Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

Och heden

10 augustus 2020

Wok

Mijn vrouw heeft mij verlaten. Ze is er vandoor met mijn dochter. Met onze dochter. Ondanks de hitte van dit middaguur zijn ze op de fiets gestapt naar een mij onbekende bestemming waar in ieder geval iets te eten is. Op die manier gedenkt de jongste in één keer zowel moeder- als verjaardag, waarbij je overigens wel een beetje los moet omgaan met de agenda. Ook Mente weet niet waar haar dochter haar heen loodst, maar ook al lieten ze mij hier achter, nog steeds heb ik het beste met ze voor en daarom hoop ik dat er een leuke gelegenheid is uitgekozen.

In mijn geval combineert de jongste vaderdag met mijn verjaardag en zo valt mij op een ander moment dezelfde eer te beurt om met de jongste naar een onbestemde gastronomische omgeving te vertrekken. De eis die de jongste zichzelf daarbij stelt: het moet niet voor de hand liggen dat de moeder, dan wel de vader er al eens geweest is. Het is nauwelijks toevallig te noemen dat ik gisteren werd ontvoerd. Ze begeleidde me naar een reusachtig wokrestaurant aan de Gageldijk, nog geen vijf kilometer hiervandaan.

Dat had ik inderdaad absoluut niet verwacht, en even inderdaad: ik was er nog nooit binnen geweest. In de omgeving van Utrecht is de Mallejan een begrip. In de jaren zeventig was het meen ik een belangrijke manege en een zalencomplex voor bruiloften en andere partijen. De jongste heeft weliswaar jaren aan de Gageldijk op paardrijles gezeten, maar daarbij fietsten we de Mallejan alleen maar voorbij en voor feestjes ben ik er nooit uitgenodigd. Het oogt er ook allemaal van geen kant, waaruit maar weer blijkt dat ik een zelf- en tegelijkertijd vooringenomen, elitaire kwal ben.

Wat me aanstond van De Mallejan was de naam, maar dat was niet voldoende om me ook maar even af te vragen waarom dat bedrijf aan de Gageldijk zo heet. Nu weet ik dat wel. Een mallejan is een tweeassige wagen op hoge wielen. Bevestig aan de as een lange paal als dissel en klaar is je mallejan. Je kunt er bijvoorbeeld boomstammen mee vervoeren, maar de dissel kan ook dienen als hefboom. Mijn excuses voor de ott in dit verhaal, want het gebruik van de mallejan is natuurlijk vooral verleden tijd.
Blijft de vraag hoe die kar aan zijn naam komt. Een narrenwagen, de wagen waarin in de late middeleeuwen leden van het narrengilde zich lieten rondrijden, werd wel een mallewagen genoemd. Het woorddeel –jan zou hier ‘heel groot’ betekenen, vanwege die buitenissig hoge wielen. Het zou kunnen zijn dat jan in die betekenis weer is afgeleid van de persoonsnaam Jan.

Daarmee vertelt de Mallejan aan de Gageldijk iets over zijn verleden als manege, maar intussen zit er al jaren een wokrestaurant in. Zou ooit zijn geprobeerd om de tent om te dopen in Wok Plaza, of Peking. De Gouden Wok misschien, of Hollywok? Als dat al zo is, dan is men daar dus van teruggekomen.

Goed, daarheen werd ik gisteren ontvoerd door de jongste. Er zijn vier (?) reusachtige naast elkaar gelegen sporthallen, daar lijken de ruimtes op. Die zijn zo ongezellig mogelijk ingericht. Het eten was er prima, ook omdat je niet per se alleen in termen van vlees hoeft te denken. Ook leven ze er niet bij wok alleen. En ondanks het onbeperkte eten mag je gewoon op tijd stoppen.
Ze hoopte dat ik er nog nooit was geweest, de jongste. Ze had gelijk.

Waar vrouw en dochter zich nu te goed doen aan allerlei lekkers? Niet aan de Gageldijk.

08 augustus 2020

Oma Borgdorff

Mijn Amersfoortse neef en ik waren woensdag op bezoek bij onze Monsterse neef en zijn vrouw. Hij liet ons een jaloersmakend fotoalbum zien van zijn ouders. Oude foto’s waren gedigitaliseerd en in fraai overzicht opgenomen. Over de schouder van mijn Amersfoortse neef keek ik mee. Ik genoot van de foto’s en van de oh’s en ah’s van mijn neef.
Er zijn een paar foto’s waarop je mijn grootmoeder kunt zien. Ze zit in een rieten stoel. Hoewel het mooi weer is op de foto heeft zij een omvangrijke jurk aan. Ik vermoed dat de jurk verwijst naar een verleden waarin daar meer vlees in stak. Mijn oma toont een beetje mager op de foto, en vermoeid. Maar ook gelukkig. Op enkele foto’s zie je dat er twee peuters om haar heen cirkelen. Daar kijkt ze naar. De peuters zijn bijna onherkenbare witte vlekken, maar wij weten dat het mijn Monsterse neef en zijn één jaar oudere zus zijn die daar als vrolijke kippetjes om de rokken van die mevrouw draaien. En zij ziet het vanuit haar hoogte met genoegen aan.
Natuurlijk kijk ik ook even naar mijn Monsterse neef, die met zijn 82 jaar met welgevallen kijkt naar die twee veel jongere neven van hem terwijl ze het fotoalbum doorbladeren. Hij moet twee jaar geweest zijn, op die foto waarop hij als witte vlek aanwezig is. Dat brengt ons naar de zomer van 1940. Dat is ruim twee jaar nadat onze grootvader overleed en anderhalf jaar voordat de MS waaraan oma leed haar naar het graf zou brengen. Het zou me niet verbazen als dit de laatste foto’s zijn die van haar gemaakt zijn. Ik herken de plek: de achtergevel van Varenstraat 2. Dat is het adres waar zij, net als haar man, zou overlijden. Ook het huis waar mijn zussen, mijn oudste broer en ik geboren zouden worden. Haar laatste foto werd op precies dezelfde plek gemaakt als mijn eerste, een baby’tje in doopjurk.
Eergisteren speelden Lucas en Marc bij ons in de tuin. Ze waren bloot en huppelden rakelings langs een verraderlijke tuinsproeier, sprongen vlot (vier jaar) of klauterden moeizaam (twee jaar) zwembadje in en uit om af en toe bij te tanken bij hun grootmoeder die op een kinderstoeltje bij de achtergevel van ons huis zat. Mente droeg een zeer bescheiden maar wijd vallend jurkje. Haar man liet vanaf het schommelbankje een welgevallig oog op haar rusten. Dat meisje was tien jaar ouder dan de oude vrouw op de foto in het album van mijn Monsterse neef.
Ik genoot ook van de vanzelfsprekendheid van de twee jongetjes waarmee ze zich thuis voelden hier, in de zonnige achtertuin. Even vanzelfsprekend voelden ze zich thuis bij die oma op het lage stoeltje. Ze waren in hun element, en die oma op dat stoeltje, was vanzelfsprekend deel van dat element.
Zo moet het ook geweest zijn met de Monsterse neef en zijn al lang geleden overleden zusje toen ze als dronken kippetjes om hun oma op Varenstraat 2 ronddraaiden.

Alles wat voorbij leek, was gebleven. Zo leek het. Even.

07 augustus 2020

47 x rood + 1 x wit

Het liedje zit al weer regelmatig in mijn hoofd. Het hoort bij regenachtige zomerdagen.
‘We were married on a rainy day
The sky was yellow
And the grass was gray
We signed the papers
And we drove away
I do it for your love.’

Het is een nummer van Paul Simon en je vindt het op het album Still Crazy after all these years. ‘I’d do it for your love’ heet het. Die zevende augustus van 1973 kende overigens vooral droge momenten, maar over mijn overhemd had ik een trui en af en toe trok ik een jasje aan. Internet vertelt me dat het die dag in Den Haag een graad of 16 was.
Tot zover de eerste regel van het gedicht. Over regel 2 en 3 valt nog te zeggen dat het verleidelijk is om geel en grijs van plaats te laten wisselen; dat maakt die regels wat waarheidsgetrouwer maar ook veel minder spannend, dus dat doen we maar niet. De laatste drie regels geven aan hoe we het ons eigenlijk hadden voorgesteld, onze trouwdag. Tekenen en wegwezen. In de praktijk zat er anderhalf dagdeel tussen het een en het ander. Maar toen reden we weg. In een kever die ik de dag daarvoor in Utrecht had gehuurd en die ik de dag daarop weer zou inleveren. Daarna liep ik naar huis terug, naar ons zojuist betrokken singelpand.

Vandaag zit het liedje dus weer in mijn hoofd, maar wat ben ik blij dat we jaren geleden niet het weer van 7 augustus 2020 hadden. We zagen het al aankomen: die hitte. Daarom waren er ook geen festiviteiten gepland voor vandaag. Dat wil zeggen: de bruid bracht haar bruidegom ontbijt op bed en de bruidegom fietste later langs de bloemist om er de bestelde rozen op te halen. ‘Kom nou om half elf, dan heb ik verse van de veiling voor je,’ had hij gezegd.
Nu staan ze in de vaas: 47 keer rood en één keer wit.

De dag kreeg nog een onverwachte wending toen Mente zag dat de bloemen te strak op elkaar stonden in de vaas die ze had uitgekozen. Nu zijn wij van Borgdorff niet voor of door één vaas te vangen, dus kwamen de bloemen in een andere te staan. Daarin kregen ze meer de ruimte. En omdat de bloemen de jaren van ons huwelijk vertegenwoordigden, kreeg in deze vaas ons hele huwelijk meer ruimte. Ik zag ook hoe Mente de bloemen herschikte en hoe het boeket er steeds beter uit ging zien. Dat kwam door haar. Af en toe trok ze er een of twee bloemen uit en stak die op een andere plaats. Bloemen kun je, anders dan jaren, niet chronologisch rangschikken en iedere roos levert zijn uitgesproken karakter in om deel te zijn van een gaaf geheel. In die kleine cirkel in de kamer daverde het van de symboliek van een bruid die in de hitte op blote voeten om het vuur van zoveel rode rozen danste. Ze was, viel me op, alleen met die rode rozen bezig, ze deed niets aan die ene witte, de enige die aandacht vroeg maar als beeld van de toekomst geen enkele eigen inhoud had, die stond goed.

Enfin, daarna heb ik haar opnieuw, net als vanochtend lang voor het ontbijt, ten huwelijk gevraagd en weer zei ze ja. Om dat te vieren zijn we op de fiets gestapt en naar een restaurantje gereden. Ik had al een voorschot genomen op de witte roos en ergens gereserveerd.

06 augustus 2020

Schelpen

Foto. Klaas zit achter een tafel met daarop allerlei schelpen, van kokkels, mossels, minuscule zee-egels. Mesjes zie ik, oesterschelpen; ook is er een rijke variatie aan stenen. En een hoopje schelpengruis. Hij noemt het zijn schelpenmuseum, maar alles is te koop. Klaas vraagt twintig cent per stuk. Het is dus een soort Hema, Hollandse eenheidsprijzenmaatschappij. Dat ligt gezien de variëteit niet heel erg voor de hand en verstandig is het waarschijnlijk ook niet, maar bij een jongen van zes gelden andere regels. Dat vinden potentiële kopers blijkbaar ook, want de foto laat al een mevrouw zien die ik ervan verdenk een jonge moeder te zijn, van andere kinderen, maar wel op dezelfde Zeeuwse camping. Zij zal ongetwijfeld iets kopen. Twintig cent is het nieuwe kwartje.
De foto is via een groepsapp binnengekomen en zo ben ik er getuige van dat Klaas ook langs digitale weg bestellingen binnen krijgt. Later op de dag stuurt zijn vader nog een fotootje, nee, een gif waarop je Donald Duck gniffelend een stapeltje bankbiljetten ziet tellen. Donald, niet Dagobert.
De zaken lopen blijkbaar goed.

Ooit had ik twee schoenendozen vol schelpen. Na een tijdje was dat er nog een, want de geur in de slaapkamer dwong me om een groot deel van de collectie ondanks herhaalde wasbeurten in de vuilnisbak te kieperen. Zee-egels waren verraderlijk en onderdelen van krabben ook. Beide konden enorm gaan stinken en ze gingen makkelijk stuk.
Toch bleef het wonder. Aan de schelpen van kokkels was nauwelijks eer te behalen, je zag ze overal en ze waren dik genoeg om ongeschonden uit welke strijd dan ook tevoorschijn te komen, maar ik vond ze mooi, met die kordate, krachtige rechttoe rechtaan ribbel van ze. En dat in combinatie met die weemakende schone vorm van vrijwel alle gewone schelpen, die driehoekjes waarvan de ‘hoeken’ door licht gebogen lijnen verbonden waren. Een schelp verenigde zacht en hard. Andere schelpen konden bijvoorbeeld weer zo zacht glanzen, op een manier die recht deed aan de zacht ogende rondingen van een schelp. En wat dacht je van die roze schelpjes? Daar had je er nog genoeg van. Mooie meisjes waren dat.

En dan was er het wonder van hun herkomst. De zee was hun element, maar daar keek niemand naar hun zachte vorm, daar ontbrak die betoverende glans en daar waren ze gepaard het huisje van een levend wezen. Dat wist ik. Bijna alle schelpen waren halve huisjes van gestorven, meestal opgevreten diertjes.

Ik stel me Klaas even voor als het jongetje dat zijn opa ooit was, die dromerig naar die schelpen kijkt, maar in dat jongetje herken ik ook zijn overgrootvader die het wel aantrekkelijk vond om iets in geld om te zetten. Als verzekeringsman verkocht hij een schuilplaats tegen de angst voor het ongewisse, nadat hij als jongetje al samen met zijn broertje appels en groente had proberen te slijten. Klaas verkoopt halve huisjes: dat wat er na massaal overlijden op het strand is achtergebleven, overtollig geworden en gemankeerde boedel.

Wat er ooit met die schoenendoos vol schelpen gebeurde? Ik kan het raden. Hij ging van de plank naast mijn bed, naar de kast. Vanwege de geur kwam hij mogelijk niet in de kast, maar erbovenop. Dat heb ik niet gedaan, dat deed mijn moeder. In of op die kast zal hij nog een tijdje zijn blijven staan, totdat hij, misschien via de schuur, in de vuilnisbak verdween. Ik heb het nooit gemerkt.

‘Dat wist ik wel,’ zegt mijn moeder uit den hoge.
‘Je had ze beter kunnen verkopen,’ hoor ik mijn vader. Zijn stem komt uit dezelfde hoek.

05 augustus 2020

Lieftink

De literatuur kent paarden van mythische proporties: het ros Beiaard, Pegasus, Gringolet, Jolly Jumper, Bonfire. Americo. En Lieftink. Dat is het paard waarmee mijn oom in de jaren na de oorlog door Monster langs de huizen ging om groente te slijten. Het paard ontleende zijn mythische proporties aan het feit dat het er niet meer was. Daar kwam nog bij dat mijn oom rond 1948 naar Amersfoort verhuisde. Ook zou hij zijn leven geven aan de verkoop van groenten, zoals hij dat als jongetje ooit in Dinteloord al deed. Maar dat laatste is weer een heel ander verhaal.
Ik hoorde in ieder geval dat in de jaren voor mijn geboorte mijn nu zo verre Amersfoortse oom in Monster had gewoond en dat die een paard had. Het was een verhaal ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’, maar het was zo dichtbij geweest, want die oom had nota bene gewoond in het huis waarin ik geboren zou worden en mijn zusjes wisten me zelfs te vertellen dat ze op de bok van de paardenkar hadden gezeten. Zij herinnerden zich de Monsterse pendant van die verre oom maar al te goed, zeiden ze. Een kleine rekensom maakt duidelijk dat die twee meisjes vijf en drie waren toen de oom vertrok, maar het kon.
Dat hield me trouwens helemaal niet bezig. Het was dat paard met die bijzondere, blijkbaar geestige naam: genoemd naar de toenmalige minister van financiën die er na de oorlog voor zorgde dat iedere Nederlander weer met een tientje een nieuw bestaan kon opbouwen.

Een enigszins toevallige ontmoeting twee weken terug met de zoon van mijn Amersfoortse oom, de Amersfoortse neef dus, bracht ons op het idee om eens samen bij een andere neef op bezoek te gaan, veertien, vijftien jaar ouder dan wij. Een neef die het Monsterse altijd was trouw gebleven. Dat hebben we vandaag gedaan. Opnieuw kwam het sprookjespaard Lieftink ter sprake. De Amersfoortse neef wist te vertellen dat zijn vader eigenlijk een hekel aan het beest had. De oudere neef begreep dat wel. Lieftink was vals en ongezeglijk. Hij liep gewoon bij mensen de tuin in als het hem uitkwam, om daar van het gras te vreten. Hij kon spontaan in je arm bijten. Ongezeglijk en onberekenbaar. Maar het dier had een pracht leven. De oudere neef wist een foto te vinden. Hij zelf zit op de bok, naast zijn oom de groenteboer. Die had die oudere neef, toen nog een jongetje van zeven of acht, er graag bij om het beest toch een beetje in de gaten te houden.
’s Avonds brachten ze het paard weg. De kleine oudere neef zat op het paard; hij hield de manen stevig vast. De oom fietste ernaast. Bij de duinen liep het paard door het hekje dat voor hem werd open gehouden, vrolijk, want Lieftink genoot van de duinen, aldus de neef. En hij kon het weten, want hij had niet alleen op de kar gezeten, was niet alleen door Lieftink gebeten, maar hij was er zelfs de slaperdijk mee overgedraafd.
En hij had er zelfs een foto van. Vroeger wilde ik zo graag als die neef zijn, die stoere schaatser en wielrenner, motorrijder. Nu, nu ik hoorde van zijn tochten op een ongezadeld paard, kwam dat verlangen weer even terug.

* Het paard kwam ook ter sprake in de Och Heden van 23 juli.

04 augustus 2020

Vrienden

Een paar weken geleden moest Koos laat naar bed omdat hij was uitgenodigd als gast voor het programma Nooit meer slapen. Dat wordt via NPO 1 live uitgezonden tussen nul punt nul nul en één punt nul nul uur, een tijdstip waarop zo’n jongen op bed hoort te liggen. Ik heb het gemist, maar daar heb je een speciale site voor en zo luisterde ik een week later overdag, toen ik ook al een idee had van een deel van de inhoud en ook wist van het enige nummer dat tijdens die uitzending werd gedraaid. Dat was Bob Dylan’s Dream. Daarin kijkt de zanger terug op de goeie oude tijd waarin hij uren met zijn vrienden doorbracht. Hij zingt aan het eind:

‘How many a year has passed and gone,
And many a gamble has been lost and won;
And many a road taken by many a friend,
And each one I’ve never seen again.

I wish, I wish, I wish in vain,
That we could sit simply in that room again;
Ten thousand dollars at the drop of a hat,
I’d give is all gladly if our liver could be like that.’

In het programma werd dat nummer gedraaid toen Koos vertelde hoe hij als zestien- of zeventienjarige samen met vrienden op een slaapkamer kon zitten, waarschijnlijk shag rokend en nummers van Bob Dylan draaiend. Hoe het met die vrienden verder is gegaan, weet ik niet precies, maar van twee ervan kan ik vertellen dat ze nog steeds op een steenworp van elkaar wonen, zij het in een andere stad, en nog veel samen optrekken. Roken zie ik ze nooit, van een slaapkamertje weet ik niks, maar je ziet ze zeer regelmatig een rondje fietsen. Daarmee houden die jongens dus mooi een groot deel van die tienduizend dollar ‘in the pocket.’

In De Hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo maken we kennis met Ewout en zijn vrienden. Bij het woord vrienden liggen er wel aanhalingstekens op de loer, want de vraag is of en in hoeverre de jongens wel echte vrienden zijn.

Dat is ook een vraag die je je achteraf kunt stellen. De mooiste vrienden in de literatuur zijn wat mij betreft de Titaantjes van Nescio. ‘Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is.’ Van Nescio is het een kleine stap naar Piet Paaltjens en zijn ‘Drie Studentjes.’ Dat begint zo:

‘Daar waren eens drie studentjes
Drie vrienden in lust en in nood;
Ze sprongen zoo moedig de wereld in,
En de wereld - trapte ze dood.’

We kunnen nog even langs bij Frits van Egters en zijn vrienden in De Avonden, al komen we daarmee aardig in de buurt van de aanhalingstekens die ik bij De Hoogstapelaar al wilde gebruiken. En dan hebben we natuurlijk Boudewijn de Groot nog met ‘Vrienden van vroeger’ en een stel andere nummers van de lp Voor de overlevenden.

In de meeste gevallen blikken de vertellers weemoedig terug naar een verleden dat helemaal niet ver achter ze ligt. Zowel Boudewijn de Groot als Bob Dylan hebben het over een ontoegankelijk vroeger terwijl ze zelf nog maar 22 jaar zijn. Gerard Reve is een jaar of 23 als hij zijn roman schrijft en François Haverschmidt (= Piet Paaltjens) schrijft zijn gedicht in 1853; hij is dan achttien.

Dat het allemaal zo lang geleden lijkt, zit hem dus niet in het aantal jaren, maar in de onherroepelijke verandering van staat en status waarmee de vriendschap eindigt, ‘at the drop of a hat.’

02 augustus 2020

Aanbieding

Langs verschillende digitale wegen laat Bever, die van de buitensport, weten dat de Helinox One Chair, om precies te zijn, de grijze editie met 30% korting wordt aangeboden. Nu ben ik geen liefhebber van online aankopen en bovendien vind ik buitensportwinkels bijna net zo leuk als boekwinkels om binnen te lopen. Dat bracht me afgelopen woensdag naar de Oudegracht.
In de winkel bevestigde een bordje wat al via internet was verteld, maar bij die mededeling vond ik geen bijpassend stoeltje. Wel een tafeltje; alleen heb ik daar geen interesse voor.

Het stoeltje is een gevoelig punt. Ook letterlijk. Ik heb namelijk al 35 jaar een klein en bijzonder handig kampeerstoeltje. Het is veel gebruikt en daarom heeft een schoenmaker al wel eens een weggesleten hoekje moeten vernieuwen. Nu is het de beurt aan een tweede hoekje. Punt is alleen dat ik tijdens de fietsvakantie van een paar weken geleden merkte, hoe moeilijk het soms was om uit het stoeltje overeind te komen. Het zit te laag. Bovendien prikt het uiteinde van de rugleuning links een beetje in mijn rug. Misschien wordt het daarom tijd voor een iets hoger stoeltje, al moet het makkelijk zijn om op en uit vouwen. Ook moet het te reduceren zijn tot een klein en vooral ook licht pakje.
Zonder de korting kost het beoogde nieuwe stoeltje 100 euro. Dat is op zichzelf genomen misschien niet te duur, maar in mijn geval moet zo'n stoeltje wel gekocht worden door iemand die diep in zijn hart helemaal geen afstand wil doen van zijn vertrouwde stoeltje en ook niet van de vanzelfsprekendheid om uit dat stoeltje op te staan. Kortom: woensdag vertrok ik zonder nieuw stoeltje en amper teleurgesteld uit de nieuwe winkel van Bever aan de Oudegracht.
Donderdag ging ik naar een speelweide met water en veel kleine kinderen, onder wie twee van mijn kleinkinderen en ik nam het oude, te lage stoeltje mee. Eerlijk gezegd viel het me mee, het opstaan uit het stoeltje. Dus als ik een nieuw stoeltje zou kopen, dan moest me dat wel in de vorm van een aantrekkelijke aanbieding in de schoot geworden worden. Graag of niet.
Terwijl ik me met de kleintjes bezighield, zag ik op afstand dat Mente in het oude stoeltje was gaan zitten. Ze was er zeer content mee. En daarmee kwam toch weer die aanbieding om de hoek kijken, want stel dat ik toch een nieuw stoeltje kocht, dan schreef ik daarmee het oude niet af: dan hadden Mente en ik alle twee een laag stoeltje, voor in het gras of op het strand. De aanbieding van Bever stond nog steeds op internet, zag ik thuis. Telkens als ik naar het digitale winkelwagentje ging, vond ik daarin een stoeltje voor de volle prijs. Dan maar niet.
Gisteren fietste ik naar de grote winkel van Bever in Houten. Dat deed ik via een lucratieve route die ik via de ENFB op mijn gps-apparaatje had gezet. Ook daar vond ik alleen maar de tafeltjes en niet die stoeltjes in de aanbieding. Ik neusde nog even bij T-shirtaanbiedingen, fietstassen en bij de tentententoonstelling, maar kocht niets.
Vanmorgen kwam in een tussenzin in de preek onze gehechtheid aan spullen even langs. Ik dacht aan het stoeltje dat al dagen door mijn hoofd speelt. Vanmiddag liep ik in Harlingen een boekwinkel binnen. Voor het geld dat ik daar uitgaf, had ik gisteren best een stoeltje kunnen kopen.
Voor boeken gelden andere regels.

31a juli 2020

Boodschappen

Bijna een maand geleden al spraken we af dat ik op vrijdag 31 juli haar wekelijkse boodschappen zou doen. Doorgaans zorgen vooral haar buren daarvoor, maar die zijn met vakantie, net als anderen in haar straat die graag iets voor haar willen betekenen.
Voor alle zekerheid bel ik haar donderdagavond op. Er wordt niet opgenomen. Ook niet een tweede, derde of vierde keer, telkens gaat de telefoon anderhalve minuut lang over; dan wordt de verbinding automatisch verbroken.
Ik bel haar broer, haar kleine broertje, zoals ze hem nog regelmatig noemt. Die is een eindje in de tachtig. Hij wijt het euvel aan het gehoorapparaat, of liever, niet aan het apparaat, maar aan het feit dat ze dat ding nooit in heeft als ze niet onder de mensen is.
Om half acht fiets ik even naar haar toe. Ze doet meteen open.
‘Ja, sorry, ik ben pas net aan het koken. Ik heb een paar uur in de hal gezeten omdat er medicijnen afgeleverd zouden worden, maar ze zijn nog steeds niet geweest. Nu zullen ze wel niet meer komen.’ Het heeft nog minder zin dan anders om iets terug te zeggen. Ze volgt haar eigen verhaal en zonder apparaatjes hoort ze niet eens wat ik zeg, al vraagt ze me nog wel of ik misschien gebeld heb. Nu ik zo voor haar neus sta, realiseert ze zich dat ze misschien de telefoon wel gehoord heeft, maar ze was teveel bezig met die medicijnen, met dat wachten in de hal. Ze mag nog blij zijn dat er een gewone heldere ruit in haar voordeur zit.
Maar nu ik er toch ben, kan ze net zo goed het boodschappenbriefje samenstellen. Dat koken moet maar even wachten.
Ze noteert een zakje krieltjes van ongeveer 500 gram en vertelt vervolgens dat het met haar gezondheid niet goed gaat. Ze moest dus een maandje terug plots het ziekenhuis in en onmiddellijk geopereerd worden vanwege een galblaasontsteking. Dat ging allemaal goed. Haar zwakke hart doorstond het allemaal, maar nu valt ze ontzettend af. Ze zit nu onder de vijftig kilo. ‘Moet je het vel op mijn armen zien. Zo ken ik mezelf helemaal niet. Daarom krijgt ze nu voedingssupplementen en die zou de apotheek vandaag dus afleveren.’
‘Je briefje, Nel,’ roep ik.
‘O ja, mijn briefje… Krieltjes, ja, en dan een net perssinasappels en doe ook maar twee bananen. Ik ben er wel door van streek merk ik. Ik mag niet klagen, over een maand word ik 94, maar ja. Twee nectarines.’
Bij de drie paprika’s vraag ik nog even naar de kleur. Dat maakt haar niet uit. Daarna is het stil. Ze noteert de boodschappen op een afgeknipt stuk van een envelop.

Vanmorgen fietste ik toch langs de apotheek en ik kreeg haar medicijnen meteen mee. Dat viel me mee. Bij Albert Heijn, een vestiging die pas een jaar geleden geopend werd, lagen de groenten, het brood, de drank, werkelijk alles, in de volgorde van het briefje. Behalve het laatste punt, ‘iets lekkers voor jezelf’, maar een pijl gaf aan dat ik daarvoor moest zoeken tussen ‘1 klein stukje zalmfilet’ en ‘1 half Waldkornbrood.’

De vreugde was groot toen ik niet alleen de boodschappen maar ook de medicijnen afleverde.
‘Wat ga je vandaag doen?’ vroeg ze.
‘Ik ga iets schrijven over Leopold.’
‘Leopold? Die van ‘Dan ben ik licht, den hoogsten zon te boven’ bedoel je?’ En ze gaat verder.
‘dan ga in diepe duisternis ik dooven.
Mijn ziel rijst hemeluit, mijn lijf is hier –
Wat moet ik, Heer, wat van mijzelf gelooven?’

Met haar hoofd is niks mis.

31 juli 2020

Met vleugels

We gaan naar de Voorveldse Polder. Mente heeft haar fiets al uit de schuur gehaald als Lucas de nieuwe leren bal onder het afdakje ziet liggen. Daar wil hij mee spelen. Afgelopen maandag waren hij en zijn neefjes hier ook en toen raakte hij onder de indruk van de balvaardigheid van zijn neef Klaas, die overigens al zes is. Misschien heeft die bal wel te maken met het plotselinge besluit iets anders te gaan doen, want eenmaal onder het afdakje kijkt Lucas even de schuur in, waar hij het fietsje met de zijwieltjes ziet. Hij stapt er op, rijdt de schuur uit en sjeest zo de poort in, met een enorme vaart.
Verderop in de poort staat Mente op ons te wachten: we zouden toch naar de Voorveldse Polder, naar de plek van zon, gras, en een voor kleuters spannende waterpartij. Lucas geniet ervan om dan juist iets anders te willen. Dat hebben jongetjes van vier. Vandaar die bal waarschijnlijk. Maar eigenlijk is de bal nog een stap te ver voor Lucas, vooral nu hij gezien heeft met hoeveel virtuositeit Klaas daarmee omgaat. Dat verklaart misschien die plotselinge beslissing om op dat fietsje te gaan zitten, maar dan nog zie ik het met verbazing gebeuren, want eerdere pogingen om Lucas daarop te krijgen, werden radicaal van de hand gewezen. Lucas was ervan overtuigd dat hem een leven wachtte zonder te fietsen. Vandaar ook dat het fietsje uiteindelijk achterin de schuur terecht kwam. Alleen al bij het zien ervan verschoot Lucas van kleur.
En nu dit.
‘Ik wil op deze fiets naar de Voorveldse Polder!’ roept hij. Ik zeg dat we dat vandaag maar niet moeten doen en hij is plotseling een en al meegaandheid.

Als we weer naar huis willen, is daarvan weinig meer over. Mente worstelt nog wat in een poging hem in sandalen en droge onderbroek te krijgen. Om daar even van bij te komen, richt ze zich op Marcus. Die werkt ook niet mee, maar met zijn twee jaar biedt hij toch minder weerstand. Lucas kan zich wel vinden in mijn voorstel dat hij zichzelf maar moet aankleden en daarom fiets ik even later naar huis met een jongetje voor me met een onderbroek op zijn hoofd, met blote voeten op de stepjes en hij heeft wel keurig een korte broek aan, maar daar zit dus geen onderbroek onder. Eenmaal thuis weet hij niet hoe snel hij alsnog zijn sandaaltjes aan moet trekken en wij zijn nog niet bij de achterdeur of hij kart luid zingend door het poortje. Met nog steeds die onderbroek op zijn hoofd. Ik blijf liever in de buurt, want als je een poort inrijdt, kun je hem ook zo uitrijden. En ik acht hem er toe in staat om nu zelf alsnog naar de Voorveldse Polder te fietsen.
De kwaliteit van het poortje is niet honderd procent. Er zijn wat kuiltjes hier en daar. Als je daar langzaam doorheen rijdt met een fiets met zijwieltjes, dan raakt het achterwiel de grond niet meer en kom je niet meer van je plek. Alleen een opa kan dan uitkomst bieden. Daarom wordt mijn aanwezigheid gedoogd. Beter is het natuurlijk om juist harder te gaan rijden en dat doet hij dan ook. Hij wordt één met het fietsje. Als hij me tegemoet sjeest, doet hij me denken aan een van de hondjes uit zijn favoriete serie Paw Patrol, waarin hulpvaardige hondjes altijd vrolijk in vliegtuigjes de verschrikkelijkste rampen te lijf gaan. Onverschrokken. Onkwetsbaar. Onverbeterlijk gelukkig.

27 juli 2020

Over twintig jaar

In onze niet al te directe omgeving is sprake van relationeel ongerief. ‘Als het vuur gedoofd is…’ Want dat is er aan de hand tussen een man en een vrouw die ooit ja zeiden en nu, jaren later, aan hun kinderen vertellen dat ze met de ander toch maar liever niet oud worden. Ik kan daar niet zo goed tegen, als mensen uit elkaar gaan, en al helemaal niet als er kinderen in het geding zijn.
In de jaren negentig kwamen we in onze kennissenkring nogal eens mensen tegen die ’s avonds in bed, een partner met een gespannen voet tegen kwamen, of overdag in de keuken. Eerlijk gezegd hoorden we daar vaker van via hun kinderen dan via die mensen zelf. Kinderen betalen niet alleen de rekening, ze moeten zolang iets nog niet definitief is vaak ook nog met een geheim rondzeulen. Dat vergaat ze doorgaans slecht, als ze klein zijn en ook niet als ze op de middelbare school zitten. Al het onverkwikkelijks dat ze overkomt en dan ook nog eens loyaal moeten zijn…
Ineens moet ik ook weer denken aan al die afgrijselijke rituele handelingen op school rond ouderavonden, rapportages, persoonlijke gesprekken. Een leerkracht mag kinderen niet slaan, dat begrijp ik, maar waarom mocht je ouders niet af en toe een schop verkopen?

Van die botsingen stellen in onze kennissenkring van twintig jaar geleden zijn er overigens nauwelijks daadwerkelijk uit elkaar gegaan. En nu? Nu lijkt het alsof er nooit iets aan de hand is geweest. Ik kom zorg en zorgzaamheid tegen. Mijn eerste impuls is en blijft daarom ook: doe het niet. Wat heeft het voor zin om degene die je jaar en dag het naast is geweest, door wie je je leven het laten tekenen, met terugwerkende kracht af te keuren.
Let wel, ik heb het over het gedoofde vuur, waarbij de een voor de ander en omgekeerd niet meer interessant genoeg is.
En of ik dat ook zeg? Nee, natuurlijk niet. Als ze me het zouden vragen, ja dan,… Maar er wordt me niets gevraagd.
Vandaag zat ik op een gegeven moment met vier jongetjes op de bank. We hadden oppasdienst. Ik keek naar ze en dacht aan hun ouders. Stel je eens voor dat… Ik zou, ik zou, ik zou misschien wel niets.
Soms komt het binnen, zonder te bellen en zonder te kloppen: angst dat mensen hun relatie niet kindvriendelijk weten te houden. Zoals ik de laatste tijd wel eens wakker word van de gedachte dat Trump opnieuw president wordt omdat er blijkbaar heel veel rare Amerikanen zijn die deze overjarige wel weer voor vier jaar op een schild willen hijsen. Zoals ik een beetje sip ben als ik bedenk dat ik over een maand of wat niet mijn arm om een oude vriend kan slaan die toevallig naast me zit, op de bank, in de schouwburg of in de kerk.
Zo ben ik ook bang voor scheuren tussen mensen die elkaar ooit beaamden en het tijd vinden voor iets anders, eentje met rood haar of met een buikje en een ander gezin, om maar iets te noemen. Dankjewel, ik moest het even kwijt.

26 juli 2020

De druppel en de boemerang

Ik kom zojuist terug van een reis over en door wereldzeeën en tijd. En dat allemaal telefonisch. Met mijn zus herdacht ik, het derde gesprek, mijn zwager die gisteren acht jaar geleden overleed en wiens as enkele maanden later uit een koker in zee terecht kwam. We zijn toen een heel eind de strekdam bij Hoek van Holland op gelopen. Mijn neef klauterde nog wat naar de zijkant, opende de cilinder en hield die vlak boven het water. De golven wilden wel, maar de wind ook en zo werd ook wat as in onze gezichten geblazen. Het verliep allemaal wat onbeholpen, maar toch ook passend en met die as in onze gezichten waren we wel tevreden. Er mag toch wel iets beklijven van wie je dierbaar zijn.
Twee telefoongesprekken daarvoor sprak ik een goede kennis, die behalve een vroegere buurman ook een koude neef is. Dat wil zeggen dat zijn naar den bloede warme tante getrouwd was met een naar den bloede warme oom van mij. Het was een gelukkig huwelijk waarvan altijd wel een kat getuige was, maar nooit een kind. Het beheer van de nalatenschap ging naar de familie van de koude tante.
Een paar weken geleden bedacht ik dat ik als tamelijk trouw kerkhofbezoeker (dat is een familietrekje) nooit een bezoek had gebracht aan het graf van de oom en tante in kwestie. Omdat ik nu de koude neef toch aan de lijn had, vroeg ik er naar. Het graf is al enkele jaren geleden geruimd. Er zijn dus geen sporen meer van de oom en tante bij wie ik als kind iedere vakantie wel een paar dagen logeerde. Dat vind ik jammer.

Volgens mijn zus ligt dat met haar overleden geliefde anders. Die is sinds zijn ontsnapping uit de koker overal. Verdund weliswaar, maar hij is alomtegenwoordig. Alsof de oceanen om ons heen een homeopathische plas zijn.
Het tweede telefoongesprek van vanmiddag duurde het langst. Daarin was voornamelijk de kunstzinnige neef aan het woord. Die had het ook al over wereldzeeën, verdronken rijken als Atlantis en oude Egyptenaren die goed wisten om te gaan met boemerangs zoals we die kennen van de aboriginals. ‘Na de oorlog zijn er nogal wat Nederlanders naar Nieuw-Zeeland vertrokken, maar wie weet kwamen de eerste Nederlanders tienduizend jaar eerder uit Nieuw-Zeeland en vestigden ze zich op Flakkee. Zeg niet, dat het niet waar is, want wat weten wij daarvan?’
Ik zweeg, want deze neef is de zoon van de man die verdund simultaan door alle wereldzeeën stroomt. Waarom zou hij niet gelijk hebben?
Opeens dacht ik aan twee gedichten van J.H. Leopold. Allereerst is daar Oinou hena stalagmon, één druppel wijn. In dat gedicht valt een druppel wijn in de oceaan:
‘daar kleurt de druppel uit den gevloten
den Oceaan; een enkle pereling
doordringt de gansche helderheid en deelt
haar wezen mede aan de verste stranden,
den diepsten bodem […]’

En het andere gedicht is natuurlijk Cheops, waarin de gestorven farao hemelse sferen doorkruist waarbij orde en chaos door elkaar buitelen en individualisering strijd voert met een ontindividualiserende vergoddelijking. Je zou kunnen zeggen dat Cheops aanspoelt, kiest voor het aardse en zijn plaats inneemt als element tussen in steen gevatte tekens:
‘hij is geboeid door de symbolen
van het voormalige en hij hangt er in.’
Ja, het was me een middagje aan de telefoon. Intussen heb ik de bundel van Leopold uit de kast getrokken. Ik denk dat ik die twee gedichten maar eens rustig moet herlezen.

24 juli 2020

Dirk zag Loof

Het was beslist geen goedheid toen ik zei dat ik me in het Westland niet onledig zou houden met allerlei bezoekjes, dat was onvermogen. Onvermogen van mijn kant om voor kleine jongetjes opa te zijn én tegelijkertijd met anderen oude koeien op het droge te trekken; onvermogen van kleine jongetjes om niet te jengelen maar braaf aanwezig te zijn als grote mensen die je grotendeels onbekend zijn met elkaar aan de praat gaan. Dus we liepen gisteren wel even een kroeg binnen in ’s-Gravenzande omdat daar de kleinzoon van mijn zus werkt, maar het vrolijk aangeboden drankje sloegen we af. Dat wil zeggen: dat sloeg ik af.
De jongste, haar partner en hun kinderen waren van de week al bij mijn Westlandse broer geweest, dus daar kon ik met een gerust hart naar toe toen de kinderen op bed lagen, gisteravond.

En dan heb ik nog mijn Westlandse vriend. Maar die trok, dacht ik, met zijn camper door Nederland, dus dat hoefden we niet te proberen. Dirk en ik zijn vrienden vanaf ons vierde. ‘Sinds de kakschool,’ zoals hij zegt als hij me aan iemand voorstelt.
Toen we vanmorgen langs zijn huis reden, moesten we toch maar even stoppen, al was het maar om te kijken of de bel het nog deed. Die deed het en er werd nog open gedaan ook. De vrouw van de vriend deed open en we moesten vooral binnen komen. Nu ligt er een verrassende tuin om het huis, en de vriendin, de jongste en Mente vinden kleine jongetjes leuk, dus konden we er zo drie kwartier blijven zonder dat de jongetjes het gevoel hadden braaf te moeten wezen.

Dirk vertelde me dat hij van de week Loof had zien fietsen. Loof was een weinig succesvolle boekhandelaar in Monster. Lang, rossig, enorme flaporen en hazenlip en dan stotterde hij nog ook. Hij was getrouwd met een korte dikke vrouw. Waarschijnlijk omdat zij als enige twee in de bak waren achtergebleven bij de grote partneruitdeling. Je kunt Loof lelijk noemen, je kunt ook zeggen dat ie markant was. Aardig was hij ook. Als ik voor een tombola voor de padvinderij of voor de bazaar van de kerk bij hem naar binnen liep, ging ik altijd wel met een stapeltje boeken de deur uit. Niet alleen aardig, die Loof, ook gul. En Dirk had hem van de week zien fietsen.
Ik dacht dat ik de enige was die daaraan leed. Toen ik gisterochtend in Naaldwijk een boodschap moest doen, zag ik op de Geestweg onze akela fietsen. We hebben elkaar niet gegroet. Dat gaf geen pas, want al reden we elkaar tegemoet in dezelfde straat, in dezelfde wereld was dat niet, want twee jaar geleden was ik aanwezig bij zijn begrafenis. En dat had Dirk dus met Loof.

Ik loop sinds die tijd met het lied van Willem Barnard in mijn hoofd over Jeruzalem, de vaderstad, dat lied dat vanwege de negers met hun loftrompet in diskrediet raakte. Tot mijn spijt. Ik heb heel lang niet geweten dat neger een beladen woord was en gunde Louis Armstrong een hemelse trompetsolo, Miles Davis trouwens ook. Een eenvoudige herformulering om het lied weer vlot te trekken lijkt me niet moeilijk. Als het zover is, dan kom je regelmatig op aarde de hemel tegen, waarin Bach de maat slaat, Uncle Satchmo trompetspel afwisselt met een hemels ‘Wonderful world’. En waarin veel gefietst wordt, door Loof, door de Akela en fietsenmaker Niek Vianen komt ook weer langs.
Verbazingwekkend dat je bij kerkhoven zo weinig fietsen ziet. Waar zouden ze die laten als ze even uitrusten?

23 juli 2020

De fietsenmaker

Eergisteren stond mijn Amersfoortse neef voor de deur. Hij moest in onze straat zijn en knoopte aan een zakelijke verplichting daar een bezoekje aan familiair erfgoed. Zijn vader verliet Monster kort na de oorlog om elders een bestaan op te bouwen en dat deed hij dus in de Keistad. Daar werd zijn enige zoon geboren; niet onmiddellijk, vandaar dat we leeftijdgenoten zijn.
Dit was de eerste keer dat de een de ander spontaan bezocht, maar we troffen elkaar wel bij zijn moeder. Niet heel vaak, maar toch frekwent genoeg om een gestaakt gesprek onmiddellijk voort te zetten.
Gisteren liep ik even door de wijk waar ik als kind gewoond heb, net als de vader van de neef deed in de jaren dertig en veertig. Die oom was de broer van mijn vader. Ze scheelden maar vijftien maanden. De oom woonde al twintig jaar elders toen we in de zomer van 1967 door de Molenstraat liepen, niet ver van de molen, ter hoogte van de rijwielhandel waar ze geen fietspomp wilden uitlenen aan een oudere dame*. Ook toen zat daar al een fietsenmaker, maar een andere dan de huidige. Dat kan ook niet anders, want als Niek Vianen nog had geleefd, zou hij nu toch al gauw honderdtien zijn geweest. Ik denk zelfs iets meer.
Goed, wij liepen daar dus, mijn oom en ik, toen Niek Vianen kwam aangefietst. Mijn enthousiaste oom sprong de straat op om hem tegen te houden.
‘Dag Niek, hoe is het nou met jou? Weet je nog wie ik ben of ken je me niet meer?’
Niek lachte een beetje schaapachtig en keek mijn kant op. Mij kende die dan wel, maar wie die man was? Hij bleef wat lachen, te bleu om te zeggen dat hij het niet wist. Ik schaamde me een beetje voor mij overenthousiaste oom.
Die vertelde wie hij was. ‘Je weet wel, uit de Varenstraat. De groenteman met zijn paard, met Lieftink,’ want zo had mijn oom zijn naoorlogse paard genoemd.
Ik kan me niet herinneren dat Vianen echt iets gezegd heeft. Ook niet dat hij er geen idee van had wie die man nou was, maar zo was het wel. Zoveel was wel duidelijk.
Ik ben niet twintig maar bijna vijftig jaar weg uit Monster en ik weet zeker dat ik gisteren en vandaag mensen ben tegengekomen met wie ik vroeger in de klas zat of op de padvinderij of wat dan ook. Af en toe is er wat herkenning, een stuk straat, een huis, maar ik beweeg me vooral door een gebied van vervreemding. In Loppersum, om iets te noemen, eigen ik me straten toe, in het Westland zie ik vooral dat er veel niet meer is. Deze keer vallen me vooral de stukken grond op waar ik vroeger op een schuit doorheen voer, waar ik slootje sprong of wat dan ook. Ze gingen op de schop of doen dat alsnog om huizen te bouwen voor de tien- en tienduizenden Westlanders van na mijn vertrek met wie ik nooit wat te schoffelen had of hebben zal.
De Amersfoortse neef en ik heb intussen wel een afspraak gemaakt en ik weet zeker dat hij een keer met me naar Monster wil. Om de Molenwijk te zien, het kerkhof te bezoeken en een oude neef. De fietsenmaker bij de molen zal ik hem afraden.

* Zie OH van gisteren, 22 juli 2020.

22 juli 2020

Geen fietspomp

Ook een maand geleden bezocht ik het kerkhof van Monster. Deze keer had ik geen bloemen bij me, je kunt niet bezig blijven, maar wel een dochter en een kleinzoon en we gingen even langs het graf van mijn ouders. Voor mij had het niet zo gehoeven om het opnieuw bij de doden te zoeken en niet bij de levenden, maar de jongste wilde er weer eens langs. We zijn een paar dagen te gast in een huisje dat zij huurde in de driehoek Naaldwijk, ‘s-Gravenzande, Monster. En vandaar fietsten we naar Monster.
Een bezoek aan doden heeft als praktisch voordeel dat je er niet zo lang hoeft te blijven. Dat was maar goed ook, want Lucas begon steeds meer trek te krijgen in het ijsje dat we hem beloofd hadden. Dat haalden we bij de ijsboer tegenover de molen. Onder die molen, De Vier Winden, waren bankjes geplaatst die uitnodigden om daar je ijsje op te eten. Links zag ik het huis waar ik in mijn puberjaren woonde, rechts stond mijn geboortehuis. Hier was ik een jeugd lang thuis geweest.

Op het bankje naast ons zat een oude man. Hij had een vouwfiets voor zich staan, op zijn kop. De band was zacht, misschien wel lek. Terwijl wij vergeefs ons best deden om de ijsjes niet te laten lekken, kwam er een vrouw naar ons toe met de vraag of wij een fietspomp hadden. Die hadden we niet. Vanochtend, thuis in Utrecht, had ik nog wel even gekeken naar het handige pompje dat ik altijd meeneem op trektochten, maar lekke banden spelen me nauwelijks meer parten, dus ik nam het niet mee.
Daarom moest ik nu nee verkopen. Wel verwezen we naar de fietsenmaker om de hoek. Daar was de vrouw al geweest, maar de werkplaats was gesloten. Alleen de verkoopafdeling draaide. Zonder fietspomp. Ik vond het een raar verhaal.
‘Gaat u aan de overkant de deuren langs. Er is vast wel iemand met een pomp,’ stelden we voor. Dat had de vrouw al gedaan. Hoewel de man van de omgekeerde fiets en zij geen woord met elkaar wisselden, elkaar zelfs niet even aankeken, was duidelijk dat ze een stel vormden en dat zij de ondernemende was van de twee. Ze belde iemand met haar mobieltje en even later stak ze over en stapte op een fiets die blijkbaar de hare was.

Hier was ik een jeugd lang thuis en nu was ik niet eens in staat om iemand even aan een pomp te helpen. Ik wist van de schuur links, een eindje verder, zou er blindelings de fietspomp hebben kunnen pakken, een andere overigens dan die van de schuur achter het huis rechts, die hadden we ooit moeten vervangen. Intussen kon ik dus niets betekenen en moest ik constateren dat een heel dorp in gebreke bleef.

Lucas had bijzonder veel moeite met zijn smurfenijsje, al leed hij er niet onder. Gelukkig had ik bij de ijssalon gauw een stel servetten in mijn zak gestopt en ik had dan wel geen fietspomp bij me, wél een volle bidon zodat er een schoon jongetje op de fiets gehesen kon worden.

Toen we vertrokken zat de man onder de molen, nog achter zijn omgekeerde fiets, hij staarde naar wat sprietjes gras tussen zijn schoenen. De vrouw was nergens te zien.

21 juli 2020

Sterzingers

 

Het ligt niet erg voor de hand om op de derde dinsdag van de hooimaand stil te staan bij een tekening waarin een groepje kinderen in een optocht huizen langs gaat. Als het goed is, zijn ze verkleed als een van de drie koningen of als herder. Het is een tafereel dat zich afspeelt in de periode tussen Kerst en Driekoningen.
In het midden, het drukste deel van de tekening staan zeven kinderen. Een vrouw midden in het groepje draagt een achtste kind en een beetje achteraan staat misschien een negende. Een puber? Dan wel eentje die geen aandacht heeft voor waar de vier kinderen vooraan mee bezig zijn. Die staan in een kringetje, eentje met de rug naar ons toe. Ze zijn ergens over in gesprek. Het zou kunnen dat de een vindt dat hij de ster nu eens mag dragen, dat is de lamp die aan een dunne stok als een zonnebloem van licht boven hun hoofden hangt. De ander wil hem niet afgeven, of hij wil juist dat die andere koning hem nu eens overneemt. Het maakt deel uit van hun spel van de driekoningen, maar ze zitten niet meer in hun rol. Het zijn geen koningen en herders meer, maar jongens die het niet helemaal met elkaar eens zijn. Eentje staat er verveeld bij. Hij is het gedoe van zijn vrienden zat. De vierde, links, is er bij gaan zitten en wacht af hoe het afloopt. Hij is partij, maar laat het niet merken.
Ernstig is allemaal het niet. Dat zie je aan de moeder met het kind op haar arm. Ze is met een paar penseelstreken neergezet, voldoende om te zien dat ze wel plezier heeft in het gedoe van de jongens, voldoende ook voor ons om te zien dat ze mooi is. De hond die later met een dikker en dik in de inkt gedoopt penseel met een paar cirkels en streepjes is neergezet, heeft meer belangstelling voor de twee kinderen rechts. Waarbij de grootste van de twee de ontevreden kleine wijst op de ster, om af te leiden. Niet alleen de hond, ook twee mannen op de achtergrond hebben meer belangstelling voor die twee. Het kan niet anders, of het kleine kind huilt. De mond is een grote zwarte inktvlek. De hond is later aan komen lopen, denk ik.
Schuin achter de vrouw heeft nog een derde man gestaan. Hij is veranderd in een bruine vlek. Waarschijnlijk heeft Rembrandt de zijkant van een in water gedoopte rechterduim gebruikt om de man weg te halen. Uiterst rechts zie je nog iemand weglopen. Dat zou dus de man kunnen zijn die meer naar voren een bruine vlek werd.
Het linker deel van de tekening is veel lichter dan de rest. We zien een gezin in de deuropening. De onderdeur is nog dicht, een kind heeft moeite over de rand heen te kijken. Hier, naar dit gezin in de deur zou de belangstelling van al die kinderen uit hebben moeten gaan. De man en de vrouw en de baby die ze dragen zouden toegezongen moeten worden. Het gezin in de deur zou zomaar de heilige familie kunnen zijn, maar waar komt dan dat kind vandaan dat moeizaam over de onderdeur gluurt?

Rembrandt maakte de tekening in 1646, toen calvinistische predikanten er alles aan deden om dit soort katholieke gebruiken uit te bannen. Kerst, Pasen, Pinksteren, dat waren genoeg feestdagen.
Daar hoorde die flauwekul van Driekoningen niet bij.
De tekening, pen en penseel met bruine inkt, meet ca 20 bij 30 centimeter.

18 juli 2020

De plek

Op de avond van onze thuiskomst stuurde Henk me zijn foto's van onze fietstocht toe. De man is zo snel! Een deel van zijn en mijn foto's wordt onmiddellijk gewist. De rest schuif ik in elkaar. Daar ben ik nog mee bezig. Voor de exacte volgorde raadpleeg ik af en toe de tijd van opname. Daarbij viel me deze keer op dat Henk dertien minuten op mij achterliep. Intussen heb ik gecheckt hoe het zit en weet ik dat hij niet achterliep, maar ik voor. Daarbij verbaast het me niet dat de tijd van Henks camera goed was ingesteld, wel dat het leek dat mijn camera voorliep op die van hem. Nogmaals: Henk is namelijk sneller dan ik.

Bij het ritueel van onze tochten hoort dat Henk iedere dag een tekeningetje maakt als verslag van de dag en ik schrijf een stukje. Henk zit doorgaans voor of anders in zijn tentje, ik zit liever niet buiten, omdat ik dan het scherm van het laptopje niet goed kan zien, dus mij vind je in mijn tentje, op mijn stoeltje, het apparaat op schoot. Henk heeft dit jaar geen foto van me gemaakt terwijl ik een stukje aan het tikken ben. Dat is geen punt, integendeel: ik hou er niet zo van dat schrijfsels verwijzen naar het schrijven, of foto's naar het fotograferen. Dus je hoeft ook niet te zien hoe de schrijver zit te schrijven. Maar bij het kamperen is het vinden van de geschikte plek toch wel steeds een momentje om bij stil te staan.

De fietstocht van dit jaar was bijzonder kort, een week, en daarbij kwam dat ik halverwege een nacht thuis sliep en dus mijn stukje achter mijn bureau kon schrijven. Dat is bijzonder prettig (daarom deed ik het ook), maar past niet bij het ware kampeerwerk. Er blijven nog vijf nachten over en in drie gevallen lukte het me in de buurt van een stopcontact te zitten bij het schrijven. Ik ben nogal gevoelig voor volle batterijen en accu's namelijk. Twee keer kwam ik in een soort blokhutje terecht en een keer, in Drieënhuis, in een tot eenvoudige recreatiehal omgetoverde boerenschuur, waar ik een krukje als tafel gebruikte en een andere krukje als - je raadt het nooit - krukje om op te zitten.

