Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

Och heden

15 februari 2020

Een echte padvinder

Voor de echte welpenwereld is Klaas nog iets te jong, daarvoor moet je bij zijn zus zijn, maar bever is hij wel. Met een uniform dat is gereduceerd tot een bloes en een das. Geen stevige bruine korte broek van ribfluweel, geen kniekousen waaraan wapperende groene kwastjes hangen en ook geen pet. Dat laatste verbaast me een beetje. Een scoutcap lijkt me wel leuk.

Vandaag was het vader-en-moederdag bij de bevers, maar die van Klaas hadden andere verplichtingen, dus mocht zijn opa wel mee. Dat vond ik leuk, want zelf droeg ik ooit een padvinderspakje, een dat wél voldeed aan de hierboven genoemde beschrijving. Mensen die ik vertelde van mijn scoutingavontuur vandaag vroegen of ik mijn uniformpje al klaar had liggen. Zij waren niet op de hoogte van mijn padvinderlijk verleden en bedoelden hun opmerking waarschijnlijk als grapje. Niet eens een heel leuk grapje, want over padvinderspakjes werd ook al grappig gedaan toen ik er nog in rondliep. Bijster origineel is de mensheid niet.

Bij mijn eerste kennismaking met scouting, toen ik me nog niet in het uniform mocht steken, want daarvoor moest je geïnstalleerd zijn, gingen we er met de welpjes (er waren nog geen bevers, niet in de Biesbos en niet bij de padvinderij) op stap voor een spel even buiten Naaldwijk. Onderweg raakte mijn veter los. Ik bukte me om die vast te maken en om herhaling te voorkomen, legde ik er nog een knoop bovenop. De akela, vanaf het eerste moment een held in mijn bestaan, constateerde dat ik heel keurig de platte knoop in mijn veter had gelegd. Daar was ik me niet van bewust, maar blijkbaar had ik met die simpele knoop een bijzondere prestatie verricht. En dat gerommel met veters kreeg nog een naam ook: platte knoop. Toen wist ik het: de padvinderij zou goed zijn voor mijn ego, vooral met een akela die oog had voor mijn kwaliteiten.

Klaas is de platte knoop al lang voorbij. Hij liet me een paar weken geleden al zien welke knopen hij beheerst. Ik herkende ze, ook al droegen ze bij hem soms andere namen, maar de platte knoop zat er tussen, en ook de mastworp. De schootsteek kreeg een andere naam en of de paalsteek er ook al tussen zat, weet ik al niet meer. Wel is duidelijk dat hij die knopen op veel jongere leeftijd blijkt te beheersen dan ik deed.

Vandaag volgden we een speurtocht bij Vleuten, aan de rand van het Maximapark. Het ging daarbij niet om knopen, maar om reuzenjenga, om kompasvaardigheden, om het opvolgen van, via een portofoon, doorgegeven instructies. Leerzaam en leuk.

Maar stel dat ik vandaag niet was meegelopen als meelevende opa, maar als jongetje dat misschien wel lid wil worden... Dan weet ik het niet. Mijn veters raakten niet los en er was geen akela die mij heftig complimenteerde. Maar ook was het vandaag veel kouder dan toen die andere eerste keer, in Naaldwijk. Dat was ergens rond 1 juni, herinner ik me, en dat is heel iets anders dan 15 februari. Die kinderen hadden geen last van kou. Die renden en deden. Af en toe greep een kinderhandje mijn grote koude hand en dan merkte ik hoe warm dat handje was. Wat de vaders en moeders ervan vonden, weet ik ook niet. Natuurlijk hield ik me ook groot, met geen woord heb ik gerept over die koude wind. Eens een padvinder, altijd een padvinder.

14 februari 2020

Weggewerkt

Op zijn schilderij ‘De Triktrakspelers’ plaatste Pieter de Hooch de spelers voor een houten schot. Zo lijkt het. Waarschijnlijk is het omgekeerd en zaten de spelers er al, ook op het schilderij. Het schot werd later toegevoegd. Op het bijschrift bij het doek lees is dat De Hooch waarschijnlijk niet tevreden was met de schouw die hij aanvankelijk schilderde. Hij kreeg het perspectief en de verhouding niet helemaal goed. Het schot is dus een noodoplossing. Grappig is het intussen wel om te bedenken dat er achter dat schot dus een haard te vinden is: in de verbeelde werkelijkheid, waarin een van de spelers even zou kunnen opstaan om achter het schot zijn mobieltje te raadplegen bijvoorbeeld, maar ook in de taal van de verf. Met röntgen- of andere stralen moet die schoorsteen weer tevoorschijn gehaald kunnen worden. Zoiets vind ik grappig en daarmee is deze kous af.

Ook grappig is de hond op het ‘Interieur van de raadskamer van het Amsterdams stadhuis’ uit 1664. Daarop zie je met het blote oog heel goed dat die aanvankelijk een meter meer naar links stond. Ook duidelijk. Weer een kous af, al vraag ik me wel af waarom de oorspronkelijke hond niet beter is weggewerkt. Of is hij in de loop van de tijd weer meer tevoorschijn gekomen?

Iets anders kom ik tegen op een schilderij met een rokende man en een drinkende vrouw, we zitten dan in 1659. Het hangt gewoonlijk in het Mauritshuis. Op een tafeltje staat een fraaie wijnkan. Het hangt naast een vrijwel identieke afbeelding, die voor de tentoonstelling in de Prinsenhof helemaal van Washington naar hier gehaald werd en binnenkort weer naar Amerika terugkeert. In beide gevallen staat een meisje op de voorgrond. Maar op het Amerikaanse schilderij zit tussen de roker en de vrouw nog een man, een soldaat. Hij houdt een wijnkan in de aanslag om meteen bij te kunnen schenken. Aangenomen wordt dat het schilderij uit Washington net iets ouder is, maar waarschijnlijk wel uit hetzelfde jaar. Ook is wel duidelijk dat op de pendant uit het Mauritshuis ook een schenkende soldaat heeft gefigureerd. Maar daar zien we nu een schutting. Het commentaar vertelt dat die overschildering niet van De Hooch is.

Waarom moest die soldaat weg? Is de man op dit doek beschadigd? Is hij minder geslaagd dan op het eerste doek? Waren er compositorische redenen, mede ingegeven door de tijd? Het doek zonder de soldaat ziet er veel verstilder uit. Misschien vond men dat mooier. Zelf kan ik geen keuze maken. Maar ik heb wel te doen met de verdwenen soldaat.

Alsof iemand jaar en dag een vaste plek had ergens, in een stamkroeg bijvoorbeeld, en als hij er dan niet meer is, dan verdwijnt ook de herinnering aan hem. Zelfs zijn attributen lijken hem vergeten te zijn. Ik kijk nog even naar de wijnkan. In beide gevallen is het niet alleen exact dezelfde kan, hij is ook nog eens helemaal niet van positie veranderd. Ook de kan verraadt de man.

Toen ik gisteren aan het eind van de middag wegreed met de auto moest ik honderd meter verderop al een tijdje wachten. Er stond een antracietkleurig bestelbusje op straat geparkeerd. Van een begrafenisondernemer; dat was wel duidelijk. Even later reed een brancard voor me langs. Het zeil verborg een overledene, waarschijnlijk iemand die daar woonde, honderd meter verderop. Een buurtgenoot. Ik kon me niet voor de geest halen welk gezicht er onder dat zeil te zien zou zijn.

13 februari 2020

Ari

We waren niet naar de Kunsthal gegaan vanwege de erotische prenten die er hingen, uit China of Japan, dat weet ik niet meer, maar ze hingen er wel en ik kon er niet helemaal onbevangen naar kijken. Als we niet voor die prenten kwamen, moet het iets anders geweest zijn waardoor wij specifiek naar de Kunsthal getrokken werden, die dinsdag. Maar wat? We waren er met een tamelijk kleine groep leerlingen heengegaan, Ari, Monica en ik. Die leerlingen hadden meegedaan aan allerlei debatrondes, eerst op school en later namens de school bij een wedstrijd in het provinciehuis en we waren goed uit de strijd gekomen. Daar had dit museale uitstapje mee te maken. Ari en ik hebben een aantal jaren het debat op school voor onze rekening genomen en Monica voegde zich bij ons.

Nog steeds kan ik niet bedenken wat ons ertoe gebracht heeft om met de leerlingen van de debatklas naar de Kunsthal te gaan. Wel weet ik nog dat het een groepje ideale leerlingen was: kritisch, onderhoudend en groot genoeg om ook zonder docenten op stap te gaan. Juist die overbodigheid maakte het gezellig. De meiden liepen giechelig door de afdeling met prenten. Ze giechelden ook om mij. Het was blijkbaar goed te merken dat ik niet erg gelukkig was met die tentoonstelling. Twee van hen had ik een paar jaar eerder extra lessen Nederlands had gegeven. Zij kwamen uit Afghanistan. Nu behoorden zij tot de beste debaters, niet alleen van de school, maar zelfs van de hele provincie. De kunst van een docent is dat hij of zij zich overbodig maakt. Dat was bij deze groep dus goed gelukt en bij die twee meiden in het bijzonder.

Zo kwam het dat Ari en ik grotendeels samen de Kunsthal door liepen. ‘Welk werk zou jij mee naar huis nemen?’ vroeg Ari toen we alles wel zo’n beetje hadden gezien. We liepen de werken nogmaals langs, niet die erotische prenten waarvan zich met weerhaakjes de herinnering in mijn geheugen heeft vastgezet, maar het veel boeiender deel van wat er toen geëxposeerd werd en waarvan ik me nu dus niets meer herinner. Ari had zijn keuze al gemaakt. Ik moest er nog even over nadenken.

Als we toen echt gedaan hadden wat we zeiden en de uitverkoren schilderijen van de wand hadden gehaald, dan zou ik ongetwijfeld nog geweten hebben wat mijn keuze was geweest en die van Ari zou ik ook niet zijn vergeten waarschijnlijk. Maar dat hebben we niet gedaan. We hebben ons toen weer keurig bij de anderen gevoegd en zijn met tram en trein weer naar huis gegaan.

Ik gok dat dit een jaar of vijftien geleden is. Sindsdien kies ik regelmatig bij een museumbezoek een schilderij uit om mee naar huis te nemen. Gisteren bijvoorbeeld weer, bij de tentoonstelling van De Hooch, in de Delftse Prinsenhof.

Toen ik daarvan melding maakte in mijn Och Heden bedacht ik opeens dat die vraag van Ari kwam. ‘Welk schilderij neem je mee?’ Als ik hem nog eens gevraagd zou hebben of hij nog wist wat zijn of mijn keuze was toen, in de Kunsthal, zou hij het waarschijnlijk ook niet meer geweten hebben. Vanmorgen stond zijn overlijdensadvertentie in de krant.

12 februari 2020

De Hooch

Of het postlaborale bestaan haar een beetje beviel, vroeg ik. José voelde zich verpletterd door de drukte waarmee ze nu dagelijks werd geconfronteerd. Weg was het dwingend gemak van een opgelegde agenda, weg het zo aangenaam voor in de mond liggende nee als er gevraagd werd of je misschien tijd had voor dit of dat. Vandaar ook dat we er pas in de allerlaatste week van de al maanden lopende tentoonstelling toe kwamen om die te bezoeken en elkaar eindelijk weer eens te spreken.

Dat laatste deden we pas na de expositie, tijdens de lunch en de wandeling. In de Prinsenhof deden we Pieter de Hooch ieder in eigen tempo en op eigen wijze. Alleen Gerard buurtte af en toe eens bij de een en dan weer bij een ander.

Wij delen onder meer de liefde voor Delft, voor de huisjes en huizen, het water, de lichtval, de poortjes, waar ook de heer De Hooch zo dol op was, deze schilder van Delftse binnenkamers en plaatsjes of binnentuinen. Schilderijen van warme vlakken en van binnenvallend licht, maakte hij, gestoffeerd met mensen en vaak ook een kind (vrijwel altijd een meisje) en een hond. Die waren er om de schilderijen huiselijk en daarmee goed verkoopbaar te maken in het midden van de zeventiende eeuw, maar ze waren ook goed voor het ruimtelijk effect en droegen bij aan de compositie. Zo zie je (maar dat was wel op een Amsterdams doek van De Hooch) ergens een hond die is weggeschilderd om een eindje meer naar rechts weer te verschijnen. Waarschijnlijk gebeurde het omgekeerde: eerst verdubbeld en toen de linkerhond weggeschilderd.

De mensen, en vooral die regelmatig terugkerende meisjes, maken duidelijk dat De Hooch niet een echte portrettist was. ‘Het is geen Terborch,’ zei Gerard toen hij weer even langskwam. Hij zei dat vijftig jaar geleden ook al. Maar vorig jaar, in het Mauritshuis, stond hij naast me en zei hij: ‘Het is een Terborch.’ Dat was bij diens ‘Luizenjacht’. Daarvan hangt hier in Delft nu een De Hoochse variant en dat was inderdaad geen Terborch. Kinderen zijn moeilijk om te schilderen of te tekenen. Zij zijn nog zo vloeibaar.

Maar met een stapje achteruit (‘Sorry mevrouw’; ‘Neem me niet kwalijk meneer’, want druk was het wel in de Prinsenhof) waren daar weer die fraaie vlakken van prachtige baksteenmuren, de vloeren, wanden, die openstaande ramen of deuren, de doorkijkjes links of rechts met hun lichtval.

Aan het eind van de rondgang stel ik mezelf de vraag welk schilderij ik zou willen meenemen. Moeilijk, moeilijk. ‘Buitenplaats van een huis in Delft’ ziet er verleidelijk uit of ‘De moeder’. Een vrouw rijgt haar vest los om het voor de toeschouwer in een wieg verborgen zuigeling de borst te geven, als de toeschouwer weer verder gelopen is. Bij de open achterdeur staat met haar gezicht (slim) van ons afgewend een prachtig in licht gevat meisje bij de half geopende deur. En halverwege is er die aarzelende hond.

Pas nu ik dit opschrijf, weet ik het: ‘De moeder’. Maar met Buitenplaats zou ik ook dik tevreden zijn, hoor. Of een ander schilderij van De Hooch.

Of desnoods alleen maar een keertje alleen door deze zalen dwalen. Daar zou ik ook al heel gelukkig van worden. Maar als ook dat niet kan, hoor je me nog niet klagen. De anderen ook niet.

11 februari 2020

Kleine wereld

Bij een bezoekje in december rende ze naar boven om pas na vijf minuten terug te komen met een kopie van het testament. Ze was zo blij dat de zaken indertijd goed geregeld waren. Daar had ze nu profijt van. Ze legde het me allemaal uit en ik begreep het maar half. Deze wending in het gesprek had ik niet verwacht, al begreep ik natuurlijk wel heel goed dat ook kwesties als nalatenschap en geldstromen je volle aandacht behoeven, een paar maanden nadat je partner is overleden. Hoe dan ook, ik moest hun testament maar eens goed doornemen en er mijn voordeel mee doen.

Thuis las ik het allemaal nog eens door en toen snapte ik er nog minder van. Ik belde een notariskantoor en vertelde dat als mijn partner of ikzelf zou overlijden er zo min mogelijk financiële schade voor de overledene moest zijn, maar dat de kinderen niet vroeg of laat met een flinke claim van de belasting geconfronteerd zouden worden.

De kandidaat-notaris die ons verwelkomde had me vorige week al herkend, aan mijn naam en aan mijn stem. Nee, ze had niet bij me in de klas gezeten, maar wel op school.

Het is een raar gesprek. Allereerst ontgaan me de finesses. Daarnaast moet ik me mezelf in hulpbehoevende toestand voorstellen, naast een gedementeerde vrouw. We moesten ons voorstellen hoe onze kinderen dan met ons om zouden gaan. En dan… zouden ze nog wel met dezelfde geliefde door het leven gaan over ik-kan-je-niet-vertellen-hoeveel jaar? En daarna. Als Mente zou willen hertrouwen of ik. Ik moest er niet al te lollig over doen, dat begreep ik wel. We hadden ervaring, met dementerende ouders die heel oud werden, maar ook een moeder die nog ouder werd en niet dementeerde.

Mijn rijbewijs zit in een vakje bij mijn telefoon en net toen ik het hoesje opende sprong er een bericht tevoorschijn. Kees mailde dat Ari gisteren was overleden. Ik vertelde het aan de kandidaat-notaris. Meneer die en die vertelt dat meneer zo en zo is overleden. Ze had van beiden les gehad.
Even zat ze beduusd naar mijn rijbewijs te kijken.

