Otto was, liet die me een brief lezen, eentje van Bas die op dat moment zelf enkele weken in het ziekenhuis lag.

09 november 2021

Schoolfoto 2




Over eerste tandjes gaan veel verhalen en inderdaad: het eerste ivoor gaat samen met allerlei leed, eerst voor de baby en even later voor onschuldige ouders die een vinger steken in het nu met tanden gewapende mondje van hun kind. Dat neemt niet weg dat de komst van de tweede en laatste generatie voortanden veel ingrijpender is. Die nieuwe tanden leveren je over aan een toekomst die ronduit verontrustend mag heten met die megalomane zwerfkeien in een kindergezicht. Melktanden rijgen of rijen onschuld aan onschuld, zelfs als een peuter stevig in je vinger bijt. Daarna volgt de fase waarin het gat van de toekomst langzaam maar zeker en ook grotesk weer wordt opgevuld. Maar met wat voor tanden? Hoe komen die in het gebit te staan? Hoeveel zijn het er, twee of misschien drie? Zitten ze goed in het glazuur. Kleuren ze een beetje? En welke vorm krijgen ze?

Bij Klaas schemert de rand van deze geprononceerde grotemensentanden al door het tandvlees, anders al dan op de schoolfoto van nog maar een paar weken geleden waarop je hem tandeloos ziet stralen, jongen van bijna acht.
Zijn foto voert me naar een schoolfoto die er ooit van mij genomen werd. Vanwege dat wisselen dacht ik dat het om een foto ging die op mijn achtste of negende genomen werd, maar nu ik de foto gevonden heb, zie ik dat ik toen al tien was. Op die bewust foto ben ik in het rijke bezit van twee volgroeide voortanden. Grote vierkante blokken zijn het, met een ruimte ertussen. Daarvan zei de tandarts indertijd dat ik van geluk mocht spreken, want ik kon op die manier mijn fiets altijd rustig mee naar binnen nemen. Een fietsenrek, ja, dat wist ik al en ik kon er dan ook niet om lachen, daar in die tandartsstoel.

Ongetwijfeld zei fotograaf Hofma uit Hilversum (zo vertelt de achterkant van de foto) tegen het tienjarige jongetje dat ik toen was dat ik wel wat zonniger in de lens mocht kijken. Dat verklaart de grijns op mijn gezicht, waarbij die twee grote voortanden plotsklaps alle aandacht opeisen. Mijn gezicht was nog veel te klein voor zoveel tand.

‘Wat een konijnentanden!’ riep mijn moeder lachend toen ik een paar weken daarna thuiskwam en zij de foto uit de meegebrachte envelop trok. Haar vriendinnen waren op bezoek (dus was het aan het eind van de woensdagmorgen) en mijn moeder liet de foto rondgaan. Gelukkig gedroegen de ‘tantes’ zich discreter, maar de opmerking van de vrouw die mij baarde, had toen al zijn dodelijke effect gesorteerd.
De foto verdween al snel van het toneel en dat leek mij ook maar het beste. Maar op Sinterklaasavond kwam hij plotseling tevoorschijn. Vermomd als cadeautje. Voor mij, nu gestoken in een lijstje van wit, zacht plastic die weinig subtiel naar krokodillenleer verwees. De foto kwam op de plank bij mijn hoofdeind te staan.
Wat ik van dat cadeau vond, wil je weten?

08 november 2021

Schoolfoto 1




Hun schoolfoto’s zijn binnen. Klaas vormt een vriendelijk en leuk koppie om de leegte van de twee tanden die straks als twee grote obelisken in dat gezicht komen te staan en Liesje draagt een buitenboordbeugel. Bijna tien en toch al een dametje. En lief, dat zie je zo. Trouwhartig ook, vertelt ons die beugel.
Sinds vorige week hoeft ze die overdag niet meer te dragen, maar zover was het nog niet toen deze foto werd gemaakt.
Ze zijn veelzeggend, die foto’s van Klaas en Liesje, tijdsdocumenten, zonder die tanden bij de een en met dat beugeltje bij de ander. Leuke foto’s zijn het.
Vooral het beugelbekkie raakt me. Het raamwerkje om Liesjes mond misstaat haar niet. Maar de foto met beugel bevalt me ook omdat die veel vertelt over het meisje op de foto. Dat ze dus lief is en trouwhartig en misschien een tikkeltje te meegaand, want waarom kwam ze niet op het idee om vanwege dit staatsieportret even haar beugel af te doen?
‘Ik vind het een fraaie en ontwapenende foto, van een mooi meisje,’ vertel ik haar vader. ‘Ja, ook door die beugel, al vraag ik me wel af wat voor knurft die fotograaf geweest moet zijn dat hij dat kind niet gevraagd heeft dat ding voor deze gelegenheid even los te maken.’
Sam vertelt dat de fotograaf dat blijkbaar zelf ook vond, achteraf dan, want Liesje kwam ook thuis met foto’s waarop de beugel was weggeretoucheerd. Probleem daarbij was alleen dat je daarmee een mond overhield die zich om iets leek te plooien wat er niet was, het was een mond vol onbegrijpelijke leegte geworden. Daarom hadden de gebeugelde afdrukken toch de voorkeur.
Liesje zelf kijkt intussen naar de foto alsof die een relict is uit een ver verleden, uit de tijd dat ze nog overdag een beugel droeg. Ooit. Al gauw een week of drie geleden.

29 oktober 2021

Terug

Gisteravond kwam de eigenaar van het appartement nog even langs om te vertellen dat het hem erg speet dat we ons weekje Terschelling vrijwel uitsluitend hoestend, proestend, snuitend en paracetamol slikken, in staat van quarantaine hadden moeten doorbrengen. Maar als we dan en dan nog eens een weekje wilde komen, zou hij ons voor een zeer zacht prijsje welkom heten. Dat was natuurlijk bijzonder aardig, alleen hadden wij even genoeg van Terschelling, terwijl we deze keer zo goed als niets van het eiland zagen.

De fietstocht naar de boot legde ik af als een hijgend paard. Met wagenziekte was ik wel vertrouwd, maar fietsziekte is een nieuwe fenomeen voor me. Bij de haven trof ik een stoel. Die moet er van overheidswege speciaal voor mij zijn neergezet en daar maakte ik dankbaar gebruik van. En op de boot was het rustig. Weinig mensen en veel riante zitplaatsen.

De autorit naar huis voerde door prachtig uitgelicht land. Waar ik weinig oog voor had. Het lage licht deed pijn aan mijn ogen. Felle spetters licht kaatsten op het blik van de auto’s voor en links van ons en ze wisten allemaal mijn ogen te treffen. Ondanks mijn zonnebril, de zonneklep en dan ook nog de klep van mijn pet.

Thuis was thuis. Mente gedroeg zich als een flinke meid en ik gaf me over aan een apatisch verblijf op de bank. Pas na wat koppig geblaf in bed kwam er wat rust in mijn lijf. Ik sliep diep, werd hooguit af en toe gewekt door de onrustige slaap van Mente. Zoveel was wel duidelijk: ik zou me morgen wat beter voelen en zij zou weer wat minder wezen.

Maar goed, we zijn weer thuis. De verwarming doet het, de lamp op de badkamer ook. De tas met Mentes kleding die we vorige week vergaten, mee te nemen, stond nog geduldig te wachten, maar o, wat waren die kleren blij om Mente weer te zien en dat nog wel een dag eerder dan ze hadden gedacht. We hebben maar gezegd dat we speciaal voor hen zijn teruggekomen. Dat vonden ze fijn om te horen.

28 oktober 2021

In liefde bloeiende




Bij zijn vertrek vorige week plukte Lukas nonchalant de laatste bloem uit de voortuin, een anemoon. Ik zeg bloem, maar aan die ene stengel die hij ruw en zonder er bij na te denken, zonder zelfs ook maar te kijken naar wat hij deed, zaten drie bloemen.
‘Kijk nou toch wat je doet!’ riep Mente. ‘Dat was de laatste bloem!’ Lukas keek even om zich heen en zag dat zijn oma gelijk had. Hij leek daar niet erg van onder de indruk te zijn, want onmiddellijk stak hij zijn hand naar Mente uit, zei ‘O…, hier dan’ en klom toen bij zijn moeder op de fiets. De bloem ging mee naar binnen en kreeg een vaasje dat hem in staat stelde om naar de tuin te kijken waar hij ooit het levenslicht had leren kennen.

Zondagmiddag waren we op bezoek bij de jongste en dus ook bij haar gezin, inclusief Lukas. Twee maanden wonen ze nu in Bunnik en de jongetjes voelen er zich helemaal thuis. Lukas heeft er zelfs zijn hart verloren. Hij is verliefd op Imke, een lichtblonde meid van achttien. Achttien maanden wel te verstaan. Het lijkt wederzijds. Toen Imke ook even langskwam (er was daar een verjaardag, in Bunnik) ging ze naast Lukas zitten en ze straalde. Intussen had die het bijzonder druk met het tekenen van bijzonder kleine poppetjes en andere figuren, die hij vervolgens met een kinderschaartje uitknipte en aan haar gaf. En als klap op de vuurpijl schreef hij ook haar naam. Wel liet hij hoofd- en kleine letters elkaar afwisselen. En de ‘E’ aan het eind van haar naam werd gespiegeld, maar bleef te harkerig om die met een 3 te verwarren. Ook dat vond Imke prachtig, merkte ik. Zij, van haar kant, was gevallen voor deze bonk van vijf die zijn gevoelens zo treffend kon vormgeven en materialiseren.

Toen we weer thuis kwamen zondag, zette ik de gft-bak aan de stoep en Mente verhuisde de droeve anemoon naar de keuken. Zodra de kliko weer terug was, zou die daarin verdwijnen. Van de drie bloemen was er nog maar eentje die iets voorstelde. Nummer twee was verwelkt en van nummer drie restte de knop van het hart. De volgende ochtend, maakte ik een foto van de bloem, zo meedogenloos van zijn plant weggerukt en daarna even achteloos in de handen van Mente geduwd en dat door een jongetje dat intussen blijkbaar ook over zulke verheven en fijne gevoelens bleek te beschikken en die ook het vermogen had om daar op kunstzinnige wijze uitdrukking aan te geven. Hoe was dat mogelijk?

Intussen is het een week geleden dat we de bloem in ons verpleegtehuis opnamen en nog steeds staat die op het aanrecht. We konden het nog niet over ons hart verkrijgen hem weg te doen. De laatste knop telt nu nog drie blaadjes en ik wist niet dat een anemoon zo kon verschrompelen.Lukas was er vandaag ook weer. Of de bloem hem herkende, weet ik niet, wel weet ik dat Lukas geen moment naar het schriele bloemetje in de vaas op het aanrecht heeft gekeken. Wel heeft hij weer kunst geproduceerd voor Imke. Hij glansde terwijl hij daarmee bezig was en sprak tegen haar alsof ze naast hem zat. Hij heeft visseneieren voor haar getekend en die uitgeknipt. Ze zal ze prachtig vinden.

Zojuist Lukas en zijn broertje thuisgebracht; Mente heeft intussen de tekenen van hun dagje hier weggewerkt. Geen stiften en potloden meer, geen snippers. Ook de bloem, zie ik, is weg.

27 oktober 2021

De tweede Luther en zijn vrouw

In ‘Villa De Wartburg’ neemt Loes Hegger je mee naar de wereld waarin ze haar kindertijd doorbracht. En dat was dus in die villa aan de Boulevard in Velp. In de tweede helft van de jaren veertig verliet haar vader als priester de katholieke kerk en keerde hij terug naar Nederland waar hij dankzij een liesbreuk – ach ja, die ondoorgrondelijke wegen – in het ziekenhuis verpleegd werd door een gereformeerde zuster die de moeder zou worden van hun acht kinderen. Via België en Kortenhoef kwamen ze in de grote neorenaissancistische villa terecht. Waar zij, vader Herman, mama Willy en de kinderen samen kwamen te leven met priesters die net als Herman gebroken hadden met het priesterschap en de katholieke kerk. Dat was in 1962, achteraf gezien niet heel lang voordat er in de RK kerk nog veel meer afscheid zou komen.
De familie Hegger vormde een groot en onconventioneel gezin. Daar waren de omstandigheden naar, maar het past ook bij ze, bij deze pa en ma Hegger en die kinderen. Dat weet ik uit ervaring.
Ik moet je teleurstellen: de meeste stukken van de geschiedenis van dit bijzondere gezin ken ik al heel lang. Maar ik kan je ook blij maken: het blijft een bijzondere geschiedenis en het is mooi dat daar een prachtig beeld van is neergezet. Van de vertwijfelde priester, van Willy die zo kordaat is en zich volledig geeft aan wat zij een goede zaak vinden. Willy is en blijft kritisch én loyaal.

De geschiedenis is er eentje van opgaan, blinken en verzinken, zou je kunnen zeggen. Datgeldt niet voor het boek en ook niet voor het gedrag van mensen. Uiteindelijk wordt het hele project, die de periode van de complete jeugd besloeg van de kinderen Hegger, ingehaald door de tijd, maar dan komen er nieuwe mogelijkheden op het pad van pa Hegger, zoals de komst van de EO, de oprichting van Metterdaad en Woord en ook het herzien van eerdere standpunten. En de teloorgang krijgt een dramatisch slotakkoord als je leest op wat voor manier het bestuur van De Rechte Straat, de stichting die de belangen van uitgetreden priesters behartigde, haar eigen voorman slacht en op arrogante wijze de boel naar de gallemiezen helpt. Gelukkig is pa Hegger zelf ook een beetje een tragische held, want hij maakt fouten, maar wie veel goed doet, moet ook veel vergeven worden.
Voor het boek kan dit allemaal geen kwaad. Juist niet.
In al zijn bescheidenheid is de geschiedenis van de Velpse villa trouwens niet een bijzonderheid in de marge van de kerkelijke geschiedenis in de tweede helft van de twintigste eeuw. Het geeft ook inzicht in en doorkijkjes naar wat er toen ook in den brede gebeurde, in de verschillende kerken toen en in de wereld waarin babyboomers groot werden.

We mogen erg blij zijn met de pen die dit alles opschreef.
Of ik bevooroordeeld ben? Nee, al ken ik de Heggers al heel lang, en ook de Wartburg, maar wie mij kent, zal mij roemen om mijn totale gebrek aan vooringenomenheid en om mijn verfijnde smaak op het gebied van de stilistiek en ik kan je vertellen: Loes Hegger kan schrijven.
Ik weet het: het onderwerp van het boek spreekt me aan, ik lees herkennend en dat is wel eens leuk in een boek. Maar laat ik het zo zeggen: als Loes Hegger, bijgekomen van dit boek, aan de slag gaat met een project over Max Verstappen, maar het mag ook Eddy Pieters Graafland zijn of K3, dan zal ik dat toejuichen.

Loes Hegger, Villa De Wartburg. Een toevluchtsoord in het verzuilde naoorlogse Nederland. Amsterdam 2021.

25 oktober 2021

Quarantaine

Het weer is matig. Droog, dat wel, maar grijs. We zijn er even uit geweest. Een fietstochtje naar een gezondheidscentrum iets verderop. Google vertelt dat het om 3.2 km ging en liet ook zien dat verdwalen kon worden uitgesloten, hier bij het hekje linksaf en 3.1 km verderop naar rechts. Zaterdag hadden we onze zelftesten al opgesoupeerd en zondag overdag leek het met mij een tikkeltje beter te gaan, maar ‘s avonds bleek het prijzen van de dag toch voorbarig. Toen volgde het telefoontje van een vriendin met wie we vorige week nog een aangename avond hadden gehad. Ze bleek nu corona te hebben.

Enfin, we hebben ons weer laten testen, we leven nu in quarantaine en kijken veel naar buiten. Ons tijdelijk onderkomen is een boerderij die een beetje schuin aan de kop van een uitgestrekt perceel staat. Daardoor lopen alle lijnen schuin, die van de hekjes, begroeiingen. Dat maakt het lijnenspel wel spannend. De weggetjes die het polderland doorsnijden, zie je amper in al dat groene groen van het gras, maar er verblijven ook mensen op Terschelling die niet ziek zijn en die graag een stukje fietsen. En die rijden daar. Niet allemaal, natuurlijk, maar altijd wel een paar. De verste fietsers kun je minuten lang volgen. Jawel, er gebeurt hier van alles. Auto’s rijden er trouwens ook wel, maar die hoor je niet. Je hoort hier in huis sowieso helemaal niets, wel het tikken van een klok, maar niets van buiten. Er mag veel weidsheid zijn, we zitten vast in een stolp die we al hoestend en proestend, kuchend en snotterend vullen met kwalijke dampen. De geluiden die we zelf produceren horen we ook, ja.

De schapenkeuring is voorbij en daarom heeft de ram die gisteren mijn volle aandacht had nu het rijk alleen. Hij zit niet langer aan een touw. Het valt me op dat hij een beetje kreupel loopt, iets met zijn linkervoorpoot. Met de apathie die ik hem eerder toedichtte, valt het wel een beetje mee. Een beetje, zeg ik. Soms zie ik hem 200 meter verderop, dan weer staat hij vooraan bij het weggetje dat langs deze boerderij loopt. Daar zie ik hem als er mensen stilstaan. Ons ziet hij niet, maar mensen zonder glas blijkbaar wel. Ik zou mijn bril eens af kunnen zetten, al helpt dat vermoedelijk niet.

Verder bestudeer ik de mussen en geniet ik van een zwerm spreeuwen die af en toe neerstrijkt. Ik houd van spreeuwen. Misschien zijn het wel mijn lievelingsvogels. Daarom is het misschien wel een beetje raar dat ik alerter word en spontaan ‘ja’ zeg of ‘kijk’ als ik tussen de spreeuwen hier en daar een koperwiek zie. Die trof je hier vorig jaar nogal eens aan, al zaten we toen een paar weken vroeger in dit appartement. Maar ze zijn er dus nog, die koperwieken. En vinken en mezen, roodborstjes natuurlijk, merels. En zo verder.

Ook zijn er dahlia’s zo groot als twee handen. Ik zou op André van Duin kunnen variëren door te zingen dat ik hele grote dahlia’s heb, maar dan begin ik weer te hoesten, bovendien zijn het niet mijn dahlia’s. Ze bewegen op de wind, die grote bloemen. Het is een wonder dat ze dat nu al een paar dagen onafgebroken volhouden. Ook het blad van de wilgen levert een stil gevecht met de lucht. Als je er oog voor hebt, gebeurt er van alles buiten. Binnen niet. Daar staan of zitten een man en een vrouw. Alleen de klok laat zich horen. Totdat de man niest of de vrouw opspringt omdat een ontembare hoestbui haar overvalt.

23 oktober 2021

Najaarswee

Over het najaarswee van deze snipverkouden zoon en dochter van dit land van mest en mist valt niet meer te vertellen dan dat die twee vandaag binnenshuis hebben doorgebracht op een manier waarnaar niemand nieuwsgierig is, maar deze dag kende ook de weemoed van ‘voorbij, voorbij , o, en voorgoed voorbij.’

Dat laatste kondigde zich donderdagochtend al aan toen ik Lukas en Markus had opgehaald om die mee naar huis te nemen voor een dagje oppas. Lukas zag van alles buiten waarover het nodige te vertellen viel en Markus zong er zijn eigen liedjes doorheen of hij zei dat het niet waar was wat Lukas zei. Luisteren naar elkaar deden ze overigens niet en zo hadden zij en ook ik het naar onze zin op deze vroege ochtend in de regen. We schrokken toen via de speakers in de auto de telefoon om aandacht vroeg. Het was mijn nicht. Het ging heel slecht met haar vader. Ze vertelde van de gebeurtenissen van de afgelopen dagen; gevoegd bij een ziektegeschiedenis die al langer had geduurd, werd duidelijk dat het nog maar een kwestie van dagen was.
De jongetjes achterin konden met hun vijf en drie jaar zo klein niet zijn of ze voelden onmiddellijk aan dat dit een serieus gesprek was, dat zij moesten zwijgen en vooral geen aandacht moesten vragen. Maar hoesten houd je niet tegen, Markus was verkouden. De nicht begreep al dat ik in de auto zat, maar nu snapte ze ook dat er kinderen mee luisterden. Ze praatte gewoon door, maar zij weet ook veel van kleine kinderen, dus ik hoefde me er geen zorgen over te maken dat ze iets zou zeggen waar een kleuter of peuter van zou schrikken.
Lukas wilde naderhand wel weten wie die meneer was die er dood ging, wie was die mevrouw met wie ik had gepraat? Ik vertelde wat een nicht was, zoals Liesje hun nichtje was, en ook wie er ooms waren in hun bestaan. Als die oude opa achter het stuur het over zíjn oom had, dan moest dat wel een hele oude zijn. En dan ook nog eentje die hij niet zelf had gekend, dus het was allemaal niet iets om heel erg door van streek te raken. Dat dat voor mij iets anders lag, begreep hij desondanks wel en laten we zeggen dat Markus het aanvoelde, in elk geval luisterden we daarna in stilte naar het vervolg van de klassieke top 400. Dat is te zeggen: nog een keer werd die verstoord, opnieuw door een telefoontje van mijn nicht.

Toen ik Ben voor het laatste bezocht, een half jaar geleden, stond hij in de opening van een lage kamerdeur en stak hij zijn hand naar me uit. Het was de eerste keer sinds een jaar dat ik iemand een hand gaf. ‘Het is ook niet niks,’ zei hij toen ik hem dat vertelde.
Een paar uur later stond ik op.
‘Ik blijf zitten, maar ik heb een prettige mededeling voor je.’ Hij wachtte even. Ik ook.
‘Je mag nog eens terugkomen, je hoeft niet te lang te wachten en je mag nog iemand meenemen ook.’

Dat had nu weinig zin meer, begreep ik. ‘Vannacht is Ben in zijn slaap overleden,’ vertelde mijn nicht vanmorgen. ‘Hij is nu op een betere plek.’
Dat mag ik hopen, maar het zal daar dan wel wennen zijn voor iemand die zich op deze wereld zo thuis voelde.

22 oktober 2021

Inspiratie

Mopperen? Ik? Nooit! En liegen ook niet. Ik ben een echte kretenzer. Maar gisteravond schoof ik de nacht toch in met enig gemopper. Ik lag al in bed toen ik me begon af te vragen of ik wel echt om zes uur wakker zou worden. Dat was nodig om voor half tien bij de boot naar Terschelling te staan. Nu word ik doorgaans wakker op het moment waarop dat nodig is, dus als ik vind dat ik om half zeven mijn ogen weer moet open doen, dan gebeurt dat. Alleen is die noodzaak om op een vroeg tijdstip uit bed te stappen de laatste jaren veel minder geworden, dus werkte dat mechanisme nog wel? Daarover voerde ik een innerlijke strijd, die ik verloor en zo stapte ik mopperend uit bed om de wekkerradio in te stellen. Waar was schokbestendige zelfvertrouwen gebleven? Die wekker was een teken van nederlaag.
En dat niet alleen, het was ook het apparaat waarvan ik niet goed meer wist hoe dat werkte. Wat kregen we nou? Daarom stapte ik een paar minuten later weer uit bed. Had ik de wekkerradio wel goed ingesteld? Deed ie het überhaupt nog. Volgens mij heeft ie aanvankelijk dienst gedaan in de Boerenoorlog; toen ging hij nog op gas.
Ik liep naar mijn werkkamer om er mijn mobieltje te pakken. Daar zit ook een wekker op en die stelde ik ook in. Als we ons nu alsnog zouden verslapen, hield alles op. Verder dan dit kon ik niet.

We waren ruim op tijd wakker vanmorgen en dat had alles te maken met de staat waarin wij waren geraakt. Mente lag steeds te hoesten en ik begreep dat ook ik bezig was flink verkouden te worden, want dan moet ik de nacht ervoor vaak naar het toilet. En zo werd het allemaal waar: wij waren ruim op tijd wakker, het mobieltje begon vrolijk te piepen en vervolgens klonk er aangename klassieke muziek door de slaapkamer. Graag had ik je verteld om welke muziek het ging, maar dan had ik toen beter op moeten letten.
We keken elkaar veelbetekenend aan, maar zeiden niets. Het was maar beter de schijn een beetje op te houden tegenover elkaar. In de badkamer nam ik wel eerst twee paracetamolletjes.

Wij ontbijten zelden samen, Mente en ik. Zij eet eerst en bestudeert daarbij uitgebreid de krant en ik zorg er eerst voor dat ik als een heertje beneden kom om daarna te ontbijten. In dit geval nam ik ook de bagage alvast mee, maar de tas van Mente liet ik staan: daar moest ongetwijfeld nog haar toilettas en ander gerief in. Toen Mente zich aan het wassen was en mijn ontbijt zijn weg gevonden had, zette ik de spullen in en de fietsen alvast op de auto.

Dat daar Mentes tas niet bij was, bleek pas toen ik die in Harlingen aan mijn fiets wilde haken.
‘Hoe kan dat nou?’
Er gingen op die met blik gevulde plak asfalt die P1 heet, terwijl de wind vrij spel daar had en de regen ons uitlachte, allerlei veronderstellingen over en weer.
‘Maar je toilettas dan?’ Die had Mente in haar rugzakje gestopt, omdat zij dacht dat ik haar tas al in de auto had gezet.

Wij kwamen hier op Terschelling voor het Inspiratiefestival. Daarvan maakten we twee onderdelen mee. Toen werd duidelijk dat we beter kunnen toegeven aan ons gehoest, gesnotter en aan dat bonken daarboven. We zijn intussen wel getest en weten dat we geen gevaar vormen voor de mensheid. Zodra we weer een beetje de geest hebben, gaan we kleren kopen.

17 oktober 2021

De ene Jezus is de andere niet

Je zou nog gaan denken dat het een mentale kwestie is: gisteren schreef ik over eergisteren en vandaag over gisteren. Zelf denk ik dat het iets anders ligt: de twee dagen hebben met elkaar te maken. Die kwestie rond het Lam Gods waarover ik het gisteren had, speelde weer op toen ik zaterdag aanwezig was bij een boekpresentatie in de Lutherse kerk in Kampen. Daar was een symposium omheen gebakken. Niet uitgebreid, maar met voldoende woord om af en toe met je ogen en je gedachten door je ruimte van de zaal en je eigen geest te dwalen.



Rechts boven de kansel en goed zichtbaar voor het publiek tref je in deze kerk aan de Burgwal een gebrandschilderd raam aan waarvan een vriendelijke Jezus de blikvanger is. Of zijn opgeheven handen een ontvangend gebaar maken of een zegenend kan ik niet zeggen. Zelf zou hij misschien zeggen: wat je wilt. Jezus zit tussen mensen die graag naar hem luisteren. Er staat een tekstaanduiding bovenin het raam: Matthëus V : 10 en dat brengt ons naar de tekst daaronder: ‘Zalig zijn die vervolgd worden.’

De spelfout bij het woord Mattheüs laat ik even zitten, al moet dit verschrikkelijk zijn geweest voor de maker van het raam toen hem verteld werd van die fout. Hij had dat hele deelteken beter weg kunnen laten. Sneu. Het raam, en ook dat links van de kansel, is van 1946. Ons raam met Jezus is een bijzonder vriendelijk raam met een al even vriendelijke Jezus. En de mensen om Jezus heen doen je niet onmiddellijk aan vervolgden denken. Het leek me een fijne vent, deze Jezus, maar wel een met een ietsl te hoog zondagsschoolgehalte. Dat realiseerde ik me toen ik me afvroeg of ik liever deze Jezus op het omslag had gezien dan het Lam Gods van Zurbarán dat nu te vinden is op de literaire uitgave van de Bijbel die afgelopen week uitkwam. Intussen heb ik het antwoord al verraden. Nee. Deze is te lievig, te stijlloos, al is het geen straf om naar te kijken, naar het raam met deze Jezus.

Ook in de gymzaal aan de Havenstraat in Monster kon ik mijn ogen niet van Jezus afhouden. Hier ging het om een keramiek corpus, dat ergens in de jaren vijftig daar werd opgehangen en dus nog kersvers was. De gymzaal hoorde bij de RK meisjesschool, maar werd ruimhartig ter beschikking gesteld aan de Monsterse gemeenschap, zoals de protestantse gymvereniging VES waarvan ik lid was (Vaardig En Sterk). De Christus aan de Havenstraat was niet groot, hij hing hoog en hij was vervaardigd door iemand die je toen uitgesproken modern kon noemen. We hadden te maken met een hoekige, gedeformeerde Jezus en de dominante, slordige kleuren waren blauw en paars en bruin. Of er rood was, weet ik niet. Ik zeg dit omdat het lijden en ook de ellende van de verwondingen van deze crucifix afspatte. Was het lam van Zurbarán ten hemel schreiend lijdzaam, hier hing het lijden in zijn volle narigheid aan de muur.

Het jongetje dat ik was, kon er zijn ogen niet van af houden. Het beeld was even verschrikkelijk als mooi. Daar in Kampen leek het even of ik met mijn witte turnbroekje en dito shirtje tussen de andere jongetjes op het kurklinoleum zat, luisterend naar instructies of bijkomende van een oefening en misschien ook stond ik er wel voor het aangezicht van de koning der joden buig- en strekoefeningen te doen.

Toen keerde ik weer terug naar de vriendelijke Jezus van Kampen en de kabbelende woorden van de Burgwal.

16 oktober 2021

Met of zonder




Er is een nieuwe bijbelvertaling op de markt, de NBV21. Daar moet ik iets van vinden, van die vertaling, maar dat doen anderen al. Wel heb ik voor de kerk een exemplaar van de courante editie toegestuurd gekregen. Daar hebben we in zitten lezen en daarna hebben we die weer doorgegeven zodat hij morgen keurig in de kerk komt te liggen.

Zelf wil ik die NBV21 ook hebben, al laat ik me daarbij liever leiden door de buitenkant. Het formaat van de standaardeditie bevalt prima. De letters zijn kloek en helder. Alleen het omslag, hè. Het is niet lelijk, helemaal niet. De kleur van de linnen rug, beige, roept al twijfels op, maar het materiaal en de kleur die voor het kaft gekozen zijn. Voor een bijbel veel te kwetsbaar.

Daarom ben ik even de boekhandel in gedoken voor een alternatief. Er is ook een literaire editie. Daarbij is als stofomslag ‘Het lam van God’ afgedrukt, dat prachtige maar altijd weer onthutsende schilderij dat Francisco de Zurbarán maakte tussen 1635 en 1640. Alleen wil ik dat niet altijd zien. Als het om een omslag gaat, houd ik er bij een bijbel blijkbaar andere criteria op na dan bij andere boeken. Voor een roman of dichtbundel zou het een mooi beeld geweest kunnen zijn. Niet voor een bijbel.

Ik vraag me wel waaróm bij uitgeverij Querido voor dit stofomslag gekozen is. Omdat Jezus het lam Gods is, angus dei qui tollis peccata mundi? Dan doet het lam van Van Eyck minder een aanslag op je maag. Maar ook daar zou ik niet blij van worden, want zo mooi vind ik dat lam niet. Genoeg.

Ik wil namelijk helemaal geen lam op de Bijbel. Nu zou ik van de literaire uitgave van NBV21 het stofomslag kunnen afhalen, maar dan blijf ik zitten met een linnen kaft van een onprettige groene kleur. Dat wil ik ook niet. Los daarvan: de bijbel is ook een beetje een naslagwerk, dus kan een vingerbestendig kaft geen kwaad en het zou raad zijn om dan het stofomslag niet te gebruiken.

Dat lam zit me sowieso dwars. Het lam dat geslacht moet is Christus, maar ik vraag me af of dat het juiste beeld is om het christelijk geloof neer te zetten. Dat gelooft toch juist meer in het leven dan in de dood? Met een eenvoudig kruis heb ik wel leren leven, maar dat maakt me om diezelfde reden ook niet bijzonder vrolijk. Doe dan liever een leuk bloemmotiefje, desnoods een enkele bloem, of een boom of, ja, laten we dat doen: zet op het omslag de tekening van Jezus als hovenier zoals Rembrandt die tekende. Mooier en treffender krijgen we Jezus niet.

Dan zit je weer met die besmettelijke lichte kleur, zoals je ook aantreft bij de nieuwe basiseditie, die trouwens, afgezien van kleur en materiaal, een fraai omslag kent. Nou ja, wel een tikkeltje saai.

Nee, ik kon geen keuze maken, gisteren, maar intussen ben ik eruit. Ik kies voor de luxe editie, blauw en een materiaal dat mensenhanden verstaat.

12 oktober 2021

Klacht

Geachte mevrouw Rintel,

Gelukkig was ik ruim op tijd vertrokken, want daardoor kon ik, vlakbij station Overvecht gekomen, nog even naar huis terug lopen om mijn ov-kaart op te halen. Zelfs ondanks deze nalatigheid had ik nog tijd genoeg om na het inchecken op een bankje te gaan zitten op perron 1 en daar de komst van de sprinter af te wachten die me naar Amersfoort zou brengen, opmaat voor een veel langere, meerdaagse reis. Daar op het bankje las ik intussen een boek, de NS houdt immers van lezers.

Het was vijf voor half tien toen ‘mijn’ trein mijn bankje voorbij gleed, zodat ik een stukje verder moest lopen om in te stappen dan ik had gedacht. Dat vond ik niet erg en dat is dus ook niet mijn klacht.Heel snel liep ik overigens niet, met in de ene hand een rugzak en een camera en in de andere het boek waarin ik eenmaal ingestapt weer verder in kon lezen. Dat was het plan tenminste.
Ik passeerde de conducteur van de trein. Zij stond in de opening van de achterste deur. Zij floot terwijl ik de laatste drie stappen zette naar de dubbele deur die voor mij bedoeld was, maar die dicht ging toen ik wilde instappen. Verbijsterd keek ik naar de conducteur. ‘Wat doet u nu toch?’ wilde ik zeggen. Maar zij was ineens weg en ook haar deurtje was dicht. Intussen had ik al op de knop van de deuren voor me gedrukt, om precies te zijn met de wijsvinger van de hand waaraan rugtas en camera bengelden. Ze bleven dicht, die deuren, de trein vertrok en ik bleef achter op het perron. Ziet u het voor zich, mevrouw Rintel? De man die in vol vertrouwen een trein in meent te kunnen stappen en daarom met een gerust hart onder het oog van de conducteur door loopt en die even later onder de wijsvinger die op een knopje drukt een trein ziet verdwijnen?

En dan te bedenken dat ik vanwege de dag die mij wachtte veel liever de trein van 8 uur 55 had genomen, maar ja, dat dalurengedoe heeft me lang geleden al eens 35 euro gekost. Daar begin ik alleen maar over om te laten zien dat ik mij naar behoren gedraag volgens de regels zoals u en uw mensen dat graag zien bij treinreizigers.
Zoiets werpt een schaduw over twee leuke dagen hadden moeten worden, niet alleen voor mij, maar ook voor de zwager die mij in Amersfoort opwachtte zodat we vandaar samen verder konden reizen. Ook hij werd op deze wijze door de NS gedupeerd. Dat komt er ook nog bij.

Dit is een klacht, mevrouw Rintel. Ik koos voor een dagje vrij reizen en de reis is ook gewoon doorgegaan, dus ik weet niet welke genoegdoening ik van uw kant mag en kan verwachten. Dat laat ik geheel over aan u en uw organisatie.

Wel kan ik vertellen dat het gaat om de sprinter die op dinsdag 12 oktober rond 9.20 uur van Utrecht Centraal vertrok naar Zwolle. Ik wilde vijf minuten later instappen op station Overvecht en dat leek te gaan gebeuren onder het toeziend oog van een conductrice met lang donkerblond haar, gekleed in een u welbekend uniform. Een naam heb ik uiteraard niet en ook weet ik niet helemaal zeker meer of dat fluitje er wel was. Vermoedelijk wel, maar door de schrik heb ik daar geen herinnering aan.
Ik hoor graag van u.

Len Borgdorff

10 oktober 2021

Verjaarsbezoek

Het wordt nog gezellig op het kerkhof in Monster. Mijn broer en ik hadden een bloemetje bij ons omdat onze moeder vandaag 103 geworden zou zijn.

‘Dag Annie, daar zijn we weer,’ zei Kobus ineens. Ik keek verbaasd opzij.

‘O nee toch, daar heb je haar ook weer,’ vervolgde hij met een andere stem. Weer keek ik opzij. Hij knikte naar een graf vol kransen en boeketten. Ik zag het. Daar lag Geertje Kraaij. Bijna iedere zondagmiddag kwam ze bij mijn moeder langs, eerst nog thuis en in de laatste jaren in het verzorgingstehuis. Dat was begonnen toen mijn moeder nog op het lijstje stond van de ouwe mensen die Geertje als pastoraal medewerkster moest bezoeken, maar toen zij dat werk al lang niet meer deed, bleef ze komen.

Ze praatte honderduit en erg discreet was ze niet en mijn moeder zat nooit op haar te wachten. Als zij Geertje door het raam zag aankomen, eerst op de fiets en later lopend, zei ze steevast: ‘O nee toch, daar heb je haar ook weer.’ Dat was niet erg aardig van mijn moeder, maar ze liet nooit merken dat dit bezoek wat haar betrof beter had kunnen wegblijven. Ze vond de bezoekjes van de ratelende Geertje erg vermoeiend.

‘Dag Annie, daar zijn we weer!’ Nu kwam er op zondagmiddag regelmatig een kind of andere dierbare langs. Dan zei Geertje: ‘O, ik zie dat je visite hebt. Nou, ik kom toch maar even binnen.’

Geertje kende ons allemaal bij naam en wist precies wie wat deed. Ik had wel met haar te doen. Er was tragiek in haar leven geweest en het was ook duidelijk dat er achter de zondagse bezoekjes van Geertje enige berekening zat die in een behoefte voorzag. Ze vond het eigenlijk wel leuk als mijn moeder al ander gezelschap had en los daarvan: ze hield niet zo van koken, en in huize Kraaij was het blijkbaar zo geregeld dat Geertje doorgaans kookte, maar als ze om vijf uur nog niet thuis was, dan begon haar man alvast met het eten. Vandaar dat een bezoekje van Geertje doorgaans eindigde met een abrupt: ‘Ik zie zomaar dat het al kwart voor zes is. Over een kwartier heeft Bert het eten op tafel. Nou, ik laat jullie maar gauw in de steek.’

Ze overleed vorig week en ligt nu twee paadjes bij onze ouders vandaan.

Er ligt trouwens nog een nieuwe oude bekende. Dat Marien was overleden, wisten we, maar dat hij gisteren in Monster begraven zou worden, hadden we niet begrepen. Marien woonde al jaren in België en in Canada, maar hij zag er niet tegenop om regelmatig het vliegtuig of zelfs een eigen helikopter te pakken om even een bezoekje aan zijn geboortedorp te brengen. Hij was de op een-na-oudste van de Sooskids, de kinderen van de vijf bevriende echtparen waarvan mijn ouders deel waren, net als die van Marien. Hij bezocht mijn moeder af en toe, maar bij haar begrafenis kon hij niet aanwezig zijn. Hij zat in Amerika. Het grootste boeket bloemen kwam toen wel van hem. ‘Het zou fijn zijn als we elkaar weer heel gauw zien,’ is de laatste zin van zijn laatste mailtje van zes jaar geleden. En nu ligt ook hij plotseling bij pa en moe Bor om de hoek, bedolven onder een hoeveelheid bloemen zoals ik nooit eerder op een graf zag.

Marien bezeilde de oceanen. Hij zou zijn as wel het ruime sop laten kiezen, dachten Kobus en ik. Hij ligt naast zijn ouders, honderd meter van zijn geboortehuis en vlak bij ome Rius en tante Annie.

08 oktober 2021

Geen gedicht

Het is niet te vinden. Vorige week las ik het en toen stond het nog in deze bundel*. Geen idee waar het gedicht intussen gebleven is. Het was toch echt een gedicht van Charles Simic en het stond op een rechterpagina. Dat zijn de betere bladzijden in een bundel. Nu heb ik niet eindeloos in die bundel zitten lezen en die telt bijna tweehonderd bladzijden, dus moet het toch te vinden zijn tussen vijftig gedichten. Het ging over Jezus. En dat is toch een vertrouwd woord waaraan je oog makkelijk blijft haken. Het helpt allemaal niets.
Heb ik dan van achter naar voren zitten lezen? Dat vinden mijn handen namelijk prettiger en dat is ook in het voordeel van de gedichten op de linker pagina, en dan vooral die van de tweede helft van de bundel. Ik kom Jezus en ook zijn vader regelmatig tegen - dat heb je sowieso in Amerikaanse poëzie. Maar niet de Jezus die ik zoek. Of wel, maar dan niet op het moment dat hij het kruis verlaat, want zoiets was het.
Ik ben er nu echt voor gaan zitten, maar dat had ik beter niet kunnen doen. Dat maakt me alleen maar radelozer. Vijf minuten geleden mopperde ik nog hardop: ‘Ik ben toch niet gek?’ Nu begin ik een antwoord te vrezen. Twee keer ben ik de bundel van voor naar achter doorgegaan en ook twee keer van achterflap naar voren. Nu raak je bij poëzie nogal makkelijk de weg kwijt, want hij schrijft nogal ontsporende gedichten, maar het blijft altijd een talige ervaring en dat is het verlies van dit gedicht niet. Jammer.

Maar ik laat me niet kisten. Dan pak ik een ander gedicht. Ook daarin komt Jezus voor. Het staat op bladzijde 172. Dat is een linkerpagina. Ik kwam het tegen bij de reis van achter naar voor en het heeft een titel die pas zijn volle gewicht krijgt als je het gedicht helemaal gelezen hebt.

Mooi-weer vrienden

Eddie met golvende lokken, Joey en ik
als Jezus en de twee dieven
naast elkaar aan het schoolbord genageld.
Verslagen, onze ruggen gebroken
in afwachting van de straf.

De Heer kreeg medelijden met de dieven
en veegde hun ziel met een spons schoon.
Maar de mijne niet. Ik bleef waar ik was,
hield me vast aan een krijtje
lang nadat iedereen was vertrokken.

De nacht is inmiddels gevallen,
Moeilijk om zeker te weten welke getallen
nog moeten worden opgeteld of afgetrokken
en of er iemand toekijkt
als ik hier nog een laatste poging waag.


Ik weet nog niet zo gauw wie wie is in dit gedicht. Vanwege zijn golvende lokken zou je denken dat Eddie Jezus is en dat maakt de ‘ik’ tot een van de twee dieven, en wel degene die niet ‘nog heden’ met Jezus in het paradijs zou komen. Maar ik denk toch dat de door zijn mooi-weer vrienden verraden ‘ik’ de Jezus is in dit gedicht.

Of ik wel eens onterecht in de hoek of voor het bord heb gestaan? Onterecht is het woord niet, maar onverdiend en van de kant van resp. de kleuterjuf en de bovenmeester was het wel.

Ik stop even met zoeken trouwens. Lees het gedicht nog maar eens. Het doet allerlei bellen rinkelen. Bij mij tenminste wel, net als bij het onvindbare gedicht dus, maar waarom ik dat niet meer terug kan vinden?

* Charles Simic, Dat ongrijpbare iets. Een bloemlezing. Vertaald door Wiljan van den Akker. Van Oorschot, Amsterdam 2021.

07 oktober 2021

Hoezee Alexia

We hebben kaasstengels gekocht en fietsen naar huis. Tommy zit voorop en hij zingt.
Heel ver komt hij niet. Het gaat steeds om dezelfde flard van een liedje, maar hij blijft hem herhalen en iedere keer klinkt het weer even overtuigend.

Hoezee, hoezee, Alexia, hoezee.

En even later weer. Het komt uit Prinsjesdag, een tekst van Koos Meinderts. Hij zou het kunnen horen, want we fietsen langs zijn huis. Thijs Borsten deed de melodie. Het staat op de usb-stick met kinderliedjes in mijn auto, en ik weet dat de andere opa van Tommy die ooit kopieerde en in de auto van zijn paps en mams ligt de cd met het liedje. Dus Tommy leert zijn klassiekers wel kennen.

Hoezee, hoezee, Alexia, hoezee.

Een blik in het boekje van ‘De Liedesalmanak – herfst en winter’ laat overigens zien dat dat hoezee helemaal niet in de tekst voorkomt, wel Alexia. Hoezee is er bij de muziekopname ingeslopen, maar dat dan weer niet in combinatie met de naam van de tweede prinses. Dat is een eigen vinding van Tommy. Nu klinkt Alexia inderdaad het lekkerst als je vrolijk en hard wilt zingen, beter dan Amalia of Ariane.

Hoezee, hoezee, Alexia, hoezee.

Al met al is het blijkbaar niet Koos geweest die Tommy op het idee bracht om deze woorden maar te blijven scanderen. Was het componist Thijs Borsten? Ik verdenk zanger Peer de Graaf van een eigen spontane inbreng.

Hoezee, hoezee, Alexia, hoezee.

Op deze manier worden we wel bepaald bij wat vermoedelijk de bron is van deze spontane oprisping. Daarvoor moeten we naar Dr Jan Wap. Hij schreef ooit dat het de plicht van iedere jongen was om aan het geliefde vaderland zijn beste krachten te wijden. En dat mondde dan uit in
‘Hoezee, hoezee, voor Nederland, hoezee. Hoezee, hoezee, voor Nederland, hoezee. Voor koningin en vaderland waakt ied’re jongen mee.’ En ook die laatste kreet dan twee keer.

Dr J J F Wap leefde tot 1880 en dat betekent dat er in de oorspronkelijke tekst geen koningin kan voorkomen. Ik kan niet zo gauw vinden wat Wap dan wel geschreven heeft. Wél vind ik bij de tekst de instructie ‘ferm’. Zo moet het lied gezongen worden. En dat heeft Tommy goed begrepen. Dat is er over van het lied waarin alleen jongens voor hun vaderland moeten vechten: het woord ‘hoezee’ en de mededeling dat er ferm gezongen moet worden.

Ik zie trouwens dat er op een koninginnedag in Culemborg blijkbaar ook gevarieerd werd op deze wat al te masculiene tekst. Daar zongen ze ooit:
't Is plicht dat ied're jongen, en ook dat ied're meid,
aan zijn / haar geliefde vaderland zijn / haar beste krachten wijdt!

Ik zit een beetje met dat zijn/haar. Dat klinkt van geen kant.

Daar is Tommy niet mee bezig.
Hoezee, hoezee, Alexia, hoezee.

06 oktober 2021

Plasticbak

Kort geleden kwam er bij de afwas een nieuw afdruipmatje op het aanrecht te liggen. Afwassen is hier in huis een activiteit waarbij de hoofdbewoners voor machine spelen: Mente wast en ik droog. Daar horen nog wat andere taken bij waarover ik het verder niet zal hebben, op eentje na dan: Mente legt altijd het afdruipmatje neer en ook koopt zij een nieuwe wanneer dat nodig is, want dat ziet zij. Dat loopt allemaal zo geolied dat ik vandaag niet eens in de gaten had dat ik glazen en borden en wat er allemaal nog meer is van een nieuw matje plukte. Het drong pas tot me door toen ik even iets in de vuilnisbak gooide, twee lege tubes. Doorgaans kijk ik daarbij niet naar wat er al in de kliko is gemikt, maar nu zag ik bij toeval een afgedankt afdruipmatje. Dat betekende dus dat we intussen aan een nieuwe toe waren.

Dat verbaasde me, want nog maar kort geleden was er toch al een nieuw matje gekomen? Gingen die dingen zo kort mee of was er iets met mijn beleving van tijd aan de hand? Ik wist het niet. Ik kom nog even terug op de tubes die mij oog in oog deden staan met het afgedankte matje dat mij zo onverwacht confronteerde met mijn onwetendheid, blindheid en gemankeerde besef van tijd. De tubes droegen namelijk bij aan mijn verdere vertwijfeling. Ik gooide een tubetje weg waarin vaseline had gezeten en eentje van de tandpasta. Voor mijn gevoel gooi ik iedere week een vaselinetube weg. Ik schrik er geregeld van dat ik op dat gebied zo’n grootgebruiker ben. Nu is dat niet iets van vandaag of gisteren. Mijn vaselineconsumptie houdt me al langer bezig en daarom weet ik dat ik niet een week met een tube doe maar een maand. Maar weten is iets anders dan voelen.

Met de tandpasta ligt dat anders. Die is soms zomaar op en dan zit ik plotsklaps zonder, want ik ga hier in huis over de vaseline én over mijn eigen tandpasta. Voor mijn gevoel hoef ik maar heel zelden nieuwe tandpasta te pakken, zo zelden dat ik daar nooit op ben gaan letten. Maar nu lagen er in de kliko drie attributen die elk een eigen notie van tijd met zich meebrachten, van tijd die zich ongemerkt aan je onttrekt (afdruipmat), van tijd die vervliegt , hoezeer je je daar ook elke ochtend weer tegen verzet (vaseline) en de schijn van eeuwigheid die plots ophoudt (de tandpasta). Ik denk dat de tandpasta het dichtst in de buurt komt van hoe mensen doorgaans leven: alsof het einde niet bestaat.

Ik heb de klep van de kliko maar weer gauw dichtgedaan overigens, want zo fris ruikt het daaronder nu ook weer niet. Soms overweeg ik daarom vuilnis voortaan in de papierbak te gooien. Die ruikt veel aangenamer. Binnenkort kan het trouwens niet meer, een bespiegeling als deze, tenminste niet bij de bak voor plastic en blik, want die wordt hier in de wijk over veertien dagen afgeschaft. Door verder gaande technische ontwikkeling bij de vuilverwerking, aldus een brief van de gemeente, kun je dat vanaf dan gewoon bij het restafval gooien. Daarmee verdwijnt ook een criterium om te weten wie je vrienden kunnen zijn, want het is me in huishoudens opgevallen dat de manier waarop mensen met hun vuil omgaan veel laat zien van de manier waarop ze in het leven staan en ook wat andere mensen voor hen betekenen. Met de plasticbak verdwijnen een manier om mensen te leren kennen en een mogelijkheid tot reflectie.

04 oktober 2021

Vandaag de nacht




Vannacht was het een mooie zomerdag en dat kwam goed uit, want ons blok huizen vierde voortuintjesdag. In die tuintjes zaten de bewoners zichzelf te wezen en daar kon je dan langslopen of je ging even buurten in een andere voortuin. Een voortuinfeest is geen straatfeest, het is intiemer, met meer gelegenheid voor een persoonlijke ontmoeting, al kon je in de voortuin ook een boek gaan zitten lezen. Je mag er jezelf blijven.

Wat er in de huizen achter die voortuinen gebeurde, weet ik niet zo goed en nog minder kan ik je vertellen wat daar weer achter gebeurde, behalve dan dat daar het ware leven plaatsvond. Zo was het. En toch was het bijzonder aangenaam daar in en bij die voortuintjes. Ik zat er zelf ook, met gezelschap en een boek, maar ik keek wel op als er iemand langskwam en dat niet alleen, ik zei ook iets, zodat iemand bleef staan voor een praatje. Omgekeerd schoof ik hier en daar af en toe elders op een bankje voor een korte kout. Maar ik ging nergens naar binnen. Dat was allemaal vannacht. Ik wil er nog één ding over kwijt: de vrouwen droegen zomerse jurken met een bloemmotief. En dat deed ertoe, in deze droom.

Zo was het niet tijdens de Nacht van de Poëzie een etmaal eerder. Daarvan herinner ik me geen gebloemde jurken. Ook was ik daar in mijn regenjas terecht gekomen en het was er geen zomerse dag, maar nacht. Maar ik zat er wel net zoals in mijn voortuintje met voor me, als bloemen en struiken en planten, stapels Liters en kaarten met fraaie teksten en dat allemaal van Steven. Zo was het: ik zat in het tuintje van Steven van der Gaauw. Die was er deze keer niet bij, nu zat ik er met Tim, de eindredacteur. Er bleven veel mensen staan om wat te bladeren en om een praatje aan te knopen.

Het grote leven voltrok zich achter onze rug. Daar trof je de onderhoudende presentaties, de overrompelende dichters en muzikanten die hunkeren naar publiek. Dat vond het allemaal prachtig. Daaruit, uit de vele hoeken en gaten die Tivoli Vredenburg rijk is, kwamen af en toe vriendelijke golfjes mensen tevoorschijn voor wat beweging, een glas wijn of een biertje, een praatje of een proefabonnement op Liter.

Mensen veronderstelden dat we vader en zoon waren, Tim en ik, maar zo is het niet, al zie ik er inderdaad nog jong uit gezien mijn leeftijd en heeft Tim voor zijn jaren een markante kop. Tim gaf opheldering. 'Ik ben eindredacteur en Len was hoofdredacteur.’ Hij zei het duidelijk genoeg om te laten merken dat wij hier in ons eigen tuintje zaten en niet naar den bloede maar wel naar geest verbonden waren, maar ook snel genoeg om mensen niet langer over deze mededeling na te laten denken. Soms kwamen mensen nog eens langs, bijvoorbeeld om toch maar een abonnement te nemen, wat heel verstandig is. Of om nog even terug te komen op het vorige praatje, zoals dichter Alexis. Wat er achter mijn rug gebeurde? Ik zal niet zeggen dat ik er niets van mee heb gekregen, want ik genoot van Lieke Marsman, de presentatoren, Joost Prinsen, Meity Völke, Bart Moeyaart en Thijs Boontje, maar miste Maria Barnas, K. Michel, Anne Vegter en veel anderen. Dat is het lot van een voortuinhouder. Maar met mijn rug mocht ik leunen tegen de warme muur van wat ik maar de kathedraal van de poëzie zal noemen. Daar is een foto van.

03 oktober 2021

Apparaten

Auto’s, geluidsinstallaties, ik vind ze allemaal lelijk. Niet altijd, hoor. Er zijn zelfs tijden dat ik met enig welgevallen naar een apparaat kan kijken. Nog vaker figureren die dingen in mijn wereld zonder dat ik er verder aandacht aan besteed. Ik zet een radio wel aan, maar dan is er hooguit een vanzelfsprekende waardering voor zijn functionaliteit. Zoals ik die ook heb voor de cv-ketel op zolder. Die van ons draait al 24 jaar mee, maar gisteren weigerde hij. Nu doet hij het weer, maar de lang uitgestelde beslissing om die te vervangen is intussen genomen.

Ik heb een zekere genegenheid ontwikkeld voor deze ketel. Hij heeft het altijd gedaan, ook al kreeg hij in de loop der jaren een steeds zwaardere klus te klaren. Weliswaar heb ik hem nooit een schouderklopje gegeven, maar ik zou het hebben kunnen doen, bij wijze van spreken dan, want in letterlijke zin biedt het fysiek van een ketel daarvoor weinig mogelijkheden.

Ik ben met deze kwestie bezig omdat ik al heel lang niet gelukkig ben met de geluidskwaliteit van de stereo-installatie beneden. De radio doet het al niet meer. De versterker biedt te weinig mogelijkheden, want die komt nog uit een tijd dat ik bij het horen van het woord digitaal allereerst aan vingers dacht. En met de boxen ben ik nooit gelukkig geweest. Al met al lijkt de tijd rijp voor beter geluid en dus struin ik rond op internet en bezoek ik ook echte winkels. Als ik een geluid wil hebben waarmee ik de komende veertig jaar tevreden kan zijn, dan zit ik toch aan boxen vast die erg aanwezig zijn. Daar heeft het in ieder geval alle schijn van, merk ik. Nu hangen die dingen weggewerkt te wezen in hoeken van de kamer, maar dat is onverstandig, vooral als ik ook de tv op de geluidsinstallatie wil aansluiten en dat wil ik. Speakerboxen zijn zo lelijk. Altijd al geweest, maar ze zijn het nog.

Intussen zit ik al een week te kijken naar boxen die er nog niet zijn, maar die ik in gedachten al voor me zie terwijl ik beneden op de bank zit. Je zou ze kunnen bewerken zodat ze eruitzien als 17de-eeuwse medicijnkastjes, maar daar ben ik niet handig genoeg voor en bovendien is het wel de onwaarachtigheid ten top, speakerboxen uit de Gouden Eeuw. Kitsch heet dat.
Ja, in deze woning in Utrecht wordt wat afgetobd. Vergis je niet.
Kijk, het liefst zou ik die boxen op zolder zetten, naast de verwarmingsketel. Maar dan kan ik het beter bij het oude houden.

Je zult het wel niet gemerkt hebben, maar tijdens dit stukje heb ik twee keer de Dikke van Dale geraadpleegd die hier voor me staat. Er staan er zelfs twee: drie delen in een cassette en drie delen in één band. De eerste is mijn favoriet, ook al zag ik eenzelfde exemplaar in een kringloopwinkel staan voor 2,50 euro. Soms zoek ik woorden op via de computer, dat gaat minstens even snel, maar dan mis je wel het ritueel van het boek dat je uit de cassette tilt en openslaat. Je mist het aangename openvallen, het zacht geritsel van het papier.

Apparaten missen wat zo kenmerkend is voor een boek. Laat ik voorzichtig zijn en zeggen dat voor veel boeken de mogelijkheid bestaat om het goede, schone en ware met elkaar te verenigen. Dat krijgt een apparaat nooit voor elkaar.
Ik voel plotseling dat twee camera’s me verwijtend liggen aan te kijken, een grote en een kleine. Het spijt me voor ze, ook voor hen geldt: jullie zijn geen boek.

02 oktober 2021

Oom

Geheugen is een flexibel geval. Ik heb het vandaag twee keer horen zeggen. Een keer op de radio en een keer via de telefoon. Het kan zijn dat dat laatste te maken heeft met het eerste en dat aan beide zijden van dat telefoongesprek mensen gekoppeld waren die een uur eerder toevallig naar hetzelfde radioprogramma luisterden. Maar daar hebben we het tijdens het telefoongesprek niet over gehad, over de radio.

Ik zit met het volgende. Op 2 oktober 1968 werd ik oom. Mijn zus werd die dag moeder en Aat dus vader. Ik was zestien jaar en drie maanden en zo jong als ik was, brak toen al mijn toekomst als oom aan. De eerste jaren heb ik dat ook nadrukkelijk gemerkt want Maarten was al heel snel kind aan mijn ouderlijk huis.

Zover was het nog niet op die tweede oktober. Het jongetje zag het levenslicht in Delft en dat licht kwam van de nare lampen van de couveuseafdeling daar. Hij had nog geen weet van een grootouderlijk huis waar ook twee jonge ooms woonden. Maar ik wel van mijn neefje.

Maar weer even dat geheugen. Ik zat op school in Den Haag ? toen op De Populier ? en maakte net een periode mee dat ik geregeld liftend naar school ging, al klinkt dat iets te dapper. Ik kon regelmatig mee heen en iets minder geregeld mee terugrijden met een jongen die toen al nog langer over de middelbare school deed dan ik zou doen. Hij reed 's morgens van 's-Gravenzande langs Monster en als ik bij de molen klaarstond kon ik mee. De terugweg was doorgaans minder duidelijk en als ik de auto van mijn chauffeur niet zag, dan liftte ik naar huis.

