Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

Och heden

30 oktober 2020

Shell 2 T

 

In het Rijksmuseum is een tentoonstelling te zien met werk van Ed van der Elsken. Het gaat om foto’s rond het thema Feest die hij een jaar of zestig geleden bundelde voor een boek. Dat kwam er toen niet. Die schade wordt ingehaald door de expositie en de daarbij verschenen catalogus. Verschillende kranten besteden er aandacht aan en in tenminste drie gevallen wordt daarbij ook de foto afgedrukt van twee jongens van een jaar of dertien. Ze kijken lachend in de lens. Een jongen speelt voor vrolijke lachebek, al geeft zijn in verband gewikkelde hoofd daar op zich weinig aanleiding toe. De jongen heeft een flapoor. Misschien zelfs wel twee, maar dat is vanwege dat verband niet te zien. Maar het verband laat wel een behoorlijke bobbel zien waar je het linkeroor mag verwachten. Misschien heeft hij de stand van het ene oor laten corrigeren en is over twee weken het andere aan de beurt.

Mij houdt vooral het blik bezig boven het hoofd van de vrolijke jongen, die vanwege de foto ook nog zijn tong uitsteekt. Het gaat om een plat blik waarop te lezen staat dat er tweetaktolie in zit van Shell. Links in het beeld zie je de hand die dat blik ondersteboven vasthoudt, alsof het een hamer is waarmee de clown ieder ogenblik een flinke klap op zijn kop kan krijgen. De jongen rechts van de lachebek kijkt ook vrolijk, maar daar blijft het dan ook bij. Hij houdt zijn vriend vast. Het lijkt erop dat hij net als zijn vriend geen idee heeft van dat vervaarlijke olieblik.

Het is een intrigerende foto, die me een fietstocht lang heeft bezig gehouden. Ik mag dan een verklaring kunnen bedenken voor het verband, maar ik weet niet of die klopt. Het verband kan net zo goed gefaket zijn. Maar vooral dat blik olie blijft intrigeren. Bij een zorgvuldige enscenering had ik me nog een nephamer kunnen voorstellen, maar een blik tweetaktolie van Shell is iets anders, en dat dan met zo’n hand uit het niet.

Voor ik op de fiets stapte, kwam ik, in een tijdschrift, nog een pentekening tegen van Rembrandt. Daarop ontfermt een vrouw zich over een klein kind dat schrikt van een hond. Had Rembrandt een camera gehad, dan zou hij bij wijze van spreken een fotootje van het tafereel hebben genomen. De vrouw heeft ook nog een mand aan haar arm. Ik zie een appel. Blijkbaar komt ze net van de markt of zo. Ik kijk naar die appel en kom pas met die veronderstelling over dat marktbezoek als ik me voorstel dat Rembrandt in plaats van een appel ook een blik tweetaktolie had kunnen tekenen.

Nee, dat had hij niet. De tekening van Rembrandt mag zijn verwerkt in een toevallig tafereel dat hij zag, het resultaat is een bedachte compositie.
Bij Van der Elsken lijkt zich een ongeprogrammeerde, spontane werkelijkheid voor te doen. Die twee lachende jongens, met dat verband, zullen wel de aanleiding zijn geweest voor de foto. Dat blik olie is bijvangst. Op het moment dat de fotograaf klikt, doet de lachebek extra lollig door plots zijn tong uit te steken; een derde persoon wil ook grappig zijn en doet dat met wat hij toevallig bij de hand heeft: het blik olie dat hij voor zijn vader moest halen. Voor zijn brommer.

Bij een tekening vraag je je af of je iets wel of niet moet toevoegen; bij een foto of je iets ja dan nee moet weghalen.

 


29 oktober 2020

Wasrekje

We zagen gisteravond op de BBC het programma Repair Shop. Daarin leveren mensen allerlei spul af dat ze dierbaar is, maar het is ook kapot en daarom moet het gerepareerd worden. Mente moest bij het kijken denken aan het wasrekje uit haar kinderjaren.
Vooral in het noorden van het land kwam je die dingen tegen, maar dan in het groot, ik schat twee bij twee meter. Je zag ze in het verleden nogal eens bij een boerderij op het erf staan, of in het gras dat vaak tot aan de gevel liep. Een dubbel raamwerk was het, met dwarslatten. De standers stond schuin tegen elkaar. Ze waren wit geschilderd. De onderste dertig centimeter van de vier poten waren zwart. Het zou me niet verbazen als die onderkanten vroeger geteerd werden.
Mentes wasrekje was bedoeld voor poppenkleertjes en mat dertig bij veertig centimeter. Ik gebruik de verleden tijd; dat is niet terecht: ik heb het zojuist nagemeten. Bij haar rekje zijn de uiteinden van de dwarslatjes rood afgewerkt.
Mente was als kind een poppenmoeder; poppen hebben kleertjes; die moeten gewassen worden. Vandaar ook dat ze een klein machientje had (en nog heeft). Dat bracht haar overgrootvader - ik zeg óvergrootvader - op het idee om een wasrekje voor zijn Haagse achterkleindochtertje te maken. Zij logeerde vaak bij hem in het Groningse Winsum en had dan altijd een vrachtje poppen bij zich.

Vanmorgen kwam Mente de keuken in om het rekje schoon te maken. Ze had het van zolder gehaald. Het zag er nog goed uit. Terwijl ik haar zo bezig zag met spons en sop, verscheen er een oude man van 95 in de keuken. Zo oud moet Mentes overgrootvader in ieder geval geweest zijn toen hij zijn wasrekproject startte. Het aanrecht veranderde in een werkbank; de keuken werd een hoek in een grote schuur. De oude man scharrelde wat rond, trok hier en daar latjes van verschillende dikte tevoorschijn, mat met potlood en duimstok het een en ander uit en begon te zagen. Toen ging hij even weg. Plassen deed hij in de grup, koffie dronk hij in huis.

Na de koffie schaafde hij de hoeken van de balkjes die hij als staanders wilde gebruiken een beetje rond weg en hij spijkerde de scharniertjes vast die hij had gevonden in een kistje op een plank. Hij moest maar een kleine hamer gebruiken met die smalle latjes en kleine spijkers. Wacht, hij kon beter eerst wat inkepingen in de balkjes beitelen. Dat gaf meer stevigheid als de dwarslatjes daar gedeeltelijk in vielen. Hij had geen haast. Hij wilde het voor het middageten af hebben, zodat hij na zijn middagdut met het schilderen kon beginnen.

Met de zwarte poten van de staanders en de rode uiteinden van de dwarslatjes ging hij de volgende morgen pas aan de slag, toen de witte verf droog was. Hij vond het een leuk werkje. Het poppenmoedertje zou er vast heel blij mee zijn. O, bij nader inzien was het wel zo handig om een haakje te gebruiken om de staanders niet weg te laten glijden. Hij had nog wel iets, maar moest wel even zoeken.

De overgrootvader loste weer op, vanmorgen in de keuken. De werkbank werd weer een aanrecht.
Mente spoelt de spons uit.
‘Ziezo,’ zegt ze en ze hangt een vaatdoek over het wasrekje.

27 oktober 2020

Kastanjes

Er komt een zoete geur uit sommige kastanjes. Een paar weken geleden heb ik met Markus bij de Jordanlaan kastanjes geraapt en daar ben ik ’s middags, toen Lukas uit school was, druk mee in de weer geweest. Er moesten poppetjes gemaakt worden, honden, katten, spinnen, schildpadden. De kinderen gingen blij met een vracht geschenken naar huis om er daarna niet meer naar om te kijken.
Dat pleit voor ze, want al die kneuterige huisvlijt levert nu eenmaal weinig schoons op.

Een paar weken later ontdekten Lies en Klaas de schaal met kastanjes, want van wat we een tijdje terug raapten was nog niet de helft gebruikt. Zij wilden er meteen aan de slag. En zo zaten we even later aan tafel. Op sommige kastanjes zat een dun schimmellaagje, dat je met een doek meteen weg kreeg. Ook viel me op dat de bruine schil wat stugger was geworden.
Lies en Klaas liggen een paar jaar voor op hun neefjes, zij zijn al acht en zes, én ze herinnerden zich nog goed hoe dat ging, vroeger, toen ze nog jong waren, dat poppetjes maken. Toch werd ik binnen de kortste keren gebombardeerd tot enige echte gaatjesmaker. En ik moest met een tangetje de lucifers op lengte maken, maar ze bemoeiden zich wel met het ontwerp en zij staken de lucifer in de gaatjes.

Bij dat gaatjes prikken viel me die geur op. Die was nieuw voor me. Ook viel me op dat sommige kastanjes voorbij die stugge schil soms heel zacht en in andere gevallen juist heel hard waren. Als kastanjoloog maakte ik sprongen in mijn kennis.
Dat is wel wat laat, want op het gebied van kastanjepoppetjes heb ik een lange carrière achter de rug. Die begon bij de enorme boom tussen het huis van mijn vriendje Dirk en mij in. Toen kwamen de eerste poppetjes. Overigens hielden we van variatie. We fietsten soms zelfs naar Ockenburg voor eikels en beukennootjes en in plantsoenen plukten we rozenbottels.

Er moesten kinderen komen voor ik me weer bukte om kastanjes op te rapen. Zowel het kerkhof aan de Utrechtse Gansstraat als dat van Monster waren vruchtbare akkers. Thuis sloeg het grote fröbelen weer toe. Ook nu zijn de jaren weer vriendelijk voor me, maar hoe het over vijf jaar is… En komt er ooit weer een golf? Laat ik het zo zeggen: mijn moeder heb ik nog wel meegemaakt terwijl ze een boekje van Bruna aan haar achterkleinkinderen voorlas, maar voor het betere kastanjewerk moest je toen niet meer bij haar zijn. Mijn moeder fröbelde niet veel, al was zij het die liet zien dat rozenbottels een leuke kop met haar konden worden, of een pijpenkop. Sowieso was mijn moeder van de rozenbottels: daar maakte ze vieze jam van.

Maar goed, Lies en Klaas zijn naar huis. Ze hebben alle kunstwerken in een tasje meegenomen. De nog ongebruikte kastanjes heb ik er meteen maar bij gekieperd. Een weeïge, zoete geur? Hier in de kamer merk ik daar niets meer van. Hoe dat nu in Leidsche Rijn is, weet ik niet.

25 oktober 2020

Zondag

Iedereen deed braaf een gezichtsmaskertje voor en rommelde daarna wat met het pompje voor de handgel. Daarna waren er twee diakenen, elk achter een eigen tafel met schoteltjes waarop links minuscule bekertjes met sap en rechts met wijn, en een stukje matse. Je kon ook een klein servetje meenemen naar je plaats. Voor, achter of naast je, overal kon je je schoteltje kwijt en ook je jas, want het was niet de bedoeling dat je gebruik maakte van de garderobe. Op je plaats mocht je je masker af, maar de aanwezigen hadden elkaar toch al lang herkend. Dertig bezoekers en twaalf medewerkers, verspreid over een ruimte waar een paar honderd mensen kunnen zitten.

We waren in de ruimte verloren mensen geworden, kwetsbaar, klein. Thuis zat een klein veelvoud van de mensen in de kerk om de viering via de computer te volgen. De instructies voor brood en wijn waren ook voor thuis doorgegeven, samen met het verzoek om deze avondmaalsviering tegelijk met de mensen in de kerk te volgen. Ik hoopte maar dat ze dat zouden doen.

Er schoten me regels te binnen van Okke Jager:

Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens

Verraadt ons aller angst zich niet
in wie het leven weerloos liet?

De glasglans stemt de blazer mild.
De kaarsvlam vormt de hand tot schild.

De krokus wijst beton zijn grens.
Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens.

Over de aanwezigheid van God begon de voorganger zijn overweging met de woorden: ‘God is niet alomtegenwoordig.’ Dat zei hij een negentiende-eeuwse rabbi na; maar die voegde daar aan toe: ‘God is waar iemand hem zoekt.’ Een variant op ‘Ubi caritas et amor, Deus ibi est.’

We vierden het avondmaal, ieder in de schulp van zijn eigen plek. Daar werd God gezocht, op de plaatsen waar de mensen zaten. Daartussen, en overal waar de anderhalvemeterregel de gebiedende wijs was en dus niemand zat of stond, was ook God niet.

Iedereen stak tegelijk het stukje van de matse in zijn mond; je kon het horen. Van de wijn of het sap in de vingerhoedgrote bekertjes hoorde je niets.

Het was een viering met die verspreid voorkomende mensen die God zochten en die zich niet liet vinden waar geen mensen zaten.

24 oktober 2020

Bezorgdiensten

Er kwamen gistermiddag via de familieapp vanuit de dierentuin leuke opmerkingen over Tommy bij een tijger, maar een uurtje later - en dat kwam dan weer niet op de app, kreeg de oudste geen beweging meer in zijn toch al koppige knie. Pijnlijk was het ook.
Onderweg naar het ziekenhuis werden wij gebeld, want behalve een knie, was er gelukkig ook een vrouw en die ging mee naar het ziekenhuis, maar er waren ook drie kinderen die moesten eten en daarna naar bed.
En zo kwamen we bijna gelijktijdig aan bij het Antonius in Leidsche Rijn, daar hevelden we de kinderen over.

Er werd goed voor ons gezorgd: toen we bij het huis van de kinderen aankwamen verscheen ook de bezorgservice van de plaatselijk snackbar.
Vanochtend constateerde ik dat mijn printer nog steeds geen boe of bah meer zei. Waarschijnlijk lag het aan de adapter en dus moest ik in de stad maar eens gaan kijken naar een nieuwe; en dat voor een bijna twintig jaar oude printer.
Toen ging de telefoon. Het been van de oudste was nog even halsstarrig als de dag daarvoor, maar er zou vandaag een nieuw bed worden bezorgd voor zijn vrouw en hem. Dat leek ons geen combinatie: over de vloer kruipen met een been dat wel pijnlijk wilde zijn, maar niet wilde bewegen, en dan ook nog drie kinderen. Vier, er was een vriendinnetje gekomen.

Dus sloeg ik de printer over om na de lunch (voor je eten wordt altijd goed gezorgd bij de oudste), toen het bed net was bezorgd, aan de slag te gaan. Was het een Ikeabed? Nee, het was geen Ikeabed, maar er ontbraken wel 32 schroefjes, dikte 3 en een lengte van vijftien millimeter.
‘Die heb ik nog wel ergens, waarschijnlijk,’ zei de oudste.
‘Waar?’ vroeg ik vergeefs, want hij strompelde al op zijn net aangeschafte krukken naar het schuurtje.
‘Dat heeft geen zin,’ zei hij toen ik aanbood te zoeken. Of dat sloeg op zijn onnavolgbare wijze van opbergen of op wat de ervaring hem geleerd heeft over de speurzin van zijn vader, weet ik niet. Hij vond een heleboel schroeven die net niet goed waren en ook de buurman kwam met schroefjes die toch iets te lang waren. Nu waren die schroefjes bedoeld voor de puike laden die onder het bed geschoven zouden kunnen worden, dus dat kon in ieder geval in elkaar worden gezet. Eerlijk gezegd heb ik geen idee meer van het kort daarvoor afgevoerde bed, maar van dit bed heb ik een scherp beeld. Voor mij zouden die laden niet hoeven.

Daarna toch nog even naar de stad vanwege die printer, waar ik wilde weten hoeveel een adapter met een serieel snoer zou kosten. Ik vertelde om wat voor printer het ging.
‘Als ze nog leverbaar zijn, meneer, als ze nog leverbaar zijn.’
‘Dat was de vraag niet. Ik wil weten hoeveel zoiets kost.’
‘Als ze nog leverbaar zijn, meneer.’
‘Ja, maar stelt u zich eens voor dat zo’n adapter nog leverbaar is, hoeveel kost me die dan?’
Twintig euro, gokte hij, draaide zich om en liep weg. Een snelle raadpleging op mijn mobieltje leerde dat ze nog wel leverbaar zijn, maar 35 euro kosten. Die investering vond ik te riskant voor een printer die ik kocht toen dit millennium nog in de luiers zat. Ik heb nog even naar nieuwe printers gekeken.
Ik ga niet met een grote doos op de fiets. Daarom heb ik zojuist online een nieuwe besteld.
Bij een andere winkel: die verkoper had niet zo lomp mogen weglopen.

23 oktober 2020

Tausend kronen

Het biljet vertelt me dat de Oesterreich – Ungarische Bank mij onmiddellijk tausend Kroner uitbetaalt als ik dat wil, mits ik het biljet in kwestie kan overleggen. Daar staan ook een plaats en een datum bij: Wenen, 2 januari 1902. Het is een kloek biljet van 19 bij 13 centimeter en omdat ik er als tiener een hele stapel van terugvond in een oude hutkoffer, was dat genoeg om er mijn hele kamer mee te behangen. Dat heb ik ook gedaan. Daar kreeg ik vrij snel spijt van; het leek wel alsof er iemand meekeek die dat helemaal niet leuk vond, dus erg lang hebben ze er niet gehangen. De kleine stukjes plakband die ik gebruikte, lieten zich gelukkig makkelijk verwijderen. En zo vormden de biljetten weer de stapel die ze al tientallen jaren was geweest. Waar die nu is? Ik heb geen idee. Ik heb nog twee biljetten over van de enorme oogst.
De stapel kwam in de familie toen mijn opa in één keer alle koeien die hij had meegevoerd kon verkopen. In de nacht was hij met zijn koeien van Dinteloord naar Willemstad gelopen, waarbij een of twee van zijn jongens, jonge kinderen nog, hem hielpen. Vandaar ging het met de boot naar Rotterdam en daar gingen de beesten in een veewagon naar Hoek van Holland, waar opa zijn waar in één transactie helemaal kwijt raakte voor een flink pak geld.
In de trein terug naar huis kreeg hij te horen dat de waarde van de kroon desastreus gekelderd was.

In een boek dat mijn verre nicht over de familie schreef vind ik een kopietje van een bericht in een plaatselijke blad dat voor Aart Borgdorff uit Dinteloord faillissement is aangevraagd. Dat was in 1925, en het heeft ongetwijfeld te maken met de ongelukkige transactie die zoveel behangpapier opleverde.

Mijn vader heeft altijd trots willen zijn op zijn vader. Die was immers handelaar en gemeenteraadslid. Zijn ouders hadden zelfs in Zuid-Afrika gewoond en zijn opa had niet heel ver van Dinteloord vandaan zelfs een kerk en een school opgericht. Van die dingen. Maar zijn vader was er ook de reden van dat de kleine Rius (mijn vader dus) door andere jongens werd nageroepen met ‘baardaap, baardaap’, omdat de oude Aren, die dus geen Aart heette, een baard droeg. Daar kwam nu dat oneervolle faillissement nog bij. De geteisterde veehandelaar deed nog wel wat klusjes, maar financieel werd het gezin vooral afhankelijk van wat de kinderen inbrachten en zo zocht het gezin enkele jaren later zijn heil in het Westland. De plek waar de desastreuze bankbiljetten veertig jaar later nog even de muren van een tienerkamer zouden sieren, en dat op nog geen vijftig meter afstand van het graf van de man die ze ooit bij zich had gestoken. Hij zou ze bij wijze van spreken hebben kunnen zien hangen. Een pijnlijke gedachte.

Nu lees ik het boek van de verre nicht. Zij heeft het over Duitse marken, maar dat waren het dus niet. Ik zal haar verrassen en haar meteen even een scan sturen van de gewraakte biljetten. Daarom leg ik mijn twee exemplaren in de printer.
Die doet het niet.

‘Als ik nog eens petten ga verkopen, word iedereen zonder kop geboren.’ Dat zou volgens opa Aren gelden voor iedere Borgdorff. Mijn vader wilde daar niet van weten, maar hij heeft het me wel verteld en ik denk dat opa Aren gelijk had: ik ben zelfs niet in staat om een kopietje te maken van waardeloos geworden geld.

22 oktober 2020

Excuses

Wanneer zowel een koning als een minister-president publiekelijk excuses aanbieden voor een reis naar code geel, wanneer de protestantse kerken van datzelfde land in diezelfde week schuld belijden voor wat zij 75 jaar geleden hebben gedaan of juist hebben nagelaten toen joden werden vervolgd en weggevoerd, dan zijn dat grote dingen. Groter in ieder geval dan de orale winden die aan de andere kant van de grote plas een president omstandig laat. Ook daar is een lef voor nodig die mij ontbreekt.
Voor fiere grootheid moeten we weer even terug naar de plek waar een staatshoofd nog grotere woorden gebruikt om lucht te geven aan zijn verontwaardiging als er in zijn land een leraar is onthalsd. Of zijn dat woorden die groot moeten zijn omdat de angst en de schrik in zijn land zo groot zijn dat hij die met veel beslistheid van taal moest toedekken?
Ik zou dat ook wel willen. Groot schrijven over grote dingen. Zeggen: luister maar naar mij: ik weet hoe het zit en ik zal je zeggen wie de ware profeet is en wie de valse, wat waarheid is en hoe je de dwaalleer kunt ontmaskeren en ik zal jullie de weg wijzen. Maar het is me allemaal te groot.
Ik zit vandaag tussen de duploblokken, probeer vergeefs een autootje te repareren en een peuter te vinden die zich verstopt heeft achter een heg.

Ik bewonder scherpe pennen, gekoppeld aan kritische geesten van heldere koppen. Ook ik roep 'Leve de republiek' als het woord Griekenland valt, maar schrik ervan: alsof ik de doodstraf weer zou willen invoeren als iemand mijn fiets steelt, waarbij ik wel even kwijt moet dat ik aan beide fietsen zeer gehecht ben.
Ik lees wat een ander schrijft over een politicus die pas na vijf dagen zijn afschuw uitspreekt over de aanslag in Parijs en daarbij ? en let nu heel goed op! ? niet het rake woord islamist gebruikt maar het verdoezelend vage extremist om de dader aan te duiden.
Ik lees hoe een dichter de baggertent van vooringenomenheid openzet, eenvoudig door op Facebook een krantenartikel te plaatsen over kerken die wel meer dan dertig plaatsen aanbieden om de vieringen bij te wonen.
Ik bewonder de cabaretier die zich met het grootste gemak ontpopt tot onderzoeker, wetenschapper, tot expert op elke week weer een ander terrein en een mening verkondigt alsof het niets is.
Ik kan het allemaal afdoen met 'Zersägen, das kann jeder, aber ganzmachen, das ist schwer', maar dat is niet helemaal eerlijk. Eerlijker is het om gewoon toe te geven dat ik voor zoveel overtuiging, zoveel gemakkelijke lef en zoveel vermogen tot analyse te klein ben.

Maar ik zou het ook zo graag willen: schuld belijden, de grote waarheid verkondigen, de weg wijzen uit de duistere benauwenis naar het land van louter licht en roepen 'En nu is het afgelopen met die Covid-19, zijn jullie nou helemaal gek! En dat in Nagorno-Karabach moet ook afgelopen wezen. Nu!' Soms heb ik heel even het gevoel dat ik dat kan. Dan spring ik op om mijn pen wil pakken en struikel ik over een duploblok of over een beukennoot.

Het spijt me.

20 oktober 2020

Rijbewijs

Op mijn nieuwe rijbewijs draag ik geen bril. Zoals het een krasse kerel betaamt, zou je denken, maar dat komt door de fotograaf. Van hem moest ik mijn bril afzetten. Bij mijn paspoort, twee jaar geleden hoefde dat nog niet, misschien zijn de instructies veranderd, misschien ook komt het door de bril. Toen droeg ik nog een randloos geval, nu zijn mijn ogen ingeblikt.

Een paar jaar geleden kwam mij een pasfotootje van mijn opa onder ogen. Het zou me niet verbazen als hij daarop mijn leeftijd heeft. Hij zag er tenminste jonger uit dan de man die in mijn herinneringen rondspookt. Als het klopt wat ik zeg, dan betekent het dat opa’s fotootje rond mijn geboorte genomen is. Nogmaals hij zag er jonger uit dan de man die ik me herinner. Dat is een troost. Maar dat neemt niet weg dat hij er oud uit zag. Dat realiseerde ik me toen ik naar mijn eigen recente pasfotootje keek, waarvan nu een afdruk op mijn rijbewijs staat. In mijn mond staan weliswaar nog fier mijn eigen tanden overeind. Dat kon je bij opa niet zeggen. Bij hem stonden de tanden van de tandarts fier in roze plastic gevat op een kastje bij het bed. Hij had zijn gebit nooit in. Maar die ogen en de bescheiden maar desondanks wat slordige wenkbrauwen…
Voor zijn rijbewijs heeft opa geen pasfoto’s nodig gehad, want dat had hij niet. Ook niet voor een paspoort. Voor zover ik weet, is opa nooit in het buitenland geweest; veel verder dan Driebergen zal hij niet gekomen zijn, en daar had je ook in de jaren vijftig vanuit Loosduinen geen paspoort voor nodig.

Mijn nieuwe rijbewijs is nog zes jaar en acht maanden geldig, zie ik. Geen tien jaar. Het werd me bij het loket in het stadskantoor meegedeeld. Ik gedroeg me als een flinke vent en liet niets blijken van de schok die toen door me heen ging. Niet langer om de tien jaar een ander rijbewijs. De volgende keer is weliswaar pas over zeven jaar, maar daarna om de vijf. Het grote aftellen is begonnen. Ook hier, want dat was het al. Niet voor niets krijg ik een pensioen en AOW waarbij op basis van kansberekening is vast gesteld hoe lang ik nog te leven heb.

Bij het afhalen van mijn rijbewijs moest ik even mijn gezichtsmasker afdoen. Waarschijnlijk om te zien of ik mijn tanden niet op het nachtkastje had laten liggen. Ik had de neiging om mijn mond wijd open te sperren, te wijzen en dan te zeggen: allemaal echt. Dat deed ik natuurlijk niet. Ik ben niet gek. Ik zei ook geen aaaah, zoals bij de dokter. Wel vroeg ik of ik mijn oude rijbewijs, met een kloek ponsgat erin, dat wel, mee mocht nemen. Dat mocht niet.

Vijftig jaar rijbewijs, bijna dan, want in de loop der jaren is de uitgiftedatum van een vernieuwd rijvaardigheidsdiploma telkens iets naar voren geschoven. In werkelijkheid haalde ik mijn rijbewijs op 30 december 1970, bij lichte vorst en sneeuw op de straat. Dat rijexamen herinner ik me nog goed. Anderhalve week later vond ik mijn papiertje bij de post en stapte ik in mijn vaders auto. Dat was wel even schrikken, achter het stuur: dat ding was veel groter dan het kevertje waarin ik had gelest. Maar het ging goed. Pas twee maanden later zou ik een auto total loss rijden, met mijn vaders auto inderdaad. Maar dat is weer een heel ander verhaal.

19 oktober 2020

Thuis

We zijn weer thuis en het was geen telefoontje maar een mailtje dat zojuist binnen kwam:
‘Goedemorgen Len,
Goede week gehad op Ameland? Wat betreft komende zondag: […]’
Ik zal er eens naar kijken.

Voor we vertrokken, kwam eerst de eigenaar van het appartement nog even langs en later de eigenares. Bijna had ik gezegd: zijn vrouw, maar dat slikte ik nog op tijd in. Of het koperwieken waren die ik regelmatig in de tuin had gezien, kon hij niet vertellen, hij wist wel dat de vogeltjes die zich tegoed deden aan de zonnebloempitten koolmeesjes waren en dat er achter de dijk rosse grutto’s zaten.
Hij vertelde ook dat in dit deel van de boerderij vroeger zijn grootouders woonden, maar dat ’s winters de hele familie hierbij introk om hutje bij mutje wat warm te blijven. En hij maakte in dat kamertje - en daarbij wees hij iets rechts van ons - altijd zijn huiswerk. Later deed zijn zoon dat daar; die zat nu in de schuur te werken. Hij werkte in Arnhem en woonde in Zutphen, maar omdat hij vanwege Covid tot thuis werken was veroordeeld, was hij maar teruggekeerd naar zijn vrienden en zijn ‘man’s cave’ op Terschelling. Mede dankzij Covid konden we ook met de vrouw des huizes een praatje maken. Er was een studiedag voor de school waar zij werkte. Dat betekende dat ze met haar collega’s de hele dag op afstand zou moeten ‘teamen’. Daar werd ze zeer ongelukkig van; daarom hadden haar collega’s gezegd dat ze niet mee hoefde doen. Duidelijk een leeftijdsdingetje, maar dat zei ik maar niet.

Op de boot viel het niet moeilijk om te kiezen tussen koud of benauwd: we gingen buiten zitten kleumen; dat paste ook wel bij het slot van het tweede boek van Raynor Winn waarin zij en haar Moth en twee vrienden een variant op de overwintering op Nova Zembla bedenken door te gaan wandelen en kamperen op IJsland als de winter toeslaat.

In Harlingen wachtte ons warme thee bij onze zwager en schoonzus en thuis was de huiskamer erg groot. Dat maakte de thuiskomst feestelijk. Een vakantie vond ik als kind pas geslaagd als het huis zich bij thuiskomst onverwacht iets anders manifesteerde. Een aangename gewaarwording, die ging weer samen met het idee dat je dus lang en intensief genoeg weg was geweest om én terug te zien op een fijne vakantie én blij te zijn dat je weer thuis was.
Dat idee heeft me nooit helemaal verlaten. Dingen die mij bij thuiskomst aangenaam troffen waren het heldere licht in een kamer (bijvoorbeeld na een huisje of tent in de bossen), de hoogte en zachtheid van de vloer of de koelte van het huis.

Nu was dat dus de ruimte van het huis. Ik was er dik tevreden mee en dat was ik ook met de temperatuur. Vorige week zondag sprak ik de thermostaat toe en vertelde hem dat hij pas weer moest aanslaan op maandag 19 oktober om 15.00 uur. Dat heeft hij gedaan, want het was lekker warm in huis en omdat de kou van de boot uren lang in onze botten was blijven zitten, was dat extra prettig.
Prettig was ook dat de borden bijzonder koud aanvoelden toen ik die uit een keukenla plukte. Dat bewees maar weer dat de verwarming zich inderdaad keurig aan de afspraak had gehouden en pas vanmiddag was aangeslagen. Ik heb er wel twee eerst 30 seconden in de magnetron en daarna pas op tafel gezet.
We zijn weer terug. In het huisje op Terschelling zitten andere mensen op de bank.

18 oktober 2020

Heen en weer

Of Terschelling en ik elkaar wat beter hebben leren kennen de afgelopen week? Er was Terschelling sowieso niets aan mij gelegen; zelf weet ik het nog niet zo goed. Wel vind ik het jammer om morgen hiervandaan te moeten, terug naar verplichtingen waar ik best wat langer van verschoond had willen blijven. ‘Zo, een weekje weg geweest, dus. Ameland toch? O, Terschelling? Leuk gehad? Mooi! Maar waar ik je voor bel…’
Zover is het nu nog niet: we zitten nog op Terschelling en ik kom net terug van een gemankeerde wandeling; nog niet halverwege ben ik omgekeerd, omdat het me niet handig leek om in het donker mijn weg door bos en duin te zoeken. Dat speet me, ik was liever doorgelopen. Vandaag fietste ik weer naar de eendenkooi bij Hoorn, nu met Mente. Wat we zien van Terschelling zijn wat fragmenten en die zien we dan allemaal in de tweede of derde week in oktober en dat betekent dat in de tuin van de boerderij waar we bivakkeren de dahlia’s in volle bloei staan, alsof dat altijd zo is, en dat de koolmeesjes zich hier het hele jaar door te goed doen aan de pitten van de enorme rij uitgebloeide zonnebloemen. Willekeurige plekken, allemaal gezien in een en dezelfde week van hetzelfde jaar. Kennst du das Land wo die Dahlien blühen?
Ik heb een tijdje stilgestaan bij het bosje om een goudhaantje te fotograferen. Dat is niet de meest Terschellingse vogel, maar hij is wel leuk en klein. En te beweeglijk om een fatsoenlijke foto te krijgen. Zo heb ik de hele week op dit eiland zo’n beetje ervaren. Het vogeltje zat in een struik die wordt geruimd om ruim baan te maken voor de rugstreeppad die veel Terschellingser is.

Ik moest deze week een paar keer aan Johan Snijders denken, ooit mijn baas op school. Hij had, toen hij nog onderbaas was, een foto in zijn kamer hangen van een naambordje. In hout uitgesneden, inderdaad, nogal padvinderachtig, las je: Snijderspad.
Later, toen hij wel baas was en ik onderbaas, kampeerde ons gezin drie weken op Terschelling, niet ver van het Snijderspad, een uitkijkpunt bij Hee. Ik herkende de naam en zag ook dat het naambordje vervangen was door een professioneler, maar veel saaier bordje. Ik maakte er toen een foto van en gaf hem daarvan naderhand een afdruk . Die heeft nooit in zijn kamer gehangen: zijn naam stond immers ook al op de deur.

Nu zag ik er een plaat staal waarin behalve de naam en het logo van Staatsbosbeheer ook de naam Snijderspad is uitgespaard. Ik heb het gezien, maar heb het bord niet gefotografeerd; ik ben zelfs niet afgestapt. Het had geen zin: Johan is enkele jaren geleden overleden. Was dat niet zo, dan had ik hem waarschijnlijk een appje gestuurd.
Alweer eentje, zou hij waarschijnlijk gedacht hebben.

Maar ik had het wel moeten doen. Ik had wel moeten afstappen, had die foto wel moeten maken. Waarom was ik te beroerd om even de duintop van het Snijderspad te beklimmen, trouwens? Morgen hebben we daar geen tijd meer voor.
En dan, ik wil die eendenkooi bij Hoorn ook wel eens in het voorjaar zien. En die dahlia’s en die uitgebloeide zonnebloemen ook. Om maar iets te noemen. En ik moet die wandeling nog afmaken. Ik heb trouwens nergens een rugstreeppad gezien! En waarom heb ik niet gezwommen? En opnieuw liep ik niet eindeloos door voorbij paal 19. Watje.
Er valt op Terschelling nog veel onvolkomenheid op onvolkomenheid, tekort op te kort, fragment op fragment en toedoe op toedoe te stapelen. We moeten terug.

17 oktober 2020

Kooiker

Of ik dat echt zou willen, vroeg Mente, nog eens teruggaan naar de slaapkamer uit mijn kindertijd om daar uit het raam te kijken. Zijzelf had er helemaal geen behoefte aan om nog eens een bezoek te brengen aan het huis waar ze als kind woonde, aan het Haagse Chrysantplein. Aanleiding voor vraag en opmerking was het stukje van gisteren. Uitzicht op een klein sprookjeshuis had mij nieuwsgierig gemaakt. Dat resulteerde in een bezoek aan de plek waar dat huisje stond en daardoor moest ik denken aan het uitzicht van mijn slaapkamer ooit en aan een droomhuis uit mijn jeugd. Graag zou ik nog eens uit dat raam kijken, vertrouwde ik de mensheid gisteren toe.
Nu gaf die lang verleden slaapkamer mij uitzicht over bijna het hele Westland. De vuurtoren van Hoek van Holland heb ik al vaker gememoreerd, de kerken van Naaldwijk kon ik in mijn fantasie bijna aanraken, ook de Nieuwe Kerk van Delft kon ik regelmatig zien en als ik maar ver genoeg uit het raam zou hangen, had ik ook de kerk van Poeldijk gezien. Natuurlijk wil ik dat uitzicht nog wel eens meemaken. Al was het maar omdat ik eigenlijk niet goed meer weet of ik de Bartholomeus van Poeldijk nu wel of niet kon zien.
Wat dat droomhuis betreft: daarvan waren er drie en alle drie zag ik ze bijna dagelijks; alleen voor dit huis moest ik bij het slaapkamerraam zijn.

Ik zou het daar gisteren niet over gehad hebben, als ik had geweten wat voor huisje het is dat zo mijn aandacht trekt als ik in Lies uitkijk over de polders. Nu weet ik dat wel. Het huisje staat bij de eendenkooi van Formerum en het wordt verhuurd als recreatiewoning. De andere zes eendenkooien op Terschelling zijn veel beter bewaard gebleven, werd me nadrukkelijk verteld door iemand die me vervolgens naar Hoorn stuurde omdat je daar een gaaf gerenoveerde kooi hebt, waar je nog kunt rondlopen ook. Ik zou mezelf een groot plezier doen door in het voorjaar terug te komen. Dan zou mijn informant me er graag persoonlijk rondleiden.

Als blikvanger wint de kooi van Formerum het, maar wat een oase is die van Hoorn. Bomen en struiken met bijbehorende vogeltjes en in fraaie najaarskleuren verbergen een grote rechthoekige plas met daarin als extra attractie twee eenden waarvan mijn mobieltje suggereert dat het toppers zijn.
De kooi bij Hoorn heeft net zo’n huisje als die bij Formerum, even sprookjesachtig, maar meer dan een plek om te schuilen en je boterham te eten is het niet. Het is een ideale plek.

Zeelui voeren vroeger tot hun 55ste; daarna bleven ze aan wal en werden ze vaak kooiker.
Voor dat varen ben ik gelukkig te oud, maar dat kooiker zijn lijkt me wel wat. Beetje rommelen met al te enthousiast groeiende bomen en struiken en met de takken daarvan de vanggaten van de plas bijhouden. Op je gemak een pijp stoppen, want dat zou ik als kooiker onmiddellijk weer gaan doen, en dan regelmatig de koffie nog eens opwarmen en in een kroes gieten en dan ouwehoeren met een andere kooiker. Op eenden letten hoefde niet meer. Eendenkooien zijn immers cultuurgoed en cultuurgoed staat voor wat niet langer echt is; er worden helemaal geen eenden meer gevangen. Wat die pijp betreft: die zou ik alleen maar stoppen, als een vorm van cultuurbehoud, niet meer aansteken natuurlijk. Roken? Dat doen we niet; dat is zo premillenniaal.
Plotseling vind ik dat wel een beetje jammer, even. Minder moeite heb ik met die opgewarmde koffie die ik stiekem in de bosjes zou gooien.

16 oktober 2020

Keuken met uitzicht

Het appartement combineert keuken, huis- en eetkamer op een oppervlakte van vier bij drieënhalf en toen ik me uitrekte vanmorgen sloeg ik met mijn handen tegen het plafond. Daar staat een weids uitzicht tegenover. Ooit droomde Mente van een keuken met uitzicht. Het bleef bij een droom, behalve deze week dus.
Boven het aanrecht nodigen ramen je uit om de polder in te kijken, een verademing die kan duren van ochtendrood tot avondrood. ‘s Morgens, als ik de gordijntjes open doe betrap ik vlak onder het raam de vogels die ik koperwieken noem, al ben ik niet overtuigd van mijn eigen determinatie. De dag door – maar een groot gedeelte daarvan tref je ons aan op onze fietsen of in onze wandelschoenen – speelt nu eens het zonlicht en dan weer de wind zijn mogelijkheden uit op de lucht en het gras en steeds is er prettig samenspel van lijnen (slootjes, hekjes, weggetjes).

In de verte wordt al dat groen van de polder onderbroken door een ruime boompartij met een huisje. Het oog vertelt ons dat het vlak voor de waddendijk ligt, maar niet of het wel echt een huisje is. Vanmiddag zijn we er naartoe gefietst. Dat viel nog niet mee, want ook in dat opzicht had het oog ons bedrogen. Het ligt halverwege de boerderij waarvan we een stukje huren en de de dijk. Dat is één; twee is dat de diagonale lijnen van de percelen en hun begrenzing ons parten speelden bij de oriëntatie, maar we zijn er gekomen. Het is een bijzondere plek. De laatste tweehonderd meter moesten we door een weiland lopen voordat we werden begroet door een hond die vooral enthousiast was. We hebben om het bosschage heengelopen, op gepaste afstand, want het lijkt me verschrikkelijk voor een bewoner om dagelijks weer een stel nieuwsgierige toeristen op je erf te zien. Behoefte aan bezoek zal vast niet de reden zijn waarom iemand ervoor kiest om op zo’n plek te verblijven. Die iemand is trouwens een man en het huisje, want dat is het, is zo klein dat het niet voor de hand ligt dat er ook nog een vrouw of een andere man woont: vergeet niet dat er in ieder geval een kloeke hond is en die vraagt ook ruimte.

Als kind was ik geïntrigeerd door een huis dat ik vanuit mijn slaapkamerraam kon zien. Het stond ruim 500 meter verderop. Het was omsloten door het glas dat het Westland zo groot en lelijk heeft gemaakt. Het heeft dan ook lang geduurd voor ik het huis vond. Het was mijn sprookjeshuis. Dat er kinderen woonden was me wel duidelijk, want een enkele keer zag ik een vlieger bij het huis. Ook begreep ik dat ik de mensen die er woonden zou herkennen als ik ze zag. Ook zij woonden immers net als wij net buiten Monster.
Toen ik rond mijn tiende het juiste pad eindelijk had gevonden, bleek dat ook te kloppen: er liep een meisje bij het huis dat me gedag zei. Ze vond het blijkbaar niet vreemd me daar te zien.
Vooral de onbereikbaarheid van dat huis is me bijgebleven.

Dat was toen en vandaag is vandaag, vrijdag, kwart voor zes in de avond om precies te zijn. Ik kijk weer naar het huisje in de verte, tussen de bomen. Het ligt er in het aangename avondlicht weer even sprookjesachtig en onbereikbaar bij als vanochtend, toen we er nog niet geweest waren.

Ik zou dolgraag weer eens uit het slaapkamerraam kijken om naar dat sprookjeshuis bij Monster te kijken, dat onbereikbare eiland in een zee van glas.

15 oktober 2020

Kaasschaaf

Als we ergens een huisje of appartement huren, nemen we regelmatig onze eigen kaasschaaf mee. Dat hebben we deze keer niet gedaan, want het is ook een beetje raar. Wél ging het stuk kaas mee dat nog in de koelkast lag. Dat was wel zo praktisch.
Juist dat stuk kaas maakte me eergisteren duidelijk hoe fijn het is om een goeie kaasschaaf bij je te hebben.
De meeste huishoudens kennen een kaasschaaf waarbij ik me afvraag hoe de mensen die daarvan dagelijks gebruik maken gelukkig kunnen zijn. Wij gingen ooit ons huwelijk in met een kaasschaaf uit Noorwegen, eentje met een tinnen handvat met Noorse motieven.
Van meet af aan droeg ze bij aan ons geluk. We hoefden maar even elders te ontbijten om te weten wat anderen met kaasschaven aan ellende hebben uit te staan. Je moet veel kracht zetten om door de sleuf in het blad van de schaaf een ordentelijke plak kaas tevoorschijn te laten komen. Dat had, en heeft nog steeds, te maken met de wijze waarop die sleuf in het blad is aangebracht. Meestal is dat een rechttoe rechtaan getrokken sleuf waarvan de randen strak en uiteraard evenwijdig van elkaar lopen. Er is ook een variant waarbij de sleuf niet recht is maar een flauwe s-vorm aanneemt, al zie je die amper meer. Onze Noorse schaaf had ook een rechte gleuf. Het verschil was dat de randen ervan niet strak waren maar ribbelden. Zoiets levert gezellige plakjes op waarbij die een vriendelijke associatie met de ribbels op het strand oproepen. Dat is mooi meegenomen, maar veel belangrijker is het gemak waarmee zo’n plakje zich tevoorschijn laat snijden met zo’n schaaf, zo’n Noorse schaaf dus.
De schaaf met het tinnen handvat ging twintig, dertig jaar mee; toen brak het blad af. Toen ook schaften wij maandelijks en soms meer dan maandelijks een nieuwe kaasschaaf aan. We probeerden traditionele gevallen, maar ik herinner me ook een geavanceerd geval met een strak gespannen draad en een rollend cilindertje. Dat ding gaf dikkere plakken; vervelender was dat het snaartje vrij snel brak.

De Noorse kaasschaaf kwam in ons leven door onze Noorse schoonzus. Nu was die niet meer onze schoonzus toen de kaasschaaf brak, maar de relatie was dusdanig dat we haar wel konden vragen om bij gelegenheid weer een kaasschaaf uit Noorwegen voor ons mee te nemen.
Dat is gebeurd en intussen doet de nieuwe Noor, nu met een eenvoudig grenenhouten handvat, ook al meer dan twintig jaar zijn werk uitstekend.

Ik kan je Terschelling aanbevelen, of de Achterhoek, of Thüringen of Bretagne, maar als het om kaasschaven gaat, moet je echt naar Noorwegen.

Het stuk dat we uit Utrecht meebrachten, droeg dinsdagochtend nog de charmante sporen van de ons zo vertrouwde schaaf en de schaaf die we in Lies aantroffen, leverde bij het ontbijt met het grootste gemak, twee, drie ordentelijke plakken. De vierde ging al moeilijker. De kaas begon te golven. Daardoor leek de schaaf af en toe over de kaas uit te glijden. Kijk, dat gebeurt je niet met een Noorse schaaf.

De meegebrachte kaas is intussen op en de Terschellinger kaas die we gekocht hebben, smaakt minstens zo lekker. Ook bij dit nieuwe stuk werden de eerste plakken moeiteloos afgeleverd, maar daarna begon het moeizame trekken en het onbeheerste golven van de kaas.
We genieten van Terschelling. Voor een volgend uitje noteer ik alvast: kaasschaaf.
En eigen koffiefilter. Maar dat is weer een ander verhaal.

14 oktober 2020

Verrassing

Gisteren genoten we in West in een horecagelegenheid van een lunch. Dat zou voorlopig het laatste bezoekje aan een restaurant zijn.

Tijdens die memorabele lunch draaide de wind. We waren door bos en duin van Lies naar West gefietst in de veronderstelling dat we straks, op de terugweg, riant langs de Waddendijk terug konden zeilen. Zo ging het niet, maar we hebben er ook niet onder geleden.
Een paar uur daarvoor kwam die wind nog onmiskenbaar uit het zuidwesten. Dat merkte ik toen ik aangekleed en wel bij het aanrecht stond om thee te zetten. In het groen dat direct achter het raam boven het aanrecht begint, zat een zwarte vogel met een kuif. Vooruit: kuifje, maar wel onmiskenbaar. Kortom een vogel om even op te zoeken.
Toen hij zich omdraaide blies de al genoemde zuidwestenwind het kuifje weg en bleek de vogel een merel te zijn.
Vanmorgen schoof ik de gordijnen open en het blad van de wilg in de verte wilde overduidelijk naar het zuidwesten toe. In het gras zaten tien, vijftien vogels waarvan ik nu zeker wist dat het geen merels waren, al waren deze even groot. Ze waren bruin, hadden een duidelijke tekening en bij de borst waren zij rood.
Kramsvogels! dacht ik. Foto! dacht ik vrijwel gelijktijdig. Op de camera zat niet de goeie lens, maar als het om vogels gaat, moet je eerst klikken en dan pas denken.
De ruiten hebben dubbel glas en dat kan een fotograaf parten spelen, maar voor de vogels in het gras vormde dat glas geen enkele belemmering. Hoorde ze het klikken van het fototoestel, zagen ze mijn bewegingen? Ik weet het niet, maar de een na de ander vloog weg en mij bleef niets anders over dan de thee op te schenken en te kijken of het inderdaad kramsvogels waren die ik had gezien.
Het waren koperwieken. Bij de omschrijving op de wadvogelapp, lees ik dat je een grote kans hebt ze aan te treffen. Ook lees ik dat het een wintergast is en omdat we nog maar in oktober leven, maakt dat de trefkans iets kleiner en dus het geluk van deze ontmoeting een tikkeltje groter.

Ik ben er wel blij mee, met die koperwieken. Mentes grootmoeder bracht haar laatste jaren door in de Koperwiek, een verzorgingstehuis in Bilthoven, dat zijn naam niet ontleende aan het besef dat wij allen ten diepste trekgasten zijn, maar aan het feit dat het complex aan de Koperwieklaan lag, zoals je aan de overkant de Bosuillaan had. Regelmatig, als we er voor een bezoekje aan oma naar binnen liepen, vroeg ik me af hoe een koperwiek er uit zag. Die vraag was ik al kwijt voor ik een voet op de eerste traptree had gezet, dus aan een antwoord kwam ik nooit toe. Nu dus wel. Ik denk dat oma er de hand in had.

In de zomer van 1997 kampeerden we op Terschelling. Op een ochtend hing er een briefje bij het kantoortje van de camping met een mededeling voor ons. We moesten oma bellen. Nu hadden we er toen nog drie, dus we begonnen met de verkeerde, maar nummer twee was raak. We waren gebeld vanuit de Koperwiek. Er was niets aan de hand met oma, toen 94, maar ze had besloten om een flink bedrag aan ons over te maken. Daarom wilde ze een banknummer en ze wilde er wel even voor bedankt worden, zo was oma.

Op het strand hebben we naderhand met de kinderen iets gedronken met gebak erbij.
Nu weet ik hoe koperwieken er uit zien en ik denk aan oma.

13 oktober 2020

Terschelling

Vroeg ik me ooit af wat Terschelling betekent en waarom het zo heet? Nee, dat vroeg ik me nooit af en dat verbaast me. Anders dan Schiermonnikoog kent Terschelling een lange politieke en economische geschiedenis en Schiermonnikoog mag zich dan wel verheugen in een veel toeristische en een klein beetje culturele belangstelling, Terschelling verslaat op dat gebied zijn duizenden. Maar nogmaals, waarom het zo heet, heb ik me nooit afgevraagd. Dat geldt ook voor de namen van de drie andere Waddeneilanden, al zal Vlieland geen verrassing opleveren en Ameland waarschijnlijk ook niet. Maar dat zoek ik straks uit, na dit stukje, niet nu.
Terschelling betekent aan of bij de schelling en de oorspronkelijke betekenis van schelling is scheiding of grens. Dat komt mooi uit, want hier houdt Friesland en in vroeger tijden Holland echt op.

Dat van Schiermonnikoog leerde ik van meester Rijper. Nou ja, hij was de eerste die ik het heb horen vertellen, maar niemand viel mij dus lastig met de herkomst van het woord Terschelling. Overigens heette dat oorspronkelijk Wicsele. Duizend jaar of langer geleden groeiden er een eiland en een zandplaat aan elkaar. Het eiland heette Wicsele en de zandplaat Schelling.

Dat vind ik allemaal op internet, maar dat ik begon na te denken over de naam heeft te maken met een boek dat ik aantrof in een appartement in Lies, dat is een dorpje op Terschelling en het appartement maakt deel uit van een boerderij. In dat boek lees ik hoe op 19 augustus 1666 de Engelsen een enorme Hollandse vloot in de brand staken. Dat gebeurde tussen Vlieland en Terschelling, in de 17de eeuw een belangrijke doorgang voor koopvaardijschepen; Harlingen, Vlieland en Terschelling speelden bij de handel met de Oostzee een belangrijke rol.
De dag daarop, op 20 augustus dus van dat omineuze jaar, staken de Engelsen in West een aantal huizen in brand, in het volle vertrouwen dat de wind hun werk af zou maken. Dat vertrouwen werd niet beschaamd: exacte getallen ontbreken maar het zullen bijna 200 huizen zijn geweest die in de as werden gelegd. Veel mensen verloren daarbij het leven. In het boek over die droefstemmende rampen kwam ik de naam Schelling een enkele keer tegen in een andere combinatie dan het vertrouwde voorzetsel en toen pas dacht ik: hé… Zo is dat gekomen.
In West zelf troffen wij vandaag niets dat herinnerde aan de desastreuze slag en de verschrikkelijke brand de dag daarop, al moet ik zeggen dat we het museum daar niet binnen zijn gelopen. Dat komt er misschien nog van.

We zitten in Lies. Waarom dit dorp zo heet, weet ik ook al niet, maar wel kan ik je vertellen dat de naam een bijzondere betekenis moet hebben voor de jongen die met zijn moeder langs het plaatsnaambord fietste. Nee, die met zijn moeder afstapte bij dat bord. De jongen zette zijn fiets onder het bord en probeerde dat via die fiets te beklimmen, terwijl zijn moeder er met haar mobieltje foto’s van maakte. Het lukte niet, dat klimmen. Daarom zei de moeder dat de jongen maar onder het bord moest gaan staan en dat deed hij.
Wat een teleurstelling voor hem dat hij niet als een ridder te paard op Lies zat, maar een beetje lullig onder dat bord moest staan. Zo ging hij op de foto.
Voor de moeder en haar zoon was zonder meer duidelijk wie of wat Lies was.
Ik weet nog steeds niet waarom het hier zo heet.
Aangenaam is het er wel.

11 oktober 2020

Bietjes

Niet alleen de spruitjes die we straks eten hebben een bijna sacrale betekenis gekregen, ook bietjes hebben dat. Bietjes of krootjes. Dat alleen al maakt deze rode knollen zo bijzonder, in geraspte staat, maar ook als dunne plakjes kan ik ze aanbevelen. Willlem hoorde bij De Soos, dat is de inner circle van gezinnen in mijn kinderjaren waarbij de ouders met elkaar bevriend waren maar ook de kinderen vriendjes of vriendinnen waren van elkaar. Willem trok veel op met mijn grote broer en daarom zat ook hij regelmatig bij ons aan tafel. Ook die keer dat we kroten aten en die lustte hij niet. Mijn vader barstte in lachen uit. Dit waren helemaal geen kroten, zag Willem dat dan niet? Nou ja, ze leken er inderdaad wel een beetje op, maar ze smaakten heel anders. Hier ging het namelijk niet om kroten, dit waren bietjes. Willem hoefde ze niet te eten, maar hij moest het wel even proberen, al was het maar om te merken dat ze inderdaad heel anders smaakten dan kroten.
En zo was het ook. Willem at ze met smaak, ook toen hem duidelijk werd dat hij beduveld was.
Ik kende mijn vader en was dus een van de ingewijden, maar juist daarom ervoer ik het als een wonder. Het wonder van de transsubstantiatie. We lachten er allemaal wel om, ook Willem en ook ik, maar hier was toch iets gebeurd waarvan de smaakpapillen leken te getuigen. Het was het raadsel, de al dan niet magische kracht, van de taal.
Aan krootjes dan wel bietjes is het wonder blijven kleven. Doorgaans veer ik niet enthousiast op als er bietjes op het menu staan, maar eenmaal aan tafel vind ik ze altijd weer lekkerder dan ik me had voorgesteld. Bietjes vallen altijd mee. Het zijn troostrijke knollen.

Ze zijn ook onlosmakelijk verbonden met een donderdagavond in november, helemaal aan het begin van de jaren tachtig. Na de spruitjes, terwijl ik met een onwillige brugklasleerling aan de telefoon zat, schoot Mente voorover en kroop over de vloer: de weeën waren begonnen.
Niet veel later sjeesden we in ons rode autootje naar het ziekenhuis waarbij Mente tijdens een wee de bietjes langs dezelfde weg weer kwijtraakte waarlangs ze naar binnen waren gekomen. Ze bleken de wegbereider van ander rood waarmee, via een heel andere kanaal, onze oudste geboren werd.
Het lijkt me niet verstandig om dit als een metafoor te zien, dat zou te ver gezocht en misschien ook wat onsmakelijk zijn. Dat laatste zou ik juist jammer vinden, ik heb liever dat ook hier het wonder het laatste woord heeft, in dit geval van de geboorte.

Bij de bietjes hoort overigens wat mij betreft altijd gefruite ui en wat schijfjes appel doen het ook heel goed.

10 oktober 2020

Spruitjes

Mijn moeder zou vandaag 102 geworden zijn. Het valt me niet moeilijk om een herinnering aan haar op te diepen; ze is lang genoeg bij ons geweest om veel herinneringen na te laten. Toch verschuif ik de aandacht naar haar jongere zus Jo. Dat komt door de spruitjes op het aanrecht, een vooruitwijzing naar de zondag. Die dag is in de beleving van Mente in ieder geval erg gevoelig voor spruitjes en misschien smaken ze dan ook wel het lekkerst. Dat vinden wij namelijk alle twee van spruitjes, dat ze lekker smaken. Graag met een kerriesausje. Champignons en kastanjes doen het er ook lekker bij, maar de spruitjes zijn al genoeg om er de zondag feestelijk me af te ronden.
De vorige keer dat we spruitjes aten, een paar zondagen geleden, zei Mente dat ze bij spruitjes altijd aan Jo moest denken. Tante Jo was ooit de buurvrouw van een groenteboer die zijn zaak dichtbij de Delftse Prinsenhof had. Heel lang geleden, misschien al wel vijftig jaar terug, kwam het ervan dat Jo de groenteboer hielp door spruitjes voor hem schoon te maken. Dat is inderdaad een werkje en blijkbaar zijn er mensen die dat schoonmaken liever overslaan en er daarom geld voor over hebben als een ander dat voor ze wil doen.
In deze verstrekkende service had Jo dus de hand en ze bleef dat doen tot het laatst van haar leven. Daarvan getuigden ook de vlijmscherpe mesjes die ze in de keukenla had liggen en waaraan ik me nog niet zo lang geleden flink sneed toen ik met een van die mesjes een pak koffie open maakte. Of ik Jo daadwerkelijk met die spruitjes aan de slag heb gezien, weet ik niet. Het kost me alleen geen enkele moeite om me haar voor te stellen, met een bak spruiten, een bak voor het snijdsel, een pan voor de spruiten en dat zo bescheiden en vriendelijk ogende maar uiterst vervaarlijk mesje in haar hand. Ze zit in haar sta-op-stoel en maakt schoon.
Als ik het in werkelijkheid nooit gezien heb, dan nog hebben we er vaak over gepraat. Ze heeft me bijvoorbeeld wel eens verteld hoeveel ze ervoor kreeg. Hoeveel, zeg ik, maar ik vond het bijzonder weinig, al weet ik niet goed wat een reëel bedrag is voor het schoonmaken van spruitjes, ook al omdat ik ook niet weet hoeveel een groenteboer aan inkomsten heeft. Jo zelf vond het ook niet veel, maar ze was er tevreden mee en zij telde de bedragen bij elkaar op en zo kwam ze via honderd euro per maand op meer dan duizend per jaar en dan klonk het plots als een aanzienlijk bedrag. In magere jaren was dat bedrag een welkome aanvulling voor het huishoudgeld, later zette ze ook wel geld apart om er bijvoorbeeld een kunstwerk van een aankomend kunstenaar van te kopen. Spruitjes voor de kunst. Je begrijpt dat Jo me ook na haar dood nog zeer dierbaar is.
Daarom was ik ook blij met de opmerking van Mente dat zij bij de feestelijke zondagse spruitjes aan Jo moest denken.

De mesjes zullen weg zijn, de pan en de bak ook. De handen zijn opgeborgen. Jo is uitgediend. Maar nu ik de spruitjes op het aanrecht zie liggen, weet ik dat ons morgen een feestje wacht. De herinnering aan Jo past daar goed bij.
Mijn moeder is daar ook blij mee, krijg ik zojuist door.

09 oktober 2020

Geriefhoutbosje

Het geriefhoutbosje is een aangename plek voor zangvogels, maar ook voor dassen, vertelt een informatiebord in de buurt. Dat verklaart niet waarom er ‘gerief’ staat. Ik ben hier zojuist afgestapt om ongestoord en ongezien te plassen en het resultaat bevalt me uitstekend, maar ook in die richting moet je niet zoeken als je van de hoed en de rand van het indrukwekkende woord geriefhoutbosje wilt weten.
Er staat een bankje en daar maak ik graag even gebruik van om te vertellen dat zich onderweg bijzonder weinig vogels hebben laten zien. Meerkoeten, ja, zwanen ook , maar al veel minder en vaker verder, aalscholvers tegen de wind in, maar wat er ook vloog, som van al die vleugels bleef ver onder het gemiddelde.
Dat ik geen enkele das zie, verbaast me niks. Ik zie nooit een das. Maar wat zangvogeltjes had toch best gekund. Ik zie ze niet, al hoor ik ze wel, in de verte, in het riet.

Nee, niet in het riet, merk ik nu ik een eindje de kant van het geluid op gelopen ben. Ze zitten in een rododendron die zich verbonden heeft met een braamstruik. Daar zitten ze en het moeten er een heleboel zijn, al zie ik er vrijwel niets van. Soms een snel flardje tussen de blaren en de takjes. Af en toe schiet er een vogeltje waar dan ook vandaan de struik in. Het zijn kleine vogeltjes, dat is nu eenmaal het lot van zangvogels en ze zijn van een bruin dat ook al echt bij zangvogels hoort, maar vraag me niet welke.
Ik neem het geluid op met mijn mobieltje -twintig seconden lijkt me wel genoeg - en loop terug naar het bankje bij het geriefhoutbosje.
Een vervelend, beleerderig en erg antropocentrisch woord. Archaïsch ook. Dat ‘gerief’ hoort bij ‘hout’ en zorgt voor een bosje met geriefhout. Maar het hout gerieft helemaal niet meer. Boeren gebruikten takken als bonenstaken, als weidepaaltjes en als brandhout; ik lees het allemaal op het informatiebord dat steunt op twee palen die echt niet van geriefhout zijn gemaakt. Dat geldt ook voor weidepaaltjes aan de overkant van de sloot. Reken er ook maar niet op dat hier brandhout wordt gehakt.
De namen van de in het bosje aanwezige bomen worden ook vermeld. Ik ga ze even langs. De zwarte els: check; de schietwilg: eh, dat schiet- zegt me even niets; toch maar check; zomereik: check. Naar de lijsterbes moet ik even zoeken, maar: check. Een meidoorn? Die zie ik niet zo gauw. De vlier wel: check dus.
Er liggen veren in het bosje, ongetwijfeld van een duif waarmee waarschijnlijk een buizerd aan de haal ging. Die hier in dit bosje dus aardig aan zijn gerief gekomen is. De duif dan weer niet.
Maar kom, het boekje gaat weer dicht. Ik stap weer op.

Iets verder: ik denk dat het mussen waren, in die rododendron.

Nog iets verder: ik weet het wel zeker.

Weer verder: ik zou me moeten schamen.

Op de terugweg: ja.