Het vinden van een schrijfplek is dus wel een moment om aandacht aan te besteden, al moet ik zeggen dat het schrijven op een stoeltje in de tent met computertje op schoot me goed bevalt. Maar vanwege de energievoorziening is dat dus niet mijn eerste keus. Dat een plek een stukje wel kan beïnvloeden, ook al gaat dat helemaal niet over die plek, zal wel onzin wezen, maar toch zit dat in mijn hoofd. Stel je voor dat je aan een stukje over gesprekken tussen Europese regeringsleiders in Brussel kunt merken dat de schrijver ervan die dag gebonden tomatensoep heeft gegeten, hoogstwaarschijnlijk niet uit een kom maar uit een bord. En dat je dat niet merkt omdat dat wordt verteld, maar de woordkeus en melodie van de zinnen dat verraden. Dat zou toch prachtig zijn.

Die gedachte speelt ergens in de diepte mee als ik tijdens fietstochten een schrijfhoek zoek. Misschien dat ik het daarom wel spannend vind om op een vreemde plek mijn laptop open te klappen.

Cup-a-soup is heel lekker als je een dag gefietst hebt. Thuis smaakt die verschrikkelijk, maar niet tijdens een fietsvakantie. Ik weet niet of het met de rest van dit stukje te maken heeft, maar voor mijn gevoel maakt deze belangrijke mededeling het voorgaande pas volledig.

17 juli 2020

Déjeuner sur l’herbe

Mijn rooie fietsje sprong enthousiast de poort in. Het was een verademing om na meer dan een week zomaar zonder bagage op stap te gaan. Hij huppelde naar de grazige weiden direct buiten de stad, vrolijk om zijn herwonnen lichtheid. Nauwelijks in de polder werd hij tegen een paal gezet.
Een paar meter verderop stond het stralende middelpunt van de dag. Een kleine rij mensen vormde een pijl die naar haar wees. Er is er een jarig, dacht ik, en: dat kun je wel zien, dat is zij. ‘Ik ben echt jarig vandaag,’ zei ze, ‘en ik voel me ook heel erg jarig, ook al kan ik niet geloven dat ik nu al zeventig ben.’
Dat zou het thema van de dag worden. Wat ons daar in de groene polder te wachten stond, wist ik niet goed. Koffie was er, en gebak. Dat had ik wel verwacht. Er zou ook iets van een rondleiding zijn. Dat klopte, een deel van het gezelschap zou worden rondgeleid op het fort iets verderop, het andere deel zou een wandelingetje maken. Ik wandelde even later langs de paden waren ik een paar keer per week fiets. Van een afstand volgde mijn rooie fietsje mijn gangen.
Sommigen bleven bij de picknicktafels. Dat was een leeftijdsdingetje waar beleefdheidshalve niemand iets van zei. De wandelaars liepen langzaam, het was een slenteren, op halve kracht. Ook dat was te snel en daarom stonden we vaak stil om de anderen op te wachten. Er werd gewezen naar lang geleden huizen die er niet meer stonden. Gewezen naar een molen en een overbodige slagboom die er altijd al geweest waren, maar die de een of de ander nooit eerder had opgemerkt. In al die jaren niet!

Toen het rondje af was, begon mijn fiets al te kwispelen, maar nu zou de high tea nog komen. Ik kwam met vier anderen aan een van de vier tafels te zitten.
Een stel vertelde in geuren en kleuren van de ellende die de bouw van hun seniorenwoning met zich mee brengt. Zij hadden het overigens niet over een seniorenwoning maar over alternatief wonen. ‘Het is namelijk voor alle generaties.’

‘Ik voel me helemaal niet ouder dan vroeger. Zeventig zijn zegt me niks,’ verklaarde een vrouw die ik al zag bij de zwemles van de kinderen en bij de avondvierdaagse, maar die ik nooit had gesproken. Ze ging verder: ‘Alleen als de kinderen er zijn, dan voel ik me oud, want ze praten met elkaar, niet met mij, en ik heb vaak geen idee waar ze het over hebben.’
‘Zo ging het met mijn schoonmoeder ook, Carla,’ nu was de 72-jarige echtgenoot van de jarige aan het woord, en hem kende ik wel. ‘Die bepaalde bij haar thuis het gesprek. Later, als ze op bezoek was bij de kinderen, voor een verjaardag, sneed ze een onderwerp aan dat het twintig tellen vol hield; daarna gingen de anderen weer verder met hun eigen gesprek. Nog weer later zei ze niets meer, behalve als iemand vroeg of ze het een beetje naar d’r zin had. ‘O, ja hoor, zei ze dan.’ Jij zit ergens op dat hellend vlak, Carla.’
Ik vroeg maar niet hoe het nu met zijn schoonmoeder was; ik wist dat ze al lang dood was.
Haar jarige dochter niet, die straalde nog steeds en genoot van een scone. Het deed me genoegen om te zien dat ze nu in ieder geval niet dacht aan de staaroperatie die haar te wachten staat en waar ze nogal tegenop ziet.

16 juli 2020

Barneveld

Kootwijkerbroek, Stroe, Harskamp, De Valk, de gebieden van die dorpen lopen wat door elkaar. In dit deel van de Gelderse Vallei lijken de landwegen op elkaar en ze zijn de afgelopen halve eeuw nauwelijks veranderd. Ik merk het als ik door een milde regen in een ruime boog om Barneveld fiets.
Er zijn nieuwere, fraaiere stallen gekomen, dat wel, maar niet veranderd is de geur. Die komt uit de poriën van het gebied.
Bij geur denk ik aan iets vluchtigs. In de lift op school kon je vroeger ruiken wanneer Joop daar gebruik van had gemaakt. Hij hield van eau de toilette en ging er royaal mee om. Toen ik twintig jaar na de verhuizing nog eens terugkwam in de werkkamer van ons vroegere huis rook ik nog de pijptabak die ik daar lang geleden had zitten verstoken. Daar schaamde ik me toen, intussen een verstokt niet-roker, voor. Een beetje maar, een heel klein beetje, want het deed me ook plezier. Dat had ik ook toen er onlangs, vraag me niet vanwaar, een miniatuurtje uit een doos tevoorschijn kwam van een flesje Dakkar Noir. Ik herkende het niet eens, maar toen mijn zoon van tegen de veertig aan het flesje rook, riep hij plotsklaps: Pappa. Inderdaad, zo was het. Ik rookte pijp en deed nog aan eau de toilette. Amphora Bruin en Dakkar Noir
Bij Barneveld rijd ik door een landschap van geur, de geur van de Gelderse Vallei. Het is een weeïge lucht waarvan ik niet alleen het idee heb dat die uit de poriën van het land komt, maar ook opgezogen wordt door de huizen, de mensen en dat alles in de wijde omtrek, organisch of anorganisch, die lucht vervolgens ook weer afscheidt.
Is het vergezocht om te veronderstellen dat geur ook een mentale component kent? Het gaat er nu niet om dat iemand wat somber of gelaten wordt van de lucht van zoveel pluimvee, vermengd met wat andere agrarische ingrediënten. Daar gaat het niet om, ik ga een stap verder. De geur heeft niet alleen een mogelijk effect op iemands geestesgesteldheid, nee, dat zogenaamde effect is een van de bouwstoffen van de geur die kippen verspreiden.
Het zou mij niet verbazen als mijn denken, mijn kijk op het leven anders zou zijn geweest als die pluimveegeur de lucht was geweest waarin mijn leven zich voltrok. Het is een heel andere geur dan die van de kust waar ik opgroeide, en ook van de bossen en de heide van gisteren, toen we hier niet ver vandaan, van Doorwerth naar Kootwijk fietsten.
Misschien zijn er wel geurtherapieën. Ik weet het niet.
Als alle pluimveehouderijen in de Gelderse Vallei geruimd zouden worden, duurt het nog decennia voordat die geur weg is, weg uit de grond, weg uit de mensen, weg uit de gebouwen en weg uit de lucht en daar lijkt het ook een beetje op, dat de lucht bij Barneveld een andere samenstelling heeft dan in de rest van Nederland.

15 juli 2020

Protest

Het derde pontje zette ons de Neder-Rijn over en zorgde daarmee voor een schok in onze beleving van het landschap. Weg waren de klei, het altijd aanwezige water, het platte land en de wind die we tot dat pontje tussen Driel en Doorwerth vooral tegen hadden. Voor het eerst in tijden gebruikte ik het kleinste verzet van mijn fiets. Lang duurde dat niet, zo breed is de stuwwal bij Heveadorp nu ook weer niet, maar het zand, het bos, bleven.

In het rivierenland zagen we hier en daar borden die ons leerden dat het werk van boeren van groot belang is en dat we daar dus vooral niet te gering over moesten denken. Boeren waren trots! De borden zagen we ook op de Veluwe. Natuurlijk niet op de Ginkelsche Heide of bij Kootwijkerzand, maar weer wel bij Stroe, waar bikken rijmde op stikken.

In de omgeving van Kootwijk begon het een beetje naar de Bible Belt te ruiken en al helemaal op de keurig verzorgde minicamping waar we aan het eind van de middag neerstreken. Een leestafel in het sanitaire blok liet er geen misverstand over bestaan: stapels van het tijdschrift De Waarheidsvriend, de kranten van afgelopen week waren edities van het Reformatorisch Dagblad, ik zag een editie van Terdege en ook lagen er twee Bijbels.
Een kilometer of tien eerder hadden we ons erover verbaasd toen we een camping zagen waarbij alle caravans een schotel op hun dak hadden. Die kwam je niet tegen op de natuurcamping even verderop en ook niet bij de twaalf caravans op deze camping. Caravans zonder schotels hebben mijn sympathie. Dit was dus de Biblebelt.

Ik vroeg me af of boeren die bij de GerGem horen, bij Hersteld Verband of bij de Gereformeerde Bond mee zouden doen aan demonstraties? Zouden zij met hun trekker optrekken naar Den Haag? Ik denk van niet, maar ja, onlangs las ik van een SGP-jongere die niet inzag waarom er niet samengewerkt kon worden met Forum voor Democratie. Dat is heel iets anders, ik weet het, maar ik heb geen ander voorbeeld. Ik schrok er wel van. Mijn latente angst voor hordes en mensen die geboren lijken met een beschuldigend vingertje steekt heel makkelijk de kop op.

Lijkt me overigens interessant eens na te gaan of en in hoeverre en op welke manieren mensen die deel uit maken van een bepaalde groep, een beroepsgroep zoals die van boeren, maar ook van een andere groep, bepaald door streek en levensbeschouwing zich manifesteren. Zijn het vooral Drentse boeren die ook lid zijn van een biljartclub die optrekken of juist de Zeeuwse boerinnen die op elke derde dinsdagavond van de maand een boek bespreken?

Welke boeren gaan met een trekker een autoweg op en welke boeren niet? Wie lopen te hoop tegen de anderhalvemetermaatregel, wie denken er net zo over maar trekken vervolgens niet naar Dam, Malieveld of wat dan ook?

Zitten daar veel mannetjes tussen die met een tentje op de fiets door Nederland trekken en blij zijn als ze om tien uur eindelijk naar bed kunnen? Dat zou ik ook wel willen weten.

14 juli 2020

Zwaaien

Het verbrande hoofd van gisteren was een optelsom van drie dagen onverdroten blootstelling aan de zon tijdens het fietsen. Daarom was ik niet erg rouwig om het regentje dat het vandaag de hele van de zon overnam. Mijn gezicht was er blij mee en de rest van het lijf kon er ook goed mee omgaan. Hier wil ik het verder niet over hebben.

Ondanks de regen troffen we nog heel wat mensen op ons pad dat voerde van Utrecht naar Millingen aan de Rijn, een kleine honderd kilometer waarbij Rijn en Waal uitgebreid op het menu stonden. Die andere fietsers waren de natuurlijke en de onnatuurlijke kleur in hun haar al voorbij. Ik moet wel zeggen dat er de nodige petten en capuchons waren, maar desondanks durf ik met een gerust hart voor deze bewering in te staan. Nu, met een mild regentje zag je geen jong volwassenen op een kekke racefiets. Senioren zag je en scholieren, de echte doorbijters in de Nederlandse samenleving. En, dat dan weer wel, ruim bepakte gezinnen die op fietsvakantie waren. Het goede volk dus.

Vandaag gebeurde het minder dan de dagen ervoor, maar het gebeurde wel: fietsende tegenliggers zwaaiden naar ons. Ik ken de gesproken groet. Het goedemorgen dat het veel beter doet dan goedemiddag, en dat niet alleen in Nederland, alleen in Frankrijk wenst een tegenligger je geen ‘bonmatin’ maar pakt hij de hele dag. In Nederland doen hoi en hallo het ook wel, maar dat zwaaien maak ik pas mee sinds afgelopen vrijdag.
Zwaaien is ook het goede woord niet. Daarbij denk ik namelijk meteen aan een hand die los uit de pols even heen en weer wappert, terwijl het hier gaat om iemand die een bovenarm opzij buigt en daarbij de onderarm verticaal houdt, en wel zo dat de hand niet of nauwelijks boven de schouders uitkomt. De hand is gestrekt, met de palm naar de fietser die wordt begroet.
Het begon met een ouder echtpaar afgelopen vrijdag, onder Almere. Eerst groette de vrouw me en de man achter haar deed het precies zo. Inderdaad man en vrouw nemen doorgaans de gekste gewoontes van elkaar over, zoals er mannen zijn die bij het plassen gaan zitten. Zoiets. Misschien ging dat ook op bij een manier van groeten.
Maar ik had Almere nog niet geslecht of een jongeman alleen begroette me op dezelfde manier. Was het streekgebonden?
Ik houd het kort en vertel alvast dat het niet streekgebonden is, niet leeftijdgebonden, niet wordt bepaald door sekse of positie in de samenleving (al heb ik dat niet gecheckt).
Henk en ik hadden het er gisteren al even over, ook hem was het opgevallen. Door even over zoiets te praten kwamen we tot een mogelijke verklaring, waaruit maar weer blijkt hoe goed het is om te praten over wat je dwars zit of anderszins bezighoudt. Het ging allemaal zo snel in dat gesprek van ons dat iedere reconstructie ervan de werkelijkheid geweld aan zou doen. Maar we kwamen samen op de high five. Het zou wel eens een door de coronatijd ontstane luchthighfive kunnen zijn. Misschien is er intussen ook wel een airboks. Het zou zomaar kunnen. Hier in de tent (het regent weer) is geen internet, dus ik kan gelukkig geen onderzoek doen, maar ik houd het erop.

Vandaag kwam we overigens maar een keer iemand tegen die ons op die manier groette. Dat was ergens tussen Dodewaard en Nijmegen, langs de Waalbandijk, met één d.

13 juli 2020

Die Romeinen

Met een grote boog bereikten we gisteren Katwijk, Henk en ik. Daar begint de Limesroute, een fietsroute die voert langs de noordgrens van het Romeinse rijk. Ik wil niet dat daar grapjes over worden gemaakt. Vraag me niet of ze zoveel citroenen aten, die Romeinen, vraag me ook niet of die mannen ook alles op de fiets deden. Zeg ook niet dat het maar rare jongens zijn, die Romeinen. Anderen zijn je voor geweest. En nee, het is ook niet logisch om de tocht die voert van Noordzee naar Zwarte Zee van west naar oost te maken. Al kun je je met hetzelfde recht afvragen of je voor een rondje om Nederland de grens met de klok mee moet volgen of juist andere kant op.

Het mag ons worden aangerekend dat we weinig aandacht hadden voor het beginpunt, Kalla’s toren, een gedenkteken dat herinnert aan die verschrikkelijke keizer Caligula die van hieruit Brittannië had willen veroveren, maar dat niet deed. De echte toren van Caligula was deel van het Lugdunum Batavorum waarvan resten een kilometer verderop in zee liggen. Dat was niet een bijzonder geschikte plek om de tocht te laten beginnen aan, maar we hadden toch op zijn minst foto van onszelf moeten maken bij dat kunstwerk op de Boulevard. In plaats daarvan vroegen wij ons meer af hoe we met al die wegomleggingen de gereserveerde camping bij Wassenaar konden bereiken. Dat gaf het nodige gedoe.

Daar hadden we vandaag geen last van, maar ook het eerste manifeste Romeinse moment, c.q. monument het Matilo kreeg nauwelijks onze aandacht. We brachten er tien minuten door, maar dat was vooral omdat Henk naar batterijen voor zijn camera zocht en ik naar hem keek, op ruime afstand om te laten merken dat hij op moest schieten.

Eerlijk gezegd ken ik de route vandaag wel. Ik heb hem meermalen gefietst en voor een groot deel ook gelopen. Maar nu was ik niet op weg naar of van het strand, van mijn moeder of tante Hennie in Alphen aan de Rijn of wat dan ook, nu fietste ik de Limesroute, uit te spreken als Limès, al doe ik dat zelf ook niet, het klinkt me te uitsloverig. Vandaag fietste ik deze route voor het eerst als zijnde een traject dat voert langs de noordgrens van Romeinse rijk. Het lijkt wel of er met de aandacht voor dat volk dat 2000 jaar geleden Europa beheerste een nieuw stukje geschiedenis bij gekomen is. Ik associeer het gebied, met de zeventiende eeuw, met negentiende nijverheid, met J.P Thijsse. Ik noem maar wat.

We hadden al wel wat oude stenen met inscriptie en het castellum op het Domplein, de resten onder de muzieschool daar, maar daar heb je het al: dat is toch vooral de plek van een middeleeuwse kathedraal. Met de aandacht voor de Romeinen wordt er een nieuw stuk geschiedenis geëxploiteerd. Nieuw! De Romeinen! Het Castellum bij Leidsche Rijn geeft misschien wel een beetje aan wat ik bedoel.

Ja, dat heb ik allemaal bedacht op de fiets, met de wind in de rug en een verbrande kop.

12 juli 2020

Bikkelen

Natuurlijk dacht ik gisteren bij dat grote huis onderaan de dijk onder Schermerhorn ook wel aan koningin Emma, maar veel meer dan een losse gedachte werd het niet, gisteren niet en veertig jaar geleden ook al niet*.
Vanmorgen was er geen ontkomen aan die associatie, want we waren nog maar amper op weg, verder zuidwaarts, of we troffen in de bocht een huis met de naam Juliana en daarnaast een… was het een gemaaltje? Ik weet het niet zeker, wel weet ik dat het Willem Alexander heette. De tussenliggende generaties met Wilhelmina en Beatrix heb ik niet gezien, maar deze trits was onmiskenbaar. Het grote huis is genoemd naar de koningin-moeder die met haar regentschap in de jaren negentig van de negentiende eeuw de harten van de Nederlanders stal. Vermoedelijk is Nederland nog een koninkrijk dankzij de dood van Willem III.

Vandaag wilde ik me hoeden voor memory lane. Het kan niet altijd feest zijn. Gisteravond liepen we naar het pannenkoekenhuis van Driehuizen en toen herinnerde ik me een etappe van het Trekvogelpad waar ik ooit met Aat liep, een kille dag in februari. Storm, regen. Ik vertelde het Henk en toen zag ik een sticker met de naam van het pad.
Vandaag geen herinnering. Het was tijd voor heel iets anders. In ieder geval waren er veel en veel minder auto’s op of langs ons pad. Des te meer fietsers. Ik denk niet dat je in Nederland een man van tussen de dertig en de veertig kunt zijn zonder racefiets en bijpassende outfit. Er moet door de week heel wat kostbaar materiaal in schuren of wat dan ook opgeslagen staan om op zondag (of zaterdag) tevoorschijn getrokken te worden.
Het was prachtig weer vandaag. Voor fietsers konden de weersomstandigheden niet gunstiger zijn. Al die voorbij- of ons tegemoetstormende hordes deden me aan gnoes denken. Het blonk allemaal, die fietsjes van ze, die shirtjes en helmen; wat zag het er kek uit. Maar het waren gnoes, zinneloos geframede dertigers die roekeloos een bocht afsneden als de voorste dat ook deed. Die blind naast elkaar blijven rijden als er ook van de andere kant mensen naast elkaar rijden. Henk en ik deden dat niet, natuurlijk niet, wij reden keurig achter elkaar.
Toch had niet elke wielrenner zich overgegeven aan zinneloosheid. Zo werden we gepasseerd door een tweetal (daar heb je het al, geen vier- of nog-meer-tal, nee, twee) waarvan er een ons toeriep dat wij de echte bikkels waren.
En zo is het ook. Over een uurtje stonden die dertigers onder de douche en even later liepen ze weer rond met een schoon polootje aan. En dan zaten wij nog op de fiets. Met tent en kookgerei, schoon goed en nog veel meer. Wij wel!
Dit gebeurde dus allemaal tussen overstelpend veel sappig groen dat doorsneden werd door vaarten met lelies en watervogels en daar boven een blauw dat hemels blauw was, met wolkjes waarbij slagroom schriel afsteekt. Maar met regen en stevige tegenwind zouden wij er ook zijn geweest.
Later reden we langs de Leidse Trekvaart. Dat is de vaart waarlangs 200 jaar geleden een voorvader van me als scheepsjager over het jaagpad zeulde. Dat was nog eens bikkelen. Als we hem waren tegengekomen, zouden wij ons geschaamd hebben, als dwaze zestigers die zich in het zweet trappen... En waarvoor? Voor de lol.

* Zie OH van 20200711

11 juli 2020

Emma

De dijk van Lelystad naar Enkhuizen grijnsde me toe, maar de wind viel erg mee. De enige regen die ons had willen teisteren viel op de parasol halverwege. Daar zaten we onder met koffie en gebak.
Het echte ongemak wachtte ons op bij Enkhuizen. Kilometers lang reden we langs ingeblikte mensen. Dat denk ik tenminste, dat er mensen in dat gemotoriseerde blik zaten. Ik droomde van de jaren dat ruiten van auto’s nog niet getint waren en je als passagier of chauffeur gezien werd. Je zat minder verschanst in een auto: de ruiten zorgden voor een aangenamer uitsnede van het menselijk lichaam. Zouden kinderen dat nog doen als ze in een auto zitten, eindeloos naar inzittenden van andere voertuigen zwaaien en dan maar hopen dat er gereageerd wordt? Ik ben bang dat er van dit erfgoed niets meer over is. In plaats daarvan zitten de kinderen ook in de auto naar een schermpje te turen. Denk ik. Zeker weten doe ik dat niet: vanaf mijn fiets kan ik dat niet zien. Het zou me welkom zijn geweest, af en toe een kinderhandje dat naar je zwaait.
Het zou me misschien ook wat hebben afgeleid van de wind, want die bleef ons lastig vallen, ook toen we eindelijk bij Avenhorn van het misdadige blik verlost werden. Toen was er dus nog die wind en die nam toe. Henk kon daar veel beter tegen dan ik. Ook dat nog.

Op de dijk langs het Markermeer vanochtend hadden we geconstateerd dat we hier geen van tweeën eerder fietsten. Henk had hem wel vaker met de auto bereden. Pas toen ik zei dat ik dat niet gedaan had, schoot me te binnen dat ik er veertig jaar geleden overheen was gegaan. Daarna had ik een wandeling door Hoorn gemaakt, er een parkeerbon van 35 gulden opgelopen die ik ter plekke bij de politie ben wezen betalen. Daarna ben ik wat in de omgeving gaan rondrijden.

De droef makende aandacht voor mijn afnemende krachten werd onder Schermerhorn hoopgevend afgeleid door een huis. Ik had, al fietsend, een foto gemaakt van een stukje land met molen toen ik rechts, onderaan de dijk, een groot vrijstaand huis zag, een zakelijk ogend huis waar er in de jaren twintig heel veel aan de toenmalige rand van dorpen werden neergezet, maar hier stond het huis zonder dat er varianten rond dit bouwkundige thema in de onmiddellijke nabijheid stonden. En het was veel groter.
Toen wist ik het. Ik was hier in 1980 uit mijn rooie Renault 4 gestapt om een foto van de landelijke ligging van de molen te maken en toen ik weer wilde instappen (het was toen slecht weer) zag ik dat grote huis en ik zag dat het Emma heette. Nu nog.

Ik weet nog dat ik die avond thuis een verhaal, of waarschijnlijker een gedicht schreef over Emma. Vraag me maar niet waar het over ging. De kans is groot dat ik het heb weggegooid en als dat niet zo is, kan ik nu niets met die vraag. Het is niet mijn gewoonte een heel archief met me mee te slepen als ik een paar dagen ga fietsen. Dat ik een tent meeneem bij wijze van huis is al heel wat. Aan een complete inboedel kunnen we niet beginnen.

Intussen ben ik wel benieuwd naar wat me toen zo aanspraak van dat huis en wat die naam met me deed, want er was iets met die naam en dat was vreemd, want ook toen kende ik niemand die zo heette.
Bij het raadhuis van Grootschermer moesten we rechtsaf. Als ik een flinke vent was, zou ik nu afstappen en een foto maken. Ik reed door. Ik had die foto in 1980 al gemaakt en dus vond ik dat dat nu niet meer hoefde.

De tent staat, ik heb gedoucht, we hebben gegeten. Er hoeft niets meer vandaag. Zit ik alleen nog met die vraag waarom huize Emma me indertijd zo intrigeerde en waarom me dat nu bezig houdt.

10 juli 2020

Pap en moes

In de ‘Heiligen met de Krakeling’ vertelt Belcampo van Franciscus van Assisi, die het beste voorhad met viervoeters, pootlozen en andere dieren, en daarom op zijn fiets niet ophield met bellen. Dit om kevertjes, slakken te waarschuwen. Ik denk dat dat geen zin heeft. De dieren besteden er geen aandacht aan óf ze schrikken zo dat de waarschuwing wel averechts zou kunnen werken. Ik heb vandaag regelmatig gebeld, maar dat was steeds om mensen die voor me uit jogden of sjokten te waarschuwen. Dat deed ik ruim van te voren, juist om schrikken te voorkomen.
Voor slakken volg ik een andere strategie. Die van het slalommen. Dat valt nog niet mee als het regent, zoals vandaag, en je rijdt over betonnen of geasfalteerde paden door bossen en parken, paden waarop het wemelt van de naaktslakken die allemaal in zijn voor een orgie.
Het is ook een uitdaging, met een bepakte fiets op paden die uiteraard spekglad zijn. Ik heb de illusie dat ik ze als een duivelskunstenaar op de fiets allemaal heb weten te ontwijken. Voor mijn achterwiel kan ik niet helemaal instaan.

En dan waren er natuurlijk de kwikstaarten die op het fietspad neerdalen, daar blijven zitten tot je dichtbij bent om dan weer op te vliegen, eerst tien meter niet meer dan twintig centimeter boven het pad; daarna golven ze omhoog en honderd of tweehonderd meter verder weer omlaag. Er lijkt geen einde aan te komen.
Toch blijkt zo’n kwikstaartje er ineens niet meer te zijn, dus het is wel opletten geblazen. Ook al omdat de geringste verslapping van aandacht de onmiddellijke dood van een slak betekent, wat zeg ik, van soms wel vier of vijf slakken tegelijk, want die beestjes lusten er wel pap van.

Dankzij mijn oplettendheid maakte ik intussen meermalen het moment mee dat een kwikstaartje het af liet weten, weg zwenkte en niet meer terug kwam, maar het gebeurde ook dat een andere kwikstaart het spel over nam. Ik had ze wel door.

Al met al was er vandaag veel spel op deze eerste fietsdag: al te sappig liefdesspel, het sliden van de kwikstaarten en het fenomenale slalommen van een skikampioen op de fiets.

Waaruit maar blijkt dat je gewoon in Nederland kunt blijven voor a thrilling vakantie-experience.

09 juli 2020

Ontoereikend

Winkelhaak en viltstiftje gepakt, slippers uitgeschopt, toen tegen een deurpost gaan staan en vervolgens een streepje boven mijn hoofd gezet. Ik kom op 1meter 78. Met ruis is dat 79, maar misschien ook wel 77. Daarna het streepje weer weggehaald. Dit hoeft niemand te weten.
Vandaag is het oppasdag en komt het er niet van om de spullen voor de fietstocht van de vliering te halen. Daarom deed ik dat gisteren alvast. De tent, het slaapmatje, noem het maar op of je vindt het op de vliering. Die stelt bij ons niets voor: op het hoogste punt zal hij nog geen zeventig centimeter meten. Dat neemt niet weg dat we er onze kampeerspullen goed kwijt kunnen.
Om bij de vliering te komen moet je een luikje weghalen. De handelingen zitten in mijn systeem. Je duwt het luik aan de handvatten omhoog, houdt het rechterdeel schuin omhoog en het linker- omlaag zodat je het door het gat kunt wegtillen. Dan pak je het trapje, en vervolgens kun je vanuit het mangat de spullen pakken, waarbij je jezelf wel in de weg staat, maar ook de handigheid om het toch voor elkaar te krijgen zit in mijn systeem.
Alleen kreeg ik deze keer het luik niet weg. Dat wil zeggen: dat lukte pas toen ik eerst het trapje had neergezet en op de eerste sport was gaan staan. Een paar jaar geleden kwam 1.80 meter in mijn nieuwe paspoort te staan. Dat was drie centimeter minder dan wat eerdere edities vertelden.

De regressie zet door en dat van gisteren, daar onder dat luik, was een vervelende confrontatie met wat ik eigenlijk al wist. Dat maakte het inpakken van de fietstassen tot een bedenkelijke aangelegenheid. Ik rolde het slaapmatje op, maar mijn handen leken strammer. En dan het idee dat ik een week lang op het matje kom te liggen. Toen ik opstond, zocht ik steun bij het hekje van het trapgat. Een kampeerder met een trekkerstentje leeft laag bij de grond en dat zou straks weer mijn lot zijn. Kruipen en strekken en kruipen en weer overeind.

De route die we aanvankelijk zouden gaan fietsen, de Limesroute, hebben we dit jaar ingeruild voor een tocht van een week waarin via slingerbewegingen het Nederlandse deel ervan is opgenomen, een echte seniorentocht dus.
Terwijl ik dit schrijf, regent het. Als het regent, denk ik dat het altijd regent en zo zie ik mezelf nu al morgen de hele dag door de regen naar Lelystad fietsen om daar mijn fietsmaat te ontmoeten. Als ik aankom, heeft hij zijn tent al opgezet. Toen was het nog droog en hij komt van een andere kant, dus hij had de wind in de rug. Nu kijkt hij toe hoe ik na mijn lange vermoeiende tocht in die barre regen bezig ben mijn optrekje te installeren. Hij zal dat doen zonder een spoor van medelijden, want ik ben bijna een heel jaar jonger dan hij. Mijn regenjas beschermt mij al lang niet meer tegen de neerslag op mijn rug.
‘Ik zie dat we morgen de wind weer tegen hebben. Veel neerslag, af en toe hagel. Dan moeten we bij Enkhuizen maar even pauzeren, voor we verder fietsen,’ roept Henk die zich intussen in zijn tentje heeft teruggetrokken. ‘D’r zit trouwens een grote slag in je achterwiel viel me op toen je zojuist aan kwam fietsen. Er zal wel een spaak gebroken zijn, denk ik. Als je klaar bent met je tent, kun je maar beter even op zoek gaan naar een fietsenmaker.’

‘Geen punt,’ roep ik vrolijk terug. Diep van binnen huilt een jongetje dat steeds kleiner wordt.

08 juli 2020

Teun

Er kleven venijnige haakjes aan een koninklijke onderscheiding. Vanochtend las ik dat mensen er niet tegenop zien om standbeelden van Wilhelmina omver te halen. Stel je toch eens voor: dat mooie beeld dat Mari Andriessen van haar maakte. Nu heb ik sowieso bedenkingen tegen de merkwaardige geschiedvervalsing die hand in hand gaat met een anachronistische vorm van censuur als een beeldenstorm, al heeft Wilhelmina ongetwijfeld fouten gemaakt en verpersoonlijkt zij een regime dat wel eens rare dingen deed. Als lid in de Orde van Oranje Nassau, en dat is een venijnig haakje, compromitteer ik me in zekere zin met een familie waarin personen die verwerpelijke dingen deden of iets juist ten onrechte nalieten. Straks, als de koninklijke familie, zonder koninklijk te zijn verder leeft, zal het mij nog worden aangewreven. Het helpt dan niet als ik vertel dat ik helemaal niet zo koningsgezind ben, sterker, dat ik regelmatig een lans brak voor Nederland als republiek. Met onderscheiding zal mij dat alleen maar verdachter maken, een verachtelijke opportunist zal ik heten, iemand die zijn rug niet recht waar het om principes gaat. Ik kan nu wel verdedigen waarom ik toch… Het zal vergeefs zijn. Vooringenomen oren kunnen niet luisteren.

Secundo. Een koninklijke onderscheiding beneemt je je vrijheid. Waar mensen vrij en onbevangen met elkaar omgaan, brengt een lintje een aantal ridicule regels met zich mee waaraan je je maar hebt te houden én het verheft niet zozeer, maar plaatst iemand onder de ander. Ik kreeg mijn lintje tegelijk met de mij dierbare psychoanalyticus. Ik werd lid, maar hij Ridder in dezelfde orde. Tientallen jaren zijn wij vrienden en gaan we als zodanig door het leven, als gelijken, wat toch wel de basis is van vriendschap. Maar nu is het dus ridder. En dat maakte hem al onmiddellijk genereus door de lunch te betalen die wij na afloop genoten, met zijn vieren. Ik laat het niet aan me voorbij gaan als iemand de hele rekening wil betalen. Alleen nu kreeg die generositeit een bijsmaak, een ridderlijke bijsmaak om precies te zijn.

Dat is allemaal geen reden om weer over dat lintje te beginnen. De reden is wel een filmpje dat ik gisteravond via Facebook te zien kreeg. Het ging om de schoonvader van een jonge collega. Op 24 april juichte zij via Facebook over het lintje van haar schoonvader. Nu, na de uitreiking, is er het filmpje van zijn weduwe en zijn twee zoons. Hij zelf overleed daags voor de uitreiking. De plaatselijke omroep ging op bezoek. De weduwe zweeg, de zoons vertelden beurtelings. Dat hij zo naar de uitreiking had uitgezien, dat de burgemeester vóór de officiële bijeenkomst was langsgekomen, dat ze hem alsnog de onderscheiding hadden opgespeld terwijl hij lag opgebaard en dat het lintje bij nader inzien geen kroon was op zijn vrijwilligerswerk, maar een kroon was op zijn leven.

Ik hoop maar dat dat niet zo is, een lintje als kroon op je leven. We kunnen de dode decorandus niet vragen wat hij er van vindt. Dat doet er ook niet toe. Híj zei het niet zelf, een van de zoons zei het. Een van de mensen die hadden gezien wat de man in en met zijn leven had gedaan en wat hij voor anderen betekende die daarom energie wilden steken in de aanvrage van een onderscheiding, dat was de kroon.

Twee liefhebbende zoons en een snikkende weduwe en een lintje dat moet worden teruggestuurd naar de Kanselarij der Nederlandse Orden.

07 juli 2020
Voor Johan

Geen water svp!

Aan de linker- en de rechterkant van het liturgisch centrum van de Tuindorpkerk te Utrecht staan twee bloempotten. Ze vallen niet op, al zijn ze verre van klein. Ze zien eruit als kanonslopen. Gelukkig zijn ze niet op de bezoekers gericht die nu weer mondjesmaat onze vieringen meemaken. Veel kwaad zou dat overigens niet kunnen: er zit geen kruit in maar potgrond en het zijn cilinders van aardewerk, niet van brons. Ik zie ook geen lont. En ze wijzen recht omhoog.
Mij vallen ze alleen op als ik een boodschap moet doen bij de tafel van het liturgisch centrum en van de zijkant kom. Dan moet je er namelijk langs. Ze vielen me ook op tijdens de open kerkochtenden in juni. Beide potten zijn bijna tot de rand gevuld met grond; er steekt een metertje of iets in en er ligt een briefje in. Het verschil is dat uit de ene pot sprieten steken waarvan ik niet goed weet of het om iets palmachtigs gaat of dat het familie is van de rietstengel. In de andere pot vind je de schamele resten van een plant die het al een tijd geleden heeft opgegeven.

Het briefje in beide potten geeft mogelijk aan waarom de ene plant zo weinig tiert en de andere al dood is. ‘Geen water geven, s.v.p. ‘ staat erop. Navraag bevestigt die veronderstelling. De planten zijn waarschijnlijk vloeibaar doodgeknuffeld. Zo zijn kerkmensen: ze zorgen graag, en dan is wat water voor een plant wel het minste wat je kunt doen.
Het kunnen mensen van de interieurcommissie zijn, de hulpkosters, de voorzitter van de kerkenraad, alle leden van de bloemencommissie, onze eigen tuinbroeders, de leden van de commissie Groene Kerk. Het kan, en misschien gedenken ze de planten allemaal wel. Doodgeknuffeld dus.

Misschien ook hebben we te maken met een oud christelijk gebruik, dat bij sommigen levend is gehouden. Vroeger (en nu nog bij de doop) maakte het gebruik van water deel uit van de liturgische handeling. Wat over was van dat water werd via de piscina afgevoerd. Een piscina was een bekken bij het altaar, vaak in een nisje in de muur, met een afvoergootje waardoor het gewijde water op de eveneens gewijde grond van het kerkhof vloeide dat naast de kerk lag. Gods water over Gods akker laten lopen. Misschien biedt die uitdrukking wel een mogelijke verklaring voor het al te hoge waterpeil in de twee potten. Weliswaar zijn we met de piscina wel ver weg geraakt van de protestantse gang van zaken tijdens een viering, maar sommige tradities zijn hardnekkig. Naast Sinterklaas en de kerstboom hebben we blijkbaar ook het lozen van water in de gewijde grond van een bloempot.

De plant in de linkerpot heeft de gemeenteleden toegewoven afgelopen zondag. Het briefje ligt nog steeds bij zijn wortels. De boodschap blijft, hoezeer dat ook indruist tegen je altruïstische hart: geen water geven!

Afgelopen zondag zagen we overigens hoe uit de pot rechts grote groene tongen tevoorschijn sprongen.
Er is namelijk een nieuwe plant aangeschaft. Die aanschaf ging wel gepaard met het verzoek om luid en duidelijk te vertellen dat de boodschap die voor zijn voorganger gold onverminderd van kracht blijft: geen water. Het staat op het briefje. Hier speelt nog iets anders een rol: de plant is van zijde. Hij heeft dus helemaal geen water nodig, sterker nog, we weten niet eens of hij kleurecht is. En stel je eens voor dat de kern van de nerven ervan uit ijzerdraad bestaat dat allesbehalve roestvrij is.

Echt of nep, levend of dood, als het om de planten van het liturgisch centrum gaat: geen water. Er wordt in voorzien.

05 juli 2020

Dylan

Op het nieuwe album van Dylan heb ik even moeten wachten. Ik wist wel zeker dat de middelste die cadeau zou doen. Dat heeft hij ook gedaan, maar iets later dan ik had gewild. Die jongen heeft al mijn elpees van Dylan gekregen toen hij de ouderwetse platenspeler weer in ere herstelde, dus hij weet wat hij me voor mijn verjaardag geven kan.
Ik ben zeer tevreden met Rough and Rowdy Ways, zoals het album heet. Het ziet er niet uit en het hoesje scheurde toen ik probeerde een van de twee schijfjes eruit te peuteren, maar het is zoveel beter dan de voorlaatste productie met nieuw werk.
Aan de glans van de cd draagt natuurlijk ook bij dat ik hem kreeg, nog wel van mijn zoon, en dat ik moest wachten. Twee weken geleden fietste ik al langs Plato, de platenzaak, alsof ik het jongetje van vroeger was dat spaarde voor een album maar wel af en toe in een etalage keek, alleen maar om hem alvast te zien. Of, en daar leek het nu een beetje op, dat je weet dat er een nieuw album uitkomt en dat je het al hebt besteld en dat je maar moet wachten.
Blonde on Blonde was net uit in de tijd toen ik me tot Dylan bekeerd had, ik had al wel twee andere platen van hem gekocht, maar voor dit dubbel album moest ik toch nog een paar uur tomaten plukken.
Nog een kwartier, dan heb ik hem, dacht ik tussen de tomaten. Het meeste geld dat ik er verdiende, was vakantiegeld, maar deze plaat moest ik wel hebben. 22,50 gulden was die. Zaterdag ging ik op de koffie bij moeder Ma en vader Willem. Ik kreeg mijn geld en fietste meteen naar Den Haag om hem te kopen.

Het was een of twee jaar daarna dat ik weer in een tuin bezig was, nu tussen die verschrikkelijke komkommerplanten waar ik uitslag van kreeg. Bovendien was het niet in de gezellige tuin van vader Willem, maar van een jonge kerel die goed in de gaten had dat ik geen tuinder was.
John Wesley Harding was al even in huis en zonder mijn best te doen waren de woorden van de nummers in mijn hoofd blijven haken. Ik was alleen bezig in de komkommerkas en zong de nummers uit volle borst.
‘Wat zit jij nou toch te doen!’ werd er geroepen.
‘Ik ben bezig met je komkommers en ik zing.’
De jonge tuinder zei dat hij me daar niet voor had aangenomen en dat ik een beetje vaart moest maken.
‘Maar ik zing toch mooi.’
Misschien heeft hij dat niet eens gehoord. Toen ik omkeek was hij al weg.

Ik probeer het nog een keer, die liedjes van John Wesley Harding die ooit zo soepel naar binnen gleden . Het resultaat valt me tegen. Misschien gaat het minder goed zonder komkommers.

Tijdens het tikken van dit stukje heb ik het album uit 1967 opgezet. Begin ik nou te denken dat het schijfje uit 2020 me misschien wel beter bevalt?

04 juli 2020

Nummer 8-24

De tekening is anoniem. Ook aan de achterkant wordt niet verteld wie de maker is. Nog een probleem, en misschien vloeit het eruit voort: ik weet niet wat onder of boven is.
Als de maker van de tekening die niet zelf had toegestuurd, zou ik meteen gezien hebben dat er het een is van Harm van den Berg. Die maakt al een kwart eeuw werk als dit. Tekeningen ‘zonder handschrift, zonder beweging, zonder een lijn die even soepel als vrolijk uit zijn pen ‘in einem Guss’ het papier op zeilt. In plaats daarvan tekent Harm van den Berg ergens op een A3-vel met een zwarte fineliner van 0.05 een rechthoekje van niks. En wel daar waar het rechthoekje komt te staan. Geen kleur, geen gebeurtenis, geen warmte, geen geluid. Niks. Een rechthoekje van niks.

Daar komt dan een tweede tegenaan te liggen en dat vraagt weer om een derde, op die en die plek, en daarna een vierde, vijfde. Rechthoekjes die om rechthoekjes roepen, blokjes die stuk voor stuk stilstaan op een rijtje en dan, zo lijkt het, wel bewegen willen.’


Ik citeer hier mezelf. Ik schreef dit bij een portfolio met tekeningen van Harm en nu heb ik er zelf eentje.

De tekening is bijzonder goed verpakt en dat maakt me extra voorzichtig als ik die uit de stevig dichtplakte map probeer los te peuteren. Voorzichtigheid maakt je ontvankelijk voor wat uit zijn kluister bevrijd wordt. In dit geval is het een zwerm vogels. Of nee, omgekeerd, het is een keten van bergen. Het is, kwart slag gedraaid, de beweging van een groep mensen, of, andere kant op, twee minnaars in bed.

Toen ik de tekst voor het portfolio schreef, stapelden de minuscule ruitjes zich tot lijnen, vormen en beweging. Nu zie ik het omgekeerde.

Ik draai de tekening een paar keer rond. Honderd jaar geleden, Bob Dylan was nog pas aan zijn officiële zevende album toe, zag ik een tekening die ik had gemaakt, in de spiegel. De verhoudingen klopten niet, merkte ik. Vervolgens vond ik de hele tekening niet meer deugen. Ik leerde dat het een bekend trucje was. Een tekening op zijn kop zetten, in de spiegel bekijken, het zijn manieren om te ontdekken of hét klopt. Vraag me niet wat dat hét nou precies is.
De tekening van Harm klopt aan alle kanten. Altijd. Ik denk dat ik hem zó hang, dat ik de lijst makkelijk een kwartslag kan draaien. Er zijn geen vogels of heuvels, marcherende uniformen of innig geliefden. Er zijn lijnen en die zijn een mooi verbond aangegaan met elkaar.

Ik heb hem een dag in huis. Hij is mooier dan gisteren.



De Emergent Square Drawings zijn ook te zien op drawings.
Die tekening in kwestie vind ik ook terug: gallery_8-24.

03 juli 2020

De atheïst

Hoe het in de kast kwam, weet ik niet, maar ik trof het daar tussen Patricia Grace en Graham Greene en trok het tevoorschijn. De naam van de auteur zei me helemaal niets: Jens Peter Jacobsen. De titel is Niels Lyhne. Zo heet de hoofdpersoon.
Het boek is niet zo dik en er gebeurt niet eens zo bar veel en wat er gebeurt voltrekt zich in tamelijk lange zinnen waarbij mijn gedachten nog wel eens afdwalen. Je kunt me rustig bladzijden opnieuw laten lezen zonder dat ik het merk.
Het boek is 140 jaar oud en werd drie keer vanuit het Deens vertaald. Volgens sommige grootheden wordt het boek mooier naarmate je het vaker leest. Ik beloof niks.
De roman is een Deense variant van het naturalisme en dus moeten van mensen snel een portret geschetst worden waarin psyche, erfelijkheid en milieu een belangrijke rol spelen.

Het boek is interessant omdat het een fraai beeld geeft van een periode en een stroming, maar ook omdat er uit de brij af en toe prachtige formuleringen opspringen of treffende inzichten in mensen.

Ik sukkelde vanmiddag weg toen op een kerstavond de vereenzaamde Niels alleen in een restaurant gaat eten, waar ook andere eenzame zielen komen dineren. Niet samen, maar ieder op zijn eigen eilandje. Dat geldt onverwacht niet voor Niels want hij ontmoet een kennis en na het diner wandelen ze door Kopenhagen en dan lees ik ‘Niels sprak heftig, maar in nogal algemenen termen tegen het christendom.’
Volgende alinea: ‘Hjerrild was het beu om oude discussies op te pakken die hem welbekend waren en zei opeens, zonder dat het echt aansloot op het voorafgaande: ‘Wees op uw hoede, mijnheer Lyhne, het christendom heeft de macht. Het is dom om het aan de stok te krijgen met de heersende waarheid door te agiteren voor de waarheid van de kroonprins.’
Dat ‘waarheid van de kroonprins’ vond ik leuk gevonden. Daar werd ik al een beetje wakker van. Dat moest ook wel, want ik verwachtte een nogal opportunistische verdediging van het christendom vanuit de negentiende eeuw en die wilde ik wel eens meemaken.
Ik kreeg mijn zin. Dan, als het gaat over het fanatisme van Lyhnes atheïsme, vraagt zijn vriend van die avond zich hardop af: ‘En hoe moet hij [de atheïst dus] in ’s hemelsnaam fanatisme opbrengen voor iets negatiefs? Fanatisme voor het idee dat er geen God bestaat – en zonder fanatisme geen overwinning!’
Lyhne geeft tegengas door te vertellen hoezeer bevrijd de mensen zich zonder God zullen voelen. Maar hij verdedigt zijn ongeloof als een geloof.’ Dat deed Multatuli ook toen hij riep ‘O God, er is geen God.’

Toen werd ik toch weer afgeleid. Er was een toneelstuk van een Franse existentialist (maar ik denk niet dat het Sartre was) en daar herhaalt iemand op het eind ‘er is geen God, er is geen God.’ Ik heb dat altijd zo zielig gevonden. Dat iemand dat vindt, moet ie zelf weten, maar dat iemand zich zo kan vastbijten in wat er volgens hem of haar niet is, dat begrijp ik niet. Dat is dan toch zonde van je tijd. Ga iets anders doen, iets wat niets met een god te maken heeft. Die er immers niet is.

Toen ging de bel en bracht de postbode mij een prachtige tekening. Daarna kwam er van lezen niets meer, dus straks blader ik wat terug en herlees ik de passage. Ben benieuwd wat ik er dan van vind.

* Jens Peter Jacobsen, Niels Lyhne. Vertaald door Annelies van Hees, Wereldbibliotheek Amsterdam 2014 [oorspr. 1880]

02 juli 2020

Bloemen

Om de negenendertigste sterfdag van mijn vader luister bij te zetten zette ik gisteren een bloemetje bij zijn graf. Een opeenstapeling van feestelijke dagen de afgelopen week had ons huis tot een kleine bloemenzee herschapen en dat maakte de verleiding groot een boeket uit een vaas te rukken om dat bij pa neer te zetten. En bij ma, want zij voegde zich ruim vier jaar geleden bij hem. Ik beheerste me en kocht bij de Monsterse bloemist die me al veel vaker aan bloemen hielp om er een dode mee te verrassen.
Er stond al een bos. Mijn broer was me voor geweest. Die had natuurlijk keurig op de dag zelf een bosje neergezet. Gelukkig zijn er twee vazen bij het graf.

Bij het verlaten van het kerkhof bedacht ik dat tante Trees op vrijdag de derde 100 geworden zou zijn. Zij en haar Kees bleven kinderloos en daar heb je als neef of nicht maar rekening mee te houden, ook nu ze dood zijn.

‘Bent u daar alweer’ vroeg het meisje dat me een half uur geleden geholpen had. Ik vertelde dat me nog een honderdjarige dode te binnen was geschoten.
Bij de kassa stond iemand anders.
‘Is het voor een man of voor een vrouw?’ Omdat ik blijkbaar niet snel genoeg antwoord gaf, vertelde ze er maar achteraan dat ik kon kiezen voor roze of blauwe slierten die ze op het cellofaan zou plakken.
‘Tante Trees zag het verschil al jaren niet meer, en nu al helemaal niet.’ De mededeling was duidelijk genoeg om helemaal af te zien van extra papier en verfraaiing.

Tante Trees en oom Kees liggen op Ockenburg, vijf kilometer van Monster, maar voor iemand die Utrecht als epicentrum van zijn bestaan heeft, is dat naast elkaar. Dus dit bezoekje kon mooi in één moeite door.
Bij een herschikking van graven besloot men ooit om een andere oom, oom Geert, naast zijn zwager Kees te leggen, dus dat is een beetje een familiehoekje geworden, daar op Ockenburg (officieel: Westduin). Er is ook een praktisch voordeel aan verbonden. Kees en Trees hebben een liggende steen, Geert een staande. Dus oom Geert is aangesteld als bewaker van de vaas. Die kun je namelijk achter zijn steen zetten.

Maar die was weg. Niet de steen, maar de vaas. Er stond er eentje aan het voeteneind van Kees en Trees, maar dat was een veel goedkoper gevalletje dan ik ooit voor ze aanschafte.
We moesten het er maar mee doen. De prikvaas kwam tussen de twee graven in te staan. Met daarin een combinatie van gerbera’s en rozen. Een roze boeket. Misschien maken de twee zwagers daar bezwaar tegen, maar die moeten niet zeuren. Deze bloemen zijn voor tante Trees. Voor haar honderdste verjaardag morgen.

01 juli 2020

Onscheidbaar

Laat het een les zijn. Als je je met je dierbare wilt laten vereeuwigen, doe dat dan in verstrengeling. Oor- of onoirbaar, maakt me niet uit, in ieder geval wel zo dat wat op de plaat werd samengevoegd zich door geen schaar, stanleymes of wat dan ook laat scheiden.
En laat je als gelieven nooit op een tweeluik vereeuwigen. Dat al helemaal niet.
Met Elisabeth en Jacob is het gelukkig toch weer goed gekomen, maar daar is wel veel tijd overheen gegaan en dan nog is het een gelukje dat het zover heeft kunnen komen.

Sinds gisteren zijn ze weer samen, in het Mauritshuis, na veel meer dan een eeuw, toen Jakob Omphalius op een veiling met onbekende bestemming vertrok en Elisabeth Bellinghausen in Den Haag terecht kwam. Ooit werden ze als verloofd stel geschilderd door Batholomäus Bruyn de Oude, dat gebeurde in 1539, in Keulen. Pas vorig jaar kwam het verloren gewaande portret van Elisabeth weer boven water. En nu is alles weer goed.

Het is een wonder. De portretten zijn niet alleen bedoeld om de twee geliefden weer te geven, maar ook om te laten zien dat ze bij elkaar horen en dan is het bitter als de wederhelft er niet meer is. Alsof Acda & De Munnik voorbij gekomen zijn om te zingen: ‘Portret voor jou, portret voor mij.’ Maar zo was het niet. Weliswaar kwam er in het leven van Elisabeth een kleine dertig jaar na haar huwelijk een tweede man, maar toen was Jakob al ten grave gedragen. Tot dan bleven zij samen en daarvan wilden die twee portretjes dus getuigen, blijvend.

Onderzoekers zijn ervan overtuigd dat het hier inderdaad gaat om genoemde geliefden. Formaat van de portretten, de kleur van de achtergrond, de kleuren in de kleding. Het komt van één hand, het is het resultaat van dezelfde wijze van verf bereiden. En ook vroeger al waren de paneeltjes met een scharniertje verbonden.

Maar stel je nou eens voor dat het toch niet zo is, dat ze misschien wel van dezelfde schilder zijn en uit dezelfde tijd. Dat kan. Het waren gelegenheidsstukken en een schilder kan zijn trucjes en technieken herhalen. De lijsten bijvoorbeeld zijn nieuw. Ze zijn gemaakt naar lijsten die Bruyn de Oude voor ander werk heeft gebruikt, lees ik in de krant. Kijk, daar begint het al.

Mentes moeder wilde haar man eens verrassen met een gezinsportret - voor het verhaal begeven wij ons naar de jaren vijftig. De fotograaf nam van haar en van de kinderen losse foto’s en die voegde hij samen op één vel. De boel was zodanig geretoucheerd dat de gezinsleden als losse ballons met vage randen over het blad verdeeld waren. Mijn schoonvader was niet bij de sessie aanwezig; het was immers een verrassing voor zijn verjaardag. Van hem werd een bestaande foto toegevoegd.

Alleen vergiste de fotograaf zich: hij gebruikte voor de man en vader een verkeerde foto. Toen mijn schoonmoeder de foto kwam ophalen lachte het gelukkige gezin haar vanachter de etalageruit al toe. Met die verkeerde man. De fout werd snel hersteld en de verkeerde foto heb ik nooit gezien. Wel de goeie editie en altijd als ik er een blik op wierp kwam weer dat verhaal van de verkeerde man. Alsof de goede foto eigenlijk de verkeerde is en er op de foto een man had moeten staan die niemand kent.

Dat bedoel ik dus. Als je elkaar dierbaar bent en je gaat samen op de foto: omarm elkaar, kruip bij elkaar op schoot of schouder. Doe in elk geval iets dat iedere verwisseling of scheiding onmogelijk maakt.
Desnoods wacht je met portretteren tot we uit onze bizarre anderhalvemetercoma zijn ontwaakt.

* Bericht in Trouw van vandaag.

30 juni 2020

Onverdiend

Je kunt het niet zien, daarom vertel ik je maar dat ik momenteel achter de computer zit met een koninklijke onderscheiding op mijn revers. Een paar uur geleden nog maar vertelde Van Zanen op zijn laatste dag als burgemeester van Utrecht, op invoelende wijze waaraan ik dat allemaal verdiend heb. Dat deed hij overigens in één sessie van een klein uur over tien verschillende mensen. Ik had het geluk als tweede aan de beurt te zijn, de mij dierbare psychoanalyticus was de vierde in de rij. Er zouden nog twee sessies volgen.