Op die Laan van Meerdervoort had liften geen zin, dus de eerste kilometers liep ik. Dat was geen straf en al helemaal niet op deze tweede oktober van het roemruchte jaar 1968. Ik liep het hele eind, van Fahrenheitstraat naar begraafplaats Ockenburg, in het besef dat daar niet zomaar iemand ging, maar iemand die oom geworden was. Dat besef gaf zelfs glans aan de auto's die passeerden en ook aan de tram. Hier liep een oom!

Ik probeerde onderweg een gedicht te bedenken om de boreling mee welkom te heten. Er kwamen flarden voor van het jongetje dat ik in de wieg zag liggen. Nee, ik schreef het gedicht niet, maar het idee ontstond toen en meteen speelden er dus al delen van de inhoud door mijn hoofd. Ik begin me zelfs bijna herinneren dat ik huppelend de lange Laan van Meerdervoort aflegde. Maar zo is het niet. Dat moest er nog bijkomen, mijn geheugen laat me al genoeg in de steek als het om deze bijzondere woensdag gaat.

Want, en let nu goed op, pas toen ik thuiskwam, hoorde ik dat ik oom was geworden. Daar waren beschuit en vreugde, die overigens getemperd werd door de precaire toestand van de kleine Maarten. Ja, ook hoorde ik toen pas, dat het om een jongetje ging. En dat lag dus niet in een wieg, maar in een couveuse.

Dat laatste beschouw ik als een vorm van fantasie waar een dichter niet buiten kan, maar hoe dat nou precies zat met de weg naar huis en het nieuws dat me daar verteld werd, dat begrijp ik niet.

Maar zo zit het dus in mijn hoofd: er loopt een jongen langs de Laan van Meerdervoort. Hij is vrolijk en opgewekt omdat hij zojuist tot oom geridderd is. En als klap op de vuurpijl krijgt hij bij thuiskomst te horen dat hij zojuist oom werd.

01 oktober 2021

Hallo Hendrik

Vier weken geleden werd een paar huizen verderop Hendrik geboren. Hendrik heet geen Hendrik, maar hij heeft wel een naam die minstens even kloek is. Die vind je ook op het bord dat er naast de voordeur van zijn geboortehuis is geplant. Daar staat de naam op geschilderd, zonder tierlantijnen en met een forsheid die elke bril overbodig maakt. Die naam staat ook op het geboortekaartje dat er bijzonder helder, duidelijk, vlot en ook stoer uitziet. Er is trouwens een ooievaar door de voorruit gevlogen. Dat zal Stork geweest zijn. Vandaar waarschijnlijk dat de tweede druk van het gelijknamige boek van Koos en Annette is verschenen, want die eerste Stork is door die ruit van een paar deuren verderop voorlopig uitgeteld. Die zit nog steeds klem in het glas. Maar daar gaat het nu niet om.

De ouders en het zusje van Alex zijn jonge mensen die wonen in een mooi huis dat nog maar een paar jaar geleden grondig werd verbouwd. Hello Fresh zou er graag naar binnen stappen om er foto's te maken waar de doelgroep van het bedrijf bij publicatie ervan enthousiast op zou reageren.

Ik moet oppassen met dit opgewekte toontje van me, want de werkelijkheid is anders. Achter deze façade van vreugde is iets heel anders aan de hand. Dat hoor ik niet, in tegenstelling tot de jonge ouders en het kleine zusje, maar ik zie het wel, op afstand.

Verschillende keren per dag komt de jonge moeder of vader langsgelopen. Het moderne baardje dat geen baardje is van de vader maakt de man niet langer trendy, ook al omdat hij geen pak draagt en evenmin heen of weer schiet tussen voordeur en leaseauto. Deze dagen hangen zijn kleren rommelig om hem heen en hij loopt voorovergebogen in een dikke jas met capuchon. Voor hem, op zijn borst gebonden, half verscholen onder de jas draagt hij een baby die nog veel te klein is voor welke stoere naam dan ook. Het kind, weten we, lijdt aan slapeloosheid die wel groter lijkt dan hij zelf nog is. Hij put zichzelf en daarmee zijn ouders volledig uit. Alleen voor de cadans van een eindeloze wandeling lijkt hij nog wel eens te kunnen zwichten, maar blijkbaar niet erg lang.

De vader zie ik het vaakst, maar ook de moeder komt zeer regelmatig langs. Bij haar zie je het kind duidelijker, ook al omdat zij minder gebogen loopt dan haar man. Naast de moeder loopt doorgaans de moeder mee, de oma dus van het kleine jongetje dat na vier weken nog steeds niet kan landen op deze aardkloot.

Ik heb met ze te doen. De geboorte van een kind gaat gepaard met veel jottem en joechei, maar al die slapeloosheid, inscheuringen, postnatale toestanden, het geel worden, niet aan de borst willen en kunnen. Iedere geboorte is een complete nieuwe Schöpfung (ik moest even aan Haydn denken) en daarbij kan bijzonder veel fout gaan.

Mente herinnert zich het gedoe met onze oudste. Dat ik de Renault 4 maar weer van de Westerkade haalde om het jongetje in zijn schoenendoos (veel meer stelde de bak van zijn wandelwagen niet voor) door Utrecht en omstreken te rijden, hopend dat hij eindelijk, eindelijk…

Nu loopt oma alleen langs. Kind in de draagzak voor zich. Ze heeft er haar rechterarm omheen geslagen in haar linkerhand heeft ze een paraplu die ze stevig vast moet houden.

28 september 2021

Drie

Zijn vader en moeder waren een dag en een nachtje weggeweest en daarom hadden wij de honneurs waargenomen door Markus en zijn grote broer overdag bij ons te laten zijn, maar ’s avonds, na het eten, verhuisden we zodat de kinderen in hun eigen bed konden slapen. Dat geeft minder gedoe. En zo zaten we de volgende morgen, na een uitgebreide wandeling door de wijk, op een bankje voor het huis toen papa en mama kwam aangelopen. Lukas van vijf stapte enthousiast op ze af, maar Markus sloop stilletjes naar binnen om achter de voordeur op de mat te gaan liggen, opgekruld. Hij trok zich terug in een niet zijn. Het was hem even teveel.
Daarvoor en daarna had hij ons laten zien dat hij met zijn drie jaar het steppen en vooral het loopfietsen tot in de finesses beheerst. Hij is een gevaar op de stoep! Maar nu lag hij even op de mat en was hij niets.
Tegen de avond had hij woorden gevonden voor wat er die dag aan emoties in hem had gewoeld; dat was aan tafel. Daar vertelde hij dat hij zijn ouders had gemist. Hij was op het treetje van zijn triptrapstoel gaan staan, had zijn vader indringend aangekeken door zijn roze brilletje (leuker dan blauw, vindt hij) en hij had gezegd: ‘Papa, ik heb je gemist.’ In niet mis te verstane blokletters. Daarna had hij zich een kwartslag gedraaid om zich tot zijn moeder te richten: ‘Mama, ik heb je gemist.’ Dat moest hij even kwijt en toen kon hij weer gaan zitten om verder te eten. Dat laatste heb ik van horen zeggen. Ik zie vooral dat jongetje dat zich als een beestje opkrult op de deurmat.

Een week later, eergisteren, werd Markus’ neefje Tommy ook drie. Tommy is de stoere van de twee. Hij rent, klimt, springt en doet en had beter Bambam kunnen heten. Tommy had bij zij neef al eens een begerig oog op diens loopfiets en step geworpen en ook pogingen gewaagd om zich daarop te verplaatsen. Zoiets wilde hij ook wel, zo’n step en zo’n loopfiets.
Kijk, daar word je nou drie jaar voor, dus wij deden de loopfiets en Lukas en Markus trakteerden hun neefje op een step.
Het Peppahuis viel in de smaak en dat gold ook voor de graafmachine en wat dacht je van de bellenblazende grasmaaier die hij van zijn broer had gekregen. Maar de loopfiets en de step? Die waren er niet. Hij zag ze niet, hij kon ze niet zien, wilde dat ook niet en er moest ook niet over gepraat worden.

Aan het eind van de middag sleepte hij ineens het fietsje door de achtertuin naar de poort. Het zesjarige buurmeisje huppelde mee en gaf aanwijzingen. Het ging moeizaam. Het ging zelfs helemaal niet, vond het buurmeisje en daarom deed ze het voor. Pas toen zij de poort uit sjeesde, kwam Tommy in beweging: hij rende er achteraan. Vijf minuten later rende hij hijgend, met rood hoofd en enthousiast de tuin weer in, achter zijn eigen fietsje aan waarop nog steeds het buurmeisje zat.
Binnen pakte hij zijn nieuwe step en trok die naar buiten. Die moest zij ook maar eens proberen.

Vanaf de schoot van zijn moeder keek Markus wat afwezig toe. Hij hoefde niet zo nodig. Loopfietsen en steppen dat deed hij thuis al zo vaak.

27 september 2021

Een uur later

Het is een uur later dan een uur geleden en er is veel gebeurd. Het begon met een onschuldig bezoek aan de badkamer waarbij ik even mijn hoofd boven het trapgat stak om te zien dat de krant er al lag. Verder constateerde ik dat het nog volledig donker was en ook dat de geluiden die ik hoorde die van de nacht waren. Ik hoorde helemaal niets. Ik schoof weer naast Mente, nog steeds was het nacht.Wel begreep ik dat ik niet meer in slaap zou vallen. Dit uur was jaar en dag het moment waarop ik net als nu de badkamer had verlaten, maar dan in gepoetste, geschoren en gewassen staat, in die volgorde. Nu hoefde dat niet meer, de dag kon met het grootste gemak een uur later beginnen, wat inderdaad het geval is. Dat is het voorrecht van de staat waarin ik verkeer.
Intussen, weet ik, heeft mijn broer veertig kilometer afgelegd, heeft hij in een kantoorcomplex wat lichten aangedaan, misschien ook een nieuw pak koffie in het koffieapparaat geplaatst en zit hij achter twee kolossale schermen zijn werk te doen terwijl over een half uur pas zijn collega’s binnen komen. Ik benijd hem niet, helemaal niet, maar dat zijn matineuze bestaan ook bekoorlijke elementen kent, wil ik graag geloven. Mij gaf het, ook al was ik daarbij veel later dan mijn broer, een heerlijk gevoel om ’s morgens voor half acht langs de Vecht te fietsen om het dan voorzichtig licht te zien worden. Alsof je tegen de dag kon zeggen: ik heb gewonnen.

Ik weet nog een keer, en voor mijn broer is zoiets dus een dagelijkse aangelegenheid, dat ik op een vrijdag om tien uur op een school in Oosterhout moest zijn, het Frencken. Maar op mijn eigen school lagen nog een paar klusjes. Het was half zes in de ochtend. Ik was wakker en ik dacht aan die klusjes. Als ik nou, zo dacht ik, even naar school rijd, dan zijn die dingen ook maar uit mijn kop. En zo verraste ik mezelf door om kwart voor zeven al achter mijn bureau in Maarssen te zitten en om half acht toen er hier en daar wat mensen het gebouw in druppelden kon ik zelfs nog het een en ander overleggen ook. Om kwart voor negen stond ik bij Annelies voor de deur en samen reden we naar Oosterhout. Zij etaleerde onderweg haar hele leven en zo had ik in Oosterhout niet alleen al een werkdag, maar zelfs een heel bestaan achter de rug terwijl daar in Brabant de vrijdag nog aan zijn eerste kop koffie moest beginnen. Dat is de bekoring van het matineuze.

Nog langer geleden, vierenvijftig jaar en twee maanden, fietste ik, om half vijf door het dorp, we hebben het over Monster, naar een tuinderij vijf kilometer verderop. Aan het begin van de Molenstraat, dus bij het Kerkplein, waren zwermen mussen druk bezig om tussen de klinkertjes allerlei eetbaars vandaan te pikken. De straat was er op dit vroege uur niet voor de mensheid maar voor het gevogelte des hemels. Mijn aanwezigheid daar paste niet bij de aard der dingen. Ik was daar illegaal, of liever: ik mocht de wereld leren kennen in een andere, wonderlijke staat. Wanneer ik bij de tuin aankwam, leek het alsof ik een wereldreis had gemaakt. Dat kwam ook door de hoge bruggetjes en die ene smalle plank met maar één leuning die ik moest nemen om bij de tuin te komen.

Ik zie trouwens dat het alweer een uur later is dan een uur geleden.

26 september 2021

De reiswieg(2)

De ambulance die mijn zus naar Meppel vervoerde, had zijn bestemming nog niet bereikt en dus had ze, ondanks haar duizeligheid en hoofdpijn, alle gelegenheid om aan een ander verhaal van dat memorabele verblijf in Amsterdam te denken. Nog steeds beleven we daarin de herfst van 1945 en we zijn in Amsterdam. Die we, dat zijn mijn ouders en mijn twee zussen van toen ruim twee en ruim een half jaar. De laatste bracht haar reis en haar verblijf grotendeels door in een reiswieg. Zij is de vrouw die 76 jaar later, liggend in die door Drenthe zoevende ambulance, deze geschiedenis ligt op te rakelen, een geschiedenis die zij alleen van horen zeggen heeft en waarin ze desondanks een, nee, dé cruciale rol van verlosser speelde.

De twee broers, van wie mijn vader de jongste is, hebben het gezellig met elkaar en de twee verenigde gezinnen hebben het druk, want daar in Amsterdam lopen en kruipen vier, maakt bij elkaar zes, kinderen rond. Er wordt veel gepraat en gelachen en ik stel me zo voor dat tante Rie het nodige daaraan bijdroeg. Een echte Amsterdamse, hoorde ik thuis altijd van haar zeggen en dat schijnt iets te zijn van vrolijkheid en het hoogste woord. Het gezelschap schijnt zich met name te hebben opgehouden in de grote keuken van het huis, vooral toen de kinderen naar een echt of een kermisbed waren gebonjourd.
Nu was de gasdistributie een lastige kwestie na de oorlog. Het gas ging op rantsoen. In Voorburg bijvoorbeeld had men het probleem dat de vroege, gisse mensen voortijdig de gasvoorraad van een dag opsoupeerden. Hoe dat in Amsterdam lag, weet ik niet, maar daar probeerde men de zaak in elk geval ook beheersbaar te houden door de stedelijke gaskraan vroeg in de avond dicht te draaien. Die ging aan het begin van de volgende dag weer open.

Het mag dan gezellig en levendig geweest zijn, het betekende wel dat men vergat om fornuis en geiser alsnog uit te doen toen van overheidswege de Amsterdamse hoofdkraan was dichtgedraaid. Pas na middernacht ging men naar bed, maar eerst werd de reiswieg met daarin mijn zus op de keukentafel gezet. Welterusten.

Een streep door de rekening was het vroege geblèr van mijn zus. Dat deed ze anders nooit, zal mijn moeder verontschuldigend gemompeld hebben toen zij wakker werd van dat gehuil. Niet alleen mijn moeder werd daar wakker van. Iedereen had last van het gehuil. Maar toen roken ze ook allemaal de zware gaslucht die intussen alle kamers in het huis bereikt had: de Maagd van Mokum had de hoofdkraan weer open gedraaid en daar hadden het fornuis en de geiser in de keuken van oom Co en tante Rie enthousiast op gereageerd. Daarvan was mijn toen kleine zusje wakker geworden, benauwd en misselijk. Ze was gaan huilen.
Dat verklaart ook waarom tante Rie het wel eens over de mensenredder had als ze mijn zusje bedoelde.

We maken een sprong naar september 2021 waar een ambulance stopt bij de ingang van de spoedeisende hulp van het voormalige Diaconessenhuis te Meppel. Er wordt een rolstoel bijgehaald en daarin wordt mijn kotsmisselijke zus naar binnengereden.

In verhalen komt een terugreis er doorgaans bekaaid af. Ook hier. Van de treinreis die mijn ouders en de twee kleine meisjes maakten om weer in het Westland te geraken, weten wij niets. En mijn grote zus de mensenredder is ongetwijfeld na een kort verblijf in het ziekenhuis met een gewone auto weer thuis gekomen. Ze is blij met het herinnerde verhaal.

‘Misschien ook iets voor jou,’ zegt ze als ik haar bezoek.

25 september 2021

De reiswieg

Mijn jongste zuster grossiert in ziekenhuisopnames. Ze kan vast niet vertellen hoe vaak zij per ambulance van huis naar hospitaal werd overgebracht, of van het ene naar het andere ziekenhuis. Zelf heb ik die eer nooit gehad, al kan ik met trots vertellen dat ik wel eens in een lijkwagen vervoerd ben, maar dat was zittend, voorin, en zonder dode achter mijn rug, althans niet letterlijk.

Mijn zus is dus een routinière en dat voerde zo ver dat ze vorige week in de ambulance moest denken aan een geschiedenis waarin zij weliswaar een hoofdrol speelt, maar waarvan ze zich niets kan herinneren. Maar het verhaal kent ze. Vandaag deel 1 en daarvoor gaan we terug naar de herfst van 1945, naar de dag waarop mijn ouders hun twee dochters in de trein meenamen voor een meerdaags bezoek van enkele dagen aan oom Co en tante Rie, de oudste broer van mijn vader en diens vrouw. Die wonen in Amsterdam en om daar te komen namen mijn ouders de bus naar Den Haag om daar met de tram op het Hollands Spoor te komen. Vandaar zou de trein ze naar Amsterdam brengen. Mijn oudste zus van tweeënhalf zat ongetwijfeld bij mijn moeder op schoot en mijn vader zorgde voor de reiswieg, een gevalletje van riet met een doorkijkraampje en twee handvatten.
Mijn zusje hield zich gedeisd in haar reiswieg. Dat verbaast me niet, want dat hoorde ik wel vaker: dat zij zo’n rustige baby was geweest.
Mijn vader zette de reiswieg in het hoge bagagenet. Er kwamen andere mensen binnen en al gauw zat mijn vader met een stel mannen te praten. Dat deed hij graag en mogelijk deelde hij links en rechts een sigaret uit, zo stel ik me dat voor, later was hij vooral van de sigaren. De trein was goed op gang toen hij abrupt moest remmen. Daardoor schoot de reiswieg uit het bagagenet. Gelukkig kon mijn vader het opvangen. Hij stond op, keek onderzoekend om zich heen en vroeg zich hardop af welke idioot zomaar een klein kind boven in het bagagenet zette. Toen er geen reactie kwam, mompelde hij dat ze het dan maar zelf moesten weten ook, daarna zette hij de reiswieg weer in het bagagenet en keerde hij terug naar het gesprek.

In Amsterdam stond hij op, pakte de reiswieg en liep de coupé uit. Mijn moeder had onderweg het lef niet gehad om er iets van te zeggen, dat deed ze toen ze weer op het perron stonden. Ik vermoed dat mijn vader daar niet erg van onder de indruk was.
Mijn moeder viel mijn vader nooit af waar anderen bij waren, omgekeerd had hij er niet de minste moeite mee om mijn moeder het schaamrood op de kaken te jagen. Wel probeerde mijn moeder mijn vader er stilletjes op te wijzen dat hij zich, naar haar idee dan, wat al te vrijmoedig gedroeg. Dat deed ze ook een keer door mijn vader onder tafel tegen zijn schenen te schoppen. Zij was kien genoeg om de goede benen te raken, maar niet kien genoeg om te bedenken dat ze het maar beter kon laten, want hij zei verontwaardigd: ‘Mens, wat zit je me toch te schoppen!’

Enfin, ze waren in Amsterdam. Oom Co wachtte ze op bij het station.
Dit verhaal schoot mijn zus te binnen terwijl ze in de ambulance lag of het een reiswieg was. Omdat er geen schokkende onderbreking was van de reis, gaf ze zich vervolgens over aan het tweede deel van het verhaal.

24 september 2021

Boem

We moesten nog wat wennen aan de nieuwe detective- of misdaadserie vanavond en dat is ook niet gelukt. Met geweld klapte er iets tegen het raam vanavond, dat raam dat ik gisteren nog noemde als kader voor het levende schilderij voor ons huis. Nu waren de jaloezieën al dicht dus wat daarachter gebeurde konden we niet zien. Ik was intussen al overeind gesprongen, van de schrik, niet om onmiddellijk tot actie over te gaan, zover was ik nog niet. Wat was dat?

Een zoon of vriend die voor de grap nogal hardhandig zijn komst aankondigde?
Een zeer onoplettende vogel?
Een kwaadwillende die wilde dat ik de deur zou openen om mij vervolgens het hoofd van de romp te trekken of opzij te duwen om zich aan mijn kostbaarheden te vergrijpen?
Een boze kerkganger die het niet eens was met het voorstel om bij bezoek aan onze kerk een coronabewijs te vragen?
‘Ga dan naar de deur,’ zei Mente. Op de tv hield men geen rekening met het zo ruw verstoorde leven op een geriefelijke bank ergens in Utrecht, de film ging gewoon door.

Er was niemand, ook geen zwaar gehavende vogel. Ik dacht zelf in termen van een buizerd, want de klap echode nog na in mijn hoofd. Schuin aan de overkant hoorde ik vriendelijke stemmen van meisjes die daar naar buiten kwamen, niet om te kijken naar wat er was gebeurd, maar om hun fiets te pakken. Vrolijk maar beschaafd snaterend reden ze voorbij. Waarschijnlijk waren ze op weg naar de kermis, die een kilometer verderop aan de gang is en die je ook hier kunt horen.

Het was geen vogel, geen vuist, het was een ei. Met veel kracht was dat tegen het raam gesmeten, want de hele ruit zat onder en de schaal was in honderd stukjes gespat. Intussen was Mente ook gekomen. We keken naar links, we keken naar rechts. Nergens in de straat zagen we mensen die we konden verdenken van het gooien van eieren. Er was überhaupt geen kip op straat. Nergens ook zagen we iemand naar zijn eigen ruit staan kijken, dus een echte seriegooier, was het blijkbaar niet geweest.

‘Waarom doet iemand dat nou? Wat is daar de lol van?’ vroeg Mente zich af terwijl ze bezig was een gieter te vullen. Ik verkoos een emmer met spons en gaf geen antwoord op Mentes vraag. Ik kan niet alles tegelijk.
Het is een jaar of vijfentwintig terug ook al eens gebeurd, natuurlijk ook in het donker. Toen dacht ik nog dat het leerlingen waren geweest. Een leraar of conrector die dicht in de buurt van de school woont, kan rekenen op veel begroeting en herkenning, maar een ei in het donker hoort er ook wel eens bij.
Toen ruimden we de boel pas de dag daarna op en dat was onverstandig geweest. Het eiwit had zich in de loop van de nacht hardnekkig aan het glas gehecht. Dat zou ons nu niet overkomen. Dus we wasten het raam en dat terwijl de schilder ons bij zijn vertrek elf dagen terug had bezworen om de komende twee weken de ramen niet te lappen.

Van de week fietste ik ergens bij de Uithof toen twee jongens me tegemoet kwamen, een jaar of veertien. Terwijl ze me rakelings passeerden, schreeuwde de dichtstbijzijnde jongen plotseling keihard naar me. Zomaar. Nee, niet zomaar, en het ging niet om mij, hij wilde indruk maken op zijn maat. Je moet vooral niet voor elkaar onderdoen en daar heb je een ei voor nodig en een ruit en anders schreeuw je een keer.

23 september 2021

Het leven en de kunst

De uitnodiging is weg. Jammer. Het was een fraaie brochure die de galerie had toegestuurd en met daarin ook nog eens een schilderij dat me erg aansprak. Lekker kloek formaat ook, 120 bij 120. Niet de uitnodiging, maar het schilderij. Ik zag het bij wijze van spreken al bij me in de kamer hangen. Een zeventiende-eeuwse boom in een dito landschap. Maar dan anders. De boom kon zomaar uit zo’n schilderij zijn gestapt van 400 jaar terug, of anders terug te vinden zijn op een Engels doek uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Dat geldt ook voor de omgeving van wijd land met bomen en struiken in de verte, maar vooral de penseelvoering van die omgeving was net te ruw om al honderden jaren oud te zijn. Het moet een recent werk zijn. Het schilderij heet ‘Vermeer’, dat weet ik nog. Die naam brengt me wel naar de tijd waaraan het werk me doet denken, maar dan nog zou ik nooit bij Vermeer terechtkomen.

Stel je toch eens voor dat dat fraaie schilderij bij ons in de kamer zou hangen. Ik zag het voor me en alleen die gedachte al was vreugdevol. Mijn leven is van de kunst naar de natuur gegaan, dat wil zeggen: dat ik pas oog kreeg voor landschap en bomen toen ik die op schilderijen en tekeningen had leren waarderen.

De folder bleef op tafel liggen en ik koos voor de bank. Om er een boek te lezen. En boek waaruit ik op een gegeven ogenblik opkeek en toen viel mijn oog op de Zweedse lijsterbes voor het huis, keurig ingekaderd in een lijst van 170 bij 145, de maten van het grote erkerraam. Het licht streek jaloersmakend langs de bladeren van de boom. Die begonnen er zelf een beetje opgewonden van te trillen.

Dat vond ik plotsklaps wel een beetje sneu voor de geschilderde boom in de folder. Een prachtig schilderij, zonder meer. Alleen, zo dacht ik daar op die bank, zou ik die twee bomen, de geschilderde en de echte, een concurrentiestrijd met elkaar moeten laten aangaan. Zou ik dat moeten willen?

Verschil is wel dat de echte boom zo levensgroot is dat ik hem vanuit de kamer, ook als ik pal voor de ruit ga staan, nooit ten voeten uit zie. Net zo mooi glanzen als de Zweedse lijsterbes zal de boom aan de wand nooit doen. En zo ontstond een ongewenste strijd tussen kunst en natuur.

Later, bij het tafel dekken, gooide ik de brochure in de papiermand. Daar zou ik nog wel eens naar kijken. Nog weer later, leegde Mente de papiermand in de papierkliko. De volgende ochtend kwam de vuilnisman langs en toen die allang de straat uit was, ging ik op zoek naar de folder, naar de uitnodiging voor de expositie.

Er zit niets anders op om toch maar eens naar die galerie te gaan.

* Het paste niet in dit stukje om te vertellen dat ik het schilderij vrij snel via internet terugvond. Maar in deze toegift kan ik wel een link kwijt: kocopt19

22 september 2021

Chopin

Het minisetje op mijn bureau heeft ook een cassettespeler en daarin zit een bandje met nocturnes van Chopin. Ik geloof niet dat er ooit een ander bandje in het apparaat zat. Chopin is niet oud geworden, maar in mijn cassettespeler leek (ik zeg leek) hij het eeuwige leven te hebben, ook al omdat hij nooit stopte. Als het bandje aan zijn eind kwam, was er een klik en vervolgens speelde Chopin onverdroten via de andere kant van het bandje. Als Ber me dit niet ooit had gegeven, had ik misschien nooit Chopin gedraaid. Maar het liep anders en ik blijk het juist uitstekend te kunnen vinden met deze Franse Pool. De cassette is ook met enig sentiment beladen omdat Ber jaren geleden overleed. De nocturnes van Chopin laten zich uitstekend combineren met de herinnering aan de zo zachtaardige Ber. En ook met allerlei administratief werk en gedoe met foto’s. En dat houdt nooit op.

Het bandje wel, bleek onlangs. Het is op enkele plekken versleten, merk ik. De suggestie van eeuwigheid is minder houdbaar dan ik dacht. Daarom moet ik op zoek naar iets anders. Liefst dezelfde uitvoering, maar dan via een ander medium. Nu hoort streamen bij mij nog tot de uitgestelde mededelingen en ik weet niet wie er achter de vleugel zat toen de opname die zo vaak deze kamer vulde werd gemaakt. Chopin schreef Ber op het bandje, en Nocturnes. En waar het doosje van het bandje is? Ik weet het niet. Ach, het is maar klein ongerief.

Een paar weken terug hoorde ik muziek van Chopin op radio 4. Het ging om de cd van de week, die voortkwam uit de vingers van Anna Fedorova. Prachtig. Die muziek en de naam van de pianiste trouwens ook. De cd had waarschijnlijk een titel, maar die kwam niet bij me aan.

Als mensen mij iets cadeau willen doen, dan denk ik doorgaans vrij snel aan een dichtbundel, maar een bootleg van Dylan is ook altijd welkom. Die koop ik zelf niet, maar als cadeautje is dat natuurlijk prachtig. Dat vind jij ongetwijfeld ook.Dus dat zei ik tegen de jongste voor wie ik wat geregeld had. Zij en haar vriendinnen wilden me iets geven. ‘Doe maar een bootleg van Dylan.’ Maar toen schoot me de muziek van radio 4 te binnen en dacht ik aan het bandje van Ber. ‘Nee, nee, geen Dylan, er is een prachtige cd uit met muziek van Chopin. Van, van, van… Anna Fedorova.’ En zo is het gegaan.

Gisteren zette ik de radio aan en hoorde ik Chopin, gespeeld door Anna Fedorova. Had ik de cd-speler ingeschakeld? Mijn rechterwijsvinger was al onderweg naar de stereo om die om te zetten van cd naar radio, toen de muziek werd afgekondigd. Dus het was toch de radio! Ik had drie keer Chopin in mijn muziektorentje. Als ik de knop van de cassettespeler indrukte zou ik die ook gehoord hebben.

Ik hoop overigens dat Fedorova nog eens een cd uitbrengt met alleen maar nocturnes van Chopin. Nu schrok ik bijvoorbeeld toen ik de cd opzette en een onstuimige Grande Valse hoorde. Ook mooi, maar ik houd toch iets meer van de ingetogen Chopin en die heeft Fedorova ook in haar vingers.

Moge aldus geschieden: Chopins nocturnes uit de vleugel getoverd door Anna Fedorova. Ik koop die meteen. Ik weet trouwens ook een uitstekende titel voor de cd: Nocturnes – Chopin. Wat dacht je daarvan? Dat is toch veel fraaier dan ‘Shaping Chopin’. Dat is namelijk wel een minpuntje van de cd, die titel met dat infantiele woordspel. Shaping Chopin.

20 september 2021

Kastanje

Vanuit het appartement van Jaap Zijlstra aan de Keizersgracht had je uitzicht op een grasrijke binnentuin met daarin een kolossale kastanjeboom. Jaap keek er graag naar, zei hij een keer. Hij vertelde toen ook dat hij en andere buurtgenoten er op een mooie late zomeravond bij elkaar kwamen om met elkaar iets te drinken. Ook op een vijfde sepember om er Jaaps verjaardag te vieren. Ze zongen dat hij maar lang moest leven in de gloria en dat ze heden zo blij waren, want ‘Jaap die was jarig, Jaap die was jarig.’ Ze zongen geen Japie zongen, ze zongen ‘Jaap die’. En toen was het stil.
Jaap dankte hartelijk en vertelde erbij dat er thuis na dit couplet ook altijd een tweede couplet volgde en dat hij dat zo mooi vond. Daarom zong hij in zijn eentje bij die grote kastanjeboom wat vroeger zijn ouders zongen voor hem: ‘‘k Hoop dat onze lieve Heer, Jaapje zal sparen, Jaapje je zal sparen. ‘k Hoop dat onze lieve Heer, Jaapje zal sparen het volgend jaar weer.’
Terwijl hij het vertelde, keek hij door het raam naar de boom alsof hij en het gezelschap van die mooie avond daar nog omheen zaten. Ik vermoed dat hij dit een jaar of tien geleden vertelde. Intussen is hij al zes jaar dood en ik heb geen idee hoe het nu met die boom is.
Ik moest er onlangs aan denken, aan die boom toen ik las dat de groene plekken met grote bomen achter Amsterdamse grachtenpanden een kwijnend bestaan leiden omdat bewoners helemaal geen zin hebben in moeizaam tuinonderhoud. Ze betegelen liever.

En toen betrapte ik me op de dwaze gedachte dat die boom van Jaap er niet meer was, dat die het niet had gered. Het was maar even, gelukkig, want ik verhaspelde de boom van Jaap met die van Anne Frank, die boom die meer dood dan levend in 2010 omwaaide. Of er op die plek bij het Achterhuis een nieuwe boom is gekomen, weet ik niet. Wel weet ik dat er op heel veel plaatsen Anne Frankbomen te vinden zijn, bomen die groeiden uit kastanjes van de boom waar zij in haar gevangenschap aan de Prinsengracht zo regelmatig naar keek.

Gisteren fietste Lukas met Markus op diens loopfietsje in zijn kielzog voor ons uit om ons te laten zien hoe makkelijk je bij zijn nieuwe school kon komen, de Anne Frankschool in Bunnik. Lukas ontdekte er een klasgenootje en de twee sloegen aan het spelen, zodat ik alle tijd had om ook de kleine kastanjeboom bij de school in het oog te krijgen. Er staat een bordje bij dat vertelt dat deze boom is opgekweekt uit een zaailing van de boom van Anne Frank. Het boompje werd in 2014 op deze plek gezet. Markus beklom intussen een zandhoop met het jongere broertje van de klasgenoot.

Het verhaal van Anne Frank is natuurlijk een en al ellende. Het is daarom paradoxaal genoeg maar goed dat er scholen zijn die haar naam dragen, al was het alleen al om haar lot zonder het te vergeten niet het laatste woord te laten hebben.

Zojuist Liesje naar huis gebracht. Ze wees onderweg op een poster van de film over Anne Frank. ‘De vriendin van Anne Frank leeft nog. Wist je dat opa?’
Kastanjes waaien om, Anne Frank werd vermoord, Jaap Zijlstra is dood. Maar kinderen leren fietsen en ze leren Anne Frank kennen. Op veel plaatsen in de wereld vallen kastanjes van Anne Frankbomen. Ze worden opgeraapt door meisjes en jongens. Vriendjes van Anne Frank
‘k Hoop dat onze lieve Heer…’

17 september 2021

Iets met een sokkel

Het komt door haar kleding. Sigrid Kaag hult zich geregeld in het blauw dat ik ook ken van Koekiemonster en Grover. Daarom dus slingert door mijn hoofd regelmatig een flard van het lied dat die twee lang geleden zongen in Sesamstraat: ‘Pluizig en blauw, ja, ik ben pluizig en blauw. Precies de kleur die ik wou: pluizig en blauw.’ Nu is Kaag helemaal niet pluizig, maar dat blauw maakt de associatie blijkbaar onontkoombaar. Het is verleidelijk om op zoek te gaan naar diepere verbanden tussen de poppen van Sesamstraat en deze minister, maar ik zou niet zo gauw iets kunnen vinden dat niet te ver gezocht is. Bijvoorbeeld dat beide poppen mijn sympathie hebben, hoewel er het nodige op ze valt aan te merken en dat dat in zekere zin ook geldt voor de als minister gevallen vrouw. Of is het juist omgekeerd, dat er juist niet veel op haar aan te merken is, maar dat iets me ervan weerhoudt haar mijn volle sympathie te geven. Ik weet het niet, of liever: tot een paar weken geleden wist ik het niet.

Gisteren ging Ephimenco in Trouw in op de reactie van Kaag toen bleek dat de Fransen al veel eerder en zonder uitdrukkelijk overleg waren begonnen om mensen uit Afghanistan te halen. Zij was furieus. Het was min dat de Fransen zo stiekem hadden geopereerd. Zo kun je toch geen partner zijn. Ze stond zich voor de camera en de microfoon van de NOS zichtbaar op te winden en ik werd boos op haar toen ze dat zei. Over min gesproken, wat was dat voor idiotie om op het moment dat het op je eigen verantwoordelijkheid aan komt om je heen te gaan slaan? Hoe durfde ze. Ze tuimelde van haar voetstuk, toen.

Ik noem dit een Adampje. Adampjes komen tamelijk veel voor en zijn de wortel van alle kwaad.
In het Bijbelboek Genesis wordt de komst van de zonde gekoppeld aan het moment dat Eva een vrucht eet waarvan God had gezegd dat niet te doen. Persoonlijk vind ik dat zo zondig niet. De echte eerste zonde slaat pas toe als God Adam ter verantwoording heeft geroepen en deze onmiddellijk naar Eva wijst: zij, ‘de vrouw die u mij gegeven hebt’, heeft hem daartoe aangezet.
Dat heb ik altijd een misselijke streek gevonden. Niet omdat hij zijn vrouw verlinkte en God zelf en passant ook nog even voor gek wil zetten, dat ook natuurlijk, maar vooral omdat hij zichzelf daarmee buiten spel probeert te zetten. Kinderachtig kereltje, die Adam.
En dat deed Kaag een paar weken geleden dus ook.

Nu trapte de wereld daar niet in en uiteindelijk was zij van haar kant dapper genoeg om wel de consequenties van fouten te aanvaarden, maar dat had niet eens zozeer met dit moment van kinderachtig wegwijzen te maken.
Intussen maakte Ephimenco gisterochtend dus duidelijk dat dat beschuldigende vingertje van vorige maand, met die merkwaardige boosheid in de richting van Frankrijk helemaal niet klopte. Dat land had helemaal niet geheimzinnig gedaan en Nederland had best bij Frankrijk kunnen aankloppen.

Maar voor ik dat las, was het voor mij dus al even voorbij met Kaag.
Of dat zo blijft weet ik niet. Wie weet komt ze straks toch weer op een voetstuk en klap ik daarbij vrolijk in mijn handen terwijl ik enthousiast sta te zingen van ‘pluizig en blauw’ en ‘precies de kleur die ik wou’, wat niemand dan begrijpt. Dat geeft niet. Ik snap het zelf ook niet zo goed.

16 september 2021

Schuursponsjes

Het is mijn derde glas koffie deze morgen en voordat ik mijn hand aan dit stukje sloeg, besloot ik ook maar even een stroopwafel te pakken. 10.53 zeiden zowel computer als de display op de radio, dus dan mag dat wel.
In de kast onder de trap trof mijn hand blindelings een aangebroken pakje aan, maar mijn oog zag een zakje met nog maar één stroopwafel. Die moest eerst op. En toen dus zag ik nog een pak, nog ongeopend. Kortom: we barsten van de stroopwafels hier.

Dit is geen uitnodiging om langs te komen, al ben je hartelijk welkom, dit is een verontrustende mededeling. Van de kelderkast naar dit toetsenbord nam ik daarom, met een stroopwafel in mijn hand even een omweg om mijn schrik te bevestigen. En zie: ik trof zes volle tubes tandpasta, net zo veel tubes huidcrème, drie flessen van mijn favoriete bodymilk en literfles met shampoo, zestien opzetstukken voor mijn tandenborstel, er is scheerolie onderweg, weet ik, en, o ja, ik tel 21 ongebruikte scheermesjes. Dan heb ik het niet over het lijstje met mensen die ik graag wil bezoeken, dat lijstje waar jij ook op staat. Gisteren reden we door het land langs plekken waar we nodig eens een weekend of midweek moeten doorbrengen en alweer gingen we niet naar het Veluws Museum, hoewel we dat al heel lang willen en het al minstens even lang op het lijstje staat van musea die we graag een keer zouden bezoeken. En dan willen we ook nog eens tien levensgrote olieschilderijen kopen.

Al dat fysieke en mentale hamsteren van spullen en voornemens, zou dat niet een gevalletje ouderdom wezen? De shampoo bijvoorbeeld zal ik van mijn levensdagen niet op krijgen, bij gebrek aan haar, ja, maar ook bij gebrek aan jaren. Dat geldt ook voor de literfles inkt op mijn bureau, waar ik altijd met plezier naar kijk, maar die mij ruim zal overleven.

Je kunt van dat hamsteren twee dingen zeggen. Echt ernstig wordt het als je niet meer weet dat je iets kort geleden ook al kocht. Dan strijkt alzheimer met een vleugel langs je gezicht.
Ooit hielp ik bij het ontruimen van een huis aan de Tolsteegsingel omdat de oude mevrouw die er tot dan toe woonde naar een verzorgingstehuis moest (zoiets moet namelijk). We troffen 160 schuursponsjes aan. Tientallen keren had tante Mieps ze in een winkel zien liggen en het kon niet anders of elke keer had ze gedacht dat ze die wel kon gebruiken, hoewel ze toen al niet meer voor zichzelf kookte.
Daaraan gaat, vrees ik, een periode van slinks protest vooraf. Je claimt nog hele brokken toekomst met voorraden tandpasta, huidcrème en agendapunten. En pas als alle koek op is en de inktfles, wordt het tijd om je te gaan richten op een toekomst die er niet meer is omdat je dan inmiddels de honderdzevendertig bent gepasseerd en lang voordien de vleugel van Alzheimer veranderde in een klauw.

Ik zou nu kunnen beginnen om alle boeken in huis te gaan lezen die ik nog niet las of die ik goeddeels vergeten ben. Of wacht ik ga 250 gedichten uit mijn hoofd leren, want zoveel moet je toch minstens paraat hebben. Integraal.
Ik kan het ook uitstellen; tijd genoeg.

Ineens zie ik weer die verontrustende hoeveelheid schuursponsjes voor me van tante Mieps.

14 september 2021

Grutto’s zijn terug

Moet ik het nog wel hebben over de grutto’s op Waiheke? Daarover heb ik het vorig jaar al uitgebreid gehad en veel meer dan wat ik toen zei, is er niet over te vertellen. Anders is wel dat de eerste grutto’s zelden zo vroeg op Black Pool Beach neerstreken als nu. Dat lees ik in ieder geval in het krantenartikel dat Pieter me toestuurde. Ian Popplewell, vertelt het bericht, spotte de eerste drie grutto’s van het jaar op 7 september. Deze Ian houdt dat allemaal scherp bij en hij kon ook vertellen dat het in ieder geval voor het eerst in vijf jaar is dat de grutto’s zo vroeg arriveren. Hoeveel vroeger? Dat vermeldt het artikeltje niet. Wel dat het om drie ‘kuaka bartailed godwits’ gaat, want de ene grutto is de andere niet.
Het artikel begint euforisch met de mededeling dat de lente dit jaar blijkbaar eerder inzet dan anders. Enige vreugde kan men in Nieuw-Zeeland wel gebruiken, nu er zo plotsklaps weer een lockdown heeft toegeslagen, maar ik vraag me af waarom die vogels eerder zijn gearriveerd en dus ook eerder zijn begonnen aan hun reis die voerde van Alaska naar de Black Pool waar mijn zwager en schoonzus dagelijks wandelen, soms met, soms zonder hond. Zij zullen die Ian Popplewell vast wel kennen trouwens.
Die vogels zullen niet vertrokken zijn omdat het voorjaar zo vroeg inzette in Nieuw-Zeeland, er moet eerder iets aan de hand zijn geweest in Alaska waardoor ze besloten om maar te vertrekken. Gevalletje klimaat? Een aanhoudende depressie? Is er toch iets veranderd aan de inwendige klok van die beesten?
Intussen behoren deze grutto’s tot de weinige wezens die probleemloos welkom worden geheten in Nieuw-Zeeland. Geen quarantaine, niks. Ze mogen hun heil zoeken in de Black Pool en vandaar de verdere omgeving afstruinen, in groepen en zonder snavelkapje. Zij wel. Vogels zijn immers vrij om heen en weer te vliegen, of het nu is van Alaska naar Waiheke of van Oost- naar West-Berlijn. Dat laatste zeg ik omdat spontaan Harrie Jekkers begint te zingen, ergens vanuit een zolderkamertje onder mijn schedeldak.

Moet ik het wel over ze hebben, vroeg ik me dus af. Maar ik merk dat ik toch al weer een week aan ze denk en ze daar in gedachten zie rondlopen. Sinds ik ze daar twee jaar geleden zelf bij tientallen zag, vooral ’s ochtends en ’s avonds, ben ik grutto’s in Nederland steeds meer gaan missen. Op foto’s die ik vijftien jaar geleden maakte, kom ik ze vaker tegen dan nu. En dat terwijl ik nu veel meer mijn best zou doen om ze te fotograferen dan toen.

De afgelopen week heb ik in weilanden grote groepen ganzen gezien. Zouden die zich, aan deze kant van de wereld, al opmaken om weg te trekken? Of waren deze ganzen al onderweg van elders naar elders en hielden ze hier even halt. Langs de Vecht kwam ik de ooievaars weer tegen, afgelopen zaterdag. Ze stonden nogal dicht bij elkaar en dus moest ik drie keer tellen, het waren er 50, nee 47, nee 49. Nou ja, zo iets. Klaar voor vertrek?
Nu zijn ooievaars en ganzen geen grutto’s, maar door die verre grutto’s die denk ik weer aan de grutto’s die dichtbij zouden moeten zijn, en bij de trek van andere vogels.Misschien zie ik over een maand op Terschelling door een keukenraam weer koperwieken. Koperwieken die nu nog in Rusland zijn.
De lyricus in mij zou kunnen zingen van die bijzondere ontmoetingen tussen vogel en mens, levensreizigers. Ik doe het niet: de vogels zouden me erom uitlachen.

13 september 2021

Een gulden

De tiende verjaardag van mijn grote broer maakte mij de zoveelste eigenaar van diens oude groene fietsje. Het was nog iets te groot voor iemand van nog geen zes. De lak was mat van ouderdom, er zaten scheuren in de kettingkast waar een trapper langs schuurde. Het was een onooglijk geval. Zolang de fiets me nog te groot was, bleef ik vooral steppen.
Begin juni 1959 brachten mijn vader en ik hem naar Wim Ton, de fietsenmaker. Op mijn zevende verjaardag, wist ik nu, kreeg een opgeknapte fiets, zoals ik ook wist dat er op mijn tiende een hele nieuwe zou komen.
Het groene fietsje kwam terug als glimmend zwart geval en de kettingkast was vervangen door een strak, modernistisch half model. De bel, de handvatten, de lamp, de banden, alles was nieuw. Ik was dan wel de honderdste eigenaar, maar zelden was er zo in een fiets geïnvesteerd.

Ik heb er veel mee gefietst, het hele Westland door. Dat de ketting er om de haverklap af liep, was niet eens zo’n probleem met die open kettingkast; ik werd er steeds handiger in om de ketting weer om het tandrad voor een achter te leggen. Een enkele keer liep de band uit de velg, wat misschien te maken had met een andere maatvoering, dat weet ik niet, maar vervelend was het wel, vooral omdat de binnenband soms tevoorschijn sprong en scheurde. Ik heb ook veel gelopen met die fiets.
Een unieke eigenschap was dat de fiets spontaan kon doortrappen. De ketting raasde rond, maar de achteras zette het achterwiel niet meer in beweging. Het lukte meestal wel om de boel weer in het gareel te krijgen. Omgekeerd kon ik de fiets van de trapstand in die van het luchtledige trappen krijgen. Daarmee had ik in de rol van clowneske acrobaat enig succes.
Toch fietste ik rond mijn negende vaker op de fiets van mijn moeder dan op de mijne. Ik kon dan wel niet bij het zadel, maar ik hoefde geen rekening te houden met een ketting die eraf liep of dat rare loze doortrappen.

Het fietsje heeft mijn tiende verjaardag niet gehaald. Op een dag reed Rinus van Eck langs met zijn ijzeren hond en zijn onnavolgbare kreet met een rollende r die ook op een g leek: lorrrre! Het klonk van geen kant, maar paste goed bij het schrille geluid van de motor van zijn karretje.
Het was nog voor schooltijd toen we hem hoorden. ‘Lorre!’
Mijn vader schoot achter zijn bureau vandaan om de voordeur open te doen. ‘Pak jij gauw je fiets,’ zei hij tegen mij. Het zal de enige keer zijn geweest dat ik die door het huis heen sleepte.
Ik volgde de onderhandelingen vanaf een traptree. De lorrenboer en pa werden het eens bij één gulden. Veel was dat niet voor mijn toch wel bijzondere fiets, maar in gedachten zag ik de gulden al in mijn spaarpot glijden.
‘Oké, zei mijn vader, ‘een gulden’ en hij hield zijn hand op.
‘Nee, nee,’ zei Rinus, ‘ik neem dat kreng mee als jij mij een piek geeft.’
Ik was geschokt. Natuurlijk zou er geen geld uit mijn spaarpot gehaald worden om van die fiets af te komen, maar het gemak waarmee mijn vader met deze wending in de transactie omging, vond ik ronduit verbijsterend. Ook verbijsterend vond ik het dat mijn vader mij na het vertrek van Rinus grinnikend aankeek. Ik had het lef niet om mijn spaarpot ter sprake te brengen.
Onderweg naar school kwamen we Rinus nog tegen. ‘Lorrrrre!’
‘Kijk, daar gaat mijn fiets,’ zei ik tegen Dirk.

12 september 2021

Leren fietsen

‘[…] wat mij deed denken aan mijn eerste fietstochtje door die smalle poort in Monster. Dat was op het doortrappertje van Jeanette, van vijf huizen verder. Toen eindigde ik met een klap tegen het muurtje van een druivenkas.’ In het stukje van gisteren was dit een tussenzin. Ik sta er even langer bij stil.
Op mijn vijfde had ik geen fiets. Die kreeg ik later en dat was een afdankertje van mijn broer die op zijn tiende een nieuwe fiets kreeg. Zo werd ik de vierde in het gezin die verder mocht op dat ding en het kan niet anders of het was al een oud geval toen mijn oudste zus hem kreeg.
Fietsen leerde ik op twee andere fietsjes die mij in beide gevallen liefdevol ter beschikking waren gesteld door twee meisje van mijn leeftijd, die dus al wél konden fietsen en die er dus ook al eentje hadden, terwijl ik nog lopend en steppend door het leven moest. Ik was erg verliefd op de twee meisjes van de fietsen.. Ik was sowieso een kleuter die zijn hart makkelijk verloor en daarbij niet keek op een uitverkorene meer of minder. Maar Annemarie van het rode en Jeanette van het blauwe fietsje stonden in de top vier.
Annemarie zat bij me in de klas, op de kleuterschool, maar ook op de lagere en de middelbare. En altijd was zij het mooiste meisje van de klas op wie alle jongens verliefd waren. Op haar veertiende werd zij de eerste Miss Westland. Maar als jochie van vier of vijf mocht ik haar fietsje lenen. Voor mij was het geen punt om naar school te lopen, maar zij woonde nog veel verder daar vandaan dan ik. Vandaar haar rode fietsje.
Ik vroeg er niet om, nee, ze liep naar me toe met het fietsje aan haar hand en vroeg of ik het ook wilde proberen. Binnen de kortste keren had ik het stuur dwars op het frame en sloeg ik tegen de tegels. Sloeg, ja, en mijn rechterknie werd even rood als het fietsje, maar dan van het bloed. Annemarie sloeg haar arm om me heen en voerde me door een haag van zeer geïnteresseerde kleuters naar de deur van het schooltje waardoor de juf alweer naar buiten kwam gerend, met jodium en pleisters. Maar ze besloot dat ik beter mee naar binnen kon. Ze moest de wond eerst wassen.

Was die al genezen toen Jeanette me op een zaterdagmiddag haar blauwe fietsje gaf om op te fietsen? Jeanette was mooi, een beetje stug, we speelden graag samen, maar ze was katholiek dus we zaten niet bij elkaar op school. Ze woonde toen nog vijf huizen verderop, aan de andere kant van ons buitendorpse rijtje, zodat we ook de poort deelden. Daar karde ze heen en weer en nu moest, mocht ik het ook proberen. Dat ging nog wel aardig ook. Ik slingerde wel, maar kwam niet tegen de muur rechts en de schutting links. Stoppen was lastig, maar dat werd het pas echt toen ik het fietsen onder de knie begon te krijgen, al is dat een wat minder geslaagde uitdrukking in dit verband, want door mijn vaart lukte het niet meer om tijdig af te remmen bij de haakse bocht in de poort en daardoor knalde ik tegen het muurtje van de druivenkas van Lagerweij. Deze keer viel ik naar links en kreeg mijn linker knie de volle laag. Er was ook geen haag kleuters; er waren de drie grote broers van Jeanette die me hartelijk uitlachten, de etters. Jeanette lachte niet mee.

11 september 2021

Auf Flügeln

Er werd gebeld. De jongste vertelde dat Lukas iets moest zeggen. Die kwam onmiddellijk tot de essentie van dit gesprek: ‘Ik kan fietsen.’ Daarna volgde het tweede, bijna even belangrijke punt: ‘En oma moet komen kijken.’ Vervolgens: ‘En jij moet ook kijken, opa.’ Dat laatste ging niet over straks, maar over dit moment zelf.

Wat oma betreft: die was er niet, dus die kon niet stante pede naar Bunnik vertrekken. Wat dat kijken van mij betreft, was er een ander probleem. Lukas bedoelde dat ik nu meteen maar via de camera van zijn moeders mobieltje zijn juist verworven rijwielvaardigheid moest bewonderen. Zijn vertrouwen in de techniek en de handigheid van zijn moeder was zo groot dat hij meteen wegspurtte, nog voordat zijn moeder hem kon zeggen dat dat helemaal niet kon. Zij had ons namelijk via onze vaste telefoon gebeld en die heeft nu eenmaal geen camera. Van een eerder ruim rondje van wel driehonderd meter om een grasveld had ze overigens een filmpje gemaakt en dat was me al per app toegestuurd. En zo kon ik via de huistelefoon een live verslag horen terwijl ik in beeld de vorige ronde zag die in niets verschilde van het huidige rondje. Ik leverde luid enthousiast commentaar. Dat leek zinloos, want de fietsende Lukas kon dat helemaal niet horen, maar zijn broertje was bij de commentatorpost van zijn moeder gebleven en hij beleefde alles simultaan. Ook hij was enthousiast, al ging hij zometeen wel even laten zien hoe gaaf hij bochten kon maken op zijn loopfiets, want ja, een beetje jaloezie was er ook. Ik neem aan dat Markus eerder zonder zijwieltjes door het leven zal gaan dan zijn broer. Dat is een kwestie van karakter, van stimulerende achterstand, waar jaloezie deel van is, en laten we het belang niet vergeten van het goede voorbeeld dat zijn grote broer van vijf hem nu gaf.
De finish op het filmpje was anders dan de finish van de huistelefoon. Op mijn mobiel zag ik hoe hij remde door de punten van zijn sandalen haaks over de stoeptegels te laten schrapen, waarbij ik natuurlijk het ergste vreesde voor zijn tenen. Dat was, begreep ik, al veel beter dan de eerste keer, toen hij tot stilstand kwam tegen het bankje voor het huis (wat mij deed denken aan mijn eerste fietstochtje door die smalle poort in Monster. Dat was op het doortrappertje van Jeanette, van vijf huizen verder. Toen eindigde ik met een klap tegen het muurtje van een druivenkas).
De actuele ronde waarvan ik via de vaste telefoon getuige was eindigde voorbeeldig. Lukas remde en zette toen hij bijna stilstond zijn voeten op de grond. Bij zo’n landing zouden ze bij de Nasa van blijdschap uit hun dak gegaan zijn.

Een paar uur later fietsten wij door de stromende regen naar Bunnik. We zouden er eten en daarna, nee, niet ervoor, mocht Lukas zijn kunsten nogmaals vertonen. En zo is het gegaan.
Het valt me op dat die fiets nu al in zijn lijf zit, hij maakt fraaie bochten en zijn lijf beweegt even soepel als vanzelfsprekend mee. Toen ik een dief bleek en hij de politie was die achter me aankwam, wist hij me met een slimme zwenking in te halen en me af te snijden, maar het was zijn broertje die datzelfde op zijn loopfietsje zo scherp deed dat ik over hem struikelde zodat ik echt geen kant meer op kon. Zo doe je dat.

09 september 2021

Met de fiets mee

Hun verhuizing past heel goed in mijn fietspatroon. Vandaag fietste ik twee keer naar Bunnik en elke keer nam ik een jongetje mee terug. Hoe lang we dat vol kunnen houden, weet ik niet. Wat mij betreft nog heel lang, maar die kinderen zitten negen kilometer stil. Ze dragen hun lot tot nog toe blijmoedig maar wat als de temperaturen dalen?
Toen ik vanmorgen met Markus op het zadeltje voorop ik onze straat in gereden kwam, stak Mente juist over naar de overburen. ‘Oma!’ zei ik tegen Markus alsof hij een hond was en Mente niet zijn grootmoeder, maar de weggeworpen bal die hij moest pakken. En inderdaad, toen ik hem van de fiets had getild, spurtte hij weg.
Nee, dat deed hij niet, al probeerde hij het wel. Dit was geen rennen; dit was snelwaggelen. Alles aan hem was nog stijf. Dat duurde niet lang, want toen hij met de bal, ik bedoel met Mente, terugliep, bewoog hij weer zoals je dat van een driejarige mag verwachten.

Een paar uur later kon je me weer in Bunnik aantreffen, nu om daar voor de eerste keer Lukas van school te halen, zijn nieuwe school dus. Ik stelde me voor hoe ik niet meer bij zijn oude school op Zuilen stond en dat er ook niemand was die mij miste nu ik daar niet meer stond te wachten. Een mij onbekende juf keek me vragend aan. ‘Lukas,’ zei ik. ‘Lukas,’ riep ze naar binnen en ‘je opa.’ En daar was hij.
Waarschijnlijk had hij zijn rugzakje net omgedaan, maar in de deuropening moest het alweer af, zodat hij me die meteen kon laten zien.
‘Zie je dat, opa? Het is een echte haai.’ Hij was trots op zijn nieuwe rugzak. De vorige kreeg ik altijd onmiddellijk in mijn handen gedrukt, maar deze ging weer om: bandjes om de schouders en ook de sluiting voor zijn borst klikte hij dicht. Hij zag er heel keurig uit met dat nieuwe rugzakje.

‘Je bent iets vergeten!’ riep een klasgenootje. Of Lukas begreep waarom het ging, weet ik niet, maar hij had wel direct door dat die opmerking voor hem bedoeld was. Even later stapte hij opnieuw naar buiten met in elke hand een beplakt doosje dat ik verder niet zal beschrijven. Die moest ik wél vasthouden.
‘Ze zijn voor oma,’ zei hij bij de fiets, ‘want ik houd veel van oma.’
‘Alle twee?’
‘Ja, alle twee, want ik houd heel, heel veel van oma. En ik houd ook van knutselen.’
Terwijl ik rugzakje en knutsels in een fietstas schoof, varieerde hij op zijn eerdere uitspraak door te zeggen dat hij heel, heel, heel veel van oma hield, ‘want ik heb geen twee knutels gemaakt voor oma, ik heb er drie gemaakt: er zit er ook nog eentje in de rugzak.’ Ik bewonderde hem om zijn taalgevoel en om de juiste keuze van zijn hart. Dat eerste zei ik niet, het tweede wel. ‘Dat snap ik best, ja, ik houd ook heel, heel veel van oma.’ Twee keer ‘keer’, ik moest hem niet willen overtreffen.