08 oktober 2020

Door de wijk

De twee neefjes nodigen uit tot een vergelijkend warenonderzoek. We hebben met deze even oude jongetjes nogal ongelijk vlees in de kuip. Op maandag passen we op krijger Tommy met zijn onbedaarlijke hang naar zijn oma, terwijl bij dromer Markus, zo merken we op donderdag, opa met stip op nummer een staat. Daarom viel het afgelopen maandagochtend niet mee om Tommy mee te krijgen naar het speeltuintje. Hij wilde bij oma blijven. ‘s Middags, toen een oudere zus en een vriendin ook aandacht vroegen, wilde hij wel mee met opa. Iets verderop is een speeltoestel, dat ik maar een zwevend tapijt zal noemen: een lange rubberen loper die aan meters uit elkaar gelegen uiteinden aan palen is bevestigd; halverwege wordt de mat ondersteund door een rollende cilinder. Zwevend tapijt is wel een leuke benaming; hoe zo’n geval in het echt heet, weet ik niet.
Tommy vindt hem fantastisch, vooral als er een plasje water in ligt. Hij is in tegenstelling tot zijn neef vast ter been en vindt gedragen worden doorgaans iets voor watjes, niet iets voor hem, behalve dan als het om oma gaat.
Na het zwevend tapijt wilde hij lopen, gewoon lopen, de huizen langs. Bij de speeltuin hebben die geen voortuintjes maar wel bellen die op kinderhoogte zijn aangebracht. Als ik nee zeg, belt hij niet, maar als ik geen nee zeg en ook toevallig niet kijk, doet hij dat wel. Het feit dat ik hem dat verbied, hoort bij het spel. Daarom kijkt ik af en toe expres een andere kant op. Dat is tamelijk risicoloos, heb ik intussen gemerkt, want je ziet vrij snel of er iemand thuis is. Ik was als kind een fervent belletjetrekker, maar toen was ik ouder en maakte juist de onbetamelijkheid ervan dat bellenlellen zo aantrekkelijk. Ik hoop dat Tommy dat ook nog eens zal ervaren, maar dan ga ik niet mee.
Als klein jongetje liep ik graag door poorten. Dat heeft Tommy ook. Hij probeert alle deuren. Vaak zitten ze op slot, maar niet altijd. Ik was als kind veel voorzichtiger dan hij. Ik keek liever door kieren of sleutelgaten. De kans om op al te enthousiaste of vervaarlijke honden te stuiten was toen groter.
Nu is het donderdag. Markus ging zojuist met me op stap. Met zijn minuscule loopfietsje. Het regende net even niet. Ik liep half achter hem. Markus rent niet, maar wijst blijmoedig alles aan dat ook maar even zijn aandacht trekt en benoemt het dan. Dat kom ik bij Tommy niet tegen. Die beperkt zich tot ‘die, die’ als hij ergens je aandacht op wil vestigen. Markus ziet, fofo’s, baadjes, bommen, huis, deur, auto’s en vroemvroems, hij hoort elke tatu en als hij een plas ziet, roept hij ‘kijk, kijk, jegen, wate’ en ‘lase aan’ en dan stapt hij op en rijdt hij drie keer door de plas. Net als zijn neefje trouwens, maar die staart vervolgens niet dromerig naar zijn spiegelbeeld.
Hij viel twee keer met zijn fietsje. De eerste keer stapte hij welgemoed weer op, de tweede keer kwam hij toch met zijn mond op straat. Ik heb hem naar huis gedragen, fietsje in de andere hand.
Thuis zette hij zijn knuffels op de bank, ging er naast zitten, riep ‘deken’ en toen ‘opa hier.’ Ik aaide hem over zijn kale bolletje. Dat deed ik bij Tommy ook, maandag. Onder een dikke bos krullen voelde ik een enorme bult. ‘Boet’ zei Tommy toen ik hem aaide. Dat woord kent hij wel. Daar heeft hij al zoveel ervaring mee. ‘Het is gehecht, hoor,’ vertelde zijn moeder geruststellend.

07 oktober 2020

Groen

Vanaf de bank keek ik naar de achtertuin. Het telefoongesprek vergde niet al te veel aandacht en gunde me alle tijd om vanaf de ene kant van de kamer door de ruiten achter te kijken en plotseling bijzonder blij te zijn met zoveel vol groen daar achter het glas. De witte regen deed afgelopen zomer met zijn matige bloei zijn naam amper eer aan, maar dat kon je je bijna niet voorstellen als je de gulheid van het groen zag waarmee hij nu de pergola volledig onzichtbaar maakte. Het gras leek te roepen om honden of kinderen die er doorheen kwamen rollen. En dan was er de notenboom, veel zware vrucht en wat een blad en allemaal groen. Een paradijselijke nazomer.
Seizoensveranderingen waren in vroeger dagen niet mijn sterkste kant. De frisheid van jong groen viel me al zwaar omdat ik wist dat die vergeefs was; al die subtiele groenen van april, mei en ook nog wel in juni zouden verworden tot een massief en onontkoombaar groen. De maanden die volgden waren er alleen maar om te laten zien dat ik gelijk had.
En nu was dat gevreesde groen er. Volledig. Het zou nog maar één ding doen: verkleuren, afvallen en ten slotte verdwijnen.
Maar vorige week, want dat was het moment waarop ik op de bank aan de telefoon zat, genoot ik van die volheid en omdat het gesprek voortduurde, bleef ik er naar kijken en zag ik dat al dat groen weldegelijk nuances kent.

Sinds vorige week kijk ik iedere dag naar het groen in de tuin. Tot zondag overheerste het nazomerlijke groen en eigenlijk is dat er nog wel, alleen ontstaan er de laatste dagen plukjes geel die ik misschien nog wel meer lichtgroen moet noemen. Dat heet herfst. Intussen is het grasgroen anders groen dan dat van de witte regen, of de Gelderse roos, walnoot, de sering, de vergeefs levende druivenrank en de beukenhaag.

Gisteren waren Gerard en José hier. Heel, heel lang geleden schilderde Gerard regelmatig buiten. Aquarellen. De vellen had hij met papieren plakband kletsnat op een plaat geplakt. Door het drogen spanden die bladen zich. In het grote groen van Holland of Friesland ging hij daar dan mee aan slag. Ik ging wel eens mee. We deelden het plezier van mijn auto en van elkaars gezelschap. In de buitenlucht ging Gerard aan de slag en het papier raakte zo doordrenkt van allerlei schakeringen waterig groen dat je het board met het daarop gespannen vel goed horizontaal moest houden. In de kofferbak stutten we de plaat met een plaid, maar ook ging Gerard wel eens eerst in de auto zitten. Ik wachtte gedienstig en als hij eenmaal goed zat gaf ik hem uiterst voorzichtig de plaat met al dat vloeibare groen aan. Hij hield het liever op schoot. Op eieren reden we vervolgens naar huis. Natuurlijk liep de boel hier en daar toch uit of het liep door elkaar. Daar wist een latere natte kwast wel weer raad mee.
Het was gezellig gisteren. En nu ik weer naar het groen kijk, denk ik aan een schilderij van Gerard, een schilderij in wording. Ik kijk heel voorzichtig, want de wereld is nog nat.
De genade van zoveel groen begon dus een week geleden toen ik aan de telefoon zat. Ik pieker me suf, maar ik kan je niet meer vertellen met wie en ook niet waarover we het hadden. Wel weet ik goed wanneer het was: woensdag tussen drie en vier. Dat weet ik omdat ik toen naar dat groen keek in de tuin.

06 oktober 2020

Halve waarheden en gemakzucht

De druk wordt zwaar. De kapper van Den Bommel weet te melden dat de moeder van Jantje *, Chrisje, niet een textielwinkeltje had aan de Voorstraat, maar dat het om een winkeltje ging aan de Molendijk. Hij heeft het zelfs over een klein winkeltje. Daar verkocht ze wat koffie en thee, wasmiddelen, waarvan vooral de Sunlightzeep hem is bijgebleven, tabaksartikelen, waaronder naast rookwaren ook pruimtabak. En snoep verkocht ze ook. De kapper weet te vermelden dat hij altijd een snoepje kreeg als hij er voor zijn moeder boodschappen deed. Daarbij zei Chrisje steevast: 'Hier, voor een zoete mond.' Dat is een uitdrukking om te onthouden.
De kapper helpt me en passant aan wat data rond ons zeer in de verte gedeelde familielid Jan Bakelaar, een mooie aanvulling voor de genealogie.
Intussen drukt het zwaar: die verkeerde nering en dat niet eens in de goede straat.

Erger wordt het door het mailtje van mijn zwager, wandelmaat en webmaster. In het stukje van zondag** vertel ik dat me in Tanzania ooit verteld werd dat men daar voor blanken de term onmensen gebruikte, ter onderscheiding van wat de oorspronkelijke bewoners van het land zélf waren, namelijk mensen. Hij veronderstelt dat in dat gesprek het woord mzungu is gevallen en dat klopt. Ik herinnerde me dat woord. Sterker: ik heb het afgelopen zondag gebruikt maar het later weggehaald. En ik zal je vertellen waarom.
Als je op internet zoekt naar de betekenis van mzungu, kom je op 'buitenlander' (dat is doorgaans een blanke). Letterlijk betekent het woord: iemand die doelloos of zinloos rondzwerft.
Toen ik dat las, haalde ik het woord uit mijn tekst, want deze betekenisomschrijving paste niet in mijn verhaal. Bovendien: de betekenis die ik daar ooit te horen kreeg in een klein Afrikaans dorp was echt die van 'onmens'. En die past bij de strekking van mijn verhaal. Maar ja, dat klopte dus niet helemaal, merkte ik zondag dankzij internet. Ik liet mij dienen door het gemak en haalde het woord weg. Dat bespaarde me een mogelijke discussie. Het heeft niet geholpen: mijn zwager, hij woonde toen in Tanzania, begreep onmiddellijk welk woord er gebruikt moest zijn.
Dat bedoel ik: de ene lezer draagt je fouten na, de ander wijst je op je gemakzucht.

Vandaag kwam een levenslange vriendschap op bezoek. Er kwam veel heden en verleden en gedeelde belangstelling langs, dus we kunnen nog wel even voort, al kreeg de lange lunch een onverwacht venijnig slot. Had ik gelezen, dat in het Vaticaan een kardinaal de boel voor vele miljoenen had opgelicht. Daarbij was ook 20 miljoen van de privérekening van de paus weggesluisd. Ik had het niet gelezen.
'Maar je leest de krant toch wel?' Inderdaad, ik lees de krant toch wel, maar dit bericht was me blijkbaar ontgaan.
Blijft de vraag hoe het mogelijk is dat een paus die niet een gouden kruis van de Bijenkorf, maar liever een houten pendant van Leen Bakker draagt, en die een op maat gemaakte pausmobiel inruilt voor een overjarige Renault 4, 20 miljoen op de bank heeft staan. Op zijn pri-vé-re-ke-ning! Pee, er, ie, vee, ee!
Ik wist het niet.
'Dat moet je dan maar eens uitzoeken en daar moet je dan over schrijven.'
Nu zijn ze weer weg en ik kijk wat mismoedig naar de achtertuin.
Ik controleerde feiten niet, zette de realiteit gemakzuchtig naar mijn hand en schrijf over walnoten waar ik me op het echte werk zou moeten storten.
Ik kijk naar het grasveld: de walnoten laten me in de steek.

* Zie de OH van 3 oktober
** En 4 oktober

04 oktober 2020

Vreemdelingen

Als we ons heel erg vervelen, kunnen we altijd nog gaan meedoen bij De Rijdende Rechter, al zullen de buren daar dan wel het initiatief voor moeten nemen. Onze walnootboom staat namelijk op ons terrein, en is dus onze boom, maar hij staat amper veertig centimeter van de erfgrens. Dat zou twee meter moeten zijn. Niet als die er langer dan twintig jaar zou staan, maar zover zijn we nog niet.
Deze boom staat er een jaar of tien, denk ik. Hij kwam in de plaats van een grote blauwspar die heel abrupt en op zeer mysterieuze wijze aan zijn einde kwam. Niet lang daarna kwam de notenboom er. Zijn eerste zes jaren had hij bij een kweker doorgebracht. Onze buren stemden van harte in met de komst van de boom. De erfscheiding speelde niet zo'n rol, ook al omdat er toen nog geen schutting was. Intussen zijn de instemmende buren verhuisd. Ze hebben de afgelopen week nog wel een zak walnoten gekregen van wat ooit toch ook een beetje hún boom was. Wat ooit aan hun kant viel, was ook voor hen.
De nieuwe buren zijn even inschikkelijk. Intussen staat er wel die schutting, maar daar lachte de boom om en vrolijk laat hij zijn noten ook voorbij de erfgrens vallen. Die zijn nog steeds voor de buren. En met die buren hebben we dus afgesproken dat we ons gaan melden bij Meester Visser of die andere man als de verveling toeslaat. Dat moet dan wel binnen tien jaar gebeuren, begrijp ik.

De noten die bij de buren vallen, doen hun naam eer aan. Ik leg het uit. Het woorddeel '-wal' betekent Keltisch, maar dat is een toegespitste betekenis. Oorspronkelijk is het de aanduiding voor alles wat en vooral iedereen die niet Germaans was en dat waren in negen van de tien gevallen die verrekte Kelten.
Even een verhelderend zijspoor: in Tanzania vertelde iemand me ooit dat in zijn taal de eigen groep werd aangeduid met een woord dat mens betekende, in ruimere zin betekende het alle donker gekleurde mensen zoals men die van oudsher kende. De blanken werden aangeduid met een woord dat niet-mens, desnoods onmens betekende.* Het werd me lachend verteld: ik was de enige witte in verre omtrek. Zo werkt het dus: je hebt een wij en je hebt de anderen. Het woord 'Wales' en ook 'Wallonië' danken er hun naam aan, wat me wel een beetje verbaast, want dat zou betekenen dat ze zich de 'aanduiding' van vreemdeling eigen hebben gemaakt.
Dan wordt het nu echt tijd om terug te keren de notenbomen. Die kwamen oorspronkelijk voor in Zuid-Europa, niet-Germaans gebied dus, waar vreemde wezens een vreemde taal spraken (koeterwaals) en bomen hadden met vreemde noten, die daarom walnoten werden genoemd. Het zijn de noten van de anderen, van de vreemdelingen. En dat zijn altijd je buren: de Kelten naast de Germanen, de romaanse volkeren naast diezelfde Germaanse stammen en dus ook de mensen van nummer 20 naast en tegenover de vreemdelingen van nummer 18.
Daarom ook zijn de noten die hier naast in de tuin vallen vreemde noten, walnoten, terwijl omgekeerd de noten die wij op ons erf rapen voor die van hiernaast de vreemde noten zijn, ook weer walnoten. Maar heel andere, ook al komen ze van dezelfde boom, vallen ze gelijktijdig en smaken ze hetzelfde, het zijn heel andere noten dan die van de buren. Dat is toch duidelijk! Anders waren ze wel daar op de grond gevallen.
Da's logisch.

* Ik heb twijfels bij deze uitleg.

03 oktober 2020

Jan van Chrisje

De dag voor mijn bezoek aan kapper Bakelaar in Den Bommel, veertien dagen geleden, had ik nog wel even gekeken of zijn naam, en daarmee familie van hem, ook in de genealogie van de mijne voorkwam. Ik vond twee verschillende Bakelaars. Beiden hadden zich gelieerd aan een Borgdorff, maar dan eentje van de tak van de broer van mijn overgrootvader, geen directe familie dus.

In 1916 trouwde Johanna Christina Borgdorff met Pieter Bakelaar en ruim een jaar later werd hun zoon Jan geboren. Johanna Christina is de vrouwelijke variant van Johannes Christiaan en die naam kom je niet vaak, maar zelfs heel erg vaak tegen in de stamboom van de Borgdorffen. Vrijwel alle mannen met die naam luisteren als je Chris roept. Dat blijkt ook te gelden voor de moeder van Jan Bakelaar.
Zij had een textielzaak in de Voorstraat, een zoon en een man.
Als ik de kapper goed begrepen heb, is dat de goede volgorde. Hij wist te vertellen dat Jan van Chrisje familie van hem was. Zo zei hij dat. Hij had het niet over Jan of over Jan Bakelaar, het was: Jantje van Chrisje. Zo werd de jongen en later de man altijd genoemd, tot zijn dood in 1968, dus oud is hij niet geworden. Moeder Chrisje heeft hem overleefd, nipt. Zij overleed in maart 1969, een maand later zou ze 81 geworden zijn.
In het genealogieboekje kent Jan Bakelaar, Jan van Chrisje dus, geen vervolg. Dat zal een puur praktische reden hebben. Het boekje volgt de mannelijke lijnen en dat maakt het nageslacht van Chrisje niet interessant genoeg. Als dat de reden mocht zijn, zou dat wel jammer wezen en ook niet terecht.
Intussen heb ik de kapper zojuist even gebeld om hem te vragen of zijn verre familielid nog trouwde en kinderen had. Hij weet me te vertellen dat Jantje geen broers of zussen had en nooit een partner heeft gekend. De eenzaamheid op bladzij 13 van wat een parenteel heet, is veelzeggend.
Er staat: ‘Uit dit huwelijk:
1. Jan Bakelaar, geboren, 11-11-1917 te Den Bommel, overleden 1968.’
Het cijfer 1 is nomineus: het maakt het gemis van een nummer twee voelbaar. Droefmakend is ook het ontbreken van een exacte overlijdensdatum.
En dan heette deze Jan Bakelaar in het dorp waarin hij het levenslicht zag en waar het hem ontvlood Jantje van Chrisje.
Dat lag ook voor de hand, vertelde de kapper. Niemand kwam om Chrisje heen. Zij was een zeer aanwezige vrouw, een instituut, geen BN’er weliswaar, maar wel een BB’er, een bekende Bommelse.
‘Een echte Borgdorff,’ zei de kapper bij mijn bezoek twee weken terug.
Ik wilde wel weten wat dat was.
Dat waren mensen waar je niet omheen kunt. Op een of andere manier vestigen ze altijd de aandacht op zichzelf. ‘Dat gaat gewoon zo.’
Even dacht ik aan Willem Engel, aan Dorien Rose Duinker en andere influencers waar ik zo huiverig voor ben.
Op de bank bij de kapper nam ik me voor om me heel bescheiden op te stellen.

Waarom ik op deze grijze morgen aan Jantje moet denken, weet ik niet. Net als zijn vader leefde hij tot in de dood in de schaduw van Chrisje, zo’n Borgdorff waardoor anderen niet aan het licht komen.
Misschien waren ze wel heel gelukkig met elkaar. Dat kan ook. Ik weet het niet.

02 oktober 2020

Walnoten opschenken

Terwijl ik koffie zet, kijk ik de tuin in om te zien of er weer wat noten liggen. Het worden er minder, maar als het water nog maar net kookt, kom ik de keuken in met zeven vers geraapte bruine knollen. Koffie gaat hier op de klassieke manier waarbij een echte oudhollandse hand het water opgiet en er even gewacht wordt op het moment dat het de moeite loont om opnieuw water op te gieten. Dat duurt niet lang, maar wel lang genoeg om te constateren dat het gras buiten, er mooi groen bij ligt en ook dat de walnootboom nog vol in blad zit, al verkleurt er hier en daar wat blad. Tussen het blad hangen nog wat beloftes van noten en dat in drie varianten: in volledig gesloten bolster, veel vaker een open gesprongen bolster en, drie, als noot waarvan de bolsterslippen blijkbaar al op de grond gevallen zijn. Het dringt, na een tweede keer opschenken, tot me door dat ik naar de boom sta te kijken zoals iemand naar een peuter of kleuter kijkt die aan zijn of haar zorgen is toevertrouwd. Dus zoals ik naar de oren of de schoenen van mijn kleinkinderen kijk. Verschil is dat ik de boom met rust laat, al pluk ik een doodenkele keer een noot uit de boom, als ik daar bij kan. Even komt mijn moeder weer langs: ze heeft een washandje in haar hand en daarmee valt ze mijn oor aan. Een punt van de washand dringt hardhandig door in alle gootjes, gangetjes, heuvels en dalen die een oor rijk is. Het is zeer onaangenaam, ook al is het goed bedoeld. Gelukkig duurt het niet lang, ongelukkig genoeg had ik twee oren. Ik schrijf dat, niet omdat ik die oren niet meer heb, maar omdat mijn moeder me niet meer met een washandje te lijf gaat, al heel lang niet meer. Al heel lang behoor ik bij de groep van belagers. Goed, daar zal de boom geen last van hebben. Maar ik betrap mezelf erop dat ik hem bekijk zoals ik dus naar kinderoren kijk.
Met drie keer opschenken is de koffie klaar.
Er staan nu twee ondiepe manden met noten op de grond. De kans om een beeld te krijgen van een totale oogst is allang verkeken. Mente heeft her en der al zakjes met noten uitgedeeld, hopelijk met de mededeling dat je ze beter nog een week of drie kunt laten drogen.

Intussen krijg ik foto's van de oogst in Oeken. Daar hebben vrienden een tuin waarbij die van ons in het niet valt, met daarin een walnotenboom waar de onze van zou schrikken en slikken, zo overdonderend groot. Mijn vriend de computerman heeft er misschien wel een dagtaak aan en als die noten niet zo'n tijdelijke aangelegenheid zouden wezen, zou ik hem voortaan misschien maar beter de notenman kunnen noemen.
Op één van die foto's? wacht, ik schenk even koffie in, en dan zoek ik die even op? zit hij gehurkt voor een platte bak met noten. Zoals een jongetje op de grond speelt met zijn auto's, of nee, met zijn elektrische treintje.
De mededeling bij de foto's is geruststellend. Als die van ons op zijn, dan kunnen we altijd nog bij de computerman en de hem dierbare sociaal werkster terecht.

Ik had nog iets over de herkomst van het woord walnoot willen schrijven. Dat moet ik maar even uitstellen. Misschien morgen, misschien ook niet.
De brievenbus kleppert. Dat zal een klein jongetje wezen. Kijken hoe het met zijn oren is.

01 oktober 2020

Zat

Ook deze week ontrolt zich het leven als een geknoopt tapijt met lijnen, motieven en kleuren die kinderen in de jaren vijftig (toen die tapijten er nog waren) ertoe brachten om daar een compleet wegenplan in te zien waarover ze hun autootjes konden laten rijden. Dit beeld dank ik aan gisteravond toen zo'n kleed en een daarbij behorende auto bij een Biltse vriendin boven kwam, die als kind nooit met poppen speelde maar wel met auto's (en eigenlijk was het er maar eentje). In die herinnering was het kleed geen beeld, maar kleed, én plattegrond. Het was niet het beeld van iets wat steeds maar terugkeert, zoals dat ook in het leven gebeurt.
Ik gebruik dit beeld van het kleed om de boel wat te relativeren, want zolang de banen, de krullen, de cirkels, de vierkantjes, de bloemmotieven, het wit, donkerrood, zwart, blauw en bruin er zijn, kent het bestaan voldoende variatie om draaglijk te zijn. En zo is het ook.
Maar als ik alle variatie weg zou denken van dat kleed, om alleen die vorm en die kleur over te houden die deze week dominant waren, dan komt dat neer op iets tussen bruin en zwart en afgebroken lijnen, en in niets uitlopende krullen. Dat is het gevoelskleed van deze week.

Ik mag niet klagen, en dat probeer ik nu ook echt niet te doen, maar ik word meneer Covid en mevrouw Corona meer dan zat. Heel onaangenaam zijn ze niet voor me geweest: ze hebben niet aangebeld en ik heb amper levensingrijpende maatregelen hoeven nemen om ze buiten de deur te houden, nogmaals het kleed kent veel vormen en kleuren, maar ik word het zat.
Het gepraat erover, de briefjes bij de winkels, de schermen, de onmogelijkheid om zomaar een museum in te stappen, de intekenlijsten, die smerige, stinkende, nare, desinfecterende gel. Het geregel voor de kerk, de onmenselijke vergaderingen.
En dan moeten we nu ook alles wat we voorzichtig aan het opbouwen waren weer afbreken. Er waren een toneelvoorstelling, een concert en een festival, een bijzondere vergadering. Er waren ideeën en mogelijkheden. Je belt die en die op, chartert hem of haar, regelt hier en handelt daar en zo verder en dan zijn er weer van die maatregelen.

En dan is het toch maar beter dat het niet door gaat of op een onaantrekkelijke manier. En dan moet je daar iets van vinden. En dan zegt een ander dat het wel kan en je zou zelf ook willen dat het nog wel door kon gaan, maar je denkt dat het niet kan, en dan zeg je toch dat het misschien inderdaad wel kan en dan even later realiseer je je dat het niet kan en dan zeg je dat ook, maar dan lees je dat je zelf hebt gezegd dat het wel kan en dat zou je ook willen; daarom zei je dat het wel kon, maar nu zeg je dat niet meer en je vindt het stom dat je vierentwintig uur geleden iets anders dacht en zei, en niet omdat je er toen nog anders over dacht, maar omdat je anderen ter wille wilde zijn bijvoorbeeld, maar omdat je het zei waren anderen het er mee eens, maar je had je mond moeten houden, je had er eerst nog eens goed over moeten nadenken, je had je beter moeten laten informeren. En al die tijd zit dat dus in je hoofd, terwijl je walnoten raapt, terwijl je een pak koopt, terwijl je gaat lunchen met een psalmist, een peuter op de wip zet.

Nogmaals het levenskleed kent deze week veel schakeringen, ik weet het, ik weet het heus wel. Ik zie ze ook wel. Dat hoef je me heus niet te vertellen, hoor. Hou toch op!

30 september 2020

Perceptie van een raper

Er viel geen enkele noot op mijn hoofd en dat mag een wonder heten, want er kwamen er dit jaar heel veel naar beneden en er hangt nog het een en ander. Een nieuw fenomeen bij het rapen is de kat van de buren. Om de walnootboom in onze tuin staan hoge varenplanten en het loont de moeite om te kijken of daar ook iets onder ligt. Aan noten bedoel ik. Maar een van de twee katten van hiernaast zit er blijkbaar ook graag. Het is me al een paar keer overkomen dat mijn hand vlak boven een zojuist ontdekte noot zweefde en er plotseling een kat onder de hand doorliep en daarbij mauwde. Om de betekenis van dat gemauw te doorgronden, hoef je geen enkele vooropleiding te hebben. Hier moet geaaid worden. Meteen en niet even tussen het rapen door, maar met volle aandacht.
Het compromis vinden we in aaien, rapen, terwijl de kat in achtjes om mijn voeten draait. Na twee noten wordt het gedraai zo nadrukkelijk en de kans op struikelen zo reëel dat je er goed aan doet om de kat weer even de volle aandacht te geven.
De mensheid heeft geen oog voor wat er allemaal in onze achtertuin gebeurt, maar ik stel me voor dat het er gezellig uitziet, die man en die kat die samen noten rapen. Ongezellig zal ik het niet noemen, maar van gezamenlijkheid is al helemaal geen sprake.
Dan kun je beter noten rapen met een tweejarige. Een peuter vindt het prachtig en brengt het praktische voordeel met zich mee dat de kat onmiddellijk verdwijnt. Zowel Markus als Tommy helpen ijverig mee. Tommy is doortastender. Die raapt zelf en gooit noten in het daarvoor bestemde emmertje. Dat smijt hij enthousiast leeg als hij zo gauw geen walnoot meer op de grond ziet liggen. Bij Markus gaat het anders: hij is wel genegen om een noot die je zelf hebt opgeraapt van je over te nemen en die in het emmertje te gooien. Ook gooit hij dat vervolgens niet leeg, maar van eigen initiatief is nauwelijks sprake. Het waarom van de noten ontgaat ze. Ze vinden ze alle twee niet lekker. Er gaan wel eens wat noten in een speelgoedwagonnetje of een kiepwagen, maar meer vertier bieden de noten niet. Losse duplosteentjes zijn veel leuker om mee te spelen.
Ze zijn intussen de beroerdste niet en willen oma of opa best ter wille zijn, als die zo blij worden van die rare mislukte bruine ballen.
Van haar kant houd Pip (zo heet de poes) jongetjes blijkbaar goed in de gaten. Als ik na het uitzwaaien van zo’n jongetje de tuin in loop en ik steek mijn hand tussen de varens bij de notenboom, dan duikt ze daar weer onderdoor.
Of zou Pip denken dat ik haar zoek en intussen de rommel in de tuin opruim? Dat zou kunnen: dat ze daar zit omdat ze denkt dat ik haar zoek en dat ze zich laat aaien omdat ik dat blijkbaar zo leuk vind.
‘Gelukkig haalt hij die harde knollen weg. Dat ruimt op en hij stopt tenminste even met aaien. Ik word helemaal gek van de geaai van die vent.’
’t Is allemaal een kwestie van perceptie en als het daar om perceptie draait, wordt zelfs het rapen van noten een ingewikkelde toestand.

27 september 2020

Lezen en lezen en lezen en lezen en lezen en lezen

Dat was wel even schrikken vanavond, toen Arjen Lubach het begrijpend lezen door de plee trok. Nu kan ik de zaak afdoen door te zeggen dat Zondag met Lubach een geval is van infotainment, het vervelende is alleen dat ik het voor een groot deel met hem eens was. Nu moet je met het waswater niet ook het kind wegspoelen en daar leek het wel een beetje op. Dit is trouwens een uitdrukking: het kind met het badwater weggooien. Uitdrukking en betekenis moest ik leren toen ik op de lagere school zat, maar voor het zover kwam, wist ik het al, want mijn moeder had een boek waarin bij spreekwoorden en gezegden tekeningetjes waren gemaakt. Dat boek haalde ze af en toe tevoorschijn en dan gingen we ermee aan de slag. Ik vond dat leuk. Uitdrukkingen, memoriseren, teksten lezen, het is allemaal opgeofferd aan begrijpend lezen.

Maar nu het kind in die badkuip. In een tussenzin geeft Lubach toe dat je bij begrijpend lezen een aantal trucjes worden aangeleerd waarvan je bij het lezen profijt kunt hebben. Het is zeer de moeite waard om die trucjes te kennen. Bij begrijpend lezen is de boel volledig doorgeslagen, met de opbouw, de verbindingswoorden, de signaalwoorden, de type teksten en wat dan ook.
Het gros van de leerlingen die ik lastig viel met een zakelijke tekst met vragen las die tekst helemaal niet, maar ging meteen aan de slag met de beantwoording van de vragen. Natuurlijk zette ik kinderen drie weken op water en brood als ik ze daarop betrapte, maar als ik haast had met de voorbereiding van een tekst, deed ik het zelf ook. Dat voorbereiding was en bleef nodig, lang geleden omdat we nog niet met antwoordenboeken werkten en de laatste jaren van mijn bestaan als schoolmeester omdat de antwoordenboekjes vaak niet deugden. ‘Die worden door mensen gemaakt die de uitgeverij als sluitpost heeft ingehuurd,’ was de redenering. Dat mag zo wezen, maar dat is niet de kern van het probleem. De kern is dat al die zogenaamde tekstanalytische hulpmiddelen zich hebben losgezongen van de tekst.

Volgens mij moet je een tekst lezen om die te begrijpen. Om te zien of je er met je kop wel helemaal bij bent, moet je je zelf afvragen wat er staat. Dat doe je door de tekst samen te vatten. Dat doe je door een lastig stukje tekst in je eigen woorden weer te geven. Door commentaar te laten leveren op de tekst. En je doet het door zelf teksten te laten schrijven. En dan pas kom je met je trukendoos. En als je toetst, dan laat je lezen, samenvatten, parafraseren, becommentariëren en je stelt dat nog wat vragen over soorten verband, verbindingswoorden, type tekst en zo. Dat telt voor 10 of 15 procent mee, vooral niet meer.
En voor de rest is het lezen, luisteren, kijken naar gesprekken, maar vooral lezen. Of het nu gaat om fictie of non-fictie. Ook bij fictie ging het uiteindelijk fout door alle soorten vertellers, ruimtelijke aspecten en wat dan ook.
Zwemmen leer je door te zwemmen. Bij het duiken is het handig als er water in het bad zit.
Kortom lezen en laten lezen.

Iedere neerlandicus behoort altijd met een boek in de hand door het leven te gaan.
‘Doe jij de deur van het lokaal even open voor me, Pris. De sleutel hangt aan het koordje om mijn nek. Pak maar. Ik moet echt even deze alinea uitlezen. Dat begrijp je.’ Good practice-onderwijs heet dat.
Een krant per dag, anderhalf boek per week.

26 september 2020

Engel

Alleen een naam al kon een beeld oproepen van de drager ervan. Of dat beeld klopte met de werkelijkheid is een ander verhaal. Maar een persoon verandert mettertijd; voor een naam is dat veel minder vanzelfsprekend. In de tijd dat ik na de zomervakantie weer een paar bakken vol nieuwe leerlingen voor me zou krijgen, probeerde ik me met de naamlijstjes van de mij toebedeelde klassen op mijn schoot, tijdens een saai onderdeel van een vergadering bijvoorbeeld, bij de namen een voorstelling te maken van de persoon die er bij paste.
Bij de naam Willem Engel zou ik ongetwijfeld gedacht hebben aan een kloeke knul met sluik blond haar dat hij schuin over zijn wenkbrauwen zou laten vallen. Wel een beetje een dondersteen, maar een leuke. En waarachtig, de Willem Engel die ik nu te onpas en te onpas op tv of anderszins voorbij zie komen, lijkt wel een beetje op de jongen die ik me, maar dan als twaalfjarige, had voorgesteld. De illusie blijft.
Tot ik hem hoor.

Het is flauw om in te gaan op zijn achternaam en te zeggen dat die misleidend is en er dan ook nog een liedje van Elvis Presley bij te halen. Dus dat doen we maar niet. Op Twitter vertelt iemand wat Willem Engel allemaal niet is of heeft. Hij is geen viroloog, geen afgeronde studie, heeft geen ervaring en hij komt uit een bedenkelijk nest. Dat klinkt een beetje vooringenomen misschien. Als iemand zich maar goed, dat wil zeggen, breed orïenteert en niet vooringenomen eenzijdig bronnen raadpleegt, zonder de betrouwbaarheid daarvan te controleren. Toch?
In de krant vertelt Dorien Rose Duinker me dat je zelf niets meer hoeft te onderzoeken, want ‘Willem weet alles.’ En dat klopt. Ik heb ook van die mensen in mijn omgeving bij wie ik me maar liever op de vlakte houd, omdat die probleemloos alles weten, vooral beter weten. Bij die allesweters heeft de overheid het altijd gedaan. Die rotzooit maar wat aan. Dat mogen hier en daar en nu en dan zo wezen (kindertoeslag, gas, onderwijs, cultuurbeleid), het zal de insteek en vaker de praktijk niet zijn van hen die die overheid vertegenwoordigen. En de wetenschap is ook maar een mening.

Ik denk dat Dorien Rose Duinker op de middelbare school dat Rose niet gebruikte, het is maar een veronderstelling. Dus Dorien Duinker. Dat klinkt stevig en vlot. Die meid kunnen we straks om een boodschap sturen, zou ik hebben kunnen denken. Maar stel je voor dat ik dat had gedaan en ze was teruggekomen met: ‘Corona is een normale griep en niemand kan mij vertellen met wie ik wel of niet kan knuffelen. En dat weet ik allemaal omdat Willem het vertelt en die weet alles.’ De combinatie van mededelingen is verrassend. Meteen daarna: ‘Zo vertrouw ik ook de farmaceutische industrie niet, die willen alleen maar vaccins verkopen.’ Dat woordje zó suggereert dat ze haar vorige uitspraak onderbouwt. Nu weten we dus waarom ze blijft knuffelen: omdat de industrie niet te vertrouwen is. En meer.
Dat weet zij dus allemaal dankzij Willem.

Ik zou ze zo dolgraag alsnog in de klas willen hebben, Dorien Rose én Willem, één jaartje maar. Leuke schrijfopdracht laten maken, leren hoe je je moet documenteren voor je wat zegt, een verhaal bespreken, vertellen over onderwerp en persoonsvorm, een paar mooie gedichten voor je leven uit je hoofd leren, ook nooit weg. Als ze dan een keer iets geks zouden doen of zeggen, zou ik even met m’n hoofd schudden en erop vertrouwen dat dat wel goed zou komen. Eenmaal groot zouden ze ongetwijfeld meer zelfkritiek hebben.

25 september 2020

Dienaar

De gulheid waarmee de walnootboom in onze tuin zijn vruchten aan ons toevertrouwt ? daarover had ik het willen hebben. Ik wijdde er enkele gedachten aan die ik nu om praktische redenen maar voor me houd, want wie weet is het stof voor morgen. Bij het oprapen van de noten ? narapen was het, want Mente was nog geen half uur eerder ook al even bezig geweest ? werd me duidelijk dat ik wel weer eens over het jaarlijkse terugkerende wonder van de notenregen kon schrijven. Ik moest dat maar meteen gaan doen.
Nu gaat schrijven me beter af met een geledigde en tot ontspanning gekomen blaas, dus dat ging voor. Omdat het wat koeler is buiten, stak ik me vanmorgen niet meer in korte broek en een simpel T-shirt, maar kwamen er een lange broek, een overhemd en een giletje aan te pas. Ik hoef niet alles te noemen, dus laat ik hemd en sokken maar achterwege en omdat ik wel dezelfde slippers draag als anders, noem ik die helemaal niet. De onderbroek, zeg je? Doe niet zo flauw. Ik had me ook kunnen beperken tot mijn overhemd, al zou je eerder denken aan de broek, maar daarvan doet het er niet toe of die kort of lang is als die maar geopend kan worden. Want dat deed ik en ook ben ik gelukkig nog in staat om over mijn buik heen te kijken om daarbij mijn nederige dienaar te zien wat bij het plassen wel eens handig kan wezen. Dat is allemaal goed gegaan. Sterker nog: alles is goed gegaan, want dit is een verhaal met een blij einde.

Toch had het zo makkelijk heel anders kunnen lopen, want toen ik dus over mijn buik keek, zag ik dat er een tweede reden was om blij te zijn dat ik zicht had op wat er daaronder gebeurde. Er lag namelijk een knoopje op mijn dienaar, een klein knoopje. Alsof hij een jasje aan had dat eventueel uit kon. Alsof er, andere mogelijkheid, een alternatief voor een eventuele besnijdenis werd geboden en er desgewenst een deel losgeknoopt kon worden. Of misschien diende zo'n knoopje wel om ervoor te zorgen dat bij een verregaande staat van opwinding de huid van mijn dienaar kon worden uitgelegd zodat er geen pijnlijke scheuren zouden ontstaan. Of misschien diende het om de liefde van mijn leven wat extra te gerieven. In dat geval kwam dat knoopje wel wat laat, al mogen we blij zijn dat er niet gekozen was voor klittenband of een rits. Ik moet er niet aan denken.
Zo was het allemaal niet, natuurlijk, al schoot het wel door me heen, terwijl ik, zonder te morsen, het knoopje verwijderde. De draadjes in de gaatjes suggereerden dat het knoopje stevig vast zat. Ik wist wel beter. Het kwam van mijn overhemd. Ik veronderstelde dat het ging om het reserveknoopje dat doorgaans onderaan een overhemd te vinden is. Zo was het niet. Hier hadden we het over een knoopje ter hoogte van mijn broekband; dat had blijkbaar losgelaten.
Als mijn trouwe dienaar het niet had opgevangen, dan was ik het of kwijtgeraakt of ik zou een onfrisse actie hebben moeten ondernemen om dat te voorkomen. Waaruit maar weer blijkt dat mijn trouwe dienaar het beste voor heeft met zijn meester. En dat mag wel eens gezegd worden.

24 september 2020

Pak

Toen we de hoek omliepen waar we kort geleden nog mochten fietsen, wist ik het al. Maar nu waren we onderweg naar een winkel iets verderop. Daar viel met grote letters te lezen dat er een totale uitverkoop was.

'Als je het niet wilt, dan doen we het niet, hoor,' zei Mente. Dat zei ze niet voorkomend of vriendelijk en dat was terecht want ik had non-verbaal voldoende in stelling gebracht om duidelijk te maken dat ik ernstige twijfels had bij het bezoek aan deze zaak, al was het maar door op de standaard van de aan de hand meegevoerde fiets te mopperen. Dat was vooringenomenheid, domme vooringenomenheid zelfs, want wat was er op tegen om een aangenaam pak te kopen voor een aantrekkelijke prijs. Er zit meer vooringenomenheid in deze man dan hij de wereld wil laten weten en, heus, regelmatig spreekt hij zich daarop indringend aan en dat helpt gelukkig, maar als je even niet oplet slaat de ellende weer toe. Ik ben daar niet trots op, niet op het een en niet op het ander.
Dus liepen we de zaak in, langs de rijen blauw en grijs. En tussen al de rijen met Italiaanse pakken, achter de toonbank zaten twee mannen. Ze bestudeerden een scheermes, zo'n ouderwets geval dat je langs een leren lap moest opscherpen voordat het zijn weg onder het scheerschuim vond. Of een keel doorsneed, want natuurlijk dacht ik even aan de maffia. Maar dat was weer die ellendige vooringenomenheid. Het klapmes was meteen weg, maar ik had het goed genoeg gezien om het behalve vervaarlijk ook een mooi exemplaar te vinden.
'Ik zie het al,' riep één van de twee mannen. Hij sprong kwiek op en vertelde me welke maat ik had. Hij complimenteerde zichzelf met zijn scherpe oog en opnieuw drukte hij daarbij bij mij op de verkeerde knop. Eerst die grote schreeuwende letters op de etalageruit, dan die geringe variatie in kleur, vervolgens dat klapmes en nu deze verbale zelfbevlekking om ons als klanten van zijn kostumologische potentie te overtuigen.

Acht pakken paste ik aan, blauw, grijs, grijs, blauw, en allemaal heerlijk gladde wol en Mente vond het me allemaal goed staan. Dat is de liefde, wist ik. En liefde is een kostbaar goed, maar je komt daarmee niet thuis met het beste pak. Toen we vertrokken, lag de hele zaak overhoop met jasjes, broeken en stalenboeken. Over veertien dagen zou er nieuw spul binnenkomen en dan zat er ongetwijfeld nog meer moois voor me tussen. Dan zouden we binnenkort weer langs komen, logen we. Ach, wat had ik aangericht?

We liepen weg. Bij de hoek keken we nogmaals naar een pak in de etalage van de concurrent. Er stond geen prijs bij.
Tien minuten laten stonden we er weer. Met een jasje, een giletje, een broek, overhemd, stropdas en doe-dan-ook-maar-een-nieuwe-riem. Over de schoenen wilde ik nog even nadenken. Dat wel.

22 september 2020

Even naar Waiheke. Doei!

In een nog niet eens zo grijs verleden vroegen de Maori in Nieuw-Zeeland zich of wie er wel eens het nest of het ei van een grutto had gezien, de kuaka zoals die in hun taal heet, oftewel bar-tailed godwit, zoals het dier in het Engels heet. De vraag zal ongetwijfeld retorisch bedoeld zijn, maar de tekst zou niet misstaan hebben in het Bijbelboek Job. Intussen zou Job, net als de Maori niet alleen antwoord kunnen geven op de vraag maar ook kunnen uitleggen waarom niemand het nest en de eieren van grutto’s in Nieuw-Zeeland ooit was tegengekomen. In maart verlaten de grutto’s Nieuw-Zeeland om naar Alaska te vliegen. Ze vertrekken met flink wat vet op de lichte botten, met een vergroot hart en een vanwege het gewicht gekrompen lever. De route telt 11.000 kilometers en onderweg stoppen ze één of twee keer. De reis neemt acht, negen dagen in beslag en dat betekent dat ze doorgaans zo’n 80 kilometer per uur vliegen. Na aankomst bouwen ze hun niet erg indrukwekkende nest, zoals je die behalve op Alaska ook in Nederland, helaas steeds minder vaak ziet. Nederlanders zouden gelachen hebben om de vraag van de Maori. Er waren hier genoeg weilanden om eventjes een gruttonest aan te wijzen en had niet iedere Nederlander een halve eeuw geleden niet een grutto-ei in zijn broekzak? Vandaar ook, begrijp ik nu, dat in de Nederlandse Bijbel geen vragen over de grutto te vinden zijn.

Vorig jaar verpandde ik mijn hart aan de grutto’s die rondliepen en sliepen langs de rand van de Black Pool, een baai bij Waiheke. Ik logeerde er een paar keer en vrijwel dagelijks liepen we ’s avond en geregeld ook aan het begin van de dag langs de grutto’s daar. Overdag waren ze weg. Ik zal niet zeggen dat het voor m’n gevoel míjn grutto’s waren, maar ik vermoed dat de grutto’s dat toen wel zijn gaan denken.
Sinds vorige week word ik vanaf Waiheke dagelijks op de hoogte gehouden van de vlucht van de grutto’s, want ze komen er weer aan! Op hun weg naar dit eiland dichtbij de kust van het Noordereiland rusten ze helemaal niet. Als je hun route volgt, zie je dat dat ook helemaal niet kan: ze vliegen alleen maar boven water. Bij aankomst zijn ze de helft van hun gewicht kwijt en, zo vertelt een informatiebord bij de Black Pool: ‘they can hardly stand up or fold their wings properly.’
Gisteren kreeg ik de eerste foto’s binnen van de zojuist gearriveerde grutto’s. Die foto’s hadden ze niet zelf gemaakt; dat deed Pieter voor ze en hij stuurde ze me toe. Hij telde ze ook, 21, en ik heb dat op de foto kunnen checken. Ze zien er goed uit: geen verlopen koppen en hangende snavels, maar ook ordentelijk gevouwen vleugels en dat van de helft van hun gewicht kan ik op de foto niet waarnemen.
In navolging van Pieter ben ik natuurlijk ook gaan kijken naar de site die de vlucht van de grutto’s zo nauwkeurig bijhoudt. Dat is www.globalflywaynetwork.org. Kleine lettertjes leren dat de site ontwikkeld is door Team Piersma, genoemd naar de Groningse hoogleraar en uit Friesland afkomstige Teunis Piersma. De site beperkt zich overigens niet tot de Oost-Aziatische vliegroutes, ook de grutto’s die pendelen tussen Afrika en Westbroek zijn er te volgen.
Maar ja, het waren de kiwi-grutto’s die mijn hart stalen, waaronder dus 4BWWY, een vrouwtje dat vorige week dinsdag vertrok en gisteren arriveerde. Ze vloog 6941.96 kilometer. Dus ergens zit een informatiegat van 3000 km. Misschien is de terugweg langer.

20 september 2020

Door de poort

Opnieuw beleven we een fraaie dag, net als gisteren. Toen reden we onderweg van Culemborg naar huis over de smalle Lekdijk en die voert langs Fort Everdingen. Daar zagen we, vanaf de overkant van het water, een tentje staan dat ons bekend voorkwam. Hadden we daar deze week niet een fotootje van toegestuurd gekregen? De vraag werd beantwoord door de verschijning van Greetje. Ze kwam naast de tent te staan.
Mente liet een treffend ‘hoewoit’ over het water schallen, waarvan Greetje opkeek en even later zagen we ook Jaap. Hij riep zijn verwekkers toe waar we de auto konden parkeren en zo liepen we even later tijdens een wel bijzonder geslaagd golden hour over fort Everdingen. Ik verlangde innig naar mijn eigen tent en naar mijn fiets.
Een uurtje later namen we een afslag eerder om te kijken of we ergens konden eten. Niet ergens, maar bij Taplokaal Gist om precies te zijn. Ik zeg het omdat de mede-eigenaar van dit lokaal op dit moment in een tentje bivakkeert op de camping van Fort Everdingen.
Bij de Helling zoals deze omgeving heet, was het gezelliger dan ik ooit heb meegemaakt: één groot terras.

Vanmorgen had ik trek in een pak en ook dat kon, maar vanmiddag liep en fietste ik alweer zonder pijpen, mouwen en sokken. Bij Oud-Zuilen kon je bijna van bootje naar bootje springen, al moest je hier en daar dan wel genoegen nemen met een supplank.

En zo schakelt ook in deze septembermaand het ene aangename zomermoment zich aan het andere en ik zou ervoor tekenen als ik niet regelmatig overvallen word door onrust. Zoals ik die had als kind, met mijn bovengemiddelde angst voor een hiernamaals dat wel op de hel zou uitdraaien, want wat maakte mij bijzonder genoeg om in de hemel te komen? Dat akelige gevoel dat me kon overvallen als ik bij mijn moeder of oudere zus achterop de fiets zat, net opgehaald van een leuk verjaarspartijtje met blinddoekerij, snoephappen, raadsel oplossen en nog het een en ander.
Zo liep ik zojuist door de poort terug naar huis, met net een gezellig bezoekje aan dierbare achterburen en plots was daar het klimaat dat ons onafwendbaar meesleept in een ecologisch inferno. Doe iets, dacht ik. Nog minder vlees. Ook die zuinige auto van je moet je verkopen. Volgend jaar hetzelfde pak en daarna dezelfde korte broek. Alleen klinkt dat allemaal zo lullig.

De tegels in de poort liggen onder een dikke laag taxusbes. En dan al die taxusbesgeile vliegen! Het is een en al geknars onder mijn zolen. Als we de brij voorbij zijn, volgen de bessen van de lijsterbes. Die blijven wat meer zichzelf dan die van de taxus. Maar acht stappen verder staat de volgende taxus. De besrijke bomen staan allemaal ongetwijfeld in een tuin van mensen die hun fietsen, als ze die al hebben, in de voortuin laten staan. Die komen nooit in deze poort.

Aan het eind van de poort wacht me het nazomerse licht. Als ik de sleutel in het slot van de voordeur steek, ben ik ben nog lichtelijk geïrriteerd. Waarom ruimen die mensen hun rotzooi niet gewoon op? Ik raap toch ook braaf de noten op die van de walnotenboom in onze tuin vallen? Dat taxusbessen en walnoten zich niet laten vergelijken en dat dit dus geen redelijk argument is, weet ik ook wel, maar laat me nou gewoon een beetje mopperen. Dat is trouwens veel aangenamer dan het gepieker over het klimaat.
Binnen trek ik mijn slippers uit. De zolen zijn minder vies dan ik had gedacht. Dat is dan een meevaller.

19 september 2020

De kreek

‘Een kreek is een kleine watergeul, die ontstaat als gevolg van een dijkdoorbraak of is een restant van een ingedijkte vroegere getijdengeul. Een bestaande watergeul op het wad, die onderhevig is aan eb en vloed wordt een priel genoemd,’ vertelt Wikipedia. Op Flakkee gaat het om kreken in de betekenis van restanten van een getijdengeul. Het komt erop neer dat die geulen aan de andere kant van de dijk, al dan niet onder water gewoon door gaan, maar daar zijn ze nog zout. Wie over Flakkee rijdt, en dat deden we gisteren, mijn koude neef en ik, gaat van dijk naar dijk. Alleen al op het kleine stukje tussen Haringvliet en Volkerak, dus het gebied onder Den Bommel reden we over de, houd je vast: Molendijk, Boven-Oostdijk, de Buitendijk namen we niet, we gingen er langs en blijven op de Schaapsweg, dus de Buitendijk telt niet. De Oudelandsedijk weer wel, en ook de Mijntjesdijk, de Galathese dijk, de Mariadijk en, na een lunch, de Grote en de Nieuwe Bloksedijk, de Kranendijk, waar mijn koude neef en ik om uiteenlopende redenen beide nieuwsgierig naar waren en ten slotte de Tilsedijk. Wat een namen, wat een poëzie!
Zoveel dijknamen op zo’n kleine gebied, dat geeft wel aan dat er in het verleden flink is gepolderd en niet in één keer heel grootscheeps. Nu kunnen met een project wel eens meer dan één dijk en dus ook meer dan één naam gemoeid zijn geweest, maar de veelheid in zo’n klein gebied geeft wel aan dat er heel wat gebeurd is. Er is een kaart waarop nog 38 kreken te zien zijn. In de zeer directe omgeving van Den Bommel zijn dat er drie: de Grote Kreek, de Kleine Kreek en de Kreek van Borgdorff, uit te spreken als Borredorref. Je leest het goed. Die laatste kreek loopt langs De Kinderput. Dat is de boerderij die in 1850 door mijn betovergrootvader werd gekocht en die rond 2000 door de bank verkocht werd. Vanaf dat moment was de boerderij niet langer in handen van een Borredorref. Er is blijkbaar iets goed misgegaan.
Dus die kreek dankt zijn naam aan de familie die er anderhalve eeuw woonde. Vreemd genoeg kan niemand me vertellen hoe de kreek voor die tijd heette.

‘Stop, stop, stop,’ riep mijn kouwe neef op een manier die ik niet van hem gewend ben en dus reed ik de auto prompt de berm in. Ik moest uitstappen en er kwam een camera tevoorschijn. De neef wees me op een slootje langs de weg, dat juist aan de vertakking bezig was. Een slootje van niks, dat van nergens leek te komen en ook nergens toe leidde.
‘Dit is hem nu, de Kreek van Borgdorff.’ Mijn neef spraak de naam uit in welluidende hoofdletters alsof we langs de Maas stonden die op het punt stond ook de winterdijken te slechten.
Ik moest dit goed zien, legde de neef me uit: er waren veel meer kreken geweest, maar na inpoldering waren er heel veel opgeofferd aan het land. Dat was ook gebeurd met grote delen van deze kreek. En daar was dan tot besluit ook nog eens een stevige ruilverkaveling overheen gegaan.

Toen moest ik op de foto, waarop ik met een weids gebaar naar de machtige stroom wees die naar mijn familie was vernoemd. Ik deed het en wees naar de Kreek van Borgdorff.’ Misschien was het lullige woordje ‘priel’ toch beter geweest.

* Via deze link kom je op de kaart die de kouwe neef maakte van de kreken op Goeree- Overflakkee: kreken op Goeree

18 september 2020

Vreemde vlag

Mijn koude neef was ooit ook mijn buurman en toen werden we vrienden, lang geleden. Hij is betrokken bij de ontwikkeling van wandelroutes op Flakkee, ook bij Den Bommel. Daar kwam hij regelmatig mijn achternaam tegen. Dat klopt: enkele generaties van mijn voorgeslacht hebben er gewoond. Dat maakte nieuwsgierig. Ik wilde wel eens weten wat mijn koude neef van moederskant uitspookte op het erf van mijn vaders zijde en de kapper van Den Bommel, die enkele boeken op zijn naam heeft als delver in het verleden van zijn dorp, wilde wel eens weten wie de kouwe neef van mijn kouwe neef was.
De bewoners van Den Bommel ervaren de Watersnood van 1953 als hun belangrijkste verhaal, was me bij een eerder bezoek opgevallen. Dat gold ook voor kapper Bakelaar. In 2003 publiceerde hij daarover een boek. Hij schreef het niet alleen, hij speelde er ook op verschillende manieren een rol in. Als jongeman - de kapper is uit 1933; hij viert dezer dagen zijn verjaardag - liep hij graag rond met een fototoestel en dat betekende dat hij honderden foto’s maakte nadat het water in die memorabele nacht over de dijk was geslagen en daarachter een slecht herstelde uitwateringssluis wegvrat wat in de dagen daarna door de werking van eb en vloed voor een enorme ramp zorgde.
Veel mensen werden geëvacueerd, maar gezonde mannen moesten blijven om te redden wat er te redden viel van dit volkomen van de buitenwereld afgesneden dorp.

De kapper knipte, fotografeerde, maar hij was ook zendamateur en dus droeg de burgemeester hem op om vanaf een hooggelegen punt contact met de buitenwereld te houden. Dat liep via iemand die in de kerktoren van Vlaardingen berichten opving, doorgaf en terugzond.
Toen de kapper weer eens boven zat en uitkeek over het water, zag hij in de verte een boot naderen die een vlag voerde die hij niet herkende. Hij pakte een verrekijker. Het bleef een hem onbekende vlag. Hij zocht contact met Vlaardingen. Vlaardingen zocht contact met anderen en wist een paar minuten later te vertellen dat het de koninklijke standaard was. De koningin was onderweg voor een bezoek aan het zwaar getroffen Den Bommel.
De jonge kapper rende naar beneden, naar de burgemeester, om te vertellen wat er aan de hand was.
‘Jij blijft hier op me wachten. Ik ga onmiddellijk mijn goede jas pakken.’
Even later liepen ze samen naar de plaats waar de boot zou aanleggen.
En zo werd in die koude februarimaand van 1953 hare koninklijke hoogheid Koningin Juliana ontvangen door de burgemeester van het dorpje en door een kappersjongen van negentien.

Ik krijg het boek van de ramp te zien en blader het door.
‘Heeft u nog een exemplaar?’
‘Ik heb er nog twee of drie en ik heb mee voorgenomen om die niet weg te doen,’ zegt de kapper.
‘Tja, voornemens.’ Het is even stil. Dan staat de kapper op terwijl zijn vrouw me bemoedigend toeknikt.

Thuis blader ik het boek door. Natuurlijk zoek ik ook naar een foto waarop te zien is dat de majesteit het geteisterde gebied bezoekt. Die is er niet. En dat is ook geen wonder bedenk ik me, want de plaatselijke fotograaf, te weten de jonge kapper Bakelaar, was ook lid van het comité van ontvangst. Vlak daarvoor was hij druk als verbindingsman, dus hij had geen tijd gehad om zijn fototoestel op te halen. Gelukkig heeft hij de koningin goed bekeken. In het boek lees ik: ‘Gummilaarzen, een bontjas en een lichtblauw hoofddoekje. Dat is me altijd bijgebleven.’

* M. Bakelaar, Den Bommel, het gedeelde dorp. Watersnoodramp 1 februari 1953. Den Bommel 2003.

17 september 2020

In de wachtkamer

Je kunt je afvragen waar dit ziekenhuisbezoek voor dient. De opnieuw geruststellende bloeduitslagen vond ik immers een paar dagen geleden via internet. Waarom houd ik me niet gewoon aan de orde van deze donderdag?
Maar nee hoor, in plaats daarvan moest er van alles geregeld worden om een kleuter van school te laten halen nu ik dat niet kon doen. En dan heb ik het maar niet over de telefonische pogingen om dit ongerief voor te zijn door om een ander moment te bedelen, tevergeefs.
En zo zit ik dus in een wachtkamer te wachten op een ritueel gesprek, en daar mag ik natuurlijk niet over mopperen, dat begrijp ik ook wel, ik moet juist blij en dankbaar zijn dat ik hier voor niks zit.

Misschien zit ik hier ook wel niet voor niets en gaat het helemaal niet om het gesprekje met een arts, maar heeft juist dit zitten in de wachtkamer een bijzondere betekenis en mag ik de zojuist opgedane ervaring zien als een belangrijke, mijn verdere leven mede bepalende vingerwijzing.
Ik stel je even voor aan de inhoud van mijn rugzakje: het notitieblokje dat ik nu opgeslagen op mijn knie heb liggen, de pen waarmee ik deze woorden schrijf en het mobieltje waar ik zojuist nog druk mee in de weer was.

Ik nam de digitale post even door, stuurde een snelle reactie naar iemand en keek vervolgens nog even op facebook en twitter. Ik likete ook nog iets. En plotseling kreeg ik verschrikkelijk de schurft aan dat apparaatje en vroeg ik me verbijsterd af waarom ik niet zoals vroeger een boek had meegenomen. Ik had nota bene mijn boek juist weggelegd toen ik de deur uitging. Waar was het automatisme gebleven om dat juist zoals het een fatsoenlijke vent betaamt in dat rugzakje te steken. Ik miste mijn boek. Dat gemis was nog tot daar aan toe, erger was het alternatief: dat vanzelfsprekende gehannes op dat mobieltje, dat overal op reageren en dan die sociale media. Hoe kreeg ik het voor mekaar om met mijn afkeer van reclamefolders me te pas en te onpas te verlustigen in de hond van een nicht die ik nooit zie, een glas bier dat iemand verdiend heeft, een leuk kleurboek voor kleuters? En waarom viel ik zelf mensen daarmee lastig? Al die versnipperde aandacht. Aandacht? Aandacht? Helemaal geen aandacht. Alleen maar versnippering van iets waarvan je niet eens meer kon zien waar het de snippers van zijn.

Zoveel was duidelijk: niet meer op stap zonder boek. Dat was een…
En wat die sociale media betreft... Ik heb gerookt vanaf mijn veertiende. Achttien jaar geleden deed ik me op een avond weer te goed aan een pijp en plotseling vroeg ik me af waarom ik me bezig hield met zoiets raars als roken. Ik heb mijn pijp uitgeklopt. Pijp, tabak en aansteker in een kastje gelegd en daar liggen ze nu nog.
En nu met die sociale media, daar kan…
O, daar is de dokter voor ons rituele gesprek.

16 september 2020

De ring

Gisteren bestudeerde ik de ogen van mijn nicht aan de Waal. Onze moeders waren zussen. Vorige maand toen mijn Amersfoortse neef langskwam – onze vaders waren broers, ging het om familiaire handen.
Op een gegeven moment kreeg ik de gouden ring in de gaten die mijn neef droeg. De B van het monogram was duidelijk en daaruit begreep ik dat wat er niet duidelijk was wel een A moest wezen, de initialen van mijn neef. Ook bij nadere bestudering bleef de A een moeizame aangelegenheid. Je kon hem niet echt als zodanig herkennen. Het was een gouden ring, maar dan wel een héél dun geval. Hoeveel karaats? Veel zal het niet geweest zijn. Er zat zelfs een slijtgaatje in de ring. Het model voerde een kleine honderd jaar terug, art deco, en dat in de simpelste vorm die zich maar denken laat. Ik wilde het ringetje beter zien.

‘En dan steek je het in je zak en zie ik het nooit meer terug.’ Als familie ken je elkaars gebruiken.
Toch mocht ik het van dichtbij bekijken. Het simpele ringetje werd misschien al wel honderd jaar gedragen. Eerst door onze grootvader dankzij wie de ring aan de initialen kwam: A en B. Na diens dood in 1937 ging die naar de vader van de Amersfoortse neef. Opa en oma Borgdorff hadden geen kinderen van wie de voornaam met een A begon. De opa zou bij de zes gezinnen van zijn kinderen telkens vernoemd worden en zo mocht de ring zich na zestig jaren eindelijk weer laten dragen door een echte A B, en dat intussen al weer 22 jaar. Maar bij deze overdracht vond de moeder van de neef wel dat die bijna volledig weggesleten A maar eens in ere hersteld moest worden. Dat is gebeurd. En dat is erg jammer. De A is er niet duidelijker op geworden, je mag je afvragen of de graveur niet dyslectisch was, je kunt ernstig twijfelen aan diens stijlgevoeligheid en je hoeft niet lang naar het ringetje te kijken om te weten dat je er maar beter niks mee had kunnen doen.

Het vreemde was alleen dat ik het ringetje herkende. Niet van de tijd dat mijn oom het droeg, toen was het me nooit opgevallen, maar wel van mijn vader. Die had een wat betere editie van deze ring gedragen, ook art deco, ook heel slank, maar toch van betere kwaliteit dan dit geval; bij hem stonden er zijn eigen initialen op. Dat ringetje was hij ooit kwijt geraakt. De ene keer vertelde hij dat hij bij een toiletbezoek per ongeluk met het toiletpapier ook een keer de ring had weggespoeld. Een variant was dat van de handschoenen om een winterkoud autostuur. Toen hij uitstapte bij een klant trok hij ze uit en hup daar verdween de ring rinkeldekink in een afvoerputje. Er waren meer verhalen, met hetzelfde resultaat. Mijn vader kocht naderhand een kloekere gouden ring; daarvoor verwijs ik naar mijn broer.
Nu pas begreep ik, al kan ik het verhaal niet meer verifiëren, dat mijn vader als jongeman na het overlijden van zijn vader een ring kocht als die van zijn vader en die heeft laten graveren. Zijn broer erfde het origineel. De overeenkomst was treffend.
En dan waren er nog die vingers. In de familie B zijn slanke handen met slanke vingers meer regel dan uitzondering. In ieder geval had mijn vader die en zijn broer en vader hadden die ook, net als mijn Amersfoortse neef dus.