Na een eerste nazit kozen we voor een tweede aan de overkant van de Stadsschouwburg voor een lunch en mijn vriend de psychoanalyticus en ik besloten dat het nu maar eens uit moest wezen met alle liefdadigheids- en vrijwilligerswerk. We hadden ons nu wel koninklijk genoeg onderscheiden om daar een punt achter te zetten. We mochten onze onderscheiding met ere dragen, al vond ik het bedenkelijk het ding bij mezelf op te moeten spelden. Toen we naar buiten liepen, had ik de neiging om hem weer af te doen. Poppenkasterij kent zijn grenzen. Andere decorandi deden dat niet; daarom hield ik me in, al trok ik er wel een regenjasje over aan. Dat leidde tot protesten. Het resultaat is dat ik nu zelfs achter de computer met het ding op zit.
Ooit spaarde ik speldjes. Daarvoor schreef ik per briefkaart bedrijven aan en zo kreeg ik ook een speldje van de KLM te pakken. Dat vond ik op dat moment mijn mooiste speldje en ik weet nog dat ik het wel een week lang heb gedragen. Dat zie ik me met dit geval niet doen. Gêne is het. Ik heb trouwens ook een speldje van een papegaaiduiker en eentje van een tui, dat is een Nieuw-Zeelandse vogel; daar voel ik me minder ongemakkelijk bij.

Toch overheerst een feestelijk gevoel van onverdiende aandacht. Gisteren fietste ik aan het eind van de middag de poort in. Daarmee bedoel ik nu zo’n smal langs achtertuinen lopend paadje, een brandgang. Deze poort verbindt onze straat met de straat achter ons. Halverwege moet je afslaan en dan komt je in het deel van de brandgang dat echt achter de huizen loopt. Duidelijk?

Goed, ik fiets dus vanaf de straat de poort in om achterom te gaan en zie dan dat vanaf de andere kant mijn achterbuurman me tegemoet rijdt. In zijn rolstoel. We treffen elkaar bij de T-kruising en praten bij. Het gaat niet goed met hem. Het gaat al veertien jaar niet goed met hem. Er overkwam hem geregeld iets dat meestal niet gering is en vervolgens duurt het maanden of jaren voor hij daarvan weer een beetje is hersteld.
Dan komt er opnieuw een fysieke mokerslag die gepaard gaat met complicaties die ik niet had kunnen bedenken. Dat dwingt hem tot een rollator, een traplift, krukken en nu dus een rolstoel. Hij is aan het oefenen. We zijn even oud. Er zijn tijden geweest dat we een rondje Tienhoven fietsten. Hij met een kleine meid achterop en ik ook. Ooit.

Zojuist fietste ik de poort in. Ja, het lintje bengelde aan mijn jasje en, ja, vanwege de warmte had ik mijn regenjas niet aan. Stel je toch voor dat me een rolstoel tegemoet kwam, net als gisteren. Ik zou me schamen voor het lintje, dat onverdiende ding.

28 juni 2020

Een kwestie van tijd

De klap klonk niet hard en er volgde geen schreeuw of, na een korte stilte, amechtig gekreun. Het was al met al alarmerend genoeg om nog half bloot naar beneden te rennen.
Ik hoorde hoe Mente de klok begon op te winden, dus iets ernstigs kon het niet wezen. Misschien bij de buren? Dan was het niet erg. Heel aardige mensen, hoor, onze buren, maar wel buren.
Ik liep dus eigenlijk voor niets naar beneden, bedacht ik, toen ik zag dat door een genadig wonder iets niet gebeurd was!
Dat wil zeggen: er was weldegelijk iets gebeurd, maar de schade was beperkt gebleven. Onze comtoise* is een slingeruurwerk. De wijzers bewegen zich op gepaste wijze voort mede dankzij het gewicht dat aan het linker koord onder de klok hangt; de klok slaat ieder half uur en dat heeft de klok, ook weer deels, te danken aan het gewicht dat aan het koord rechts hangt.
Toen Mente het linker gewicht omhoog draaide, brak het koord en de zware zwarte kogel stortte omlaag en kwam op de vloer terecht. Twee zwarte butsen bleven achter in de muur. Voor ik beneden was had Mente het gewicht opgeraapt en op het stoeltje onder de klok gelegd en vervolgens had ze het andere gewicht alsnog opgedraaid.

Dat gebeurde niet voor het eerst. Een jaar of twintig geleden, toen de klok nog op een andere plaats in de kamer hing - wat er overigens niet echt toe doet, maar het is wel zo - hadden we dat ook wel eens beleefd. Toen had een klokkenmaker de koorden vervangen door exemplaren die er fraaier en steviger uitzagen dan de vorige. Die keer was een gewicht zo hard op het parket terecht gekomen dat de splinters eraf gevlogen waren en er een kratertje achterbleef. Nu zag ik niets, behalve dan die twee zwarte vlekken.
Als onder de klok dat stoeltje niet had gestaan, zou het gewicht zomaar op Mentes voet terecht hebben kunnen komen.
Zo was het dus niet en toen ik de kamer in liep trof ik dan ook geen verbrijzelde voet aan , maar zag ik de mij zo dierbare bezig om het rechtergewicht op te hijsen. Alsof er niets was gebeurd.
Er was wel iets gebeurd en ook was zij geschrokken, anders had zij zich niet overgegeven aan de zinloos geworden handeling, want zonder gewicht links loopt de klok niet en dan slaat hij niet ook, hoe hard er ook aan het rechterkoord getrokken wordt. Dus het had geen zin meer het rechtergewicht op te draaien.

Maar ook met het stoeltje had het gewicht een voet kunnen treffen. Als het door tegen het stoeltje te botsen van koers veranderd was. Dat bedacht ik toen ik het stoeltje nog eens aan de achterkant bekeek en zag dat er een latje was gespleten en een deel van het snijwerk aan de achterkant was beschadigd. Toen pas ook zag ik de deuk in het parket.

Toch denk ik dat het stoeltje de val van het gewicht niet alleen gedeeltelijk gebroken heeft maar er ook voor heeft gezorgd dat Mente wat verder van de klok stond.

In haar laatste levensmaanden keek mijn schoonmoeder dagelijks met welgevallen naar het stoeltje dat toen bij haar in de kamer stond en dus niet bij ons onder de klok.
Steeds zei ze: ‘Daar heeft mijn vader op gezeten toen hij nog student was. Het stond bij hem op zijn kamer.’ Ze zei het alsof ze hem nog regelmatig op het stoeltje zag zitten, de student die later haar vader zou worden.

27 juni 2020

Annuleringen

Sam en Moos gingen niet naar Parijs en wij gaan niet naar Gotland. Alle overnachtingen zijn intussen geannuleerd en wat al was betaald, is teruggestort. Een overnachting op de heenweg kreeg ik niet terug, maar dat had niks met corona te maken. Ik had een verkeerde datum aangekruist en toen ik dat veranderde bleek ik ook voor de verkeerd gekozen datum te moeten betalen. Dat is een dingetje om misschien nog eens moeilijk over te gaan doen. Zestig of zeventig euro is nog wel te overzien, want dat is maar één autotank, maar het is ook drie boeken en dan is het ineens veel meer.
Ach ja, die reis naar Zweden. In januari boekte ik al de boot en stelde ik de eerste overnachtingen veilig. Dat gaf een goed gevoel. Ook dat ik dat gedeeltelijk al moest betalen, dan zou het later lijken alsof de overnachtingen gratis waren. Zoiets. En ik begon te noteren welke kerkjes op Gotland we vooral moesten bezoeken. Dat deed ik op losse memoblaadjes die ik vervolgens niet meer kon terugvinden. De afzeggingen hebben we tot het laatst uitgesteld, maar na de voorlaatste persconferentie waarbij Zweden en Denemarken de code oranje opgeplakt kregen, moest het er toch maar van komen. Daarna stroomden er weer allerlei gelden terug en ook dat gaf weer een goed gevoel.
De boot van Zweden naar Gotland en terug moet ik nog doen. Dat kon pas in de laatste maand. Waarom weet ik niet. Maar misschien vind je het interessant om bij deze annulering aanwezig te zijn. Even kijken. Hier is ’t ie.

Zo dat valt nog niet mee.

Aha, dat is wel het referentienummer.

‘Oeps, er ging iets mis,’ zegt ie. Ik heb een hekel aan dat ‘oeps.’

Weer een oeps…

Op mijn mobieltje ook.

Nu niet.

Alleen een voucher, lees ik.

Ik wil nog wel een keer naar Gotland, maar om me daar nu al op vast te leggen.

Kijk, een knop, die…

Weer een oeps.

Bij iTunes heb ik al jaren een tegoed, waarbij ik telkens last krijg met een zogenaamde tijdelijke storing. Daar begint het hier ook op te lijken. Daar gaat het om 15 euro. Hoeveel heb ik hier betaald? Tweehonderdtachtig? Dan zet ik toch maar even door.

Aha, ze sturen me binnenkort een reactie op mijn verzoek tot annulering. Spannend.

Wat zie ik daar? Voor oktober staat er nog een huisje op Terschelling op de lat. Nooit meer aan gedacht. Dat was vanwege een festivalletje.

Festival, festival…

O, dat festival gaat niet door. Maar dat is misschien juist wel prettig. Ik heb het huisje al betaald, zie ik. Kijk eens aan, zomaar een gratis weekje. Heerlijk die Covid-19-verwarring. Het regent restituties en vergeten uitjes.

26 juni 2020

Gelijkenis

In John de Wolf herkende ik ooit een leerling die ik in de klas had. De Wolf is nu assistent-trainer bij Feyenoord, de club waar hij als voetballer in het midden van de jaren negentig ‘uitgroeide tot een ware cultfiguur.’ Het moet rond die tijd geweest zijn dat ik bij een visstalletje in het middelpunt van de belangstelling kwam te staan. Het was bij Kijkduin. Mensen stootten elkaar aan en wezen mijn kant op. En dan te bedenken dat ik toen al heel lang niet meer in die omgeving woonde. Naast me stond dus iemand die op een oud-leerling leek, maar het was John de Wolf. Hij keek me even aan maar in tegenstelling tot de andere mensen om ons heen, herkende deze man mij blijkbaar niet.
‘Dat was John de Wolf,’ fluisterden mijn kinderen me later met gepaste eerbied toe.
Die leek dus op een leerling die ik een jaar of wat daarvoor in de klas had: dezelfde manen, hetzelfde gezicht.
In Utrecht was trouwens een zaak waar leren jasjes en dergelijke verkocht werden en die werd gerund door een man die ook al zo veel op die leerling had geleken. Dat was ook geen wonder, want het bleek de vader van de leerling te zijn. Dus bij De Wolf dacht ik aan een eventuele broer.

In Kijkduin ben ik John de Wolf nooit meer tegengekomen en de leerling was al buiten beeld toen ik nog nooit van De Wolf had gehoord. Maar de vader ben ik altijd blijven zien. Hij stond vaak voor zijn winkel in de Choorstraat hier in Utrecht. Ik heb hem nooit aangesproken, maar ik zag hem wel. In de jaren tachtig, in de jaren negentig en zo door.
Ik heb hem er vorige week nog zien staan. Zou ik denken.

Vanmiddag fietste ik door de Boothstraat en voor een huis, in een oogverblindende zon, zat de man van de lederwinkel. Het was niet de vierde in het verbond van mannen die veel op elkaar leken. Het was de lerenjasjesman zelf. In een witte bloes, op een stoel in een dodelijke zon. Ik begreep niet wat iemand er toe kon brengen om met deze temperatuur in de zon te gaan zitten, bij een muurtje dat ongetwijfeld aanvoelde als een steengrill. Hij zag er niet goed uit.
Maar waarom stond of zat hij niet voor zijn winkel in de Choorstraat? En hoe zou het met zijn zoon zijn en met John de Wolf die zijn haren al heel lang geleden had ingewisseld voor stevig milli- en hooguit centimeterwerk.

Thuis gezocht naar John de Wolf. Die blijkt nog behoorlijk actief te zijn. Ook over de man van de winkel in de Choorstraat las ik iets. Hij is twee jaar geleden al gestopt met zijn winkel, om gezondheidsredenen, dus van dat ‘vorige week’ klopt niks.

Van de zoon wil de voornaam me nog steeds niet te binnen schieten. Zijn vader zit te roosteren in de Boothstraat. Zijn evenbeeld roert zich in Rotterdam en op tv, maar het ijkpunt zelf, hoe zou het daar toch mee zijn?
Ineens heb ik hem, die voornaam. Dat is alvast een begin.

25 juni 2020

Een houten en een ijzeren bruidsbed

Een paar weken geleden bezochten wij de sociaal begeleidster en de computerman. De rondleiding door hun nieuwe woning was af en toe een sentimental journey* omdat wij ooit een aantal jaren hetzelfde huis deelden. De meeste indruk maakte hun bed. Dat ziet er sowieso overdonderend uit, toen en nu nog. Wat een monumentaal verblijf!
Het is een houten bed, met een enorm hoog hoofdeinde en omdat dat is opgebouwd uit verticale planken met telkens een kier van een halve centimeter, ziet het eruit als een onneembare burcht. Ik moet even, maar zonder verdere toelichting, de cirkels noemen die op gelijke afstand zijn aangebracht. Met een breedte van 140 centimeter is het een smal bed, en dat maakte het er, weer vanwege het accent op de hoogte en vanwege de forse delen die bij de bouw zijn gebruikt nog imposanter op. En vergeet die cirkels niet.
Zo heeft de bruidegom zich ooit een stede getimmerd voor zijn bruid en hemzelf. Het is een houten bruidsbed, om je veilig en in ieder geval ver van de wereld in te wanen, stel ik me voor.
Het bed is meer dan veertig jaar oud, maar mij viel bij het bezoek juist op dat het er beter uitzag dan vroeger. Ik heb er niet naar gevraagd, maar ik heb me niet vergist. Ik maak me sterk dat het niet lang geleden flink is geschuurd, zodat er van de oorspronkelijk blanke lak niets meer over was. Over de planken die waarschijnlijk nooit zo glad zijn geweest als nu, werd een matte lak aangebracht, dunner en verfijnder dan in de late jaren zeventig is gebeurd. Er is met andere woorden niet lang geleden flink in dit huwelijksbed geïnvesteerd om er nog jaren gelukkig in te wezen, stel ik me zo voor. Zoiets kost wat moeite misschien, ook behoud is een investering, maar als je dat doet, heb je wat.

Ook wij hadden een huwelijksbed en het werd in hetzelfde huis in gebruik genomen. Bij ons ging het om een toen al bijna honderd jaar oud smeedijzeren bed. De laatste daad die ik als vrijgezelle jongen in Monster verrichtte, was dit bed helemaal afschuren met een staalborstel op een boormachine. Daarna heb ik de boel gegrond, geschuurd, vervolgens gelakt weer geschuurd en gelakt. Zwart, maar de rozetjes en sommige delen van de standen behandelde ik vervolgens met goudverf. Het bed was 120 breed. We moesten er apart een matras voor laten maken. Het was een ons dierbaar bed, maar na een jaar of vijftien kwam er een boxspring die we ook al lang niet meer hebben.

Het smeedijzeren bed bewaarden wij op de zolder van het singelpand dat we toen bewoonden. Bij de verhuizing naar hier, ook honderd jaar geleden, constateerde de voorman van het verhuisbedrijf dat ons huis intussen helemaal vol gestouwd was, maar dat de wagens nog niet leeg waren. We waren verzamelaars geweest in een groot huis.
‘Rijd maar weg, ‘ zei Mente. ‘We zullen er wel spijt van krijgen, maar rijd maar weg.’
‘Weet u dat wel zeker?’
‘Doet u het nou maar snel.’

Van ons bruidsbed is niet meer over dan een verhaal van spijt.
Er waren ook nog twee antieke kastjes die de verhuizers mee konden nemen. Heel soms, loop ik naar zolder om een schroevendraaier uit het ene kastje te halen, maar het kastje heeft die zolder nooit bereikt, zoals het kleine handige kastje waarin onze handdoeken zich zo thuis voelden er ook niet meer is.

Maar de burcht van Oeken trotseert de tijd.

* Och Heden 6 juni 2020

24 juni 2020

Statement

Het is een teken van verregaande zwakte, maar ik ben een zwevende kiezer. Als er gestemd moet worden, kom ik uiteindelijk uit bij dezelfde partij als de vorige keer, zonder klinkklare overtuiging. Mijn vader stemde ten slotte CDA omdat daarin de ARP was opgegaan en daarop stemde hij uit overtuiging, want zijn vader stemde dat ook en dat was niet voor niets. En mijn moeder stemde hetzelfde uit de overtuiging dat ze daarmee haar man ter wille was en omdat politiek haar eigenlijk niet zo interesseerde. En de vele jaren na zijn dood bleef ze stemmen op het CDA, omdat mijn vader het niet meer kon doen.
Ik heb nooit CDA gestemd. Dat mocht niet van mezelf, want je ging niet op een partij stemmen omdat die christelijk is. Dat vond ik raar en die overtuiging bood houvast. Maar de laatste jaren komt de CU dicht in de buurt van wat ik denk dat ik vind. Maar ja, CU. Weet je hun lhtb-standpunt?
D´66 heeft zich altijd gemanifesteerd als een overbodig blok met regelmatig mensen die ik graag bij een partij met meer inhoud had gezien. Aanvankelijk vond ik hun aandacht voor staatkundige toeters en bellen hinderlijk, later het gedram van mevrouw Dijkstra.
O ja, ik ben geen liberaal. Ook al deugen de meeste mensen, volgens Rutger Bregman, er is een minderheid die de wereld regeert en stuurt en daarbij speelt het welbegrepen eigenbelang wel een grote rol. De mens is van nature goed, zegt een liberaal. Dat zal zo wezen, maar niet allemaal zo goed en niet altijd en misschien wel selectief.
Bang voor hordes ben ik ook. Voor mensen die klappen voor leiders die zich laten beklappen en dan minzaam hun hand opsteken en vervolgens glimlachend met een oneliner komen waarbij de meute helemáál gek wordt.
Mensen met grote woorden! Vervelende pukkeltjes krijg ik ervan die pijn doen als ze niet jeuken. Het duurt lang voor mijn huid weer een beetje rustig wordt.
Het is een teken van verregaande zwakte: ik wil zo graag, maar ik kan niet zo goed meer tegen politiek.
Na de broedermoord van Lodewijk Asscher op Diederik Samsom nam ik me voor: nooit en nooit meer PvdA.
Gaat het om partijvisie, een persoonlijke visie of gaat het erom of iemand een mannetje of vrouwtje is. Als ik het CDA al mocht overwegen, dan parallelle, gescheiden werelden van Mevrouw Keijzer en meneer de Jonge, maar dat is onmogelijk. Ik zou bijna geneigd zijn om op D’66 te gaan stemmen, vanwege de elegante manier waarop daar een interne strijd wordt gepareerd. Maar dat is geen politieke visie. Is het stemmen op een vrouw dat wel? Ik stemde doorgaans op een partij en streepte in het stemhokje braaf de eerste de beste vrouw aan, behalve als het Femke Halsema was, niet om dat zij geen vrouw zou zijn, dat was ze wel, maar omdat het Femke Halsema was. Dat was een zeer onzuivere overweging waarvoor ik me vreselijk schaam. Ik praat er daarom liever niet over. Toen Jesse Klaver bovenaan stond, stemde ik op Bram van Ojik. Dat was natuurlijk omdat ik er toen even niet aan dacht om op een vrouw te stemmen of omdat ik op dat moment net even dacht dat dat geen verschil maakt als je je stem wilt uitbrengen die medebepalend kan zijn voor een politieke koers. Al had ik daarvoor net zo goed wél op Klaver kunnen stemmen.
Ik zou zo graag een indrukwekkend politiek statement maken. Het lijkt me heerlijk, maar ja, wat vind ik en als ik dat vind, vind ik dat morgen ook?

23 juni 2020

Nog geen Rembrandt

Rembrandt is veilig gesteld. Ik spaarde voor ‘Alle tekeningen en etsen’ van deze bijzondere man door af en toe contant geld apart te leggen. Probleem was alleen: ik heb bijna nooit geld in mijn handen en dus ook niet om in het geldkistje te doen. Het is nog erger: enkele keren moest dat kistje zelfs worden aangesproken omdat er spontaan tien of twintig euro moest worden opgehoest. Dus zat ik na lang sparen nog maar op 110 euro. Het boek is 150 euro. En dat is het waard! Ik heb er eerder over geschreven.

Vorige week bedacht ik een truc: ik kan af en toe op mijn bank een bedrag in een apart spaarpotje doen. Lukt het niet met geld van papier, dan wel met deze virtuele variant. Het boek kwam in zicht. Plotseling zegt Mente gisteren: ‘Ik zou je het liefst dat boek van Rembrandt geven, maar je zult het binnenkort zelf wel kopen.’ Nu kleeft aan een cadeau dat zij mij geeft of ik aan haar net zoveel symboolpolitiek als aan dat sparen. De essentie daarvan is: dat je er lang mee bezig moet zijn of dat iemand jou met iets gedenkt. Daarmee schiet de waarde van een cadeau omhoog. Daarom ook vond ik het helemaal geen probleem om van strategie te veranderen. Nu kreeg ik het begeerde cadeau van Mente. Die meid weet zo goed wat ik wil.
Kort en goed: het gespaarde bedrag verdween in de ordinaire huishoudpot en ik mailde een boekhandel om het boek te bestellen. Dan had ik het nog net voor mijn verjaardag in huis. Dat mailtje is van gisteravond.
Lezen jullie nou dat ik mijn eigen verjaardagscadeautje zit te regelen? Ja! Nou en?

Vanmorgen mailde de boekenman dat hij het boek eind volgende week in huis hoopte te hebben. Dat is te laat voor een verjaardagscadeau. Dat mailtje had ik nog niet gelezen toen ook het volgende mailtje binnenkwam: het zou wel eens september kunnen worden.
Ik belde een andere boekhandel. Zelfde verhaal. Ik nam contact op met een derde. Idem. Ik had anderhalve week geleden een exemplaar bij Broese zien liggen, maar ook daar was het niet meer. Het boek bracht me in de juiste stemming. Het is heel prettig om op jacht te gaan naar een boek of plaat. Van huis uit zijn we immers jagers en verzamelaars.

Ik probeerde het Catharijne Convent. Dat ligt niet voor de hand misschien, maar daar ben ik wel vaker verrast. Vandaag niet. Ook niet bij Steven Sterk. Niet bij Aleph. Maar dus wel bij Broese. Het lag op de plek waar ik het anderhalve week eerder aantrof toen het nog deel uitmaakte van mijn kennismakingsspeurtocht door het nieuwe pand van deze boekverkopers.
Het was een inkijkexemplaar, maar dat was nergens aan te zien. Het zag er goed uit.
‘Er kijkt nooit iemand naar,’ zei de boekverkoopster. Dat is nog maar de vraag. Het zou me niet verbazen als dit hetzelfde exemplaar is dat ik vorig jaar af en toe doorbladerde, in het pand aan de Stadhuisbrug.
Het boek is groot en zwaar en ik wilde het in voortreffelijke staat als trofee thuis kunnen afleveren, dus had ik een badlaken meegenomen en de verkoopster ging aan de slag met duct tape. Thuis smeet ik de buit op de tafel van Mente.

Dit is het verhaal. Ik heb het allemaal van me afgeschreven, hoef er niet meer aan te denken. Op die manier kan ik me op mijn verjaardag straks eens heerlijk laten verrassen.

21 juni 2020

Voetbal

Dit is niet het moment om op het verleden terug te kijken. Dat zou niet eerlijk zijn; het zou de werkelijkheid versluieren. Die is tweeledig. Allereerst is daar Klaas die via een toenemend fanatisme waarmee hij voetbalplaatjes spaarde (met dank aan de grootgrutter) en vervolgens niet alleen alle spelers uit het album uit zijn hoofd leerde, samen met de positie waarin ze doorgaans speelden en bij welke club dat gebeurde, en die daarna ook nog de ontwikkelingen van na het laatste album bijhield, uiteindelijk aan het spel zelf toekwam. Hij moest en zou op voetbal.
Ik dacht dat daarmee het begin van het einde van zijn voetbalmanie zich zou aankondigen. In plaats daarvan geeft hij nu voortdurend aan dat hij van scouting af wil.
Vanmorgen namen we een bal mee naar het voetbalveldje naast de speeltuin. Vaak is het er druk. Vandaag was er niemand. Hij was blij dat ik net als hij een fan was van FC Utrecht, maar als we tegen elkaar zouden spelen, dan vertegenwoordigde hij die club natuurlijk. Ik moest iets anders kiezen.
‘VV Monster,’ zei ik, maar hij vond dat ik wel serieus moest blijven. Ik moest maar Graafschap doen.
‘Dé Graafschap,’ probeerde ik de zesjarige toch nog even te overtreffen.’
‘Dé Graafschap, ja.’

FC Utrecht speelde De Graafschap er finaal uit. Hij maakte in miniatuurformaat bewegingen die ik alleen van tv ken. Dat jochie wist niet alleen veel, hij kon nog voetballen ook.

Ik had het over de tweeledigheid. Trof mij de behendigheid van FC Utrecht, ik schrok van de conditie van De Graafschap. Het was al snel 1 – 1, maar toen al was er van de energie van De Graafschap niets over. Het werd 2 – 1, 3, 4, 5 – 1. Daarop werd er ook nog een doelpunt van De Graafschap afgekeurd. Dat vroeg teleurgesteld maar vooral uitgeput een pauze aan om even op een bankje in de schaduw te kunnen uitpuffen. Ik probeerde nog even momenten uit mijn leven als voetballer ter vertroosting op te roepen, maar als gezegd, dat zou niet eerlijk zijn. Nu is nu. En daarbij had ik teveel met mijn belabberde conditie te stellen om ook nog eens op zoek te gaan naar herinneringen.
Klaas had de pauze gebruikt om zijn baltechniek te verbeteren. Dat bleek onmiddellijk na de hervatting. De Graafschap bleef kansloos en moest uiteindelijk genoegen nemen met een nederlaag van 9 – 1.

De return vond ’s middags plaats in speeltuin De Pan. Daar hadden ze geen kunstgras, maar echt gras en het speelveld was kleiner. Het goaltje trouwens ook. Allemaal veranderingen in het voordeel van De Graafschap. In de pauze stond het dan ook 4 – 4. Maar de eindstand werd 13 – 4. Of moet ik nu zeggen 4 – 13?

Na afloop kochten we een ijsje. FC Utrecht koos voor een Magnum, De Graafschap nam een festini-ijsje, zo’n ijsje waar kleintjes dol op zijn.

20 juni 2020

Ventilatiegaten

‘Symboolpolitiek,’ meende de bouwkundige zwager. ‘Die kerk van jullie is zo hoog, dus met maximaal honderd mensen hoef je niets aan de ventilatie te doen.’
Ik zal hem niet tegenspreken, maar de coronacrisis gaat gepaard met veel meer symboolpolitiek en dat komt allemaal voort uit de onzalige mix van onwetendheid en angst. Denk maar aan de mondkapjes. We moeten het er maar mee doen.
Daarom klommen we vanmorgen gedrieën de gewone trappen op naar de galerij. Daar schoven we een hoge ladder uit die naar een luik voerde. Liever heb ik het over een luikje, eerst leek het klein omdat het van onderaan de ladder zo ver weg was; eenmaal bovenaan was het amper groot genoeg om er doorheen te klauteren en daarbij ook een draai te maken.

Dit klinkt als opoffering voor wat we maar de goede zaak zullen noemen, maar dat gaat te ver. Ik wilde wel eens weten hoe het er daar boven uitzag en het leek me een behapbaar avontuur. De stap van de ladder het luikje door ging gepaard met een draai die me niet onmiddellijk lukte. Ik herinnerde me het lenige magere jongetje dat ik vroeger wel was. Gelukkig gaf mijn hoofdlampje me vol zicht op wat me te wachten stond.
Iets wat formeel een trap heet maar niet meer inhield dan een nogal gemakzuchtige en volstrekt oncomfortabele constructie met losse stukjes aan elkaar gespijkerde en weinig betrouwbare planken, voerde nog verder naar de nok. Ik had mijn camera in een kleine rugzak gestopt maar om de drie treden moest ik me tegen plankjes pletten omdat dat ding op mijn rug bleef haken. Het zweet stroomde langs mijn gezicht. De anderen had ik gelukkig voor laten gaan.
Bovenaan, in deze wereld tussen plafond en dakpannen, lagen twee planken waar je overheen moest kruipen. Dan kwam je vanzelf de ventilatiegaten tegen, ooit bedoeld om de warmte van 1100 ademende en luid zingende kerkgangers af te voeren. Die tijd had lang geleden al plaats gemaakt voor zondagen waarop 120 mensen bij elkaar kwamen. Daar viel ’s winters nauwelijks tegenop te stoken en daarom had men die sleuven gedicht.
Nu moesten ze dus weer open. De twee kerkmeesters schoven voor me uit. Toen we al een stukje gevorderd waren, vertelde de voorste dat we bijna een zesde deel van de tocht over de nok hadden afgelegd. Mijn linkerhand trilde al een tijdje. Als nu mijn knieën dat maar niet gaan doen, dacht ik op het moment dat ze daarmee begonnen. Waarschijnlijk zou ik naar links rollen, als ik mijn evenwicht zou verliezen, realiseerde ik me. Die kant is trilgevoeliger.
Ik herinnerde me het gevoel dat er plotseling een golf van energie en souplesse door me heen sloeg als ik van steen naar steen een rotsige helling op ging als een klipgeit of toen die keer dat ik thuis onder de vloer tijgerde waar vroeger bewoners puin had weggewerkt om daar wat aan elektrische bedrading te prutsen.
Dat zou ik nooit meer doen, wist ik ineens, en hier had ik het ook wel gezien.

‘Jongens, jullie zijn fantastisch bezig. Hier heb je mijn hoofdlampje, daar hebben jullie meer aan.’
Vijf minuten deed ik erover om de draai door het luikje te maken. Gelukkig waren de kerkmeesters nog druk aan het werk in de verre luchtgrot.
Later zag ik hoe behendig die twee de draai maakten, door het luikje. Mij lukte het amper om de tweede voet mee te krijgen. Voor hen was het allemaal geen punt.
Als de mensen ons nu hadden gezien, zouden ze ongetwijfeld denken dat ik het meeste werk had gedaan.

19 juni 2020

Bekentenis

Mijn verre nicht meldt mij via Messenger dat zij een punt wil zetten achter het gebruik van sociale media. Ze vraagt zich af hoe ze zonder Facebook mijn stukjes kan volgen. Ik feliciteerde haar met haar besluit, want laten we wel wezen: alleen al het voornemen om te kappen met deze digitale vorm van roken verdient alle ondersteuning. Wat die stukjes betreft, kon ik haar geruststellen. Ze zijn gewoon op internet te vinden. Zonder sociale media kan ze van de stukjes blijven genieten.
Met de ontwikkeling van de corona-app golft de discussie over privacy weer op ons af. Terecht. Langzaam maar zeker wordt ons leven verstikt door onze traceerbaarheid. Op Facebook zelf tonen we doorgaans een zeer eenzijdige en daarmee valse kant van onszelf, maar intussen laten we sporen na waar we zelf niet aan zouden denken, zoals een enkele vezel van een trui volgens politieseries naar de dader van een moord kan leiden. Zo’n app maakt dat nog erger. Als ik even niet heb opgelet, krijg ik via een mobieltje plotseling bericht waar ik in Ouderkerk koffie met gebak kan eten. Als ik toevallig langs Ouderkerk fiets. We leveren ons over aan onzichtbare machten en krachten, die niet op zoek zijn naar de mensen in ons.
Een tijdlang heb ik daarom met een pruik op en een zwart balkje voor mijn ogen rondgelopen, maar dat was onpraktisch en trok ongewenste aandacht. Intussen pak ik dat heel anders aan.

Ik vraag je om dit stukje na lezing op te eten zodat alle sporen verdwijnen. Het zit namelijk zo. In werkelijkheid woon ik in Geleen, samen met mijn ouders en mijn broertje, een vreselijk joch. Mijn vader en moeder runnen er een DA-filiaal, franchise. Ik ben een goedlachse meid van twintig jaar en vorige week heeft Sjarl onze verkering uitgemaakt. Dat is nu de vierde keer. De eerste dagen is dat trouwens wel even rustig. Hij zal wel weer terugkomen. De dingen gaan nu eenmaal zoals ze gaan. Om niet in onze drogisterij te hoeven staan, werk ik sinds de sluiting van het reisbureau bij een groentespeciaalzaak in Sittard. Dat bevalt me niet. De drogisterij is leuker, maar de hele dag met je ouders en dan ook nog dat akelige broertje in de buurt is ook niet alles. Het is een ondraaglijk bestaan.

Gelukkig heb ik mijn Och Hedens. Daarin ben ik een al wat oudere maar bijzonder vitale en leuke man in het midden van het land die van alles meemaakt. Zo had ik vandaag de kleinkinderen in huis om op ze te passen. Eigenlijk ben ik er de hele dag mee bezig om mijn stukjes realistisch over de laten komen. Daarvoor heb ik zo mijn informanten. Allereerst is daar mijn tante Cora uit Apeldoorn, een stiefzus van mijn moeder. Zij leest veel en ze geeft les aan groep 4. En dan hebben we oom Jan in Utrecht. Hij verandert straatnamen en zo. Dus als ik het over de Houbeneindstraat heb, maakt hij daar Oudegracht van. Ik maak me hierover wel een beetje zorgen, want per 1 juli heeft oom Jan een baan in Den Haag en als hij verhuist, moet ik in mijn stukje misschien wel meeverhuizen om geloofwaardig te blijven.
En dan die verre nicht die met Facebook stopt. Onzin natuurlijk. Dat is een leuke jongen uit Naaldwijk die ik ooit in Luxemburg tegenkwam. Wat hebben wij samen een pret gehad. Zoiets zal ik met Sjarl wel nooit meemaken.

18 juni 2020

Oversteken (een vervolg op Dat mag)

Om nog even op het oversteken terug te komen: dat is wel een beetje een punt in de familie. Opa van der Kruk liet het leven door niet uit te kijken toen hij overstak om bij de melkboer aan de overkant melk in zijn pannetje te laten gieten. Zover hebben andere familieleden het niet gebracht, maar mijn vader werd op zijn drieënveertigste aangereden doordat hij, net als zijn schoonvader een paar jaar later, niet uitkeek bij het oversteken. Het ongeluk tekende hem de rest van zijn leven.
Voor mijn ouders was een belangrijke reden om mij op mijn derde al naar de kleuterschool te sturen dat ik een weglopertje was. Dat wil zeggen dat ik de voordeur uitrende zodra die openging. Ik kwam niet ver, gelukkig maar: voordat een auto me had kunnen scheppen had een bromfiets dat al gedaan. Het schijnt twee keer gebeurd te zijn.

Zojuist heb ik mijn broer even gebeld voor de vork en de steel van zijn ongeluk. Hij heeft weken in het ziekenhuis gelegen toen hij als zeventienjarige op zijn brommer een kruising overstak. Hij reed op een voorrangsweg. Er kwam uit de tegengestelde richting een auto aan die meende pal voor hem nog even linksaf te kunnen schieten. En dat ging dus niet.
Onze buurman schoot er op af, onze huisarts die zijn praktijk bij het kruispunt had, brak zijn spreekuur af en klom door het raam naar buiten en onze dominee gooide zijn fiets op de grond. En dan was er nog de vrouw die in de zwaar gehavende knul op de grond haar neef herkende. De anderen herkenden mijn broer niet, dat wil zeggen dat ze hun buurjongen, hun cliënt en hun gemeentelid niet herkenden. De vrouw vergezelde haar veronderstelde neef in de ambulance naar het ziekenhuis en zat later naast zijn bed. De ouders waren al op de hoogte gesteld.
In Monster keek de huisarts in de schooltas die bij het ongeluk was weggeslingerd en die hij mee naar binnen had genomen. Hij sloeg alarm.
Dit ongeluk met mijn broer gebeurde op nog geen honderd meter van huis. Dat met mijn vader ook, al ging het toen om een ander huis. En Opa? Die is op nog geen tien meter van zijn voordeur verongelukt.

Het is heel verstandig van de papa en mama van Liesje dat ze haar niet alleen laten oversteken; daarbij een ongeluk krijgen, zit in de genen. Daarom hoop ik maar dat die mama en vooral die papa van Liesje zelf ook maar voorzichtig zijn. En dan nog… er kan altijd een gek zijn die vlak voor je neus langs wil schieten en vol op je klapt, zo iemand als witte Toon. Hij woonde vijftig meter bij ons vandaan, precies tussen ons huis en het fatale kruispunt in. Hij is nooit wezen informeren hoe het met de jongen ging die hij bijna het hiernamaals in gereden had.
Ik vroeg mijn broer zojuist of hij de achternaam wist van witte Toon. Als hij die geweten had, zou ik die graag hebben vermeld.

Voor wie behoefte heeft aan symboliek: er lag een kerkhof tussen het huis van witte Toon en dat van ons. Ik zeg ‘lag’ want het huis van Toon is er niet meer.
Zelfs de plek kent hem niet meer, zegt psalm 103 in zo’n geval.

17 juni 2020

Dat mag

De waarheid is dat de kleindochter die af en toe door mijn verhalen scharrelt in werkelijkheid geen Liesje heet. Er zijn momenten dat ik aan een andere naam denk. Dat komt door die verkleinvorm. Liesje, en geen Lies. Aan de andere kant: er komt in mijn familie weliswaar helemaal geen Liesje voor, maar wel zijn er veel varianten in omloop. Liesje is een levenslustige meid van wie ik het idee heb dat het een betrouwbaar en geliefd mens zal blijven. Voor een volwassene klinkt dat meer als Lies, dan als Liesje.
Maar ja, ze is pas acht en gisteren merkte ik ineens hoe goed die verzonnen naam haar past.

Ik zou Klaas en haar op de fiets uit school halen en naar hun huis meenemen. Klaas had afgesproken met Lars. Of dat mocht. En dan kon Lars wel met ons meefietsen. Die wilde dat ook wel, maar dan moest hij eerst naar huis fietsen om het zijn moeder te vertellen. Lars is wat groter dan Klaas.
Hij woont ook precies de andere kant op.
‘Ik kan wel alleen naar huis, hoor,’ zei Liesje, ‘dat mag van papa en mama. Ik mag alleen naar huis fietsen. Dan kan ik oma wel vertellen dat jullie wat later komen. Ik mag alleen naar huis fietsen. Maar ik mag niet alleen de grote weg oversteken. Daar moet ik altijd wachten van papa. Tot mama of hij er ook is, ook als het stoplicht groen is. Maar verder mag ik alleen van papa en mama. Dan kun jij met Klaas en Lars meefietsen, opa, en dan ga ik alleen naar huis.’
Die grote weg ligt een meter of vijftig van de school, dus dat viel inderdaad wel te combineren. De jongens posteerde ik bij de papierbak naast de school en zelf reed ik even met Liesje mee. ‘Ik mag alleen naar school rijden van papa, want Klaas en hij zijn vaak wat later dan ik, maar papa zegt dat ik dan wel moet wachten bij het oversteken, ook als het licht groen is. Maar verder mag ik alleen fietsen. Dat mag van papa en mama.’
Het verbaasde me dat iemand in zo korte tijd en op zo korte afstand zo vaak hetzelfde kon zeggen. Als ik niet had opgelet, zou ik misschien wel gezegd hebben dat ik het nou wel wist, maar ik begreep dat Liesje inderdaad nog geen Lies was. Ze vond het allemaal reuze spannend en nu moest ze ook haar opa ervan overtuigen dat ze al een grote meid was, iets wat haar papa en mama blijkbaar al hadden onderkend.
‘Als we zijn overgestoken, mag ik alleen fietsen van papa en mama,’ zei ze tijdens het oversteken.
Zodra we aan de overkant waren, sprong het licht op rood, zodat ik niet meteen terug kon. Liesje fietste weg. Ze zwaaide naar me alsof ze aan een meerdaagse fietsvakantie begon.

De jongens stonden braaf te wachten bij de papiercontainer. Ze zagen er klein uit, maar ze hadden wel stoere fietsen.

16 juni 2020

Nieuwersluis

Ik verlegde mijn fietsrondje en zodoende reed ik door Nieuwersluis. Daar zou ik best willen wonen, bedacht ik. Het is een klein vestingdorp dat deel uitmaakt van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Nu hebben forten iets deprimerends, maar de natuur er omheen is doorgaans prachtig én als er, zoals hier, een dorpje of stadje bij een fort ligt, wordt het een klein feestje. Nu keek ik zonder af te remmen of er toevallig niet ergens een houten huisje te koop stond, zo’n huisje waarin vroeger iemand die zijn geld verdiende in het fort of in de pupillenschool, beter bekend als de latere militaire gevangenis.

Van Nieuwersluis hoorde ik voor het eerst in 1966 toen meneer Hommes van natuurkunde erover begon. Wat ik deed, weet ik niet meer; waarschijnlijk ging ik met een bijdehand(t)e puberopmerking tegen hem in en dat dan niet voor het eerst. Ik zat vooraan, maar een docent natuur- en scheikunde had als lessenaar een meterslang minilaboratorium voor zich. En dan werd deze vesting ook nog eens van de voorste tafels gescheiden door een looppad. Meneer Hommes kwam voor me staan, steunde met zijn handen op het blad van zijn toonbank om zover mogelijk voorover te kunnen buigen. Hij was al wat kalend. Zijn enorme snor herinnerde aan zijn militaire verleden.
‘Eén ding weet ik zeker,’ blafte hij me plotseling toe, ‘jij komt nog eens in Nieuwersluis terecht.’
Dat zei me niks, dus ik wilde wel weten waar mijn toekomst lag. Ook anderen konden niet vertellen waarom Hommes nu plotseling over Nieuwersluis begon. Hij vertelde daarom (en daarmee had ik hem weer van het pad van de natuurkundeles af geholpen) dat dat de gevangenis was voor soldaten die zich niet wisten te gedragen. Daar rekende hij mij alvast toe. Ik voelde me gestreeld, welke puber wil er nou niet bekend staan als de stoute soldaat. Gerard naast me knikte mij bemoedigend toe. En vanaf dat moment vond ik Hommes een prachtige kerel.

Het liep anders. Ik werd nooit soldaat. Wel leerde ik Nieuwersluis kennen van mijn fietstochten en bezochten Mente en ik er geregeld restaurant Het Stoute Soldaatje. En daar bleef het bij. Ik geloof dat het restaurant er niet meer is.
Meneer Hommes kwamen Gerard en ik later nog eens tegen in Friesland. In plaats van gezagsondermijnende pubers waren we toen zelf leraar geworden.

Misschien is het wel jammer dat Hommes niet de gave van de profetie had, want echt, Nieuwersluis is een leuk plaatsje in een prachtige omgeving. Het zal er nooit van komen ook. Ik heb even op Funda gekeken: voor mij is Nieuwersluis te hoog gegrepen.

13 juni 2020

Nu te zien in het Catharijne Convent

Op bilboards langs de Kardinaal de Jongweg staat een fragment van een ontzettend Rooms schilderij. Een bloot jongetje dat nu in groep vijf zou zitten, slaat zijn even vermoeide als extatische ogen op. De ogen zijn nat en roodomrand. Het is me net iets teveel van het goede, maar het moet van een vaardige schilder zijn, met die overtuigende huid en waar ik altijd stil van word: een opgeheven gezicht. Dat geeft een vertekening waarbij een tekenaar of schilder nogal makkelijk mee de fout kan in gaan. Dat hoef je bij Jan Sluijters niet te verwachten.
Dat hij de maker was, verraste me, al heeft hij heel wat kinderkoppen geschilderd in zijn leven. Ook wel aandoenlijke koppen, maar dit rijk Roomsche tafereel is een geval apart.
Het kind vormt het centrale punt van een schilderij dat momenteel in het Catharijne Convent hangt. Daarop zie je dat de jongen naar zijn moeder kijkt. Ze houdt hem in haar armen. Links zie je een man die zijn arm uitstrekt in een zegenend gebaar. Dat is de profeet Elia. De moeder is de weduwe van Sarefat. De jongen is zojuist door Elia uit de dood opgewekt. Dat is een wonder, vandaar ook dat het schilderij deel uitmaakt van de expositie 'Allemaal Wonderen'. Voor de volledigheid meld ik nog even dat achter de moeder een verbijsterde man te zien is, de knecht van Elia.
Elia woont tijdelijk bij de weduwe in en dat in tijden van hongersnood. Een ander wonder heeft dit onderdak mogelijk gemaakt, want olie en meel raken niet op als de weduwe er brood van bakt. Zo kan ze niet alleen zichzelf en haar zoon in leven houden, maar ook Elia. En blijkbaar ook die knecht. Die is tot nog toe aan mijn aandacht ontsnapt.
Dit is allemaal leuk en aardig, maar de jongen gaat dus toch dood. De moeder is ontroostbaar en verbitterd. Elia smeekt God om de jongen weer tot leven te brengen en dan komt alles weer goed.

Ook in huize Borgdorff voltrekt zich een wonder, weliswaar een dat overbodig is, maar toch een wonder. Veertig jaar geleden heb ik mijn scheerapparaat weggegeven en sindsdien scheer ik nat. Dus enige ervaring op dit punt kun je me niet ontzeggen en die ervaring heeft me geleerd dat na drie weken een scheermes niet meer schoon scheert, maar doorgaat met minder subtiel hakwerk. Een half jaar geleden, lukte het me om ongeschonden zes weken met hetzelfde scheermesje te doen. Welnu, op maandagochtend 15 maart, toen de intelligente coronalockdown toesloeg, markeerde ik het historische moment door een nieuw scheermesje te gaan gebruiken. Het wordt tijd voor een nieuwe alinea.

Want dat mesje gebruik ik nog. Anders dan bij de weduwe heb ik vorige week wel nieuwe olie moeten kopen ? ik gebruik geen scheerzeep of-crème maar -olie. Het mesje scheert intussen nog onverdroten soepel. Geen drie, geen zes, maar dertien weken. Het gaat om een luxewonder, want ik zit helemaal niet verlegen om nieuwe mesjes. Ik heb nog vijftien mesjes op voorraad; maal drie weken zou ik nog bijna een jaar vooruit kunnen. Als het wonder ook maar een beetje aanhoudt, zou het er ook op neer kunnen komen dat ik tot 15 maart 2024 gebeiteld zit, al is dat in verband met scheermesjes een wat ongelukkig gekozen woord.

Ik zie het al voor me, hoe ik over de Kardinaal de Jongweg rijd en op bilboards telkens de kop tegenkom van een man die zich scheert, met daaroverheen de tekst: Nu te zien in het Catharijne Convent.

12 juni 2020

Tussen de boeken

In de bibliotheek aan de Stadhuisbrug leende ik in januari drie boeken. Ook ben ik toen nog even bij boekhandel Broese naar binnen gelopen. Vandaag bracht ik ze terug en opnieuw liep ik vervolgens bij Broese naar binnen. Maar de beleving was gansch anders.
Het oude postkantoor aan het Neude heb ik in het verleden regelmatig bezocht, maar verder dan de hal kwam ik daarbij eigenlijk niet, alleen een paar keer bij een literair festival. Daarbij bleek dat er achter de grote hal andere ruimtes waren, maar die maakten blijkbaar niet genoeg indruk op me. Nu des temeer. Wat een enorme ruimte.

Nu is het oude postkantoor natuurlijk helemaal niet als bibliotheek bedoeld en het gevolg is dat je met een indeling te maken krijgt die als architectonisch ontwerp onmiddellijk lachend of woedend van tafel zou zijn geveegd als het om een nog te bouwen ruimte zou gaan. In dit geval kon men niet anders dan de ruimtelijke tering naar de dito nering te zetten. Dat gold ook voor het vorige gebouw van de bibliotheek. Aan het Neude ziet het er allemaal veel gelikter uit. Er is enorm veel ruimte en de kans op verdwalen, of de weg niet kunnen vinden, is tamelijk groot, ondanks de bewegwijzering. Het is een leuk gebouw om te verdwalen overigens. Er zijn veel plekken om met je laptop neer te strijken, viel me op. Er werd natuurlijk ook coronatechnisch bewegwijzerd. Dat had niet gehoeven, want het was niet druk en er was voldoende ruimte om uit te wijken. Hier en daar hadden straffeloos kinderen met een two wheel board door de gangen kunnen skaten zonder een gevaar te zijn voor de anderhalvemeterregel.
Het kostte me wel wat moeite op de plek te komen waar vervolgens niet stond wat ik zocht, omdat de boeken die ik had willen meenemen er niet waren.

Broese verhuisde mee en zit nu dus ook in het oude postkantoor, maar voor de boekhandel moet je via de Oudegracht naar binnen. Veel ruimte en veel boek. Wat wil je nog meer? Toch denk ik: als een architect er in coronale tijden mee aan de slag was gegaan, dan zou hij er iets anders van gebakken hebben. Hier zijn de nodige plekken niet erg éénpuntvijftigproof.
Ook miste ik overzicht, misschien nog wel meer dan in de bibliotheek. Mijn belangstelling voor rubrieken is tamelijk beperkt: literatuur, poëzie, architectuur, kunst, kinderboeken. Dan ben je al een heel eind, al zag ik een prachtig vogelgidsje. Op een na vond ik wat ik zocht, zonder te vragen. Wel Grand Hotel, niet het nieuwste boek van Bibi Dumon Tak, wel een poëziebundel van Jacques Hamelink. Architectuur heb ik gezien zonder een bepaald boek te zoeken. Bij kunst maakte ik het mezelf wel heel makkelijk door op zoek te gaan naar de verzamelde tekeningen en etsen van Rembrandt. Het boek is groot, heel groot, maar dat het ook heel dik was, viel me nu pas weer op. Ik heb het nog steeds niet gekocht, maar ik beloofde mezelf ter plekke dat ik het binnenkort ga doen. Om Alfabet van Charlotte Dematons te vinden, was een eitje, een eenvoudig, elektrisch eitje, maar het duurde even voordat ik Oliver Twist vond. Ik bedoel de door Tiny Fisscher navertelde en door Annette Fienieg geïllustreerde editie. Er lag zelfs een hele stapel. Gelukkig maar.
Ook vond ik veel boeken die ik niet zocht, maar graag gekocht zou hebben als ik niet zo gierig en arm tegelijk was geweest.
De Atlas van de Nederlandse Taal, bedenk ik nu, die vond ik ook niet.
Al met al veel beleefd vanmiddag.

11 juni 2020

Ostrobas en Tisiphernes

Het zal te maken hebben gehad met de dood van Castor en Pollux, de twee lakenvelder biggen op het landgoed Oostbroek. Luid en duidelijk vroeg ik gisteren plotseling: Gaat het goed met jullie, Ostrobas en Tisiphernes?'
'Wat zeg je nou toch?' Ik vertelde dat ik naar het welbevinden vraag van Ostrobas en Tisiphernes. Waarop Mente zich verbijsterd afvroeg waar ik het over had. Dat was een schokkende gewaarwording.

Op een rommelmarkt in Den Haag kocht ik in 1971 twee boekensteunen van wit plateel. De ene steun laat een man zien die uit alle macht probeert om met zijn rug iets tegen te houden, op de andere doet een tweede man hetzelfde, maar nu door met zijn borst voor het nodige tegenwicht te zorgen. Ik kon ze meenemen voor 25 gulden. Dat heb ik lang teveel gevonden, maar zojuist ontdek ik dat op internet eenzelfde stel wordt aangeboden voor 85 en elders zelfs voor 175 euro. Dus dat valt weer mee.
Sinds de aankoop houdt het stel een rij boeken in bedwang. Al heel lang staan ze bovenop het cilinderbureau, de complete Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur tussen hen in. Maar voor dat cilinderbureau er kwam en lang voor die fraaie boekenreeks er kwam, nog in datzelfde jaar 1971 voorzag ik de twee boekenworstelaars van hun namen toen ik op mijn kamer de Granida van Hooft zat te lezen.

In dit toneelstuk uit 1605 wordt de eenvoudige herder Daifilo verliefd op de Perzische prinses Granida. Een onmogelijke liefde, zo begrijpt Daifilo zelf ook. Daarom neemt hij genoegen met een plaats als dienaar van Tisiphernes, een hoge heer die dingt naar de hand van Granida. Op die manier kan Daifilo tenminste in de buurt komen van de door hem verafgode vrouw.
Maar er is een rivaal: de ruwe en arrogante Ostrobas. Een van de twee zal Granida trouwen en daarmee koning van Perzië worden. Tisiphernes is aardiger dan zijn tegenstrever, maar hij wil de schone Granida helemaal niet trouwen uit liefde. Zij is niet meer dan het vehikel dat het mogelijk maakt om koning te worden. Om de spanning niet nodeloos op te voeren, kan ik verklappen dat beide heren het af leggen tegen de ware liefde en daarvoor moet je bij Daifilo zijn. En bij Granida, want zij houdt zielsveel van de herder. Heus, het komt allemaal goed.

Dat las ik op mijn kamer in 1971 en toen ik even opkeek om het gelezene in alle rust te verwerken, zag ik de twee boekensteunen en toen sprak ik ze aan met Ostrobas en Tisiphernes. Voor mij zijn dat hun namen gebleven. En vandaar ook dat ik ze gisteren weer zo aansprak.
'Wat zeg je nou toch?'
Wat dom van me dat ik anderen nooit vertelde hoe de twee markante boeksteunen heten.

Een en ander heeft iets losgemaakt bij Mente. Vanochtend stonden de twee mannen op het aanrecht en nu staan ze weer te glimmen op het bureau. Ze zijn in bad geweest. En dan heb ik haar nog niet eens verteld dat het hier gaat om wit plateel (maar dat is geen nieuws) van plateelbakkerij Schoonhoven. Ze werden in 1931 geproduceerd.
Ik kijk nog even op internet. De steunen van €175 zijn intussen verkocht. In januari gingen er bij Catawiki een stel weg voor € 95. Dat is veel minder, maar nu we weten dat ze een naam hebben, zal de prijs wel omhoog gaan. O ja, de man met zijn rug naar de boeken is Ostrobas, de man die zich daar met zijn borst op stort, heet Tisiphernes.

10 juni 2020

Na Castor ook Pollux

Over de herkomst van Castor en Pollux doen verschillende verhalen de ronde. Is oppergod Zeus hun vader, of is die alleen de vader van Pollux en is de Spartaanse koning Tyndareos de vader van Castor? Aan het moederschap van Leda wordt al iets minder getwijfeld, maar ook daarover bestaan verschillende versies. Feit is wel dat we aan Castor en Pollux het sterrenbeeld van de Tweelingen te danken hebben. De schone Helena om wie oorlogen werden ontketend zou hun zuster zijn.
Castor en Pollux, de rodeo en de bokser, zijn bij veel avonturen betrokken geweest. Zo namen zij deel aan de jacht op het Calydonische everzwijn, een kwaadaardig dier zo groot als een stier, dat stad en land teisterde.

Wat dat betreft, zou het je kunnen verbazen dat Castor en Pollux op het Utrechtse landgoed Oostbroek vooral bekend stonden als de twee lakenvelder biggen. Castor overleed een jaar of vijf geleden, in de armen van zijn verzorgster. Een klein steentje met daarop kloek de naam Castor markeert de plek waar hij begraven ligt.
Drie maanden geleden stond Klaas bij zijn graf. Klaas is zes.
'Ligt hij hier echt?' Hij lag er echt. Het gezicht van Klaas verried dat hij het liefst zou gaan graven om het te controleren en tegelijkertijd vond hij het idee beangstigend dat daar vlak voor zijn voeten een heus varken begraven lag.
Toen we verder liepen, zagen we Pollux. Klaas keek ernaar alsof de big - vergis je niet: een big van 75 kilo - in zijn eentje de tweeling was. Met die gedachte raakte hij aan de mythologie, want over het levend en dood zijn van de tweeling gingen in de oudheid rare verhalen. Als onsterfelijke godenzoon bedong Pollux dat zijn gestorven broer Castor dat ook zou zijn; en zo verbleven de twee broers beurtelings in de godenwereld en op aarde. Heel lang zag men de twee zich plotseling mengen in een strijd. Ze verschenen op witte paarden en even later verdwenen ze weer. Het is een verhaal dat ik me bij de twee Lakenvelder biggen niet kan voorstellen.