‘Zijn we er al?’ vroeg hij toen we nog niet in de stad waren. Hij liet zijn hoofd even tegen mijn rug bonken.
Ik noemde hem wat ‘piketpaaltjes’ op de route om naar uit te kijken. Je kunt inderdaad beter fietsen dan gefietst worden.
En nu zitten de jongetjes weer samen op de fiets, bij hun moeder deze keer. Eentje vóór en eentje achter.

08 september 2021

Het is goed zo

Voor de begrafenis in Maastricht namen we de trein. De dood die ons voor dit uitstapje uitnodigde kwam onvoorzien en was onaangenaam, maar we voor de trein een dag vrij reizen. Als we dat combineerden met een OV-fiets, dacht ik, dan moest dat allemaal goed komen. Zo had de dag genoeg aan zijn droeve besteding.
Ruim voor de uitvaartdienst zaten we op het Vrijthof aan de Limburgse vlaai en dat in de schaduw van de Sint-Janskerk waar we dienst zou plaats vinden.

Vandaar naar het kerkhof was drie kilometer, dus de afstand kon het probleem niet wezen en dat gold voor de route: vooral rechttoe rechtaan. Ik had al verschillende mensen uit het zicht zien verdwijnen toen ook wij vertrokken. Ook de dame met de kleurige stenen om de rand van haar jurk. Zij had net als wij een blauw-gele OV-fiets. De Tongerseweg is niet alleen lang maar loopt ook flink omhoog, merkten we. Nu ben ik een fietser; Mente is dat veel minder, dus toen ik na een tijdje achter me keek, zag ik haar nergens. Ik keerde terug. Daar liep ze. Mijn aanbod om haar te duwen was natuurlijk bijzonder vriendelijk en ook welgemeend, maar ik had dat beter wat eerder kunnen bedenken, de belangrijkste klim hadden we namelijk al gehad. Wel was Mente niet van plan om na de begrafenis op ‘die fiets’ naar de nazit in Cadier en Keer te rijden. We zouden wel een taxi nemen.
Het verbaasde me om toen pas de vrouw met de steenrijke jurk en de OV-fiets te zien verschijnen. Hoe kan dat nou? Ze was erg rood geworden.

Na afloop belde ik in de schaduw van een kerkhofmuur om een taxi. Die zou over kwartier komen. We nodigden de vrouw van de derde OV-fiets uit om met ons mee te gaan. Zij ging liever fietsen. Het was maar zeven kilometer. Ik gaf haar gelijk. De taxi kwam pas na een half uur.
Of je nu naar het zuiden of naar het oosten gaat, je moet klimmen. Maastricht ligt in een kom, dat zag ik wel terwijl we ons in de taxi naar de ontmoeting met nabestaande lieten brengen. Op een gebouw vertelden verlichte cijfers dat het 28 graden was. Pas na een paar gesprekken, toen ik me al had neergelegd bij het idee dat wij de laatsten waren, zag ik de vrouw op de OV-fiets aankomen. Ik had niet kunnen denken dat zij nog roder kon worden, maar zo was het wel.

De taxi kostte 25 euro en dat bedrag zouden we ook kwijt zijn voor een taxi die ons terugbracht naar het kerkhof waar we onze fietsen hadden achter gelaten. En dan ook nog een half uur wachten. Mente vond me een krent en ik vond haar geen fietser en de bus die uiteindelijk als alternatief diende bracht ons naar het station. Daar moesten we overstappen en zo kwamen we bij de fietsen waarmee we nu dus weer terug moesten naar datzelfde station.

Op het station checkte Mente in. Er werd plotsklaps vol tarief gerekend, terwijl ik had gezegd dat we na zes uur weer van ons recht op vrij reizen gebruik konden maken. Het was kwart over zes. Weer uitcheckten lukte niet. De rode vrouw kwam aangehold.

We kochten iets te eten en te drinken voor de terugweg en daarna lukte het uitchecken wel. Om vijfvoorhalfzeven sloeg ook de mogelijkheid tot vrij reizen weer toe.
Om kwart voor negen waren we thuis en zag we terug op een warme, vermoeiende dag met ongemak. Het was goed zo. Verlies van een dierbare verdient ongerief.

07 september 2021

Voorwoord

In zijn voorwoord bij de Duitse vertaling van ‘Is dit een mens’ schrijft Primo Levi: ‘Ik kan niet begrijpen, niet verdragen dat men een mens beoordeelt niet naar wat hij is, maar naar de groep waar hij toevallig toe behoort’, met de nadruk op ‘toevallig.’ Dat schreef hij in 1961. Het zijn niet letterlijk deze woorden, maar wel woorden van gelijke strekking die op de bodem van mijn bewustzijn terecht gekomen zijn toen ik boeken begon te lezen van oorlogsslachtoffers.
Ik heb lang gedacht dat dat voor iedereen gold.

Gisteravond zag ik Joost Eerdmans op tv. De toevloed van Afghanen is zorgwekkend. Ik vroeg me af op grond waarvan hij kon menen dat genoemde toevalligheid een groep mensen het recht verschaft om zichzelf als rechthebbenden en anderen als mensen te kwalificeren die geen recht hebben op een redelijke bestaan. Dat zouden niet anders zijn dan profiteurs die uit zijn op de aangename Nederlandse ruimte waarvan Eerdmans cum suis net zo goed willen profiteren en waar een ander toeval ze naartoe bracht.

Stel dat het lukt om de opdringerige exoten tegen te houden en eventueel te elimineren door ze het land uit te zetten, die –ezen en –anen. Is het dan klaar? Houden in essentie racistische bewegingen op te bestaan als er een bepaald ‘verzadigingspunt’ is bereikt? Vanaf nu gaan we samenleven? Zo, nu is het genoeg.
Ik ben bang van niet. Ik ben bang dat zonder tegenbeweging de hang naar eigenheid gevoed zal blijven worden, waarbij er alleen maar ruimte is voor één specifieke soort mensen, namelijk de osm’ers, ons soort mensen. Wordt die kring niet telkens eenkenniger en beperkter?

Het zijn opvattingen waarvan ik dacht dat we ze zouden doorzien en ontmaskeren toen we mensen hoorden en lazen als Primo Levi, Elie Wiesel, Abel Herzberg, Hannah Arendt, Simon Wiesenthal, Emmanuel Levinas. Allemaal joden, ja, allemaal slachtoffer van een eenkennig regime ook, allemaal slachtoffer die desondanks het gesprek wilden blijven aangaan met anderen.

Maar ach, dit zijn natuurlijk puberale gedachten, van iemand die niet weet hoe groot de angst behoort zijn voor wat niet eigen is.

06 september 2021

Van Veen

Via een uitgebreide controle die voor de ingang van de schouwburg twee flinke rijen opleverde waren we binnen gekomen. De rijen slonken snel. Ieder stond braaf met een mobieltje of een uitdraai klaar. ‘Eerst de coronacontrole,’ hoorde je hier en daar iemand van de schouwburg roepen. ‘De kaartjes doen we binnen.’ Het gaf telkens weer wat nerveus gedoe links en rechts van me, want zoiets hoor je allemaal een keertje voor het eerst en de een pikt die informatie en de consequenties ervan sneller op dan de ander. Dat geldt trouwens ook voor de apparaatjes waarop de app van de coronacheck is geïnstalleerd. Ik had mijn QR-code snel te pakken, maar Mente bijvoorbeeld niet. Ze werd samen met een andere dame naar de zijkant geloodst waar een vriendelijke suppoost het probleem verhielp. Ik meld die andere vrouw omdat haar handen begonnen te trillen en er nerveuze spasmen over haar gezicht trokken. Heel herkenbaar. Wij zijn wel heel erg overgeleverd aan techniek die verleidelijk makkelijk en efficiënt mag lijken, maar die evenzogoed grillig kan zijn en ondoorgrondelijk. Had ik trouwens bij Mente die app wel goed op haar mobieltje gezet? Mente was vele malen rustiger dan de vrouw voor haar die me nu passeerde en van wie het gezicht op huilen stond, van vreugde deze keer.
Het euvel met de apparaten was geen euvel. Het ging om het gebruik van internet versus wifi en dat zag ik de suppoost dus steeds doen: de schouwburgwifi inschakelen. Daarna deed de app zijn werk en betraden de bezoekers een wereld zonder corona en de daarbij behorende regels.

Gedrang was er niet in de duistere gang waardoor mensen van de hal naar de linkerkant van dezaal liepen. Maar we liepen er schouder aan schouder. Dat was heel lang geleden. Toch ging er niets bijzonders door me heen. Anderhalf jaar geleden, mompelde ik nog, om toch nog enige bijzondere emoties aan mezelf te ontlokken. Het werkte niet.

Dat gebeurde pas in de zaal. De rijen vulden zich. Ik had verwacht dat we verspreid zouden zitten, maar niks daarvan: alles kwam vol te zitten.
In de kerk waren we voor de viering van afgelopen zondag nog druk bezig geweest om de rijen en stoelen dusdanig te ordenen dat er tussen de eenheden van het gelukkig weer toenemend aantal bezoekers nog iets bleef bestaan dat op anderhalve meter leek. Een CO2-meter controleerde er de frisse lucht. Maar hier in de schouwburg, bij Herman van Veen, leek corona niet bestaan te hebben. Dat vond ik vreemd. Het voelde zelfs een beetje onaangenaam dat er rechts naast me een wildvreemde kerel ging zitten.
Op het podium stond een doorgewinterde artiest die met nieuwe en soms oude nummers in essentie niets nieuws bracht en die dat ook niet hoefde te doen, want je gaat niet naar een 76-jarige Herman van Veen omdat hij nu met ‘something completely different’ komt. Het werd een aangename avond.

Als zeventienjarige raakte ik in mijn eentje verzeild in de Albatros, een jongerencafé in Meppel. Ik dronk er een cappucino en bladerde in een tijdschrift, maar had heus wel in de gaten dat iets verderop twee meisjes het over mij hadden. Ze wezen, haalden er de barkeeper bij: daar zat Herman van Veen. Ik bleef verdiept in het tijdschrift. Nu in de zaal vraag ik me af of Herman van Veen wel eens iets vergelijkbaars had meegemaakt. Dat hij een kroeg binnenliep in Lübeck of Eindhoven en zag dat mensen elkaar aanstootten en fluisterden: ‘Kijk, daar heb je Len Borgdorff.’ En dat hem dat altijd was bijgebleven.
Ik heb het hem niet gevraagd.

05 september 2021

Inferno

Iedereen was op Jean gesteld. Hij had als Häftling, als Pikkolo, als manusje van alles, het talent om zich bij hoog en laag zowel geliefd als onmisbaar te maken. Hoog was bijvoorbeeld Kapo Alex, laag was het groepje joodse gevangenen in het kamp, onder wie Primo Levi. Het is zijn boek dat ik op het ogenblik herlees. Levi is in staat elke illusie vakkundig af te breken. Punt.
En toch ook niet een punt, al was het maar omdat dat afbreken schrijnt. Ik bedoel: je voelt het gemis van wat werd afgebroken of tot een wereld behoort die definitief gesloten is.

Jean komt uit de Elzas, Levi uit Italië en de jonge en taalgevoelige Jean wil wel Italiaans leren van Levi en ze moesten maar meteen beginnen. Dat gebeurt als Jean beslist dat Levi vandaag maar eens mee moet om de soep voor de groep te gaan halen. Onderweg wordt De Hel van Dante tevoorschijn gehaald. Dat zal de leerstof zijn. Het is een fragmentarische hel, want Levi heeft tot zijn grote spijt niet alles paraat, hij kent hele passages uit zijn hoofd, maar ook daarin ontbreken fragmenten. Wat hij weet, zegt hij hardop en samen met Jean vertalen ze de inhoud. Jean blijkt er gevoelig voor en Levi roept het gedicht op. Hij ervaart de vergeten stukken als een verdrietig gemis.

Ergens lees ik dit:
‘… Quando mi apparve una montagna, bruna
Per la distanza e parvemi alta tanto
Che mai veduta non ne avevo

Ja, ja, ‘alta tanto’ en niet ‘molto alta’, wat de normale opeenvolging zou zijn. En de bergen, als je ze uit de verte ziet… de bergen… o Pikkolo, Pikkolo, zeg wat, praat, laat me niet denken aan mijn bergen die opdoemden uit de schemer als ik ’s avonds in de trein terugreed uit Milaan naar Turijn!
Hou op, ga door, dat zijn dingen die je denkt maar niet zegt. Pikkolo kijkt naar me en wacht af.
Ik zou de soep van vandaag ervoor geven om te weten wat er komt tusen ‘non e avevo alcuna’ en het eind. Ik doe mijn uiterste best het aan de hand van de rijmen te reconstueren, knijp mijn ogen dicht, bijt op mijn vingers: maar het helpt niet, de rest is stilte. […]’

Zelf las ik De Hel in een dorpje dat uitzag op Florence. Het was voorjaar en ik zat tussen olijfbomen. ‘Et in arcadia ego’ kun je zeggen. Koffie in de ene hand, het boek in de andere. Op de rechterpagina stond De Hel, links het Italiaanse Inferno. Ik wist dat ik me de Italiaanse tekst, die eeuwen trotseerde, nooit eigen zou kunnen maken, terwijl de Nederlandse variant over tien jaar weer vervangen zou worden. Mij kon de tekst van Dante niet betoveren, maar ik kan me Primo Levi zo goed voorstellen als ik denk aan teksten die mij dierbaar zijn en die ik graag oproep. Vondels ‘Uitvaert van mijn dochterken’ of stukken uit Nijfhoffs Uur U, Kouwenaar.

Bij Levi stonden hele stukken poëzie van Dante gebeeldhouwd in zijn hoofd. Hij voelde de betovering van het goede woord: ‘[…] ‘alta tanto’ en niet ‘molto alta.’ En even later het offer van die soep.

Twee mannen in Auschwitz, volgens de burgerlijke stand even oud; de een werkt aan zijn toekomst en leert een taal, terwijl de ander de brokstukken van het verleden koestert.
Ik lees het hoofdstuk een tweede keer, om stilletjes achter die twee aan te lopen.

Primo Levi. Is dit een mens. Meulenhoff, Amsterdam 202145

04 september 2021

De heupzwaai

De schoolmeester van een straat verderop verblijft al een paar weken in een zorghotel aan de andere kant van de stad en daar zal hij nog wel een tijdje blijven. De heupoperatie waarnaar hij na alle coronaoponthoud zo uitzag, ontaardde in een bekkenbreuk toen de zojuist aangebrachte kop in de nieuwe kom geslagen werd.
‘Dat overkomt me nou nooit!’ zei de chirug.
‘Mij tot nog toe ook niet,’ zei de schoolmeester toen hem verteld werd wat er in zijn geestelijke afwezigheid was gebeurd.’
‘Gewoon pech,’zegt de een.
‘Broze botten,’ veronderstelt een ander.
‘Te hard geslagen. Je bent een specialist of je bent het niet,’ zegt de schoolmeester.

De nieuwe heup is intussen operatief verwijderd en nu leidt mijn vriend een half heuploos en vooral zittend bestaan, met driepoot, rolstoel, rollator en scootmobiel. En nu maar wachten tot het bekken geneest.Hij gaat staan en laat me zien hoe zijn heuploze rechterbeen langzaam omlaag zakt tot zijn voet eindelijk de grond raakt. Wij vinden dat het met een voorzichtigheid gaat waar ze bij de Nasa in geval van een landing kostbaar instrumentarium op Mars voor uit hun dak zouden gaan.
Hoe hij ’s nachts na een toiletbezoek weer terugklimt in bed, laat hij me niet zien, maar tijdens de koffie vertelt hij het me omstandig. Als hij op zijn goede been blijft staan, dan krijgt hij het andere niet in bed. Omgekeerd kan al helemaal niet, want dan zakt hij in elkaar. Dus overvalt hij met het linkerbeen zijn rechter, door het eerste snel omhoog te trekken en dan in één beweging, het slechte mee te slepen - hij haakt het om het willoze been heen - terwijl het bovenlichaam zich voorover werpt om met een zwaai en een draai op bed terecht te komen en dat met een snelheid en een sierlijkheid die het mogelijk maakt voor beide benen keurig op het matras te geraken. Voor het grote verleggen daarvan kan hij dan weer even de tijd nemen. Een eerder euvel is intussen overwonnen: aanvankelijk kreeg hij vervolgens de deken niet over zijn voeten. Er zijn weliswaar ergere dingen, maar dat zeg je niet als je toch al pijn hebt en steeds wakker wordt omdat je weer naar de wc moet. Dan is het extra vervelend als je voeten bloot liggen, waarbij gezegd moet worden dat het heuploze been vanwege verdikking hoger moet liggen. Het valt allemaal niet mee.

Maar als gezegd: dat euvel is verholpen. Nee, dat is teveel gezegd. Het euvel is helemaal niet verholpen zolang het bekken gebroken is en de heup niet vervangen, maar het probleem van de blote voeten is verholpen en dat dankzij een grijpstok die je voor zesenhalve euro koopt bij de Action. De schoolmeester doet er van alles mee. Hij legt er de dekens mee over zijn voeten, maar ook kan hij er zijn pyjamabroek mee omhoog krijgen. En wat je dacht van een banaan op afstand?

We spreken af dat hij zich meer gaat toeleggen op oplossingen voor problemen. Het aantrekken van een broek is niet eenvoudig zonder hulp, maar is daarvoor niet een variant te bedenken van het rompertje van een baby? Daar gaat hij zich nu op toeleggen, want het is waar: het is wel zo handig om het verblijf in het zorghotel te gelde te maken door bij het verlaten ervan op de proppen te komen met een paar fantastische uitvindingen.
‘Toch,’ zegt de schoolmeester, ‘als de jury van de Paralympics zou zien hoe ik ’s nacht na een toiletbezoek weer in mijn bed beland, dan zouden ze me allemaal een 9.7 geven. Minstens!’

03 september 2021

Trekker

Beginnen we bij het begin of hebben we het allereerst over dat latente gevoel van onvrede, telkens als ik het laatje opentrok? Dat gebeurde niet zo vaak overigens. In het laatje op zolder vind je de oude beitel van meneer Boere, een kapotte maar nog bruikbare duimstok, een roze stropdas met een hardnekkige vlek en dus ook die oud wc-trekker, een porseleinen geval aan een ketting om het aan een ouderwetse, liefst gietijzeren spoelbak te hangen. Laat ik toch maar bij het begin beginnen.

Dat hebben wij overigens niet meegemaakt,dat begin, want de trekker hing mogelijk al heel lang in de wc in het huis aan de singel toen wij dat een kleine halve eeuw geleden betrokken, maar toen wij daar weer weg gingen, waren we zo aan de trekker gehecht geraakt dat die meeverhuisde. Zo kwam hij in ’88 aan een plastic spoelbak te hangen.

Niet lang, want we stapten al vrij snel over op een heel ander spoelmechanisme en zo werd de oude trekker overbodig. Dat was wel jammer. Daarom waren we blij te merken dat er bij de keramiste en de psychotherapeut een dingetje van niks in de wc hing. Hun was onze porseleinen trekker met zijn boeiende zij het deels onbekende verleden van harte gegund. Ik ging er sindsdien graag even naar het toilet, dat begrijp je.

Een haperende spoelbak vergde daar na een tijdje enige creativiteit: de vlotter van de bak wilde niet meer omhoog en dat maakte je niet ongedaan door de trekker omhoog te tillen aan zijn soepele ketting. Nu beschikken zowel de therapeut als de keramiste over veel kwaliteiten en daarbij hoort ook het vinden van creatieve, vindingrijke en ook leuke oplossingen. Met een vernuftig stangenstelsel kon de spoelbak worden geactiveerd en vervolgens ook weer worden gestopt. Mooi, al betekende dat wel dat de wc-trekker opnieuw had uitgediend.

‘Geef hem dan maar weer terug,’ zei een van ons toen op een ongelukkig moment. Zo is het gegaan. We kregen de trekker terug en die verdween dus in dat laatje en telkens als ik dat opentrok vroeg ik me af waarom we dat ding hadden teruggevraagd. Achteraf vond ik dat toch een tikkeltje genant, alleen niet genant genoeg om er op terug te komen. Daar komt bij dat het laatje in kwestie, met die kapotte duimstok, de beitel en de roze stropdas niet vaak openging.

De therapeut verjaarde een maand geleden en een week later schond hij niet alleen zijn neus, maar zelfs zijn hele aangezicht en dat betekende dat wij er dus wat vaker langs kwamen om mee te vieren en te leven. En om te constateren dat het vernuftige trekmechanisme er niet meer was. De disfunctionerende spoelbak was trouwens ook vervangen, maar wel door eentje die zou gedijen bij een kettinkje en een trekker. Dat zat er trouwens aan: een glimmend kettinkje en een goedkoop plastic trekkertje. Het vernuft was weg uit het toilet, maar er was niet de grandeur van een porseleinen trekker voor in de plaats gekomen. De toiletrolhouder en het haakje voor de handdoek oogden nog even fraai en op de pot en het wasbakje was nietjedat aan te merken, maar dat miezerige trekkertje… En dat terwijl er een veel verantwoorder exemplaar bij ons in een laatje zijn bestaansrecht lag te verspelen.

Lag, zeg ik, want zo is het nu niet meer.

Ik loop nog even naar boven, naar zolder. Ik doe het laatje open en kijk zelf maar: er liggen een stropdas, een beitel en daar heb je de kapotte duimstok, maar de porseleinen wc-trekker dient weer Elders. Is dat niet prachtig?

02 september 2021

Ziekenfiets

Vanmorgen fietste ik via Rhijnauwen naar Bunnik en toen stelde ik me even voor dat ik hier elke dag gefietst zou hebben. Dat zou gekund hebben als er in Bunnik een middelbare school was geweest en als ik daar dan gewerkt had. Het zou geen straf geweest zijn. Nu zag het er naar uit dat ik hier vaker zou fietsen. Ik ging Markus ophalen.

Maar toen ik naar de achterdeur liep, zag ik boven het keukenraam niet zijn koppie uitsteken, maar dat van zijn broertje dat er wel bijzonder grijs uitzag. Hij was ziek en daarom was hij niet naar school. Nu kon hij zo ziek niet zijn of hij wilde per se met me mee, niet vanwege mij en ook niet vanwege de fiets - al was dat wel een pré, want hij wordt erg makkelijk wagenziek - nee, het ging hem natuurlijk om oma en dat begrijp ik helemaal.

Dus fietste ik even later dezelfde weg in omgekeerde richting, met een jongetje voor- en eentje achterop. Ik zal niet zeggen dat dat zonder gevaar is, maar het is vooral een vreugdevolle aangelegenheid waar je maar een korte tijd van kunt genieten, al heb ik maandag nog gefietst met Liesje en Klaas en die worden in november al weer tien en acht.

Ik wees onderweg naar de mais die hoog op de akker stond. Volgens Lukas was het geen mais, want bij mais was er een doolhof en er was altijd een boerderij bij. Doorgaans geef ik een kind gelijk en zeg ik dat ik weer wat geleerd heb, maar nu vond ik dat te ver gaan, ook al hing de arme Lukas als een dweil achterop.

We veranderden abrupt van onderwerp toen ik linksaf sloeg. Volgens Lukas reed ik namelijk verkeerd. Het leek me niet mee te vallen voor hem nu achterop te zitten, zo beroerd en dan nog een opa die niks van landbouw wist en blijkbaar ook de weg niet kende. Markus op het zadeltje voorop probeerde ons te overstemmen door hard te zingen dat we verdwaald waren. Verdwaald! Verdwaald! En dat zonder de w. Hij was een en al vrolijkheid. En daarmee won hij het van zijn grote broer. Die viel stil. Zijn hoofd rolde tegen mijn rug.

Als hij maar niet van de fiets kukelde. Hij was ziek. Markus verslingerde zich aan Heppie Burdeej.

Hier thuis kroop Lukas meteen op de bank. Het patroon van de dag werd duidelijk: half uur bank of bed, kwartiertje spelen, dan weer bank of bed etc.

In de loop van de middag kwam de jongste haar kinderen ophalen en vanwege de toegenomen hangerigheid van Lukas fietsten we samen naar Bunnik, nu via De Uithof, want dat is haar route. Het op een fiets zitten werd steeds lastiger. Intussen probeerde Markus alle aandacht die naar zijn broer uitging te dwarsbomen. Dat lukte toen Lukas even van de fiets af wilde. Even staan, even lopen. Dat wilde Markus ook. Hij rende enthousiast voor ons uit, struikelde en viel.

De weg naar huis was er weer eentje zonder grut en daarom koos ik voor een iets langere route via Oostbroek en De Bilt.

Vannacht vervoerde ik een gewonde gans op mijn fiets. Ik wikkelde een deken over stang en stuur. Daar legde ik de gans op, zijn kop op het stuur, op een kussentje, want dat had ik natuurlijk allemaal bij me. Ik had met hem te doen.

01 september 2021

De uil (2)

Terwijl ik me over mijn huiswerk voor aardrijkskunde had gebogen voltrok zich boven mijn hoofd een drama dat aanvankelijk alleen maar virtueel was. Kobus en zijn vriendje Sjaak hadden geconstateerd dat mijn grote gipsen uil ernstig ziek was en daarom naar het ziekenhuis moest. Ze legden hem voorzichting in de ambulance. De ambulance was een kleedje en dat trokken ze over de overloop. De uil was er ernstig aan toe, zagen ze. Hij lag van pijn heen en weer te schudden in de ambulance. Ze moesten misschien wat voorzichtiger rijden, bedachten ze.

Toen was het al te laat. De uil begon juist wat meer te tollen van links naar rechts toen het kleedje rakelings langs het trapgat getrokken werd en daar sloeg het drama om van spel naar een bittere ernst waarvan het gebonk nog naklinkt in de oren van Kobus. Hij en Sjaak wisten niet hoe snel ze zich moesten verstoppen. Van beneden klonk een schreeuw.

Dat van dat ziekenhuisje spelen hoorde ik gisteravond pas toen Kobus na al die jaren eindelijk de gelegenheid kreeg om onder die misstap van ooit voor eens en voor al een streep te zetten, er zand en de mantel der liefde over uit te spreiden. Dat zit zo.

Een half jaar geleden werd op Marktplaats een uil aangeboden, grote etalage-uil, La Bolsa, stond er. Zo heette die. Dat wist ik tot dan toe niet, maar het was mijn uil. Dat zag ik aan de afbeeldingen. Dit exemplaar had nog oren. Daar stond tegenover dat hij bleker was dan mijn uil. Ik bood 40 euro. Dat vond de verkoper te weinig. Mente vond het juist teveel. Wat moest ik nou met zo’n klomp gips? Waar liet ik dat ding dan? Nou, dat wist ik meteen: op het verhoginkje bij mijn bureau. Ze had natuurlijk gelijk. Zo’n ding had ik helemaal niet nodig, en er waren inderdaad veel mooiere uilen dan deze La Bolsa. Alleen had ik geen belangstelling voor beeldjes, al helemaal niet voor uilen, alleen voor deze. Weet je wat, dacht ik. Ik zou weer 40 euro bieden als er ooit nog weer eens eentje langskwam kwam. Niet meer. De kans leek me overigens uitgesloten dat ik er nog eens eentje zou treffen.

Dat laatste was niet waar. Op Catawiki ging er eentje weg voor €125,= en op Marktplaats werd ik voor een tweede keer afgewimpeld bij een bod van 40. Maar maandagavond zag ik er weer een. Opnieuw kwam er een bod van vier tientjes en gisterochtend bleek de uil gereserveerd te zijn. Voor mij. Hij staat me in Maassluis op wachten, die uil. Probleem is alleen dat ik een auto heb en een zoon die met die auto in Frankrijk verblijft.

Maar plotsklaps zag ik de onvermoede gelegenheid om na meer dan een halve eeuw met Kobus in het reine te komen. Hij rijdt namelijk elke dag met zijn auto zowel vice als versa langs Maassluis. Het zou toch mooi voor hem zijn als hij me een keer een hele, geheelde uil zou kunnen aanbieden.

Of hij er zelf ook zo over denkt, weet ik niet. Hij vond het in elk geval geen punt om de uil langs te halen en toen vertelde hij me dus dat de uil die in 1964 zo fataal aan zijn einde kwam, juist toen die onderweg was naar het ziekenhuis voor een spoedoperatie.

En nu maar wachten. Het geld is over gemaakt, dus dat kan het probleem niet zijn. Veertig euro, dat is geen geld. Als Kobus maar wel voorzichtig rijdt straks.

31 augustus 2021

De uil (1)




De combinatie van kapper en sigarenboer kwam je wel vaker tegen, in ieder geval in Monster, al lag dat bij Oom Jan wel wat ingewikkelder. Hij had namelijk wel een eigen tabakswinkel, maar als kapper werkte hij in de kapsalon van Van Leent. Om de zaak nog ingewikkelder te maken, werkte hij ook bij mijn vader op het kantoor. Eerst sporadisch en later vanwege zijn rug steeds meer. En dan kluste hij ook nog bij. Zo verving hij de betengeling van de slaapkamer van mijn broertje en mij door platen hardboard. Oom Jan trok mij graag op schoot en liet mij vaak de kieteldood sterven. Maar hij had me ook laten zien hoe je een scheermes moet slijpen en hoe het dan wordt. Bovendien kon hij piano en orgel spelen. Oom Jan was iemand.

Op zaterdag trof ik hem vaak aan in zijn winkel, wanneer ik langskwam met de Goede Tijding, een evangelisatieblaadje. Meestal stuurde hij me dan wel even naar achter, alleen of samen met mijn vriendje Dirk, voor limonade en een koekje. Daar zorgde tante Net dan voor. Hij had vier dochters, allemaal groter dan ik en grote meisjes vinden kleine jonge jongetjes leuk. Ik voelde me er altijd erg welkom.

Waarom ik werd uitverkoren, weet ik niet, maar op een dag, had oom Jan een uil bij zich. Levensgroot maar wel van gips. Het was de uil die altijd als reclamemateriaal in de etalage had gestaan vanwege de Uiltje-sigaren. Er was een klein exemplaar en een groot geval. Dit was de grote. De kleine had ik altijd wat fraaier gevonden, maar nu oom Jan me deze uil zomaar cadeau deed, want zo was het, kwamen de kaarten anders te liggen. De uil was zijn puntoortjes kwijt en er was een scherf van zijn vleugel af. Het kon me allemaal niets schelen. Ik was op slag verkocht. Wat een geschenk!

De oortjes heb ik eerlijk gezegd nooit gemist. Vogels en oren waren immers helemaal geen logische combi. Er is een slechte foto uit het voorjaar van 1960 waarin ik buiten op een klapstoeltje zit, met die uil. Belachelijk, maar ik neem het de zevenjarige die ik toen was niet kwalijk en het laat zien dat ik blij was met de uil. Jongetjes van zes of zeven sjouwen graag rond met een gipsen uil, begreep ik later.

Het was overigens niet mijn gewoonte om met die uil rond te sjouwen. Doorgaans stond hij keurig op de plank bij mijn hoofdeind. Toch heeft hij geleden onder onze vriendschap. Dat ik de littekens van zijn verdwenen oortjes camoufleerde door het witte gips daar met kleurpotlood te bewerken, zal hij nog wel gewaardeerd hebben, maar dat ik later zijn vleugels voorzag van een diepblauwe laag plakkaatverf zal hij minder gewaardeerd hebben, maar hij gaf geen kik. Hij was mijn stille compagnon.

Ik was een brugklasser. Ik zat in de voorkamer waar mijn vader en mensen zoals oom Jan regelmatig achter een bureau zaten te werken, nu was het Nel. Boven speelden mijn jongere broer met zijn vriendje. Ik was bezig met mijn huiswerk voor aardrijkskunde, toen ik opschrok van een enorm kabaal. Er donderde iets zwaars de trap af. Binnen de kortste keren stonden mijn moeder, Nel en ik in de gang. Overal de brokstukken van wat zo lang mijn uil was. Gevoel voor drama was mij niet vreemd, maar van de onbedaarlijk huilbui die me toen overviel, keek ik zelf ook op. Met een schok was ik een stuk ouder geworden. Het was de harde confrontatie met het besef dat niets voor altijd is.

30 augustus 2021

Over de essentie van het ding

Mijn nicht vermeldt via Facebook dat zij een bofkont is nu zij een paar weken op Kreta verblijft. ‘Wij zijn bofkonten, hier op Kreta,’ laat ze weten. Nu ben je met een kort verblijf op Kreta niet zomaar zelf een Kretenzer, maar toch moet ik aan mijn eerste lesje filosofie denken waarin de docent op het bord schreef: ‘Alle Kretenzers liegen.’
Vervolgens leek er een gedicht op het bord te verschijnen, dat me toe een beetje deed denken aan een haiku, want onder de eerste regel schreef hij: ‘Ik ben een Kretenzer.’ De derde regel luidde: ‘Ik ben een leugenaar.’
Het is een oude drieslag, maar voor mij was hij verfrissend nieuw, ook al kwam ik er later achter dat de apostel Paulus deze woorden gekend heeft. Hoe dat met mijn nicht zit weet ik niet. Zij beweerde overigens nergens dat zij een Kretenzer is en dus zou het zomaar waar kunnen zijn als zij zichzelf een bofkont noemt.

Intussen zit ik weer bij die filosofieles en nu zie ik voor me hoe de docent - misschien een of meer lessen later, misschien tijdens datzelfde eerste college - een stoel op tafel zette, een gewoon schoolstoeltje, en ons vroeg wat dit was. Wij zagen dat het een stoeltje was. Daarna volgde een ontleding van die stoel, zowel in fysieke als in functionele zin. Want hoe essentieel zijn bijvoorbeeld de poten van een stoel? Of de rugleuning? En zelfs de zitting. Wanneer is een stoel geen stoel meer? Wat is de stoel? En wat als je nooit op een stoel zit? Als een stoel wel op een stoel lijkt maar niet gemaakt is om op te zitten?Wanneer noem je een stoel niet langer stoel maar kruk?

Dat laatste kwam kort daarna terug, waarbij ik even kwijt moet dat de familie van mijn moederskant Van der Kruk heet. Dus ik mag dan anders heten en mijn nicht op Kreta heeft weer een andere achternaam, maar beiden zijn wij Krukken, net als onze gedeelde, maar al lang geleden verscheiden oom Kees, die nog echt zo heette ook. Hij en zijn Trees namen Mente en mij op een zaterdag mee ter voorbereiding van hun Zilveren Bruiloft. Wij speelden, kun je zeggen, voor hun kinderen omdat hun huwelijk tot beider verdriet kinderloos was gebleven. Verder moet ik nog even kwijt dat in die tijd Van der Stoel als kamerlid, staatssecretaris en als schaduwminister, een bekende en breed gewaardeerd politicus was.
We reden in de eend van oom Kees en tante Trees de Lisztstraat uit en de Loosduinse Hoofdstraat op, of heet het daar Haagweg? Hij maakte een fout, oom Kees, ik weet niet wat voor eentje, en hij sprak zichzelf bestraffend toe: ‘Kees, Kees, je bent een kruk en je zult nooit een Van Stoel worden.’
Bij de Leyweg reed hij door rood. Dat was niets voor de consciëntieuze oom Kees, maar dat had alles te maken met de vraag wat een stoel een stoel maakt en een kruk een kruk. Natuurlijk moest ik bij zijn opmerking denken aan die filosofieles van niet zo lang daarvoor waarbij er een stoel op de tafel werd gezet en daarover braken wij ons het hoofd.

Ik ben er nog niet over uit gedacht. Misschien niet eens omdat het probleem zoveel vergt van mijn of andermans geestelijke vermogens, maar eerder omdat je je zo makkelijk wordt afgeleid door de dingen van de dag, zoals een stoplicht dat van kleur verspringt of boodschappen die gedaan moeten worden.
Het werd een dagje. We gingen weliswaar niet naar Kreta, maar vlak Loosdrecht niet uit.

29 augustus 2021

Geen vermicellisoep

Begrijp mij niet verkeerd: ik ging niet plotseling rechtop staan om midden in de kamer, hardop vermicellisoep te zeggen. Zo was het niet. Maar het had gekund. Op dat moment had ik de rest van het huis al gestofzuigd, van boven naar beneden. Ik was al een heel op dreef in de huiskamer die moeiteloos overgaat in de woonkeuken, al moet ik nu niet vooruitlopen op de nog te zuigen hoeken, gaten en vlakken. Ik was immers nog maar ergens halverwege de kamer, met de nadruk op érgens, want waar was ik precies? Dat wist ik wel, maar ik wist niet meer wat ik gedaan had en wat niet. En hier was geen sprake van gedachteloosheid. Dat zou na zoveel jaar stofzuigervaring nogal voor de hand liggen. Bovendien is zoiets tamelijk risicoloos, want nog nooit ben ik een echte tegenligger tegengekomen, een andere stofzuiger misschien.

Dat was het dus niet, gedachteloosheid. Het was een afwezigheid die je rustig totaal had kunnen noemen wanneer daar niet dat met een stofzuiger heen een weer schuivende lichaam van me was geweest. Gedachteloosheid bij het stofzuigen is een staat van genade. Ik werk namelijk zeer systematisch en dat betekent dat ik de klus probleemloos op de automatische piloot kan klaren.
Hier was het anders. Zelfs het systeem had me in de steek gelaten en toen ik me op zoiets onbenulligs als dat systeem wilde concentreren, merkte ik dat dat amper lukte. Alsof ik in een andere wereld verkeerde waarin ik het te druk had om me ook nog bezig te houden met zoiets onnozels als stofzuigen. Toch moest dat maar, vond ik, terwijl ik een hoofdpijn op voelde komen.

Even later merkte ik dat de bank was overgeslagen, daarvoor moet je de stofzuiger van een ander hulpstuk voorzien, dus dat was even een dingetje. De vraag was bovendien of ik wel voor de bank langs was gegaan. Had ik trouwens, al was het maar even, gedacht aan de glazen schaal op de salontafel die zo makkelijk slachtoffer kan worden van een onverhoedse zwenking van de stofzuigerslang of van een iets te nonchalant verlegd snoer? Ik wist het niet en deed de bank alsnog en voor alle zekerheid ook het stukje voor de bank al had dat waarschijnlijk had gedaan. Daarna mocht ik weer verder op de plek waar ik gebleven was. Maar waar was dat?

Het kan niet anders of een deel van de kamer dubbel deed ik dubbel en de kans is groot dat ik ook een stuk heb overgeslagen. Misschien wel op het moment dat ik plotseling rechtop ging staan en hardop vermicellisoep zei, omdat dat de mentale wereld was waar ik voortdurend naar toe getrokken werd, weg van het onbeduidende leven van stofzuigers naar het ware bestaan waarin vermicellisoep met hoofdletters geschreven werd en waarin dat woord luid en duidelijk en met volle overtuiging werd uitgesproken.
Nogmaals, zo was het niet. Dat wil zeggen: in die simultane, onontkoombare wereld ging het helemaal niet om vermicellisoep en dat zei ik ook niet. Ik zei iets heel iets anders, maar echt, wat ik ook probeer, ik kan me van die wereld die mij zo hardnekkig in zijn greep hield afgelopen vrijdagmiddag niets herinneren. Ik weet er niets meer van. Alleen een lichte hoofdpijn herinnert met eraan. En het onvermogen om daar een samenhangend stukje over te schrijven.

25 augustus 2021

Kom vanavond met verhalen

Het gebeurde vanuit het niets. Het resultaat was dat hij zeer ongelukkig met zijn gezicht op de straat terecht kwam. Er was een auto geweest, maar geen aanrijding. Naderhand waren er paniek, een ziekenwagen die hem van achter Kampen naar het ziekenhuis in Zwolle had gebracht en nu was hij weer thuis. Dat alles in twee dagen en nu op de derde dag, toen Mente een bloemetje kwam langsbrengen - alleen maar dat, ze zou niet binnenkomen - werd zij juist naar binnengehaald en kwamen de verhalen, van hem en van haar. Dat hij viel, had zij niet gezien en hij kon het zich niet herinneren. Wel bleef zij hem maar zien liggen zonder te reageren. En hij wist nog van de zachte handen en de stem die steeds riep, handen en stem van een toevallige passant. De hechtingen, de losse tanden, hoe hij om zijn frame gevlochten leek. Elk verhaalelement haalde zijn eigen details naar voren, begreep ik naderhand van Mente.

Natuurlijk dacht en denk ik aan mijn vriend de therapeut en aan zijn geliefde keramiste. Ik ga er straks ook even langs. Op de radio hoor ik van en over Kaboel. Dat is heel iets anders, maar het valt me op dat daar mensen in hun ontreddering zo mededeelzaam zijn over wat hen aan ellende overkomt. Mensen zijn verhaaldieren.

In de Harskamp wordt geprotesteerd. Mensen willen de verhalen niet horen. Ze zingen heel hard lalalala en slaan bij wijze van spreken met pannendeksels op hun geweten om de ellende van anderen niet te horen.

Op de camping ergens achter Kampen was het anders: daar ging het verhaal over de sychotherapeut al compleet met Hendrik Haaneffecten, waarbij het bot van zijn schedel hier en daar door zijn huid heen stak. Maar daar werd met al die verhalen geen beroep op anderen gedaan. Dat is prima. Je hebt nu eenmaal verhalen en verhalen.

Intussen blijf ik hangen op het punt dat een mens vol kan zitten van verhaal en dat het er niet uit komt bij gebrek aan oor. Leo Vroman had het over oorlogsherinneringen toen hij dichtte: ‘Kom vanavond met verhalen.’ Ik begin me af te vragen of wij wel zo uitnodigend zijn als het gaat om het verhaal van een ander en dat terwijl die verhelderend en mogelijk juist verrijkend zijn. Verhalen zijn er om te horen en om gehoord te worden. Menselijker krijgen we het niet.

23 augustus 2021

Neem me niet kwalijk

We aten ons ijsje op in het parkje achter de Poortstraat. Daar zaten we niet alleen, maar doorgaans is het er drukker met mooi weer. Aan een boom hing een knuffel. Zo’n in elkaar geflanste lap waarvan iedere hummel wel een pendant bezit. De dierbaarheid ervan ontgaat me, maar dit vuile en verregende exemplaar riep mijn mededogen op. Daarom hoopte ik maar dat de kindertjes die we bij ons hadden de knuffel niet zouden opmerken in deze ontredderde staat.
Ze zagen hem wel en het viel me zelfs een beetje tegen dat geen van de drie ook maar een greintje medeleven toonde. Er klonk geen enkel oh of af. Het is verleidelijk om dat aan het ijsje toe te schrijven dat ze nog in hun handen hadden, maar dat lijkt me eerder een geval van wishful thinking, want ook toen de ijsjes op waren en we opnieuw langs het konijntje aan de boom liepen, gebeurde er niets met die kinderen. Helemaal niets. Ze keken er niet eens naar. Het ging me te ver om daarom zelf nog maar eens de aandacht te vestigen op het hartverscheurende tafereel waaraan hele prentenboeken gewijd zouden kunnen worden.

Nu was er intussen iets gebeurd dat de aandacht enigszins afleidde. Een vrouw vond een huissleutel, en niemand in het park miste er een. Ze legde hem op een bankje en liep verder. Dus nu hadden we naast een konijn ook een sleutel die wel gemist werden maar waarnaar niemand ooit op zoek zou gaan, niet in dit parkje. Zoveel maakte de staat van het konijn wel duidelijk. De sleutel zag er indrukwekkend uit. Die hoorde vast en zeker bij een voordeur waarvan het hang- en vooral het sluitwerk goed in orde was. Dat zag je zo. Aan de sleutel hing als hanger een houten domtorentje dat ooit verstrekt was door een makelaar. Die besloot ik te bellen. De makelaar wist ook niet van wie die sleutel was, maar hij kon door gebruikmaking van gerichte sociale media onder zijn eerdere klanten in ieder geval een serieuze poging doen. Hij zou de sleutel over een half uur bij me ophalen.

Dat gebeurde en bij wijze van bedankje gaf hij me ook nog twee van die sleutelhangers. Die gingen naar de kleinkinderen, maar ik moet wel kwijt dat het interessante sleutelhangers zijn. De kleine houten domtorentjes zijn namelijk afkomstig van Utrechtse bomen. Op het hangertje staat om wat voor boom het gaat, in welke straat die stond en wat zijn geboorte- en sterfdatum zijn. Op de gevonden hanger stond ‘esdoorn’, ‘g. borgesiuslaan’ en ‘1970 – 2015’. Die straat is een wijk verderop: de Staatsliedenbuurt. De twee sleutelhangers die de makelaar cadeau deed, hadden dezelfde tekst. Wie weet heeft hij een zes jaar terug gevoerde actie gesponsord en zo de complete opbrengst van een en dezelfde gerooide esdoorn gekregen.

Met de man of vrouw die de sleutel verloor, heb ik absoluut niet te doen. Het is mij vaker overkomen; er zijn reservesleutels en zelfs een kwaadwillende vinder gaat niet heel Utrecht door om het corresponderende slot te vinden. Nee, meer heb ik te doen met een esdoorn die maar 45 jaar mocht worden. Dat is niet oud voor een boom.
Dan is er dat kind dat zonder konijn in een ledikantje ligt. Ja, dat is sneu. Ik herinner me nog een vergeefse zoektocht naar een Alfred J. Kwak en een ontroostbare dochter.
Als ik eerlijk ben, gaat me nog het meest die aan de boom opgehangen knuffel aan het hart. Die lap stof hoort in een kinderbed. Is dat weekhartig? Ja! Neem me niet kwalijk.

22 augustus 2021

Hou het droog

Ook de entree is belangrijk en daarom misschien ook het aankomen, het de straat in rijden. Het hield me pas bezig toen er vanmiddag forse buien over trokken, soms met onweer.
We hadden om drie uur afgesproken bij Springhaver, een bioscoop annex café en restaurant. Ons ging het om het laatste. Ik moest me niet kletsnat laten regenen, dus trok ik toch maar een regenpak aan: jas en broek. Niet alleen toon ik me daarin niet op m’n voordeligst, ook liep ik het gevaar om van binnen uit met klamme kleren te komen zitten, daar was de temperatuur naar.
In hun ogen ben ik een ouwe man. Dat was al zo toen zij nog zestien waren en ik 34. We zaten een paar jaar regelmatig met elkaar in hetzelfde lokaal. Ik voorin als de meester en zij twee half naast me in de carrévorm waar ik zo van hield, twee vrolijke meiden.
We spreken ieder jaar af, al wordt het meestal eens in de twee of drie jaar.

Als ik de Springweg in fiets zorg ik ervoor dat ik een beetje kek op mijn fiets zit. Niet overdreven jeugdig, maar wel rechtop; ik moet altijd aan mijn rug denken. Het grote hozen is voorbij, de regen aarzelt: zal ik wel, zal ik niet. Grote kans dat die meiden al op het terras zitten en deze kant uit kijken om te zien of ik er al aan kom. Al zie ik ze daar nog niet. Ze zullen binnen zitten.
Dat is mooi, dan kan ik van tevoren buiten dat regenpak uitdoen en opbergen en in dat casual linnen kostuum naar binnen lopen.
Maar voor het zover is, moet ik dat regenpak afstropen. Vanachter een raam bij Springhaver knikt een jonge vrouw me even vriendelijk toe. Ik ken haar niet. Het is een vreemde die alleen maar knikt omdat ik zo naar binnen kijk. Het betekent wel dat mensen ín het restaurant kunnen zien hoe ik met die gummi bovenlaag bezig ben. Hand aan de paal van een verkeersbord om mijn evenwicht te bewaren terwijl ik eerst op het ene en dan op het andere been sta om die broek uit te krijgen. Het moet allemaal even elegant als nonchalant gebeuren. Soms wil een broekspijp maar niet om de hak van een schoen. Gelukkig gaat het allemaal soepel. Ik doe eerst de broek omdat ik die over mijn jasje had getrokken, dan kan dat niet onder mijn regenjas uit steken en nat worden. Je moet echt overal rekening mee houden.
Langzaam loop ik de zaak door. Vanachter de bar wordt me toegeroepen dat er nog plaats is. Ook voor meer mensen, als ik vertel dat ik nog even wacht, want ze zijn er nog niet.
Ik vind het benauwd binnen. Liever een paar druppels op het terras dan binnen. Ook de kussens onder het scherm zijn nat geworden. Ik draai ze om. Dan is het goed te doen, als het vocht niet optrekt.

Als de Domtoren drie keer slaat, komen ze aangefietst. Zij zien er ook in regenpak elegant uit.
Ze twijfelen. Binnen? Buiten? Ik krijg mijn zin. Ik waarschuw voor de mogelijk verraderlijke kussens. ‘Daar moet je dan maar tegen kunnen.’
Nog geen twee uur later zijn we drie uur verder en staan we op.
‘Ik heb toch een natte kont gekregen,’ zeg ik als ik opsta. Zij niet. Ze waren op hun opgevouwen regenjassen gaan zitten.
‘Je hebt daar zo langzamerhand ook wel de leeftijd voor,’ zegt Annemarie.
‘Laat eens zien,’ zegt Ineke. ‘Oh, het is geen gezicht.’
Ze zijn weer even zestien.

21 augustus 2021

Verhuizing

Het tuimelen van Markus heeft mijn bijzondere aandacht. Toen zijn ooms zo oud waren als hij en ik een keer de badkamer in kwam om ze te wassen, klauterden beide jongetjes over de rand. De kleinste van de twee, Jaap, ging onderuit en glibberde over de tegels naar me toe alsof het een dolfijn was op een zeepbaan. Het was een onschuldig ongelukje waarbij geen traan te pas kwam, maar het beeld bleef me bij. Alleen straks, als er nevelen drijven door mijn hersenpan, zal dit verhaal niet langer een verhaal van Jaap zijn, maar van Markus, tuimelaar bij uitstek.
Op zijn loopfietsje, karde hij vandaag naar de speeltuin. Hij viel een keer of acht. Bij het vallen roept hij af en toe pathetisch ‘O, o, ik val!’ want hij hoort zichzelf graag hard roepen. Het valt me op dat hij de kunst van het vallen aardig beheerst. Nu is hij nogal vallerig en dat vond ik soms zorgwekkend, maar hij blijkt er nu ook een spel van te maken. Dat kan geen kwaad, goed leren vallen.
Een keer was het echt, vandaag. We waren op de terugweg en Markus zag ergens wat bramen. Meestal stopt hij die meteen in zijn mond, maar vandaag was hij in een bewaarderige bui, dus hij hield twee volvette exemplaren in zijn handje, en dat terwijl hij datzelfde handje ook nodig had voor zijn stuur. Toen hij zichzelf met zijn voeten eens flink vooruit trapte, schoten de handjes van het stuur en hij kwam met een smak languit op de grond terecht. De bramen half geplet.
Hij huilde onbedaarlijk, maar dat stopte abrupt na een minuut. Toen wilde hij weer op de fiets, met de bramen. ‘Die zal ik wel meenemen,’ zei ik. Dat was goed, maar dan moest ik ook maar de steentjes doen. Die had ik gemist: niet alleen had hij twee bramen in zijn linkerhand, in zijn rechter had hij ook nog twee steentjes. Ik zei het al: hij was in een bewaarderige bui vandaag. Dat werd extra duidelijk toen hij weer van zijn fietsje stapte om nog even vijf bruine blaadjes op te rapen. Het was inderdaad handig als ik ook die voor mijn rekening nam. Ze waren overigens voor oma.
In hoeverre hij wist dat er vandaag achter zijn rug om een verhuizing plaatsvond, is mij niet helemaal duidelijk, maar zo was het wel. Aan het eind van de middag brachten we zijn broertje en hem naar hun nieuwe huis in Bunnik. Het staat aan een groot grasveld met veel madeliefjes. De jongens gingen druk aan het plukken. De bloemetjes kwamen terecht in de grote mok met daarop een plaatje van The Beatles. Dat plukken was leuk, merkte Markus, maar minstens even leuk waren de slidings die je in het gras kon maken. Hij dook in het groen alsof hij een volleerd zwemmer was en liet zich een eindje vooruit glijden. Mensen komen uit het water- ik heb het over de evolutie - en bij Markus lijkt het soms wel alsof de vis, de behoefte om te duiken, appelleert aan het visstadium van ooit. Iets verder dan, de fase van dolfijn, zeehond, want hij is onmiskenbaar een zoogdier, eentje die dol is op bramen en madeliefjes.

20 augustus 2021

Minachting




Je had mij dinsdag en woensdag kunnen zien dansen en huppelen over de dijk langs Dollard en Eems. Huppelen is niet het goede woord; daarvoor torste ik te veel mee met die rugzak op mijn rug en die loden spiegelreflex in mijn hand. Het was meer een bizarre vorm van krachtsport. Daarom is het maar goed dat je geen aandacht had voor de man daar boven op die lange dijk. Dat was overigens wederzijds, want van mijn kant zou ik jou niet hebben opgemerkt. Ik had het te druk.
Het landschap, voor, achter, links en rechts van de dijk is van een overzichtelijk lijnenspel waarvan ik op adem kom, ook al moet je tijdens het lopen wel opletten dat je niet in de schapenpoep trapt.

Het wordt anders als er van alle kanten zwaluwen langs je heen schieten. Soms zitten ze alleen of massaal op een draad onderaan de dijk, maar meestal vliegen ze heen en weer, tekenen sierlijke lijnen in de lucht die niet beklijven. En de getormenteerde wandelaar die ik ben kan niet anders dan ah en oh zeggen of het in ieder geval denken bij zoveel gevederd vuurwerk.
En liet de wandelaar het daar nu maar bij, maar nee, hij drukt de camera tegen zijn neus en beweegt mee met nu eens deze en dan weer gene vogel, zoals je kinderen met een Nintendo bezig ziet. Dan verandert hij de iso-waarde, de sluitertijd en het diafragma, werkelijk alles doet hij om van die honderden en honderden zwaluwen er een enkeling in zijn beweging te laten bevriezen, helder en scherp graag. Maar je redt het niet altijd met heel erg willen.
Van de 247 foto’s die ik nam tijdens de wandeling zit ik nu op negentig en het worden er vijftig, zestig misschien. De rest verdwijnt spoorloos. Het is nog maar de vraag of er tussen de bewaarde plaatjes nog wel eentje zit van een zwaluw. Ja, misschien een rijtje op een draad en dan nog foto met zwaluw als herinnering aan die vergeefse moeite.
Van de gefotografeerde zilverreigers is niets meer over. In de strijd om de zwaluwen steeg er regelmatig eentje tevoorschijn uit een slootkant. Zo’n beest verraadt zich door weg te vluchten. Soms zag ik dat en dat zwenkte de camera snel van zwaluw naar reiger om de witte scherf vast te leggen. Dat probeerde ik althans. Zonder succes.

Ik maakte ooit foto’s van zwaluwen op hun nest, of van een af- een aanvliegend moedertje of vadertje, maar blijkbaar wordt het pas interessant als iets zo dichtbij is en toch onhaalbaar blijkt. Van de kant van de zwaluwen is sprake van volstrekte minachting. Nee, ze lachen me niet uit om mijn bizarre pogingen ze te fotograferen, het is erger: ze hebben volstrekt geen aandacht voor mij en mijn moeite. Ze zijn te druk met wind, met scheren langs de dijk, met voedsel waarvan ik geen weet heb, want nergens valt er een mug of ander insect te bekennen. Minachting is het woord, nulachting

Of ik hier iets van geleerd heb? Soms zeg ik van wel. Dan zeg ik dat je maar beter je camera met rust kunt laten en alleen maar te kijken wat er gebeurt, rustig en aandachtig. Dat is genoeg.
Dat zeg ik wel, maar ik ken mezelf goed genoeg om te weten dat ik me maar moet laten kletsen. Ik geloof me toch niet.

15 augustus 2021

Achtertuin

Iedereen zegt al zoveel verstandigs over alle onverstand en onvermogen waarmee regeringsleiders omgaan met Afghanistan (eerst waren het Irak, Syrië en Noord-Afrika en er zijn nog een heleboel andere landen te noemen), dat ik er maar beter over kan zwijgen.
Ik moet me maar richten op de kleine wereld van de achtertuin. Daarin is onlangs een pad opgedoken waarvan anderen zeggen dat het een kikker is, maar volgens mij is het echt een pad. Nu kent onze achtertuin al heel lang padden, maar de afgelopen maanden vroeg ik me af of ze er nog wel waren? Een pad trof je nogal eens aan onder een van de kliko's op het achterterrasje. Dus als er weer zo'n bak weggereden moest worden om aan de straat andere kliko's te ontmoeten, dan kon je verrast worden door een pad. Die verrassing was wederzijds en leidde van beide kanten tot verstarring. Als de vuilnisbak was weggebracht, bleek dat de pad intussen was verdwenen.
Een paar weken terug, jawel, trof ik er weer een en sinds die tijd merken ook anderen hem op. De kleinkinderen hebben hem in de gaten en soms komen ze me roepen alsof het niet om een pad of kikker gaat, maar om een heuse prins met gouden kroon en hermelijnen mantel die de jongetjes vriendelijk toewuift van achter de struiken. Zij hebben het overigens over een kikker en volgen daarmee de lijn van hun oma.
Niet alleen de kleinkinderen hebben het beestje ontdekt, ook een van de buurkatten weet dat hij er is en gaat af en toe op zoek. Hij voelt zich niet geroepen om een klauw uit te halen of te bijten. Verder dan wat voorzichtig gesnuffel komt de kat niet. Hopelijk blijft dat zo.
Ook ik kom hem geregeld tegen en dan kijken we elkaar aan. Er is iets raadselachtigs in het paddenoog, juist omdat het zo helder is. Ook van een pad ken ik de gevoelens niet, dus ik kan je niet vertellen wat er in zo'n beestje omgaat wanneer we oog in oog staan, al vraag ik me af of een pad wel tot enige vrolijkheid in staat is. Zou een pad optimistisch kunnen wezen?
Ik verbind hem meer met de zwaarte van het leven. Pad zijn lijkt me een lot, een zwaar lot om je niet in te verheugen.
Vanavond zag ik bij Zomergasten een filmfragment waarbij een jongetje, een boeddhistisch priestertje in wording onder andere een touwtje om een kikker bindt, of was het een pad? Aan het andere eind van het touwtje bindt hij een steen en dat is de last die het beestje dank zij dat jongetje voortaan moet meetorsen. Er zat onschuld in deze wreedheid. 'Ik zie het Lukas zo doen,' zei Mente en ik begreep dat ze daarbij automatisch uitging van die onschuld. Ik geloofde niet wat ze zei. Niet vanwege die onschuldige wreedheid, maar als het jongetje het al niet zielig zou vinden, dan nog zou hij dat waarschijnlijk een beetje te eng vinden om te doen.Het jonge priestertje wordt tot bewustzijn gebracht als zijn leermeester een steen aan hem vastbindt. Dat gebeurt terwijl het jongetje slaapt.