15 september 2020

Haar ogen

Japi, de onvergetelijke held van Nescio, was helemaal geen held. Hij was een uitvreter; aan die kwaliteit dankt het verhaal over Japi dan ook zijn titel. Hij was wel, laten we eerlijk zijn, een profiteur en klaploper om in je hart te sluiten. Nu wil ik het helemaal niet over Japi hebben, maar hij kwam bij me langs toen ik naar mijn nicht keek. Haar ogen fascineerden mij, niet alleen de twee kijkers, ook het hele deel van het gezicht daaromheen. Laten we zeggen: een strook van vijf centimeter: opslag, oogleden en hoe die knipperen, de glans.
Zou, zo vroeg ik me af, ik in haar ogen kunnen zien dat zij al tientallen jaren over de Waal uitkijkt? Als dat zo was, dan zou… en toen dacht ik dus aan Japi, die uren naar het stromende water ervan kon kijken. Maar mijn nicht heeft haar leven ook gedeeld met paarden, we zijn er nog even naar toegelopen. Ze wonen op een stuk grond vlak bij het huis van de nicht en haar man. Ook zonder bestudering van de tien paardenogen die ik er zag, was zonder meer duidelijk dat niets in de blik van mijn nicht ook maar zweemde naar iets dat aan paarden doet denken. Ik hield deze stille overwegingen voor me, ze speelden door een daarvoor speciaal ontwikkelde hersenkwab die zelfstandig functioneert. Misschien herkennen sommige familieleden dat en ook zij zullen er in dat geval niet over praten.
We waren erg bij elkaar betrokken, luisterden goed naar elkaar, lieten ons het eten goed smaken, al ben ik vergeten te zeggen hoe heerlijk ik de omelet vond die de nicht voor ons maakte. Die nalatigheid komt waarschijnlijk op het conto van de opa, die de nicht en ik delen. Dat spijt me.
Intussen was die bijzondere hersenkwab volop actief; die bleef zich verdiepen in de oogpartij van de nicht tegenover me. Haar moeder heb ik veel bezocht, tot haar dood anderhalf jaar geleden. De mond heeft de nicht van haar vader. Vroeger gold dat ook voor haar ogen, maar dat is dus veranderd. Achter haar bril kan ik nu moeiteloos de ogen van haar moeder schuiven. Dat wordt bevestigd als de nicht in de kamer even naast een foto van haar moeder staat, niet om ons op die foto te wijzen: er staat er ook eentje met daarop een paar kleinkinderen.
Ik ben wel vaker onder de indruk van de hybride manier waarop we zijn samengesteld uit stukjes voorgeslacht. Nu weer. Ook al omdat de ogen van haar moeder niet lijken op de ogen van diezelfde moeder veertig jaar eerder. Ik kan dat goed zien omdat er boven mijn bureau een groepsfoto hangt waarop mensen me dag in dag uit, voor een aanzienlijk deel dood, vrolijk lachend aankijken, ook de moeder van de nicht, maar toen had ze nog andere ogen. Alsof niet de dochter op haar moeder is gaan lijken, maar omgekeerd.
Ook zij observeert mij, merk ik, want plotseling heb ik van… en dan noemt ze haar ene broer. Een half uur later heb ik weer wat van de andere.
In haar woorden herken ik wendingen, aarzelingen, formuleringen, ook al zo vertrouwd. Als ik niet oppas, neemt die zelfstandige opererende hersenkwab stiekem wel de rest in beslag en ga ik straks naar huis met het beeld van een gefragmenteerde nicht. Dat zal me toch niet gebeuren. Vandaar dat we na de lunch onze aandacht richten op de kouwe neef. Een leuke vent die weliswaar zegt dat hij de nodige trekken van zijn vader heeft, maar dat kan ik niet controleren.

13 september 2020

Pyramus en Thisbe

 

Ik kijk wat langer naar een pentekening die Rembrandt maakte van Pyramus en Thisbe, een van de tekeningen. In het verhaal van de twee is er een moerbeiboom. Daarvan verkleuren de vruchten, van wit naar rood, en dat vanwege de dood van Pyramus, zo vertelt Ovidius in zijn Metamorfosen. Bij Rembrandt kom je die boom niet tegen. Hij laat alles weg wat in het verhaal een rol speelt. Er zijn geen huizen waarin de twee als buurjongen en –meisje woonden; er is geen spleet waardoor ze toch contact hebben met elkaar; de leeuw ontbreekt en dus ook die boom. Misschien, misschien is met een paar simpele lijnen die onder Pyramus vandaan lopen een deel van het zwaard zichtbaar gemaakt waarmee Pyramus zich van het leven beroofde; ik denk toch van niet. Rembrandt heeft het hele verhaal weggesaneerd. Alleen de naam van de tekening vertelt waar we naar kijken. Als we dat al kunnen zeggen.

We zien in een voorzichtige diagonaal, iets onder het horizontale midden Pyramus op de grond liggen, niet plat, want zijn rug en hoofd hellen een beetje. Ligt hij half op een grote kei, helt de grond daar? En als dat zo is, zou dat dan kunnen betekenen dat hij half op een graf ligt? Op een kerkhof hadden hij en zijn Thisbe met elkaar afgesproken en daar ook doodt hij zichzelf. Hij ligt er al met al nogal bevallig bij. Je zou kunnen denken dat hij slaapt en al heet de tekening ook ‘Thisbe beweent Pyramus’, aan Thisbe, half zittend naast hem, is weer niet te zien dat ze treurt om haar dierbare dode.

In het dikke boek met tekeningen en etsen van Rembrandt is de tekening ondergebracht in de afdeling ‘Voorstellingen’, maar het lijkt me meer een figuurstudie. En toch niet.
De gezichten van de twee en ook hun houding drukken niet veel emotie uit. Maar de manier waarop Thisbe half overeind over Pyramus gebogen ligt, zijn onderarm vasthoudt en met haar blik diens gezicht fixeert, spreekt boekdelen. Het zijn geliefden. En wat er aan de hand is, is de emotie voorbij of gaat aan de emotie vooraf. Het is ongelofelijk wat die Rembrandt doet.

Bij de afbeelding lees ik ‘Pen in bruin, latere toevoeging met penseel in rood. Een penseel kom ik hier en daar nog wel tegen; dat rood niet. Verkleuring? Zou er dan met rode inkt toch iets meer verhaal in de tekening geslopen zijn? Ligt daar links van het hoofd van Pyramus de bebloede sluier van Thisbe die Pyramus op het idee bracht dat zijn geliefde was aangevallen en verslonden door een leeuw? Is dat een plasje bloed waarin Pyramus ligt? Hebben de jaren na 1652 het rood van het bloed opgezogen?
Ik mis die rode kleur niet. Ik heb genoeg aan de verstilling waarachter zich, achter een papierdun scherm een storm van emoties verbergt.

Het verhaal van Pyramus en Thisbe, vond zijn opvolger in dat van Romeo en Julia en nog weer later in de liefde tussen Tony en Maria in de Westside Story.
Ik moet ineens denken aan de graftombe die Anna van Ewsum liet maken na de dood van haar man Carel Hieronymus von Inn- und Kniphausen. Rombout Verhulst maakte dat monument in 1664, twaalf jaar nadat Rembrandt zijn tekening maakte. Voor dat monument moet je naar het Groningse Midwolde, maar de maker ervan woonde in Amsterdam. Zou Verhulst deze tekening indertijd gezien hebben?

* Ik kijk graag naar tekeningen van Rembrandt. Af en toe maak ik een kijkverslagje.

12 september 2020

Straatfeest

Het straatfeest gonst nog na. Voor de kinderen was er het springkussen, maar ook de sjoelbak die we van zolder hadden gehaald vond bijzonder veel aftrek, ook bij kinderen die op een oude groentekist moesten worden gehesen om erbij te kunnen. Sommige kleintjes wilden de stenen laten rollen en wij hadden de neiging om dat maar zo te laten, maar oudere broers en zussen waren onverbiddelijk: je schuift de stenen en dat doe je met kracht. Twee meisjes wensten de strijd alleen samen aan te gaan dus, schoven ze tegelijkertijd een schijf onder het balkje door. Hun stenen kwamen meestal niet halverwege de bak. Ik was me ervan bewust dat Mente en ik bezig waren een belangrijk folkloristisch gebruik door te geven. Rond 1600 bestond het sjoelen al in de Nederlanden, het zou een variant zijn van een oorspronkelijk Engels spel. Maar het eerste telt: het sjoelen in de vorm zoals wij dat kennen, is Nederlands. Je begrijpt hoezeer het ons met trots vervulde om op deze bescheiden wijze een komende generatie kennis te laten maken een van onze tradities. Misschien geldt dat ook wel voor de zoete spekkies die ieder kind na een speelbeurt kreeg. Zal wel weer afgeleid zijn van Engelse marshmallow. Maar de roze-gele geruite variant is toch wel heel Nederlands. Kortom: veel cultuuroverdracht op het straatfeest.

Niemand haalde honderd punten, de twee meisjes kwamen één keer op drie punten, met twee stenen, dat wel; een andere keer leverde een serie van drie beurten nul punten op. Het kan overigens zijn dat de volwassenen die daarna nog wat sjoelden meer hebben gescoord. Dat weet ik niet, want toen moest ik mijn post verlaten om me te goed te doen aan de vervaardiging van pizza.
Internationaal was het straatfeest dus ook al.
Bij de kinderen was het springkussen het meest favoriet.
De meeste kleintjes waren al opgeborgen toen mijn vriend de schoolmeester langs liep. Toen waren ook de pizza’s al op. Hij schudde het hoofd over wat hij Grapperhause toestanden noemde. Ik vond dat we ons tamelijk keurig gedroegen. We raakten elkaar niet aan en hielden wel afstand, maar die was inderdaad minder dan anderhalve meter.

Meestal krijgt ons deel van de straat nog een gemeentelijke subsidie. Dit jaar niet. Misschien heeft dat wel te maken met de onmogelijkheid om bij samenscholingen als deze de één meter vijftig vol te houden. Toen de schoolmeester doorliep, schudde hij weer met zijn hoofd. Even dacht ik dat hij voor straf mijn vriend niet meer wilde zijn.
Dat zal zo’n vaart niet lopen, maar ineens was de lol om hier nog langer samen te scholen eraf. We hebben allemaal keurig ons best gedaan, maar de schoolmeester had een punt.
Niet veel later zaten we weer binnen. Benieuwd wat het straatfeest van 2021 ons brengen zal.

11 september 2020

Nein,nein!

Het laat zich niet met elkaar vergelijken, maar we doen het toch.
Een van de schoonheden van het schoolleven vond ik de cyclische opbouw ervan. Aan het eind van het schooljaar werden vrijwel alle draden afgehecht zodat we rond 1 september weer konden beginnen alsof alles nieuw was. Hetzelfde lokaal, maar andere leerlingen waren nu de brugklassers en bekende leerlingen zaten in een andere klas. Niet alleen de lengte van de zomervakantie is aantrekkelijk voor mensen die voor de klas staan, ook dat cyclische verloop dat ergens in juli ophoudt om na een vijf-, zes- of zevental weken pas weer op gang te komen.

Veertien dagen geleden bezocht ik het Spoorwegmuseum met Lukas. Dat deden we voor de honderdste keer. Ik rond de boel maar even af. Voordat ik bijna wekelijks wel even met hem naar de Maliebaan ging, deed ik dat met zijn neefje Klaas en voor die tijd met Liesje. Gisteren ging ik er voor het eerst naartoe met Markus. Liesje kon de eerste keer maar niet genoeg krijgen van een trap met gaatjes, Lukas verslingerde zich onmiddellijk aan de speelgoedtafel en Klaas rende graag een bepaalde helling af. Waar zou Markus voor vallen?

We werden hartelijk ontvangen door de oud-leerling; misschien bracht zij me wel op die vergelijking met school.
Markus kan heel erg schateren en enthousiast reageren als er een motor voorbijkomt of wanneer hij een poes ziet. Dat zijn toppunten in zijn bestaan.
Het heeft er alle schijn van dat daar nu ook het treintje bij hoort dat vlak voorbij de kaartjesverkoop achter glas zijn saaie rondjes rijdt terwijl hij twee wagons meevoert. Om hem te laten rijden moet je wel op een grote knop drukken. Het treinbaantje bevindt zich op peuterhoogte, achter glas.
Markus begint enthousiast te roepen als ik op de knop druk en de trein begint te rijden. ‘Nein, nein!’
Wanneer die weer stopt, duwt hij met zijn handje op de knop, maar die kan zo kindvriendelijk niet wezen of er moet wat meer druk worden uitgeoefend om het treintje in beweging te krijgen. Dus duw ik mee.
Ik laat het Markus nog een keer met twee handjes proberen, behalve het enthousiaste ‘Nein, nein’ dat door de voormalige stationshal davert alsof hij zingt, klinkt nu eerst ‘Opa, hand, opa hand.’ Ik moet met mijn hand op de zijne drukken. Dan gaat het goed. Het is iedere keer weer een volstrekte verrassing voor hem dat de trein inderdaad gaat rijden als je maar hard genoeg gedrukt hebt.

Er komen andere ouders of grootouders langs met kinderen die ook wel op de knop willen drukken. En dat gebeurt. Markus maakt daar geen punt van. Wel roept hij enthousiast ‘Nein, nein’ en daarbij wijst hij naar de trein die zich in beweging zet. Hij zou het jammer vinden als die andere kinderen dat zou ontgaan. Na een of twee keer hebben die het wel gehad en dan heeft Markus weer eventjes het rijk alleen.

Om hem toch nog het idee te geven dat het Spoorwegmuseum meer te bieden heeft, drentelen we nog wat rond. Hij moet niet gaan denken dat je het met dat ene treintje wel gehad hebt hier.
Voorlopig heeft hij nog niet genoeg van het sneue treintje, maar mocht dat wel zo zijn, dan moet daarmee niet meteen het hele museum een gepasseerd station voor hem worden. Er liggen hem hier nog veel voetstappen te wachten, wat mij betreft.
We lopen verder, al kost het hem moeite om zich los te rukken van het treintje en de knop. Maar die grote treinen zijn ook wel erg indrukwekkend.

10 september 2020

Dit stukje stond deze week als column in PUP, het blad van de protestantse kerk van Utrecht. Dat had deze maand als thema Licht en Donker.

Door het duister naar het licht

Na wat gehobbel en gedraai mochten we onze blinddoeken afdoen en uitstappen. Ik was een van de twee die in de achterbak waren gestopt. We voegden ons bij de andere vijf. De auto reed weg over het bospad. Het was donker. Niemand had een zaklamp bij zich. Je deed mee aan een dropping of je deed het niet.
Buiten het bos wisselde de lucht van zwart naar antraciet. Een doodenkele keer zagen we een verlicht venster in de verte. Daar moesten we ons niet op oriënteren, vond Stephan, met zijn twintig jaar de onbetwiste leider van ons groepje. Na hem kwamen de meiden, tussen de dertien en zeventien, en dan ik, elf.
Huizen, leerde Stephan ons, hielden je net als wegen af van de kortste route. Zo zouden we het nooit winnen. Hij nam ons weer mee het bos in. Links, rechts, noord, zuid, Stephan had er blijkbaar geen moeite mee. De rest wel en het viel ook niet mee om hem te volgen, want vaak zagen we hem niet. ‘Hierheen, hierheen,’ en dan bewogen we de kant op waar het geluid vandaan kwam.
Ik twijfelde aan Stephans speurcapaciteiten, maar er was niemand anders om zijn rol over te nemen. Het struikelen over takken of onverwachte kuilen vond ik wel leuk en de nervositeit van Diny beviel me uitstekend. Vooral toen zij nodig moest plassen, niet bij de groep weg durfde en daarom Stephans schoen nat pieste.
Winnen zouden we niet, begrepen we na verloop van tijd, het was alleen nog zaak om bij de kantine van het vakantiepark terug te komen. Dat lukte. Misschien wel omdat er een ster viel die nacht.
‘Dan mag je een wens doen,’ had iemand gezegd.
‘Ik wil naar huis,’ riep Diny toen.
‘Als je hardop zegt wat je wilt, dan doet je wens het niet’. Toch kwamen we bij de kantine. De lichten waren uit, de deuren op slot.
Niet in ons zomerhuisje. Daar zaten de thuisblijvers om ons uit te lachen. Er was ook soep.
Tomatensoep was het. Dat rook je; je kon het ook zien, onder de lamp.

09 september 2020

De purperreiger

Of ik veel vogels had gezien tijdens mijn Groningse wandeltocht vorige week, wilde de ontwerper weten. Hij veronderstelde dat er heel wat gevleugeld trekwerk plaats zou vinden daar.
Zijn vraag verraste me. Gisteren had ik me er op de fiets over verbaasd dat ik zo weinig vogels hoorde of zag. Door de vraag van de ontwerper realiseerde ik me dat ik inderdaad helemaal niet zoveel vogels had gezien, daar in het noorden. Mijn zwager blijkbaar ook niet; had hij niet zo vaak voor me uit gelopen, met zijn hoge, stapvertragende vogelgevoeligheid.

Ik heb zojuist weer een rondje gefietst: Noorderpark, onder Westbroek langs, Maarsseveense Plassen, doorsteken naar Oud-Zuilen en langs de Vecht weer terug. Ja? Een zeer gebruikelijk rondje, al fiets ik meestal in omgekeerde richting. De oogst? Ik heb geen enkel klein vogeltje gezien. Geen mus, geen zwaluw, geen meesje of vink of andere pieper. De lucht bleef leeg.
Goed luisteren, hield ik mezelf voor en inderdaad hoorde ik uit struiken op afstand wel eens wat gepiep, maar nogmaals: ik zag ze niet. Eenden waren er wel, en meerkoeten. Zwanen en ganzen.Allemaal grond- en waterwerk. Ik telde één keer acht en één keer twaalf ooievaars. Zag in de verte een reiger, kon niet zien of het een blauwe of een purperreiger was en besloot daarom maar een purperreiger gezien te hebben. Blauwe zie je al zo vaak. Ook vandaag nog een stuk of acht. Er werd bijzonder weinig gevlogen. Ook niet door vliegtuigen en de lage wolken maakten het onmogelijk om hun eventuele sporen in de lucht te zien. Horen deed ik ze evenmin.
De koolwitjes hoorde ik ook niet, maar die zag ik wel. Nu zijn dat, net als vliegtuigen geen vogels, maar die fladderden lustig rond. Ik moet er al minstens tien gezien hebben voordat ik besloot om ze te gaan tellen. Ik begon bij tien en kwam op 43. Vreemd genoeg hielden ze bij Oud-Zuilen op te bestaan. Langs de Vecht zag ik ze niet en ook niet op het laatste stukje langs Overvecht. Tegenover die koolwitjes telde ik maar een andere vlinder, dat zal wel een atalanta geweest zijn.
Ook telde ik nog veertig pompoenen in een kraam, groot en klein. Ik klapte nog even in mijn handen; ze vlogen niet weg. Een paard iets verderop probeerde dat tenminste nog. Het galoppeerde als een aspirant-Pegasus langs de bomen van een boomgaard, maar ik bleef horen hoe zijn hoeven telkens weer de grond raakten. Het was ook geen grote boomgaard; mogelijk was daarom zijn startbaan te kort.
De ganzen die ik onderweg zag, zitten er het hele jaar. Er zat geen enkele nijlgans tussen, alleen witte en grauwe. Even boven Oud-Zuilen, bedacht ik nu pas, had je vroeger veel reigernesten. Op gezette tijden gaf het daar een kabaal van jewelste, zag je overal reigerschijt en het kon er stinken. Misschien zitten ze er al twintig jaar niet meer. Ik weet het niet.
Weinig meeuwen ook, alleen bij de ooievaars, de zwanen en de ganzen op de weilanden langs de vecht. Daar ook wat kraaien en kauwtjes. Vlakbij bij huis zaten nog een paar kraaien. Eentje had een stuk walnoot in zijn snavel. Hij was er blij mee, dat zag ik meteen. Het zou zomaar kunnen dat hij die uit mijn tuin heeft gejat. Dat mag. Dat zou ik hem niet kwalijk nemen.

Ik denk eerlijk gezegd dat het helemaal geen purperreiger was die ik in de verte heb gezien. Maar stel je eens voor dat het wél zo was.

O ja, nog een aalscholver. Eentje.

08 september 2020

Met en zonder draad

Wij worden geleefd en dat met de illusie zelf te leven.
Ik doe doorgaans mijn uiterste best om zware en grote woorden en diepe gedachten te vermijden, maar dit moest er toch even uit.

Heb ik het al eens gehad over dat verschrikkelijke moment dat ik mee moest maken in een lokaal Engels op de Populier in Den Haag? Zeventien was ik, dus schrijven we 1969. Op een of andere manier ging het verhaal met mijn buurman over computers. Toen meneer Westerhuis de les was begonnen, sloeg blinde paniek toe, want ooit, besefte ik, zou de wereld geregeerd worden door computers. Wij zouden onszelf laten aansluiten op allerlei grote machines waardoor we allemaal over dezelfde dingen zouden praten, dezelfde angsten zouden hebben, dezelfde beelden voor ogen zouden krijgen. Achter de apparaten zouden grote mannen zitten, mannen van macht. Maar ook mannen die zelf aangesloten waren op die apparaten, die geloofden in hun macht en er gelukkig mee waren, maar die even zo goed in hetzelfde universum leefden als de slachtoffers van deze apparatenterreur.
Intussen weet ik dat die apparaten helemaal niet zo groot meer hoeven te zijn als ik toen dacht. Een mobieltje is groot genoeg.

Daar begon mijn afkeer van televisie en ook van film, technische middelen zonder vlees en bloed, die eropuit waren volksstammen mensen simultaan dezelfde gevoelens en gedachten op te leggen.
Volgens mij ben ik nog opgestaan in dat lokaal, om uit het raam te kijken. Zeker weten doe ik het niet, want ik herinner me absoluut niet dat meneer Westerhuis me tot de orde riep.

Wel weet ik dat ik eenmaal thuis zelfs een beetje moeite had om op mijn kamer de radio aan te zetten en kon ik wel een plaat draaien van een afwezige Bob Dylan? Toen ik ’s avonds de hond uitliet, werd ik nog droeviger dan anders van de mensen die achter hun ramen aan de tv gekluisterd zaten. Gekluisterd was daarvoor trouwens het goede woord.

Toen ik zojuist de computer aanzette, verscheen het pictogram van een wolkje. Als je daarop klikt, krijg je de mededeling dat One Drive helemaal up-to-date is en dat je zo bij je persoonlijke kluis kunt om je gegevens veilig te bewaren. Zo duikt soms I-cloud op. Maar ik maak meer gebruik van Google Drive, want dat vinden andere mensen handiger en dus doe ik maar mee. Toch voel ik weer hoe ik langzaam maar zeker verstrikt raak in een zogenaamd mensvriendelijk maar in essentie juist onmenselijk web van techniek. Een stap naar de sociale media waaraan wij kleven, is gauw gemaakt. Ik zou daar ook mee moeten stoppen, met dat Facebook, dat getwitter en meer. Gisteren heb ik plotseling een teamvergadering voor een groep aangemaakt, een gevalletje Microsoft. Maar dat heb ik helemaal niet gedaan! En Marianne nodigde mij en anderen eergisteren ook al uit voor een Teamvergadering; ook zij wist van niets.

Opstaan en verder leven zonder stekkers, glasvezel en G3, 4, 5, 6, 7. Heerlijk lijkt het me. Maar ik doe het niet.
Ik lees dat Lewis Hamilton eigenaar is van een team dat de autosport een klimaatvriendelijke wending wil geven door in een elektrische raceklasse te gaan rijden, in door de natuur aangetaste gebieden. Zelf blijft hij in de onmatig vervuilende Formule-1-bak rijden. Zijn ambities en verplichtingen bij Mercedes maken dat noodzakelijk, zegt hij. Daarom zit hij achter een stuur zoals ik achter een toetsenbord of met mijn vingers op het scherm van een mobieltje.

06 september 2020

B A B C B C B

Op zaterdag rijdt er geen bus door ’t Zandt. Dat betekende dat we het openbaar vervoer maar lieten voor wat het was om met auto en fiets begin- en eindpunten van onze wandeling te bereiken. We zouden lopen van A naar B naar C. C is het al genoemde ’t Zandt.
Vrijdag reden we naar Uithuizen en daar lieten we de auto staan om naar Warffum te fietsen, van B naar A. Daar kon na een lunchvervangend groot stuk huisgemaakt appelgebak de wandeling beginnen waarom het allemaal begonnen was. We hadden net zo goed de trein kunnen nemen van Uithuizen naar Warffum, maar dat bedacht ik pas toen die ons passeerde terwijl wij al op de fiets zaten. Nu is fietsen geen straf en zonder fietstocht zou het appelgebak iets minder lekker gesmaakt hebben.

De volgende dag, de zaterdag dus die ons een reis met trein en bus door de neus boorde, reden we met de auto van B naar C, fietsen achterop. Dat wil zeggen: fietsen achterop tot C, want vandaar gebruikten we die om weer terug te komen in B. Ook daar wachtte ons koffie en gebak, een vruchtengevalletje. Het grote appelgebak van A zou ons ondanks het fietstochtje te zwaar gevallen zijn. We hadden eerder in B al uitgebreid ontbeten bij een ‘Vriendin op de Fiets’.
Aat merkte op dat hij nog nooit in Uithuizen was geweest en dat dit nu plotseling al de derde keer was, dat hij er kwam. Ik win het van hem, want ik ben er in de jaren tachtig twee keer doorheen gefietst. Twee keer, omdat ik toen de oude Jacobuskerk graag van binnen had gezien. Dat is me toen niet gelukt en ook nu ging dat feest niet door, dus ik zet een zesde bezoek aan Uithuizen alvast in mijn agenda.
De wandeling voerde op afstand langs Uithuizermeeden. De hoog opgespoten slagroompunt van de toren van de Mariakerk is sowieso een blikvanger, maar verzorgde nu samen met de zon en een zeer gevarieerde en beweeglijke wolkenlucht, of wolkenvlucht, een lichtshow.
Die zagen we dus vier keer: eerst vanuit de auto, toen vanaf de fiets, daarna tijdens de wandeling en toen we met de auto terug reden van C naar B om de fietsen op te halen, ging dat spel onverdroten door. Die kwetsbare bovenbouw, de Meistertoren, van drie, nee, vier gestapelde lantaarntjes staat daar al driehonderd jaar te balanceren. Hij is 48,5 meter hoog. Het is een wonder, en dat in dit kwetsbare gebied van Noord-Groningen. Alsof de toren een lange neus maakt tegen de aardschokken. Ook de kerk in Uithuizermeeden ken ik alleen maar met de deur op slot. Moet dus ook weer op het lijstje.
Dat geldt niet voor Oldenzijl en ’t Zandt. Oldenzijl passeerden we op afstand, maar met goed zicht op het romanogotische kerkje dat aan de heilige Nicolaas werd gewijd. Het ronde koortje is intussen achthonderd jaar oud, maar ziet er doordat het zo klein is, maar vooral omdat het sierlijk is gemetseld, nog jong uit. Achthonderd jaar jong. En dat dankzij de rondboogjes, de colonnetten en de vriendelijke raampjes. Ook hier doet de zon mee. Al krijgen we even verderop een stortbui over ons heen waarvan de adem stokt, maar als ik mijn regenjas eindelijk aan heb, kan die meteen weer uit.
En zo bereiken we C, waar je ook al zo’n vrolijk stemmende Mariakerk aantreft. Met losse toren. Maar wat een vrolijk metselwerk. En moet je binnen die schilderingen eens zien! Toch maar weer op mijn lijstje. Doe Oldenzijl dan ook maar.

02 september 2020

Boterberg

Het hoofd van Grapperhaus lijkt er geen moeite mee te hebben als er een pak boter op gelegd wordt. Het zal wel blijven liggen en als hij er toch mee in de zon gaat lopen, dan wordt in ieder geval zijn haar niet vies. Hoe het met de rest gaat, weet ik niet, daarover wordt op dit moment gedebatteerd in de Tweede Kamer. Ik vind de heer Grapperhaus een stommeling, dat hij in coronatijd een huwelijk doorzet (ik ken verschillende stellen die dat voorlopig een jaar hebben uitgesteld) en dat hij zich niet aan de coronaregels houdt en dat juist hij dat doet als man die er als eerste verantwoordelijk voor is dat mensen zich aan die kille voorschriften houden. Over die voorschriften valt te twisten, ikzelf vind ze kil, koud en onmenselijk, maar ik ben onvoldoende in de materie ingevoerd om te zeggen dat ze er niet zouden moeten zijn. Ik vind de heer Grapperhaus vooral een grote stommeling omdat hij beschikt over verstand, gezag en heeft laten zien dat hij heel wat in zijn mars heeft als minister.

Vanmorgen zag ik in de krant de strip van Pieter Geenen, waarin mensen zich ter verontschuldiging van hun eigen gedrag met een grote mond verschuilen achter de minister (en een koninklijk paar in Griekenland). De strip brengt je in drie stappen naar het punt dat iedereen kan doen en laten wat hij of zij wil omdat er altijd wel een voorbeeldig fenomeen is om mee aan de haal te gaan. Dat zijn de mensen met boter op hun hoofd en stront in hun ogen en gebrek aan fatsoen. Voor die mensen ben ik zelfs een beetje bang, ze behoren tot de horde die toeslaat en de eigen verantwoordelijkheid aan de kant zet zodra zich een mogelijk excuus voordoet. Of dat nu de stommiteit van een minister is, licht dat uitvalt of een moment waarop iedereen toevallig de andere kant uit kijkt.

De derde boterberg kom ik tegen in Den Haag. Natuurlijk laten de regering haar collega-minister niet vallen, zolang de goegemeente, met enig gemor weliswaar, aangeeft dat de heer Grapperhaus toch maar het beste kan blijven omdat hij ondanks dat geblunder nu eenmaal de beste is. Maar ze laten hem wel vallen als de goegemeente wel zin heeft in het bloed van een minister, wat nu eenmaal een trekje is van de goegemeente, want de goegemeente, waar trouwens ook weer partijen voor zijn, of waar partijen om politieke (= allesbehalve belangeloze) redenen gevoelig voor zijn, ik zei: want de goegemeente houdt wel van het bloed van hooggeplaatsten. Partijen maken ongetwijfeld gebruik van de situatie om de eerder genomen maatregelen alsnog onderuit te kunnen halen. Ook een geval van onzuivere boterhandel. Of ze zijn nu om praktische, lees weer: politieke (= nog steeds verre van belangeloze) redenen voor handhaving van de heer Grapperhaus als minister en zeggen dat het fout is, maar we ook de menselijke kant van de zaak moeten bezien. Zoiets.

Er is een liedje van Johnny Jordaan, ik weet niet of Grapperhaus het kent, maar dat zou zomaar kunnen. Het dat begint zo:

Was ik maar nooit getrouwd,
dan had het me nooit berouwd.


Het schiet me spontaan te binnen en ik grijp van schrik naar mijn hoofd. Wat voelen mijn haren raar! Zo klef, zo vet. Verbijsterd kijk ik naar mijn vingers. Hoe is het mogelijk! Ik heb ze vanmorgen nog gewassen. Die vingers, maar ook dat haar.

01 september 2020

Lotnummer 2228

Toch maar weer over mijn zakhorloge. Ik vertelde ooit dat ik het draag om mijzelf eraan te herinneren, maar ook om uit te dragen dat tijd een kostbaar goed is. Vandaar dat ik graag de moeite neem om het horloge uit mijn zak op te diepen, met een knopje het klepje open de laten springen om dan pas te zien hoe laat het is. Het horloge is twaalf jaar oud en loopt op een batterijtje. Dat is nog steeds zo: het ligt hier voor me en geeft de juiste tijd aan. Sinds een week heb ik het niet meer op zak, met een ketting aan een lus van mijn broek. Ik had het er niet over willen hebben, maar gisteravond ‘bladerde’ ik wat door de catalogus van een kunst- en inboedelveiling die er aan staat te komen en daar trof ik een lot aan, zoals dat heet, dat bestond uit een doosje vol zakhorloges. Het zullen er al gauw een stuk of veertig zijn geweest. Er zaten ook losse onderdelen tussen. Verwachte opbrengst: 500 euro.

Dat zou dus zomaar het lot van mijn horloge kunnen zijn, verzeild te raken in een zee van tijd waarvan de golven verstarren zodat alles in het doosje uiteindelijk stilstaat. Op mijn bureau ligt nog een ander zakhorloge. Het is een dikke knol en het is opgeborgen in het rode doosje waarin het ooit werd aangeschaft. Dat zou makkelijk honderd jaar geleden kunnen zijn. Ik kreeg het van mijn zwager, omdat ik meer om dat soort oude spullen geef dan hij. Het was het horloge geweest van de grootvader naar wie hij vernoemd was. Ik krijg het horloge niet aan de praat.
Vreemd genoeg, heb ik nóg een zakhorloge, ook dat doet het niet en ook dat zou afkomstig zijn van diezelfde grootvader, Pieter de Zeeuw. En om het nog bonter te maken: Mente heeft ook nog ergens een zakhorloge liggen, ook toegeschreven aan diezelfde opa. Ik vermoed dat we de eigenaars ervan vergeten zijn.
Het is een veeg teken dat alle gestokte tijd aan ons wordt toevertrouwd als iets dat ooit werd gekoesterd, maar inmiddels nauwelijks meer waarde heeft. Ik zou eens met die horloges naar een reparateur kunnen gaan, maar wat win ik erbij als ik die horloges aan de praat krijg?

Ik vraag het me af omdat het horloge dat ik de afgelopen jaren telkens bij me droeg nu heb afgedaan met het idee dat het maar beter is om het niet meer te dragen, ook al loopt dit uurwerkje in tegenstelling tot die andere uurwerkjes nog prima. Er is alleen iets anders aan de hand. Het slotje waarmee je het dekseltje (we ontkomen bij dit horloge niet aan verkleinwoorden, excuses daarvoor) kon laten openspringen, reageerde al niet meer zo kwiek en de veer van het scharniertje liet het klepje al langer niet zo enthousiast openspringen, maar nu is het dekseltje losgescheurd.
Een paar dagen droeg ik het horloge zonder deksel maar het horlogeglas blijkt niet erg krasbestendig. Als ik het bij me draag, is het een kwestie van tijd (ja, ik zie het ook) en de tijd laat zich door het gehavende glas niet meer aflezen. Dekseltje monteren? Titanium, en dat met een slot dat al bedenkelijk begint te worden en een veer die zijn naam steeds minder eer aan doet… Het lijkt me zinloos.
Ook niet iets om lang bij stil te staan (stilstaan, ik zie het). Wel jammer dat ik net nu in die digitale veilingcatalogus een foto van een doos vol zakhorloges tegenkom.

* Ook in OH 2019025 en OH 20200515 komt het horloge voor.

30 augustus 2020

Te Winsum

Het afgelopen jaar was ik een paar keer even in Winsum. Aat en ik gebruikten de plaats vooral als overstapplek om met de bus bij het punt te komen waarvandaan we onze wandeling door Groningen konden vervolgen, of omgekeerd: om vandaar weer thuis te geraken. Als het goed is, komen we er in de loop van de week weer langs, al blijven we dan wat langer in de trein zitten.
Winsum is de plaats van familieverhalen. Mente is er als kind niet heel vaak geweest, maar die keren dat ze er was, waren indrukwekkend genoeg om zich er de logeerpartijen bij haar overgrootvader te herinneren. Hindrik Heerema werd 98 en die leeftijd maakt je inderdaad onvergetelijk bij je nazaten. De band met Winsum was ook innig omdat Mentes moeder en grootmoeder, hoewel die in Den Bosch woonden, er soms langdurig hebben gebivakkeerd.
Wie Winsum (of Obergum, dat loopt behoorlijk door elkaar) zegt, zegt Heerema, zegt familie, zegt ons, leerde ik van mijn schoonfamilie. En dat betekent dat de nazaten van Hindrik opveren als ze horen dat Winsum is uitgeroepen tot mooiste dorp van Nederland. Hún Winsum.

Een jaar of dertig geleden, we waren net begonnen aan het Pieterpad, hebben Mente en ik er op een begraafplaats nog eens eindeloos langs graven gelopen, op zoek naar het graf van de in 1959 overleden Hindrik en zijn vrouw. We vonden het niet. Ook zijn we nog op zoek geweest naar het huis waar hij had gewoond. Later begrepen we dat we op de verkeerde begraafplaats hadden gelopen en ook dat het huis geruime tijd daarvoor al was afgebroken.

Twee jaar terug deden we een nieuwe poging door op de andere begraafplaats te gaan kijken. Onderweg liepen we nog een winkel binnen die er in de jaren vijftig ook al was geweest. Toen woonde daar een jongetje met wie Mentes broer speelde als hij in Winsum logeerde. In de winkel hing een foto van het jongetje, maar dan als man van in de zeventig. Hij was de vorige eigenaar van de winkel en hij was overleden.

Omdat ik me wat lamlendig voel vandaag kom ik niet veel verder dan lezen, bladeren, doezelen. En ik scharrel op mijn mobieltje wat rond in de Open Archieven. Op een of andere manier is Hindrik Heerema uit Winsum uitgegroeid tot een aartsvader; bovendien is er een stamboom van de familie. Daar ook, in dat pittoreske en onvergetelijke Winsum groeide dus ook zijn dochter op, maar waar kwamen haar man en diens familie vandaan? Ik kom ze tegen in geboorte- huwelijks- en overlijdensregisters. Klaas van der Laan kwam ook uit Winsum-Obergum. Net als zijn ouders en zijn grootouders, ook moeders kant, de familie Tel.
Generaties voorgeslacht van mijn kinderen hebben daar dus hun leven geleefd. Ze zijn er geboren, getogen en gestorven. En vergeten. Geen plek heeft er nog weet van de kinderen die er knikkerden, achter een hoepel aan renden, de koeien naar stal brachten, brood kochten en naar de kerk liepen. Niemand die het nog weet. Van de plek waar nu een Jumbo zit, weet een enkeling dat er in de jaren zeventig een cafetaria was, bij wijze van spreken. Daar houdt het mee op.
En mijn kinderen, wat zegt het mijn kinderen, dat er in het noorden van het land een plaats is waar hun voorgeslacht zich bijzonder thuis voelde. Het dubbele dorp, met zijn bijzondere kerken, dat gekke bruggetje, en al dat land eromheen, het water, het zat ze in het bloed.
De kinderen vergeten de plek; de plek vergeet zijn kinderen. Ik kan daar nogal slecht tegen.

29 augustus 2020

Gebit in vogelvlucht

De kroon die zich afgelopen maandag in een dropje verstopte, is weer terug op zijn plek en we hebben het weer goed samen. De tandarts heeft er alle vertrouwen in dat hij nu niet meer los zal raken. Ik vroeg haar gisteren of zij wel eens droomde van haar werk, van al die uit tandvlees en speeksel opdoemende spelonken en rotsformaties die zij moest uitlichten met een felle lamp terwijl ze al die ongerechtigheid ook nog eens uitvergrootte met dat kijkertje op haar veiligheidsbril.

De avond ervoor had ik een documentaire gezien waarin iemand onder andere in een zweefvliegtuig over de besneeuwde toppen van de bergketen vloog die over de hele lengte van het Nieuw-Zeelandse Zuidereiland loopt. Terwijl ik in de tandartsstoel lag, kwamen die beelden weer terug. Daar kwam bij dat ik de nacht daarvoor had gedroomd dat ik als schoolleider een team onder mijn hoede kreeg en merkte dat een aantal mensen naar me keek alsof ik hoognodig geconsumeerd moest worden. Met huid en haar. Hoewel ik sliep, werd ik erg alert in mijn droom.
Ook dat kwam weer terug in de tandartsstoel. Vandaar dat ik me begon af te vragen of de tandarts ook droomde van gebitten, van kraters waaruit een kies verdwijnt, van een vanwege een noodzakelijke wortelkanaalbehandeling in steigers geplaatste rotspartij of het spook van een onwillige tong die zich om de boor krulde. Ik heb nooit begrepen wat iemand er toe kon brengen om zijn of haar toekomst te zoeken in de tandheelkunde, ook al in de tijd dat ik er nog niet aan dacht dat iedereen regelmatig van zijn of haar werk droomt, dus een tandarts ook.
Het beeld van een tandarts die boven rotsformaties zweeft, stond me wel aan.

De tandarts droomde inderdaad wel van haar werk, vertelt ze, maar niet van moeizame of afzichtelijke gebitten die ik haar suggestief probeerde aan te smeren. Wel droomde ze regelmatig van het moment waarop ze met een moeilijke ingreep moest beginnen. De voorbereidingen waren getroffen maar nu kwam het er even op aan. Dat moment, waarop je denkt: nu, nu moet het gebeuren. Ook dat herkende ik van de documentaire over Nieuw-Zeeland. Daarin besluit de presentator dat ook hij maar als een jonge vent van een klif af moet springen. Met een lang elastiek aan zijn been. Je ziet de spanning op zijn gezicht als hij de rand van de klif nadert. De instructeur roept dat hij nog dichter bij de rand moet gaan staan. Nee, nog dichter! De presentator doet het, met enorme tegenzin. Een paar keer krijgt hij te horen dat hij kan springen. Nu. Doe maar. Spring maar. En dan springt hij.
Naderhand vertelt hij dat dat het spannendste moment is van de sprong, het moment waarop je inderdaad springt. Dat duurt maar heel even. Al aan het begin van de sprong is dat voorbij. Domweg omdat je verder moet.
En zo springt blijkbaar ook mijn tandarts in mondholtes voor een moeilijke klus. Nu verder! Nu! Het lijkt mij allemaal niks. Dan maar liever weerbarstige mensen, denk ik.

De tandarts gaat verder.
‘Nog vervelender,’ zegt ze, ‘ is het om te dromen van lastige mensen. Van mensen die moeilijk gaan zitten doen bij de behandeling. Commentaar leveren. Eigenwijze mensen leveren de vervelende dromen.’
Dus toch, denk ik.

Volgende keer maar eens vragen wat in de behandelkamer van een tandarts de momenten van vreugde zijn. Zouden die er wel wezen?

27 augustus 2020

De tweede keer*

Na een uitgebreid bezoek aan het Spoorwegmuseum – ik vraag me af of er bezoekers zijn die daar zo vaak geweest zijn als ik de afgelopen zes jaar – had Lukas wel zin in een stukje fietsen. Het liefst in de speeltuin om de hoek. Daar was het rustig en je hebt er een prachtig circuit. Hij kreeg er geen genoeg van, maar zijn behendigheid op het fietsje nam met de minuut toe, al zitten de zijwieltjes er nog wel op. Remmen deed hij door met de punten van zijn schoen over de tegels te schrapen. Ik vertelde hem dat hij kon stoppen door achteruit te trappen. Herhaalde dat even later. Deed het voor door zijn enkels vast te houden en die vervolgens de andere kant op te draaien. Toen hij zei dat hij dat nu eenmaal niet kon, en dat op een toon waaruit berusting klonk, wist ik dat ik het er niet meer over moest hebben. Hij zou het waarschijnlijk nog eens proberen als ik me er verder niet mee bemoeide.
Vijf minuten later kwam hij op me af geracet. Hij remde en stond net op tijd stil.
Maar het alternatieve trapje dat hij moest nemen om ter onderbreking van het fietsen even de glijbaan af te kunnen, dat vond hij nog te moeilijk. Weer rommelde ik wat met enkels en polsen. Weer zei hij dat hij dat nu eenmaal niet kon en daarna zag ik nog twee keer hoe hij de glijbaan weer op klom om daarna weer te gaan racen. Hij was duidelijk bezig met een opmaat voor de toekomst.
Met tegenzin ging hij weer mee naar huis, maar hij sjeesde voor me uit de hoek om, onze straat in. Tot zover de toekomst.

Een eind verderop kwam uit de andere richting een meisje aangefietst. Ze slingerde op haar Cortina met voordrager. Ik herkende haar. Ze woonde tot een kleine twee jaar geleden een blok van ons vandaan. En woont nu twee kilometer verderop. Dat is niet veel, maar ik heb haar en de andere gezinsleden sindsdien niet meer gezien. Of nee: vorig jaar juli trof ik ze bij de uitvaart van hun buurvrouw.
Ik vermoed dat ze naar VWO 6 gaat nu. Ze volgde namelijk een wat langer durend traject. De school die ze bezoekt ligt aan de rand van onze wijk. Misschien moest ze daar vanmiddag zijn en wilde ze in deze nazomerse fase waarin het leven van veel mensen weer een herstart begint, in een vlaag van lichte melancholie even langs vroeger fietsen, langs het huis van haar meisjestijd en dat van haar lieve oude buurvrouw Annie. Stevig verbouwde huizen met een bakfiets voor peuters voor de deur.

‘Even langs vroeger?’ Ik zei het meer dan ik het vroeg. Ze glimlachte. Het leek erop dat ze blij was dat ze herkend werd door die man van een blokje verderop. ‘Langs het laantje van de herinnering.’ Ik zei het alsof die woorden voor mezelf bedoeld waren, terwijl ik verder liep en zij, nog steeds slingerend, de andere kant op fietste. ‘Ja, Memory Lane.’ Het klonk zelfs een beetje opgelucht. Ik zei niets meer, keek ook niet om, maar knikte wel. Ik moest haar maar even laten, met haar eigen herinneringen.

Bij de voordeur trof ik het fietsje aan. De Toekomst had het daar laten staan. Dat moet Opa maar naar binnen sjouwen, zal De Toekomst gedacht hebben.

* Dit is de tweede keer deze week dat iemand een sentimentele tocht door de straat maakt, zie Och Heden 20200825.

26 augustus 2020

Drop

Schrijven gaat me vandaag makkelijker af dan praten. Hoe langer ik ontkroond ben, hoe moeilijker me dat valt. Toen we afgelopen maandagmiddag uit de auto van de oudste stapten, kreeg ik nog een dropje. Het ging in dit geval om een Zeeuwse knoop. Oogst van een vakantie bij Veere. Ik mocht er een uit het potje halen dat me werd voorgehouden. Het beviel me dat ook in deze auto drop een vaste plek heeft gekregen en ik weet wel zeker dat dat in dit geval door Klaas komt. En die heeft dat van mij. Als hij bij mij in de auto zit, krijgt hij altijd een dropje en voordat hij weer uitstapt, heeft hij een tweede te pakken. Ik heb in de auto al jaren een bakje met dropjes bij de hand. Dat hoort bij het ritueel van het autorijden. Ook Lucas, de jongere neef van Klaas, rekent daar op en misschien kennen intussen ook zijn paps en mams de autodrop. Goed voorbeeld doet goed volgen.
Ik kauwde dus met dubbel plezier op de Zeeuwse knoop toen ik uitstapte, de auto nazwaaide en op iets hards beet.

Ik wist meteen wat er loos was. Het was me vier jaar geleden, minus een maand, ook overkomen. Toen ik bij Hoek van Holland van de boot af was, nam ik mijn eerste dropje. Anderhalf uur later zat ik bij de tandarts. Die maakte de boel ter plekke in orde en verbood me om ooit nog drop te eten. Aan dat verbod heb ik me niet gehouden. Erger: ik heb kleine kinderen ook op het slechte pad gebracht. Maar die hebben nog geen kronen die los kunnen komen.
We leven intussen niet alleen vier jaar maar ook een tandarts verder en het is weer gelukt. De nieuwe tandarts liet me een dag wachten en daarom kwam ik pas vanmorgen in die ongemakkelijke stoel terecht. Ik vroeg of zij nu ook ging zeggen dat ik geen drop meer mocht eten, maar deze tandarts is een generatie jonger dan de vorige. Misschien dat ze daarom geen antwoord gaf; mogelijk is een volgende generatie ook iets minder belerend. Wél zei ze dat de kroon, die ik eergisteren gelukkig uit de taaie zwarte brij wist te redden, gezandstraald moest worden om ervoor te zorgen dat die weer stevig in mijn mond kan worden teruggezet. Vervolgens heeft zij de ontkroonde kies te pakken genomen. Lijmresten verwijderen en zo, zodat ik vrijdag wat sneller met kroon en al de praktijk en dus ook die verschrikkelijke stoel weer uit kan.

Ik heb gisteren en vandaag niet in de auto gezeten, bang als ik ben dat ik bij het wegrijden automatisch een dropje in mijn mond stop en stevig ga zitten kauwen. Ondertussen is alle aangename vanzelfsprekendheid uit mijn leven verdwenen en dat allemaal vanwege een dropje, al was die Zeeuwse knoop wel bijna twee keer zo groot als het Friese dropje die ik in de auto heb.
Geen drop, geen auto rijden, maar ook weinig praten, want door dat voorbereidende werk van de tandarts zijn de randen van de gehavende kies wel wat scherper geworden en daar is mijn tong nogal gevoelig voor. Eten gaat nog wel, maar praten is geen lolletje. Dat merkte ik toen ik zojuist bij een bevriende tandarts op bezoek was. Ik heb hem niet verteld wat er aan de hand is. Stel je voor dat hij zou gaan zitten lachen. Dat zou me te pijnlijk wezen.

25 augustus 2020

Een glanzende gevel

Wat gebeurde er vanmiddag om een uur of half drie? Het lot dat Armeniërs trof die langs allerlei onaangename wegen in de Tweede Wereldoorlog verzeild waren geraakt, kon zo beroerd niet wezen - en het was beroerd, zo las ik in het boek op mijn schoot - of ik werd toch even afgeleid door de auto die voor het huis stil was blijven staan. Stationair draaiende motor, raampje opengedraaid en een vrouw die daar glimlachend doorheen keek. Ze praatte met iemand.
Ik las verder.

Ik keek weer op en zag tussen de lamellen door hoe zij nog steeds glimlachte en praatte. Maar met wie? Natuurlijk wilde ik discreet blijven, daarom deed ik niet de uiterste maar slechts een hele kleine moeite om daar achter te komen. Ik zag niets en ook hoorde ik niemand terugpraten. Het was een raadsel. Ik las verder.

Het drong tot me door dat ik die vrouw achter het stuur kende, maar wie… Toen ze langzaam, nog steeds breed glimlachend wegreed, wist ik het. Ik sprong demonstratief op om alsnog te zwaaien. Ze keek niet. Maar ik zag wel dat er een jongetje naast haar zat, eentje van een jaar of tien. Zo zat het dus. Zij had de hele tijd tegen dat jongetje zitten praten. Ze had verteld van het huis waar ze vroeger gewoond had. Een jaar of twintig geleden was ze vertrokken. Maar wat zag ze er goed uit, Marja. Veel slanker dan in de tijd dat zij naast ons woonde. Wel verbaasde het me dat ze geen enkele keer onze kant op keek. We hadden indertijd goed contact als buren. Dat bleef toen ze het huis uit ging. We deelden daarna nog lang de zorgen om haar ouders. Die zijn er niet meer.

Ik vertelde het toen Mente terug kwam. Op het moment dat ik vertelde dat Marja slanker was dan vroeger, dat ze zelfs wel veel jonger leek dan vroeger, begreep ik dat het Marja helemaal niet was geweest. Mente snapte dat onmiddellijk. In mijn geval werd andermaal duidelijk dat het beter is om over zoiets te praten.

Desondanks probeerde ik nog even om mijn eerste idee overeind te houden door het over Marja´s steile haar en haar pony te hebben, maar daardoor werd juist helemaal duidelijk hoe het zat. Marja had al heel lang een permanent, zei Mente. Dat was waar, ik was het vergeten. En Marja was nu in de zestig, inderdaad. En dat was de vrouw in die auto niet. Ook niet aan gedacht.
Tegelijkertijd wist ik dat mijn vergissing niet compleet was. De genen van onze buren van ooit zijn zo onmiskenbaar en die genen hadden ook achter het stuur van de bewuste Volkswagen Polo gezeten. Ik wist het zeker. Vooruit, dan was het niet Marja geweest, maar het kan niet anders of in die auto had een nichtje van haar gezeten, een kleindochter dus van buurman en buurvrouw Van der Beek. De gevel van het huis hiernaast had naar haar geglimlacht zoals zij naar die gevel glimlachte. Achter ieder raam verscheen een zoete herinnering die zich liet spiegelen in haar gezicht. Het waren herinneringen aan de tijd dat zij bij haar oma en opa logeerde, de tijd dat tante Marja daar nog woonde. Het waren zulke lieve mensen. En dat vertelde ze allemaal ook aan haar zoontje van tien en toen ze weer verder reed, kwamen er nog meer herinneringen boven.
Ik hoop maar dat dat jongetje naast haar goed heeft opgelet en niet alles vergeet wat zijn moeder hem vanmiddag vertelde.

24 augustus 2020

Panda

Omdat Liesje bij een vriendin logeerde, mocht haar vader in haar plaats mee naar de dierentuin. Weliswaar was ik een mooie actie op het spoor gekomen waarbij je met zijn allen voor de helft van de prijs naar binnen kon, maar die ging pas in op 1 september. Dat is begrijpelijk: het is een manier om iets te doen tegen de dan abrupt gestopte toelevering van vakantievierende scholieren, maar daar zit hem nou net de kneep. Wij wilden juist naar de dierentuin omdat het de laatste vakantieweek was.
De uitkomst is belachelijk, want nu trokken er drie volwassenen naar Rhenen, een jongetje dat over een maand pas twee wordt en inderdaad een jongen van zes, de enige voor wie het hele verhaal opgaat. Achteraf vraag ik me af waarom we niet dat andere kleine blikje kleinkinderen hebben opengetrokken. Maar als gezegd: dat is achteraf.
Ik heb heel braaf achter mijn camera aangelopen, hoewel de ervaring me heeft geleerd dat al dat gefotografeer niets oplevert. In Nieuw-Zeeland moest ik veel meer moeite doen een pinguin te fotograferen en eerlijk gezegd staat die van gisteren er veel beter op, maar in de gevangenschap van een dierentuin gefotografeerde dieren brengen een onaangename context met zich mee. Alsof het niet echt is. De leeuwen in Serengeti, waarvoor ik wel terug moet naar 1982, waren een sensatie. Nu richt ik mijn fototoestel wel even op de leeuwen, maar ik klik niet. De twee jongetjes in ons gezelschap fotografeer ik wel. Die zijn echt.
Zouden die beesten achter hun tralies, achter glas en diep uitgegraven greppels zich bewust zijn van hun onechtheid? Ach, het is het oude verhaal, maar ik word er toch altijd weer een beetje wee van, van die combinatie van bordjes, zuurstokken, kinderen in klimrekken en die daaromheen in afzonderlijke vakjes, in een onprettige, stuntelige, minuscule nepbiotoop gevatte dieren.

Het moest natuurlijk Ouwehand in Rhenen worden, want een panda had ik nog nooit in het echt gezien. Nu wel en ik kan je vertellen dat een panda er uit ziet als een panda, wit-zwart gevlekt. En wel zodanig dat je niet kunt zeggen dat het een zwarte beer is met witte vlekken, maar ook niet dat het precies omgekeerd is. Van de drie panda's zagen we er eentje in zijn binnenruimte. Van de kleine en de andere grote heb ik misschien op video een vlek gezien, ergens achter een strobaal. Hun verblijf in Rhenen gaat gepaard met allerlei afspraken en regelingen, voorwaarden, geld en bamboe.
Hoe langer je door een dierentuin loopt, hoe interessanter de musjes worden.
Maar goed, ook ik heb ooit een echte panda gezien. Die kan nu ook op mijn lijstje. Daar heb ik 68 jaar op moeten wachten.
'Ik ben zes en ik heb hem ook gezien,' zegt Klaas.
'Tommy moet nog twee worden.'
'Die heeft niet eens gekeken.'
Dat is waar. Gelukkig maar dat we voor Tommy niet hoefden te betalen.

23 augustus 2020

Tasje

Vanmorgen zat ik in de kerk recht achter Nel, gescheiden door een lege rij, de coronabuffer. Als ik Nel een rots in de branding noem dan doe ik haar recht, maar die uitdrukking zegt niets van haar postuur. Nel is slank, zeker niet groot, maar ook niet echt klein. Nels houding combineert bescheidenheid, trouw en vasthoudendheid. Dat is veel, maar je ziet het in een keer. En dat is weer heel knap.
Nel was diaken van dienst en dat betekent onder meer dat ze zich ontfermt over het gebedenboek, dat ze de collectes regelt, maar in onze kerk zorgt de diaken er ook voor dat ruim voordat de dienst begint de zeven kaarsen van de menora zijn aangestoken, teken van verbondenheid met Israël, of met het joodse volk, zo wordt er regelmatig bij verteld.
Na het orgelspel waarmee de viering begint, loopt de diaken naar voren, naar de grote menorakandelaar om met het licht daarvan een klein kaarsje aan te steken. De menora staat uiterst rechts in het liturgisch centrum. Vanaf die plek loopt de diaken naar de paaskaars. Met dat brandende kaarsje. Dat is iedere keer weer een precaire aangelegenheid. En of de kerk nu stampvol zit, of, zoals nu in deze anderhalvemetertijden, maar matig gevuld is, iedereen kijkt met ingehouden adem naar de reis die dat kleine vlammetje moet afleggen zonder te doven. Die paaskaars staat namelijk aan de andere kant van het liturgisch centrum. Voorzichtig, maar toch ook met een zekere behendigheid en meestal zonder beschermend de andere hand voor het vlammetje te houden, loopt de diaken van rechts naar links. En, het moet gezegd, vrijwel altijd gaat dat goed en komt de diaken met een brandend kaarsje bij de paaskaars. Dan zijn we er nog niet: om dat aan te krijgen, moet zij of hij, in dit geval een zij, want we hebben het vandaag over Nel, ook nog twee treetjes van de kansel op, want vanaf die hoogte pas kun je de paaskaars aansteken. En dan is het nog maar de vraag of de lont daarvan wel vlam wil vatten.
Vandaag heeft Nel dus dienst en het gaat allemaal goed. Halverwege vertraagt ze omdat het vlammetje wel heel klein wordt, maar helemaal stilstaan hoeft niet, want daar licht het vlammetje alweer op. Ze vervolgt haar weg.
Ook zij gebruikt haar andere hand niet om de vlam te beschermen. Ze maakt het spannend.
Nel loopt wel een beetje gebogen en daarmee vormt ze nog meer een eenheid met het kwetsbare licht dat zo meteen, als alles goed gaat, de kerk van Christus zal verbinden met haar joodse bron. Maar Nel doet nog iets en dat gebeurt op een zo subliem bescheiden wijze dat het makkelijk aan je aandacht kan ontsnappen. Ze draagt een schoudertasje. Dat laat ze met een band om haar rechterschouder afhangen tot iets voorbij haar rechterheup. Ze kiest dus niet voor de makkelijke diagonale variant, nee, het bandje van het tasje gaat verticaal omlaag. Aan de kant waarmee even later ook dat kaarsje over de volle breedte van het liturgisch centrum wordt gedragen. Er hoeft maar iets te gebeuren en het bandje glijdt van haar schouder en dan kan het niet anders of het gaat mis met het brandende kaarsje.
Dat gebeurt niet. Het duurt niet lang of de paaskaars brandt. Nel blaast het kleine kaarsje alsnog uit, legt het op een tafeltje en loopt, met dat tasje, rustig naar haar plek recht voor me.
Het liefst zou ik nog tien seconden mijn adem willen inhouden om daarna in luid gezang uit te barsten. Het is een adembenemend schouwspel.

22 augustus 2020

De schoonmaak

We worden tegelijk wakker. Kwart over zeven blijkt al half negen te zijn geworden. Vandaar dat niet alleen ik, maar aan de andere kant van het bed ook Mente meteen overeind komt. We zitten met de rug naar elkaar toe om deze nieuwe dag langzaam tot ons door te laten dringen. We moeten weg vandaag, weet ik.
Even ben ik weer het jongetje van zestig jaar geleden dat na het vroege ontbijt het huisje uit werd gestuurd, want ik liep toch maar in de weg. Dan slenterde ik nog wat over bospaadjes van het vakantiepark waarin ik me de afgelopen weken die paden juist zo eigen had gemaakt. Nu leken dat levende organismen die zich langzaam terugtrokken, steeds verder bij me vandaan, totdat ik zeker wist dat dit thuis maar tijdelijk was. Dat het zelfs helemaal geen thuis meer was, maar een willekeurige plek, waar ik nu al niets meer te zoeken had.
Straks om elf uur kwam er een beheerder van het vakantiepark kijken om te zien of alles wel naar behoren was achtergelaten, of de wc was gedaan, de kleedjes waren uitgeklopt, de lampen het nog deden, of er inderdaad nog sprake was van een negendelig bestek en of er geen glas gebroken was. Er ging altijd wel iets stuk. Soms stond een gebroken glas of gesneuveld kopje al wel een week naast het gasfornuis kapot te wezen en teken te zijn van het besef dat dit onderkomen ons onderkomen helemaal niet was, ook niet op de momenten dat we tijdens een gezellige regenbui een potje mens-erger-je-niet zaten te spelen. Zo’n glas kwam op de rekening en zou vervangen worden zodra wij vertrokken waren, maar nog voor, één of twee uur later de nieuwe bewoners het huisje zouden annexeren.
Dat was toen. Het was intussen al heel lang niet meer de bedoeling dat ik me na het ontbijt maar beter uit de voeten kon maken om de grote mensen, dus ook mijn grotere zussen, hun werk te laten doen. Juist niet! Mente en ik zijn onze eigen ouders geworden en tegelijkertijd onze grote broers en zussen.
Na het inpakken verdwijnt de bagage in de auto en komen de fietsen achterop. Dat is mijn klus. Mente is meer van het natte werk. Ik hanteer de stofzuiger. De kleedjes, als ik daar een keer met de stofzuiger overheen ga, lijkt het me wel genoeg. Dan komt Mente langs: ‘De kleedjes heb je nog niet gedaan, zie ik.’
De stofzuiger werkt soepel mee: hij is makkelijker te hanteren dan die thuis, de zuigkracht is prima. Alleen de stang, die krijg ik maar niet van de slang en daardoor kan ik niet even handig een hoekje meenemen. Een keer lukt het. Het is zo simpel, maar ik weet niet wat ik nou precies deed. De stang weer aan de slang te schuiven is een eitje, maar daarna lukt het me niet meer om dat weer ongedaan te maken.

Weer zestig jaar terug: op de terugweg dronken we iets bij De Bilt en we sloten de vakantie af met een uitgebreide maaltijd bij Zoetermeer.
Ook vandaag rijden we om half elf weg. Niemand is komen controleren. Voor een uitgebreide lunch rijden we langs Wezep. Dat is iets om, maar dan heb je ook wat.

En dan zijn we thuis en als ik boven de ramen open doe, dwarrelen mij stofvlokken tegemoet. Er moet hier nodig gestofzuigd worden. Zal ik dat meteen maar doen?
De banden van de orde van de dag beginnen spontaan te knellen.