Na de dood van varken Castor bleef Pollux eenzaam achter. Hij kreeg later nog wel gezelschap van een andere big, Sam, maar ze hadden elk hun eigen gebied. Ik heb niet de indruk dat ze samen optrokken.
Op 15 april heb ik Pollux nog even gedag gezegd. Omdat je eerst het steentje van Castor tegenkomt en even daarna Pollux ziet, was Pollux vooral het varken dat nog niet dood was, de overlevende. Net als in de Griekse mythe.
Ik gebruik de verleden tijd, want bij Oostbroek is het toch anders gelopen. Toen we er vandaag weer liepen, zag ik op het grafsteentje Castor & Pollux staan. De onsterfelijke is dus ook dood. Ook hij stierf in de armen van zijn verzorgster, hij werd 11 jaar. Zijn hart begaf het. Elf jaar is een mooie leeftijd voor een lakenvelder big, lees ik op een gelamineerd a4'tje.

Het hok en het veldje van Pollux zijn leeg. Bij mensen heb je dat wel. Twee mensen zijn levenslang samen, eentje overlijdt en de ander gaat een extra belangrijke plaats innemen in het leven en de aandacht van andere nabestaanden, familie of vrienden. Maar als de tweede dan overlijdt, valt dat weg, lijkt alleen dat leven samen het echte leven te zijn geweest. De tijd is van water dat de jaren van nabestaan wegvaagt. Het is misschien wat vreemd dat ik dit sta te bedenken bij het lege hok van een varken dat net als zijn broertje nooit iets heeft beleefd.

09 juni 2020

Effect

Het verhaal gaat dat Herman van Veen een keer last had van een man in het publiek die er op uit was de voorstelling te versjteren, door op het verkeerde moment te hard en te lang te lachen of zo. Dat ging hem goed af. Vanwege Bregmans adagium dat de meeste mensen deugen, vallen me de laatste dagen verhalen als dit in. Niet omdat Bregman ongelijk zou hebben, wel omdat ik me er meer over verbaas dat een kleine groep, soms een enkeling, het voor een grote groep kan verprutsen. En dan is die deugdzame meerderheid amper een geruststelling te noemen.
Het verhaal van Van Veen gaat verder. Die legde namelijk de show stil en liep de zaal in, naar de flapdrol. Hij haalde een biljet van 25 gulden uit zijn zak (het is een oud verhaal) en vertelde de man dat hij zijn entreegeld terugkreeg, maar hij moest nu wel vertrekken.
Ik gebruikte het verhaal wel als er een leerling de klas uit was gestuurd. Dat was in de tijd dat ieder kind, groot of klein, zonder meer wist wie Herman van Veen was.

Maar vandaag! Luister. Ik bel af en toe mensen om ze met wat vragen lastig te vallen. Oud, jong, liefst zoveel mogelijk verschillende mensen. Vandaag heb ik een mij onbekend jongetje op de lijst staan waarvan de naam me door iemand was toegefluisterd. Ik krijg een moeder aan de lijn. Hoe leg ik zo gauw mogelijk uit wie ik ben, wat ik wil en waarvoor en dat het tegelijk ook nog volstrekt aangenaam klinkt ook? Het flitst door me heen.
Alleen niet snel genoeg, want de moeder onderbreekt me om te zeggen dat ze me nog kent van school, maar toen had ze nog een andere achternaam. Ze spreekt me aan met 'U', alsof we 35 jaar terug zijn in de tijd. Mijn 'jij' klinkt navenant, maar ik weet pas met wie ik te doen heb als het telefoongesprek is afgelopen. Haar zoontje is er niet. Ik kan hem vanavond bellen.
Dan weet ik het weer. Ik zie haar staan in het koor en ze zingt vol overgave. Bij vieringen en musicals, altijd deed zij mee. Ik trouwens ook. Ze leek zowel heel erg op haar moeder als op haar vader, want die herinner ik me opeens ook weer. Ik weet nog dat ik hem vanaf het toneel in de zaal zag zitten.. Hij stak een kop boven de anderen uit, haar vader. En wat straalde hij!
Ik zou het er voor over gehad hebben om de zaal in te gaan om hem een briefje van 25 te geven met het verzoek om alsjeblieft te blijven zitten. Daar zou iedereen op het podium beter van gaan spelen en zingen. Dat hoefde niet: vader en moeder waren er altijd.
De meerderheid mag deugen. De minderheid bepaalt de smaak.

07 juni 2020

Wonder

Aan het eind van de Moldaudreef steek ik vaak de Albert Schweitzerdreef over. Ik moest de namen van de wegen even opzoeken. Het ligt misschien meer voor de hand om de Jumbo te noemen en de Zuilense Ring. Voor wandelaars en fietsers levert dat lange wachttijden op. Ik begin meestal automatisch de passerende auto’s te tellen als ik moet wachten. Dat heb ik jong geleerd, auto’s tellen. Intussen weet ik dat het makkelijker is om met roken te stoppen dan met tellen. En het ergste is: het gaat zo vanzelf dat ik het aantal niet meer weet zodra de laatste wagen voorbijgegaan is. Op dat moment wordt ook het moment waarop het stoplicht eindelijk eens op groen springt te belangrijk. Maar intussen kan ik nu, hierop terugkijkend, geen getal noemen. Zoals ik de namen van straten die ik vrijwel dagelijks doorga niet ken, weet ik niet waar mijn tellen geëindigd is. Toch zal ik op dat punt al gauw op de tachtig zitten.
Ik moet er nog iets over kwijt. Dat oversteken doe ik veel vaker van oost naar west, dan omgekeerd, zoals vandaag. Doorgaans kom ik vanuit het Noorderpark aangereden, steek de Gageldijk over, die evenwijdig loopt aan de Zuilense Ring en daar wacht ik tachtig (?) auto’s lang voor ik mag oversteken. Dat is de gebruikelijke gang van zaken. Maar niet vandaag.
Vandaag heb ik ook niet geteld. En dat had een reden. Strak in het verlengde van de oversteekplaats, dus aan de rand van het Noorderpark, is een sloot. Daarom moet je direct even een kleine knik maken, rechts en hup meteen weer links, om op het fietspad te komen. Daar lopen regelmatig mensen. Zo regelmatig dat ik pas vandaag tot een opmerkelijke ontdekking kwam. Die sloot in het verlengde van de oversteekplaats is helemaal geen royaal met kroos gegarneerde sloot, het is een wandelpad. Daardoor begrijp ik niet meer zo goed waarom er telkens mensen op het fietspad lopen, maar daar wil ik me verder niet mee bezig houden.
Maar dit was er dus aan de hand. Er stopt een kerel met zijn fietsje bij het stoplicht. Hij drukt op de knop, zet een voet op de grond en heft het hoofd in de richting van het land dat hem wacht. Ja? En daar ziet hij hoe tweehonderd meter verderop twee mensen druk met elkaar in gesprek zijn. Zo druk dat het niet eens tot ze lijkt door te dringen dat ze midden in, nee, midden óp een sloot staan.

Afgelopen woensdag zag ik op de tentoonstelling Wonderen in het Catharijne Convent het filmfragment uit The Ten Commandments van Cecil B DeMille waarin Mozes de Rietzee splijt. Een wonder. Later heeft men er alles aan gedaan om dat wonder te verklaren door te vertellen dat deze zee daar soms droogvalt, zoals de Waddenzee ook geschikt is voor wadlopers.
Na het oversteken van Zuilense Ring en Gageldijk, na het fietspad, dat echt een fietspad is, te zijn opgereden, kijk ik nogmaals naar de sloot waarop mensen lopen. En echt, ik weet het zeker, tot voor kort was het een sloot. Dat verklaart waarom er ook vandaag weer mensen op het fietspad lopen. Die vertrouwen het niet. Ze zijn blind voor het wonder.
En val me niet lastig met opmerkingen over een dromerige ouwe vent die niet weet hoe het heet waar hij fietst en die telt zonder te weten dat hij dat doet en die dus blijkbaar ook niet in staat is om een voetpad van een sloot te onderscheiden. Zo Is Het Niet!

06 juni 2020

Ogen

De jaren lopen met me mee door de vertrekken en vertrekjes, ze stappen door het gras, bukken zich voor paadjes waar kinderen zich onmiddellijk in verlieven, de jaren kijken met mij omhoog naar de prachtige reusachtige walnootboom en de rode beuk. Er zijn meters en meters tuin links en meters en meters tuin rechts, en voor en achter.
We woonden jaren in hetzelfde huis. Toen had de computerman het regelmatig over zijn huisje in Lunteren gehad. Daar had hij als tiener gewoond toen hij op de MTS zat. Als HTS´er kwam hij in Utrecht. We raakten bevriend en toen hij en de sociaal begeleidster samen verder door het leven wilden, trokken ze bij ons in in het huis aan de singel. Ruim vier jaar waren we huisgenoten. Een kleine veertig jaar verder lopen we in Oeken door een reusachtige tuin. We, dat zijn de vier mensen van dat singelpand.

De computerman is er in zijn element. Je zag het. Graag zou ik jaloers op hem zijn. Wat wil je ook, met zo´n aanbiddelijke walnootboom en zoveel grond, met een comfortabele motormaaier in een garage waarmee je lekker over je grasveld kunt crossen. Maar ik kan het niet opbrengen, die jaloezie. Dat komt door de jaren. Die kunnen nog wel een fietstocht aan, willen ook nog wel in een tent kruipen, verlangen geregeld naar een duik in een kloeke Noordzeegolf, maar voor de rest zijn een stoel en een tafel genoeg. Ik hoef geen grond onder mijn nagels, verlang geen stijve rug en gun een ander zijn trekzaag of snoeischaar.

Iets heeft ons rond 1980 dicht bij elkaar gebracht in het smalle steile trappenhuis van Catharijnesingel 129, met onze vaak gemeenschappelijke maaltijden, gedeelde auto en hetzelfde bierkrat. Daarom lopen we nu ook door die tuin, hun tuin, niet de onze.
Binnen herken ik de taperecorder. Ik zie de reproductie van een schilderij van Goya, zoals die boven een bankje aan de singel hing. Toen ze trouwden timmerde de computerman een echtelijk bed. Nu zie ik het weer. Na jaren. Het zou wel eens de laatste keer kunnen zijn. Slaapkamers van vrienden zie je alleen na een verhuizing.
Ze hebben hun elpees nog staan. Dat kan ook makkelijk in dat grote huis. Ik herkende er nog een heleboel van.
Ergens op een plank kom ik een foto tegen van Mente een mij.

Ze zien er alle twee goed uit, de computerman en de sociaal werkster. Bij hem valt me dat nog het meest op. Aan de singel zou hij dit en hij zou dat als hij eenmaal de HTS af had. De computers waren de toekomst. Zijn ogen konden zo glimmen als hij het over zijn toekomst had.
Het is aardig uitgekomen. Nog steeds eet hij van de computers, maar dromen doet hij nu vooral van het huis waarin ze intussen een aantal maanden wonen, en van de enorme tuin eromheen.
´Volgens mij is dit je nieuwe Lunteren,´ veronderstel ik.
´Ja, dit heeft veel met Lunteren te maken,´ zegt hij, ´maar dit bevalt me nog beter.´

Tijdens de lunch zie ik het weer. Er staat intussen wel een bril voor, maar het zijn dezelfde ogen als toen. Hij heeft er zin in. Prachtig!
Ik moet er niet aan denken. Ook goed.

05 juni 2020

Over de essentie

Voor de site van de kerk bel ik regelmatig een gemeentelid. Die confronteer ik met wat vragen en daar bak ik dan een stukje van. Zo komen we als kerk elkaar in ieder geval in geschrifte tegen. Direct na het telefoongesprek tik ik mijn stukje. Van bellen tot versturen duurt twee of tweeënhalf uur.
Vandaag belde ik iemand die over sommige vragen nog wat langer wilde nadenken. Op dat punt ben ik een en al inschikkelijkheid, maar wie mij beter kennen, weten dat dat schone schijn is. Ik wil een klus namelijk liefst in één keer klaren. Hup en weg. Dat lukte vanmiddag dus niet. Daarom vroeg ik me na het gesprek af of ik wel meteen aan het tikken moest of dat ik maar beter kon wachten.

Het begon te regenen. ‘Daar gaan de pioenrozen; daar gaan de papavers,’ mompelde ik, maar de rozen waren al ver heen en de papavers, ach ja, die papavers. Ik ging even naar buiten om te kijken. Drie grote koppen, maar de regen vonden ze niet fijn. Terug in de kamer zag ik een foto te pronk staan van precies een jaar geleden. Dat doe ik af en toe: een foto op een standaardje zetten. Op de foto staat Henk. Hij staat onder een boom, in regenkleding en het regent dat het giet: 5 juni 2019. Dat ging ik doen, ik liep naar boven om Henk te bellen.
We hebben afgesproken om in juli anderhalve week in Duitsland te gaan fietsen, maar ondanks verzachtende maatregelen, ligt dat voorlopig niet erg voor de hand. Maar wat dan?
‘Ik heb nieuwe fietstassen gekocht, weet je nog wel? En mijn tentje heb ik alleen vorig jaar nog maar gebruikt.' Het was duidelijk dat het fietsen wat hem betrof door zou gaan, maar Henk was inschikkelijk: we konden ook een rondje Nederland doen.
Ik vertelde hem dat ik dit gesprek met hem als excuus gebruikte om nog niet onmiddellijk een beslissing te hoeven nemen over het wel of niet tikken van een stukje, een deel daarvan dan.
‘Dus nu bel je mij om een stukje voor de site van jullie kerk te vullen?’ Dat mocht Henk willen: dan zal hij zich eerst moeten laten inschrijven bij de Tuindorpkerk. Dat gaat zomaar niet. Daar had hij niet van terug. Hij vroeg zich af of hij alvast eens naar een route zou kijken, waarbij we elkaar aan het eind van de eerste dag zouden ontmoeten. Dan begonnen we thuis. Daarvoor is het handig om te weten dat wij een kilometer of tachtig van elkaar wonen. Hij zou met een routevoorstel komen. Dat deed hij graag, had hij weer wat leuks te doen.

Na het gesprek begon ik toch maar aan het stukje. Het meeste had ik genoteerd over een reisje met een tjalk waarnaar mijn gesprekspartner enorm uitkeek. En die aanlokkelijke toekomst had alles te maken met een rijk verleden op dat front. Want haar kinderen, nu ruim in de vijftig, werden als zuigeling al meegenomen in de boot. Ik tikte een stukje over de tjalk en dacht aan Henk die tachtig kilometer verderop misschien al zat te kijken naar een nieuwe route, gebaseerd op ervaringen die we opdeden bij eerdere tochten.
Mensen lopen met de rug naar morgen gekeerd de toekomst in, de blik scherp op het verleden gericht, leerden de oude Grieken ons al. En die mensen lijken wel het gelukkigst als het leven zijn speelse kant laat zien, met irrelevante boot- of fietstochtjes. De essentie zit in de franje.
Ik weet niet of Femke Halsema er terugkijkend momenteel ook zo over denkt.

04 juni 2020

Het museum

De dag die ik wist dat zou komen, was gisteren. En vandaag alweer.
Gisteren bezochten we het Catharijne Convent om ons te vergapen aan de wonderen. Mente genoot ervan. Ik had het koud met alleen maar T-shirt en korte broek. Stom. Maar zo was het dus. En verder bleef ik in gedachten steken bij de vraag wat een wonder was. Doorgaans heb ik de neiging om het op te nemen voor de wereld met wonderen, juist omdat naar mijn idee wonderen doorgaans een reden zijn om iets niet te geloven. Dat is een wel erg rigoureuze, naar mijn idee misschien ook tamelijk kortzichtige houding, ten opzichte van wat er duizenden jaren door miljarden mensen is gedacht en beleefd als het om wonderen ging. Het kan niet andere of heel veel wonderen zijn verzonnen. Dat laat een weldenkend mens anno nu wel uit zijn hoofd. Als je mensen ergens van wilt overtuigen moet je er geen wonderen bij halen. Fictie als feit presenteren mag wel, maar dat lukt alleen als je er geen kabouters, bijzondere handopleggingen of orakelspreuken bijhaalt.
In het verleden kende het fenomeen wonder een andere connotatie. Misschien zou Jezus nu gezegd hebben: ‘Een blinde genezen? na drie dagen opstaan? Ik kijk wel uit. Ze lachen me uit.’ Dat maakt me wel eens huiverig voor deze tijd, waarin wij alles menen te weten.
Als gezegd. Ik had het koud in het Catharijne Convent. Ik zeg niet dat het daar koud was, ik zeg dat ik een vestje had moeten aantrekken.

Wonderen worden doorgaans positief geduid. Daar heb ik mijn twijfels bij.
Vandaag bezocht ik voor de tweede keer na maanden een museum, nu samen met Lukas. En we kwamen in een soort karretjes terecht die me deden denken aan de wagentjes van een spookhuis op de kermis. We waren nog maar net vertrokken toen ik me realiseerde dat ik een fout had gemaakt. Het was hier om te beginnen veel te donker. Hier had ik een jongetje van vier niet mee moeten opzadelen. Een arm om hem heen, hem wat naar me toe trekken en op bijzonder luchtige toon commentaar leveren en plotseling opdoemende gevaren bezweren, het hielp even maar niet afdoende. Lukas was in een verschrikkelijke wonderwereld terechtgekomen, kon er geen chocola van maken en kreunde dat hij naar mama wilde.

Zijn moeder was niet thuis, dus dat zou niet gaan. Nu was dat niet zo’n probleem, want er is een winkeltje met kleurrijke lolly’s. ‘Wat wil je? Naar mamma of wil je een lolly?’
Hij wilde een lolly en hij wilde een handje van me.
Deze plotselinge verandering was geen wonder, maar de uitkomst van eenvoudige berekening.
Maar het was een moeizame herstart met deze twee eerste museumbezoeken.

Ik weet niet wat ik morgen ga doen.

03 juni 2020

De dominee

Zijn sonore stem paste heel goed bij een zwarte toga. Zijn hoofd ook. Ik kan me hem niet goed voorstellen in een zandkleurige toga en een stola die de kerkelijke kleuren van het jaar volgt. Dominee Kronemeijer had zes kinderen en toen hij eind ’73 in Utrecht kwam, reed hij in een forse stationcar, vanwege dat gezin, maar het was ook goed voor hem, want het was een grote man. Er passen allemaal mooie woorden bij hem: die sonore stem, de rijzige gestalte, dat aristocratische gezicht. Daarom deed het pijn om hem na de grote stationbak te zien rijden in een Citroën Visa. Gelukkig trof je hem als stadspredikant vaker op de fiets aan dan in de auto en die fiets was een onverdacht klassiek herenmodel.
Zijn sonore stem was niet op snelheid gemaakt. Hij sprak zelfs aarzelend, maar dat mocht met zo’n vol geluid. Hij zocht vaak naar worden, ook in zijn preken. Maar dat zoeken nodigde de mensen uit om mee te zoeken en dan was het een troost dat hij woord in kwestie net iets eerder vond. Ik luisterde graag naar hem. Ook al omdat hij niet met koeien van waarheden kon omgaan.

Hij vertelde een keer van een ziekenbezoek waarbij de zieke verzuchtte dat ze haar leed alleen maar kon dragen omdat ze wist dat het van God kwam. Dat was in dezelfde week waarin een ander doodzieke vrouw hem zei dat het haar een troost was dat ook God de verschrikkelijke ziekte die haar dood zou worden, niet wilde. Na de dood van mijn vader kwam hij langs. ‘Ik betrapte me er de jaren na de dood van mijn vader regelmatig op dat ik helemaal niet tot God bad, als ik bad, maar tegen mijn vader in Kollum zat te praten.’
Ik heb veel geleerd van Kronemeijer.

De aarzelende manier van spreken vond je terug in zijn denken, zijn manier van geloven, maar je kwam het ook tegen in de manier waarop hij leesbrillen mishandelde. Ik ken hem van zijn leesbrillentijd. Die leesbril ging voortdurend op en af en het is een wonder dat hij nooit tijdens een kerkdienst zijn bril in stukken heeft brak. Als hij stond te vertellen haalde hij de bril van zijn neus, deed omstandig pogingen die te molesteren en zette hem weer op als hij de tekst voor zijn neus weer even moest raadplegen. Zonnebrillen gingen hem ook heel goed af. Hij was dol op zonnebrillen, realiseer ik me.

Ergens in de jaren zeventig kwam hij een keer langs. Hij maakte zich zorgen over me. Dat was niet onterecht. Hij probeerde me zover te krijgen dat ik mezelf eens vragen ging stellen in plaats van met antwoorden te blijven leven waar ook ikzelf niet gelukkig van werd. Ik geloof dat ik het zo wel onduidelijk genoeg gezegd heb.
Het was in de tijd dit ik een verbaal gevecht graag aanging. Zo ook nu. Ik won op punten. Weliswaar had ik hem niet overtuigd, wel had ik hem de mond gesnoerd. Hij vertrok.

Tien minuten later belde hij weer aan.
‘Ik wil nog een keer met je praten en ik wil dat je je mond houdt. Ik kan je niet tegenspreken, maar ik ben het niet met je eens. Jij praat als een slimme paling. Als je zo graag wilt discussiëren, moet je dat maar met jezelf doen, alleen wint er dan niemand en niemand luistert er echt.’
Daarna vertelde hij hetzelfde als de eerste keer. Weer moest hij telkens naar woorden zoeken, maar heel gehoorzaam viel ik hem nu niet in de rede. Het drong tot me door dat hij dichtbij me wilde komen, net iets verder dan de woorden waarmee je iemand handig kunt klem zetten.

Daarna ging hij weer weg. De spiegel die hij me wilde voorhouden, liet hij achter.

02 juni 2020

Burgemeester

Hij gaat weg en Utrecht treurt om zijn vertrek. Het is me niet gelukt de afgelopen jaren onvertogen woorden over Van Zanen te horen. Dat is een mooi resultaat voor een VVD’er die een groen links Utrecht aanvoert. Het lijkt me goed voor Den Haag, een stad die me om jeugdsentimentele redenen dierbaar is. Ze kunnen daar wel een Van Zanen gebruiken. Maar ik vind het jammer. Op de vrijdagochtend van 24 april sprak ik hem voor het eerst. Hij belde om 9.00 uur om te vertellen dat ik een lintje had gekregen. Zo’n man was het dus, brenger van goed nieuws, ik bedoel maar.
Het speet hem dat hij me niet kon opporren om meteen naar de Stadsschouwburg te komen, maar over een half jaar zou hij me graag ontmoeten om me alsnog de versierselen op te spelden. Daarmee komt, bij nader inzien, toch een verraderlijk liberaal tintje naar voren, want het is nog maar zeer de vraag of hij dat ooit zal doen. Dat valt me een beetje tegen.
Voor dat gesprek had ik hem al wel eens gezien, als hij de mensheid iets vertelde, hij droeg toen zijn ambtsketen.

Dat was niet het geval toen we vijf jaar geleden voor een stoplicht stonden, allebei op de fiets. Wat mij trof was dat er naast me een man stond met precies dezelfde fiets als ik, een statige zwarte herengazelle, Van Zanen.
Behalve een klein zadeltje voor op was er nog een heel groot verschil: achterop mijn fiets had ik met twee spinnen de zojuist gekochte magnetron vastgemaakt, maar de doos was wel erg groot en de spinnen waren nauwelijks toereikend. Het gevolg was dat bij het optrekken (we hebben het hier over een ouderwetse herenfiets) de magnetron naar achteren schoof. Hij zou op de grond gevallen zijn als achter mij niet iemand te hulp was geschoten, iemand die geen Nederlands sprak, iemand ook met een allesbehalve Nederlandstalig uiterlijk. En iemand met kleding waarvoor de slogan ‘C & A is toch voordeliger’ niet opging. De burgemeester was allang uit beeld verdwenen toen de man en ik de magnetron weer een beetje redelijk hadden vast gezet. De magnetron was voor mijn net verhuisde schoonouders. Ze zouden hem nooit gebruiken. Een paar maanden later heeft een van de kleinkinderen hem waarschijnlijk meegenomen.
Mijn getob is de burgervader ontgaan. Zonder dat getob, dus zonder magnetron, zouden we ongetwijfeld samen zijn opgefietst. Dan had ook hij gezien dat we dezelfde fiets bereden. We zouden aan de praat zijn geraakt en vorige maand zou hij niet gezegd hebben ‘ Dag meneer Borgdorff,’ maar ‘Zo jongen, heb ik jou mooi even tuk. Moet je luisteren…’
Zo was het niet en zo zal het ook nooit worden.

Politiek verslaggever Hans Goslinga sprak in Trouw van een gemiste kans. Het ging hem niet om Van Zanen, hij noemde hem niet eens, maar in Den Haag had men een vrouw moeten benoemen. Ik vond dat Goslinga een punt had. Ik verwacht dan ook dat de opvolger van Van Zanen in Utrecht een vrouw wordt.
Na de blamage van mevrouw Halsema is het misschien goed voor haar als ze een stapje terug doet en de baas wordt in een kleinere stad met mensen van haar kleur.
Ik zie daar overigens niet naar uit. Waarom heeft ze niet gezegd: ‘Geen gedoe op de Dam. Ik ga er heen. Met een groot bord. Alleen.’ Zoals de student op het plein van de Hemelse Vrede in 1989, of zoals Willem Alexander op 4 mei. Ideologie? Vooruit. Maar dan wel een beetje intelligent graag.

31 mei 2020

Mijn vader en ik

De predikant koos vanmorgen voor de lezing niet voor het bekende Pinksterverhaal waarmee het Bijbelboek Handelingen opent. Hij las in plaats daarvan het tweede deel van Johannes 14 voor. De inhoud leende zich uitstekend voor een Pinksterpreek. De dominee begint bij vers 22, bij 23 al werd ik afgeleid. ‘Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen.’
Dat kwam door dat ‘mijn vader en ik.’ Het ontbrak er nog maar aan dat er ‘ik en mijn vader’ stond. Plotseling veranderde Jezus van een volwassen vent in een jongetje dat vol trots vertelt over zijn vader, een vader zonder wie een kind geen kind kan zijn.
We kregen gisteren wat fotootjes toegestuurd van een huisje dat Sam had gebouwd voor de kinderen. In een ervan zaten de twee broertjes in de hut: die van zes en die van één. Het was vooral een tweede foto die me trof. Daarop alleen Klaas van zes. Hij zit op de grond bij de ingang van het hutje en hij kijkt enigszins verlegen, maar vooral blij in de camera. Het is duidelijk dat het jongetje erg gesteld is op de maker van die foto. Ik denk dat dat Sam was, de man die zojuist de laatste hand had gelegd aan het huisje. Dat is ook duidelijk: Klaas is blij met het huisje. Kinderen zijn vaak dol op kleine huisjes en hoekjes, dat heeft met een gevoel van veiligheid te maken. En als daar dan ook nog grote mensen bij in de buurt zijn van wie je houdt en die zo omstandig investeren in jouw welbevinden (door zo’n huisje te bouwen bijvoorbeeld) zit je helemaal goed.
Misschien kwam het door de toon van de predikant. Toen hij ‘mijn vader en ik’ zei, zag ik voor me hoe Jezus voor een huisje ging zitten en dankbaar opkeek naar die grote God, hamer nog in de hand, die dat voor hem gemaakt had. ‘Mijn vader en ik.’

De gedachte aan een hamer bracht me bij Jozef. Speelden ook de aardse familiebetrekkingen hem door het hoofd toen Jezus het zo ontwapenend had over ‘mijn vader en ik’? In het vervolg heeft hij het erover dat hij naar zijn vader gaat. Jozef of God? En wat stelt hij er zich bij voor?
Ik kan me er niet mee bezig houden. Ik moet opletten, want de preek begint, de pinksterpreek. Over de geest. Die stel ik me voor als confetti dat over de aarde dwarrelt, afkomstig uit een voor ons onzichtbare hemel.
Wie weet is daar een klein huisje gebouwd en zijn daar een vader en een zoon in gekropen. Ze zijn er eigenlijk te groot voor, maar je moet het kind in jezelf niet kwijt raken, niet als je Jezus bent en ook niet als je God bent. Echte vaders zijn namelijk kinderen.

30 mei 2020

De Binnenlandse Strijdkrachten

Na haar dood komt mijn moeder in verschillende gedaanten regelmatig bij me langs. Ze is niet langer het verschrompelde vogeltje dat ik van haar bed naar de wc-stoel daarnaast droeg, of van haar badkamertje naar haar bed, want als het even kon scharrelde ze zelf tot in de laatste nacht van haar nog enigszins bewuste leven naar de badkamer. Daar hielpen geen luiers of signaalpaaltjes aan. En als je ook maar even weg was, trof je haar achter haar rollator of op de wc. Het was onbegrijpelijk. Dan hielp ik haar verder en droeg haar terug. De rugpijn die ik er aan overhield was een kleine bron van vreugde in die tijd.
Maar goed, zo kom ik haar nu niet meer tegen. De afgelopen weken is ze regelmatig schamperend langsgekomen. Zo kennen de meeste mensen haar niet. Ze was een hartelijke vrouw bij wie tot op het laatste ogenblik de mensen graag op bezoek kwamen.

Maar mopperen kon ze ook. Nooit lang, maar wel duidelijk. En de laatste tijd kwam ze dus een paar keer langs om commentaar te leveren op de mensen van de Binnenlandse Strijdkrachten, met name op die jonge gasten van haar leeftijd of iets jonger. Zijzelf was zesentwintig toen de Duitsers capituleerden, getrouwd en moeder van mijn twee zussen, toen respectievelijk twee jaar en twee maanden.
Die BS-jongens waren voor een groot deel knullen die zich tot een paar maanden voor het einde van de oorlog gedeisd hadden gehouden. Maar toen duidelijk werd dat de bevrijding nog maar een kwestie van tijd was, meldden ze zich aan om een beetje mooi weer te spelen en stoer te doen. ‘Het is hetzelfde soort jongens dat nu met Oud en Nieuw van die grote vuurstapels maken, met autobanden, en dan, als iedereen het ziet, een oude auto het vuur in rijden en er dan gauw uit springen.’ Uitslovers, mooi weermannetjes. Ze plukten hier en daar met bombarie NSB’ers tevoorschijn om ze de handen in hun nek te laten leggen terwijl zij ze onder schot hielden.
En na de bevrijding kwamen ze met glunderende gezichten in hun blauwe overall met een oranje band om hun mouw de kerk in. ‘Kijk ons eens! Voor koninging en vaderland! Nou, het stelde in de meeste gevallen niks voor.’
Sommigen groeiden er overheen. Ze waren jong en genoten van het moment, en dat was het. ‘Anderen hadden echt iets meegemaakt. Die waren er natuurlijk ook. Maar weer anderen stonden jaar en dag vooraan bij herdenkingen, jongens die eigenlijk alleen maar in de weg hadden gelopen. Meelopers die het tij mee hadden.’
Welke jongens mijn moeder bedoelde? Ze heeft nooit namen genoemd.
‘Maar goed, laten we het er maar niet over hebben,’ zei ze meestal en dat was het dan.
Vreemd dat ze er deze weken, al een paar jaar na haar dood, nu al drie keer op is teruggekomen.

Vandaag bij Aat langs gefietst. Hij had de koffie en het appelgebak al klaarstaan. Ik vertel hem van het gemopper van mijn moeder.
‘Ze had helemaal gelijk. Dat stelletje zelfingenomen knullen. Prutsers.’
Zou mijn moeder ’s nachts ook bij hem langskomen?

29 mei 2020

Sukke

Met dit mooie weer moesten natuurlijk wel de waterbanen in de tuin worden gelegd. Lucas van vier wist hoe ze gevuld moesten worden. We zagen meteen dat het handiger was om hem dat als Fokke te laten doen. Toen Marcus de blote billen van zijn broer zag, vond hij dat hij dan maar Sukke moest zijn. Of liever: dat vond hij niet. Hij vond alleen maar dat hij net als zijn grote broer geen broek en ook geen luier aan hoefde. Dat vonden wij ook, toen we zagen hoe hij met het water omging. Even later waren Fokke en Sukke druk in de weer met ieder een eigen waterbaan, waarin naast water ook zand moest.
Toen Sukke - nog maar een maand en dan is hij twee - even bij oma op schoot klom om bij te tanken, werd die schoot warm. Zij verdween van het toneel om boven een droge broek aan te trekken. Sukke verdiepte zich even in de zandbank en even later stapte hij de kamer in om met wat Duplo te spelen. Bah, zei hij toen hij opstond en weer naar buiten waggelde. Er lag een plasje op het parket. Ik werkte het keurig weg. Fokke had intussen zijn oma gecharterd om even op zolder te spelen. Ik wees Sukke op het schaaltje waarin nog wat appelpartjes lagen. Die stonden hem wel aan. Hij zette het bakje op de bank, klom er zelf naast en vervolgens kregen de partjes al zijn aandacht. Ik ontdekte een plasje bij het aanrecht en pakte een doek.
Bah, zei Sukke, waaruit ik begreep dat hij zag waar ik naar keek en dat hij mij duidelijk wilde maken dat het weer om een plasje van hem ging. Niet dat hem dat verder iets interesseerde.
‘Aardbei,’ zei hij. En dat bedoelde hij ook. De appelpartjes waren op en ze hadden goed gesmaakt, maar aardbeien vindt hij nog veel lekkerder. Maar die waren al op. Dat vertelde ik hem.
Dan had hij in de kamer niets meer te zoeken, vond hij. Hij liet zich van de bank glijden en ging de tuin weer in.
Toen ik het lege schaaltje van de bank pakte zag ik een ovale natte vlek. Die jongen kon er wat van. En blijkbaar had hij bij zijn vorige bah niet de plas in de keuken bedoeld, maar de plas die hij op dat moment op de bank zat te doen.
De bank is een gevoelig ding. Er was haast bij geboden. Dus ik draafde een paar keer van keuken naar kamer. Maar ik zag wel dat hij af en toe met een zandvormpje van buiten naar binnen kwam met water erin. In de keuken draaide hij een vormpje dan om, niet eens om het water eruit te laten vallen, leek het , maar meer om te zien wat voor vormpje het was, een zeester, of een fietser op een fiets bijvoorbeeld, of een vis.
En plotseling wist ik niet meer wat ik nu eigenlijk allemaal aan het opvegen was. Ik had ook niet de behoefte om daar achter te komen. Wel besloot ik om Sukke maar weer een luier om te doen. Daar was het jongetje het helemaal mee eens. Hij bleef rustig liggen tot hij hem om had.
Vijf minuten later begreep ik waarom. Wildplassen is geen probleem voor een vent van bijna twee, poepen is wat anders. Na de tweede luier ging ik even op de bank zitten.
‘Jij vermaakt je wel,’ zei Mente, toen zij weer beneden kwam.

28 mei 2020

Een achterneef van Ipenburg?

Op Twitter kom ik een filmfragmentje tegen waarin Simon Carmiggelt indirect commentaar geeft op de opmerkingen die Freek Jansen van het Forum voor Democratie maakt tijdens een optreden voor een hem goed gezind gehoor.
Freek Jansen wijst naar de zijkant van zijn podium. Daarachter, buiten het gebouw, waarschijnlijk zelfs aan de overkant van de straat, is het kantoor van de Volkskrant, spreekbuis van de tegenpartij. Hij weet zeker dat daar op dit moment een fotograaf zit met grote belangstelling voor wat er op de bijeenkomst gebeurt, de mensen ‘die ons fascisten noemen, nazi’s. Hij gebruikt het woord ‘paparazzi.’ Dan schakelen we naar Simon Carmiggelt die in een gesprek terugblikt op wat hij als journalist in de jaren dertig meemaakte bij de socialistische krant Vooruit, de Haagse versie van Het Volk. Hij vertelt dan dat zijn collega’s en hij indertijd veel belangstelling hadden voor fascistische tendensen die de kop op staken en daarin een gevaar zagen.
Vervolgens zet hij een spreker uit die tijd neer: ‘En dan priemde die zo met zijn vinger naar de perstafel.’ Het blijkt een staaltje van good practice te zijn dat Freek Jansen onmiddellijk opvolgt. Let wel: dat doet Freek in het heden; Carmiggelt vertelt zijn verhaal in 1978 en hij heeft het over de jaren dertig.
‘Laat de verslaggever van dat leugenblad De Vooruit nou maar eens opschrijven, als die durft…’ Hier stopt het fragment met Carmiggelt en schakelen we moeiteloos naar de zaal waarin Freek Jansen luid wordt toegejuicht omdat hij handen en voeten heeft weten te geven aan een vijandsbeeld waarvan ik niet kan begrijpen waarom het kan bestaan.

In een blaadje over de streekhistorie van het Westland las ik gisteren over Ipenburg, in het laatste oorlogsjaar burgemeester van ’s-Gravenzande en Monster, een overtuigd NSB’er die tot het eind toe voor het gemeentepersoneel redevoeringen afstak om aan te tonen dat door het verlies van Duitsland het Bolsjewisme zou winnen. Ze zouden hem misschien een rare vent vinden, meende hij, maar later zouden ze zeggen dat hij toch gelijk had.
Die man was dus echt overtuigd van zijn eigen gelijk en even nam me dat voor hem in. Even, zeg ik, want hoe blind ben je voor de realiteit van een hongerwinter als je dit nog durft te zegen.

Twee jaar geleden stond in een theatervoorstelling het verleden van enkele Westlandse NSB’ers centraal, ook de NSB-burgemeester Ipenburg wordt erin ondervraagd. Op internet lees ik hoe hij daar wordt gekwalificeerd: ‘Een ideologisch fanatiekeling, een opportunist, een avonturier, iemand die door zijn lidmaatschap uit de armoede kon ontsnappen: elke NSB'er heeft een reden om lid te worden, die afwijkt van de ander.

Hoe zou dat nou zitten bij die Freek Jansen, voorzitter van het Forum? De man die onder andere dit zegt: “We mogen nooit toegeven aan de twijfel die ons allemaal van tijd tot tijd bekruipt want om die volgende verdieping van de toren te bouwen hebben we doorzettingskracht nodig, discipline, overwinningsdrang, ja zelfs overheersingsdrang.” Ik staar wat langer naar die laatste woorden.

Waar komt die Freek Jansen vandaag? vraag ik met af. Ik hoef niet lang te zoeken om weinig verkwikkelijks op het spoor te komen van iemand die tot voor kort werkzaam was voor, het zal toch niet waar wezen!, de gemeente Westland.

Ik vat zijn boodschap even samen: ik heb in het verleden niet altijd gedeugd. Beschouw dat als een grap. Ik ben overtuigd van mijn gelijk en ben bereid alles en iedereen ondergeschikt te maken aan mijn opvattingen.
Zou het een achterneefje zijn van kameraad Ipenburg?

27 mei 2020

Rolpaal

Het buurtschap bij Honselersdijk heet de Rolpaal omdat zo’n ding er ooit gestaan moet hebben. Huize Honselaersdijk werd gebouwd in opdracht van Frederik Hendrik, al had zijn vrouw Amalia van Solms er waarschijnlijk meer bemoeienis mee. Dit buitenverblijf lag minstens tien kilometer van het centrum van Den Haag waar de prins regelmatig diende te verkeren en daarom werd er een lange rechte weg en dito vaart aangelegd van Honselersdijk, via Poeldijk naar Den Haag. De weg ging sneller, in ieder geval in de zomer, de vaart was rianter en in tijden van regen een enorme uitkomst. Dan kon je met de trekschuit reizen. Zowel water als weg werden ook belangrijke manieren om groente en fruit in de stad te slijten. Het kan niet anders of bij de Rolpaal heeft zo’n ding gestaan.

Langs de Vecht, negentig kilometer verderop, staat er echt een. Die staat er pas een jaar of tien, maar hij staat op de plaats waar er in het verleden ook eentje heeft gestaan, ter hoogte van wat jaar en dag het gemeentehuis van Zuilen is geweest.
Vandaag ben ik er even afgestapt, bij de rolpaal, niet bij het gemeentehuis aan de overkant. Het kon amper toeval heten dat er iemand bij die rolpaal zat te vissen.

Op het bordje las ik deze tekst:
Wie kan de vinding van den Trekschuit ooit waarderen?
Men reist als zat men thuis, geen schokken, draaien, keren,
ontrust het lichaam, ’t zij men vaart bij dag of nacht,
men vindt al slapende zich op zijn plaats gebracht.


Het is een kwatrijn van Gysbert Tysens, die leefde van 1693 tot 1732, dus oud is hij niet geworden. Het bord legt verder uit hoe een trekschuit werd getrokken door een paard dat over het jaagpad liep en begeleid werd door een jager. We weten dat zo’n paard ook wel vervangen werd door de vrouw en kinderen van zo’n jager of dat de scheeps- of schuitenjager zelf de brede lus van de lijn om deed om een schuit te trekken. Hoe dan ook, er zijn allerlei redenen om bij het hierboven geschetste gerief wat vraagtekens te zetten.

Het bord bij de rolpaal langs de Vecht vertelt ook nog dat we de uitdrukking ‘zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet’ aan de trekschuit te danken hebben. Wél weet ik dat men voor de trekschuit speciaal kort geslagen touw gebruikte. Dat bezat meer veerkracht. Dat voorkwam schokken en een al te schichtige wijziging van koers, bijvoorbeeld als de lijn om de rolpaal ging.

Af en toe dwaal ik op mijn mobieltje en zoek ik naar voorgeslacht. Vorige week kwam ik een voorvader tegen die tweehonderd jaar Wie kan de vinding van den Trekschuit ooit waarderen?
Men reist als zat men thuis, geen schokken, draaien, keren,
ontrust het lichaam, ’t zij men vaart bij dag of nacht.
Men vindt al slapende zich op zijn plaats gebracht.
(Gysbert Tysens, 1728) geleden als jager door het leven ging, in de omgeving van Leiden. Jager? Een tweede bron gaf zekerheid: het ging om een schuitenjager.
Sindsdien heeft de rolpaal wat meer mijn belangstelling, maar ook maak ik me zorgen over de rol die de vrouw en kinderen hadden als deze voorvader zijn beroep uitoefende.

26 mei 2020

Afname

Het is lang geleden dat er zo lang geen bloed bij me werd geprikt; gisteren mocht ik weer. Begrijp me niet verkeerd ik ben niet edelmoedig genoeg om naar de bloedbank te gaan en doneer alleen bloed om mezelf ter wille te zijn. In dit geval om mijn psa-waarden te meten. Eind december was de laatste keer en in maart mocht het niet meer. Ik moest het eind mei nog maar eens proberen.
Zo is het gegaan. De vertrouwde hal van het ziekenhuis gaf mij onbekende looprichtingen aan, want de bloedafname was verplaatst. Ik moest op een bankje gaan zitten tussen patiënten van karton, die stuk voor stuk bijzonder ondervoed waren en iedere gelaatsuitdrukking waren kwijt geraakt. Geen mensen om iets grappigs tegen te zeggen en ook niet om te vragen of er ergens een koffieapparaat stond. Voor koffie zou ook geen tijd geweest zijn, want de wachttijd was minimaal.
Ik probeer altijd het gezicht te onthouden van de persoon die mij prikt. Net eens zozeer om in de wit geüniformeerde dame ook de mens te ontdekken die daarin verborgen zit, maar, alweer eigenbelang, om met het oog op een volgende keer te onthouden aan welk gezicht ik een aangenaam prikvermogen kan koppelen. Het is me nooit gelukt.
Ik legde mijn zomerse arm, met ingebouwde korte mouw, op de daarvoor bestemde leuning. En kneep mijn vuist dicht.
De verpleegster vroeg naar mijn geboortedatum en raakte vervolgens blijkbaar van streek, want ze zweeg een tijdje en vroeg me vervolgens mijn vuist dicht te knijpen.
‘O,’ lachte ze vervolgens, ‘dat heeft u al gedaan.’
Ze prikte aangenaam. Ik kijk bij het prikken doorgaans een andere kant op. Hooguit werp ik wel eens een blik om het aantal buisjes te tellen dat gevuld moet worden. Dat deed ik nu niet. Het zou vandaag niets voorstellen.
Automatisch maakte mijn rechterhand al aanstalten om naar links te zweven om daar met een wijsvinger het plukje verband tegen het gaatje in de armholte te maken. Ik zag dat de verpleegster het verbandje bleef aandrukken. Toen ze het omhoog haalde, sprietste er een flinterdun straaltje bloed uit mijn arm. Daarom drukte ze het weer aan. Na een tijdje was het straaltje een belletje bloed dat langzaam uit mijn huid tevoorschijn welde. Een minuscuul bobbeltje bloed. En plotseling trok er een groot bevreemden door mijn lijf.
Mijn lichaam kent een aantal natuurlijke in- en uitgangen; daar hoef ik niet over uit te weiden. Maar waarom is er dan ook deze? Eentje die met een naald wordt gemaakt? Een mes of bijl had ook gekund, maar ik beperk me nu even tot de naald. Waarom was er geen luikje ingebouwd waardoor op bestelling een bepaalde hoeveelheid bloed naar buiten kon? Waarom moest deze handeling hoe minimaal ook een inbreuk op mijn lichaam zijn?
Ik drukte automatisch mijn wijsvinger naast die van de verpleegster, op het verbandje in de holte van mijn linkerarm.
‘Dat is wel goed,’ zei ze. Ik begreep uit haar opmerking dat het eigenlijk niet goed was, dat zij de instructie had gekregen om gedurende dit coronium niet de vinger van de patiënt in te schakelen. Maar dat het haar nu wel even goed uit kwam dat ik het deed omdat ik immers nog nabloedde, wat wel een heel groot woord is voor wat zich onder het plukje verband voltrok.
In de hal zaten de kartonnen patiënten nog steeds te wachten. Het had geen zin meer, wist ik. Pijltjes wezen mij de uitgang.

24 mei 2020

Hengel

Op mijn tiende verjaardag stapte ik de toekomst in en kreeg ik een fraaie fiets. Mijn elfde beschouw ik als een terugval waarvoor ik de schuld volledig bij mezelf moet zoeken. Het begon er al mee dat ik als cadeau een ridderpak vroeg en dat ook kreeg. Ook vroeg ik een hengel. Die kreeg ik ook.
Een vriendje van me was een paar jaar eerder naar Honselersdijk verhuisd, maar we waren elkaar blijven opzoeken. De oma van het vriendje woonde even buiten Honselersdijk, bij de Rolpaal. Vanuit haar huis zag je de Vaart tussen Honselersdijk en Poeldijk en aan die vaart zat af en toe een visser. Zo was Peter aan de hengel verslingerd geraakt. Het paste bij hem. Peter was een stille, vriendelijke jongen. Hij nam me een keer mee uit vissen. Dat was gezellig, want we gingen dan bij zijn oma langs en bij haar kon ik regelmatig naar de wc. Toiletbezoek was een geliefde bezigheid voor een jongetje zonder zitvlees.
Peter bleef de hele middag bij de vaart zitten, ik vergezelde hem, maar ging een keer of vier naar de wc. Peter ving niets en ik besloot een hengel voor mijn verjaardag te vragen.

De woensdagmiddag daarna fietste ik met mijn nieuwe hengel naar de Rolpaal. Om onze tijd goed te gebruiken hadden we bij zijn oma afgesproken, vanuit Monster scheelde mij dat ruim een kilometer. Mijn hengel zag er fraaier uit dan die van Peter. Aan de vaart deden we deeg om het haakje, al had Peter ook wel wat wormen bij zich. We gingen zitten en toen we eenmaal zaten, zaten we en begon het grote wachten.
Het duurde niet lang voor ik me meer op mijn blaas begon te concentreren dan op de dobber. Gelukkig voelde ik al snel genoeg net genoeg aandrang om even bij oma Kamp langs te kunnen gaan om te plassen. Zij gaf me snoepjes mee, eentje voor Peter en eentje voor mij. Dat deed ze de keer daarna ook.
Toen ik voor de derde keer naar buiten liep, stond Peter me toe te zwaaien. Hij had zojuist een baarsje gevangen. Niet met zijn eigen hengel, maar met de mijne. In de emmer naast hem zag ik het visje.
Dat ik er niet bij was toen de vis in mijn haakje beet, vond ik misschien nog wel heel even een beetje jammer, maar veel en veel groter was de opluchting dat ik het visje niet zelf van de haak had kunnen halen omdat ik toevallig even weg was. De eer van mijn hengel was daarmee gered. Het visje mocht van mij wel weer terug het water in.
Om half zes moest ik naar huis. Het leek me wel zo praktisch om de hengel achter te laten in het schuurtje van oma Kamp, dan hoefde ik die niet steeds op de fiets mee te nemen, en de Rolpaal was immers een ideale visplek. Dat was deze middag wel duidelijk geworden.

We hebben nooit meer samen gevist. De hengel is na maanden nog wel bij ons in de schuur terecht gekomen, maar hij is niet meer gebruikt. Daar was ook geen tijd voor, ik kreeg het steeds drukker met riddertje spelen, samen met een jongen van een paar huizen verder. Die was twee jaar jonger, dus logisch dat je daarmee spelletjes speelt waar je zelf misschien al iets te groot voor bent. Maar daar deed ik niet moeilijk over. Zo kinderachtig was ik niet.

23 mei 2020
Voor de germanist

Pioenrozen

Het verhaal over de Rolpaal moet maar even wachten, want pioenrozen hebben minder tijd. Ik geef even de stand door. Het boeketje dat de jongste twee weken geleden meebracht, is in schoonheid ten onder gegaan. Wat begon als een iel bosje bebladerde stelen met knopjes boven veranderde in een overdadige perzikkleurige pracht waarvoor we de televisie konden uitzetten. Eerst vanwege de groei die een bloei werd die alle aandacht voor zich opeiste en later aandacht vroeg vanwege het vallen van een eerste blad en hoe dat viel en daarna liggen bleef en daarna niets en dan een tweede blad en daarna niets, een derde en dan niets en niets en weer en dan een tijdlang niet en dan weer wel. Het waren enkele bloemen, waarvan de roze schelpen de weg af legden naar de grijsgroen geschilderde bovenkant van het kastje. Alles was en bleef in harmonie. Nu staat de vaas weer in zijn eentje alle honneurs waar te nemen.

We treuren daarom niet. Helemaal niet, want nog verrukkelijker zijn de pioenrozen in de achtertuin. Dubbele zijn het. Een maand geleden hebben we ze al geholpen door er op halve hoogte een ring omheen te leggen. Maar nu de knoppen tot uitbarsting komen, is Mente ook even met touwtjes bezig geweest. Want zoveel schoonheid van nu al tien bloemen, elk meer dan twee handen groot, zoveel schoonheid is zo kwetsbaar.

Mijn vroegere collega de germanist wist niet hoe snel hij bloeiende pioenrozen in zijn tuin moest afknippen, om ze in een vaas op tafel in veiligheid te brengen. Een meteorologische wet vertelde hem dat het heel hard gaat regenen en waaien zodra de pioenrozen in de tuin tot bloei komen. Omdat ik zijn voorbeeld nooit volgde, heb ik inderdaad regelmatig moeten wenen, niet eens zozeer om bloemen in de knop gebroken, maar wel om bloemen die in een keer al hun blad waren kwijt geraakt door een fikse slagregen. Alsof je met een boeket door de wasstraat voor auto’s was gelopen.
De germanist en ik zien elkaar al jaren niet meer; bij de pioenrozen denk ik aan hem. Weet je wat? Ik draag dit stukje aan hem op.

Met het oog op het weer heb ik zojuist wat foto’s gemaakt van het schone spektakel in onze achtertuin. Er staat een stevige wind, maar die zou mijn eerste zorg niet zijn. Het zijn de klaterende pijpenstelen die pioenrozen een voortijdige en abrupte dood bezorgen en zo’n regenbui komt er niet. Ik denk dat ik het voorbeeld van de germanist opnieuw niet hoef te volgen, al weet ik niet of hier nu inzicht of wens de vader is van de gedachte.

De pioenrozenstruik die jaarlijks in de voortuin tot uitbarsten komt, is veel ouder dan die in de achtertuin. Maar die staat nog maar amper in knop, daar hoef ik geen zorg over te hebben. Maar daar hebben de papavers dit jaar de smaak te pakken. Veel knop maar twee zijn er al uit in een uitbundig felrood. Zo groot als een muts. Mijn hoedmaat is 57. Dat halen die twee makkelijk. Hoe weerbestendig die zijn, weet ik niet, en ik geniet er met volle teugen van, maar dat is niet het angstige genieten dat ik ken van pioenrozen en dat die ze juist daarom zo dierbaar maakt.

Nee, ik zal sterk zijn; ik haal ze niet naar binnen, maar het verhaal over de Rolpaal stel ik wel voor ze uit. Zoiets zou ik voor de papavers niet gedaan hebben.

22 mei 2020

Weslans

De Rolpaal is een buurtschap tussen Naluk en De Poeluk, volgens Wikipedia. Zelf zou ik het een wat afgelegen wijkje bij Honselersdijk genoemd hebben, in de richting van Poeldijk. Een echte Westlander hoort het niet over Honselersdijk te hebben maar over de Honsol, al wordt er vaker Hongsullursdaik gezegd, maar hoewel mijn moeder een echte Westlandse was, kon ze er niet tegen als wij in de taal van de Glazen Stad spraken. Geen aanstongs, geen ‘wat zeedie, geen ‘bekant’, geen verkleinwoorden laten eindigen op –ie, dus geen fietsie of koppie en al helemaal geen stiekie als je een elastiekje bedoelde.
Op dat punt was ze heel alert en niet tolerant, tegenover ons als kinderen. Het lag ook niet heel erg voor de hand dat wij serieus ‘de vullisbak an de wegt zetten’. Ze gaf ons niet het voorbeeld en mijn vader was een immigrant. Hij kwam als veertienjarige in het Westland terecht en is de verbijstering over dat rare taaltje nooit te boven gekomen.
Naar buiten toe is dat nooit een punt geweest. Er waren vrienden, kennissen en natuurlijk klanten genoeg die het hadden over klauwen, spougen of een feessie. Ze zullen er nooit wat van gezegd hebben. Alleen aan tafel, onder elkaar. Dan werd het Westlands, ook van dierbaren die wij Ome en Tante noemden, belachelijk gemaakt. Door mijn vader weliswaar, maar mijn moeder genoot ervan.

Groot was de schok voor haar toen ze in een hotel in De Steeg kennis maakte met mensen die meteen vroegen of zij uit het Westland kwam. Dat konden ze namelijk aan haar horen. Mijn moeder lette wel op Westlandse woorden en die wist ze te vermijden, maar van de Westlandse zangerigheid had ze toch iets meegenomen. Ze was wel zo eerlijk om dat te vertellen en ze liet zich door de rest van het gezin uitlachen.

Toen Aat nog niet lang bij ons in de familie was en hij een oom opbelde, ook een Westlander, schalde opeens door de kamer: ‘Met Aai uit Naluk’, waarbij voor –uk drie tonen werden gebruikt. Zoals het hoort. Wij, de rest van het gezin, zaten aan tafel en sloegen proestend voorover. Het speet ons, behalve mijn vader, maar het gebeurde spontaan.