Op beelden uit Afghanistan zie ik Talibanstrijders die lijken te geloven in een kloeke heldere leer, die ik maar niet begrijpen kan, alsof het jongetjes zijn die dieren met stenen verzwaren en je onschuldig aankijken als je ze vraagt waarom ze dat doen. Regeringsleiders in het westen liggen nog te dromen. Als ze straks wakker worden, zal hopelijk blijken dat ze vast zitten aan een zware steen.
De wereld is overgeleverd aan jongetjes en katten.

14 augustus 2021

Op de koffie

Het waren toch wel gebeurtenissen als er tijdens de vakanties op de Veluwe bezoek kwam. We waren veertien dagen weg en dat was blijkbaar te lang voor vrienden van mijn ouders om niet een keer een rit van het verre Westen naar Ede of Putten te maken om daar een kop koffie te komen drinken en een boterhammetje mee te eten. Als kind drentelde ik dan regelmatig naar de ingang van het vakantiepark om te zien of oom Rien er al aan kwam.

Als oom Rien niet oom Rien was geweest, had ik hem graag van alles willen laten zien van het park. De speeltuin, de kantine waar je spekkies, een ijsje en desnoods een sorbet kon kopen, het zwembad en dan waren er nog leuke bospaadjes in de omgeving. Maar oom Rien was wel oom Rien en je hoefde mij niet te vertellen dat hem dat allemaal niks interesseerde. Hij zou me dat onmiddellijk laten weten ook.

Als we om negen vertrokken en via een bakker reden, konden we makkelijk om half elf op de camping in de Noordoostpolder zijn. Jawel, ook daar kun je namelijk prettig kamperen, heus.
De bakker blies toen we om zeven tompoezen vroegen. Die hadden we moeten bestellen en daarom werden het er vijf, plus twee stukken appelgebak. In de polder vertelde de navigator dat de weg ten noorden van Lelystad geblokkeerd was. Misschien viel het wel mee en anders kon ik voorbij de brug een alternatieve route vinden naar Kraggenburg. Trouwens, zo betrouwbaar was die navigator nou ook weer niet. Daarom negeerde ik de mededeling.
Maar die vond ter hoogte van Lelystad ondersteuning van borden langs de kant van de weg die zeiden dat we route G moesten volgen. Via het schermpje van de navigator stemde ik in met een voorgestelde omleiding, die overigens naar links wees, waar een pijltje met een G erop me je juist naar rechts wilde hebben. Ik gehoorzaamde de pijl en ging naar rechts. Stel je eens voor dat er werkzaamheden aan de Ketelbrug zelf waren, kon ik dan wel op een andere manier dan via Kampen rijden en als ik van hier naar Kampen wilde, werd ik dan helemaal via Harderwijk gestuurd? Dan was het maar goed dat ik de navigator niet volgde, want die zou door me naar links te sturen me weer op weg helpen naar een geblokkeerde Ketelbrug.

Bij Kampen stond nog een file en op de camping bij Kraggenbrug was een jongetje al een uur geleden teleurgesteld naar de tent teruggekeerd, maar net toen ik een verkeerde kant uit liep, kwam hij weer vrolijk aangerend om ons onderweg naar zijn linnen onderkomen van alles te vertellen over deze tijdelijke woon- en verblijfplaats. Allemaal dingen die ik oom Rien en zijn vrouw vroeger ook wel had willen laten weten, zeg maar.

Na de koffie met het gebak maakten we met het hele gezin nog een wandeling over het terrein waarop voor kinderen inderdaad van alles te doen is, voor grote mensen trouwens ook. Ik voelde me oud worden bij al die lange tunnel- en modderglijbanen, over het water voerende boomstammen.

Na de boterham reden we terug. Nu konden we wel over de Ketelbrug. Om half vijf waren we thuis, pakte ik een boek om even bij te komen en om zes uur werd ik wakker en keek ik even op een kaart om te zien wat ik allemaal gereden had voor een kop koffie en een omelet. Toen zag ik dat ik via Dronten naar Kampen had kunnen doorsteken.
Waarschijnlijk had mijn navigator gelijk. Tot twee keer toe.

12 augustus 2021

Kerstroos

Mijn kinderjaren gingen gepaard met grote hoeveelheden blad van tomatenplanten. Dagenlang bracht ik door in de tuin van Grootscholten. De vijf- of zesjarige die ik was, plukte er nog geen tomaten, maar blad trekken en tomaten dieven kon wel. De pluk was een kwestie van snelheid en dagen die al om vijf uur konden beginnen. Daar had ik de leeftijd en de aard niet voor. Blad trekken of dieven kon de hele dag. Soms trok ik mee met de grote jongens van Grootscholten, maar minstens even vaak was ik alleen in al dat groen. Ik hield van de geur van tomatenplanten en vond het stoer als zich op mijn vingers dikke korsten groen hadden afgezet. Als er gegeten moest worden, ging je eerst naar de slootkant, haalde je handen door zand of andere grond en waste ze met wat slootwater. Wassen met modder. Dat beviel me.
In de bijkeuken maakte je de klus af met een blok groene zeep.

Door het blad plukken moest je af en toe door het groen waden alsof je de zee in liep, dat andere element van vroeger. Het blad moest ook nog worden afgevoerd en dan kwam het op de lorrie of je droeg het naar een kruiwagen, die ik aanvankelijk moest laten staan. Pas toen ik groter was, mocht ik het blad af en toe naar de tomatenberg kruien. Ook dat sprak niet vanzelf: hoe verder in het seizoen, hoe hoger die berg. Er kwam een plank op te liggen waar het wiel van de kruiwagen overheen moest rollen. Breder dan twintig centimeter was die plank niet, eerder smaller. Dus je moest de volle wagen de berg op duwen, wagen recht houden, wiel niet van de plank in het peilloze groen laten schieten en zelf ook je evenwicht bewaren op die plank. Ging het fout dan kwam je zelf in deze 'sea of green' terecht. Toch hebben de valpartijen in die berg van stervend groen niet de meeste indruk op me gemaakt.
Het overweldigende van het groen dat mij vooral is bij gebleven en waaraan ik met plezier terugdenk, zijn de momenten waarop het jongetje dat ik was met armen vol groen door het groen op de paadjes tussen hoog oprijzende planten die al even groen waren naar lorrie of kruiwagen liep. Grote mensen gebruikten daar een vork voor, die je veurk moest noemen, zoals een hark geen hark was maar een klauw.
Voor een veurk waarmee je een grote hoop groen zo in een kruiwagen gooide, was ik nog te klein. Dus liep het jongetje in het overweldigende groen, met groene vingers, kleren die ook die kleur kregen, en armen vol blad, zoals de Israëlieten met korenschoven door de Psalmen marcheren, blij met de zalige overdaad die zij dragen mogen.

De kerstroos op mijn bureau heeft zich gelukkig alweer aardig hersteld, zie ik. Ik geef hem doorgaans pas water als ik zie dat de blaadjes slap hangen en er kan een tijdje overheen gaan voor ik dat door heb. Eergisteren dacht ik dat het nu echt te laat was, maar zo is het dus niet. Van de met Kerst zo in het oog springende rode blaadjes zijn er nog drie over, kleintjes, maar het groen heeft er zin in.
'Het was zijn eigen idee,' zei de oudste toen hij en Klaas in december langs kwamen. Klaas voorop, met die kerstroos. Hij glunderde, dat jochie achter die rode en groene plant.
Daar dacht ik aan toen ik naar de dappere blaadjes van de kerstroos keek en vervolgens kwam ik terecht in het groen waarmee zijn opa had rondgezeuld.

11 augustus 2021

Hoog in de lucht

De verjaardag ging gepaard met een gezelschap dat klein genoeg was om met elkaar in gesprek te zijn, maar ook ruimte bood voor het kleinere contact tussen twee of drie. Dat laatste is me het liefst, maar je hebt het niet altijd voor het zeggen en uit de grotere kring, die dus niet eens zo groot was, vlogen toch wel interessante flarden onze kant uit.

Ik was naast Johan gaan zitten, want hoe lang had ik die al niet gezien? Meer dan dertig jaar? In ieder geval lang genoeg om vrolijk door te praten en te doen alsof er in de tussenliggende jaren niets gebeurd was, behalve dan dat de twee baby's van toen, intussen zijn afgestudeerd, een baan hebben, een huis, een partner en zo. Aan hen was die tijd niet ongemerkt voorbij gegaan. Gelukkig maar.
Johan en ik bleken elkaars leven van toen nog behoorlijk paraat te hebben. Vandaar dat we lang stil konden staan bij het stemmen van een piano.

Maar toen kwam in de grote kring dus ter sprake dat de jarige en zijn geliefde vanwege hun veertigjarige huwelijk van de dochters een ballonvaart hadden gekregen en dat ze die aanstaande zaterdag zouden consumeren. Samen met de dochters en hun geliefden, want bij wijze van terugcadeautje had het bruidspaar ze uitgenodigd om ook mee te varen, want dat weet je: je vliegt niet met een luchtballon, je vaart.

Toen het bij Johan en mij over de dikte van snaren ging en hoe gevaarlijk die konden zijn, vertelde de jarige hoe hij ooit een ballonvaart zou maken toen de kinderen nog anderhalf waren. Nu kan zo'n tocht geruisloos zijn, maar om een ballon de lucht in te krijgen moet er eerst een kloeke brander aan de slag en dat geeft lawaai. In ieder geval vonden de twee dreumesen het verschrikkelijk om hun vader in de mand te zien stappen en de herrie van de brander vonden ze blijkbaar ook een bedreiging, dus ze probeerden al blèrend boven al het lawaai uit te komen.

De pianosnaar als moordwapen kwam langs of toen vroeg ik me af of ik het gesprek van de grote groep wel goed gevolgd had. De jarige had het nu namelijk over een parachute. Misschien ging het in dat verhaal van vroeger helemaal niet over een ballonvaart, maar om een parachutesprong. In dat geval moesten die kleintjes boven het geronk en geraas van een vliegtuig uit zien te komen. Arme, arme meisjes.
Of toch niet? Was het wel een ballonvaart of zei de jarige iets anders. Misschien sneed het gehuil van zijn kindertjes indertijd hem zo door de ziel dat hij het liefst een parachute om had gehad. Dan zou hij uit het mandje zijn gesprongen om even later met gebroken been zijn dierbaren te omhelzen. Ik zag het voor me, dus zo zal het wel gegaan zijn.

Zeker weten doe ik dat niet. Wel weet ik dat het verhaal van de pianosnaren werd afgebroken toen een van de dochters ons foto's kwam laten zien van een vlucht met een zweefvliegtuig, veertien dagen geleden nog maar, bij ondergaande zon. Op 3000 meter hoogte. Daar was ik wel van onder de indruk. De branders van de heteluchtballon uit de verhalen klonken nog in mijn oren en daarom wilde ik weten of je ook iets hoorde in het zweefvliegtuigje. Je hoorde er helemaal niets.

Ook ik hoorde even helemaal niets, geen vrolijke stemmen meer, geen klinkend glas- en vaatwerk, alleen die stilte hoog in de lucht, terwijl ik op het schermpje van een mobieltje keek naar een ondergaande zon.

10 augustus 2021

MM

In het Catharijne Convent kwam ik vandaag Maria Magdalena nogal eens tegen. De geëxalteerde blikken die ze gedwongen was om ten hemel te werpen, maakten me nogal wee. Je kunt niet zeggen dat haar afrekening met het verleden, hoe dat er ook heeft uitgezien, haar veel heil bracht, niet als we kijken naar de manier waarop de mensheid zich haar meent te moeten herinneren.
De kerk, maar ook twintigste-eeuwse psychologen als Freud en Jung (mengers van wetenschap en literair verbeeldingsvermogen), hebben haar met de combi van hoer en heilige in een kwalijke hoek gedrukt en kom je daar dan nog wel uit? Ik vraag me dit wel vaker af bij allerlei geloofsopvattingen. Als tegenreactie wordt MM tegenwoordig ook wel tot bruid van Christus gebombardeerd. Het een is al even arbitrair en bedenkelijk als het ander. In filmpjes vertellen deskundigen hoe ze na de dood van haar geliefde Jezus uiteindelijk als kluizenaar in Zuid-Frankrijk terecht kwam. Doorgaans zijn dat soort verhalen leuk om te lezen, maar wat het meeste van wat over Maria van Magdala beweerd wordt, is over de top. Ik heb met haar te doen. Altijd maar met die zalfpot, altijd maar wordt dat verleden opgerakeld terwijl ze juist in de Bijbel terecht is gekomen omdat door alle ellende mogelijke ellende uit het verleden een dikke streep kwam.
De tentoonstelling laat vooral de zondige Maria Magdalena zien, haar pré-evangelische staat, wat meer zegt over latere commentatoren en kunstenaars dan over haarzelf. In het Westen heeft men de sterke behoefte gevoeld om haar als de hoer die ze mogelijk geweest is en die ondanks zichzelf, alleen door de genade van een goddelijke, mannelijke beschermheer, toch een heilige werd. In het Oosten ligt dat iets genuanceerder.

Intussen is uit gnostische geschriften duidelijk geworden dat haar in de beeldvorming onrecht is aangedaan. Deze Maria zou bij uitstek een metoo-slachtoffer genoemd kunnen worden van de christelijke traditie, al komen we daarmee geen stap verder. Dat doen we ook niet als we Kim Kardashian op affiches langs de weg steeds tegenkomen, maar dan wel als Maria Magdalena.Een vrouw in het museum verzuchtte dat de tentoonstelling een wel bijzonder eenzijdig beeld liet zien. Volgens haar is het heel goed mogelijk om niet alleen door de ontdekking van gnostische geschriften, honderd jaar geleden, maar ook door andere visies in de eeuwen daarvoor, bij de Medici’s en bij Katharen en in geschriften van vóór Paus Gregorius een beeld neer te zetten dat meer recht doet aan deze Maria.
Dat kan, ik weet dat niet. Ik ben alleen vooral bang dat deze heilige vrouw links- of rechtsom in no time weer voor het karretje van een andere visie wordt gespannen. Arme Maria.
Hoeveel denkbeelden die keurig in de kraam pasten van een kliek zijn er in de loop der eeuwen keurig ingelegd in een leer die onfeilbaar is omdat hij van God komt? Hoeveel denkbeelden kwamen voort uit goede wil, deugden desondanks niet en werden wel mooi een onaanvechtbare leerstelling?

Aan het eind van de tentoonstelling wachtte ons een levensgroot schilderij dat Egbert Modderman vorig jaar maakte. Het heet ‘Miskend’ en we zien een vrouw die Maria Magdalena voorstelt. Ze zit ontspannen in een stoel, ontdaan van alles wat ons vertrouwd is van portretten waarop MM’s doorgaans worden afgebeeld. Geen rode jurk, geen zalfpot, geen bijzonder lang haar, geen schaar, geen traan, geen geëxalteerde blik, geen chique of uitdagende kleding, zonder een Jezusfiguur.

Als wij verder nou eens onze kop houden over MM en gewoon wachten tot deze Maria van Modderman begint te praten. Maar dat doet ze niet.

09 augustus 2021

Jam

Onlangs moest ik voor mijn APK-keuring bloed laten prikken. De uitkomsten waren bijzonder gunstig kan ik je alvast vertellen. Dat is een mooie meevaller, want ook op dit front is niets vanzelfsprekend. Wel waren mijn suikerwaarden wat hoog.
Ik had me nuchter moeten laten prikken, vandaar ook dat ik vroeg in de ochtend had afgesproken. Punt was alleen dat ik voor mijn fietstochtje naar het bloedlab nog wel een boterham met kaas en eentje met aardbeienjam nam. Ik schrok toen de prikdame me vroeg of ik nuchter was. Nee, ik was de dag op de automatische piloot begonnen. Misschien was het ook niet zo erg, zei ze, en anders moest ik maar een keertje terugkomen; het zou toch jammer zijn als ik nu voor niks was gekomen.
Zo ging het en naderhand belde ik de dokter met het verzoek om bij het doornemen van de gegevens die boterham met aardbeienjam in de overwegingen mee te nemen. Het voelde als een bekentenis, gevoelens van schuld komen vrij snel bij me op als ik in medische handen val. Vraag ik misschien niet voor niets aandacht van meneer of mevrouw de dokter? Ik ben bang dat ik ooit nog eens met een geamputeerd been onder mijn arm een spreekkamer binnenwandel en me dan begin te verontschuldigen voor het ongemak. Ik heb het trouwens nog sterker bij de tandarts. Heb ik wel goed genoeg gepoetst de afgelopen tijd? Of gaat ze daar weer over zeuren?

Nu was mijn suiker, kreeg ik bij de uitslag te horen, weliswaar iets te hoog, maar als je daar die boterham met jam vanaf trok, was er inderdaad niets aan de hand. Wel mocht ik me alsnog een keertje laten prikken als ik dat wilde. Dat wilde ik niet.

Als consument van jam ben ik een late roeping. Dat beleg is pas na mijn vijftigste op mijn brood gekomen, toen ik geen vlees meer wilde bij mijn ontbijt en ook duidelijk was dat melkproducten me wat minder goed bekomen. Zo verdween de muesli uit mijn leven en daar ben ik erg van opgeknapt.
Intussen heb ik een innige band met de jam opgebouwd. Verder dan één boterham per dag, heel soms twee, kom ik niet, maar ik ben van de jam gaan houden, vooral omdat het meestal zelfgemaakte jam is. Mente maakt graag aardbeien- en nog liever bramenjam en dat gaat altijd met een zeker fanatisme gepaard, waarin liefde schuilgaat. Daarin is ze niet uniek overigens. Ik ken meer vrouwen die druk in de weer komen als het om de productie van potjes jam gaan. Als het meezit, begint dat al op het moment dat de braambessenstruiken worden opgezocht, te beginnen ergens in de tweede helft van augustus, deze tijd van het jaar dus. Kleding met lange mouwen en pijpen, dichte schoenen, emmertjes of plastic zakjes. Het is een vrouwending, geloof ik. Ook mannen plukken bramen, maar als het om bramen voor de jam gaat, zijn ze het hulpje van de vrouw en later in de keuken komen ze er maar zijdelings aan te pas. Als mannen al plezier hebben in het maken van jam, dan is dat alleen maar omdat ze de vrouw die het bewind daarover voert graag ter wille zijn. Zo ervoer ik dat als kind in de keuken en zo ervaar ik het als ik bij mensen binnen kom die juist bezig zijn om jam te maken.

Ik neem ook graag een potje mee als dat ergens langs een landweggetje te koop wordt aangeboden. Ook daarin zit liefde en die gedijt nu eenmaal niet bij nuchtere consumenten.

08 augustus 2021

Knieën

De knieën van ons moeder, daar hadden we het over en dat is niet zo vreemd als je bedenkt dat mijn zus momenteel bezig is bij te komen haar tweede nieuwe knie, terwijl ze ook al een neppe heup heeft. Het is een familiedingetje, die heupen en vooral die knieën, waarbij mijn moeder op de eerste plaats staat. Het waren dikke knoesten, die aan oude knotwilgen deden denken. En dat terwijl mijn moeder stevig maar slank van lijf en leden was en dat lang bleef. Ze deed mij wel denken aan Fanny Blankers- Koen, de vrouw die na de prestaties van Sifan Hassan in de vergetelheid zal geraken. Mijn moeder noemde die naam nooit, maar wel vertelde ze dat ze vroeger graag hard rende en dan altijd won. Dat was toen die knoestige knieën er nog niet waren.

Mijn moeder had niet alleen die knieën, ze had ook voor alles een verklaring: zo waren die knoesten het gevolg van een motorongeluk in de Ardennen. Dat moet rond 1950 zijn, want toen reed mijn vader nog motor.
‘Ik geloof er geen pest dat moeder die knieën van haar aan een motorongeluk te danken heeft. Jij?’ Mijn zus, net zo eigenwijs als haar moeder, was strompelend in de weer met koffie.
‘En zo’n ongeluk is nog erfelijk ook,’ zei ik. ‘Jij hebt Ardenner knieën, en Jakob, terwijl jij van vóór de Ardennen bent.’ Daar hield ik het maar bij.
Mijn zus zat weer en schoof het schaaltje koekjes mijn kant uit.
‘Er zat een gleuf in die knieën.’ Het hield mijn zus duidelijk bezig en ook ik zag ze weer voor me, met die spaarpot gleuf.
Nu werden moeders knieën doorgaans decent afgedekt door een rok die er net overheen viel, dus zo erg was het allemaal niet. Tegen haar tachtigste kreeg moeder er meer last van. Ze moest er zelfs het fietsen voor opgeven en dat deed ze zo graag, elke dag een rondje door de duinen.
Na haar negentigste begon ze onbedaarlijk te krimpen en viel ze enorm af. Intussen leken die knieën juist groter te worden, knoestiger. Een en ander werd nog eens aangezet door de steunkousen die ze moest dragen. Ze leek op haar bankje achter haar knieën te verdwijnen.
‘Als het eigenwijze mens op haar tachtigste nieuwe knieën had gekregen, was er niks aan de hand geweest. Maar nee, een dokter was nooit nergens voor nodig!’

Toen mijn moeder was overleden kwamen ook bij haar jongste zus Jo in een herinnering de knieën ter sprake. Nu waren het die van het meisje dat mijn moeder was en dat allerlei huizen had als werkster. Dat betekende op de knieën en schrobben. ‘Moeder’ zei zus Jo (en ze had het toen over haar eigen moeder, dus mijn oma), ‘verwende ons als jonge zusjes en als jouw moeder dan thuis kwam, moest die ook nog hun rommel opruimen. Dan voelde ik me schuldig tegenover mijn grote zus, want ik zag dat ze moe was. Ik zag het eelt op haar knieën.’

Ja, de knieën van mijn moeder…
Bij de ingang van de Bloedkapel in Brugge vind je een houten beeld van Christus. Eeuwenlang al leggen dagelijks honderden mensen als teken van devotie er hun handen op. Die knieën zijn van een gladheid die zijn weerga niet kent.
Ik geloof niet dat ik na mijn kleutertijd ooit nog mijn handen op de knieën van mijn moeder heb gelegd. Ik had het ook niet moeten doen. Maar een zegenspreuk, een schietgebedje ter bemoediging van die knieën had makkelijk gekund.
Ook dat is niet gebeurd.

07 augustus 2021

Roemer

Vijf jaar geleden ontving Astrid Roemer de P.C. Hooftprijs. In de pers werd die toen hier en daar de belangrijkste literaire prijs genoemd die Nederland te vergeven heeft. Dat is in zoverre waar dat de Prijs der Nederlandse Letteren niet alleen een Nederlandse maar ook een Belgische aangelegenheid is, maar als literaire prijs steekt die uit boven de P.C. Hooftprijs. Die wordt jaarlijks uitgereikt, waarbij als norm wel de drieslag van verhalend proza, essayistiek en poëzie wordt gehanteerd. Het ene jaar het proza als genre enzovoort.
Je kunt je afvragen welke criteria een rol spelen. Zuiver literaire? Dat lijkt me wel zeer wenselijk, maar ook onmogelijk. De Prijs der Nederlandse Letteren, die ik ter onderscheiding van de P C Hooftprijs maar de Hoofdprijs zal noemen, ging in 1956 naar Herman Teirlinck, drie jaar daarna naar A Roland Holst , in ’62 naar Streuvels en de keer daarna was Bloem aan de beurt. Dat was toen de norm: Vlaming en Nederlander zouden elkaar keurig afwisselen. Maar Leonard Nolens was de laatste Vlaming tot nog toe, dat was in 2012 en daarna moeten we terug naar 1998. Een afwisseling van genres zoals bij de P C Hooftprijs kent de Hoofdprijs niet. Nou ja, beide zijn oeuvreprijzen.
Intussen zijn we in ander maatschappelijk vaarwater terecht gekomen. Vaker dan vroeger zal de vraag naar de sekse van de auteur gesteld worden. In 1992 ging de Hoofdprijs voor het eerst naar een vrouw, Christine D’Haen, na drie mannen volgde Hella Haasse en daarna weer vier mannen. De rij eindigt voorlopig met twee vrouwen, dit jaar dus Astrid Roemer.

Vanwege haar sympathie voor Desi Bouterse en haar ontkenning dat die zich daadwerkelijk schuldig gemaakt zou hebben aan de Decembermoorden roepen mensen nu dat Roemer die Hoofdprijs niet mag krijgen. Ik zeg het niet helemaal goed: ze prijst Bouterse om zijn verdiensten waar het gaat om de verzelfstandiging, het bevorderen van het zelfbewustzijn van Suriname en ze gelooft niet in zijn directe betrokkenheid bij die moorden. Noraly Beijer en advocaat Spong en het Comité Herdenking Slachtoffers Suriname zijn geschokt en vragen de Belgische koning uitdrukkelijk om de prijs niet aan Astrid Roemer uit te reiken.

Dat zou een verkeerde stap zijn. De visie van Astrid Roemer komt nu onversneden aan het licht, maar ze was er nooit geheimzinnig over. Lette ik niet goed op toen ze de P C Hooftprijs kreeg of was dat toen geen item? Roemer is nogal roeptoeterig bezig misschien. Zelf kan ik me niet vinden in haar standpunt, en daarbij moet ik ook nog bedenken dat ik mogelijk onvoldoende ben ingevoerd in de discussie en daarmee samenhangende emoties, en dus ook niet weet hoe verschrikkelijk het is wat ze zegt, vooral omdat veel wél bekend is over het doen en laten van Bouterse. Dat kan.

Ik weet niet in hoeverre er andere dan literaire criteria een rol speelden bij het besluit om Roemer dit jaar met de Hoofdprijs te fêteren. Het kan niet anders of bij een prijs als deze spelen niet-literaire overwegingen een rol. Maar ook als dat zo is, dan nog moet je er alles aan doen om je daartegen te verweren door ze waar mogelijk te elimineren. Mulisch had een Cuba-tic, Hermans weigerde de apartheidspolitiek van Zuid-Afrika te veroordelen. Jammer. Dom. Kortzichtig. Het zal zo zijn. Maar het is de doodsteek van de literatuur, de doodsteek van de kunst als politieke opvattingen maatstaf worden bij de vaststelling of iemand met een imposant oeuvre daarvoor een prijs verdient.
De polemiek moet doorgaan, maar de prijs ook.

05 augustus 2021

Drijvende hamer

Voor dit verhaal moeten we ons verplaatsen naar de Voorveldse Polder, een bos, een park, een plek, amper twee kilometer verderop, waar je ook een speelweide hebt en door die speelweide slingert een klein kanaaltje dat met zijn dammetjes en zijn verval bijzonder aantrekkelijk is voor kleine kinderen. Maar dan moeten ze wel een bootje bij zich hebben. Lukas en Markus hadden dat, maar twee andere jongetjes niet. Nu heette een van die jongetjes ook Lukas en wij beschikten over zes bootjes, dus dat was allemaal geen probleem. Ik was nog wel even bang voor een dondersteen van vijf met een vervaarlijke supersoaker, maar dat jochie gedroeg zich braver dan ik gedaan zou hebben: hij spoot uitsluitend in het water waar al die bootjes na hun geslinger in uitkwamen. De vader van de andere Lukas verbaasde zich erover dat deze plek hier was. Hij woonde hier vlakbij, fietste nota bene geregeld via dit park naar De Bilt en bezocht graag het terras van De Vink. Maar dit was nieuw voor hem.
Ik kon hem vertellen, dat ook ik pas sinds twee jaar van deze plek weet en zo deelden we onze tevredenheid met het zand en het water direct om ons heen en onze gebrekkige kennis. Om dat laatste te bevestigen vroeg ik hem onder wat voor boom wij stonden. Hij kon alleen maar zeggen dat het geen beuk was, geen kastanje en al helemaal geen spar; daar hield het dan ook mee op. Ik bekende dat ik het ook niet wist. Ik meende dat ook toen ik het zei. Op hetzelfde moment schoot het me weer te binnen dat ik het wel wist: anderhalve week geleden lag ik een kwartiertje languit in Gronings gras en staarde naar de boom boven me. ‘Wat is dat ook alweer?’ vroeg ik mijn zwager. Het was een esdoorn.
‘Ik wist het wel, maar ik ben bang dat ik het je morgen weer zal vragen.’ Dat gebeurde niet, maar nu begon het er toch op te lijken.

De kinderen hadden het druk met spelen, want om die bootjes te laten varen, moesten ze wel telkens weer stroomopwaarts lopen om ze weer te water te laten. Vlak voor de ijscoman met zijn bel alle spel kwam verstoren, zag ik een hamer voorbij drijven. Dat zei ik tegen een voorbij hollend meisje.
‘Die is van mij,’ riep ze.
Voor haar was het geen wonder om een hamer te zien drijven, en het had geen zin aan een meisje van vier uit te leggen dat het grappig is om te kunnen zeggen dat je een hamer ziet drijven, ook al spreek je de waarheid omdat het om een opblaasbaar gevalletje ging.

Tijdens het ijs – ik had stracciatella – bleef de drijvende hamer me bezig houden. Daar was een verhaal over. Of was het een aambeeld, vroeg ik me af terwijl ik het aardbeienijs van Markus opmaakte. Was het een sprookje van Grimm?
Ook de soaker van het jongetje bleek geleend. Die behoorde tot het arsenaal van het meisje van wie ook de hamer was. Toen alle speelgoed weer was teruggeruild, gingen we naar huis. Op de fiets bedacht ik dat die drijvende hamer geen hamer was, geen aambeeld ook, en dat het een bijbelverhaal was.
Thuis wist ik het opeens. ‘Het was een bijl!’ zei ik, maar niemand luisterde naar me, want Mente deed juist wat chips in kommetjea en ik zocht een aflevering op van Thomas Trein.
Maar dat was het: Elisa en de drijvende bijl! Je vindt het in 2 Koningen, hoofdstuk 6.

En die boom was dus een esdoorn.

04 augustus 2021

Onder een appelboom

Ik lees zojuist in Gilead* dat de vader van oude dominee John Ames die ons daarin zijn verhaal vertelt, op latere leeftijd naar het zuiden gaat, naar zijn andere zoon. Dit vanwege de gezondheid van diens vrouw, dus de moeder van dominee Ames. Het is de bedoeling dat zij er de winters doorbrengen, maar in warmere maanden zullen ze weer terugkomen. Dominee Ames neemt intussen het ambt van zijn vader waar, want ook die was predikant. Het loopt anders: zijn ouders blijven weg en zoon John wordt dus de nieuwe dominee. Hij zal er blijven, ondanks aansporingen van zijn vader om dat gat Gilead te verlaten en net als hij betere oorden en een naar betere positie als predikant op zoek te gaan.

Dit is niet de eerste roman van Robinson die ik las. Ook in drie andere gaat het om de families Boughton en Ames, dus misschien is het me eerder ontgaan, maar ik keek hier van op. Het voelde een beetje als een verraad van de vader van de oude Ames, dat hij zijn trouwe zoon en ook de omgeving waarin hij zijn levenlang leefde, de rug toekeert. Nu kan ik me daar niet goed in verplaatsen, want in de ogen van mijn vader was ik dan misschien niet een verrader, maar wel iemand die een droom van hem verbrijzelde door niet in Monster te blijven en niet bij hem in de zaak te trekken om die vervolgens over te nemen.

Een paar maanden voor zijn dood was ik op bezoek in het ziekenhuis waar hij lag. We hadden er toen overigens geen idee van dat hij niet lang daarna zou overlijden, al moge wel duidelijk zijn dat iemand niet voor niets in het ziekenhuis ligt: hij had last van zijn longen en zijn hart. Het ging niet goed met hem. Maar dood…

Misschien dacht hij er wel aan. Hoe dan ook: hij vroeg me of ik alsnog de zaak over wilde nemen. Ik had intussen al acht jaar voor de klas gestaan, en dat was volgens hem ongetwijfeld ook een leven vol beperkingen, dus het was misschien wel goed voor me als ik de stap zette door alsnog de verzekeringen in te gaan. En dan moest ik ook maar makelaar worden. Ik was afgestudeerd, dus de bevoegdheden voor het een en ander zou ik wel binnen weten te halen. Hij bood me opnieuw een auto aan (hoewel ik er eentje had) en ook een goed huis (ook dat hadden we een paar jaar daarvoor gekocht).

Ik heb weer nee gezegd en er die keer aan toegevoegd, dat hij het me maar niet meer moest vragen of aanbieden. Ik was heel duidelijk en eerlijk en ik vertelde niets nieuws, maar door de plek en de omstandigheden ervoer ik mijn heldere antwoord als verraad.

We hebben het er nooit meer over gehad. Een paar maanden later al hoefde dat trouwens niet meer, maar toen kwam dat gevoel wel terug, dat ik mijn vader had verraden. En nu, nu ik in Gilead lees van die vader die zijn zoon in de steek laat en de zoon die deze steek blijmoedig oppakt, is dat gevoel er weer, veertig jaar later.

Misschien wordt het tijd om in een hemel te geloven. Dan zet ik mijn vader op een bankje, met een sigaar. Hij zit op een plein in Monster, maar dan wel een plein als Monster nog niet kende, onder een appelboom. Hij kijkt naar de gevel aan de overkant: ‘M M Borgdorff & zoon. Assurantiën vol genade en gouden huizen.’

* Een roman van Marilynne Robinson.

03 augustus 2021

Achter Rapenburg 40




Vandaag bomen gekeken in Dordrecht, onder andere een boom die Floris Verster schilderde in 1881. Het is een klein schilderij, net te groot om onder mijn jasje mee te nemen, al is dat niet de reden waarom ik het niet meenam. Daarvoor kom je eerder terecht bij dat akelige fatsoen waarmee ik behept ben, en bij een gebrek aan lef. Toch nemen we doorgaans, en dan alleen bij wijze van spreken, een schilderij van een tentoonstelling. In het museum verkoos ik een ander werk, maar terug, in de trein bleek de kleine Verster me toch het meest bij te blijven. Je kunt je afvragen waarom.Het schilderij heet ‘Tuin van de kunstenaar aan Rapenburg 40, Leiden.’ Dat is niet de plaats waar Verster het grootste deel van zijn leven oorbracht. In 1892 trouwde hij en kwamen hij en zijn vrouw terecht op het landgoed Groenoord, waar later de bekende Groenoordhallen kwamen, die nu ook al weer weg zijn. Verster woonde er tot vlak voor zijn tragische dood in 192, als dat geen pleonasme is.

Daar zijn we bij dit schilderijtje nog lang niet aan toe. Het gaat hier om de tuin achter het ouderlijk huis die Verster schilderde toen hij negentien of twintig was.

Dus nog vóór zijn felle kleuren en flamboyante periodes waarbij stillevens toch altijd zijn aandacht hadden. En dus nog veel langer voordat hij blikken kannen of zijn napje met eieren schilderde. Eerlijk gezegd dacht ik even dat dit vroege schilderij minstens twintig jaar later geschilderd zou zijn, toen Verster zich al wat meer had teruggetrokken van de wereld en haar gedruis. Zijn hang naar vertier en zijn gevoeligheid voor invloeden van anderen mag dan een jaar of twintig geduurd hebben en mooi werk hebben opgeleverd, van huis uit is Verster blijkbaar introvert geweest en het zou zomaar kunnen dat hij daarnaar terugkeerde.




Ik moest bij dit vroege werk ineens ook denken aan Jan Mankes. Van hem was er op de tentoonstelling in Dordrecht niets te vinden, al had dat goed gekund. Mankes schilderde in 1914 zijn ‘Weg langs de vaart’: links om de hoek van een huis zien we een weg langs een vaart, zoals we bij Verster langs de stam van een boom naar een stuk binnentuin en muurvlakken kijken. De associatie is ongetwijfeld ingegeven door de suggestie van een doorkijkje, maar ook de verstilling in het werk speelt mee. Het schilderij van Verster is ‘saaier’ dan dat van Mankes, valt me op nu ik daar een afbeelding van heb opgezocht. Die Mankes wordt zelfs bijna een vrolijk geval. Misschien heb ik daarom wel de neiging om aan die Verster de voorkeur te geven. Er is geen spektakel, alleen stille beslotenheid. Geen dure theorie, geen verhaal. Je hoeft je niet af te vragen wat voor boom het is, met alleen die stam, en muur- en dakwerk van huizen zijn zo vlak weergegeven, dat je je niet het hoofd hoeft te breken over steensoort, bewoners of wie het gras maaide. Of dat groen met de slordige vlek daar een hortensia is, of er een stok aan de muur is bevestigd? Het doet er niet eens toe of die muur een muur is.

Misschien, misschien, neem ik het schilderij ook wel mee in mijn herinnering omdat er zoveel bomen op die tentoonstelling waren en ook veel mensen. Misschien vond ik in de binnentuin aan het Rapenburg, die tuin uit 1881 met die ene boom, wel de rust die ik in een verlaten bos had willen vinden.

* Gelukkig werd de tentoonstelling ‘Diep geworteld’ verlengd tot 15 augustus. In het Dordrechts Museum.

02 augustus 2021

2 augustus 2071

Gevalletje ‘Peace for our time’ dacht de scepticus toen hij een stukje las waarin sombere toekomstverwachtingen op het conto van nieuws- en dus sensatiebeluste pers werden geschreven. Enkele voorbeelden zoals de wijze waarop Covid-19 werd gepareerd en het feit dat er meer vis in de Rijn zwemt, dienden als argumenten ter ondersteuning. Geen zorgen om de toekomst: het is een standpunt.
En een standpunt is doorgaans niet de wat onzekere uitkomst van een afweging, vaker is het een stelling die men inneemt om er daarna allerlei argumenten bij te halen zodat het standpunt nog enig hout lijkt te snijden ook.
Nu kan, als het om de toekomst gaat, alleen de tijd met een doorslaggevend argument voor welk standpunt dan ook op de proppen komen, dus dat schiet niet op. Niet voor de dromer, niet voor de doemer.

Goed, ik bleef dus zitten met dat stukje van de man die zich oneindig verheugde in al dat water in zijn halfvolle glas. Vond het niet reëel en realistisch, maar ja, dat vind ik ook van Utrecht aan Zee en de paalwoningen en woonarken van het Leidsche Rijnmeer. Als de mensheid er dan nog wel is, zegt iemand die het nog zwarter in ziet en daar waarschijnlijk ook te weinig of onvoldoende valide argumenten voor heeft.
En toen brak het licht in mij door: niet om die problemen rond onze toekomst te pareren, maar in ieder geval om een duidelijker en tegelijk tamelijk reëel beeld te kunnen krijgen van wat ons te wachten zou kunnen staan, om het gekakel te pareren én om een beter klinkende stem duidelijker te laten horen.
Vorig jaar en het jaar daarvoor volgde op het NOS-journaal een geantidateerde nieuwsuitzending uit 1944, ’45 en ’46, zogenaamd dan. Het oude nieuws van de Tweede Wereldoorlog werd als nieuws gepresenteerd, compleet met correspondenten ter plaatse en met historische beelden.
Zou je dat ook niet de andere kant op kunnen doen door dagelijks na het nieuws van de dag de actualiteit van 2071 te laten zien? Het kan niet anders of meteorologen, biologen, geo- en nog heel veel andere –logen volgen ontwikkelingen en met behulp van algoritme trekken kunnen ze bij benadering een eventueel beeld geven van een latere toestand. Ongetwijfeld zijn er variabelen, al was het maar omdat er tussentijds keuzes gemaakt worden of worden nagelaten en er andere ontwikkelingen van invloed zijn. Nogmaals: tot 2 augustus 2071 weten we niet hoe het er dan uitziet, maar we kunnen wel een wetenschappelijk gefundeerd en door journalisten, scriptschrijvers en animatieontwerpers geconcretiseerde vertaling laten zien. Of soms verschillende omdat je verschillende uitkomsten naast elkaar zet, waarbij je de woestijn van Siberië te zien krijgt of meemaakt hoe het laatste stukje Ameland in zee verdwijnt. De Taliban sluit de snackbars in Almere en Staphorst trekt nog steeds elke zondag massaal ter kerke.
Steeds weer vraagt een presentator zich anno 2071 af hoe een situatie zo kon ontstaan en dan komen de beelden, de grafieken, maar ook de heldere uiteenzettingen van echte deskundigen.

Het kan zijn dat 2071 op 2 augustus 2031 er anders uit lijkt te gaan zien dan we nu denken. Geen probleem. Dan stellen we het beeld bij, voorzien van commentaar vanuit 2071 dat duidelijk maakt waarom dat jaar er vijftig jaar eerder anders uit leek te gaan zien dan dat men tien jaar daarna dacht.

Als ik Jeroen van Merwijk had geheten, zou ik nu gezegd hebben: ‘Typisch weer zo’n frisse kijk van Jeroen van Merrewijk.’

01 augustus 2021

MacPac

Zoveel is niet de moeite van het vermelden waard, dat het moeilijk kiezen is. Toevallig dook deze week niet een maar zelfs twee keer MacPac op in mijn bestaan. Daarom moeten we het daar maar eens over hebben. Ik kocht een jasje en een broek. Dat was afgelopen woensdag. Toen de jongste donderdag aanstalten maakte om weer op haar fiets te stappen en ik in de deur stond om haar uit te wuiven – ik zwaaide namens haar kinderen – complimenteerde zij mij met mijn mooie bloes. Het ding dus dat ik toen ónder mijn nieuwe jasje droeg, het bloesje bovendien dat ik in New Plymouth kocht, dat ligt in Nieuw-Zeeland. Maar dat was wel acht jaar geleden. Toen op een avond, liepen we een outdoorwinkel binnen van MacPac, een keten voor buitensportartikelen die erg populair is aan de andere kant van de wereld. Daar kocht ik het bloesje en dat oude bloesje dus droeg ik ook afgelopen donderdag weer, onder mijn nieuwe jasje en op mijn nieuwe broek. Vergeet dat niet. Nu verdient het waardering als iemand oog heeft voor je kleding en je daarover complimenteert. Alleen ging dat donderdag een beetje mis. Om de jongste toch nog wat credits te geven, vermeld ik erbij dat mijn oude maar onversleten bloesje kort daarvoor samen met een broek van Mente in een kleurbad was geweest. Het bloesje kreeg zijn oorspronkelijke diepblauwe kleur weer terug, terwijl de beige broek een geslaagde verandering had ondergaan die veel spectaculairder was en ook dat had de jongste opgemerkt. Er komt een tijd dat zij met de kledingvoorschriften komt.

Twee jaar geleden waren we opnieuw in Nieuw-Zeeland en, alweer op een avond, stapten we een winkel binnen van MacPac waar ik een zwarte korte broek kocht, die wel lekker zit, maar om nou te zeggen ‘Wat een kek ding!’… Nee.
Gezellig was het wel, toen in die winkel. De man die ons hielp, kwam uit Zuid-Afrika. Hij waagde het, op een paar woorden na, niet om zijn kennis van het Nederlands uit te venten, maar kon het desondanks niet laten om te vertellen dat zijn moeder hem ooit voorlas uit Pinkeltje, ja, de Nederlandse Pinkeltje, met Pinkelotje en Wolkewietje en meneer Dick Laan en er was iets met een grote muis, het klonk allemaal zoals je het vroeger buiten Nederland over Cruijff kon hebben, Kroif.
Dat was nog niet alles. De man vertelde me dat ik een mooie extra korting op de broek kreeg als ik me op de maillijst liet zetten. Dat het voor iemand van ‘up over’ niet voor de hand lag om de aanbiedingen uit de Pacific te volgen, deed niet ter zake. Korting is korting.
En dus houdt MacPac mij sindsdien wekelijks op de hoogte van haar aanbiedingen. Vooral de merinoshirts en –vesten hebben mijn belangstelling.

Het huismerk van MacPac is veel goedkoper dan de mooie merinospullen die je hier bijvoorbeeld bij Bever vindt. Toch maak ik geen gebruik van de overzeese ‘offers you can’t refuse.’ Daarom zou ik me maar beter van de postlijst kunnen laten schrappen. Alleen, dat jongetje in me vindt het leuk, die aanbiedingen uit Nieuw-Zeeland.
Ik zie trouwens dat ik bij Bella Vista, dat is een motelketen daar, inmiddels twee bonuspunten bij elkaar gesprokkeld heb waarmee ik een korting op een overnachting kan bedingen. In Hokatika bijvoorbeeld. Dat gaat goed!

31 juli 2021

Onder de dekens

Tijd voor iets anders, maar voor het zover is, moet ik in ieder geval Tipsy nog noemen.
Eerlijk gezegd valt er over hem niet eens zoveel te zeggen, behalve dan dat het een rood katje was, dat ik het ergens niet eens zo heel veel verderop opduikelde, in de Emmastraat, in een bijkeuken en dat ik er vrijwel dagelijks ging kijken. Wie hem Tipsy noemde, weet ik niet meer, maar die naam geeft wel aan dat we de jaren vijftig verlaten hebben. Ik vind het een echte 1960-naam. We waren er wel aan toe om een kat van die voornaam te voorzien, en dat rode deed recht aan de juist begonnen jaren zestig, vooral met het groen van die ogen. De naam, de kleuren rood en groen, het waren tekens van nieuwe tijden.
Dat woord Tipsy had ongetwijfeld te maken met mijn kleinere broertje. Die dronk als driejarige graag cola. Dat was niet bepaald een dagelijkse drank, maar als we tijdens een autorit bij een restaurant uitstapten, vroeg en kreeg hij steevast een cola en tijdens het vervolg van de rit zat er een bijzonder vrolijke peuter in de auto. Hij was een beetje tipsy, zeiden we dan.
Tipsy was inderdaad heel vrolijk, hij speelde graag en anders dan de eerdere katten liep hij ook naar boven en ‘s nachts kroop hij bij mij onder de dekens. Dat vond ik erg gezellig. Ik zei het al: eigenlijk valt er over Tipsy niet veel te vertellen. Rood, vrolijk en dat bed. O ja, dit nog: mijn zus werd verpleegster in Den Dolder en dus stuurde ik haar af en toe een brief of een kaart waarin ik eindigde met de groeten van Tipsy. Die kreeg via de post ook altijd de groeten terug.
Toch moet ook dit katje niet lang daarna de weg van zijn voorgangers zijn gegaan. Om hem was ik verdrietig. Hij zou het laatste katje worden. We leefden een tijdje zonder beesten, totdat in mei 1963 mijn broer thuiskwam met een hond die het heel lang bij ons zou uithouden, zodat er voor een kat geen plaats meer was.

Toch is er nog één kat, eentje zonder naam. Het was de kat van de tuin van mijn vriendje Dirk. In de zomer van 1965 kampeerden we samen op een landje bij hun tuin, een driehoek waar ’s winters de spruiten stonden. Er was een vervallen schuurtje met daarin een waterpomp die het nog deed, al moest je hem soms met een scheut slootwater aan de praat krijgen, wat allemaal niets met die naamloze kat te maken heeft.
Die kat vond het wel gezellig, dat kamperen van ons. Hij ging overdag zijn eigen gang, maar ’s nachts kroop hij niet alleen bij ons in de tent, hij vond ook zijn weg naar het voeteneind in mijn slaapzak. Dat deed me aan Tipsy denken. Het verbaasde me wel dat hij het uithield, daar onderin. Ik stak mijn hoofd in de slaapzak, maar na een minuut had ik dat wel gehad, terwijl de dwaze tuinkat gewoon bleef liggen, in de diepte van de slaapzak..

Thuis lag er toen intussen al geregeld een hond bij me aan het voeteneind, maar die lag op de deken, niet eronder, zoals ik. Enfin, bij de Borgdorffjes kwamen daarna dus geen katten meer in huis. Ik bedoel dan in Monster. Later, toen ik me van de Monsterse tak had afgesplitst door in Utrecht te gaan wonen, werd dat een ander verhaal, maar voorlopig hebben we wel weer even genoeg katten herdacht, lijkt me.

30 juli 2021

Kattenziekte

De grijze Sallie was niet de laatste kat die ergens in een hoekje dood teruggevonden werd, maar dat kreeg ik pas jaren en jaren later te horen, toen het er allemaal al lang niet meer toe deed. Het was altijd mijn moeder die ze ergens tegenkwam. Zij vertelde nooit dat er een kat dood was. Pas als iemand er eentje miste, kregen we te horen dat die die ochtend bij het oversteken was doodgereden. Dat snapte ik wel: ik was zelf een paar keer aangereden door een fiets of brommer en mocht nog van geluk spreken dat ze mij op het fietspad al te pakken hadden, dus nog voor ik de weg met de auto’s bereikt had. Katten, dat begreep ik wel, keken nog slechter uit dan ik.
Ik was hoofdleverancier als het ging om een nieuwe kat. Op de tuinderijen in de omgeving, waar ik graag rondstruinde, liepen ook altijd katten. In het voor- en najaar vooral trof je in het warme ketelhuis regelmatig op een jutezak een kat met jongen aan. Dankzij Sallie wist ik heel goed af te wegen hoe dicht ik zo’n nest kon naderen en ook dat je langs de lijn van geleidelijkheid uiteindelijk best zo’n klein, nog blind mormeltje in je hand kon nemen, zonder problemen met de moeder te krijgen. Het was meer regel dan uitzondering dat een tuinder die me daar zag zitten, me dan zei dat ik er wel eentje mocht meenemen, binnenkort, en soms meteen al.
Er waren wel wat regels om in acht te nemen.
Eén: je moest thuis niet vragen of het mocht, want dan mocht het niet. Je moest het katje al bij je hebben.
Twee: als er al een kat was, ging het feest niet door. Mijn broer wist dat wel te omzeilen door in zo’n geval met een konijntje of ook wel eens met muizen thuis te komen. Vooral die muizen waren geen succes, en omdat mijn opa grossierde in konijnen voor de Kerst, misten die beesten voor mij de aantrekkelijkheid die katten hadden. Eerst met die zachte oogjes en later die glanzende vachten en de prachtig gesneden en gekleurde bekjes en dan dat merkwaardige wonder van de nagels.
Drie: geen vrouwtjes. We waren niet van het verzuipen (‘naar Wateringen brengen’), maar je moest niet met een hele schare katten komen te zitten en er waren meer katten dan huishoudens die plaats hadden voor zo’n dier. Bovendien had ik op de keukenmat een keer gezien hoe er bij Noor een lange mislukte worst tevoorschijn kwam, terwijl Noor zelf meer dood dan levend op haar zij lag. Doodgeboren katjes, hoorde ik.
Vier: geen najaarskatjes. Die werden slecht zindelijk en waren ook in andere opzichten nog meer een last dan de pendanten uit het voorjaar.
Deze restricties waren voor mij juist een vrijbrief om telkens weer met een katje thuis te komen als daaraan was voldaan. Mijn moeder vond het niet leuk, maar waarom zou ze een volgende kat weigeren als een vorige wel werd geaccepteerd?

Ik vraag me af waarom mijn moeder niet toen al vertelde van die kattenziekte. Ik weet het echt niet. Pas als oude vrouw klaagde ze erover: over telkens weer zo’n doodzieke kat, terwijl zij hun ellende moest aanzien. ‘En dan kwam jij prompt weer blij thuis met een jong katje!’
In haar verhalen waren de dode katten die ochtend aangereden, dus als de kinderen naar school waren. Ik zit me ineens af te vragen of mijn moeder niet zelf een doodzieke Sallie heeft neergelegd in het vrijwel ongebruikte schuurtje drie huizen verderop. Niemand die het weet.

29 juli 2021

Mijn eerste dode

Mijn zus en ik leverden een tijdje terug strijd over de naam van de grijze, cyperse poes. Was het Sjallie of Sallie. Zij zegt Sjallie, ik houd het op Sallie. Weliswaar heeft mijn zus met ons leeftijdsverschil van zeven jaar op zichzelf genomen meer recht van spreken, vooral omdat ik nog op de kleuterschool zat toen Sallie overleed, maar toch denk ik dat ik gelijk heb. Van Sallie kan ik vertellen dat zij de moeder was van Sjimmie. Ik denk daarom dat vanwege de naam Sjimmie én dat in combinatie met de associatie met toenmalige striphelden Sjors en Sjimmie (twee keer Sj) bij mijn zus Sallie Sjallie is gaan heten. Dit waren onze twee katten. Sjimmie was volgens mij de dominee onder de katten, met zijn zwarte vacht en witte bef. Dat zal ik niet zelf bedacht hebben, dat van die dominee, het lijkt me meer iets voor mijn vader en die zal er net voldoende bij verteld hebben om mij het idee te geven dat Sjimmie inderdaad een katse voorganger was. Ik dacht het in ieder geval echt. Ik zie hem nog over het muurtje lopen tussen onze achtertuin en het grote tuindersbedrijf van Lagerweij. Daar ergens moest dus ook de kattenkerk zijn. Muurtjes, de goten van ‘waarhuizen’, zoals wij de grote kassen noemden, en ook sloten waren geen enkel beletsel voor Sjimmie. Hij nam ze moeiteloos en met volledig behoud van waardigheid. De zon kon zo mooi op zijn vacht schijnen. Sjimmie en Sallie mochten dan zoon en moeder zijn, ze trokken nooit samen op. Behalve hetzelfde DNA hadden ze niets gemeen. Sallie ging blijkbaar ook niet ter kerke.
Sjimmie was uithuiziger dan zijn moeder, dat wel, en dat betekende dat ik meer met Sallie optrok, hoewel ik Sjimmie hoger had. Daar zal zijn predikantschap fors aan hebben bijgedragen, want ik was een bijzonder gelovig jongetje.
Sallie was onberekenbaar. Ze kon zich met welgevallen laten aaien, maar wee je gebeente als het haar niet uitkwam of als je haar tegen de haren instreek. Ze heeft me misschien wel vaker gekrabd, maar van één keer herinner ik het me nog heel goed. De kachel brandde en zij lag ervoor. Ik knielde om haar te aaien. Dat had ze niet verwacht en ze was er ook niet van gediend. Er stonden scherpe voren in mijn polsen en daaruit welde het bloed op. Ik was verbijsterd. Mijn moeder ontfermde zich over mij.
Voor Sjimmie had ik respect. Die lag niet te lanterfanten bij een warme kachel, maar ging, weer of geen weer, naar de kerk en anders bezocht hij wel andere katten des geloofs. Wel sliep hij graag in een doos.Zijn moeder kwam niet verder dan de achtertuin en had de merkwaardige gewoonte om nu en dan in het kolenhok in de schuur te gaan liggen slapen. Zonder vies te worden; dat vond ik bijzonder.

Ik heb Sallie gevonden toen ze dood was, in een schuurtje en op kolen, maar dan drie huizen verderop, in een vervallen schuurtje en ideale verstopplek: er stonden groentekisten, je vond er tuingereedschap, er waren twee schotten, soms met aardappelen en in een hoek lag een berg kolen. Daarop lag Sallie. Uitgestrekt, stijf, dood.
‘Katten die voelen dat ze doodgaan, zoeken een eenzaam plekje op, en een prettig plekje, en kolen houden je warm, ook als ze niet branden,’ legde mijn moeder uit. We begroeven Sallie in de tuin.

Zij was de eerste dode in mijn omgeving, precies zoals dat hoort in een mensenleven: je begint met een dode kat of een dood konijn, en dan steeds maar verder.

28 juli 2021

Isa

Eerlijk gezegd vond ik Isa een beetje viezig en misschien was dat wel de reden waarom ik geleidelijk aan toch wat sympathie voor haar ben gaan koesteren. Ik ging de weg van weerzin, langs mededogen naar een lichte sympathie, waarbij ook meetelt dat ze er de laatste jaren wat beter uitzag dan voorheen.
Isa werd 16 jaar. Een bezoekje aan de dierenarts veertien dagen terug maakte het waarschijnlijk dat ze behoorlijk ziek was en dat ze al de nodige stapjes op de Terminuslaan had gezet. Zeven jaar geleden nam de jongste haar in huis, nadat het beestje jaren lang onder het strenge regime van een veganiste had geleefd. Ze zag er erbarmelijk en vies uit en dat ze het einde van 2014 zou halen lag wat mij betreft niet voor de hand. Maar medicijnen en normaal kattenvoer deden hun werk. Ze knapte op, maar bleef wel een kneus, en nog een eenkennige ook, die alleen bij het vrouwtje, dus onze jongste, op schoot ging liggen. Ook daarin kwam wat verandering toen ze bijvoorbeeld merkte dat ook anderen rustig konden blijven zitten. Soms zelfs liep ze naar me toe als ik binnen kwam, maar meestal niet. Vooral de laatste jaren niet toen er twee zeer levendige jongetjes in haar leven kwamen. Ze lag graag onder het dressoir, of in een doosje in de vensterbank. Ze had vaste plekken, die overigens niet langer dan een paar maanden duurden en zo heeft ze in de loop der jaren zich alle hoeken en gaten van het kleine huis eigen gemaakt, van de benedenverdieping dan. Boven kwam ze nauwelijks, eerst omdat dat niet mocht en de kamerdeur een onoverkomelijke barrière voor haar vormde, later omdat ze de trap niet aan kon. Alhoewel: toen ze veertien dagen geleden medicijnen kreeg, leek er een jeugdig elan in haar terug te keren dat de jongste en haar gezin zelden van haar meemaakten. Toen is ze toch de trap op gekomen en heeft ze een dag lang boven op bed gelegen. Omdat duidelijk was dat deze opleving bedrieglijke schijn was, mocht ze blijven liggen.
Buiten kwam ze ook amper en dan niet verder dan het eigen plaatsje. Ook dit is niet waar. Twee jaar geleden is ze een paar weken onvindbaar geweest. Dankzij een huis-aan-huis actie vond men haar toen een blok verder in desolate toestand terug.
Ik denk dat kattenlevens doorgaans spannender en aangenamer geweest zullen zijn dan dat van haar, maar ze kende geen katten om zich mee te vergelijken en nooit heeft iemand haar horen klagen. Wel lag ze graag bij de jongste op schoot, als de kinderen naar bed waren. Die konden zo druk niet wezen of ze accepteerde het wel als die haar wilden aaien. Af en toe dan. Dat deden ze voorzichting. Isa was hun zenmomentje.
Vanmorgen kreeg ze dus een spuitje terwijl de jongste haar op schoot had. En weg was Isa, al werd ze wel mee naar huis genomen, want ze verdiende een ordentelijke begrafenis. Ze heeft nog een paar uur in een mandje in de schuur gelegen, waar haar erbarmelijke staat al vrij snel te ruiken was. Daarna zijn de twee baasjes van Isa en de kinderen naar het bos getogen. Ook Lukas en Markus hadden een schepje bij zich. Daar, op een geheime plek, ligt het stoffelijk overschot van de kat. Ik weet niet waar, maar ik vermoed dat ze niet ver van Sam zal liggen. Isa heeft Sam nooit gekend, maar dat was de vorige kat van de jongste.
Morgen komen de jongetjes weer hier. Ik ben benieuwd wat ze erover zullen vertellen.