Dertig jaar geleden stelden we een testament op dat zichzelf ruim heeft overleefd. Daarom is het maar goed dat we een nieuw testament laten opmaken. Dan zien we over dertig jaar wel weer verder, zou ik willen zeggen.

Dat doe ik niet, al helemaal niet na dat mailberichtje.

09 februari 2020

Kajale

‘Holland’ heet het nieuwste boek van Rodaan Al Galidi en ik ben bij de presentatie. Die wordt muzikaal afgesloten door Monir Goran. Al Galidi introduceert hem. ‘In Irak zijn we vijanden,’ zegt hij en slaat zijn arm om Goran, ‘want ik ben een Arabier uit het zuiden en hij is een Koerd uit het noorden. Maar hier niet, hier zijn we grote vrienden.’
Goran begeleidt zichzelf op gitaar en zingt een tekst die ik niet versta. Het is een vriendelijke melodie. Het is vriendelijke muziek, gezongen door een vriendelijke zanger. Bij binnenkomst hebben we hem al even de hand geschud. Zo iemand dus, eentje die je spontaan een hand geeft.
Nu zingt hij zijn lied. Twee rijen voor me gaat een man rechtop zitten, alsof hij naast Goran zou willen staan. Hij zingt het refrein mee. Het is duidelijk: er zit deze middag in ieder geval nog een tweede Koerd in de boekhandel van Broese.
Ik luister naar de melodie en wacht op het moment dat de man voor me weer naar voren zal bewegen, zijn rug zal rechten en opnieuw mee zal zingen. Het lijkt spontaan en dat is het ook wel, maar Goran vertelt later dat hij het wel had verwacht.
Zijn vriend Baldin wilde niet samen met hem zingen. ‘Ik ben geen zanger. Wel een kunstenaar, geen zanger.’ Maar uiteindelijk zong hij vanuit het publiek spontaan mee.

‘Kajale’ heet het liedje. In de late jaren zeventig heeft de kleuter die Monir toen was het wel gehoord. De oorlog kwam. Veel later moest hij nog wel eens aan het liedje denken, maar hij wist zich nog maar een enkele flard te herinneren. Archieven waarin het liedje misschien terug te vinden zou zijn geweest, waren vernietigd.

Na 2000 ontmoeten Monir Goran en Baldin Ahmad elkaar in Nederland. Goran is een naar Nederland gevluchte muzikant, Ahmad is beeldend kunstenaar. Hij woonde een tijd in Italië maar is nu al lang hier. Als Goran een keer een flard laat horen van ‘Kajale’, kan Ahmad dat moeiteloos aanvullen. Hij kent de tekst en ook van de melodie is hem het nodige bijgebleven. Zo ontstaat een eigen arrangement.
Kajale is het mooie meisje dat iedere dag naar de bron loopt. Ze wordt in het lied bezongen door de jongen die smoorverliefd op haar is, maar haar dat niet durft te zeggen. Het meisje heeft ook geen oog voor hem, ze geeft haar liefde aan een ander.

Dus dat gebeurde er toen de man twee rijen voor me naar voren boog, zijn rug rechtte en meezong. Hij zag hoe ergens in het noorden van Irak een mooi meisje naar de bron liep en hij zong van haar en zijn vergeefse liefde.

08 februari 2020

Bol

In Monster besloot een bakker deze week om zijn in de chocola gedompelde slagroomsoezen voortaan roomkoppen te noemen in plaats van moorkoppen. Die naam vond hij niet meer passend anno 2020. Ik moest aan Hildebrand denken. Die geeft zijn verhalenbundel Camera Obscura als motto mee: ‘Nec lusisse pudet, sed non incidere ludum.’ Dat wil zoveel zeggen als: je hoeft je er niet voor te schamen gespeeld te hebben, maar moet je er wel voor schamen als je daarmee doorgaat. Of dat motto ook al te vinden is in de eerste uitgave van het boek, we hebben het dan over 1839, weet ik niet. De spreuk is overigens veel ouder. Hildebrand trof die aan bij Horatius en voor hem moeten we 2100 jaar terug.

Het is jammer dat het gebak dat jaar en dag mijn grootste bron van vreugde was en dat ik in Monster heb leren eten, meestal afkomstig van bakkerij Grootendorst, nu zoveel ophef met zich meebrengt. In mijn kindertijd was het probleem met de soezen vooral hoe je ze zonder al te veel te knoeien en zonder al te vieze vingers naar binnen kreeg. En nu, nu ik daarin toch een zekere handigheid heb ontwikkeld, blijkt de naam het volgende struikelblok.

Tijden veranderen, maar dat de naam een kwestie zou worden, konden we al heel lang zien aankomen. Een lekker gebakje moet niet de aanjager zijn van een gebrek aan wederzijds begrip tussen mensen, dus als een ander woord minder beladen de lading van het gebak kan dekken, dan moeten we daarvoor kiezen. Roomkop is in zoverre een leuk woord dat het een anagram is van moorkop. Maar juist daarom is het niet zo’n slim alternatief Waarom zou je voor een woord kiezen dat een versleuteling is van de oude naam? Kom toch met iets anders.

Op Facebook vind ik tussen het verongelijkte getetter een poging om de boel in der minnen te schikken. Laten we het, naar de Bossche Bol, voortaan hebben over de Westlandse Bol. Lief bedoeld, maar het getetter blijft, zie ik. En dan nog: het is helemaal geen Westlandse bol, het is een soort gebak dat je overal kunt krijgen, ook in Twente of in Gaasterland. Ook niet. De Hema, bekend om zijn worst en tompouces wil het gebak voortaan aanprijzen als chocoladebol. Dat lijkt me niet verkeerd. Verwarring met de Bossche bol zal dat in de praktijk niet opleveren.

Zelf heb ik het probleem dat geen probleem is opgelost door me te beperken tot appelgebak.

Intussen krijg ik het wel weer een beetje benauwd van het gedoe dat de bol in Monster teweeg heeft gebracht. Wat is er toch in de jeugd van de azijnpissers gebeurd waardoor ze nu zo beginnen te steigeren?

07 februari 2020

Waagstuk 2

Om Waagstukken een ordentelijke plaats te geven in de boekenkast, moet er een ander boek uit. Dat verhuist naar een boekenkast boven. In dit geval kan dat zonder veel geschuif van andere boeken. Want als ik Geheime Kamers van Jeroen Brouwers weghaal, staat het boek van Van de Broeck automatisch op de goede plaats. En dat treft, want nu staat het naast De laatste deur, waarin Brouwers een grote reeks zelfdodende schrijvers portretteert.

Bij Charlotte van den Broeck gaat het niet om zulke schrijvers, bij haar staan dertien gebouwen en hun architecten centraal en rond al die bouwkunstenaars cirkelt, al dan niet terecht, het woord zelfmoord. De gebouwen van hun hand zijn mij vaak helemaal niet bekend. Soms zijn het enorme mislukkingen, soms aanvankelijk verguisde en later bewonderde bouwwerken, of omgekeerd. Maar altijd heeft de bedenker er zijn ziel en zijn zaligheid aan verpand, met alle gevolgen die dat met zich mee brengt. Wat doe je als jouw bioscoop het paleis bij uitstek wordt van de filmindustrie en het dak ervan stort omlaag bij een extreme sneeuwbui en veel mensen verliezen het leven? Met onuitroeibare tocht? Met een schoorsteen die toch te zien is of een kromme torenspits?

Nogmaals: ik ken de gebouwen niet en hun makers evenmin. En je zult me ook geen inhaalslag zien maken door alsnog een pelgrimage langs de producten van de beschreven bouwkundigen te maken. Maar als iets boeiends geschreven dat de moeite van het lezen waard is. Dat is één. Ik las het boek met veel plezier, niet alleen omdat het een boek is om urenlang mee in je handen te zitten, maar dus ook daarom, én omdat de auteur van de opstellen een dichteres is van nog geen dertig jaar die is ingetreden in de orde van literatuur, niet als bruid van Christus maar als bruid van de schone letteren. Charlotte van de Broeck zegt het zo niet, maar het is zonneklaar dat zij over Literatuur Hooge Opvattingen heeft en ook over de rol die zij daarin wil hebben. En dat betekent dat het lot van de bouwkundigen met hun al dan niet geslaagde gebouwen ook het hare zou kunnen zijn. Ze legt het verband niet eens erg expliciet, maar ze vertelt voldoende over zichzelf om de parallel te zien. Hier schrijft iemand die zich overgeeft aan de orde van de literatuur, zo absoluut dat alles, ook de liefde (door apostel Paulus de meeste genoemd), ervoor moet wijken. Het is me een beetje te veel van het goede, te romantisch en daarom las ik het boek af en toe hoofdschuddend en voelde ik me ook erg oud. Daarom ook las ik door. Ik had de vader van Charlotte kunnen zijn, met een beetje goede wil zelfs haar grootvader. Ik het boek, gretig vanwege de stijl, vol bewondering vanwege alles wat die meid toch maar heeft ondernomen om dit boek te schrijven, vol bewondering ook vanwege haar talent en haar overgave. En ik kon het dus niet nalaten om haar te waarschuwen. Maar ze luisterde niet. Dat heb je met auteurs: ze zeggen wel, maar luisteren niet.

06 februari 2020

Waagstuk

Waagstukken heb ik al een tijdje uit, maar het moment om het in de boekenkast te zetten, heb ik lang uitgesteld, in de boekenkast beneden wel te verstaan, met daarin de boeken waarvan ik de rug graag tentoonstel. Met het boek van Charlotte van de Broeck is wat dat betreft iets bijzonders aan de hand. Allereerst is het ontwerp van Steven van der Gaauw en die is me niet alleen als persoon zeer dierbaar, hij heeft er ook een handje van boeken prachtig vorm te geven. Dit boek is wel het klapstuk van 2019. De voorkant ziet er van zichzelf niet spectaculair uit, al kan ik als fervent zeestaarder mijn ogen moeilijk van Lowry’s The Sea afhouden. Op de achterflap van het omslag vind je trouwens de andere helft van het schilderij.
Op de voorzijde is bij de belettering gekozen voor twee kleuren: de naam van de auteur vind je terug in enkele golven van het zeegezicht en minder duidelijk, maar ook het bruin van de titel is daarin te vinden, meer op de achterkant van het boek dan aan de voorzijde, maar daar zie ik het toch ook.

Maar dan de rug. Die is er niet. Dat wil zeggen dat je in plaats van gekartonneerd papier met daarop opnieuw titel, auteur en logo van de uitgever, de zwaar belijmde katernen ziet die keurig aan elkaar geregen zijn. Daarbij is garen gebruikt in kleuren die, opnieuw, ook in het op het eerste oog wat saai ogende omslag zijn gebruikt. Omdat voor- en achterflap niet samen met de rug uit één vel gesneden zijn, moest die ook meegeregen worden een daarom zijn dubbele flappen gebruikt. Ik kan het ook anders zeggen: je hoeft het boek niet te lezen om er lang en bij herhaling veel plezier aan te beleven.

Dan ontdek je ook dat het boek erg makkelijk open valt, met als gevolg dat voor- en achterkant als eenheid het hele schilderij van Lowry laten zien. Van een van zijn zeegezichten, want hij kan het niet laten om de fascinerende levendige leegte van een onmetelijk watervlak onder een dito lucht te schilderen.

Maar als je toch besluit het boek te lezen, dan wacht je de bijzondere verrassing van handzaamheid van het boek. Je kunt het zittend lezen of liggend. Het bijzondere is dat hij, door die open rug zo mooi openvalt. Dus om esthetische redenen wil ik je aanraden om het boek op een, liefst hoge, tafel, of een lessenaar, vooral staand te lezen. De bladzijden vallen open met de rust van een kalme zee.

Boeken komen doorgaans niet tot hun recht in een boekenkast. De ruggen verbleken, de voor- en achterzijde zijn onzichtbaar en ook van eventueel fraai bindwerk is amper iets te zien. Dat wordt ook het probleem als ik Waagstukken in de kast zet. Dan zie je een boek waaraan de rug lijkt te ontbreken zodat je de rijgdraden ziet.

Maar zo is het dus niet.

05 februari 2020

Bubble

Schizofrenie is het woord niet. Die term is verouderd en hoort thuis in de wereld van de psychologie en daarom gaat het hier niet. Als ik het in de literaire hoek zoek, denk ik aan Kafkaësk. Ook lijkt het er wel een beetje op dat Barbertje moet hangen, maar ook dat is het niet. Jammer, want de situatie vraagt om een stevig woord.
In ieder geval waait ook door de kieren van ons huis het wereldnieuws naar binnen: zonder dat er iets aan de hand is, is er van alles aan de hand. Weliswaar weet ik intussen dat het huidige coronavirus minder virulent is en minder slachtoffers maakt dan andere griepvirussen doorgaans doen. Maar omdat men er desondanks toch weer veel te weinig van weet en dus ook niet hoe het zich ontwikkelt, en ook dat we wel weten dat er nog geen adequate bestrijdingsmiddelen voorhanden zijn, is de ziekte wereldnieuws dat het openbare leven in China lamlegt. De kans is heel groot dat de epidemie met een betrekkelijke sisser afloopt, maar dan nog kun je niet zeggen dat de huidige paniek en ingrijpende maatregelen vooral ‘much ado about nothing’ zijn. Het kunnen ook doortastende preventieve acties zijn of – zeggen we straks - zijn geweest, als de sisser daar is. Wij weten dat niet, nu niet en straks misschien nog steeds niet.

Dat neemt niet weg dat mijn broer in China een verre van uithuizig bestaan heeft geleid en dat terwijl hij er zelfs een scootertje kocht, eentje. Van mondkapjes kocht hij er een heleboel, ook heeft hij veel gelezen. Dat gebeurde allemaal in Qinghandau, een stad die 1402 km van het tot voor kort ook onbekende Wohan ligt. Ik heb even gegoogeld en zie dat er momenteel weinig verkeer is tussen beide steden, ook als je langs Beijing rijdt, want dat moet je dan wel doen.

Ik heb ook nog een broer in Polen en die raadde zijn ‘Chinese’ broer aan om de terugreis om te boeken en 24 uur eerder te vertrekken. Het gerucht ging dat dat voorlopig de laatste vlucht van Beijing naar Warschau zou zijn van de LOT. Het toeval wilde dat onze man in China met deze Poolse maatschappij vloog.
Zo is het gegaan en dat is maar goed ook, want het gerucht bleek waar te zijn.

In Qinghandau was en is nog steeds niemand gemeld die door het coronavirus zou zijn besmet. Als dat alsnog gebeurt, zal het niet om mijn broer gaan, want die is al lang thuis. Dat weet ik zeker: ik heb hem zaterdagavond van Schiphol naar huis gereden.
Hij zit er nog steeds, want via de telefoon is hem door zijn werkgever gevraagd om nog een weekje thuis te blijven, voor rekening van de zaak uiteraard. Een aantal collega’s vond het toch een beetje eng, zo’n Chinaganger in de buurt.
Over buurt gesproken, vanuit zijn directe omgeving ontvangt hij via appjes het verzoek om nog maar even niet op de koffie te komen. ‘Leuk dat je er bent, maar wacht nog een weekje.’
De pot met snoep die hij voor iemand had meegenomen, liet hij achter op de stoep toen er niet werd opengedaan. Later, na een appje, heeft hij die maar weer opgehaald.