21 augustus 2020

Een geluidswandeling

Zou het weer er iets mee te maken hebben, met die verhuftering waarmee we in deze maand te maken krijgen? De afgelopen week werden in de Schilderswijk, op Kanaleneiland en in Overvecht onbeschofte onfeestjes gevierd. En andere groepen, boeren die het beste met ons voor hebben, corona-ontkenners die graag in één week willen afbreken wat anderen in maanden zorgvuldig pogen op te bouwen, mensen met een grote bek en disfunctionerende oortjes en met de verstandelijke ontwikkeling van een muis of een eekhoorn, trekken intimiderend door de Hofstad.
Dat zouden ze ook voor mijn eigen bestwil doen, zeggen ze, maar ik loop daar niet en ik ben het heel erg oneens met ze, met wat ze beweren en met hoe ze denken dat ze zich mogen gedragen, namens, eh, namens… niet namens mij dus. De domheid van de massa. Het gaat steeds vaker trekken in mijn darmen als ik de dwazen zie.

Dwaas zal ik de mensen in Wit-Rusland niet willen noemen. Maar ook de beelden die ik daar zie, werken slecht op mijn darmen. Ik geloof niet in massa. Tijdens de geschiedenisles leerde ik dat de revolutie haar eigen kinderen opeet en van de Arabische Lente hebben we niets goeds teruggezien.
Alleen zachte krachten kunnen winnen. Het zijn woorden van Henriette Roland Holst. Maar of het echt zo is, weet ik niet zeker. Ik hoop het, maar twijfel.

Daar had ik in Diepenheim geen last van. Vanmiddag liep ik als een karikatuur van mezelf, maar vrolijk, door een stukje Diepenheim. Korte broek, sandalen, gestreept T-shirt, rode stuurtas van mijn fiets om mijn schouder en een grote camera op mijn buik, petje op en daarop weer een koptelefoon, geleend bij de Kunstvereniging Diepenheim waar mijn oog viel op een blad met daarop de naam van Harm van den Berg. Nu heb ik de afgelopen weken nogal nadrukkelijk diens tekeningen bekeken, dus ik werd nieuwsgierig. Wat blijkt? Harm was in de zomer van 2018 artist in residence van Diepenheim en dat resulteerde onder meer in een geluidswandeling die ‘Het onzichtbare landschap’ werd genoemd.
Dus ik luisterde door die koptelefoon niet naar de bevlogen opvattingen van Lange Frans of de geruststellende woorden van Thierry Baudet die me vertelt dat ik bij zijn partij veilig ben. Ik luisterde naar Harm én ik luisterde naar opnames die hij maakte in het maisveld waar ik nu langsliep, zodat ik de mais hoorde groeien, ik hoorde onder de grond het knagen van wormen, hoorde voor het eerst vissen en ook hoe de bevolking van een mierenhoop tekeer kon gaan. Allemaal op locatie. Het was een wonderlijke wereld.
Verder sprak Harm enkele Diepenheimers. Eentje wist te vertellen dat prinses Armgard hier ooit woonde, op kasteel Warmelo, waar ik eergisteren nog door de kasteeltuinen dwaalde.
‘Je kon hier in het dorp dus af en toe Prins Bernhard en zijn moeder tegenkomen. Dat was in de jaren vijftig, zestig. En prinses Juliana (je moet koningin zeggen, dacht ik, het was toen koningin Juliana) en de vier prinsessen.
En gek genoeg zag ik ze plotseling even voor me. Ik schaamde me wel een beetje, met die tassen en dat petje met daaroverheen de koptelefoon.
Maar als gezegd, er lopen hier en daar mensen rond die zich nog veel meer moeten schamen.
Toen ik de koptelefoon weer inleverde vroeg de man achter de balie of ik bij de geluidsopname ook een keer had horen zingen. Dat was hij.
‘Ik zong iets van Schütz. Een heerlijk lied, ook om de akoestiek van een ruimte te testen:
Nacket bin ich von Mutterleibe kommen.Nacket werde ich wiederum dahinfahren.’

20 augustus 2020

Helemaal goed

Over ons korte verblijf in het vakantiehuis van onze vrienden, hier in de Achterhoek, in de meimaand van het jaar 2016 valt wel wat memorabels te vertellen. Wij waren hier toen met zijn drieën: Mente, haar Nieuw-Zeelandse broer en ik. Op een avond streken wij neer in een pannenkoekenhuis. Het was er enorm druk, maar de even struise als vrolijke jonge vrouwe die ons bediende stal ons hart. Afgelopen vrijdag, toen Mente en ik weer in het pannenkoekenhuis waren, zagen we haar weer. Deze keer was ze achter de bar bezig en bediende ons niet. Vier jaar geleden dus wel.
Ze herhaalde onze bestellingen zonder iets op te schrijven. Niet lang daarna kwam ze met het bestelde terug en het klopte. Maar telkens als een van ons een bestelling had geplaatst, zei ze ‘helemaal goed’. Die subtotalen leverden bij elkaar een definitief ‘helemaal goed’ op. Alsof zij behalve serveerster ook schooljuf was die ons tot onze geruststelling meende te moeten vertellen dat onze bestelling de juiste was.
Zo was het niet en zo bedoelde zij het niet en wij begrepen dat, maar de woorden stemden tot nadenken, vooral omdat het die avond niet bij die vier keer bleef. Zij diende ons trouw als serveerster en daarom denk ik dat ze, altijd weer vrolijk en uitnodigend, wel twintig keer ‘helemaal goed’ heeft gezegd toen.
Dat gebeurde ook die maandagochtend daarna waarop we er nog even langsreden, voor koffie met gebak. Toen waren we de enige, nog vroege gasten. En weer bediende de leuke meid ons aan wie wij ons hart hadden verpand. We waren inderdaad aan de vroege kant, maar dat was wat haar betreft helemaal goed. Dat we buiten wilden zitten, bij de waterput nog wel, was helemaal goed, en dat we twee koffie en een thee met drie keer appelgebak mét slagroom wilden, vond ze prima. Helemaal goed.
Later die dag vertelden we een horecaans familielid van die merkwaardige uitdrukking. Die lachte hartelijk met ons mee, maar we hadden wel door dat zij eigenlijk niet goed wist wat ons punt was. Dat begrepen we later pas, toen we ontdekten dat je bij geen enkele horecagelegenheid meer iets kunt bestellen zonder dat je wordt verteld dat het ‘helemaal goed’ is.
Intussen weet ik niet goed wat ‘helemaal goed’ eigenlijk (om nog een verdacht woord te gebruiken) betekent. Ik goochel wat met zinnetjes als ‘Ik weet niet of ik het helemaal goed zeg’, vraag me af of ik ‘helemaal goed’ moet vergelijken met ‘helemaal gek’, waarbij het accent van helemaal plotseling van de eerste naar de laatste lettergreep kan verspringen.
Nee, het is een ellips van ‘Dat is helemaal goed.’ Maar dan nog weet ik niet goed wat het betekent. Ik neem aan dat de serverende vrouw of het serverende meisje (mensen die deze functie combineren met het dragen van een piemel zeggen het veel minder vaak) bedoelt dat niemand zich over de bestelling of wat dan ook zorgen hoeft te maken en dat alle betrokkenen dus tevreden kunnen zijn. Zoiets. Maar waarom dan die woorden ‘helemaal goed’? Ik begrijp ze niet.

Vrijdagavond waren we weer in het pannenkoekenhuis. Jongemannen bedienden ons en we zagen de oermoeder van ‘helemaal goed’ achter de bar. Maar we hoorden ze niet, die woorden. Totdat, bij het verlaten van het pand, Mente iemand bij de deur nog even bedankte. ‘Helemaal goed,’ zei ze.

Tot mijn verontrusting zie ik dat de meest onbekende streek van Nederland, de Liemers, ingeklemd tussen Arnhem en Achterhoek, zich op de kaart probeert te zetten met een treffend bedoelde spreuk: ‘De Liemers. Helemaal goed.’ Jammer is dat.

19 augustus 2020

Reclameblok

De hitte klettert op ons neer, maar dat betekent niet dat wij alleen maar amechtig in een luie stoel liggen te hijgen, opgesteld in een beschaduwde tuin. Nee, wij trekken er dagelijks op uit voor een fikse fietstocht, waarbij we wel blij zijn dat we af en toe door een bos moeten. Dat dan weer wel. We gaan zandpaadjes niet uit de weg, integendeel, ook niet nadat Mente zich in het zand vastreed en met een bonte linker- en een blauwe rechterarm verder moest. Zij fietst onverdroten verder en ontziet geen enkel zandpad. Nu valt het met de mulheid van die paden nogal mee. Pas vandaag komen we vaker zachte delen tegen.
In het huisje van onze theologische vrienden vind je een schat aan fietsroutes. Nu heb ik op mijn stuurtasje natuurlijk een slim kaartenmapje, dus wie zou me er van kunnen weerhouden om daar geen gebruik van te maken?
Ikzelf! Een aantal jaren geleden bekeerde ik me onder protest en op zachte aandrang van mijn fietsmaat Henk tot een gps. Nog regelmatig wordt dat ding uitgescholden, maar bijna altijd is dat een verkapte manier om mezelf aan te spreken op mijn domheid. Mijn gps weet dat, zwijgt en wacht braaf tot ik het wel goed doe.
Ik heb een Garmin. Het wordt tijd voor een reclameblokje. Ik noem die Garmin met ere omdat Henk vorig jaar een Mio in de strijd gooide die veel meer opties had, veel gebruiksvriendelijker was, volgens de dame die hem het ding had verkocht. En het leek er ook even op, want toen wij onder Parijs besloten om flink van de route af te wijken, konden we die de volgende dag vrij makkelijk terugvinden, dankzij zijn Mio.
Toen het later die dag ging regenen, raakte het appartaat de kluts helemaal kwijt. En nog weer later kreeg het ding nog andere kuren.
Ik vertel dit omdat we in de Achterhoek bezoek kregen van Mentes vriendin van de lagere school. Zij woont in Zutphen, fietst fanatiek, maar heeft intussen haar gps na veel ellende en verdriet via Marktplaats van de hand weten te doen. Ze ervaart dat nog steeds als een opluchting, en zo is die Mio van haar zijn geld toch waard geweest.
Mijn Garmin doet nu vijf jaar mee en vergezelt me op fiets- en wandeltochten en ik gebruik hem niet voor spontane acties.
Het is tijd van een ander reclameblok. Met behulp van de routeplanner van de ENFB kan ik een route op mijn gps zetten. Vandaag bijvoorbeeld fietsten we een rondje van Geesteren (Gld) naar het kasteel in Ruurlo waar die vreselijke Willinks hangen, maar waar we toch maar naartoe wilden. Ik koos voor een rondje Geesteren via Ruurlo en selecteerde daarvoor de natuurroutevariant, want dat kan. Je kunt kiezen voor ‘makkelijk doorfietsen,’ voor ‘recreatief’, voor ‘knooppunten,’ voor ‘natuurroute’ en zo zijn er nog een stuk of wat mogelijkheden. Je kunt zelf bepalen welke plekken je al fietsend wilt aandoen. Je kunt natuurlijk ook een afstand instellen, maar dat beperkt het aantal punten dat je wilt passeren. Wij kozen voor een rondje van 36 kilometer via Ruurlo en aldus geschiedde. De GPS accepteert zo’n route blindelings.

Heerlijk, dat je niet met je neus op de kaart hoeft te zitten. Als je desondanks eens verkeerd rijdt, dan heb je dat na tien of twintig meter al in de gaten en ook dan kun je er nog voor kiezen om via een andere weg weer op de route terecht te komen.

Je moet de groeten van Willink hebben!
Tot zover dit reclameblok.

18 augustus 2020

J B Charles

Van een eerder verblijf hier weet ik dat onze theologische vrienden niet alleen thuis maar ook in hun Achterhoekse bosbungalow heel wat boeken hebben staan. Nu Het zoutpad uit is, ga ik wat planken langs en trek een boek tevoorschijn van J B Charles. Ik ken een deel van zijn gedichten, het zou me niet verbazen als ik het boek in kwestie zelf ook ergens heb staan, thuis, maar gelezen heb ik het nooit.
Het zal toeval zijn dat dit boek, ik heb het over Volg het spoor terug, naast werk staat van A den Doolaard. En zoveel weet ik wel: J B Charles, die in het dagelijkse leven prof dr W H Nagel heette, was geen vriend van deze schrijver en stem van Radio Oranje in de Tweede Wereldoorlog. Hij noemt Den Doolaard 'de beledigende snoever, de grove leugenaar.' In het uit de kast getrokken boek zegt hij nog wel meer over onze Balkanfetisjist, maar het citaat maakt al veel duidelijk. Een persoonlijke rol zal gespeeld hebben dat Charles in de oorlog in het verzet heeft gezeten en daar de hitte van heeft ervaren, dit in tegenstelling tot Den Doolaard die samen met anderen aan de overkant bemoedigdeb en voor geweten speelde. Daar was Nagel niet erg van onder de indruk.
Na de oorlog was hij betrokken bij en getuige van veroordelingen van oorlogsmisdadigers en hij zag met lede ogen aan dat in de loop der jaren opgelegde straffen werden omgezet in lichtere straffen. In Nederland, maar ook waar het gaat om in Neurenberg opgelegde straffen. Voortschrijdend inzicht, zeggen bijvoorbeeld Amerikaanse rechters en mannen als Eisenhower. Nagel maakt duidelijk dat dat niet klopt en dat het gaat om wat ik maar 'wel begrepen eigenbelang' zal noemen. 'We forgave the Germans and then we were friends,' zong de nog jonge Bob Dylan daarover tien jaar later.
Tien jaar later, Nagel schrijft zijn boek in de tijd dat mijn moeder dagelijks bezig was mijn luiers te wassen, in 1953.
Ik moet erg wennen aan het boek. Dat heeft met de springerige stijl te maken, de uitgesproken ideeën, want daar was Nagel wel een man van, maar ook met het feit dat het boek gedeeltelijk is opgebouwd uit teksten die hij eerder schreef, soms al in '48. Verfrissend is het wel, wat hij zegt over het verschil tussen communisme (vaak gebruikt als alibi om de strijd van de Duitsers te legitimeren) en fascisme, waar de katholieke kerk het in de jaren dertig veel minder moeilijk mee had. Nagel vraagt zich af waarom Rome de van huis uit roomse Hitler nooit in de ban heeft gedaan. Ja, waarom gebeurde dat niet?
Ook haalt hij de term 'honnête homme' weer in mijn herinnering boven. Een mens dient zich waardig te gedragen. Dat ziet hij als maat voor zichzelf, maar ook voor anderen. Alle mensen zijn gelijk, geen overtuiging, geen ras, geen milieu is beter of slechter. Ze zijn gelijk.
Nagel noemt zichzelf een schurk op het moment dat hij zichzelf erop betrapt dat hij soms een idee of opvatting maar voor zich houdt of iets inslikt, bijvoorbeeld omdat hij al genoeg aan zijn kop heeft. Er is geen ruimte voor gelatenheid, voor vermoeidheid of onvermogen als excuus, lijkt hij te zeggen. Wie 'nou ja' zegt of 'toe maar' is een schurk.
Woorden van 60 jaar geleden. Eergisteren zei Carola Schouten, die dappere minister, bij Zomergasten dat ze een goed mens wil zijn. Nagel zegt dat wie niet opkomt voor het goede een schurk is. Helder.
Het boek van Charles telt ruim 300 bladzijden. Ik ben nu op pagina 50.

16 augustus 2020

Chocola

Ook vandaag reikt de actiradius van een stukje niet verder dan de directe omgeving van onze theologische vrienden. Die vermaken zich op een eiland en wij treden in hun voetsporen in en om het Achterhoekse huisje. Gisteren kwam ik voor een stukje niet eens het bed uit, vandaag drink ik mijn koffie en lees ik mijn boek in een makkelijke stoel op een terras. Daar zie ik net zoveel bladstilte als gisteren vanuit bed.
Maar dat is schijn. In het lage groen begint soms iets te bewegen. Dat doen de koolmeesjes en ook is er een nieuwsgierig roodborstje. Als er een boomkruiper langs een stam van een den omhoog kruipt, geeft die den geen krimp. Dat gebeurt wel als er vanuit een andere den een specht wegvliegt. Ik heb geen specht gehoord, en mijn ornithologische kennis is gefundeerd op veel frustrerende onwetendheid, dus zag ik wel een specht vliegen?
Ja, ik zag een specht vliegen: hij komt me even later geruststellen door heel dichtbij in een dode tak te gaan hakken. Ik zie het hem doen, maar ik hoor niets.

Her en der zwaait af en toe een tak en na een tijdje heb ik vier, nee, vijf verschillende eekhoorns onderscheiden, dat zijn er al twee meer dan gisteren. Toen ging het om een eekhoorn met een nogal zwarte staart en eentje zonder staart. Mente wist me later te vertellen dat de zwartstaart achter de geenpluim aanzat. Maar ik zag er ook eentje met een pluim in het mij meer vertrouwde roodbruin.
De drie waren er vandaag weer. Het viel me op dat de geenpluim vooral in lage struiken zat, dus ik meende al enkele belangrijke conclusies te kunnen trekken waar natuurorganisaties hun voordeel mee konden doen. Even later, ik had even niet opgelet, zag ik hem in een hoge boom, dus hij was zonder staart iets minder gehandicapt dan ik dacht. Wel was ik er getuige van dat er weer een eekhoorn met zwarte staart achter hem aanzat. Ze hadden het zo druk met de achtervolging dat ik ze een schop had kunnen geven als ik wat sneller was geweest en als ik dat had willen doen. En dat is natuurlijk niet zo.

Het favoriete prentenboek in Huize Borgdorff gaat over een eekhoorn die zijn hazelnoten heeft verstopt maar niet meer weet waar. Het boek heeft al twee generaties intensief gebruik achter de rug en het is een wonder dat het indertijd bijgeleverde eekhoorntje er nog is: lijfje van karton, de pluim een stukje vilt. Op zijn zoektocht naar de hazelnoten moet je op iedere bladzij het beestje door een gleufje duwen. Dan sla je om en dan bevindt de eekhoorn zich weer in een nieuwe omgeving, maar ook daar zijn zijn noten niet. Zo komt hij bij een gemene boswachter die dol is op hazelnootchocola. Met een bijl zit hij aan tafel om dikke tabletten chocola in stukken te hakken. Maar, een eekhoornboutje, zegt hij, lust hij ook wel. Daar moet de eekhoorn dus als de gesmeerde bliksem door het gleufje naar de volgende bladzij ontsnapppen, waar het minder gevaarlijk is.

Vanmiddag dook ik bij mijn theologische vrienden even het schuurtje in voor een fietspomp en wat zag ik daar? Niet één, nee, twee bijlen! Natuurvorsers weten te vertellen dat eekhoorns in de ruitijd hun pluimen kunnen verliezen, maar ook dat agressief gedrag van soortgenoten desastreus kan zijn voor een eekhoornstaart. Maar nu ik in de schuur die bijlen heb zien staan, wordt het me toch een beetje koud om het hart. Het zal toch niet...

15 augustus 2020

Bladstil

De wind is stuk. Het huisje waarin we verblijven wordt omgeven door hoge bomen, een gemengd boeket van naald, blad, stam en twijgjes, en alles staat strak stil in het ochtendlicht. We liggen nog in bed. In een vreemd bed. We hebben wel ons eigen beddengoed meegenomen, want dat heb ik nu eenmaal graag, maar het is en blijft een vreemd bed.
Een beetje merkwaardig is dat wel. Als ik tijdens fietstochten mijn tentje ergens neerzet, dan is dat, hoe tijdelijk, in welke omgeving ook en ongeacht de omstandigheden, mijn plek. Op een landje in Bretagne, op een stadscamping in Praag, een dorre vlakte aan de Middellandse Zee, een boomgaard bij Lelystad, tussen hoge dennen aan de Ooszee. Of het nu gaat om nachten waarin ik op mijn slaapzak lig of daar met trui en sokken in kruip.
Hier lig ik tussen mijn eigen lakens, naast het meisje van de 47 rode rozen, op dezelfde plek waar ik ook al met haar lag toen het boeket met de drieenveerstigste roos nog in de maak was, en ik ervaar het als een vreemde omgeving. Dat is niet vervelend. Maar het is wel zo. Ik ben in de ambiance van een ander.
Dit is het vakantiehuisje, dit is het bed van onze theologische vrienden. Ik vraag me af wie van hen aan welke kant slaapt. Het is al licht geworden en ik heb het gordijn opengeschoven. Door het raam zie ik hoe hoog de bomen zijn. Hoe het licht op de lage bomen direct bij het huisje valt alsof dat door de bladeren gedragen moet worden. Het gaat ze goed af, ondanks de voortdurende warmte.
Naar achteren de hoge, al even bladstille bomen, maar ze wekken niet de indruk dat zij de lucht moeten dragen. Dat komt door de kleur. De kleuren zijn die van de vlag van de Achterhoek, lichtgroen, middelgroen, donkergroen en wit. Wit is hier de lucht. Licht- en middelgroen zijn de bomen bij het huisje en donker de bomen die daar hoog bovenuit torenen. Er zijn meer dan drie tinten groen, maar het valt me op dat bij de veelvuldig voorkomende streekvlag de kleuren ook variëren, afhankelijk van de lichtval en plooien.
Door al het groen steekt een hoge stam zonder kruin of kroon, alsof op enorme hoogte de takken zijn afgezaagd. Ik kan het amper geloven, maar zo ziet het er toch uit. Ik zet er mijn bril voor op, maar dan nog kan ik het niet goed zien. Afgezaagd, of toch afgebroken?
Ik kan me voorstellen dat mijn theologische vriend, of is het de theologische vriendin?, vanuit dit bed naar diezelfde boom ligt te kijken als hij, of zij, 's ochtends wakker wordt. Ik kijk naar het uitzicht van een ander.
Zo'n idee heb ik niet als ik 's morgens op een camping mijn tent uit kruip. En in een sanitair gebouw van een camping, betrap ik me er bij een tweede of derde bezoek wel op dat ik dezelfde douche, of hetzelfde toilet kies als de vorige keer. Een merkwaardige vorm van toeëigening, waar ik natuurlijk nooit meer aan terugdenk als ik, met ingepakte tent, weer ben weggefietst. Hier hanteer ik de deur-, licht- en kraanknoppen van een ander. Heel in de verte lijkt het er zelfs een beetje op alsof het niet mijn eigen handen zijn die dat doen. Het zijn ook niet de handen van mijn theologische vriend, wel zijn het aarzelende handen geworden. Handen die zich afvragen of ze het wel goed doen als ze een schakelaar omzetten.
Ik kijk nog steeds naar buiten. Bladstil.

14 augustus 2020

Op of met vakantie

Mente wenste Lucas gisteren een fijne week, nu hij weer met vakantie ging. Hij verbeterde haar: het was niet mét vakantie maar óp vakantie. Hij ging óp vakantie. Zo’n vakantie had hij als vierjarige natuurlijk dik verdiend en zijn oma had het hem erg gezellig gemaakt vandaag, maar dat gaf je nog niet het recht om de dingen verkeerd te zeggen.
Hij zei het met zoveel stelligheid dat een groot deel van de mensheid hem onmiddellijk zou hebben geloofd. En misschien is dat nog wel zo, want niemand corrigeerde hem. Ook ik vond het ongepast om hem gedeeltelijk af te vallen door ook zijn oma gelijk te geven. Met of op vakantie is zo’n typisch flauwekul dingetje waar ik voor de klas misschien wel jaarlijks mee te maken kreeg. Nu zegt die frekwentie bar weinig, want er is ongetwijfeld veel meer waarover ik een leven lang allerlei stelligs heb beweerd, terwijl dat helemaal niet klopte. Gelukkig schiet me even geen voorbeeld te binnen.

Bij de discussie over op of met vakantie werd ook wel beweerd, ten onrechte, dat protestanten het vooral hadden over met vakantie gaan en katholieken op vakantie gebruikten. Eerlijk gezegd vind ik het wel jammer dat dit niet waar blijkt te zijn. Stel dat het wel zo was geweest, dan zouden we nu ook kunnen beweren dat het wegvallende onderscheid samenhangt met de ontkerkeleking.
Zelf weet ik niet goed wat ik spontaan gebruik, maar als ik erover zou moeten nadenken, dan zou ik een voorkeur hebben voor mét vakantie. Dat heeft niet te maken met mijn protestantse achtergrond, maar wel met dat prachtige liedje uit Sesamstraat dat ooit gezongen werd door Aart Staartjes:

M’n vader is met vakantie
Dat duurt al een hele poos
Elke week stuurt-ie een ansichtkaart
En die stop ik in een doos.
‘k Heb er al een stuk of tien
Rietedietedieterie
Als m’n vader terug is
Mag-ie ze allemaal een keertje zien.

Dat liedje zit in mijn hoofd vanaf het moment dat ik Lucas bij zijn moeder achterop de straat uit zag rijden gisteren aan het eind van de middag. Het is een heerlijk, weemoedig lied. Het zou me niet verbazen dat de vader van de ik in het lied een tijdje in de bak zit, zoals mijn vader ook ooit een paar weken in de gevangenis zat zonder dat ik dat wist. Overigens kreeg ik toen geen ansichtkaart. Daarvoor duurde dat penitentiaire verblijf niet lang genoeg. Of zijn de vader en de moeder van de zingende ik uit elkaar? Ik denk ook niet aan een opgesloten of van zijn echtgenote losgeweekte vader bij dit lied, wel aan een dode.
Het liedje uit Sesamstraat was populair in de jaren tachtig. Dat was in de tijd dat ik druk met langspeelplaten van de muziekbibliotheek in de weer was om die over te nemen op cassettebandjes. Daar zaten toen ook heel wat kinderliedjes bij, want we hadden drie kleintjes in huis. Het was ook niet lang nadat mijn vader was overleden en ik had mijn kinderen nog graag even kennis met hem willen laten maken. Vanuit het hiernamaals is me nooit een kaart toegestuurd. Laat ik voorzichtiger zijn en me beperken tot de constatering dat ik er nooit eentje heb ontvangen.

13 augustus 2020

Prosecco

Een week lang hebben de rozen het uitgehouden in water dat langzaam zijn kookpunt naderde, maar nu hebben ze het toch echt gehad. De ene witte roos, dat teken van een komend jaar, hangt er bij als een te vaak gebruikte papieren zakdoek.

Teus is net even weg, krijg ik te horen als ik hem bel, maar over een uurtje zal hij er wel weer zijn. Het wordt me verteld door een vrouw van wie ik alleen de achternaam heb verstaan, die van Teus. Zou dat zijn vrouw Ella geweest zijn? vraag ik me af. Dat kan toch niet! De stem is te jong, te opgewekt. En dan… natuurlijk was dat Ella niet.

Teus en ik maken deel uit van een netwerk van mensen die elkaar in het verleden af en toe zagen. Nu al die mensen zich door het ABP laten onderhouden is het contact veel minder, maar we vergeten elkaar niet helemaal. Vorig jaar zijn we nog een keer uit eten geweest.
Een half jaar geleden kon Teus een afspraak niet nakomen: hij zou een hartoperatie ondergaan. Ergens in maart, in een ziekenhuis in Den Bosch. Ik belde hem toen. Hij had er goede hoop op dat die ondanks de Coronaongeregeldheden door zou gaan. Zo klonk hij ook. Ik zag hem voor me, olijke, onbevangen in glas gevatte blik.
In mei mailde hij dat hij buitengewoon goed herstelde van de inderdaad enige tijd uitgestelde operatie. Maar dat gold niet voor Ella, voegde hij er aan toe. Er was alweer kanker bij haar geconstateerd, maar nu was het nog maar een kwestie van weken.

Het gaat heel goed, vertelt Teus als ik hem een uur later aan de lijn krijg. Zijn beide dochters zijn er. De een zorgt voor wat versnaperingen, de ander schenkt juist de prosecco in. En hij is blij dat Ella er weer is, in asvorm weliswaar, maar nu is ze tenminste weer thuis. De afgelopen anderhalve maand leefde hij, zo leek het, in een ander huis. Zo eenzaam en alleen. Daarom was hij blij dat ze er weer was. Wel was de tijd omgevlogen. Dat gold gelukkig niet voor de weken in mei, zei hij, toen hij en zijn meiden Ella nog thuis hadden kunnen verzorgen. Die tijd duurde veel langer. Het was kostbare tijd geweest. Het was maar een geluk dat hij die nog met Ella had kunnen meemaken. Zojuist had hij de urn opgehaald; daarom was hij even weg; vandaar ook die prosecco. ‘Ik ben ook heel blij met mijn lieve, lieve dochters.’
Teus heeft twee heldere trapeziumvormige ogen, ruitjes lijken het en ze kunnen zo glinsteren vanachter de glazen van zijn bril. Ik zie ze voor me.
‘Laat de prosecco niet warm worden, Teus.’
‘Dat zal ik niet doen.’

Ik ruik de rozen, ik ruik het water in de vaas. Ik rijd de kliko naar binnen en in een keer kieper ik het boeket in de bak, ook de witte roos die op een teveel gebruikte witte zakdoek lijkt.
Voordat Teus zijn prosecco op heeft, heb ik ook de vaas al omgespoeld.

12 augustus 2020

Oranje

Ik schrijf wel erg veel over het verleden, vindt Mente. Dat vertelt ze me nadat ze het stukje van gisteren op fouten heeft gecontroleerd.
Het is waar. Het is daarom misschien ook wat raar om een rubriek Och Heden te dopen en er vervolgens zoveel gisteren of vorig jaar in te stoppen. Toch denk ik dat ik er niets aan moet doen.
Ik kan toch moeilijk ook in geschrifte net als iedereen mee gaan puffen en klagen over de hittewolk waarin wij onontkoombaar gevangen zitten? Ik heb nog wel even een fietstocht gemaakt, gisteren. Ja, het was warm en ik merkte dat ik de neiging had om bij het fietsen de schaduw op te zoeken en dat vond ik een vervelende neiging. Daarom was ik al snel weer thuis. Had ik het daarover moeten hebben? Had ik moeten vertellen dat het aan de westkant van de Amsterdamse Straatweg veel aangenamer fietsen was dan aan de andere kant? Het was wel zo. En ik vroeg me op het hete ijzer van mijn fiets ook af of dat gevolgen zou hebben voor de winkels die er bezocht werden, daar aan de Straatweg, wat je in plat Utregs moet uitspreken en waarschijnlijk moet je dan ook óp zeggen, óp de Stroatweg. Maar ook de winkels aan de schaduwkant werden amper bezocht, zag ik. Verschil was wel dat de winkeliers aan die kant van de straat op een krukje buiten zaten, naast de deur. Aan de andere kant, in de zon, zag je dat niet. Misschien hadden ze daar ook wel gezeten, maar waren ze intussen gesmolten in het gootje langs de straat (stroat) weggesijpeld of verdampt, (uit te spreken als ‘verdaamp’).
Nog iets viel me op, daar aan de Stroatweg. Dat was de nummering. Daar is de westkant de even kant en oost de oneven, terwijl dat in de straat waar ik woon precies omgekeerd is. Nu weet ik niet zeker of ik wel helemaal goed zit met mijn oriëntatie en daarom check ik het even.

Klaar. Mijn straat loopt noordoost, de straatweg noordwest. Dat scheelt een kwart, maar zou voor de nummering niet moeten uitmaken. Dus kijk ik naar een straat die net zo loopt, maar dan in Leidsche Rijn, de Krophollerstraat. Daar vind je, aldus googlemaps, de even nummers aan de oostkant.
Ik kan de neiging niet onderdrukken om toch weer in het verleden te duiken om te constateren dat ik in Monster op twee adressen aan de oostkant van de weg woonde, op een oneven nummer, dus conform Straatwegvariant. Dat brengt me op de vraag welk beleid er gevoerd wordt bij de nummering van huizen. Dan heb ik het nog niet eens over straten die van oost naar west lopen of omgekeerd. Dat kan, hè, want bij de nummering neem je het centrum van een plaats als uitgangspunt.

Kortom, als ik gisteren niet in het verleden was gedoken, dan was ik met een verhaal als dit op de proppen gekomen. Ik bedoel maar. Daar moet je toch ook niet aan denken.
En dan… aan het verhaal over de sinaasappels waarmee twee jongetjes van een jaar of tien bijna honderd jaar geleden de deuren langs gingen (de Och Heden van gisteren dus) kleefde een zeer actuele aanleiding. Gisteren namelijk trok ik voor het eerst mijn nieuwe T-shirt aan. Ik meende een geel shirt gekocht te hebben, maisgeel, maar toen ik het had aangetrokken en mezelf bewonderde in de spiegel, zag ik toch echt een oranje mannetje staan, een sinaasappelmannetje. En dat bracht me bij die twee jongetjes uit Dinteloord.

Vandaar.

11 augustus 2020

Broertjes

Tante Cobie was meestal al lang het bed uit wanneer hij wakker werd. Als het zover was dan voelde hij naast zich of zijn broertje er nog lag. Pas daarna werd hij echt wakker. Ze deden alles samen als kind, mijn vader en hij. Ze scheelden ook maar vijftien maanden, de twee jongsten uit een tamelijk armlastig gezin in een dijkhuisje bij Dinteloord, ook slapen in de twijfelaar. Oom Chris noemde mijn vader zijn beste vriend, tenminste wel bij mijn laatste bezoek, iets meer dan twintig jaar geleden. Hij was toen 84, veel ouder dan mijn vader zou worden.
Die heeft zijn iets oudere broer nooit zijn beste vriend genoemd. Sterker nog: mijn vader was helemaal niet zo gesteld op zijn broer. Daarom vond ik het wat gênant om mijn oom zijn jongere broer zijn beste vriend te horen noemen.

Hij vertelde me die keer ook het verhaal van de twee jongens die ergens een partijtje sinaasappels op de kop hadden getikt en daarmee langs de deuren gingen. Ze sjouwden een kist sinaasappels met zich mee. Ze woonden toen nog in Dinteloord. Onderaan de dijk of op een hoek van de straat hield mijn vader zijn arm in een halve boog voor zijn borst en daarop stapelde Chris zoveel mogelijk sinaasappels, of nee, hij stapelde die zo dat het er meer léken. Om dat voor elkaar te krijgen duwde Chris de berg van onder af een beetje op; soms lukte het dan zelfs om er van onderaf een of twee sinaasappels uit te peuteren. Met de zorgvuldig geconstrueerde berg ging mijn vader de dijk op of de hoek van de straat om om ergens aan te kloppen.
‘Het zijn de laatste,’ zei hij dan. ‘De hele hoop voor…’ en dan werd er een bedrag genoemd dat de koper zou moeten bevallen.
‘Jouw vader kon zielig kijken,’ vertelde oom Chris. ‘Als het koud was, leek het wel of hij het kouder had dan anderen. En hij kon kijken alsof hij dood- en doodmoe, misschien wel hartstikke ziek was. Maar dan bleef hij wel vrolijk praten… De mensen vonden je vader altijd een zwak, maar dapper en leuk kereltje, mij niet. Hij verkocht veel beter dan ik.’
Mijn vader had altijd nog een sinaasappel in zijn zak. Als hij dan voor de deur stond, dan toverde hij die tevoorschijn. ‘Als ik die erbij doe, dan ben ik echt helemaal los.’ Het leek dan of dat jochie van een jaar of tien voor hetzelfde geld ook nog de sinaasappel erbij deed die hij voor zichzelf had bewaard. Bijna altijd kwam hij met lege handen terug en met geld. Daarna liepen ze weer een stuk om buiten het zicht van de vorige koper de truc te herhalen.

Mijn vader heeft me nooit verteld van die twee jongetjes die samen in een smal tweepersoonsbed sliepen en het verhaal van de sinaasappels kende ik dus niet tot die laatste keer dat ik mijn oom bezocht. Wel kende ik verhalen waarin mijn jonge oom wormstekige appels verkocht aan een man in Loosduinen die hem onmiddellijk herkende toen de twee aan elkaar werden voorgesteld, de een als de toekomstige schoonvader van mijn vader de ander als diens broer. Of hoe de kleine Chris in de klas – hij en zijn broertje waren klasgenoten - werd uitgelachen toen hij bij een leesbeurt las:
‘Hoe heet je, Keesje?’
Dat had moeten zijn:
‘‘Hoe heet je?’
‘Keesje.’

Ik vind het allemaal leuke verhalen. Ik zou ze nog leuker hebben gevonden als ze die herinneringen samen hadden opgehaald terwijl hun kinderen erbij zaten. Nu schrijnt er iets.

10 augustus 2020

Wok

Mijn vrouw heeft mij verlaten. Ze is er vandoor met mijn dochter. Met onze dochter. Ondanks de hitte van dit middaguur zijn ze op de fiets gestapt naar een mij onbekende bestemming waar in ieder geval iets te eten is. Op die manier gedenkt de jongste in één keer zowel moeder- als verjaardag, waarbij je overigens wel een beetje los moet omgaan met de agenda. Ook Mente weet niet waar haar dochter haar heen loodst, maar ook al lieten ze mij hier achter, nog steeds heb ik het beste met ze voor en daarom hoop ik dat er een leuke gelegenheid is uitgekozen.

In mijn geval combineert de jongste vaderdag met mijn verjaardag en zo valt mij op een ander moment dezelfde eer te beurt om met de jongste naar een onbestemde gastronomische omgeving te vertrekken. De eis die de jongste zichzelf daarbij stelt: het moet niet voor de hand liggen dat de moeder, dan wel de vader er al eens geweest is. Het is nauwelijks toevallig te noemen dat ik gisteren werd ontvoerd. Ze begeleidde me naar een reusachtig wokrestaurant aan de Gageldijk, nog geen vijf kilometer hiervandaan.

Dat had ik inderdaad absoluut niet verwacht, en even inderdaad: ik was er nog nooit binnen geweest. In de omgeving van Utrecht is de Mallejan een begrip. In de jaren zeventig was het meen ik een belangrijke manege en een zalencomplex voor bruiloften en andere partijen. De jongste heeft weliswaar jaren aan de Gageldijk op paardrijles gezeten, maar daarbij fietsten we de Mallejan alleen maar voorbij en voor feestjes ben ik er nooit uitgenodigd. Het oogt er ook allemaal van geen kant, waaruit maar weer blijkt dat ik een zelf- en tegelijkertijd vooringenomen, elitaire kwal ben.

Wat me aanstond van De Mallejan was de naam, maar dat was niet voldoende om me ook maar even af te vragen waarom dat bedrijf aan de Gageldijk zo heet. Nu weet ik dat wel. Een mallejan is een tweeassige wagen op hoge wielen. Bevestig aan de as een lange paal als dissel en klaar is je mallejan. Je kunt er bijvoorbeeld boomstammen mee vervoeren, maar de dissel kan ook dienen als hefboom. Mijn excuses voor de ott in dit verhaal, want het gebruik van de mallejan is natuurlijk vooral verleden tijd.
Blijft de vraag hoe die kar aan zijn naam komt. Een narrenwagen, de wagen waarin in de late middeleeuwen leden van het narrengilde zich lieten rondrijden, werd wel een mallewagen genoemd. Het woorddeel –jan zou hier ‘heel groot’ betekenen, vanwege die buitenissig hoge wielen. Het zou kunnen zijn dat jan in die betekenis weer is afgeleid van de persoonsnaam Jan.

Daarmee vertelt de Mallejan aan de Gageldijk iets over zijn verleden als manege, maar intussen zit er al jaren een wokrestaurant in. Zou ooit zijn geprobeerd om de tent om te dopen in Wok Plaza, of Peking. De Gouden Wok misschien, of Hollywok? Als dat al zo is, dan is men daar dus van teruggekomen.

Goed, daarheen werd ik gisteren ontvoerd door de jongste. Er zijn vier (?) reusachtige naast elkaar gelegen sporthallen, daar lijken de ruimtes op. Die zijn zo ongezellig mogelijk ingericht. Het eten was er prima, ook omdat je niet per se alleen in termen van vlees hoeft te denken. Ook leven ze er niet bij wok alleen. En ondanks het onbeperkte eten mag je gewoon op tijd stoppen.
Ze hoopte dat ik er nog nooit was geweest, de jongste. Ze had gelijk.

Waar vrouw en dochter zich nu te goed doen aan allerlei lekkers? Niet aan de Gageldijk.

08 augustus 2020

Oma Borgdorff

Mijn Amersfoortse neef en ik waren woensdag op bezoek bij onze Monsterse neef en zijn vrouw. Hij liet ons een jaloersmakend fotoalbum zien van zijn ouders. Oude foto’s waren gedigitaliseerd en in fraai overzicht opgenomen. Over de schouder van mijn Amersfoortse neef keek ik mee. Ik genoot van de foto’s en van de oh’s en ah’s van mijn neef.
Er zijn een paar foto’s waarop je mijn grootmoeder kunt zien. Ze zit in een rieten stoel. Hoewel het mooi weer is op de foto heeft zij een omvangrijke jurk aan. Ik vermoed dat de jurk verwijst naar een verleden waarin daar meer vlees in stak. Mijn oma toont een beetje mager op de foto, en vermoeid. Maar ook gelukkig. Op enkele foto’s zie je dat er twee peuters om haar heen cirkelen. Daar kijkt ze naar. De peuters zijn bijna onherkenbare witte vlekken, maar wij weten dat het mijn Monsterse neef en zijn één jaar oudere zus zijn die daar als vrolijke kippetjes om de rokken van die mevrouw draaien. En zij ziet het vanuit haar hoogte met genoegen aan.
Natuurlijk kijk ik ook even naar mijn Monsterse neef, die met zijn 82 jaar met welgevallen kijkt naar die twee veel jongere neven van hem terwijl ze het fotoalbum doorbladeren. Hij moet twee jaar geweest zijn, op die foto waarop hij als witte vlek aanwezig is. Dat brengt ons naar de zomer van 1940. Dat is ruim twee jaar nadat onze grootvader overleed en anderhalf jaar voordat de MS waaraan oma leed haar naar het graf zou brengen. Het zou me niet verbazen als dit de laatste foto’s zijn die van haar gemaakt zijn. Ik herken de plek: de achtergevel van Varenstraat 2. Dat is het adres waar zij, net als haar man, zou overlijden. Ook het huis waar mijn zussen, mijn oudste broer en ik geboren zouden worden. Haar laatste foto werd op precies dezelfde plek gemaakt als mijn eerste, een baby’tje in doopjurk.
Eergisteren speelden Lucas en Marc bij ons in de tuin. Ze waren bloot en huppelden rakelings langs een verraderlijke tuinsproeier, sprongen vlot (vier jaar) of klauterden moeizaam (twee jaar) zwembadje in en uit om af en toe bij te tanken bij hun grootmoeder die op een kinderstoeltje bij de achtergevel van ons huis zat. Mente droeg een zeer bescheiden maar wijd vallend jurkje. Haar man liet vanaf het schommelbankje een welgevallig oog op haar rusten. Dat meisje was tien jaar ouder dan de oude vrouw op de foto in het album van mijn Monsterse neef.
Ik genoot ook van de vanzelfsprekendheid van de twee jongetjes waarmee ze zich thuis voelden hier, in de zonnige achtertuin. Even vanzelfsprekend voelden ze zich thuis bij die oma op het lage stoeltje. Ze waren in hun element, en die oma op dat stoeltje, was vanzelfsprekend deel van dat element.
Zo moet het ook geweest zijn met de Monsterse neef en zijn al lang geleden overleden zusje toen ze als dronken kippetjes om hun oma op Varenstraat 2 ronddraaiden.

Alles wat voorbij leek, was gebleven. Zo leek het. Even.

07 augustus 2020

47 x rood + 1 x wit

Het liedje zit al weer regelmatig in mijn hoofd. Het hoort bij regenachtige zomerdagen.
‘We were married on a rainy day
The sky was yellow
And the grass was gray
We signed the papers
And we drove away
I do it for your love.’

Het is een nummer van Paul Simon en je vindt het op het album Still Crazy after all these years. ‘I’d do it for your love’ heet het. Die zevende augustus van 1973 kende overigens vooral droge momenten, maar over mijn overhemd had ik een trui en af en toe trok ik een jasje aan. Internet vertelt me dat het die dag in Den Haag een graad of 16 was.
Tot zover de eerste regel van het gedicht. Over regel 2 en 3 valt nog te zeggen dat het verleidelijk is om geel en grijs van plaats te laten wisselen; dat maakt die regels wat waarheidsgetrouwer maar ook veel minder spannend, dus dat doen we maar niet. De laatste drie regels geven aan hoe we het ons eigenlijk hadden voorgesteld, onze trouwdag. Tekenen en wegwezen. In de praktijk zat er anderhalf dagdeel tussen het een en het ander. Maar toen reden we weg. In een kever die ik de dag daarvoor in Utrecht had gehuurd en die ik de dag daarop weer zou inleveren. Daarna liep ik naar huis terug, naar ons zojuist betrokken singelpand.

Vandaag zit het liedje dus weer in mijn hoofd, maar wat ben ik blij dat we jaren geleden niet het weer van 7 augustus 2020 hadden. We zagen het al aankomen: die hitte. Daarom waren er ook geen festiviteiten gepland voor vandaag. Dat wil zeggen: de bruid bracht haar bruidegom ontbijt op bed en de bruidegom fietste later langs de bloemist om er de bestelde rozen op te halen. ‘Kom nou om half elf, dan heb ik verse van de veiling voor je,’ had hij gezegd.
Nu staan ze in de vaas: 47 keer rood en één keer wit.

De dag kreeg nog een onverwachte wending toen Mente zag dat de bloemen te strak op elkaar stonden in de vaas die ze had uitgekozen. Nu zijn wij van Borgdorff niet voor of door één vaas te vangen, dus kwamen de bloemen in een andere te staan. Daarin kregen ze meer de ruimte. En omdat de bloemen de jaren van ons huwelijk vertegenwoordigden, kreeg in deze vaas ons hele huwelijk meer ruimte. Ik zag ook hoe Mente de bloemen herschikte en hoe het boeket er steeds beter uit ging zien. Dat kwam door haar. Af en toe trok ze er een of twee bloemen uit en stak die op een andere plaats. Bloemen kun je, anders dan jaren, niet chronologisch rangschikken en iedere roos levert zijn uitgesproken karakter in om deel te zijn van een gaaf geheel. In die kleine cirkel in de kamer daverde het van de symboliek van een bruid die in de hitte op blote voeten om het vuur van zoveel rode rozen danste. Ze was, viel me op, alleen met die rode rozen bezig, ze deed niets aan die ene witte, de enige die aandacht vroeg maar als beeld van de toekomst geen enkele eigen inhoud had, die stond goed.

Enfin, daarna heb ik haar opnieuw, net als vanochtend lang voor het ontbijt, ten huwelijk gevraagd en weer zei ze ja. Om dat te vieren zijn we op de fiets gestapt en naar een restaurantje gereden. Ik had al een voorschot genomen op de witte roos en ergens gereserveerd.

06 augustus 2020

Schelpen

Foto. Klaas zit achter een tafel met daarop allerlei schelpen, van kokkels, mossels, minuscule zee-egels. Mesjes zie ik, oesterschelpen; ook is er een rijke variatie aan stenen. En een hoopje schelpengruis. Hij noemt het zijn schelpenmuseum, maar alles is te koop. Klaas vraagt twintig cent per stuk. Het is dus een soort Hema, Hollandse eenheidsprijzenmaatschappij. Dat ligt gezien de variëteit niet heel erg voor de hand en verstandig is het waarschijnlijk ook niet, maar bij een jongen van zes gelden andere regels. Dat vinden potentiële kopers blijkbaar ook, want de foto laat al een mevrouw zien die ik ervan verdenk een jonge moeder te zijn, van andere kinderen, maar wel op dezelfde Zeeuwse camping. Zij zal ongetwijfeld iets kopen. Twintig cent is het nieuwe kwartje.
De foto is via een groepsapp binnengekomen en zo ben ik er getuige van dat Klaas ook langs digitale weg bestellingen binnen krijgt. Later op de dag stuurt zijn vader nog een fotootje, nee, een gif waarop je Donald Duck gniffelend een stapeltje bankbiljetten ziet tellen. Donald, niet Dagobert.
De zaken lopen blijkbaar goed.

Ooit had ik twee schoenendozen vol schelpen. Na een tijdje was dat er nog een, want de geur in de slaapkamer dwong me om een groot deel van de collectie ondanks herhaalde wasbeurten in de vuilnisbak te kieperen. Zee-egels waren verraderlijk en onderdelen van krabben ook. Beide konden enorm gaan stinken en ze gingen makkelijk stuk.
Toch bleef het wonder. Aan de schelpen van kokkels was nauwelijks eer te behalen, je zag ze overal en ze waren dik genoeg om ongeschonden uit welke strijd dan ook tevoorschijn te komen, maar ik vond ze mooi, met die kordate, krachtige rechttoe rechtaan ribbel van ze. En dat in combinatie met die weemakende schone vorm van vrijwel alle gewone schelpen, die driehoekjes waarvan de ‘hoeken’ door licht gebogen lijnen verbonden waren. Een schelp verenigde zacht en hard. Andere schelpen konden bijvoorbeeld weer zo zacht glanzen, op een manier die recht deed aan de zacht ogende rondingen van een schelp. En wat dacht je van die roze schelpjes? Daar had je er nog genoeg van. Mooie meisjes waren dat.

En dan was er het wonder van hun herkomst. De zee was hun element, maar daar keek niemand naar hun zachte vorm, daar ontbrak die betoverende glans en daar waren ze gepaard het huisje van een levend wezen. Dat wist ik. Bijna alle schelpen waren halve huisjes van gestorven, meestal opgevreten diertjes.

Ik stel me Klaas even voor als het jongetje dat zijn opa ooit was, die dromerig naar die schelpen kijkt, maar in dat jongetje herken ik ook zijn overgrootvader die het wel aantrekkelijk vond om iets in geld om te zetten. Als verzekeringsman verkocht hij een schuilplaats tegen de angst voor het ongewisse, nadat hij als jongetje al samen met zijn broertje appels en groente had proberen te slijten. Klaas verkoopt halve huisjes: dat wat er na massaal overlijden op het strand is achtergebleven, overtollig geworden en gemankeerde boedel.

Wat er ooit met die schoenendoos vol schelpen gebeurde? Ik kan het raden. Hij ging van de plank naast mijn bed, naar de kast. Vanwege de geur kwam hij mogelijk niet in de kast, maar erbovenop. Dat heb ik niet gedaan, dat deed mijn moeder. In of op die kast zal hij nog een tijdje zijn blijven staan, totdat hij, misschien via de schuur, in de vuilnisbak verdween. Ik heb het nooit gemerkt.

‘Dat wist ik wel,’ zegt mijn moeder uit den hoge.
‘Je had ze beter kunnen verkopen,’ hoor ik mijn vader. Zijn stem komt uit dezelfde hoek.

05 augustus 2020

Lieftink

De literatuur kent paarden van mythische proporties: het ros Beiaard, Pegasus, Gringolet, Jolly Jumper, Bonfire. Americo. En Lieftink. Dat is het paard waarmee mijn oom in de jaren na de oorlog door Monster langs de huizen ging om groente te slijten. Het paard ontleende zijn mythische proporties aan het feit dat het er niet meer was. Daar kwam nog bij dat mijn oom rond 1948 naar Amersfoort verhuisde. Ook zou hij zijn leven geven aan de verkoop van groenten, zoals hij dat als jongetje ooit in Dinteloord al deed. Maar dat laatste is weer een heel ander verhaal.
Ik hoorde in ieder geval dat in de jaren voor mijn geboorte mijn nu zo verre Amersfoortse oom in Monster had gewoond en dat die een paard had. Het was een verhaal ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’, maar het was zo dichtbij geweest, want die oom had nota bene gewoond in het huis waarin ik geboren zou worden en mijn zusjes wisten me zelfs te vertellen dat ze op de bok van de paardenkar hadden gezeten. Zij herinnerden zich de Monsterse pendant van die verre oom maar al te goed, zeiden ze. Een kleine rekensom maakt duidelijk dat die twee meisjes vijf en drie waren toen de oom vertrok, maar het kon.
Dat hield me trouwens helemaal niet bezig. Het was dat paard met die bijzondere, blijkbaar geestige naam: genoemd naar de toenmalige minister van financiën die er na de oorlog voor zorgde dat iedere Nederlander weer met een tientje een nieuw bestaan kon opbouwen.

Een enigszins toevallige ontmoeting twee weken terug met de zoon van mijn Amersfoortse oom, de Amersfoortse neef dus, bracht ons op het idee om eens samen bij een andere neef op bezoek te gaan, veertien, vijftien jaar ouder dan wij. Een neef die het Monsterse altijd was trouw gebleven. Dat hebben we vandaag gedaan. Opnieuw kwam het sprookjespaard Lieftink ter sprake. De Amersfoortse neef wist te vertellen dat zijn vader eigenlijk een hekel aan het beest had. De oudere neef begreep dat wel. Lieftink was vals en ongezeglijk. Hij liep gewoon bij mensen de tuin in als het hem uitkwam, om daar van het gras te vreten. Hij kon spontaan in je arm bijten. Ongezeglijk en onberekenbaar. Maar het dier had een pracht leven. De oudere neef wist een foto te vinden. Hij zelf zit op de bok, naast zijn oom de groenteboer. Die had die oudere neef, toen nog een jongetje van zeven of acht, er graag bij om het beest toch een beetje in de gaten te houden.
’s Avonds brachten ze het paard weg. De kleine oudere neef zat op het paard; hij hield de manen stevig vast. De oom fietste ernaast. Bij de duinen liep het paard door het hekje dat voor hem werd open gehouden, vrolijk, want Lieftink genoot van de duinen, aldus de neef. En hij kon het weten, want hij had niet alleen op de kar gezeten, was niet alleen door Lieftink gebeten, maar hij was er zelfs de slaperdijk mee overgedraafd.
En hij had er zelfs een foto van. Vroeger wilde ik zo graag als die neef zijn, die stoere schaatser en wielrenner, motorrijder. Nu, nu ik hoorde van zijn tochten op een ongezadeld paard, kwam dat verlangen weer even terug.

* Het paard kwam ook ter sprake in de Och Heden van 23 juli.

04 augustus 2020

Vrienden

Een paar weken geleden moest Koos laat naar bed omdat hij was uitgenodigd als gast voor het programma Nooit meer slapen. Dat wordt via NPO 1 live uitgezonden tussen nul punt nul nul en één punt nul nul uur, een tijdstip waarop zo’n jongen op bed hoort te liggen. Ik heb het gemist, maar daar heb je een speciale site voor en zo luisterde ik een week later overdag, toen ik ook al een idee had van een deel van de inhoud en ook wist van het enige nummer dat tijdens die uitzending werd gedraaid. Dat was Bob Dylan’s Dream. Daarin kijkt de zanger terug op de goeie oude tijd waarin hij uren met zijn vrienden doorbracht. Hij zingt aan het eind:

‘How many a year has passed and gone,
And many a gamble has been lost and won;
And many a road taken by many a friend,
And each one I’ve never seen again.

I wish, I wish, I wish in vain,
That we could sit simply in that room again;
Ten thousand dollars at the drop of a hat,
I’d give is all gladly if our liver could be like that.’

In het programma werd dat nummer gedraaid toen Koos vertelde hoe hij als zestien- of zeventienjarige samen met vrienden op een slaapkamer kon zitten, waarschijnlijk shag rokend en nummers van Bob Dylan draaiend. Hoe het met die vrienden verder is gegaan, weet ik niet precies, maar van twee ervan kan ik vertellen dat ze nog steeds op een steenworp van elkaar wonen, zij het in een andere stad, en nog veel samen optrekken. Roken zie ik ze nooit, van een slaapkamertje weet ik niks, maar je ziet ze zeer regelmatig een rondje fietsen. Daarmee houden die jongens dus mooi een groot deel van die tienduizend dollar ‘in the pocket.’

In De Hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo maken we kennis met Ewout en zijn vrienden. Bij het woord vrienden liggen er wel aanhalingstekens op de loer, want de vraag is of en in hoeverre de jongens wel echte vrienden zijn.

Dat is ook een vraag die je je achteraf kunt stellen. De mooiste vrienden in de literatuur zijn wat mij betreft de Titaantjes van Nescio. ‘Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is.’ Van Nescio is het een kleine stap naar Piet Paaltjens en zijn ‘Drie Studentjes.’ Dat begint zo:

‘Daar waren eens drie studentjes
Drie vrienden in lust en in nood;
Ze sprongen zoo moedig de wereld in,
En de wereld - trapte ze dood.’

We kunnen nog even langs bij Frits van Egters en zijn vrienden in De Avonden, al komen we daarmee aardig in de buurt van de aanhalingstekens die ik bij De Hoogstapelaar al wilde gebruiken. En dan hebben we natuurlijk Boudewijn de Groot nog met ‘Vrienden van vroeger’ en een stel andere nummers van de lp Voor de overlevenden.

In de meeste gevallen blikken de vertellers weemoedig terug naar een verleden dat helemaal niet ver achter ze ligt. Zowel Boudewijn de Groot als Bob Dylan hebben het over een ontoegankelijk vroeger terwijl ze zelf nog maar 22 jaar zijn. Gerard Reve is een jaar of 23 als hij zijn roman schrijft en François Haverschmidt (= Piet Paaltjens) schrijft zijn gedicht in 1853; hij is dan achttien.

Dat het allemaal zo lang geleden lijkt, zit hem dus niet in het aantal jaren, maar in de onherroepelijke verandering van staat en status waarmee de vriendschap eindigt, ‘at the drop of a hat.’

02 augustus 2020

Aanbieding

Langs verschillende digitale wegen laat Bever, die van de buitensport, weten dat de Helinox One Chair, om precies te zijn, de grijze editie met 30% korting wordt aangeboden. Nu ben ik geen liefhebber van online aankopen en bovendien vind ik buitensportwinkels bijna net zo leuk als boekwinkels om binnen te lopen. Dat bracht me afgelopen woensdag naar de Oudegracht.
In de winkel bevestigde een bordje wat al via internet was verteld, maar bij die mededeling vond ik geen bijpassend stoeltje. Wel een tafeltje; alleen heb ik daar geen interesse voor.

Het stoeltje is een gevoelig punt. Ook letterlijk. Ik heb namelijk al 35 jaar een klein en bijzonder handig kampeerstoeltje. Het is veel gebruikt en daarom heeft een schoenmaker al wel eens een weggesleten hoekje moeten vernieuwen. Nu is het de beurt aan een tweede hoekje. Punt is alleen dat ik tijdens de fietsvakantie van een paar weken geleden merkte, hoe moeilijk het soms was om uit het stoeltje overeind te komen. Het zit te laag. Bovendien prikt het uiteinde van de rugleuning links een beetje in mijn rug. Misschien wordt het daarom tijd voor een iets hoger stoeltje, al moet het makkelijk zijn om op en uit vouwen. Ook moet het te reduceren zijn tot een klein en vooral ook licht pakje.
Zonder de korting kost het beoogde nieuwe stoeltje 100 euro. Dat is op zichzelf genomen misschien niet te duur, maar in mijn geval moet zo'n stoeltje wel gekocht worden door iemand die diep in zijn hart helemaal geen afstand wil doen van zijn vertrouwde stoeltje en ook niet van de vanzelfsprekendheid om uit dat stoeltje op te staan. Kortom: woensdag vertrok ik zonder nieuw stoeltje en amper teleurgesteld uit de nieuwe winkel van Bever aan de Oudegracht.
Donderdag ging ik naar een speelweide met water en veel kleine kinderen, onder wie twee van mijn kleinkinderen en ik nam het oude, te lage stoeltje mee. Eerlijk gezegd viel het me mee, het opstaan uit het stoeltje. Dus als ik een nieuw stoeltje zou kopen, dan moest me dat wel in de vorm van een aantrekkelijke aanbieding in de schoot geworden worden. Graag of niet.
Terwijl ik me met de kleintjes bezighield, zag ik op afstand dat Mente in het oude stoeltje was gaan zitten. Ze was er zeer content mee. En daarmee kwam toch weer die aanbieding om de hoek kijken, want stel dat ik toch een nieuw stoeltje kocht, dan schreef ik daarmee het oude niet af: dan hadden Mente en ik alle twee een laag stoeltje, voor in het gras of op het strand. De aanbieding van Bever stond nog steeds op internet, zag ik thuis. Telkens als ik naar het digitale winkelwagentje ging, vond ik daarin een stoeltje voor de volle prijs. Dan maar niet.
Gisteren fietste ik naar de grote winkel van Bever in Houten. Dat deed ik via een lucratieve route die ik via de ENFB op mijn gps-apparaatje had gezet. Ook daar vond ik alleen maar de tafeltjes en niet die stoeltjes in de aanbieding. Ik neusde nog even bij T-shirtaanbiedingen, fietstassen en bij de tentententoonstelling, maar kocht niets.
Vanmorgen kwam in een tussenzin in de preek onze gehechtheid aan spullen even langs. Ik dacht aan het stoeltje dat al dagen door mijn hoofd speelt. Vanmiddag liep ik in Harlingen een boekwinkel binnen. Voor het geld dat ik daar uitgaf, had ik gisteren best een stoeltje kunnen kopen.
Voor boeken gelden andere regels.

31a juli 2020

Boodschappen

Bijna een maand geleden al spraken we af dat ik op vrijdag 31 juli haar wekelijkse boodschappen zou doen. Doorgaans zorgen vooral haar buren daarvoor, maar die zijn met vakantie, net als anderen in haar straat die graag iets voor haar willen betekenen.
Voor alle zekerheid bel ik haar donderdagavond op. Er wordt niet opgenomen. Ook niet een tweede, derde of vierde keer, telkens gaat de telefoon anderhalve minuut lang over; dan wordt de verbinding automatisch verbroken.
Ik bel haar broer, haar kleine broertje, zoals ze hem nog regelmatig noemt. Die is een eindje in de tachtig. Hij wijt het euvel aan het gehoorapparaat, of liever, niet aan het apparaat, maar aan het feit dat ze dat ding nooit in heeft als ze niet onder de mensen is.
Om half acht fiets ik even naar haar toe. Ze doet meteen open.
‘Ja, sorry, ik ben pas net aan het koken. Ik heb een paar uur in de hal gezeten omdat er medicijnen afgeleverd zouden worden, maar ze zijn nog steeds niet geweest. Nu zullen ze wel niet meer komen.’ Het heeft nog minder zin dan anders om iets terug te zeggen. Ze volgt haar eigen verhaal en zonder apparaatjes hoort ze niet eens wat ik zeg, al vraagt ze me nog wel of ik misschien gebeld heb. Nu ik zo voor haar neus sta, realiseert ze zich dat ze misschien de telefoon wel gehoord heeft, maar ze was teveel bezig met die medicijnen, met dat wachten in de hal. Ze mag nog blij zijn dat er een gewone heldere ruit in haar voordeur zit.
Maar nu ik er toch ben, kan ze net zo goed het boodschappenbriefje samenstellen. Dat koken moet maar even wachten.
Ze noteert een zakje krieltjes van ongeveer 500 gram en vertelt vervolgens dat het met haar gezondheid niet goed gaat. Ze moest dus een maandje terug plots het ziekenhuis in en onmiddellijk geopereerd worden vanwege een galblaasontsteking. Dat ging allemaal goed. Haar zwakke hart doorstond het allemaal, maar nu valt ze ontzettend af. Ze zit nu onder de vijftig kilo. ‘Moet je het vel op mijn armen zien. Zo ken ik mezelf helemaal niet. Daarom krijgt ze nu voedingssupplementen en die zou de apotheek vandaag dus afleveren.’
‘Je briefje, Nel,’ roep ik.
‘O ja, mijn briefje… Krieltjes, ja, en dan een net perssinasappels en doe ook maar twee bananen. Ik ben er wel door van streek merk ik. Ik mag niet klagen, over een maand word ik 94, maar ja. Twee nectarines.’
Bij de drie paprika’s vraag ik nog even naar de kleur. Dat maakt haar niet uit. Daarna is het stil. Ze noteert de boodschappen op een afgeknipt stuk van een envelop.