27 juli 2021

Rubber

Leven is ongelofelijk vermoeiend. Dat zien we meteen als we haar kamer binnenkomen. Ze woont daar sinds een week. Ons vorige bezoek dateert van niet lang voor de corona en daarvoor moeten we twee verhuisadressen terug, honderd kilometer verderop. Alleen zijzelf is de draad door haar leven: geen vaste omgeving, geen broers of zussen, geen man meer, geen kinderen. Verhuizen is een thema in haar leven. Ze is ook wel iemand om te verhuizen, een pluis in de wind is ze en dat zijn haar gedachten en verhalen nu ook.
Mente vraagt hoe ze ooit haar man ontmoette. Roelf is al heel lang dood, maar hier aan de wand is hij prominent aanwezig op een grote foto die ze vlak na de oorlog van hem maakte, toen ze nog verliefd waren op elkaar, op de laatste foto die ze van hem maakte vlak voor zijn dood én op een schilderij dat ze maakte toen hij de man was zoals wij hem kenden, vijftig, zestig, de Groningse boerenzoon die arts werd.

We komen niet toe aan de ontmoeting waar Mente naar vraagt, daarvoor is het parcours van de opmaat te lang en kent het teveel belemmeringen. Maar hij studeerde in Wageningen toen de oorlog begon. Het leek hem beter onder te duiken in de omgeving van Stadskanaal. Dat lukte niet vanwege een NSB-neef. Dat maakte mensen extra voorzichtig. Ze durfden de student niet in huis te nemen en toen kwam daar de mededeling van de neef bovenop dat die het zijn ouders en broers extra lastig zou maken als Roelf van de radar verdween en zich niet ordentelijk meldde voor de Arbeitseinsatz.

Roelf wordt te werk gesteld in het Kaiser Wilhelm Institut. De plaatsnaam is Lyda vergeten, maar dat moet Berlijn zijn geweest. Hij raakt er bevriend met een Russische man die daar ook moet werken. Sleutelwoord is ‘Umdrehungen, Umdrehungen’, want dat doen ze, ze moeten het melksap van paardenbloemen centrifugeren. Van dat sap kun je namelijk rubber maken, weliswaar niet van een kwaliteit die het rubber van de bekend bomen oplevert, maar daarvan is de toevoer al lang gestagneerd en de oorlogsindustrie zit dringend verlegen om rubber, voor de banden van militaire voertuigen bijvoorbeeld.Als het gerucht gaat dat de Russen in aantocht zijn moeten Roelf en andere tewerkgestelden ‘met emmertjes en schopjes’ de vijand te lijf gaan. Nu blijken die een golf aan vluchtende boeren voor zich uit te drijven dus ergens in Polen besluit Roelf om zich om te draaien en deel uit te maken van die massa vluchtelingen. Op zijn tocht vindt hij nog een fiets zonder banden, waarmee steeds iets was, maar die hem uiteindelijk bij de deur van het ouderlijk huis in de omgeving van Stadskanaal bracht.

Intussen beleven we mee hoe zij als meisje in Den Haag en Haarlem woonde, de oorlog doorbracht in Amsterdam en daarna in Veenhuizen. Hoe ze van haar vader niet naar een kunstacademie mocht en daarom medicijnen ging studeren. Maar hoe een Wageningse student uit Stadskanaal ten slotte huisarts wordt en hoe en waar zij die heeft leren kennen, daar komen we niet aan toe.

We vragen er ook niet meer naar en gaan naar huis met een verhaalflard. Het zou zomaar zo kunnen blijven. De mensen in haar familie worden oud. Haar moeder werd net zo oud als zij. Ze wees naar een foto en daarna naar een foto van een man van in de tachtig in Zeeuws kostuum, haar grootvader, de kruidenzoeker. Voor alles in haar kamer is wel een verhaal. Het vertellen vervalt.

26 juli 2021

Zwart

Als ik me na het opstaan een tijdje onledig houd in de badkamer denk ik aan Kortehemmen en als ik aan Kortehemmen denk, gaan mijn gedachten uit naar Beijing, om precies te zijn naar de Olympische Spelen die daar in 2008 gehouden werden. De wekkerradio in het huisje waar we toen verbleven bracht me bij het wassen en scheren op de hoogte van de Olympische prestaties van die dag. Volgens mij zat Hugo Borst toen nogal eens achter de microfoon. Ik volgde Marianne Vos uiteraard, want van haar houd ik het meest sinds we even met elkaar spraken en ze een uurtje later tijdens de beroemde ronde van Zwolle even naar me lachte en zelfs een hand half naar me opstak. We hadden Anky van Grunsven, weet je nog wel, maar ook de altijd jonge Ranomi Kromowidjojo zwom zich toen al naar goud, samen met anderen. Bij Henk Grol dacht je toen aan judo en niet aan een politieke operette.

Met mijn gezondheid gaat het vele malen beter dan toen en het radiootje op de badkamer doet het een stuk beter dan het geval in Kortehemmen. Dus ik zou niet moeten klagen. Over Jurgen van den Berg hoor je me ook geen kwaad woord zeggen, maar er is zoveel reden tot droefenis ’s morgens tussen half acht en acht uur, daar in de badkamer en dat ligt niet aan de scheerolie of mijn nijvere tandenborstel. Nederlanders worden in Tokyo om de oren geslagen met het Corona-virus, er zijn verkeerd calculerende wielrensters, een ander valt over een plank die er wel is of juist niet is, een zeilster wordt op het water slachtoffer van de storm in haar eigen hoofd, de balkende zusjes redden het niet. Kommer en kwel, leed en ellende, narigheid en treurnis, zwarte zaterdag, zwarte zondag, zwarte maandag. ‘Black is black’ en ‘Paint it black, black as night, black as coal. I want to see the sun blotted out from the sky. I wanna see it painted, painted, painted, painted black.’

Ik daal de trap af in korte broek, alsof het leven een lolletje is, maar beneden hangt de zwaarte van een dag die een hele dag duurt. Een dag lang wachten op de nacht, verlangen naar het bed van vergetelheid. Maar zover is het nog lange niet. Eerst is er de krant waarin het ongetwijfeld gaat over het humorloze Bij1 dat desondanks mijn stille sympathie had. Het gaat ten onder zonder dat ik daar iets van kan of mag vinden, want ik ben nu eenmaal een witte boomer met een piemel, dus mij hoor je niet.
En dan komen de mensen steeds nader die geen prik willen, zich niet laten testen maar wel vragen of je eindelijk weer eens langs komt. ‘Jij bent immers toch wel ingeënt.’
En Den Haag? Ik begin te geloven dat daar een stille staatsgreep heeft plaats gevonden en dat het demissionaire kabinet pas ophoudt te bestaan als de laatste leden zijn overleden of zijn opgenomen in een verpleegtehuis. ‘We vertellen het ook niet aan de Tweede Kamer,’ aldus Mark Rutte.

Om mijn tijd nog een beetje door te komen, ga ik maar weer behang afsteken. Vroeger plakten we als behangers eerst kranten op de muur en daar kwam dan het behang overheen. Je kon dan de ellende achter het behang plakken, een louterende bezigheid. Ik zou er graag naar uitzien. In het huidige afsteekhuis hebben ze nooit kranten gebruikt als onderlaag, dat is me wel duidelijk geworden, en ik geloof niet dat er straks weer behang komt, dus ook geen krant.

Wat een tijden. Misschien moet ik me morgen maar niet wassen.

24 juli 2021

Afsteken

Over het afsteken van behang valt niet veel te vertellen en daarom houd ik het kort, vooral ook omdat ik er maar tweeënhalf uur mee bezig was. Toen was de klus nog niet geklaard, maar wel zat de beschikbare tijd erop. Het leven heeft nu eenmaal meer in petto dan behang afsteken alleen. Achteraf moet ik zeggen dat honderdvijftig minuten te kort is, al ben ik tevreden over het resultaat. Er verdween meer behang van de muren dan ik had gedacht. Daarvoor ben je natuurlijk wel behoorlijk afhankelijk van de wand, het behang en de lijm waarmee dat behang op de ondergrond is aangebracht, dat weet ik ook wel. Zo waren mijn broer en ik vorige week bezig met een beplakt gipswandje waarbij je eindeloos zat te pielen op de vierkante centimeter. Het woorden ‘pielen’ vind ik een onaangepast en vervelend woord en juist daarom doet het recht aan de ervaring van vorige week. En dan te bedenken dat ik toen maar heel even heb geholpen. Voor mijn komst had mijn broer er al veel meer energie in gestoken. Ik moet hem nog wel vertellen dat het wandje dat hij toen te lijf ging, inmiddels is weggebroken. Dat verstandig is, maar wel jammer gezien de energie die eraan verspild werd.

Ik kreeg vandaag te maken met gepleisterde dan wel gestucte wanden met behang waarvan een pvc-bovenlaag al was verwijderd, al was dat het werk niet. Het werk was de onderlaag.
Je zet eerst een vierkante deksel waar stoom uit komt op het behang zodat dit nat en de oude lijmlaag vloeibaar wordt en daar zet je dan je plamuurmes of je speciaal voor dit doel bedacht behangafsteekmes onder. Deksel links, mes rechts; zo werkt het tenminste het prettigst voor een rechtshandige afsteker zoals ik.
‘Weet je,’ riep ik mijn schoonzoon in de kamer ernaast toe, de kamer waarin hij bezig was dat tussenwandje te verwijderen - hij gaat hier namelijk over - ‘dat ik vrijwel nooit met een stoomapparaat heb gewerkt? Ik deed zoiets met een plantenspuit of een natte spons.’ Alsof ik het over de hongerwinter had waarin men op fietsen met houten banden van Utrecht naar Groningen reed om een zak aardappelen te bemachtigen. Ik hoorde het mezelf zeggen en begreep onmiddellijk dat ik alleen maar vertelde dat ik nooit meer kluste en dus was blijven hangen in voorwereldlijke ervaringen op dat gebied.

Toen het stoomapparaat was bijgevuld, had ik geen zin om te wachten tot het water weer heet genoeg was om als stoom via de vierkante deksel te ontsnappen. Ik nam een emmertje water en maakte vervolgens met een vaatdoek het behang nat. En nog eens. Daarna stak ik weer een stukje af, met de rechterhand, terwijl mijn linker spontaan, zonder expliciete instructie maar adequaat, aan loskomende stukken begon te trekken.
Na een kwartier drong tot me door dat het apparaat niet opwarmde, maar ook dat deze voorwereldlijke methode sneller en prettiger werkte dan het gedoe met het apparaat, dat nu zo onwillig was.
Tegelijkertijd wist ik mijn behendigheid in het afsteken in een razend tempo te ontwikkelen. Het volgende stadium van deze activiteit heb ik nooit bereikt, dat van het grote dromen en je gedachten weidse vluchten gunnen terwijl je handen automatisch hun nederige maar noodzakelijke werk verrichten. Zoals ik al zei: zo ver kwam het niet, ik had maar tweeënhalf uur tot mijn beschikking.

22 juli 2021

Walvis

Als wijsheid het vermogen is om het kind in jezelf te bewaren, ben ik een wijs mens. Jammer alleen van de veronderstelling die je daarbij als uitgangspunt moet nemen. Hoe dan ook: ik heb met aanhoudende vreugde het wonder gadegeslagen van de omgekeerde kom die de walvis wel bijna drie meter hoog in de lucht weet te houden. En dat voor acht euro; voor dat bedrag kocht mijn geliefde deze walvis, en wel bij het Kruidvat. Het is de derde in twee weken.

De walvis zou je een gemankeerde tuinsproeier kunnen noemen, een tuinsproeier omdat je hem moet aansluiten op een tuinslang zodat hij in staat is water te spuiten, gemankeerd omdat hij het water alleen maar recht omhoog spuit, vandaar dat de sproeier het uiterlijk heeft gekregen van een walvis. Als je nu de bijgeleverde kom omgekeerd op de walvis zet, dan schiet dat ding omhoog om een tijdlang te blijven dansen op de waterstraal. Als je subtiel de kraan open en dichtdraait, kun je de schotel laten stijgen en dalen; hij kan zelfs weer op de walvis terecht komen en eindigen met zijn uitgangspositie.Als kom is het ding ongeschikt, want de ‘bodem’ staat dankzij vier plastic pinnetjes een eindje van de wand van de schaal, zodat het water kan ontsnappen en de schotel zijn balans vindt. Maar vroeg of laat valt dat ding sowieso. Vandaar ook dat het belangrijk is om de sproeier op gras te zetten. Dan valt de schaal zachtjes in het groen.
Ik zeg dat niet voor niets. De eerste schotel was namelijk binnen een kwartier stuk. Toen hadden we de sproeier op het tuinpad gezet. Daardoor kwam de schaal met de bodem op een klinker. Dat ging goed totdat het niet meer goed ging en er een pinnetje brak.
Acht euro voor een kwartiertje pret: dat is kostbaar tijdverdrijf. Maar Mente nam het ding mee naar het Kruidvat en tien minuten later al kwam ze met een nieuwe. Hoefde ze niet te betalen.
Eén ding was intussen duidelijk: de kinderen vonden het een prachtig geval waarmee ze bovendien buurjongetje Finn naar de kroon staken, want die had er ook eentje. De tweede sproeier hebben we niet meer uitgeprobeerd; die ging als trofee mee naar Leidsche Rijn, leuk voor de kinderen, beetje jammer voor Finn.

Maar toen zaten we zonder en de zon bleef schijnen en we hebben meer kleinkinderen, met minder gras, dus kwam er een derde in huis. Of liever, in de tuin; dat is handiger.
Ik merk dat de kinderen niet erg onder de indruk zijn van die pinnetjes, maar ze zorgen ervoor dat de schotel niet op de steen komt, al was het maar om ervoor te zorgen dat het kind in opa niet plaatsmaakt voor de brommerige oude man die hij ook kan zijn.

Zo aanschouw ik het wonder van de zwevende schotel, geniet ik van de blote kindertjes die door het neerstortende water rennen, maar ik doe daar niet mee.
‘Dat is meer iets voor oma.’ Ook zij koestert het kind in haar maar ten dele. Mijn pet doet het trouwens niet, heb ik gemerkt..
Het kind in me is trouwens toch getekend door de tijd. Niet alleen vanwege die kwetsbare pinnetjes waarvan je zeker weet dat er eentje binnenkort toch zal breken - is het niet op een klinker, dan is het wel op het gras - maar ook al dat verspilde water. We beschikken over een gedeeltelijk veelvoudig verzadigd grasveld. Een verstandige opa onderhoudt vrolijke peuters en kleuters over de noodzaak om aan het milieu te denken. Een verstandige opa doet dat wel.

19 juli 2021

Mark

Tijdens de redactievergadering van Liter op zaterdag 3 januari 2015 stuurde iemand een appje naar Jaap Goedegebuure. Of hij ook iemand wist die onze redactie zou kunnen versterken. We waren met name op zoek naar iemand voor de essays.
Een paar minuten later kwam de naam van Mark de Haan binnen, een oud-student van hem. Dat was de beste, volgens de afzender. Els Meeuse kende Mark als studiegenoot. Zij was het helemaal eens met Goedegebuure.

Mark en ik spraken af op Den Haag Centraal, woensdag 14 januari om 18.00 uur. 'Als er een Starbucks is, zie ik je daar.' Om half acht gaven we elkaar een hand en daarna rende hij weg om zijn trein naar Leiden nog te pakken, terwijl ik voldaan naar perron 5 slenterde: er gaat vandaar altijd wel een trein naar Utrecht.

Pas op, dit verhaal loopt verkeerd af.

Bij de volgende redactievergadering had ik mijn cameraatje bij me en ik maakte tijdens het voorzitten wat foto's. Mark zat naast me, voor een foto net iets te dichtbij. Ik heb die plaatjes er zojuist weer even bij gepakt en zie een slanke knul, donker sluik haar, smal gezicht. Hij lacht op de foto's; meestal zag hij er juist erg bedachtzaam uit, ernstig, vriendelijk. Hij zag er niet uit als de man van de verhalen die ik later van hem las.

We werden een wonderlijke combi, want toen de redacteur van de verhalen vertrok, nam ik die functie een tijdje waar en zo redigeerde ik Marks eerste verhaal: Machmut Kanzal, terwijl hij zich met de essaytjes begon te bemoeien die ik schreef én omdat ik niet mijn eigen verhalen moest beoordelen, gingen die ook naar hem. We waren elkaars redacteur.
Bij Machmut Kanzal was het me na tien regels het helder en klaar: wat kon die De Haan schrijven. Daarom verbaasde het me dat Marks eerste verhalenbundel uitkwam. Ik bedoel: dat dat pas eind 2020 gebeurde. Hij mocht wel een beetje opschieten, met dat talent van hem, dacht ik indertijd. Ik vond het daarom billijk dat hij na drie jaar redacteurschap weer afscheid nam: hij had zijn werk, er was een verbouwing geweest, hij was vader geworden en hij moest dus ook schrijven. Rond zijn dertigste moest er toch wel iets van hem uitkomen, leek me.

Het werd op zijn drieëndertigste. Een verlaat debuut1 dus, maar de flaptekst beloofde een roman. Een half jaar geleden liet hij me via LinkedIn weten dat hij mijn rubriek In Poësis zou gaan missen. En dat was het. Je trekt een tijdje met elkaar op en gaat daarna elk naar je eigen perron.

Een paar weken geleden zag ik een foto van hem waarop hij kaal is, en nu krijg ik bericht dat hij is overleden, ruim een half jaar na zijn debuut. Hij hoopte, lees ik, zijn roman nog af te krijgen.
Op Youtube2 vind ik een interview met hem, nog geen maand oud. Op de film heeft hij weer wat haar, zie ik, maar ik herken Mark niet eens aan zijn neus; wel aan zijn stem, wel aan enkele opmerkingen. Hij draagt All Stars. Waar zijn z'n puntschoenen gebleven?
De wereld kent veel vergissingen, de dood van Mark is een grote, is een ernstige vergissing.

1Mark de Haan, Buitenaards koraal. Verhalen. In de knipscheer, Haarlem 2020.
2Gesprek met Mark de Haan: mark+de+haan.

17 juli 2021

Jan

Tijdens de repetitie van de cantorij trok iemand de deur van de kerkzaal op een kier en gluurde naar binnen. Betty liep er naartoe. Blijkbaar ging het om haar.
Zo was het niet, want even later kwam ze terug en vertelde ze dat er een man op zoek was naar ene Jan. Die zou hier moeten zijn. Betty keek mij aan, al heet ik geen Jan. Ik begreep het wel, want ik heb in de kerk de pet op van de man die in zo’n geval reageert. Terwijl ik naar buiten liep, voegde Helma zich bij me. Zij heeft ook zo’n pet en van politieseries weten we dat je in onduidelijke gevallen beter niet alleen ergens op af kunt gaan.

In de tuin naast de kerk stond een man te wachten. Hij was net weer in Nederland, met zicht op werk en onderdak, maar er was een kleine, tijdelijke kink in de kabel. Dat was geen probleem als hij Jan even kon spreken. Die kende hij goed. Een paar jaar geleden had hij die verschillende keren gesproken in deze kerk. Was hij nu niet in de kerk? Of anders misschien morgenochtend?
Ik begon hem niet te geloven, want ik heb een aardig geheugen voor gezichten en dit gezicht kende ik niet. Maar goed, alles kan. Dus vroegen we hem hoe Jan eruit zag; we hebben in onze kerk namelijk meer Jannen tot onze beschikking. Hij zette zijn vinger resoluut halverwege zijn neus. De Jan in kwestie was dus vijftien of twintig centimeter korter dan hij. Een kleine Jan, zou je denken, maar de bezoeker was wat langer dan ik en enig denkwerk maakte duidelijk dat daarmee nog steeds alle Jannen van de Tuindorpkerk in aanmerking kwamen.
‘And his hair?’ vroeg Helma, want we spraken Engels met elkaar.
De man wees naar de zijkant van zijn hoofd en we begrepen dat er geen sprake was van uitgesproken zwart haar, ook niet echt grijs. Blond, donkerblond, bruin misschien. Het was al wel drie jaar geleden dat de man zijn prettige gesprekken met Jan had gehad, hier in deze kerk. Hij zei het er nog maar eens bij.

Als hij hier bleef wachten, dan zouden wij een Jan gaan bellen, beloofden we. Had hij iets waardoor onze Jan zich hem zou herinneren.
‘Dimi, zeg maar dat Dimi hem wil spreken. Dat we elkaar hier in de kerk ontmoet hebben, drie jaar geleden. Of vier of vijf.’

We hebben zeven Jannen in de kerk weet ik nu en we kregen er vijf te pakken.
‘Dag Jan, ik bel je even omdat je Jan heet.’ Zo begon elk gesprek en telkens volgde er een speurtocht door het geheugen. Maar niemand herinnerde zich een Dimi of had nog weet van een gesprek met een man die volgens ons uit Oost-Europa kwam.

‘Het kan ook Jaap zijn of Klaas,’ zei de man toen we hem in de tuin vertelden dat we geen passende Jan gevonden hadden.
‘Die hebben we niet.’ Binnen hoorden we de cantorij. De man liep weg, maar na een vijftal stap draaide hij zich weer om. Hij hield een creditcard in zijn hand, eentje met een scheur. ‘Ik zoek een hotel, maar deze kaart wordt niet geaccepteerd. Hij is stuk.’

We geloofden niets meer van zijn verhaal. Toch, als ik geld in mijn zak had gehad, zou ik het hem gegeven hebben. Niet uit goedheid, maar om van hem af te zijn. We hadden geen geld en dus verwezen wij hem naar de stad, naar The Salvation Army, het Snurkhuis, ‘ask a policeman.’
Hij liep boos weg.

15 juli 2021

Dit is Vondel niet


De man op de volgende bladzij* van het grote Rembrandtboek** zit op een stoel en warmt zijn handen boven het vuur aan zijn voeten. De periode tussen bescheiden gemeten zestien- en achttienhonderd kennen we als de ‘kleine ijstijd’, dus in 1650, toen deze tekening gemaakt werd, zou het zomaar kouder geweest kunnen zijn dan wij gewend zijn. Ik denk even aan een Noorse hut waarin we enkele winterse weken doorbrachten, met alleen een open haard in de kamer.
Voor ik wat beter kijk, denk ik niet alleen even aan die Noorse Kerst, ook betrap ik me op de veronderstelling dat hier een oude man zit en dat dat Vondel is. Vondel, de man die aan het eind van zijn lange leven voorstelde om op zijn graf te laten zetten:

Hier leit Vondel zonder rouw;
Hy is gestorven van de kou.

Van wat hierboven staat, klopt vrijwel niets.*** Weliswaar blijf ik er maar vanuit gaan dat het distichon inderdaad van Vondel is, maar de woorden kwamen nooit op zijn steen. Vondel is ook nog eens begin februari gestorven, maar de dooi had ingezet bij zijn begrafenis, vertellen getuigen, dus zo bitter koud zal het niet geweest. Over zijn dood wordt trouwens gezegd dat hij die eerste week van de sprokkelmaand van 1679 langzaam, pijnloos weggleed uit een leven dat bijna 92 jaar had geduurd. Geen ontberingen, geen ziekte, een kaars die doofde omdat er niets meer was om van te branden.

De tekening van Rembrand is dan dertig jaar oud, en de maker ervan overleed tien jaar eerder dan de twintig jaar oudere Vondel. Nu zou de man op de tekening inderdaad vóór in de zestig kunnen zijn, maar hij is meer een figuur, met een tronie, dan een persoon in wie we onmiddellijk iemand zouden kunnen herkennen. Al helemaal niet onze Dichter des Vaderlands.

Dat is wel jammer voor de mensheid, die graag zou zien dat deze twee zeventiende-eeuwse toppers kameraden waren geweest. Desnoods vijanden. Maar zo was het niet. Ze woonden beiden in Amsterdam, en een tijdlang op tien minuten lopen van elkaar, ze kenden elkaars werk maar alles heeft er de schijn van dat het daarbij is gebleven. Wil je per se een stap verder gaan, moet je eerder de kant op van desinteresse en latente antipathie.
Vondel noemt twee keer een werk van Rembrandt in een van zijn vele korte gedichten, maar niet lovend. In 1956 geloofden enkele mensen heel graag dat Rembrandt een uitvoering of repetitie van Vondels Gysbrecht heeft meegemaakt. Er is een tekening die in die richting wijst, zoals er ook een portret is van de acteur die daarin bisschop Gozewijn speelt.



Stap verder: de opzet van de openingsscene van Gysbrecht van Aemstel ontleende Rembrandt aan de opstelling van de compagnie van Frans Banninck Cocq, van de Nachtwacht dus. Als het toch eens waar mocht wezen.

Graag had ik de twee wat nader tot elkaar gebracht. In beider leven was ellende genoeg om te delen: verlies van dierbaren; beiden moesten omgaan met bewondering en verguizing; er waren ernstige financiële perikelen, gedoe met het geloof. Ze zochten naar een wereld achter of dwars door de realiteit van de dag.

Maar bij elkaar op de koffie? Vergeet het.

De man op de tekening lijkt helemaal niet Vondel. Kijk maar naar zijn portret door Philips de Coninck uit 1665.

* Uitkleden (Och Heden 20210710) gaat over de vorige bladzij.
**Peter Schatborn, Erik Hinterding, Rembrandt. Alle tekeningen en etsen. Taschen Bücher, Keulen 2019
*** Veel wetenswaardigs ontleen ik aan: Piet Calis, Vondel. Het verhaal van zijn leven. JM Meulenhoff, Amsterdam 2008.

14 juli 2021

Met de auto

Maxwell is een vrolijk hondje, een dalmatiër, die samen met andere slimme, enthousiaste en heldhaftige hondjes deel uitmaakt van Paw Patrol, een reddingsteam dat zijn weerga niet kent en waar peuters en kleuters graag naar kijken, want het zijn figuren in een animatieserie. Omdat die serie zo populair is, kun je ook een echt Maxwellpak kopen, compleet met helm. Lukas trekt het pak graag aan als er iets te vieren valt. Het is zijn feestpak.
Vandaag vierde men op school het afscheid van kinderen die na de zomer naar een andere school gaan, zoals Lukas zelf. Hij verhuist binnenkort naar een dorp in de buurt. Dat op zich is al een reden om dat feestelijke Maxwellpak aan te trekken, maar zonder helm.
Alsof dat niet genoeg was, plande zijn toekomstige school voor de tweede helft van dezelfde ochtend een ontvangst voor kinderen die daar na de vakantie naar toe zullen gaan. Een combi was te maken als ik het verklede jongetje met de auto snel van A naar B zou brengen, zijn moeder en broertje gingen uiteraard mee.

Na vier bochten begonnen de klagelijke geluiden achter. Ik moest stoppen, vond Lukas: hij wilde eruit. In het spiegeltje van de zonneklep zag ik hoe zijn broertje geïnteresseerd naar het steeds wanhopiger en grauwer wordende smoeltje keek van het hondje dat geen hondje was maar een jongetje.
Op de ringweg wist hij de ellende keurig op te vangen in het plastic tasje dat hij onder zijn kin hield. Het overgeven ging in drie golven.

Even voor het stadion stapten moeder en hij uit. Hij moest maar even bijkomen. Hij wilde per se drinken; een aangereikte eierkoek ging er in één keer in. Dat verbaasde me en ik vroeg me af of het wel handig was, die eierkoek.
Hij mocht voorin komen zitten, op schoot bij zijn moeder. ‘Op de weg kijken, Lukas, op de weg kijken. We gaan naar links en nu naar rechts… O, een hobbel. Zie je dat?’ Het was of ik mijn moeder hoorde, maar het was mijn dochter, die als kind ook zo wagenziek kon worden. Dat had zij weer van haar vader. Een paar honderd meter voor zijn nieuwe school stapten moeder en Lukas weer uit, terwijl Markus verkondigde dat hij ook ziek was, want die wilde ook eens wat anders.

De kop van Maxwell is wit, want dat heb je met dalmatiërs, het gezicht van Lukas was en bleef van een onbestemd bleek uitgeslagen grijzig geel. Hij zat op zijn hurken in het lokaal met het ronde ruggetje van een hondje, speelde afwezig met wat duplo. ‘Waarom zijn de dingen zoals ze zijn?’ vroeg ik me af.

De eierkoek kwam er pas op de terugweg uit, bij de derde verkeersdrempel, hoewel ik die stapvoets nam. Toen er niets meer te bieden was, zijn maag aan die merkwaardige peristaltische bewegingen gewend leek te zijn en hij ook even niet hoefde huilen, bezwoer hij dat hij nooit, nooit en nooit meer met de auto meeging. Zowel de jongste als ik hoorden het onszelf zeggen. Markus had alleen nog aandacht voor de liedjes die hij zat te zingen.

Vijftig meter voor de huisdeur viel Lukas in slaap. We bleven even zitten, maar toen de jongste toch maar probeerde uit te stappen werd ie wakker.

‘We zijn toch niet te laat voor Kevin,’ vroeg hij. Dat was het volgende programmapunt vandaag, de verjaardag van Kevin.
Hij slingerde naar de deur. Thuis kon hij nog een uur thuis op de bank, deze kleine dalmatiër. Pas daarna zou het grote taart eten en limonade slempen beginnen.

13 juli 2021

Ochtendblad

Als bezoeker van het toilet volg ik ’s nachts meer de maanstonden* dan de wijzers van de klok. Er zit een patroon in maar dat verschuift ten opzichte van het moment waarop beneden de krant door de deur geschoven wordt.
Vorige week nog lag er geen krant als ik weer terug liep naar bed. Dat doe ik namelijk: even mijn kop in het trapgat steken om te zien of er al een krant op de mat ligt. Dat doe ik niet voor maar na mijn bezoek aan de badkamer, want ik kan zo slaperig niet zijn of ik besef dat dat handiger is. Nog geen krant op de mat te zien is dan een kleine maar aangename sensatie. Het betekent dat de dag en daarmee de ellende van de wereld nog niet begonnen. Dat is onzin, kan ik je vertellen, want op deze wereld is het altijd dag en altijd nacht tegelijk en los daarvan kent het leed van de nacht net zo min een einde als dat van de dag, maar zonder krant mag ik toegeven aan de illusie van een verstilde, aangename wereld waarbij ik nog even lekker in bed kan kruipen, tegen het lijf van mijn lief, al doe ik ook wel eens het lichtje aan om een stukje te lezen.

Sinds gisteren ligt de krant al op de mat als ik naar beneden kijk.
Nu kan dat ook een bron van vreugde zijn. De gewoonte om in vroege uren even uit bed te stappen en verlichting van de blaas te combineren met een snelle blik naar de deurmat kent een lange geschiedenis, want ik herinner me ineens een keer dat ik aan de singel (en daarvoor is het handig veertig jaar terug te gaan) een keer omlaag keek. Door de ruitjes van de voordeur was een witte wereld te zien, omdat het had gesneeuwd, en op de deurmat, in de weerschijn van dat wit aan de andere kant van het glas lag een krant die licht leek te geven. Het was een verademing. Alsof de krant een kerstbode was geworden die vertelde van de komst van een hemels kind. In een gedichtje dat ik daarover schreef, dwarrelde trouwens een klein veertje uit de krant toen ik die openvouwde, een veertje van de bezorger waarschijnlijk. Ja, de blik op die krant werd poëzie!

Die krant van toen lijkt helemaal niet op de krant die ik vanmorgen zag, al viel er ook nu licht door de ruit van de voordeur, het is immers volop zomer. Deze krant had niet eens de deurmat bereikt. Die hing nog met een puntje achter de klep van de brievenbus, als een dweil, een frommel, een ongevraagde folder die niets anders wist te vertellen dan wat geen nieuws was. En inderdaad: later las ik dat verdachten in de zaak rond Derk Wiersum bleven zwijgen, dat na de finale in Engeland behalve covid-19 ook het virus van de racistische tweets de kop op stak en er was iets met Rutte en De Jonge. Geen nieuws, maar aanhoudend geterg.

Wat een wijze om een nieuwe dag aan te gaan.

* Dit klopt niet. Als ik de maanstonden zou volgen, zou ik iedere nacht iets eerder naar de wc gaan, maar zo is het niet. Dat gebeurt juist steeds wat later dan de nacht daarvoor. Nu bevalt deze openingszin me wel; daarom kan ik er beter een heel ander verhaal op laten volgen, eentje waardoor die zin wel klopt.
Dat lijkt me iets voor een volgende keer.
Misschien. Heel misschien.
Ik denk het niet.

12 juli 2021

Renault 4CV

De kunstzinnige neef maakte ooit een houtsnede waarop je mijn ouders ziet zitten op de bumper van hun Austin 8. De prent is gebaseerd op een fotootje dat gemaakt werd in de zomer van 1952 en hangt in de huiskamer. Je kunt je voorstellen dat die prent, waar ik waarschijnlijk dagelijks en vaak met welgevallen naar kijk verklaart waarom ik gisteren plotsklaps over de auto begon en daarmee ook over mijn geboorte. Maar zo is het niet. Die aandacht had te maken met een stuk in de krant over het 75-jarig bestaan van de Wegenwacht. Daar had ik maar weinig ervaring mee, bedacht ik. Zelf niet, maar als ik me niet vergis, heeft ook mijn vader maar één keert gebruik gemaakt van deze ridders van de grote weg. Dat was met de tweede auto van de Borgdorffjes.

Na twee jaar maakte de Austin 8 namelijk plaats voor een Renault 4cv, een autootje dat vanaf 1946 werd geproduceerd. Geen tweedehands deze keer, maar een heuse nieuwe. Toch zou ook deze auto het maar twee jaar uithouden, want in ’56 kocht mijn vader een volgende wagen. Waarschijnlijk niet omdat die eerdere auto’s niet voldeden. Het bleek het begin van een gewoonte: de rest van zijn leven zou mijn vader om het andere jaar met een nieuwe komen aanrijden, een enkele keer werd het drie jaar.
Toch zou het me niet verbazen als mijn vader vrij snel spijt kreeg van die Renault 4cv. Hij zag er bijzonder lief uit, de auto, had een hoog aaibaarheidsgehalte vanwege zijn peuterachtige rondingen die goed combineerden met het kleine formaat. Er is een foto waarop mijn vader naast zijn dan nieuwe auto staat. Het is geen gezicht. Hij torent er boven uit en heeft te veel lijf om in dat kleine blik te persen. En dan nam hij ook nog eens regelmatig zijn vrouw en vier kinderen mee op sleeptouw. Als kleinste zat ik dan meestal bij mijn moeder op schoot. Ik heb ook wel achterin gezeten, weet ik nog, en kroop dan over de knieën van mijn zussen en broer. Daar werd ook duidelijk dat ik vrij snel wagenziek werd en zo veroverde ik me een vaste plek voorin, op schoot bij mams. ‘Op de weg kijken, Lennie, voor je kijken, op de weg.’ Dat was het devies.
Hoek van Holland haalde ik nog wel, maar van die keer naar Amersfoort weet ik nog dat ik het als een bevrijding ervoer dat we onderweg pech kregen. De auto ging aan de kant en de Wegenwacht kwam.Ik denk dat dit mijn eerst concrete auto-ervaring is: de vreugde van het uitstappen uit dat verraderlijk vriendelijk ogende maar funeste ansjovisblikje, die heerlijke buitenlucht, de wijde wereld van voorbij rijdende auto’s en de wegenwacht die met zijn felle geel als een reddende engel uitkomst kwam bieden.
Ik weet haast wel zeker dat het euvel een kokende motor was. Het was een kwestie van afkoelen en de radiateur bijvullen met water. Heet water graag, om scheuren te voorkomen. Zoiets.

Ik ben blij dat mijn kunstvaardige neef nooit een prent maakte op basis van de foto van pa naast zijn Renault 4CV. Het is een schitterend karretje, maar niks voor mijn vader.
Rond 1980 reed pa een keertje met me mee in onze Renault 4, een vierkant geval dat in de volksmond koekblik heette. Ik zag hoe hij naar het plastic dashboard keek en naar de mislukte versnellingspook. Daarna keek hij naar mij. Ik bleef voor me kijken, naar de weg, maar het medelijden in zijn blik ontging me niet.

11 juli 2021

Austin 8

Die zomer deed mijn vader zijn motor van de hand en in plaats daarvan kocht hij een auto. Het was een Austin 8 en ik heb er geen persoonlijke herinnering aan want twee jaar later al kwam er een andere wagen, deze keer wel een nieuwe. Toch speelt die Austin de toon gezet voor het verhaal van mijn leven.

De auto kwam een paar dagen voor mijn geboorte voor de deur te staan. Van zijn komst bleef mijn vader meer bij dan van de geboorte van zijn vierde kind. Over de dag van mijn geboorte heb ik hem nooit horen vertellen, over de dag die daaraan voorafging wel. Ik zeg het niet helemaal goed: mijn komst speelde in zoverre een rol dat die dreigde roet in het eten te gooien. Veel autobezitters telde ons dorp niet, mijn vader was de eerste in de straat waar we woonden. Daarom was hem gevraagd om nu ook mee te doen aan het jaarlijkse dagje uit van het dorp, waarbij alle ouden van dagen getrakteerd werden op een fraaie rit met decent vertier hier en daar. Mijn vader voelde zich meer geroepen dan gevraagd, begrijp ik achteraf. Hij moet er bijzonder trots op zijn geweest om met zijn nieuwe aanwinst mee te mogen rijden in de lange stoet die werd aangevoerd door de taxi´s van De Wilde, want ook die werkte belangeloos mee.
Ik zou wel eens willen weten wie er nog meer mee reden, al zal ik daar nooit achter komen. Het moeten toch mannen geweest zijn waar mijn vader toch een beetje tegen opzag. Het zou me niks verbazen als oom Rien Boers van kassenbouwbedrijf Kubo ook meereed. De twee waren gezworen kameraden, jawel. Ze gingen jaren achtereen met elkaar op vakantie, om maar iets te noemen, maar ze hielden elkaar ook goed in de gaten, die twee.

Voor pa was mijn geboorte dus een regelrechte bedreiging, hoewel die ? dat zul je begrijpen ? ruim van tevoren was aangekondigd en mijn moeder me meermalen verteld heeft dat ik, net als mijn zussen en broers, keurig op de geplande tijd geboren ben. Dat was in dit geval de dag na het uitje van de bejaarden. Om half negen ´s avonds was mijn vader weer thuis gekomen en de volgende morgen om kwart voor vijf of kwart voor zes kwam ik. Vreemd, dat zowel mijn moeder als mijn vader niet precies konden vertellen of het nou vijf of zes was. Maar dat half negen van de avond daarvoor klopt wel en dat mijn vader die dag met drie bejaarden in zijn auto in een stoet naar de Alblasserwaard reed, kwam ook telkens weer ter sprake als in verhalen die laatste week in juni van dat jaar ter sprake kwam.

Er is een fotootje. Daarop zitten mijn vader en moeder, gelukkige jonge mensen, op de bumper van hun Austin 8. Die staat voor het huis. Tegen de gevel staat de fiets waarop ik mijn vader vrijwel nooit heb zien rijden en achter die gevel lig ik ergens in een wieg. Maar dat laat die foto niet zien. Hij moet een maand of twee na mijn geboorte genomen zijn: het is nog volop zomer, mijn moeder is niet zwanger en mijn vader is nog steeds trots op zijn nieuwe aanwinst.

Op basis van dat fotootje maakte mijn kunstzinnige neef lang geleden een reductiehoutsnede. Daarvan hangt een exemplaar bij vrijwel alle kinderen en kleinkinderen, ook bij ons. Een plaat dus van een echtpaar met hun nieuwste aanwinst, niet met hun zo juist geboren kind, maar met een tweedehands auto.

10 juli 2021

Uitkleden

Bij een pentekening van Rembrandt - Een vrouw berooft een dronken man (ca 1650)


De man is ver weg. Hij zit nog wel op een stoel, maar zonder de tafel voor hem zou hij daar al lang van af gekukeld zijn. Feitelijk ligt hij in een diagonaal die links begint in een zwaar leunen en steunen om rechts te eindigen in een zweven dat bijna sierlijk is. Dat heb je met zweven.
Hij kan zo dronken niet zijn of zijn hoofd heeft in zijn armen nog wat comfort gevonden. Iemand die in coma ligt, met slangetjes verbonden aan ingewikkelde apparatuur, is zoiets niet meer gegeven. Met dat comfort zal het toch wel tegenvallen straks, als de beneveling plaatsmaakt voor het prikkeldraad en de housemuziek van een kater. Straks voelt hij ook die gewrichten die opgezadeld werden met een niet pose die ik niet optimaal kan noemen. En dan heeft hij nog niet in de gaten dat zijn broekzak leeg is.

Voorlopig zit hij nog half op zijn stoel. Zo te zien meer op zijn rechter dan op zijn linker bil. De knie rechts moet wel stevig tegen de forse middenpoot van de tafel drukken. Misschien dat Rembrandt juist daarom die knie en ook de zit van de man zo royaal in de inkt heeft gezet. Zonder die knie en dat halve zitten zou de hele constructie van de man onmogelijk zijn. Dan moeten we maar hopen dat de tafel stevig genoeg is. Zo ziet ie er ondanks de paar snelle lijnen waarmee hij is weergegeven wel uit: een kloeke tafel, ik houd het op een tafel van eikenhout. Al met al is er zoveel zwaarte, links op de tekening dat niet alleen de voet maar zelfs het hele linkerbeen van de man kan zweven. Op deze manier houdt de man het nog wel even uit in zijn benevelde, maar dankzij kloek eikenhout gestabiliseerde, diagonale zijligging met een linkerbeen dat van een wegvliegende engel geweest had kunnen zijn als Rembrandt zich had beziggehouden met een ander onderwerp.Deze man is geen engel en hij hoeft ook niet gelukkig te zijn met de tafel die hem met blad en middenpoot voor verder vallen behoedt. De vrouw achter hem wel. Die kan nu in alle rust de beurs van de man uit zijn broekzak trekken, de linker zak dus, met dat zwevende been even verderop. Alsof hij de vrouw ter wille wil zijn. Alsof hij een kind is dat zich slaapdronken door zijn moeder laten uitkleden.
Aan de rechterkant van de tekening wordt alles lichter: het been en de voet van de man, maar ook zijn broekzak. Lang voor de man overeind krabbelt, zal ook de vrouw verdwenen zijn.

08 juli 2021

Allemaal stoten

Vorige week even langs geweest bij Tineke.

Er kon geen sprake van zijn dat het ooit iets zou worden met een van de jongens van Grootscholten, dat wist zij indertijd ook wel, want die waren rooms en zij was gereformeerd, maar o, wat waren dat een mooie jongens, allemaal, en dan hadden ze ook nog de goeie leeftijd, alleen de jongste van de vijf was jonger dan zij, niet eens zoveel.
Op zaterdagmiddag kwam er altijd een van de prachtige zonen langs voor de zomerkolen. Dat was een spaarregeling. Grootscholten had behalve een tuin ook een kolenhandel en als je het hele jaar wekelijks een bedragje betaalde dan hielp hij je de koude winters wel door. Zo verdeelde je de kosten evenredig over het jaar. Ik kende dat wel: voor mijn vader haalde ik ooit wekelijks bedragen op bij mensen die een verzekering bij hem hadden of een spaarregeling. Maar ik was niet zo'n knappe knul van Grootscholten en ik mocht dan gereformeerd zijn, voor Tineke was ik natuurlijk veel te jong. Haar hart voor die jongens klopte toen ze vijftien, zestien of zeventien was en Tineke en ik schelen ook toen al op de kop af tien jaar en elf maanden.

Dat nam niet weg dat ze een keer was uitgenodigd voor een feest waarbij je ook een danspartner moest meenemen en daarom had ze op een zaterdagmiddag, toen er weer zo'n adembenemend knappe Grootscholten in de keuken zat om niet alleen een premie te innen maar ook om te snoepen van de lekkere koek die Tinekes moeder dan altijd bakte, het lef gehad hem te vragen mee te gaan. Tinus was het. En Tinus had ja gezegd. Ze was in de wolken geweest. De kloof van het geloof had ze niet eens op het idee gebracht om elkaar ook maar een vluchtige zoen te geven.

Die van Grootscholten waren in goeden doen, dus al die jongens hadden in de jaren vijftig een brommer en als ze die niet hadden, dan was dat vanwege de auto die ze intussen hadden gekocht. Tinus reed nog brommer en bij hem achterop was Tineke naar het feest in Naaldwijk gereden.

Ik herinner me die brommer wel. Wij woonden schuin tegenover Grootscholten en ik ging er graag langs omdat ik dan mee mocht met de kolenwagen of ik werd voorop de brommer gezet, op de tank, om tussen de armen van Aad of Theo of Tinus even naar de veiling te sjezen en er een veilingbrief op te halen. Prachtig vond ik dat. Misschien genoot ik er wel net zo van als Tineke toen ze bij Tinus achterop naar Naaldwijk reed om er op het dansfeest de andere meiden te verpletteren met de stoot die haar begeleidde.

07 juli 2021

The jack of hearts

Doorgaans zeg ik de psychotherapeut als ik het over mijn vriend de psychotherapeut heb, zelf noemt hij zich klinisch psycholoog, maar dat verandert niets aan het feit dat we beiden in Dylan zijn, niet overdreven, maar toch genoeg om het er af en toe over te hebben en ook genoeg voor hem om mij voor mijn verjaardag een boekje te geven dat de titel draagt van 'Blood on the Tracks. Dylans meesterstuk in blauw', geschreven door de mij overigens onbekende Dylankenner Jochen Markhorst. Ik vertel er even bij dat het album met die titel onze gedeelde favoriet is. Dit is de eerste alinea.

In alinea twee word ik plotseling wakker en ik zie dat Mente al op bed zit, met haar voetjes op de vloer. Ze gaat eruit, zegt ze. Dan is voor mij de lol eraf, maar het ontwaken overkwam me zo abrupt dat ik niet onmiddellijk omhoog veer. Wel hijs ik mezelf een eindje overeind, zet een bril op en graai naar een boekje naast m'n bed dat het mogelijk maakt om een punt te zetten achter deze alinea en over te gaan naar alinea drie.

Daarin lig ik dat boekje te lezen, het hoofdstukje over Lily, Rosemary and the jack of hearts. Er trekt onwillekeurig een grijns vanaf het spleetje tussen mijn tanden naar mijn linker- en mijn rechteroor. Het is een leuk hoofdstuk. Dat kan ook niet anders met zo'n fantastisch nummer als onderwerp. In 1966 brak er een zon in me door toen ik Bob Dylan hoorde lachen in 'Rainy Day Women', later werd ik dus vrolijk van dit nummer. Ik heb het gevoel dat ik er de laatste jaren nog vrolijker van word dan toen. Het hoofdstuk is verfrissend en het grappige is dat ik het nummer integraal hoor tijdens het lezen. Het zit met begeleiding en al in mijn hoofd. Ik ben Markhorst dankbaar dat hij even de regel eruit licht over Rosemary, 'seein' her reflection in the knife'. Van haar slempen in wanhoop word ik niet vrolijk, van deze waarneming wel. En er zijn meer opmerkingen die aan mijn mondhoeken trekken.

Ik verlaat alinea drie voortijdig om te vertellen dat het boekje meestal per hoofdstuk een nummer van het album bespreekt. Een hoofdstuk eindigt dan met het noemen van covers die daarvan gemaakt werden, plus waardering. Ik ken die covers vaak niet, waaruit maar weer blijkt dat ik niet de ware Dylanadept ben, maar ik ben wel van plan om er mijn voordeel mee te doen. Daar kom je bij dit nummer niet ver mee, Baez en Russell bakken er nog wel iets moois van, maar dan houdt het ook op. Sowieso waagden weinig artiesten zich aan dit nummer.

Er staat tussen de neus en de lippen van een aparte alinea van dit hoofdstuk nog iets dat me tevreden stemt. Als verklaring voor het feit dat dit nummer niet vaak gecoverd is, komt Markhorst op de proppen met de stelling dat Dylan als voordrachtskunstenaar door zijn manier van vertellen de spanning weet vast te houden. Kijk, dat is me uit het hart gegrepen. Dylan is niet alleen een zanger, hij kan zijn teksten ook brengen. Hij nodigt uit tot luisteren.

'Black Diamond Bay' denk ik als ik mijn benen over de rand van het bed zwaai, dat is ook zo'n nummer, dan loop ik al de slaapkamer uit. 'Next day was hangin'day the sky was overcast and black.' Zingend vind ik mijn weg naar de badkamer. Mijn dag kan niet meer stuk.
En dat is zes.

06 juli 2021

Toekomst

Mijn theologische vriend deed mij een paar weken geleden uit de doeken wat zijn project was voor de komende zeventien jaar. Daar keek ik wel een beetje van op, niet van dat project, wel van dat zeventien. Daarom legde hij zijn leven voor me neer in brokken van elk zeventien jaar. Het leek allemaal te kloppen, maar de verbazing bleef. Ik zou mijn leven niet in eenheden van zeventien jaar kunnen onderverdelen, maar ook niet in happen van zeven of acht. Later raadpleegde ik er mijn therapeutische vriend over. Hij en de theoloog beleven hetzelfde, door zeventien deelbare levensjaar en ze zijn gelijk gestopt met werken, misschien kon hij daarom een en ander duiden. Ook hij kwam bij het dit priemgetal niet verder dan particulier toeval. Wel had ook hij een duidelijk beeld van zijn toekomst en daarmee kwam hij nader tot de theologische vriend, die ook een uitgekiende blauwdruk had van de zijne, die met dat getal zeventien de periode van 68 tot 85 zou beslaan en waarin een aantal studies en voorgenomen publicaties voorkwamen. Studies en artikelen kwam ik bij de therapeutische vriend ook tegen. Deed ik iets verkeerd door me te beperken tot de gedachte dat iedere dag genoeg heeft aan zijn eigen leed? En ook vreugde neem ik aan, al maakt de Bijbel daar geen melding van.

Vandaag maakten we een rondje. Koffie dronken we in Wezep bij de vernufteling en zijn van een verse heup voorziene geliefde. Hij nam ons mee naar het betonnen skelet een paar straten verderop dat voor hen werd gebouwd. In miniatuurvorm zag het er al vollediger uit en kon hij zelfs laten zien welke kast en welke stoel op welke plaats zou komen. Hij had de boel in lego nagebouwd. Er belde trouwens een bezorger aan om een nieuwe cirkelzaag af te leveren. De grote variant had hij intussen via Marktplaats verkocht en dat gold ook voor een deel van het meubilair. Ook hier liep of strompelde men de toekomst planmatig en met een duidelijk beeld van de invulling tegemoet. Deden wij iets niet goed?

Voor de lunch trokken we naar een brug bij de IJssel, vijftig kilometer verderop, waar iemand die binnenkort nog net geen zeventig wordt, vertelde van de organisatie van kunstroutes, de kennis van de stad die ze zich als gids bezig was eigen te maken en van de eerste rondleiding die ze morgen zou verzorgen. Op en top een bewoonster van 'het kleine stadje Zutphen' om Bomans er even bij te halen, maar nog geen vijf jaar geleden was er in het leven van dit ooit Haagse meisje nog helemaal geen sprake van deze IJsselstad. Ze had haar plannen, muzikaal, cultureel, sociaal, relationeel keurig klaar alsof het leven een stappenplan was.

En dat was ook het geval bij de thee in Oeken, waar een woning en een reusachtige tuin een metamorfose ondergingen. Er zouden nog jaren overheen gaan, maar de fasering was klaar en de fundering lag er.

'Later als ik groot ben, ga ik ook eens nadenken over mijn toekomst,' zeg ik onderweg naar huis.
'Daar zijn we nog niet aan toe,' denkt Mente.
'Ik zou wel verkering met je willen,' zeg ik.
Zij ook wel met mij. Dat is al een hele stap. We kijken ernaar uit.

05 juli 2021

Teen

Ik ga al weer geruime tijd overwegend ongesokt door het leven en daarbij kom ik regelmatig de grote teen tegen van mijn linkervoet. De verminking daarvan neemt enorm af en daarom durf ik het weer aan om me ermee onder het volk te begeven.
Twee jaar geleden liet Tommy er een klein bouwwerkje van Duplo op vallen. Om verwijten aan zijn adres te voorkomen, vertel ik er maar even bij dat hij toen zijn eerste verjaardag nog moest vieren. Ik val hem er ook nu nog niet mee lastig. Het was een ongelukje, maar wel een bijzonder pijnlijk ongelukje. Je zag er niets van, maar het duplogeval was met een punt onder mijn nagelriem terecht gekomen. Nu vierde ik dat jaar een verlengde zomer, door in oktober een paar maanden naar Nieuw-Zeeland te gaan en daar zag ik hoe als een zwarte maan maar veel langzamer een donkere plek onder de nagelriem vandaan schoof. De hele nagel werd zwart. Daar was gelukkig niet veel meer van te zien toen vorig jaar mijn slippers en sandalen weer onrustig begonnen te worden.
Maar halverwege de zomer begon die teen een paar dagen flink te zeuren en nog voor de tijd rijp was voor gesloten schoeisel leek mijn teennagel van glas te zijn geworden. Nog weer later werd die opnieuw zwart. Ik zal niet in details treden. Houd het erop dat ik blij was met gesloten schoenen, en dat heb ik niet gauw. De pijn was voorbij.

Die zat bij buien in de grote teen van mijn andere voet, ook al voordat het Duplo langs kwam. Ook nu speelt die regelmatig op. Artrose, zegt de dokter. Het gekke is alleen dat ik de pijn van die teen associeer met die andere grote teen. En omgekeerd denk ik dat die verminkte nagel rechts zit. Dus als ik mijn rechterteen voel, denk ik dat die nagel opnieuw gaat opspelen. Vreselijk ingewikkeld allemaal, manmanman.

Het heeft er intussen alle schijn van dat het met de verminkte grote teen, de linker dus, de goede kant op gaat en dat een nieuwe nagel op daadkrachtige wijze bezig is kortemetten te maken met wat nog herinnert aan een verleden van leed en ontoonbaarheid.

Vandaag zat ik met Tommy op de bank. Hij keek naar Bing en ik keek naar mijn dappere teen. Vervolgens vroeg ik me af wat er vaker voorkwam, voeten waarvan de grote teen de langste is en waarbij de andere tenen keurig gerijd aflopen als pijpen van een panfluit, of dat doorgaans de tweede of, vergelijkbaar met handen de derde teen, de langste is. Ik heb het niet kunnen vinden. Wel zag ik dat de tenen voldoende stof bieden voor verregaande psychologische duidingen. Mijn aflopende tenen duiden op mijn sociale gevoel en op intellect, alsof ik dat niet wist. Ha, vertel mij wat. Maar er werd bij verteld dat mensen met voeten als ik heb, zelfingenomen kwallen kunnen zijn. Nou, daar heb ik gelukkig geen last van.
En nog iets: ook de afstand tussen grote en naastliggende teen is betekenisvol.
Wist je bijvoorbeeld dat ik niet goed in staat ben om spontaan te reageren als ik op mijn linkervoet sta? Daar is ruimte tussen de twee tenen, maar rechts ben ik wel spontaan, die liggen keurig tegen elkaar. Dus als het spontaan moet, balanceer op rechts.

Interessant, nietwaar? Maar nu ga ik weer naar Bing kijken.

03 juli 2021

Deze zaterdagmiddag

Even speet het mij dat ik dat kekke nieuwe kampeerstoeltje van me niet onder de snelbinders had geschoven. Dan had ik dat op een leeg veldje langs de Maarsseveense Plassen kunnen zetten om op te schrijven wat me dan en daar zou invallen of wat daar te zien viel of te horen. Lege veldjes waren er wel, maar geen perceeltjes met een bank. Dat ik verderop het bankje op de hoek van de Kooidijk en het pad dat voert naar Fort Ruigenhoek leeg zou aantreffen, dat leek me uitgesloten. Ik mag daar graag even zitten, maar het komt er zelden van. Ook anderen hebben dat bankje ontdekt. Bij Oostbroek, aan de andere kant van Utrecht, heb je dat ook . Daar staat een prettig opgesteld bankje voor mensen die er een kleine wandeling maken, maar vrijwel is het altijd bezeten en bezet.
Maar wat overkomt me op deze zachte zaterdagmiddag, die wel recreatief volk op de been heeft gebracht, maar minder dan anders, misschien omdat de terrassen in de stad vandaag extra aantrekkelijk zijn? Hoe dan ook: het bankje is leeg, het staat me op te wachten en spreekt me vriendelijk toe.

Terwijl ik af en toe naar de heel licht in nevel gehulde stad kijk, met zijn zo strak ingepakte Domtoren, de Verrekijker van de Rabobank en meer naar rechts de schoorsteen van wat ooit de Pegus heette, en naar de amper benevelde bosschages van het veel dichterbij gelegen fort, naar de middelhoge vlucht van zwaluwen hier en daar, die ik niet benijd om hun rusteloosheid en hun menu, en dan ook de vlucht meeuwen zie die omslaat en die ik na een vluchtige blik op mijn notitieblokje vreemd genoeg nergens meer kan ontdekken, hoor ik links en rechts van me wat mussen en achter me klinkt het gekras van een kraai die niet meer lijkt te geloven in zijn gezag. Een duif hoor ik. En ja, ook de A27. Dat is wel een beetje jammer. Ik kijk automatisch de kant op waar twee kilometer verderop die weg loopt, maar mijn blik wordt troostrijk gevangen door de draaiende wieken van Geesina. Die molen is er heel lang zo beroerd aan toe geweest, maar moet je nu eens zien.Dit zou al voldoende zijn geweest. Maar dan fietst een man het bankje voorbij. Hij is al over de helft met het roken van zijn sigaartje. Dat zie je niet veel meer, een sigaartje op de fiets en wat je helemaal nooit ziet, maar nu dus wel: onder de snelbinders, op de bagagedrager passeert me een antiek houten katheder, een kistje met schuin deksel. Spaans, denk ik in de gauwigheid vanwege de kleur en het schrijnwerk van kloeke krullen.

Ik heb zoveel gezien op fietstochten en ook zag ik veel wanneer ik niet fietste, maar dit, een fietser die een sigaartje rookt en een katheder achterop heeft, dat maakte ik nooit mee.
Het is een bijzondere middag, deze zaterdagmiddag. Ik stop mijn pen en papier weg en dan blijf ik nog even zitten.
Jammer dat ik geen appel bij me heb.