04 februari 2020

Briefopener

Het was wel even en vreemde gewaarwording. Onder mijn bureau vond ik een briefopener terug die ik niet gemist had. Dat kan. De hoeveelheid post die hier binnenkomt is nog maar een fractie van wat er een jaar of twintig geleden nog door de bus gleed. Bovendien wordt de real post meestal beneden geopend en daar tel ik, uit mijn hoofd, vier briefopeners, vouwbenen die lang ook die functie vervulden niet meegerekend. Op mijn kamer heb ik er, het kan ook niet anders, eentje uit Nieuw-Zeeland. Het zijn ideale cadeautjes om per post te verzenden. Zo zal het gegaan zijn.
Het is goed om je te realiseren wat er door mijn hoofd schoot, toen ik vanonder mijn bureau achteruit kroop, met in mijn rechterhand de briefopener die ik nog niet had gemist maar wel zojuist had terugvonden. Ik had me een tijdje geleden afgevraagd hoe ik op het idee was gekomen dat de briefopener van kaurihout was, het hout waar kiwi’s zo trots op zijn, het hout van de honderd, soms meer dan duizend jaar oude woudreuzen. Maar op een hoekje van de briefopener stond in kleine maar duidelijke letters ‘Rimu NZ’. Dat was een tijdje geleden.
Eenmaal overeind legde ik de briefopener op zijn plek op het bureau. Maar daar lag al zo’n zelfde briefopener. Ook met rechts een gaatje waar een touwtje doorheen gestoken was en aan dat touwtje hing een langwerpig stukje jade.
Maar op de teruggevonden opener stond ‘Kauri NZ’. Ik had er dus twee. In ieder geval komt er eentje uit de nalatenschap van mijn schoonouders. De andere mogelijk ook, maar die is hier terechtgekomen toen er nog geen sprake was van nalatenschap maar van verhuizing, en dat dan al weer een jaar of twintig geleden.
Ik heb er dus twee en zou er eentje kunnen weggeven. Briefopeners genoeg hier in huize Borgdorff en allemaal met een verhaal. Maar ja… ze zijn alle twee mooi. Die van rimuhout heeft een nerf die wat meer tot de verbeelding spreekt, maar de andere is van het mythische kaurihout, dat zo wonderlijk sterk, licht en zacht is. En dan… wat zal ik anderen opschepen met een briefopener nu post mail heet.
Ze blijven hier, niet onder mijn bureau maar erop, ze mogen zinloos mooi liggen wezen, zoals bloemen op een veld achter de heuvel, die niemand ziet en ik toevallig wel.

03 februari 2020

NZexit

Afgelopen vrijdag ging ik met Lukas naar het strand bij Monster. Op het moment dat ik hem vroeg of hij zin had om met me naar het strand te gaan, liet hij prompt alles waarmee hij zat te spelen uit zijn handen vallen, hij ging rechtop staan en hij legde zijn hele ziel en zaligheid in de manier waarop hij het woordje ja uitsprak.
Het was me meteen duidelijk dat zijn verwachtingen in een klap veel te ver uittorenden boven wat hem te wachten stond, dus er moest getemperd worden. ‘Het is niet het strand zoals in Nieuw-Zeeland, hoor, op het eiland. Hier is het koud en de wind waait er hard, want het is winter, hè.’
Ja, ja, natuurlijk, dat begreep hij wel, zei hij, maar hij wilde wel. Het was wel duidelijk dat al dat begrip niet meer was dan lippendienst.

Toch was hij enthousiast toen hij de zee zag en het strand was veel groter dan hij had gedacht. Daar konden ze in Nieuw-Zeeland niet aan tippen. Zoveel zand. Hij kon niet wachten om met emmer, schep en vooral zijn graafmachientje aan de slag te gaan.

Maar het was wel erg koud en het stuivende zand leek vooral hem te grazen te willen nemen, wat ook wel een beetje zo is. Stuifzand heeft het vooral voorzien op honden en kleuters zoals hij.
Na tien minuten stelde hij voor om maar weer naar huis te gaan. Dat deden we, met een omweg, langs een pannenkoek en een goddelijke glijbaan.

In oktober brachten wij een paar dagen door op wat wij maar een onbewoond eiland noemden, in een baai aan de noordkant van het Zuidereiland. Die wij dat waren twee grootouders, een vader en een moeder en twee broertjes. Lukas was er in zijn element. Urenlang was hij in het zand in de weer met zijn autootjes, zijn diggers. De anderen hadden minder met dat speelgoed, maar vonden er ook hun element. Het kleine broertje door als kontschuivertje sporen in het zand te maken, de anderen door te wandelen, fantails te volgen, die onfotografeerbaar tussen een struik en een hemelhoge eucalyptus door de lucht dansten en doken. Het kleine kopergroene zee-egeltje dat ik als herinnering meenam, vond ik na een dag al fijngeknepen terug, maar het gave horentje, heeft het maandenlang uitgehouden op mijn bureau.

Na onze terugkeer rook het af en toe wel onaangenaam bij mijn bureau. Ik ben er regelmatig ondergedoken, maar in plaats van een veronderstelde dode muis vond ik allerlei losse blaadjes met aantekeningen, zes balpennen en ik ontdekte dat ik twee bijna identieke briefopeners had, maar de bron van de stank, vond ik niet. Totdat ik vanmorgen de paar losse stenen en de schelp van Jackett Island hergroepeerde. Mijn handen stonken. Het was die schelp.
Beneden heb ik hem een tijdje onder de kraan gehouden en vervolgens in een kommetje met hete zeepsop gelegd. Vanavond heb ik nog eens geroken en nu ligt de schelp dus in de vuilnisbak. Het kommetje heb ik voorzien van vers sop, want dat stinkt nu ook.

We zullen het met onze herinneringen moet doen.

02 februari 2020

Titaantje

Ik ging naar Pulchri om het werk van Ronald Raaijmakers te zien. Hij overleed vorig jaar, werd 70 jaar. Hij was al lange tijd ziek.
Rond 1970 kwam ik hem verschillende keren tegen, toen hij nog student was aan de Haagse Kunstacademie. Hij maakte deel uit van een groepje studenten die, het kon ook niet anders van dezelfde docenten les hadden gehad. Herman Berserik was de bekendste en in hun geval was Pieter Giltaij de invloedrijkste. Het waren de jongens van de sobere stillevens, de traditionele tekeningen met potlood en houtskool, en geaquarelleerde landschappen. Het ging ze om ruimte, om vlakverdeling. Hun werk was ingetogen, verstild. Een geruisloos protest tegen de tijd. Ze keken naar de Haagse School, naar Breitner en Israëls, Suze Roberston, Mankes natuurlijk, en allemaal keken ze naar Verster en maakten ze hun eigen napje met eieren. Intussen bewonderden ze ook Mondriaan en Theo van Doesburg. Het waren Titaantjes.
Ik kende de groep maar half; alleen Gerard was me zeer vertrouwd. Hij maakte deel uit van die jonge kunstenaars. Hun werk van toen is zeer herkenbaar en zelfs uitwisselbaar. Later zijn ze meer hun eigen weg gegaan, maar dat gemeenschappelijke verleden blijf je zien als je hedendaags werk van een van die jongens ziet.
Ronald koos voor stillevens. Hij bleef de oude potten, kannen, kruiken en flessen van vroeger trouw, maar voegde daar blik en kartonnen doos aan toe. Ik kwam zijn werk regelmatig tegen, bij Gerard, op wc’s met posters en flyers, op ansichtkaarten. Toen Ronald ziek werd, kreeg ik via Gerard weer meer over hem te horen. Gerard deed wekelijks boodschappen voor hem, op donderdag, meen ik. Vorig jaar gingen hij en ik naar een tentoonstelling in het Mauritshuis waar Gerard een paar dagen later ook met Ronald heen zou gaan. Bij ons bezoek bestudeerde hij alvast de route om te zien of hij ook als rolstoelduwer zijn weg zou kunnen vinden.

‘Zullen we straks naar Pulchri gaan? Ik ben in de buurt.’ Ik belde Gerard.
‘Dat lukt niet, ik zit in Zeeland, maar doe me een lol en ga er vooral meteen naartoe. Je doet er jezelf trouwens ook een groot plezier mee.’
Vanmiddag stond ik oog in oog met het werk van een Titaantje, het is maar een klein deel uit het werk van deze ‘Bavinck’. Het zag er zou vertrouwd uit. Veel was ‘n.t.k.’ Dat begreep ik wel.

01 februari 2020

Uiverhoeve

Langs de A28, niet ver van Hoevelaken, zie je, komend van Zwolle, aan je rechterhand de contouren van een boerderij, van het type dat je in deze omgeving wel meer ziet en in het verleden nog veel vaker zag. In dit geval gaat het om een plat geval, maar voor de doorsneeautomobilist staat daar een compleet driedimensionaal geval. Op de schoorsteen is, nu wel met diepte, een ooievaarsnest aangebracht. Het monument heet niet voor niets Uiverhoeve, net als de echte boerderij die hier vroeger stond.
Ik moet er altijd naar kijken als ik er langsrijd. Ik weet niets van de plek. Weet alleen dat het ‘monument voor een landschap’ er nu een jaar of wat staat en daarvoor niet. Verder kom ik niet. Zodra hij uit het oog, is hij ook uit hart en hoofd.

Vandaag stonden er twee ooievaars op het nest. Echte. Dat ontroerde me. Mogelijk heeft het ook met Schubert te maken, met een zieke zus, een zieke neef, een broer die plotseling voor het coronavirus uit moet vliegen, met het opstel van Rutger Bregman over het wassende water. Het besef dat ooievaars mogelijk niet eens meer naar het zuiden hoeven vliegen. Met het idee dat iemand een ooievaarsnest maakt en dat er na jaren inderdaad een paar ooievaars is dat daar belangstelling voor heeft. Het idee dat wat geen huis meer is, weer thuis kan worden. Ik kan proberen mijn ontroering te verklaren, maar wat het is, weet ik niet. Het onroert, dat beeld van die twee ooievaars op het nest op de schoorsteen van wat geen boerderij is.

* De Uiverhoeve is een kunstwerk van André Pielage

31 januari 2020

Op de fiets

Als voormalig schoolmeester wil ik natuurlijk ook mijn steentje bijdragen aan de onderwijsstaking en dat doet ik door een deel van de leerlingen die niet naar school kunnen vandaag onder mijn hoede te nemen. In dit geval is dat er eentje van vier. Hij heet Lukas en ik haal hem op voor een dagje uit. Hij zit graag voorop, op het zadeltje dat op de stang van mijn fiets is gemonteerd.

‘Waarom vallen we niet om,’ vraagt hij als we net de Rode Brug gepasseerd zijn. Ik vertel hem van de rijwielkunstige vaardigheden waarover ik beschik, maar daar gaat hij niet op in. Hij herhaalt zijn vraag en ik begrijp dat hij een natuurkundige uitleg verlangt, geen vrijblijvend geleuter.
‘Als je beweegt, dan ga je te snel om aan de zijkant naar beneden getrokken te worden. Ik kan niet naar voren vallen of naar achteren omdat ik met mijn trappers mijn wielen laat bewegen en die willen alleen vooruit als ik trap.’ Ik refereer aan de onderzetters groot en klein de we nogal eens over de tafel laten rollen, en aan de guldens uit het spaarpotje met oude munten. ‘Maar als ik heel langzaam fiets, dan wil de fiets omvallen. Net als de onderzetters en de centen. Daarom moet ik nu ook gauw een voet op de grond zetten, want het stoplicht staat op rood.’

‘Nee, bij rood moet je doorrijden en bij groen moet je stoppen,’ zegt Lukas.
‘Wat zullen we nou krijgen, nee nee, bij rood moet je stoppen en bij groen rijden. Dat heeft mijn moeder mij geleerd toen ik nog een kindje was.’
‘Ik heb het vanmorgen veranderd,’ zegt Lukas. ‘Nu moet je stoppen bij groen en rijden bij rood. Dus je moet nu doorrijden. Het licht is rood.’
We naderen een stoplicht dat juist in de wereld van de tweewielers zeer ongunstig bekend staat. ‘Ik denk dat de andere mensen het nog niet weten, dus daarom stop ik toch maar.’ Lukas zwijgt; blijkbaar accepteert hij mijn redenering.

Na het oversteken vraagt hij waarom een fiets niet uit elkaar valt. Er komen allerlei moeren en bouten en gelaste onderdelen aan te pas en dan zijn we thuis.
Als ik hem ’s avonds weer thuisbreng, vraagt hij opnieuw waarom een fiets niet omvalt als we fietsen. Even overweeg ik hem de mond te snoeren met zwaartekracht,middelpuntvliedende kracht en gyroscopisch effect. Maar de essentie is en blijft dat ik het zelf niet snap en dat vertel ik hem dan ook maar: ‘Het is een wonder, Lukas, een wonder.’
Hij knikt, maar geeft onverwacht een ruk aan het stuur: ‘Het licht is groen en dan moet je stoppen. Ik had dat toch veranderd vanochtend!’
‘Jawel, maar vroeger was ik een meester van school en daarom ga ik even staken. Nu!’

30 januari 2020

Gedichtendag

Een mailtje herinnert me eraan dat er cd’s moeten worden teruggebracht naar de Utrechtse hoofdbibliotheek. Ik ga er met een ruim ommetje (weilanden en een tweedehandsboekenzaak) naartoe. Vanaf 2 februari (wat jammer dat dat een zondag is) zullen de schijfjes die ik hier aflever voor 1 euro per stuk worden verkocht, want men stopt met het uitlenen ervan.

Omdat ik er toch ben, trek ik nog wel wat boeken uit de schappen waarvan ik me afvraag of ik die hier ooit zal inleveren. Nee, begrijp ik uit de woorden van Fred Penninga, want over een paar weken al gaat de boel hier dicht. Op 13 maart vindt de feestelijke opening plaats van de nieuwe bibliotheek, het oude postkantoor. Een prachtige plaats, maar ik word er wel een beetje onrustig van. Zou niet opnieuw het gebouw de tempel worden van een functie waaraan men over een aantal jaren geen behoefte meer heeft. Een huis voor het woord, noemt opperstalmeester Fred Penninga het. En dat vind ik al minstens even verontrustend, want ook daarvoor bestaan schitterende gebouwen die hun oude functie verloren zonder toe te komen aan een nieuwe volwaardige bestemming.

Het is gedichtendag vandaag en daarom is een deel van de bibliotheek aan de Stadhuisbrug ingeruimd voor een presentatie van het stadsdichtersgilde. Omdat ik er nu toch ben en ik de poëzie een warm hart toedraag, schuif ik aan bij de vijftien mensen die aanwezig zijn. Al vrij snel begrijp ik dat er vijf dichters zijn, een pianist, de directeur van de bibliotheek, twee medewerkers, een vriend en een vriendin van een van de kunstenaars en intussen vraag ik me af of ik nu niet al over de vijftien ben.

De toekomst is nu, wordt er gezegd. En ook gaat het dit middagje over afscheid en verhuizen. Ik word een beetje droef. Ik vrees voor de toekomst van het boek, maar de poëzie is al dood. Tenminste, als je haar bestaan afmeet aan de belangstelling die er voor is, en dat nog wel op een plek als deze en ook nog eens op deze donderdag de dertigste, ik bedoel: een bibliotheek en een gedichtendag.

Ik luister naar de vijf dichters, naar de muziek, maar omdat het programma wat uitloopt, moet ik toch voor het laatste woord weg. Dat doe ik stilletjes en zonder de mensen die ik verlaat ook maar een blik te gunnen. Dat is allemaal schaamte, schaamte van iemand die in zijn eentje zo ongeveer de helft vormde van het spontaan aanwezige publiek.

29 januari 2020

Voortdurend ongemak

‘Dus: óf je plaatst een ontroerend Auschwitzdocument en zet je in voor oorlogsoverlevenden nu, en tegen dit soort regimes, óf je ziet af van openlijk medeleven met wat 75 jaar geleden gebeurde, omdat je inziet dat je niets doet voor de slachtoffers van de oorlogen van vandaag.’ Dat is de heldere conclusie waarmee Désanne van Brederode afgelopen maandag een stuk op Facebook afsloot. Ik had het er toen ook al over.
Het stuk zit me dwars omdat Désanne van Brederode het gelijk aan haar kant heeft, het hart op de goede plaats heeft en jaloersmakend helder en doordacht een scherp licht op de werkelijkheid kan werpen. Nogmaals, Désanne heeft gelijk.
In Trouw van vandaag meent de schrijver van een ingezonden brief dat het de hoogste tijd wordt dat Rutte ook zijn excuses aanbiedt voor wat Nederlanders medewereldbewoners hebben aangedaan in de zeventiende eeuw. Ook deze Wil heeft gelijk.

Poetin van zijn kant verbindt Auschwitz wel met andere momenten in de geschiedenis, in dit geval het heden en daarom gedenkt hij wel de Holocaust in Jeruzalem, maar is hij zelf niet aanwezig bij de herdenking in Auschwitz. En dat omdat zijn Poolse evenknie omgekeerd niet aanwezig was in Jeruzalem waar hij, Andrzej Duda dus, anders Poetin zou moeten ontmoeten.