Zelf heb ik een keer een tomaat naar mijn kop gekregen. ‘Spreekt je moerstaal!’ riep Roos. We waren samen aan het tomaten plukken, balluh resuh. Zij was zeventien, ik veertien. De tomaat knalde vlak voor me tegen het touwtje waarmee tomatenplanten waren opgebonden en spatte uit elkaar. Ik zat helemaal onder. Waaruit blijkt dat ik ook toen al bereid was om mezelf op te offeren voor het Algemeen Beschaafd Nederlands.

En toch heeft het me moeite gekost om te leren een o als o uit te spreken en niet als ou. In plaats van koningin zei ik kounening. Op de Kromme Nieuwegracht heb ik dat nog lopen oefenen. Mente moest me vaak verbeteren. Ik hoorde het niet.

Ik had het willen hebben over een gebeurtenis bij de rolpaal. Dat is me niet gelukt.

21 mei 2020

Kielzog

Er moest nog een schuld worden ingelost. Dat was niet de reden om samen op de fiets te stappen, maar wel om voor een route te kiezen die vrij snel langs het boekenruilkastje zou voeren waaruit ik gisteren een onbedaarlijk meesterwerk had geplukt. Ik zette er drie voor in de plaats, niet uit goedheid, maar omdat het zo lekker opruimt.
Het was levendig bij Westbroek, Tienhoven, Achttienhoven en Hollandsche Rading. Daarom reden we vaak achter elkaar. Aanvankelijk ik achter Mente en later omgekeerd. Dat was een algemeen patroon van fietsers die in koppels achter elkaar aan fietsten. Soms ging het om een gezin en dan had je kluitjes van drie of vier.
We zagen dergelijke taferelen gespiegeld in de lucht. Regelmatig steeg er een motorvliegtuigje op met aan een kabel achter zich een zweefvliegtuig. Ook in dit geval bepaalde de voorste wat de route van de achterste was. En ook zagen we iets vergelijkbaars in het water. Met eenden, ganzen en meerkoeten, maar onze aandacht ging vooral uit naar de luidruchtige dikke karpers. Ook hier was sprake van een voorste vis, maar dat was steevast dezelfde en wel een vrouwtje, maar in haar kielzog zwommen een paar andere karpers die tegen haar opbotsten. Soms doken ze wat dieper weg, maar soms leek het erop alsof ze de lucht in zouden gaan, zoals de vliegtuigjes hier en daar boven ons. Dit was het grote paaien.
Dat zag ik overigens niet terug bij de fietsers, niet het moedwillig tegen elkaar op botsen, maar ook niet het omkeren en dan dezelfde weg terug nemen, waarbij de eitjes die op de heenweg waren bevrucht vaak weer als voedsel dienden. Ook dat zagen we nergens terug. Wel waren er hier en daar mensen afgestapt en die maakten dan bijvoorbeeld zo’n vreselijk pakje sap open, maar iemand die eieren at, hebben wij niet gezien.
Er vlogen af en toe twee eenden achter elkaar aan. We zagen twee zwanen voor wie deze Hemelvaartsdag een aantrekkelijke gelegenheid was om samen een slootje om te gaan. Maar ook zagen we hoe een kievit voortdurend achter een ooievaar aan vloog, in boeiende duikvluchten probeerde dichterbij te komen en daarbij de indruk wekte om als een mannetjeskarper een vrouwtje aan te willen stoten.
Van de duiven die langs vlogen zonder zich bewust te zijn van de ooievaar en de kieviet hoog boven hen, weet ik al helemaal niet wat ze er toe bracht om daar te vliegen. Ik weet niet wat ze gingen doen en ook niet waarom ze achter elkaar vlogen. Maar zo vlogen ze wel.
Boven de ooievaar en de kieviet vlogen zwaar ronkende vliegtuigen, ze waren zojuist bij Hilversum opgestegen. Oude vliegtuigen leken het. Maar hoe oud ze ook waren, ze vlogen vrolijk de hoge lucht tegemoet. 'Hemelvaart,’ mompelde Mente. Maar ik denk dat ze voorbij de horizon, waar niemand het zag, eens even lekker hebben geboemsd.
In het riet hoorden we af en toe luide kikkergeluiden. Die hadden natuurlijk niet uitgekeken, waren zomaar achter elkaar de sloot in gefietst en daar lagen ze nu geschrokken op elkaar te spartelen.
De ooievaar had het nog te druk met die verliefde kieviet die hem achterna zat.
Een dag ook waarop hemel en aarde elkaar verliefd achterna vlogen, in cirkels waarvan je niet kon zien wie er achter wie aan ging.

20 mei 2020

Winkie

Bij het opstaan al werd ik opnieuw begroet door een wereld vol ongerechtigheid en vragen waarop ik geen afdoend antwoord wist en daarom stapte ik na het ontbijt en de krant op de fiets. Pas toen een rat vlak voor me de Vechtdijk overstak, kwam ik met mijn hoofd bij mijn fiets en de rest van mijn lijf. En bij die rat. Ik doe niet aan voortekens en daarom vroeg ik me af of het beest achteraf, aan het eind van deze dag niet toch een teken ergens van zou zijn geweest.
Nu was het alleen nog maar de rat en ik zag hoe hij sierlijk in zonlicht dat hem welgezind was van de ene kant naar de andere kant trippelde, om te verdwijnen in het tuintje bij een woonboot. ‘It’s not easy to be rat.’
Het weer was zeldzaam aangenaam en het groen en het blauw deden het weer zo goed dat ik besloot om een ruime ronde te rijden vandaag.
Dat kwam er niet van, want bij Tienhoven veranderde, net als een paar weken geleden, mijn fietsketting in een slang* die juist toen ik stilstond het laatste tandje van een tandrad losliet om dood op de weg te blijven liggen. Weliswaar kreeg ik de ketting weer waar hij wezen moest, maar de schakeltjes aan de uiteinden zagen er te ellendig uit om daar nog iets constructiefs mee te doen, ook niet met een tangetje dat ik ergens te leen vroeg.
Ik belde de fietsenmaker, zeven of acht kilometer verderop. De man die mij niet alleen een waardeloze nieuwe ketting bezorgde een paar weken terug, maar die ketting ook nog eens niet goed had gerepareerd. Tussen het heerlijke groen nam een man met rode fiets hoogst geïrriteerd afscheid van zijn fietsenmaker toen die via de telefoon vertelde dat hij echt niet kon komen, maar dat hij meteen wat aan mijn fiets zou doen, zodra ik kwam.
Ik belde een mobiele fietsenmaker die Tienhoven niet in zijn regio had zitten en die me verwees naar een fietsenmaker uit Maarssen die niet bestond. De natuur is mooi rond Tienhoven, vooral in deze tijd van het jaar. En dan ook nog dit weer! Dat hield ik mezelf voor.

Even later fietsten de schrijver en de cabaretier me tegemoet. De gang van hun dialoog kreeg ik ’s middags bij de thee te horen.
‘Hé, Len heeft net zo’n fiets als die man daar.’
‘Ik ken geen fiets van Len.’
‘Nou zeg, het ís Len. Ik herken hem!’
‘Het is je gegund, Koos, maar ik herken hem niet.’

Natuurlijk konden ze niets voor me doen. Ze fietsten teleurgesteld verder. Had ik dat ook nog op mijn geweten.

In een boekenruilkastje zag ik Winkie en zijn Woudvriendjes. Thuis had ik al ‘Winkie en Robijntje Roodborst’ staan, een boekje uit dezelfde serie, veel ouder, maar toch beter verzorgd dan dit exemplaar, dat ik toch maar meenam. Zestig jaar geleden mocht ik in een winkel in Voorthuizen een boekje uitzoeken, omdat ik zo zielig was geweest (vinger tussen autoklep)**. Ik koos ‘Winkie en Robijntje Roodborst’. Mijn moeder keek me meewarig aan, want hoe kon een vent van acht zo’n kinderachtig, poezelig boekje kiezen. Maar ze dacht aan mijn vinger, vroeg alleen maar of ik het echt wilde en vervolgens zweeg ze.
Bij het kastje keek ik nog even om me heen. Mijn moeder was er niet. Ik stak het boekje bij me. De lucht was al helder, nu werd het ook weer wat lichter in mijn hartje.

‘Sorry,’ zei de fietsenmaker toen ik binnenkwam. Dat deed me goed.
Morgen zet ik twee andere boekjes in het boekenruilkastje, zodra ik ‘Winkie en zijn woudvriendjes’ uit heb.

* Och Heden 20200501.

** Op 29 juni 2019 vertelde ik het verhaal van de vinger. Ook daarin komen Winkie en de bedenkelijk ogende moeder voor.

19 mei 2020

Ctrl-a-del

Als ik met mijn linkerduim de ctrl-knop indruk die links onderaan het toetsenbord van deze computer zit en gelijktijdig met de wijsvinger van die hand de A indruk en dan met mijn rechterwijsvinger de del-toets een tikje geef, is alles wat ik heb geschreven weg.
Het is een vorm van genade.

Meende ik een half uur geleden nog maar van mijn hart geen moordkuil te moeten maken en sloeg ik daarom met 269 aanslagen per minuut 532 woorden op het scherm die gezamenlijk een tekst vormden waarin een deel van de mensheid tot de grond toe werd afgebrand, na het indrukken van de drie genoemde toetsen was de woede bekoeld en stond een smetteloos scherm open voor de tranen die lettersgewijs een treurlied zouden vormen. En zo is het gegaan. Het aantal woorden dat nu op scherm gekomen was, verried niet hoeveel langzamer zij hun plaats op het scherm vonden dan de eerste tekst. Maar achter elke letter school een traan.

Toen ik ook die tekst met drie vingers had veroordeeld tot niet bestaan omdat van mijn tranen net als van mijn woede niets meer over was, begon ik aan deze tekst.

Ook deze tekst

17 mei 2020

Kloostermop

Het woord kloostermop viel gisteren en eergisteren. Daarom ben ik even naar de schuur gelopen om daar de afmeting van een echte kloostermop te noteren. 31 x 15 x 8. Ik denk niet dat ik een ouder door mensen vervaardigd product in huis heb dan deze baksteen. Ook al ligt hij dus in de schuur.
Letterlijk genomen is het geen kloostermop omdat hij niet in een klooster of ander godshuis maar in een kasteelmuur zal hebben gezeten en zelfs dat van die muur weet ik niet helemaal zeker.

Ik trof hem aan in 1971 in het Kuinderbos, om precies te zijn in een geul daar die om een verdwenen slot lag, maar waaraan tot in de eerste helft van de zestiende eeuw is gebouwd, eeuwenlang. Niet voortdurend natuurlijk, maar wel regelmatig. Kasteel Kuinre had een strategische ligging, dus was het militair gezien interessant. In ‘De Roos van Dekama’ van Jacob van Lennep komt de slag bij Kuinre voor bijvoorbeeld. De heren van Kuinre hielden wel van vechten, maar ook van valsemunterij en van piraterij.
Van dat kasteel was vijftig jaar geleden niets meer over. Er was alleen een teletubbyheuvel met een droge geul erom heen. Onder de heuvel waren de fundamenten van het kasteel weggewerkt. Omdat de gracht droog lag kon je hier en daar een oude baksteen zien liggen. Ik zie op internet dat de heuvel nu wat meer laat zien van de historie daar, maar zo was het toen nog niet.

Een steen trok mijn aandacht. Daar stonden de vingers in van een hand. Het gebeurde wel, het gebeurt nog steeds, dat blokken klei die nog gebakken moeten worden een tijdlang op het land liggen. Dan wil er wel eens een schaap of geit overheen lopen. Die sporen zie je later terug. Maar een mensenhand is iets anders. Iemand heeft dus, laten we zeggen rond 1500, een nog niet uitgeharde bonk klei gepakt en die… Ja, wat heeft ie? Heeft hij de steen gepakt om hem op een rooster in een oven te leggen? Als dit een methode is, dan zou je dit soort stenen vaker tegenkomen. Ik weet het niet. Maar de vijf vingers van een rechterhand staan er duidelijk in. De bovenste vingerkootjes zijn indertijd helemaal in de steen verdwenen. En het lijkt er op dat hij is opgepakt.
Aanvankelijk dacht ik dat het om een kinderhand ging, maar hier is duidelijk sprake van een volwassen hand die resoluut in de nog stevige kleiklomp is geslagen om die op te tillen.
Even droomde ik dat er een wonder zou gebeuren als ik, zoveel honderd jaren later mijn vingers in de gaten zou steken. Dat het slot weer uit de slome heuvel zou oprijzen bijvoorbeeld. Of dat de man die ooit bezig was met deze steen weer tevoorschijn zou komen. Om een huis voor me te bouwen misschien, of gewoon voor een gesprek.
Dat is allemaal niet gebeurd. Wel heb ik de steen meegenomen en hij ligt nu dus in de schuur. Ik doe hem niet weg. Zojuist bij het meten stak ik nog even mijn vingers in de steen, als een touch ID. Hij doet het niet. Het kan zijn dat na zoveel eeuwen de accu van de steen leeg is. Of ik ben niet de ridder voor wie de steen zich wil ontsluiten.

16 mei 2020

Wij lezen een kloostermop

De kloostermop die ik aan het lezen ben is dus ´Het lot van de familie Meijer’. Een boek waarin vijf generaties van een joodse familie tot leven worden gebracht, in de periode van 1871 tot 1945. Ik ben erg onder de indruk van de manier waarop Charles Lewinsky zijn pen weet te gebruiken. Hij zet een verhaal neer vol verrassingen, hij heeft een scherp oog voor details, is goed ingevoerd om zijn verhaal van veel couleur locale te voorzien. Hij deinst niet terug voor verschrikkingen, maar weet juist dan gebruik te maken van veelzeggend beeld, zoals een gevluchte Galicische jood met een halve baard omdat een Russische soldaat het leuk vond om zijn aansteker uit te proberen. Of hij benoemt de verschrikkingen kort. Bij Multatuli las ik ooit dat vooral slechte schrijvers lang in verschrikkingen blijven hangen. Toen ik dat las was ik jong genoeg om deze opmerking van Multatuli tot norm te verheffen.
Vanochtend schoot ik in de lach: de brave Arthur Meijer, op dat moment een dertiger ziet gelaten zijn toekomst voor zich.
‘… hij zou gewoon de argeloze, ietwat eigenaardige oom Arthur zijn en op een gegeven moment zo oud worden als hij zich altijd al had gevoeld.
Niets dramatisch.
Met een plotselinge beweging slingerde hij zijn hoed in het water. Een lichte plons, toen was het water weer stil.’
Ik zag het niet aankomen en even later is het ook niet meer gebeurd.

Er is veel waarmee Lewinsky lezers ook weet te ontroeren en er schuurt van alles. De verteller beschrijft een joodse familie met hun deugden en ondeugden en angsten en dromen. Niet joden spelen een volstrekt secundaire rol in de roman en ze zijn doorgaans niet aardig. Dat kun je eenzijdig noemen, ik krijg het gevoel dat gojim door de bank genomen helemaal niet aardig zijn geweest, niet tegenover joden. In dit boek niet, maar ook niet in de non-fictieve werkelijkheid. Het boek is geen aanklacht of zo, maar het geeft me een ongemakkelijk gevoel. Hetzelfde ongemakkelijke gevoel dat ik kreeg toen Arnon Grunberg op 4 mei in de Nieuwe Kerk sprak. Ongemakkelijk dus, omdat het waar is, weer een ‘inconvenient truth.’ Daarvan hebben we er een paar die zeer diep zitten momenteel.

Soms ook is de pen van Lewinsky me te virtuoos en wordt het een spel. En mensen mogen honderden bladzijden mee kunnen, ze blijven af en toe toch iets te schetsmatig, te karikaturaal ook.

Over een maand wordt de Librisprijs uitgereikt en ik hoop maar dat die gaat naar ‘Zwarte Schuur’ van Oek de Jong. Aan hem moet ik af en toe denken bij dit boek omdat hij net als Lewinsky grote projecten aandurft. Hij doet daarbij wat ik bij Lewinsky ook zou willen tegenkomen: hij gaat onder de huid van zijn hoofdpersoon of hoofdpersonen zitten. Lewinsky kan veel leren van De Jong.
Omgekeerd ook. Bij De Jong wordt nooit gelachen. Het boek van Lewinsky had wat mij betreft wat minder grappig gemogen; daarvan had wat meer bij De Jong terecht mogen komen. Een vleugje.

Ik denk dat mijn volgende boek ook een vergeten boek gaat worden, vermoedelijk iets van Carry van Bruggen.

15 mei 2020

De kloostermop

Voor alle zekerheid heb ik er even een meetlint bij gehaald en daarom kan ik je vertellen dat ´Het lot van de familie Meijer´ de grootste roman is die er in mijn werkkamer staat. Let even op de beperkingen: ik heb het alleen over de werkkamer en daar alleen over de romankast. Met 5, 5 bij 15,5 bij 23,5 is het de kloostermop van de kast.
De volledige werken van Vondel in één band zijn nog groter en dikker, maar die zijn geen roman. De mooie editie van de Verzamelde gedichten van Slauerhoff heeft dezelfde afmetingen, maar die bundel staat ook al niet in de romankast. ‘De Wegen der vrijheid’ van Sartre en de combi ‘De Kapellekensbaan / Zomer te Ter Muren’ van Louis Paul Boon wel. Die zijn even dik als het boek van Lewinsky, maar kleiner. Daar komt bij dat de Lewinsky forser oogt omdat het een paperback is; alle andere boeken zijn gebonden. Er is maar één paperback in de kamer die nog dikker is: ‘Een seculiere tijd’ van Charles Taylor. Maar dat is een filosofisch werk, geen roman, het staat bovendien helemaal in een hoekje op een plank boven het raam. Daar valt het niet op. Dat is ook maar beter, want ik heb het boek nooit uitgelezen.
Bij Boon en Sartre gaat het om een verzameling van twee of drie boeken uit een romanreeks. ‘Het lot van de familie Meijer’ is één roman.
Ik had een hekel aan het boek. Aan het boek als ding. Te lomp. Ook de voorgeschiedenis beviel me niet. Het lag ooit in enorme stapels op tafels bij de grote boekhandels. Zo’n boek was het, een boek dat iedereen kocht in 2007 en de paar jaar daarna. Of dat niet erg vooringenomen klinkt? Zeker. Maar daar kwam dus bij dat het er zo lomp uitzag. Het voelt niet prettig om met zo’n blok op schoot te zitten. En dat het 650 bladzijden telt, zou juist een reden moeten zijn om dunner papier te gebruiken. Dat had makkelijk gekund. Het boek ‘Kwaadschiks’ van Van der Heijden telt twee keer zoveel bladzijden, maar is dunner en kleiner.

Je begrijpt dat ik niet alleen leef, anders zou dit boek niet in mijn boekenkast terechtgekomen zijn. Dat is overigens via een omweg gegaan. Toen het tijd werd om het ergens een plaats te geven, kon ik er niet toe komen om het op een plank te zetten. In plaats daarvan lag het een paar jaar in een doos met boeken die ik een leven elders gun. Bij een jaarlijkse opschoning van boekenkasten verdween het in de kringloopdoos. En daar heb ik het weer uitgehaald, juist omdat er door die opschoning wat ruimte op de planken was en er was intussen een tweede boek van Lewinsky in huis gekomen. Ook dat kende ik niet, maar het maakte duidelijk dat ik niet uitsluitend op mijn eigen kompas moest varen bij het schiften van boeken.
Intussen springt deze kolossale kloostermop al anderhalf jaar regelmatig op me af als ik de kamer in loop. De afgelopen dagen breng ik door in kwakkelende ontijd en dat leek me een goede gelegenheid om het boek toch maar eens te lezen. En dat bevalt me. Dat neemt niet weg dat het boek me op een stoel zwaar op de schoot druk en in bed zwaar op de maag. Ik begrijp niet hoe een boek dat zo is uitgegeven, ooit een succes heeft kunnen worden.
Het kan zijn dat de uitgave mede mogelijk is gemaakt door een bedrijf dat e-readers verkoopt. Wie weet.

14 mei 2020

Hier is de tijd

Het heeft niet met elkaar te maken, tenminste niet zolang ik me er niet mee bemoei, maar op het moment dat ik aan mijn horloge* denk, slaat de klok. Jaren heeft hij dat niet gedaan, maar hij doet het weer nadat hij een paar maanden geleden werd gerepareerd.* Daarvoor moest de klokkenman een cilinder en een tandrad aan elkaar solderen en de boel op zijn plaats zetten. Dat was het. Hij liet me zien wat hij had gedaan. Ik herkende de plek: daar was de boel al eens gerepareerd.
‘Dan is dat de vorige keer blijkbaar niet zo goed gedaan,’ probeerde ik de klokkenmaker te voeren, maar die reageerde onduidelijk, hoewel hij niets met de vorige reparatie te maken had gehad. Onze comtoise had intussen namelijk ook de vorige reparateur overleefd. Dat vertelde ik niet. Wel was ik ingenomen met de reactie van de kersverse klokkenman. Ik raak niet erg verrukt van mensen die de werkzaamheden van een eerdere vakgenoot afbranden, doorgaans ter meerdere glorie van zichzelf. Daar deed deze man dus niet aan mee.

De vorige alinea kan weg, want het gaat nu om mijn horloge. Dat is een zakhorloge waarvan het kettinkje om een broeklus wordt geklemd. Een wisseling van broek gaat gepaard met een schone zakdoek en het overhevelen van een doosje pottertjes en dat horloge. Dat gebeurt automatisch, wat betekent dat een zakdoek niet wordt gemist als die er niet is, zodat er ook geen schone in de nieuwe broek komt. En nu is het me dus overkomen dat het horloge maanden in een vergeten broek is blijven zitten zonder dat ik het miste. Met andere woorden: al lange tijd leven wij in ontijd. Anders gezegd: al maanden vertikt het horloge braaf zijn tijd, seconde na seconde, en ik ben daar niet bij!
De afgelopen tijd dwaal ik rond in ontijd en niemandsland. Ik zit op of in een stoel, lees wat van dit of schrijf wat over dat en nu opeens, na maanden, zoek ik mijn horloge en mis ik de tijd. Zou het een teken zijn? Zou de motor van het volle leven weer aanslaan, wordt het weer tijd dat ik bij elk moment een piketpaaltje sla, alweer iets om nooit te vergeten?

Pas bij de zesde broek vind ik het horloge. Even schrik ik, want het loopt achter, zestig minuten precies. Zomertijd, begrijp ik even later. Dan heeft dat horloge een coronatijd lang…

And now it is time for something completely different! roep ik en resoluut haak ik het kettinkje aan mijn broek.



* Op 25 juni 2019 schreef ik over het horloge; op 24 februari over de klok.

13 mei 2020

Barometers

In de familie van Mente zijn weersomstandigheden meer een punt van aandacht dan in de mijne. Vooral de verwachting dat het wel eens kon gaan regenen, scoort hoog. ‘’k Geloof nooit dat we ’t droog houden,” zei ooit een oom. Die woorden, een tikkeltje nasaal uitgesproken, zingen, ook nu de oom er al lang niet meer is, nog steeds rond bij volgende generaties. Om de oom te gedenken, maar ze hadden het allemaal wel kunnen zeggen, in die familie, misschien minder nasaal.
Het is dan ook geen wonder dat de kinderen in 1977, toen mijn schoonouders dertig jaar getrouwd waren, een barometer cadeau kregen. Een solide ogend koperen gevalletje dat ongetwijfeld gekocht is in een winkel voor scheepsbenodigdheden te Lemmer.
Vier barometers voor de vier kinderen en hun partners. En omdat mijn schoonouders het zo’n leuk idee vonden, kochten ze er ook eentje voor zichzelf.

Dat laatste is achteraf gezien maar goed ook. Die van ons hing, een kleine dertig jaar in de gang. Regelmatig tikte er iemand tegen en dan zag je het wijzertje een beetje verspringen, van regen naar veranderlijk of van veranderlijk naar mooi. Of terug. De meter was met drie kleine schroefjes aan een stukje muur bij de trap bevestigd. Ik gebruik de verleden tijd omdat hij een paar jaar terug gevallen is en daarbij brak het dikke glas en de rand was verbogen. Het toestelletje bleek wat minder solide te zijn dan we ooit hadden gedacht. We hebben de barometer maar weggedaan. Niemand die hem mist.

Het gebeurde namelijk in de tijd dat mijn schoonouders verhuisden. In de gang beneden hangt daarom nog steeds een barometer, maar dat is dus de tweede, die van mijn schoonouders. Ik heb er even tegenaan getikt. Het weer lijkt wat beter te worden.

Op mijn kamer hangt er trouwens ook eentje. Die is niet van mijn weergevoelige schoonfamilie, maar van mijn misschien nog wel weergevoeliger opa Van der Kruk. Als je tijdens de mededelingen voor land- en tuinbouw, zoals de radio die al in de jaren dertig tussen de middag uitzond, als kind ook maar een kik gaf, had je meteen een draai om je oren te pakken, volgens mijn moeder. Of mijn opa zijn kinderen sloeg? Ik denk het niet, want ze haalden het niet in hun hoofd ook maar iets te zeggen tijdens de weerberichten.
Verder hing opa aan elkaar van meteorologische spreuken. Hij hoefde maar even naar de lucht te kijken en er kwam er weer een. Alweer volgens mijn moeder.

In de jaren negentig ontruimden een neef en ik het huis van een kinderloze oom. Ik nam een barometer mee naar huis. Toen mijn moeder op bezoek kwam en ik hem haar liet zien, herkende ze die onmiddellijk als de barometer van opa. Ze schrok ervan dat ik dat ding zomaar in mijn handen hield. Niemand mocht van opa aan de klok komen, maar ook niet aan de barometer. Alleen opa zelf. Hij beperkte zich tot twee nageltikjes per dag.

Mijn belangstelling voor het weer steekt uitermate schraal af bij die van Mentes familie, maar misschien wel meer bij die van opa. Als ik de barometer raadpleeg, is dat meer om zijn nagedachtenis recht te doen. Ik doe dat met twee korte tikjes met de nagel van mijn rechterwijsvinger. Precies zoals opa dat gedaan zal hebben. Ik denk dat die manier van tikken erfelijk bepaald is.

12 mei 2020

Geen dag

Gisteren schreef ik geen stukje omdat ik al twee andere stukjes had geschreven. Vandaag schrijf ik niet omdat het geen dag is. Hij doet het niet, vandaag. Ik zat op de bank, stond op om een oud cassettebandje op te zetten, een vergeten compilatie van dertig jaar geleden. Hij is al uren geleden afgelopen. Als ik straks klaar ben met het stukje dat ik nu niet zit te schrijven, zal ik het apparaat wel uitzetten.

Het laatste wat ik wil is mensen lastig vallen met het feit dat deze dag het niet doet, niet voor mij. Iets met de startmotor. Hopelijk interesseert het ook niemand. Ik moet er niet aan denken dat iemand zich zorgen over mij gaat maken en me misschien wel gaat bellen of zo. Er is al gebeld. Dat hoeft al niet meer. Of dat mensen mijn leed onmiddellijk op zichzelf gaan betrekken en dan denken dat ik ook… Ik wil niet weten we ze denken en bovendien is het helemaal niet zo. Wat helemaal niet zo is. Of dat ze denken dat ik dat wel vaker zal hebben en dat ik daarom, om die verkeerde gedachte geen kans te geven, maar gauw vertel dat ik dat anders nooit heb, dat ik gisterenavond nog twee trappen afrolde vanwege de onbedaarlijke lachbui die me op zolder overviel. En dat ze dat dan niet geloven, terwijl wij weldegelijk twee trappen hebben.

Gebruikte ik zojuist het woord leed? Dat spijt me dan: dat is het verkeerde woord. Je kunt niet lijden aan wat er niet is als je er zelf ook niet bent. Het is alleen maar zo dat het me niet bevalt dat het vandaag geen gisteren is of morgen. Dat is alles, dus daar moet jij niet moeilijk over gaan zitten doen. Bemoei je er niet mee. Ik zit toch ook niet aan jouw kop te zeuren? Nou dan.
We kunnen het er maar het beste op houden dat deze dag het niet doet en dat er daarom niets over te zeggen valt, omdat er nu eenmaal niets is en dat ik daarom dit stukje niet schrijf.

Als dit wel een dag was geweest, dan zou het nu drie uur geslagen hebben. Dat is nog vroeg genoeg om vandaag van alles te laten gebeuren. Bijvoorbeeld een cadeautje krijgen dat ik graag wil hebben. Daar moet ik niet aan denken! Gelukkig komt de nieuwe cd van Bob Dylan pas over een maand uit, want stel je toch eens voor dat iemand op het idee zou komen om me daarmee te verrassen, op die tussen de maandag en woensdag weggevallen dag. Dat zou toch verschrikkelijk zijn, een cadeautje op een ondag als deze. Nee, doe dan een flutcadeautje, een detective bijvoorbeeld, die lees ik toch niet. En ook geen bloemen. Er zijn al bloemen.

Dus geen stukje. Ik heb al een boekje gelezen over fort Rijnauwen, dat is zo’n imposant militair bolwerk dat net zo zinloos is gebleken als het leven op deze dinsdag. Ik blader door een tijdschrift en zie een artikel over twee kraagsteentjes in het kerkje van Persingen. Dat lijkt me niet erg interessant en ik denk niet dat ik daar morgen nog aan zal terugdenken. Laat me dat dan maar eens gaan lezen.

Ja, heus, ik zal eerst die stereo nog uitzetten, als jij dan maar niet leest wat ik niet schrijf.

10 mei 2020

Oma Miny /eiland

De vijver in de Voorveldse Polder was nieuw voor me, voor veel andere grote mensen en kinderen niet, merkte ik toen Lucas en ik er aan kwamen. Lucas had al snel een natte broek, dus hij kon in zijn onderbroek verder. Hij vond het maar raar dat ik geen emmertje en schepje voor hem had meegenomen. Daarin had hij gelijk. Gelukkig raakte ik aan de praat met een oma die een kind van een half jaar voortduwde. Zij had brood bij zich, voor het kind, maar dat mocht Lucas wel aan de eendjes voeren: een moedereend en twee pijltjes. De moeder at alles op.

Daarna wilde hij wel weer naar oma toe. Via de nieuwbouwwijk op het voormalige Veemarktterrein fietsten we terug. Hij op het zadeltje voor me op de stang, de beste plek om een klein kind neer te zetten. Afgelopen winter leerde ik Lucas dat hij zonder wanten maar het best met zijn handjes de handvatten van het stuur kon vasthouden, dan legde ik daar mijn handen overheen en zo bleven die van hem warm.
Afgelopen donderdag was het warm, maar zijn handen moesten per se onder de mijne. Kinderen zijn gewoontedieren.

‘Waar zijn we? Hier ben ik nog nooit geweest.’ Dat klopte waarschijnlijk wel.’
‘In deze straat ben je nog nooit geweest, maar in een straat hierachter wel. Daar heeft oma Miny nog gewoond.’
‘O ja,’ zei hij. Maar er was helemaal geen ‘o ja’. Dat bleek ook wel na een korte stilte.
‘Wie was oma Miny ook al weer?’ Ik vertelde hem dat het de mama van oma Mente was en dat zij al twee jaar dood was en dat Lucas toen nog maar net twee was, maar dat hij toch vaak naar haar toe was gegaan, met oma, maar ook met zijn moeder.
‘Hier vlakblij was dat, in dat gebouw.’ Ik kon het toevallig net even aanwijzen.
Er viel opnieuw een stilte in het leventje dat tussen mijn armen op het zadeltje voor me zat. Deze duurde iets langer. Daarna vroeg hij of we nog even treinen konden gaan kijken. Dat deden we. Na de zevende vond ik het wel genoeg.

Gisteren haalden we Lucas op. Hij had een tekening gemaakt voor oma Mente.
‘Ik begrijp er helemaal niks van,’ zei de jongste. Zij is de moeder van Lucas.
‘Hij moest en zou gisteren een tekening maken van oma Miny en die was dan voor oma Mente.’ Die tekening was intussen klaar. Bovenaan stond ‘Oma Miny / eiland’ en onderaan ‘voor oma Mente van Lucas’. Dat had de jongste in opdracht van Lucas geschreven.
Lucas kwam erbij staan.
‘Kijk, dat is het gezicht van oma Miny en dat is haar buik en haar armen en benen. Zie je dat?’ We zagen het. ‘Maar toen ging ik verder tekenen en toen werd oma Miny ook opeens een eiland.’ Wij vonden dat natuurlijk ook mooi, maar gingen er niet verder op in.

Ik zou wel in het hoofd van dat jongetje hebben willen zitten, tijdens dat stille moment op de fiets, en later, toen hij een vel papier pakte en een viltstift en besloot om zijn overgrootmoeder te gaan tekenen.

Als je als oude vrouw na je dood een eiland wordt, dan bevind je je in een zo hoge staat van genade dat ik er maar beter over kan zwijgen. Wél wil ik nog iets kwijt over de kleuren van papier en stift. Dat waren roze en rood, kleuren die van de tekening een harmonieuze eenheid maakten.
De tekening is zojuist op de koelkast gehangen.

09 mei 2020

Vers boeket

Het lintje van de koning twee weken geleden ging gepaard met een tiental forse boeketten. Daarvan zijn dankzij voortdurende herschikking en regelmatig vers water na ruim twee weken mooi nog twee bosjes over. Aan het eind van de ochtend werd er een nieuw boeket bezorgd. Deze keer uit de onverwachte hoek van neven en nichten van Mente. Het zijn de kinderen van Oom Arend. De onderscheiding was ze veel later ter ore gekomen, maar hun reactie was snel.

Oom Arend en zijn broer, Mentes vader, zijn er natuurlijk niet meer, maar fietsend tussen een stoplicht en de Rode Brug, bedacht Mente dat zowel haar vader als haar oom het prachtig gevonden zouden hebben, dat ik een lintje had gekregen.
Als zij dit nog eens mee hadden kunnen maken.’ En ze vulde zichzelf aan met de mededeling dat ze in deze coronatijden vaak juist zei dat ze maar blij was dat haar ouders dit of dat niet meer hoefden mee te maken. Ze zouden het allemaal niet begrepen hebben en vooral haar vader zou zich voortdurend nerveus heen en weer lopend hebben afgevraagd waarom alles zo anders was dan normaal. Het viel me niet moeilijk om me daar een voorstelling van te maken.

‘En jouw moeder?’ vroeg Mente. Ik moest aan ‘Kaas’ denken. Als de hoofdpersoon van dat boek, Frans Laarmans, in de kaashandel gaat en bij de opzet daarvan momenten meemaakt die hem aanspreken, mompelt hij ‘als moeder dit had kunnen meemaken.’ Het loopt helemaal fout met de kaashandel en daarom verzucht Laarmans dat hij maar blij is dat zijn moeder dit niet heeft hoeven meemaken.
Op een of andere manier zijn en blijven ouders op bijzondere momenten een ijkpunt in je bestaan, misschien wel vooral als ze er niet meer zijn. In opmerkingen van mijn schoonvader kwam zijn vader regelmatig langs bijvoorbeeld.
Voorbij de Rode Brug bedenk ik dat mijn moeder in haar reacties veel terughoudender was dan mijn schoonouders. Maar ze zou wel trots op me zijn geweest.

Jaren geleden kreeg ze eens een tijdschrift van iemand met daarin een stukje over mij, met een fotootje met mijn kop erop. Het lag op een stapeltje papieren. Toen ik de kamer binnenkwam, zag ik het meteen liggen. Ik heb er niets van gezegd. Zij ook niet.
Een paar weken later lag het tijdschrift nog steeds boven op het stapeltje. Vanaf de foto keek ik mezelf aan. Ze liep achter een rollator, was zo krom als een hoepel maar er kon nog geen sprake van zijn dat ik koffie zou zetten. Dat deed ze zelf en daarom sjokte ze naar de keuken. Van zo’n moment heb ik gebruik gemaakt om het tijdschrift ergens halverwege de stapel te steken.
Een paar weken later lag het blad weer boven op het stapeltje. Het ritueel herhaalde zich en weer een week of wat later lag ik opnieuw bovenop. Ik denk dat ik er toen maar mee gestopt ben en anders de keer daarop.

Ik zou het haar wel gezegd hebben, van dat lintje, maar ik zou het niet hebben meegenomen, denk ik. Dat zou ook niet kunnen, want het moet me nog worden uitgereikt. En als het me was uitgereikt, dan nog had ik het niet meegenomen, want ze is er niet meer. We zullen het er maar niet over hebben.

08 mei 2020

De klap

Vorige week sloegen de jongste en ik een eindje voorbij de Nesciobrug linksaf, die ligt bij Amsterdam, om later via het Oosterpark op onze plaats van bestemming te komen. We waren op de fiets. Dat deze brug naar Nescio werd vernoemd, verbaast me niets. Hij heeft zijn leven lang in die omgeving rondgelopen. Als jongeman met zijn vrienden en na zijn pensionering ging hij er alleen op uit. Ik denk niet dat Nescio erg blij geweest zou zijn met de brug en nog minder met het Amsterdam-Rijnkanaal dat deze overspant. Iedere verandering in het landschap ervoer hij als een aantasting ervan en hier is wel heel veel veranderd. Misschien was men Nescio meer ter wille geweest door een lommerrijk laantje naar hem te noemen.

Mijn sympathie gaat uiteraard uit naar Nescio en zijn opvattingen, maar het is wel een heel mooie brug, die Nesciobrug. Het is ‘een gebogen hang-tuibrug en een van de langste fiets- en voetgangersbruggen van Nederland. De totale lengte van de brug is 780 meter.’ Ik citeer Wikipedia, waar ik ook lees dat de brug werd ontworpen door Jim Eyre die daarvoor in 2006 de Nationale Staalprijs kreeg.
Intussen blijkt dat de helling in combinatie met de lengte van de brug deze nogal gevaarlijk maakt: je kunt een behoorlijke snelheid ontwikkelen bij de afdaling en dan kan er wel eens iets fout gaan. Dat is ook al gebeurd.

Je zou denken dat men Nescio toch nog enigszins ter wille was door niet een brug voor snelverkeer naar hem te noemen zoals Martinus Nijhoff overkwam, maar een fiets- en loopbrug. Het is me een raadsel dat het bestaan van de Nesciobrug niet eerder dan afgelopen zaterdag tot me is gekomen. Ik moet er gauw nog eens heen en dan wil ik ook over die brug fietsen.

Maar dit had ik allemaal niet willen vertellen. Ik had het over mijn verbazing willen hebben dat die Nescio met zijn vergoddelijking van de natuur zijn leven lang in de stad is blijven wonen. Hij staat daarin niet alleen. De meeste schilders die plein air schilderden, en dan denk ik met name aan de Haagsche School, sjouwden hun schildersezel en -koffer met verf en penselen keer op keer moeizaam de stad uit om ergens langs een stoffige laan of bekroosde kreek te gaan schilderen en tegen de avond sjokten ze weer terug de stad in. Of ze dienden hun gemak door zich te beperken tot een schetsblok om met behulp daarvan in de stad hun molens, bruggetjes, de wilgen, de oevers en de weilanden te schilderen en dat onder fraai bewolkte luchten die in hun ateliers niet voorkwamen.

Ook toen keken mensen daar wel vreemd van op: al die natuurfreaks waren juist stadsjongens. Was dat niet raar? Die gedachte werd dan gepareerd met de opmerking dat je juist dan, als je uit de stad het weide land in komt gelopen, ‘een klap van de natuur kon krijgen’, meer dan wanneer je daarin woont en leeft.
Zo lust ik er nog wel een paar. Ik vind het eerlijk gezegd een beetje arrogant klinken en er zijn ook veel kunstenaars die weldegelijk in een landelijke omgeving zijn gaan wonen. Maar Nescio dus niet, de meeste schilders uit zijn tijd ook niet, de gebroeders Maris niet, Weissenbruch niet, Van Gogh niet.

Deze week heerlijk gefietst, cameraatje mee, notitieblokje… Naar Het Gooi gefietst, langs de Tienhovense Plassen, langs Soestduinen, een rondje Rhijnauwen, en altijd weer terug naar de stad.

07 mei 2020

Wij groeten de vlag

De vlag moet weer weg om 51 weken op zolder te staan. Dat spijt me en daarom staat hij nog naast de voordeur in de gang, het plekje van die ene week dat hij wél mag dienen.

Dinsdagochtend, 5 mei, om kwart voor acht (ik hoor even een stukje Beatles) stond ik met de vlag op het tuinpad. Er hingen al vijf vlaggen, dus ik was niet de eerste, maar daarvan hingen er nog twee halfstok van de dag ervoor. Met die twee zou het later nog goed komen.
Met mijn linkerhand hield ik de vlaggenstok vast, horizontaal en hoog genoeg om ervoor te zorgen dat het uitgerolde doek niet de grond zou raken. Met mijn rechter peuterde ik het doek los van de paal. Daaraan zitten drie haakjes en een oogje. Die maken het mogelijk om de vlag in twee standen te laten wapperen. Na het halfstok van gisteren mocht die weer op haakje 1 en 3, de vreugdehaakjes van de volle stand, zoals dat heet.
Haakje 1 bevindt zich aan de onderkant van de knop van de stok. Het zat er al toen ik die kocht. De drie andere heb ik er indertijd zelf in geschroefd. Het stukje koord aan de bovenzijde van het doek is in een oogje genaaid zodat je dat om het haakje kunt doen. Een eitje. Alleen daarom al kun je deze volle stand de vreugdestand noemen, want het bespaart de helft van het knoopgedoe op 4 mei. Aan de onderkant van de vlag bungelt een koordje dat je in een mastworp of paalsteek om de stok maar ook om het derde haakje moet knopen. Meestal eindig ik met de ‘steek van Len’ waarvan overigens veel variaties bestaan.
Je moet immers niet vergeten de paal horizontaal te houden en dat een meter boven de grond. Met je rechterhand en misschien wat gehandicapte ondersteuning van de linker vergt dat geduld, aandacht en vaardigheid. De vlag mag de grond niet raken, werd me ooit geleerd op de padvinderij, ‘omdat,’ zo werd gezegd, ‘dan de vlag verbrand moet worden.’ Ik heb dat altijd onzin gevonden, maakte ook nooit mee dat iemand om die reden een aansteker onder een vlag hield en ook kan ik een regel die in die richting wijst nergens vinden, maar zo zit het wel in mijn hoofd. Iedere keer dat de punt van het doek de grond raakt, ervaar ik dat als een nederlaag, als een ernstig falen.
Dit ongelukkige gerommel moet met enige waardigheid gebeuren, want we hebben het hier wel over onze driekleur, waarmee we op 4 mei uitdrukking geven aan het gemis en een dag later aan de vreugde van de vrijheid. Dat is nogal wat.

Ik had plezier in dat gerommel en gehannes bij mijn voordeur op de vroege ochtend van deze vijfde mei, dat zich liet vermenigvuldigen met het aantal vlaggen dat er die dag in Nederland zou komen te hangen.
Later op de dag zag ik dat er nog een heleboel vlaggen waren bijgekomen, en niet alleen in onze straat, veel meer dan anders. Tekens van vrijheid, tekens van het geklungel waarmee we onze vrijheid willen dienen.

Maar nu moet de vlag weer naar boven. Vooruit. Gegroet.

04 mei 2020

Herdenking in Tuindorp

Op een zaterdagmiddag in 2001 werd in de aula van de middelbare school aan de rand van Tuindorp een boek gepresenteerd over die wijk. Het was erg druk en daarom genoot ik buiten van de borrel achteraf. Meneer Veth kwam bij me staan, ook hij had het boek gekocht. We kenden elkaar, kwamen af en toe bij elkaar op bezoek.

‘Voor u zal er wel heel veel herkenbaars in staan.’ Meneer Veth is als tiener in het huis komen wonen dat hij vlak voor zijn dood bijna tachtig jaar later pas zou verlaten. Het huis kijkt uit over het plantsoen waar we jaarlijks, maar nu niet, als wijkgenoten de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog herdenken.
Hun huis was in de vroege jaren dertig een van de eersten van de wijk en dat betekende dat hij graag en veel bij de bouwputten in de omgeving speelde. Dat leverde onenigheid thuis op, want die putten waren soms erg diep uitgegraven hier in dit veengebied en dat kon gevaarlijk zijn. Ik veronderstelde dat hij zich wel bijzonder thuis moest voelen hier.

‘Dat zou je denken, maar dat is niet zo.’
Daarop volgde het verhaal dat volkomen nieuw voor me was. Hoe hij als jongen van een jaar of achttien werd opgepikt en als dwangarbeider mee moest naar Duitsland, de Arbeitseinsatz. Hij kwam bij Dresden terecht. Het leven daar was verschrikkelijk. Hij had heimwee, moest lange dagen werken, werd afgebeuld, afgesnauwd en kreeg slecht en weinig te eten. Het was er verschrikkelijk. En toen volgden er bombardementen en andere beschietingen die van Dresden een hoog oplaaiende hel maakten. Hij was wanhopig.

Toen hij na een paar jaar weer thuis kwam, voelde hij het als een verwijt dat hij niet ook de hongerwinter had meegemaakt, zoals de anderen, dat hij niet hun angsten had meegemaakt, dat hij een min of meer veilig onderkomen had gevonden, juist in het hol van de leeuw.
In een hel had hij geleefd en het interesseerde niemand, zijn familie niet, zijn buren niet, zijn vrienden niet. Natuurlijk was het allemaal tegen zijn zin gebeurd, maar in zekere zin was hij de vijand desondanks toch ook ter wille geweest.
Meneer Veth was moeizamer gaan praten en had intussen tranen in zijn ogen. Het boek over Tuindorp hield hij nog stevig vast.

‘Ik schaam me,’ zei hij. Ik begreep niet waarom.
‘Ik heet Ad, maar eigenlijk heet ik Adolf. Vertel het niet verder. Denk maar liever dat het Adriaan is, vertel niet dat ik Adolf heet… Maar zo heet ik wel. Ik ging als Tuindorpjongen weg en heette Adolf. Als Ad kwam ik terug met een verleden in Dresden waarvan niemand wilde weten.’
Hij was zachter gaan praten en was steeds dichter bij me komen staan.

Het is 4 mei. Als ik naar het Willem de Zwijgerplantsoen had gekund voor de herdenking, deze avond, zou ik dat natuurlijk weer gedaan hebben. Dan zou ik ook weer zo zijn gaan staan dat ik het huis kon zien waarin meneer Veth woonde. Zijn hele leven bijna. Maar niet in die laatste oorlogsjaren.

03 mei 2020

Kat en hond

Gisteravond kwam vriend Kees langs. Toen ik opendeed, schoot Pip van onder een auto tevoorschijn. Ze draaide om onze benen. Kees kwam liever niet binnen, maar in een gezamenlijke wandeling had hij wel zin. Ik trok mijn jas aan en stapte naar buiten.
Pip liep met ons mee, het eerste kruispunt voorbij en ook het tweede een paar honderd meter verderop. Ik begon me steeds verantwoordelijker te voelen voor dit katje van de buren. Aan het eind van de straat kwamen we Harmen tegen. Die had zijn hond uitgelaten, Boy, vier maanden oud, een labrador, even zwart als Pip.
Boy rukte Harmen bijna om, blafte en liet zich bijna kelen door de band om zijn hals. De van huis uit uitermate slanke Pip (het is een kat van een speciaal merk) kreeg een indrukwekkende dikke staart, schoot onder een auto, sprong er onder vandaan, trotseerde een plaatselijke kat, ongetwijfeld het blokhoofd onder de katten daar, die bezwaren had tegen haar aanwezigheid, draaide af en toe, met dikke staart en al om onze voeten. De blokkat was onder de indruk van drie mannen, een hond en een kat en liep na een tijdje weg in een poging dat zonder gezichtsverlies te doen. Pip negeerde het lokale hoofd en sloop langzaam naar Boy. Die blafte af en toe, er ging van alles rond in zijn brede kop, van al die interne prikkels kon hij geen chocola maken. Pip sloop onverdroten dichterbij. Boy, een kleine honderd keer groter dan Pip begon nerveus te slikken.
Toen de afstand niet meer was dan een vinger, werd het Boy te veel. Hij sprong getergd overeind. Hij schrok er zelf van. Hier was Pip niet op bedacht en ze schoot weg, maar ze hervond zichzelf al snel. Ze ging zitten om de hond op een afstand van tien meter op haar gemak te observeren.
Wij keken ernaar, Kees, Harmen en ik. Wij hadden het over wankelmoedig geloof, ijdele hoop, ratio en eindige liefde, over scherven die door onze ratio moeizaam bij elkaar gehouden werden. Of was al ons redeneren ook een scherf en hield juist de liefde de boel nog een beetje bij elkaar.
Ondertussen keken we naar de hond en de kat en we kregen alle drie de indruk dat die twee het uitstekend naar hun zin hadden, levend als kat en hond.

Kees en ik maakten weer aanstalten om verder te lopen. Vanwege Pip stelde ik voor om dezelfde weg terug te nemen, want ik wilde met die kat niet nog verder van huis. Ik moest er niet aan denken dat de buren morgen a4’tjes op lantaarnpalen moesten gaan plakken, met een 06-nummer en een foto van Pip.
Harmen liep verder. De hond kijkt nog een keer meewarig om naar de nieuwe vijand die hij zojuist in zijn hart gesloten had. Pip sprong overeind en liep weer als een hondje met ons mee.

02 mei 2020

Lang en recht

De jongste wil de makkelijkste en snelste weg van Utrecht naar Amsterdam, van haar huis naar haar werk. Een elektrische fiets wil ze ook wel eens uitproberen. Daarom leent ze die van haar moeder. Mij vraagt ze mee voor de gezelligheid. Het Amsterdam-Rijnkanaal is een lange, goeddeels rechte streep in de goede richting, die de tegenwind langdurig vrij spel geeft. Op de e-bike heeft de jongste daar minder last van dan haar vader die het van louter beenaandrijving moet hebben.
‘Saai is het wel,’ zegt ze, tien kilometer kanaal.

Vind ik dit saai? Het heeft een uur geleden nog hard geregend, maar de lucht is nu schoon en de weg droog. De lucht is strakblauw en spiegelt zich een paar tinten donkerder in het brede lint rechts van ons, waar vanwege de wind het water ruim doorschoten wordt door duizenden zilveren schichten. De bomen zijn van juichend groen en de bermen links en rechts staan vol in het oog springend koolzaad. De kleurverzadiging staat vandaag een paar tandjes hoger dan normaal. Saai?

In de gang thuis hangen vier foto’s die thematisch samenhangen. Ze worden regelmatig vervangen. Als ik straks naar Nieuw-Zeeland zou verhuizen, al zit dat er niet in, dan zou ik ongetwijfeld een keer een foto willen ophangen van dit Amsterdam-Rijnkanaal, met deze lucht, dit water waarin blauw en zilver in een vrolijke strijd verwikkeld zijn. Het verse groen van de bomen en het onbeheerste geel van het koolzaad, al had dat ook fluitenkruid mogen zijn: daar heb ik meer mee.
Herinnering aan Holland.

En de drie andere foto’s? Als dit het voorjaar is, dan zou ik voor de winter de besneeuwde Beukenburgerlaan bij Groenekan ophangen en voor de herfst een strandopgang door de duinen waarbij laat middaglicht de beweging overneemt van het al naar goud neigende duingras.

Voor de zomer doemt ongevraagd en volledig onverwacht de Burgemeester Kampschoërstraat op. Daarvoor moeten we naar Monster, 1960. De huizen zijn nog maar net gebouwd en we lopen in los verband ter hoogte van de Boerenleenbank op weg naar de kerk. Ik slenter wat achter de anderen aan, in een kobaltblauw bloezend zomerjasje, van katoen zo glad dat het een beetje glimt. De schouders zijn van hetzelfde blauw, maar nu is de stof van ribfluweel. Tevreden kijk ik omlaag naar het nieuwe jasje. Dan valt er een kwak vogelpoep op de rechterschouder. Ik zie het gebeuren. Ook zie ik de meeuw wegvliegen.

De vlek is er nooit helemaal uitgegaan. Maar ik herinner me het tevreden jongetje in onbevlekte staat. Een paar jaar later: op precies dezelfde plek, weer in gezelschap en weer naar de kerk, slenter ik achter mijn zus en haar nieuwe vriendje aan. Ze lopen hand in hand en Ineke huppelt een beetje. Ze is zo gelukkig met haar Aat.
In de week voordat mijn moeder overleed, een paar jaar terug, waakte ik ’s nachts bij haar. Als ik haar weer geholpen had, liep ik wel naar buiten, de Kampschoërstraat in. Bij de vroegere Boerenleenbank moest ik ineens denken aan de vogelpoep en aan mijn intussen dode maar op die zondagmiddag zo gelukkige zus.
Ik heb nog een ansichtkaart uit de tijd dat de straat nog nieuw was. Die kan ik uitvergroten en die voeg ik dan als vierde foto bij de drie andere. Ergens in een hoekje zou ik, als vijfde Hollandse weg, een reproductie ophangen van Hobbema’s ‘Laantje naar Middelharnis.’
Dat wil zeggen: in ons huis in Nieuw-Zeeland. Als we naar Nieuw-Zeeland zouden verhuizen en dat zit er niet in.

Even voorbij de Nesciobrug slaan we linksaf.
‘Ziezo,’ zegt de jongste, ‘dat was het kanaal.’

01 mei 2020

Lieveling

Ik houd veel van mijn zwarte fiets, maar van mijn rode houd ik veel meer. Als ik aan fietsen denk, denk ik eigenlijk alleen maar aan mijn rode fiets. Met dankbaarheid en zelfs met een zekere weemoed om hun teloorgang kan ik terugdenken aan andere fietsen in mijn leven, maar mijn rode Snelfiets is mijn lievelingsfiets.

Afgelopen zondag kwam er een tak in mijn voorwiel die met kracht door de spaken omhoog werd gerukt. De tak weerstond de onverhoedse aanval, mijn spaken konden het ook hebben, maar mijn voorspatbord was stuk, maar de handige jongen die ik ben, wist het euvel snel te klaren.
Gisteren rondde ik mijn fietstocht af met een bezoekje aan de fietsenmaker. Het provisorische herstel van het spatbord van mijn lievelingsfiets zat me niet lekker. Bovendien wist ik dat de fiets zo langzamerhand wel nieuwe tandwielen kon gebruiken, voor én achter, en dus ook een nieuwe ketting. Ik had geen last van de staat waarin ze verkeerden, de fiets zelf klaagde er niet over. Dat moest maar zo blijven. Nogmaals: een fiets is een lievelingsfiets of hij is het niet. Ik kon hem meteen achterlaten om hem een paar uur later op te halen.

Zojuist stapte ik weer op voor een rondje natuur. Tweehonderd meter verder viel plotseling alle weerstand bij het fietsen weg. Ik keek omlaag en zag hoe met verbazingwekkende snelheid een slang onder mijn fiets vandaan kronkelde. Ik remde, stapte af. De slang was al verdwenen. Mijn fietsketting ook.
Ik ben er diep van onder de indruk hoe in een split second een mensenhoofd vol kan zijn van vuurwerk dat alle kanten uitspat. Want natuurlijk wist ik dat de slang die ik zag geen slang was, al zag ik hem en dacht ik aan Tanzania en Zuid-Frankrijk. Natuurlijk begreep ik dat het mijn gebroken ketting was en ook dat het de snelheid van mijn nog ongeremde fiets was waardoor de slang die geen slang maar een gebroken fietsketting was zo bliksemsnel leek weg te flitsen. Dat het met die snelheid wel mee viel, maar dat iets sneller lijkt te gaan dat vlak langs je of vlak onder je door gaat. Ook begreep ik dat de slang die ik niet zag, de ketting was die ik, eenmaal afgestapt niet zo gauw zag omdat die als een slang in de asfaltvriendelijke kleur van een nieuwe fietsketting op het asfalt lag. Waar ik hem zag liggen toen ik dacht dat ik hem niet zag. Dit allemaal terwijl ik midden op straat stilstond en goed in de gaten hield of er geen verkeer aankwam dat ik mogelijkerwijs zou hinderen.