01 juli 2021

Schuld

De dissertatie van Joyce Ronday is in het Nederlands vertaald* en dat is wel zo makkelijk. Zij schrijft over Primo Levi en er komt veel langs in het boek dat me nogal bezig houdt. Vandaag blijf ik hangen bij schuld en schuldbesef.
Primo Levi volgde indertijd het proces tegen Adolf Eichmann, de man die de personificatie mag heten van de banaliteit van het kwaad, zoals Hannah Arendt het (of hem) noemde.
Levi schrijft een gedicht met als titel ‘Voor Adolf Eichmann’. Dit is de tweede strofe:

O zoon van de dood, wij wensen jou de dood niet toe.
Moge jij zo lang leven als nog nooit iemand heeft geleefd:
Moge jij vijf miljoen nachten slapeloos leven,
En elke nacht de smart jou bezoeken van ieder die zag
Hoe de poort hem insloot en hem de terugweg benam,
Hoe het rondom donker werd, hoe de lucht zich vulde met dood.


Hier is geen sprake van haat, maar van gerechtigheid, ook van een onvervulde wens. Voor Eichmann volgde er geen leven voor wroeging, hij werd ter dood veroordeeld en deze clown van het kwaad is nooit aan schuldbesef toegekomen. Schuldbesef is er wel bij Primo Levi zelf. Hij heeft Auschwitz overleefd en dat betekent dat hij, desnoods tegen wil en dank, bij de slechteriken van het kamp hoorde. Er was maar een overlevingsstrategie in het kamp en dat was: kiezen voor jezelf. Strategie kun je het amper noemen en werken deed die ook al niet, maar het was wel het enige. Voorbeeldje: op een keer deelt Levi het kleine beetje water dat er is met een vriend en lotgenoot en hij ziet dan een derde, ook een lotgenoot die ook water nodig heeft dit ziet. Hij geeft geen water. Na de oorlog vraagt die derde hem waarom.

Tijdens het lezen ontkom ik niet aan de gedachte dat schuld of schuldbesef alleen maar mogelijk is, als je zelf ook slachtoffer bent en niet alleen maar dader. Een dader is wie en wat hij is; hij kan zich, als er al naar gevraagd wordt, verschuilen achter omstandigheden, achter opdrachten, zeggen dat je toen niet beter wist en dat kan nog waar zijn ook. Mensen zitten vast in de beperkte context van een zeer gekleurd hier en nu.

De slapeloze nachten zijn er voor de slachtoffers die al dan niet ook dader werden, niet voor daders. Die slapeloze nachten en een eeuwige pijn zijn de wensen van dichters en zangers als de jonge Boudewijn de Groot en zijn voorbeeld Bob Dylan én van slachtoffers die verlangen naar recht. Welk recht? Het recht op besef bij de dader. Die moet doordrongen zijn van zijn wandaden, die moet weten en weten, alle verhalen kennen en voelen en wanhopig worden van wroeging.
Alleen dat gebeurt niet, dat gebeurt, nogmaals, alleen bij degene die slachtoffer is.

Intussen krijg ik een ongemakkelijk gevoel als het gaat om de herziening van ons slavernijverleden. Ik weet om te beginnen al niet wat ik met dat ‘ons’ moet en voor een spijtbetuiging is het nog te vroeg. Daarvoor hebben we allereerst de onontkoombaarheid van verhalen nodig. We moeten ons slachtoffer voelen om tot besef van schuld te komen.
En ook… moet ik me verontschuldigen tegenover iedereen die nazaat is van mensen die als slaaf naar Amerika werden getransporteerd? Of moet ik me bijvoorbeeld inzetten voor bootvluchtelingen, voor mensen die hun land ontvluchten?

* Joyce Ronday, Primo Levi na God. Verhalen van een nieuwe Bijbel. Uitgeverij Verbum 2021.

30 juni 2021

Een raadsel

Omdat de lavendel op het graf behoorlijk was gegroeid, had ik het aanvankelijk niet eens in de gaten, maar toen ik de gepinde vaas uit de grond trok, zag ik dat het tubetje er niet meer stond. Kort na het overlijden van mijn moeder, had de jongste een tube Niveacrème op het graf gezet. Kort geleden stond het er nog. Toevallig stuurde mijn jeugdvriend Dirk me een maand geleden nog een foto van het graf met als onderschrift: ‘Je moet de groeten hebben.’ Nu was het dus weg.

Dat tubetje was indertijd een grapje van de jongste, maar ook niet helemaal. Het zou mij niets verbazen wanneer toch een verband te vinden zou zijn tussen dit tubetje en de gewoonte van oudere volkeren om hun doden schatten mee te geven voor in het hiernamaals. Mijn moeder was een levenslange smeerder van wie de Duitse fabrikant behoorlijk rijk geworden moet zijn, al was het maar omdat haar kinderen en een stel klein- en achterkleinkinderen ook een smeerbehoeftige huid hebben. We zijn groot geworden van Nivea en al zijn we intussen allemaal overgestapt op een zachtaardiger en neutraler merk, de heer en mevrouw Nivea hebben heel lang een goede boterham van onze familie kunnen eten. Vandaar dat tubetje.

En nu was het weg. Het stond pal voor de graftsteen, op een randje. Ik kan het anders zeggen: het stond op de plek waar nu een stroperig plasje bodymilk lag. Alsof het flesje was vervluchtigd en de inhoud was achtergebleven. Ik stuurde een foto naar de jongste en mijn broers en zus.
‘Heeft ze het tubetje eindelijk gevonden?’ appte de jongste terug, want met haar kun je lachen. Met mijn broer ook trouwens, hij reageerde met ‘Zeker over de datum.’
Ik had niet de indruk dat het tubetje op die plek was leeggeknepen, het leek er echt op alsof het plastic zomaar was verdwenen en de inhoud als plasje achterbleef.

Ik ging verder met de bloemen. Deze keer had ik zelfs een zakmesje bij me om die eerst schuin af te snijden voordat ze in de vaas gingen. Maar, zag ik nu, die vaas was beschadigd, een plastic geval waarvan aan een kant een ruwe bobbelige plek ontstaan was, alsof iemand hem met een aansteker had willen laten smelten.
Zo was het niet. Het tubetje had gebrand en dat stond naast de vaas. Spontane zelfontbranding leek me uitgesloten. Het zou wel eens een gevalletje vandalisme kunnen zijn, waarbij de tube inderdaad vlam vatte en de vaas ernaast inderdaad niet hittebestendig bleek. Die kon overigens nog heel goed gebruikt worden voor de bloemen die ik bij me had. Bovendien staat er nog eentje achter de steen.

Mijn vader kan tevreden zijn: de bloemen staan er immers voor hem, vanwege zijn veertigste sterfdag. Door dat tubetje was bijna alle aandacht naar mijn moeder uitgegaan. Dat zou niet fair geweest zijn tegenover mijn jubilerende vader, al hoorde ik hem daarover niet klagen.

Nu ik weer thuis ben, blijf ik me toch een beetje verbazen over die spoorloos verdwenen tube. Wie zet er nou een tubetje Nivea op een graf, kun je je afvragen. Nou, dat doet mijn jongste, en wie mijn moeder gekend heeft, weet dat ze nooit zonder crème op stap ging. Mijn vraag is eerder: wie steekt er nou zo’n tubetje in de fik? En omdat ik van het tubetje geen enkel spoor ontdekken kon, vraag ik me af of dat wel echt gebeurd is. Of heeft de schuldbewuste dader het later opgeruimd, of een tuinman van het kerkhof?
Het blijft een raadsel.

29 juni 2021

Two of a kind

Morgen is het precies veertig jaar geleden dat mijn vader overleed. Daarom is het volstrekt ongepast dat ik dit stukje schrijf. Dat weet ik. Ook wie las wat ik eergisteren en gisteren vertelde, zal weinig begrip op kunnen brengen voor wat nu volgt, maar die zal wel snappen hoe ik van het een, via het ander terechtkom in de merkwaardige nacht ergens in acht- of negenenvijftig.

Op de overloop kwamen een trap uit en zes deuren, eentje van een kast, een voor wat het midden hield tussen badkamer en berging, en dan waren er vier slaapkamerdeuren. Mijn ouders sliepen voor, mijn kleine broertje en ik achter. De deuren van mijn zussen en grote broer gingen ’s nachts dicht, onze deur en die van mijn ouders bleven open. Dat had oorspronkelijk te maken met mijn nachtelijke paniekaanvallen en toen die er niet meer waren, was er de onberekenbare astma van mij broertje.

Het beloofde een goede nacht te worden. Ongetwijfeld had mijn moeder me nog in het pootje laten plassen toen zij naar bed ging. Ze had de koude rand van het geëmailleerde potje, wit met blauwe rand, tegen mijn bovenbenen gedrukt en een langaanhoudend fluitje laten horen. Signalen die voldoende waren voor mijn blaas om de remmen los te gooien.
En nu was ik ook nog eens midden in de nacht wakker geworden omdat ik weer plassen moest. Dat betekende niet alleen dat ik nog niet in mijn bed had geplast, maar ook dat de kans daarop minimaal zou worden. Ik kroop uit bed.
Toen ik de overloop op wilde lopen, zag ik mijn vader staan. Hij hield het potje vast en stond te plassen. Ik kon zijn silhouet duidelijk zien in het licht dat van de straatlantaarns via de open slaapkamerdeur van mijn ouders op hem viel.

Mijn vader had van heel veel twee, oren, handen, voeten, net als andere mensen. Daarnaast had hij ook nog eens twee ringen en twee kinnen. Later zouden dat er drie worden. Maar wat ik niet wist: hij had ook twee piemels, niet op dezelfde hoogte zoals ogen, schouders en zo maar net als zijn kinnen onder elkaar. In het tegenlicht zag ik dat hij plaste met zijn bovenste piemel, maar die andere was even groot. Het was een wonder.

Hij zag mij niet en ik deed gauw een stapje achteruit en opzij om onzichtbaar te zijn. Toen ik zeker wist dat hij weer in bed lag, kwam ik weer tevoorschijn. Ik had niet het lef om nu ook van die po gebruik te maken. In plaats daarvan sloop ik de trap af om beneden naar de wc te gaan. Toen ik klaar was, trok ik niet door. Mijn vader had niet alleen twee kinnen, hij had dus ook twee piemels. Wat voor geheimen zou het leven nog meer voor me in petto hebben?

Ik ben nooit meer in staat geweest om dit wonder nogmaals te bestuderen. Weliswaar heb ik mijn vader nog wel zien plassen in een bos of bij een paaltje bij een weiland, maar daarbij keerde hij me decent de rug toe.

Een paar jaar later was ik bij een vriendje en toen ik daar voor de wc-pot stond, broekje op mijn enkels, deur op het haakje, riep de moeder van Kareltje: ‘Wel je plassertje vasthouden!’ Ik vond dat onbehoorlijk van haar, roepen naar iemand op de wc, maar ik liet mijn piemeltje rusten op de wijsvinger van mijn linkerhand. En ineens wist ik het.

28 juni 2021

Reservepaar

Zeegroen zou ik zeggen, als het gaat om het achterzitje van mijn moeders fiets, een zeegroen dekje, gevat in een frame van zwart metaal. Ik zal niet het eerste kind geweest zijn dat op dat zitje zat. Waarschijnlijk gingen mijn zussen en broer me voor of was het zitje via vrienden die het niet meer nodig hadden op mijn moeders fiets terechtgekomen. Ik vertel dit allemaal omdat ik nu pas begrijp dat dat zeegroen niet de oorspronkelijke kleur kan zijn geweest. Ooit was het heldergroen of blauw.
Het zitje had ook een rugleuning. Dat doet er toe, want daar maakte ik gebruik van. Ik leunde achterover om de rug van mijn moeder aandachtig te bestuderen en om tot bespiegelingen te komen. Deze keer droeg zij een vestje over haar jurk en we waren op weg naar een mij onbekend oord. Wáár we precies fietsten, kan ik niet zeggen, maar het was een weg die we niet vaak namen. Om een of andere reden denk ik aan de weg tussen Naaldwijk en De Lier. Ik weet niet goed waarom.
Verder kan ik je vertellen dat ik net vier was of dat binnenkort zou worden. Daar kom ik op terug.

Mijn handen had ik op haar heupen gezet en ik keek niet alleen naar de rug van mijn moeder maar ook naar de billen tussen die twee handen. Ik zat daar goed, op dat zitje achter die grote, warme en sterke moeder.
Ik dacht aan haar. Niet lang daarvoor had ik bij haar op schoot gezeten. We hadden gegeten en zaten nog aan tafel. Er waren gasten bij. Ik was bij mijn moeder op schoot geklommen en hing met mijn hoofd tegen haar aan. Ze praatte. Ik luisterde niet, maar voelde de aangename resonantie van haar stem omdat ik met mijn oor tegen haar borstbeen lag. Dan was het weer stil, omdat ze luisterde, maar als zij weer wat vertelde, was daar ook weer die aangename trilling. Zo mocht het wel blijven.
Daar achterop die fiets kwam ik in een vergelijkbare stemming. In een ver verleden waren we van huis vertrokken, we fietsten door terra incognita en van een aankomst ooit en ergens had ik geen idee. We fietsten door een eeuwig heden met alleen dit zitten achterop op een fiets, achter de beste moeder van de wereld. Toevallig wel!

Ineens wist ik het. Die billen en die borsten die hadden alles met elkaar te maken. Vrouwen hadden extra billen, extra billen voor als de echte billen stuk gingen. Niet dat zoiets gauw zou gebeuren, dat zag ik voor me: mijn moeders billen gingen nog heel lang mee, maar daar had God dus toch in voorzien, in reservebillen. Misschien omdat vrouwen veel meer fietsten dan mannen. Mijn vader bijvoorbeeld fietste nooit.
‘Nou, weet ik het,’ zei ik. ‘U heeft extra billen op uw buik voor als die andere stuk gaan.’
‘Wat zeg je?’ vroeg mijn moeder en ik was niet te beroerd nogmaals te vertellen wat ik zojuist ontdekt had.
Ze beaamde dat. Ik vond mezelf een heel clever kereltje daar achterop die fiets. Dit had ik toch maar mooi ontdekt.

Waarom was ik vier en niet vijf toen dit gebeurde? Dat zit zo. In de zomer van mijn vijfde verjaardag lag er een baby’tje bij mijn moeder aan de borst. Toen begreep ik dat het toch allemaal anders was dan ik een jaar eerder had gedacht.
Had mijn moeder dan gelogen?
Nou nee, toen op die fiets had ze begrepen dat de waarheid nog te ingewikkeld voor me was. Als vijfjarige kon ik daar wel begrip voor opbrengen.

27 juni 2021

Ouwe Jaap

Hij had een hoed en een wandelstok. Een bruine hoed was het, met een ronde rand en de bol was een beetje plat. Als hij liep, zag je meteen dat die stok een doel diende, het was zijn derde been, maar het liefst zie ik Ouwe Jaap voor me als hij stilstaat. De stok houdt hij dan recht voor zich door er met beide handen op te leunen, zijn rechter- over de linker.

Graag leunde hij ook ergens tegen, een muurtje, een vensterbank, een hekje. Of een geparkeerde auto, zoals bij de kleuterschool naast garagebedrijf Oostdijk. Jaap woonde een paar honderd meter bij ons vandaan, op een pleintje bij het katholieke Verenigingsgebouw. Daar woonden in de jaren vijftig meer oudere mensen. Dat was niet ver van ons schooltje, dus als we als kleuters buiten mochten spelen, kon je hem daar regelmatig aantreffen. Dan stond hij glimlachend te kijken. Hij had een vriendelijk gezicht. Onder de rand van zijn hoed trof je twee lichtblauwe, ronde, roodomrande ogen. Ik ging graag naar hem toe voor een praatje, vraag me niet waarover, ik heb geen idee. Ik kende Ouwe Jaap heel goed. Je kon hem in het dorp tegenkomen, maar graag liep hij juist de andere kant op, het dorp uit, waar wij woonden en waar ik graag speelde, aan de overkant van ons huis. Bij de rails van het dieseltreintje en de greppel daarachter, die even verder, via een duiker veranderde in een slootje. En daar trof Jaap me dan. Dan stond hij stil en maakten we een praatje.

Bij de kleuterschool heb ik het hem nooit zien doen, maar het gebeurde wel als we bij het slootje stonden te praten, of aan de huizenkant, bij Lagerweij, waar een bredere sloot, via een duiker onder de weg verdween.
Jaap at poep, wist ik. Blijkbaar deden oude mensen die geen tanden hadden dat, zoals hij. Zoiets zag je nooit, maar wel bij Jaap. En misschien at hij helemaal geen drollen, maar kwam het eten uit zijn buik niet alleen via zijn billen naar buiten maar ook via zijn mond, omdat hij oud was en geen tanden had. Misschien kauwde hij zijn eten wel tot drol omdat zijn buik en billen het niet meer deden. Dat zou ook kunnen.Hij kauwde er heel lang op en dan ineens spuugde hij een bruine drol met een boogje in de sloot. Ik heb het hem meermalen zien doen.
Dat moest de reden zijn waarom hij zo vaak onze kant op kwam gewandeld. Dan ging hij naar de sloot bij Lagerweij om drollen te spugen. Andere oude mensen heb ik dat daar nooit zien doen en dat verbaasde me, want ik had al vrij snel in de gaten dat er in de sloot heel veel drollen dreven. Die moesten daar dus allemaal door Jaap in zijn gespuugd. Je kon het trouwens ruiken. Het stonk er. Maar zo was het niet bij het slootje aan de overkant, bij de greppel. Daar rook je niets en nooit zag ik er een drol, hoewel Jaap ook daar wel eens in spuugde.

De wereld kende zoveel raadselen, vooral als het om plassen en poepen ging en om je billen en je piemel.
Dat nam allemaal niet weg dat ik erg gesteld was op Ouwe Jaap, met zijn hoed, zijn stok, die leuke ronde omrande ogen. Ik praatte graag met hem, bij de greppel bij ons huis, waar hij op drollen kauwde, maar ook bij de kleuterschool als we buiten mochten spelen. Maar dan hoefde zijn mond niet te poepen en was die niet bruin, maar rood. Je kon zien dat hij geen tanden had. Dat maakte hem nog vriendelijker.

Heb ik al gezegd dat in mijn herinnering altijd de zon scheen als ik Ouwe Jaap ontmoette? Een vriendelijk zonnetje was het.

26 juni 2021

Pim 2

Voor Pim is er geen wet van de stimulerende achterstand. Vanwege Covid liep hij een heel jaar Spoorwegmuseum mis. En dat tikt behoorlijk aan. Zijn nicht, zijn neef en zijn broer gingen daar tussen hun tweede en vierde twee keer per maand naar toe, hij niet. Daarom staan zijn verwachtingen op nul en als ik hem van de fiets af til en hij meteen naar de ingang stiefelt, is dat niet omdat hij de weg kent, maar omdat het voor de hand ligt daar de ingang te vinden.

Ook binnen gaat hij rechttoe rechtaan en onvervaard af op zijn doel. En dat is het onbekende, want hij heeft geen idee. Het leuke ondergrondse treintje waar zijn broer en neef zo dol op zijn? Hij heeft geen idee. De reiskoffers die als kijkdozen filmpjes herbergen? Zegt hem niets.
Dat er ergens plotseling een koe begint te loeien, vindt hij wel leuk. Even mindert hij vaart en kijkt me aan. 'Een koe,' zegt hij. Hij blijft even staan maar loopt al gauw weer door. Ik begin me af te vragen of hij de weg misschien wel weet, want hij loopt regelrecht naar het hoofdgebouw. Maar wat zou dat gebouw aantrekkelijk kunnen maken voor een peuter?

De kassa negeert hij. Even verderop ziet hij wat treintjes achter glas en die trekken zijn aandacht. Dat er in één geval een treintje gaat rijden als je op een knop druk, weet hij niet, maar als ik het eenmaal heb voorgedaan, is hij al gauw tien minuten zoet met dit wonder dat mij al gauw verveeld zou hebben als dit jongetje er niet zoveel plezier in had gehad. De knop functioneert slecht. Aanvankelijk moet ik hem helpen maar als hij door heeft dat alleen volharding helpt, kan hij het zonder mij af. De weerbarstige knop maakt het alleen maar spannender. Wonderen moeten niet vanzelfsprekend zijn.
Ik stel het treintje voor waarin hij een rondrit kan maken, hij hoort me niet en sjeest de grote hal in. Pas als we weer buiten zijn, op het rangeerterrein, komt hij weer tot rust. Hij klautert over de rails en vindt het prachtig hoe het grint onder zijn schoenen knarst. Ook vindt hij het leuk om op randjes te zitten. En dat is het wel zo'n beetje. We zien in de verte het kindertreintje langsrijden. Hij taalt er niet naar. Liever klautert hij over roestige spoorstaven en stapt hij over het grove grint waarbij zijn voeten af en toe wegglijden.

Op de weg terug ziet hij trappen. Een klein kind wil altijd een trap op, af is lastiger. Dat geldt ook voor hem. Dan moet ik hem dragen, maar ook dat is hem teveel gedoe en daarom besluit hij de treden achterstevoren te nemen, alsof hij de trap op gaat, maar dan de andere kant op. Er zijn ijzeren trappen, met allemaal gaatjes. Als hij nu maar niet een vingertje in zo'n gaatje steekt, denk ik. Het komt niet in hem op.

'Wat is ie gegroeid,' zegt Carla. Ze werkt hier en zat ooit bij me in de klas.
'Hij is niet gegroeid, hij is juist kleiner. De vorige zit op school.' Ze lacht en zegt dat het jammer voor hem is dat de speeltafel met treintjes er niet staat. Daar heb je het weer. Hij mist die tafel helemaal niet en ook vraagt hij niet om limonade of een ijsje of lolly uit het winkeltje met heel veel hebbedingetjes waar kinderen zo dol op zijn. Dat gedoe komt allemaal nog wel. Later.

Het Spoorwegmuseum is grint, spoorstaaf en trap. Pim vindt het fantastisch.

25 juni 2021

Pim

Boekstart wil dat kinderen zich op zeer jonge leeftijd al verslingeren aan lezen en bibliotheekbezoek. Zowel het een als het ander heeft mijn hart. Vooral voor kinderen is de bibliotheek een ware uitkomst. Prenten- en andere kinderboeken gaan snel*, je doet er al gauw twaalf in een maand. Wij in huize Borg waren en zijn wel van het voorlezen; ook mijn jaren op school had ik het liefst voorlezend doorgebracht al heb ik daarnaast een innige band ontwikkeld met 't kofschip en het verschil tussen feit, mening, verondersteld feit en al dan niet deugdelijke argumenten. Maar we hadden het dus over lezen en voorlezen.

Je begrijpt dat ik dan ook trots ben op het onlangs uitgebrachte promotiefilmpje van Boekstart en de bibliotheken waarop een jongetje met zijn oranje Boekstartkoffertje op stap gaat om een nog kleinere versie van zijn koffertje naar het Muizenhuis in de bibliotheek van Amsterdam te brengen. Hij loopt langs de grachten, passeert bruggen en dat allemaal op een vrolijk makend muziekje dat wonderwel bij dat jongetje past. Nu is dat jongetje van het filmpje nog maar twee en hij woont niet in Amsterdam, dus mag zijn moeder met hem mee. Trappen af vindt hij lastig, weet ik, daarom draagt zijn moeder hem een keer naar beneden en blijkbaar heeft hij ook even geen zin om zijn koffertje zelf vast te houden. Niet omdat dat koffertje zo zwaar is, helemaal niet. Er zitten drie muizen in, Sam, Julia en nog eentje van wie ik de naam niet weet, én dat kleine muizenkoffertje voor het Muizenhuis in de bibliotheek. Dat is allemaal niet zwaar.

Even later loopt het jongetje weer vrolijk verder en heeft hij zelf weer dat koffertje in zijn hand. Wel controleert hij halverwege nog even de inhoud daarvan. Je weet inderdaad maar nooit, zou je denken, maar dat jongetje zelf is goed van vertrouwen. Deze week zat hij bij me op de fiets. Zijn konijn moest ook mee, in de fietstas, maar geen enkele keer heeft hij me gevraagd of konijn niet stiekem uit de tas gesprongen was. Maar ja, Amsterdam…

Dat jongetje is Markus en de moeder is onze jongste. Kenners weten dat Markus in het ware leven geen Markus heet, maar zijn tweede naam is wel Pim. En daar moet ik wat over kwijt. Zelf was ik Pim vergeten. Dus toen de jongste na de geboorte van Markus vertelde dat haar zoontje ook Pim genoemd zou worden en me daarbij verwachtingsvol aankeek (dat verwachtingsvol is misschien wat ongelukkig gekozen), kon ik niet begripvol reageren op haar blik. 'Hoezo Pim?'

Dat zat zo: voor het slapen gaan vertelde ik haar vroeger een verhaal, een vervolgverhaal over roodborst Robijn, Pim de muis en een heleboel anderen. Aan deze vergeten Pim, aan Pim de muis, dankte het zojuist geboren jongetje, dat later als peuter wereldfaam zou genieten als de ster in het filmpje van Boekstart, zijn tweede naam. In dat filmpje, kun je zeggen, loopt een aan de fantasie ontsproten en tot mens geïncarneerde muis. Nee, daar loopt een aandoenlijk jongetje. In mijn geval loopt het moeiteloos het scherm af om over het tuinpad naar mijn fiets te lopen. Hij zit graag voorop op dat zadeltje op de stang.

Pim, dat is wel een goede artiestennaam voor hem. Ik denk dat ik hem voortaan onder die naam door deze stukjes laat banjeren.

youtube

* Je zou overigens in huis een standaard moeten hebben waarop je het 'prentenboek van de week' kunt leggen. Veel platen van prentenboeken hebben namelijk als nadeel dat ze in een boek staan: je zou er veel langer naar moeten kunnen kijken.

24 juni 2021

Seinpostduin

Op internet kom je Seinpostduin vooral tegen als het gaat om appartementen die te koop staan. Je kunt dus wonen op Seinpostduin 98 en dan bevind je je dus misschien op de plek vanwaar de heer Mesdag in 1881 zijn schetsen maakte voor zijn toekomstige panorama. Je hoeft alleen maar de coördinaten na te gaan en de hoogte te reconstrueren om daar zekerheid over te krijgen. Wie weet ligt nummer 98 wel op die hoogte. Dus voor zes of zeven ton heb je een dak boven je hoofd, een hoekje om te slapen, fraai uitzicht en je bent ook nog eens erfgenaam van wat er niet meer is, maar waarvan de suggestie een paar kilometer verderop te zien is.

Duinen zijn en blijven manifestaties van vergankelijkheid. Het zijn vreemde dingen. Beklimmen is een moeizame aangelegenheid, want je zakt zo diep weg in het fijne zand. Duinen associeer ik met zwaar en massief, want onder het zand ligt zand. Weliswaar zijn de korrels op het strand na het opspuiten van zeezand groter en hoekiger, in de duinen kom je nog het fijne zand tegen. Dat warm en zacht kan zijn als een huid. Dat zich naar je voegt als je er op gaat liggen. Erin. Dat trouwens ook gloeiend heet kan zijn, maar koel wanneer je even onder de oppervlakte gaat. Er is niets zo dood en doods als duin, niets zo zwaar en moeizaam ook. En omgekeerd.

Intussen heb ik er geen idee van wat het Seinpostduin is. Het duin zou in de negentiende eeuw worden afgegraven. Dat ging niet door. Er kwam een groot hotel op en nu staan er flats. Maar staan die op het duin of op de plaats van het duin. Wat is er anno 2021 nog Seinpostduin uit het jaar 1881?

In het museum aan de Zeestraat kom je via een gang en een trap, donker en misleidend, volgens de regels van de negentiende-eeuwse geschilderde panorama’s, bovenop het duin te staan. Dat is geen duin, het is een constructie met een platform waarvan de directe omgeving een folly is, een attrappe: direct achter de reling van ons uitzichtspunt vind je heus strandzand en op dat zand liggen wrakhout, stukken touw en een mand. Niet geschilderd, maar echt. Alleen, wat echt is, is een folly.

In werkelijkheid is het Seinpostduin aan de Zeestraat juist niet wat een duin is. Het zand verwaait niet. Er groeit geen zeegras. Wanneer je met je hand de diepte zoekt van het zand, kom je nooit bij koeler zand terecht.

Het zand van echte duinen en stranden met hun spannende en speelse huid verbergt altijd een diepte die geen einde lijkt te hebben. Het kan niet anders of her en der in de diepte zijn verkleuringen verborgen van andere aardlagen, klei, veen, van kalk. Er zijn wisselende concentraties van zout en ijzer. Verkleuringen is niet helemaal het goede woord: in de diepte, onder de bovenste laag zie je geen verkleuringen. Maar er zijn wisselende, geheime, ongeweten samenstellingen die verdwijnen op het moment dat ze aan het licht komen, zoals van een boom de jaarringen alleen iets van het leven laten zien wanneer die boom wordt geveld. Het ijzer, de botten van dieren en mensen van ooit, resten van een boot, het zout, het vocht hebben ze laten verdwijnen, maar iets ervan zou terug te vinden zijn als je diep zou graven. Je zou graven naar kleur, naar iets wat ontstaat als het aan het licht komt om te laten zien dat het er niet meer is.

Seinpostduin 98 hangt in de lucht.

23 juni 2021

Seinpostduin

Het is misschien wel onze kortste ontmoeting ooit. Intussen lopen we alweer door de Zeestraat naar het Buitenhof. Als ik daar de tram van tien over half vier heb, kan ik nog net voor vieren op het Centraal de trein pakken en om optimaal te profiteren van een dagje vrij reizen. Het hindert me, die drang om dat dan ook inderdaad te halen. Maar zo heb ik het voor vandaag nu eenmaal in mijn hoofd gezet. Intussen vertrek ik met meer bagage dan waarmee ik aankwam. Dat dank ik aan mijn kunstzinnige vriend uit Den Haag die me gedenkt met boekjes en krantenartikelen die mij volgens hem op het lijf geschreven zijn. Ja, er is aan me gedacht.

We hadden afgesproken op het Seinpostduin dat zo’n riant uitzicht biedt over het oude Scheveningen, de zee, het strand met de bomschuiten, de cavalerie die regelmatig langs de branding draaft. Dat Seinpostduin bestaat al bijna 140 jaar niet meer, maar het is wel de plek vanwaar Hendrik Willem Mesdag in 1881 zijn doek van 120 bij 14 meter projecteerde. En zo ontmoeten Gerard en ik elkaar als dierbare vrienden op een dito plek. Ook vandaag is de cavalerie er, zie ik.
Het Panorama bezochten we nooit samen, terwijl we de afgelopen vijftig jaar zoveel musea afstruinden, met zijn tweeën of met zijn vieren. Dat we aan het Mesdag niet toekwamen is heel vreemd. Vooral als je bedenkt dat wij alle twee gebakken zijn aan strand en zee en duin. En dan komt Gerard zelf nog eens uit Scheveningen.
In de Haagse Zeestraat bestaat het Seinpostduin nog steeds, maar dan als uitzichtpunt. Het is natuurlijk een kwestie van beoogd effect, maar dan wel een effect dat slaagt, want als we zonder te hoeven nahijgen van een klim boven op het duin aankomen, bevinden we ons in een land van louter licht, ja, het Scheveningen van 1881 ziet er tamelijk paradijselijk uit. In Openbaring vertelt Johannes dat er geen zee meer zal zijn en ook tempels zullen ontbreken, ik lees voor het gemak maar even ‘kerken’. Dat zou dan een ernstig gemis zijn: een nieuwe aarde zonder eeuwige zee en zonder de kleine, vergeefs in het heelal stekende vingertjes van oude kerken, om niet te spreken van een onvergeeflijke fout zijn van de regie.
We bezien het een en ander. Als ik opnieuw naar de cavalerie van Breitner kijk, verbaast het me dat die niet al een stuk verderop over het strand draaft. Dat Sientje Mesdag het schilderen maar niet kan laten, daar op het strand, achter die bomschuit, dat begrijp ik. En dat onderaan het duin die moeder en haar dochter de tijd vergeten zijn en voor eeuwig naar de zee blijven kijken? Ik zou het zelf ook zo doen.
Gerard maakt een foto van me en moppert over het onafwendbare tegenlicht. Het verstoort de illusie. We weten heus wel dat het niet echt is; daar hoeft een onwillige camera ons niet aan te komen herinneren. Het licht van Scheveningen is gefilterd en de contouren van het oude dorp zijn vaag, een lichte zeenevel, maar hier op het duin voelen we niet de frisheid daarvan.
Ik zoek de toren van Monster. Die is er nog steeds niet.

We spreken af om elkaar volgende keer te ontmoeten op de Bloedberg, tussen Monster en Kijkduin. Of anders in een museum.

Het was te kort, denk ik, als ik weer in de trein zit. Veel te kort, deze ontmoeting met mijn Haagse vriend en ook dit bezoek aan het oude Scheveningen.

22 juni 2021

Lezen en lezen en lezen

Even een carthagootje.
Om kinderen aan het lezen te krijgen, moeten ouders aan het voorlezen slaan. Dat moeten schooljuffen en –meesters natuurlijk ook doen en die moeten bovendien ruimte geven om te lezen in de les en ruimte eisen voor daarbuiten. Door boeken te laten lezen. Ik wil me ook we mengen in de discussie over kwaliteitseisen, maar het primaat ligt wat mij betreft wel op veel lezen. Het zal daarbij wel net zo zijn als met fietsen of schaatsen of knutselen, dat gaat doorgaans beter met goeie spullen.

In het middelbaar onderwijs is bij Nederlands één boek per maand de norm en dat is dan niet tien, maar twaalf boeken per jaar. Vakantie zijn namelijk juist goed om te lezen, dus die tellen niet. Als er bij andere talen ook gelezen moet worden, is dat mooi mee genomen. Maar lezen zullen ze die kids.
Verdergaande criteria over fictie of non-fictie, vertaald of niet vertaald, omvang en genre? Best, maar dat is allemaal uitwerking.

Lezen is lezen. Dus emmer ook niet te lang en te veel over analyse en vergelijking en andere onnodige en omslachtige dingen. Laat er in ieder geval geen scripties over schrijven. Dat is een andere bezigheid die juist slecht is voor het lezen.

Dat geldt ook voor de controleerbaarheid. Daar gaat het niet om. Het onderwijs heeft de omkering van doel en middel, van lesstof en toetsing, immers toch al veel te ver doorgevoerd. Cito is bekender dan Paul Biegel. Geloof toch in wat je doet en zegt en voorleeft en laat ze lezen.

Geen zin in lezen hebben kan nooit punt van discussie zijn. Wat krijgen we nou? Ik wil ook wel eens niet lopen. Lezen moet.
Een docent docnet die niet van lezen houden, moet weg. Een docent mag er zelfs geen begrip voor hebben dat iemand niet van lezen houdt. Die heeft alleen maar de taak om met boeken te komen waardoor iemand ontdekt dat lezen inderdaad wel leuk en zinvol en belangrijk is.
Over lezen mag niet langer gerelativeerd worden.

Voor docenten die een taal onderwijzen en die zich niet met hart en ziel inzetten voor het bovenstaande moet een korte, intensieve training in het leven worden geroepen. Als na die training blijkt dat een docent niet tot het juiste inzicht is gekomen, dan moet onmiddellijk ontslag worden aangeboden.
Docenten van andere vakken mogen nooit een geringschattende opmerking maken over lezen en ook zij zijn gehouden aan de regel dat de consumptie van één boek per maand wel het uiterste minimum is. Zo niet, dan moet ook voor hen ontslag mogelijk zijn. We kunnen niet langer verkeerde mensen tolereren in het onderwijs.

Ik houd van nuance en relativering, heus, maar ademhalen, het kloppen van een hart en lezen laten zich niet relativeren.
Lezen en lezen en lezen.
En niet anders.

21 juni 2021

Veroordeeld tot het kwaad

Eigenlijk begon het afgelopen vrijdag al. We fietsen weg van een camping zonder te betalen. Er was geen receptie te bekennen en ook was er niemand langsgekomen. Dieven waren wij eensklaps, mannen van het kwaad. Tegen wil en dank.

Gisteren, zondag, troffen we een camping met een receptie, maar die was gesloten. Ook was er een bel. Daar werd niet op gereageerd. Hier heerste de heiligheid van de zondagsrust, veronderstelden we. Niet vreemd voor Kootwijkerbroek. We zagen een aangenaam, leeg grasveld. ’s Nachts kwam er een regenbui die pas ophield toen we weer thuis waren. Goed voor het gras, minder prettig voor de fietsers die we vandaag waren.

Vanmorgen werd er wel gereageerd op de bel bij de receptie. Er stapte een ontstemde beheerder tevoorschijn. Ons belletje had niet kunnen horen; hij zat immers in de kerk. Wel had het hem onaangenaam getroffen om bij thuiskomst zomaar twee nieuwe tentjes op een van de velden te zien. ‘Hier komen of vertrekken de mensen op zaterdag of maandag, of op een andere dag, maar niet op zondag.’ Het was duidelijk, wij had de rustdag niet geheiligd. Zondaars waren wij in zijn ogen. Zo zagen we er trouwens ook wel uit, verregend als we al waren door het afbreken en inpakken van onze illegaal geparkeerde kampeerboel, en dat terwijl de fietstocht nog moest beginnen.
‘Hoeveel krijgt u van ons?’ vroeg ik. De man sloeg op wat knoppen om de transactie ook administratief mogelijk te maken.

De mij dierbare klinisch psycholoog verbaasde zich over het enorme assortiment honing langs de wanden en vroeg of die ook te koop was. Ja, die honing was te koop.
‘En welke komt dan van dat prachtige veld hiernaast?’ Hij wees naar een forse lap grond vol bloeiende bloemen. Uiteindelijk kochten we ook wat honing, maar de man bleef knorrig.
Dat was ook wel te begrijpen, zeiden we later tegen elkaar. Wij waren zondaars, maar ook hij was dat geworden, door ons. Dat doen mensen namelijk: elkaar meenemen in hun zondigheid. Dat is onafwendbaar.

Was die man een kerel geweest dan had hij ons gisteren meteen van zijn camping gejaagd. Maar ja, dan zou hij ons opnieuw gedwongen hebben tot zondagse arbeid, want het afbreken van een tent is op die dag even zondig als het neerzetten ervan. Dat geldt ook voor fietsen, of je nu aan komt fietsen of vertrekt. Auto rijden op zondag mag wel, fietsen niet. Dat is altijd zo geweest, logisch ook.
Door ons weg te sturen, zou hij ons tot zonde hebben aangezet en ook dat is zonde. Daarom had hij ons gedoogd en ons als onkruid mee laten profiteren van de vruchtbare aarde waarin ook het goede gewas groeide. Dat mag.

Maar waarom liet hij ons betalen vanmorgen? Waarom joeg hij ons niet weg als nonvaleurs die wederrechtelijk gebruik hadden gemaakt van zijn bezit? Door onze digitaal aangereikte steekpenningen te accepteren, sanctioneerde hij onze wandaad. Hij was gevallen voor het geld. En dan die honing!
‘Honing? Niks honing, jullie! Ga weg van hier en laat me jullie nooit meer zien!’ Dat had hij moeten zeggen. Die aanhoudende regen was onze straf. Wat zou de zijne zijn, vroegen we ons af. Die regen was een zegen voor zijn velden immers.
In Den Dolder troffen we een gesloten terras bij De Eglantier. Een bloembak barricadeerde de doorgang. Wij wilden bij het nuttigen van brood en koffie toch even droog zitten, dus wurmden we ons langs de bloembak.
Zondaars zijn we. De eigenaar van De Eglantier ook. Die zaak had gewoon open moeten zijn. Het was al maandagmiddag.

20 juni 2021

Schermtijd

We bezoeken een kerk, drinken koffie, onze gastheer verzorgt een lunch voor onderweg en hij en de sociaal-maatschappelijk en ook nog culturele werkster fietsen daarna nog een 9,7 kilometer met ons mee. 9 punt 68 om precies te zijn. Waar de paarse lijn naar rechts slaat, gaan zij naar links en vanaf dat punt fietsen de psychotherapeut en ik samen verder. Ik voorop, want ik heb een gps op mijn stuur en door maar braaf het paarse lijntje op de display te volgen, komen we enkele uren later bij een camping die ik vorig jaar met de vernufteling ook al aandeed. Vernufteling, is een bedenksel van Simon Stevin, als ik me niet vergis. Het was een zeventiende-eeuwse poging om het onnederlandse ingenieur te verbannen. Dat is niet gelukt, hoewel dankzij hem het woord wiskunde het vreemde mathematica wel wist te verdringen. Bij vernufteling ging dat feest niet dus door en dat is jammer, want het is een mooi woord. Mijn vriend de psychotherapeut zou ik daarom maar beter de zielenknijper kunnen noemen, naar Marten Toonder, als ik het wel heb, met uw welnemen. Alleen heeft dat woord dank zij de stripheld van die naam een wat bedenkelijke lading en daar wil ik in verband met mijn vriend op geen enkele manier een bijdrage aan leveren.

Maar goed, een gps heeft hij niet. Ook heeft hij geen klapstoeltje. Daar komt binnenkort verandering in. Onderweg kwamen we regelmatig banken en picknickplekken tegen en die waren allemaal bezet. Dat zal met de zondag te maken hebben, maar ook bij de tent is een stoeltje handig. Dat weet hij nu.
Of hij dan ook een kilometertellertje op zijn stuur heeft, waag ik te betwijfelen. Hij heeft het niet zo op cijfergedoe. Willen weten hoe hard je gaat, hoeveel kilometer je nu al hebt afgelegd. Elke gewaarwording, iedere ervaring of prestatie wordt vertaald in een getal. Daar wil hij ook niet al te moeilijk over doen, maar het leidt af van de inhoud van wat iemand doet of laat, en ook van het plezier dat iemand zonder die walificerende getallen aan iets kan beleven of had kunnen beleven als er niet een getal op werd geplakt, bijvoorbeeld een 5 voor een tekening waarvan het maken je zoveel plezier gaf.Globaal heeft hij heus wel een indruk van de afstand die hij aflegde of nog moet, daar is zo’n tellertje niet voor nodig.
Ik heb er wel eentje en ook nog die gps die nog veel meer getallen kan koppelen aan mijn doen en laten op de fiets. Ik kijk er ook regelmatig naar.
Dat neemt niet weg dat ik het diep in mijn hart misschien wel meer eens ben met mijn vriend dan je uit mijn gebruik van sommige apparaten kunt opmaken. Gevolg is wel dat ik vandaag nog wat minder vaak naar de schermpjes kijk.
‘Heb je wat gezien onderweg?’ zou iemand me kunnen vragen. En stel je dan eens voor dat ik dan moet zeggen ik vooral twee displays heb gezien.
Maar ja, het is me ook wel overkomen dat ik de paarse lijn al heel lang verlaten bleek te hebben vanwege een boeiend landschap, een dagdroom of een vlucht regenwulpen. Momenten met een hoge intrinsieke waarde, maar het is niet altijd even praktisch.
Vandaag hield de paarse lijn op bij de slagboom van de camping. We hadden 55 kilometer gereden en het was drie uur. Om en nabij.

19 juni 2021

Kassenbouwers

Ze moest vandaag naar haar werk, maar dat ontsloeg haar niet van de plicht om ons goed verzorgd achter te laten. Er lag een stapeltje knipseltjes met tips die ons als verweesde mannen op een aangename manier de dag door konden helpen. We konden tuinen bezoeken, ons storten op de archeologie van de streek. In Zutphen waren een paar leuke tentoonstellingen, of anders konden we nog naar Gorssel. Het zou er allemaal niet van komen. Van meet af aan was duidelijk dat haar generositeit even stilzwijgend als beslist zou worden afgewezen.

‘Ik wil wel ergens bij helpen,’ had de psychotherapeut gezegd en zijn technische en handige broer had nog een klus waarbij hij echt een paar handen nodig had. Ik hoefde die twee opmerkingen alleen maar met elkaar te verbinden om te weten dat het erf vandaag niet zouden verlaten.
Al vroeg in de morgen, lag er een groot blauw dekzeil op het gras. Ik wist niet dat dekzeilen zo groot konden zijn. Maar groot of niet, een gevallen boutje of moertje, vind je daarop makkelijker terug. En dat was ook zo.

We raakten onder de indruk van de enorme hoeveelheid spullen, vooral geprofileerde stangen die er nodig zijn om broeikasje te bouwen, want dat gingen we doen.
De techneut is niet alleen handig, hij werkt ook systematisch. Dat is een goede combinatie. Hij was onze chef. Tegenover wie zijn broer en ik weliswaar lieten zien dat wij ook het nodige in ons mars hadden, als groot geworden bouwers van Fallerhuisjes, want daar deed het me aan denken. De psychotherapeut haalde herinneringen op aan hun gedeelde liefde voor meccano. Hij en zijn technische broer speelden als kind altijd samen, ze schelen ook maar anderhalf jaar.
Van mij werd verondersteld dat ik als Westlander alles wist van kassenbouw. Dat is niet zo, maar ik zei wel dat zij daarom rustig aan de koffie konden en de boel aan mij mochten overlaten. Dat zouden ze toch niet doen.
Maar het Westlandertje in mij voerde me wel naar gebouw De Haven, aan de, jawwel, Havenstraat in Monster. Daar werd dat jaar, en het zal gaan om 1962, de jaarlijkse bazaar van de kerk gehouden en in de zaal van De Haven stond ook een aluminium broeikasje opgesteld. De Kubo, het plaatselijke kassenbouw bedrijf had het kasje gedoneerd. Het mocht verloot worden. Mijn vader kocht zich een ongeluk aan loten. Daar hield hij van, van loten kopen, maar het was ook een prestigekwestie, want oom Rien was zijn vriend die er alles aan deed om hem op te heuen zodat pa nog maar loten kopen zou. Kubo stond voor Kuiper & Boers. Kuiper was Arie Kuiper en Boers, dat was onze oom Rien. Ze stonden in De Haven bij het kasje, met een stevige bolknak in hun tetter. Ik stond erbij. Als aanmoedigend voorbeeld, want ik had al een krukje gewonnen.
In gedachten zag ik het mooie kasje al in onze tuin staan. Ik wist precies waar het zou moeten komen. Er zou ook een stukje van mijn tuintje voor moeten worden opgeofferd, maar dat was natuurlijk geen punt.
Ik me die tuin van toen moeiteloos kan voorstellen, mét dat kasje, gek genoeg.
Mijn vader won wel een transistorradio die avond, een degelijke Erres die nog heel lang dienst heeft gedaan. Naar wie het kasje ging, weet ik niet. Niet naar ons in elk geval.

Nog een paar ruiten en dan is het kasje klaar.
Als mijn vader indertijd dat kasje had gewonnen en het zelf in elkaar had moeten zetten., zou dat een ramp geworden zijn.

18 juni 2021

Ruud Rutte

De heer Rutte zette zijn eerste stappen op de lagere school toen wij al dagelijks onze koppen bij elkaar staken om de toestand in de wereld te bespreken. Daar wisten wij toen veel van. Net als nu, want dat gebeurde op een manier die veel weg heeft van wat zich deze middag afspeelt onder de rode esdoorn midden in wat geen tuin meer genoemd mag worden, maar park. Of arboretum. Dat vind ik een vies woord, maar het doet wel recht aan de rijke variatie grote bomen. Het is een idyllische plek, om vanuit het huis naar te kijken, maar ook om midden in te zitten. Gelukkig is er de schaduw van de rode esdoorn.
Ooit woonden de computerman en de sociaal-culturele werkster, toen nog studenten, samen met ons aan de singel, waar de platanen naar binnen gluurden en wij uitkeken op het park van Zocher. Er was altijd geboom, over geloof, politiek, mens en maatschappij. Theo de therapeut, broer van de technisch nog steeds handige en ondernemende Manus, woonde om de hoek.
Jammer genoeg is Mente er niet bij. Manus en zij waren het doorgaans niet eens met elkaar. Het was een manier om het gesprek levendig te houden. Nu onder de esdoorn, terwijl Theo en ik er door de hitte en na onze fietstocht vele glazen water doorheen jagen, zijn we het vrij snel met elkaar eens. De politiek, het bedrijfsleven, het klimaat, de toekomst van Omtzigt, links, rechts, groen en rood. En die Rutte, die we toen onze gesprekken aan de singel begonnen nog moest leren rekenen en schrijven, die moest de eer aan zichzelf houden en vertrekken. Had ie al lang moeten doen.
Twee keer heeft Manus het per ongeluk over Lubbers. Die kwam in onze gesprekken van ooit waarschijnlijk wel voor. Het is een veelzeggende verspreking. Alles is veranderd: we wonen al lang niet meer bij elkaar. We zijn al lang afgestudeerd en uitgewerkt. De sociaal-culturele werkster moet nog aan de bak voor de kost, maar voor de overigen worden alle activiteiten vriendelijk aangelengd met AOW. De etage van een bovenwoning was het epicentrum van een vanzelfsprekende vriendschap, nu is er een compleet landgoed.
Maar er is niets veranderd.
Jawel, ooit spraken we elkaar aan en zag de een de ander daarbij aan van aangezicht tot aangezicht, nu zijn we allemaal aan onze zoveelste bril toe. Zelfs de leesbrillen hebben we al lang achter ons gelaten. Alleen de sociaal-cultureel werkster houdt de schijn op, maar die had honderd jaar geleden ook al contactlenzen. Ik krijg de neiging om met een snelle beweging van mijn hoofd mijn haar opzij te gooien. Welk haar? Ja, welk haar.

Als niet alleen de glazen maar ook de karaffen leeg zijn, begint het te regenen. Niet hard en bovendien is het veel te warm om ons te haasten, maar toch staan we op. We ontfermen ons over het glaswerk en de kussens waarop we zaten en sloffen naar het huis. Ruud Rutte, of hoe die ook mag heten, laten we zitten. Die moet nog maar eens goed nadenken over ons gesprek. Als ie verstandig is en goed naar ons heeft geluisterd onder de schaduwrijke rode esdoorn, zegt hij over twee weken dat hij zich terugtrekt uit de Nederlandse politiek.

17 juni 2021

Velg

Tien uur. We zijn al halverwege, er staat een bankje in het bos en er is nog koffie die we vooral niet oud moeten laten worden.
Onderweg naar Theo hoorde ik al wel getik en dat kwam van mijn achterwiel. De tik deed er één wielronde over om zich te herhalen. Het was geen slepend geluid dat je kunt horen als een velg langs een remblokje schuurt. Nee, het was een tik. Ik zag een klein vierkant gaatje in de velg, maar dat was zo onooglijk en zat er al zo lang, dat kon het niet wezen. Dat wil zeggen: dat kon het wel wezen. Het zou kunnen betekenen dat de velg op één plek zachtjes langs een remblokje schuurde. Voor Theo en ik op reis gingen, rommelde ik nog wat met het remblokje en keek of er een slag in het wiel zat. Dat was niet het geval. Toen we wegfietsten was er geen tikje meer te horen.
Dat hoorde ik pas halverwege weer, vlak voor het bankje waar we met koffie zouden pauzeren. Ik keek naar het vierkante gaatje in de velg. Het was nog even onbeduidend als in Utrecht.

Maar wacht even, het gaatje zat toch aan de andere kant van de velg? Ik stond op en liep om mijn fiets heen.

‘We hebben een probleem, Theo.’
Hij hoefde alleen maar naast me te komen staan om de scheur te zien die zich uiterst langzaam door het alumium van de velg trok. Vanwege onze tocht had ik gisteren de banden nog eens goed opgepompt (hoewel dat amper nodig was, had ik nog gedacht) en daar was nu de bagage met kampeerspullen nog eens bij gekomen. Een leven van 45 duizend kilometer eiste zijn tol.

Nu is Theo een goede vriend die het wel kan hebben als ik hem een keertje teleurstel. Bovendien is hij een uitstekende therapeut die mij met zijn vragen en opmerkingen en instemmend meezuchten gerust weest te stellen. En dat niet alleen: zijn keramieke geliefde is een ware hulp in de nood. Zij haalde ons op met de auto en reed ons met de fietsen naar mijn fietsenmaker.
‘Zo’n wiel heb ik niet op voorraad,’ zei die. Wij zeiden niets, helemaal niets. Wel keken wij veelzeggend beteuterd genoeg om hem de telefoon te laten pakken en een collega te bellen. Als we een paar uur geduld hadden, dan kwam er nieuw wiel naar zijn werkplaats. ‘De banden ook maar meteen doen, hè?’ Business is business en het leek me geen overbodige luxe.
Hij zou bellen zodra de fiets weer klaar was. Daarna bracht onze keramieke vriendin Theo en mij weer weg, wel wat verder dan de plaats waar ze ons vanmorgen aantrof, zodat deze hele gebeurtenis uit ons geheugen gewist kan worden, als we dat zouden willen. Al zouden we daarmee hulpvaardige mensen onrecht doen.

Op dit moment zit de brave opa die ik ben gezellig op de bank, tussen twee blote jongetjes, want het is warm. Zij kijken naar Peppa Big en ik schrijf dit stukje.
Ik ben maar een enkel telefoontje verwijderd van mijn andere leven, dat van fietsende avonturier. Lang kan het niet meer duren.

16 juni 2021

Het gevoel van Stork

Morgen gaan we een paar dagen fietsen, de psychotherapeut en ik. Er is een route vastgesteld, we hebben een tent achterop, halverwege wachten ons de it´er en de sociaal-culturele werkster voor een uitgebreide ontmoeting en daarna maken we de cirkel in twee etappes rond en zetten we de fiets weer tegen de Domtoren. Toch is het een avontuur. Wat doen onze banden? Hoe zal het zijn met zadelpijn? Hoe hoog is onze resistentie als een koperen ploert ons uur na uur onverdroten afrost met zijn hitte? Wat voor onweer zal het onweer zijn waar wij fietsen? De tocht zal ondanks onze door een voortreffelijke voorbereiding geslagen piketpaaltjes een avontuur zijn.

Wij kunnen ook thuis blijven en een avonturenroman lezen, de Odyssee bijvoorbeeld of Moby Dick. Of Stork van Annette Fienieg en Koos Meinderts. Dat boek heeft een ijzeren structuur, volgens beproefd recept. Er is een missie en vervolgens is er een reeks vergeefse pogingen om het gewenste doel te bereiken. Maar dan, als radeloosheid en uitzichtloosheid het lijken te gaan winnen van elke hang naar avontuur, dan is er uitkomst. Gelukkig maar. Het had met zoveel tegenslag heel anders kunnen lopen. Ook het laatste avontuur van de oude ooievaar Stork had op een fiasco kunnen uitdraaien. Dat had zomaar gekund. Vooral kinderen, die behalve nadenken ook nog eens intens leven en beleven, zullen dat beamen. Een kind weet dat een boek dat je al vijf keer of meer is voorgelezen, terwijl je naar de platen keek van Annette Fienieg, een volgende keer toch anders kan aflopen.

Ik raap de spullen voor mijn fietstassen bij elkaar en betrap mezelf op het Gevoel van Stork. En dat terwijl ik veel vaker rondjes fietste, of slingerde langs rivieren en kusten en over adembenemende hellingen. Altijd was er een planning en die kwam in grote lijnen ook uit, maar zoiets weet je pas zeker als je afstapt bij de Dom. Of daar niet al te ver vandaan.

Doe ik Stork trouwens wel recht door mijn spanning voor ons vertrek naar hem te noemen? Neen, dat doe ik niet. Stork mag dan net als ik een ouwe vogel zijn en ook hij kan zich onderweg regelmatig vergissen, hij houdt de moed er in. Hij blijft lachen. Voor het kindje in het mandje aan zijn snavel natuurlijk, maar de krul aan de wortel van zijn lange snavel is een welgemeende krul. Stork doet niet alleen alsof hij blijmoedig trial en error aangaat om die te trotseren, nee hij ís blijmoedig.

Door er zo tegen aan te kijken is het Gevoel van Stork niet alleen een goed gevoel, het geeft, merk ik, ook beter aan hoe ik tegen de komende dagen aankijk. Dus toch.

15 juni 2021

Kwartslag

Volgens Liesje zit het knopje van onze toiletdeur niet goed. Je weet wel, de knop onder de kruk waarmee je een deur op slot kunt draaien. Zo'n knopje moest in een verticale stand staan als hij niet op slot is. Zo was het in ieder geval bij haar thuis en ook op school. In horizontale stand is de deur op slot. Ze zei het na een toiletbezoek, twee weken terug.

Het moet me van het hart dat de deurkruk van het toilet een bron van grote vreugde is hier in huis. Ik ga een stap verder, want dit geldt voor de hele deur, inclusief hang- en sluitwerk. Nu zijn de deurknoppen beneden, en gedeeltelijk ook boven trouwens, sowieso een genot: kloeke krukken van ebbenhout en vierkant mat metaal. Maar elke deur heeft wel een bezwaar. Zo kiert de meest gebruikte achterdeur, lopen de nooit gebruikte schuifdeuren wat zwaar. De deur van de badkamer gaat wat moeizaam dicht en de deur van de slaapkamer geeft een extra klik bij openen en sluiten. De voordeur reageert op warmte en vocht en daardoor klemt hij af en toe. Ach ja, zo is er met elke deur wel iets. Het lijkt het leven zelf wel.

Maar het gaat niet op voor de deur van het toilet. De souplesse om niet te zeggen vrolijkheid waarmee hij zich laat openen en sluiten, is een genot. De tong van de deurkruk weet moeiteloos het gat van de sluitplaat te vinden en dat geldt ook voor het gesmeerd lopende kleine tongetje daaronder waarmee je het toilet desgewenst ontoegankelijk maakt wanneer je behoefte hebt aan solitaire bezigheden.

Er klemt niets bij deze deur, nergens en nooit. Nooit ook gaat er een pin van een van de scharnieren aan de wandel zoals bij de kamerdeur het geval is. Wij leven in volstrekte harmonie, de deur van het toilet en ik, en ik meen ook namens mijn geliefde te mogen spreken. En dat al sinds de verbouwing van dertien jaar geleden.

Dat neemt niet weg dat Liesje wel gelijk had met haar opmerking. Het knopje moest een kwartslag gedraaid worden. Vreemd dat we dat nooit hadden opgemerkt. Aanvankelijk wilde ik het zo laten, maar ja, als je eenmaal weet dat iets niet helemaal in orde is, dan gaat het zeuren. Daar komt nog bij dat het een werkje is van niks om de boel in orde te maken. Ik ga nog een stap verder en zeg dat het zelfs een vreugdevolle aangelegenheid is om eens wat extra aandacht te besteden aan het zo soepele trouwe knopje.

Vreemd genoeg stoot ik nu telkens mijn vingers als ik de deur op slot doe en van het slot wil draaien. Mijn vingers staan automatisch in een stand die geschikt is om het knopje met de klok mee van horizontaal naar verticaal te draaien om de boel af te sluiten, of om het tegenovergestelde te doen wanneer ik weer de wijde wereld in wil.