Mijn vergelijking is onzuiver, dat spijt me. Het leed in Syrië verdient onze aandacht en het verdient een onbeheersbaar schaamrood op onze kaken. En misstappen of ernstige tekortkomingen in wat we niet meer de Gouden Eeuw mogen noemen, verdienen onze aandacht.
En dat is heel iets anders dan het belang dat Poetin en Duda hechten aan hun politieke gezicht en waarvoor ze de herdenking van miljoenen slachtoffers opofferen.
De enige overeenkomst is: juist op het moment dat iets centraal staat dat onze aandacht verdient, wordt er iets anders bijgehaald om tot een afweging te komen. Ik probeer het even dichtbij te halen door het herdenken de naam te geven van Joop Citroen. Hij overleefde Auschwitz, maar zijn lange naoorlogse leven is in het teken blijven staan van wat hem in de oorlogsjaren overkwam.

Natuurlijk moeten Poetin en Duda zijn gedachtenis niet opofferen aan hun politieke gezicht en dat doen ze wel. En natuurlijk gaat het bij het gedenken van Syriërs en uitbuiten van mensen in het verleden van de Nederlanden om iets dat ook onze aandacht verdient. Maar liever niet op de dag dat het om Auschwitz gaat. Maar wel vandaag. Of morgen. Of alle twee.

28 januari 2020

Ezinge

Ver kom ik niet. Op mijn bureau liggen tientallen memoblaadjes en die moeten worden opgeruimd. Ik twijfel als ik ze lees. Moet ik iets maar weggooien, zal ik een lijstje maken van wat ik, om wat voor reden ook, maar beter niet vergeten kan.
Op het vierde blaadje staan evenzoveel losse aantekeningen. Eentje over de communicatiegroep van de kerk, nummers van buslijnen bij Harlingen en Sint-Jacobiparochie, een intussen al geschreven ‘poëtische brief’ die gezien de kras die er doorheen staat al is afgehandeld – geen idee wat ik ermee bedoeld heb trouwens - en OH Ezinge.

Díe aantekening voert ons terug naar een augustusdag in 1983. Rond half zes kom ik op mijn fiets aan in Ezinge. Een bordje bij de kerk vermeldt een sleuteladres. Ik ga erheen en bel aan bij de familie Dijkstra, tweehonderd meter verderop. Het is de heer Dijkstra die open doet, met volle mond. Hij zit weliswaar te eten, maar wil me graag terwille zijn, als ik een kwartiertje kan wachten. Hij wil wel rustig kunnen afeten. Dat is geen enkel punt natuurlijk. Ik heb nog niet eens de moeite genomen om de kerk van buiten te bekijken, dat doe ik dan eerst, want dat doe ik graag: kerken bekijken.

Meneer Dijkstra neemt alle tijd om me de kerk te laten zien. Er komen veel jeugdherinneringen langs, hoe hij hielp bij de afgraving van de wierde onder leiding van professor Van Giffen, rond 1930. We bekijken de teksten in de kerk. Hij vertelt graag wat hij weet en ik luister er naar.
We moeten, vindt hij, ook even de losstaande toren in. Als ik het geen bezwaar vind tenminste om langs de dode onder de toren te lopen. Ik vind het geen bezwaar. Wel groet ik de dode in zijn verse kist. Hij zal overmorgen begraven worden, vertelt meneer Dijkstra.

Later staan we op het orgelbalkon en kijken door een raam naar buiten. We zien het Reitdiep, een lint van glinsterend zilver dat naar goud neigt. Alle kleuren worden vol in de ondergaande zomerzon, het gras is van een groen waarvoor iedereen wel vegetariër wil worden, het rood van baksteenmuren maakt iedere bedenktijd van een eventuele koper overbodig en het is een wonder dat niet heel Ezinge naar het zilveren water is getrokken om zich daarin onder te dompelen.

Wij kijken ernaar, meneer Dijkstra en ik, de prater en het gewillige oor, maar nu staan we daar naast elkaar te staan en we kijken en we zwijgen en vergeten de tijd.

Meer gebeurt er niet.
Ik denk er graag aan terug.

* het memoblaadje kan weg

27 januari 2020

Herdenken

In Auschwitz ben ik nooit geweest. Romans, verhalen, foto- en filmreportages en vooral de herinneringen van een oude vriend, Joop Citroen, hebben het kamp wel dichterbij gebracht, maar ik ben er nooit geweest. Ik was een keer in Theresienstadt. Van Berlijn herinner ik me een bezoek aan een ruimte met haken aan het plafond waaraan in de Tweede Oorlog mensen werden opgehangen. Westerbork bezocht ik zowel op een mooie dag als in de regen.
Ik weet nog steeds niet wát ik heb bezocht.

Gisteravond zag ik hoe in het kamp van Auschwitz alles op alles wordt gezet om de barakken daar te conserveren. En niet alleen de barakken, ook de resten van voorwerpen die gedeporteerden daar ooit achterlieten omdat ze die, eenmaal vergast en verbrand, toch immers niet meer nodig hadden. Koffers, schoenen, een kammetje, een bril. Wat conserveer je daarmee? Een loos voorwerp, een herinnering, een sentiment?
Het openingsshot van het tv-programma: je staat bijna ter hoogte van een goederenwagon die ongetwijfeld meer dan 75 jaar oud is en in de jaren veertig een lugubere functie heeft gehad. In de verte zie je de ingang van het kamp. Je hoeft er nooit geweest te zijn om dit beeld te herkennen, deze Eiffeltoren van Polen. Het is de filmmakers makkelijk gemaakt. De entree van het kamp is bewust zo opgezet. Het ziet er allemaal esthetisch verantwoord uit, sereen. Nu volgt het moment voor de grote gevoelens.
Oude wagons maken het ons daarbij makkelijk. Dat komt door het bruin, dat komt ook daar het dunne laagje roest op de buffers bijvoorbeeld. Die nodigen uit voor een close up: de kleur, de matte glans, de structuur. Ik ben daar erg gevoelig voor.
Dat geldt ook voor de rails, zag ik in Westerbork. Die doen het heel goed op foto’s, of ze nu droog zijn of nat. En daar, in Drenthe, hebben de staven dan ook nog een fraaie vorm.

Mooi zijn ook de struikelstenen die je steeds vaker aantreft. Ik zag ze, meen ik, voor het eerst in Lübeck, in Harlingen heb ik er een maand terug weer een tijdje bij stil gestaan. Je kijkt vervolgens naar de huizen waar ze voor liggen.

Ik zit mezelf te wantrouwen op deze stille maandag vanmorgen, achter mijn stille bureau. We zijn met ons gedenken overgeleverd aan een onwaarachtigheid die onvermijdelijk is. Zelfs onze gevoelens van ongemak kennen een comfortzone, vrees ik. Het is maar goed immers dat je terugdenkt, denkt aan de mensen van ooit, hun ontreddering, hun dood.
Ik volg het programma van Raoul Heertje en Frans Bromet op zondagavond. Ze bezoeken Israël, land dat gebouwd is of herbouwd of bedacht werd op de fundamenten van vernietigingskampen en verhalen die eeuwen trotseerden, dat ingericht werd in het gebied van andere veroveraars en slachtoffers of de nazaten daarvan.

Désanne van Brederode is mijn gemengde gevoelens voorbij. Ze heeft gelijk. In haar Facebookbericht van vanmorgen lees ik:
‘Ben heel benieuwd hoe mensen dat kunstje voor elkaar krijgen: Auschwitz herdenken en niet stilstaan bij de gruwelijke oorlog in Syrië, die in maart al 9 jaar woedt, na enkel maar vreedzame protesten tegen een duivels regime (dat de martelpraktijken afkeek bij een voormalige Nazi-beul, in ruil voor protectie).’ En haar conclusie eindigt zo:
‘Dus: óf je plaatst een ontroerend Auschwitzdocument en zet je in voor oorlogsoverlevenden nu, en tegen dit soort regimes, óf je ziet af van openlijk medeleven met wat 75 jaar geleden gebeurde, omdat je inziet dat je niets doet voor de slachtoffers van de oorlogen van vandaag.’
Nogmaals, ik denk dat ze gelijk heeft. Dat denk ik vaker, ook als iemand heel iets anders zegt. Moet ik de mensen die omkwamen in Auschwitz inzetten voor een duidelijk standpunt inzake Syrië? Israël? Irak? Polen? Wat zou Joop Citroen daarvan gevonden hebben?
Gunter Demnig, de bedenker en vervaardiger van de stolpertsteine, al doet hij dat laatste niet meer alleen, kwam gisteravond ook even in beeld. Letter voor letter worden de naam en enkele andere gegevens van een persoon in het messingplaatje gestanst dat op de kop van een brokje beton is aangebracht. Met een hamer slaat hij op een staafje, letter voor letter. Het maken is een vorm van herdenken. Ik denk dat Demnig gelijk heeft en dat het goed is wat hij doet.
Het resultaat is fraai, ontroerend. En onvermijdelijk onwaarachtig.
Er zit een vervelend steentje in mijn schoen.

23 januari 2020

Dagobert

Er liggen twee guldens in de gang. Het is het begin van een spoor dat naar het midden van de kamer voert. Daar heeft een explosie plaatsgevonden van guldens, kwartjes, dubbeltjes en stuivers en drie rijksdaalders. Vijfguldenmunten zitten er niet tussen. Er staat een spaarpotje tussen, een opengebroken schatkistje van blik dat de Tweede Wereldoorlog nog heeft meegemaakt.
De kleine Dagobert die de oorzaak is van de geldfontein weet dat natuurlijk niet en wat geld inhoudt, daar heeft hij met zijn anderhalf jaar ook geen idee van, behalve dan dat je ermee kunt smijten, het in een bakje kunt doen en dat mensen het leuk vinden om het te geven of te krijgen. In ieder geval stopt hij van zijn kant iemand graag een munt toe, die hij even later weer komt opeisen.
Het spaarpotje is een groot succes, bij hem, maar ook bij de andere kleintjes die hier de afgelopen jaren over het parket schuiven of geschoven hebben. Ze spelen er allemaal op dezelfde manier mee en nooit stoppen ze geld in hun mond, valt me op.

Als kind deed ik dat wel en dat had tot gevolg dat ik een keer een dubbeltje inslikte. Dat vertelde ik aan Tante Henny. Omdat mijn vader en moeder met vakantie waren, hadden zij en oom Adriaan tijdelijk hun plaats ingenomen, aan tafel, in bed en in het geval van tante Henny ook in de keuken. Vanaf de volgende dag moest ik op een po poepen. Was dat gebeurd dan ging tante gewapend met twee vorken met de poep aan de slag. Na een dag of wat klonk er gejuich uit de keuken. Het dubbeltje was gevonden.
Later is er ook wel een kwartje naar binnen gegaan. Ik vertelde het mijn moeder en deed verslag van de exercitie van tante Henny. Nou, dat was zij niet van plan. Dat moest ik dan zelf maar doen en dan niet in de keuken maar in de wc.
Of ik dat kwartje ook gevonden heb, kan ik me niet herinneren. Wel weet ik dat ik tijdens mijn fecale expeditie steeds inniger van tante Henny ben gaan houden, maar ik gaf mijn moeder gelijk.

22 januari 2020

Agenda

Het is nu tien uur. Ik zit achter mijn bureau en buig mij allereerst over mijn agenda. Ik heb er twee.
Allereerst is er de agenda waarin ik mijn afspraken noteer. Ja, daar kijk je van op. Gisteren en eergisteren heb ik allerlei echte en onechte datumprikkers uitgezet en daarvan kan ik nu al de oogst binnen halen door mensen door te geven welk moment ze in hún agenda moeten reserveren en voor welk onderwerp. Meestal wordt er ook nog een locatie toegevoegd. Het is mijn lot dat ik me nogal vaak met dat soort dingen moet bezighouden. Maar ik moet vooral niet vergeten om al die afspraken ook in mijn eigen agenda te zetten. De mijne is digitaal, al jaren en ook ben ik nog wel eens van het ene type of merk agenda overgestapt of hoe je dat ook noemt, met als gevolg dat ik langs verschillende wegen en op allerlei apparaten mijn afspraken kan tegenkomen, al houd ik het hoofd koel door me te baseren op maar een van die talrijke mogelijkheden.
Onlangs wisselde ik van telefoon. Dat gebeurde niet voor het eerst, maar ik merkte dat bij de nieuwe telefoon mijn agenda dezelfde is gebleven en alle afspraken van jaren geleden vind ik er nog terug. Zo heb ik dat zelf ingesteld, zul je zeggen, en dat weet ik ook wel, maar dat het dan ook nog werkt allemaal vind ik een wonder. Het had zomaar mis kunnen gaan. Daar zou ik trouwens enkele intieme voorbeelden van kunnen geven.

Dat is de ene agenda. De andere, ook een digitaal fenomeen, is meer een takenlijstje. Hij stond op mijn Ipad en toen ik die een jaar of tien geleden begon te gebruiken, vond ik dat wel een handig ding. Je kunt de taken ordenen: klussen, thuis, uitstapjes, kerk, Liter, Kamer 23 en je kunt ze voorzien van een datum en uur, maar dat kun je ook later nog eens doen. Aan het begin van de week, en die begint doorgaans op zondagavond, plan ik de taken voor de komende dagen. Herhalingen ploppen vanzelf op en er zit veel herhaling in mijn bestaan. Koffie zetten en tanden poetsen en mijn geliefde beminnen, dat staat er allemaal niet in overigens. Vervolgens neem ik de lijst iedere dag even door, voor de fijne afstemming. Dat dus allemaal op die oude Ipad.

Mijn nieuwe mobieltje is van dezelfde leverancier als de digitale glasplaat en zo verscheen mijn takenlijst ongevraagd ook daar. Toen ik dat zag, was dat een klein momentje van vreugde.
Langer dan twee weken heeft die niet geduurd, want plotseling verdween alle informatie van de Ipad. Er plopte een mededeling tevoorschijn dat mijn apparaat te oud was en er geen update meer was om daarop mijn takenlijstje te kunnen blijven bijhouden. Dat kan nu dus wel op dat mobieltje. Maar zou die aan Apple verraden hebben dat ik nog zo genoot van mijn oude tablet?
Intussen vraag ik me af of ik nu wel een wat minder oude Ipad zal kopen of niet. Nu in ieder geval niet. Het scherm van mijn mobieltje licht namelijk op en ik lees dat ik naar mijn volgende klus moet; de gereserveerde tijd voor dit stukje voorbij is.
Onder de rubriek Thuis noteer ik nog gauw even: nieuwe Ipad, met een vraagteken. En ik zet er nog maar even geen datum bij.
Het is nu elf uur.

19 januari 2020

Nel

Vanwege de intrede van de nieuwe predikant bezocht ik gisterochtend de Domkerk. Nel was er ook. Ik had al naar haar uitgekeken, maar trof haar pas na de dienst. Ze stond met iemand te praten, gewapend met haar twee nordic walkingstokken en een kloeke tas om haar schouder. Ik ken Nel eigenlijk niet anders dan sjouwend met zware tassen. Tassen vol boeken en nakijkwerk waren dat vroeger. Ze liep dan van huis naar school en van school naar huis, met aan elke hand een zware tas, toch al gauw meer dan twee kilometer. Zij was mijn ‘moeder’ toen ik de eerste jaren lesgaf. We maakten samen proefwerken; zochten bijvoorbeeld een tekst uit, uit een krant of boek, redigeerden die een beetje en bedachten er vragen bij. We schreven dictees en verzonnen andere opdrachten. Als er iets getypt moest worden, dan dicteerde ik en zij tikte. Zij deed dat op normale spreeksnelheid en haar vingers vergisten zich zelden. Haar instructies voor de analyse van enkele verhalen heb ik nog niet zo lang geleden weggegooid. Het betekende wel dat ik dikwijls met Nel mee naar huis liep, ’s middags. Ik naast mijn fiets en Nel tussen haar twee tassen. Er was geen sprake van dat ze die afstond. Met een enkele tas zou de balans niet goed zijn en dat ik alle twee haar tassen op de fiets zou laden? Dat kon natuurlijk niet. Ik alles en zij niets. Ze was het trouwens gewend. Ze zag niet in waarom het anders moest nu ik meeliep. Die Nel.
Op school stond Nel in lokaal 206, ik in 208. Tussen de lessen door gingen onze gesprekken door op het punt waar we vijftig minuten daarvoor gestopt waren. ’s Avonds belde ze me regelmatig op.