Vanmorgen fietste ik toch langs de apotheek en ik kreeg haar medicijnen meteen mee. Dat viel me mee. Bij Albert Heijn, een vestiging die pas een jaar geleden geopend werd, lagen de groenten, het brood, de drank, werkelijk alles, in de volgorde van het briefje. Behalve het laatste punt, ‘iets lekkers voor jezelf’, maar een pijl gaf aan dat ik daarvoor moest zoeken tussen ‘1 klein stukje zalmfilet’ en ‘1 half Waldkornbrood.’

De vreugde was groot toen ik niet alleen de boodschappen maar ook de medicijnen afleverde.
‘Wat ga je vandaag doen?’ vroeg ze.
‘Ik ga iets schrijven over Leopold.’
‘Leopold? Die van ‘Dan ben ik licht, den hoogsten zon te boven’ bedoel je?’ En ze gaat verder.
‘dan ga in diepe duisternis ik dooven.
Mijn ziel rijst hemeluit, mijn lijf is hier –
Wat moet ik, Heer, wat van mijzelf gelooven?’

Met haar hoofd is niks mis.

31 juli 2020

Met vleugels

We gaan naar de Voorveldse Polder. Mente heeft haar fiets al uit de schuur gehaald als Lucas de nieuwe leren bal onder het afdakje ziet liggen. Daar wil hij mee spelen. Afgelopen maandag waren hij en zijn neefjes hier ook en toen raakte hij onder de indruk van de balvaardigheid van zijn neef Klaas, die overigens al zes is. Misschien heeft die bal wel te maken met het plotselinge besluit iets anders te gaan doen, want eenmaal onder het afdakje kijkt Lucas even de schuur in, waar hij het fietsje met de zijwieltjes ziet. Hij stapt er op, rijdt de schuur uit en sjeest zo de poort in, met een enorme vaart.
Verderop in de poort staat Mente op ons te wachten: we zouden toch naar de Voorveldse Polder, naar de plek van zon, gras, en een voor kleuters spannende waterpartij. Lucas geniet ervan om dan juist iets anders te willen. Dat hebben jongetjes van vier. Vandaar die bal waarschijnlijk. Maar eigenlijk is de bal nog een stap te ver voor Lucas, vooral nu hij gezien heeft met hoeveel virtuositeit Klaas daarmee omgaat. Dat verklaart misschien die plotselinge beslissing om op dat fietsje te gaan zitten, maar dan nog zie ik het met verbazing gebeuren, want eerdere pogingen om Lucas daarop te krijgen, werden radicaal van de hand gewezen. Lucas was ervan overtuigd dat hem een leven wachtte zonder te fietsen. Vandaar ook dat het fietsje uiteindelijk achterin de schuur terecht kwam. Alleen al bij het zien ervan verschoot Lucas van kleur.
En nu dit.
‘Ik wil op deze fiets naar de Voorveldse Polder!’ roept hij. Ik zeg dat we dat vandaag maar niet moeten doen en hij is plotseling een en al meegaandheid.

Als we weer naar huis willen, is daarvan weinig meer over. Mente worstelt nog wat in een poging hem in sandalen en droge onderbroek te krijgen. Om daar even van bij te komen, richt ze zich op Marcus. Die werkt ook niet mee, maar met zijn twee jaar biedt hij toch minder weerstand. Lucas kan zich wel vinden in mijn voorstel dat hij zichzelf maar moet aankleden en daarom fiets ik even later naar huis met een jongetje voor me met een onderbroek op zijn hoofd, met blote voeten op de stepjes en hij heeft wel keurig een korte broek aan, maar daar zit dus geen onderbroek onder. Eenmaal thuis weet hij niet hoe snel hij alsnog zijn sandaaltjes aan moet trekken en wij zijn nog niet bij de achterdeur of hij kart luid zingend door het poortje. Met nog steeds die onderbroek op zijn hoofd. Ik blijf liever in de buurt, want als je een poort inrijdt, kun je hem ook zo uitrijden. En ik acht hem er toe in staat om nu zelf alsnog naar de Voorveldse Polder te fietsen.
De kwaliteit van het poortje is niet honderd procent. Er zijn wat kuiltjes hier en daar. Als je daar langzaam doorheen rijdt met een fiets met zijwieltjes, dan raakt het achterwiel de grond niet meer en kom je niet meer van je plek. Alleen een opa kan dan uitkomst bieden. Daarom wordt mijn aanwezigheid gedoogd. Beter is het natuurlijk om juist harder te gaan rijden en dat doet hij dan ook. Hij wordt één met het fietsje. Als hij me tegemoet sjeest, doet hij me denken aan een van de hondjes uit zijn favoriete serie Paw Patrol, waarin hulpvaardige hondjes altijd vrolijk in vliegtuigjes de verschrikkelijkste rampen te lijf gaan. Onverschrokken. Onkwetsbaar. Onverbeterlijk gelukkig.

27 juli 2020

Over twintig jaar

In onze niet al te directe omgeving is sprake van relationeel ongerief. ‘Als het vuur gedoofd is…’ Want dat is er aan de hand tussen een man en een vrouw die ooit ja zeiden en nu, jaren later, aan hun kinderen vertellen dat ze met de ander toch maar liever niet oud worden. Ik kan daar niet zo goed tegen, als mensen uit elkaar gaan, en al helemaal niet als er kinderen in het geding zijn.
In de jaren negentig kwamen we in onze kennissenkring nogal eens mensen tegen die ’s avonds in bed, een partner met een gespannen voet tegen kwamen, of overdag in de keuken. Eerlijk gezegd hoorden we daar vaker van via hun kinderen dan via die mensen zelf. Kinderen betalen niet alleen de rekening, ze moeten zolang iets nog niet definitief is vaak ook nog met een geheim rondzeulen. Dat vergaat ze doorgaans slecht, als ze klein zijn en ook niet als ze op de middelbare school zitten. Al het onverkwikkelijks dat ze overkomt en dan ook nog eens loyaal moeten zijn…
Ineens moet ik ook weer denken aan al die afgrijselijke rituele handelingen op school rond ouderavonden, rapportages, persoonlijke gesprekken. Een leerkracht mag kinderen niet slaan, dat begrijp ik, maar waarom mocht je ouders niet af en toe een schop verkopen?

Van die botsingen stellen in onze kennissenkring van twintig jaar geleden zijn er overigens nauwelijks daadwerkelijk uit elkaar gegaan. En nu? Nu lijkt het alsof er nooit iets aan de hand is geweest. Ik kom zorg en zorgzaamheid tegen. Mijn eerste impuls is en blijft daarom ook: doe het niet. Wat heeft het voor zin om degene die je jaar en dag het naast is geweest, door wie je je leven het laten tekenen, met terugwerkende kracht af te keuren.
Let wel, ik heb het over het gedoofde vuur, waarbij de een voor de ander en omgekeerd niet meer interessant genoeg is.
En of ik dat ook zeg? Nee, natuurlijk niet. Als ze me het zouden vragen, ja dan,… Maar er wordt me niets gevraagd.
Vandaag zat ik op een gegeven moment met vier jongetjes op de bank. We hadden oppasdienst. Ik keek naar ze en dacht aan hun ouders. Stel je eens voor dat… Ik zou, ik zou, ik zou misschien wel niets.
Soms komt het binnen, zonder te bellen en zonder te kloppen: angst dat mensen hun relatie niet kindvriendelijk weten te houden. Zoals ik de laatste tijd wel eens wakker word van de gedachte dat Trump opnieuw president wordt omdat er blijkbaar heel veel rare Amerikanen zijn die deze overjarige wel weer voor vier jaar op een schild willen hijsen. Zoals ik een beetje sip ben als ik bedenk dat ik over een maand of wat niet mijn arm om een oude vriend kan slaan die toevallig naast me zit, op de bank, in de schouwburg of in de kerk.
Zo ben ik ook bang voor scheuren tussen mensen die elkaar ooit beaamden en het tijd vinden voor iets anders, eentje met rood haar of met een buikje en een ander gezin, om maar iets te noemen. Dankjewel, ik moest het even kwijt.

26 juli 2020

De druppel en de boemerang

Ik kom zojuist terug van een reis over en door wereldzeeën en tijd. En dat allemaal telefonisch. Met mijn zus herdacht ik, het derde gesprek, mijn zwager die gisteren acht jaar geleden overleed en wiens as enkele maanden later uit een koker in zee terecht kwam. We zijn toen een heel eind de strekdam bij Hoek van Holland op gelopen. Mijn neef klauterde nog wat naar de zijkant, opende de cilinder en hield die vlak boven het water. De golven wilden wel, maar de wind ook en zo werd ook wat as in onze gezichten geblazen. Het verliep allemaal wat onbeholpen, maar toch ook passend en met die as in onze gezichten waren we wel tevreden. Er mag toch wel iets beklijven van wie je dierbaar zijn.
Twee telefoongesprekken daarvoor sprak ik een goede kennis, die behalve een vroegere buurman ook een koude neef is. Dat wil zeggen dat zijn naar den bloede warme tante getrouwd was met een naar den bloede warme oom van mij. Het was een gelukkig huwelijk waarvan altijd wel een kat getuige was, maar nooit een kind. Het beheer van de nalatenschap ging naar de familie van de koude tante.
Een paar weken geleden bedacht ik dat ik als tamelijk trouw kerkhofbezoeker (dat is een familietrekje) nooit een bezoek had gebracht aan het graf van de oom en tante in kwestie. Omdat ik nu de koude neef toch aan de lijn had, vroeg ik er naar. Het graf is al enkele jaren geleden geruimd. Er zijn dus geen sporen meer van de oom en tante bij wie ik als kind iedere vakantie wel een paar dagen logeerde. Dat vind ik jammer.

Volgens mijn zus ligt dat met haar overleden geliefde anders. Die is sinds zijn ontsnapping uit de koker overal. Verdund weliswaar, maar hij is alomtegenwoordig. Alsof de oceanen om ons heen een homeopathische plas zijn.
Het tweede telefoongesprek van vanmiddag duurde het langst. Daarin was voornamelijk de kunstzinnige neef aan het woord. Die had het ook al over wereldzeeën, verdronken rijken als Atlantis en oude Egyptenaren die goed wisten om te gaan met boemerangs zoals we die kennen van de aboriginals. ‘Na de oorlog zijn er nogal wat Nederlanders naar Nieuw-Zeeland vertrokken, maar wie weet kwamen de eerste Nederlanders tienduizend jaar eerder uit Nieuw-Zeeland en vestigden ze zich op Flakkee. Zeg niet, dat het niet waar is, want wat weten wij daarvan?’
Ik zweeg, want deze neef is de zoon van de man die verdund simultaan door alle wereldzeeën stroomt. Waarom zou hij niet gelijk hebben?
Opeens dacht ik aan twee gedichten van J.H. Leopold. Allereerst is daar Oinou hena stalagmon, één druppel wijn. In dat gedicht valt een druppel wijn in de oceaan:
‘daar kleurt de druppel uit den gevloten
den Oceaan; een enkle pereling
doordringt de gansche helderheid en deelt
haar wezen mede aan de verste stranden,
den diepsten bodem […]’

En het andere gedicht is natuurlijk Cheops, waarin de gestorven farao hemelse sferen doorkruist waarbij orde en chaos door elkaar buitelen en individualisering strijd voert met een ontindividualiserende vergoddelijking. Je zou kunnen zeggen dat Cheops aanspoelt, kiest voor het aardse en zijn plaats inneemt als element tussen in steen gevatte tekens:
‘hij is geboeid door de symbolen
van het voormalige en hij hangt er in.’
Ja, het was me een middagje aan de telefoon. Intussen heb ik de bundel van Leopold uit de kast getrokken. Ik denk dat ik die twee gedichten maar eens rustig moet herlezen.

24 juli 2020

Dirk zag Loof

Het was beslist geen goedheid toen ik zei dat ik me in het Westland niet onledig zou houden met allerlei bezoekjes, dat was onvermogen. Onvermogen van mijn kant om voor kleine jongetjes opa te zijn én tegelijkertijd met anderen oude koeien op het droge te trekken; onvermogen van kleine jongetjes om niet te jengelen maar braaf aanwezig te zijn als grote mensen die je grotendeels onbekend zijn met elkaar aan de praat gaan. Dus we liepen gisteren wel even een kroeg binnen in ’s-Gravenzande omdat daar de kleinzoon van mijn zus werkt, maar het vrolijk aangeboden drankje sloegen we af. Dat wil zeggen: dat sloeg ik af.
De jongste, haar partner en hun kinderen waren van de week al bij mijn Westlandse broer geweest, dus daar kon ik met een gerust hart naar toe toen de kinderen op bed lagen, gisteravond.

En dan heb ik nog mijn Westlandse vriend. Maar die trok, dacht ik, met zijn camper door Nederland, dus dat hoefden we niet te proberen. Dirk en ik zijn vrienden vanaf ons vierde. ‘Sinds de kakschool,’ zoals hij zegt als hij me aan iemand voorstelt.
Toen we vanmorgen langs zijn huis reden, moesten we toch maar even stoppen, al was het maar om te kijken of de bel het nog deed. Die deed het en er werd nog open gedaan ook. De vrouw van de vriend deed open en we moesten vooral binnen komen. Nu ligt er een verrassende tuin om het huis, en de vriendin, de jongste en Mente vinden kleine jongetjes leuk, dus konden we er zo drie kwartier blijven zonder dat de jongetjes het gevoel hadden braaf te moeten wezen.

Dirk vertelde me dat hij van de week Loof had zien fietsen. Loof was een weinig succesvolle boekhandelaar in Monster. Lang, rossig, enorme flaporen en hazenlip en dan stotterde hij nog ook. Hij was getrouwd met een korte dikke vrouw. Waarschijnlijk omdat zij als enige twee in de bak waren achtergebleven bij de grote partneruitdeling. Je kunt Loof lelijk noemen, je kunt ook zeggen dat ie markant was. Aardig was hij ook. Als ik voor een tombola voor de padvinderij of voor de bazaar van de kerk bij hem naar binnen liep, ging ik altijd wel met een stapeltje boeken de deur uit. Niet alleen aardig, die Loof, ook gul. En Dirk had hem van de week zien fietsen.
Ik dacht dat ik de enige was die daaraan leed. Toen ik gisterochtend in Naaldwijk een boodschap moest doen, zag ik op de Geestweg onze akela fietsen. We hebben elkaar niet gegroet. Dat gaf geen pas, want al reden we elkaar tegemoet in dezelfde straat, in dezelfde wereld was dat niet, want twee jaar geleden was ik aanwezig bij zijn begrafenis. En dat had Dirk dus met Loof.

Ik loop sinds die tijd met het lied van Willem Barnard in mijn hoofd over Jeruzalem, de vaderstad, dat lied dat vanwege de negers met hun loftrompet in diskrediet raakte. Tot mijn spijt. Ik heb heel lang niet geweten dat neger een beladen woord was en gunde Louis Armstrong een hemelse trompetsolo, Miles Davis trouwens ook. Een eenvoudige herformulering om het lied weer vlot te trekken lijkt me niet moeilijk. Als het zover is, dan kom je regelmatig op aarde de hemel tegen, waarin Bach de maat slaat, Uncle Satchmo trompetspel afwisselt met een hemels ‘Wonderful world’. En waarin veel gefietst wordt, door Loof, door de Akela en fietsenmaker Niek Vianen komt ook weer langs.
Verbazingwekkend dat je bij kerkhoven zo weinig fietsen ziet. Waar zouden ze die laten als ze even uitrusten?

23 juli 2020

De fietsenmaker

Eergisteren stond mijn Amersfoortse neef voor de deur. Hij moest in onze straat zijn en knoopte aan een zakelijke verplichting daar een bezoekje aan familiair erfgoed. Zijn vader verliet Monster kort na de oorlog om elders een bestaan op te bouwen en dat deed hij dus in de Keistad. Daar werd zijn enige zoon geboren; niet onmiddellijk, vandaar dat we leeftijdgenoten zijn.
Dit was de eerste keer dat de een de ander spontaan bezocht, maar we troffen elkaar wel bij zijn moeder. Niet heel vaak, maar toch frekwent genoeg om een gestaakt gesprek onmiddellijk voort te zetten.
Gisteren liep ik even door de wijk waar ik als kind gewoond heb, net als de vader van de neef deed in de jaren dertig en veertig. Die oom was de broer van mijn vader. Ze scheelden maar vijftien maanden. De oom woonde al twintig jaar elders toen we in de zomer van 1967 door de Molenstraat liepen, niet ver van de molen, ter hoogte van de rijwielhandel waar ze geen fietspomp wilden uitlenen aan een oudere dame*. Ook toen zat daar al een fietsenmaker, maar een andere dan de huidige. Dat kan ook niet anders, want als Niek Vianen nog had geleefd, zou hij nu toch al gauw honderdtien zijn geweest. Ik denk zelfs iets meer.
Goed, wij liepen daar dus, mijn oom en ik, toen Niek Vianen kwam aangefietst. Mijn enthousiaste oom sprong de straat op om hem tegen te houden.
‘Dag Niek, hoe is het nou met jou? Weet je nog wie ik ben of ken je me niet meer?’
Niek lachte een beetje schaapachtig en keek mijn kant op. Mij kende die dan wel, maar wie die man was? Hij bleef wat lachen, te bleu om te zeggen dat hij het niet wist. Ik schaamde me een beetje voor mij overenthousiaste oom.
Die vertelde wie hij was. ‘Je weet wel, uit de Varenstraat. De groenteman met zijn paard, met Lieftink,’ want zo had mijn oom zijn naoorlogse paard genoemd.
Ik kan me niet herinneren dat Vianen echt iets gezegd heeft. Ook niet dat hij er geen idee van had wie die man nou was, maar zo was het wel. Zoveel was wel duidelijk.
Ik ben niet twintig maar bijna vijftig jaar weg uit Monster en ik weet zeker dat ik gisteren en vandaag mensen ben tegengekomen met wie ik vroeger in de klas zat of op de padvinderij of wat dan ook. Af en toe is er wat herkenning, een stuk straat, een huis, maar ik beweeg me vooral door een gebied van vervreemding. In Loppersum, om iets te noemen, eigen ik me straten toe, in het Westland zie ik vooral dat er veel niet meer is. Deze keer vallen me vooral de stukken grond op waar ik vroeger op een schuit doorheen voer, waar ik slootje sprong of wat dan ook. Ze gingen op de schop of doen dat alsnog om huizen te bouwen voor de tien- en tienduizenden Westlanders van na mijn vertrek met wie ik nooit wat te schoffelen had of hebben zal.
De Amersfoortse neef en ik heb intussen wel een afspraak gemaakt en ik weet zeker dat hij een keer met me naar Monster wil. Om de Molenwijk te zien, het kerkhof te bezoeken en een oude neef. De fietsenmaker bij de molen zal ik hem afraden.

* Zie OH van gisteren, 22 juli 2020.

22 juli 2020

Geen fietspomp

Ook een maand geleden bezocht ik het kerkhof van Monster. Deze keer had ik geen bloemen bij me, je kunt niet bezig blijven, maar wel een dochter en een kleinzoon en we gingen even langs het graf van mijn ouders. Voor mij had het niet zo gehoeven om het opnieuw bij de doden te zoeken en niet bij de levenden, maar de jongste wilde er weer eens langs. We zijn een paar dagen te gast in een huisje dat zij huurde in de driehoek Naaldwijk, ‘s-Gravenzande, Monster. En vandaar fietsten we naar Monster.
Een bezoek aan doden heeft als praktisch voordeel dat je er niet zo lang hoeft te blijven. Dat was maar goed ook, want Lucas begon steeds meer trek te krijgen in het ijsje dat we hem beloofd hadden. Dat haalden we bij de ijsboer tegenover de molen. Onder die molen, De Vier Winden, waren bankjes geplaatst die uitnodigden om daar je ijsje op te eten. Links zag ik het huis waar ik in mijn puberjaren woonde, rechts stond mijn geboortehuis. Hier was ik een jeugd lang thuis geweest.

Op het bankje naast ons zat een oude man. Hij had een vouwfiets voor zich staan, op zijn kop. De band was zacht, misschien wel lek. Terwijl wij vergeefs ons best deden om de ijsjes niet te laten lekken, kwam er een vrouw naar ons toe met de vraag of wij een fietspomp hadden. Die hadden we niet. Vanochtend, thuis in Utrecht, had ik nog wel even gekeken naar het handige pompje dat ik altijd meeneem op trektochten, maar lekke banden spelen me nauwelijks meer parten, dus ik nam het niet mee.
Daarom moest ik nu nee verkopen. Wel verwezen we naar de fietsenmaker om de hoek. Daar was de vrouw al geweest, maar de werkplaats was gesloten. Alleen de verkoopafdeling draaide. Zonder fietspomp. Ik vond het een raar verhaal.
‘Gaat u aan de overkant de deuren langs. Er is vast wel iemand met een pomp,’ stelden we voor. Dat had de vrouw al gedaan. Hoewel de man van de omgekeerde fiets en zij geen woord met elkaar wisselden, elkaar zelfs niet even aankeken, was duidelijk dat ze een stel vormden en dat zij de ondernemende was van de twee. Ze belde iemand met haar mobieltje en even later stak ze over en stapte op een fiets die blijkbaar de hare was.

Hier was ik een jeugd lang thuis en nu was ik niet eens in staat om iemand even aan een pomp te helpen. Ik wist van de schuur links, een eindje verder, zou er blindelings de fietspomp hebben kunnen pakken, een andere overigens dan die van de schuur achter het huis rechts, die hadden we ooit moeten vervangen. Intussen kon ik dus niets betekenen en moest ik constateren dat een heel dorp in gebreke bleef.

Lucas had bijzonder veel moeite met zijn smurfenijsje, al leed hij er niet onder. Gelukkig had ik bij de ijssalon gauw een stel servetten in mijn zak gestopt en ik had dan wel geen fietspomp bij me, wél een volle bidon zodat er een schoon jongetje op de fiets gehesen kon worden.

Toen we vertrokken zat de man onder de molen, nog achter zijn omgekeerde fiets, hij staarde naar wat sprietjes gras tussen zijn schoenen. De vrouw was nergens te zien.

21 juli 2020

Sterzingers

 

Het ligt niet erg voor de hand om op de derde dinsdag van de hooimaand stil te staan bij een tekening waarin een groepje kinderen in een optocht huizen langs gaat. Als het goed is, zijn ze verkleed als een van de drie koningen of als herder. Het is een tafereel dat zich afspeelt in de periode tussen Kerst en Driekoningen.
In het midden, het drukste deel van de tekening staan zeven kinderen. Een vrouw midden in het groepje draagt een achtste kind en een beetje achteraan staat misschien een negende. Een puber? Dan wel eentje die geen aandacht heeft voor waar de vier kinderen vooraan mee bezig zijn. Die staan in een kringetje, eentje met de rug naar ons toe. Ze zijn ergens over in gesprek. Het zou kunnen dat de een vindt dat hij de ster nu eens mag dragen, dat is de lamp die aan een dunne stok als een zonnebloem van licht boven hun hoofden hangt. De ander wil hem niet afgeven, of hij wil juist dat die andere koning hem nu eens overneemt. Het maakt deel uit van hun spel van de driekoningen, maar ze zitten niet meer in hun rol. Het zijn geen koningen en herders meer, maar jongens die het niet helemaal met elkaar eens zijn. Eentje staat er verveeld bij. Hij is het gedoe van zijn vrienden zat. De vierde, links, is er bij gaan zitten en wacht af hoe het afloopt. Hij is partij, maar laat het niet merken.
Ernstig is allemaal het niet. Dat zie je aan de moeder met het kind op haar arm. Ze is met een paar penseelstreken neergezet, voldoende om te zien dat ze wel plezier heeft in het gedoe van de jongens, voldoende ook voor ons om te zien dat ze mooi is. De hond die later met een dikker en dik in de inkt gedoopt penseel met een paar cirkels en streepjes is neergezet, heeft meer belangstelling voor de twee kinderen rechts. Waarbij de grootste van de twee de ontevreden kleine wijst op de ster, om af te leiden. Niet alleen de hond, ook twee mannen op de achtergrond hebben meer belangstelling voor die twee. Het kan niet anders, of het kleine kind huilt. De mond is een grote zwarte inktvlek. De hond is later aan komen lopen, denk ik.
Schuin achter de vrouw heeft nog een derde man gestaan. Hij is veranderd in een bruine vlek. Waarschijnlijk heeft Rembrandt de zijkant van een in water gedoopte rechterduim gebruikt om de man weg te halen. Uiterst rechts zie je nog iemand weglopen. Dat zou dus de man kunnen zijn die meer naar voren een bruine vlek werd.
Het linker deel van de tekening is veel lichter dan de rest. We zien een gezin in de deuropening. De onderdeur is nog dicht, een kind heeft moeite over de rand heen te kijken. Hier, naar dit gezin in de deur zou de belangstelling van al die kinderen uit hebben moeten gaan. De man en de vrouw en de baby die ze dragen zouden toegezongen moeten worden. Het gezin in de deur zou zomaar de heilige familie kunnen zijn, maar waar komt dan dat kind vandaan dat moeizaam over de onderdeur gluurt?

Rembrandt maakte de tekening in 1646, toen calvinistische predikanten er alles aan deden om dit soort katholieke gebruiken uit te bannen. Kerst, Pasen, Pinksteren, dat waren genoeg feestdagen.
Daar hoorde die flauwekul van Driekoningen niet bij.
De tekening, pen en penseel met bruine inkt, meet ca 20 bij 30 centimeter.

18 juli 2020

De plek

Op de avond van onze thuiskomst stuurde Henk me zijn foto's van onze fietstocht toe. De man is zo snel! Een deel van zijn en mijn foto's wordt onmiddellijk gewist. De rest schuif ik in elkaar. Daar ben ik nog mee bezig. Voor de exacte volgorde raadpleeg ik af en toe de tijd van opname. Daarbij viel me deze keer op dat Henk dertien minuten op mij achterliep. Intussen heb ik gecheckt hoe het zit en weet ik dat hij niet achterliep, maar ik voor. Daarbij verbaast het me niet dat de tijd van Henks camera goed was ingesteld, wel dat het leek dat mijn camera voorliep op die van hem. Nogmaals: Henk is namelijk sneller dan ik.

Bij het ritueel van onze tochten hoort dat Henk iedere dag een tekeningetje maakt als verslag van de dag en ik schrijf een stukje. Henk zit doorgaans voor of anders in zijn tentje, ik zit liever niet buiten, omdat ik dan het scherm van het laptopje niet goed kan zien, dus mij vind je in mijn tentje, op mijn stoeltje, het apparaat op schoot. Henk heeft dit jaar geen foto van me gemaakt terwijl ik een stukje aan het tikken ben. Dat is geen punt, integendeel: ik hou er niet zo van dat schrijfsels verwijzen naar het schrijven, of foto's naar het fotograferen. Dus je hoeft ook niet te zien hoe de schrijver zit te schrijven. Maar bij het kamperen is het vinden van de geschikte plek toch wel steeds een momentje om bij stil te staan.

De fietstocht van dit jaar was bijzonder kort, een week, en daarbij kwam dat ik halverwege een nacht thuis sliep en dus mijn stukje achter mijn bureau kon schrijven. Dat is bijzonder prettig (daarom deed ik het ook), maar past niet bij het ware kampeerwerk. Er blijven nog vijf nachten over en in drie gevallen lukte het me in de buurt van een stopcontact te zitten bij het schrijven. Ik ben nogal gevoelig voor volle batterijen en accu's namelijk. Twee keer kwam ik in een soort blokhutje terecht en een keer, in Drieënhuis, in een tot eenvoudige recreatiehal omgetoverde boerenschuur, waar ik een krukje als tafel gebruikte en een andere krukje als - je raadt het nooit - krukje om op te zitten.

Het vinden van een schrijfplek is dus wel een moment om aandacht aan te besteden, al moet ik zeggen dat het schrijven op een stoeltje in de tent met computertje op schoot me goed bevalt. Maar vanwege de energievoorziening is dat dus niet mijn eerste keus. Dat een plek een stukje wel kan beïnvloeden, ook al gaat dat helemaal niet over die plek, zal wel onzin wezen, maar toch zit dat in mijn hoofd. Stel je voor dat je aan een stukje over gesprekken tussen Europese regeringsleiders in Brussel kunt merken dat de schrijver ervan die dag gebonden tomatensoep heeft gegeten, hoogstwaarschijnlijk niet uit een kom maar uit een bord. En dat je dat niet merkt omdat dat wordt verteld, maar de woordkeus en melodie van de zinnen dat verraden. Dat zou toch prachtig zijn.

Die gedachte speelt ergens in de diepte mee als ik tijdens fietstochten een schrijfhoek zoek. Misschien dat ik het daarom wel spannend vind om op een vreemde plek mijn laptop open te klappen.

Cup-a-soup is heel lekker als je een dag gefietst hebt. Thuis smaakt die verschrikkelijk, maar niet tijdens een fietsvakantie. Ik weet niet of het met de rest van dit stukje te maken heeft, maar voor mijn gevoel maakt deze belangrijke mededeling het voorgaande pas volledig.

17 juli 2020

Déjeuner sur l’herbe

Mijn rooie fietsje sprong enthousiast de poort in. Het was een verademing om na meer dan een week zomaar zonder bagage op stap te gaan. Hij huppelde naar de grazige weiden direct buiten de stad, vrolijk om zijn herwonnen lichtheid. Nauwelijks in de polder werd hij tegen een paal gezet.
Een paar meter verderop stond het stralende middelpunt van de dag. Een kleine rij mensen vormde een pijl die naar haar wees. Er is er een jarig, dacht ik, en: dat kun je wel zien, dat is zij. ‘Ik ben echt jarig vandaag,’ zei ze, ‘en ik voel me ook heel erg jarig, ook al kan ik niet geloven dat ik nu al zeventig ben.’
Dat zou het thema van de dag worden. Wat ons daar in de groene polder te wachten stond, wist ik niet goed. Koffie was er, en gebak. Dat had ik wel verwacht. Er zou ook iets van een rondleiding zijn. Dat klopte, een deel van het gezelschap zou worden rondgeleid op het fort iets verderop, het andere deel zou een wandelingetje maken. Ik wandelde even later langs de paden waren ik een paar keer per week fiets. Van een afstand volgde mijn rooie fietsje mijn gangen.
Sommigen bleven bij de picknicktafels. Dat was een leeftijdsdingetje waar beleefdheidshalve niemand iets van zei. De wandelaars liepen langzaam, het was een slenteren, op halve kracht. Ook dat was te snel en daarom stonden we vaak stil om de anderen op te wachten. Er werd gewezen naar lang geleden huizen die er niet meer stonden. Gewezen naar een molen en een overbodige slagboom die er altijd al geweest waren, maar die de een of de ander nooit eerder had opgemerkt. In al die jaren niet!

Toen het rondje af was, begon mijn fiets al te kwispelen, maar nu zou de high tea nog komen. Ik kwam met vier anderen aan een van de vier tafels te zitten.
Een stel vertelde in geuren en kleuren van de ellende die de bouw van hun seniorenwoning met zich mee brengt. Zij hadden het overigens niet over een seniorenwoning maar over alternatief wonen. ‘Het is namelijk voor alle generaties.’

‘Ik voel me helemaal niet ouder dan vroeger. Zeventig zijn zegt me niks,’ verklaarde een vrouw die ik al zag bij de zwemles van de kinderen en bij de avondvierdaagse, maar die ik nooit had gesproken. Ze ging verder: ‘Alleen als de kinderen er zijn, dan voel ik me oud, want ze praten met elkaar, niet met mij, en ik heb vaak geen idee waar ze het over hebben.’
‘Zo ging het met mijn schoonmoeder ook, Carla,’ nu was de 72-jarige echtgenoot van de jarige aan het woord, en hem kende ik wel. ‘Die bepaalde bij haar thuis het gesprek. Later, als ze op bezoek was bij de kinderen, voor een verjaardag, sneed ze een onderwerp aan dat het twintig tellen vol hield; daarna gingen de anderen weer verder met hun eigen gesprek. Nog weer later zei ze niets meer, behalve als iemand vroeg of ze het een beetje naar d’r zin had. ‘O, ja hoor, zei ze dan.’ Jij zit ergens op dat hellend vlak, Carla.’
Ik vroeg maar niet hoe het nu met zijn schoonmoeder was; ik wist dat ze al lang dood was.
Haar jarige dochter niet, die straalde nog steeds en genoot van een scone. Het deed me genoegen om te zien dat ze nu in ieder geval niet dacht aan de staaroperatie die haar te wachten staat en waar ze nogal tegenop ziet.

16 juli 2020

Barneveld

Kootwijkerbroek, Stroe, Harskamp, De Valk, de gebieden van die dorpen lopen wat door elkaar. In dit deel van de Gelderse Vallei lijken de landwegen op elkaar en ze zijn de afgelopen halve eeuw nauwelijks veranderd. Ik merk het als ik door een milde regen in een ruime boog om Barneveld fiets.
Er zijn nieuwere, fraaiere stallen gekomen, dat wel, maar niet veranderd is de geur. Die komt uit de poriën van het gebied.
Bij geur denk ik aan iets vluchtigs. In de lift op school kon je vroeger ruiken wanneer Joop daar gebruik van had gemaakt. Hij hield van eau de toilette en ging er royaal mee om. Toen ik twintig jaar na de verhuizing nog eens terugkwam in de werkkamer van ons vroegere huis rook ik nog de pijptabak die ik daar lang geleden had zitten verstoken. Daar schaamde ik me toen, intussen een verstokt niet-roker, voor. Een beetje maar, een heel klein beetje, want het deed me ook plezier. Dat had ik ook toen er onlangs, vraag me niet vanwaar, een miniatuurtje uit een doos tevoorschijn kwam van een flesje Dakkar Noir. Ik herkende het niet eens, maar toen mijn zoon van tegen de veertig aan het flesje rook, riep hij plotsklaps: Pappa. Inderdaad, zo was het. Ik rookte pijp en deed nog aan eau de toilette. Amphora Bruin en Dakkar Noir
Bij Barneveld rijd ik door een landschap van geur, de geur van de Gelderse Vallei. Het is een weeïge lucht waarvan ik niet alleen het idee heb dat die uit de poriën van het land komt, maar ook opgezogen wordt door de huizen, de mensen en dat alles in de wijde omtrek, organisch of anorganisch, die lucht vervolgens ook weer afscheidt.
Is het vergezocht om te veronderstellen dat geur ook een mentale component kent? Het gaat er nu niet om dat iemand wat somber of gelaten wordt van de lucht van zoveel pluimvee, vermengd met wat andere agrarische ingrediënten. Daar gaat het niet om, ik ga een stap verder. De geur heeft niet alleen een mogelijk effect op iemands geestesgesteldheid, nee, dat zogenaamde effect is een van de bouwstoffen van de geur die kippen verspreiden.
Het zou mij niet verbazen als mijn denken, mijn kijk op het leven anders zou zijn geweest als die pluimveegeur de lucht was geweest waarin mijn leven zich voltrok. Het is een heel andere geur dan die van de kust waar ik opgroeide, en ook van de bossen en de heide van gisteren, toen we hier niet ver vandaan, van Doorwerth naar Kootwijk fietsten.
Misschien zijn er wel geurtherapieën. Ik weet het niet.
Als alle pluimveehouderijen in de Gelderse Vallei geruimd zouden worden, duurt het nog decennia voordat die geur weg is, weg uit de grond, weg uit de mensen, weg uit de gebouwen en weg uit de lucht en daar lijkt het ook een beetje op, dat de lucht bij Barneveld een andere samenstelling heeft dan in de rest van Nederland.

15 juli 2020

Protest

Het derde pontje zette ons de Neder-Rijn over en zorgde daarmee voor een schok in onze beleving van het landschap. Weg waren de klei, het altijd aanwezige water, het platte land en de wind die we tot dat pontje tussen Driel en Doorwerth vooral tegen hadden. Voor het eerst in tijden gebruikte ik het kleinste verzet van mijn fiets. Lang duurde dat niet, zo breed is de stuwwal bij Heveadorp nu ook weer niet, maar het zand, het bos, bleven.

In het rivierenland zagen we hier en daar borden die ons leerden dat het werk van boeren van groot belang is en dat we daar dus vooral niet te gering over moesten denken. Boeren waren trots! De borden zagen we ook op de Veluwe. Natuurlijk niet op de Ginkelsche Heide of bij Kootwijkerzand, maar weer wel bij Stroe, waar bikken rijmde op stikken.

In de omgeving van Kootwijk begon het een beetje naar de Bible Belt te ruiken en al helemaal op de keurig verzorgde minicamping waar we aan het eind van de middag neerstreken. Een leestafel in het sanitaire blok liet er geen misverstand over bestaan: stapels van het tijdschrift De Waarheidsvriend, de kranten van afgelopen week waren edities van het Reformatorisch Dagblad, ik zag een editie van Terdege en ook lagen er twee Bijbels.
Een kilometer of tien eerder hadden we ons erover verbaasd toen we een camping zagen waarbij alle caravans een schotel op hun dak hadden. Die kwam je niet tegen op de natuurcamping even verderop en ook niet bij de twaalf caravans op deze camping. Caravans zonder schotels hebben mijn sympathie. Dit was dus de Biblebelt.

Ik vroeg me af of boeren die bij de GerGem horen, bij Hersteld Verband of bij de Gereformeerde Bond mee zouden doen aan demonstraties? Zouden zij met hun trekker optrekken naar Den Haag? Ik denk van niet, maar ja, onlangs las ik van een SGP-jongere die niet inzag waarom er niet samengewerkt kon worden met Forum voor Democratie. Dat is heel iets anders, ik weet het, maar ik heb geen ander voorbeeld. Ik schrok er wel van. Mijn latente angst voor hordes en mensen die geboren lijken met een beschuldigend vingertje steekt heel makkelijk de kop op.

Lijkt me overigens interessant eens na te gaan of en in hoeverre en op welke manieren mensen die deel uit maken van een bepaalde groep, een beroepsgroep zoals die van boeren, maar ook van een andere groep, bepaald door streek en levensbeschouwing zich manifesteren. Zijn het vooral Drentse boeren die ook lid zijn van een biljartclub die optrekken of juist de Zeeuwse boerinnen die op elke derde dinsdagavond van de maand een boek bespreken?

Welke boeren gaan met een trekker een autoweg op en welke boeren niet? Wie lopen te hoop tegen de anderhalvemetermaatregel, wie denken er net zo over maar trekken vervolgens niet naar Dam, Malieveld of wat dan ook?

Zitten daar veel mannetjes tussen die met een tentje op de fiets door Nederland trekken en blij zijn als ze om tien uur eindelijk naar bed kunnen? Dat zou ik ook wel willen weten.

14 juli 2020

Zwaaien

Het verbrande hoofd van gisteren was een optelsom van drie dagen onverdroten blootstelling aan de zon tijdens het fietsen. Daarom was ik niet erg rouwig om het regentje dat het vandaag de hele van de zon overnam. Mijn gezicht was er blij mee en de rest van het lijf kon er ook goed mee omgaan. Hier wil ik het verder niet over hebben.

Ondanks de regen troffen we nog heel wat mensen op ons pad dat voerde van Utrecht naar Millingen aan de Rijn, een kleine honderd kilometer waarbij Rijn en Waal uitgebreid op het menu stonden. Die andere fietsers waren de natuurlijke en de onnatuurlijke kleur in hun haar al voorbij. Ik moet wel zeggen dat er de nodige petten en capuchons waren, maar desondanks durf ik met een gerust hart voor deze bewering in te staan. Nu, met een mild regentje zag je geen jong volwassenen op een kekke racefiets. Senioren zag je en scholieren, de echte doorbijters in de Nederlandse samenleving. En, dat dan weer wel, ruim bepakte gezinnen die op fietsvakantie waren. Het goede volk dus.

Vandaag gebeurde het minder dan de dagen ervoor, maar het gebeurde wel: fietsende tegenliggers zwaaiden naar ons. Ik ken de gesproken groet. Het goedemorgen dat het veel beter doet dan goedemiddag, en dat niet alleen in Nederland, alleen in Frankrijk wenst een tegenligger je geen ‘bonmatin’ maar pakt hij de hele dag. In Nederland doen hoi en hallo het ook wel, maar dat zwaaien maak ik pas mee sinds afgelopen vrijdag.
Zwaaien is ook het goede woord niet. Daarbij denk ik namelijk meteen aan een hand die los uit de pols even heen en weer wappert, terwijl het hier gaat om iemand die een bovenarm opzij buigt en daarbij de onderarm verticaal houdt, en wel zo dat de hand niet of nauwelijks boven de schouders uitkomt. De hand is gestrekt, met de palm naar de fietser die wordt begroet.
Het begon met een ouder echtpaar afgelopen vrijdag, onder Almere. Eerst groette de vrouw me en de man achter haar deed het precies zo. Inderdaad man en vrouw nemen doorgaans de gekste gewoontes van elkaar over, zoals er mannen zijn die bij het plassen gaan zitten. Zoiets. Misschien ging dat ook op bij een manier van groeten.
Maar ik had Almere nog niet geslecht of een jongeman alleen begroette me op dezelfde manier. Was het streekgebonden?
Ik houd het kort en vertel alvast dat het niet streekgebonden is, niet leeftijdgebonden, niet wordt bepaald door sekse of positie in de samenleving (al heb ik dat niet gecheckt).
Henk en ik hadden het er gisteren al even over, ook hem was het opgevallen. Door even over zoiets te praten kwamen we tot een mogelijke verklaring, waaruit maar weer blijkt hoe goed het is om te praten over wat je dwars zit of anderszins bezighoudt. Het ging allemaal zo snel in dat gesprek van ons dat iedere reconstructie ervan de werkelijkheid geweld aan zou doen. Maar we kwamen samen op de high five. Het zou wel eens een door de coronatijd ontstane luchthighfive kunnen zijn. Misschien is er intussen ook wel een airboks. Het zou zomaar kunnen. Hier in de tent (het regent weer) is geen internet, dus ik kan gelukkig geen onderzoek doen, maar ik houd het erop.

Vandaag kwam we overigens maar een keer iemand tegen die ons op die manier groette. Dat was ergens tussen Dodewaard en Nijmegen, langs de Waalbandijk, met één d.

13 juli 2020

Die Romeinen

Met een grote boog bereikten we gisteren Katwijk, Henk en ik. Daar begint de Limesroute, een fietsroute die voert langs de noordgrens van het Romeinse rijk. Ik wil niet dat daar grapjes over worden gemaakt. Vraag me niet of ze zoveel citroenen aten, die Romeinen, vraag me ook niet of die mannen ook alles op de fiets deden. Zeg ook niet dat het maar rare jongens zijn, die Romeinen. Anderen zijn je voor geweest. En nee, het is ook niet logisch om de tocht die voert van Noordzee naar Zwarte Zee van west naar oost te maken. Al kun je je met hetzelfde recht afvragen of je voor een rondje om Nederland de grens met de klok mee moet volgen of juist andere kant op.

Het mag ons worden aangerekend dat we weinig aandacht hadden voor het beginpunt, Kalla’s toren, een gedenkteken dat herinnert aan die verschrikkelijke keizer Caligula die van hieruit Brittannië had willen veroveren, maar dat niet deed. De echte toren van Caligula was deel van het Lugdunum Batavorum waarvan resten een kilometer verderop in zee liggen. Dat was niet een bijzonder geschikte plek om de tocht te laten beginnen aan, maar we hadden toch op zijn minst foto van onszelf moeten maken bij dat kunstwerk op de Boulevard. In plaats daarvan vroegen wij ons meer af hoe we met al die wegomleggingen de gereserveerde camping bij Wassenaar konden bereiken. Dat gaf het nodige gedoe.

Daar hadden we vandaag geen last van, maar ook het eerste manifeste Romeinse moment, c.q. monument het Matilo kreeg nauwelijks onze aandacht. We brachten er tien minuten door, maar dat was vooral omdat Henk naar batterijen voor zijn camera zocht en ik naar hem keek, op ruime afstand om te laten merken dat hij op moest schieten.

Eerlijk gezegd ken ik de route vandaag wel. Ik heb hem meermalen gefietst en voor een groot deel ook gelopen. Maar nu was ik niet op weg naar of van het strand, van mijn moeder of tante Hennie in Alphen aan de Rijn of wat dan ook, nu fietste ik de Limesroute, uit te spreken als Limès, al doe ik dat zelf ook niet, het klinkt me te uitsloverig. Vandaag fietste ik deze route voor het eerst als zijnde een traject dat voert langs de noordgrens van Romeinse rijk. Het lijkt wel of er met de aandacht voor dat volk dat 2000 jaar geleden Europa beheerste een nieuw stukje geschiedenis bij gekomen is. Ik associeer het gebied, met de zeventiende eeuw, met negentiende nijverheid, met J.P Thijsse. Ik noem maar wat.

We hadden al wel wat oude stenen met inscriptie en het castellum op het Domplein, de resten onder de muzieschool daar, maar daar heb je het al: dat is toch vooral de plek van een middeleeuwse kathedraal. Met de aandacht voor de Romeinen wordt er een nieuw stuk geschiedenis geëxploiteerd. Nieuw! De Romeinen! Het Castellum bij Leidsche Rijn geeft misschien wel een beetje aan wat ik bedoel.

Ja, dat heb ik allemaal bedacht op de fiets, met de wind in de rug en een verbrande kop.

12 juli 2020

Bikkelen

Natuurlijk dacht ik gisteren bij dat grote huis onderaan de dijk onder Schermerhorn ook wel aan koningin Emma, maar veel meer dan een losse gedachte werd het niet, gisteren niet en veertig jaar geleden ook al niet*.
Vanmorgen was er geen ontkomen aan die associatie, want we waren nog maar amper op weg, verder zuidwaarts, of we troffen in de bocht een huis met de naam Juliana en daarnaast een… was het een gemaaltje? Ik weet het niet zeker, wel weet ik dat het Willem Alexander heette. De tussenliggende generaties met Wilhelmina en Beatrix heb ik niet gezien, maar deze trits was onmiskenbaar. Het grote huis is genoemd naar de koningin-moeder die met haar regentschap in de jaren negentig van de negentiende eeuw de harten van de Nederlanders stal. Vermoedelijk is Nederland nog een koninkrijk dankzij de dood van Willem III.

Vandaag wilde ik me hoeden voor memory lane. Het kan niet altijd feest zijn. Gisteravond liepen we naar het pannenkoekenhuis van Driehuizen en toen herinnerde ik me een etappe van het Trekvogelpad waar ik ooit met Aat liep, een kille dag in februari. Storm, regen. Ik vertelde het Henk en toen zag ik een sticker met de naam van het pad.
Vandaag geen herinnering. Het was tijd voor heel iets anders. In ieder geval waren er veel en veel minder auto’s op of langs ons pad. Des te meer fietsers. Ik denk niet dat je in Nederland een man van tussen de dertig en de veertig kunt zijn zonder racefiets en bijpassende outfit. Er moet door de week heel wat kostbaar materiaal in schuren of wat dan ook opgeslagen staan om op zondag (of zaterdag) tevoorschijn getrokken te worden.
Het was prachtig weer vandaag. Voor fietsers konden de weersomstandigheden niet gunstiger zijn. Al die voorbij- of ons tegemoetstormende hordes deden me aan gnoes denken. Het blonk allemaal, die fietsjes van ze, die shirtjes en helmen; wat zag het er kek uit. Maar het waren gnoes, zinneloos geframede dertigers die roekeloos een bocht afsneden als de voorste dat ook deed. Die blind naast elkaar blijven rijden als er ook van de andere kant mensen naast elkaar rijden. Henk en ik deden dat niet, natuurlijk niet, wij reden keurig achter elkaar.
Toch had niet elke wielrenner zich overgegeven aan zinneloosheid. Zo werden we gepasseerd door een tweetal (daar heb je het al, geen vier- of nog-meer-tal, nee, twee) waarvan er een ons toeriep dat wij de echte bikkels waren.
En zo is het ook. Over een uurtje stonden die dertigers onder de douche en even later liepen ze weer rond met een schoon polootje aan. En dan zaten wij nog op de fiets. Met tent en kookgerei, schoon goed en nog veel meer. Wij wel!
Dit gebeurde dus allemaal tussen overstelpend veel sappig groen dat doorsneden werd door vaarten met lelies en watervogels en daar boven een blauw dat hemels blauw was, met wolkjes waarbij slagroom schriel afsteekt. Maar met regen en stevige tegenwind zouden wij er ook zijn geweest.
Later reden we langs de Leidse Trekvaart. Dat is de vaart waarlangs 200 jaar geleden een voorvader van me als scheepsjager over het jaagpad zeulde. Dat was nog eens bikkelen. Als we hem waren tegengekomen, zouden wij ons geschaamd hebben, als dwaze zestigers die zich in het zweet trappen... En waarvoor? Voor de lol.

* Zie OH van 20200711

11 juli 2020

Emma

De dijk van Lelystad naar Enkhuizen grijnsde me toe, maar de wind viel erg mee. De enige regen die ons had willen teisteren viel op de parasol halverwege. Daar zaten we onder met koffie en gebak.
Het echte ongemak wachtte ons op bij Enkhuizen. Kilometers lang reden we langs ingeblikte mensen. Dat denk ik tenminste, dat er mensen in dat gemotoriseerde blik zaten. Ik droomde van de jaren dat ruiten van auto’s nog niet getint waren en je als passagier of chauffeur gezien werd. Je zat minder verschanst in een auto: de ruiten zorgden voor een aangenamer uitsnede van het menselijk lichaam. Zouden kinderen dat nog doen als ze in een auto zitten, eindeloos naar inzittenden van andere voertuigen zwaaien en dan maar hopen dat er gereageerd wordt? Ik ben bang dat er van dit erfgoed niets meer over is. In plaats daarvan zitten de kinderen ook in de auto naar een schermpje te turen. Denk ik. Zeker weten doe ik dat niet: vanaf mijn fiets kan ik dat niet zien. Het zou me welkom zijn geweest, af en toe een kinderhandje dat naar je zwaait.
Het zou me misschien ook wat hebben afgeleid van de wind, want die bleef ons lastig vallen, ook toen we eindelijk bij Avenhorn van het misdadige blik verlost werden. Toen was er dus nog die wind en die nam toe. Henk kon daar veel beter tegen dan ik. Ook dat nog.

Op de dijk langs het Markermeer vanochtend hadden we geconstateerd dat we hier geen van tweeën eerder fietsten. Henk had hem wel vaker met de auto bereden. Pas toen ik zei dat ik dat niet gedaan had, schoot me te binnen dat ik er veertig jaar geleden overheen was gegaan. Daarna had ik een wandeling door Hoorn gemaakt, er een parkeerbon van 35 gulden opgelopen die ik ter plekke bij de politie ben wezen betalen. Daarna ben ik wat in de omgeving gaan rondrijden.

De droef makende aandacht voor mijn afnemende krachten werd onder Schermerhorn hoopgevend afgeleid door een huis. Ik had, al fietsend, een foto gemaakt van een stukje land met molen toen ik rechts, onderaan de dijk, een groot vrijstaand huis zag, een zakelijk ogend huis waar er in de jaren twintig heel veel aan de toenmalige rand van dorpen werden neergezet, maar hier stond het huis zonder dat er varianten rond dit bouwkundige thema in de onmiddellijke nabijheid stonden. En het was veel groter.
Toen wist ik het. Ik was hier in 1980 uit mijn rooie Renault 4 gestapt om een foto van de landelijke ligging van de molen te maken en toen ik weer wilde instappen (het was toen slecht weer) zag ik dat grote huis en ik zag dat het Emma heette. Nu nog.

Ik weet nog dat ik die avond thuis een verhaal, of waarschijnlijker een gedicht schreef over Emma. Vraag me maar niet waar het over ging. De kans is groot dat ik het heb weggegooid en als dat niet zo is, kan ik nu niets met die vraag. Het is niet mijn gewoonte een heel archief met me mee te slepen als ik een paar dagen ga fietsen. Dat ik een tent meeneem bij wijze van huis is al heel wat. Aan een complete inboedel kunnen we niet beginnen.

Intussen ben ik wel benieuwd naar wat me toen zo aanspraak van dat huis en wat die naam met me deed, want er was iets met die naam en dat was vreemd, want ook toen kende ik niemand die zo heette.
Bij het raadhuis van Grootschermer moesten we rechtsaf. Als ik een flinke vent was, zou ik nu afstappen en een foto maken. Ik reed door. Ik had die foto in 1980 al gemaakt en dus vond ik dat dat nu niet meer hoefde.

De tent staat, ik heb gedoucht, we hebben gegeten. Er hoeft niets meer vandaag. Zit ik alleen nog met die vraag waarom huize Emma me indertijd zo intrigeerde en waarom me dat nu bezig houdt.

10 juli 2020

Pap en moes

In de ‘Heiligen met de Krakeling’ vertelt Belcampo van Franciscus van Assisi, die het beste voorhad met viervoeters, pootlozen en andere dieren, en daarom op zijn fiets niet ophield met bellen. Dit om kevertjes, slakken te waarschuwen. Ik denk dat dat geen zin heeft. De dieren besteden er geen aandacht aan óf ze schrikken zo dat de waarschuwing wel averechts zou kunnen werken. Ik heb vandaag regelmatig gebeld, maar dat was steeds om mensen die voor me uit jogden of sjokten te waarschuwen. Dat deed ik ruim van te voren, juist om schrikken te voorkomen.
Voor slakken volg ik een andere strategie. Die van het slalommen. Dat valt nog niet mee als het regent, zoals vandaag, en je rijdt over betonnen of geasfalteerde paden door bossen en parken, paden waarop het wemelt van de naaktslakken die allemaal in zijn voor een orgie.
Het is ook een uitdaging, met een bepakte fiets op paden die uiteraard spekglad zijn. Ik heb de illusie dat ik ze als een duivelskunstenaar op de fiets allemaal heb weten te ontwijken. Voor mijn achterwiel kan ik niet helemaal instaan.

En dan waren er natuurlijk de kwikstaarten die op het fietspad neerdalen, daar blijven zitten tot je dichtbij bent om dan weer op te vliegen, eerst tien meter niet meer dan twintig centimeter boven het pad; daarna golven ze omhoog en honderd of tweehonderd meter verder weer omlaag. Er lijkt geen einde aan te komen.
Toch blijkt zo’n kwikstaartje er ineens niet meer te zijn, dus het is wel opletten geblazen. Ook al omdat de geringste verslapping van aandacht de onmiddellijke dood van een slak betekent, wat zeg ik, van soms wel vier of vijf slakken tegelijk, want die beestjes lusten er wel pap van.

Dankzij mijn oplettendheid maakte ik intussen meermalen het moment mee dat een kwikstaartje het af liet weten, weg zwenkte en niet meer terug kwam, maar het gebeurde ook dat een andere kwikstaart het spel over nam. Ik had ze wel door.

Al met al was er vandaag veel spel op deze eerste fietsdag: al te sappig liefdesspel, het sliden van de kwikstaarten en het fenomenale slalommen van een skikampioen op de fiets.

Waaruit maar blijkt dat je gewoon in Nederland kunt blijven voor a thrilling vakantie-experience.

09 juli 2020

Ontoereikend

Winkelhaak en viltstiftje gepakt, slippers uitgeschopt, toen tegen een deurpost gaan staan en vervolgens een streepje boven mijn hoofd gezet. Ik kom op 1meter 78. Met ruis is dat 79, maar misschien ook wel 77. Daarna het streepje weer weggehaald. Dit hoeft niemand te weten.
Vandaag is het oppasdag en komt het er niet van om de spullen voor de fietstocht van de vliering te halen. Daarom deed ik dat gisteren alvast. De tent, het slaapmatje, noem het maar op of je vindt het op de vliering. Die stelt bij ons niets voor: op het hoogste punt zal hij nog geen zeventig centimeter meten. Dat neemt niet weg dat we er onze kampeerspullen goed kwijt kunnen.
Om bij de vliering te komen moet je een luikje weghalen. De handelingen zitten in mijn systeem. Je duwt het luik aan de handvatten omhoog, houdt het rechterdeel schuin omhoog en het linker- omlaag zodat je het door het gat kunt wegtillen. Dan pak je het trapje, en vervolgens kun je vanuit het mangat de spullen pakken, waarbij je jezelf wel in de weg staat, maar ook de handigheid om het toch voor elkaar te krijgen zit in mijn systeem.
Alleen kreeg ik deze keer het luik niet weg. Dat wil zeggen: dat lukte pas toen ik eerst het trapje had neergezet en op de eerste sport was gaan staan. Een paar jaar geleden kwam 1.80 meter in mijn nieuwe paspoort te staan. Dat was drie centimeter minder dan wat eerdere edities vertelden.

De regressie zet door en dat van gisteren, daar onder dat luik, was een vervelende confrontatie met wat ik eigenlijk al wist. Dat maakte het inpakken van de fietstassen tot een bedenkelijke aangelegenheid. Ik rolde het slaapmatje op, maar mijn handen leken strammer. En dan het idee dat ik een week lang op het matje kom te liggen. Toen ik opstond, zocht ik steun bij het hekje van het trapgat. Een kampeerder met een trekkerstentje leeft laag bij de grond en dat zou straks weer mijn lot zijn. Kruipen en strekken en kruipen en weer overeind.

De route die we aanvankelijk zouden gaan fietsen, de Limesroute, hebben we dit jaar ingeruild voor een tocht van een week waarin via slingerbewegingen het Nederlandse deel ervan is opgenomen, een echte seniorentocht dus.
Terwijl ik dit schrijf, regent het. Als het regent, denk ik dat het altijd regent en zo zie ik mezelf nu al morgen de hele dag door de regen naar Lelystad fietsen om daar mijn fietsmaat te ontmoeten. Als ik aankom, heeft hij zijn tent al opgezet. Toen was het nog droog en hij komt van een andere kant, dus hij had de wind in de rug. Nu kijkt hij toe hoe ik na mijn lange vermoeiende tocht in die barre regen bezig ben mijn optrekje te installeren. Hij zal dat doen zonder een spoor van medelijden, want ik ben bijna een heel jaar jonger dan hij. Mijn regenjas beschermt mij al lang niet meer tegen de neerslag op mijn rug.
‘Ik zie dat we morgen de wind weer tegen hebben. Veel neerslag, af en toe hagel. Dan moeten we bij Enkhuizen maar even pauzeren, voor we verder fietsen,’ roept Henk die zich intussen in zijn tentje heeft teruggetrokken. ‘D’r zit trouwens een grote slag in je achterwiel viel me op toen je zojuist aan kwam fietsen. Er zal wel een spaak gebroken zijn, denk ik. Als je klaar bent met je tent, kun je maar beter even op zoek gaan naar een fietsenmaker.’

‘Geen punt,’ roep ik vrolijk terug. Diep van binnen huilt een jongetje dat steeds kleiner wordt.

08 juli 2020

Teun

Er kleven venijnige haakjes aan een koninklijke onderscheiding. Vanochtend las ik dat mensen er niet tegenop zien om standbeelden van Wilhelmina omver te halen. Stel je toch eens voor: dat mooie beeld dat Mari Andriessen van haar maakte. Nu heb ik sowieso bedenkingen tegen de merkwaardige geschiedvervalsing die hand in hand gaat met een anachronistische vorm van censuur als een beeldenstorm, al heeft Wilhelmina ongetwijfeld fouten gemaakt en verpersoonlijkt zij een regime dat wel eens rare dingen deed. Als lid in de Orde van Oranje Nassau, en dat is een venijnig haakje, compromitteer ik me in zekere zin met een familie waarin personen die verwerpelijke dingen deden of iets juist ten onrechte nalieten. Straks, als de koninklijke familie, zonder koninklijk te zijn verder leeft, zal het mij nog worden aangewreven. Het helpt dan niet als ik vertel dat ik helemaal niet zo koningsgezind ben, sterker, dat ik regelmatig een lans brak voor Nederland als republiek. Met onderscheiding zal mij dat alleen maar verdachter maken, een verachtelijke opportunist zal ik heten, iemand die zijn rug niet recht waar het om principes gaat. Ik kan nu wel verdedigen waarom ik toch… Het zal vergeefs zijn. Vooringenomen oren kunnen niet luisteren.

Secundo. Een koninklijke onderscheiding beneemt je je vrijheid. Waar mensen vrij en onbevangen met elkaar omgaan, brengt een lintje een aantal ridicule regels met zich mee waaraan je je maar hebt te houden én het verheft niet zozeer, maar plaatst iemand onder de ander. Ik kreeg mijn lintje tegelijk met de mij dierbare psychoanalyticus. Ik werd lid, maar hij Ridder in dezelfde orde. Tientallen jaren zijn wij vrienden en gaan we als zodanig door het leven, als gelijken, wat toch wel de basis is van vriendschap. Maar nu is het dus ridder. En dat maakte hem al onmiddellijk genereus door de lunch te betalen die wij na afloop genoten, met zijn vieren. Ik laat het niet aan me voorbij gaan als iemand de hele rekening wil betalen. Alleen nu kreeg die generositeit een bijsmaak, een ridderlijke bijsmaak om precies te zijn.

Dat is allemaal geen reden om weer over dat lintje te beginnen. De reden is wel een filmpje dat ik gisteravond via Facebook te zien kreeg. Het ging om de schoonvader van een jonge collega. Op 24 april juichte zij via Facebook over het lintje van haar schoonvader. Nu, na de uitreiking, is er het filmpje van zijn weduwe en zijn twee zoons. Hij zelf overleed daags voor de uitreiking. De plaatselijke omroep ging op bezoek. De weduwe zweeg, de zoons vertelden beurtelings. Dat hij zo naar de uitreiking had uitgezien, dat de burgemeester vóór de officiële bijeenkomst was langsgekomen, dat ze hem alsnog de onderscheiding hadden opgespeld terwijl hij lag opgebaard en dat het lintje bij nader inzien geen kroon was op zijn vrijwilligerswerk, maar een kroon was op zijn leven.

Ik hoop maar dat dat niet zo is, een lintje als kroon op je leven. We kunnen de dode decorandus niet vragen wat hij er van vindt. Dat doet er ook niet toe. Híj zei het niet zelf, een van de zoons zei het. Een van de mensen die hadden gezien wat de man in en met zijn leven had gedaan en wat hij voor anderen betekende die daarom energie wilden steken in de aanvrage van een onderscheiding, dat was de kroon.

Twee liefhebbende zoons en een snikkende weduwe en een lintje dat moet worden teruggestuurd naar de Kanselarij der Nederlandse Orden.