Nooit gedacht dat dit ooit nog eens een vingergevoelige kwestie zou worden. Maar eerlijk is eerlijk: Liesje had gelijk, de deurkruk heeft recht op een ordentelijke bevestiging, ook dat, en bovendien kan een beetje extra aandacht voor de beste deur van het huis helemaal geen kwaad.

14 juni 2021

Nog een stukje dan (2)

Pas toen ik tijdens de voetbalwedstrijd van gisteravond mijn polootje uittrok, werd mijn prachtige supportersshirt zichtbaar. Niet helemaal de goede kleur, maar toch. Mente smeerde er wat aftersun op. Een gevoelige gezonstraalde rug had ik overgehouden aan een middagje strand, maar ongelukkig werd ik er niet van. Toen ik de hoge golven over me heen had laten komen, was het achtjarige jongetje in me wakker geworden en dat was ook een jongetje dat zijn verlies neemt met een verbrande rug. Nu ben ik doorgaans een heel brave smeerder geworden; in mijn kinderjaren kon het seizoen niet beginnen zonder verbrande rug. Zo'n vuurdoop had je doorgaans in april, of anders in mei, dus half juni zoals nu, was al aan de late kant.
Na het verbranden kwam het vervellen. Het vervelendst was nog wel dat je na het verbranden met een bloes aan op het strand moest zitten, soms zelfs met lange mouwen. Een paar regenachtige dagen konden soelaas brengen, maar als zonnige dagen zich aaneenregen moest ik aan een bloes geloven. Die ongewenste bloes zal me aan het smeren gebracht hebben. Of het laten insmeren. Laten insmeren, ja. Ook dat had ermee te maken. Ik hield als kind niet van andere handen aan mijn lijf.

Die verbrande rug van gisteren dankte ik vooral aan de tijd dat ik naar de drie gravende jongens had staan kijken, die ene grote en die twee kleine. Ook had ik gekeken naar de niet aflatende behoefte van het water om heen en weer te trekken en de loop in het zand telkens te veranderen. Op de achtergrond speelde de zee een rustig deel van een brede symfonie, bij mijn voeten was er een liefelijke sonate voor piano en viool.
De muziek van de zee, het spel van water, zand en lucht is er altijd, ook als ik er niet ben. Een stevig fortissimo of dit vriendelijke spel van water en zand, deze lichte zang voor twee instrumenten. Het is niet zo dat de zee in al zijn doen en laten voor je klaarligt om aan te slaan als je je hoofd boven de duinen uitsteekt. Jouw komen en gaan doen er niet toe. De zee gebeurt altijd.
Thuis kom ik mijn kamer binnen en hoor ik prachtige muziek, omdat ik blijkbaar vergeten was de radio uit te zetten toen ik weg ging. Hier staat de radio al aan en er gaat niemand over de knoppen van de muziek. Daar hou ik van, van die combi van door- en voortgaand gebeuren en eigen overbodigheid.
Zoals ik ook hou van die incidenten aan de rand van dit perpetuum mobile waarbij drie nietige kereltjes met een plastic schepje druk doende zijn hun aanwezigheid te bezegelen met een kuiltje waar zeewater in stroomt. Er staat trouwens een man bij te kijken, bij die drie jongens. Allemaal vergeten ze zichzelf, allemaal zijn ze in hun element.
Als ze weg zijn, gaat de muziek verder. Niets herinnert meer aan de jongens met hun schepjes, de man die naar ze kijkt. Niet daar.

Hier wel. Zojuist met mijn verbrande rug het zand uit de auto gezogen. Tachtig kilometer verderop komt zee aan land.

13 juni 2021

Een klein stukje dan

De zee is te groot voor een stukje. Eerst loop je de opgang op, dan weer daal je een beetje en als je weer stijgt zie die grijze lijn onder het lichte blauw. Dat past nog net op een a4'tje, maar een paar stappen verder al schiet elk formaat te kort. Niet alleen omdat het grijs van de zee zich zo onmetelijk ver uitstrekt, maar ook door de kleuren die het water kent en dan is er die beweging.
Eén was ik toen ik mijn eerste zomer doorbracht aan zee. Mijn moeder vertelde me dat ik toen nog niet liep. Dat kwam pas een paar maanden daarna, toen we niet meer naar het strand gingen, of minder vaker. Ook hield ik niet van het zand en zo bracht ik vele middagen door op een plaid.
Ik moet dus een zomer lang naar het water gekeken hebben en natuurlijk naar alles wat er om me heen gebeurde. Het kan niet anders of ik had aandacht voor de grote kinderen in ons gezelschap die af en aan renden.
Toch zal ik naar die zee gekeken hebben, ik weet er niets meer van, niet van woeste witte koppen, niet van het liefelijk gelispel van een uitgeraasde golf die als een muisje aan de tenen van het land knabbelt om daarna in zichzelf te verdwijnen. Ben ik die eerste beelden vergeten? Of vergat ik mezelf daar bij dat verre water onder die onbegrensde lucht?

Vanmiddag was ik er weer, met de jongste en haar man en de twee jongens. De schoonzoon droeg een strohoed. Met een strandschepje wierp hij dicht bij zee een kleine barricade op. Daarachter maakte hij een geul. Zo begon het. Intussen gingen Lukas en Markus ook druk aan de slag met hun schepjes. De wal werd vervolgens geslecht, niet door de zee maar door vier onachtzame kindervoetjes, en de geul werd een slotgracht. Ik mocht met mijn stoeltje voor slot komen spelen. Een uitnodiging waarvoor ik vriendelijk bedankte. Langzaam werd het vloed en toen er eenmaal een geultje zeewaarts gegraven was, stroomde de slotgracht vol. Er kwam een brug, zei Lukas, maar het was een dam. En niet lang daarna werd duidelijk hoe verstandig het was geweest niet met een stoeltje op het eilandje te gaan zitten. Het land verdronk.

Een van de vreugden van het vaderschap is dat je je op het strand onbekommerd kunt uitleven met een schepje. In elk geval hadden deze drie veel plezier: de vader en zijn jongens. De vader misschien nog wel het meest. Al was het maar omdat een volwassene wat meer inzicht heeft in het spel van water, zand en getij. Vandaar ook die geul.

Op dit strand groef ik ooit onder leiding van mijn grote broer, en later als vader. We logeerden in de zomer altijd wel bij oma en gingen dan als het even kon naar het strand.

We leven een jaar of vijfendertig verder. Terwijl ik stond te verbranden en naar de drie gravende jongens keek, schoot me het begin te binnen van een gedicht dat ik maakte toen ik als vader naar het strand was geweest.
'Als gekken groeven wij in
tegen het gaande tijd.'


Jeroen had het wel makkelijker door juist bij opkomend tij te gaan graven. Hij is slimmer dan ik.

Daar stond ik, bij de oneindigheid van de zee. Ik keek naar de twee vierkante meter, waarop kinderen gezellig aan het spelen waren. Ik telde er vijf: een man met een strohoed, twee jongetjes, het water en het zand.

12 juni 2021

Twijnstraat

Zojuist moest ik even in de Twijnstraat zijn. Voor het zover was, bladerde ik de krant door. Op bladzijde 2 liep Dingeman in zijn dagelijkse strip door een winkelstraat: twintig jaar geleden zag alles er veel beter uit. De strip eindigt ermee dat je maar het beste in een voortdurend verleden van twintig jaar terug kunt verkeren. Dus door te doen alsof het nu twintig jaar geleden is, word je gelukkiger. Dat kan niet, dat weet ik ook wel, maar los daarvan ben ik het er ook niet mee eens.

Ik moest dus even naar de Twijnstraat en dat is toevallig de straat waar wij onze dagelijkse boodschappen deden, al moet je daarvoor niet twintig maar veertig jaar terug. De winkel waar ik vandaag moet zijn, ging om tien uur open. Niet eerder, merkte ik toen ik een kwartier daarvoor al aan de deur rammelde. En zo liep ik dus als een Dingeman door de vertrouwde straat van ooit.

De Twijnstraat is al 800 jaar winkelstraat. De herkomst van de naam is niet helemaal duidelijk, wat ook geldt voor de straat met dezelfde naam in Brugge, maar men houdt het erop dat de –n van twijn er ten onrechte tussen is gekomen; het zou twij- of tuye-, nog eerder, twi- geweest zijn en daarmee samenhangen met twijg. Dat zou kunnen betekenen dat er vroeger mandenmakers woonden en werkten. Nu niet meer, heb ik zojuist weer gezien, en veertig jaar geleden ook niet.
Blijkbaar heb ik ooit Schönfelds Historische Grammatica weggedaan, want ik kan hem nergens meer vinden. Dat is dan wel een onzalige actie geweest, want het staat me bij dat daarin de Twijnstraat wordt genoemd. De Zadelstraat trouwens ook, maar daar gaat het nu even niet om.
Of het klopt, dat van Schönfeld? Ik weet het niet, en ik weet ook niet goed meer van wát erover werd gezegd. Dat de naam iets met twijnen te maken had, of (en dat lijkt me waarschijnlijker) juist niet. Al zat er veertig geleden nog het textielwinkeltje van Van der Gun. Hij was een grote man die erg veel last had van zijn rug. De winkel was klein, de waar bestond uit spul waarvoor je fijne vingers moest hebben. Die had hij niet. Ik had te doen met meneer Van der Gun. Alsof er een olifant in een hondenhok was gepropt. Een smalle trap voerde naar de bovenwoning. Daar had meneer Van der Gun een kloeke, hoge rechte stoel. Er hing veel pijn om hem en dat leed werd schrijnender door alle hempjes, een klos garen en lint en kousen waartussen hij zijn leven moest slijten. Maar goed, het twijnen van garen heeft niets met de naam van de straat te maken en ik kon vanmorgen ook niet vertellen achter welke gevel ooit de pijn van meneer Van der Gun schuilging.

Veertig jaar geleden zag de Twijnstraat er niet beter uit dan nu. De straat is er juist op vooruit gegaan en ook vind ik er meteen wat ik zoek, zodat ik even na tien uur al weer op straat sta. Daar aan de overkant zat Roos, weet ik, daar kaashandel De Hoop, daar melkboer Hooft. Waar zat de sigarenboer ook alweer? Hoe heette die toch? Boekhandel Geerts zat waar nu De Beren zit, naast de bank, met Koch aan de andere kant. Waar zat nou toch die smederij waar we ons bed lieten lassen, en de stang van onze tandem. Waarom heb ik dat niet onthouden? En vooral: waar zat toch Van der Gun?
Zal ik eens roepen?
Van der Gun!

10 juni 2021

Werkers

Aan het eind van de middag dringen drie mannen en een hond onze achtertuin binnen. Een uur later zijn ze weer weg.

Alleen de hond loopt even de kamer in om me te begroeten. Dat doet hij vriendelijk en snel, maar als hij weer naar buiten stapt, zit één van de mannen al in de walnootboom, compleet met touw, katrollen en een haak. Een tweede heeft zich verdekt opgesteld achter de beukenhaag waar ook de kliko staat voor het oude papier. Hij voert een telefoongesprek dat ik ook niet kan volgen als ik naar buiten kom, wel hoor ik woorden en andere flarden taal die ruiken naar ambtenarij en juristerij. Zou hij een folder of een ongeopend weggegooide brief uit de kliko gevist hebben om die voor te lezen?
Nummer drie ging blijkbaar over de bladblazer en de cirkelzaag. Ze staan onder de tuintafel. Nu trekt hij de eerste takken de tuin uit om ze via de poort af te voeren. Ik zit intussen op het schommelbankje buiten en zie toe, cameraatje bij de hand, maar ik stuur ook een foto weg via de familie-app met als onderschrift: ‘Als de boom niet naar de kapper gaat, komen de kappers wel naar de boom.’ Want ik ben erg geestig.

Inderdaad vraagt nummer één me vanuit de boom hoever hij moet gaan. Hij wijst wat mogelijkheden aan.
‘Als je over twee jaar terugkomt, dan moet de boom er net zou uitzien als nu. Ik heb er een foto van gemaakt,’ zeg ik. Dat is blijkbaar genoeg, want de man in de boom gaat weer verder met zagen. De man achter de beukenhaag is klaar met zijn telefoongesprek.
‘Ik zou er onmiddellijk voor tekenen als ik om het jaar mag zeggen dat ik er over twee jaar net zo uit wil zien als nu.’ Hij is inderdaad minstens dertig jaar jonger dan ik.
We worden afgeleid door roepende mannen. We verstaan ze niet, maar Pools is het wel. Enkele maanden geleden overleed mevrouw Merendonck. Ze woonde om de hoek. Je kunt haar huis vanaf het schommelbankje goed zien, in ieder geval de zolder. Nu wordt het huis volledig gestript en dat betekent dat het dak aan deze kant er helemaal af is. Het ziet er niet uit als het toekomstige thuis van een jong gezin, maar als het geopende graf van mevrouw Merendonck. Alsof zijzelf wordt ontleed.

Dan wordt mijn aandacht weer getrokken naar de omlaag suizende takken in hun volle blad. Is het een wonder of is het vakmanschap? Hoe dan ook, de takken vallen overal neer, maar bijvoorbeeld niet op de veertien meer dan handgrote bloemen van de pioenroos recht onder de walnootboom.
‘Is het goed aan deze kant?’ vraagt nummer één. Ik zie dat hij naar me kijkt, maar het is nummer drie die antwoord geeft. Hij wijst op een paar plukjes. Ik had daar niets van gezegd.Waar zou die hond trouwens gebleven zijn?

Eén van de Polen neemt een slok water, zie ik. Ze zijn daar met zijn zessen bezig, daar in het opengebroken huis van mevrouw Merendonck. In de brandend hete zon, vanaf vanochtend zeven uur.

Ik probeer me voor te stellen dat ik ergens op een opengebroken zolder in een Poolse stad sta, cirkelzaag in de hand.
‘Bedoelde je die onderste balk of de bovenste?’ roep ik, in het Nederlands uiteraard, want anders verstaan mijn maten me niet. Terwijl ik op antwoord wacht, zie ik hoe er op een bankje een paar tuinen verderop een of andere Pool naar me zit te kijken.

09 juni 2021

Haar platanen

De platanen voor haar huis waren een bron van grote vreugde, meteen al, toen zij en haar Albert het grote huis honderd meter verderop hadden verruild voor het appartement bij deze bomen. Ze wonen er nu een jaar of vijftien.
Zestien jaar daarvoor is het gebouwd op de plek waar eerst de Pauluskerk stond, een markant gebouw dat in de jaren dertig, tegelijk met de hele wijk, werd opgetrokken. De kerk volgde de romaanse leest, met hoge kleine ronde bogen en twee gelijke torens, een gedesoriënteerd westwerk, want de gevel lag op het zuiden. Maar ontkerkelijking en onderhoud eisten hun tol en zo kwam er in de vroege jaren negentig een appartementencomplex voor in de plaats, uitermate geschikt voor aanstormende stellen en voor oudere Tuindorpers bij wie in huis hetzelfde was gebeurd als ook de Pauluskerk overkwam. Het moest kleiner, bescheidener worden, maar het moest wel Tuindorp blijven. Dat zou ook Wilma en haar Albert overkomen, maar dan pas veel later. Toen was daar nog helemaal geen sprake van, al hadden de twee platanen al wel hun plaats gevonden in het hart van Wilma.

Op een oude ansicht van de vroegere Paulus uit de jaren vijftig zie ik twee schriele boompjes waarvan ik maar aanneem dat het de reusachtige platanen zijn waar Wilma al zo lang dagelijks graag naar kijkt. Maar ik maakte ooit dia’s van de afbraak van de kerk en daarop zijn ze prominent aanwezig. In die tijd van afbraak en opbouw werd besloten dat de bomen moesten worden gerooid. Ze stonden vreselijk in de weg bij de werkzaamheden. Mensen die al hadden ingetekend op een van de nog te bouwen appartementen schrokken daarvan. Een collega van Wilma zou er komen te wonen en zij ging de strijd aan die zou eindigen met een massale handtekeningenactie. Die stond gepland in de week dat deze collega met koorts op bed lag. Wilma vond dat sneu en daarom ging zij enkele avonden de deuren langs om handtekeningen te verzamelen voor het behoud van de onpraktische maar levensvreugde verhogende platanen op het Paulusterrein.

Sommige mensen zeggen dat toeval niet bestaat. Ik denk van wel, maar toeval verdraagt genade. Ze vindt het niet erg als je er niet in gelooft.
Jaren later werden de platanen dus het dagelijks uitzicht van Wilma. En als zij dat zou willen dan mag zij denken dat die twee bomen hun bestendigde verworteling mede aan haar te danken hebben, aan de inzet van de vrouw die de twee reuzen in stilte ‘haar jongens’ noemt. Die twee hebben daar geen weet van. Ze hebben er ook geen idee van dat Wilma ze onlangs schilderede op een doek van een meter bij een meter. Dat is groot voor een huiskamer maar klein voor een plataan.

De bomen voor Wilma’s balkon zijn groot, maar ze staan op gepaste afstand van de huizen. Ze belemmeren het uitzicht niet, maar maken daarvan juist een vreugdevolle aangelegenheid. Het zou inderdaad een misdaad zijn geweest als ze indertijd geofferd waren.

Of bomen iets met mensen hebben? Bij ze naar binnen kijken tijdens het ontbijt of meelezen over Alberts schouder? Vast niet. Omgekeerd wel. Wij kunnen het niet laten om alles en iedereen menselijke trekjes te geven. Auto’s, theekopjes, maar ook bomen. We zien er gezichten in, we laten hun takken juichen, ze vertellen verhalen. De platanen op het schilderij van Wilma zijn kleurrijk, de vele groenen zijn vertaald in wit en rood en geel en blauw. Stil staan ze wel.
Het zijn platanen. Ze spiegelen de vrouw op het balkon die naar ze kijkt.

07 juni 2021

Antje

’t Was zomerdag.
De doodstille straat lag
Te blakeren in de zon…


Alleen vanwege het ritme, vanwege de sfeer begin ik even met deze woorden van Nijhoff. Dan laat ik zijn gedicht voorlopig weer met rust.
In ons geval is het een nazomerse dag en de eerste regel zou moeten zijn: Een brugklaskamp. Het is zeven uur of half acht in de ochtend en ik sta in de wasruimte van een jeugdherberg om me te wassen. De kinderen doen dat elders. Deze ruimte is er voor de begeleidende docenten en voor de leerling-mentoren, leerlingen uit havo 4 en vwo 5. Via de zeven spiegels voor me vormen de douches achter me mijn uitzicht. Dus ook het deurtje waarachter Antje vandaan tevoorschijn komt. Antje heet geen Antje, maar o wat stapt daar een roomzachte, fraai gevormde Antje in haar naakte schoonheid tevoorschijn. In plaats van een kapje heeft ze kort haar.
‘Goeiemorgen, meneer,’ zegt ze. ‘Goed geslapen?’
‘Ik slaap nog. En jij?’
‘Ach, het is een kamp, maar deze keer bleven ze na enen stil.’
Ze staat naast me. Naakt. Ze is een vanzelfsprekende schoonheid. Bij haar make-up beperkt ze zich dan ook tot wat onopvallende, volgens mij overbodige mascara. Daarvoor buigt ze zich voorover, haar gezicht dichtbij de spiegel. Ze glimlacht even naar de man naast haar die zich staat te scheren. Even later doet ze een stap achteruit en monstert ze zichzelf. Dat had ik ook al gedaan en ik had meteen al lang gezien dat alles aan haar bijzonder goed was. We waren even groot, viel me nog op.
‘Wat gaan we doen?’ vraagt ze. Ze heeft zich naar me toe gekeerd.
‘Eerst maar eens koffie drinken en wakker worden,’ zeg ik.
Als ze de wasruimte uitloopt, toilettasje en handdoek in haar hand, blijft, zo lijkt het wel, met de bloesemgeur ook de sfeer van haar roomwitte huid als een nevel bij me achter.
Lady Godiva.

September 1981 was het. Zij was na de Mavo in Havo 4 terechtgekomen. Zeventien was ze, ik 29.
‘Eerst maar eens koffie drinken en wakker worden,’ had ik gezegd.
Ik heb me keurig gedragen, maar ik had wel even mogen vertellen dat ze heel mooi was. Als ze in Volendamse dracht, met kapje en al, uit de douche was gestapt had ik er ook wat van gezegd.

06 juni 2021

Ruimte

We liepen naar het Griftpark waar we al vrij snel terecht kwamen op een bankje. Hilde koos voor de zon, ik had liever schaduw. Zij had zelfs koffie meegenomen. Onderweg naar het bankje was er al een verschil in toon gezet: ik wees naar bloeiende bloemen, naar een omgekeerd lieveheersbeestje, met zwart schild en oranje stippen; Hilde wees met open handen een denkbeeldige wolk aan, een plek waarvan je kunt zeggen dat die geheiligd is. Dat was ook haar vraag. Hoe maak je iets tot een geheiligde plek? Dat had te maken met psalm 132 en ook met daardoor ingegeven woorden van Huub Oosterhuis: ‘Ik zal in mijn huis niet wonen […] voordat ik heb gevonden: een plek waar Hij kan wonen.’
We besloten het met elkaar eens te worden door van het bankje waarop we terecht gekomen maken zo’n omgeving te maken. Ik door me op de ander te richten en Hilde door ons gesprek en door aandacht ruimte te maken. ‘Dus niet de ontmoeting van iemand bij Albert Heijn,’ terwijl je eigenlijk geen tijd hebt.’
‘Of dénkt niet te hebben,’ kon ik aanvullen en ik vertelde haar dat ik vanmorgen vroeg in de kerk de presentielijsten voor de bezoekers van die dag neerlegde. Dan kwam ik tenminste nog geen mensen tegen en had ik nog tijd voor iets anders. Vlak voor de kerk zag ik een verre buurman lopen, met stok. Ik zou sneller kunnen gaan lopen om te vragen hoe het met hem ging en wat er precies aan die stok vooraf was gegaan. In plaats daarvan dook ik de kerk in en legde de lijsten op de daarvoor bestemde plaatsen. Toen ik weer buiten kwam, zag ik de verre buur weer lopen. Als ik wat langzamer liep dan ik gewoon was, kon ik zonder praatje en lekker op tijd weer thuis zijn. Dat deed ik niet, ik ging sneller lopen en haalde hem in. We liepen daarna samen verder tot aan zijn voordeur. Meer was het niet, maar misschien was dit wel de geheiligde ruimte van Hilde. Zij vond van wel. Geheiligde ruimte is een intentie.

Ons gesprek daar op dat bankje ging verder en ook na de tweede beker koffie waren we niet uitgepraat. Ik laat het gesprek hier voor wat het is, want er gebeurde nog iets anders. Ik heb het Hilde niet gezegd, maar het gebeurde wel. Haar zou het niet overkomen zijn, denk ik, want zij groette iedereen heel vriendelijk. Maar zij zat met haar rug naar het wandelpad toe, en ik met mijn neus. Dus ik zag Joanne langslopen, een meisje dat ik ooit in de klas had en dat later nog even een collega was. Joanne zag ons niet, keek in ieder geval niet onze kant uit. Moest ik nu ‘Ha Joanne’ zeggen of niet? als ik het deed, zou ze misschien stoppen en een stap onze kant op doen, zodat ik wel belangstellend zou moeten vragen hoe het haar gaat. Maar ik zat hier toch met Hilde te praten! Ik verdiepte me daarom in de ruimte die een lege beker me bood. Ruimte heiligen door open te staan, viel niet mee, merkte ik. Ik deed nu simultaan de een èn de ander ander tekort.

De zon schijnt. Ik ga een stukje fietsen. Als ik Joanne mocht tegenkomen, dan zal ik haar met blokletters begroeten en zichtbaar afremmen om ruimte te maken voor een gesprek. En als Hilde dan langs komt, zal ik hardop gedag zeggen, ook als ze me niet zou zien.

05 juni 2021

Baum - Tür

Giuseppe Penone nam een stuk stam van een ceder van een tweeënhalve meter en daarin hakte hij een raam. Hij maakte eerst een paar forse inkepingen en vandaaruit hakte hij het hout weg. Je kunt beter zeggen dat hij voorzichtig jaarring na jaarring van de boom weg schilde. Zo kwam hij bij de vroegste jaarringen en haalde hij het jonge boompje tevoorschijn dat onaangetast in de grote boom bewaard was gebleven. Je ziet ook de zijtakken. Ze verdwijnen in het hout van de grote stam, die nu een uitstalkast lijkt voor zijn jongere ik. Maar aan de buitenkant van de stam zie je hier en daar de veel dikkere knoesten op plekken waar die takken verder groeiden. Een boom groeit niet als een mens. Mijn armen en andere uitsteeksels zijn in mijn eerste levensjaren me meegegroeid, al is ook dat proces rond mijn zestiende gestopt. Dat geldt niet voor een boom. Die groeit door, maar gek genoeg blijft het kind dat hij als boom was zuiver bewaard. Ik heb de neiging om van het beeld een beeld te maken, dus van de sculptuur een metafoor, en zo de boel te vermenselijken. Alleen wil ik dat niet, al ontkom ik niet aan het idee dat er met alle verschillen wel een verwantschap is tussen boom en mens.
Het jonge, blootgelegde boompje gedroeg zich als een echte ceder en daardoor kwamen er veel takjes uit zijn stam van toen tevoorschijn. Takken die het al snel aflegden en takken waar je makkelijk op kon staan.

Het is natuurlijk sneu om te bedenken, ik denk hierbij aan een gedicht van Chr. Van Geel, dat jaarringen van een boom pas zichtbaar worden als hij wordt geveld, en dat geldt ook voor deze sculptuur. De jonge boom wordt zichtbaar nu de boom er niet meer is. Maar in elke boom zit, zuiver, onaangetast, onveranderd en onveranderlijk elke boom die hij geweest is. En wat hij was, draagt hij niet alleen als een verleden met zich. Geen stadium is voorbij. Elk stadium, ieder moment van leven draagt bij aan verder leven. Door de jongste boom blijft een boomleven lang levengevend sap stromen. Jaar na jaar blijft aanwezig en jaar na jaar bestaat. Elke ring is een beginjaar zonder einddatum. De boom blijft groeien, slaat steeds meer toekomst in zich op. Van buiten volgt hij de seizoenen. Blad of naald, of vruchten vallen, maar heel het leven van de boom zelf is een alomtegenwoordig en vitaal heden.

Op mijn bureau ligt een foto van de sculptuur. Ik moet er steeds naar kijken, probeer een beetje boom te zijn. Wanneer komt er weer werk van Penone naar Nederland?

https://www.altertuemliches.at/files/penone_270_cedro_versailles_c695_digarchivio_penone.jpg

04 juni 2021

Dit wordt verboden lectuur

Het is op dit front iets rustiger, maar er hoeft maar iets te gebeuren en we zitten er weer midden in. Ik heb het over de vermeende onmogelijkheid om over je eigen geslacht dan wel ongeslacht, je eigen ras en je eigen plek heen de wereld in te kijken. Nieuw is dat niet. In de 19e eeuw was dat in naturalistische romans juist een thema. Met dit verschil dat die romans juist lieten zien dat mensen geketend waren aan ras, geslacht, erfelijkheid, milieu en de kansen die het moment aanbod of juist achterhield, terwijl deze erven nu juist als een territorium verdedigd lijken te worden, hier en daar. En, die boeken van toen werden meestal door witte westerse mannen geschreven. Die schreven dus om te demonstreren wat niet kon: over de rand van je eigen nest kijken.
Dat gemurmureer van vorig jaar maakte me wee. Dat mannen niet over vrouwen, witten niet over zwarten of wat dan ook zouden kunnen schrijven. Vrijheid was toch juist in taal te vinden en dan nog het meest in de taal van de kunst.

Lezers en schrijvers haal ik nog al eens door elkaar, als complementaire delen van de wet van de communicerende vaten waar ik bij natuurkundelessen zoveel plezier in had omdat bij dat onderwerp wetenschap zoveel leek op een kinderspelletje. Daar gaat het nu niet om, nu gaat het erom dat zowel een lezer als een schrijver de dragers zijn van het schild dat boek heet. Als het schrijven over dit of dat een exclusief recht is voor schrijvers die tot een bepaalde groep behoren, mag ik dan wel boeken lezen die geschreven zijn door een vrouw? Of door een man die van de mannenliefde is. Of door iemand die geen last heeft van benen als melkflessen wanneer de zon doorbreekt. Of iemand die de oliecrisis hooguit kent van horen zeggen.

Ik lees op het ogenblik de dichtbundel die Marjolijn van Heemstra vorig jaar publiceerde. Het is een bijzonder prettige bundel, waarin we af en toe vooruitwijzingen zien naar haar onlangs verschenen boek In lichtjaren heeft niemand haast. Ik kom er het leven tegen van mijn kinderen en van mensen bij me in de straat. Van vrouwen dus die mijn dochters hadden kunnen zijn en die vanwege een kraam of miskraam of wat dan ook sterker bij een aspect van vrouwelijkheid worden bepaald dat wel heel ver van mij vandaan staat. Omdat ik nu eenmaal een man ben. Mijn bedgenote kan die ervaringen wel delen, zou je denken, maar is de kloof van dertig, veertig jaar intussen niet te groot?

Het gedicht Bedoelingen mag ik sowieso lezen, want ook ik ben buurtgenoot. Het opent met de woorden ‘Gesteggel over het buurtfeest’ en dat is meteen de strekking van het hele gedicht. Als je dit gedicht leest, wordt duidelijk dat dergelijke festiviteiten een plaag zijn.

Er is nog een gedicht dat me treft. In ‘Universele weet-ik-veel’ lopen een man en vrouw langs de Theems terug naar hun hotel, en dat ‘na een avond in een zaal waarin / ik veel te bleek afstak en maar minnetjes lachte om de white people- / grappen terwijl jij zwart en bulderend naast me zat.’
Dat bedoel ik. Zij heeft dat dus ook. Dat ongemak van ongevraagde vrijheidsbeperking. Verderop in het gedicht zegt de ik: ‘‘Ik zie de verschillen niet.’ Jij zei: ‘Precies.’’

Van Heemstra goochelt verder ook nog eens met werelden die de mijne niet zijn. Of toch wel. Ik vind het een verademing dat ik dit nog mag lezen.

Marjolijn van Heemstra, Reistijd, bedtijd, ijstijd. Gedichten. Das Mag 2020

02 juni 2021

Eenden

Fietstochten zijn debet aan zoveel belevenissen, ervaringen en emoties dat ik de volgorde vandaag omkeer: eerst dit stukje en dan pas fietsen. Zo kan ik nog even terugkomen op eerdere ervaringen die in de veelheid van indrukken onverteerd vergeten dreigen te worden.
Zo waren daar die eenden bij de gele brug, De Banaan, die stad en Leidsche Rijn verbindt. Dat was op maandagmiddag om half zes. Ik fietste stadwaarts en zag hoe voor me, op het drukke fietspad, twee eenden overstaken. Dat ging goed. Maar ze leken niet tevreden met een verblijf in de berm die fietspad en autoweg van elkaar scheidt. Op die weg was het nog veel drukker. Wat moest ik doen? Afremmen, afstappen en aan de kant gaan staan om als een ramptoerist toe te zien op een onafwendbare eendenramp en daarvan naderhand een ooggetuigenverslag leveren? Of moest ik van mijn fiets springen en wapperen en heen en weer springen om die eenden een andere koers te laten kiezen? Of zou ik ze daarmee juist naar een dood op een motorkap of onder zwart rubber drijven?
Ik fietste door, hoorde achter me geen auto’s remmen, ook klonk er geen klap.
Ik bedacht ook dat ik nog voor het stoplicht die eenden al vergeten zou zijn. En zo was het ook. Ik werd al vrij snel afgeleid door iets waarvan ik niet meer weet wat het was.

Maar gisteren, in een voor eenden veel aantrekkelijker omgeving boven Utrecht daalden als een vliegtuig, maar zoveel aangenamer, fraaier en levendiger een woerd en een vrouwtje voor me langs om met een beheerste plons in een sloot terecht te komen. Toen dacht ik weer aan de eenden bij de gele brug en ik hoopte tegen beter weten in dat dit dezelfde eenden waren.
Daarna waren er de kuikens van grauwe en Canadese ganzen en de lelijke jonge eendjes van verschillende zwanenparen. Ja, het gaat goed met de zwanen. Met de kieviten en scholeksters wat minder en zag ik bij de Tienhovense Plassen een zwarte stern? Toen was mijn blik overigens al wat naar binnen gekeerd. Dat had ook te maken met tranende en prikkende ogen, want ja, het is hooikoortstijd.

Vanmorgen zaten Mente en ik even aan de koffie bij de oude schoolmeester. We hoorden sirenes van verschillende wagens en veronderstelden dat politie en brandweer een wedstrijdje deden en dat de derde sirene die van ziekenwagen was. Die reed alvast naar de finish om paraat te staan voor het ongeluk dat daar waarschijnlijk zou gaan plaats vinden.
Dat was een verkeerde grap waaraan we geen wending meer konden geven, want een traumahelikopter vloog rakelings over de tuin. Er moest een paar honderd meter verderop iets naars gebeurd zijn. De helikopter zakte en even later was het weer stil. Wij bleven zitten en dronken onze koffie: we zijn geen ramptoeristen. Ik dacht nog even aan de twee eenden bij de gele brug over het Amsterdam-Rijnkanaal.

En nu fietsen.

* Het ongeluk vond iets verderop plaats, lees ik, namelijk bij het grootwinkelcentrum van Overvecht. Twee gewonden.

01 juni 2021

Een wonder is niet te weerstaan

Hij herinnerde zich nog heel goed de ingenieuze manier waarop onze voordeur open en dichtgetrokken kon worden. Wij hadden het over ons huis aan de singel. Daar kwam mijn neef als jongetje regelmatig op bezoek. Omdat we boven woonden, was een koord aan het slot van de voordeur aangebracht dat via katrollen naar boven voerde. Daar was het aan het hekje om het trapgat vastgemaakt. Je hoefde daarom niet naar beneden te lopen om de deur te openen als er gebeld werd, maar kon aan het koordje trekken.
Maar er was nog een koord. Dat zat vast aan een haak aan de bovenkant van de deur en liep dan achter een katrolletje in de deurpost langs, via nog twee katrolletjes naar boven. Aan dat koord bengelde een gewichtje met een oog om datzelfde koord. Dan kon je ook boven blijven als je de deur wilde sluiten. Voor kinderen was het een wonder waar ze geen genoeg van konden krijgen. Ook mijn boekbindspullen met een heuse pers en een naaitafeltje waren de neef bijgebleven. Maar de koorden met hun katrollen in het traphuis hadden de meeste indruk op hem gemaakt.

Waarom ik tijdens het fietsen zojuist moest denken aan dit deel van mijn telefoongesprek met mijn neef van enkele weken geleden, weet ik niet, maar het was een prettige afleiding om me vervolgens af te vragen hoe het ook al weer precies ging met die koorden en zo. Ook ik genoot er indertijd van; voor mij was het grote wonder dat het systeem altijd werkte. Het heeft ons, anders dan gloeilampen, zekeringen, ruiten en kraanleertjes, nooit in de steek gelaten. Het was een wonder om niet te weerstaan.

Een wonder is niet te weerstaan.
Dat was het, die prachtige woorden uit Het Uur U van Nijhoff. Daarvan hadden woorden door mijn hoofd gespookt. Dat begon al met de voor vandaag zo toepasselijke openingsregel: 'Het was zomerdag.' Daarna had ik met medelijden gedacht aan de vrouw die vanachter de vitrage naar buiten kijkt en die met vijf woorden wordt neergezet als 'de dame die niemand kent.' Dodelijker en trefzekerder kan het niet. Je zult het maar tegen iemand zeggen: 'Aha, u bent de dame die niemand kent.' Ik had plotseling zo met haar te doen, daar op mijn fiets tussen Tienhoven en Westbroek.

Maar toen kwamen dus die kinderen uit het gedicht en die brachten me terug bij het telefoongesprek met mijn neef en bij de constructie bij de voordeur van ons huis aan de singel.
Ik laat je alleen met dit prachtige fragment. Lees maar wat er staat:

Eén der jongens stond met
zijn voet op een autoped
waarvan hij aantoonde dat
het richtingaanwijzers had.
'Daar wordt het geen auto door',
zei de grootste in een plusfour.
'Van auto's gesproken', zei
hij er medelijdend bij,
'hebben jullie er geen?' -
Het meisje zwaaide haar been
over het nikkelen stuur,
- alles aan haar was natuur:
het neusje iets opgewipt,
het haar als een jongen geknipt,
te argeloos nog voor fatsoen, -
'dat kan je bij de onze niet doen',
zei ze, en zwaaide 't terug.
Met zijn handen op zijn rug
- waar kon hij ze hebben gedaan
met niets dan een badpakje aan? -
riep de kleinste: 'Belt die bel?'
De bel belde. En hij: 'Zie je wel,
bellen doen auto's niet.'
De bezitter, inmiddels, liet
met strak geworden gezicht
aldoor de vleugeltjes dicht
en klappend open slaan.
Een wonder is niet te weerstaan.
Niemand meer die iets zei.

30 mei 2021

Rondje singel

Na de tweede prik gisteren reden we naar een terras om onze immuniteit te vieren voordat de terugslag van Pfizer ons zou lastig vallen. Een terras, ja. De horecaïsering golft door Nederland. De epidemie leek de afgelopen anderhalf jaar een beetje te worden teruggedrongen door die andere waaraan we onze tweede prik te danken hadden, maar nu slaan de terrassen terug!
Dat stemt een tikkeltje droef. Het ziet er allemaal wel vrolijk uit, maar er gebeurt iets met me als ik bijvoorbeeld op de Ganzenmarkt zie hoe de Kinderboekwinkel verdwijnt achter stoelen en tafeltjes, als ik het gekwetter hoor van mensen die in hun ene hand een mobieltje hebben en in de andere een pilsje. Doe dat mobieltje toch weg en loop voor je gaat zitten even die winkel in voor een boek.
Terrassen zijn de Japanse duizendknoop van de binnensteden aan het worden. Dag antiek, dag garen en band, dag lampenwinkel, dag prentenkabinet.

Dat neemt niet weg dat Mente en ik gisteren de eerste bezoekers waren van het door ons uitgekozen terras, want ik mag verdrietig worden van de terrrassificatie van het Rijke Westen, het hemd is nader dan de rok en door een terras te bezoeken sponsor ik mijn eigen vlees en bloed. Vandaar dat wij een half uur voor de openingstijd al achter de koffie zaten met een kouign-amann, een heerlijk Bretons pasteitje, met die tweede prik dus al in de pocket.

Vandaag zijn beide armen wat stijf, zowel de linkerarm van Mente als die van mij dus, maar voor de rest geen klagen. Wel zijn we een beetje duf, een tikkeltje afwezig. We zijn wat timide, maar of dat aan die prik ligt?
In ieder geval fietste ik zojuist mijn tot nog toe kleinste rondje van het jaar, een rondje singel, een tour d'anthrisque sauvage. Dat is fluitenkruid op zijn Frans. Wist je dat? Ik ook niet. Fluitenkruid is me dierbaar en het vergezelt ons dankzij de koude weken in mei dit jaar wat langer dan anders. Met een royale spuit is het als slagroom om de taart van de oude Utrechtse binnenstad gespoten. Het klinkt al wel een beetje in, maar ziet er nog steeds fraai uit.
In het water, tussen fluitenkruid links en rechts wemelt het van de bootjes en van surfplanken met suppers. Dat combineert goed. Het fluitenkruid bloeit maar een paar weken, maar lijkt er voor eeuwig te staan, teken van rust zonder einde, een vrolijke versie van psalm 23. En daartussen dus het vredige, lome gepeddel van suppers, een soort waternimfen, omwolkt ook door de geur van de witte schermbloemen. Met hier een daar een elf die gekromd met peddel in de hand moeizaam in evenwicht probeert te blijven. Dat suppen valt blijkbaar nog niet mee.

Bij het Lepelenburg stap ik af. Het grote groene grasveld is verdwenen onder honderden en honderden plezierzitters. Het is een groot terras.
Als dit nu eens allemaal paardebloemen waren geweest, bloeiende en ook de uitgebloeide pluizen. Wat zou ik daarvan zijn opgeknapt! Nu word ik een beetje droef. Ik ben blij dat ik aan de buitenkant van de singels fiets.

29 mei 2021

Uitgenodigd

Ik sleepte de twee jongens langs leeuwen, panda’s, leidde ze door het berenbos, gaf ze te eten en te drinken, liet ze spelen in speeltuinen en toen ze thuis kwamen, konden ze meteen aan tafel. Nee, bijna meteen, want eerst moest de kleinste die ik na zijn onfortuinlijke onderdompeling niet alleen onmiddellijk gered en vervolgens in mijn wollen vest gewikkeld had om hem zo, voorbij A12 en andere wegen, veilig af te leveren bij zijn moeder, nog wel even gewone kleren aan. Dat was donderdag.*
Ze stortten zich op hun spaghetti en Lukas vertelde dat hij zaterdag een feestje had, een verjaardagsfeestje.

‘Dan ga ik mee. Dat vinden je vriendjes leuk, als er ook een opa meekomt. Bij wie is dat feestje?’ En ik noemde wat namen die me waren bijgebleven.
‘Nee, het is míjn verjaardagsfeestje!’
Ik begreep dat Lukas probeerde duidelijk te maken dat ik niet welkom zou zijn, maar hij wel, dus ik vroeg nogmaals bij wie dat feestje dan wel was.

Zijn moeder voorzag dat het gesprek uit de hand zou kunnen lopen, ook was haar er veel aan gelegen dat er liefst warm voldoende spaghetti, met een overigens heerlijk ruikende saus, bij de jongetjes naar binnen ging, dus zij vertelde dat het inderdaad ging om het verjaardagsfeestje van Lukas.
Nu verjaart die in de tijd van de oliebollen en niet in tijden van fluitenkruid. Maar goed, met corona in deze wereld hoort ook het vieren van je vijfenhalfste verjaardag tot een nieuwer normaal, al is het maar tijdelijk.

Ik veronderstelde dat het dan al helemaal geen probleem zou wezen als ik kwam.
‘Wat zullen je vriendjes dat leuk vinden als ik er ook ben. Ik kan niet wachten. Weet je wat, ik kom wat eerder en ga ook wat later weg. Wel moet ik meer chips en taart dan de anderen want ik ben groter en een cadeautje heb ik je een half jaar geleden al gegeven, dus je krijgt niets. Hoe laat kan ik komen?’
Het mocht niet. Dat vond Lukas, de kleine Markus zei ook: ‘Nee, opa.’ Volgens zijn moeder moest het nu wel duidelijk zijn.

Dat feestje was dus vanmiddag en nu zal het wel voorbij zijn. Ik hoef trouwens helemaal niet naar een kinderpartijtje. Wel zou ik graag weer een keer dat gevoel willen hebben om te zijn uitgenodigd door een of ander vriendje. Er waren de vaste vriendjes, zoals Dirk, Loek, Peter. Hun uitnodigingen waren een bron van grote vreugde, heus. Maar ook anderen vroegen me wel voor hun feestje, een andere klasgenoot of iemand uit een andere klas of uit de buurt. Wim, herinner ik me opeens, en Leen, en Alexander, of heette die Alexander Cornelis? Koek en snoep happen. Soms was er een filmprojector en zag je de Dikke en de Dunne bijvoorbeeld. Alleen is dat niet waar het me om gaat. Mij gaat het vooral om dat gevoel, die stille sensatie, dat lichte gevoel in mijn hoofd, die vreugdevolle wetenschap dat er weer een feestje kwam en dat ik daarvoor was gevraagd, dat ik uitverkoren was, dat het leven me bij wijze van spreken dankzij een onverwacht jongetje of meisje plotseling toelachte zodat er vanzelf als antwoord een glimlach over m’n eigen snufferd trok.

* Zie Och Heden 20210527

28 mei 2021

De mijmering en het ding

Conny Westerveld kwam deze week Freek en Alexander tegen. Freek heeft haar naam weliswaar veranderd in Frederique, maar toen Conny en ik ze nog in de klas hadden, waren de twee al een koppel. Bij die ontmoeting kwam ik ter sprake. Ik zou ooit geschreven hebben ‘dat school meer is dan de plek waar je leert’. En nu mailt Conny me met de vraag of het niet leuk zou zijn als ik die tekst uit het geheugen van mijn computer viste, dan wilde zij die naar Frederique en/of Alexander sturen.

Dat de tekst ze is bijgebleven mag een wonder heten, erg spectaculair klinkt de samenvatting ervan niet, maar geldt zoiets niet ook voor ontroerende romans? Ik heb nog even gekeken, maar ik vermoed dat deze blijkbaar memorabele tekst niet meer bestaat en zelf heb ik er geen herinnering aan. Dat spijt me voor Frederique en Alexander en ook voor Conny, want het was op zich een leuk idee.

Misschien is het maar beter zo. De tekst zou zo kunnen tegenvallen, want o, wat is het verleden een valkuil. ‘De mijmering over een ding, is teerder dan het ding’ vertelt Gorter ons in zijn Mei. En die mijmering kan zowel een verlangen zijn als een herinnering. Dus kunnen we het maar beter bij herinneren laten. Misschien kom ik er zelf ook beter af op die manier en is de mijmering over een oud-docent veel teerder dan de oud-docent. Ik weet het wel zeker, want o, wat een vervelende vent ben ik! Een betweter, dwarsligger en een zeur. Praat me er niet van.

Achteraf moet ik constateren dat ik zelf op school overigens wel het een en ander heb geleerd, al hebben ze me bijvoorbeeld veel te weinig gedichten uit het hoofd laten leren vroeger. Wel heb ik van school liefde en vriendschap voor het leven meegenomen, en dat is veel waard en het stond niet in het leerplan. Het zou me niet verbazen als Frederique en Alexander daaraan moesten denken.

Hoe dan ook: ik hoop maar dat zij gelukkig zijn samen en met plezier terugdenken aan mevrouw Conny Westerveld van Duits en meneer Borgdorff van Nederlands en als dat is op basis van een vertekend beeld van het verleden, dan heb ik daar volledig vrede mee.

* Ook nu gaan genoemde personen onder een andere naam door het leven, behalve de docent Nederlands.

27 mei 2021

Te water

In de kinderbijbel thuis stond ook een gravure van Petrus. Het verhaal vertelt hoe hij en zijn vrienden naar de overkant van het meer varen. Het weer zit erg tegen en Jezus is alleen achtergebleven; hij zal zich later bij hen voegen. De discipelen komen amper vooruit en even later zien ze ook nog een gestalte over het water lopen. Een spook! ‘Nee, ik ben het,’ roept Jezus. Petrus herkent stem en gestalte, dat is Jezus. Enthousiast springt hij overboord en loopt over het water naar zijn grote held. Maar dan slaan met een forse windstoot de twijfel en daarmee ook de wet van de zwaartekracht weer toe en Petrus zakt weg in het water. Dat is het moment waarop de graveur zijn illustratie maakte, één met veel beweging rond de naar de diepte schietende leerling, maar als kind was ik onder de indruk van de wanhoop en de doodsangst op diens gezicht.

Dat gezicht zag ik vanmiddag weer, maar nu was het dat van een tweejarige Petrus die weggleed over de keien langs een stroompje water in de overdekte speeltuin van Ouwehands Dierenpark, daar was ik naartoe, met Lukas en Markus. En die laatste speelde dus voor de kleine Petrus.

Er waren de nodige tekenen geweest, kan ik achteraf zeggen. Hij was al twee keer gevallen, ook was hij een keertje stilletjes weggelopen en later had hij ademloos gekeken naar pinguïns die onder water zwommen. Dat kon je zien dankzij een ruit in hun bassin. En waarom was een van de olifanten zo paniekerig gaan trompetteren toen wij langsliepen?

Het begon weer te regenen, maar daar was de overdekte speeltuin, een hal vol zand, klimrek en een verleidelijk waterstroompje. Een mooie plek om een punt te zetten achter een middagje dierentuin. Ik ontdeed de jongetjes van laarsjes en sokken toen Lukas ontdekte dat het water van het stroompje hoger kwam dan de rand van zijn laars en bond het Markus op het hart om vooral niet op de keien langs het water te klauteren, vanwege dat water. Hij begreep me heel goed.

Toen hij zei dat ik weg moest, wist ik dat hij in zijn luier zou gaan poepen. Zoiets doe je namelijk in stilte, zonder mensen om je heen. Even later verschoonde ik hem in het ‘kakhuis’, zoals een bordje aangaf. Daarna ging ik op een bankje zitten. Hij klom op de stenen en keek me aan. Ik schudde nee en hij zag af van verder klauteren.

Maar een minuut later deed hij het weer. Terwijl ik rondkeek om te weten waar Lukas was, voelde ik weer twee oogjes op me gericht. Dat waren die van Markus die me, op de stenen gezeten, schuldbewust aankeek. En toen kukelde hij dus in het water. Het was een doop door onderdompeling om in Bijbelse termen te blijven. Hij was kletsnat. Ik wist wat me te doen stond in het kakhuis. Zijn sokjes en laarsjes waren nog droog, maar die propte ik in mijn rugzak. Hij kreeg een droge luier van me, ik sloeg mijn vest om hem heen en zette hem in de buggy. Lukas kwam net aangelopen. Hij was ons kwijt.

In het kakhuis had de blote, natte Markus staan huilen en hij had om zijn moeder geroepen. Nu in de buggy zat hij weer te zingen en Lukas vond het allemaal bijzonder gaaf: een olifant, een hoge glijbaan, pandaberen, wolven en beren in een bos en ook nog een broer die onder water ging. Markus merkte dat hij indruk had gemaakt op zijn broer, en ja, daar moet je iets voor over hebben.

26 mei 2021

Goudsbloemen 1*

‘De tuin had me getrakteerd op veel lievelingsbloemen dit jaar: goudsbloemen, Oost-Indische kers, allemaal jeugdsentiment dat ik zorgvuldig in stand houd en toevallig allemaal oranje.’

Trouwe lezers herkennen dit citaat onmiddellijk: het is een zin uit mijn stukje van 12 september 2019. Daarin kwam veel tuin en veel oranje voor, zie ik nu, maar ik kan het gerust over goudsbloemen hebben, want meer dan wat je hierboven leest, heb ik er toen niet over gezegd.
De grootste grutter van ons land is weer bezig geweest met een moestuintjesactie. En dat kun je hier bij de Borgdorffjes zien op het aanrecht, waar het zaad van sla en pompoen mag ontkiemen. De kleine plantjes gaan vervolgens in iets grotere potjes op een tafeltje bij het raam. Stap drie voert ze naar de andere kant van het raam en daarna gaan ze ergens de tuin in. Zo ver zijn we nog niet. Ik heb het nu over activiteiten van Mente. Ik houd me daar niet mee bezig. Ik ben meer van de Jumbo, zullen we maar zeggen, maar ik kijk wel naar de vruchten van haar handen en zij heeft me weer bij de goudsbloemen gebracht.

Want waar ik de uitgebloeide en verdroogde en dus zaadrijke knoppen van goudsbloemen ook maar zie, pluk ik die af en stop ik ze in mijn broekzak. Dat leidt doorgaans nergens toe: ze komen in de wasmachine of ik trek tijdens een wandeling onnadenkend een broekzak naar buiten als ik daarin ongerechtigheid meen te voelen. En hup daar gaan de zaadjes. Of ik gooi ze ergens in een bakje om dat meteen te vergeten. ’s Winters kom ik ze wel eens tegen, maar dat is niet de tijd om er iets mee te doen. Zo gaan er jaren voorbij. Het zijn zaden uit Frankrijk en Duitsland, van Terschelling en van Oostbroek natuurlijk.

Ook in de zomer kom ik wel eens een eierdopje tegen waarin ik blijkbaar ooit goudbloemzaad gooide. Dan ga ik met een harkje en een schep de tuin in, werk de zaadjes ondergronds en blus een en ander af met koel water. Daarna hebben we nooit meer iets van dat zaad gemerkt. En dat verbaast me wel een beetje, want toen wij hier waren komen wonen, verraste een kant van de tuin me al vrij snel met een fraaie zee van oranje. Dat vergemakkelijkte mijn overgang van singel naar Tuindorp.
Goudsbloemen waren de bloemen van mijn kinderjaren. In mijn Westlandse tuintje stonden aardappelen, je vond er Oost-Indische kers, maar vooral goudsbloemen. Door mijn moeder aangeleverde afrikaantjes, leeuwenbekjes en viooltjes zette ik er ook trouw neer, maar mijn vreugde vond ik in de goudsbloemen. Je begrijpt dat zij mij hielpen mijn lot als bewoner van een zo brave wijk als Tuindorp te aanvaarden.

Toen we onze tuin hier een paar jaar later veranderden, was het met ze gedaan en wat ik er ook aan deed, ze bleven weg. Zo is het nog, maar er voltrekt zich een wonder! Want ingeblazen door Mentes groene activiteiten, heb ik van her en der hoopjes goudsbloemzaad gehaald - van mijn bureau, in een hoekje van een keukenkast en zo - en dat zaad heb ik afgelopen zaterdag in drie bloempotjes gestopt. Maandag al kwam er wat groen tevoorschijn in een potje. Eergisteren telde ik respectievelijk vier, twee, nul, maar vandaag laat ook het laatste potje drie groene puntje zien. Het is een wonder waar ik met grote bewondering naar kijk. Dat dit oude zaad dit nog mag meemaken!

* Ik stel me zo voor dat ik hier later in een Goudsbloemen 2 nog eens op terugkom.

23 mei 2021

Spechten

Hoor je de roffel van een specht, dan schiet je blik meteen de bomen in. Je wilt het beest zien. Toch? Als ik Bach hoor, heb ik dat minder, die hoef ik niet meteen te zien; bij een vogel ligt dat blijkbaar anders.
Vanmiddag hoorde ik bij landgoed Oostbroek een specht, de grote bonte specht, neem ik aan, en die wilde ik dus zien. Er klonk een laag spechtengeluid ergens in een hoge boom. Vanwege de donkere roffel zou het wel om een dode boom gaan. Al vrij snel had ik een boom op het oog.
Toen hoorde ik nog dichterbij, lager in een boom, harder en veel hoger van klank, een andere roffel.
Was het dezelfde specht? Waarom had ik die dan niet van de ene boom naar de andere zien gaan in zo’n mooie lus? Ik stond er verdorie met mijn neus bovenop! Ik kreeg meteen antwoord. Er roffelden twee spechten tegelijk. De lage hoge van dichtbij zou natuurlijk van een ander merk kunnen zijn dan zijn hoge lage soortgenoot iets verderop. De grote versus de kleine bonte specht? De groene specht? Of de zwarte specht, dat zou leuk zijn. Dan zou de hoog gezeten, dof roffelende specht de grote bonte zijn en de laag gezeten, hard en hoog roffelende de zwarte.
Even struikelde ik over de verwarrende taligheid die aan het geluid en de positie van de spechten kleefde. De hoge roffel zat laag en de lage zat hoog. Taal is een gemankeerd vehikel. Ik legde een verband met ogen die zoeken maar niet zien en oren die wel horen maar niet in staat zijn om de ogen naar de bron van dat geluid te voeren: je ziet niet wat je hoort.
Daar moest ik niet over mekkeren; nu moest ik kijken, speuren.

Het zou leuk zijn als een van de twee een zwarte specht was, maar ik geloofde het niet. Het verschil in toonhoogte had volgens mij te maken met de kwaliteit van de twee beroffelde bomen, met het zachte hout van een dode boom versus het harde hout van een waardoor nog levenssappen trokken. Al met al zag ik geen specht.
Voor alle zekerheid maakte ik een foto om thuis op mijn computerscherm ontdekken wat ik nu niet zag. Je wist maar nooit. Al geloofde ik ook daar amper in: er zat al aardig wat blad aan de bomen en wie weet roffelden die spechten aan de achterkant van hun bomen.

Ik had natuurlijk iets anders kunnen doen: lawaai maken, met takken gooien, of met mijn appeltje, mijn flesje water, camera, m’n pet. Nu geef ik inderdaad niet aan spullen, onthecht als ik ben, dus dat zou het punt niet wezen, maar het gaf geen pas om spechten te storen in hun specht zijn. Maar als ik het wél zou doen, ik zeg áls, misschien dat dan een van de spechten opvloog. Of alle twee.
Ik liep verder, hoopte even dat dat hetzelfde effect zou hebben als het gooien dat ik zo braaf en diervriendelijk had nagelaten. Het was vergeefse hoop: er vloog niets weg, zodat ik niet eens kon zeggen dat de specht die er nu niet meer was inderdaad een specht was. Niet kon zeggen dat de specht die ik hoorde maar niet had gezien, hoogstwaarschijnlijk dezelfde was als de specht die ik zag wegvliegen maar niet meer hoorde. Toen ik wegliep, hoorde ik trouwens helemaal geen specht meer, de ene niet en de ander niet.

Thuis nog de foto nog even op de computer bekeken: niente, nada. Niks te zien. Ook niks te horen.

22 mei 2021

Objectieve taalvaardigheid

Gezien de levendige verontwaardiging waarmee ze vandaag door de telefoon haar hart luchtte, denk ik dat ze haar 95ste makkelijk zal vieren dit jaar. Aanleiding is een stuk in de krant. Kees Verstappen, eindexamenkandidaat uit Groningen, vertelt wat er niet deugt aan onderwijs bij het vak Nederlands. Kees heeft helemaal gelijk. We hebben ons in de luren laten leggen door onze behoefte aan objectiviteit en zijn vergeten dat je om te lezen vooral moet lezen. Kilometers maken en met elkaar praten over wat je leest.
Of ik de terreur van de meetbaarheid en de heiliging van hulpmiddelen nog heb meegemaakt, wil mijn oud-collega weten. Zij ging al in 1984 met pensioen. Dat kon toen via een regeling om oudere docenten plaats te laten maken voor de aanstormende volgende generatie. Wist ik van kern- en signaalwoorden, van argumentatiestructuren en kernwoorden? Had ook ik me met die onzin beziggehouden?

Allereerst gaf ik haar gelijk in haar verontwaardiging. Vervolgens vertelde ik haar dat ik die te ver doorgeschoten onzin ook had onderwezen, maar dat ik er nooit een geheim van had gemaakt hoe verschrikkelijk ik dat vond. Er was een onzinnige en onzindelijke behoefte gekomen aan objectiviteit, die waarschijnlijk voortkwam uit angst en uit gemakzucht. Docenten Nederlands klaagden steen en been over de enorme hoeveelheid langdurige en weerbarstige correctie waarmee ze te maken hadden. Dan waren voorgebakken toetsen, en de hegemonie van quasi-objectieve wetenswaardigheden en dito correctiemodellen een oplossing. En je gaf meteen toe aan de onaangename druk om minder te laten lezen, want dat was ook een behoefte in onderwijzend Nederland. Daar zou dan meer diepgang tegenover staan. Dat wel.
Toch zei ik het haar kwalijk te nemen dat ze zei geen weet te hebben van argumentatieschema’s en signaalwoorden. Ooit maakten we samen toetsen en dan vroegen we daar ook naar. Maar de zaak was nu op zijn kop gezet: middelen waren doel geworden.