Ze is nu 93 en in het zuidertransept zie ik haar staan praten. Ooit lang en heel erg dun, tante Sidonia, nu krom, de stokken steken bijna boven haar uit, maar ze is nog even dun. Alhoewel, de paarse jas van imitatiebont geeft haar wat volume. Ze krijgt er, samen met de royale baret in dezelfde kleur iets majesteitelijks door. Ze lijkt op koninging Elizabeth.
Dat ik dat nu pas zie!
Ze reageert enthousiast als ze me in het oog krijgt. Ik ben een beetje haar zoon. En zo gedraag ik me ook. De jongen die voortdurend de draak met haar steekt. Ze lacht erom, trekt zich er weinig van aan en stuurt regelrecht aan op een zwaar ethisch of religieus onderwerp.
Zij is een grande dame in de Domkerk. Daar was ze lang de hoofdopleidster van de gidsen en af en toe leidt ze er nog mensen rond. Er komen veel mensen op haar af om even met haar te praten. Ze stelt mij nog steeds voor als haar jongste collega, zoals ze dat ook in 1973 al deed toen ik voor het eerst op haar verjaardag kwam. Ik noem haar mijn mentor, of mijn schoolmoeder. Even gaat ze zitten, maar dat vindt ze maar niks, al die mensen die zich over haar heen moeten buigen om haar te spreken. Ze geeft de voorkeur aan een staande audiëntie.
Ik heb koffie voor haar gehaald. En ze weet het allemaal wonderwel te combineren: de twee stokken, de schoudertas die af en toe naar voren valt en het bekertje koffie. Dat ik ook nog een koekje voor haar heb meegenomen vertel ik haar pas een half uur later, als ze haar koffie op heeft.
‘En sta je daar dan nu al die tijd al mee in je handen? Eet het toch zelf op!’
Dat kan natuurlijk niet. Ik pak haar bekertje aan en stop het koekje tussen haar vingers. Zij neemt en eet.

Vanavond lees ik dat voor het eerst sinds maanden prins Andrew zijn moeder weer heeft begeleid naar de kerk.

18 januari 2020

In de Geertekerk

Mijn aanwezigheid bij de begrafenis had meer te maken met de kerkelijke pet die ik regelmatig draag. Waarschijnlijk zou ik anders ook niet zijn uitgenodigd. Dat neemt niet weg dat ik haar al enkele tientallen jaren ken, op school met twee van haar kinderen te maken had, leeftijd- en klasgenoten van mijn eigen kinderen en vroeger sprak ik haar regelmatig op verjaardagen. En nog wat, maar er zat dus al heel lang veel verleden tijd in onze relatie.
Nynke was even oud als ik en ze had een kanker waarover vorig jaar om deze tijd een toast werd uitgesproken omdat die overwonnen was.

Wat een klein half jaar later toch anders bleek te liggen. Dat zal rond de tijd geweest zijn dat ik te horen kreeg dat ik bestraald moest worden. Ik bevind me nog in de fase van de toast. Deze week ook kwam er weer een geval langs. Het gesprek dat het nieuwe slachtoffer en ik hadden, kende dezelfde luchtigheid die ik op prijs stelde toen ik een half jaar terug lijdend voorwerp was.

Nynke, zo begrijp ik, heeft zich er dapper doorheen geslagen. Ook haar geloof speelde daarbij een belangrijke en troostende rol. Dat is een chapiter waar ik doorgaans iets minder over hoor en zelf ook niet al te overvloedig over spreek, maar geloof – ik noem het liever vertrouwen – ligt me na aan het hart.
Natuurlijk probeer ik een moderne twijfelaar te zijn en op balorige momenten kun je mij horen zeggen dat als God niet zou bestaan ik toch nog in hem zou geloven, maar de essentie van mijn verhaal is dat het me niet zo goed lukt om te twijfelen. Met dat vertrouwen verandert er overigens bar weinig aan de vragen die bij je opkomen als de wereld en haar weedom en de door het overgrote deel van de mensheid geannexeerde wil van God ter sprake komen. Het spijt me.
Hoe dan ook: toen ik in juli bij herhaling in een weinig comfortabele tunnel geschoven werd en ‘God zegen de greep’ dacht, meende ik ook steeds instemmend gebrom te horen.

Van de week heb ik weer gelachen met Steven. Dat gebeurt vaker tijdens onze telefonades, waarbij we intussen via de computer van alles uitwisselen: foto’s, ontwerpen, teksten en ook een lied dat Steven momenteel instudeert. Ik moest eraan denken tijdens de dienst. Dit is een link voor de melodie en ik zet de woorden er maar even bij. Melodie

‘Do not be afraid, for I have redeemed you.
I have called you by your name;
you are mine.
When you walk through the waters,
I'll be with you;
you will never sink beneath the waves.
When the fire is burning all around you,
you will never be consumed by the flames.
When the fear of loneliness is looming,
then remember I am at your side.
When you dwell in the exile of a stranger,
remember you are precious in my eyes.
You are mine, O my child,
I am your Father,
and I love you with a perfect love.

In de Geertekerk vandaag waren zowel de echtgenoot als de drie zonen buitengewoon goed in staat hun gevoelens en herinneringen onder woorden te brengen. Veel predikantenbloed blijkbaar.
Het werd de aanwezigen makkelijk gemaakt. Toen het enige kleinkind genoemd werd, een jongetje van anderhalf, kwam ik plotseling niet meer in functie en drong tot me door dat wat zich hier afspeelde heel veel met mij te maken had. Kleine kinderen, daar zit mijn kwetsbaarste plek, denk ik.

Op weg naar huis, op de bloemenmarkt een vrolijke bos gekocht en die geschonken aan de vrouw die ze op onze gemeenschappelijke tafel heeft gezet.

17 januari 2020

Tekortschieten

Gisterochtend kocht ik en bakje narcisbollen bij een bloemwinkel in de buurt die ik zelden bezoek maar die wel gunstig gelegen was voor iemand die met de auto naar Zoetermeer moest.
De verkoopster vroeg me of ik op Blaucapel gewerkt had. Dat viel niet te ontkennen. Dan was ik meneer Borgdorff; ze herkende me aan mijn stem, zei ze. Ik weet het, met die bril en dat eeuwige petje over wat pierig haar getrokken waar ooit zo fraai een bos goudblonde lokken straalde, maak ik het de mensheid vrijwel onmogelijk om mij nog te herkennen. Vandaar die stem.
Ik vertelde dat zij mij niet geheel en al onbekend voorkwam. Ze noemde haar naam. Die herkende ik onmiddellijk. Hannah de Hoog. Maar vreemd genoeg drong zich vervolgens het beeld op van een heel andere leerling van ooit.
‘Ik moet er nog eens over denken, Hannah. Ik ga nog eens in mijn geheugen graven. Dat doe ik graag.’
Afrekenen deed ik door mijn mobieltje op het betaalapparaat te leggen. Klaar.

Met de narcisbolletjes reed ik naar de laatste tante in mijn leven. Tante had geen idee van mijn komst en toen ik er eenmaal was, wist ze ook niet altijd precies wie ik was, maar ik had een ontzettend Loosduinse kop. Dat in ieder geval. Ze schrok een paar keer als ze hoorde dat haar zus Annie, mijn moeder, al een aantal jaren dood is. ‘Of wist ik het nou toch wel? Ja, eigenlijk wist ik het wel.’
Mijn nicht was er ook, zo was het afgesproken en even later kwam ook mijn Zoetermeerse neef langs. Hij is net gepensioneerd, dus dan kan dat op een donderdagmorgen.

Met de nicht ging ik daarna nog even ergens lunchen. Dat deden we in het winkelcentrum tegenover het tehuis van de tante. Ik betaalde. Alweer op die snelle manier.
Thuis piepten mijn uitgaven van die dag tevoorschijn op het scherm van mijn mobieltje. Eén euro vijfennegentig voor het bakje en negen vijftig voor de lunch. Ik schaamde me voor mijn gierigheid. Schaamde me ervoor dat ik Hannah niet had herkend.
We leven alweer een dag verder, maar het zit me nog dwars.
Intussen weet ik wel wie me te binnen schoot toen Hannah mij haar naam noemde. Dat was Miranda de Hoog. Heel andere meid, van veel langer geleden ook. Ondanks dezelfde achternaam waarschijnlijk niet eens familie.

16 januari 2020

Siberische tjiftjaf

Zes keer schilderde Nicolaes Maes een variatie op thema luistervink. Daarvan hangen tot dit weekend nog drie exemplaren in het Mauritshuis en daarmee zou ik me vandaag hebben beziggehouden als ik niet eerst even een rondje was gaan fietsen. Bij de Kooijdijk waar een pad naar Fort Ruigenhoek voert (we bevinden ons dan in de omgeving van Westbroek) staan wat struiken, een bosschage. Er staat trouwens ook een bankje en daar ga ik af en toe zitten als ik iets moeten schrijven en het even niet lukt, een soort strafbankje dus. We hadden mooi weer vandaag, maar het zou te koud zijn geweest om er nu te gaan zitten. Te druk ook voor zijn geweest, want om het bosje stonden zeven mannen met fototoestellen waarop lenzen waren geschroefd waar ik alleen maar van kan dromen. Er kwam later gelukkig ook een vrouw bij.
Ik stapte voorzichtig af en voegde me in de kring, met een zakcameraatje waarvan ik op voorhand wist dat er geen enkele goede foto mee gemaakt zou worden, dus dat hoefde ik gelukkig niet eens te proberen.
Iemand wees me waar ik naar moest kijken. Ik zag het vogeltje. Een beige bolletje met iets donkerder vleugels en licht aangezette oogstrepen. Graag zou ik spontaan zelf bedacht hebben dat het hier ging om de Siberische tjiftjaf. Dat is een variant van de tjiftaf (dat zal je niet verbazen) maar deze variant komt hier heel zelden voor.
Zijn broedplek ligt een flink stuk oostwaarts, maar dat deed de naam al vermoeden. Doorgaans overwintert hij in Iran of Irak en misschien heeft hij dus om veiligheidsredenen voor dit gebied gekozen, deze keer.
Hoe ik dat allemaal weet? Dat het om een Siberische tjiftjaf ging, wist ik natuurlijk niet, maar die mannen met hun dikke camera’s wisten dat wel. De rest haal ik van internet en uit een kloeke vogelgids. Merkwaardig is wel dat in omschrijvingen ook verteld wordt dat ons Siberische vriendje minder geel en groen is dan de gewone tjiftjaf of dat zijn roep wel lijkt op die van de tristis. Dit schiet toch niet op. Over mij kun je bijvoorbeeld wel zeggen dat ik op mijn moeder lijk en dat mijn stem lijkt op die van mijn oudste zoon, maar krijg je op die manier een indruk van me als je mijn moeder niet hebt gekend en mijn zoon nooit hebt gesproken?
Gelukkig hebben we wat tekeningen en foto’s. Aan die van mij heb je niks, maar internet grossiert in prachtige opnamen van het vogeltje. Ook zijn er filmpjes met geluid, zodat je ook een indruk krijgt van het geluid van de tristis want daar doet de roep van de siberische tjiftjaf aan denken.
Wist je trouwens dat er ook een Iberische tjiftjaf is? Maar die zag ik dus niet, vanmiddag.
Ik zag trouwens wel mezen en dacht zelfs even dat de tjiftjaf wegvloog, maar dat was dus een mees. Dat had ik meteen door, want de vogelspotters gaven geen krimp die bleven met hun blik de tak fixeren waarop de tjiftjaf nog zat te zitten. En toen zag ik hem ook weer. Hoe had ik kunnen denken dat de vogel die wegvloog de tjiftjaf was. Waar blijf je als je niet eens meer weet hoe een kool- dan wel pimpelmees eruit ziet.
Over Koolmees gesproken… Toen we eergisteren over het Binnenhof liepen zagen we hem lopen, de minister dan. Hij stak een sigaret op. Dat viel me een beetje tegen.
Dat deed de tjiftjaf van vanmiddag niet en ik heb bijna een half uur staan kijken.

15 januari 2020

Jonge vrouw in een venster

De schilderijen van Nicolaes Maes hangen in een langwerpige zaal van het Mauritshuis. In de lengte zijn panelen aangebracht waaraan ook schilderijen hangen. Dat betekent dat je nogal makkelijk met je neus bovenop de werken komt te staan of anders met je kont iemand aan het wankelen brengt die naar een werk achter je staat te kijken.
Aan een van de korte zijden heb je als uitstulping een rond zaaltje. Ik moet bij de plattegrond steeds denken aan een omgevallen parfumflesje. Via de hals kom je van het rechthoekige flesje in de ronde stop en om verkeerstechnische redenen houd je links aan om vervolgens met de klok mee het rondje te lopen. Dat gaat vanzelf. En nu gebeurt het.

Als je zo tamelijk dicht langs de wand de hoek om komt, kun je een klap in je gezicht krijgen van een openstaand vensterluik. Dat gebeurt niet, maar de schrik heb je dan al te pakken en die stap achteruit heb je ook al gezet. En dan sta je pal tegenover een levensgroot geschilderde jonge dame die dromerig uit het venster kijkt. Jij ziet haar, zij van haar kant, is teveel in haar eigen dromerijen verdiept om jou meteen te zien. Terwijl jij misschien wel de minnaar bent met wie ze op dat moment, een moment dat trouwens al meer dan 350 jaar voortduurt, in gedachten avonturen beleeft vol passie en hartstocht.

Twintig jaar is Nicolaes Maes als hij dit schilderij schildert, van 96 bij 123 cm. In het Mauritshuis loop je haar dus bijna tegen het lijf. Ze leunt op een kussen in de vensterbank. Links daarvan hangen rijpe appels, eronder zie je perziken. Het venster is dus omgeven door symbolen van liefde en erotiek en de perziken hangen op een hoogte die suggestief genoeg is. Op het kussen zie ik trouwens ook een hartje afgebeeld.
Aanvankelijk, zo vertelt ons schilderkunstig onderzoek, was het meisje bezig met een brief en dan ligt het meer voor de hand om te zeggen dat ze peinst. Nu, zonder brief, kan ik haar niet anders zien dan als een meisje dat wegdroomt.

Maar dan is er, weliswaar van rechts, maar dat is tegen de leesrichting in en dus extra onverwacht, dat vensterluik, geschilderd in een zo heftig perspectief dat het uit het doek lijkt te steken. Je had er, de knik nemend van de rechthoekige fles naar de ronde stop, zo maar met je kop tegenaan kunnen knallen, als het geen trompe-l’oeil geweest zou zijn. Thuis ben ik daar altijd bang voor als ik van de kamer naar het keukenaanrecht loop. Daar zijn drie kastdeuren die open kunnen staan, geen geschilderde bedriegertjes maar stevig afgelakte panelen van hout waar ik zomaar tegenaan zou kunnen lopen. Dat is nooit gebeurd, tot op heden, maar meevallers uit het verleden bieden geen garanties voor de toekomst. Maar ik ben nu niet thuis. Ik sta in het Mauritshuis.

Heel even ben ik er een twintigjarige Maes. Mijn schoenen zijn aan de grond vastgespijkerd en mijn hart gaat tekeer, eerst vanwege een uit het niets opdoemend vensterluik maar onmiddellijk is er dat meisje, pal voor mijn neus dat, het venster heeft geopend om zich aan mij te openbaren te openbaren.

Maar ik ben geen twintig en ik heet geen Nicolaes Maes. Ik fluister de jonge schilder in dat hij nog even moet blijven staan. ‘Zometeen kijkt ze wel op en dan ziet ze jou.’ Zelf loop ik discreet door.

De kleine maar aangename tentoonstelling van Nicolaes Maes in het Mauritshuis is alleen nog deze week te zien.

14 januari 2020

Slapende oude vrouw

Of ze er zelf ooit geweest is, weet ik niet maar in het Mauritshuis kwam ik vandaag mijn overgrootmoeder tegen. Ze was naast haar kantkloswerk in slaap gesukkeld. Het viel me op hoe ze op haar kleindochter leek toen die de jaren van de zeer sterken was gepasseerd.
Ik heb Opoe van der Kruk nooit gekend, maar haar kleindochters kenden haar wel. Iedere morgen ging er voor schooltijd eentje even bij haar langs. Om de krant te brengen misschien of een eitje. Het is me ooit verteld maar ik ben het vergeten. Niet vergeten ben ik dat Opoe dan altijd in de Bijbel zat te lezen. Zo begon ze haar dag.
Gewoonlijk hangt de ‘Slapende oude vrouw’ van Nicolaes Maes in Brussel, maar nu hangt het schilderij tijdelijk in het Mauritshuis. De vrouw heeft haar bril afgezet en is in slaap gesukkeld. Ik denk niet dat ze echt lekker zit. Naast haar vormen kantkloswerk en Bijbel een fraai stilleven. Opvallend is dat we lezen dat de Bijbel openligt bij Amos, een van de kleine profeten die namens God allerlei verschrikkelijks afroepen over het uitverkoren volk. Die profeten eindigden doorgaans met troost. Als die Bijbel open ligt bij Amos, zoals je kunt lezen op de rechterpagina, dan vind je op de linker pagina het slot van een andere kleine profeet, Joël en op die bladzij is linksboven een ezelsoor aangebracht, wat suggereert dat we niet zozeer bezig moeten zijn met het geraas waarmee Amos begint, maar met de tirade aan het eind van Joël, waar staat dat God het lot, in de Statenvertaling staat ‘gevangenis’, zal keren. Daarin wordt, anders dan bij Jesaja, opgeroepen spaden tot zwaarden en sikkelen tot spiesen te slaan en dat allemaal om de volken te grazen te nemen die ooit Juda en Jeruzalem belaagden. ‘Maar Juda zal blijven in eeuwigheid, en Jeruzalem van geslacht tot geslacht.’