07 juli 2020
Voor Johan

Geen water svp!

Aan de linker- en de rechterkant van het liturgisch centrum van de Tuindorpkerk te Utrecht staan twee bloempotten. Ze vallen niet op, al zijn ze verre van klein. Ze zien eruit als kanonslopen. Gelukkig zijn ze niet op de bezoekers gericht die nu weer mondjesmaat onze vieringen meemaken. Veel kwaad zou dat overigens niet kunnen: er zit geen kruit in maar potgrond en het zijn cilinders van aardewerk, niet van brons. Ik zie ook geen lont. En ze wijzen recht omhoog.
Mij vallen ze alleen op als ik een boodschap moet doen bij de tafel van het liturgisch centrum en van de zijkant kom. Dan moet je er namelijk langs. Ze vielen me ook op tijdens de open kerkochtenden in juni. Beide potten zijn bijna tot de rand gevuld met grond; er steekt een metertje of iets in en er ligt een briefje in. Het verschil is dat uit de ene pot sprieten steken waarvan ik niet goed weet of het om iets palmachtigs gaat of dat het familie is van de rietstengel. In de andere pot vind je de schamele resten van een plant die het al een tijd geleden heeft opgegeven.

Het briefje in beide potten geeft mogelijk aan waarom de ene plant zo weinig tiert en de andere al dood is. ‘Geen water geven, s.v.p. ‘ staat erop. Navraag bevestigt die veronderstelling. De planten zijn waarschijnlijk vloeibaar doodgeknuffeld. Zo zijn kerkmensen: ze zorgen graag, en dan is wat water voor een plant wel het minste wat je kunt doen.
Het kunnen mensen van de interieurcommissie zijn, de hulpkosters, de voorzitter van de kerkenraad, alle leden van de bloemencommissie, onze eigen tuinbroeders, de leden van de commissie Groene Kerk. Het kan, en misschien gedenken ze de planten allemaal wel. Doodgeknuffeld dus.

Misschien ook hebben we te maken met een oud christelijk gebruik, dat bij sommigen levend is gehouden. Vroeger (en nu nog bij de doop) maakte het gebruik van water deel uit van de liturgische handeling. Wat over was van dat water werd via de piscina afgevoerd. Een piscina was een bekken bij het altaar, vaak in een nisje in de muur, met een afvoergootje waardoor het gewijde water op de eveneens gewijde grond van het kerkhof vloeide dat naast de kerk lag. Gods water over Gods akker laten lopen. Misschien biedt die uitdrukking wel een mogelijke verklaring voor het al te hoge waterpeil in de twee potten. Weliswaar zijn we met de piscina wel ver weg geraakt van de protestantse gang van zaken tijdens een viering, maar sommige tradities zijn hardnekkig. Naast Sinterklaas en de kerstboom hebben we blijkbaar ook het lozen van water in de gewijde grond van een bloempot.

De plant in de linkerpot heeft de gemeenteleden toegewoven afgelopen zondag. Het briefje ligt nog steeds bij zijn wortels. De boodschap blijft, hoezeer dat ook indruist tegen je altruïstische hart: geen water geven!

Afgelopen zondag zagen we overigens hoe uit de pot rechts grote groene tongen tevoorschijn sprongen.
Er is namelijk een nieuwe plant aangeschaft. Die aanschaf ging wel gepaard met het verzoek om luid en duidelijk te vertellen dat de boodschap die voor zijn voorganger gold onverminderd van kracht blijft: geen water. Het staat op het briefje. Hier speelt nog iets anders een rol: de plant is van zijde. Hij heeft dus helemaal geen water nodig, sterker nog, we weten niet eens of hij kleurecht is. En stel je eens voor dat de kern van de nerven ervan uit ijzerdraad bestaat dat allesbehalve roestvrij is.

Echt of nep, levend of dood, als het om de planten van het liturgisch centrum gaat: geen water. Er wordt in voorzien.

05 juli 2020

Dylan

Op het nieuwe album van Dylan heb ik even moeten wachten. Ik wist wel zeker dat de middelste die cadeau zou doen. Dat heeft hij ook gedaan, maar iets later dan ik had gewild. Die jongen heeft al mijn elpees van Dylan gekregen toen hij de ouderwetse platenspeler weer in ere herstelde, dus hij weet wat hij me voor mijn verjaardag geven kan.
Ik ben zeer tevreden met Rough and Rowdy Ways, zoals het album heet. Het ziet er niet uit en het hoesje scheurde toen ik probeerde een van de twee schijfjes eruit te peuteren, maar het is zoveel beter dan de voorlaatste productie met nieuw werk.
Aan de glans van de cd draagt natuurlijk ook bij dat ik hem kreeg, nog wel van mijn zoon, en dat ik moest wachten. Twee weken geleden fietste ik al langs Plato, de platenzaak, alsof ik het jongetje van vroeger was dat spaarde voor een album maar wel af en toe in een etalage keek, alleen maar om hem alvast te zien. Of, en daar leek het nu een beetje op, dat je weet dat er een nieuw album uitkomt en dat je het al hebt besteld en dat je maar moet wachten.
Blonde on Blonde was net uit in de tijd toen ik me tot Dylan bekeerd had, ik had al wel twee andere platen van hem gekocht, maar voor dit dubbel album moest ik toch nog een paar uur tomaten plukken.
Nog een kwartier, dan heb ik hem, dacht ik tussen de tomaten. Het meeste geld dat ik er verdiende, was vakantiegeld, maar deze plaat moest ik wel hebben. 22,50 gulden was die. Zaterdag ging ik op de koffie bij moeder Ma en vader Willem. Ik kreeg mijn geld en fietste meteen naar Den Haag om hem te kopen.

Het was een of twee jaar daarna dat ik weer in een tuin bezig was, nu tussen die verschrikkelijke komkommerplanten waar ik uitslag van kreeg. Bovendien was het niet in de gezellige tuin van vader Willem, maar van een jonge kerel die goed in de gaten had dat ik geen tuinder was.
John Wesley Harding was al even in huis en zonder mijn best te doen waren de woorden van de nummers in mijn hoofd blijven haken. Ik was alleen bezig in de komkommerkas en zong de nummers uit volle borst.
‘Wat zit jij nou toch te doen!’ werd er geroepen.
‘Ik ben bezig met je komkommers en ik zing.’
De jonge tuinder zei dat hij me daar niet voor had aangenomen en dat ik een beetje vaart moest maken.
‘Maar ik zing toch mooi.’
Misschien heeft hij dat niet eens gehoord. Toen ik omkeek was hij al weg.

Ik probeer het nog een keer, die liedjes van John Wesley Harding die ooit zo soepel naar binnen gleden . Het resultaat valt me tegen. Misschien gaat het minder goed zonder komkommers.

Tijdens het tikken van dit stukje heb ik het album uit 1967 opgezet. Begin ik nou te denken dat het schijfje uit 2020 me misschien wel beter bevalt?

04 juli 2020

Nummer 8-24

De tekening is anoniem. Ook aan de achterkant wordt niet verteld wie de maker is. Nog een probleem, en misschien vloeit het eruit voort: ik weet niet wat onder of boven is.
Als de maker van de tekening die niet zelf had toegestuurd, zou ik meteen gezien hebben dat er het een is van Harm van den Berg. Die maakt al een kwart eeuw werk als dit. Tekeningen ‘zonder handschrift, zonder beweging, zonder een lijn die even soepel als vrolijk uit zijn pen ‘in einem Guss’ het papier op zeilt. In plaats daarvan tekent Harm van den Berg ergens op een A3-vel met een zwarte fineliner van 0.05 een rechthoekje van niks. En wel daar waar het rechthoekje komt te staan. Geen kleur, geen gebeurtenis, geen warmte, geen geluid. Niks. Een rechthoekje van niks.

Daar komt dan een tweede tegenaan te liggen en dat vraagt weer om een derde, op die en die plek, en daarna een vierde, vijfde. Rechthoekjes die om rechthoekjes roepen, blokjes die stuk voor stuk stilstaan op een rijtje en dan, zo lijkt het, wel bewegen willen.’


Ik citeer hier mezelf. Ik schreef dit bij een portfolio met tekeningen van Harm en nu heb ik er zelf eentje.

De tekening is bijzonder goed verpakt en dat maakt me extra voorzichtig als ik die uit de stevig dichtplakte map probeer los te peuteren. Voorzichtigheid maakt je ontvankelijk voor wat uit zijn kluister bevrijd wordt. In dit geval is het een zwerm vogels. Of nee, omgekeerd, het is een keten van bergen. Het is, kwart slag gedraaid, de beweging van een groep mensen, of, andere kant op, twee minnaars in bed.

Toen ik de tekst voor het portfolio schreef, stapelden de minuscule ruitjes zich tot lijnen, vormen en beweging. Nu zie ik het omgekeerde.

Ik draai de tekening een paar keer rond. Honderd jaar geleden, Bob Dylan was nog pas aan zijn officiële zevende album toe, zag ik een tekening die ik had gemaakt, in de spiegel. De verhoudingen klopten niet, merkte ik. Vervolgens vond ik de hele tekening niet meer deugen. Ik leerde dat het een bekend trucje was. Een tekening op zijn kop zetten, in de spiegel bekijken, het zijn manieren om te ontdekken of hét klopt. Vraag me niet wat dat hét nou precies is.
De tekening van Harm klopt aan alle kanten. Altijd. Ik denk dat ik hem zó hang, dat ik de lijst makkelijk een kwartslag kan draaien. Er zijn geen vogels of heuvels, marcherende uniformen of innig geliefden. Er zijn lijnen en die zijn een mooi verbond aangegaan met elkaar.

Ik heb hem een dag in huis. Hij is mooier dan gisteren.



De Emergent Square Drawings zijn ook te zien op drawings.
Die tekening in kwestie vind ik ook terug: gallery_8-24.

03 juli 2020

De atheïst

Hoe het in de kast kwam, weet ik niet, maar ik trof het daar tussen Patricia Grace en Graham Greene en trok het tevoorschijn. De naam van de auteur zei me helemaal niets: Jens Peter Jacobsen. De titel is Niels Lyhne. Zo heet de hoofdpersoon.
Het boek is niet zo dik en er gebeurt niet eens zo bar veel en wat er gebeurt voltrekt zich in tamelijk lange zinnen waarbij mijn gedachten nog wel eens afdwalen. Je kunt me rustig bladzijden opnieuw laten lezen zonder dat ik het merk.
Het boek is 140 jaar oud en werd drie keer vanuit het Deens vertaald. Volgens sommige grootheden wordt het boek mooier naarmate je het vaker leest. Ik beloof niks.
De roman is een Deense variant van het naturalisme en dus moeten van mensen snel een portret geschetst worden waarin psyche, erfelijkheid en milieu een belangrijke rol spelen.

Het boek is interessant omdat het een fraai beeld geeft van een periode en een stroming, maar ook omdat er uit de brij af en toe prachtige formuleringen opspringen of treffende inzichten in mensen.

Ik sukkelde vanmiddag weg toen op een kerstavond de vereenzaamde Niels alleen in een restaurant gaat eten, waar ook andere eenzame zielen komen dineren. Niet samen, maar ieder op zijn eigen eilandje. Dat geldt onverwacht niet voor Niels want hij ontmoet een kennis en na het diner wandelen ze door Kopenhagen en dan lees ik ‘Niels sprak heftig, maar in nogal algemenen termen tegen het christendom.’
Volgende alinea: ‘Hjerrild was het beu om oude discussies op te pakken die hem welbekend waren en zei opeens, zonder dat het echt aansloot op het voorafgaande: ‘Wees op uw hoede, mijnheer Lyhne, het christendom heeft de macht. Het is dom om het aan de stok te krijgen met de heersende waarheid door te agiteren voor de waarheid van de kroonprins.’
Dat ‘waarheid van de kroonprins’ vond ik leuk gevonden. Daar werd ik al een beetje wakker van. Dat moest ook wel, want ik verwachtte een nogal opportunistische verdediging van het christendom vanuit de negentiende eeuw en die wilde ik wel eens meemaken.
Ik kreeg mijn zin. Dan, als het gaat over het fanatisme van Lyhnes atheïsme, vraagt zijn vriend van die avond zich hardop af: ‘En hoe moet hij [de atheïst dus] in ’s hemelsnaam fanatisme opbrengen voor iets negatiefs? Fanatisme voor het idee dat er geen God bestaat – en zonder fanatisme geen overwinning!’
Lyhne geeft tegengas door te vertellen hoezeer bevrijd de mensen zich zonder God zullen voelen. Maar hij verdedigt zijn ongeloof als een geloof.’ Dat deed Multatuli ook toen hij riep ‘O God, er is geen God.’

Toen werd ik toch weer afgeleid. Er was een toneelstuk van een Franse existentialist (maar ik denk niet dat het Sartre was) en daar herhaalt iemand op het eind ‘er is geen God, er is geen God.’ Ik heb dat altijd zo zielig gevonden. Dat iemand dat vindt, moet ie zelf weten, maar dat iemand zich zo kan vastbijten in wat er volgens hem of haar niet is, dat begrijp ik niet. Dat is dan toch zonde van je tijd. Ga iets anders doen, iets wat niets met een god te maken heeft. Die er immers niet is.

Toen ging de bel en bracht de postbode mij een prachtige tekening. Daarna kwam er van lezen niets meer, dus straks blader ik wat terug en herlees ik de passage. Ben benieuwd wat ik er dan van vind.

* Jens Peter Jacobsen, Niels Lyhne. Vertaald door Annelies van Hees, Wereldbibliotheek Amsterdam 2014 [oorspr. 1880]

02 juli 2020

Bloemen

Om de negenendertigste sterfdag van mijn vader luister bij te zetten zette ik gisteren een bloemetje bij zijn graf. Een opeenstapeling van feestelijke dagen de afgelopen week had ons huis tot een kleine bloemenzee herschapen en dat maakte de verleiding groot een boeket uit een vaas te rukken om dat bij pa neer te zetten. En bij ma, want zij voegde zich ruim vier jaar geleden bij hem. Ik beheerste me en kocht bij de Monsterse bloemist die me al veel vaker aan bloemen hielp om er een dode mee te verrassen.
Er stond al een bos. Mijn broer was me voor geweest. Die had natuurlijk keurig op de dag zelf een bosje neergezet. Gelukkig zijn er twee vazen bij het graf.

Bij het verlaten van het kerkhof bedacht ik dat tante Trees op vrijdag de derde 100 geworden zou zijn. Zij en haar Kees bleven kinderloos en daar heb je als neef of nicht maar rekening mee te houden, ook nu ze dood zijn.

‘Bent u daar alweer’ vroeg het meisje dat me een half uur geleden geholpen had. Ik vertelde dat me nog een honderdjarige dode te binnen was geschoten.
Bij de kassa stond iemand anders.
‘Is het voor een man of voor een vrouw?’ Omdat ik blijkbaar niet snel genoeg antwoord gaf, vertelde ze er maar achteraan dat ik kon kiezen voor roze of blauwe slierten die ze op het cellofaan zou plakken.
‘Tante Trees zag het verschil al jaren niet meer, en nu al helemaal niet.’ De mededeling was duidelijk genoeg om helemaal af te zien van extra papier en verfraaiing.

Tante Trees en oom Kees liggen op Ockenburg, vijf kilometer van Monster, maar voor iemand die Utrecht als epicentrum van zijn bestaan heeft, is dat naast elkaar. Dus dit bezoekje kon mooi in één moeite door.
Bij een herschikking van graven besloot men ooit om een andere oom, oom Geert, naast zijn zwager Kees te leggen, dus dat is een beetje een familiehoekje geworden, daar op Ockenburg (officieel: Westduin). Er is ook een praktisch voordeel aan verbonden. Kees en Trees hebben een liggende steen, Geert een staande. Dus oom Geert is aangesteld als bewaker van de vaas. Die kun je namelijk achter zijn steen zetten.

Maar die was weg. Niet de steen, maar de vaas. Er stond er eentje aan het voeteneind van Kees en Trees, maar dat was een veel goedkoper gevalletje dan ik ooit voor ze aanschafte.
We moesten het er maar mee doen. De prikvaas kwam tussen de twee graven in te staan. Met daarin een combinatie van gerbera’s en rozen. Een roze boeket. Misschien maken de twee zwagers daar bezwaar tegen, maar die moeten niet zeuren. Deze bloemen zijn voor tante Trees. Voor haar honderdste verjaardag morgen.

01 juli 2020

Onscheidbaar

Laat het een les zijn. Als je je met je dierbare wilt laten vereeuwigen, doe dat dan in verstrengeling. Oor- of onoirbaar, maakt me niet uit, in ieder geval wel zo dat wat op de plaat werd samengevoegd zich door geen schaar, stanleymes of wat dan ook laat scheiden.
En laat je als gelieven nooit op een tweeluik vereeuwigen. Dat al helemaal niet.
Met Elisabeth en Jacob is het gelukkig toch weer goed gekomen, maar daar is wel veel tijd overheen gegaan en dan nog is het een gelukje dat het zover heeft kunnen komen.

Sinds gisteren zijn ze weer samen, in het Mauritshuis, na veel meer dan een eeuw, toen Jakob Omphalius op een veiling met onbekende bestemming vertrok en Elisabeth Bellinghausen in Den Haag terecht kwam. Ooit werden ze als verloofd stel geschilderd door Batholomäus Bruyn de Oude, dat gebeurde in 1539, in Keulen. Pas vorig jaar kwam het verloren gewaande portret van Elisabeth weer boven water. En nu is alles weer goed.

Het is een wonder. De portretten zijn niet alleen bedoeld om de twee geliefden weer te geven, maar ook om te laten zien dat ze bij elkaar horen en dan is het bitter als de wederhelft er niet meer is. Alsof Acda & De Munnik voorbij gekomen zijn om te zingen: ‘Portret voor jou, portret voor mij.’ Maar zo was het niet. Weliswaar kwam er in het leven van Elisabeth een kleine dertig jaar na haar huwelijk een tweede man, maar toen was Jakob al ten grave gedragen. Tot dan bleven zij samen en daarvan wilden die twee portretjes dus getuigen, blijvend.

Onderzoekers zijn ervan overtuigd dat het hier inderdaad gaat om genoemde geliefden. Formaat van de portretten, de kleur van de achtergrond, de kleuren in de kleding. Het komt van één hand, het is het resultaat van dezelfde wijze van verf bereiden. En ook vroeger al waren de paneeltjes met een scharniertje verbonden.

Maar stel je nou eens voor dat het toch niet zo is, dat ze misschien wel van dezelfde schilder zijn en uit dezelfde tijd. Dat kan. Het waren gelegenheidsstukken en een schilder kan zijn trucjes en technieken herhalen. De lijsten bijvoorbeeld zijn nieuw. Ze zijn gemaakt naar lijsten die Bruyn de Oude voor ander werk heeft gebruikt, lees ik in de krant. Kijk, daar begint het al.

Mentes moeder wilde haar man eens verrassen met een gezinsportret - voor het verhaal begeven wij ons naar de jaren vijftig. De fotograaf nam van haar en van de kinderen losse foto’s en die voegde hij samen op één vel. De boel was zodanig geretoucheerd dat de gezinsleden als losse ballons met vage randen over het blad verdeeld waren. Mijn schoonvader was niet bij de sessie aanwezig; het was immers een verrassing voor zijn verjaardag. Van hem werd een bestaande foto toegevoegd.

Alleen vergiste de fotograaf zich: hij gebruikte voor de man en vader een verkeerde foto. Toen mijn schoonmoeder de foto kwam ophalen lachte het gelukkige gezin haar vanachter de etalageruit al toe. Met die verkeerde man. De fout werd snel hersteld en de verkeerde foto heb ik nooit gezien. Wel de goeie editie en altijd als ik er een blik op wierp kwam weer dat verhaal van de verkeerde man. Alsof de goede foto eigenlijk de verkeerde is en er op de foto een man had moeten staan die niemand kent.

Dat bedoel ik dus. Als je elkaar dierbaar bent en je gaat samen op de foto: omarm elkaar, kruip bij elkaar op schoot of schouder. Doe in elk geval iets dat iedere verwisseling of scheiding onmogelijk maakt.
Desnoods wacht je met portretteren tot we uit onze bizarre anderhalvemetercoma zijn ontwaakt.

* Bericht in Trouw van vandaag.

30 juni 2020

Onverdiend

Je kunt het niet zien, daarom vertel ik je maar dat ik momenteel achter de computer zit met een koninklijke onderscheiding op mijn revers. Een paar uur geleden nog maar vertelde Van Zanen op zijn laatste dag als burgemeester van Utrecht, op invoelende wijze waaraan ik dat allemaal verdiend heb. Dat deed hij overigens in één sessie van een klein uur over tien verschillende mensen. Ik had het geluk als tweede aan de beurt te zijn, de mij dierbare psychoanalyticus was de vierde in de rij. Er zouden nog twee sessies volgen.

Na een eerste nazit kozen we voor een tweede aan de overkant van de Stadsschouwburg voor een lunch en mijn vriend de psychoanalyticus en ik besloten dat het nu maar eens uit moest wezen met alle liefdadigheids- en vrijwilligerswerk. We hadden ons nu wel koninklijk genoeg onderscheiden om daar een punt achter te zetten. We mochten onze onderscheiding met ere dragen, al vond ik het bedenkelijk het ding bij mezelf op te moeten spelden. Toen we naar buiten liepen, had ik de neiging om hem weer af te doen. Poppenkasterij kent zijn grenzen. Andere decorandi deden dat niet; daarom hield ik me in, al trok ik er wel een regenjasje over aan. Dat leidde tot protesten. Het resultaat is dat ik nu zelfs achter de computer met het ding op zit.
Ooit spaarde ik speldjes. Daarvoor schreef ik per briefkaart bedrijven aan en zo kreeg ik ook een speldje van de KLM te pakken. Dat vond ik op dat moment mijn mooiste speldje en ik weet nog dat ik het wel een week lang heb gedragen. Dat zie ik me met dit geval niet doen. Gêne is het. Ik heb trouwens ook een speldje van een papegaaiduiker en eentje van een tui, dat is een Nieuw-Zeelandse vogel; daar voel ik me minder ongemakkelijk bij.

Toch overheerst een feestelijk gevoel van onverdiende aandacht. Gisteren fietste ik aan het eind van de middag de poort in. Daarmee bedoel ik nu zo’n smal langs achtertuinen lopend paadje, een brandgang. Deze poort verbindt onze straat met de straat achter ons. Halverwege moet je afslaan en dan komt je in het deel van de brandgang dat echt achter de huizen loopt. Duidelijk?

Goed, ik fiets dus vanaf de straat de poort in om achterom te gaan en zie dan dat vanaf de andere kant mijn achterbuurman me tegemoet rijdt. In zijn rolstoel. We treffen elkaar bij de T-kruising en praten bij. Het gaat niet goed met hem. Het gaat al veertien jaar niet goed met hem. Er overkwam hem geregeld iets dat meestal niet gering is en vervolgens duurt het maanden of jaren voor hij daarvan weer een beetje is hersteld.
Dan komt er opnieuw een fysieke mokerslag die gepaard gaat met complicaties die ik niet had kunnen bedenken. Dat dwingt hem tot een rollator, een traplift, krukken en nu dus een rolstoel. Hij is aan het oefenen. We zijn even oud. Er zijn tijden geweest dat we een rondje Tienhoven fietsten. Hij met een kleine meid achterop en ik ook. Ooit.

Zojuist fietste ik de poort in. Ja, het lintje bengelde aan mijn jasje en, ja, vanwege de warmte had ik mijn regenjas niet aan. Stel je toch voor dat me een rolstoel tegemoet kwam, net als gisteren. Ik zou me schamen voor het lintje, dat onverdiende ding.

28 juni 2020

Een kwestie van tijd

De klap klonk niet hard en er volgde geen schreeuw of, na een korte stilte, amechtig gekreun. Het was al met al alarmerend genoeg om nog half bloot naar beneden te rennen.
Ik hoorde hoe Mente de klok begon op te winden, dus iets ernstigs kon het niet wezen. Misschien bij de buren? Dan was het niet erg. Heel aardige mensen, hoor, onze buren, maar wel buren.
Ik liep dus eigenlijk voor niets naar beneden, bedacht ik, toen ik zag dat door een genadig wonder iets niet gebeurd was!
Dat wil zeggen: er was weldegelijk iets gebeurd, maar de schade was beperkt gebleven. Onze comtoise* is een slingeruurwerk. De wijzers bewegen zich op gepaste wijze voort mede dankzij het gewicht dat aan het linker koord onder de klok hangt; de klok slaat ieder half uur en dat heeft de klok, ook weer deels, te danken aan het gewicht dat aan het koord rechts hangt.
Toen Mente het linker gewicht omhoog draaide, brak het koord en de zware zwarte kogel stortte omlaag en kwam op de vloer terecht. Twee zwarte butsen bleven achter in de muur. Voor ik beneden was had Mente het gewicht opgeraapt en op het stoeltje onder de klok gelegd en vervolgens had ze het andere gewicht alsnog opgedraaid.

Dat gebeurde niet voor het eerst. Een jaar of twintig geleden, toen de klok nog op een andere plaats in de kamer hing - wat er overigens niet echt toe doet, maar het is wel zo - hadden we dat ook wel eens beleefd. Toen had een klokkenmaker de koorden vervangen door exemplaren die er fraaier en steviger uitzagen dan de vorige. Die keer was een gewicht zo hard op het parket terecht gekomen dat de splinters eraf gevlogen waren en er een kratertje achterbleef. Nu zag ik niets, behalve dan die twee zwarte vlekken.
Als onder de klok dat stoeltje niet had gestaan, zou het gewicht zomaar op Mentes voet terecht hebben kunnen komen.
Zo was het dus niet en toen ik de kamer in liep trof ik dan ook geen verbrijzelde voet aan , maar zag ik de mij zo dierbare bezig om het rechtergewicht op te hijsen. Alsof er niets was gebeurd.
Er was wel iets gebeurd en ook was zij geschrokken, anders had zij zich niet overgegeven aan de zinloos geworden handeling, want zonder gewicht links loopt de klok niet en dan slaat hij niet ook, hoe hard er ook aan het rechterkoord getrokken wordt. Dus het had geen zin meer het rechtergewicht op te draaien.

Maar ook met het stoeltje had het gewicht een voet kunnen treffen. Als het door tegen het stoeltje te botsen van koers veranderd was. Dat bedacht ik toen ik het stoeltje nog eens aan de achterkant bekeek en zag dat er een latje was gespleten en een deel van het snijwerk aan de achterkant was beschadigd. Toen pas ook zag ik de deuk in het parket.

Toch denk ik dat het stoeltje de val van het gewicht niet alleen gedeeltelijk gebroken heeft maar er ook voor heeft gezorgd dat Mente wat verder van de klok stond.

In haar laatste levensmaanden keek mijn schoonmoeder dagelijks met welgevallen naar het stoeltje dat toen bij haar in de kamer stond en dus niet bij ons onder de klok.
Steeds zei ze: ‘Daar heeft mijn vader op gezeten toen hij nog student was. Het stond bij hem op zijn kamer.’ Ze zei het alsof ze hem nog regelmatig op het stoeltje zag zitten, de student die later haar vader zou worden.

27 juni 2020

Annuleringen

Sam en Moos gingen niet naar Parijs en wij gaan niet naar Gotland. Alle overnachtingen zijn intussen geannuleerd en wat al was betaald, is teruggestort. Een overnachting op de heenweg kreeg ik niet terug, maar dat had niks met corona te maken. Ik had een verkeerde datum aangekruist en toen ik dat veranderde bleek ik ook voor de verkeerd gekozen datum te moeten betalen. Dat is een dingetje om misschien nog eens moeilijk over te gaan doen. Zestig of zeventig euro is nog wel te overzien, want dat is maar één autotank, maar het is ook drie boeken en dan is het ineens veel meer.
Ach ja, die reis naar Zweden. In januari boekte ik al de boot en stelde ik de eerste overnachtingen veilig. Dat gaf een goed gevoel. Ook dat ik dat gedeeltelijk al moest betalen, dan zou het later lijken alsof de overnachtingen gratis waren. Zoiets. En ik begon te noteren welke kerkjes op Gotland we vooral moesten bezoeken. Dat deed ik op losse memoblaadjes die ik vervolgens niet meer kon terugvinden. De afzeggingen hebben we tot het laatst uitgesteld, maar na de voorlaatste persconferentie waarbij Zweden en Denemarken de code oranje opgeplakt kregen, moest het er toch maar van komen. Daarna stroomden er weer allerlei gelden terug en ook dat gaf weer een goed gevoel.
De boot van Zweden naar Gotland en terug moet ik nog doen. Dat kon pas in de laatste maand. Waarom weet ik niet. Maar misschien vind je het interessant om bij deze annulering aanwezig te zijn. Even kijken. Hier is ’t ie.

Zo dat valt nog niet mee.

Aha, dat is wel het referentienummer.

‘Oeps, er ging iets mis,’ zegt ie. Ik heb een hekel aan dat ‘oeps.’

Weer een oeps…

Op mijn mobieltje ook.

Nu niet.

Alleen een voucher, lees ik.

Ik wil nog wel een keer naar Gotland, maar om me daar nu al op vast te leggen.

Kijk, een knop, die…

Weer een oeps.

Bij iTunes heb ik al jaren een tegoed, waarbij ik telkens last krijg met een zogenaamde tijdelijke storing. Daar begint het hier ook op te lijken. Daar gaat het om 15 euro. Hoeveel heb ik hier betaald? Tweehonderdtachtig? Dan zet ik toch maar even door.

Aha, ze sturen me binnenkort een reactie op mijn verzoek tot annulering. Spannend.

Wat zie ik daar? Voor oktober staat er nog een huisje op Terschelling op de lat. Nooit meer aan gedacht. Dat was vanwege een festivalletje.

Festival, festival…

O, dat festival gaat niet door. Maar dat is misschien juist wel prettig. Ik heb het huisje al betaald, zie ik. Kijk eens aan, zomaar een gratis weekje. Heerlijk die Covid-19-verwarring. Het regent restituties en vergeten uitjes.

26 juni 2020

Gelijkenis

In John de Wolf herkende ik ooit een leerling die ik in de klas had. De Wolf is nu assistent-trainer bij Feyenoord, de club waar hij als voetballer in het midden van de jaren negentig ‘uitgroeide tot een ware cultfiguur.’ Het moet rond die tijd geweest zijn dat ik bij een visstalletje in het middelpunt van de belangstelling kwam te staan. Het was bij Kijkduin. Mensen stootten elkaar aan en wezen mijn kant op. En dan te bedenken dat ik toen al heel lang niet meer in die omgeving woonde. Naast me stond dus iemand die op een oud-leerling leek, maar het was John de Wolf. Hij keek me even aan maar in tegenstelling tot de andere mensen om ons heen, herkende deze man mij blijkbaar niet.
‘Dat was John de Wolf,’ fluisterden mijn kinderen me later met gepaste eerbied toe.
Die leek dus op een leerling die ik een jaar of wat daarvoor in de klas had: dezelfde manen, hetzelfde gezicht.
In Utrecht was trouwens een zaak waar leren jasjes en dergelijke verkocht werden en die werd gerund door een man die ook al zo veel op die leerling had geleken. Dat was ook geen wonder, want het bleek de vader van de leerling te zijn. Dus bij De Wolf dacht ik aan een eventuele broer.

In Kijkduin ben ik John de Wolf nooit meer tegengekomen en de leerling was al buiten beeld toen ik nog nooit van De Wolf had gehoord. Maar de vader ben ik altijd blijven zien. Hij stond vaak voor zijn winkel in de Choorstraat hier in Utrecht. Ik heb hem nooit aangesproken, maar ik zag hem wel. In de jaren tachtig, in de jaren negentig en zo door.
Ik heb hem er vorige week nog zien staan. Zou ik denken.

Vanmiddag fietste ik door de Boothstraat en voor een huis, in een oogverblindende zon, zat de man van de lederwinkel. Het was niet de vierde in het verbond van mannen die veel op elkaar leken. Het was de lerenjasjesman zelf. In een witte bloes, op een stoel in een dodelijke zon. Ik begreep niet wat iemand er toe kon brengen om met deze temperatuur in de zon te gaan zitten, bij een muurtje dat ongetwijfeld aanvoelde als een steengrill. Hij zag er niet goed uit.
Maar waarom stond of zat hij niet voor zijn winkel in de Choorstraat? En hoe zou het met zijn zoon zijn en met John de Wolf die zijn haren al heel lang geleden had ingewisseld voor stevig milli- en hooguit centimeterwerk.

Thuis gezocht naar John de Wolf. Die blijkt nog behoorlijk actief te zijn. Ook over de man van de winkel in de Choorstraat las ik iets. Hij is twee jaar geleden al gestopt met zijn winkel, om gezondheidsredenen, dus van dat ‘vorige week’ klopt niks.

Van de zoon wil de voornaam me nog steeds niet te binnen schieten. Zijn vader zit te roosteren in de Boothstraat. Zijn evenbeeld roert zich in Rotterdam en op tv, maar het ijkpunt zelf, hoe zou het daar toch mee zijn?
Ineens heb ik hem, die voornaam. Dat is alvast een begin.

25 juni 2020

Een houten en een ijzeren bruidsbed

Een paar weken geleden bezochten wij de sociaal begeleidster en de computerman. De rondleiding door hun nieuwe woning was af en toe een sentimental journey* omdat wij ooit een aantal jaren hetzelfde huis deelden. De meeste indruk maakte hun bed. Dat ziet er sowieso overdonderend uit, toen en nu nog. Wat een monumentaal verblijf!
Het is een houten bed, met een enorm hoog hoofdeinde en omdat dat is opgebouwd uit verticale planken met telkens een kier van een halve centimeter, ziet het eruit als een onneembare burcht. Ik moet even, maar zonder verdere toelichting, de cirkels noemen die op gelijke afstand zijn aangebracht. Met een breedte van 140 centimeter is het een smal bed, en dat maakte het er, weer vanwege het accent op de hoogte en vanwege de forse delen die bij de bouw zijn gebruikt nog imposanter op. En vergeet die cirkels niet.
Zo heeft de bruidegom zich ooit een stede getimmerd voor zijn bruid en hemzelf. Het is een houten bruidsbed, om je veilig en in ieder geval ver van de wereld in te wanen, stel ik me voor.
Het bed is meer dan veertig jaar oud, maar mij viel bij het bezoek juist op dat het er beter uitzag dan vroeger. Ik heb er niet naar gevraagd, maar ik heb me niet vergist. Ik maak me sterk dat het niet lang geleden flink is geschuurd, zodat er van de oorspronkelijk blanke lak niets meer over was. Over de planken die waarschijnlijk nooit zo glad zijn geweest als nu, werd een matte lak aangebracht, dunner en verfijnder dan in de late jaren zeventig is gebeurd. Er is met andere woorden niet lang geleden flink in dit huwelijksbed geïnvesteerd om er nog jaren gelukkig in te wezen, stel ik me zo voor. Zoiets kost wat moeite misschien, ook behoud is een investering, maar als je dat doet, heb je wat.

Ook wij hadden een huwelijksbed en het werd in hetzelfde huis in gebruik genomen. Bij ons ging het om een toen al bijna honderd jaar oud smeedijzeren bed. De laatste daad die ik als vrijgezelle jongen in Monster verrichtte, was dit bed helemaal afschuren met een staalborstel op een boormachine. Daarna heb ik de boel gegrond, geschuurd, vervolgens gelakt weer geschuurd en gelakt. Zwart, maar de rozetjes en sommige delen van de standen behandelde ik vervolgens met goudverf. Het bed was 120 breed. We moesten er apart een matras voor laten maken. Het was een ons dierbaar bed, maar na een jaar of vijftien kwam er een boxspring die we ook al lang niet meer hebben.

Het smeedijzeren bed bewaarden wij op de zolder van het singelpand dat we toen bewoonden. Bij de verhuizing naar hier, ook honderd jaar geleden, constateerde de voorman van het verhuisbedrijf dat ons huis intussen helemaal vol gestouwd was, maar dat de wagens nog niet leeg waren. We waren verzamelaars geweest in een groot huis.
‘Rijd maar weg, ‘ zei Mente. ‘We zullen er wel spijt van krijgen, maar rijd maar weg.’
‘Weet u dat wel zeker?’
‘Doet u het nou maar snel.’

Van ons bruidsbed is niet meer over dan een verhaal van spijt.
Er waren ook nog twee antieke kastjes die de verhuizers mee konden nemen. Heel soms, loop ik naar zolder om een schroevendraaier uit het ene kastje te halen, maar het kastje heeft die zolder nooit bereikt, zoals het kleine handige kastje waarin onze handdoeken zich zo thuis voelden er ook niet meer is.

Maar de burcht van Oeken trotseert de tijd.

* Och Heden 6 juni 2020

24 juni 2020

Statement

Het is een teken van verregaande zwakte, maar ik ben een zwevende kiezer. Als er gestemd moet worden, kom ik uiteindelijk uit bij dezelfde partij als de vorige keer, zonder klinkklare overtuiging. Mijn vader stemde ten slotte CDA omdat daarin de ARP was opgegaan en daarop stemde hij uit overtuiging, want zijn vader stemde dat ook en dat was niet voor niets. En mijn moeder stemde hetzelfde uit de overtuiging dat ze daarmee haar man ter wille was en omdat politiek haar eigenlijk niet zo interesseerde. En de vele jaren na zijn dood bleef ze stemmen op het CDA, omdat mijn vader het niet meer kon doen.
Ik heb nooit CDA gestemd. Dat mocht niet van mezelf, want je ging niet op een partij stemmen omdat die christelijk is. Dat vond ik raar en die overtuiging bood houvast. Maar de laatste jaren komt de CU dicht in de buurt van wat ik denk dat ik vind. Maar ja, CU. Weet je hun lhtb-standpunt?
D´66 heeft zich altijd gemanifesteerd als een overbodig blok met regelmatig mensen die ik graag bij een partij met meer inhoud had gezien. Aanvankelijk vond ik hun aandacht voor staatkundige toeters en bellen hinderlijk, later het gedram van mevrouw Dijkstra.
O ja, ik ben geen liberaal. Ook al deugen de meeste mensen, volgens Rutger Bregman, er is een minderheid die de wereld regeert en stuurt en daarbij speelt het welbegrepen eigenbelang wel een grote rol. De mens is van nature goed, zegt een liberaal. Dat zal zo wezen, maar niet allemaal zo goed en niet altijd en misschien wel selectief.
Bang voor hordes ben ik ook. Voor mensen die klappen voor leiders die zich laten beklappen en dan minzaam hun hand opsteken en vervolgens glimlachend met een oneliner komen waarbij de meute helemáál gek wordt.
Mensen met grote woorden! Vervelende pukkeltjes krijg ik ervan die pijn doen als ze niet jeuken. Het duurt lang voor mijn huid weer een beetje rustig wordt.
Het is een teken van verregaande zwakte: ik wil zo graag, maar ik kan niet zo goed meer tegen politiek.
Na de broedermoord van Lodewijk Asscher op Diederik Samsom nam ik me voor: nooit en nooit meer PvdA.
Gaat het om partijvisie, een persoonlijke visie of gaat het erom of iemand een mannetje of vrouwtje is. Als ik het CDA al mocht overwegen, dan parallelle, gescheiden werelden van Mevrouw Keijzer en meneer de Jonge, maar dat is onmogelijk. Ik zou bijna geneigd zijn om op D’66 te gaan stemmen, vanwege de elegante manier waarop daar een interne strijd wordt gepareerd. Maar dat is geen politieke visie. Is het stemmen op een vrouw dat wel? Ik stemde doorgaans op een partij en streepte in het stemhokje braaf de eerste de beste vrouw aan, behalve als het Femke Halsema was, niet om dat zij geen vrouw zou zijn, dat was ze wel, maar omdat het Femke Halsema was. Dat was een zeer onzuivere overweging waarvoor ik me vreselijk schaam. Ik praat er daarom liever niet over. Toen Jesse Klaver bovenaan stond, stemde ik op Bram van Ojik. Dat was natuurlijk omdat ik er toen even niet aan dacht om op een vrouw te stemmen of omdat ik op dat moment net even dacht dat dat geen verschil maakt als je je stem wilt uitbrengen die medebepalend kan zijn voor een politieke koers. Al had ik daarvoor net zo goed wél op Klaver kunnen stemmen.
Ik zou zo graag een indrukwekkend politiek statement maken. Het lijkt me heerlijk, maar ja, wat vind ik en als ik dat vind, vind ik dat morgen ook?

23 juni 2020

Nog geen Rembrandt

Rembrandt is veilig gesteld. Ik spaarde voor ‘Alle tekeningen en etsen’ van deze bijzondere man door af en toe contant geld apart te leggen. Probleem was alleen: ik heb bijna nooit geld in mijn handen en dus ook niet om in het geldkistje te doen. Het is nog erger: enkele keren moest dat kistje zelfs worden aangesproken omdat er spontaan tien of twintig euro moest worden opgehoest. Dus zat ik na lang sparen nog maar op 110 euro. Het boek is 150 euro. En dat is het waard! Ik heb er eerder over geschreven.

Vorige week bedacht ik een truc: ik kan af en toe op mijn bank een bedrag in een apart spaarpotje doen. Lukt het niet met geld van papier, dan wel met deze virtuele variant. Het boek kwam in zicht. Plotseling zegt Mente gisteren: ‘Ik zou je het liefst dat boek van Rembrandt geven, maar je zult het binnenkort zelf wel kopen.’ Nu kleeft aan een cadeau dat zij mij geeft of ik aan haar net zoveel symboolpolitiek als aan dat sparen. De essentie daarvan is: dat je er lang mee bezig moet zijn of dat iemand jou met iets gedenkt. Daarmee schiet de waarde van een cadeau omhoog. Daarom ook vond ik het helemaal geen probleem om van strategie te veranderen. Nu kreeg ik het begeerde cadeau van Mente. Die meid weet zo goed wat ik wil.
Kort en goed: het gespaarde bedrag verdween in de ordinaire huishoudpot en ik mailde een boekhandel om het boek te bestellen. Dan had ik het nog net voor mijn verjaardag in huis. Dat mailtje is van gisteravond.
Lezen jullie nou dat ik mijn eigen verjaardagscadeautje zit te regelen? Ja! Nou en?

Vanmorgen mailde de boekenman dat hij het boek eind volgende week in huis hoopte te hebben. Dat is te laat voor een verjaardagscadeau. Dat mailtje had ik nog niet gelezen toen ook het volgende mailtje binnenkwam: het zou wel eens september kunnen worden.
Ik belde een andere boekhandel. Zelfde verhaal. Ik nam contact op met een derde. Idem. Ik had anderhalve week geleden een exemplaar bij Broese zien liggen, maar ook daar was het niet meer. Het boek bracht me in de juiste stemming. Het is heel prettig om op jacht te gaan naar een boek of plaat. Van huis uit zijn we immers jagers en verzamelaars.

Ik probeerde het Catharijne Convent. Dat ligt niet voor de hand misschien, maar daar ben ik wel vaker verrast. Vandaag niet. Ook niet bij Steven Sterk. Niet bij Aleph. Maar dus wel bij Broese. Het lag op de plek waar ik het anderhalve week eerder aantrof toen het nog deel uitmaakte van mijn kennismakingsspeurtocht door het nieuwe pand van deze boekverkopers.
Het was een inkijkexemplaar, maar dat was nergens aan te zien. Het zag er goed uit.
‘Er kijkt nooit iemand naar,’ zei de boekverkoopster. Dat is nog maar de vraag. Het zou me niet verbazen als dit hetzelfde exemplaar is dat ik vorig jaar af en toe doorbladerde, in het pand aan de Stadhuisbrug.
Het boek is groot en zwaar en ik wilde het in voortreffelijke staat als trofee thuis kunnen afleveren, dus had ik een badlaken meegenomen en de verkoopster ging aan de slag met duct tape. Thuis smeet ik de buit op de tafel van Mente.

Dit is het verhaal. Ik heb het allemaal van me afgeschreven, hoef er niet meer aan te denken. Op die manier kan ik me op mijn verjaardag straks eens heerlijk laten verrassen.

21 juni 2020

Voetbal

Dit is niet het moment om op het verleden terug te kijken. Dat zou niet eerlijk zijn; het zou de werkelijkheid versluieren. Die is tweeledig. Allereerst is daar Klaas die via een toenemend fanatisme waarmee hij voetbalplaatjes spaarde (met dank aan de grootgrutter) en vervolgens niet alleen alle spelers uit het album uit zijn hoofd leerde, samen met de positie waarin ze doorgaans speelden en bij welke club dat gebeurde, en die daarna ook nog de ontwikkelingen van na het laatste album bijhield, uiteindelijk aan het spel zelf toekwam. Hij moest en zou op voetbal.
Ik dacht dat daarmee het begin van het einde van zijn voetbalmanie zich zou aankondigen. In plaats daarvan geeft hij nu voortdurend aan dat hij van scouting af wil.
Vanmorgen namen we een bal mee naar het voetbalveldje naast de speeltuin. Vaak is het er druk. Vandaag was er niemand. Hij was blij dat ik net als hij een fan was van FC Utrecht, maar als we tegen elkaar zouden spelen, dan vertegenwoordigde hij die club natuurlijk. Ik moest iets anders kiezen.
‘VV Monster,’ zei ik, maar hij vond dat ik wel serieus moest blijven. Ik moest maar Graafschap doen.
‘Dé Graafschap,’ probeerde ik de zesjarige toch nog even te overtreffen.’
‘Dé Graafschap, ja.’

FC Utrecht speelde De Graafschap er finaal uit. Hij maakte in miniatuurformaat bewegingen die ik alleen van tv ken. Dat jochie wist niet alleen veel, hij kon nog voetballen ook.

Ik had het over de tweeledigheid. Trof mij de behendigheid van FC Utrecht, ik schrok van de conditie van De Graafschap. Het was al snel 1 – 1, maar toen al was er van de energie van De Graafschap niets over. Het werd 2 – 1, 3, 4, 5 – 1. Daarop werd er ook nog een doelpunt van De Graafschap afgekeurd. Dat vroeg teleurgesteld maar vooral uitgeput een pauze aan om even op een bankje in de schaduw te kunnen uitpuffen. Ik probeerde nog even momenten uit mijn leven als voetballer ter vertroosting op te roepen, maar als gezegd, dat zou niet eerlijk zijn. Nu is nu. En daarbij had ik teveel met mijn belabberde conditie te stellen om ook nog eens op zoek te gaan naar herinneringen.
Klaas had de pauze gebruikt om zijn baltechniek te verbeteren. Dat bleek onmiddellijk na de hervatting. De Graafschap bleef kansloos en moest uiteindelijk genoegen nemen met een nederlaag van 9 – 1.

De return vond ’s middags plaats in speeltuin De Pan. Daar hadden ze geen kunstgras, maar echt gras en het speelveld was kleiner. Het goaltje trouwens ook. Allemaal veranderingen in het voordeel van De Graafschap. In de pauze stond het dan ook 4 – 4. Maar de eindstand werd 13 – 4. Of moet ik nu zeggen 4 – 13?

Na afloop kochten we een ijsje. FC Utrecht koos voor een Magnum, De Graafschap nam een festini-ijsje, zo’n ijsje waar kleintjes dol op zijn.

20 juni 2020

Ventilatiegaten

‘Symboolpolitiek,’ meende de bouwkundige zwager. ‘Die kerk van jullie is zo hoog, dus met maximaal honderd mensen hoef je niets aan de ventilatie te doen.’
Ik zal hem niet tegenspreken, maar de coronacrisis gaat gepaard met veel meer symboolpolitiek en dat komt allemaal voort uit de onzalige mix van onwetendheid en angst. Denk maar aan de mondkapjes. We moeten het er maar mee doen.
Daarom klommen we vanmorgen gedrieën de gewone trappen op naar de galerij. Daar schoven we een hoge ladder uit die naar een luik voerde. Liever heb ik het over een luikje, eerst leek het klein omdat het van onderaan de ladder zo ver weg was; eenmaal bovenaan was het amper groot genoeg om er doorheen te klauteren en daarbij ook een draai te maken.

Dit klinkt als opoffering voor wat we maar de goede zaak zullen noemen, maar dat gaat te ver. Ik wilde wel eens weten hoe het er daar boven uitzag en het leek me een behapbaar avontuur. De stap van de ladder het luikje door ging gepaard met een draai die me niet onmiddellijk lukte. Ik herinnerde me het lenige magere jongetje dat ik vroeger wel was. Gelukkig gaf mijn hoofdlampje me vol zicht op wat me te wachten stond.
Iets wat formeel een trap heet maar niet meer inhield dan een nogal gemakzuchtige en volstrekt oncomfortabele constructie met losse stukjes aan elkaar gespijkerde en weinig betrouwbare planken, voerde nog verder naar de nok. Ik had mijn camera in een kleine rugzak gestopt maar om de drie treden moest ik me tegen plankjes pletten omdat dat ding op mijn rug bleef haken. Het zweet stroomde langs mijn gezicht. De anderen had ik gelukkig voor laten gaan.
Bovenaan, in deze wereld tussen plafond en dakpannen, lagen twee planken waar je overheen moest kruipen. Dan kwam je vanzelf de ventilatiegaten tegen, ooit bedoeld om de warmte van 1100 ademende en luid zingende kerkgangers af te voeren. Die tijd had lang geleden al plaats gemaakt voor zondagen waarop 120 mensen bij elkaar kwamen. Daar viel ’s winters nauwelijks tegenop te stoken en daarom had men die sleuven gedicht.
Nu moesten ze dus weer open. De twee kerkmeesters schoven voor me uit. Toen we al een stukje gevorderd waren, vertelde de voorste dat we bijna een zesde deel van de tocht over de nok hadden afgelegd. Mijn linkerhand trilde al een tijdje. Als nu mijn knieën dat maar niet gaan doen, dacht ik op het moment dat ze daarmee begonnen. Waarschijnlijk zou ik naar links rollen, als ik mijn evenwicht zou verliezen, realiseerde ik me. Die kant is trilgevoeliger.
Ik herinnerde me het gevoel dat er plotseling een golf van energie en souplesse door me heen sloeg als ik van steen naar steen een rotsige helling op ging als een klipgeit of toen die keer dat ik thuis onder de vloer tijgerde waar vroeger bewoners puin had weggewerkt om daar wat aan elektrische bedrading te prutsen.
Dat zou ik nooit meer doen, wist ik ineens, en hier had ik het ook wel gezien.

‘Jongens, jullie zijn fantastisch bezig. Hier heb je mijn hoofdlampje, daar hebben jullie meer aan.’
Vijf minuten deed ik erover om de draai door het luikje te maken. Gelukkig waren de kerkmeesters nog druk aan het werk in de verre luchtgrot.
Later zag ik hoe behendig die twee de draai maakten, door het luikje. Mij lukte het amper om de tweede voet mee te krijgen. Voor hen was het allemaal geen punt.
Als de mensen ons nu hadden gezien, zouden ze ongetwijfeld denken dat ik het meeste werk had gedaan.

19 juni 2020

Bekentenis

Mijn verre nicht meldt mij via Messenger dat zij een punt wil zetten achter het gebruik van sociale media. Ze vraagt zich af hoe ze zonder Facebook mijn stukjes kan volgen. Ik feliciteerde haar met haar besluit, want laten we wel wezen: alleen al het voornemen om te kappen met deze digitale vorm van roken verdient alle ondersteuning. Wat die stukjes betreft, kon ik haar geruststellen. Ze zijn gewoon op internet te vinden. Zonder sociale media kan ze van de stukjes blijven genieten.
Met de ontwikkeling van de corona-app golft de discussie over privacy weer op ons af. Terecht. Langzaam maar zeker wordt ons leven verstikt door onze traceerbaarheid. Op Facebook zelf tonen we doorgaans een zeer eenzijdige en daarmee valse kant van onszelf, maar intussen laten we sporen na waar we zelf niet aan zouden denken, zoals een enkele vezel van een trui volgens politieseries naar de dader van een moord kan leiden. Zo’n app maakt dat nog erger. Als ik even niet heb opgelet, krijg ik via een mobieltje plotseling bericht waar ik in Ouderkerk koffie met gebak kan eten. Als ik toevallig langs Ouderkerk fiets. We leveren ons over aan onzichtbare machten en krachten, die niet op zoek zijn naar de mensen in ons.
Een tijdlang heb ik daarom met een pruik op en een zwart balkje voor mijn ogen rondgelopen, maar dat was onpraktisch en trok ongewenste aandacht. Intussen pak ik dat heel anders aan.

Ik vraag je om dit stukje na lezing op te eten zodat alle sporen verdwijnen. Het zit namelijk zo. In werkelijkheid woon ik in Geleen, samen met mijn ouders en mijn broertje, een vreselijk joch. Mijn vader en moeder runnen er een DA-filiaal, franchise. Ik ben een goedlachse meid van twintig jaar en vorige week heeft Sjarl onze verkering uitgemaakt. Dat is nu de vierde keer. De eerste dagen is dat trouwens wel even rustig. Hij zal wel weer terugkomen. De dingen gaan nu eenmaal zoals ze gaan. Om niet in onze drogisterij te hoeven staan, werk ik sinds de sluiting van het reisbureau bij een groentespeciaalzaak in Sittard. Dat bevalt me niet. De drogisterij is leuker, maar de hele dag met je ouders en dan ook nog dat akelige broertje in de buurt is ook niet alles. Het is een ondraaglijk bestaan.

Gelukkig heb ik mijn Och Hedens. Daarin ben ik een al wat oudere maar bijzonder vitale en leuke man in het midden van het land die van alles meemaakt. Zo had ik vandaag de kleinkinderen in huis om op ze te passen. Eigenlijk ben ik er de hele dag mee bezig om mijn stukjes realistisch over de laten komen. Daarvoor heb ik zo mijn informanten. Allereerst is daar mijn tante Cora uit Apeldoorn, een stiefzus van mijn moeder. Zij leest veel en ze geeft les aan groep 4. En dan hebben we oom Jan in Utrecht. Hij verandert straatnamen en zo. Dus als ik het over de Houbeneindstraat heb, maakt hij daar Oudegracht van. Ik maak me hierover wel een beetje zorgen, want per 1 juli heeft oom Jan een baan in Den Haag en als hij verhuist, moet ik in mijn stukje misschien wel meeverhuizen om geloofwaardig te blijven.
En dan die verre nicht die met Facebook stopt. Onzin natuurlijk. Dat is een leuke jongen uit Naaldwijk die ik ooit in Luxemburg tegenkwam. Wat hebben wij samen een pret gehad. Zoiets zal ik met Sjarl wel nooit meemaken.

18 juni 2020

Oversteken (een vervolg op Dat mag)

Om nog even op het oversteken terug te komen: dat is wel een beetje een punt in de familie. Opa van der Kruk liet het leven door niet uit te kijken toen hij overstak om bij de melkboer aan de overkant melk in zijn pannetje te laten gieten. Zover hebben andere familieleden het niet gebracht, maar mijn vader werd op zijn drieënveertigste aangereden doordat hij, net als zijn schoonvader een paar jaar later, niet uitkeek bij het oversteken. Het ongeluk tekende hem de rest van zijn leven.
Voor mijn ouders was een belangrijke reden om mij op mijn derde al naar de kleuterschool te sturen dat ik een weglopertje was. Dat wil zeggen dat ik de voordeur uitrende zodra die openging. Ik kwam niet ver, gelukkig maar: voordat een auto me had kunnen scheppen had een bromfiets dat al gedaan. Het schijnt twee keer gebeurd te zijn.

Zojuist heb ik mijn broer even gebeld voor de vork en de steel van zijn ongeluk. Hij heeft weken in het ziekenhuis gelegen toen hij als zeventienjarige op zijn brommer een kruising overstak. Hij reed op een voorrangsweg. Er kwam uit de tegengestelde richting een auto aan die meende pal voor hem nog even linksaf te kunnen schieten. En dat ging dus niet.
Onze buurman schoot er op af, onze huisarts die zijn praktijk bij het kruispunt had, brak zijn spreekuur af en klom door het raam naar buiten en onze dominee gooide zijn fiets op de grond. En dan was er nog de vrouw die in de zwaar gehavende knul op de grond haar neef herkende. De anderen herkenden mijn broer niet, dat wil zeggen dat ze hun buurjongen, hun cliënt en hun gemeentelid niet herkenden. De vrouw vergezelde haar veronderstelde neef in de ambulance naar het ziekenhuis en zat later naast zijn bed. De ouders waren al op de hoogte gesteld.
In Monster keek de huisarts in de schooltas die bij het ongeluk was weggeslingerd en die hij mee naar binnen had genomen. Hij sloeg alarm.
Dit ongeluk met mijn broer gebeurde op nog geen honderd meter van huis. Dat met mijn vader ook, al ging het toen om een ander huis. En Opa? Die is op nog geen tien meter van zijn voordeur verongelukt.

Het is heel verstandig van de papa en mama van Liesje dat ze haar niet alleen laten oversteken; daarbij een ongeluk krijgen, zit in de genen. Daarom hoop ik maar dat die mama en vooral die papa van Liesje zelf ook maar voorzichtig zijn. En dan nog… er kan altijd een gek zijn die vlak voor je neus langs wil schieten en vol op je klapt, zo iemand als witte Toon. Hij woonde vijftig meter bij ons vandaan, precies tussen ons huis en het fatale kruispunt in. Hij is nooit wezen informeren hoe het met de jongen ging die hij bijna het hiernamaals in gereden had.
Ik vroeg mijn broer zojuist of hij de achternaam wist van witte Toon. Als hij die geweten had, zou ik die graag hebben vermeld.

Voor wie behoefte heeft aan symboliek: er lag een kerkhof tussen het huis van witte Toon en dat van ons. Ik zeg ‘lag’ want het huis van Toon is er niet meer.
Zelfs de plek kent hem niet meer, zegt psalm 103 in zo’n geval.

17 juni 2020

Dat mag

De waarheid is dat de kleindochter die af en toe door mijn verhalen scharrelt in werkelijkheid geen Liesje heet. Er zijn momenten dat ik aan een andere naam denk. Dat komt door die verkleinvorm. Liesje, en geen Lies. Aan de andere kant: er komt in mijn familie weliswaar helemaal geen Liesje voor, maar wel zijn er veel varianten in omloop. Liesje is een levenslustige meid van wie ik het idee heb dat het een betrouwbaar en geliefd mens zal blijven. Voor een volwassene klinkt dat meer als Lies, dan als Liesje.
Maar ja, ze is pas acht en gisteren merkte ik ineens hoe goed die verzonnen naam haar past.

Ik zou Klaas en haar op de fiets uit school halen en naar hun huis meenemen. Klaas had afgesproken met Lars. Of dat mocht. En dan kon Lars wel met ons meefietsen. Die wilde dat ook wel, maar dan moest hij eerst naar huis fietsen om het zijn moeder te vertellen. Lars is wat groter dan Klaas.
Hij woont ook precies de andere kant op.
‘Ik kan wel alleen naar huis, hoor,’ zei Liesje, ‘dat mag van papa en mama. Ik mag alleen naar huis fietsen. Dan kan ik oma wel vertellen dat jullie wat later komen. Ik mag alleen naar huis fietsen. Maar ik mag niet alleen de grote weg oversteken. Daar moet ik altijd wachten van papa. Tot mama of hij er ook is, ook als het stoplicht groen is. Maar verder mag ik alleen van papa en mama. Dan kun jij met Klaas en Lars meefietsen, opa, en dan ga ik alleen naar huis.’
Die grote weg ligt een meter of vijftig van de school, dus dat viel inderdaad wel te combineren. De jongens posteerde ik bij de papierbak naast de school en zelf reed ik even met Liesje mee. ‘Ik mag alleen naar school rijden van papa, want Klaas en hij zijn vaak wat later dan ik, maar papa zegt dat ik dan wel moet wachten bij het oversteken, ook als het licht groen is. Maar verder mag ik alleen fietsen. Dat mag van papa en mama.’
Het verbaasde me dat iemand in zo korte tijd en op zo korte afstand zo vaak hetzelfde kon zeggen. Als ik niet had opgelet, zou ik misschien wel gezegd hebben dat ik het nou wel wist, maar ik begreep dat Liesje inderdaad nog geen Lies was. Ze vond het allemaal reuze spannend en nu moest ze ook haar opa ervan overtuigen dat ze al een grote meid was, iets wat haar papa en mama blijkbaar al hadden onderkend.
‘Als we zijn overgestoken, mag ik alleen fietsen van papa en mama,’ zei ze tijdens het oversteken.
Zodra we aan de overkant waren, sprong het licht op rood, zodat ik niet meteen terug kon. Liesje fietste weg. Ze zwaaide naar me alsof ze aan een meerdaagse fietsvakantie begon.

De jongens stonden braaf te wachten bij de papiercontainer. Ze zagen er klein uit, maar ze hadden wel stoere fietsen.

16 juni 2020

Nieuwersluis

Ik verlegde mijn fietsrondje en zodoende reed ik door Nieuwersluis. Daar zou ik best willen wonen, bedacht ik. Het is een klein vestingdorp dat deel uitmaakt van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Nu hebben forten iets deprimerends, maar de natuur er omheen is doorgaans prachtig én als er, zoals hier, een dorpje of stadje bij een fort ligt, wordt het een klein feestje. Nu keek ik zonder af te remmen of er toevallig niet ergens een houten huisje te koop stond, zo’n huisje waarin vroeger iemand die zijn geld verdiende in het fort of in de pupillenschool, beter bekend als de latere militaire gevangenis.

Van Nieuwersluis hoorde ik voor het eerst in 1966 toen meneer Hommes van natuurkunde erover begon. Wat ik deed, weet ik niet meer; waarschijnlijk ging ik met een bijdehand(t)e puberopmerking tegen hem in en dat dan niet voor het eerst. Ik zat vooraan, maar een docent natuur- en scheikunde had als lessenaar een meterslang minilaboratorium voor zich. En dan werd deze vesting ook nog eens van de voorste tafels gescheiden door een looppad. Meneer Hommes kwam voor me staan, steunde met zijn handen op het blad van zijn toonbank om zover mogelijk voorover te kunnen buigen. Hij was al wat kalend. Zijn enorme snor herinnerde aan zijn militaire verleden.
‘Eén ding weet ik zeker,’ blafte hij me plotseling toe, ‘jij komt nog eens in Nieuwersluis terecht.’
Dat zei me niks, dus ik wilde wel weten waar mijn toekomst lag. Ook anderen konden niet vertellen waarom Hommes nu plotseling over Nieuwersluis begon. Hij vertelde daarom (en daarmee had ik hem weer van het pad van de natuurkundeles af geholpen) dat dat de gevangenis was voor soldaten die zich niet wisten te gedragen. Daar rekende hij mij alvast toe. Ik voelde me gestreeld, welke puber wil er nou niet bekend staan als de stoute soldaat. Gerard naast me knikte mij bemoedigend toe. En vanaf dat moment vond ik Hommes een prachtige kerel.