Tijdens ons telefoongesprek losten we het allemaal op. Leerlingen moeten vanaf klas 1 tot en met het eindexamenjaar per maand weer minstens één boek per maand lezen en om dat te controleren moesten ze regelmatig meedoen aan een al dan niet creatief moment, een gesprek, een presentatie, een brief aan de hoofdpersoon in vijftig woorden. Ik moest haar vertellen dat het gemopper op het lezen van boeken na de invoering van de Tweede Fase alleen maar erger was geworden, juist omdat leerlingen in plaats van 36 boeken twaalf of acht nummers op een lijst moesten hebben. Met weinig leer je niets en als je iets niet kunt dan wil je het doorgaans nog minder dan daarvoor. Zo is het met zwemmen, fietsen of wandelen en ook met lezen en schrijven.

Wat waren wij het eens met elkaar! Nederlands was: lezen en lezen en schrijven. Van praten over fietsen word je droevig en angstig. Fietsen doe je. Tekstbegrip? De essentie is: vertel wat je leest en vraag je in voorkomende gevallen af wat je ervan vindt.
En waar was het opstel gebleven? Het vrije schrijven over een onderwerp? Fraude? Angst voor bedrog? We waren niet gek, heus niet, maar daarvoor hoefde je het onderwijs toch niets op zijn kop te zetten? Wat kregen we nou!

‘Ik was zo kwaad op wat ze met ons vak hadden gedaan,’ zei de bijna 95-jarige heel veel gedeelde opvattingen later, ‘en daarom belde ik je op. Nu ben ik nog minstens even kwaad, maar wat heerlijk dat we ons hart kunnen luchten. Volgens mij zitten we al meer dan een uur aan de telefoon.’
‘Nee hoor, 47 minuten en 12, nee, 14 seconden.’

21 mei 2021

Lichtspel

In 2011 bestond de universiteit van Utrecht 375 jaar en ter gelegenheid daarvan kon de mensheid genieten van Sol Lumen. Vanaf het Van Unnikgebouw buiten de stad, wierpen laserstralen in de kleuren van de regenboog en met de snelheid van licht, want het waren nu eenmaal lichtstralen, hun rechter dan rechte lijnen naar de Domtoren. Om het goed te kunnen zien, kon je maar het beste op de Neudeflat staan. De scepticus in mij vroeg zich nog wel stiekem af wat dat nou helemaal voorstelde, die paar lichtstrepen die een toren beschijnen, maar die scepticus heb ik de deur uit gegooid. Het was mooi.
Later fietsten we van het Neude naar het gebouw buiten de stad, met die kleurrijke stralen boven ons hoofd. Ik denk dat ik daar nog het meest van heb genoten. Van dat stille licht en wij op de fiets en ook de andere mensen die net als wij herkomst en doel van het licht wilden zien.
Bovenin het Van Unnikgebouw stonden grote projectoren. Er werd iets groots verricht en dat alleen maar omdat mensen iets wilden vieren. In mijn herinneringen zijn overigens de geluiden weggevallen. Ik weet nog wel van het gezoem van de apparaten en natuurlijk van de pratende mensen, maar alleen de stilte bleef. En er wás ook veel stilte.

Meer dan bij het vuurwerk rond oud en nieuw herinner ik me die aangename toestand van een vuurwerkshow in Argentat. Dat was op de avond van de veertiende juli. Aan de overkant van de Dordogne werd vuurwerk afgestoken. Wij bengelden met onze benen over de nog warme stenen van de kade van de rivier en gaven ons over aan vriendelijk oh en ah. Zelfs hier overheerste, ondanks de knallen van het afsteken en de ontploffingen in de lucht, de stilte. Zo heb ik ooit langs een drukke weg in de berm gestaan om fluitenkruid te fotograferen. Al vrij snel liep ik daar rond in een bel van stilte.

De afgelopen dagen zag ik een paar keer een foto van de raketbeschietingen van Hamas en de reactie van het Israëlische afweersysteem. Prachtig vind ik. Aan de ene kant die strakke, doelbewuste lijnen, aan de andere kant de jonge, aarzelend naar licht zoekende lijnen als ultra dunne bloemstengels. En omdat foto’s zwijgen, is er ook de stilte waar ik zo van houd en die van binnenuit zomaar op kan komen.

Maar zo is het dus niet. Zo is het helemaal niet. Er is gefluit van raketten, het geloei van sirenes en het gedonder van inslagen. De schreeuw van mensen hoor je niet. Ik moet denken aan De Schreeuw van Edvard Munch, aan de wijd open gesperde mond. Vol oorverdovende stilte.

Het is een prachtige foto met die vuurwerkshow van Israël en Hamas, die dove en blinde waanzin van de haat.

19 mei 2021

Geen pad

De kliko's voor papier en tuinafval staan meestal achterin de tuin, achter het beukenhaagje. Nu niet. Omdat Mente bezig is in de voortuin staat de bruine een paar dagen daar, maar wel tegen een beukenhaag. Dan voelt het toch nog een beetje vertrouwd voor hem.
Ook de papierbak staat nu elders. Die is zojuist begonnen aan zijn driewekelijkse uitje naar de straatkant, leuk, samen met de andere papierjongens. Ik had hem daar nog niet neergezet of Jacques van de overkant kwam al aangelopen. Blijkbaar kon zijn bak niet langer wachten. Ach, het zijn nog van die jonge speelse bakken.

Toen hadden we al een avontuur achter de rug. Of liever: er was geen avontuur, maar dat was op zichzelf genomen al een heel avontuur. We moeten een paar jaar terug in de tijd om dit duidelijk te maken en wel naar de tijd dat er wat meer grote padden bij ons in de tuin woonden. Verontrustend genoeg kom ik er nog maar zelden eentje tegen. Dat is anders geweest. Zo was er een pad die er een gewoonte van maakte om onder een van de twee kliko's op het achterterras te gaan zitten. Of ik daar een eerste of tweede keer van geschrokken ben, weet ik niet meer, maar wel dat ik sindsdien een bak die naar de straat moet eerst een eind naar voren schuif. Om beknelde pootjes of een geplette kop te voorkomen. Ik mag wel zeggen dat ik daar een behoorlijke handigheid in heb ontwikkeld, al kun je inderdaad niet zeggen dat dit zo moeilijk is. Maar ik kan daaraan toevoegen dat ik die handeling nu heel lang op dezelfde manier verricht, alleen trof ik de laatste twee jaar geen pad meer aan onder de kliko. Dat was en is nog steeds een teleurstelling.

Zojuist heb ik dus de papierbak aan de straat gezet en of het nu kwam doordat zijn vriend de bruine bak niet naast hem op het terras stond of omdat mijn gedachten elders verbleven, dat kan ik je niet vertellen, maar wel merkte ik dat ik onze papierboy vrij abrupt opzij trok en terwijl ik dat deed voelde ik hoe een van de wieltjes een hobbel nam om mij ter wille te zijn. Ik schrok geweldig. Zou ik dan toch een kikker?

Zo was het dus niet. Er lag een stukje tak. Dat was alles. Maar wat waren wij opgelucht, de bak en ik. In stilte legden we de weg af naar de straat, om te bekomen van de schrik en ons vervolgens te realiseren wat een avontuur het kan zijn om niets avontuurlijks te beleven. Ik weet zeker dat onze papierbak het verhaal al heeft verteld aan de bak van Jacques en als ik even naar buiten kijk, zie ik dat er nu al vijf, nee, zes bakken staan. Wedden dat die andere intussen ook al weten van de pad die er niet was?
Zelf ben ik er nog helemaal vol van en als ik het niet van me afschrijf, kan ik straks niet slapen.
Vandaar dit stukje.

18 mei 2021

Brede brugperiode

‘Brede brugperiode is de oplossing niet’, staat er als titel boven een ingezonden brief van gisteren in Trouw. Dit naar aanleiding van het nieuwe adagium van de Onderwijsraad dat je kinderen beter wat langer bij elkaar kunt houden. Soms vinden we iets anders en dan is ook daar wel een reden voor. Ons ideologische hart verbiedt ons af en toe om de gymnasiale masterclass bovenaan te zetten en de kaderklas van het vmbo ver daaronder. Dan veranderen we namen van opleidingen en/of we vegen we de boel bij elkaar. We willen immers niet in hoog en laag denken als het om kinderen gaat! Daarom moesten de ambachtsschool en het vglo en de huishoudschool weg, werd de boel herschikt en kwamen er onduidelijke namen, zoals een vmbo met allerlei onderafdelingen. Iets heel anders: bij de invoering van de basisvorming stopen we juist, zoveel theorie in de lessen dat het door de schoolkeuze toch al getorpedeerde ego van veel leerlingen nog een extra oplawaai kreeg.

In zijn brief spreekt de schrijver ervan, rector van een welgelegen school voor voortgezet onderwijs, zijn bedenkingen uit tegen de zaligverklaring van een brede brugperiode. Allereerst laat ook hij zien dat onderwijsinnovaties windgevoelig zijn en dat wind telkens uit een andere hoek kan waaien. Veranderingen zijn lang niet altijd verbeteringen. Het gaat internationaal gezien helemaal niet beter met ons uitgekiende onderwijs, wel slechter. Onderwijsverandering lijkt meer gebaseerd op geloof dan op inzicht dat voortkomt uit ervaring en degelijke brede studie. Alsof je iets vindt en daar vervolgens een onderbouwing voor bij elkaar harkt.

De rector van het lyceum zegt niet dat uitstel van keuze niet goed zou zijn, maar wel dat dat vaak het geval is. Hij haalt als deskundige een persoonlijk argument voor de dag door te veronderstellen dat zijn kinderen niet gelukkig zouden zijn in een breed samengestelde brugklas. Met deze niet erg sterke, maar strategisch slimme argumentatie geeft de heer Van Ommen wel aan dat hij een genuanceerd denker is én dat hij meer heil ziet in een dito benadering: er is geen pasklaar antwoord voor de inrichting van het voortgezet onderwijs.

Van Ommen wijst op het belang van onderwijs op maat en op de relatie docent – leerling; die is vitaal. Ik geloof het graag. Een paar van mijn overtuigingen hebben de jaren in het onderwijs getrotseerd of ze zijn er door gegroeid. Voor veel kinderen is het leven als leerling een grote oceaan zonder oevers. Gun leerlingen daarom fasering en schakering en afwisseling. Geborgenheid in de groep, dat warme bad dat ook een wespennest kan zijn? Trouwens, sociale vreugde wordt niet groter als je altijd in dezelfde groep zit, vraag het maar aan kinderen die ook op waterpolo zitten of zo, dat zijn echt niet allemaal klasgenoten.

Ten tweede, onderwijssysteem, de administratie en gedetailleerde beoordelingen met uitgekiende toetsen zijn zaken van tertiair belang. Eerst komt het onderwijs aan het kind, dan het onderwijs aan het kind en daarna pas de rest. Alsjeblieft!

En nummer drie: vergeet niet het vehikel van het vak. Een fatsoenlijk docent weet dat haar of zijn vak het belangrijkste is. Daarom gaat het er niet om dat een kind leert memoriseren of zo, maar wel dat het in de loop van de tijd schoolgaan een aantal prachtige gedichten uit het hoofd leert, om maar iets te noemen. Omdat je nu eenmaal een beter mens van wordt van heel veel gedichten in je hoofd.

Of dat waar is?

Natuurlijk is dat waar. Ja toch, meneer Van Ommen?

17 mei 2021

De Kruisweg

De turborotonde bij Monster is klaar. Er is lang aan gewerkt en er is nog langer gewacht voor het ware werk kon beginnen. Dat had onder andere te maken met de huizen die moesten afgebroken, mooie huizen. Dat is gebeurd en nu is er een gigantisch, langwerpig rotondeplein gekomen met dubbele rijbanen dat in niets meer herinnert aan het simpele maar gevaarlijke kruispunt dat wij de Kruisweg noemden. Zonder Bijbelse reminiscenties, vreemd genoeg, terwijl het kruispunt daar alle aanleiding toe gaf. Van mijn tweede tot en met mijn veertiende woonde ik er nog geen honderd meter vandaan en ik heb er heel wat ongelukken zien gebeuren. De ernstigste heb ik gemist. Die keer dat Henk op weg naar zijn vriendinnetje met zijn brommer de Molenweg uit kwam gesjeesd om zonder vaart te verminderen de Zwartendijk op te schieten werd ik in Naaldwijk geïnstalleerd als welpje bij de padvinderij. Henk was net als ik één van de kinderen van De Soos, een hechte vriendenkring van vijf echtparen en hun kinderen. Eindelijk ging het goed met Henk. Hij vond zijn draai als marinier en nu was er dat meisje. Op die vijftiende juli van 1961 bij de Kruisweg door een auto gegrepen en meters weg geslingerd. Hij was op slag dood. Een paar jaar later was ik nog onderweg van Den Haag naar dit kruispunt toen mijn overbuurmeisje gegrepen werd door een auto. Emmy overleefde het niet. De bestuurder van de auto wel en ook hij was een van de kinderen van De Soos.

Die Kruisweg was dus al een gevaarlijk punt toen er nog maar weinig verkeer de doorgaande weg van Monster naar Poeldijk overstak, van Molenweg naar Zwartendijk of omgekeerd. Ik zocht die hoek af en toe op vanwege de sloot. Daar kon je overheen springen, wat niet altijd lukte, en ’s winters was er ijs, waar je wel of niet doorheen zakte.

Er kwam een keer een nieuwe duiker waardoor het water onder de Molenweg door kon lopen. Het liep niet. Het stond stil. Als je met je knieën op de brede betonnen rand van die nieuwe duiker vooroverboog, kon je schaatstertjes over het water zien lopen. Er waren veel slakjes, soms zag je kikkervisjes en een doodenkele keer een visje. De rand van de duiker was hard maar ik herinner me vooral dat die aangenaam warm was. Soms ging ik er ook op liggen. Dan kon ik nog beter bij het water van de sloot. Tussen die sloot en de drukke weg lag de spoorbaan van het goederentreintje.

Vreemd genoeg is het in mijn herinnering een stille, warme plek, een plek om je hand in het slootwater te laten hangen en weg te dromen. Alsof er geen auto’s en brommers waren. Alsof er nooit een ongeluk gebeurde, terwijl dat wel zo was en dat wist ik: ik was zelf een paar keer onder een brommer gekomen, mijn vader werd er vijftig meter vandaan bij het oversteken aangereden.

Dat merkwaardige hoekje van de Kruisweg, waar hemel en hel elkaar afwisselden, ligt nu onder een laag asfalt van altijd auto’s. Van boven af zal het er uitzien als een ingewikkelde wiskundige figuur.

15 mei 2021

Ooievaar 4

In het Utrechtse veengebied knoopte de oude ooievaar op zijn fiets punt na punt aan elkaar om uiteindelijk weer thuis de komen. Voor de weg die hij gaan zou, had hij niet veel aandacht nodig, hij fietste hier bijna dagelijks. Oud zou de oude ooievaar zichzelf trouwens nog niet willen noemen en een ooievaar was hij al helemaal niet. Ooievaars vangen namelijk wel kikkers als die er zijn, of grazen alleen of in groepjes weilanden af. Staan uren op hun poot zonder een sok aan te trekken. Ze bouwen nesten hoog in de lucht. Ze leveren kinderen af in een tot draagdoek geknoopte ouderwetse luier. Vliegen van Westbroek naar Afrika en weer terug of trotseren een Hollandse winter. Maar fietsen doen ze niet. De oude ooievaar op de fiets kwam ze op zijn route herhaaldelijk tegen en zo veranderde hij in de oude ooievaar die hij niet was en kreeg hij een missie, een dubbele, nee, een driedubbele missie: hij moest weer thuiskomen waar zijn lief hem wachtte, hij moest het verhaal tot een goed einde brengen én in dat verhaal moest een oude ooievaar punt na punt belevenissen afwerken om zijn opdracht te volbrengen.

’s Middags aan de thee in de tuin vertelde hij van de firma Eiber & Co die het in deze tijden van corona extra druk gekregen hadden. En van Stork vertelde hij, van de oude ooievaar die vanwege een geboortegolf zijn vroegere werk. Van de mensen die niet de vader of moeder konden zijn of dat niet wilden. En ik zag het voor me.

Toen het verhaal net als een kind een jaartje later het levenslicht zag, herkende ik het verhaal, maar de tekeningen van het liefje van de ooievaar op zijn Gazelle waren nieuw voor me. Ik zocht naar de toren van Westbroek en speurde wegen af of er niet ergens in diepte van het land een kleine kereltje op een fietsje te zien was. Die waren er niet, maar daar stond veel tegenover in het boek. Zo gaf het beeldenrijke vrouwtje van de fietsende mannetjesooievaar Stork een pet die ik ook wel op zou willen zetten. En Stork mocht dan wat vergeetachtig zijn geworden, zijn toewijding straalde van zijn kop: zo’n ooievaar willen we allemaal wel wezen! En er was heerlijk wasgoed - er moet veel meer wasgoed buiten hangen; daar wordt de wereld beter van! - een onopvallend maar aangenaam stoeltje, het verrassende prikkeldraad om een voortuin, de neusjes, het mondje van die mooie oude vrouw. Om gelukkig van te worden allemaal. Ik zocht de mensen achter het mannetje en het vrouwtje, het diepste van hun ziel en hun geluk. En ik vond het. Waren er de alfa en de omega van het fietsrondje en het verhaal dat af moest, de klus die Stork te klaren had, ik zag ook de opdracht voorin het boek: ‘voor Olivia’ staat er. Ook dat is een alfa. De bijbehorende omega vinden we op de laatste bladzij van het verhaal waar Stork eindelijk, eindelijk zijn pakketje, dat lieve meisje, veilig op het goede adres aflevert, namelijk bij Bram en Saar, twee mensen van wie je eerder zou verwachten dat ze niet de ouders van het nieuwe kindje zijn maar de grootouders, zoals de oude ooievaar die geen ooievaar is en zijn liefje die ook al geen oranje stelten heeft en nooit een wit en zwart kleed draagt de opa en de oma zijn van de Olivia uit het begin van het boek.

Dat is de vierde missie: het boek is een geschenk!


Koos Meinderts en Annette Fienieg, Stork. Hoogland & Van Klaveren 2021

14 mei 2021

Papa papa

Nieuw-Zeeland houdt me niet alleen op de hoogte van aanbiedingen in diverse buitensportwinkels, maar ook van het wel en wee van vogels. Hier in huis hangt natuurlijk een kalender met foto’s van het vogeleiland Tiritiri Matangi. Maar er is ook een blad en in het meinummer van Dawn Chorus lees ik over Pari. Of ik op Tititiri de hoofdpersoon van dit verhaal in 2013 persoonlijk ontmoette, weet ik niet. Het zou zomaar kunnen, want Pari is misschien wel de vriendelijkste kokako van het eiland én hij is oud! Maar niet te oud! Lees maar.

Pari, voluit Paraninihi, werd geboren op 12 januari 2005, zo’n 650 kilometer van Tititiri, waar hij in juni 2007 terecht kwam. Daar trok hij het hele eiland over en na een half jaar koos hij bush drie uit als vaste woon- en verblijfplaats. Hij verslingerde zich het jaar daarop aan Te Koha Walata en aan Fern. Voor de laatste ging Pari door het vuur. Zij beliefde alleen de vruchten van de kawakawa en Pari deed er alles aan om haar ter wille te zijn. Hij was er zo druk mee dat hij een keer over een tak struikelde en twintig seconden bewusteloos bleef liggen. Toen krabbelde hij weer overeind, snavelde zijn verenkleed in orde en ging weer op zoek naar voedsel voor de kieskeurige Fern. Er was een nest, er was een ei, maar een kuiken kwam er niet en Fern ging er vandoor.

Zo komt in augustus 2009 Punga in zijn leven. Die relatie levert twee nesten op en eieren die niet uitkomen. Een paar maanden later is Pari weer alleen. En dan is daar in november 2011 de anderhalf jaar oude Koha. Ondanks wat ups en downs blijven de twee bij elkaar tot Koha’s dood. Zij is dan tien. Al bij het tweede nest van Pari en Koha krijgt het vrouwtje problemen met haar rechterpoot en dat betekent voor Pari dat hij eten voor haar moet regelen én opdraait voor de algehele verzorging. Als door menselijk ingrijpen het pootje van Koha weer kan genezen, blijft Pari dat doen. Dat is zijn sterke kant: hij is zo vriendelijk en loyaal. De verdediging van zijn territorium gaat hem minder goed af. Tot twee keer toe wordt hij verjaagd en in één geval neemt het concurrerende mannetje niet alleen Pari’s gebied over, maar ook zijn meisje. Dat daar overigens snel spijt van krijgt. Koha verlaat haar nieuwe minnaar en keert terug bij Pari, al moet die het intussen doen met een veel minder aantrekkelijk territorium.

In de loop der jaren komt wel steeds meer de klad in het bouwen van nesten en leggen van eieren. Soms bouwen de twee zelfs iets waar ze direct na oplevering nooit meer naar omkijken. Ze blijven bij elkaar, dat dan weer wel, totdat Koha overlijdt, medio 2019.

Nog geen half jaar later laat het jonge buurmeisje Waira haar partner in de steek voor Pari. Vanwege zijn zorgzame en empathische inborst, niet omdat hij een machtig grootgrondbezitter is en een lekkere jonge knul. Hun twee nesten leveren niets op, maar een half jaar geleden hoort Pari gepiep in het derde nest. De oude vogel is vader geworden. Van een jongen en een meisje. Die zullen waarschijnlijk nooit luisteren naar hun namen Ariki en Marihi, maar zo heten ze wel. In februari zijn ze gedoopt, dat wil zeggen: geringd. Pari blijkt niet alleen een voortreffelijk partner te zijn, ook is hij een uitstekende vader. De kinderen zijn dol op hem. Observanten op Tiritiri Matangi sluiten verdere gezinsuitbreiding niet uit. Zelf wil ik niet op de feiten vooruitlopen.

13 mei 2021

Hemelvaart

Ze zat een paar jaar bij me in de klas en vertelde me een keer dat het goed wonen was in het jaren dertighuis vlak bij school. Het enige probleem was een hardnekkige lekkage op zolder. Er was al regelmatig naar gekeken en verschillende mensen hadden iets uitgehaald met het dak en vervolgens verteld dat het probleem verholpen was, maar zo was het niet. Afgezien daarvan was het er prettig wonen.

Een paar jaar later kwam ik een paar huizen verderop te wonen. Zij was toen al op kamers. Totdat ik haar in de poort tegenkwam. Ze droeg een grote zonnehoed en ik liep er met een van de kinderen en een doos waarin een nieuwe cd-speler zat. Daar hadden we het even over. Ik kon haar bijna niet zien in de poort, ook al vanwege die brede zonnehoed.
’s Avonds stond ze voor de deur. In plaats van een hoed droeg ze nu een petje. Ze woonde weer thuis en ik zou haar vanaf nu wel weer vaker zien. Ze was namelijk ziek. Vandaar ook die hoed vanmiddag en nu dat petje. Dat deed ze af. Ze was kaal.
Ik heb haar maandenlang bezocht, die vrolijke leerling. Die ook bij de krenterige docent die ik was een acht op haar eindlijst haalde. Over haar ziekte zei ze een keer: ‘Ik heb nog geluk gehad, want ik heb leuke mie en ben het pretnizonnetje in huis.’ Ze bleef optimistisch.

Soms lag ze op bed en dan sprak ik met haar moeder. Die sprak medische taal met woorden die ik niet altijd begreep en stijgende en dalende waarden die ik al evenmin kon duiden. Woorden, feiten die haar overeind hielden.
De zondag voor Hemelvaart 1992 belde haar vader aan om te vertellen dat zijn dochter was overleden. De vrijdag daarna werd ze gecremeerd, de dag na Hemelvaart.
Dit is de eerste week van het jaar dat we regelmatig in de tuin zitten. Het is mooi weer, bijna net zo lekker als in die week in 1992, toen Hemelvaart op 28 mei viel. Ik moet aan Petra denken, aan haar moeder.

Bij haar ben ik nog een keer langs geweest. Zonder dochter had elke taal zijn betekenis verloren. Vader zag ik zelden. Het jongere zusje ging het huis uit. Ze waren onbereikbaar geworden voor elkaar. Moeder zat thuis. Ziekteverlof. Op een dag vond men haar op de zolder met die hardnekkige lekkage waarover Petra me ooit vrolijk informeerde. Die zonnige meid.

12 mei 2021

Logeetje

Als fietser beschik ik over dertig versnellingen. Mijn rode fiets heeft er 27 en de resterende drie zijn van mijn deftige zwarte herenrijwiel. Dat is de fiets waarop ik boodschappen en kinderen vervoer. Voor het eerste dienen de twee achtertassen, voor het tweede is op de stang een zadeltje gemonteerd en op de bagagedrager een kussentje dat op een ingepakt cadeautje lijkt. Zelf opteerde ik indertijd voor een passende zwarte zitting, maar de toen vierjarige Liesje vond deze veel leuker. Telkens als ze bij me achterop klimt, herinnert ze mij eraan en ook aan de fietsenmaker die het met haar eens was.

Ook gisteravond kwam het verhaal langs toen ze in de smalle poort opstapte. We gingen even op verjaarsvisite bij Jaap die zowel mijn zoon als haar oom is. Toen zij eenmaal zat, wurmde ik mijn voet over de stang, gebruikte de achterkant van de schuur om mijn evenwicht te vinden en fietste weg. Ik slingerde ontzettend en daar had ik rekening mee kunnen houden, want ik wist dat mijn versnelling stuk was. Ik was alleen te lui geweest om er naar te kijken en nu dacht ik er pas aan toen die fiets met tegenzin en slingerend in beweging kwam met Liesje achterop, een intussen grote meid van dik in de negen en met een versnellingshendeltje dat niks deed.
Ik botste nergens tegenaan maar wel maakte Liesjes linkerbeen kennis met de forse brandnetel die daar sinds kort weer is opgekomen. Het hield haar lang bezig daar achterop de fiets, ook al omdat ze niet even lekker kon krabben. Ze zou onverbiddelijk van het zitje kukelen.
Vlak voor het huis van Jaap schoot ik alvast te stoep op, maar door de verminderde vaart begon het grote slingeren weer. Desondanks wist ik het bankje dat voor een gevel stond nog te ontwijken, maar Liesje had geen weet van dat rakelingse bankje en dus klapte ze daar met het door brandnetels geteisterde been tegenaan.

Ik was aardig bezig om mijn krediet als opa te verspelen.
Spontaan had ze nog geen twee uur daarvoor gevraagd of ze een nachtje mocht blijven logeren en wij hadden ja gezegd. En dit was nu al het resultaat: een gehavend onderbeen en dat terwijl het logeren zelf nog moest beginnen. De kat bij Jaap krabbelde haar niet, maar liet zich ook niet aaien en reageerde op Liesjes avances door telkens ruimer afstand te nemen. Toch bleef ze vrolijk. En toen ik voor de terugweg toch maar even de versnelling repareerde, zei ze zelfs ‘Dank u, opa.’

Vanmorgen kroop ze om kwart voor zeven tussen ons in en over haar been had ze het niet. Na het ontbijt ging ik op de bank zitten. Ik legde de krant naast me neer en nam een slok thee. Toen kwam Liesje. Ze smeet de krant een meter verderop, plofte naast me neer en kroop tegen me aan. ‘Hé, mijn krant!’ had ik willen roepen, maar ik hield me gelukkig in. Ik voelde haar hartje tegen mijn hart kloppen. Het klopte snel. Ik had er geen idee van dat een hart zoveel vitale bombarie kon maken. Liesje heeft een goed hart, een hart dat onstuimig aan de deur van het leven klopt, maar ook een hart dat weet wat kloppen is. Ik was onder de indruk van dat motortje dat mijn arm doortrilde. Een wonder: het is ooit aangeslagen en het bonkt en bonkt en doet. En dat hopelijk wel honderd jaar. En daarvan mocht ik dus een stukje in de aanloop…

Ik was er stil van.

10 mei 2021

Ooievaar 3

Van de Kamerverkiezingen die er op die dag gehouden werden, kan ik me niets herinneren. Er waren belangrijker zaken. Die dag zou namelijk kinderclub De Ooievaar worden opgericht. Daar ging een uitbarsting van de Ungung Agung op Bali aan vooraf, waarbij 1500 mensen omkwamen, maar ik was vooral onder de indruk van de mensen die niet gedood maar zeer gehavend waren door de vulkaanuitbarsting. Het journaal liet een jongeman zien op een brancard. Hij was zijn onderlijf kwijtgeraakt. Ik vroeg me af of dat mét of zonder zijn billen en zijn piemel was geweest, maar toen ik even later in bed lag, raakte ik vooral het verwrongen gezicht van die jongen niet meer kwijt. Het was verschrikkelijk wat daar gebeurd was! En dan te bedenken dat ik een spaarpotje had waarin ik wekelijks een klein deel van mijn zakgeld stopte om in de komende zomer tijdens het padvinderskamp iets leuks te kopen. Zo’n kamp was sowieso uitgesloten, wist ik opeens, een beetje pret maken in een wereld waarin zoveel ellende kon toeslaan.Voor ik het wist stond ik alweer beneden in de kamer waar ik het spaarpotje uit de kast greep en snikkend riep dat ik niet meer op kamp wilde en ook moesten we niet met elkaar met vakantie. Dat geld moest naar Bali. Ik liet de dubbeltjes, kwartjes en stuivers over de tafel rollen.
Mijn moeder probeerde me te kalmeren, maar het voorstel van mijn vader maakte me rustig. Hij telde mijn spaargeld en stopte de helft terug. Die vakanties en dat kamp gingen gewoon door, maar ik moest maar wat voor Bali gaan doen, als ik dat zo belangrijk vond. Niet sparen voor Bali, maar iets doen. Zo begon het.

Het zal al maart zijn geweest, denk ik. In de schuur lagen nog kalenders, overgebleven reclamemateriaal van mijn vader. Die waren niet meer zo interessant als een paar maanden geleden, maar ze konden nog negen of tien maanden mee. Daar kon ik iets mee en dat was een. Met mijn buurmeisjes links en rechts en met Jelte van drie huizen verder besloten we om bloemen uit tuinen te plukken en daar bosjes van te maken. Ook zouden we flessen of potjes ophalen. Het statiegeld was voor de slachtoffers op Bali. Zo is het gegaan. Wij probeerden de verouderde kalenders en gestolen bloemen te slijten en dat lukte. We waren er een tijd mee bezig. De lege flessen liepen wat minder. Toch haalden we zes-en-halve gulden op en mijn vader maakte dat bedrag over naar het Rode Kruis. ‘Ten bate van Bali’ schreef hij erbij. Niet lang daarna kregen we een bedankkaart van het Rode Kruis.

Toen wist ik het: we moesten met elkaar een kinderclub vormen om bij rampen geld in te zamelen, maar ook moesten we iets bijzonders doen. Opgravingen bijvoorbeeld leken me wel wat.
Dat die club De Ooievaar zou heten, had alleen maar met de uitgezaagde vogel te maken die ik zo graag een bestemming gaf. Door die op de schuurdeur te spijkeren hadden we meteen een clubhuis. Dat gebeurde dus op 15 mei. Na de oprichting fietsten we naar de oude kerk van Monster die op dat moment gerestaureerd werd. We mochten binnen komen en er werd ons uitleg gegeven.
Het was een indrukwekkend begin van de club en mooier zou het niet worden. Toen we een paar maanden later na de aardbeving in Skopje de bloementruc weer uithaalden, hadden we veel meer bloemen tot onze beschikking en ook die wisten we ongestraft te slijten, maar de geest van de club was weg.

09 mei 2021

Ooievaar 2

Koos liet me gisteren de ooievaar op zijn T-shirt zien en toen vertelde ik hem van de prachtige ooievaar die ik ooit uit een plaatje hout had gezaagd. Ook bij de dunne poten ging het goed en dat is niet niks: er had maar iets hoeven gebeuren en ik was uitgeschoten. En wat is een ooievaar met maar één poot? Die heeft er twee nodig, eentje om op te trekken en een om op te staan. Mijn ooievaar van triplex was een echte Haagse ooievaar al had ie niets in zijn snavel. Later zou ik hem nog prachtig beschilderen, in wit en zwart en oranje, want zoiets vinden ooievaars heel fijn. Tot dan toe had ik me al figuurzagend verslingerd aan personen. Dat ging nogal makkelijk. Ik knipte Prins Bernhard of president Kennedy uit een tijdschrift en zette de contouren daarvan met potlood op een plaatje triplex. Daarna kon het zagen beginnen. Mijn voorlopige hoogtepunt was Prinses Irene, want die was zo mooi. Voor haar ook moesten haar vader en de president van Amerika wijken. Irene kwam boven mijn bed te hangen.
Later volgde dus die ooievaar. Ik heb hem zelfs nog voorzien van een vernislaag en op woensdag 15 mei 1963 spijkerde ik hem op de achterste schuurdeur. Maar nu loop ik op de zaken vooruit.

De hobby van het figuurzagen, bedacht ik later, toen Koos al weg was, had ik aan school te danken. Als de meisjes handwerken kregen, dan gingen de jongens aan de handarbeid. Van raffia maakten we servetringen en onderzetters bijvoorbeeld, en we gingen figuurzagen. Dat gebeurde onder leiding van meester Rijper. Dat weet ik zeker, niet van meester Van Beek. In de jaren daarvoor kregen de jongens extra cijferoefeningen als de meisjes naar juffrouw Borst mochten, maar dat veranderde bij meester Rijper. Zo was het. Alleen, en daar sloeg de twijfel toe, ik kreeg pas in de zesde les van Rijper, dus na de zomervakantie van ’63. Toen pas ook kwamen de handvaardigheidslessen in mijn leven. Toch weet ik zeker dat ik op 15 mei 1963 een ooievaar op de schuurdeur spijkerde. Om precies te zijn de ooievaar die ik hierboven beschreef. Dat zou dus kunnen betekenen dat ik die ooievaar helemaal niet zelf heb uitgezaagd, in ieder geval niet de ooievaar die nog nasmeult op mijn netvlies. Langzaam maar zeker doemt een andere waarheid op. Dat van die 15de mei klopt, zoals het ook zeker is dat het figuurzagen bij meester Rijper begon. Maar er is meer: ik gebruikte niet vaak verf, en vernis al helemaal niet. Toch was die ooievaar glanzend afgelakt.
Nu doemt er ook een Willem op in mijn herinnering. Daarvan zijn er twee, beiden vier jaar ouder dan ik en alle twee knutselden ze graag, de ene was mijn buurjongen, de andere was een vriend van mijn broer. Die tweede Willem was de aardigste en hij knutselde net als zijn vader graag met hout en hij schilderde ook. Hij zal me die ooievaar gegeven hebben. Daar zie ik hem wel voor aan.
Ja, ik heb gefiguurzaagd. Ik denk zelfs dat de ooievaar van Willem me later heeft geïnspireerd om er zelf ook eentje te maken. Die zal minder mooi geweest zijn en mogelijk heeft zich in mijn hoofd alleen maar een valse geschiedenis genesteld om mezelf een heldenrol toe te dichten. Een rol die ik dus niet verdien, en nu heb ik ook Koos nog voorgelogen. Sorry en sorry.
Maar dat van kinderclub De Ooievaar, officieel opgericht op woensdag 15 mei 1963, dat klopt wel.

Wordt vervolgd.

08 mei 2021

Ooievaar 1

Op de Annie M.G. Schmidtlezing van dit jaar moeten we nog even wachten. Op 19 mei wordt die uitgezonden en daarvoor kun je je nog aanmelden, want dat is het mooie van online: vol is niet vol. De lezing wordt dit jaar verzorgd door de heer Koos Meinderts, schrijver van onnoemelijk veel liedjes en van boeken voor kleuters, kinderen, jongeren en volwassenen en dan gaat het om verhalen, romans, teksten voor musicals, conferences en nu dus ook van een essay. Ik kan wel verklappen dat hijzelf tevreden is met het resultaat. Dat kan hij zeggen, want gisteren is de lezing op film vastgelegd. Daarom ook kan ik je alvast vertellen dat hij bij die lezing onder zijn colbertje een T-shirt zal dragen met daarop de afbeelding van een ooievaar. Dit omdat de lezing gehouden werd dan wel wordt in het Kinderboekenmuseum in Den Haag en in die stad hebben ze de ooievaar zelfs op het schild geheven, op het eiberschild.

De lezing van de heer Meinderts zou je ook wel een oratio pro domo mogen noemen, Koos is namelijk als Hagenaar op de wereld gekomen, maar daar wil ik iets aan afdoen. Hij werd geboren in het door ’s-Gravenhage in 1923 geannexeerde deel dat we beter kennen als Loosduinen en anders dan Louis Couperus zul je de heer Meinderts niet horen zeggen ‘Zo ik iets ben, ben ik een Hagenaar.’ Eerder zal hij zich een peenbuiker noemen. Iets waarvan ik nu alleen wil zeggen dat een bewoner van Loosduinen zo wordt genoemd. Toch stond er geen wortel op de buik van de heer Meinderts maar een ooievaar. Dat is ongetwijfeld loyaliteit jegens het Haagse en het Kinderboekenmuseum, al denk ik zelf nog steeds dat dat beter gevestigd kan worden in het pand waar tot een jaar geleden de Openbare Bibliotheek van Utrecht te vinden was.

Maar het komt mooi uit dat het laatste en nu al bejubelde boek van de heer Meinderts en de hem dierbare Annette Fienieg ook over ooievaars gaat, en dan met name over Stork. Inspiratie voor het boek vonden zij tijdens fietstochten in de omgeving waar ik vanmorgen nog enkele ooievaars zag. Vooral het ooievaarsnest bij de kerk van Westbroek heeft de heer Meinderts tijdens het fietsen op allerlei ideeën gebracht die je terugvindt in het boek Stork. Een vruchtbaar nest dus. Op datzelfde nest is overigens ook vandaag een ooievaarspaar druk in de weer.
Over het leuke boek valt veel te vertellen, maar het lijkt me het beste dat je het boek zelf koopt, zoals het me ook beter lijkt om niet op de inhoud van de Schmidtlezing in te gaan en je te adviseren om daar zelf naar te kijken.
Zojuist heeft de heer Meinderts me zijn T-shirt geshowd en het ziet er fraai uit, jaloersmakend fraai zelfs omdat ik er een ooievaar in herkende van lang geleden. Dat laatste verklaart waarom ik boven dit stukje achter de titel een 1 zet.

Wordt vervolgd.

07 mei 2021

Vader Willem en de druiven

Tien tot vijftien jaar terug werkte een groep dichters aan een bundel Schriftgedichten, dat waren gedichten rond de evangelielezing van een viering. Ik schreef er indertijd ook een stel. Dit gedicht werd door de redactie afgewezen. Dat ik van God een vader Willem maakte, was een brug te ver.
Zoveel werd mij toen wel duidelijk. De redacteuren kwamen niet uit het Westland en ze wisten ook niet hoezeer tuinders juist hun hart verpandden aan hun druiven en Vader Willem hebben ze nooit gekend. Ik wel. Hij was mijn vader niet en dat was hij ook niet voor de vele anderen die het over Vader Willem hadden als ze hem bedoelden. Dat had ook te maken met zijn zoon; die heette namelijk ook Willem, maar ook zonder deze zoon kon je hem met recht Vader Willem noemen. De naam kwam hem toe. Het is een gedicht bij Johannes 15: 1-8, de evangelielezing voor de vijfde zondag na Pasen.

Vader Willem en de druiven

Hij is graag in zijn druivenkas.
Soms loopt hij er alleen doorheen.
Dan zegt hij ja en even later ja.

Een andere keer snoeit hij het nieuwe hout
tot één oog van de stam terug. Zo gaat de kracht
niet naar het hout maar naar de druiven toe.

Bestuiven, zegt hij, als het zover is,
dat doet de lucht, maar ik help graag
een handje mee. Met een plumeau.

Zijn grote vingers krenten in het voorjaar
de tissen mooi en ruim en daarna komt er kleur.
Dan is het aan de zon en af en toe een koude nacht.

Later zijn daar die zware en bedauwde korrels
in het lichte groen en overal zie ik de handen
en het gezicht van Vader Willem in zijn druivenkas.

Bij Vader Willem verdiende ik ’s zomers wat bij in de tomaten. Zelf zat hij liever in de meloenen, maar vooral de druiven waren hem lief. In de druivenkas liet hij me ooit het paradijs zien.
Hij ging midden in een kas staan, boog zich voorover en keek tussen zijn benen door naar de druiven.
‘Zo zie je het mooiste landschap dat er is. En nu jij.’
Vader Willem had gelijk. Ik kwam van een druivenkas terecht in een heuvelland waarbij het licht door het groen opstraalde en met bomen die als dikke, volle druiventrossen omhoog staken. Hemel en aarde ruilden van plaats.

06 mei 2021

De mijmerende spaarpot

Half verscholen achter de televisie staat een blikken spaarpotje. Honderd jaar schat ik. Een verweerd gevalletje, ooit zwart gelakt en versierd met floraal aandoende geometrische figuren in rood, groen en zilverkleur, maar als je snel kijkt, zie je alleen een onooglijk bruin blikje. Het moet een kistje voorstellen, met op het deksel een hengseltje van dik ijzerdraad en een gleuf. Daar kunnen nog wel nikkelen knaken door maar een vijfguldenmunt is te dik. Er moet ooit een slotje zijn geweest.
Het blikje moet een verleden kennen met veel handen die er maar niet van af konden blijven, maar dat weten wij allemaal niet. Een kleine twintig jaar geleden is het hier in huis gekomen. Mente houdt van klein, van doosjes en van snuffelen, dus het kan niet anders of het is via haar in huis gekomen.
Navraag leert dat zij het voor één euro kocht op een miezerige braderie die weinig voorstelde, maar dat blikje vond ze leuk. Ze nam het mee en zette het op de plek waar het nu nog staat.
Na de overstap naar de euro kwam er uit een hoekje hier of daar nog wel eens een dubbeltje, kwartje, gulden of zo tevoorschijn en dat loos geworden geld verdween in het blikje. Meestal via de gleuf, alleen voor de vijfguldenstukken moest het blikje dus even open.

In 2012, nog voor haar eerste verjaardag ontdekte Liesje het blikje. Zij vond het leuk om het leeg te gooien en de muntjes daarna weer door het gleufje terug te duwen. Wat later deed Klaas hetzelfde. Twee jaar later ontdekte Lukas het blikje en nog steeds wordt het een paar keer per week geleegd en weer gevuld met muntjes, die een voor een via de gleuf hun plek weer innemen.
Het is blijkbaar leuk om dat te doen. Als kinderen drie jaar zijn, wordt het geld een belangrijk hulpmiddel bij het winkeltje spelen. Al met al vinden kinderen het bijna vijf jaar lang leuk om met het blikje en het geld te spelen.
Ook ik speel er wel mee. Omdat de kleinsten nog denken dat ik de vijfguldenmunten wél door de gleuf krijg of omdat ik als klant een belangrijke rol speel als er met het winkeltje gespeeld wordt. Bij het opruimen doe ik de muntjes via de gleuf terug. Bijna alle muntjes.

Tien jaar lang kreeg het blikje de tijd om zijn verleden te vergeten en stond het op het lage tafeltje bij de tv. Totdat Liesje het ontdekte.
Ik begrijp nu wel dat honderd jaar geleden al kinderen niet van het blikje konden afblijven. In de tien jaar tussen braderie en de komst van Liesje kreeg het blikje de tijd om te vergeten waarom het er zo gehavend uitzag, om te vergeten dat zijn bestaan een doel diende. Maar toen kwam alles weer terug: het open en weer dicht, opgepakt worden en neergezet, het gerammel van de munten die verdwijnen en via de gleuf weer terugkomen.
Andere munten waren het ooit, zo begon het blikje zich te herinneren, eerst met de afbeelding van de jonge en later de oude Wilhelmina. Toen Juliana. En nu is het al jaren en jaren allemaal Beatrix wat de klok slaat.
De spaarpot leeft. ’s Nachts als niemand kijkt, trekt hij soms tevreden zijn gleuf in een glimlach, maar voorzichtig en niet te lang, want anders kunnen straks ook de guldens er niet meer door.

05 mei 2021

Vlag

De vlag aan de overkant zit weer aan twee kanten vast zie ik. Gelukkig maar. Ik kijk even hoe het twee huizen verderop is, want toen ik een paar uur geleden langsliep, zag ik dat ook daar de vlag nog maar met één puntje aan de stok vastzat. Even geduld, dan kijk ik uit het raam.

Ja, ook weer in orde. Ik tel in de gauwigheid trouwens elf vlaggen in dit stukje van de straat. Dat doet me goed. Er wordt tegenwoordig meer gevlagd rond 4 en 5 mei. Ook op Koningsdag tel je volgens mij meer vlaggen, maar niet zoveel als nu. En ook dat is een bron van vreugde. Zelf heb ik dit jaar niet gevlagd op Koningsdag. Ik ben niet zo van het Oranjehuis, maar ik hang de vlag ook uit op Koningsdag als ik weet dat er kleinkinderen langskomen, want ik gun ze hun vreugde rond vrijmarkt en andere festiviteiten op de dag en ik wil ze niet lastig vallen met een eeuwenlange reeks van onbetrouwbare prinsen, vanaf Prins Maurits die Oldenbarnevelt liet onthoofden tot Prins Bernard die luidruchtig Zandvoort tot leven wekt.

Vorige week reed ik op Koningsdag tegen negenen de wijk uit en telde toen vier vlaggen. Maar bij Austerlitz en vooral bij Scherpenzeel werd huis aan huis gevlagd. Ik hoop maar dat dat daar vandaag ook zo is.

De vlaggen aan de overkant en twee huizen verder hangen er als gezegd weer keurig bij en dat betekent dat er goed op wordt gelet. Daar sta je niet bij stil maar achter iedere vlag leven een of meer mensen die daar in gedachten mee bezig zijn. Zit ie wel goed vast? Wordt de vlaggenstokhouder niet uit de gevel gerukt met al die wind?

Achter allerlei voordeuren staat bovendien twee dagen en soms ruim een week een trapje of krukje klaar en dan is er nog het gedoe om de vlag van rouw naar vreugde te verplaatsen en weer terug. Wat een gehannes vindt er allemaal plaats in gangen en op overlopen. Hoeveel plafonnieres, wandlampjes of spiegels sneuvelen er niet door een vlaggenstok? Allemaal omwille van onze vrijheid. Hoe vaak vraagt men zich af of die knoop het wel houden zal? Hoeveel mensen proberen ervoor te zorgen dat de vlag in ieder geval niet de grond raakt?

Het valt me op dat ik veel vlaggen zie hangen, maar ik heb niemand gezien die bezig was om ze uit te steken. Zelf verander ik de vlag van verdriet naar vreugde of omgekeerd het liefst in de voortuin, juist met het oog op neerdwarrelend glas van een lamp bijvoorbeeld. Maar dat zie ik om me heen niet gebeuren.

Nu ontgaat me veel. Zo hees ik vanmorgen ook de vlag bij de kerk. Toen ik daar naartoe liep, zag ik dat de mast in de tuin tegenover het kerkgebouw werd versierd door een enkel koord, maar toen ik vijf minuten later een vlaggende kerk achter me kon laten wapperde ook in die tuin het rood-wit-blauwe doek. Ik heb het niet zien gebeuren. Alsof er speciale vlagkaboutertjes zijn.
Zo is het niet. Achter elke vlag schuilen een of meer zorgzame mensen die in stilte en ongezien de vrijheid eren.

04 mei 2021

Scherrenberg

Langs de Brailledreef is van alles aan de hand. Aan de westkant is men al heel lang bezig om de rioolzuivering te updaten. Dat heeft tot gevolg dat het er nog meer stinkt dan in het verleden. Mijn dagelijkse tocht voert al heel lang langs dit gebied en ik word er altijd wat droevig wanneer de weeë geur me benevelt. Afhankelijk van de wind kan ik overigens bepalen of ik het terrein rechts via de Vechtdijk of links via de Brailledreef passeer. Dat is op de fiets. Wanneer ik er zoals vandaag met de auto langs moet, heb ik geen keuze en is de lucht onontkoombaar.

Aan de oostkant van de Brailledreef staan sinds enkele jaren een paar hoge flats en momenteel komt daar een nog veel groter complex naast te staan. Het ziet er prettig uit. Ik zou er, bij wijze van spreken, wel willen gaan wonen als daar niet die stank was geweest die onverbiddelijk in korte tijd een zwaarmoedig mens van me zou maken. Hier zal ik het verder niet over hebben.

Wel over de enorme betonblokken die op de weg staan. De Brailledreef is een vierbaansweg. Gewoonlijk voeren twee rijbanen je van zuid naar noord en twee zijn er als je met de auto juist van noord naar zuid wilt rijden. Vanwege al die ingrijpende bouwwerkzaamheden zijn de twee noord-zuidbanen al een jaar van elkaar gescheiden door stoere betonblokken van een zeventig cm hoog en breed. De dikte schat ik op twintig centimeter, maar dat geldt niet voor de voet van het blok; die is misschien wel veertig centimeter. Wat ik zeg: stoere blokken dus. En dat is maar goed ook, want de westelijke van die twee rijbanen is momenteel een fietspad en het moet daarom onmogelijk zijn voor een verdwaasde automobilist om op de fietsers daar in te rijden. Ik gebruik de weg als automobilist en als fietser en in beide gevallen voel ik me veilig. We mogen blij zijn met die keurig gerijde blokken. Toen ik vanmiddag in de auto op die ene zuidwaarts voerende rijbaan voor het stoplicht stond te wachten, bekeek ik de blokken met enig welgevallen. Ze dienden een goed doel, zagen er eenvoudig, maar vooral efficiënt uit. Goede vorm, geschikt materiaal. Ik meende zelfs van schoonheid te mogen spreken. Nu werken overpeinzingen snel en simultaan en stond het stoplicht tamelijk lang op rood, dus ik had ook tijd om tot me door te laten dringen dat op ieder blok in kloeke letters Scherrenberg stond. Dat is een aannemer die zich inlaat met bestrating, maar ook met wegen-, bruggen- en tunnelbouw. Mij kwam ineens een oud-leerling voor de geest, compleet met voor- en achternaam. Moniek Scherrenberg heette ze. Ik zal haar twintig jaar geleden in de klas hebben gehad. Ze had kastanjebruin haar dat asymmetrisch geknipt was, zoals dat toen vaker gebeurde. Ze wist zich eenvoudig maar treffend op te maken. Als ik haar op straat was tegengekomen en niet in havo 4 en 5, dan zou ik haar tien jaar ouder hebben geschat, maar ik zou bij het passeren wel even omgekeken hebben naar die struise meid.

Ik denk niet dat ze een dochter is van de naamgever van het bedrijf dat langs de Brailledreef die betonblokken plaats, maar het had gekund met die stevige naam, dat jong volwassen, verzorgde, fraaie en zelfbewuste voorkomen. Laat ik het zo zeggen: als het wel zo was geweest en als ik dan die meneer Scherrenberg was, wat zou ik trots geweest zijn. Op mijn bedrijf én op die dochter van me.

Toen sprong het licht op groen.

02 mei 2021

Antependium

Als antependist van de Utrechtse Tuindorpkerk kan ik je vertellen dat het daar helemaal in orde is. Vanmorgen nog zag ik het: aan de kansel hangt een wit antependium, zoals dat hoort in de tijd tussen Pasen en Pinksteren.
Het kan ook anders. In het kerkje van Westernieland zagen we vorige week dat het groene antependium werd gebruikt, terwijl het daar extra nauw luister. Omdat het om een klein kerkje gaat, ja, maar vooral omdat daar twee antependiums gebruikt worden. Een groot ligt als kleed over de avondmaalstafel ? het altaar van de protestantse eredienst ?, het andere hangt aan de voorzijde van de kansel. Niet aan de achterzijde, de naam zegt al genoeg: in goed Nederlands kun je beter spreken van voorhangsel, wat erop neerkomt dat ik dan de voorbehanger of de voorbehangselaar van de Tuindorpkerk zou heten.

De in Westernieland gemaakte fout zou me ondanks mijn functie en ondanks de nadrukkelijke aanwezigheid van de twee groene kleden niet zijn opgevallen als Mente me er niet op attent had gemaakt. En zij wist het dankzij een mededeling in het gastenboek die daar nog geen uur voor onze komst in was gezet, nota bene door mensen die we een half uur eerder in het kerkje van Saaxumhuizen hadden gesproken.

Het groene antependium wordt het meest gebruikt; het is de kleur van de meeste kerkelijke zon- en feestdagen. Je kunt het jezelf weliswaar heel ingewikkeld maken met die kerkelijke kleuren, maar de meeste kerken stellen zich tevreden met vier kleuren, waarvan groen dus het vaakst gebruikt wordt. Maar van Kerst tot Driekoningen en van Pasen tot (en niet tot en met!) Pinksteren zegeviert het wit. En dan moet je dus ook een wit antependium gebruiken. In de adventstijd en de zesenhalve week voor Pasen gebruik je paars. En bij Pinksteren heb je rood. Het basispakket kent ook nog een paar momenten die om een eigen kleur vragen. Bij een gedachtenisdienst of een uitvaart gebruik je paars, maar als er iets te vieren valt, bijvoorbeeld bij de bevestiging van iemand tot predikant of ouderling gebruik je rood. Ik ben erg voor het rode antependium, want dat is een vrolijk kleur en van alle vier de antependiums hangt het rode het langst in de kast. Ik vind dat sneu.
Ik geloof niet dat kerken het ambt van antependist erkennen en dat bevalt me wel, het past bij mijn bescheiden aard om die rol te vervullen en er in alle stilte voor te zorgen dat op de juiste momenten het antependium van de juiste kleur aan het spreekgestoelte hangt. Ik doe dit werk nu ruim twintig jaar en over opvolging heb ik nog niet nagedacht.
Wel vergat ik een enkele keer om de doeken op tijd te verwisselen. Op twee keer na is dat vervolgens onopgemerkt gebleven. Tenzij iemand mijn nalatigheid wel opmerkte maar er liever over zweeg. Dat kan. Overigens denk ik dat vrijwel niemand in onze kerk weet dat ik daar de antependist ben. Vrijwel niemand zei ik, maar er zijn er die het weten, want bij de wisseling van groen naar paars twee maanden geleden kreeg ik een appje van een diaken die me liet weten dat ze mijn nalatigheid nog op tijd had goedgemaakt. Dat was liefdevol. Anders was het acht jaar terug. Ik had net enkele maanden Nieuw-Zeeland achter me toen iemand me op hoge poten kwam vertellen dat ik het antependium had verwaarloosd. 'Tut,' heb ik gezegd. Dat was niet aardig; het past een antependist ook niet zoiets te zeggen. Ik heb het wel gedaan. Een antependist beleeft van alles, zoals je ziet.

01 mei 2021

Pyjama

Halverwege trof ik Joris. Heel lang woonde hij twee straten verder, nu zag ik hem na veertien kilometer fietsen bij zijn huidige woonstee met een schep in zijn hand, een spade. Hij was blij met een praatje. Dat brak de klus een beetje. Sinds een half jaar woont hij in de natuur, achter Tienhoven en hij is er zeer tevreden mee, maar zonder zweet en vieze handen gaat het niet.

Ik trof hem op het moment dat ik een beeld begon te krijgen van een stukje dat ik binnenkort moet schrijven. Mijn overpeinzingen werden abrupt onderbroken door deze ontmoeting. Nee, dat niet. Afgebroken werden ze, want ik kwam na ons afscheid niet terug bij mijn hoogverheven en bijzondere inzichten van even daarvoor.
Waar ik wél was met mijn gedachten weet ik ook niet. In ieder geval schrok ik van mezelf toen ik vrolijk en goed gearticuleerd een mij tegemoet rijdende fietser toeriep dat hij een mooie pyjama aan had. Ik stak daarbij ook mijn hand op. Dat zal hij niet gezien hebben een waarschijnlijk hoorde hij ook niet wat ik zei. Intussen was de man een luchtige en ontwapenende verschijning geweest in zijn pyjama, die geen pyjama was natuurlijk, maar hoe heette dat dan wel? Was dit een kaftan? Reikten die niet tot je enkels? Er was ook een woord dat op robe leek. Thobe, ja, dat was het. Maar had die man op de fiets een thobe aan? Hoe hadden we trouwens ooit kunnen wennen aan dat toch merkwaardige woord pyjama? Waarom was dat geen nachtpak gaan heten? Hoe was het toch mogelijk dat zoiets gewoons als een pyjama pyjama heette?

Kleertjes uit, pyjamaatje aan.
’t Is weer tijd om naar bed toe te gaan.
Kijk eens in het kippenhok:
alle kippetjes zijn al op stok.


Hoe ook kon in een oer-Hollands versje dat rare woord pyjama voorkomen? Toch bestaat het al bijna tweehonderd jaar in het Nederlands, want in 1837 wordt gezegd dat het een vrouwentabbaard is. Pas zeventig jaar later komt het voor als nachtpak voor mannen. Het woord kwam tot ons via het Engels, uit het Hindi, maar het vindt zijn oorsprong in het Perzische woord paydjama, dat beenbekleding betekent. En zo komen we toch weer in de buurt van de pyjama van de man op de fiets.

Al die etymologische wetenswaardigheden heb ik naderhand bij elkaar geharkt toen ik weer thuis was. Dat gebeurde niet op de fiets, dat begrijp je ook wel. Op de fiets was ik even later al weer met heel iets anders bezig. Nu ging het om een jonge vrouw die in de berm prachtige balletachtige bewegingen maakte. Ze droeg een strakke zwarte legging en een zwarte bh. Mooi was ze ook, zag ik. Zo hé, klonk het in mij. Maar ik zei niets.
Niet voor mij stond ze daar zo bevallig te wezen. Ook niet zozeer voor haar vriendin, maar wel voor het mobieltje waarmee die foto’s maakte van onze danseres. Ik bleef onopgemerkt.

Het beeld van de man in de kaftan was vervlogen. Het mooie meisje brandde na op mijn netvlies. Zo indringend dat ik vijftig meter verderop nog op mijn gemak kon kijken naar het zwarte vlindertje op haar linkerschouder. Dat was een beetje jammer, want ik hou niet van tattoos.

Ik kwam thuis met woorden die me niet bevielen: pyjama, thobe, legging, bh, tattoo. Kaftan daarentegen vind ik wel een mooi woord.