Ik vraag me af wat voor boekje de slapende vrouw onder haar hand in haar schoot heeft. Ook een Bijbel? Een kleinere? Met dezelfde weinig geruststellende passage?

De oude vrouw slaapt.
In zijn toelichting in 1976 bij dit schilderij schreef Eddy de Jongh dat het hier om een negatief exemplum gaat. Hij citeert een uitdrukking uit 1657: ‘Aen ’t verlies van den tijd hangt het verlies van de eeuwige zaligheyd.’ Met andere woorden: die oude vrouw moet niet zitten dutten, ze moet doorgaan met kantklossen of anders met het lezen van de Bijbel, waarin heil en onheil naast elkaar liggen, heil van de uitverkorenen die hun tijd ondanks hun leeftijd niet in ledigheid doorbrengen, en onheil voor ouderen die nota bene zo dicht in de buurt van de eeuwige zaligheid dan wel verdoemenis toch in slaap sukkelen.
Van mij mag die vrouw best even zitten slapen. Ik gun haar daarbij zelfs een makkelijker, voor het schilderij misschien wat minder fraaie pose.
Eén ding weet ik zeker: als mijn moeder of haar zusje in de jaren twintig en dertig bij opoe langskwamen, dan kloste ze geen kant, want dat heeft ze nooit gedaan, maar wel zat ze fier rechtop in de Bijbel te lezen.

De kleine maar aangename tentoonstelling van Nicolaes Maes in het Mauritshuis is alleen nog deze week te zien.

12 januari 2020

Gebroken vleugel

Bij de aardbeving in Christchurch in februari 2011 vielen 185 doden. Achter de nieuwe, tijdelijke cardboard cathedral daar is een veldje met daarop, in een vierkant, 185 stoelen, variërend van fauteuil tot krukje of Maxi-Cosi. Ze zijn allemaal wit gespoten. Het is een even indrukwekkend als sober monument.

Wat mij betreft zouden er in Iran rijen bankjes neergezet moeten worden op de plaats waar brokstukken neerkwamen van de UIA752. Betonnen bankjes, gestileerd, maar zo gegroepeerd dat ze zouden passen in het interieur van een vliegtuig. Dit om de 176 doden te gedenken. Bij Hrabove in de Oekraïne zou ook een dergelijk monument moeten komen, nu om de 298 passagiers te gedenken die omkwamen toen in juli 2014 de MH17 werd neergehaald.

En verder is het misschien een idee als er kleine gebroken vliegtuigvleugels in de handel kwamen. Ik denk even aan de speldjes van gebroken geweertjes uit de jaren dertig. Deze gebroken vleugels zouden moeten worden gemaakt van het materiaal waarmee vliegtuigen gebouwd worden, met daarop het nummer van een neergehaald vliegtuig, dus MH17 of UIA752, en dat dan op een ondergrond die dezelfde kleur heeft als de vleugel van het betreffende vliegtuig ooit had. Op de achterkant, inderdaad waar niemand het ziet, zou het woord ‘gerechtigheid’ gegraveerd moeten staan. ‘Justice’ mag ook. Zo zouden die speldjes moeten heten: gerechtigheidsspeldjes, pins of justice.

En dat we die dan dragen en blijven dragen totdat gerechtigheid het speldje overbodig maakt.
Op Wikipedia vind ik een lijstje van neergehaalde vliegtuigen die misschien ook in aanmerking komen voor een gebroken vleugel, een gerechtigheidsspeldje.

11 januari 2020

We zijn er nog

Dankzij de vooruitgang hebben wij in huize B aan de PRB te U nog uitzicht op een fraai gevulde kerstboom. Het verraderlijke snoepgoed is er gelukkig uit, maar de ballen en bellen, de lampjes en vooral de vele engeltjes doen het nog uitstekend. Dat geldt ook voor de boom zelf. Dank u. Eén tak is wat gaan doorbuigen onder het aanhoudend gewicht van een forse, zij het wel gewoon uit glas geblazen engel, maar het heeft er alles schijn van dat zij, tak en engel, het zullen rooien samen.
Op mijn fietstocht vanmorgen zag ik nog maar één kerstboom ergens in huis staan. Dat is een magere score, al moet ik toegeven dat ik de wijk uit fietste en me vooral heb voortbewogen op ruime afstand van menselijke bewoning. Veel ganzen gezien, meeuwen, spreeuwen, eenden, waterhoentjes, reigers in blauw en wit, twee ooievaars, meesjes van pimpel en kool, maar niet nog meer kerstbomen.

Het initiatief tot het aftuigen van de kerstboom in huize B komt nooit van mijn kant. Daarvoor moet je bij Mente zijn. Op 1 januari sneuvelden er al wat kerststukjes. De stapel boeken over Kerst ging weer naar boven. De kleedjes met elk hun eigen verhaal liggen opgevouwen en uitverteld weer op zolder. De adventsster mocht blijven tot de zesde januari, maar nog voor de middag lag hij opgevouwen op de salontafel. De strekking was duidelijk: ruim jij (dat ben ik) dat ding verder even op. Ik ga namelijk over de elektriciteit in huize B.
De kerstkaarten, hoewel elk jaar weer andere, kennen hun eigen strategie. Pas als er meer dan één dag geen kaart is gekomen, worden ze weggehaald. In tussen lag er ook vandaag nog een kaart bij de post, waarvoor ik H uit V graag even bedank.

Maar dan die kerstboom. Waarom staat die er nog? Dat heeft met het systeem te maken. De versiering van de boom verdwijnt nu al een kleine honderd jaar ergens voor in januari in drie kartonnen dozen die elf maanden later weer tevoorschijn worden getrokken. Op een onbewaakt moment nu, in de week voor Kerst, hebben we een aantal afsluitbare kratjes aangeschaft om de dozen te vervangen. De kratjes zijn van plastic, komen van een bekend Zweeds bedrijf en ze zijn doorzichtig, wat wel zo makkelijk is. Die kratten zijn er niet alleen gekomen voor de kerstspullen, maar ook voor een deel voor het speelgoed van de kleinkinderen en voor losse snoeren, stekkers en stekkerdozen en meer van dat spul.
Op deze manier gaan wij geordend, opgeruimd en transparant het nieuwe decennium in, hier in huize B. Maar nieuwe boxen vragen een andere dan de vertrouwde indeling en het is van belang om daar in één keer het juiste antwoord op te geven, want zoals je het de eerste keer opbergt, zo blijf je dat waarschijnlijk doen. En daar is Mente nog niet aan toegekomen.

Dat had te maken met scoutingbloesjes waarop insignes genaaid moesten worden maar meer nog met de sneeuwklokjes.
Die steken namelijk de kop weer op en van deze kleine bloempjes houdt Mente net zoveel en misschien nog wel een beetje meer dan van engeltjes in de kerstboom. Dus… om die bloempjes tot hun recht te laten komen heeft Mente de afgelopen dagen de hele tuin flink onder handen genomen, voor en achter. En inderdaad de sneeuwklokjes zijn een goed zichtbaar feestje geworden.

Ik heb daar wat minder aandacht voor en kijk vooral veel met plezier naar de versierde boom in ons huis. We knikken elkaar nauwelijks merkbaar maar veelbetekenend toe. We zijn er nog.

10 januari 2020

De toekomst

Met het oog op de toekomst is het belangrijk dat ik dit stukje nu schrijf. De ochtend ging gepaard met twee aangename ontmoetingen uit het verleden die voldoende stof bieden om lang bij stil te blijven staan en dat zou allemaal ook de moeite waard wezen. Maar dan zouden onherroepelijk de doden ter sprake komen die Mente en mij verbinden met de twee dames bij wie we waren. Dat is ze gegund, deze dierbare doden. Sterker: ik doe ze tekort door het niet over ze te hebben, maar ik hing alweer lang genoeg in het verleden de afgelopen dagen.
Dat zou niet nodig geweest zijn. Gistermiddag werd ik bijvoorbeeld uitgebreid door een vierjarige op sleeptouw genomen door het schoolgebouw dat hij sinds deze week bezoekt en waar hij niet alleen verslingerd is geraakt aan een maar matig kassaatje van Fisher Price, maar ook, een paar gangen verderop, bouwstenen heeft ontdekt waar die van Duplo maar kleine jongens bij zijn. Hele kleine jongens. Lukas trok me mee en liet me alle hoeken en gaten zien van het gebouw. Graag had hij het meegemaakt dat ik mijn schoenen zou uittrekken om samen met hem door het gymzaaltje van de school te draven, zoals hij had gedaan kort voordat ik hem ophaalde. Hij eet het gebouw op, die jongen, en heeft niet de minste belangstelling voor het verleden, al hoorde ik hem later nog wel even over ‘Vroeger, toen ik nog drie was.’ Lukas glimt de hele week al van toekomst, wat mij nadrukkelijk een bewoner maakt van het huis dat Voorbij, Voorbij heet.

Daarom ben ik achteraf toch wel een beetje blij met de twee blaren die ik opliep tijdens een wandeling door het hoge Friese land. Blaren liep ik drie paar wandelschoenen geleden voor het laatst op. Dat is heel lang en heel veel wandelkilometers geleden.
Zo meteen ga ik daarom naar de buitensportboer en mijn oude wandelschoenen gaan. Die wil ik laten zien. Met het oog op mijn toekomst als wandelaar. Misschien is een paar nieuwe zooltjes al genoeg voorlopig. En een paar nieuwe wandelsokken, want de paren die ik nu draag hebben weliswaar nog steeds geen gaten, maar ze lijden aan hiel- en teenverharding, vervilting heet dat, maar het woord vervilting is me te lief. Enfin, ook daarover moet een verkoper maar eens iets verstandigs zeggen. Er staat mij de komende uren veel verrassends te wachten. En dat wilde ik even kwijt.
Ik had natuurlijk even kunnen wachten met dit stukje en eerst naar de buitenboer kunnen gaan. Had ik daarna kunnen vertellen hoe een en ander was afgelopen en zou ik toch weer over het verleden hebben zitten zeuren.

O ja, als alles goed gaat, kook ik vanavond. De ingrediënten liggen al in de keuken.

09 januari 2020

Verjaardagen in januari

De verjaardagskalender op het toilet begint zijn nieuwe ronde. Alleen al in de eerste week vallen me de gaten op. Zo staat de overlijdensdatum van mijn schoonmoeder er nog niet op, terwijl het er op lijkt dat Onno intussen zijn 75ste verjaardag vierde afgelopen vrijdag. Was het maar waar.
Dan zijn er ook nog vriendjes van vroeger van wie ik, afgezien van Loek, nooit de naam op een kalender tegenkwam, maar nog maar al te goed weet wanneer ze jarig zijn. Gisteren was dat dus Loek. Zijn verjaardag op de achtste januari betekende niet alleen een feestje, maar ook de laatste pepernoot. Ik zorgde er op vijf december voor dat ik nog wat pepernoten overhield tot 8 januari. Onder pepernoten versta ik die hoekige, met dikke duimen geknede brokken, waarvan het deeg, eenmaal zachtgekauwd, zo tussen je tanden blijft zitten.
De vijfde december voorbij werden die dingen van steen, markeringen in de tijd, en van de smaak bleef vrijwel niets over.
Het was dan ook meer een ritueel experiment, dat bewaren van die pepernoten. Veel waren het er ook niet. Ik at er hooguit eentje in de week, maar de laatste nuttigde ik onderweg naar Loek. Het was de afsluiting van de kersttijd, zou je kunnen zeggen. Met Loeks verjaardag begon het nieuwe jaar pas echt.

Na Loek (kleuter- en lagere school) kwamen Aad en Gerrit. Met Aad zat ik al jaren op school, maar de overgang naar de middelbare, en dan vooral de fietstocht heen en terug, bracht ons nader tot elkaar. Hij was jarig op de dertiende van de dertiende, zei ik graag, en dat vond ik wel een goede grap, al kan ik me niet herinneren dat er ooit ook maar iemand om gelachen heeft. Halverwege de middelbare school liepen onze wegen uiteen.

Vandaag is Gerrit jarig. We waren een jaar of zes dikke vrienden. Samen vakantie vieren, samen in de tuin, samen verkering met twee vriendinnen. En toen was het ineens voorbij. Het was vooral een kwestie van onverenigbaarheid van karakters, al kom ik een doodenkele keer nog wel eens een schim uit het verleden tegen die zich erover verbaast mij te ontmoeten zonder dat Gerrit erbij is. Vandaag is hij dus jarig, onze Gerrit. Als hij nog leeft.

Nu is de eerste actuele verjaardag op de kalender die van Harm. Ik vraag me af waarmee ik hem kan gedenken. Ik heb nog twee dagen.

07 januari 2020

Zacht papier

Behalve sigarenbandjes en suikerzakjes (en postzegels, en sierranden van behangselpapier en vogelveren, schelpen, gedroogde bloemen en… en… en…) spaarde ik ook een tijdlang sinaasappelpapiertjes. Ik kom daarbij uit in 1960, ergens in het midden.

Ik was niet de enige die ze spaarde, nicht Ineke deed het ook. Ze woonde een kleine vijfhonderd meter verderop.

Graag ook breng ik mijn blauwe koffertje in herinnering, amper groter dan een schoenendoos. Het heeft me een aantal jaren vaak vergezeld en zich daarbij ontfermd over allerlei inhoud en dus ook over het sinaasappelpapier. De combinatie van koffer en deze inhoud was ideaal. De zachte dunne velletjes hadden al een verleden en een lange reis achter de rug als verpakking van een sinaasappel en dat verleden bleven ze ook na het glad strijken met zich meedragen. Ze namen meer ruimte dan ze zouden doen in ongebruikte staat. Ze waren donsachtig geworden. En ze roken lekker.

Zo liep ik dus op zaterdagmiddag, voor of na de padvinderij, met een vol maar toch vederlicht koffertje naar Ineke om te zien of we nog wat te ruilen hadden. Ineke was vier jaar ouder. De ruil was een familiegebeurtenis. We zaten aan de huiskamertafel en meestal zat Tante Nel er ook bij. Oom Jan keek toe vanuit zijn luie stoel. Mijn grote neef Ab was er doorgaans niet, maar er waren wel meestal een of twee andere nichten.

De sinaasappelpapiertjes kwamen te liggen op het dikke tafelkleed, waarvan vooral het goud van de opdruk me zo aansprak, en anders wel het oranje, geel of azuurblauw.

Er was veel licht in de kamer en er waren die vriendelijke mensen. Het tafelkleed was zacht en niets was mooier dan het zijdepapier dat voor ons lag en Ineke en ik waren het vanzelfsprekende middelpunt van wat zich op dat moment in die kamer afspeelde. Je moest wel uitkijken dat je je thee niet omgooide per ongeluk.

Ik moet er aan denken nu ik zie dat er in de fruitschaal mandarijntjes liggen met wat ik toch maar sinaasappelpapiertjes blijf noemen. Die dunne velletjes ben ik altijd blijven verbinden met het koffertje op zaterdagmiddag en het ruilen met Ineke, aan die tafel aan de Emmastraat waar alles zou licht en rustig was. Vandaag begrijp ik ineens waarom.

In de weken vanaf Kerst tot halverwege januari, precies zestig jaar geleden, logeerde ik er. Dat had te maken met het ongeluk dat mijn vader overkwam op de avond van de 24ste december. Ik voelde me toen verbannen uit mijn huiselijk paradijs, maar was er tegelijkertijd ook wel blij mee dat anderen zich om me bekommerden. Ik merkte ook dat men vooral heel aardig tegen me probeerde te zijn.