Het liep anders. Ik werd nooit soldaat. Wel leerde ik Nieuwersluis kennen van mijn fietstochten en bezochten Mente en ik er geregeld restaurant Het Stoute Soldaatje. En daar bleef het bij. Ik geloof dat het restaurant er niet meer is.
Meneer Hommes kwamen Gerard en ik later nog eens tegen in Friesland. In plaats van gezagsondermijnende pubers waren we toen zelf leraar geworden.

Misschien is het wel jammer dat Hommes niet de gave van de profetie had, want echt, Nieuwersluis is een leuk plaatsje in een prachtige omgeving. Het zal er nooit van komen ook. Ik heb even op Funda gekeken: voor mij is Nieuwersluis te hoog gegrepen.

13 juni 2020

Nu te zien in het Catharijne Convent

Op bilboards langs de Kardinaal de Jongweg staat een fragment van een ontzettend Rooms schilderij. Een bloot jongetje dat nu in groep vijf zou zitten, slaat zijn even vermoeide als extatische ogen op. De ogen zijn nat en roodomrand. Het is me net iets teveel van het goede, maar het moet van een vaardige schilder zijn, met die overtuigende huid en waar ik altijd stil van word: een opgeheven gezicht. Dat geeft een vertekening waarbij een tekenaar of schilder nogal makkelijk mee de fout kan in gaan. Dat hoef je bij Jan Sluijters niet te verwachten.
Dat hij de maker was, verraste me, al heeft hij heel wat kinderkoppen geschilderd in zijn leven. Ook wel aandoenlijke koppen, maar dit rijk Roomsche tafereel is een geval apart.
Het kind vormt het centrale punt van een schilderij dat momenteel in het Catharijne Convent hangt. Daarop zie je dat de jongen naar zijn moeder kijkt. Ze houdt hem in haar armen. Links zie je een man die zijn arm uitstrekt in een zegenend gebaar. Dat is de profeet Elia. De moeder is de weduwe van Sarefat. De jongen is zojuist door Elia uit de dood opgewekt. Dat is een wonder, vandaar ook dat het schilderij deel uitmaakt van de expositie 'Allemaal Wonderen'. Voor de volledigheid meld ik nog even dat achter de moeder een verbijsterde man te zien is, de knecht van Elia.
Elia woont tijdelijk bij de weduwe in en dat in tijden van hongersnood. Een ander wonder heeft dit onderdak mogelijk gemaakt, want olie en meel raken niet op als de weduwe er brood van bakt. Zo kan ze niet alleen zichzelf en haar zoon in leven houden, maar ook Elia. En blijkbaar ook die knecht. Die is tot nog toe aan mijn aandacht ontsnapt.
Dit is allemaal leuk en aardig, maar de jongen gaat dus toch dood. De moeder is ontroostbaar en verbitterd. Elia smeekt God om de jongen weer tot leven te brengen en dan komt alles weer goed.

Ook in huize Borgdorff voltrekt zich een wonder, weliswaar een dat overbodig is, maar toch een wonder. Veertig jaar geleden heb ik mijn scheerapparaat weggegeven en sindsdien scheer ik nat. Dus enige ervaring op dit punt kun je me niet ontzeggen en die ervaring heeft me geleerd dat na drie weken een scheermes niet meer schoon scheert, maar doorgaat met minder subtiel hakwerk. Een half jaar geleden, lukte het me om ongeschonden zes weken met hetzelfde scheermesje te doen. Welnu, op maandagochtend 15 maart, toen de intelligente coronalockdown toesloeg, markeerde ik het historische moment door een nieuw scheermesje te gaan gebruiken. Het wordt tijd voor een nieuwe alinea.

Want dat mesje gebruik ik nog. Anders dan bij de weduwe heb ik vorige week wel nieuwe olie moeten kopen ? ik gebruik geen scheerzeep of-crème maar -olie. Het mesje scheert intussen nog onverdroten soepel. Geen drie, geen zes, maar dertien weken. Het gaat om een luxewonder, want ik zit helemaal niet verlegen om nieuwe mesjes. Ik heb nog vijftien mesjes op voorraad; maal drie weken zou ik nog bijna een jaar vooruit kunnen. Als het wonder ook maar een beetje aanhoudt, zou het er ook op neer kunnen komen dat ik tot 15 maart 2024 gebeiteld zit, al is dat in verband met scheermesjes een wat ongelukkig gekozen woord.

Ik zie het al voor me, hoe ik over de Kardinaal de Jongweg rijd en op bilboards telkens de kop tegenkom van een man die zich scheert, met daaroverheen de tekst: Nu te zien in het Catharijne Convent.

12 juni 2020

Tussen de boeken

In de bibliotheek aan de Stadhuisbrug leende ik in januari drie boeken. Ook ben ik toen nog even bij boekhandel Broese naar binnen gelopen. Vandaag bracht ik ze terug en opnieuw liep ik vervolgens bij Broese naar binnen. Maar de beleving was gansch anders.
Het oude postkantoor aan het Neude heb ik in het verleden regelmatig bezocht, maar verder dan de hal kwam ik daarbij eigenlijk niet, alleen een paar keer bij een literair festival. Daarbij bleek dat er achter de grote hal andere ruimtes waren, maar die maakten blijkbaar niet genoeg indruk op me. Nu des temeer. Wat een enorme ruimte.

Nu is het oude postkantoor natuurlijk helemaal niet als bibliotheek bedoeld en het gevolg is dat je met een indeling te maken krijgt die als architectonisch ontwerp onmiddellijk lachend of woedend van tafel zou zijn geveegd als het om een nog te bouwen ruimte zou gaan. In dit geval kon men niet anders dan de ruimtelijke tering naar de dito nering te zetten. Dat gold ook voor het vorige gebouw van de bibliotheek. Aan het Neude ziet het er allemaal veel gelikter uit. Er is enorm veel ruimte en de kans op verdwalen, of de weg niet kunnen vinden, is tamelijk groot, ondanks de bewegwijzering. Het is een leuk gebouw om te verdwalen overigens. Er zijn veel plekken om met je laptop neer te strijken, viel me op. Er werd natuurlijk ook coronatechnisch bewegwijzerd. Dat had niet gehoeven, want het was niet druk en er was voldoende ruimte om uit te wijken. Hier en daar hadden straffeloos kinderen met een two wheel board door de gangen kunnen skaten zonder een gevaar te zijn voor de anderhalvemeterregel.
Het kostte me wel wat moeite op de plek te komen waar vervolgens niet stond wat ik zocht, omdat de boeken die ik had willen meenemen er niet waren.

Broese verhuisde mee en zit nu dus ook in het oude postkantoor, maar voor de boekhandel moet je via de Oudegracht naar binnen. Veel ruimte en veel boek. Wat wil je nog meer? Toch denk ik: als een architect er in coronale tijden mee aan de slag was gegaan, dan zou hij er iets anders van gebakken hebben. Hier zijn de nodige plekken niet erg éénpuntvijftigproof.
Ook miste ik overzicht, misschien nog wel meer dan in de bibliotheek. Mijn belangstelling voor rubrieken is tamelijk beperkt: literatuur, poëzie, architectuur, kunst, kinderboeken. Dan ben je al een heel eind, al zag ik een prachtig vogelgidsje. Op een na vond ik wat ik zocht, zonder te vragen. Wel Grand Hotel, niet het nieuwste boek van Bibi Dumon Tak, wel een poëziebundel van Jacques Hamelink. Architectuur heb ik gezien zonder een bepaald boek te zoeken. Bij kunst maakte ik het mezelf wel heel makkelijk door op zoek te gaan naar de verzamelde tekeningen en etsen van Rembrandt. Het boek is groot, heel groot, maar dat het ook heel dik was, viel me nu pas weer op. Ik heb het nog steeds niet gekocht, maar ik beloofde mezelf ter plekke dat ik het binnenkort ga doen. Om Alfabet van Charlotte Dematons te vinden, was een eitje, een eenvoudig, elektrisch eitje, maar het duurde even voordat ik Oliver Twist vond. Ik bedoel de door Tiny Fisscher navertelde en door Annette Fienieg geïllustreerde editie. Er lag zelfs een hele stapel. Gelukkig maar.
Ook vond ik veel boeken die ik niet zocht, maar graag gekocht zou hebben als ik niet zo gierig en arm tegelijk was geweest.
De Atlas van de Nederlandse Taal, bedenk ik nu, die vond ik ook niet.
Al met al veel beleefd vanmiddag.

11 juni 2020

Ostrobas en Tisiphernes

Het zal te maken hebben gehad met de dood van Castor en Pollux, de twee lakenvelder biggen op het landgoed Oostbroek. Luid en duidelijk vroeg ik gisteren plotseling: Gaat het goed met jullie, Ostrobas en Tisiphernes?'
'Wat zeg je nou toch?' Ik vertelde dat ik naar het welbevinden vraag van Ostrobas en Tisiphernes. Waarop Mente zich verbijsterd afvroeg waar ik het over had. Dat was een schokkende gewaarwording.

Op een rommelmarkt in Den Haag kocht ik in 1971 twee boekensteunen van wit plateel. De ene steun laat een man zien die uit alle macht probeert om met zijn rug iets tegen te houden, op de andere doet een tweede man hetzelfde, maar nu door met zijn borst voor het nodige tegenwicht te zorgen. Ik kon ze meenemen voor 25 gulden. Dat heb ik lang teveel gevonden, maar zojuist ontdek ik dat op internet eenzelfde stel wordt aangeboden voor 85 en elders zelfs voor 175 euro. Dus dat valt weer mee.
Sinds de aankoop houdt het stel een rij boeken in bedwang. Al heel lang staan ze bovenop het cilinderbureau, de complete Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur tussen hen in. Maar voor dat cilinderbureau er kwam en lang voor die fraaie boekenreeks er kwam, nog in datzelfde jaar 1971 voorzag ik de twee boekenworstelaars van hun namen toen ik op mijn kamer de Granida van Hooft zat te lezen.

In dit toneelstuk uit 1605 wordt de eenvoudige herder Daifilo verliefd op de Perzische prinses Granida. Een onmogelijke liefde, zo begrijpt Daifilo zelf ook. Daarom neemt hij genoegen met een plaats als dienaar van Tisiphernes, een hoge heer die dingt naar de hand van Granida. Op die manier kan Daifilo tenminste in de buurt komen van de door hem verafgode vrouw.
Maar er is een rivaal: de ruwe en arrogante Ostrobas. Een van de twee zal Granida trouwen en daarmee koning van Perzië worden. Tisiphernes is aardiger dan zijn tegenstrever, maar hij wil de schone Granida helemaal niet trouwen uit liefde. Zij is niet meer dan het vehikel dat het mogelijk maakt om koning te worden. Om de spanning niet nodeloos op te voeren, kan ik verklappen dat beide heren het af leggen tegen de ware liefde en daarvoor moet je bij Daifilo zijn. En bij Granida, want zij houdt zielsveel van de herder. Heus, het komt allemaal goed.

Dat las ik op mijn kamer in 1971 en toen ik even opkeek om het gelezene in alle rust te verwerken, zag ik de twee boekensteunen en toen sprak ik ze aan met Ostrobas en Tisiphernes. Voor mij zijn dat hun namen gebleven. En vandaar ook dat ik ze gisteren weer zo aansprak.
'Wat zeg je nou toch?'
Wat dom van me dat ik anderen nooit vertelde hoe de twee markante boeksteunen heten.

Een en ander heeft iets losgemaakt bij Mente. Vanochtend stonden de twee mannen op het aanrecht en nu staan ze weer te glimmen op het bureau. Ze zijn in bad geweest. En dan heb ik haar nog niet eens verteld dat het hier gaat om wit plateel (maar dat is geen nieuws) van plateelbakkerij Schoonhoven. Ze werden in 1931 geproduceerd.
Ik kijk nog even op internet. De steunen van €175 zijn intussen verkocht. In januari gingen er bij Catawiki een stel weg voor € 95. Dat is veel minder, maar nu we weten dat ze een naam hebben, zal de prijs wel omhoog gaan. O ja, de man met zijn rug naar de boeken is Ostrobas, de man die zich daar met zijn borst op stort, heet Tisiphernes.

10 juni 2020

Na Castor ook Pollux

Over de herkomst van Castor en Pollux doen verschillende verhalen de ronde. Is oppergod Zeus hun vader, of is die alleen de vader van Pollux en is de Spartaanse koning Tyndareos de vader van Castor? Aan het moederschap van Leda wordt al iets minder getwijfeld, maar ook daarover bestaan verschillende versies. Feit is wel dat we aan Castor en Pollux het sterrenbeeld van de Tweelingen te danken hebben. De schone Helena om wie oorlogen werden ontketend zou hun zuster zijn.
Castor en Pollux, de rodeo en de bokser, zijn bij veel avonturen betrokken geweest. Zo namen zij deel aan de jacht op het Calydonische everzwijn, een kwaadaardig dier zo groot als een stier, dat stad en land teisterde.

Wat dat betreft, zou het je kunnen verbazen dat Castor en Pollux op het Utrechtse landgoed Oostbroek vooral bekend stonden als de twee lakenvelder biggen. Castor overleed een jaar of vijf geleden, in de armen van zijn verzorgster. Een klein steentje met daarop kloek de naam Castor markeert de plek waar hij begraven ligt.
Drie maanden geleden stond Klaas bij zijn graf. Klaas is zes.
'Ligt hij hier echt?' Hij lag er echt. Het gezicht van Klaas verried dat hij het liefst zou gaan graven om het te controleren en tegelijkertijd vond hij het idee beangstigend dat daar vlak voor zijn voeten een heus varken begraven lag.
Toen we verder liepen, zagen we Pollux. Klaas keek ernaar alsof de big - vergis je niet: een big van 75 kilo - in zijn eentje de tweeling was. Met die gedachte raakte hij aan de mythologie, want over het levend en dood zijn van de tweeling gingen in de oudheid rare verhalen. Als onsterfelijke godenzoon bedong Pollux dat zijn gestorven broer Castor dat ook zou zijn; en zo verbleven de twee broers beurtelings in de godenwereld en op aarde. Heel lang zag men de twee zich plotseling mengen in een strijd. Ze verschenen op witte paarden en even later verdwenen ze weer. Het is een verhaal dat ik me bij de twee Lakenvelder biggen niet kan voorstellen.

Na de dood van varken Castor bleef Pollux eenzaam achter. Hij kreeg later nog wel gezelschap van een andere big, Sam, maar ze hadden elk hun eigen gebied. Ik heb niet de indruk dat ze samen optrokken.
Op 15 april heb ik Pollux nog even gedag gezegd. Omdat je eerst het steentje van Castor tegenkomt en even daarna Pollux ziet, was Pollux vooral het varken dat nog niet dood was, de overlevende. Net als in de Griekse mythe.
Ik gebruik de verleden tijd, want bij Oostbroek is het toch anders gelopen. Toen we er vandaag weer liepen, zag ik op het grafsteentje Castor & Pollux staan. De onsterfelijke is dus ook dood. Ook hij stierf in de armen van zijn verzorgster, hij werd 11 jaar. Zijn hart begaf het. Elf jaar is een mooie leeftijd voor een lakenvelder big, lees ik op een gelamineerd a4'tje.

Het hok en het veldje van Pollux zijn leeg. Bij mensen heb je dat wel. Twee mensen zijn levenslang samen, eentje overlijdt en de ander gaat een extra belangrijke plaats innemen in het leven en de aandacht van andere nabestaanden, familie of vrienden. Maar als de tweede dan overlijdt, valt dat weg, lijkt alleen dat leven samen het echte leven te zijn geweest. De tijd is van water dat de jaren van nabestaan wegvaagt. Het is misschien wat vreemd dat ik dit sta te bedenken bij het lege hok van een varken dat net als zijn broertje nooit iets heeft beleefd.

09 juni 2020

Effect

Het verhaal gaat dat Herman van Veen een keer last had van een man in het publiek die er op uit was de voorstelling te versjteren, door op het verkeerde moment te hard en te lang te lachen of zo. Dat ging hem goed af. Vanwege Bregmans adagium dat de meeste mensen deugen, vallen me de laatste dagen verhalen als dit in. Niet omdat Bregman ongelijk zou hebben, wel omdat ik me er meer over verbaas dat een kleine groep, soms een enkeling, het voor een grote groep kan verprutsen. En dan is die deugdzame meerderheid amper een geruststelling te noemen.
Het verhaal van Van Veen gaat verder. Die legde namelijk de show stil en liep de zaal in, naar de flapdrol. Hij haalde een biljet van 25 gulden uit zijn zak (het is een oud verhaal) en vertelde de man dat hij zijn entreegeld terugkreeg, maar hij moest nu wel vertrekken.
Ik gebruikte het verhaal wel als er een leerling de klas uit was gestuurd. Dat was in de tijd dat ieder kind, groot of klein, zonder meer wist wie Herman van Veen was.

Maar vandaag! Luister. Ik bel af en toe mensen om ze met wat vragen lastig te vallen. Oud, jong, liefst zoveel mogelijk verschillende mensen. Vandaag heb ik een mij onbekend jongetje op de lijst staan waarvan de naam me door iemand was toegefluisterd. Ik krijg een moeder aan de lijn. Hoe leg ik zo gauw mogelijk uit wie ik ben, wat ik wil en waarvoor en dat het tegelijk ook nog volstrekt aangenaam klinkt ook? Het flitst door me heen.
Alleen niet snel genoeg, want de moeder onderbreekt me om te zeggen dat ze me nog kent van school, maar toen had ze nog een andere achternaam. Ze spreekt me aan met 'U', alsof we 35 jaar terug zijn in de tijd. Mijn 'jij' klinkt navenant, maar ik weet pas met wie ik te doen heb als het telefoongesprek is afgelopen. Haar zoontje is er niet. Ik kan hem vanavond bellen.
Dan weet ik het weer. Ik zie haar staan in het koor en ze zingt vol overgave. Bij vieringen en musicals, altijd deed zij mee. Ik trouwens ook. Ze leek zowel heel erg op haar moeder als op haar vader, want die herinner ik me opeens ook weer. Ik weet nog dat ik hem vanaf het toneel in de zaal zag zitten.. Hij stak een kop boven de anderen uit, haar vader. En wat straalde hij!
Ik zou het er voor over gehad hebben om de zaal in te gaan om hem een briefje van 25 te geven met het verzoek om alsjeblieft te blijven zitten. Daar zou iedereen op het podium beter van gaan spelen en zingen. Dat hoefde niet: vader en moeder waren er altijd.
De meerderheid mag deugen. De minderheid bepaalt de smaak.

07 juni 2020

Wonder

Aan het eind van de Moldaudreef steek ik vaak de Albert Schweitzerdreef over. Ik moest de namen van de wegen even opzoeken. Het ligt misschien meer voor de hand om de Jumbo te noemen en de Zuilense Ring. Voor wandelaars en fietsers levert dat lange wachttijden op. Ik begin meestal automatisch de passerende auto’s te tellen als ik moet wachten. Dat heb ik jong geleerd, auto’s tellen. Intussen weet ik dat het makkelijker is om met roken te stoppen dan met tellen. En het ergste is: het gaat zo vanzelf dat ik het aantal niet meer weet zodra de laatste wagen voorbijgegaan is. Op dat moment wordt ook het moment waarop het stoplicht eindelijk eens op groen springt te belangrijk. Maar intussen kan ik nu, hierop terugkijkend, geen getal noemen. Zoals ik de namen van straten die ik vrijwel dagelijks doorga niet ken, weet ik niet waar mijn tellen geëindigd is. Toch zal ik op dat punt al gauw op de tachtig zitten.
Ik moet er nog iets over kwijt. Dat oversteken doe ik veel vaker van oost naar west, dan omgekeerd, zoals vandaag. Doorgaans kom ik vanuit het Noorderpark aangereden, steek de Gageldijk over, die evenwijdig loopt aan de Zuilense Ring en daar wacht ik tachtig (?) auto’s lang voor ik mag oversteken. Dat is de gebruikelijke gang van zaken. Maar niet vandaag.
Vandaag heb ik ook niet geteld. En dat had een reden. Strak in het verlengde van de oversteekplaats, dus aan de rand van het Noorderpark, is een sloot. Daarom moet je direct even een kleine knik maken, rechts en hup meteen weer links, om op het fietspad te komen. Daar lopen regelmatig mensen. Zo regelmatig dat ik pas vandaag tot een opmerkelijke ontdekking kwam. Die sloot in het verlengde van de oversteekplaats is helemaal geen royaal met kroos gegarneerde sloot, het is een wandelpad. Daardoor begrijp ik niet meer zo goed waarom er telkens mensen op het fietspad lopen, maar daar wil ik me verder niet mee bezig houden.
Maar dit was er dus aan de hand. Er stopt een kerel met zijn fietsje bij het stoplicht. Hij drukt op de knop, zet een voet op de grond en heft het hoofd in de richting van het land dat hem wacht. Ja? En daar ziet hij hoe tweehonderd meter verderop twee mensen druk met elkaar in gesprek zijn. Zo druk dat het niet eens tot ze lijkt door te dringen dat ze midden in, nee, midden óp een sloot staan.

Afgelopen woensdag zag ik op de tentoonstelling Wonderen in het Catharijne Convent het filmfragment uit The Ten Commandments van Cecil B DeMille waarin Mozes de Rietzee splijt. Een wonder. Later heeft men er alles aan gedaan om dat wonder te verklaren door te vertellen dat deze zee daar soms droogvalt, zoals de Waddenzee ook geschikt is voor wadlopers.
Na het oversteken van Zuilense Ring en Gageldijk, na het fietspad, dat echt een fietspad is, te zijn opgereden, kijk ik nogmaals naar de sloot waarop mensen lopen. En echt, ik weet het zeker, tot voor kort was het een sloot. Dat verklaart waarom er ook vandaag weer mensen op het fietspad lopen. Die vertrouwen het niet. Ze zijn blind voor het wonder.
En val me niet lastig met opmerkingen over een dromerige ouwe vent die niet weet hoe het heet waar hij fietst en die telt zonder te weten dat hij dat doet en die dus blijkbaar ook niet in staat is om een voetpad van een sloot te onderscheiden. Zo Is Het Niet!

06 juni 2020

Ogen

De jaren lopen met me mee door de vertrekken en vertrekjes, ze stappen door het gras, bukken zich voor paadjes waar kinderen zich onmiddellijk in verlieven, de jaren kijken met mij omhoog naar de prachtige reusachtige walnootboom en de rode beuk. Er zijn meters en meters tuin links en meters en meters tuin rechts, en voor en achter.
We woonden jaren in hetzelfde huis. Toen had de computerman het regelmatig over zijn huisje in Lunteren gehad. Daar had hij als tiener gewoond toen hij op de MTS zat. Als HTS´er kwam hij in Utrecht. We raakten bevriend en toen hij en de sociaal begeleidster samen verder door het leven wilden, trokken ze bij ons in in het huis aan de singel. Ruim vier jaar waren we huisgenoten. Een kleine veertig jaar verder lopen we in Oeken door een reusachtige tuin. We, dat zijn de vier mensen van dat singelpand.

De computerman is er in zijn element. Je zag het. Graag zou ik jaloers op hem zijn. Wat wil je ook, met zo´n aanbiddelijke walnootboom en zoveel grond, met een comfortabele motormaaier in een garage waarmee je lekker over je grasveld kunt crossen. Maar ik kan het niet opbrengen, die jaloezie. Dat komt door de jaren. Die kunnen nog wel een fietstocht aan, willen ook nog wel in een tent kruipen, verlangen geregeld naar een duik in een kloeke Noordzeegolf, maar voor de rest zijn een stoel en een tafel genoeg. Ik hoef geen grond onder mijn nagels, verlang geen stijve rug en gun een ander zijn trekzaag of snoeischaar.

Iets heeft ons rond 1980 dicht bij elkaar gebracht in het smalle steile trappenhuis van Catharijnesingel 129, met onze vaak gemeenschappelijke maaltijden, gedeelde auto en hetzelfde bierkrat. Daarom lopen we nu ook door die tuin, hun tuin, niet de onze.
Binnen herken ik de taperecorder. Ik zie de reproductie van een schilderij van Goya, zoals die boven een bankje aan de singel hing. Toen ze trouwden timmerde de computerman een echtelijk bed. Nu zie ik het weer. Na jaren. Het zou wel eens de laatste keer kunnen zijn. Slaapkamers van vrienden zie je alleen na een verhuizing.
Ze hebben hun elpees nog staan. Dat kan ook makkelijk in dat grote huis. Ik herkende er nog een heleboel van.
Ergens op een plank kom ik een foto tegen van Mente een mij.

Ze zien er alle twee goed uit, de computerman en de sociaal werkster. Bij hem valt me dat nog het meest op. Aan de singel zou hij dit en hij zou dat als hij eenmaal de HTS af had. De computers waren de toekomst. Zijn ogen konden zo glimmen als hij het over zijn toekomst had.
Het is aardig uitgekomen. Nog steeds eet hij van de computers, maar dromen doet hij nu vooral van het huis waarin ze intussen een aantal maanden wonen, en van de enorme tuin eromheen.
´Volgens mij is dit je nieuwe Lunteren,´ veronderstel ik.
´Ja, dit heeft veel met Lunteren te maken,´ zegt hij, ´maar dit bevalt me nog beter.´

Tijdens de lunch zie ik het weer. Er staat intussen wel een bril voor, maar het zijn dezelfde ogen als toen. Hij heeft er zin in. Prachtig!
Ik moet er niet aan denken. Ook goed.

05 juni 2020

Over de essentie

Voor de site van de kerk bel ik regelmatig een gemeentelid. Die confronteer ik met wat vragen en daar bak ik dan een stukje van. Zo komen we als kerk elkaar in ieder geval in geschrifte tegen. Direct na het telefoongesprek tik ik mijn stukje. Van bellen tot versturen duurt twee of tweeënhalf uur.
Vandaag belde ik iemand die over sommige vragen nog wat langer wilde nadenken. Op dat punt ben ik een en al inschikkelijkheid, maar wie mij beter kennen, weten dat dat schone schijn is. Ik wil een klus namelijk liefst in één keer klaren. Hup en weg. Dat lukte vanmiddag dus niet. Daarom vroeg ik me na het gesprek af of ik wel meteen aan het tikken moest of dat ik maar beter kon wachten.

Het begon te regenen. ‘Daar gaan de pioenrozen; daar gaan de papavers,’ mompelde ik, maar de rozen waren al ver heen en de papavers, ach ja, die papavers. Ik ging even naar buiten om te kijken. Drie grote koppen, maar de regen vonden ze niet fijn. Terug in de kamer zag ik een foto te pronk staan van precies een jaar geleden. Dat doe ik af en toe: een foto op een standaardje zetten. Op de foto staat Henk. Hij staat onder een boom, in regenkleding en het regent dat het giet: 5 juni 2019. Dat ging ik doen, ik liep naar boven om Henk te bellen.
We hebben afgesproken om in juli anderhalve week in Duitsland te gaan fietsen, maar ondanks verzachtende maatregelen, ligt dat voorlopig niet erg voor de hand. Maar wat dan?
‘Ik heb nieuwe fietstassen gekocht, weet je nog wel? En mijn tentje heb ik alleen vorig jaar nog maar gebruikt.' Het was duidelijk dat het fietsen wat hem betrof door zou gaan, maar Henk was inschikkelijk: we konden ook een rondje Nederland doen.
Ik vertelde hem dat ik dit gesprek met hem als excuus gebruikte om nog niet onmiddellijk een beslissing te hoeven nemen over het wel of niet tikken van een stukje, een deel daarvan dan.
‘Dus nu bel je mij om een stukje voor de site van jullie kerk te vullen?’ Dat mocht Henk willen: dan zal hij zich eerst moeten laten inschrijven bij de Tuindorpkerk. Dat gaat zomaar niet. Daar had hij niet van terug. Hij vroeg zich af of hij alvast eens naar een route zou kijken, waarbij we elkaar aan het eind van de eerste dag zouden ontmoeten. Dan begonnen we thuis. Daarvoor is het handig om te weten dat wij een kilometer of tachtig van elkaar wonen. Hij zou met een routevoorstel komen. Dat deed hij graag, had hij weer wat leuks te doen.

Na het gesprek begon ik toch maar aan het stukje. Het meeste had ik genoteerd over een reisje met een tjalk waarnaar mijn gesprekspartner enorm uitkeek. En die aanlokkelijke toekomst had alles te maken met een rijk verleden op dat front. Want haar kinderen, nu ruim in de vijftig, werden als zuigeling al meegenomen in de boot. Ik tikte een stukje over de tjalk en dacht aan Henk die tachtig kilometer verderop misschien al zat te kijken naar een nieuwe route, gebaseerd op ervaringen die we opdeden bij eerdere tochten.
Mensen lopen met de rug naar morgen gekeerd de toekomst in, de blik scherp op het verleden gericht, leerden de oude Grieken ons al. En die mensen lijken wel het gelukkigst als het leven zijn speelse kant laat zien, met irrelevante boot- of fietstochtjes. De essentie zit in de franje.
Ik weet niet of Femke Halsema er terugkijkend momenteel ook zo over denkt.

04 juni 2020

Het museum

De dag die ik wist dat zou komen, was gisteren. En vandaag alweer.
Gisteren bezochten we het Catharijne Convent om ons te vergapen aan de wonderen. Mente genoot ervan. Ik had het koud met alleen maar T-shirt en korte broek. Stom. Maar zo was het dus. En verder bleef ik in gedachten steken bij de vraag wat een wonder was. Doorgaans heb ik de neiging om het op te nemen voor de wereld met wonderen, juist omdat naar mijn idee wonderen doorgaans een reden zijn om iets niet te geloven. Dat is een wel erg rigoureuze, naar mijn idee misschien ook tamelijk kortzichtige houding, ten opzichte van wat er duizenden jaren door miljarden mensen is gedacht en beleefd als het om wonderen ging. Het kan niet andere of heel veel wonderen zijn verzonnen. Dat laat een weldenkend mens anno nu wel uit zijn hoofd. Als je mensen ergens van wilt overtuigen moet je er geen wonderen bij halen. Fictie als feit presenteren mag wel, maar dat lukt alleen als je er geen kabouters, bijzondere handopleggingen of orakelspreuken bijhaalt.
In het verleden kende het fenomeen wonder een andere connotatie. Misschien zou Jezus nu gezegd hebben: ‘Een blinde genezen? na drie dagen opstaan? Ik kijk wel uit. Ze lachen me uit.’ Dat maakt me wel eens huiverig voor deze tijd, waarin wij alles menen te weten.
Als gezegd. Ik had het koud in het Catharijne Convent. Ik zeg niet dat het daar koud was, ik zeg dat ik een vestje had moeten aantrekken.

Wonderen worden doorgaans positief geduid. Daar heb ik mijn twijfels bij.
Vandaag bezocht ik voor de tweede keer na maanden een museum, nu samen met Lukas. En we kwamen in een soort karretjes terecht die me deden denken aan de wagentjes van een spookhuis op de kermis. We waren nog maar net vertrokken toen ik me realiseerde dat ik een fout had gemaakt. Het was hier om te beginnen veel te donker. Hier had ik een jongetje van vier niet mee moeten opzadelen. Een arm om hem heen, hem wat naar me toe trekken en op bijzonder luchtige toon commentaar leveren en plotseling opdoemende gevaren bezweren, het hielp even maar niet afdoende. Lukas was in een verschrikkelijke wonderwereld terechtgekomen, kon er geen chocola van maken en kreunde dat hij naar mama wilde.

Zijn moeder was niet thuis, dus dat zou niet gaan. Nu was dat niet zo’n probleem, want er is een winkeltje met kleurrijke lolly’s. ‘Wat wil je? Naar mamma of wil je een lolly?’
Hij wilde een lolly en hij wilde een handje van me.
Deze plotselinge verandering was geen wonder, maar de uitkomst van eenvoudige berekening.
Maar het was een moeizame herstart met deze twee eerste museumbezoeken.

Ik weet niet wat ik morgen ga doen.

03 juni 2020

De dominee

Zijn sonore stem paste heel goed bij een zwarte toga. Zijn hoofd ook. Ik kan me hem niet goed voorstellen in een zandkleurige toga en een stola die de kerkelijke kleuren van het jaar volgt. Dominee Kronemeijer had zes kinderen en toen hij eind ’73 in Utrecht kwam, reed hij in een forse stationcar, vanwege dat gezin, maar het was ook goed voor hem, want het was een grote man. Er passen allemaal mooie woorden bij hem: die sonore stem, de rijzige gestalte, dat aristocratische gezicht. Daarom deed het pijn om hem na de grote stationbak te zien rijden in een Citroën Visa. Gelukkig trof je hem als stadspredikant vaker op de fiets aan dan in de auto en die fiets was een onverdacht klassiek herenmodel.
Zijn sonore stem was niet op snelheid gemaakt. Hij sprak zelfs aarzelend, maar dat mocht met zo’n vol geluid. Hij zocht vaak naar worden, ook in zijn preken. Maar dat zoeken nodigde de mensen uit om mee te zoeken en dan was het een troost dat hij woord in kwestie net iets eerder vond. Ik luisterde graag naar hem. Ook al omdat hij niet met koeien van waarheden kon omgaan.

Hij vertelde een keer van een ziekenbezoek waarbij de zieke verzuchtte dat ze haar leed alleen maar kon dragen omdat ze wist dat het van God kwam. Dat was in dezelfde week waarin een ander doodzieke vrouw hem zei dat het haar een troost was dat ook God de verschrikkelijke ziekte die haar dood zou worden, niet wilde. Na de dood van mijn vader kwam hij langs. ‘Ik betrapte me er de jaren na de dood van mijn vader regelmatig op dat ik helemaal niet tot God bad, als ik bad, maar tegen mijn vader in Kollum zat te praten.’
Ik heb veel geleerd van Kronemeijer.

De aarzelende manier van spreken vond je terug in zijn denken, zijn manier van geloven, maar je kwam het ook tegen in de manier waarop hij leesbrillen mishandelde. Ik ken hem van zijn leesbrillentijd. Die leesbril ging voortdurend op en af en het is een wonder dat hij nooit tijdens een kerkdienst zijn bril in stukken heeft brak. Als hij stond te vertellen haalde hij de bril van zijn neus, deed omstandig pogingen die te molesteren en zette hem weer op als hij de tekst voor zijn neus weer even moest raadplegen. Zonnebrillen gingen hem ook heel goed af. Hij was dol op zonnebrillen, realiseer ik me.

Ergens in de jaren zeventig kwam hij een keer langs. Hij maakte zich zorgen over me. Dat was niet onterecht. Hij probeerde me zover te krijgen dat ik mezelf eens vragen ging stellen in plaats van met antwoorden te blijven leven waar ook ikzelf niet gelukkig van werd. Ik geloof dat ik het zo wel onduidelijk genoeg gezegd heb.
Het was in de tijd dit ik een verbaal gevecht graag aanging. Zo ook nu. Ik won op punten. Weliswaar had ik hem niet overtuigd, wel had ik hem de mond gesnoerd. Hij vertrok.

Tien minuten later belde hij weer aan.
‘Ik wil nog een keer met je praten en ik wil dat je je mond houdt. Ik kan je niet tegenspreken, maar ik ben het niet met je eens. Jij praat als een slimme paling. Als je zo graag wilt discussiëren, moet je dat maar met jezelf doen, alleen wint er dan niemand en niemand luistert er echt.’
Daarna vertelde hij hetzelfde als de eerste keer. Weer moest hij telkens naar woorden zoeken, maar heel gehoorzaam viel ik hem nu niet in de rede. Het drong tot me door dat hij dichtbij me wilde komen, net iets verder dan de woorden waarmee je iemand handig kunt klem zetten.

Daarna ging hij weer weg. De spiegel die hij me wilde voorhouden, liet hij achter.

02 juni 2020

Burgemeester

Hij gaat weg en Utrecht treurt om zijn vertrek. Het is me niet gelukt de afgelopen jaren onvertogen woorden over Van Zanen te horen. Dat is een mooi resultaat voor een VVD’er die een groen links Utrecht aanvoert. Het lijkt me goed voor Den Haag, een stad die me om jeugdsentimentele redenen dierbaar is. Ze kunnen daar wel een Van Zanen gebruiken. Maar ik vind het jammer. Op de vrijdagochtend van 24 april sprak ik hem voor het eerst. Hij belde om 9.00 uur om te vertellen dat ik een lintje had gekregen. Zo’n man was het dus, brenger van goed nieuws, ik bedoel maar.
Het speet hem dat hij me niet kon opporren om meteen naar de Stadsschouwburg te komen, maar over een half jaar zou hij me graag ontmoeten om me alsnog de versierselen op te spelden. Daarmee komt, bij nader inzien, toch een verraderlijk liberaal tintje naar voren, want het is nog maar zeer de vraag of hij dat ooit zal doen. Dat valt me een beetje tegen.
Voor dat gesprek had ik hem al wel eens gezien, als hij de mensheid iets vertelde, hij droeg toen zijn ambtsketen.

Dat was niet het geval toen we vijf jaar geleden voor een stoplicht stonden, allebei op de fiets. Wat mij trof was dat er naast me een man stond met precies dezelfde fiets als ik, een statige zwarte herengazelle, Van Zanen.
Behalve een klein zadeltje voor op was er nog een heel groot verschil: achterop mijn fiets had ik met twee spinnen de zojuist gekochte magnetron vastgemaakt, maar de doos was wel erg groot en de spinnen waren nauwelijks toereikend. Het gevolg was dat bij het optrekken (we hebben het hier over een ouderwetse herenfiets) de magnetron naar achteren schoof. Hij zou op de grond gevallen zijn als achter mij niet iemand te hulp was geschoten, iemand die geen Nederlands sprak, iemand ook met een allesbehalve Nederlandstalig uiterlijk. En iemand met kleding waarvoor de slogan ‘C & A is toch voordeliger’ niet opging. De burgemeester was allang uit beeld verdwenen toen de man en ik de magnetron weer een beetje redelijk hadden vast gezet. De magnetron was voor mijn net verhuisde schoonouders. Ze zouden hem nooit gebruiken. Een paar maanden later heeft een van de kleinkinderen hem waarschijnlijk meegenomen.
Mijn getob is de burgervader ontgaan. Zonder dat getob, dus zonder magnetron, zouden we ongetwijfeld samen zijn opgefietst. Dan had ook hij gezien dat we dezelfde fiets bereden. We zouden aan de praat zijn geraakt en vorige maand zou hij niet gezegd hebben ‘ Dag meneer Borgdorff,’ maar ‘Zo jongen, heb ik jou mooi even tuk. Moet je luisteren…’
Zo was het niet en zo zal het ook nooit worden.

Politiek verslaggever Hans Goslinga sprak in Trouw van een gemiste kans. Het ging hem niet om Van Zanen, hij noemde hem niet eens, maar in Den Haag had men een vrouw moeten benoemen. Ik vond dat Goslinga een punt had. Ik verwacht dan ook dat de opvolger van Van Zanen in Utrecht een vrouw wordt.
Na de blamage van mevrouw Halsema is het misschien goed voor haar als ze een stapje terug doet en de baas wordt in een kleinere stad met mensen van haar kleur.
Ik zie daar overigens niet naar uit. Waarom heeft ze niet gezegd: ‘Geen gedoe op de Dam. Ik ga er heen. Met een groot bord. Alleen.’ Zoals de student op het plein van de Hemelse Vrede in 1989, of zoals Willem Alexander op 4 mei. Ideologie? Vooruit. Maar dan wel een beetje intelligent graag.

31 mei 2020

Mijn vader en ik

De predikant koos vanmorgen voor de lezing niet voor het bekende Pinksterverhaal waarmee het Bijbelboek Handelingen opent. Hij las in plaats daarvan het tweede deel van Johannes 14 voor. De inhoud leende zich uitstekend voor een Pinksterpreek. De dominee begint bij vers 22, bij 23 al werd ik afgeleid. ‘Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen.’
Dat kwam door dat ‘mijn vader en ik.’ Het ontbrak er nog maar aan dat er ‘ik en mijn vader’ stond. Plotseling veranderde Jezus van een volwassen vent in een jongetje dat vol trots vertelt over zijn vader, een vader zonder wie een kind geen kind kan zijn.
We kregen gisteren wat fotootjes toegestuurd van een huisje dat Sam had gebouwd voor de kinderen. In een ervan zaten de twee broertjes in de hut: die van zes en die van één. Het was vooral een tweede foto die me trof. Daarop alleen Klaas van zes. Hij zit op de grond bij de ingang van het hutje en hij kijkt enigszins verlegen, maar vooral blij in de camera. Het is duidelijk dat het jongetje erg gesteld is op de maker van die foto. Ik denk dat dat Sam was, de man die zojuist de laatste hand had gelegd aan het huisje. Dat is ook duidelijk: Klaas is blij met het huisje. Kinderen zijn vaak dol op kleine huisjes en hoekjes, dat heeft met een gevoel van veiligheid te maken. En als daar dan ook nog grote mensen bij in de buurt zijn van wie je houdt en die zo omstandig investeren in jouw welbevinden (door zo’n huisje te bouwen bijvoorbeeld) zit je helemaal goed.
Misschien kwam het door de toon van de predikant. Toen hij ‘mijn vader en ik’ zei, zag ik voor me hoe Jezus voor een huisje ging zitten en dankbaar opkeek naar die grote God, hamer nog in de hand, die dat voor hem gemaakt had. ‘Mijn vader en ik.’

De gedachte aan een hamer bracht me bij Jozef. Speelden ook de aardse familiebetrekkingen hem door het hoofd toen Jezus het zo ontwapenend had over ‘mijn vader en ik’? In het vervolg heeft hij het erover dat hij naar zijn vader gaat. Jozef of God? En wat stelt hij er zich bij voor?
Ik kan me er niet mee bezig houden. Ik moet opletten, want de preek begint, de pinksterpreek. Over de geest. Die stel ik me voor als confetti dat over de aarde dwarrelt, afkomstig uit een voor ons onzichtbare hemel.
Wie weet is daar een klein huisje gebouwd en zijn daar een vader en een zoon in gekropen. Ze zijn er eigenlijk te groot voor, maar je moet het kind in jezelf niet kwijt raken, niet als je Jezus bent en ook niet als je God bent. Echte vaders zijn namelijk kinderen.

30 mei 2020

De Binnenlandse Strijdkrachten

Na haar dood komt mijn moeder in verschillende gedaanten regelmatig bij me langs. Ze is niet langer het verschrompelde vogeltje dat ik van haar bed naar de wc-stoel daarnaast droeg, of van haar badkamertje naar haar bed, want als het even kon scharrelde ze zelf tot in de laatste nacht van haar nog enigszins bewuste leven naar de badkamer. Daar hielpen geen luiers of signaalpaaltjes aan. En als je ook maar even weg was, trof je haar achter haar rollator of op de wc. Het was onbegrijpelijk. Dan hielp ik haar verder en droeg haar terug. De rugpijn die ik er aan overhield was een kleine bron van vreugde in die tijd.
Maar goed, zo kom ik haar nu niet meer tegen. De afgelopen weken is ze regelmatig schamperend langsgekomen. Zo kennen de meeste mensen haar niet. Ze was een hartelijke vrouw bij wie tot op het laatste ogenblik de mensen graag op bezoek kwamen.

Maar mopperen kon ze ook. Nooit lang, maar wel duidelijk. En de laatste tijd kwam ze dus een paar keer langs om commentaar te leveren op de mensen van de Binnenlandse Strijdkrachten, met name op die jonge gasten van haar leeftijd of iets jonger. Zijzelf was zesentwintig toen de Duitsers capituleerden, getrouwd en moeder van mijn twee zussen, toen respectievelijk twee jaar en twee maanden.
Die BS-jongens waren voor een groot deel knullen die zich tot een paar maanden voor het einde van de oorlog gedeisd hadden gehouden. Maar toen duidelijk werd dat de bevrijding nog maar een kwestie van tijd was, meldden ze zich aan om een beetje mooi weer te spelen en stoer te doen. ‘Het is hetzelfde soort jongens dat nu met Oud en Nieuw van die grote vuurstapels maken, met autobanden, en dan, als iedereen het ziet, een oude auto het vuur in rijden en er dan gauw uit springen.’ Uitslovers, mooi weermannetjes. Ze plukten hier en daar met bombarie NSB’ers tevoorschijn om ze de handen in hun nek te laten leggen terwijl zij ze onder schot hielden.
En na de bevrijding kwamen ze met glunderende gezichten in hun blauwe overall met een oranje band om hun mouw de kerk in. ‘Kijk ons eens! Voor koninging en vaderland! Nou, het stelde in de meeste gevallen niks voor.’
Sommigen groeiden er overheen. Ze waren jong en genoten van het moment, en dat was het. ‘Anderen hadden echt iets meegemaakt. Die waren er natuurlijk ook. Maar weer anderen stonden jaar en dag vooraan bij herdenkingen, jongens die eigenlijk alleen maar in de weg hadden gelopen. Meelopers die het tij mee hadden.’
Welke jongens mijn moeder bedoelde? Ze heeft nooit namen genoemd.
‘Maar goed, laten we het er maar niet over hebben,’ zei ze meestal en dat was het dan.
Vreemd dat ze er deze weken, al een paar jaar na haar dood, nu al drie keer op is teruggekomen.

Vandaag bij Aat langs gefietst. Hij had de koffie en het appelgebak al klaarstaan. Ik vertel hem van het gemopper van mijn moeder.
‘Ze had helemaal gelijk. Dat stelletje zelfingenomen knullen. Prutsers.’
Zou mijn moeder ’s nachts ook bij hem langskomen?

29 mei 2020

Sukke

Met dit mooie weer moesten natuurlijk wel de waterbanen in de tuin worden gelegd. Lucas van vier wist hoe ze gevuld moesten worden. We zagen meteen dat het handiger was om hem dat als Fokke te laten doen. Toen Marcus de blote billen van zijn broer zag, vond hij dat hij dan maar Sukke moest zijn. Of liever: dat vond hij niet. Hij vond alleen maar dat hij net als zijn grote broer geen broek en ook geen luier aan hoefde. Dat vonden wij ook, toen we zagen hoe hij met het water omging. Even later waren Fokke en Sukke druk in de weer met ieder een eigen waterbaan, waarin naast water ook zand moest.
Toen Sukke - nog maar een maand en dan is hij twee - even bij oma op schoot klom om bij te tanken, werd die schoot warm. Zij verdween van het toneel om boven een droge broek aan te trekken. Sukke verdiepte zich even in de zandbank en even later stapte hij de kamer in om met wat Duplo te spelen. Bah, zei hij toen hij opstond en weer naar buiten waggelde. Er lag een plasje op het parket. Ik werkte het keurig weg. Fokke had intussen zijn oma gecharterd om even op zolder te spelen. Ik wees Sukke op het schaaltje waarin nog wat appelpartjes lagen. Die stonden hem wel aan. Hij zette het bakje op de bank, klom er zelf naast en vervolgens kregen de partjes al zijn aandacht. Ik ontdekte een plasje bij het aanrecht en pakte een doek.
Bah, zei Sukke, waaruit ik begreep dat hij zag waar ik naar keek en dat hij mij duidelijk wilde maken dat het weer om een plasje van hem ging. Niet dat hem dat verder iets interesseerde.
‘Aardbei,’ zei hij. En dat bedoelde hij ook. De appelpartjes waren op en ze hadden goed gesmaakt, maar aardbeien vindt hij nog veel lekkerder. Maar die waren al op. Dat vertelde ik hem.
Dan had hij in de kamer niets meer te zoeken, vond hij. Hij liet zich van de bank glijden en ging de tuin weer in.
Toen ik het lege schaaltje van de bank pakte zag ik een ovale natte vlek. Die jongen kon er wat van. En blijkbaar had hij bij zijn vorige bah niet de plas in de keuken bedoeld, maar de plas die hij op dat moment op de bank zat te doen.
De bank is een gevoelig ding. Er was haast bij geboden. Dus ik draafde een paar keer van keuken naar kamer. Maar ik zag wel dat hij af en toe met een zandvormpje van buiten naar binnen kwam met water erin. In de keuken draaide hij een vormpje dan om, niet eens om het water eruit te laten vallen, leek het , maar meer om te zien wat voor vormpje het was, een zeester, of een fietser op een fiets bijvoorbeeld, of een vis.
En plotseling wist ik niet meer wat ik nu eigenlijk allemaal aan het opvegen was. Ik had ook niet de behoefte om daar achter te komen. Wel besloot ik om Sukke maar weer een luier om te doen. Daar was het jongetje het helemaal mee eens. Hij bleef rustig liggen tot hij hem om had.
Vijf minuten later begreep ik waarom. Wildplassen is geen probleem voor een vent van bijna twee, poepen is wat anders. Na de tweede luier ging ik even op de bank zitten.
‘Jij vermaakt je wel,’ zei Mente, toen zij weer beneden kwam.

28 mei 2020

Een achterneef van Ipenburg?

Op Twitter kom ik een filmfragmentje tegen waarin Simon Carmiggelt indirect commentaar geeft op de opmerkingen die Freek Jansen van het Forum voor Democratie maakt tijdens een optreden voor een hem goed gezind gehoor.
Freek Jansen wijst naar de zijkant van zijn podium. Daarachter, buiten het gebouw, waarschijnlijk zelfs aan de overkant van de straat, is het kantoor van de Volkskrant, spreekbuis van de tegenpartij. Hij weet zeker dat daar op dit moment een fotograaf zit met grote belangstelling voor wat er op de bijeenkomst gebeurt, de mensen ‘die ons fascisten noemen, nazi’s. Hij gebruikt het woord ‘paparazzi.’ Dan schakelen we naar Simon Carmiggelt die in een gesprek terugblikt op wat hij als journalist in de jaren dertig meemaakte bij de socialistische krant Vooruit, de Haagse versie van Het Volk. Hij vertelt dan dat zijn collega’s en hij indertijd veel belangstelling hadden voor fascistische tendensen die de kop op staken en daarin een gevaar zagen.
Vervolgens zet hij een spreker uit die tijd neer: ‘En dan priemde die zo met zijn vinger naar de perstafel.’ Het blijkt een staaltje van good practice te zijn dat Freek Jansen onmiddellijk opvolgt. Let wel: dat doet Freek in het heden; Carmiggelt vertelt zijn verhaal in 1978 en hij heeft het over de jaren dertig.
‘Laat de verslaggever van dat leugenblad De Vooruit nou maar eens opschrijven, als die durft…’ Hier stopt het fragment met Carmiggelt en schakelen we moeiteloos naar de zaal waarin Freek Jansen luid wordt toegejuicht omdat hij handen en voeten heeft weten te geven aan een vijandsbeeld waarvan ik niet kan begrijpen waarom het kan bestaan.

In een blaadje over de streekhistorie van het Westland las ik gisteren over Ipenburg, in het laatste oorlogsjaar burgemeester van ’s-Gravenzande en Monster, een overtuigd NSB’er die tot het eind toe voor het gemeentepersoneel redevoeringen afstak om aan te tonen dat door het verlies van Duitsland het Bolsjewisme zou winnen. Ze zouden hem misschien een rare vent vinden, meende hij, maar later zouden ze zeggen dat hij toch gelijk had.
Die man was dus echt overtuigd van zijn eigen gelijk en even nam me dat voor hem in. Even, zeg ik, want hoe blind ben je voor de realiteit van een hongerwinter als je dit nog durft te zegen.

Twee jaar geleden stond in een theatervoorstelling het verleden van enkele Westlandse NSB’ers centraal, ook de NSB-burgemeester Ipenburg wordt erin ondervraagd. Op internet lees ik hoe hij daar wordt gekwalificeerd: ‘Een ideologisch fanatiekeling, een opportunist, een avonturier, iemand die door zijn lidmaatschap uit de armoede kon ontsnappen: elke NSB'er heeft een reden om lid te worden, die afwijkt van de ander.

Hoe zou dat nou zitten bij die Freek Jansen, voorzitter van het Forum? De man die onder andere dit zegt: “We mogen nooit toegeven aan de twijfel die ons allemaal van tijd tot tijd bekruipt want om die volgende verdieping van de toren te bouwen hebben we doorzettingskracht nodig, discipline, overwinningsdrang, ja zelfs overheersingsdrang.” Ik staar wat langer naar die laatste woorden.

Waar komt die Freek Jansen vandaag? vraag ik met af. Ik hoef niet lang te zoeken om weinig verkwikkelijks op het spoor te komen van iemand die tot voor kort werkzaam was voor, het zal toch niet waar wezen!, de gemeente Westland.

Ik vat zijn boodschap even samen: ik heb in het verleden niet altijd gedeugd. Beschouw dat als een grap. Ik ben overtuigd van mijn gelijk en ben bereid alles en iedereen ondergeschikt te maken aan mijn opvattingen.
Zou het een achterneefje zijn van kameraad Ipenburg?

27 mei 2020

Rolpaal

Het buurtschap bij Honselersdijk heet de Rolpaal omdat zo’n ding er ooit gestaan moet hebben. Huize Honselaersdijk werd gebouwd in opdracht van Frederik Hendrik, al had zijn vrouw Amalia van Solms er waarschijnlijk meer bemoeienis mee. Dit buitenverblijf lag minstens tien kilometer van het centrum van Den Haag waar de prins regelmatig diende te verkeren en daarom werd er een lange rechte weg en dito vaart aangelegd van Honselersdijk, via Poeldijk naar Den Haag. De weg ging sneller, in ieder geval in de zomer, de vaart was rianter en in tijden van regen een enorme uitkomst. Dan kon je met de trekschuit reizen. Zowel water als weg werden ook belangrijke manieren om groente en fruit in de stad te slijten. Het kan niet anders of bij de Rolpaal heeft zo’n ding gestaan.

Langs de Vecht, negentig kilometer verderop, staat er echt een. Die staat er pas een jaar of tien, maar hij staat op de plaats waar er in het verleden ook eentje heeft gestaan, ter hoogte van wat jaar en dag het gemeentehuis van Zuilen is geweest.
Vandaag ben ik er even afgestapt, bij de rolpaal, niet bij het gemeentehuis aan de overkant. Het kon amper toeval heten dat er iemand bij die rolpaal zat te vissen.

Op het bordje las ik deze tekst:
Wie kan de vinding van den Trekschuit ooit waarderen?
Men reist als zat men thuis, geen schokken, draaien, keren,
ontrust het lichaam, ’t zij men vaart bij dag of nacht,
men vindt al slapende zich op zijn plaats gebracht.


Het is een kwatrijn van Gysbert Tysens, die leefde van 1693 tot 1732, dus oud is hij niet geworden. Het bord legt verder uit hoe een trekschuit werd getrokken door een paard dat over het jaagpad liep en begeleid werd door een jager. We weten dat zo’n paard ook wel vervangen werd door de vrouw en kinderen van zo’n jager of dat de scheeps- of schuitenjager zelf de brede lus van de lijn om deed om een schuit te trekken. Hoe dan ook, er zijn allerlei redenen om bij het hierboven geschetste gerief wat vraagtekens te zetten.

Het bord bij de rolpaal langs de Vecht vertelt ook nog dat we de uitdrukking ‘zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet’ aan de trekschuit te danken hebben. Wél weet ik dat men voor de trekschuit speciaal kort geslagen touw gebruikte. Dat bezat meer veerkracht. Dat voorkwam schokken en een al te schichtige wijziging van koers, bijvoorbeeld als de lijn om de rolpaal ging.

Af en toe dwaal ik op mijn mobieltje en zoek ik naar voorgeslacht. Vorige week kwam ik een voorvader tegen die tweehonderd jaar Wie kan de vinding van den Trekschuit ooit waarderen?
Men reist als zat men thuis, geen schokken, draaien, keren,
ontrust het lichaam, ’t zij men vaart bij dag of nacht.
Men vindt al slapende zich op zijn plaats gebracht.
(Gysbert Tysens, 1728) geleden als jager door het leven ging, in de omgeving van Leiden. Jager? Een tweede bron gaf zekerheid: het ging om een schuitenjager.
Sindsdien heeft de rolpaal wat meer mijn belangstelling, maar ook maak ik me zorgen over de rol die de vrouw en kinderen hadden als deze voorvader zijn beroep uitoefende.

26 mei 2020

Afname

Het is lang geleden dat er zo lang geen bloed bij me werd geprikt; gisteren mocht ik weer. Begrijp me niet verkeerd ik ben niet edelmoedig genoeg om naar de bloedbank te gaan en doneer alleen bloed om mezelf ter wille te zijn. In dit geval om mijn psa-waarden te meten. Eind december was de laatste keer en in maart mocht het niet meer. Ik moest het eind mei nog maar eens proberen.
Zo is het gegaan. De vertrouwde hal van het ziekenhuis gaf mij onbekende looprichtingen aan, want de bloedafname was verplaatst. Ik moest op een bankje gaan zitten tussen patiënten van karton, die stuk voor stuk bijzonder ondervoed waren en iedere gelaatsuitdrukking waren kwijt geraakt. Geen mensen om iets grappigs tegen te zeggen en ook niet om te vragen of er ergens een koffieapparaat stond. Voor koffie zou ook geen tijd geweest zijn, want de wachttijd was minimaal.
Ik probeer altijd het gezicht te onthouden van de persoon die mij prikt. Net eens zozeer om in de wit geüniformeerde dame ook de mens te ontdekken die daarin verborgen zit, maar, alweer eigenbelang, om met het oog op een volgende keer te onthouden aan welk gezicht ik een aangenaam prikvermogen kan koppelen. Het is me nooit gelukt.
Ik legde mijn zomerse arm, met ingebouwde korte mouw, op de daarvoor bestemde leuning. En kneep mijn vuist dicht.
De verpleegster vroeg naar mijn geboortedatum en raakte vervolgens blijkbaar van streek, want ze zweeg een tijdje en vroeg me vervolgens mijn vuist dicht te knijpen.
‘O,’ lachte ze vervolgens, ‘dat heeft u al gedaan.’
Ze prikte aangenaam. Ik kijk bij het prikken doorgaans een andere kant op. Hooguit werp ik wel eens een blik om het aantal buisjes te tellen dat gevuld moet worden. Dat deed ik nu niet. Het zou vandaag niets voorstellen.
Automatisch maakte mijn rechterhand al aanstalten om naar links te zweven om daar met een wijsvinger het plukje verband tegen het gaatje in de armholte te maken. Ik zag dat de verpleegster het verbandje bleef aandrukken. Toen ze het omhoog haalde, sprietste er een flinterdun straaltje bloed uit mijn arm. Daarom drukte ze het weer aan. Na een tijdje was het straaltje een belletje bloed dat langzaam uit mijn huid tevoorschijn welde. Een minuscuul bobbeltje bloed. En plotseling trok er een groot bevreemden door mijn lijf.
Mijn lichaam kent een aantal natuurlijke in- en uitgangen; daar hoef ik niet over uit te weiden. Maar waarom is er dan ook deze? Eentje die met een naald wordt gemaakt? Een mes of bijl had ook gekund, maar ik beperk me nu even tot de naald. Waarom was er geen luikje ingebouwd waardoor op bestelling een bepaalde hoeveelheid bloed naar buiten kon? Waarom moest deze handeling hoe minimaal ook een inbreuk op mijn lichaam zijn?
Ik drukte automatisch mijn wijsvinger naast die van de verpleegster, op het verbandje in de holte van mijn linkerarm.
‘Dat is wel goed,’ zei ze. Ik begreep uit haar opmerking dat het eigenlijk niet goed was, dat zij de instructie had gekregen om gedurende dit coronium niet de vinger van de patiënt in te schakelen. Maar dat het haar nu wel even goed uit kwam dat ik het deed omdat ik immers nog nabloedde, wat wel een heel groot woord is voor wat zich onder het plukje verband voltrok.
In de hal zaten de kartonnen patiënten nog steeds te wachten. Het had geen zin meer, wist ik. Pijltjes wezen mij de uitgang.

24 mei 2020

Hengel

Op mijn tiende verjaardag stapte ik de toekomst in en kreeg ik een fraaie fiets. Mijn elfde beschouw ik als een terugval waarvoor ik de schuld volledig bij mezelf moet zoeken. Het begon er al mee dat ik als cadeau een ridderpak vroeg en dat ook kreeg. Ook vroeg ik een hengel. Die kreeg ik ook.
Een vriendje van me was een paar jaar eerder naar Honselersdijk verhuisd, maar we waren elkaar blijven opzoeken. De oma van het vriendje woonde even buiten Honselersdijk, bij de Rolpaal. Vanuit haar huis zag je de Vaart tussen Honselersdijk en Poeldijk en aan die vaart zat af en toe een visser. Zo was Peter aan de hengel verslingerd geraakt. Het paste bij hem. Peter was een stille, vriendelijke jongen. Hij nam me een keer mee uit vissen. Dat was gezellig, want we gingen dan bij zijn oma langs en bij haar kon ik regelmatig naar de wc. Toiletbezoek was een geliefde bezigheid voor een jongetje zonder zitvlees.
Peter bleef de hele middag bij de vaart zitten, ik vergezelde hem, maar ging een keer of vier naar de wc. Peter ving niets en ik besloot een hengel voor mijn verjaardag te vragen.

De woensdagmiddag daarna fietste ik met mijn nieuwe hengel naar de Rolpaal. Om onze tijd goed te gebruiken hadden we bij zijn oma afgesproken, vanuit Monster scheelde mij dat ruim een kilometer. Mijn hengel zag er fraaier uit dan die van Peter. Aan de vaart deden we deeg om het haakje, al had Peter ook wel wat wormen bij zich. We gingen zitten en toen we eenmaal zaten, zaten we en begon het grote wachten.
Het duurde niet lang voor ik me meer op mijn blaas begon te concentreren dan op de dobber. Gelukkig voelde ik al snel genoeg net genoeg aandrang om even bij oma Kamp langs te kunnen gaan om te plassen. Zij gaf me snoepjes mee, eentje voor Peter en eentje voor mij. Dat deed ze de keer daarna ook.
Toen ik voor de derde keer naar buiten liep, stond Peter me toe te zwaaien. Hij had zojuist een baarsje gevangen. Niet met zijn eigen hengel, maar met de mijne. In de emmer naast hem zag ik het visje.
Dat ik er niet bij was toen de vis in mijn haakje beet, vond ik misschien nog wel heel even een beetje jammer, maar veel en veel groter was de opluchting dat ik het visje niet zelf van de haak had kunnen halen omdat ik toevallig even weg was. De eer van mijn hengel was daarmee gered. Het visje mocht van mij wel weer terug het water in.
Om half zes moest ik naar huis. Het leek me wel zo praktisch om de hengel achter te laten in het schuurtje van oma Kamp, dan hoefde ik die niet steeds op de fiets mee te nemen, en de Rolpaal was immers een ideale visplek. Dat was deze middag wel duidelijk geworden.

We hebben nooit meer samen gevist. De hengel is na maanden nog wel bij ons in de schuur terecht gekomen, maar hij is niet meer gebruikt. Daar was ook geen tijd voor, ik kreeg het steeds drukker met riddertje spelen, samen met een jongen van een paar huizen verder. Die was twee jaar jonger, dus logisch dat je daarmee spelletjes speelt waar je zelf misschien al iets te groot voor bent. Maar daar deed ik niet moeilijk over. Zo kinderachtig was ik niet.