In plaats van een fietstocht werd het een wandeling van een dikke kilometer en die voerde langs mijn huis, waar ik wel even met de buurvrouw aan de praat raakte. Het gesprek ging over fietsen. Ik had op die rooie al zoveel gefietst, vond ze, dat ik wel een mooie nieuwe verdiende. Ik dacht meteen aan het ritje op een Santos, twee maanden geleden, zo eentje met een rohloffnaaf en een stevige aandrijfriem in plaats van een ketting. Zoiets gaat een mensenleven mee. Dan had ik gisteren niet dit en ook niet dat en dan had ik nu niet naar de fietsenmaker hoeven lopen. Maar ja, ik heb gisteren dus wel weer stevig in mijn rode duiveltje geïnvesteerd. En ik hou van mijn fiets en denk dus een enkele keer wel eens aan een andere fiets, maar hij blijft mijn lievelingsfiets. ‘Niemand laat zijn eigen fiets alleen.’ Ik neurie het zacht.
Mijn fiets heeft liever dat ik uit volle borst zing.

30 april 2020

Ree

Aan de teloorgang van de Geesina, de molen bij Groenekan, werd twintig jaren geleden een heftig halt toegeroepen. Toen is hij goed aangepakt. Een jaar of tien geleden gebeurde dat weer en in 2018 voor de zoveelste keer. Om hem recht te doen keek ik daarom uitdrukkelijk naar links vanmorgen terwijl ik over het fietspad door het weiland reed. Had ik dat niet gedaan, dan zou ik de wulp op oranje poten, die dus geen grutto was, maar, eh, eh, een tureluur eerder hebben gezien. Onmiskenbaar, met die koningsgezinde pootjes. Hij graasde samen met een meerkoet op een plek waar weinig te grazen viel. De twee hadden mij gelukkig nog veel later in de gaten dan ik hen. Zou ik mijn cameraatje uit mijn zak halen?
Nee, ik moest kijken, niet meer dan dat.

De meerkoet fladderde weg om zich in de sloot te laten plonzen toen hij me in de gaten kreeg en dat was het sein voor de tureluur om ook iets te ondernemen. Hij vloog met een snelle boog even naar rechts, naar links en toen vooruit, met een snelheid alsof hij per se eerder bij de horizon wilde zijn dan ik op mijn snelle fiets. Ik heb hem uitdrukkelijk nagekeken. De tureluur, de vogel, de stip en toen niks meer, onzichtbaar ver voor me uit.
Er fladderden nog wel twee keer twee distelvinkjes om mijn oren. Ze zien eruit alsof ze kunnen ritselen. Dat deden ze niet. Ze floten wel. Jammer dat er nog geen vertaalmachientjes voor vogels bestaan.

Het regende zacht toen ik op de Kanaaldijk naar Tienhoven een ree zag staan. Alweer midden op een pad, weer recht voor me. Hij had het druk met zichzelf, in elk geval met zijn snuit. Toen hij wegrende, deed hij dat op zijn dooie gemak, niet omdat hij mij gezien had, vermoedde ik.
Dat klopte ook, want even later kwam hij weer uit de berm tevoorschijn en stond hij stil op het pad. Hij zag me niet. De kanaaldijk loopt tussen twee vaarten door en ik schrok van mijn aandacht voor de ree, want ik heb er een bijzonder talent voor om niet op de weg te letten en de kant, in casu de sloot, in te slingeren. Ik gaf een ruk aan mijn stuur.
Dat had het ree wel in de gaten. Hij schoot de berm links in. Ik zou hem vanwege het water zo weer moeten zien. Maar even verder op kwam hij weer de dijk op. Hij stak over en liep resoluut het water in om naar de overkant te zwemmen.
Weer heb ik mijn camera niet gepakt. In plaats daarvan, moest ik kijken, vond ik, alleen maar kijken. Geen gedoe met een cameraatje aan, richting bepalen en zo… Nee, kijken.
En dat heb ik dus gedaan.

Later ben ik nog een keer verdwaald en op zeer vertrouwd terrein reed ik toch verkeerd. Ik heb een keer een vel plastic ergens in een weiland even voor een zilverreiger aangezien. Allemaal best. Maar een ree dat wacht tot je dichtbij bent om je trots te kunnen laten zien dat hij kan zwemmen, overkomt me niet iedere dag. Ik kon niet goed zien of het een mannetje of een vrouwtje was. Er was geen gewei, dat niet. Er is iets met een schortje tussen de achterpoten of een lichtere plek, maar hoe dat zit, weet ik even niet. Ik kon ook niet zien of het dé ree was of hét.

29 april 2020

Tafel en bed

De Krukkenreünie biedt toegang aan de kleinkinderen van Leendert van der Kruk en Elizabeth Wilhelmina Kuijvenhoven. Die laatste, Betje, heeft haar kleinkinderen weliswaar nooit gekend – en dat is wederzijds – maar haar afwezigheid is door haar dochters altijd als een gemis ervaren. Zij stierf in 1941, op 59-jarige leeftijd. Opa Leendert hebben we bijna allemaal wél gekend voordat hij in 1965 niet uitkeek toen hij overstak.
Opa en oma van der Kruk hadden twee zoons en drie dochters. De zoons bleven kinderloos, hoe geliefd ze ook waren als oom, en dat betekent dat in de kleine Krukkendynastie de achternaam Van der Kruk niet meer voorkomt.

Maar we reüneren wel. Bij onze ontmoeting in februari ging een boekje rond waarin neven en nichten hun namen en bijbehorende data noteerden en die van hun eventuele kinderen en kleinkinderen. En de partners konden er ook bij, maar niet per se, want soms was dat wel heel ingewikkeld of lag het gevoelig.
Op een spreadsheet dat ik er later van maakte, zag het er indrukwekkend uit. Er moest nog een en ander worden aangevuld en gewijzigd. Dat heb ik vandaag gedaan.

En omdat oppassen er niet in leek te zitten, ben ik even wat losse gegevens bij elkaar gaan harken van de ouders van Leen en Betje, van onze overgrootouders dus. Van het indrukwekkende aantal kinderen van overgrootvader Janus van der Kruk was ik al op de hoogte: 21, en dat verdeeld over twee vrouwen. Opa Leen hoorde als nummer 17 bij de tweede leg. Van die 21 hebben er overigens zes de kleuterleeftijd niet gehaald. Nummer vier (maar meegeteld met de overlevers dus nummer elf) werd 23 dagen oud en overleed een week voordat ook haar moeder stierf, de vrouw die daarom niet mijn overgrootmoeder werd.

Een snelle blik aan de Kuijvenhovenkant, want oma Betje was van huis uit een Kuijvenhoven, levert niet zulke indrukwekkende aantallen op, al kreeg overgrootvader C J Kuijvenhoven elf kinderen, van wie er drie geen kleuter werden. Oma Betje was de oudste van het stel, maar ze verloor haar moeder al toen ze anderhalf was, bij de geboorte van haar broertje. Dat betekende dat overgrootvader Kuijvenhoven op zijn 24ste weduwnaar was. Hem stond toen overigens nog een huwelijk van 44 jaar te wachten, en ook nog een negental kinderen.
Zojuist ontdek ik dat hij nog een derde keer trouwde, vlak voor zijn 71ste verjaardag en na drie jaar weduwnaarschap. Zijn bruid was 70.

Jammer genoeg ging het al snel na de wittebroodsweken niet goed in Huize Avondrood en het huwelijk verzandt in een scheiding van tafel en bed. Dit alles, zowel het verhaal van de Krukken als dat van de Kuijvenhovens speelt zich af in Monster, met uitstapjes naar de direct naast gelegen dorpen. C J overlijdt in 1936 in het dorp waar hij ook geboren is, Monster.
Opeens lees ik dat zijn derde bruid, Maria van der Marel, in 1950 vertrekt naar Compton in Californië. Ze is dan bijna 90. Een avontuurlijke tante dus, zou je denken, jammer dat ze geen familie is, ook al is ze in onze genealogische registers terecht gekomen. Bijna 90, ja, maar dat haalt Maria niet. Nog geen jaar na haar aankomst aan de andere kant van de oceaan overlijdt ze.

27 april 2020

Tompoes

Natuurlijk had ik meteen na het ontbijt naar de bakker moeten gaan. Nu liet ik het tegen elf uur bij een gemakzuchtig verzoek aan Mente om ook wat tompoezen mee te nemen. Ze kwam terug met eierkoeken. Toen ik zuchtte, kreeg ik natuurlijk te horen dat ik er ook zelf voor had kunnen zorgen, als ik zo graag een oranje tompoes had gewild. Ze had gelijk. Maar toen later de jongste langskwam en tussendoor nog wat boodschappen ging doen, probeerde ik het opnieuw, met als concessie dat ze ook roze mochten zijn, de tompoezen dus. Zonder resultaat. In haar geval was de bakker zelfs al dicht. Bij Albert Heijn had ze niet eens meer gekeken.
‘Nooit doen, bij Albert Heijn, daar zijn ze niet lekker!’ zei Mente.

Ik had vandaag het lef niet om een rondje te gaan fietsen. Je komt de stad maar moeilijk in en uit op zon- en feestdagen. Dat had ik gisteren al gemerkt. Ik kwam niet verder dan de brievenbus op de hoek, die tot mijn teleurstelling pas morgenmiddag geleegd zal worden.
Die korte wandeling – het woord is langer dan het loopje zelf – gaf me wel de gelegenheid om naar de vlaggen te kijken. Er werd iets meer gevlagd dan vorig jaar, leek me. Argwanend telde ik ook de oranje wimpels. Een vlag met koningsdag vind ik al een hele concessie ten opzichte van mijn al lang volledig verwaterde republikeinse opvattingen, een oranje wimpel zou me toch net iets te ver gaan. Ik telde er drie. Op dat korte stukje, dat wel mooi veertien vlaggen opleverde.

Toen ik op de terugweg - al net zo kort als de weg naar de brievenbus toe - de hoek om kwam, vroeg ik me plotsklaps af of het twee jaar geleden was of één dat ik wél zo doortastend geweest was om tamelijk vroeg naar de bakker te gaan voor oranje tompoezen. Nog voor het ontbijt. Er stond al een rijtje mensen en ook moest ik wachten omdat er weer nieuwe gebakken werden. Met een kop koffie en een broodje ben ik voor de winkel aan een tafeltje gaan zitten. Ik had veel aanspraak. Ook met Annie, van een blok verderop. We hadden het over haar hondje, dat een paar maanden daarvoor gestorven was. Nu liep ze af en toe langs ons huis, zonder het blinde hondje, maar met een rollator.
Maar op die koningsdag van een of twee jaar geleden was ze natuurlijk met de auto naar het winkelcentrum gekomen. Het was het enige stuk dat ze nog met de auto deed.
Annie overleed vorig jaar juli, maar toen ik de hoek om kwam vanmiddag en onze straat in liep, zag ik haar heel even lopen. Zonder hondje, met rollator. Haar vluchtige verschijning had waarschijnlijk te maken met de tompoezen die er nu niet waren, en toen wel.

Ineens weet ik het weer: het moet twee jaar geleden zijn, want vorig jaar regende het op koningsdag.
Vandaag zou het een uitstekende gelegenheid zijn geweest om aan een goed geoliede tuintafel te zitten met een kop koffie, een aangenaam tijdschrift en een tompoes. Eerst verover je de zoete, harde bovenlaag en daarna duik je in de dikke zoete, zompige laag vanillebanketbakkersroom. Dat is een woord van vierentwintig letters. Daar is ‘wandelingetje’ met dertien niks bij. Maar dat zei ik al: het was een wandelingetje van niks.
Dat was de tompoes van dit jaar dus ook.

26 april 2020

Klaar

Tijdens het bezoek gisteravond van de gelauwerde zielenheler en zijn keramiste kwam Sartre langs, maar ook Bob Dylan – in ons gesprek dan, niet in het echt: vooral Sartre was namelijk ernstig verhinderd – als het ging om het wel of niet onderscheiden worden of prijzen ontvangen. Sartre, Dylan, ’t is behoorlijk megalomaan gedacht, maar als vrienden onder elkaar mag dat. ‘Sartre weigerde ooit de Nobelprijs voor literatuur, Dylan niet.’ Sartre was en Dylan is nog steeds een gedeelde idool.
‘Maar Dylan ging die prijs niet ophalen.’
‘Dat doen wij ook niet.’

Een onderscheiding roept wat ongemak op. Zo vroeg ik me af wat de dingen die ik had gedaan waard waren als niet anderen ze hadden opgemerkt en het de moeite waard hadden gevonden ze allemaal eens systematisch bij elkaar te harken om mij een keertje in de lucht te steken. Is dat geen vriendjespolitiek? Als een neutrale of meer zakelijke instelling dat regelde, zou dat toch zuiverder wezen. Die gedachte sloeg ooit om in zijn tegendeel, toen ik bedacht wat voor enge, abstracte, autocratische instelling dat dan wel zou moeten wezen. Ook als die bestaat uit aardige mensen, want zelf heb ik ook meerdere malen in een jury gezeten. Dan is het misschien ook wel mooi dat dierbaren aan de basis van de onderscheidingsmachinerie staan, al ben ik blij dat ik de aanvragen niet hoef te beoordelen. Wat zou het trouwens verschrikkelijk wezen om bij een lintje op een gepubliceerde lijst met genomineerden te komen.

De gelauwerde zielenheler vroeg zich af in hoeverre het bij deze onderscheiding wel om hem ging. In zijn geval lag het initiatief voor een onderscheiding bij instellingen waarvoor hij werkte. En die zouden het juist leuk kunnen vinden dat daaraan verbonden mensen rondliepen met een onderscheiding vanwege hun inzet voor de winkel in kwestie. Zo plak je via je je personeel wat extra sterren op je gevel.
Daar gingen we natuurlijk tegenin. Hoe haalde hij het in zijn hoofd om zo te denken. Dat was toch niet ridderlijk!

Dat was een ander dingetje. Op een pagina in de plaatselijke AD-editie vonden we onszelf terug in het rijtje gelauwerden. Mijn onderscheiding maakte mij lid in de O v ON; mijn vriend werd ridder. Zo blijft er altijd iets in onze vriendschap om op terug te vallen bij gebrek aan gespreksstof.
Opvallend was dat de leden met voorletters en achternaam worden aangeduid, dat was de brave burgervariant; mensen als Thé stonden, de ridders en de commandeurs, werden genoemd met voor- en achternaam. Hier sloeg de standenmaatschappij toe. Dat is ook onvermijdelijk bij iets dat onderscheiding heet.
De lintjes worden in naam van iemand die nog hoger in de pikorde staat en die kan volstaan met zijn voornaam. Nu pas werd ons de goddelijke oorsprong van deze hiërarchie duidelijk, want boven de vorst staat iemand die geen naam mag hebben. Zo werd het een verhelderend gesprek.

Erg koningsgezind steek ik eerlijk gezegd niet in elkaar. Mijn antistekels hebben het tamelijk lang uitgehouden, maar ik ben ze in de loop der jaren kwijtgeraakt. Misschien is het wel zo praktisch dat een aantal ceremoniële en rituele elementen word afgebakend en veiliggesteld bij een PR-organisatie als het Huis van ON.

Nu is het klaar.

25 april 2020

Na het lint

Straks komen Thé en zijn dierbare langs, de zielenheler en de keramiste. Zij had al bloemen voor me gekocht voordat de burgemeester ook hem belde. Naderhand kregen we elkaar aan de telefoon en Thé beloofde langs te komen zodra de visite weg was. We hebben gisteren niets meer van hem vernomen, ook niet van zijn keramiste.
Als ze komen, hebben we misschien geen vaas meer. Wel als het een bosje fresia’s is. Dat zou ook fijn zijn. Voor fresia’s hebben we vaasjes genoeg. Ik hou van fresia’s, ongemengd, misschien wat aspergegroen erbij. Je krijgt ze nooit meer, fresia’s. Ik denk niet dat ze fresia’s bij zich hebben. Dat geeft ook niet.

Het is me vandaag al een paar keer gevraagd: of ik het een eer vind, dat lintje. Dat woord zou nooit bij mezelf opgekomen zijn, maar intussen weet ik ook het antwoord. Nee.
De aanbevelingsbrieven die de verhalenrijke schoolmeester, de muzikale theoloog en de dappere dichter schreven, zijn me intussen zeven keer toegezegd, maar ik heb er nog niets van gezien. Toch zit daar, bij de herkomst van die brieven, ook in ongelezen staat, het grootste plezier. Dat mensen de moeite hebben genomen zich er voor in te spannen dat ik zoiets overbodigs zou krijgen als een lintje.
En dat er mensen in mijn omgeving zijn die deze hele poppenkast voor me in het leven roepen.

Ik hou van poppenkast, van spel. Gisteren kregen wij een chic viergangendiner aangeboden, thuis. Dat had Sam geregeld en de drank kwam van Jaap. Sam warmde de boel ook op en maakte kunstwerkjes van de borden. Allemaal spel.
Maar Liesje en Klaas waren er ook. Zij acht, hij zes.
Liesje ontving ons. Daarvoor moesten we eerst even naar buiten zodat zij de deur voor ons kon opendoen.
‘Goedenavond, mevrouw en meneer, hartelijk welkom. Komt u binnen. U eerst mevrouw.’ Ze stond kaarsrecht, deed een stap achteruit en knikte ons heel licht toe. Haar stem klonk anders, deftiger natuurlijk, maar ook een toon lager dan anders.
‘Heeft u gereserveerd?’ Dat hadden we.
‘En onder welke naam?’ We noemden onze achternaam en ik keek of die naam iets met haar zou doen, want zij heeft dezelfde. Ze speelde haar spel niet. Het was volle ernst.

Ze bracht ons naar onze plaatsen, schoof stoelen aan, verzorgde het drinken. En toen zag Klaas een cameraatje liggen. Hij ontpopte zich tot hoffotograaf, waarbij hij wat vaker opa zei, omdat hij niet steeds wist hoe het ding werkte.

Die poppenkast bedoel ik. De poppenkast waarbij een burgemeester een ketting om doet of mensen die hij niet kent gaat bellen, waarbij diep wordt nagedacht over een brief die geschreven moet worden, waarbij huizen gevuld worden met bloemen. Het is de poppenkast van de muziek, van poëzie, van verf op een lap linnen. De poppenkast waarvan het leven rechtop gaat staan, je welkom heet, je naar je naam vraagt, en dan laat zien dat er helemaal op je is gerekend.
Het is natuurlijk ook de poppenkast waarin domstedelingen verslagen rondlopen nu het voortijdig afgebroken voetbalseizoen zo droevig eindigt voor FC Utrecht.

De bel gaat.

24 april 2020

Door het lint

‘Het is wel handig als je om negen uur bent gewassen en aangekleed en al hebt ontbeten.’
Ik krijg een lintje, denk ik. Ik zeg niets. Het is pas zeven uur. Geen tijd om al iets te zeggen of naar iemand te luisteren. Het is een zinloze mededeling, denk ik.

Het is geen zinloze mededeling, bedenk ik. Mente zegt het omdat zij iets spannend vindt en ze kan niet zeggen wat het is. Omdat dat ik een lintje krijg natuurlijk.
‘Ik ga d’r uit,’ zegt Mente om vijf over zeven en ze doet het nog ook. En waarom zou ik dan nog langer bloot in bed blijven liggen? Ik stap er ook uit.
Zonder corona zou ik vanmorgen naar de schouwburg zijn gegaan om te zien hoe de burgemeester bij Thé een lintje op zou spelden. Daarvoor waren we uitgenodigd. Ook dan had ik gedacht dat ik een lintje zou krijgen, door wat Mente niet zei of deed.

Stel je nou eens voor dat ik géén lintje krijg. Dat zou kunnen, al weet ik niet waarom ik dan om negen uur klaar moet zitten, terwijl ik altijd al klaar zit om die tijd. Maar goed, ik besluit om geen lintje te krijgen. Ook ga ik straks niet naar de schouwburg voor het lintje van Thé.
En ook niet naar de begrafenis van Ad. Ik droomde vannacht van zijn armen en zijn handen. Fijngesneden, tanig, gebruind. De jaren van onze vergaderingen, die keren dat we kanoden. We hadden nog maar weinig contact. Deze afgelopen tijd speelt hij als een dun muzikaal lijntje door mijn hoofd, een altviool in een kamerstuk van Fauré. Zijn begrafenis is er wel vandaag. Wij zijn er niet bij.

Fauré komt af en toe even langs, de rest van de dag. Als de coulissen zijn verschoven, ook na de trompet van Sam die door de straat schalde en ik gedecoreerd en wel taart eet, bloemen aanneem of op de stoep vind alsof mijn huis een grafmonument is, als ik de huistelefoon afbreek omdat mijn mobieltje gaat.
Ik bel een van de briefschrijvers in het complot, de dichter. Hij en de anderen, de theoloog en de verhalen vertellende schoolmeester, alle drie mannen die leven van en geloven in hun eigen waarheid en van de wereld die ze zelf bij elkaar gedroomd hebben, praatjesmakers. Ik begin dat lintje beter te begrijpen.
Het is niet eens mijn lintje, dat komt later. Aan mijn revers bungelt de onderscheiding die de schoolmeester ooit kreeg. Het is allemaal leugen en bedrog en dat doet me genoegen. Maar de taart is echt, ik proef het. Het gezelschap ook, allemaal keurig op bijna anderhalve meter, behalve Marcus dan, die heeft zich aan me vastgeplakt.

Er komt een kaart binnen van mijn fietsmaat, ook al in het complot. Op zijn tekening zit ik achter een laptop. Achter mij de Tuindorpkerk; tegen de muur mijn zwaarbepakte vakantiefiets. De noten van psalm 145 golven door de lucht.

We gaan laat naar bed omdat we te moe waren om dat eerder te doen. Ik kijk nog even in het fotoalbum van de Franse fietstocht vorig jaar en vind de foto waarop ik achter mijn laptopje zit, in de keuken van een lege camping. Deze foto hielp de fietsmaat bij zijn tekening. Hier geen monumentale kerk achter me, maar een vrieskist waarvan de klep open staat, niet aangesloten.

Het is de hoogste tijd om tussen de coulissen vandaan te lopen.
‘Doe dat nou maar, Len,’ zeg ik tegen mezelf.
Ik geef geen antwoord. Ik ga slapen, ik ben moe.

23 april 2020

In de olie

Over het schuren van een tuintafel valt niet veel te zeggen. Behalve dan dat er van schuren in de gewone zin van het woord geen sprake was. Dit ondanks het gebruik van een schuurspons, in dit geval van een – en nu lees ik wat de verpakking me ervan vertelt – roestvrijstalen pannenspons. Anders dan het tuinbankje van twee weken geleden moesten er nu geen laklagen verwijderd worden, maar ging het om natuurlijke aanslag. Onze tuintafel is van teakhout. Dat is materiaal dat bruin is als je het koopt, maar als je het lang buiten laat, verweert het en wordt het grijs. Ook dat heeft zijn charme.

Vijfentwintig jaar waren we getrouwd en toen kwam die tafel er en lang, heel, heel lang, werd de tafel ieder jaar weer opgeschuurd met zo’n handige schuurspons en veel water. Daarna ging hij dan in de teakolie en zag hij er weer als nieuw uit.
Intussen hebben we ook twee bijzettafeltjes van hetzelfde materiaal, heel lang zorgvuldig bijgehouden door de vorige eigenaar, mijn schoonvader.

Twee jaar geleden kozen we voor de vergrijzing. Van die tafeltjes bedoel ik, al wil het geval inderdaad dat Mente ook al een paar jaar geen kleurspoeling meer gebruikt voor haar kapsel, dus misschien heeft het een wel met het ander te maken, … heeft het een wel met het ander te maken gehád, moet ik zeggen, want dit jaar zijn we tot andere inzichten gekomen. We wilden dat de tafeltjes er weer als nieuw uit zouden zien. En dat heeft misschien wel weer te maken met het bankje dat na een eerdere staat van ellendige afbladdering nu in vrolijk Engels rood uitnodigt om op te gaan zitten. Al staat dat bankje dan weer op een ander terrasje iets verderop, achter een beukenhaagje waardoor bankje en tafel elkaar niet kunnen zien. Maar ze zitten wel alle twee in ons hoofd, samen met die bijzettafeltjes.

Toen Mente was begonnen om de kleine tafeltjes schoon te maken, bood ik grootmoedig aan om de grote onder handen te nemen. Ze was verrast. Ze meende dat ik dat nog nooit gedaan had. Zo is het niet, maar als ik het twee keer heb gedaan, dan is het veel. En dan te bedenken dat die al bijna 22 jaar in onze tuin staat. En alleen de laatste paar jaar in ongeoliede staat.

Dat is nu nog zo. Maar het vuil is weggeschuurd. De tafel is helemaal schoon. Hij moet nog even goed drogen en dan kan er een nieuwe olielaag op. Dat zal wel even wennen zijn voor hem, want het is vanaf nu een goedje op waterbasis. De bijzettafeltjes zijn al gedaan. We hebben ze even bij de grote, kaal geschrobde tafel gezet, zodat hij alvast een beeld krijgt van wat hem staat te wachten. Stralen zal hij als een jonge, goddelijke tafel.

Ik ben even naar boven gelopen om dit stukje te schrijven, maar als ik me niet vergis, hoor ik hoe hij beneden, op het terras ongeduldig met zijn poten over de tegels schraapt. Hij kan niet wachten. Hij wil! Hij wil!

22 april 2020

Ad van Os

Of die keer dat hij het plan las dat Hans en ik hadden gemaakt. Alweer een idee waar het onderwijs beter van zou worden. We twijfelden tussen twintiger zijn of dertiger, Hans en ik, maar gingen het gevecht aan met de windmolens die al heel lang wisten wat het betekende om voor de klas te staan.
Ad las het plan.
‘Ik lees het straks nog een keer,’ zei hij na een tijdje.

De volgende dag kwam hij naar me toe.’
‘Ik heb één ding veranderd. Anders wordt het niks met jullie nieuwlichterij.’

Hij gaf me het papier terug.
De namen van Hans en mij had hij doorgestreept.
Daar stond nu Ad van Os.
Het plan zag er zo inderdaad veel beter uit.

19 april 2020

Anderhalvemetermaatschappij

We vroegen er niet om. Hij zei het zomaar ineens, die keer dat Joop hier voor het laatst was. Daarvoor moeten we twaalf jaar terug in de tijd. ‘Als er iets is waarvan ik spijt heb, dan gaat het om de kinderen. Daar had ik veel meer tijd voor moeten vrij maken in mijn leven. Ik had met ze uit moeten gaan, had meer spelletjes met ze moeten doen.’
Hij zei het niet omdat zijn kinderen er te groot voor zouden zijn om het nu nog goed te maken, al waren ze wel het huis uit, maar omdat hijzelf nog maar een paar weken te leven had. De dood hing al als een jas om hem heen.
We schijnen ons te moeten voorbereiden op een anderhalvemetermaatschappij. Dat maakt me ongerust. Stel je toch eens voor als we schouwburgen, kerken, huizen, bussen en treinen zo inrichten dat mensen op ruime afstand van elkaar zouden blijven, dan zouden mensen op een gegeven moment toch doodgaan. Voor het zover is, kom je misschien, net als Joop, toe aan de vraag wat je fout hebt gedaan, wat je bij nader inzien anders had willen doen. Als die nieuwe 1,5-meterwereld straks ook mijn wereld is geworden, dan zal mijn antwoord op die vraag beim Abschied getuigen van spijt dat ik geen arm om iemand heb geslagen, dat ik niet iemand bij de hand nam, dat ik geen kind bij me op schoot trok, dat ik niet schouder aan schouder een lied zou zingen, maar dat ik in plaats daarvan afstand heb bewaard, iemand in de kou heb laten staan. Voor zijn eigen bestwil uiteraard, want ik zou die ander misschien kunnen besmetten, zoals ik mijn leven lang besmet ben geweest.

Ik zie op voorhand huizenhoog op tegen die nieuwe wereld. En dat terwijl ik de afgelopen tientallen jaren nooit zo lang niet ziek ben geweest als nu. Ik weet niet beter of ik was eens in de zes weken een paar dagen tot een week ziek, misschien niet genoeg om thuis te blijven, maar wel gammel. Nu niet. Ik ben nog nooit zo lang niet ziek geweest als nu en dat zou zomaar met de vergader-, koor- en kinderloze wereld te maken kunnen hebben waarin we nu noodgedwongen leven. Mijn eigen ongemak heeft vast en zeker te maken met de virussen en bacillen in de ruimtes waarin ik uren doorbracht. Vaak was dat een klaslokaal waarin je, zoals De Schoolmeester 150 jaar geleden schreef:
‘De veestlucht en den drek,
De snotneus, d'Ezelsvragen,
't Afzichtlijk nagelknagen,
Het krabblend luis-verjagen […]
De Jonkheid moest verdragen.’

Liever heb ik die wereld van anderhalve eeuw geleden dan de wereld van anderhalve meter, waarin we de liefde op afstand houden en angst het laatste woord heeft.

Ik vermoed trouwens dat in die wereld, het roodborstje dat vergeefs tegen ons raam tikt uiteindelijk virusvrij van verdriet en gebrek aan liefde toch het loodje legt. Of anders sluit het zich aan bij een grote militante groep gemaskerden die korte metten maakt met alles wat en iedereen die een bedreiging zou kunnen vormen voor de eigen bubbel.

‘Ons koor zit er voorlopig niet meer in,’ zei Janny, toen we elkaar vanmorgen tegenkwamen. ‘Maar ja, gezondheid gaat voor.’ Toen ik verder liep, moest ik ineens aan Joop denken.

18 april 2020

Asperges in het Westland

Ik ben in verwarring. Vanmorgen vertelde ik Aat dat we vanavond asperges zouden eten.
‘Dat is een huismus,’ antwoordde hij, ‘en dat daar is een heggenmus.’
Die reactie had niets te maken met mijn opmerking, maar wel met ons vorige gespreksonderwerp waarbij het over vogels ging. We zaten op zijn dakterras, dronken koffie en aten appelgebak. Even later kwamen we dank zij de asperges in het Westland terecht, waar rond 1900 duinen werden afgegraven. Het vrijgekomen zand werd gebruikt om lager liggende kleigronden elders in het Westland te verhogen, op te varen. Het gebied van de afgegraven duinen zou gebruikt zijn voor de aspergeteelt. Meende Aat. Daar vind ik op internet niets van terug, niet van de teelt maar ook niet van informatie daarover. Zelf herinner ik me van asperges in het Westland alleen het fijne groen dat werd gebruikt om bossen anjers mee op te fleuren. Mooi spul. Het werd gekweekt in een kas niet ver van ons huis.

Aat had het over duinen die indertijd werden afgegraven. Toen later, in 1953 de stormvloed toesloeg, werden kerkdiensten afgebroken omdat de mannen moesten helpen dijk en duinen te bewaken. Men vreesde een doorbraak. Daar heb ik toen zelf weinig hinder van ondervonden. Ik lag in mijn wieg te slapen in een huis waar een halve eeuw daarvoor nog duinen te vinden waren, kwetsbaar gebied dus. Maar van die wieg herinner ik me nog dat die er zeer zeewaardig uit zag. En stel dat het toch was misgegaan toen, en stel dat dit witte goud wél geteeld werd op de plaatsen waar ooit duinen thuis waren, dan zou mijn nog zo prille leven zijn opgeofferd aan asperges. Zoiets zou je dan toch met enig kunst- en vliegwerk kunnen zeggen. Zou dat het me waard geweest zijn?

Het heeft geen zin om de vraag te beantwoorden. Er zit veel teveel ‘stel’ en ‘als’ in het verhaal. De dijk en duinen hebben het namelijk wel gehouden in ’53. En velden met asperges in de Westlandse duinen kom ik niet tegen. Wel in de periode lang daarvoor, in de tijd van vóór de glastuinbouw, van de middeleeuwen tot de negentiende eeuw. De groente was duur en daarom was er alleen vraag naar bij mensen die buitenplaatsen bewoonden en daarvan had je er in een grijs verleden nogal veel in dat gebied.

Wel klopt het dat rond 1900 het Westlandse tuinbouwgebied zich verder uitbreidde in de richting van de duinen en dan gaat het om het gebied tussen de oude Maasdijk en de watertoren tussen Monster en Loosduinen. Er werden aanvankelijk vooral aardappels verbouwd, ook lekker natuurlijk, vooral kleine nieuwe aardappeltjes doen bij goed bij asperges. Daarna probeerde men wat met bloembollen. Vervolgens nam de glastuinbouw het ook daar over.

Die duinen zijn overigens niet alleen afgegraven om goede tuinbouwgrond te krijgen, grond die dichter bij het grondwater lag, maar ook om elders laag liggende en dus te natte kleigrond op te hogen. Mijn Atlas van het Westland heeft het over ‘Afgegraven en opgevaren gronden.’

Overigens kent het Westland wel een twintigste-eeuwse aspergetraditie. Jaarlijks nam mijn vader zijn personeel plus aanhang mee uit om asperges te eten in hotel Elzenhagen bij Poeldijk. Vanaf mijn vijftiende of zestiende mocht ik daar ook bij zijn.
De laatste keer dat ik asperges in het Westland at, zal tien jaar geleden zijn. Daar was Aat ook bij. Dat was in Elzenduin in Ter Heijde, een dorp dat verschillende malen door de zee werd verzwolgen, maar niet in 1953, toen ik een paar honderd meter verderop in mijn zeewaardige wieg lag te slapen.

17 april 2020

Voordat ik mijn voeten voelde

Het gaat dus zo dat Mente af en toe iets koopt voor de kleinkinderen. Een autootje, puzzeltje. Er gaat eens een kaart hun kant op of, zoals nu, een tijdschrift. Kleine dingen graag, want ze zijn niet jarig, kinderen komen doorgaans al om in de spullen en de gedwongen afstand kan nog weken duren en ook dan moete er af en toe iets tastbaars gegeven worden, zonder dat die kinderen verwend worden en wij het als een kostenpost moeten gaan zien.
Als onze goede gaven hun bestemming hebben gevonden, komt er als reactie een filmpje waarin we worden bedankt. Of een telefoontje. Hoe dan ook, er gebeurt iets.
Zojuist, alsof we Sint en Co waren, schoven we dus wat bladen door de brievenbus. Het leverde een fietstocht op en we konden een steelse blik in het huishouden werpen waarin we tot voor kort opa en oma aan huis waren. Ze waren in de tuin, zagen we.

Het is goed om ook in gedachten af en toe met kleinkinderen bezig te kunnen zijn. Die hebben nog veel toekomst, waar ze spaarzaam mee bezig zijn. Ze lijken vooral in hun heden te zakken, al bestaat dat bij de gratie van wat ooit een beetje, een heel klein beetje werkelijkheid zou kunnen worden. Zo is Klaas thuis druk bezig met voetbal. Van Lego en Playmobil bouwt hij een voetbalveld met tribunes. De witte lijnen van het veld zijn aangegeven met stroken papier. Hij tekent aan wie op welke plaats moet staan, want hij kent alle namen. Niet alleen van FC Utrecht en Ajax maar ook van andere clubs zodat hij vrijwel een transfer kan regelen als hem dat zo uitkomt. Het is een complete wereld.
Nu ken ik zijn vader en zijn grootvader vrij goed, dus als hij de motoriek via de mannelijk familielijn heeft meegekregen, heb ik er weinig hoop op dat hij ooit bij FC Utrecht komt te spelen. Zelf denkt hij daar waarschijnlijk ook niet aan, maar… je weet het niet.

Dan is er Liesje die samen met Lotje een school runt of een hockeyclub, of paarden verzorgt of wat dan ook. Tommy ontdekt het wonder van zand en ook van alleen spelen. Dat is nieuw.
Vandaag heb ik me nogal onledig gehouden met het lezen van een dichtbundel en ook las ik het verhaal dat Oek de Jong vertelt over Arie Visser, een onbekend gebleven en jong overleden dichter die als zwerver en junk door het leven ging en zijn heil vond in de Islam.
Over de dichtbundel wil ik hier niet veel kwijt: ik schrijf er in een ander verband nog het een en ander over. Veel gedichten over de onherroepelijkheid van het verleden, typisch poëzie voor oude mensen die te weinig aan kinderen denken.

Die kinderen die vandaag een tijdschrift in de bus vonden, denken later misschien nog terug aan het schooltje dat ze speelden, het zand dat door hun peuter-of kleutervingertjes gleed of de voetballers van wie ze alle namen kenden. ‘Dat waren nog eens voetballers, toen, in 2020.’ Ze timmeren hard aan herinneringen waar ze later niet meer helemaal bij kunnen en noemen die dan misschien hun ‘realms of gold.’ ‘Much have I traveled in the realms of gold,’ zei Keats, al had hij het toen niet over zijn kinderjaren.

Ook mooi, maar het is wel zo leuk om te zien of te bedenken hoe kinderen hun realms of gold nu bouwen en er, zonder afgeleid te worden door verleden of toekomst, te heersen als vorsten.

Ik merk dat de bovenkant van mijn voeten een beetje verbrand is. Als je ook even niet oplet.

16 april 2020

Ochtendgymnastiek

Nog niet eens zo heel lang geleden bleef mijn gewicht een aardig tijdje onder de tachtig kilo, maar nu ligt dat anders. 82.3, wist de weegschaal me vanmorgen te vertellen. Dat is alweer 300 gram minder dan een week geleden, maar nog veel te veel. Ja, ik snoep. Dat weet ik heus wel. Ik mag me dan beroepen op een bijna dagelijkse fietstocht van twintig kilometer of meer (maar ook wel eens minder), maar mijn gewicht is er niet van onder de indruk.
Een deel van de mensheid probeert gebrek aan beweging te compenseren door op gezag van Olga Commandeur en ene Duco een kwartiertje per dag te gymnastieken. Dat zijn althans de laatste berichten van een afstandelijke ontmoeting in de achtertuin. Met thee en twee koekjes.
Die Duco ken ik dus niet, maar de actrice Olga Commandeur, tja, wie zou die niet kennen? En die presenteert blijkbaar Heel Holland Hopt of zo.

Ik heb zojuist bij de computer even geprobeerd mee te doen, en het lukt me niet goed om het tempo en het goede pasje te pakken te krijgen en dan moet je niet alleen iets met je voeten, maar ook met je handen. Binnen vijf minuten stond ik al te zweten. Niet van de fysieke inspanning maar van de strakke maat waarin alles moet gebeuren. En die Commandeur komt me helemaal niet bekend voor. Als dat de bekende actrice is, ben ik Herman van Veen.

Ooit zaten Mente en ik op dansles. Wat een droefenis was dat! Al die bewegingen en alles moest ook daar met allemaal tegelijk. Ik raakte ervan in paniek. En dan al dat menselijke vlees dat onmiddellijk tegen je aan botste als je uit de maat raakte. Verschrikkelijk.
Zo sloeg de droom waarin ik Mente om me heen zou kunnen laten zwieren om in een nachtmerrie, luisterend naar de naam dansles.

Aan de ochtendgymnastiek waarmee mijn moeder ooit de dag begon, heb ik desondanks goede herinneringen. Vooral ’s winters was die interessant. Mijn moeder stak voor zevenen de kachel aan of pookte die weer op en gooide er wat kolen op, of ik mocht dat doen. Dan volgde op de radio het nieuws van zeven uur en daarna hoorde je vrolijke pianogeluiden die de vingers van Arie Snoek tevoorschijn toverden. ‘Goedemorgen, luisteraars. Staat u allen klaar?’ En ja hoor, mijn moeder stond klaar en ze volgde nauwgezet en onverdroten de instructies van Ab Goubitz en bewoog op de muziek. Van de vleugel. Ik denk dat ik het woord vleugel voor een muziekinstrument heb leren kennen dankzij dit programma.
Verderop, in Den Haag, deed tante Henny, bij wie ik regelmatig logeerde, ook mee met de heren Goubitz en Snoek. Als ik daar was, vond ik het een leuk idee, dat verderop, in Monster, mijn moeder net zo bewoog als tante Henny. Mijn moeder was leniger, sterker. Dat zag je meteen. Maar daarvan zei ik natuurlijk niets tegen tante Henny.
Mijn aandacht voor het programma heeft de jaren zestig overigens nauwelijks gehaald en ik meen dat dat voor mijn moeder ook gold. Toch heeft dat programma het uitgehouden van 1945 tot 1975.

Het verhaal gaat dat Goubitz en Snoek, de sportleraar, presentator en fysiotherapeut dus en de man achter de vleugel, elkaar in de oorlog in een kamp hebben leren kennen. Op internet vind ik daarvan nergens een bevestiging. Wel ontdek ik daar zojuist dat ik Commandeur verward heb met Zuiderhoek.
Ja, kijk, met Olga Zuiderhoek zou ik wel zijn blijven meedoen, natuurlijk!

15 april 2020

Torritorri

Op Goede Vrijdag zetten mijn broer en ik een bloemetje neer op het graf van pa en ma en daarna liepen we nog even naar het strand. Dranghekken negeerden we en zo liepen we even later in alle rust langs de branding om bij de eerste afslag van Ter Heijde het strand weer te verlaten.
‘Daar heb je de opslagplaats van Storm en Voois,’ zei mijn broer.
Ik begreep hem niet. Ik zag alleen een winkeltje en een kerkhof.
‘Ik zie niks.’ Jos wees nog nadrukkelijker naar het hek van de begraafplaats. Nu snapte ik hem. De ene helft van Ter Heijde heet Storm en de andere helft Voois.
Tijdens onze gang langs de grafstenen kwam ik onverwacht oog in oog te staan met Jeroen Johannes Voois, geboren 1 november 1904 en overleden 13 april 1971. Op de ovale plaquette van porselein is zijn foto goed bewaard gebleven. Troen heette hij in de volksmond.

Als kinderen waren we vaak op het strand en met mooi weer zag je Troen daar lopen. Hij had dezelfde zeemanspet op waarmee hij nu nog op het Heijse kerkhof is te zien en met het witte jasje dat hij altijd droeg. Maar op het strand van de jaren vijftig had hij ook nog een mand aan zijn arm met een doek, een witte doek met blauwe ruit.
‘Zeekaken!’ riep hij hard. Nee, hij zei: ‘Z-z-z-zeeka-ka-kaken.’ En dan vervolgde hij: ‘Een voor een d-d-dubbeltje en t-t-twee voor een, een k-k-kwaaaaaaaartje.’ Van zijn lang gerekte a sloegen ook de laatste meeuwen op de vlucht.

Hij had een viswinkel direct achter de duinen. Wij kochten er vroeger wel ijs of een rolletje snoep. Het viel me een keer op dat toen er Duitsers in de winkel stonden voor een paar Marsen, hij niet een kwartje per stuk rekende, maar 30 cent. Er zat een patroon in zijn verkoopbeleid.

Voor de schoolbankjes die hij op de stoep bij zijn winkel plaatste moest hij een keer voor het kantongerecht verschijnen omdat hij weigerde ze weg te halen. ‘Ik mag t-t-toch z-z-zeker wel wat s-s-schoolb-b-bankies op me torritorri zetten.’ Met zijn zeekaken maakte hij zich onsterfelijk, maar het zou me niet verbazen als heel veel mensen in Ter Heijde of Monster het nog steeds over torritorri hebben als ze trottoir of stoep bedoelen.

Voor hij rond 1950 weer terug kon keren naar het herbouwde Ter Heijde had hij een visschuur in de Varenstraat in Monster. Daar woonde hij, niet ver van het huis waarin ik geboren ben. In de jaren veertig waren er maar weinig telefoons in de wijk en dat betekende dat mensen nogal eens gebruik maakten van die bij ons thuis. Zo ook Troen. Toen die op een dag naar Goes moest bellen en het slecht weer was, zei mijn vader tegen Troen dat hij vanwege de afstand en de harde wind wel heel hard moest praten. Dat deed Troen. Waarop mijn vader riep: ‘Dat is niet hard genoeg, Troen, harder!’ Dat deed hij.
‘Het gaat niet goed, hoor. Harder!’ Troen begon te schreeuwen.
‘Harder!!’ riep mijn vader. ‘Zo kom je niet verder dan Rotterdam!’
‘Nou,’ zei mijn vader na afloop, ‘dat is gelukt. Het is maar goed dat ik je gewaarschuwd heb.

Op de grafsteen zie ik ook een foto van zijn vrouw. Ik moet haar regelmatig achter de toonbank hebben gezien. Ik kan me haar niet herinneren. Zij zei ook geen torritorri.

13 april 2020

Grutto’s, kuifeend, ringslang, ree, zee

Van de reis door Nieuw-Zeeland die we in oktober en november maakten, hebben we nu een kloek fotoalbum. Een online-versie stuurde ik gisteren door naar Waiheke, het eiland bij Auckland waar mijn schoonzus en zwager wonen. Toen wij daar waren, een paar maanden geleden nog maar, was het huis klaar en alles zag er bewoonbaar uit, maar het grote settelen moest nog plaatsvinden. Dat gold vooral voor de grote lap grond om de gebouwen die ze hadden neergezet. Wij maakten mee hoe er geploegd werd, hoe er stroken kwamen die echte paden zouden worden. Er werd gras ingezaaid. Toen we een maandje waren weggeweest, trekkend door het land, en weer terugkeerden, zagen we al hoeveel er veranderd was in die paar weken.
Ik maakte veel foto’s van het bouwproject van Pieter en Martine.

Nu vertelt Pieter ons door de telefoon dat we er geen idee van hebben hoe anders de tuin er nu uitziet. De vijf tussenliggende maanden zijn niet ongemerkt voorbijgegaan. Met gras, fraaie paden en vooral bloeiende struiken. We zouden het niet herkennen. Het ligt niet voor de hand dat we er binnenkort weer zullen komen om de veranderingen te zien. Maar ik zou het graag doen. Dan kon ik daar weer de zee in lopen, om in de golven te duiken en te zwemmen in het zoute water, waarvan ik altijd het idee heb dat het goed is voor mijn wispelturige huid.
Afgelopen vrijdag liep ik met mijn broer even langs het strand bij Monster. Ik had geen zwembroek bij me en het was natuurlijk veel te koud om het echt te doen. Maar mijn huid en de zee vroegen er wel om, om contact met elkaar. Was ik maar op Waiheke.

In Nieuw-Zeeland doet men schamper over de halfbakken en halfwassen maatregelen die in Nederland tegen het coronavirus genomen worden. Daar is, met een fractie aan slachtoffers, het isolatieregime veel strenger, dus op een duik in zee zou ik daar niet hoeven rekenen. Wat ik wel sneu vind voor Piet en Tien die dat dagelijks deden.

En dan zijn ook de grutto’s al weer een paar weken weg, de godwits, terug naar Alaska. Daar zullen ze ondertussen wel gearriveerd zijn, meer dood dan levend waarschijnlijk. Aan die grutto’s moet ik vaak denken. Het gebeurt wel, dat ik iets zie en dat ik er daarna weer heen ga om tevreden vast te kunnen stellen dat het allemaal nog steeds zo is. Zo liep ik op Waiheke graag even naar de grutto’s. Hier in Nederland fietste ik vorig jaar regelmatig langs een bepaalde sloot om een kuifeend te zien, en een zilverreiger. Ik trof ze regelmatig, op dezelfde plek. Nog vaker gaat het anders. De zonnende ringslangen van een paar weken geleden heb ik bijvoorbeeld niet meer gezien.

Vanochtend graasde er een ree langs de Beukenburgerlaan achter Groenekan. Hij keek af en toe op, zag me, maar ging vervolgens rustig door met grazen. In zijn wereld komt mals gras voor en aangenaam weer, geen coronavirus. Twintig meter zat er tussen de ree en mij, groter was de afstand niet tussen ons, bewoners die we zijn van twee verschillende planeten.

Ik weet nu al dat ik morgen weer even door de Beukenburgerlaan fiets om te zien of… En natuurlijk is het dan niet zo.

Al met al modder ik maar wat aan met beelden van herinneringen, met fietstochten door een vertrouwde wereld die ik amper ken, met wetmatigheden die niet bestaan of die zich aan mijn waarnemingen onttrekken.
Ik had nog iets willen zeggen over dat zwemmen in zee.

12 april 2020

Vrolijk Pasen

Vandaag zou mijn vader jarig zijn geweest. In plaats daarvan is hij al heel lang dood. Eergisteren hebben mijn broer en ik een bloemetje op zijn graf gezet. Twee dagen te vroeg maar daarover zul je hem niet horen klagen.
Mijn vader stierf toen ik nog bezig was om voor het eerst vader te worden. Het gevolg is dat mijn kinderen die in de vijf jaar na zijn dood geboren werden deze opa nooit hebben gekend. Gevolg was ook dat mijn moeder en wij elkaar vrij vaak opzochten en ook dat wij geregeld bij haar logeerden.

Mijn vader was een niet zo grote, maar wel dikke man met flinke onderkinnen, bolle buik en dunne armen en benen. Hij mopperde graag, maar hij was ook een vrolijke man.

Het is in de late jaren tachtig geweest dat we daar logeerden en dat ik plotseling hoopte om op de smalle overloop van het huis waarin wij logeerden en waarvan hij ooit eigenaar was, hemzelf tegen zou komen. Paasochtend leek me daarvoor een gelegenheid bij uitstek. Dat gebeurde niet.

Dat is te zeggen… In het rondeel dat ik er toen, ruim dertig jaar geleden, over schreef, gebeurt het wel en nog steeds. Regelmatig kom ik mijn vader tegen, op een overloop die veel te smal is voor een dunne zoon en een dikke vader om elkaar te passeren, en steeds wil ik de kinderen roepen, maar ze komen altijd te laat en hij komt de badkamer niet uit.

VROLIJK PASEN

Mijn vader is met Pasen opgestaan,
liep naar de badkamer om zich te scheren.
'Je kunt hier in de gang je kont niet keren.'
Ik heb onmiddellijk een stap opzij gedaan.
'Jij al uit bed? Begin je het te leren?'
Nog steeds kan het hem absoluut niet deren,
die hangbuik met twee pootjes onderaan.
Mijn vader is met Pasen opgestaan.
Ik roep mijn kroost, één dame en twee heren.
Ze zien een stoel met onbekende kleren.
'Je opa is met Pasen opgestaan,
hij staat zich in de badkamer te scheren.'

11 april 2020

Stille zaterdag

Het moest maar een dag worden van stille ingetogenheid. Kil, een verraderlijk dun windje, grijs en af en toe een naar regentje graag. Een dag die de mensen binnen zou houden, al zou een enkeling natuurlijk even de stad uit lopen of fietsen om op te schrikken van een muis tussen het gras die daarna weg en verder niets. Of dat de kerken wel open en ook dat er wat mensen in en uit drentelden, maar geen muziek en er werd niets gezegd en de mensen langs elkaar op ruime afstand, die even zouden zitten her en der. Alsof de anderen er niet waren, alsof ze zelf afwezig waren in hun aanwezig zijn. Een Stille Zaterdag. Zo had die moeten zijn.

In plaats daarvan scheen de zon en stonden de straten opgetogen in bloei. Bij de kerk was het een komen en gaan van mensen met voedselpakketten en Paul had kans gezien om achter de vleugel te kruipen en zo uitbundig te spelen dat mensen vanzelf harder en uitbundiger met elkaar begonnen te praten, vrolijk, alsof het al Pasen was. Dat kon toch de bedoeling niet zijn.

Telkens klonk de opgewekte pingel van een lepeltje tegen een kristallen glas: alweer kwam er een appje binnen waarin een vrolijk, goed dan wel gezond Pasen werd toegewenst. De buren belden aan en brachten asperges. En het was nog Stille Zaterdag.

Bij de bakker in de stad stond een lange rij. Daar vond ik de rust van Stille Zaterdag, de mensen die elkaar wel zien maar verder negeren in die lange, dunne rij, overgeleverd aan het wachten op een toekomst die uitblijft, zo lang was de rij waarin niemand voordrong omdat niemand er in leek te geloven dat er ooit nog iets zou gebeuren. Ik stond er voor een groot paasei, zo een als Mente deze week voor de kinderen had gekocht en waarover ze zelf zo verrukt was dat ik het niet kon laten er ook een voor haar te gaan kopen. Maar ik geloofde er niet meer in, niet in de vooruitgang van de rij en niet in het paasei.
Uiteindelijk kwam ik toch in de bakkerswinkel terecht. Het beoogde ei was er niet meer. Alleen toen, in de rij en bij die mededeling had ik het Stille Zaterdaggevoel waarnaar ik had verlangd. Het was al weer weg toen ik met een veel te aantrekkelijke paastaart de bakkerij uit kwam, niet grijs, maar schreeuwend geel en met vrolijke bloemen.

En later kwam er een telefoontje van een kind dat me vertelde dat ik over een half uur de gordijnen naar de achtertuin moest dichtdoen en de poort van het slot moest halen. En na drie kwartier werd er aangebeld en moesten we de tuin in om eieren te zoeken onder het toeziend oog van kleinkinderen die wel begonnen met toekijken op afstand, maar het niet konden laten om toch toe te schieten toen ze zagen dat die oma en opa hardnekkig blind bleven voor sommige eieren en die vervolgens zelf ook niet meer goed wisten waar ze die dingen hadden verstopt.

Ik had me een heel andere Stille Zaterdag voorgenomen. De mens wikt…

10 april 2020

Handen wassen

Op Witte Donderdag waste Jezus de voeten van Petrus. Dat was een rituele handeling, een achterliggende hygiënische reden. En het was lekker fris. Het was wel zo praktisch als een ander je voeten waste. Je kunt er met je handen moeilijker bij en helaas lukt het weinig mensen om, anders dan bij handen, met de ene voet de andere te wassen.
Vandaar ook dat Pilatus het wel alleen af kon vandaag, toen hij zijn handen wasten.
Hij liep niet naar een kraantje of lampetstel om daar zijn handen te wassen, maar liet een schaal met water aanrukken om daarin zijn handen te wassen. Het was vooral een symbolische handeling: hij wilde tegenover het volk duidelijk maken dat hij niet van plan was zijn handen vuil te maken aan de dood van Jezus: ‘Ik ben onschuldig aan de dood van deze man.’
De prefect is de geschiedenis in gegaan, als Pontius Pilatus Haas.

Toen ik even bij de apotheek naar binnen moest, heb ik natuurlijk mijn handen gedesinfecteerd. Ik wist dat het moest, het stond trouwens op een briefje en er stonden flesjes klaar met desinfecterend spul. Makkelijker kon het niet. Toen een paar weken geleden besloten werd om kerkdiensten voorlopig niet door te laten gaan, alhoewel je toen nog wel minidienstjes kon houden, circuleerde de term ‘verwijtbaarheid’. We moesten vooral niet iets doen dat ons naderhand verweten zou kunnen worden. Terecht.
Toch irriteerde die term me – verwijtbaarheid - en dat had met het verhaal van Pilatus te maken. Die waste zijn handen in onschuld, wilde niet meewerken aan de dood van Jezus, maar koos een opstelling waarin passiviteit doorklonk, angst, eigenbelang.
Bij de ingang van de apotheek kreeg ik even het idee dat je geen schaal nodig had. Ook een flesje kon.