Die hele ruilactie zal een half jaar later gespeeld hebben. Voor mij lag het logeren al ver achter me, maar voor hen was ik het jongetje dat een half jaar daarvoor weken lang in het gezin had meegedraaid. Het jongetje dat toen zo uit zijn doen was.

06 januari 2020

Weinig mis

Het hangt er wel een beetje van af hoe ik ga zitten, maar Radio 4 stoort. Daarom zet ik de radio op mijn bureau maar weer uit. Jammer.
Deze maandag laat Annette op haar site een paar fraaie etsen zien. Als ik ze goed wil bekijken op het scherm, beginnen de scherpe lijnen te beven, ze worden onscherp. Het doet pijn aan mijn ogen. Ik klik ze weg.
Door de vitrage zie ik hoe er een spreeuw in de boom zit voor mijn raam. Spreeuwen zijn mijn lievelingsvogels. Ik leg nu even niet uit hoe dat komt. Deze spreeuw zat er al toen de radio nog aan stond; ik kan niet goed zien of ie nu naar me toegewend zit of omgekeerd. Ja, nu pas, nu er iemand iets door de bus gooit en hij wegvliegt: hij zat met zijn rug naar me toe.

Er is een oud-leerling van me overleden. 53. ALS. Ik geloof niet dat ik haar na haar middelbare schoolperiode nog heb gezien al zat ze jaren bij me in de klas. Of we elkaar bevriend hebben op Facebook weet ik niet eens, al kwamen we elkaar daar wel af en toe tegen, als delers van vrienden en dan stuurden we elkaar een groet. De lijnen liepen via haar literaire zus. Met haar moeder, ook jong overleden, zat ik nog even in een poëzieleesclubje.

Mirjam had felle ogen als brugklasser. Ze kon goed lezen, schrijven en acteren. Voor dat laatste moest je bij mijn collega Jan de Bruin zijn. Ik herinner me nog een klein rolletje in het jaarlijkse toneelstuk. Deze keer was zij de koningin: niet alleen van het toneel van dat jaar, maar ook ín het stuk speelde zij die rol. Ik moest, en ik weet echt niet meer wat de ins and outs waren, opdraven als zanger. Misschien om haar met een blues tot rust te brengen. De tekst kwam ongetwijfeld van Jan, de melodie draaide ik in elkaar met Dirk Hoekstra, dat was in een kwartiertje gepiept. Met een paar simpele akkoorden waren we er zo mee klaar. Ik moest zo laag mogelijk zingen.

Ze keek me indringend aan vanaf haar hoge troon en ik zong mijn lied. Het stuk werd drie of vier keer opgevoerd die week en ik ben ongetwijfeld een van de avonden gebleven, maar de andere keren fietste ik ervoor naar school, zong mijn liedje voor Mirjam Schaap, en fietste weer terug naar huis.

Er is weinig mis met vandaag. Een beetje ontdaan, dat is alles. Niet iets om het over te hebben.

05 januari 2020

Schrale troost

Het gesprek met de nicht gisteren eindigde met foto’s van Nieuw-Zeeland, want daar gaan zij en haar man binnenkort weer heen. Maar voor het zover was, bleven we hangen bij de naweeën van de oorlog. Zo kwam oma Van der Veen de schok van de dood van haar man niet te boven. Hoewel die al in september ‘44 was omgebracht, moest de familie nog twee jaar wachten voor duidelijk werd wat hem was overkomen. Die twee jaren van spanning waren teveel voor de grootmoeder. Zij overleed kort nadat bekend was geworden wat haar man was overkomen.
De moeder van de nicht trok in bij een bevriend gezin. Daar kwam als maat van de zoon des huizes ook een jongen over de vloer die zijn oog liet vallen op deze nieuwe, kordate huisgenote van zijn vriend en haar oog bleef rusten op deze jongeman. We kunnen kort zijn: vandaar dat nu de nicht als onze nicht op de bank zat.

Mijn schoonouders hebben elkaar leren kennen in Brabant, in de oorlog, toen Mentes vader daar ondergedoken zat, maar wel af en toe naar de kerk ging en daar minder op de preek lette dan op het meisje voor hem.
Mijn ouders waren net een paar jaar ouder dan mijn schoonouders en dat luistert nauw. Zij waren al anderhalf jaar verloofd toen de Duitsers Nederland binnenvielen. Je kunt dus rustig stellen dat Hitler in ieder geval op geen enkele manier ook maar het kleinste handje heeft gehad in mijn verwekking.
Dat neemt niet weg dat er heel wat mensen rond moeten lopen die er zonder de Tweede Wereldoorlog niet zouden zijn geweest. Mente, haar nicht en ook haar man wist te vertellen dat ook hij de vrucht was van een door de oorlog bepaalde ontmoeting. Dat was dus drie van de vier.

Zijn verhaal schoot er bij in, omdat we het ook nog zouden hebben over Nieuw-Zeeland en we niet onbeperkt de tijd hadden vanwege een jarig kleinkind van hun kant dat nog bezocht ging worden en daarna was er nog de verjaardag van de neef die vernoemd was naar de schietende oom uit het stukje van gisteren.
De neef, het kleinkind van de nicht, maar ook onze kinderen en kleinkinderen, een heel volk intussen dankten, drong tot me door, zijn bestaan aan de Tweede Wereldoorlog. Toen ze vertrokken waren, had ik even de neiging om mijn schoenen en jas aan te doen en aan te bellen bij de buren links, rechts, aan de overkant en nog een paar. Ik wilde wel weten of ook daar niet mensen woonden die er niet geweest zouden zijn als hun ouders, grootouders of (afhankelijk van wie de deur open deed) overgrootouders elkaar niet hadden leren kennen door de grillen van die oorlog.
Misschien had, schrale troost, die dan toch ook nog iets goeds voortgebracht.

Ik ben toch maar binnen gebleven,

04 januari 2020

Zozo

De grootvader van onze nicht zat in het verzet en is in de oorlog gefusilleerd en haar vorig jaar overleden moeder vond het haar lange leven lang niet nodig om vakantie te vieren in Duitsland. Meer wist ik niet.
Maar nu Mentes nicht en haar man op visite zijn wil ik toch wel eens wat meer weten. De nicht vertelt dat haar grootvader en een van haar ooms in het verzet zaten. De andere oom was daarin niet actief maar de bezigheden van zijn vader en broer straalden wel op hem af. Ook hadden de twee jongemannen de leeftijd om opgepakt te worden voor de Arbeitseinsatz. We leven dan in 1944. Opa van der Veen is architect en hij heeft onder het huis een onvindbare schuilplaats gemaakt voor de jongens en voor zichzelf. Wel is er voor de nodige ventilatie een minuscuul raampje of luikje dat in de achtertuin pal boven de grond uitkomt. Alleen als dat openstaat, kun je het zien.

De familie wordt verraden en op een vroege morgen vindt er een overval plaats. Vader staat de Duitsers te woord, maar dan heeft hij al op het geheime belletje gedrukt waarmee de jongens gewaarschuwd kunnen worden in hun schuilplaats. De Duitsers doorzoeken het hele huis, maar vinden niets. Pas als een van de soldaten de tuin in gaat, ziet hij het kleine luikje. Het staat nog open. Hij slaat alarm. Daarvan worden de jongens wel wakker. De Duitser schiet. De verzetsbroer heeft een pistool en schiet terug. Vervolgens breken de jongens uit en brengen zichzelf in veiligheid. Er blijft wel een stukje vinger achter in de tuin.
De vader wordt meegenomen. Als zijn dochter nog even naar hem toe wil, al was het maar om afscheid te nemen, wordt ze weggeslagen. In september, als de Duitsers vanwege Bijltjesdag in paniek raken en kamp Vught moet worden ontruimd, worden veel gevangenen snel doodgeschoten, ook vader Van der Veen.
Het belletje of het raampje? De jongens verwijten het vooral zichzelf dat ze niet alert genoeg geweest zijn en zo hun vader de dood in hebben gestuurd. De student aan de Technische Hogeschool in Delft stopt zijn studie en gaat theologie studeren. De ooms van onze nicht, we hebben het over de voor ons koude kant van haar familie, hebben die gebeurtenissen in ‘44 nooit los kunnen laten. Ze zijn intussen al jaren dood.

Sinds Zwarte Schuur van Oek de Jong, met de ernstige misstap van de 14-jarige hoofdpersoon Maris, maar ook met de schuld die zijn vrouw ervaart als het gaat om de dood van haar eerste man, kom ik het telkens tegen, een dramatische gebeurtenis die iemands verdere leven bepaalt. Ook hoe een omgeving wordt meegezogen. In het boek de dochter van de verongelukte man. Ik denk aan de ouders van de twee jongens die vuurwerk afstaken. Ze zullen nooit meer die flat wonen. De vrouw die de bank in het trappenhuis neerzette? Ze moet verhuizen. En dat is nog maar één ding.

Ik heb geen behoefte aan om na te gaan wat er via sociale media aan geslachtsdelen, ziektes en manieren van executie worden genoemd om de jongens, de vrouw en hun dierbaren te kwalificeren. Aan het wereldnieuws waarin ook al een lijk de voorpagina’s haalt, durf ik me niet te wagen. Zojuist stuurde Pieter me een fotootje van hun huis in Nieuw-Zeeland, op drie uur vliegen van Australië. De lucht is er bloedrood.

Twee-punt-nul-twee-punt-nul is begonnen. Klaasje las op nieuwjaarsdag per ongeluk ‘zozo.’
Tot nu heeft hij het gelijk aan zijn kant.

03 januari 2020

Van Nellesteijn

Waar we elkaar eerder hadden gezien, meneer Van Nellesteijn en ik, wisten we niet, maar de tram leek ons uiteindelijk nog het meest waarschijnlijke. Lijn 3 van de HTM, of anders lijn 6. Niet dat het er toe deed, maar het kwam nu eenmaal zo ter sprake bij onze nadere kennismaking.
Niet meteen overigens, we waren al even in gesprek. We zaten schuin tegenover elkaar, bij de hoek van een vierkante tafel waaraan geen einde leek te komen.
Het is een aangename opstelling voor een gesprek. Je hoeft elkaar niet voortdurend in de snufferd te kijken en je hoeft ook niet je best te doen om eens een keertje niet op de blik van de ander te stuiten, terwijl je tegelijkertijd ook gelegenheid hebt om elkaar even veelbetekenend, vragend of relativerend aan te kijken.
Dat meneer Van Nellesteijn in de naaimachines zat, wist iedereen. Hij verdiende zijn brood met de verkoop van de meest geavanceerde gevallen, al liet hij zijn ziel en zaligheid meer hangen aan de enorme collectie oude naaimachines. Daarmee had hij heel wat bekendheid gekregen en dat maakte hem tegelijkertijd succesvol als verkoper van nieuwe modellen. Nogmaals, dat wist iedereen. Het staat uitgebreid beschreven en komt veelvuldig terug in het boek waarvan Van Nellesteijn de hoofdpersoon is.
Ik had een verzoek ingediend voor een interview met hem en daarin was toegestemd.

Hoewel ons gesprek geanimeerd was en we bij onze eerste kop koffie al toe waren aan een tweede stuk appelgebak, was ik nog niets op het spoor gekomen dat ik als lezer nog niet wist. Wel merkte ik dat het niet meeviel om een bevredigende reactie te krijgen op wat ikzelf voor de hand liggende vragen vond.
Zo kon ik bijvoorbeeld - zo’n gesprek levert ook spanningen op - even niet op de naam van de auteur komen en die vroeg ik daarom aan hem.

‘Auteur? Auteur? Wat bedoel je met auteur?’
Ik legde hem uit wat dat was alsof ik te maken had met een kind van vier of jonger.
‘O, bedoelt u dat? Maar dat is toch volstrekt irrelevant, zo’n schrijver. Die bestaat in zekere zin niet eens. En als die dat wel doet, dan leeft hij een volstrekt minderwaardig en onbeduidend bestaan. Zij of hij, ik weet eigenlijk niet of de behoefte tot schrijven genetisch bepaald is, zit maar een beetje vegetatief op een stoel te zitten en rommelt wat met papier of met knoppen waarop letters staan en maakt zichzelf met iedere pagina nog overbodiger dan bij de vorige. Een schrijver… Verschrikkelijk.’
Hij was in gemompel vervallen, nu viel hij wel een halve minuut stil.

‘Maar wat betreft die moord aan de Laan van Meerdervoort…’
Ik onderbrak hem. Over de toedracht en de nabetrachting daarvan had het boek me alles al verteld. Zelf had Van Nellesteijn al aangegeven dat hij tussen hoofdstuk 11 en 12, toen die moord moest hebben plaatsgevonden, niet in beeld was. ‘Ik was toen elders. En zelfs dat niet.’
Nogmaals, ik was niet geïnteresseerd in die moord. Ik wilde weten hoe Van Nellesteijn handen en voeten had gekregen, eerst van vloeibare en daarna opgedroogde inkt en ten slotte van literair bot en bloed.
‘Maar die auteur…’ begon ik.

‘Och heden, hou toch op over de auteur. Die bestaat niet. Die is het tegenovergestelde van wat ik ben. Die auteur is verleden en de tijd zal leren of hij ook toekomst had. We kennen hem of haar niet… Ik heb ingestemd met dit gesprek omdat ik veronderstelde een gesprek te mogen voeren met een gelijkgestemde geest. Vanwege uw naam.
Ik ben een voortdurend heden. Dat is wat ik ben.’
‘Maar uw historische collectie naaimachines dan?’
‘Zoals je die vindt op bladzij 23, 75, 92 tot en 95 enzovoort enzovoort? Dat is voortdurend heden. Leest u er bladzij 23, 75 en verder maar op na.’
‘En die tram?’
‘Daar lijkt u een punt te hebben. Geef ik toe. U kent de zesde herziene druk nog niet. Komt binnenkort uit. Bij ons kopje koffie past wel een derde appelgebakje, vindt u ook niet?’

02 januari 2020

Ondag

We kwamen regelmatig langs een speeltuin, onderweg naar het Spoorwegmuseum. Lukas stelde telkens wel voor om even af te stappen, maar eigenlijk was hij het wel met me eens: dit was geen weer voor een speeltuin.

In het museum (maar eigenlijk ben je dan al halverwege) maakten we een moment van de entree. Een paar dagen geleden werd Lukas namelijk vier en daarom heeft hij een kindermuseumkaart. Vandaag zou de kaart voor het eerst gebruikt worden. De jongen die de kaartjes knipte had het druk, maar hij had blijkbaar voldoende training achter de rug of beschikte over voldoende invoelend vermogen om aan het momentum bij te dragen door Lukas te feliciteren.
Op het buitenterrein van het museum nam die nog even een glijbaan. Daar hield hij een natte kont aan over en dat vond hij maar niks. Had hij een paar tellen gewacht, dan hadden anderen de twee glijbanen voor hem drooggegleden. Het kleine treintje wilde hij nog per se in, maar hij zat te blauwbekken in zijn wagonnetje.
Dat weerhield hem er niet van om toen we thuiskwamen – en hij zat voorop, zonder wanten – nog even in de achtertuin te voetballen. Ik deed mee, maar was liever meteen naar binnen gegaan. Met een kerstboom in de buurt is het leven een stuk aangenamer.

Ik moet er nog aan wennen, aan dat 2020, maar het klinkt wel als een uptempo. Misschien heeft dat ook te maken met al die twee-punt-nullen waarmee de afgelopen jaren werd gestrooid. Maar toen gisteren Klaas (6) een tekst voorlas en 2020 per ongeluk uitsprak als zozo, had dat een teken kunnen zijn. In ieder geval voor vandaag.

Toch was het een bijzondere dag, er wordt namelijk een tijdperk afgesloten. Een kind zit doorgaans twee jaar voorop bij me op de fiets, van zijn tweede tot zijn vierde. Tot nog toe werd de kleuter dan verdrongen door een volgende generatie, maar dat is nu nog even niet het geval. We hebben nog een half jaar. Maar belangrijker is dat die kinderen dan naar school gaan en grootouders door omstandigheden in de richting van de periferie van de leefwereld beginnen te schuiven.
Daar is in de beleving van Lukas nog absoluut geen sprake van, maar ik denk dat ik het over een paar weken al zal merken.