23 mei 2020
Voor de germanist

Pioenrozen

Het verhaal over de Rolpaal moet maar even wachten, want pioenrozen hebben minder tijd. Ik geef even de stand door. Het boeketje dat de jongste twee weken geleden meebracht, is in schoonheid ten onder gegaan. Wat begon als een iel bosje bebladerde stelen met knopjes boven veranderde in een overdadige perzikkleurige pracht waarvoor we de televisie konden uitzetten. Eerst vanwege de groei die een bloei werd die alle aandacht voor zich opeiste en later aandacht vroeg vanwege het vallen van een eerste blad en hoe dat viel en daarna liggen bleef en daarna niets en dan een tweede blad en daarna niets, een derde en dan niets en niets en weer en dan een tijdlang niet en dan weer wel. Het waren enkele bloemen, waarvan de roze schelpen de weg af legden naar de grijsgroen geschilderde bovenkant van het kastje. Alles was en bleef in harmonie. Nu staat de vaas weer in zijn eentje alle honneurs waar te nemen.

We treuren daarom niet. Helemaal niet, want nog verrukkelijker zijn de pioenrozen in de achtertuin. Dubbele zijn het. Een maand geleden hebben we ze al geholpen door er op halve hoogte een ring omheen te leggen. Maar nu de knoppen tot uitbarsting komen, is Mente ook even met touwtjes bezig geweest. Want zoveel schoonheid van nu al tien bloemen, elk meer dan twee handen groot, zoveel schoonheid is zo kwetsbaar.

Mijn vroegere collega de germanist wist niet hoe snel hij bloeiende pioenrozen in zijn tuin moest afknippen, om ze in een vaas op tafel in veiligheid te brengen. Een meteorologische wet vertelde hem dat het heel hard gaat regenen en waaien zodra de pioenrozen in de tuin tot bloei komen. Omdat ik zijn voorbeeld nooit volgde, heb ik inderdaad regelmatig moeten wenen, niet eens zozeer om bloemen in de knop gebroken, maar wel om bloemen die in een keer al hun blad waren kwijt geraakt door een fikse slagregen. Alsof je met een boeket door de wasstraat voor auto’s was gelopen.
De germanist en ik zien elkaar al jaren niet meer; bij de pioenrozen denk ik aan hem. Weet je wat? Ik draag dit stukje aan hem op.

Met het oog op het weer heb ik zojuist wat foto’s gemaakt van het schone spektakel in onze achtertuin. Er staat een stevige wind, maar die zou mijn eerste zorg niet zijn. Het zijn de klaterende pijpenstelen die pioenrozen een voortijdige en abrupte dood bezorgen en zo’n regenbui komt er niet. Ik denk dat ik het voorbeeld van de germanist opnieuw niet hoef te volgen, al weet ik niet of hier nu inzicht of wens de vader is van de gedachte.

De pioenrozenstruik die jaarlijks in de voortuin tot uitbarsten komt, is veel ouder dan die in de achtertuin. Maar die staat nog maar amper in knop, daar hoef ik geen zorg over te hebben. Maar daar hebben de papavers dit jaar de smaak te pakken. Veel knop maar twee zijn er al uit in een uitbundig felrood. Zo groot als een muts. Mijn hoedmaat is 57. Dat halen die twee makkelijk. Hoe weerbestendig die zijn, weet ik niet, en ik geniet er met volle teugen van, maar dat is niet het angstige genieten dat ik ken van pioenrozen en dat die ze juist daarom zo dierbaar maakt.

Nee, ik zal sterk zijn; ik haal ze niet naar binnen, maar het verhaal over de Rolpaal stel ik wel voor ze uit. Zoiets zou ik voor de papavers niet gedaan hebben.

22 mei 2020

Weslans

De Rolpaal is een buurtschap tussen Naluk en De Poeluk, volgens Wikipedia. Zelf zou ik het een wat afgelegen wijkje bij Honselersdijk genoemd hebben, in de richting van Poeldijk. Een echte Westlander hoort het niet over Honselersdijk te hebben maar over de Honsol, al wordt er vaker Hongsullursdaik gezegd, maar hoewel mijn moeder een echte Westlandse was, kon ze er niet tegen als wij in de taal van de Glazen Stad spraken. Geen aanstongs, geen ‘wat zeedie, geen ‘bekant’, geen verkleinwoorden laten eindigen op –ie, dus geen fietsie of koppie en al helemaal geen stiekie als je een elastiekje bedoelde.
Op dat punt was ze heel alert en niet tolerant, tegenover ons als kinderen. Het lag ook niet heel erg voor de hand dat wij serieus ‘de vullisbak an de wegt zetten’. Ze gaf ons niet het voorbeeld en mijn vader was een immigrant. Hij kwam als veertienjarige in het Westland terecht en is de verbijstering over dat rare taaltje nooit te boven gekomen.
Naar buiten toe is dat nooit een punt geweest. Er waren vrienden, kennissen en natuurlijk klanten genoeg die het hadden over klauwen, spougen of een feessie. Ze zullen er nooit wat van gezegd hebben. Alleen aan tafel, onder elkaar. Dan werd het Westlands, ook van dierbaren die wij Ome en Tante noemden, belachelijk gemaakt. Door mijn vader weliswaar, maar mijn moeder genoot ervan.

Groot was de schok voor haar toen ze in een hotel in De Steeg kennis maakte met mensen die meteen vroegen of zij uit het Westland kwam. Dat konden ze namelijk aan haar horen. Mijn moeder lette wel op Westlandse woorden en die wist ze te vermijden, maar van de Westlandse zangerigheid had ze toch iets meegenomen. Ze was wel zo eerlijk om dat te vertellen en ze liet zich door de rest van het gezin uitlachen.

Toen Aat nog niet lang bij ons in de familie was en hij een oom opbelde, ook een Westlander, schalde opeens door de kamer: ‘Met Aai uit Naluk’, waarbij voor –uk drie tonen werden gebruikt. Zoals het hoort. Wij, de rest van het gezin, zaten aan tafel en sloegen proestend voorover. Het speet ons, behalve mijn vader, maar het gebeurde spontaan.

Zelf heb ik een keer een tomaat naar mijn kop gekregen. ‘Spreekt je moerstaal!’ riep Roos. We waren samen aan het tomaten plukken, balluh resuh. Zij was zeventien, ik veertien. De tomaat knalde vlak voor me tegen het touwtje waarmee tomatenplanten waren opgebonden en spatte uit elkaar. Ik zat helemaal onder. Waaruit blijkt dat ik ook toen al bereid was om mezelf op te offeren voor het Algemeen Beschaafd Nederlands.

En toch heeft het me moeite gekost om te leren een o als o uit te spreken en niet als ou. In plaats van koningin zei ik kounening. Op de Kromme Nieuwegracht heb ik dat nog lopen oefenen. Mente moest me vaak verbeteren. Ik hoorde het niet.

Ik had het willen hebben over een gebeurtenis bij de rolpaal. Dat is me niet gelukt.

21 mei 2020

Kielzog

Er moest nog een schuld worden ingelost. Dat was niet de reden om samen op de fiets te stappen, maar wel om voor een route te kiezen die vrij snel langs het boekenruilkastje zou voeren waaruit ik gisteren een onbedaarlijk meesterwerk had geplukt. Ik zette er drie voor in de plaats, niet uit goedheid, maar omdat het zo lekker opruimt.
Het was levendig bij Westbroek, Tienhoven, Achttienhoven en Hollandsche Rading. Daarom reden we vaak achter elkaar. Aanvankelijk ik achter Mente en later omgekeerd. Dat was een algemeen patroon van fietsers die in koppels achter elkaar aan fietsten. Soms ging het om een gezin en dan had je kluitjes van drie of vier.
We zagen dergelijke taferelen gespiegeld in de lucht. Regelmatig steeg er een motorvliegtuigje op met aan een kabel achter zich een zweefvliegtuig. Ook in dit geval bepaalde de voorste wat de route van de achterste was. En ook zagen we iets vergelijkbaars in het water. Met eenden, ganzen en meerkoeten, maar onze aandacht ging vooral uit naar de luidruchtige dikke karpers. Ook hier was sprake van een voorste vis, maar dat was steevast dezelfde en wel een vrouwtje, maar in haar kielzog zwommen een paar andere karpers die tegen haar opbotsten. Soms doken ze wat dieper weg, maar soms leek het erop alsof ze de lucht in zouden gaan, zoals de vliegtuigjes hier en daar boven ons. Dit was het grote paaien.
Dat zag ik overigens niet terug bij de fietsers, niet het moedwillig tegen elkaar op botsen, maar ook niet het omkeren en dan dezelfde weg terug nemen, waarbij de eitjes die op de heenweg waren bevrucht vaak weer als voedsel dienden. Ook dat zagen we nergens terug. Wel waren er hier en daar mensen afgestapt en die maakten dan bijvoorbeeld zo’n vreselijk pakje sap open, maar iemand die eieren at, hebben wij niet gezien.
Er vlogen af en toe twee eenden achter elkaar aan. We zagen twee zwanen voor wie deze Hemelvaartsdag een aantrekkelijke gelegenheid was om samen een slootje om te gaan. Maar ook zagen we hoe een kievit voortdurend achter een ooievaar aan vloog, in boeiende duikvluchten probeerde dichterbij te komen en daarbij de indruk wekte om als een mannetjeskarper een vrouwtje aan te willen stoten.
Van de duiven die langs vlogen zonder zich bewust te zijn van de ooievaar en de kieviet hoog boven hen, weet ik al helemaal niet wat ze er toe bracht om daar te vliegen. Ik weet niet wat ze gingen doen en ook niet waarom ze achter elkaar vlogen. Maar zo vlogen ze wel.
Boven de ooievaar en de kieviet vlogen zwaar ronkende vliegtuigen, ze waren zojuist bij Hilversum opgestegen. Oude vliegtuigen leken het. Maar hoe oud ze ook waren, ze vlogen vrolijk de hoge lucht tegemoet. 'Hemelvaart,’ mompelde Mente. Maar ik denk dat ze voorbij de horizon, waar niemand het zag, eens even lekker hebben geboemsd.
In het riet hoorden we af en toe luide kikkergeluiden. Die hadden natuurlijk niet uitgekeken, waren zomaar achter elkaar de sloot in gefietst en daar lagen ze nu geschrokken op elkaar te spartelen.
De ooievaar had het nog te druk met die verliefde kieviet die hem achterna zat.
Een dag ook waarop hemel en aarde elkaar verliefd achterna vlogen, in cirkels waarvan je niet kon zien wie er achter wie aan ging.

20 mei 2020

Winkie

Bij het opstaan al werd ik opnieuw begroet door een wereld vol ongerechtigheid en vragen waarop ik geen afdoend antwoord wist en daarom stapte ik na het ontbijt en de krant op de fiets. Pas toen een rat vlak voor me de Vechtdijk overstak, kwam ik met mijn hoofd bij mijn fiets en de rest van mijn lijf. En bij die rat. Ik doe niet aan voortekens en daarom vroeg ik me af of het beest achteraf, aan het eind van deze dag niet toch een teken ergens van zou zijn geweest.
Nu was het alleen nog maar de rat en ik zag hoe hij sierlijk in zonlicht dat hem welgezind was van de ene kant naar de andere kant trippelde, om te verdwijnen in het tuintje bij een woonboot. ‘It’s not easy to be rat.’
Het weer was zeldzaam aangenaam en het groen en het blauw deden het weer zo goed dat ik besloot om een ruime ronde te rijden vandaag.
Dat kwam er niet van, want bij Tienhoven veranderde, net als een paar weken geleden, mijn fietsketting in een slang* die juist toen ik stilstond het laatste tandje van een tandrad losliet om dood op de weg te blijven liggen. Weliswaar kreeg ik de ketting weer waar hij wezen moest, maar de schakeltjes aan de uiteinden zagen er te ellendig uit om daar nog iets constructiefs mee te doen, ook niet met een tangetje dat ik ergens te leen vroeg.
Ik belde de fietsenmaker, zeven of acht kilometer verderop. De man die mij niet alleen een waardeloze nieuwe ketting bezorgde een paar weken terug, maar die ketting ook nog eens niet goed had gerepareerd. Tussen het heerlijke groen nam een man met rode fiets hoogst geïrriteerd afscheid van zijn fietsenmaker toen die via de telefoon vertelde dat hij echt niet kon komen, maar dat hij meteen wat aan mijn fiets zou doen, zodra ik kwam.
Ik belde een mobiele fietsenmaker die Tienhoven niet in zijn regio had zitten en die me verwees naar een fietsenmaker uit Maarssen die niet bestond. De natuur is mooi rond Tienhoven, vooral in deze tijd van het jaar. En dan ook nog dit weer! Dat hield ik mezelf voor.

Even later fietsten de schrijver en de cabaretier me tegemoet. De gang van hun dialoog kreeg ik ’s middags bij de thee te horen.
‘Hé, Len heeft net zo’n fiets als die man daar.’
‘Ik ken geen fiets van Len.’
‘Nou zeg, het ís Len. Ik herken hem!’
‘Het is je gegund, Koos, maar ik herken hem niet.’

Natuurlijk konden ze niets voor me doen. Ze fietsten teleurgesteld verder. Had ik dat ook nog op mijn geweten.

In een boekenruilkastje zag ik Winkie en zijn Woudvriendjes. Thuis had ik al ‘Winkie en Robijntje Roodborst’ staan, een boekje uit dezelfde serie, veel ouder, maar toch beter verzorgd dan dit exemplaar, dat ik toch maar meenam. Zestig jaar geleden mocht ik in een winkel in Voorthuizen een boekje uitzoeken, omdat ik zo zielig was geweest (vinger tussen autoklep)**. Ik koos ‘Winkie en Robijntje Roodborst’. Mijn moeder keek me meewarig aan, want hoe kon een vent van acht zo’n kinderachtig, poezelig boekje kiezen. Maar ze dacht aan mijn vinger, vroeg alleen maar of ik het echt wilde en vervolgens zweeg ze.
Bij het kastje keek ik nog even om me heen. Mijn moeder was er niet. Ik stak het boekje bij me. De lucht was al helder, nu werd het ook weer wat lichter in mijn hartje.

‘Sorry,’ zei de fietsenmaker toen ik binnenkwam. Dat deed me goed.
Morgen zet ik twee andere boekjes in het boekenruilkastje, zodra ik ‘Winkie en zijn woudvriendjes’ uit heb.

* Och Heden 20200501.

** Op 29 juni 2019 vertelde ik het verhaal van de vinger. Ook daarin komen Winkie en de bedenkelijk ogende moeder voor.

19 mei 2020

Ctrl-a-del

Als ik met mijn linkerduim de ctrl-knop indruk die links onderaan het toetsenbord van deze computer zit en gelijktijdig met de wijsvinger van die hand de A indruk en dan met mijn rechterwijsvinger de del-toets een tikje geef, is alles wat ik heb geschreven weg.
Het is een vorm van genade.

Meende ik een half uur geleden nog maar van mijn hart geen moordkuil te moeten maken en sloeg ik daarom met 269 aanslagen per minuut 532 woorden op het scherm die gezamenlijk een tekst vormden waarin een deel van de mensheid tot de grond toe werd afgebrand, na het indrukken van de drie genoemde toetsen was de woede bekoeld en stond een smetteloos scherm open voor de tranen die lettersgewijs een treurlied zouden vormen. En zo is het gegaan. Het aantal woorden dat nu op scherm gekomen was, verried niet hoeveel langzamer zij hun plaats op het scherm vonden dan de eerste tekst. Maar achter elke letter school een traan.

Toen ik ook die tekst met drie vingers had veroordeeld tot niet bestaan omdat van mijn tranen net als van mijn woede niets meer over was, begon ik aan deze tekst.

Ook deze tekst

17 mei 2020

Kloostermop

Het woord kloostermop viel gisteren en eergisteren. Daarom ben ik even naar de schuur gelopen om daar de afmeting van een echte kloostermop te noteren. 31 x 15 x 8. Ik denk niet dat ik een ouder door mensen vervaardigd product in huis heb dan deze baksteen. Ook al ligt hij dus in de schuur.
Letterlijk genomen is het geen kloostermop omdat hij niet in een klooster of ander godshuis maar in een kasteelmuur zal hebben gezeten en zelfs dat van die muur weet ik niet helemaal zeker.

Ik trof hem aan in 1971 in het Kuinderbos, om precies te zijn in een geul daar die om een verdwenen slot lag, maar waaraan tot in de eerste helft van de zestiende eeuw is gebouwd, eeuwenlang. Niet voortdurend natuurlijk, maar wel regelmatig. Kasteel Kuinre had een strategische ligging, dus was het militair gezien interessant. In ‘De Roos van Dekama’ van Jacob van Lennep komt de slag bij Kuinre voor bijvoorbeeld. De heren van Kuinre hielden wel van vechten, maar ook van valsemunterij en van piraterij.
Van dat kasteel was vijftig jaar geleden niets meer over. Er was alleen een teletubbyheuvel met een droge geul erom heen. Onder de heuvel waren de fundamenten van het kasteel weggewerkt. Omdat de gracht droog lag kon je hier en daar een oude baksteen zien liggen. Ik zie op internet dat de heuvel nu wat meer laat zien van de historie daar, maar zo was het toen nog niet.

Een steen trok mijn aandacht. Daar stonden de vingers in van een hand. Het gebeurde wel, het gebeurt nog steeds, dat blokken klei die nog gebakken moeten worden een tijdlang op het land liggen. Dan wil er wel eens een schaap of geit overheen lopen. Die sporen zie je later terug. Maar een mensenhand is iets anders. Iemand heeft dus, laten we zeggen rond 1500, een nog niet uitgeharde bonk klei gepakt en die… Ja, wat heeft ie? Heeft hij de steen gepakt om hem op een rooster in een oven te leggen? Als dit een methode is, dan zou je dit soort stenen vaker tegenkomen. Ik weet het niet. Maar de vijf vingers van een rechterhand staan er duidelijk in. De bovenste vingerkootjes zijn indertijd helemaal in de steen verdwenen. En het lijkt er op dat hij is opgepakt.
Aanvankelijk dacht ik dat het om een kinderhand ging, maar hier is duidelijk sprake van een volwassen hand die resoluut in de nog stevige kleiklomp is geslagen om die op te tillen.
Even droomde ik dat er een wonder zou gebeuren als ik, zoveel honderd jaren later mijn vingers in de gaten zou steken. Dat het slot weer uit de slome heuvel zou oprijzen bijvoorbeeld. Of dat de man die ooit bezig was met deze steen weer tevoorschijn zou komen. Om een huis voor me te bouwen misschien, of gewoon voor een gesprek.
Dat is allemaal niet gebeurd. Wel heb ik de steen meegenomen en hij ligt nu dus in de schuur. Ik doe hem niet weg. Zojuist bij het meten stak ik nog even mijn vingers in de steen, als een touch ID. Hij doet het niet. Het kan zijn dat na zoveel eeuwen de accu van de steen leeg is. Of ik ben niet de ridder voor wie de steen zich wil ontsluiten.

16 mei 2020

Wij lezen een kloostermop

De kloostermop die ik aan het lezen ben is dus ´Het lot van de familie Meijer’. Een boek waarin vijf generaties van een joodse familie tot leven worden gebracht, in de periode van 1871 tot 1945. Ik ben erg onder de indruk van de manier waarop Charles Lewinsky zijn pen weet te gebruiken. Hij zet een verhaal neer vol verrassingen, hij heeft een scherp oog voor details, is goed ingevoerd om zijn verhaal van veel couleur locale te voorzien. Hij deinst niet terug voor verschrikkingen, maar weet juist dan gebruik te maken van veelzeggend beeld, zoals een gevluchte Galicische jood met een halve baard omdat een Russische soldaat het leuk vond om zijn aansteker uit te proberen. Of hij benoemt de verschrikkingen kort. Bij Multatuli las ik ooit dat vooral slechte schrijvers lang in verschrikkingen blijven hangen. Toen ik dat las was ik jong genoeg om deze opmerking van Multatuli tot norm te verheffen.
Vanochtend schoot ik in de lach: de brave Arthur Meijer, op dat moment een dertiger ziet gelaten zijn toekomst voor zich.
‘… hij zou gewoon de argeloze, ietwat eigenaardige oom Arthur zijn en op een gegeven moment zo oud worden als hij zich altijd al had gevoeld.
Niets dramatisch.
Met een plotselinge beweging slingerde hij zijn hoed in het water. Een lichte plons, toen was het water weer stil.’
Ik zag het niet aankomen en even later is het ook niet meer gebeurd.

Er is veel waarmee Lewinsky lezers ook weet te ontroeren en er schuurt van alles. De verteller beschrijft een joodse familie met hun deugden en ondeugden en angsten en dromen. Niet joden spelen een volstrekt secundaire rol in de roman en ze zijn doorgaans niet aardig. Dat kun je eenzijdig noemen, ik krijg het gevoel dat gojim door de bank genomen helemaal niet aardig zijn geweest, niet tegenover joden. In dit boek niet, maar ook niet in de non-fictieve werkelijkheid. Het boek is geen aanklacht of zo, maar het geeft me een ongemakkelijk gevoel. Hetzelfde ongemakkelijke gevoel dat ik kreeg toen Arnon Grunberg op 4 mei in de Nieuwe Kerk sprak. Ongemakkelijk dus, omdat het waar is, weer een ‘inconvenient truth.’ Daarvan hebben we er een paar die zeer diep zitten momenteel.

Soms ook is de pen van Lewinsky me te virtuoos en wordt het een spel. En mensen mogen honderden bladzijden mee kunnen, ze blijven af en toe toch iets te schetsmatig, te karikaturaal ook.

Over een maand wordt de Librisprijs uitgereikt en ik hoop maar dat die gaat naar ‘Zwarte Schuur’ van Oek de Jong. Aan hem moet ik af en toe denken bij dit boek omdat hij net als Lewinsky grote projecten aandurft. Hij doet daarbij wat ik bij Lewinsky ook zou willen tegenkomen: hij gaat onder de huid van zijn hoofdpersoon of hoofdpersonen zitten. Lewinsky kan veel leren van De Jong.
Omgekeerd ook. Bij De Jong wordt nooit gelachen. Het boek van Lewinsky had wat mij betreft wat minder grappig gemogen; daarvan had wat meer bij De Jong terecht mogen komen. Een vleugje.

Ik denk dat mijn volgende boek ook een vergeten boek gaat worden, vermoedelijk iets van Carry van Bruggen.

15 mei 2020

De kloostermop

Voor alle zekerheid heb ik er even een meetlint bij gehaald en daarom kan ik je vertellen dat ´Het lot van de familie Meijer´ de grootste roman is die er in mijn werkkamer staat. Let even op de beperkingen: ik heb het alleen over de werkkamer en daar alleen over de romankast. Met 5, 5 bij 15,5 bij 23,5 is het de kloostermop van de kast.
De volledige werken van Vondel in één band zijn nog groter en dikker, maar die zijn geen roman. De mooie editie van de Verzamelde gedichten van Slauerhoff heeft dezelfde afmetingen, maar die bundel staat ook al niet in de romankast. ‘De Wegen der vrijheid’ van Sartre en de combi ‘De Kapellekensbaan / Zomer te Ter Muren’ van Louis Paul Boon wel. Die zijn even dik als het boek van Lewinsky, maar kleiner. Daar komt bij dat de Lewinsky forser oogt omdat het een paperback is; alle andere boeken zijn gebonden. Er is maar één paperback in de kamer die nog dikker is: ‘Een seculiere tijd’ van Charles Taylor. Maar dat is een filosofisch werk, geen roman, het staat bovendien helemaal in een hoekje op een plank boven het raam. Daar valt het niet op. Dat is ook maar beter, want ik heb het boek nooit uitgelezen.
Bij Boon en Sartre gaat het om een verzameling van twee of drie boeken uit een romanreeks. ‘Het lot van de familie Meijer’ is één roman.
Ik had een hekel aan het boek. Aan het boek als ding. Te lomp. Ook de voorgeschiedenis beviel me niet. Het lag ooit in enorme stapels op tafels bij de grote boekhandels. Zo’n boek was het, een boek dat iedereen kocht in 2007 en de paar jaar daarna. Of dat niet erg vooringenomen klinkt? Zeker. Maar daar kwam dus bij dat het er zo lomp uitzag. Het voelt niet prettig om met zo’n blok op schoot te zitten. En dat het 650 bladzijden telt, zou juist een reden moeten zijn om dunner papier te gebruiken. Dat had makkelijk gekund. Het boek ‘Kwaadschiks’ van Van der Heijden telt twee keer zoveel bladzijden, maar is dunner en kleiner.

Je begrijpt dat ik niet alleen leef, anders zou dit boek niet in mijn boekenkast terechtgekomen zijn. Dat is overigens via een omweg gegaan. Toen het tijd werd om het ergens een plaats te geven, kon ik er niet toe komen om het op een plank te zetten. In plaats daarvan lag het een paar jaar in een doos met boeken die ik een leven elders gun. Bij een jaarlijkse opschoning van boekenkasten verdween het in de kringloopdoos. En daar heb ik het weer uitgehaald, juist omdat er door die opschoning wat ruimte op de planken was en er was intussen een tweede boek van Lewinsky in huis gekomen. Ook dat kende ik niet, maar het maakte duidelijk dat ik niet uitsluitend op mijn eigen kompas moest varen bij het schiften van boeken.
Intussen springt deze kolossale kloostermop al anderhalf jaar regelmatig op me af als ik de kamer in loop. De afgelopen dagen breng ik door in kwakkelende ontijd en dat leek me een goede gelegenheid om het boek toch maar eens te lezen. En dat bevalt me. Dat neemt niet weg dat het boek me op een stoel zwaar op de schoot druk en in bed zwaar op de maag. Ik begrijp niet hoe een boek dat zo is uitgegeven, ooit een succes heeft kunnen worden.
Het kan zijn dat de uitgave mede mogelijk is gemaakt door een bedrijf dat e-readers verkoopt. Wie weet.

14 mei 2020

Hier is de tijd

Het heeft niet met elkaar te maken, tenminste niet zolang ik me er niet mee bemoei, maar op het moment dat ik aan mijn horloge* denk, slaat de klok. Jaren heeft hij dat niet gedaan, maar hij doet het weer nadat hij een paar maanden geleden werd gerepareerd.* Daarvoor moest de klokkenman een cilinder en een tandrad aan elkaar solderen en de boel op zijn plaats zetten. Dat was het. Hij liet me zien wat hij had gedaan. Ik herkende de plek: daar was de boel al eens gerepareerd.
‘Dan is dat de vorige keer blijkbaar niet zo goed gedaan,’ probeerde ik de klokkenmaker te voeren, maar die reageerde onduidelijk, hoewel hij niets met de vorige reparatie te maken had gehad. Onze comtoise had intussen namelijk ook de vorige reparateur overleefd. Dat vertelde ik niet. Wel was ik ingenomen met de reactie van de kersverse klokkenman. Ik raak niet erg verrukt van mensen die de werkzaamheden van een eerdere vakgenoot afbranden, doorgaans ter meerdere glorie van zichzelf. Daar deed deze man dus niet aan mee.

De vorige alinea kan weg, want het gaat nu om mijn horloge. Dat is een zakhorloge waarvan het kettinkje om een broeklus wordt geklemd. Een wisseling van broek gaat gepaard met een schone zakdoek en het overhevelen van een doosje pottertjes en dat horloge. Dat gebeurt automatisch, wat betekent dat een zakdoek niet wordt gemist als die er niet is, zodat er ook geen schone in de nieuwe broek komt. En nu is het me dus overkomen dat het horloge maanden in een vergeten broek is blijven zitten zonder dat ik het miste. Met andere woorden: al lange tijd leven wij in ontijd. Anders gezegd: al maanden vertikt het horloge braaf zijn tijd, seconde na seconde, en ik ben daar niet bij!
De afgelopen tijd dwaal ik rond in ontijd en niemandsland. Ik zit op of in een stoel, lees wat van dit of schrijf wat over dat en nu opeens, na maanden, zoek ik mijn horloge en mis ik de tijd. Zou het een teken zijn? Zou de motor van het volle leven weer aanslaan, wordt het weer tijd dat ik bij elk moment een piketpaaltje sla, alweer iets om nooit te vergeten?

Pas bij de zesde broek vind ik het horloge. Even schrik ik, want het loopt achter, zestig minuten precies. Zomertijd, begrijp ik even later. Dan heeft dat horloge een coronatijd lang…

And now it is time for something completely different! roep ik en resoluut haak ik het kettinkje aan mijn broek.



* Op 25 juni 2019 schreef ik over het horloge; op 24 februari over de klok.

13 mei 2020

Barometers

In de familie van Mente zijn weersomstandigheden meer een punt van aandacht dan in de mijne. Vooral de verwachting dat het wel eens kon gaan regenen, scoort hoog. ‘’k Geloof nooit dat we ’t droog houden,” zei ooit een oom. Die woorden, een tikkeltje nasaal uitgesproken, zingen, ook nu de oom er al lang niet meer is, nog steeds rond bij volgende generaties. Om de oom te gedenken, maar ze hadden het allemaal wel kunnen zeggen, in die familie, misschien minder nasaal.
Het is dan ook geen wonder dat de kinderen in 1977, toen mijn schoonouders dertig jaar getrouwd waren, een barometer cadeau kregen. Een solide ogend koperen gevalletje dat ongetwijfeld gekocht is in een winkel voor scheepsbenodigdheden te Lemmer.
Vier barometers voor de vier kinderen en hun partners. En omdat mijn schoonouders het zo’n leuk idee vonden, kochten ze er ook eentje voor zichzelf.

Dat laatste is achteraf gezien maar goed ook. Die van ons hing, een kleine dertig jaar in de gang. Regelmatig tikte er iemand tegen en dan zag je het wijzertje een beetje verspringen, van regen naar veranderlijk of van veranderlijk naar mooi. Of terug. De meter was met drie kleine schroefjes aan een stukje muur bij de trap bevestigd. Ik gebruik de verleden tijd omdat hij een paar jaar terug gevallen is en daarbij brak het dikke glas en de rand was verbogen. Het toestelletje bleek wat minder solide te zijn dan we ooit hadden gedacht. We hebben de barometer maar weggedaan. Niemand die hem mist.

Het gebeurde namelijk in de tijd dat mijn schoonouders verhuisden. In de gang beneden hangt daarom nog steeds een barometer, maar dat is dus de tweede, die van mijn schoonouders. Ik heb er even tegenaan getikt. Het weer lijkt wat beter te worden.

Op mijn kamer hangt er trouwens ook eentje. Die is niet van mijn weergevoelige schoonfamilie, maar van mijn misschien nog wel weergevoeliger opa Van der Kruk. Als je tijdens de mededelingen voor land- en tuinbouw, zoals de radio die al in de jaren dertig tussen de middag uitzond, als kind ook maar een kik gaf, had je meteen een draai om je oren te pakken, volgens mijn moeder. Of mijn opa zijn kinderen sloeg? Ik denk het niet, want ze haalden het niet in hun hoofd ook maar iets te zeggen tijdens de weerberichten.
Verder hing opa aan elkaar van meteorologische spreuken. Hij hoefde maar even naar de lucht te kijken en er kwam er weer een. Alweer volgens mijn moeder.

In de jaren negentig ontruimden een neef en ik het huis van een kinderloze oom. Ik nam een barometer mee naar huis. Toen mijn moeder op bezoek kwam en ik hem haar liet zien, herkende ze die onmiddellijk als de barometer van opa. Ze schrok ervan dat ik dat ding zomaar in mijn handen hield. Niemand mocht van opa aan de klok komen, maar ook niet aan de barometer. Alleen opa zelf. Hij beperkte zich tot twee nageltikjes per dag.

Mijn belangstelling voor het weer steekt uitermate schraal af bij die van Mentes familie, maar misschien wel meer bij die van opa. Als ik de barometer raadpleeg, is dat meer om zijn nagedachtenis recht te doen. Ik doe dat met twee korte tikjes met de nagel van mijn rechterwijsvinger. Precies zoals opa dat gedaan zal hebben. Ik denk dat die manier van tikken erfelijk bepaald is.

12 mei 2020

Geen dag

Gisteren schreef ik geen stukje omdat ik al twee andere stukjes had geschreven. Vandaag schrijf ik niet omdat het geen dag is. Hij doet het niet, vandaag. Ik zat op de bank, stond op om een oud cassettebandje op te zetten, een vergeten compilatie van dertig jaar geleden. Hij is al uren geleden afgelopen. Als ik straks klaar ben met het stukje dat ik nu niet zit te schrijven, zal ik het apparaat wel uitzetten.

Het laatste wat ik wil is mensen lastig vallen met het feit dat deze dag het niet doet, niet voor mij. Iets met de startmotor. Hopelijk interesseert het ook niemand. Ik moet er niet aan denken dat iemand zich zorgen over mij gaat maken en me misschien wel gaat bellen of zo. Er is al gebeld. Dat hoeft al niet meer. Of dat mensen mijn leed onmiddellijk op zichzelf gaan betrekken en dan denken dat ik ook… Ik wil niet weten we ze denken en bovendien is het helemaal niet zo. Wat helemaal niet zo is. Of dat ze denken dat ik dat wel vaker zal hebben en dat ik daarom, om die verkeerde gedachte geen kans te geven, maar gauw vertel dat ik dat anders nooit heb, dat ik gisterenavond nog twee trappen afrolde vanwege de onbedaarlijke lachbui die me op zolder overviel. En dat ze dat dan niet geloven, terwijl wij weldegelijk twee trappen hebben.

Gebruikte ik zojuist het woord leed? Dat spijt me dan: dat is het verkeerde woord. Je kunt niet lijden aan wat er niet is als je er zelf ook niet bent. Het is alleen maar zo dat het me niet bevalt dat het vandaag geen gisteren is of morgen. Dat is alles, dus daar moet jij niet moeilijk over gaan zitten doen. Bemoei je er niet mee. Ik zit toch ook niet aan jouw kop te zeuren? Nou dan.
We kunnen het er maar het beste op houden dat deze dag het niet doet en dat er daarom niets over te zeggen valt, omdat er nu eenmaal niets is en dat ik daarom dit stukje niet schrijf.

Als dit wel een dag was geweest, dan zou het nu drie uur geslagen hebben. Dat is nog vroeg genoeg om vandaag van alles te laten gebeuren. Bijvoorbeeld een cadeautje krijgen dat ik graag wil hebben. Daar moet ik niet aan denken! Gelukkig komt de nieuwe cd van Bob Dylan pas over een maand uit, want stel je toch eens voor dat iemand op het idee zou komen om me daarmee te verrassen, op die tussen de maandag en woensdag weggevallen dag. Dat zou toch verschrikkelijk zijn, een cadeautje op een ondag als deze. Nee, doe dan een flutcadeautje, een detective bijvoorbeeld, die lees ik toch niet. En ook geen bloemen. Er zijn al bloemen.

Dus geen stukje. Ik heb al een boekje gelezen over fort Rijnauwen, dat is zo’n imposant militair bolwerk dat net zo zinloos is gebleken als het leven op deze dinsdag. Ik blader door een tijdschrift en zie een artikel over twee kraagsteentjes in het kerkje van Persingen. Dat lijkt me niet erg interessant en ik denk niet dat ik daar morgen nog aan zal terugdenken. Laat me dat dan maar eens gaan lezen.

Ja, heus, ik zal eerst die stereo nog uitzetten, als jij dan maar niet leest wat ik niet schrijf.

10 mei 2020

Oma Miny /eiland

De vijver in de Voorveldse Polder was nieuw voor me, voor veel andere grote mensen en kinderen niet, merkte ik toen Lucas en ik er aan kwamen. Lucas had al snel een natte broek, dus hij kon in zijn onderbroek verder. Hij vond het maar raar dat ik geen emmertje en schepje voor hem had meegenomen. Daarin had hij gelijk. Gelukkig raakte ik aan de praat met een oma die een kind van een half jaar voortduwde. Zij had brood bij zich, voor het kind, maar dat mocht Lucas wel aan de eendjes voeren: een moedereend en twee pijltjes. De moeder at alles op.

Daarna wilde hij wel weer naar oma toe. Via de nieuwbouwwijk op het voormalige Veemarktterrein fietsten we terug. Hij op het zadeltje voor me op de stang, de beste plek om een klein kind neer te zetten. Afgelopen winter leerde ik Lucas dat hij zonder wanten maar het best met zijn handjes de handvatten van het stuur kon vasthouden, dan legde ik daar mijn handen overheen en zo bleven die van hem warm.
Afgelopen donderdag was het warm, maar zijn handen moesten per se onder de mijne. Kinderen zijn gewoontedieren.

‘Waar zijn we? Hier ben ik nog nooit geweest.’ Dat klopte waarschijnlijk wel.’
‘In deze straat ben je nog nooit geweest, maar in een straat hierachter wel. Daar heeft oma Miny nog gewoond.’
‘O ja,’ zei hij. Maar er was helemaal geen ‘o ja’. Dat bleek ook wel na een korte stilte.
‘Wie was oma Miny ook al weer?’ Ik vertelde hem dat het de mama van oma Mente was en dat zij al twee jaar dood was en dat Lucas toen nog maar net twee was, maar dat hij toch vaak naar haar toe was gegaan, met oma, maar ook met zijn moeder.
‘Hier vlakblij was dat, in dat gebouw.’ Ik kon het toevallig net even aanwijzen.
Er viel opnieuw een stilte in het leventje dat tussen mijn armen op het zadeltje voor me zat. Deze duurde iets langer. Daarna vroeg hij of we nog even treinen konden gaan kijken. Dat deden we. Na de zevende vond ik het wel genoeg.

Gisteren haalden we Lucas op. Hij had een tekening gemaakt voor oma Mente.
‘Ik begrijp er helemaal niks van,’ zei de jongste. Zij is de moeder van Lucas.
‘Hij moest en zou gisteren een tekening maken van oma Miny en die was dan voor oma Mente.’ Die tekening was intussen klaar. Bovenaan stond ‘Oma Miny / eiland’ en onderaan ‘voor oma Mente van Lucas’. Dat had de jongste in opdracht van Lucas geschreven.
Lucas kwam erbij staan.
‘Kijk, dat is het gezicht van oma Miny en dat is haar buik en haar armen en benen. Zie je dat?’ We zagen het. ‘Maar toen ging ik verder tekenen en toen werd oma Miny ook opeens een eiland.’ Wij vonden dat natuurlijk ook mooi, maar gingen er niet verder op in.

Ik zou wel in het hoofd van dat jongetje hebben willen zitten, tijdens dat stille moment op de fiets, en later, toen hij een vel papier pakte en een viltstift en besloot om zijn overgrootmoeder te gaan tekenen.

Als je als oude vrouw na je dood een eiland wordt, dan bevind je je in een zo hoge staat van genade dat ik er maar beter over kan zwijgen. Wél wil ik nog iets kwijt over de kleuren van papier en stift. Dat waren roze en rood, kleuren die van de tekening een harmonieuze eenheid maakten.
De tekening is zojuist op de koelkast gehangen.

09 mei 2020

Vers boeket

Het lintje van de koning twee weken geleden ging gepaard met een tiental forse boeketten. Daarvan zijn dankzij voortdurende herschikking en regelmatig vers water na ruim twee weken mooi nog twee bosjes over. Aan het eind van de ochtend werd er een nieuw boeket bezorgd. Deze keer uit de onverwachte hoek van neven en nichten van Mente. Het zijn de kinderen van Oom Arend. De onderscheiding was ze veel later ter ore gekomen, maar hun reactie was snel.

Oom Arend en zijn broer, Mentes vader, zijn er natuurlijk niet meer, maar fietsend tussen een stoplicht en de Rode Brug, bedacht Mente dat zowel haar vader als haar oom het prachtig gevonden zouden hebben, dat ik een lintje had gekregen.
Als zij dit nog eens mee hadden kunnen maken.’ En ze vulde zichzelf aan met de mededeling dat ze in deze coronatijden vaak juist zei dat ze maar blij was dat haar ouders dit of dat niet meer hoefden mee te maken. Ze zouden het allemaal niet begrepen hebben en vooral haar vader zou zich voortdurend nerveus heen en weer lopend hebben afgevraagd waarom alles zo anders was dan normaal. Het viel me niet moeilijk om me daar een voorstelling van te maken.

‘En jouw moeder?’ vroeg Mente. Ik moest aan ‘Kaas’ denken. Als de hoofdpersoon van dat boek, Frans Laarmans, in de kaashandel gaat en bij de opzet daarvan momenten meemaakt die hem aanspreken, mompelt hij ‘als moeder dit had kunnen meemaken.’ Het loopt helemaal fout met de kaashandel en daarom verzucht Laarmans dat hij maar blij is dat zijn moeder dit niet heeft hoeven meemaken.
Op een of andere manier zijn en blijven ouders op bijzondere momenten een ijkpunt in je bestaan, misschien wel vooral als ze er niet meer zijn. In opmerkingen van mijn schoonvader kwam zijn vader regelmatig langs bijvoorbeeld.
Voorbij de Rode Brug bedenk ik dat mijn moeder in haar reacties veel terughoudender was dan mijn schoonouders. Maar ze zou wel trots op me zijn geweest.

Jaren geleden kreeg ze eens een tijdschrift van iemand met daarin een stukje over mij, met een fotootje met mijn kop erop. Het lag op een stapeltje papieren. Toen ik de kamer binnenkwam, zag ik het meteen liggen. Ik heb er niets van gezegd. Zij ook niet.
Een paar weken later lag het tijdschrift nog steeds boven op het stapeltje. Vanaf de foto keek ik mezelf aan. Ze liep achter een rollator, was zo krom als een hoepel maar er kon nog geen sprake van zijn dat ik koffie zou zetten. Dat deed ze zelf en daarom sjokte ze naar de keuken. Van zo’n moment heb ik gebruik gemaakt om het tijdschrift ergens halverwege de stapel te steken.
Een paar weken later lag het blad weer boven op het stapeltje. Het ritueel herhaalde zich en weer een week of wat later lag ik opnieuw bovenop. Ik denk dat ik er toen maar mee gestopt ben en anders de keer daarop.

Ik zou het haar wel gezegd hebben, van dat lintje, maar ik zou het niet hebben meegenomen, denk ik. Dat zou ook niet kunnen, want het moet me nog worden uitgereikt. En als het me was uitgereikt, dan nog had ik het niet meegenomen, want ze is er niet meer. We zullen het er maar niet over hebben.

08 mei 2020

De klap

Vorige week sloegen de jongste en ik een eindje voorbij de Nesciobrug linksaf, die ligt bij Amsterdam, om later via het Oosterpark op onze plaats van bestemming te komen. We waren op de fiets. Dat deze brug naar Nescio werd vernoemd, verbaast me niets. Hij heeft zijn leven lang in die omgeving rondgelopen. Als jongeman met zijn vrienden en na zijn pensionering ging hij er alleen op uit. Ik denk niet dat Nescio erg blij geweest zou zijn met de brug en nog minder met het Amsterdam-Rijnkanaal dat deze overspant. Iedere verandering in het landschap ervoer hij als een aantasting ervan en hier is wel heel veel veranderd. Misschien was men Nescio meer ter wille geweest door een lommerrijk laantje naar hem te noemen.

Mijn sympathie gaat uiteraard uit naar Nescio en zijn opvattingen, maar het is wel een heel mooie brug, die Nesciobrug. Het is ‘een gebogen hang-tuibrug en een van de langste fiets- en voetgangersbruggen van Nederland. De totale lengte van de brug is 780 meter.’ Ik citeer Wikipedia, waar ik ook lees dat de brug werd ontworpen door Jim Eyre die daarvoor in 2006 de Nationale Staalprijs kreeg.
Intussen blijkt dat de helling in combinatie met de lengte van de brug deze nogal gevaarlijk maakt: je kunt een behoorlijke snelheid ontwikkelen bij de afdaling en dan kan er wel eens iets fout gaan. Dat is ook al gebeurd.

Je zou denken dat men Nescio toch nog enigszins ter wille was door niet een brug voor snelverkeer naar hem te noemen zoals Martinus Nijhoff overkwam, maar een fiets- en loopbrug. Het is me een raadsel dat het bestaan van de Nesciobrug niet eerder dan afgelopen zaterdag tot me is gekomen. Ik moet er gauw nog eens heen en dan wil ik ook over die brug fietsen.

Maar dit had ik allemaal niet willen vertellen. Ik had het over mijn verbazing willen hebben dat die Nescio met zijn vergoddelijking van de natuur zijn leven lang in de stad is blijven wonen. Hij staat daarin niet alleen. De meeste schilders die plein air schilderden, en dan denk ik met name aan de Haagsche School, sjouwden hun schildersezel en -koffer met verf en penselen keer op keer moeizaam de stad uit om ergens langs een stoffige laan of bekroosde kreek te gaan schilderen en tegen de avond sjokten ze weer terug de stad in. Of ze dienden hun gemak door zich te beperken tot een schetsblok om met behulp daarvan in de stad hun molens, bruggetjes, de wilgen, de oevers en de weilanden te schilderen en dat onder fraai bewolkte luchten die in hun ateliers niet voorkwamen.

Ook toen keken mensen daar wel vreemd van op: al die natuurfreaks waren juist stadsjongens. Was dat niet raar? Die gedachte werd dan gepareerd met de opmerking dat je juist dan, als je uit de stad het weide land in komt gelopen, ‘een klap van de natuur kon krijgen’, meer dan wanneer je daarin woont en leeft.
Zo lust ik er nog wel een paar. Ik vind het eerlijk gezegd een beetje arrogant klinken en er zijn ook veel kunstenaars die weldegelijk in een landelijke omgeving zijn gaan wonen. Maar Nescio dus niet, de meeste schilders uit zijn tijd ook niet, de gebroeders Maris niet, Weissenbruch niet, Van Gogh niet.

Deze week heerlijk gefietst, cameraatje mee, notitieblokje… Naar Het Gooi gefietst, langs de Tienhovense Plassen, langs Soestduinen, een rondje Rhijnauwen, en altijd weer terug naar de stad.

07 mei 2020

Wij groeten de vlag

De vlag moet weer weg om 51 weken op zolder te staan. Dat spijt me en daarom staat hij nog naast de voordeur in de gang, het plekje van die ene week dat hij wél mag dienen.

Dinsdagochtend, 5 mei, om kwart voor acht (ik hoor even een stukje Beatles) stond ik met de vlag op het tuinpad. Er hingen al vijf vlaggen, dus ik was niet de eerste, maar daarvan hingen er nog twee halfstok van de dag ervoor. Met die twee zou het later nog goed komen.
Met mijn linkerhand hield ik de vlaggenstok vast, horizontaal en hoog genoeg om ervoor te zorgen dat het uitgerolde doek niet de grond zou raken. Met mijn rechter peuterde ik het doek los van de paal. Daaraan zitten drie haakjes en een oogje. Die maken het mogelijk om de vlag in twee standen te laten wapperen. Na het halfstok van gisteren mocht die weer op haakje 1 en 3, de vreugdehaakjes van de volle stand, zoals dat heet.
Haakje 1 bevindt zich aan de onderkant van de knop van de stok. Het zat er al toen ik die kocht. De drie andere heb ik er indertijd zelf in geschroefd. Het stukje koord aan de bovenzijde van het doek is in een oogje genaaid zodat je dat om het haakje kunt doen. Een eitje. Alleen daarom al kun je deze volle stand de vreugdestand noemen, want het bespaart de helft van het knoopgedoe op 4 mei. Aan de onderkant van de vlag bungelt een koordje dat je in een mastworp of paalsteek om de stok maar ook om het derde haakje moet knopen. Meestal eindig ik met de ‘steek van Len’ waarvan overigens veel variaties bestaan.
Je moet immers niet vergeten de paal horizontaal te houden en dat een meter boven de grond. Met je rechterhand en misschien wat gehandicapte ondersteuning van de linker vergt dat geduld, aandacht en vaardigheid. De vlag mag de grond niet raken, werd me ooit geleerd op de padvinderij, ‘omdat,’ zo werd gezegd, ‘dan de vlag verbrand moet worden.’ Ik heb dat altijd onzin gevonden, maakte ook nooit mee dat iemand om die reden een aansteker onder een vlag hield en ook kan ik een regel die in die richting wijst nergens vinden, maar zo zit het wel in mijn hoofd. Iedere keer dat de punt van het doek de grond raakt, ervaar ik dat als een nederlaag, als een ernstig falen.
Dit ongelukkige gerommel moet met enige waardigheid gebeuren, want we hebben het hier wel over onze driekleur, waarmee we op 4 mei uitdrukking geven aan het gemis en een dag later aan de vreugde van de vrijheid. Dat is nogal wat.

Ik had plezier in dat gerommel en gehannes bij mijn voordeur op de vroege ochtend van deze vijfde mei, dat zich liet vermenigvuldigen met het aantal vlaggen dat er die dag in Nederland zou komen te hangen.
Later op de dag zag ik dat er nog een heleboel vlaggen waren bijgekomen, en niet alleen in onze straat, veel meer dan anders. Tekens van vrijheid, tekens van het geklungel waarmee we onze vrijheid willen dienen.

Maar nu moet de vlag weer naar boven. Vooruit. Gegroet.

04 mei 2020

Herdenking in Tuindorp

Op een zaterdagmiddag in 2001 werd in de aula van de middelbare school aan de rand van Tuindorp een boek gepresenteerd over die wijk. Het was erg druk en daarom genoot ik buiten van de borrel achteraf. Meneer Veth kwam bij me staan, ook hij had het boek gekocht. We kenden elkaar, kwamen af en toe bij elkaar op bezoek.

‘Voor u zal er wel heel veel herkenbaars in staan.’ Meneer Veth is als tiener in het huis komen wonen dat hij vlak voor zijn dood bijna tachtig jaar later pas zou verlaten. Het huis kijkt uit over het plantsoen waar we jaarlijks, maar nu niet, als wijkgenoten de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog herdenken.
Hun huis was in de vroege jaren dertig een van de eersten van de wijk en dat betekende dat hij graag en veel bij de bouwputten in de omgeving speelde. Dat leverde onenigheid thuis op, want die putten waren soms erg diep uitgegraven hier in dit veengebied en dat kon gevaarlijk zijn. Ik veronderstelde dat hij zich wel bijzonder thuis moest voelen hier.

‘Dat zou je denken, maar dat is niet zo.’
Daarop volgde het verhaal dat volkomen nieuw voor me was. Hoe hij als jongen van een jaar of achttien werd opgepikt en als dwangarbeider mee moest naar Duitsland, de Arbeitseinsatz. Hij kwam bij Dresden terecht. Het leven daar was verschrikkelijk. Hij had heimwee, moest lange dagen werken, werd afgebeuld, afgesnauwd en kreeg slecht en weinig te eten. Het was er verschrikkelijk. En toen volgden er bombardementen en andere beschietingen die van Dresden een hoog oplaaiende hel maakten. Hij was wanhopig.

Toen hij na een paar jaar weer thuis kwam, voelde hij het als een verwijt dat hij niet ook de hongerwinter had meegemaakt, zoals de anderen, dat hij niet hun angsten had meegemaakt, dat hij een min of meer veilig onderkomen had gevonden, juist in het hol van de leeuw.
In een hel had hij geleefd en het interesseerde niemand, zijn familie niet, zijn buren niet, zijn vrienden niet. Natuurlijk was het allemaal tegen zijn zin gebeurd, maar in zekere zin was hij de vijand desondanks toch ook ter wille geweest.
Meneer Veth was moeizamer gaan praten en had intussen tranen in zijn ogen. Het boek over Tuindorp hield hij nog stevig vast.

‘Ik schaam me,’ zei hij. Ik begreep niet waarom.
‘Ik heet Ad, maar eigenlijk heet ik Adolf. Vertel het niet verder. Denk maar liever dat het Adriaan is, vertel niet dat ik Adolf heet… Maar zo heet ik wel. Ik ging als Tuindorpjongen weg en heette Adolf. Als Ad kwam ik terug met een verleden in Dresden waarvan niemand wilde weten.’
Hij was zachter gaan praten en was steeds dichter bij me komen staan.

Het is 4 mei. Als ik naar het Willem de Zwijgerplantsoen had gekund voor de herdenking, deze avond, zou ik dat natuurlijk weer gedaan hebben. Dan zou ik ook weer zo zijn gaan staan dat ik het huis kon zien waarin meneer Veth woonde. Zijn hele leven bijna. Maar niet in die laatste oorlogsjaren.

03 mei 2020

Kat en hond

Gisteravond kwam vriend Kees langs. Toen ik opendeed, schoot Pip van onder een auto tevoorschijn. Ze draaide om onze benen. Kees kwam liever niet binnen, maar in een gezamenlijke wandeling had hij wel zin. Ik trok mijn jas aan en stapte naar buiten.
Pip liep met ons mee, het eerste kruispunt voorbij en ook het tweede een paar honderd meter verderop. Ik begon me steeds verantwoordelijker te voelen voor dit katje van de buren. Aan het eind van de straat kwamen we Harmen tegen. Die had zijn hond uitgelaten, Boy, vier maanden oud, een labrador, even zwart als Pip.
Boy rukte Harmen bijna om, blafte en liet zich bijna kelen door de band om zijn hals. De van huis uit uitermate slanke Pip (het is een kat van een speciaal merk) kreeg een indrukwekkende dikke staart, schoot onder een auto, sprong er onder vandaan, trotseerde een plaatselijke kat, ongetwijfeld het blokhoofd onder de katten daar, die bezwaren had tegen haar aanwezigheid, draaide af en toe, met dikke staart en al om onze voeten. De blokkat was onder de indruk van drie mannen, een hond en een kat en liep na een tijdje weg in een poging dat zonder gezichtsverlies te doen. Pip negeerde het lokale hoofd en sloop langzaam naar Boy. Die blafte af en toe, er ging van alles rond in zijn brede kop, van al die interne prikkels kon hij geen chocola maken. Pip sloop onverdroten dichterbij. Boy, een kleine honderd keer groter dan Pip begon nerveus te slikken.
Toen de afstand niet meer was dan een vinger, werd het Boy te veel. Hij sprong getergd overeind. Hij schrok er zelf van. Hier was Pip niet op bedacht en ze schoot weg, maar ze hervond zichzelf al snel. Ze ging zitten om de hond op een afstand van tien meter op haar gemak te observeren.
Wij keken ernaar, Kees, Harmen en ik. Wij hadden het over wankelmoedig geloof, ijdele hoop, ratio en eindige liefde, over scherven die door onze ratio moeizaam bij elkaar gehouden werden. Of was al ons redeneren ook een scherf en hield juist de liefde de boel nog een beetje bij elkaar.
Ondertussen keken we naar de hond en de kat en we kregen alle drie de indruk dat die twee het uitstekend naar hun zin hadden, levend als kat en hond.

Kees en ik maakten weer aanstalten om verder te lopen. Vanwege Pip stelde ik voor om dezelfde weg terug te nemen, want ik wilde met die kat niet nog verder van huis. Ik moest er niet aan denken dat de buren morgen a4’tjes op lantaarnpalen moesten gaan plakken, met een 06-nummer en een foto van Pip.
Harmen liep verder. De hond kijkt nog een keer meewarig om naar de nieuwe vijand die hij zojuist in zijn hart gesloten had. Pip sprong overeind en liep weer als een hondje met ons mee.

02 mei 2020

Lang en recht

De jongste wil de makkelijkste en snelste weg van Utrecht naar Amsterdam, van haar huis naar haar werk. Een elektrische fiets wil ze ook wel eens uitproberen. Daarom leent ze die van haar moeder. Mij vraagt ze mee voor de gezelligheid. Het Amsterdam-Rijnkanaal is een lange, goeddeels rechte streep in de goede richting, die de tegenwind langdurig vrij spel geeft. Op de e-bike heeft de jongste daar minder last van dan haar vader die het van louter beenaandrijving moet hebben.
‘Saai is het wel,’ zegt ze, tien kilometer kanaal.

Vind ik dit saai? Het heeft een uur geleden nog hard geregend, maar de lucht is nu schoon en de weg droog. De lucht is strakblauw en spiegelt zich een paar tinten donkerder in het brede lint rechts van ons, waar vanwege de wind het water ruim doorschoten wordt door duizenden zilveren schichten. De bomen zijn van juichend groen en de bermen links en rechts staan vol in het oog springend koolzaad. De kleurverzadiging staat vandaag een paar tandjes hoger dan normaal. Saai?

In de gang thuis hangen vier foto’s die thematisch samenhangen. Ze worden regelmatig vervangen. Als ik straks naar Nieuw-Zeeland zou verhuizen, al zit dat er niet in, dan zou ik ongetwijfeld een keer een foto willen ophangen van dit Amsterdam-Rijnkanaal, met deze lucht, dit water waarin blauw en zilver in een vrolijke strijd verwikkeld zijn. Het verse groen van de bomen en het onbeheerste geel van het koolzaad, al had dat ook fluitenkruid mogen zijn: daar heb ik meer mee.
Herinnering aan Holland.

En de drie andere foto’s? Als dit het voorjaar is, dan zou ik voor de winter de besneeuwde Beukenburgerlaan bij Groenekan ophangen en voor de herfst een strandopgang door de duinen waarbij laat middaglicht de beweging overneemt van het al naar goud neigende duingras.

Voor de zomer doemt ongevraagd en volledig onverwacht de Burgemeester Kampschoërstraat op. Daarvoor moeten we naar Monster, 1960. De huizen zijn nog maar net gebouwd en we lopen in los verband ter hoogte van de Boerenleenbank op weg naar de kerk. Ik slenter wat achter de anderen aan, in een kobaltblauw bloezend zomerjasje, van katoen zo glad dat het een beetje glimt. De schouders zijn van hetzelfde blauw, maar nu is de stof van ribfluweel. Tevreden kijk ik omlaag naar het nieuwe jasje. Dan valt er een kwak vogelpoep op de rechterschouder. Ik zie het gebeuren. Ook zie ik de meeuw wegvliegen.

De vlek is er nooit helemaal uitgegaan. Maar ik herinner me het tevreden jongetje in onbevlekte staat. Een paar jaar later: op precies dezelfde plek, weer in gezelschap en weer naar de kerk, slenter ik achter mijn zus en haar nieuwe vriendje aan. Ze lopen hand in hand en Ineke huppelt een beetje. Ze is zo gelukkig met haar Aat.
In de week voordat mijn moeder overleed, een paar jaar terug, waakte ik ’s nachts bij haar. Als ik haar weer geholpen had, liep ik wel naar buiten, de Kampschoërstraat in. Bij de vroegere Boerenleenbank moest ik ineens denken aan de vogelpoep en aan mijn intussen dode maar op die zondagmiddag zo gelukkige zus.
Ik heb nog een ansichtkaart uit de tijd dat de straat nog nieuw was. Die kan ik uitvergroten en die voeg ik dan als vierde foto bij de drie andere. Ergens in een hoekje zou ik, als vijfde Hollandse weg, een reproductie ophangen van Hobbema’s ‘Laantje naar Middelharnis.’
Dat wil zeggen: in ons huis in Nieuw-Zeeland. Als we naar Nieuw-Zeeland zouden verhuizen en dat zit er niet in.

Even voorbij de Nesciobrug slaan we linksaf.
‘Ziezo,’ zegt de jongste, ‘dat was het kanaal.’

01 mei 2020

Lieveling

Ik houd veel van mijn zwarte fiets, maar van mijn rode houd ik veel meer. Als ik aan fietsen denk, denk ik eigenlijk alleen maar aan mijn rode fiets. Met dankbaarheid en zelfs met een zekere weemoed om hun teloorgang kan ik terugdenken aan andere fietsen in mijn leven, maar mijn rode Snelfiets is mijn lievelingsfiets.

Afgelopen zondag kwam er een tak in mijn voorwiel die met kracht door de spaken omhoog werd gerukt. De tak weerstond de onverhoedse aanval, mijn spaken konden het ook hebben, maar mijn voorspatbord was stuk, maar de handige jongen die ik ben, wist het euvel snel te klaren.
Gisteren rondde ik mijn fietstocht af met een bezoekje aan de fietsenmaker. Het provisorische herstel van het spatbord van mijn lievelingsfiets zat me niet lekker. Bovendien wist ik dat de fiets zo langzamerhand wel nieuwe tandwielen kon gebruiken, voor én achter, en dus ook een nieuwe ketting. Ik had geen last van de staat waarin ze verkeerden, de fiets zelf klaagde er niet over. Dat moest maar zo blijven. Nogmaals: een fiets is een lievelingsfiets of hij is het niet. Ik kon hem meteen achterlaten om hem een paar uur later op te halen.

Zojuist stapte ik weer op voor een rondje natuur. Tweehonderd meter verder viel plotseling alle weerstand bij het fietsen weg. Ik keek omlaag en zag hoe met verbazingwekkende snelheid een slang onder mijn fiets vandaan kronkelde. Ik remde, stapte af. De slang was al verdwenen. Mijn fietsketting ook.
Ik ben er diep van onder de indruk hoe in een split second een mensenhoofd vol kan zijn van vuurwerk dat alle kanten uitspat. Want natuurlijk wist ik dat de slang die ik zag geen slang was, al zag ik hem en dacht ik aan Tanzania en Zuid-Frankrijk. Natuurlijk begreep ik dat het mijn gebroken ketting was en ook dat het de snelheid van mijn nog ongeremde fiets was waardoor de slang die geen slang maar een gebroken fietsketting was zo bliksemsnel leek weg te flitsen. Dat het met die snelheid wel mee viel, maar dat iets sneller lijkt te gaan dat vlak langs je of vlak onder je door gaat. Ook begreep ik dat de slang die ik niet zag, de ketting was die ik, eenmaal afgestapt niet zo gauw zag omdat die als een slang in de asfaltvriendelijke kleur van een nieuwe fietsketting op het asfalt lag. Waar ik hem zag liggen toen ik dacht dat ik hem niet zag. Dit allemaal terwijl ik midden op straat stilstond en goed in de gaten hield of er geen verkeer aankwam dat ik mogelijkerwijs zou hinderen.

In plaats van een fietstocht werd het een wandeling van een dikke kilometer en die voerde langs mijn huis, waar ik wel even met de buurvrouw aan de praat raakte. Het gesprek ging over fietsen. Ik had op die rooie al zoveel gefietst, vond ze, dat ik wel een mooie nieuwe verdiende. Ik dacht meteen aan het ritje op een Santos, twee maanden geleden, zo eentje met een rohloffnaaf en een stevige aandrijfriem in plaats van een ketting. Zoiets gaat een mensenleven mee. Dan had ik gisteren niet dit en ook niet dat en dan had ik nu niet naar de fietsenmaker hoeven lopen. Maar ja, ik heb gisteren dus wel weer stevig in mijn rode duiveltje geïnvesteerd. En ik hou van mijn fiets en denk dus een enkele keer wel eens aan een andere fiets, maar hij blijft mijn lievelingsfiets. ‘Niemand laat zijn eigen fiets alleen.’ Ik neurie het zacht.
Mijn fiets heeft liever dat ik uit volle borst zing.