Bij de bakker kocht ik even later gebak om dat straks bij mijn jarige broer op te eten. Er stond een man bij de kassa. Een keurige, vriendelijke man. Hij hield ruim afstand van de toonbank en moest dus ver voorover buigen om zijn boodschappen daarop te leggen. Toen hij moest afrekenen, deed hij dat natuurlijk met zijn pasje, zoals het hoort, maar daarvoor moest hij nog verder naar voren buigen om zijn code in te toetsen. Nog een geluk dat hij niet omviel.
Ik koos slagroomgebak. ‘En doet u er maar wat petitfourtjes bij.’ Dan had mijn broer ook nog iets lekkers als ik weer weg was.

Toen hij de winkel uitliep, keek de man nog een keer om en groette iedereen. Wat een aardige man. Ook weer iemand die kan zeggen dat het aan hem of haar niet zal liggen, iemand zoals ik, zoals de verkoopster die met handschoentjes aan de gebakjes in een doosje en het doosje in een papiertje schoof.

Onderweg naar Naaldwijk werd me op lichtborden uitdrukkelijk verteld dat ik thuis moest blijven. Ik reed door. Jawel, ik moest dit niet doen, maar ik had wel een jarige broer.
Bij hem waste ik mijn handen opnieuw. Gewoon onder de kraan. Dankzij het mooie weer droeg ik een T-shirtje met korte mouwen en dat is wel zo handig als je ook je polsen meeneemt bij het wassen. Je hebt geen problemen met manchetten.
Of zou ik nu mijn hele armen moeten wassen? Ik had trouwens een korte broek aan en had mijn voeten onbesokt in slippers gestoken. Ik zou toch niet?
Ik was Petrus en Pilatus tegelijk. En de man bij de bakker die zo goed bezig was.

‘Lekker gebak,’ zei mijn broer een paar meter verderop.

09 april 2020

Voeten wassen!

Vanavond zouden we naar een toneelstuk gaan, naar Het oog van de storm, van Florian Zeller. Een echtpaar is al meer dan vijftig jaar getrouwd. Na een nachtelijke storm gebeurt er van alles dat zich niet laat verklaren. Een toneelstuk met rollen voor Hans Croiset, Anne Wil Blankers, Johanna ter Steege en Marguerite de Brauw. Het stuk is afgelast. Het is mij niet eens duidelijk of het nog wel op het podium komt.

Onze reservering was een vergissing, want vandaag is het Witte Donderdag en dan is het in onze kerk gebruikelijk om een Sedermaaltijd te vieren. Daar horen we natuurlijk bij te zijn, al vraag ik me wel eens af waarom een christelijke kerk zich dit joodse feest meent toe te kunnen eigenen. Het doet er nu allemaal niet toe: toneelstuk en maaltijd gaan beide niet door.

Bij Witte Donderdag denk ik allereerst aan de voetwassing van Petrus. Aan het begin van de maaltijd, daar in het Jeruzalem aan de vooravond van zijn dood, wast Jezus de voeten van zijn vrienden. Het is een rituele wassing, waarbij Jezus een dienende rol vervult. Dat is precies de reden waarom Petrus het niet wil hebben. Er volgt een gesprek dat erin resulteert dat Petrus het wél accepteert, sterker nog: hij vraagt of Jezus hem helemaal wil wassen. Petrus kan geen maat kan houden. Vermoeiende man.

Voor mijn laatste door een ander uitgevoerde voetwassing moet ik ver terug. Ik herinner me wel dat mijn moeder mijn voeten waste. Ik was nog een jongetje en ik keek naar haar nek terwijl ze voor me geknield zat. Er doemt een zomerse jurk op met groen en roze van pioenrozen.
Nicht Dick waste me een keer toen ze bij ons oppaste. Dat was nog in de teil. Ik stak mijn voet uit. Dick was ruw, maar wel efficiënt. Ik was vier. Dan was er tante Nel (daar had ik er heel veel van). Ik stond samen met haar zoon Loek onder de douche. ‘Steek je voet uit,’ zei ze. Dat weet ik nog.

Van Jezus herinner ik me niet dat hij mijn voeten waste, al schreef ik er ooit wel een zogenaamd schriftgedicht over, dat is een gedicht bij een bijbeltekst en dat gebeurde toen in het kader van een project waarbij ik betrokken was.

Geste
bij Johannes 13 : 1 – 15


Twee handen, water en een voet, een doek. En nog een voet, het water, weer die doek.

En ik die iemand op zijn knieën zie,
een nek – gebogen, kwetsbaar – voor me zie.

Dan staat hij op en droogt zijn handen. Klaar.
Je bent al schoon. Het is maar een gebaar.

Zei hij. De avond valt. Ik snap hem niet.
Was ik voor hij me waste schoon of niet?

Is al gebeurd wat nog te wachten staat?
Weet hij wel wat hem overkomen gaat?

En staat hij toch met doek en water klaar?
Ik snap het niet. Wat is dit voor gebaar?


In het toneelstuk dat ik vanavond niet zie, wordt de kijker gedwongen in de hoofden van de personages te kruipen. In dit gedicht doe ik dat ook, bij Petrus. Het valt me nu pas op dat ik hem naar de nek van Jezus laat kijken. Maar als dat niet de nek is van mijn moeder, maar van Jezus, dan ben ik Petrus.

08 april 2020

Prine & Kift

Een omroepgids hebben we al jaren niet meer. Dat is niet nodig. We weten hoe laat het journaal begint en wij hebben Steven. Zo maakte ik gisteravond alsnog kennis met de De Kift, omdat Steven zondag al vertelde dat we naar de uitzending van zaterdagavond moesten kijken. Toen was Het Uur van de Wolf aan ze gewijd. De documentaire, warm aanbevolen, is van Sanne Rovers en heet Water Wieg Me.
Er ontgaat mij bijzonder veel in dit bestaan. Ook als het om De Kift gaat. Maar wat een leuke groep is dat. Die man achter het harmonium bijvoorbeeld die een vriend blijkt te zijn van Rodaan Al Galidi.
Tussen neus en lippen kwam ook de vader van voorman Ferry Heijne ter sprake, Jan. Die is nu 87 en zit in een verpleegtehuis, maar tot 2013 speelde hij in de groep mee als trompettist. Twintig jaar lang, dus vanaf zijn zestigste.
Dat vond ik heel gaaf. Nu hebben mijn kinderen geen band en ik speel geen instrument, maar als dat allemaal wel zo was geweest, nou, dan wist ik het wel.

Vanmorgen wilde ik Steven even bedanken voor zijn zoveelste gouden tip, maar hij was me voor, nu met een bericht over John Prine. Die heb ik ook dankzij Steven een paar jaar geleden leren kennen. Zei ik niet dat mij in dit bestaan bijzonder veel ontgaat? Ik had vanochtend alleen geen tijd om het berichtje over Prine te lezen (dacht dat het weer om een kijk- of luistertip ging), dus beperkte ik me tot enkele opmerkingen over De Kift en van Prine zei ik: ‘Prine komt later.’

Maar dat is dus niet zo, begrijp ik intussen. Prine komt helemaal niet meer. Dat verrast me eerlijk gezegd niet. Hij had corona en wat had die man een slechte gezondheid. Maar het spijt me wel.
Zijn laatste cd, The Tree of Forgiveness, heb ik opstaan. De cd-speler staat op herhaling. Ik probeer even te tikken op de maat van Crazy Bone. Dat valt nog niet mee. Het volgende, weergaloze nummer, Summer’s End, maakt het me makkelijker.

Intussen voert Prine en muzikale strijd met De Kift, want ik probeer wat meer over ze te weten te komen. Zojuist ontdek ik niet dat Jan Heijne in een verpleegtehuis zit – dat wist ik, dat vertelde zijn zoon in de documentaire, maar wel dat op 23 maart De Kift op de stoep voor dat verpleegtehuis heeft staan spelen, ook voor vader Jan. Daar is een filmpje van en daar heb even naar geluisterd. Daarvoor moest John Prine wel even wacht zachter, maar nu hoor ik hém weer.

Het is dus zo dat je de pandemie van het coronavirus ook kunt zien als een intensieve, wereldwijde schoonmaakactie waarbij wat oud en zwak is wordt opgeruimd. Dat klinkt mij te clean en te klinisch, en daarom kan ik Jort Kelder niet goed volgen. Dat wordt nog moeilijker, nu ik John Prine hoor en terugdenk aan die prachtige plaats in Paradiso waar Steven en ik aan zijn voeten zaten, met een afstand van niet meer dan anderhalve meter. Maar ineens denk ik ook aan Jan Heijne. Hoe zou het nu, veertien dagen na dat concert, met hem zijn?

Natuurlijk denk ik ook aan die woorden van Lucebert, die boven Rotterdam oplichten.
En dan…

Komt er een bericht binnen van Steven. Het gaat om een filmpje waarin Jeff Tweedy een nummer van John Prine speelt: ‘Please don’t bury me.’
Even luisteren.

* Indertijd schreef ik al eens een In Poësis over John Prine. https://www.leesliter.nl/blog-en-nieuws/1039-in-poesis-120-prine. De foto die erbij staat is van mij.
**Jefft Tweedy zingt John Prine: https://www.rollingstone.com/music/music-news/jeff-tweedy-john-prine-tribute-cover-please-dont-bury-me-980316/.

07 april 2020

Bankje

Gisteren fietste ik over de Paltzerweg naar Amersfoort. Als je in Den Dolder doorsteekt, kom je langs de Vliegdennen, een straat die bestaat uit een appartementencomplex van twaalf woningen. Dat is het. Op die manier kom ik langs de twee huizen waar mijn schoonouders tweeëntwintig en vijftien jaar woonden, waar ze hun ouderdom vierden.
Op de heenweg zag ik ballonnen voor het huis aan de Paltzerweg. Binnen hingen ze ook, samen met een heleboel slingers. En achterin de kamer zat een heel gezin waarvan er eentje jarig was. Dat was een feestelijke aanblik. Thuis heb ik nog wat foto’s waarop de gevel van hetzelfde huis versierd is. Bijvoorbeeld toen mijn schoonouders veertig jaar getrouwd waren. In alle vroegte hebben we de boel toen versierd. Dat gebeurde weer toen mijn schoonvader zeventig werd. Misschien ook nog wel vaker, maar dat van die zeventigste herinner ik me nog goed. Dat was ook in april, twee weken later. De bomen en struiken bloeiden toen zoals ze dat nu weer doen. Er is niets veranderd.

Al met al had ik op die manier op de weg terug naar huis iets om naar uit te kijken.
Er is een serie met foto’s waarop opa Jan bovenop zijn stoel staat, de stoel die na zijn dood niemand wilde hebben. De kleinkinderen bombarderen hem met serpentines en zingen hem met hun ouders luidkeels toe. Het was een vrolijke boel.
Ik zag het nu zo levendig voor me dat het me niet eens onmiddellijk verbaasd zou hebben als ik hem had zien staan toen ik weer langsfietste. Opa kleurrijk behangen bovenop zijn stoel en toegezongen door een juichende meute kleuters, peuters en prepubers.
Hij stond er niet. Aan de tafel achterin zat een vrouw achter haar laptop. Dat zie je in tijden van corona nogal veel als je ergens door het raam kijkt: beren in de vensterbank en vrouwen achter een laptop.

Opa Jan was een klusser en hij had een patent op botenlak. Alles zat in de botenlak. Dat was al zo in Den Haag en in hun vakantieboerderijtje en dat ging verder aan de Paltzerweg. Ik had nooit van botenlak gehoord totdat ik Mente leerde kennen. Dacht trouwens lang dat het spul boterlak heette, met een r. Aan de Paltzerweg zette hij jaarlijks een bankje in de boterlak. Toen mijn schoonouders naar hun appartement in Den Dolder verhuisden, ging het bankje mee. Het kwam er in de hal bij hun voordeur te staan. Aan lakken kwam opa Jan niet meer toe. Hij werd ouder en het was ook helemaal niet nodig. Het bankje stond binnen.

Maar niet de afgelopen vijf jaar. Toen stond het weer buiten, hier in de achtertuin, en de vellen botenlak hangen erbij. Nee, hingen er bij, want eindelijk, na jaren is het er vandaag van gekomen en heb ik het bankje stevig geschuurd. Morgen wordt het weer geverfd, jawel. Een cadeautje voor opa, zullen we maar zeggen, alvast voor zijn verjaardag.
Nog even en dan staat het bankje weer strak in de, nee, niet in de botenlak, het wordt een dekkende beits. Engels rood.
Benieuwd wat hij daarvan vindt.

06 april 2020

Van God

Na de gedeelde thee gistermiddag las ik nog even wat Koos had geschreven in zijn rubriek ‘Dit was de week.’ De vlag waaronder hij de week liet wegvaren was veelzeggend, Het Woord Van God (https://koosmeinderts.nl/schrijfblok).

Op verschillende plekken in de wijk staat op de stoep met krijt ‘Psalm 91’ geschreven. Koos zegt daarover: ‘Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont heeft niets te vrezen, daar komt de psalm in het kort op neer: Hij bevrijdt je uit het net van de vogelvanger en redt je van de dodelijke pest. Maar wie kwaad doen worden gestraft. Zij die kwaad doen, wie zijn dat, de goddelozen, de ongelovigen en afvalligen?’
Daar gaan in zijn stukje woorden aan vooraf uit een preek van ds Agteresch uit Werkendam. Koos citeert ze en ik jat het citaat weer van hem: ‘Koning Jezus komt. Wanneer? Bij de wederkomst. Dan komt hij op de wolken van de hemel (…). Maar voordat Jezus komt, stuurt Hij zoals de koning eerst zijn knechten stuurt, eerst het corona-virus om ons te straffen. Waarom? De Heere wil dat jij gaat bidden. De Heere wil dat jij breekt met de verkeerde dingen.’

Ik zit er mee, met die dominee en met die psalmwoorden op de stoep, die ik overigens niet gezien heb. We wonen dicht bij elkaar, Koos en ik, maar Koos fietst niet alleen veel, hij maakt ook iedere dag een wandeling . Ik doe dat laatste minder en nu blijkt maar weer dat een wandelaar meer ziet.

Psalm 91 is een troostrijke psalm. Weliswaar wordt korte metten gemaakt met wat kwaad is, maar in 91 gaat het niet om personen, om vijanden die worden vertrapt. Dat gebeurt overigens regelmatig in de Psalmen. Ik ben er daarom altijd een beetje bang voor. Ze zetten naar mijn idee nogal een godsbeeld neer van mensen bij wie ik me niet thuis voel. Dat kom ik in de Bijbel wel vaker tegen. Er zijn profeten voor wie ik zou willen verhuizen als het mijn buren waren. Misschien heeft dominee Agteresch minder moeite met dergelijke buren van dat kaliber.

Wat de dominee over corona zegt, lijkt mij een vorm van vloeken . Als het virus een straf voor zondig gedrag genoemd wordt, dan gaat het om straf die iedereen, gelovig of niet, zou erkennen, een wetmatigheid dus. ‘Da’s logisch,’ zou Cruijff zeggen. Wie veel drinkt, wordt dronken; wie niet uitkijkt, kan makkelijker struikelen. Dat er een God is die met emmers rampspoed komt om mensen te straffen? Ik geloof er niks meer van.

Al kan het ook geen kwaad om een beetje mee te bewegen met dominee Agteresch, in de zin dat een ongemakkelijke gedachte je hopelijk kan uitnodigen eens wat beter na te denken over de vraag waar je in hemelsnaam mee bezig bent om vervolgens aan het antwoord daarop wat consequenties te verbinden (vlees, vliegtuig, verwarming, online shop, agenda, vrienden, Lesbos). Gebeurtenissen kunnen je uit de comfortzone van je vooruitgangsgeloof halen, uit de waan van veiligheid; soms kunnen stekelige woorden – bijbelwoorden bijvoorbeeld die je niet zo gelegen komen - dat ook.

Ik lees dat Koos zich, retorisch weliswaar, afvraagt of het dan vooral goddelozen, ongelovigen en afvalligen zijn die gestraft worden. Dat is drie keer dezelfde groep, plusminus, maar los daarvan valt mij op dat in Nederland juist gelovigen getroffen worden. Ik ga hier maar niet op door.

Ik houd het op een God die gaat voor het leven, eentje van licht aan, bloesem aan de boom, spelende kinderen. En die - als het dan niet gaat zoals we willen - zegt: je bent niet alleen.

05 april 2020

Kinderfoto

Van Facebook moet je je mooiste foto van de zee op de site zetten, je lekkerste recept posten en vertellen wat je lievelingsmuziek is. Ik word daar erg zenuwachtig van. En nu komt daar een foto uit je vroege kindertijd nog bij. Ik doe er niet aan mee. Niet omdat ik een jongetje ben en deze hypes bijna alleen maar vrouwen lijken te infecteren, maar ik heb er geen zin in. Die uitnodiging om een kinderfoto te plaatsen raakt sowieso een bijzonder gevoelig punt.

Ik zou natuurlijk kunnen zeggen dat mijn vader ooit alle foto’s verscheurd heeft en dat ik daarom niet mee kan doen aan deze FB-actie. Om er aan toe te voegen dat de herinnering aan die verschrikkelijke actie van mijn vader me nog zo aangrijpt, dat ik er niet over kan praten. Dat is alleen nooit gebeurd. Het zou niet eens in mijn vader opgekomen zijn om zoiets te doen. Dat lag helemaal niet in zijn lijn.

Wel is er een pijnlijke herinnering aan een foto die van mij gemaakt werd toen ik op de kleuterschool zat. Ik was toen drie. Die van mijn vijfde en vierde heb ik nog, maar niet die van toen ik drie was. Ik lieg alweer: er werden er toen twee gemaakt. De tweede heb ik nog, maar niet de eerste. Die heb ik niet meer, juist omdat die me zo dierbaar was.

Bij de fotosessie raakte ik volledig van streek. En dat terwijl mijn zus Elly er speciaal voor van haar school naar me toegekomen was. Ik was namelijk bang voor foto’s, voor het boze oog van een camera. Daardoor raakte ik in paniek. Iedereen had met me te doen, weet ik nog, de juf, de fotograaf, wat moeders en ook mijn zus.
Er speelde nog iets waardoor het me teveel werd: ik moest iets doen. Ik moest in het gareel van verwachtingen lopen. Iedereen deed het, dus moest ik ook. Daar kon ik niet mee omgaan, met iets moeten, net als anderen.

Uiteindelijk winnen grote mensen het. Ook toen. Ik gehoorzaamde en huilend keek ik in de lens van de camera, die glansde als een veel te grote kever. Met een verfkwast in mijn hand stond ik naast het schildersezeltje met daarop een waterverftekening waaraan ik part noch deel had gehad en waarop al mijn klasgenootjes allemaal al een lullige veeg hadden gezet.

De fotograaf verstopte zich en kwam al snel weer achter de camera tevoorschijn.
‘Nou, dat was alles,’ zei hij. ‘Zie je nou dat het meevalt?’
Mijn zus sloeg haar arm om me heen en wilde me meetrekken.
‘Wacht even,’ zei de fotograaf. ‘Hij heeft zo goed meegedaan. Hij mag nog wel even verder werken aan het schilderij.’ Daar had ik helemaal geen zin in, maar nu het grootste leed geleden was, konden die paar verfstreken er nog wel af. Elly deed een stap naar achteren. Ik zette de kwast op het papier en toen maakte die verraderlijke fotograaf de tweede foto. Die is er nog.
De eerste, met het huilende jongetje, kregen we later ook. Het is misschien wel de mooiste kinderfoto ooit.

Twaalf jaar later raakte ik verliefd op een Noors meisje. Toen zij weer terugkeerde naar Oslo, schreven we elkaar dagelijks, bijna drie maanden lang.
In die tijd dus heb ik - grote sentimentele stommeling die ik was - haar een keer de foto met dat huilende jongetje gestuurd.
In mijn laatste brief heb ik Sissel nog gevraagd om hem terug te sturen.

Zodra dat gebeurd is, zet ik hem op Facebook. Ik beloof het.

04 april 2020

De tip van Thé

Ik kom terug op een Och Heden van 20 maart (‘Geweten’).
Toen was ik uitgenodigd om een gedicht naar de afzender en naar nog een ander te sturen en zelf twintig (soms tien) anderen uit te nodigen mijn voorbeeld te volgen. Dat zou me een schat aan poëzie opleveren. De uitnodigingen om mee te doen kwamen en komen binnen via de mail. Intussen zit ik op 27 uitnodigingen. Ik reageer er niet meer op. Wel moet ik de droef stemmende conclusie trekken dat die mensen mijn stukjes niet lezen, anders hadden ze me de mailtjes nooit gestuurd.

Alhoewel, vrijdag kreeg ik een mailtje van de mij dierbare Thé en hij had besloten om net als ik de uitnodigingen af te slaan. Hij is aardiger dan ik ben, dus hij reageert nog wel op de uitnodigingen en daarbij stelt hij de afzender voor om in plaats van te werven onder derden zelf een nieuwe dichtbundel te kopen. Dat levert je in één klap net zoveel gedichten op en ze zitten meteen keurig in een bandje zodat je ze niet achter de computer hoeft te lezen. ‘De wijn is drinkbaar dankzij het glas ‘ zei Mulisch. Zoiets geldt ook voor gedichten: die laten zich het best lezen in een bundel van papier, met dank aan de vormgever.

Op die manier hebben bovendien ook armlastige dichters en boekhandelaren er iets aan. Ik zou je willen voorstellen de estafette inderdaad maar te laten voor wat ie is en zelf een boekhandel in te stappen om een bundel te kopen. Ja, boekhandels zijn vaak nog open. Ook daar zijn voorschriften en daar is ook sanitaire zeep en je vindt er ook hekjes of strepen, maar wat een zalige rust in vergelijking met de bedrijven van onze grootgrutters. Ik vind het een goede tip van Thé.

Mijn eerste, toen nog verrassende uitnodiging voor de poëzie-estafette kreeg ik van Benno Barnard. Uit zijn mail bleek dat de tekst met de uitnodiging niet van hemzelf was; dat vertelde hij er namelijk bij. Diezelfde tekst, soms met een kleine variatie, kan ik intussen dromen, maar Benno was de enige die niet de indruk wekte dat hij zelf op het idee gekomen was om het dichterlijke piramidespel op touw te zetten. Zijn uitnodiging was van de 17de en na mijn stukje erover van de 20ste vroeg ik hem naar de oogst tot dusver. Hij had toen een stuk of dertig gedichten binnen. Opvallend veel Shakespeare, zei hij. De meeste andere gedichten kende hij ook. Er zat weinig tussen dat hij niet al kende. Een paar gedichten, daar vroeg ik namelijk naar, hadden hem inderdaad ontroerd. Ik weet niet of het daarbij ging om hem bekende of onbekende gedichten. Had ik moeten vragen.

Het appje van Thé, die als jongen nog met Benno in hetzelfde voetbalteam zat trouwens, maakte duidelijk dat hij mijn OH van 20 maart wél gelezen had. Dat zou dus kunnen betekenen dat ik zonder dat stukje misschien al wel veertig of vijftig uitnodigingen had gekregen om mee te doen aan dit onzalige estafettegedoe.

De ervaring van Benno leert dat je beter het voorstel van Thé kunt volgen: koop eens een dichtbundel. Daar wordt de wereld beter van.

03 april 2020

Gofit19

Deze barre tijden gaan soms gepaard met een aangename bijvangst. Aan de beperkingen waarmee dit voorjaar ons opzadelt, danken we bijvoorbeeld Gofit19, een fietsroute die begint op de plek waar je fiets staat. Deze route kent een parcours dat wordt bepaald door omstandigheden en die kunnen van het ene moment op het andere veranderen. Dat maakt de route bijzonder flexibel en daarmee uitermate aantrekkelijk.
Grondregel is: houd afstand. In mijn geval betekent het dat ik pas op het moment waarop ik de poort uit fiets, beslis of ik links- of rechtsaf sla. De grondregel kent gradaties. Een afstand ten op zichte van een andere persoon van 1,5 meter of minder betekent dat je die kant absoluut niet moet kiezen. Gaat het om een grotere, om niet te zeggen, veel grotere afstand, dan is de regel wat minder stringent, maar ga, als het kan, de kant op waar je geen mensen ziet. Mijn tocht voerde vandaag via de Voorveldse Polder naar de Oostbroekselaan. Daar was ik in geen veertig jaar geweest. Heel lang geleden, toen Uithof en A28 nog geen roet in het eten gooiden, fietste ik er wel. Ik trakteerde mezelf op een herkenningsfeest.
Een volgende regel: kies het pad dat je niet kent en steek over waar dat niet voor de hand ligt. Het brengt je op onverwachte en ongekende plekken. En dat zonder te verdwalen, want je weet toch wel zo’n beetje waar je bent. Gelukkig niet altijd, maar binnen een paar minuten, herken je wel weer iets. Intussen begint er van boven van alles te kraken. Vanwege een geheugen dat geprikkeld wordt, maar ook ga je je afvragen hoe de kaart er eigenlijk uitziet die je befietst. Het zette mij in ieder geval tot nadenken toen ik het Provinciehuis naderde vanuit een richting die ik niet kende. Hoe zat dat nou?

Gofit19 is een fietsavontuur dicht bij huis dat je ook confronteert met onverwachte gebeurtenissen. Zo kwam ik via een vergeten laantje op de Weg naar Rhijnauwen. Altijd weer mooi, maar die kan ik dromen. Veertig meter voor me fietsten twee vrouwen. Bij een van de twee viel iets uit haar zak. Ik stopte. Het was een make-uppotlood, geloof ik; dat weet ik niet zeker. Ik wilde al bukken en het oprapen, toen de vrouw van het potlood ook stopte en omkeek.
‘Dat is nou vervelend. Wat moet ik nou doen? Mag ik dit wel oprapen en even aangeven?’ riep ik.
Ze lachte, zei ‘Dankjewel’ en fietste mijn kant op. Ik liet het potlood liggen.
‘Je zoekt het maar uit,’ zei ik. Ze lachte weer.
Kortom: een verrassende en hartelijke ontmoeting. Drie weken geleden had ik het potlood opgeraapt en aangegeven; daarna zou ik het voorval vergeten. Nu niet. Gofit19 maakt van een fietstocht niet minder dan een avontuurlijke expeditie. En je leert ervan nadenken.

Weer later trof ik Miep. Ze stond bij een bankje en dronk koffie die ze zelf had meegebracht. Ik kom Miep nooit tegen bij een bankje met haar eigen koffie. We hebben tien minuten staan praten. Juist omdat Gofit19 een route dicht bij huis is, onderhoud je op verrassende wijze ook je sociale contacten.

Er zijn nog wel een paar mitsen en maren, maar het idee is nu wel duidelijk, neem ik aan.
O ja, je kunt Gofit19 zo lang maken als je wilt. Bij Fort Vechten had ik straffeloos tien kilometer aan de route kunnen toevoegen. Ook in dat opzicht is Gofit19 uitermate flexibel. Dus go fit en fiets Gofit19.

02 april 2020

Ouwe man met fiets

Mijn zus vertelde me een tijdje geleden hoe opa Van der Kruk de poort in kwam op zijn zware fiets, met een bagagedrager voorop en daarop een groentekist.
‘Dan kwam hij weer een maal bonen brengen of een of andere koolsoort.’
Ik zag het voor me en was geschokt. Van mijn opa met zijn transportfiets heb ik een scherp beeld, maar niet dat hij die fiets gebruikte om op te fietsen, maar dat deed hij dus, van Loosduinen naar Monster.
Pas nu ik dit schrijf, realiseer ik me dat Elly een andere poort bedoelde dan ik me daarbij tot nu toe heb voorgesteld. Die keer dat zij met een fietsende opa op de proppen kwam, zag ik hem door onze lange smalle poort aan de Choorstraat fietsen, nu heet het daar trouwens Emmastraat en ooit was het Poeldijkseweg. Maar hoe het er ook heten mocht: fietsen op zo’n zware fiets en dan ook nog met die groentekist was bijna ondoenlijk voor een vent van rond de zeventig. Maar Elly zei helemaal niet om welke poort het ging. Het lijkt me daarom waarschijnlijker dat ze die poort helemaal niet bedoelde. Toen ik twee was, verhuisden we naar de Choorstraat, naar het huis met de lange smalle poort, maar ook het huis met een voortuin. Elly was toen negen! Dus, bedenk ik nu, haar herinnering gaat terug naar het huis waar wij geboren werden. Daar was een brede, korte poort, maar er was geen voortuin. Het lag en ligt dus veel meer voor de hand dat mijn opa daar doorheen fietste.

Het spijt me, ik wilde dit helemaal niet vertellen. Ik wilde het hebben over die fietsende opa. Want die ken ik helemaal niet. Wel ken ik een opa, een stokoude man, zo krom als een hoepel, die iedere dag naar zijn tuin sjokte, naast zijn fiets met daarop altijd een groentekist. Als brugklasser fietste ik dagelijks van Monster naar Den Haag en een paar keer per week, om een uur of acht, ter hoogte van de brug naar Ockenburg kwam ik dan opa tegen. Die was onderweg naar zijn tuin. ‘Dag, Opa!’ riep ik dan en hij bromde iets terug. Ik weet zeker dat hij me nooit herkend heeft. Dat is het beeld van opa en zijn fiets. Nooit bedacht dat er tijden moeten zijn geweest dat hij er bovenop zat, met zijn voeten op de trappers. Had je het me ooit een keer gevraagd, dan had ik meteen ‘ja’ gezegd, ‘natuurlijk’, maar ook dan zou ik verrast zijn geweest, van de vraag en van mijn eigen antwoord.

Hoe ik hier zo op kom? Ik heb vandaag foto’s van vorig jaar doorgenomen, wat kon weg en wat niet, niet eens alles, maar het zijn er heel veel. Ik bedacht dat er heel veel niet op die foto’s staat. De laatste ontmoeting met Onno bijvoorbeeld, hoe hij nog voor ons uit zijn bed kwam. Of dat ik enkele weken lang telkens naar het UMC moest voor een bestraling. Er is geen foto van.
Toen bedacht ik dus dat ik ook geen foto heb van opa, van de ouwe man die ik in zijn laatste levensjaar bijna dagelijks tegenkwam, terwijl hij naast zijn fiets liep. Ik heb het beeld luid en duidelijk in mijn kop. Maar er is geen foto van. Dat is wel jammer. Ik had hem je graag laten zien.

01 april 2020

Oké, ik ga met je mee

Als ik zachtjes ‘Erbarme dich’ zing, stelt me dat niet voor raadselen. We zitten in de veertigdagentijd, en je mag deze aria van Bach rustig zien als een gebed dat ik prevel vanwege de corona-ellende die over Gods schepping golft. Trouwens, op een aria van Bach wil iedereen zichzelf wel betrappen.
Maar waarom zit er zoveel Ria Valk in mijn hoofd de laatste tijd? Vooral haar eerste hit Rocking Billy.
‘Hou je echt nog van mij, Rocking Billy, of is nu al je liefde voorbij?’ Waarom gaat er geen afwasbeurt voorbij zonder dat ik het weer sta te galmen? Ik ken geen Rocking Billy, ook niet iemand die zich op verre afstand van mij afkeert, integendeel, mijn geliefde staat op minder dan anderhalve meter bij me vandaan, we doen samen de afwas.

Eén zin uit het lied maakt veel goed:
‘In Amerika zou je beginnen
een fabriekje in leverpastei.’
Dan komt dat vreselijke ‘Jij had daarvoor geen money, Rocking Billy.’
Vooral dat money! En daarna het slot:
‘Stuur mij alsjeblieft weer mijn mooie matras,
want daarin zit mijn geld en mijn pas.’

Als kind stelde ik me daarbij mijn eigen matras voor, waarin ergens de tijk was opengeknipt – hup, geld en paspoort erin – en daarna dichtgenaaid. Gevolg is dat ik nog een scherp beeld daarvan heb, van dat matras: goudgeel, met een zilverkleurig bladmotief.
Maar wie doet nou zoiets? Geld in een matras meesturen en al helemaal je pas! Waarom moet trouwens het hele matras terug? Waarom zat er geld in het matras? Dat had ze toch al uitgeleend aan Billy? En waarom iemand zijn pas in een matras stopt dat naar Amerika wordt getransporteerd en zelf achterblijft…? Ik begrijp er niks van.
Erger is dat het ene liedje van Ria Valk vanzelf het andere oproept. De ‘worstjes op mijn borstjes’ zitten gelukkig niet in mijn repertoire, ook niet de Vrijgezellenflat. Maar de golven die ik aan het strand zie, zijn er weer wel. En ook Oké, ik ga met je mee.
Misschien is dat nummer van Valk minder bekend, maar in 1961 stond het op de achterkant van Rocking Billy en mijn zus had dat plaatje in huis gehaald.

Vanmorgen viel het kwartje. Ik denk dat ik nu de bron heb gevonden vanwaaruit het Ria Valkvirus zich door mijn hoofd verspreidt. Dat zit zo: doorgaans sta ik iets eerder op dan Mente, maar de laatste tijd heb ik minder haast om uit bed te komen. Daardoor gebeurt het nu regelmatig dat zij zegt dat ze eruit gaat. Daarmee is voor mij de lol eraf. Dat begrijp je. Dus ik zucht dan wat en zeg ‘Oké.’
En let nu goed op: terwijl ik overeind kom en intussen een halve draai maak om met mijn twee voeten op de koude vloer te komen, voeg ik daaraan toe: ‘ik ga met je mee.’
Doorgaans ga ik meteen naar de badkamer, waar ik me laat afleiden door Radio 4, maar dan heeft het virus mij blijkbaar al in zijn greep. Ik merk daar de hele dag niets van, maar bij de afwas klinkt plotseling:

OK, ik ga met je mee
Ver weg in Texas zingen wij Yippy-ayee
OK, ik ga met je mee
We zoeken samen dan een blokhut voor ons twee
Je moet me daar een paard met twee pistolen geven
Want op de prairie is nog heel wat te beleven
OK, ik ga met je mee
Ver weg in Texas zingen wij Yippy-ayee.

En als Ria Valk eenmaal losbarst, is er geen houden meer aan.

31 maart 2020

Aandenken

Lieve Tommy,

Vanmorgen stond ik onder de douche en weer moest ik aan je denken. Ik denk ook aan je broer en zus natuurlijk, en aan je neefjes, maar onder de douche dacht ik vooral aan jou. Dat heb je me ook wel gemakkelijk gemaakt, want ik moet altijd aan je denken als ik blote voeten heb en omlaag kijk. En zo sta ik doorgaans onder de douche. De nagel van de grote teen van mijn linkervoet is bruin. Zoiets springt in het oog. Het valt op dat juist een van de twee grootste nagels waarover ik beschik ook in kleur zo afwijkt van de andere, zelfs van de hele voet.
Je zult het je niet herinneren, maar vroeger, toen het nog zomer was, en jij nog maar nul, vroeger dus, droeg ik, je opa (ken je me nog?), slippers of sandalen. Ook op die zomerse maandag in augustus toen oma en ik bij jullie oppasten. Jij zat bij me op schoot en vermaakte je met een grote vierkante auto van duplo. Toen je die liet vallen, kwam het ding met een punt op mijn grote teen, precies op de nagelriem (laat pappa maar even uitleggen wat dat is, als het je interesseert). Dat deed pijn, niet bij die auto, wel bij mij.
‘Oe!’ zei ik en dat was heel keurig en beheerst van me, al zeg ik het zelf. Alleen je broer merkte het op en die vroeg wat er aan de hand was. Jij had niets in de gaten en zat alweer te spelen met de vervaarlijke duplotruck die ik voor je had opgeraapt. Maar je grote broer van toen nog vijf had gemerkt dat er iets met me aan de hand was.
‘Dat deed pijn,’ zei ik daarom tegen Klaas. ‘Tommy liet een auto op mijn teen vallen, precies met de punt.’ Klaas barstte in lachen uit en riep ‘Goed gedaan, Tommy!’ Daarna ging hij weer over tot de orde van de dag.

Die avond keek ik naar het rode puntje op mijn grote teen. Van pijn was al lang geen sprake meer. Omdat we in de herfst een paar maanden in Nieuw-Zeeland waren, oma en ik, liep ik weer op slippers en sandalen en ook daar ging ik onder de douche. Het rode plekje was intussen verdwenen, maar in plaats daarvan schoof een bruin schijfje vanonder de nagelriem tevoorschijn. Dat schuiven kan je niet zien hoor, dat ging heel langzaam, daar zijn de schijngestalten van de maan een komeet bij (schijngestalte? komeet? nagelriem? Even aan mamma vragen).
In Nieuw-Zeeland vond ik dat prettig. Het was mijn stille herinnering aan jou, daar aan de andere kant van de wereld.
Terug in Nederland gingen sandalen en slippers de kast in en verstopte ik mijn voeten weer in sokken en schoenen. Het aandenken was ook niet meer nodig, want ik zag je weer heel vaak.

De bruine vlek is nu op zijn grootst. Hij beslaat mijn hele nagel. Intussen ook heb ik je nu al bijna twee weken niet gezien, maar ik denk veel aan je. Ik zou niet weten wat opa’s en oma’s anders te doen hebben dan aan hun kleinkinderen denken. Daar hebben ze helemaal geen bruine nagel voor nodig, zou je zeggen. Maar toch, die nagel maakt wel dat ik extra aan je denk als ik hem zie. En ik ben zelfs een beetje blij met deze herinnering.
Begrijp me niet verkeerd, Tommy, dit betekent niet dat als het straks weer zomer wordt en ik weer slippers aan mijn voeten schuif…

Opa Len

29 maart 2020

Vijf jaar later

We rijden naar het kerkhof om een bos bloemen in de vaas te zetten. Het is vandaag precies vijf jaar geleden dat mijn schoonvader overleed. Ook toen viel 29 maart op een zondag, maar kerkelijk zaten we een week verder in de veertigdagentijd. Daardoor gebeurde het dat mijn schoonvader later die week begraven werd op Goede Vrijdag, op de derde april. Daar had hij zelf nooit op gezinspeeld. Dat kon ook niet, want een aantal weken daarvoor hadden we dit overlijden niet zien aankomen. Maar de Goede Vrijdag kwam in zijn verhalen van een jaar eerder regelmatig voor. Hij was geboren op de Goede Vrijdag van 1919. Vijf jaar geleden werd hij dus op die bedenkelijke feestdag begraven.

Die Goede Vrijdag van 1919 viel op 18 april. Schoonvader Jan had wel eens uitgerekend in welke jaren hij zijn verjaardag op Goede Vrijdag had gevierd. Met behulp van mijn mobieltje kon ik hem vervolgens vertellen dat hem dat in 2025 weer zou overkomen. Hij had toen wat bedenkelijk gekeken: 106 was wel heel oud. Maar die keer dat we het erover hadden, op de Goede Vrijdag van 2014 dus, toen hij zijn 95ste verjaardag vierde, sloten we het niet helemaal uit. Er hadden wel grotere gaten tussen Goede Vrijdagen gezeten die op 18 april vielen. Het liep heel anders. Op de Goede Vrijdag van 2014 vierde hij zijn verjaardag en op die van een jaar later werd hij begraven. Vandaag bezochten we zijn graf.

Een paar jaar geleden voegde zijn vrouw zich bij hem en als we de parkeerplaats oprijden, roept ze me al toe: ‘Zo, schone zoon.’ Ik had geen naam, ik heette Schone Zoon. Het was altijd het eerst wat ze zei. Soms was het ´zo´, soms was het ´dag´, maar altijd volgde ´schone zoon.´
Mijn schoonvader hoor ik niet als we naar het graf lopen. Pas als we bij de rij komen van hun graf zie ik hem uit zijn stoel opspringen, zoals die ene keer dat we op bezoek waren en hij me alle artikelen met ruime toelichting overhandigde die hij de afgelopen tijd was tegengekomen en voor me had uitgeknipt omdat de inhoud ervan ´echt iets voor Len´ was.

Meestal gaf mijn schoonmoeder ons koffie of wat dan ook en in de laatste jaren deden we dat zelf. Nu moet ik denken aan die keer dat hij overeind schiet om koffie voor mij te gaan halen als hij merkt dat mijn eerste kopje leeg is.
´Nou, nou, doe niet zo druk,´ zeg ik. ´Drink gewoon je eigen koffie op. Als ik meer wil, kan ik het zelf wel pakken.´
´Nee, nee,´ zegt hij. ´Ik heb twee zoons, twee dochters, twee schoondochters en acht kleinkinderen, maar ik heb nog maar één schoonzoon. Daar moet ik wel een beetje zuinig op zijn.´
´Doe me dan ook nog maar een plak cake.´
Dat deed hij.

Terwijl Mente de bloemen snijdt, maak ik onder een kraantje de vaas schoon.

28 maart 2020

Berenjacht

Om de vuilcontainers voor het restafval in de wijk is twee, drie jaar geleden veel te doen geweest. De bak hier honderd meter vandaan is al een paar maanden stuk. Het begon er mee dat de sensor dat je pasje afleest niet meer werkte en intussen zit de hele trommel vast. Daarom moet ik nu een flink stuk lopen om een zakje restafval kwijt te raken.

Dat gaf me gisteravond het plotselinge genoegen om eens na te gaan hoeveel animo er is om bij te dragen aan de berenjacht. Ik kan je vertellen dat het in de straat hierachter heel slecht gesteld is met de geëtaleerde knuffelberen. Op mijn ongewild langere weg naar een container die mijn zakje vuil wél accepteerde kwam ik er welgeteld twee tegen. Je leest het goed: geen vier, geen drie, maar twee. Daar scheep je kleuters toch mee af!
Er waren ook drie boeddha’s, maar die tellen niet mee, en dat is maar goed ook, want ik houd niet van boeddha’s. Bovendien zaten ze met hun rug naar het raam, afgewend van de wereld en daarmee geven ze precies aan wat ik op boeddha’s tegen heb. Onze lieve Heer zag ik helemaal niet overigens, wel een Maria, ook al met haar rug naar me toe. Van haar viel me dat wat tegen.
Verder waren er drie coronavlaggen en dat deed me nou weer goed. Ze waren zelfgemaakt. Eentje, was een hempje met daarop een hart. Dat was meteen de mooiste.
Maar die beren wilden maar niet vlotten.
Zonder de last van het afvalzakje liep ik terug langs een andere weg. Ik telde nu drie beren. Totdat ik in het deel van de straat kwam waar ik woon. En ik kan je met trots vertellen dat ik even later thuis kwam met een saldo van eenentwintig, waarvan het merendeel dus in het stuk straat waar ik woon. Waarin een straatstuk groot kan zijn! Dat was gisteravond dus. Nu zullen het er wel meer zijn, al was het maar dankzij de Winnie the Pooh die Mente bij ons in het raam heeft gezet.
Als je wilt meedoen, moet je je opgeven via Facebook. Maar dat er nu ook een beer bij ons voor het raam zit, is Mentes verdienste en zij doet niet aan Facebook. Ook niet aan Twitter of Instagram trouwens. Geen denken aan. Ik bewonder dat in haar. Ze verdient navolging. Het gevolg is dat onze beer niet via Facebook geregistreerd is. Hij zit er illegaal. Net als mensen moeten ook beren zonder verblijfsvergunning momenteel zoveel mogelijk binnen blijven.

Zojuist een rondje gefietst. Terwijl ik de wijk uit reed, merkte ik op dat er vaak een paar beren voor het raam zitten of staan. Sommige staan op hun kop. Ook even gekeken of er mensen zo grappig waren geweest om een beer boven voor het raam te zetten. Het aantal etagewoningen of appartementen is te verwaarlozen, dus een beer boven berust op moedwil. Maar goed, dat gebeurt maar weinig. Beren voelen zich het meest thuis bij jonge ouders. Zoveel is wel duidelijk. Bij gezinnen met pubers doet de vlag met hart het beter.
Nog even gekeken naar huizen van ouderen. En jawel, het zijn vooral grootouders die een beertje voor het raam hebben staan of zitten. Dan is het er bijna altijd eentje. Behalve bij Gerrie. Die heeft er zes!
Echt iets voor Gerrie.

27 maart 2020

Rondje stad

De stad ligt er tamelijk verlaten bij. Ze doet me denken aan de zondagen uit de tijd dat we nog aan de singel woonden. Omdat de winkels dan dicht waren, kreeg je op zondag je woonomgeving weer even terug. Ik maakte dan graag, alleen maar vaker met dierbaren groot en klein, een wandeling door de stad waarbij je veel meer dan op andere dagen werd uitgenodigd wat hoger te kijken dan de etalages, maar naar de oude gevels daarboven. Op zondag was de stad op zijn mooist. Vandaag, na de koffie, doe ik de stad op de fiets.
Anders dan toen voel ik me nu een beetje een ramptoerist en dat ben ik liever niet. Het gaat misschien wat ver om jezelf een toerist te noemen als je door je eigen stad rijdt en ook was er niets dat wees op een ramp. Die gesloten winkels, ja, en de a4’tjes met een niet vrolijke mededeling.
Maar het frisse licht en het water van de Oudegracht hadden het goed naar hun zin samen. En de her en de verspreide mensen, zittend op een krukje of een stoel en met in hun hand een mok of een traktatie van de bakker. Het had zomaar een ouderwetse zondag kunnen zijn.

Ik reed ook nog even langs het huis dat we vroeger bewoonden. Een half jaar geleden nog maar vroeg dat plotsklaps luidruchtig om onze belangstelling door te koop te staan. Even kriebelde er iets. Terug naar zo’n heerlijk oud huis, met zijn prachtige uitzicht, de bewerkte plafonds… Maar gelukkig was er al gauw iemand zo verstandig geweest om het pand te kopen, zodat ik er niet meer over hoefde na te denken. Het wordt al weer bewoond, zie ik.

Via een stukje Abstederdijk en het Wilhelminapark, waar het erg rustig was, kwam ik bij de rotonde bij het rosarium. De rotonde om het ronde grasveld waar heel lang de reusachtige beuk stond waar half Utrecht verliefd op was. De beuk die een eigen facebookpagina had. Op 13 februari werd hij gekapt, iets later dan gepland, vanwege de storm en na een groot afscheid.

Maar nu, anderhalve maand later, staat er een zeer forse beuk. Niet alleen de aarden ring om zijn stam maakt duidelijk dat hij hier nog niet zo lang staat, dat blijkt ook uit de kabels die er voor moeten zorgen dat hij ook stevig op zijn plek staat nu zijn wortels hun verdere weg de grond in nog niet helemaal gevonden hebben.

Ik maak een foto. Maar waarvan? Van de plek waar ooit die reusachtige rode beuk stond en nu niet meer of van de nieuwe beuk.

Life goes on, within you and without you. George Harrison.

We fietsen verder.

26 maart 2020

Bril

Nescio had net als ik een vrouw. En deze schreef alles wat Nescio aan het papier toevertrouwde nog eens netjes over. Het kon niet anders of af en toe leverde ze commentaar op Nescio’s schrijfwerk. En dat had weer tot gevolg dat die elders weer wat te mekkeren had op het commentaar van zijn vrouw. Ook dat las zij.
Ik kan me niet herinneren dat ook daarop weer een reactie kwam die werd neergepend om daarna weer gekopieerd te worden, maar het is wel een fraaie monoloog voor twee personen of een dialoog van een, dat weet ik niet.


Ook ik heb een vrouw en ooit heeft zij hele stukken voor mij overgetikt, mijn afstudeerscriptie bijvoorbeeld. Haar chef kwam dan op vrijdagmiddag langs om een ibm-machine af te geven, een elektrisch geval met vervangbare bolkop, waardoor je verschillende lettertypen kon gebruiken, en staand en cursief kon afwisselen. Daar was Mente dan in het weekend weer een tijdje zoet mee. Maandagochtend haalde de chef de machine weer op.
Nu typ ik veel sneller dan zij, maar die winst weegt niet op tegen het aantal vergissingen dat ik pas ontdek als het al te laat is.

Zo’n bolkopgeval is een tijdlang het summum van moderne tekstverwerking geweest, maar ineens was het afgelopen. Sindsdien tik ik mijn teksten zelf.
Alleen kijkt Mente ze de laatste jaren altijd na: ik maak namelijk nog steeds fouten en ik sta daar een paar dagen later pas voor open. En dat is te laat, als je schrijft van de dag voor de dag.
Op die manier is Mente dus mijn eerste lezer. En daar hou ik rekening mee. Nee, er is geen sprake van censuur, Mente moet vooral niet denken dat ik dat ook maar in de verste verten zou durven of willen suggereren, nogmaals nee. Waar ik begin te twijfelen, zegt zij juist dat iets best kan, maar ik zal er nooit over uitweiden hoezeer zij mij verrukken kan en kon en waarom. ‘Doe dat nou maar niet,’ zou ze misschien zeggen. En dat wil ik niet, maar misschien mist ze dat juist een beetje.

Ik wil het hebben over de nieuwe, multifocale bril die zij sinds vandaag draagt en waarmee ze waarschijnlijk nog meer onvolkomenheden ziet. In mijn teksten, maar ook in mijn gezicht. Bij de afwas zal ik minder vaak iets teruggeven met de mededeling dat de bodem niet helemaal schoon is.

Toen we vorige week een nieuwe bril uitzochten, vertelde de opticien dat ze een jaar of vijf geleden al een multifocale bril had gekocht. We wisten het niet meer. Toen ze thuis nog eens ging zoeken, vond ze hem weer.
Ze had het maar niks gevonden, dat multifocusding, terwijl bekeerde multifocalers weten dat het een kwestie is van doorzetten. Dat wil zeggen: vooral op je neus houden dat ding, tot je eraan gewend bent.
De afgelopen anderhalve week droeg zij de ooit afgewezen en vergeten multifocale bril zonder een kik te geven, met als gevolg dat ze de nieuwe, met sterktes die meer recht doen aan wat haar ogen nu nodig hebben, als een verademing ervaart.

Niet lang na die vorige multifocale is er een gewone bril gekomen voor in schouwburg, de tv en bij lange autoritten. De toen op maat gemaakte leesbril werd ooit door een zakkenroller uit het rugzakje gesnaaid, in Portugal. Ook dat waren we vergeten.

Misschien vindt ze het helemaal niet leuk dat ik het over haar heb en zegt ze: ‘Doe dat nou maar niet.’
Ik weet het niet, ik wacht het af. In elk geval kom ik hier niet op terug.

25 maart 2020

Gebak

Via een zijingang drongen wij gisteren het kantoor binnen en via diezelfde zijingang sluisde de notaris ons er drie kwartier later weer uit. Dat was lang genoeg om twee keer twee testamenten te ondertekenen. Twee met het oog op onze nakende dood en twee vanwege de mogelijkheid om voordien nog in coma te geraken dan wel in een wolk van niet weten onnozel fluitend door perkjes met chrysanten te struikelen of uur na uur na uur naar een scherm te staren waarvan niet tot je doordringt of je nu naar André Rieu kijkt of naar een goudvis.
Dat klinkt misschien weinig hoopgevend, maar ook ons vorige testament, uit 1989 hebben we zo ruim overleefd dat het met de ondertekeningen van gisteren vervallen is verklaard. Een testament regel je zoals je een paraplu meeneemt omdat het dan niet gaat regenen. Zoals er onder het zadel van alle twee mijn fietsen een setje bandenplak verborgen zit. Zoals… We zouden nu ergens koffie met gebak genomen hebben om het te vieren, ergens in de stad, op een terrasje. Als het warmer was geweest. Als er stoelen op een terras hadden gestaan. Als er koffie zou worden geserveerd. Als er ergens een horecagelegenheid was geweest met gebak. Als er een tent te vinden zou zijn die open was.

Maar koffie en ook thee hadden we zelf en onze favoriete feestbakker was open. Daarom kwamen we thuis met hazelnootgebak voor Mente, slagroomgebak voor mij en een flinke punt kersenkwarktaart voor de jongste. Die was haar eigen huis ontvlucht om bij ons op zolder als thuiswerker haar klussen te klaren.
Ze was al weg. Wij genoten van onze versnaperingen. Het gebakje van de jongste verdween in de koelkast

tot vanmorgen. De jongste komt niet vandaag. Niet nodig. Daarom snijd ik de kwarktaart in twee stukken. De kers zet ik ongeschonden op het stukje van Mente. Op die manier hebben we koffie met gebak en nu eten we gebak omdat mijn zus vandaag 75 jaar geworden is.

Of ook zij gebak heeft gekregen vraag ik haar aan het eind van de middag door de telefoon. Dat vond ze niet nodig, zegt ze. ‘Het is ook altijd zo’n gedoe. Als je het niet ruim van tevoren bestelt, lactosevrij gebak, krijg je altijd zo’n kouwe klomp uit de diepvries, dus dat doen we maar niet.’
Ik ben de zeventiende die haar belt vandaag, ze houdt het bij, en niet de eerste die over gebak begint. Een vriendin had verontwaardigd op haar geschamper over het gebak gereageerd, want dat kon toch helemaal niet, een verjaardag zonder taartje.
En zo kwam het dat nog geen half uur na het telefoontje van de vriendin de bakker voor de deur stond met een stuk lactosevrij gebak. In stevige staat van bevriezing, dat wel, maar we leven intussen uren later, dus voor vanavond zit een stukje verjaarsgebak er toch nog in. Ze verheugt zich er nu al op.

Nu ik er nog eens over nadenk, realiseer ik me dat ik het stukje dat we voor de jongste kochten, die kersenkwak dus, eigenlijk het lekkerst vond. En dat van vanochtend was ook maar een half gebakje.
Voor je levensonderhoud kun je gerust naar de winkel, dus ik zou morgenochtend ook weer even naar de bakker kunnen rijden. Mente krijgt morgen haar nieuwe bril. Daar moet je aan wennen, maar zoiets zou je ook moeten vieren.

24 maart 2020

Lat

Het valt niet mee om steeds anderhalve meter afstand te houden. Ons bed is éénveertig en dus lagen Mente en ik ernaast, zij rechts van het bed, ik links. Maar ’s nachts bleken we onder het bed door toch weer naar elkaar toe te kruipen, dus daar zijn we maar mee gestopt. We maken voor elkaar een uitzondering op de anderhalvemeterregel. Die telt niet. De kleinkinderen zijn nog even een gevoelig puntje, maar voor het overige zijn we onverbiddelijk.
Toen ik zondag even ging fietsen, bleek dat het onmogelijk was. Of liever: het werd me onmogelijk gemaakt en daarom heb ik korte metten gemaakt. In de schuur vond ik nog een lat van drie meter zestig. Die zestig heb ik eraf gehaald en precies halverwege het lange resterende deel heb ik een streep gezet. Als ik de lat daar horizontaal vasthoud en mijn hand recht voor mijn navel houd, dan heb ik altijd een afstand van anderhalve meter.
De eerste ervaringen binnenshuis vielen me niet mee. Je komt lastig door deuren en ook de trap is een crime, maar binnen heb ik de lat ook helemaal niet nodig. Als ik de poort uitfiets smokkel ik een beetje, ik zeg het maar eerlijk. Maar ook dat geeft niet, want links en rechts zou je met anderhalve meter ruim voorbij een schutting of muurtje komen. Door echter de lat een kwartslag gedraaid te houden is voor en achter wel de gewenste cordon sanitaire gewaarborgd. Vandaar dat ik door de straten fietsend met de lat ben gaan draaien. Daar moet je wel wat handigheid in ontwikkelen en dat gaat ook niet zonder slag of stoot, maar lukt me steeds beter. Ik ben er eigenlijk wel tevreden mee.
Het is jammer dat de lat geen onderscheid maakt tussen passanten en geparkeerde auto’s, daar moet ik zelf wat meer op letten. Maar het zwaaien heeft al een paar keer een verrassend effect gehad. Op links en rechts heb ik steeds beter zicht en voor me gaat ook goed. Sterker nog, ik hoef niet meer te bellen, ik geef gewoon een zwieper met de lat. Dat werkt veel beter, want bellen levert veel vertraging op. Mensen blijven eerst stil staan om te kijken wat er aan de hand is, of ze kijken, als ze op de fiets zitten, om en beginnen dan vervaarlijk te slingeren. Met een lat heb je ze zo op de gewenste afstand.
Maar de grootste verrassing voltrekt zich achter mijn rug. Je houdt het niet voor mogelijk hoeveel mensen zich achter je rug niets aan blijken te trekken van de anderhalvemeterregel. Als het straks allemaal voorbij is met die corona, houd ik die lat erin.

22 maart 2020

Johannes 9

Vanmorgen een paar kerkelijke diensten meegemaakt, via tv en computer. In drie van de vier werd Johannes 9 voorgelezen, het verhaal waarin Jezus een blinde man geneest. Het is een verhaal dat ik op de lagere school ongetwijfeld een paar keer gehoord heb. In gedachten zie ik het meester Van Beek het zo vertellen, zijn armen zwaaiend door de lucht. Hij was de beste verteller onder de juffen en meesters van de lagere school; ik had hem twee jaar achter elkaar.

Nu hadden we toen geen blinden in het dorp die je ergens in een portiek kon zien zitten, en ook geen bedelaars. Nederland zag er keurig aangeharkt uit rond 1960. Gevolg was dat ik me met het grootste gemak solidair kon verklaren met die stumper langs de weg, die wij alleen maar van horen zeggen kenden, uit verhalen van ver in de tijd of de ruimte.
Dat is veranderd. Ze zijn er nu wel. Wensen je goede dag met een krantje dat je niet wilt, bijvoorbeeld, en in de stad zie ik ze nu geknield voor een wegwerpbekertje waar ik iets in zou moeten gooien. Ik voel me er ongemakkelijk bij.

René de Reuver noemt in zijn verhaal daklozen en vluchtelingen en als hij eenmaal aan het verhaal van Jezus en de blinde toe is gekomen, zegt hij: ‘Gezien worden om zelf te kunnen zien’ en ‘Jezus ziet de mens.’ Pas op voor grote woorden, denk ik. Dan zegt hij iets over wat hij noemt de inner circle om Jezus heen. Die kan niet anders dan debatteren, discussiëren, in dit geval over de mogelijke verklaring van het feit dat die man daar zit. Dat is, begrijp ik, altijd een verklaring, waardoor de omstanders hem kunnen laten zitten waar hij zat. De zondebokreflex, bekend bij hoog en laag, ver en dichtbij. Jezus, zegt De Reuver, praat of denkt niet óver de mens, hij ziet hem. En gaat naar hem toe.

Dan zitten we al dicht bij de coronagevallen en bij de mensen die als gevolg van het virus extra kwetsbaar blijken en naar wie we beslist om moeten kijken. ´Laten we lief zijn voor elkaar.´ Op de radio en tv gaat het over niets anders. Corona lijkt wel het nieuwe Top 2000-gevoel op te roepen.

Terug naar De Reuver. Voor hij toe was aan het verhaal over de blinde had hij het onder andere over die vluchtelingen, ook zo´n grote groep over wie we praten, debatteren en discussiëren.
Zou Jezus al naar ze toe gelopen zijn? Blijft hij ook over de muur van corona heen kijken? Misschien. Ik merk het niet. Misschien wel. Misschien wacht hij erop dat wat meer mensen van de inner circle dezelfde kant op komen om te kijken wat ze kunnen doen.
In een andere dienst werd gebeden voor de mensen in Oost-Afrika die nog steeds geteisterd worden door een sprinkhanencatastrofe. O ja, dat is waar ook.

Je kunt niet alles. Ik weet het. Maar het is er wel en het gaat door…
Nu even niet, zou ik tegen de sprinkhanen willen zeggen. Ze luisteren niet.
Nu even vrede, tegen Assad en terroristen. Ook zij luisteren niet.

21 maart 2020

Tom

Vandaag fiets ik een rondje om de Uithof heen, aan de oostkant van de stad. Ik ben niet alleen. Veel fietsers en wandelaars zoeken hun heil in het ruime groen, als ze niet in de achtertuin bezig zijn. Maar dat zal dan niet gelden voor Tom.

Aan Tom denk ik nooit. Nooit. Maar nu, op de fiets, dus wel. Van de week belde ik met Dirk, mijn vriendje vanaf de kleuterschool. We zien elkaar niet vaak maar toch een paar keer per jaar. En nu belden we dus.

‘Wacht even,’ zei Dirk toen ik zei dat ik nu wel weer genoeg van hem wist. ‘Ken jij Anke nog?’
‘Anke Kadijk?’ Die bedoelde hij. Ook zij had bij ons in de klas gezeten. Hij was haar pas geleden tegengekomen, ze hadden wat gepraat en hij had haar uitgenodigd een keertje koffie te komen drinken. Zo is het gegaan. Anke is de tweelingzus van Tom, dus als je Anke spreekt, vraag je natuurlijk wel hoe het met Tom gaat. Dat deed Dirk dus ook.

‘Weet jij nou nog wat voor jongen dat was toen we bij elkaar in de klas zaten?’
Tom was een leuke, zachtaardige jongen. Voordat er bij de vriendschap tussen Dirk en mij geen speld meer tussen te krijgen was en we dus altijd naast elkaar zaten, had ik ook nog wel naast Tom gezeten. In de eerste zat ik naast Dirk, maar in de tweede ook een tijdje naast Tom, bedacht ik.
‘Hoezo?’
‘Tom is volledig van het pad af. Hij komt niet meer buiten. Ook Anke spreekt hem vrijwel nooit. Dat wil hij niet, kan hij niet.’ En dat zou allemaal komen omdat hij vroeger op school zo gepest is. Dat zegt zijn psychiater.
‘Herinner jij je daar iets van?’

Ik kon me er niets bij voorstellen. Volgens mij werd er bij ons in de klas niet gepest. We gaan de potentiële pestkoppen in de klas langs, maar komen steeds bij jongens van hogere klassen uit. Maar dat iemand het op Tom voorzien zou hebben? En tot de potentiële pispalen hoorde hij ook niet. Ik kan alleen maar bedenken dat ook de drie jongens die daarvoor in aanmerking zouden kunnen komen ook nergens last van hadden. Wat hebben Dirk en Lennie op hun achtste gemist? Schiet ons zestig jaar na dato nog iets te binnen?

Daar moet ik aan denken tijdens mijn tochtje langs Rhijnauwen. Weer in de stad pak ik een stukje Wilhelminapark. Een jonge vrouw heeft een koord tussen twee bomen gespannen en daar loopt ze voorzichtig overheen. Twee meter verderop staat een man, zijn armen als de armen van een vorkheftruck gebogen. Er ligt een andere man op, alsof hij een plank is. Gisteren heb ik een zak speelzand gehaald voor de zandbak. 25 kilo. Ik vond het nog een hele sjouw. En hier stond een kerel met een andere man in zijn armen en hij gaf geen krimp.
Nee, ze hielden zich niet aan de code van anderhalve meter afstand. Ik heb er niets van gezegd.

Toen ik verder reed, het park uit, de Ramstraat in, dacht ik weer aan Tom. Het zit me niet lekker.
Zojuist heb ik mijn fotoalbum uit die tijd tevoorschijn getrokken. Er zijn twee klassenfoto’s, eentje uit klas 1 en eentje uit de zesde. Op de eerste is Tom de vrolijkste jongen. Zijn lach spat van zijn gezicht. Op de laatste kijkt iedereen nogal ernstig. Van Tom zou ik wel zeggen dat hij met enige ironie in de lens lijkt te blikken.

20 maart 2020

Geweten

Het begon met het appje waarin ik werd uitgenodigd om vooral van harte mee te klappen voor zorgend Nederland. Dat niet alleen: ik moest deze uitnodiging ook doorsturen naar drie anderen. Op die manier zou ons medeleven, onze morele ondersteuning zich als een virus over het land verspreiden en overal de kop op steken. Nu was ik nog wel bereid om mee te klappen, al krijg ik het wel moeilijk als ik dat op commando moet doen, en dan ook al zo vroeg, maar vooruit. Als het zo uitkwam, wilde ik nog wel naar buiten lopen om met handgeklap het mijne bij te dragen.
Van het verzoek om het bericht vooral ook door te sturen, krijg ik pukkeltjes.

En last van mijn geweten, juist vanwege die pukkeltjes en dat onontkoombare, schelle stemmetje dat nee, nee, nee en nog eens nee roept. Ik luister naar dat stemmetje. Maar daarmee ben ik een spelbreker en doe ik geen recht aan het goede in de mens. Verpruts ik hun pret. Dat spijt me dan. Ik doe niet mee, trek me met een verzwaard en bezwaard geweten terug in een hoekje, beken daar in stilte schuld en besef dat ik een flauwe vent ben. Ik heb geen gehoor gegeven aan de oproep, heb die niet doorgestuurd en besef nu pas dat ik gisteren of eergisteren niemand in de straat heb horen klappen. Blijkbaar allemaal benepen oorwurmen van mijn kaliber.

Dinsdagavond kreeg ik een mailtje waarin ik werd uitgenodigd om een mij aangenaam gedicht te sturen naar de afzender en naar nog een in het mailtje vermelde naam. Nu was dit mailtje afkomstig van iemand die ik niet alleen graag mag, maar die ik om zijn poëtische gaven ook zeer bewonder. Ik ervoer het daarom als een eer dat hij me met dit bericht verraste. Wel moest ik het bericht enigszins aanpassen: mijn naam als afzender in het mailtje zetten op de plaats waar nu de zijne stond en die van hem een plaatsje omhoog schuiven, naar de plaats waar eerder een andere naam stond. Die viel af, met een, mag ik hopen, rijke buit.

Ik heb veel met poëzie en heel veel over voor de verspreiding ervan. Daarom begon ik een lijstje te maken van andere poëzieadepten in mijn omgeving. Al vrij snel had ik twintig namen op een blaadje.
Toen begonnen de puistjes weer op te spelen. Daarom liet ik het blaadje nog maar een dag op mijn bureau liggen. Gistermiddag keek ik ernaar. Wat zou ik doen? Ging er een mailtje met een nee naar de afzender of ging ik om de verspreiding van de dichtkunst te dienen viraal met een ander mailtje?

Het werd mij heel makkelijk gemaakt, want op dat moment kwam het dichterlijke verzoek opnieuw binnen, van een andere, ook al dierbare afzender. Ik heb beiden verteld dat ik afzag van deelname, als zwakste schakel in de ketting van hun lyrische verwachtingen. De mailtjes waren nog niet weg toen nummer drie binnenkwam en toen ik die antwoord gaf, kwam nummer vier.
Ik zit nu op zes. Zo langzamerhand krijg ik het gevoel dat ik voor poëzieminnaars in mijn eentje de andere twintig lezers van gedichten van Nederland ben.

Vandaag kwam er weer een verzoek, nu moest er iets via Facebook op gang gebracht worden.

Het zijn allemaal neveneffecten van het coronavirus. Wie de besmetting door dat virus goed doorstaat, is immuun. Als het om de digitale neveneffecten gaat, kom ik er goed van af: mijn geweten speelt niet meer op.

19 maart 2020

Vader Vellekoop

De vader van Peter was een grote, rustige, om niet te zeggen, slome man, met waterige ogen en dooraderde neus die vroeg om verdenkingen. Maar bovenal was hij aardig, hij kon me lang bezighouden met allerlei raadseltjes en hij had gevoel voor humor.
Mijn vriendje verhuisde op zijn zesde naar Honselersdijk. Daar werd zijn vader directeur van het nieuw gebouwde postkantoor.

Nieuwe klasgenootjes daar voerden Peter naar de padvinderij in Naaldwijk en de spectaculaire leugens die hij daarover wist te vertellen maakten me nieuwsgierig. Zo kwam ook ik bij de welpjes van de Rambonnetgroep te Naaldwijk.
We padvinderden op zaterdagmiddag van half twee tot drie uur of half vier. Daarna fietste ik met Peter mee naar Honselersdijk om daar nog wat te spelen.
De familie woonde boven het postkantoor, op de hoek van de oude Dijkstraat en een Groenelaan die nog goeddeels gebouwd werd. Achter het postkantoor stond nog een bouwvallig rijtje huisjes dat binnenkort gesloopt zou worden. Dan kon ook daar een ordentelijk doorzonblok komen.

Peter en ik besloten om alvast maar met de sloop te beginnen. Halve bakstenen waren er genoeg en anders gooiden we een hele in stukken. Die hadden we nodig om de ruiten in te gooien die nog niet kapot waren, of om het laatste glas uit de sponningen te keilen. Leuk werk, prettig geluid.

We waren al een tijdje succesvol bezig toen er een man aangewaggeld kwam, dronken. Hij trok de steen uit Peters handen en begon daarmee dreigend te zwaaien. Hoe of we het in onze hasses haalden om de boel kapot te gooien. Dit was een zaak van de politie. Of nee, hij zou ons wel eens laten voelen wat hij allemaal kon met de steen die hij in zijn handen had.

Op dat moment kwam Peters vader eraan. Hij was opvallend kalm en deed of hij niet begreep wat hier aan de hand was. Weer kwamen heel overtuigend die hasses erbij en dat de politie moest komen en hij zou ons wel. Peters vader gaf hem gelijk. Alleen op het punt van het aftuigen, had hij liever dat we dat maar aan de politie zouden over laten. Hij zelf zou er maar last mee krijgen. ‘Maar als u mij nou die steen geeft, dan maak ik daar een mooi pakketje van, ik schrijf er een brief bij en dan stuur ik het hele boeltje naar de politie. Touwtje erom, postzegels erop. En reken maar dat ze die jongens dan zullen pakken, want toevallig weet ik wie die knullen zijn en dat schrijf ik ook in die brief. Met hun adressen erbij. Dat komt wel goed.’ Hij zei het langzaam, rustig.

Wat die man nu precies van dit verhaal van vader Vellekoop heeft gedacht, weet ik niet, maar wel gaf hij de steen af en sjokte hij weer weg. ‘Nog bedankt, hoor, meneer,’ riep Peters vader. Tegen ons zei hij dat we dit maar niet meer moesten doen. ‘Kom maar mee naar binnen.’
Daar moesten we het verhaal vertellen aan moeder Vellekoop. Ik zag dat zijn vader zat te lachen, stilletjes, dat wel, maar hij deed niet zijn best om het te verbergen.

17 maart 2020

Geerbron

Als tiener heb ik me wel afgevraagd waarom ik geboren werd in wat misschien wel het lelijkste dorp van Nederland was. Of liever: misschien was Monster het meest onttakelde dorp, want er waren plekken die getuigden van smaakvoller inzicht, ooit. Allereerst was er de monumentale toren, en de zeldzame keren dat ik de grote kerk van binnen zag, vroeg ik me af waarom ik niet hervormd was in plaats van gereformeerd. Daar stond jammer genoeg de verpaupering van de Vlotlaan weer tegenover, terwijl dat volgens oude ansichtkaarten een lommerrijke laan geweest moet zijn, met bomen links en rechts. En dan het gemeentehuis, zoals dat pal tegen de kerk was gebouwd! Of het prachtige Kerkplein waar oude geveltjes werden weggebroken, net als aan het begin van de Molenstraat.

In de Herenstraat zou ooit een prachtige hofstede te vinden zijn geweest, weliswaar niet zo fraai als het buiten van Frederik Hendrik in Honselersdijk. Dat moet adembenemend zijn geweest, en ook dat was naar de gallemiezen geholpen. Blijkbaar konden ze er in het hele Westland wel wat van, maar toch...
Het verdwenen buiten in Monster heette Geerbron.

Het boekenweekgeschenk van dit jaar werd geschreven door Annejet van der Zijl. Het was me een beetje ontgaan, maar ik wilde het wel hebben. Ik heb het ondertussen in een ruk uitgelezen, het verhaal over de romantische, verboden liefde tussen Leon Herckenrath en de Amerikaanse slavin Juliette MacCormick de Magnan, een liefde die geconsumeerd werd in Charleston en Monster, op landgoed Geerbron. In Monster zijn hun kisten nog te zien, in een grafkelder achter de Rijnweg. Ik ben er wel eens geweest met mijn broer. Het graf ligt zo ongeveer in de achtertuin van de plek waar ooit mijn moeder werd geboren. Ook dat heb ik me nooit zo gerealiseerd.

Zoals nu pas tot me doordringt dat de grote verwaarloosde lap grond waar ik met Peter speelde, deel was geweest van Geerbron. Dat was van mijn vierde tot mijn zevende, toen Peter naar Honselersdijk verhuisde. De grond lag achter het huis van mijn vriendje. Er waren resten van vroeger gebruik, maar er kwam niemand in deze verlaten, door de achterkanten van huizen en bedrijven omsloten woestenij.

Wij waren geïnteresseerd in insecten. Met een potje en wat lege luciferdoosjes klommen we over een muurtje en zo kwamen we bij ons veldje. Krekels, oorwurmen, lieveheersbeestjes, kevertjes, nachtvlindertjes, rupsen, stront- en ander vliegen. Alles wat ademde, ging in een doosje of in de pot. Er ging altijd wat groen bij.

Ook op dit stukje Monster kijk ik met gemengde gevoelens terug, al was het een paradijsje. Toen ik een keer bij Peter logeerde, zijn we ’s morgens vroeg met een potje zout het veld opgegaan en dat strooiden we op slakken. Die begonnen daarvan te schuimen. Er bleef alleen wat diffuse slijm over. Het hele proces zag er spectaculair uit, maar dat het niet goed was wat we deden, voelden we aan ons water. We hebben het nooit aan iemand verteld. We schaamden ons ervoor. De zachtaardige Peter misschien nog wel meer dan ik en ik schaam me eigenlijk nog steeds. Iemand van zeven is niet gek; bovendien was Peter toen pas zes, of waren we zes en vijf.

Maar dit gebied was dus, begrijp ik nu, ooit de tuin waar Leon als kind speelde en waar hij na zijn hun Amerikaanse jaren met Juliette en hun grote kinderschaar vertier zocht.

Honderdvijftig jaar later speelde ik er, een paar jaar, want toen verhuisde Peter als gezegd naar Honselersdijk. Ook daar, bedenk ik nu , hebben we ons misdragen.

16 maart 2020

Verwijtbaar gedrag

Na dit stukje zal ik doorgeven dat de Kamer 23-editie die gepland stond voor 5 april, wordt uitgesteld. Tot nader order. Alweer iets om weg te saneren. Vanmorgen ook al ons verblijf in Zutphen geannuleerd.
Wij kunnen niet zo goed omgaan met de maatregelen rond het coronavirus. Zo hadden we vandaag de hele dag drie kleinkinderen in huis en men vond dat maar vreemd: we moesten dat vooral niet doen als grootouders. Wel denk ik nog steeds dat we ons maar niet al te veel moeten beschermen tegen deze griepgolf omdat we toch wel aan de beurt komen en waarom zou je de ellende zo rekken en heel zzp’end Nederland ook nog even financieel aan de grond helpen? Maar aan dat onderbuikgevoel begin ik steeds meer te twijfelen.
Van mijn irritatie van anderhalve week geleden is niets over. Toen ergerde ik me aan de idiote knieval van overheidswege door mariniers hun zin te geven en ze nog verder het bos in te laten trekken in plaats van ze naar zee te verplaatsen. Diep in mijn hart wist ik toen al dat ook dit maar een pinda was/is als je denkt aan nog belangrijker nieuws, nieuws dat nu helemaal van het scherm verdween.
Hoe gaat het met Syrië en met de vluchtelingen die er veel voor over hebben het rijk van corona in te mogen? De cynische manier waarop wereldleiders van de hele wereld de ellende van dat rijk laten voortduren, leek een dusdanig hoogtepunt te bereiken dat ik meende dat nu niemand, ook de Navo, ook Nederland niet, nog langer schaapachtig hoofdschuddend en schokschouderend aan de kant kon blijven staan. Nu was het de tijd voor het morele uur u, ‘nu zou het beginnen, nu was het voor alles te laat.’
Het coronavirus is de makkelijke duivel van de wereld, de tegenstander die mensen lijkt te verenigen, maar we zijn blind gemaakt voor de splijtzwam die al jaren zorgt voor een veelvoud aan dodelijke slachtoffers, die nog generaties blijft zorgen voor een wond die niet dicht wil.
De laatste dagen duikt de term verwijtbaar gedrag nogal eens op in gesprekken. Steeds in verband met het coronavirus. Achter de horizon verdwijnt ons zicht op een zaak waarbij ons veel meer te verwijten valt als we niet wat moediger worden.

15 maart 2020

Canon In D Major

Op Radio 4 speelt het Sander Speelt Kamerorkest. Dat is een verzameling musici die voor de uitzending van vandaag thuis hun bijdrage op hun eigen instrument inspeelden of die inzongen en naar omroeper Sander Zwiep stuurden. Hij maakte er een geheel van. De melodie van Pachelbel ontroert me.

Toen mijn kinderen als basisschoolleerlingen in het schoolorkest zaten –in de vorige eeuw –, speelden zij die ook, op blokfluit, marimba of trompet. De Canon in D groot leent zich voor uitvoeringen op zeer uitlopende niveaus. In het geval van radio 4 gaat het om professionele musici en dat kun je horen ook. Maar er komt veel kunst- en vliegwerk bij kijken om er in de omstandigheden waarin Sander Zwiep dat deed een fraai geheel van te maken. Dat is hem goed gelukt. Volmaakt is het resultaat misschien niet, maar fraai dus wel. Je hoort de provisorische omstandigheden terug waarin we terecht zijn gekomen. En de uitvoering voert mij terug naar mijn toeterende Sam en mijn blokfluitende Jaap en ook de kleine meid op haar blokfluit. En ik zie die kinderen in het nu van 15 maart 2020.

Vanmiddag zaten we namelijk in het restaurant van Jaap. Daar namen we een afzakkertje, na met de kleinkinderen bij Soest een kabouterpad gelopen te hebben. Aan een tafeltje vlak bij ons zaten vrienden van Jaap, van wie ik er nog eentje ken van het orkest van de basisschool. Zij runnen een huiswerkinstituut, doen dat in de school aan de rand van de wijk waar ik woon, de school ook waaraan ik nu nog het grootste deel van mijn pensioen te danken heb. Ik zit goed.

Maar het restaurant gaat dicht en de jonge vaders van het huiswerkinstituut kunnen morgen misschien hun gebouw niet in, zoals de mensen die meededen aan het project van Sander Zwiep de komende weken niet op een podium staan. Dertigers, veertigers voor wie het in meer dan één opzicht bijzonder spannend wordt in de periode die nu aanbreekt.

Het lukt me niet om het stuk van Pachelbel nog een keer af te spelen, waarschijnlijk omdat de uitzending nu wordt uitgezonden. Of ik ben er te onhandig voor, dat kan ook. Straks probeer ik het nog een keer en dan zal ik weer goed luisteren. Ook zal ik applaudisseren, voor de muziek, voor musici. Maar ook voor de blokfluiters die zich bij de canon voegen; dat zijn de mensen die op hun manier het leven mooier willen kleuren, met extra hulp bij wiskunde of economie, met een bijzonder pilsje bij een met veel inventiviteit en aandacht bereide maaltijd. Meer kan ik niet doen.

14 maart 2020

Uitrit

We zouden met zijn dertienen bij elkaar gezeten hebben, de leden van de Conrectorenclub. Coronaal en ander medisch ongemak zorgt ervoor dat ik nu alleen in de kamer ben.
Aan de overkant komt overbuurman Hendrik langs zijn huis gelopen. Hij heeft een roze schepje in zijn hand en een plastic kiepwagen, gele chassis en bak die ook al roze is. Hij zet beide neer vooraan zijn uitrit. Er zit zand in de kiepwagen. Wat moet die grote kerel met het speelgoed van zijn kinderen en Zou hij me al gezien hebben en me zometeen uitnodigen om te komen spelen?

Hij loopt weer naar achteren. Langs de auto die op de uitrit geparkeerd staat kan ik een beetje in zijn tuin kijken. Daar zie ik dat het ook al roze deksel van de zandbak overeind staat. Hij schept met een kleiner schepje zand in een emmertje en komt daarmee weer naar voren. In zijn andere hand een harkje, jawel, roze, en een kloeke vervaarlijke, want grotemensen-, schroevendraaier. Ik wil zwaaien, want hij mag best weten dat ik al klaar sta, maar hij ziet me niet. Kijkt ook mijn kant niet op.

Met de schroevendraaier wipt hij een grindtegel op, dat is er al gauw eentje van veertig bij zestig. Nu dringt de ernst van de hele onderneming pas tot me door. De overburen hebben last van een wippende tegel. Met een fiets kun je daar nog wel omheen laveren, maar met de auto lukt dat natuurlijk niet.

Hun oudste kind is een meisje. Dat zou kunnen verklaren waarom de zandbakattributen en de zankbak zelf roze zijn. Blijkbaar heeft kind twee, een jongetje, daar geen moeite mee. Dat bedenk ik terwijl hij zand stort, gladstrijkt en met het harkje een beetje los maakt.

Aan onze kant, twee huizen verder, ligt ook een vervelend wippende stoeptegel. Precies waar de stoep even een stuk smaller is vanwege een boom. Ik heb er al eens naar gekeken, maar aan het wippen daar valt niets te doen. Dat komt door een wortel van die boom. Je zou met een zaag of slijptol aan de gang moeten. En dat voert me te ver.

Daar heeft Hendrik geen last van. Maar zonder wortels is het egaliseren al moeilijk genoeg. Als hij de tegel heeft teruggelegd, blijkt die nog te wippen. Ik zie het als hij erop gaat staan. Daarom komt Hendrik even later met een tweede emmertje zand en begint alles weer opnieuw.

Dan komt Suze van drie huizen verderop langs. Ze blijft staan. Eerst wijst nu eens de een en dan weer de ander naar de onbetegelde plek van de uitrit, maar als ze niet meer omlaag kijken, begrijp ik dat het waarschijnlijk intussen over iets ander gaat. Dat moet het coronavirus zijn. Dat gesprek kan nog heel lang duren. Ik geef het op.
Wel vraag ik me nog even af waarom er geen van de twee kinderen naar buiten is gerend om in het zandbakje te gaan spelen op de oprit, maar dan draai ik me om en richt me op de afwezige leden van de Conrectorenclub. Als die nu in de kamer hadden gezeten, zoals we een paar dagen geleden nog dachten, wie zou er dan nu aan het woord zijn geweest?

Waarschijnlijk zouden we aan de lunch gezeten hebben, met hartige taart onder andere en met de linzensoep waar Annelies het patent op heeft.

13 maart 2020

Proeverij

Via de mannelijke lijn van mijn stamboom stroomt er nogal wat alcohol door mijn lijf. Toen ik heel lang geleden een keer op Flakkee was, wist men mij daar, honderd jaar na dato, van mijn grootvader te vertellen dat hij als jongeman zijn verdriet om het verlies van zijn verloofde (die dus niet mijn grootmoeder zou worden) probeerde te smoren in liters jenever. Later schijnt dat allemaal goed gekomen te zijn. Hoe het zijn kinderen verging, weet ik niet zo goed, al heb ik wel wat ideeën daarover. Alleen van de jongste zoon van deze opa weet ik het, want dat was mijn vader. Die kon er maar moeilijk van af blijven.
Volgt mijn eigen generatie: mijn broers hebben zich jaren lang gevoed en gelaafd met alcohol, is het niet als grootgebruikers, zoals een paar van hun voorouders, dan is het door te voorzien in de behoefte aan drank van anderen.

Zelf heb ik dat minder, sterker nog, ik heb een lichte aversie tegen gebruikers van veel alcohol. Dat neemt niet weg dat mijn twee zoons op hun beurt diep in de drank gedoken zijn. Als kenners van bieren, whisky, champagne en wijnen, in die volgorde. Ook zij zijn gelukkig geen grootgebruikers, maar ze verdienen hun geld wel aan de drank, de een nog wat meer dan de ander.
Jaap, de jongste zoon, begon zijn bierproeverij vanavond met een rondje waarbij ieder een memorabele herinnering aan het drinken van bier moest oplepelen. Een paar keer kwam het averechts effect van een biertje tijdens een fietstocht voor. Dus mijn anekdote daarover kon ik achterwege laten.

Ik kon ook vertellen hoe ik als tiener twee keer een café binnen stapte en werd herkend als de zoon van mijn vader. Nu lijk ik in de verste verte niet op hem, toen al helemaal niet. In beide gevallen had mijn vader een keertje fotootjes van zijn kinderen laten zien. Ik schaamde me ervoor en ben die tenten nooit meer in geweest.
‘En nu kent iedereen mijn zoons van de kroeg,’ had ik tot slot kunnen zeggen, als ik deze herinnering wél had opgelepeld.

In plaats daarvan vertelde ik hoe ik de ochtend na de verjaardag van mijn vader of moeder in de schuur de summiere restjes (meestal druppels) die in de bierflesjes waren achtergebleven in één fles bij elkaar goot om vervolgens het daarin verzamelde pils op te drinken. Meer dan één slok zou het niet geworden zijn, maar zelfs dat werd het niet. Toen ik het flesje aan mijn mond zette, proefde ik niet alleen de bittere smaak van verschaald bier, maar voelde ik ook gekriebel op mijn tong. Ik spuugde de boel uit op mijn hand en zag hoe daar een oorwurm overheen kroop.
Bier smaakt naar oorwurm, wist ik toen. Omgekeerd dus ook.
Dat vertelde ik wel.

Overigens vond deze proeverij plaats in de kerk en de opbrengst was bedoeld om de renners te sponsoren die namens onze kerk in juni mee gaan doen aan de Alpe D’HuZes. Ik heb zes biertjes geproefd, telkens twee, drie slokken. Dat brengt me op een totaal van één, hooguit anderhalf flesje. Daarvoor betaalde ik dan wel een bedrag waar je flink dronken van kunt worden. Nu bracht ik het er vanaf met veel smaak en een helder hoofd.

‘Welke vond je het lekkerst?’ wilde Mente weten.
Dat waren er drie. Drie variaties op een oorwurm.

12 maart 2020

Om niets

‘Ondanks mijn jaarlijkse prik pik ik van elk griepje iets mee.’
Ik zeg het al jaren wanneer het zo uitkomt en mensen zich erover verbazen dat ik wat kwakkel, terwijl ik dat anderhalve maand geleden toch ook al deed. Griep is vaak niet meer dan een verkoudheid.
Op het ogenblik gaat het goed, maar die druk in mijn hoofd en op mijn oren? Dat niezen steeds?

‘Ondanks mijn jaarlijkse prik pik ik van elk griepje iets mee.’
Ik heb het lef niet om het nu te zeggen. Gisteravond zaten we even bij elkaar om te besluiten de kerkdienst van aanstaande zondag niet door te laten gaan. Ik moest niezen. Er werd lacherig naar me gekeken. Iemand schoof zijn stoel bij me vandaan. Een grapje natuurlijk.
Maar ik weet niet meer wat grappig is en wat niet.

Ik maak me druk en het is allemaal voor niets. De jaarlijkse terugkomdag van de conrectorenclub zou morgen bij mij thuis zijn. Allemaal mailtjes en telefoontjes over en weer voor iets dat niet doorgaat.
En dan het avondmaal van komende zondag. Gaat het door? Ja? Doen we cupjes of laten we matses in een beker dopen, handschoentjes voor ambtsdragers, een kring, rondlopen? Iemand vindt dit en een ander dat en tenslotte gebeurt er niets, helemaal niets.

Het concert van zaterdagavond gaat niet door. Het concertje bij Gist zondagmiddag waarschijnlijk ook niet. De boekpresentatie van Koos niet. En zo verder.

Zouden de collectanten voor Amnesty die nog moeten beginnen nog wel op pad gaan?

In Syrië gaat alles ondanks het coronavirus gewoon door. Maar daar horen we nu even niets van, juist op het moment dat de wereld eens een vuist zou moeten maken.

11 maart 2020

Fungus

Mente vraagt op welk nummer ze wonen.
Ik kom terug van het collecteren en vertel wat mij daarbij aan nieuws werd toevertrouwd. Zij pikt er een nieuwtje uit.
Ik weet geen nummer, maar grijp mijn mobieltje en toets een achternaam in en de naam van onze straat: ‘schimmel en ‘ritzema boslaan’. Ogenblik springt mijn eigen adres tevoorschijn. Dat is merkwaardig, vooral ook omdat er een bron achter zit uit 1948. Het gaat om Fungus. Dat is het ‘Officieel Orgaan van de Nederlandse Mycologische Vereniging.’ Bestuurslid en ook bibliothecaris van deze vereniging is Prof Dr O F Uffelie. De O staat voor Otto en achter de F verbergt zich Frederik. Deze Otto Frederik werd geboren in december 1906 in Leeuwarden en hij studeerde en promoveerde in Groningen om een half jaar later al hoogleraar te worden in Utrecht. Dat was hij van juni 1946 tot 1 januari 1977, ruim dertig jaar. Hij was toen zeventig.

Rond zijn benoeming kwam hij dus terecht in het huis dat ik nu bewoon. Heel lang is hij er niet gebleven, een jaar of vier. In 1949 staat in de Fungus als zijn adres Lessinglaan 88. De huizen aan de Lessinglaan waren nog wat moderner dan die in Tuindorp, waarschijnlijk ook iets ruimer en toen was het ongetwijfeld heel aantrekkelijk aan de brede laan te wonen die de Lessinglaan toen was, met zijn fraaie middenberm. Nu is het daar wel erg druk geworden. Het huis aan de Ritzema Boslaan was toen nog een huurhuis, want wij zijn de eerste bewoners die het huis in eigendom hebben. Misschien wil O F U graag een eigen huis en zou hij in Tuindorp gebleven zijn als hij dit pand had kunnen kopen. Het luidruchtige apparaat van de schoenmaker hiernaast, kan ook een reden zijn geweest. Die is al heel lang weg.

Hij overleed in 1992, dus ik had hem nog eens kunnen vragen of hij het leuk zou vinden om zijn vroegere woning nog eens te zien. Ik veronderstel dat de kamer waarin ik dit stukje tik zijn slaapkamer was: mijn computer bevindt zich namelijk op de hoogte van een vroegere wastafel die ik hoogstpersoonlijk sloopte, vlak voor wij dit huis betrokken. Als hij al een eigen studeerkamer had, dan moet dat onze huidige slaapkamer zijn geweest. Die hebben in dat geval stuivertje gewisseld.
Beneden zou hij als studieruimte het kleine voorkamertje hebben kunnen gebruiken dat er toen nog was. De zolder lijkt me hoogst onwaarschijnlijk. Dat is was niet meer dan een provisorisch vertimmerd hok om kinderen en overtollig huisraad te dumpen.

Ik vind nergens iets over vrouw en kinderen, wel zie ik dat hij hoogleraar was in Galenische farmacie met inbegrip van de pharmacognosie en receptuur. En als je dus op je zoekmachine schimmel intypt, heb ik gemerkt, heb je kans dat je hem tegenkomt, maar korstmos of mycologie werkt waarschijnlijk ook.

10 maart 2020

Amnesty 3

Amnesty houdt zich wat meer bezig met sociaal recht. Of ik daar wat meer van weet…
‘Meneer, ik ben maar een eenvoudige geldophaler. Ik kan er geen zinnig woord over zeggen,’ beken ik schaamtevol. De man is een beetje teleurgesteld, zie ik aan zijn gezicht, maar niet lang, want dan draait hij zich om om toch wat geld op te zoeken voor in de bus. Ook hij geeft maandelijks al een bedrag aan Amnesty, maar hij wil niet dat ik voor niks heb aangebeld.

Dat verhaal hoor ik vaker. Er wonen blijkbaar veel donateurs van Amnesty International in deze straat. Vier van de vijf mensen die me vertellen dat zij al maandelijks doneren, stoppen desondanks iets in de bus, nummer vijf vindt de maandelijkse gift wel genoeg.

Intussen hebben nu twee mensen betaald via de QR-code van Ideal. Dat is niet veel, maar het is een begin. In zes gevallen heb ik de procedure uitgelegd. Vandaag gingen twee mensen daarna met succes toch nog maar eens op zoek naar kleingeld. Twee anderen waren zeer tevreden met het digitale gemak dat ik ze kon bieden. Zelf bleek ik het lastig te vinden om mensen die zeggen helaas geen klein geld in huis te hebben erop te wijzen dat ze dus ook met hun mobieltje bij me terecht kunnen. Je voelt soms aan je water dat ze helemaal niet willen geven. Ik denk trouwens dat over een jaar die betaalmogelijkheid gewoner zal zijn. Dan zullen deze weigeraars met iets anders moeten komen. Ik ben benieuwd.

Regelmatig moeten kinderen uit een gezin inspringen om de bus gevuld te krijgen. Dan worden er spaarpotten bijgehaald. Nu maar hopen dat ze hun geld weer terugkrijgen van paps of mams.

Ook mocht ik de allerjongste jeugd weer onderwijzen. Sommige kinderen wilden weten waar het geld voor was. Daar kan ik gelukkig meer over zeggen dan over sociaal recht. Tot twee keer toe droegen moeders bij aan het onderricht bij de deur door over onderdrukte vrouwen te spreken. Ook kwamen in de verhalen ooms langs die samenleefden met een andere oom, en tantes met tantes. De kerstman was er ook, want dat had een jongetje in een film gezien: dat er allemaal mannen op een bankje zaten in de gevangenis en dat toen de kerstman kwam om ze te bevrijden.

Sommige mensen hebben net als wij een geldpotje bij de deur staan waaruit ze hun giften opdiepen. Iemand gebruikte daarvoor een collectebusje van de VU. Jeugdsentiment.

Ik denk dat ik maar eens op zoek ga naar een wijwaterbakje voor naast de deur. Dat lijkt me ook wel handig en leuk.

09 maart 2020

Amnesty 2

De oppasopa werd nat vandaag, maar de collectant voor Amnesty bleef droog. Ik kan me voorstellen dat een regenbui goed is voor de opbrengst. Zoals ik ook bedacht dat het goed kan zijn om een kleinkind mee te nemen langs de deuren.

In een toenemend aantal gevallen heeft het een noch het ander zin, want tip 7 vertelt me dat ik niet moet aanbellen bij mensen met een sticker op de deur die aangeeft dat zij collectes niet op prijs stellen. En die stickers zie ik dit jaar vaker dan de vorige keer. In het blokje van zes dat ik bewoon, zijn er vier deuren met zo’n sticker. Drie huizen verder vertelde de buurvrouw me dat ze niks over had voor Amnesty maar wel voor mij, dus dat kwam goed. Die stickers besparen je wel de ontmoeting met mensen die niet willen geven. Daarbij wordt in alle gevallen het woord sorry gebruikt. Alsof het ze zou spijten dat ze niet willen geven. De gezichten van de weigeraars kennen twee standen: het een gaat mee in de verontschuldiging en het ander laat zien dat het geen krimp wil geven.

Prettig is de tegenhanger van de nee-sticker. In dat geval wordt colporteurs en evangelisten verteld niet aan te bellen, maar voor collectanten lees ik een uitdrukkelijk JA. Daar ben je welkom. Een andere fraaie ontwikkeling is dat er meer papiergeld in de bus komt. De biljetjes van vijf blijven wel hangen in de gleuf, maar dan gebruik ik mijn multifunctionele legitimatiepasje om het geld verder de bus in te duwen. De derde functie van het pasje is nog niet geëffectueerd. Daarop staat dit jaar ook een QR code die digitale betaling mogelijk maakt. Eén keer had iemand geen bank-app op zijn mobiel, in een tweede geval zei iemand dat hij het meteen ging doen. Hij deed de deur dicht en kwam niet meer terug. Niet goed begrepen, blijkbaar.

Wat ik aanvankelijk ook wel deed als een briefje van vijf bleef hangen: in de gleuf blazen. Maar vanwege corona zal ik dat niet meer doen. Stel dat er bij het blazen een druppel speeksel op de bus komt dat viraal blijkt te zijn, dan gaat binnenkort de mare dat in Utrecht de verspreiding van het coronavirus een vlucht heeft genomen door een collectant van Amnesty. Ik moet er niet aan denken. Blazen doen we dus niet meer. En ook kus ik niet spontaan als er een deur open gaat, en ik schud geen hand en ook geen bus (dat is zo ordinair). Ik houd me strikt aan tip 4: ‘Het is aan te raden om een stapje terug te zetten nadat je hebt aangebeld. Dit voorkomt dat mensen het gevoel krijgen dat je je aan hun opdringt.’ Dat staat er. Dat ‘hun’ moet ‘hen’ zijn. Die stap terug is intussen ook een hygiënische geste geworden.

Maar hebben de gulle gevers hun handen wel gewassen voor ze het geld in de bus stopten? En moeten ze dat niet ook naderhand doen? Moet ik ze dat niet adviseren? Het staat niet in de tips.

08 maart 2020

Amnesty

De eerste van de ‘acht tips voor een goed resultaat’ luidt, zo lees ik: ‘Zorg ervoor dat je legitimatiebewijs goed zichtbaar is. Dat wekt vertrouwen.’

Dat laatste probeert duidelijk te maken waarom dat legitimatiebewijs zo goed zichtbaar moet zijn. Dat vertelt de folder met ‘informatie & tips’ voor de collectanten die de komende week voor Amnesty International op stap gaan. Ook ik ben van de partij. En niet voor het eerst, maar toch lees ik het blaadje nog maar even door. Het valt me op dat zowel de collectant die op de folder is afgebeeld als de man op de affiche geen koordje om hun nek hebben daaraan het aanbevolen legitimatiebewijs. Wel is hun voorkomen vertrouwenwekkend, en daar ging het uiteindelijk om.

Dat legitimatiebewijs heeft dit jaar trouwens een tweede zeer praktische functie gekregen en daarom ook ziet het bijgeleverde koord er anders uit. Je kunt je legitimatiekaart nu nog makkelijker losklikken om mensen ter wille te zijn die geen contact geld in huis hebben en daarom menen dat ze geen geld kunnen geven. Er staat een QR-code op het kaartje. Eerdere proeven met een pinapparaatje bevielen blijkbaar niet, maar nu kun je dus ook doneren door met je mobieltje je bankapp te openen en dan de iDeal QR op dat kaartje te scannen. Ik heb het even geprobeerd en het werkt als een tierelier. Dat komt omdat ik niet bij de Triodosbank zit, want die app doet het blijkbaar niet. Vaak schaam ik me er een beetje voor dat ik met al mijn politieke correctheid nog steeds niet bij een ordentelijke milieu- en anderszins menslievende bank zit, maar nu komt dat goed uit. Nee, het zóu goed uitkomen als er bij mij zou worden aangebeld voor Amnesty, maar dat gebeurt niet, want ik ben zelf de collectant in de straat waarin ik woon.

Op al die stickers bij voordeuren die me ervan proberen te weerhouden om aan te bellen, ben ik ook voorbereid. Al raken ze wel een gevoelig punt. Er zijn mensen in de straat met wie ik goed kan opschieten maar die toch een sticker op de deurpost hebben die mij vertelt dat ik als collectant niet welkom ben. Bij die mensen zet ik, in gedachten, toch een klein minnetje achter de relatie. Een beetje een goede verstandhouding moet er tegen kunnen als die naar beneden wordt afgerond, maar het zou niet hoeven als buurt- en andere genoten gewoon die onvriendelijke sticker niet hadden afgebracht. Ze mogen hem nog weg halen.

O ja, ik kom rond etenstijd. Dat is een ongelegen moment, maar het is conform tip 3 uit de folder. Maak je geen zorgen: ik eet niet mee. Gewoon doneren en je bent al weer van me af.

05 maart 2020

Belasting

Al honderd jaar regel ik mijn belastingen zelf. De eerste keer, in ’74 was dat, keek oom Arend mee, en later heeft een boekhouder van een straat verderop dat nog eens gedaan, toen er wat veel veranderingen waren, maar ook dat was ruim voor de invoering van de euro. Dit zegt vooral iets over de eenvoud van mijn financiële wereld en die eenvoud heb ik ook heel hard nodig, want zodra iets digitaal of financieel niet gestroomlijnd verloopt, krijg ik uitslag. Nee, niet echt, ik overdrijf een beetje.
Een heel klein beetje.

Sinds een paar jaar is opgeven van een belasting helemaal een peulenschilletje. Veel is al ingevuld, dus het kan in een ruk van nog geen twee uur afgehandeld worden. Ik koos vandaag voor twee korte rukjes. Eentje voor en eentje na de lunch. Tijdens de lunch las ik hoe de huidige staatssecretarissen die de belastingdienst in hun portefeuille hebben, overwegen om die eventueel onder curatele te stellen. Zo zeiden ze het weliswaar niet, maar ik ben niet in de stemming voor nuances. Ik hapte net een boterham met eiersalade weg terwijl ik bedacht dat ik nu dus mijn best zat te doen voor een stelletje gasten dat de weg helemaal is kwijtgeraakt. Want ik denk niet dat het allemaal slechteriken zijn daar bij de Belastingdienst en dat geldt in zekere zin ook voor degenen die de doofpot naar voren schuiven, of lijken de kast in vegen.
Maar het gebeurde wel.

Na de lunch maakte ik de klus af. En hup daar kwam het eindresultaat: niet de normale teruggave waarmee we een deel van onze vakantie kunnen betalen, maar een kleine vijfduizend bijbetalen.
Ik loop snotseldereju al een week rond met de vraag of ik een bepaald boek nou wel of niet zou kopen en dan gebeurt dit! Dat boek kan ik voorlopig wel schudden.
Schurken zijn het, daar bij de Belastingdienst. Weg met de nuance! Boeven! Hoe durven ze. Ik zou ze dit, ik zal ze dat.

En dat stemmetje dat piept dat ik er geen boterham minder om zal eten wil ik ook niet meer horen. Anders, anders, nou dan…

Dat zul je dan wel merken!

Poep!

En nog eens poep!

04 maart 2020

De lijstjes van Bert

In 2007 – 2008 deelde ik op school een kamer met Bert. Ik ben hem uit het oog verloren intussen. Dat vind ik jammer, maar daar gaat het nu niet om. Op een aantal punten kon ik van Bert het nodige leren.
Hij had een veel fraaier handschrift dan ik en daarmee noteerde hij de taken van de dag. Hij gebruikte daarvoor een a5-blokje, maakte een rondje en schreef de taak in kwestie erachter. Op de volgende regel, bij het tweede rondje kwam taak twee. Dat deed hij met een blauwe pen. Als het blaadje vol was, dan konden er voor die dag geen taken meer bij.
Telkens als iets was afgerond, vulde hij het open rondje dat op het blaadje voor de taak in kwestie was aangebracht. Het ging om een opvulling in rood. Zo bleef zijn dag overzichtelijk. Het a5’je op zijn bureaublad was een gedicht.
Zijn dag eindigde ermee dat hij het takenlijstje voor de volgende dag maakte. De punten waaraan hij niet was toegekomen schreef hij op het nieuwe blad en soms verdween er ook wel een punt.
Zijn bureaublad was bij zijn vertrek helemaal leeg: alleen het blokje met de taken voor de volgende dag lag er.

Natuurlijk heb ik deze aanpak van Bert overgenomen. Ik probeerde zelfs netter te gaan schrijven.
Toen ik in 2010 mijn eerste IPad kreeg, ontdekte ik daarop een app die bijzonder veel leek op het lijstje van Bert en daarom bekeerde ik me tot de digitale variant. Het a5-formaat bleef en daarmee ook de overzichtelijkheid. Voordeel was bovendien dat niet uitgevoerde taken gewoon bleven staan, dat taken die vaker voorkwamen, bijvoorbeeld altijd op donderdag om 10 uur, vanzelf op het gewenste moment tevoorschijn kwamen en dat je de volgorde kon wijzigen. Om maar iets te noemen.

Sinds kort heb ik een IPhone en die ontdekte bij de installatie onmiddellijk die slimme app op mijn tablet en nam alle informatie daarop integraal over. Dat was nog handiger. Maar een paar dagen later verdween die applicatie van mijn IPad. Het apparaat was te oud voor de nieuwe editie van mijn besturingsprogramma en daarom staat dat lijstje nu alleen nog op mijn Iphone.
En het jaagt me op. Het piept bij elke nieuwe taak en die kondigt zich altijd eerder aan dan mij uitkomt. Mijn tablet deed dat ook, maar die stond op mijn bureau, mijn mobieltje heb ik altijd bij me. En dan het formaat.

Ik denk vaak terug aan Bert en aan de poëzie van zijn geschreven takenlijstjes. Een paar keer heb ik die oude gewoonte van hem weer ingevoerd. Maar het werkt niet meer. Die digitale lijstjes zijn te handig: ik hoef daardoor niet meer te denken aan de dingen die ik op een bepaalde tijd niet doe: die hebben hun eigen tijd. Maar ze jagen me ook op, die lijstjes. Zo staat er voor vandaag een ‘Och Heden’ gepland voor 11.45 uur. Dat zou dan na mijn fietstocht zijn. Het is intussen al half een. Dit stukje is weliswaar bijna af, maar aan het fietsen ben ik nog niet toegekomen. Daar kwam iets anders voor in de plaats, iets dat niet op het lijstje stond.

Voort voort voort! roept mijn mobieltje.

03 maart 2020

Langs de kant

Gistermorgen reed ik dezelfde fietsroute als zojuist. Maar in omgekeerde richting. Dat doe ik zelden en daarom is het een bijzondere ervaring om het rondje tegen de klok in te rijden. Ik moet af en toe zelfs even nadenken bij een kruising en sommige mij vertrouwde stukken lijken korter, andere weer langer. Dat geldt allemaal niet voor het eerste en vandaag dus laatste stuk van de tocht, want dat reed ik jarenlang dagelijks in beide richtingen, en ik kon deze fietstocht als reiskosten declareren bij de belasting.
Een even groot verschil vormden de weersomstandigheden. Gisteren fietste ik door een grauwe, sombere wereld, met een natte broek om mijn benen, vandaag scheen de zon en vloog er onderweg opvallend veel klein gevleugelte voor me op. En o, wat viel het licht mooi op een waggelend troepje ganzen, weg van de lens van een nog mooiere fotografe vandaan.

Vandaag was ik vooral nieuwsgierig naar het stukje langs de Vecht. Ter hoogte van het vroegere gemeentehuis van Zuilen zaten daar gisteren veertien vissers. Stoeltjes, complete bakken met van alles en nog wat en allemaal een reusachtige paraplu. De vele ganzen die dat gedeelte van de Vechtdijk al vanaf de grondvesting der aarde als domicilie kennen, waren duidelijk ontregeld. Het was immers hun oever waar die ouwe kerels zaten (geen vrouw gezien). De hengelsport kan sowieso op mijn volledige onbegrip rekenen en zo begrijp ik ook niet wat vissers ertoe brengt om wel elkaar op te zoeken maar vervolgens op een kleine dertig meter van elkaar te gaan zitten. Nou ja, dat laatste begrijp ik dan nog wel: iedereen zijn eigen stek, dan heb je kans op vangst, al zou ik liever juist niets willen vangen. Maar waarom zoek je dan dezelfde plek op? Dat vroegen die ganzen zich ongetwijfeld ook af. Ze waren er druk over in gesprek met elkaar en hadden geen enkele aandacht voor dat mannetje op zijn rode fiets dat – het moet gezegd – heel behendig en met zichtbaar genoegen tussen ze door laveerde.
De afstand tussen de vissers gaf mij de gelegenheid om ze te tellen. Het waren er veertien, allemaal op bijna gelijke afstand en toen hield het ook op. Verderop zat een gans in de struiken, kale braamstruiken, die me aan nummer 42 van het Ganzenbordspel deed denken. Maar er stond een andere gans in de buurt. Misschien werd er aanstalten gemaakt voor de bouw van een nest.

Vandaag fietste ik dus vanaf de andere kant langs de Vecht en dat onder weersomstandigheden die mij bijna konden verleiden ook visser te worden, maar dan wel eentje zonder hengel. Nu trof ik twee vissers, ongeveer ter hoogte van nummer 42. Er stonden weer wat ganzen op de weg die me negeerden. Ze waren niet druk met elkaar. De meeste lagen in het weiland. De oever was leeg. Geen ganzen maar ook geen vissers meer.

Nogmaals, van hengelsport heb ik totaal geen aas gegeten. Waarom zaten er gisteren allemaal van die ouwe kereltjes bij slecht weer langs het water te blauwbekken? En waarom niet vandaag, met die heerlijke voorjaarszon en een licht dat je verliefd maakt op de waterglinstering van de Vecht?
Het is een raadsel, een groot raadsel.

01 maart 2020

Schrikkelkind

Gisteren werd, geheel volgens de officiële verwachting een schrikkelkind geboren. Nu werden er gisteren alleen maar schrikkelkinderen geboren, dus heel bijzonder is dat nu ook weer niet, maar die andere geboortes vonden plaats buiten de kring waarvoor ik spontaan warme gevoelens koester.

Sneu voor het kind vind ik dat het levenslang zal zijn opgezadeld met de opmerking dat het eigenlijk maar eens in de vier jaar jarig is. En dat het dus eigenlijk vier is als het zestien is. Deze flauwekulopmerking is de prijs die je betaalt voor een betrekkelijk unieke datum.

Het is natuurlijk allemaal onzin. Woorden als jarig, verjaren en verjaardag verwijzen allemaal naar de cyclus van dagen die 52 weken en een of twee dagen in beslag neemt.

Ik zou het wel leuk vinden om een schrikkelkind te zijn. Er hangt een zweem van magie om mensen die op 29 februari het levenslicht zagen. Dat zeg ik zonder er eentje persoonlijk te kennen. (Jawel, roept Mente, en ze noemt nu een paar namen.) Schrikkelkinderen, het feit dat ik dit woord kan gebruiken geeft het al aan, horen in het rijtje van de wisselkinderen en de schipperskinderen. Dat zijn bijzondere kinderen. Het liedje over die laatste groep zingt vandaag trouwens voortdurend door mijn hoofd, al loopt er dan een schrikkelkind in de wind en op die brug.

‘Alles in de wind, alles in de wind,
daar liep een schipperskind.’

En vooral dat mooi, ja, betoverende:

‘Op die brug, op die brug
vond ik mijn zusje terug.’

Bij die groep van bijzondere kinderen horen ook de sterrenkijkers en zij die met de helm geboren worden. Ook met hen is niets aan de hand en toch…

Los van die altijd weer terugkerende opmerking van hierboven zou ik het dus wel leuk gevonden hebben om een schrikkelkind te zijn. Maar dan niet op 29 februari. Dat is geen goed moment in het jaar om jarig te zijn. Ik werd gisteren in Rotterdam op de Coolsingel tenminste behoorlijk van mijn sokken geblazen. Zelf ben ik blij met mijn zomerse verjaardag. Dan word je op je verjaardag niet zo nadrukkelijk in één hok gedreven waar je elkaar amper kunt verstaan. En op mijn kinderpartijtjes deden we spoorzoekertje en verstoppertje. Dat hadden mijn broers en zussen niet.

Het zou daarom beter zijn om 29 februari gewoon af te schaffen en er 31 juni voor in de plaats te stellen, dus een kille sprokkeldag in te ruimen van een mooie zomerse dag.
Daarmee zou mijn verjaardagsdatum dezelfde blijven, maar die van mijn geliefde niet. Nu wil het geval dat wij onze verjaardag altijd samen vieren, dus dat zou een reden kunnen zijn om dat voortaan nog maar een keer in de vier jaar te doen. Wat een uitkomst zou dat zijn. En altijd in de zomer!

Ik krijg zojuist een reactie uit Nieuw-Zeeland. 31 juni is daar unaniem afgestemd. Te koud, te nat. Men houdt er liever vast aan een zomerse 29 februari.