We hebben er op geen andere manier aandacht aan besteed, aan het memorabele van deze dag natuurlijk. Alleen in het museum vroeg een grootmoeder hoe oud Lukas was.
‘Ben je drie?’ vroeg ze. Ze had natuurlijk moeten vragen of hij al vier was.
‘Ik ben vier,’ zei Lukas en als bewijs rukte hij vier vingers uit zijn Brusselse wafel met slagroom en stak die in de lucht. ‘Deze week geworden,’ voegde ik er aan toe om de vrouw een beetje tegemoet te komen, al had ze dat eigenlijk niet verdiend.
‘O,’ zei ze, ‘dan ga je naar school.’
‘Ja, maandag.’
Dus Lukas wist het allemaal.
Misschien verklaart dat waarom hij op alles nee zei, de tweede helft van de middag. Ook tegen de pannenkoeken die hij uiteindelijk in een paar minuten op had, op deze memorabele ondag.

01 januari 2020

Vuurwerk

Bij het fort verkochten de scouts oliebollen en flappen. Kleinzoon Klaas van zes was er ook; hij stak me nog gauw het muziektentje uit de AH-serie toe, want hij had gezien dat we die nog niet hadden. Wist hij het zeker? Hij wist het zeker en hij had inderdaad gelijk, zag ik later.
Onderweg van huis naar fort, op de fiets, viel me op dat er in de wijk meer en harder geknald werd dan vorig jaar. Dat heeft met leeftijd en geslacht te maken. Jongetjes tussen de negen en de vijftien zijn gevaarlijk.
Er stoof een vrouw het huis uit omdat de Tesla stond te loeien. ‘Wat is er mama!’ schreeuwde het meisje van zes dat de paniek van haar moeder aanvoelend en daarin in meegaand achter haar het tuinpaadje afholde. ‘Er is vuurwerk tegen de auto gegooid.’ Ik nam aan dat het wel meeviel. De daders waren zojuist de hoek om gerend en verschansten zich nu in het poortje waar ik net uit kwam. Zei ik daders? Er was er maar eentje, een jongen van twaalf, schat ik, en er waren drie kinderen van negen die met hem mee renden, twee meisjes en nog een jongen. Ze hadden de paniek in hun ogen. De daad van het vuurwerk ging ze te boven.
Een paar honderd meter verderop knalde een afvalbak uit elkaar, aan de overkant van het water. Weer een dader van twaalf en drie jongere volgelingen, iets groter dan die van de Tesla. De dader liep met pokerface verder. De anderen lachten hard om het onverwachte effect, maar keken intussen schuldbewust naar de man die aan de andere kant van het water langs fietste. Die was op weg naar de oliebollen en hij had nog geen muziektentje in zijn zak. Die kinderen verslingeren zich aan iets dat groter is dan zij zelf zijn. Tovenaarsleerlingen waren het.
Ik was zelf ooit een meeloper, vooral Henk kon er wat van, van vuurwerk afsteken. Ik zocht mijn heil bij Henk, die intussen ook een gevaar was voor zichzelf. Nu fietste ik langs Henkies links en rechts met een trosje kleintjes in hun kielzog en met indrukwekkend en onbeheersbaar explosief materiaal in zakken en handen.

Vorige week deed Bram een stap naar me toe en trok hij mijn kraag recht. Twee dagen later knoopte Martijn het onderste knoopje van mijn gilet los. Zo hoorde dat, zei hij. Siem bevestigde dat door nadrukkelijk instemmend te knikken toen hij zag dat ik wat vreemd opkeek van deze goedbedoelde handtastelijkheid. Vanmorgen draaide David het speldje op mijn revers recht. En gistermiddag dus stopte Klaas van zes me de muziektent toe waarvan hij wist dat we die nog niet hadden. Er wordt, met andere woorden, goed voor me gezorgd en dat geeft vertrouwen voor 2020. De mensen kijken naar me om alsof ze mijn moeder zijn. En kinderen die vuurwerk afsteken kijken me schuldbewust aan. Maar ze gaan wel door.

In Arnhem heeft men elkaar gelukkig nieuwjaar gewenst vannacht, in een flat aan het Gelderseplein. Een uur later twee doden, een man van 39 en een jochie van vier, de twee anderen uit het gezin zwaargewond.
De daders hebben gisteren ongetwijfeld heel wat afgestoken en ze voelden zich de binken, al bleven ze wel dicht bij huis. De Flat. Het zou zomaar de titel kunnen zijn van een roman, van een tragedie zonder eind. Ik stelde me voor hoe een van die jongens over dertig jaar terug zou gaan naar het Gelderseplein, misschien wel voor het eerst, en dan omhoog zou kijken naar de flat, het trappenhuis, de liftkoker. Schichtig, bang om gezien en herkend te worden.

31 december 2019

Weglopers

Het gevaar van een bezoek aan Madurodam is natuurlijk dat je onmiddellijk vervalt in het ophalen van herinneringen. Ik zit dan ook te popelen om er een paar los te laten. We doen het niet, dit met het oog op de generaties die na ons komen.
Madurodam bevat veel stof voor nostalgische overwegingen, vooral nu er op allerlei besneeuwde mini-marktjes mini-mensjes bezig zijn om reusachtige minikerstboompjes op te tuigen. Villa Nostalgia. Maar het nieuwe station van Utrecht is er ook te vinden, al ziet de centrale hal er vies en leeg uit. Daar moet nodig iets aan gedaan worden. En niet alleen daaraan.
Mente nam vergoelijkend aan dat er de komende maanden, zonder veel bezoekers, hard gewerkt zou worden om de verschillende disfunctionerende apparaten en aftandse modelletjes weer 2020-fähig te maken, ik moet het nog zien.
En dat zal ik ook zeker doen, want Madurodam is een park van de toekomst. Gisteren gingen we er naartoe met Liesje en Klaas, wie weet doen we dat nog wel een enkele keer met die twee, maar in ieder geval, met een volgend lichtinkje kleinkinderen. Als ons daartoe de tijd gegeven is, want ook dat leerde 2019: er hoeft niet veel te gebeuren om je agenda overbodig te maken.

In haar wekelijkse rubriek Mooie Maandag neemt Annette Fienieg deze keer etsen op van Mikael Kihlman. Kijk maar eens: https://www.annettefienieg.nl/2019/12/30/mooie-maandag-mikael-kihlman/. Etsen, en dat zal verklaren waarom het werk me aanspreekt, gedeeltelijk dan, het heeft meer nog te maken met die voor de kijker uit lopende mensen. Het lijken, dat komt door het zwart-wit van etsen, mensen van vroeger, al meen ik er ook straten van vroeger in te herkennen. Vooral de oude Loosduinse Wilhelminastraat van vroeger herken ik, zij het zonder aanplant. Er lopen mensen voor ons uit. Die ons zijn voorgegaan, zou ik vroeger op Oudejaarsavond gehoord hebben als in de laatste kerkdienst van het jaar de doden werden herdacht die geen Nieuwjaar meer te wachten stond.

In Madurodam blijven Liesje en Klaas bij ons in de buurt maar op een gegeven moment rennen ze voor ons uit. Dat is als we op het pad terechtkomen dat als een ringweg om het mininiatuurstadje loopt. Ze hebben lol samen. Liesje danst en zelfs aan de rug van Klaas kun je zien dat hij er zin in heeft. Het is een kwestie van perspectief: wie ons zijn voorgegaan of wie wij achterlieten. Verleden toekomst.

Wij zijn het heden, Mente en ik.
‘Wil je met me trouwen?’ vraag ik haar.
‘Graag,’ zegt ze. ‘Wanneer?’
‘Nu even heel vlug en straks nog een keer als er niemand bij is. Ik zal ook je getuige zijn.’
‘En jij de mijne.’

29 december 2019

Stark

Ik lees De weglopers, een boekje van Ulf Stark. Een voordeel van kinderboeken is dat je er je gemiddelde aantal gelezen boeken flink mee kunt opschroeven. Ik ben nu halverwege en het is al het tweede boekje van Stark dat ik lees vandaag. Dat moest van Koos. Er zijn nog een paar redenen voor me om graag een kinderboek te lezen. In het betere boek kom je vaak een taligheid tegen die je in romans voor volwassenen niet tegen komt, wel in poëzie. Het heeft met taalspel te maken. Dan zitten kinderboeken vaak in een aantrekkelijk kaft, zijn er fraaie illustraties en dan zijn er nog typografie en papier. Met Kerst trakteer ik al mijn dierbaren op een boek. Soms overweeg ik iedereen een kinderboek cadeau te doen, wat behalve de kleinen ook twee volwassenen is overkomen.
Er gebeurde meer vandaag. Zo was ik ook op de verjaardag van Lukas. Gisteren vertelde hij nog dat hij vandaag niet jarig zou zijn, maar pas morgen, maar dat ze het morgen thuis zouden vieren omdat hij maandag naar het kinderdagverblijf ging. Dergelijke informatie wordt aanmerkelijk boeiender als die komt uit de mond van een nog driejarige. Maar vandaag vertelde hij bij binnenkomst enthousiast dat hij dit jaar twee keer jarig was, vandaag en morgen. En ook dat klonk me aangenaam in de oren, zoals ik ook vrolijk werd van de opmerking die hij maakte tegen zijn grote neef van zes dat dit zijn ‘mooiste verjaardag ooit’ was.
Ik hoorde en zag het allemaal aan, met af en toe een kind op schoot of een lego-autootje of een kop koffie. Er waren twee opa’s op de verjaardag en twee, nee, drie oma’s, van wie eentje een overgroot.
Thuis las ik verder in De weglopers. Het gaat over een knorrige en zieke grootvader en zijn kleinzoon. Ze hebben een hechte band en gaan, hoe onverstandig dat ook lijkt, samen op avontuur. Je komt ze tegen in boeken en in liedjes, die opa’s en hun kleinkind en meestal ligt daarbij het perspectief bij het kind. Mij lijkt het voor de variatie wel eens leuk om het te vertellen vanuit die opa. Dat heeft als praktisch probleem dat in genoemde boeken en liedjes de opa doorgaans doodgaat, maar een beetje een schrijver zou daardoor juist getriggerd moeten worden, lijkt me.

Nee, ik weet niet hoe De weglopers afloopt, ik heb niks verklapt. Ik spreek alleen maar een verwachting uit. Een beetje een schrijver zet de lezer makkelijk op het verkeerde been.
En Ulf Stark is een heel goede schrijver, dus dat zit wel goed.

28 december 2019

Met eerbied’ge schreden

Omdat ik wilde fietsen trok ik giletje en jasje uit en toen stond ik dus alweer mijn mail te checken. En omdat ik ook ouwe schoenen aan wilde betrapte ik me even later op afwezig geblader. Ik sprak mezelf daarom vermanend toe: spoed nu ook jij je met eerbied’ge schreheden.
Dat was wel een bijzondere gewaarwording. Niet alleen liep ik vervolgens trefzeker naar de kast waarin die ouwe schoenen stonden maar ook kon ik me plotsklaps niets voorstellen bij dat wat het oude lied van ons verlangt.

De hemelse englen
riepen eens de herders
weg van de kudde naar 't schamel dak.
Spoeden ook wij ons met eerbied’ge schreden!
Komt, laten wij aanbidden
komt, laten wij aanbidden
komt, laten wij aanbidden die Koning.

De eerbied´ge schreden levert me geen probleem op. Ik doe gewoon dat jasje weer aan, trek de knoop van een stropdas wat dichter om mijn nek en stap in die schoenen met gladde zolen. Voila: ik schrijd. Ik buig het hoofd een beetje en het ziet er al tamelijk eerbiedig uit.
Spoeden kan ik ook; daar was ik zelfs juist mee bezig toen ik me losrukte van mijn geblader en snel de overloop nam om die schoenen aan te trekken die ik intussen aan mijn voeten heb, gestrikt en wel. Niet die mooie met de gladde zolen - die droeg ik alleen even in gedachten-, maar die ouwe aangename aftrappers.
Maar de combinatie? Ik probeerde het terwijl ik de trap af liep. Het lukte niet. Op het tuinpad naar de schuur.

Misschien moest ik me eerst verplaatsen in die herders die gemaand werden om naar die koning te gaan. Zij gingen op bevel van de hemelse englen weg van de kudde naar ’t schamel dak om daar die koning te aanbidden. Wij, op onze beurt, worden gemaand om hun voorbeeld te volgen.
Dat betekende niet dat ik weer naar boven moest om sandalen aan te trekken. Ik kon niet bezig blijven. Ik was trouwens de poort al uit gefietst.

Plotseling zag ik Klaas voor me, in gedachten. Van de week toen hij me uitzwaaide, het was al donker, vroeg hij met zijn voeten op de deurmat of hij nog een dropje mocht. Dat was goed, maar hij moest het maar komen halen. Ik kwam het niet brengen en de dropjesdoos staat in de auto.

In de haast schoot hij, zes, in schoenen van zijn vader, 38, en liep zo snel als die schoenen dat toelieten naar de auto. Dat was een soort spoeden met schreden en ook was er een aandacht die in de verte iets weg had van eerbied. Heel in de verte. Misschien. Amper eigenlijk. Misschien wil ik dat er alleen maar in zien, nu.

Ik kom er niet uit. Het spijt me. Ik geef het op. Laat mij maar fietsen.

26 december 2019

Hohoho

De dag begon met Abeltje. Liesje logeert hier en zij vertelde dat om negen uur al Abeltje op tv zou komen, de film natuurlijk, niet het boek. Nu ben ik geen filmliefhebber, maar kinderfilms kan ik wel hebben en met een kind naast me wordt het zelfs bijzonder aangenaam om naar een film te kijken. Daarna wachtte het grote werk. Ik zou de bietencarpaccio doen.
Vooral het snijden van de bieten leek me een klus, maar mijn culinaire zoon had daar natuurlijk iets voor in huis, een zogenaamde mandoline. Ik ben nog wel een tijdje bezig geweest om het ding zo af te stellen dat de plakjes er heel dun uit tevoorschijn zouden komen en helemaal tevreden was ik niet, maar ik kon goed leven met het resultaat en het ging veel sneller dan ik had gedacht. De meeste tijd ging zitten in de walnoten. Maar ook die vormden een bron van vreugde omdat het noten uit eigen tuin zijn. Om de vreugde te verhogen werden er extra veel noten gepeld.

De weg naar Kerst leidt al sinds jaar en dag langs enkele boekhandels. Alle gasten met Kerst krijgen een boek. De keuze daarvan vindt plaats zonder last, ruggespraak en gezelschap. Alleen Dorothé van de Kinderboekwinkel mag me helpen. Dat neem niet weg dat een enkeling mij wel eens iets influistert, maar dat kan ook tegen de fluisteraar gebruikt worden, al zal ik nooit om die reden met een boek komen dat niet bevalt, dat zou niet passen. Dat zou regelrecht indruisen tegen de kerstgedachte.

Hoe dan ook, het uitreiken van de boeken is een momentje waar ook de kleinkinderen goed van doordrongen zijn, dus wilde Liesje weten wanneer dat zou gebeuren.
‘Als iedereen hier in huis is.’
‘Maar dat is toch pas als we naar het Kerstival in het museum zijn geweest!‘ Ik hoorde wat lichte teleurstelling in haar stem, maar daar liet ik me niet door vermurwen. Liesje zelf was er ook niet zo gevoelig voor, want ze besloot een kunstwerkje te maken voor alle gasten. Halverwege het eerste stukje wijzigde ze haar plan: ze zou voor ieder gezin een werkje maken, dat scheelde enorm. Ook dit plan werd enigszins bijgesteld: na twee werkjes met strijkkralen, ging ze verder met een paar kleurplaten die mensen zelf af mochten maken.

Dat nam niet weg dat de mensheid aan het eind van de middag getrakteerd werd op een kunstwerk en een boek, waaruit moge blijken dat de cultuur in huize Borgdorff hoog gehouden wordt en de strijd tegen de ontlezing er onvervaard met de beste wapens wordt aangegaan: met boeken. Vol vreugde deelden wij onze goede gaven uit.
Het goud van Caspar, Melchior en Balthasar heb ik altijd wel begrepen, wierook en myrrhe niet. Ze hadden boeken moeten geven. Voor het kindje, voor Maria en Jozef en ook voor de herders. Een boek!

Dat neemt niet weg dat we morgenochtend om negen uur wel weer voor de tv zitten. Dan komt Minoes.

24 december 2019

Mijn kerstkaart

Mijn moeder overleed vier jaar geleden op de avond van eerste kerstdag. Die bijzondere sterfdag gun ik haar van harte en graag rijden we morgen naar haar graf om haar daar te groeten. Gelukkig hebben we ook kerstdagen meegemaakt waarop ze nog leefde. Jarenlang bracht ze die dagen bij ons door, eerst aan de singel en later in Tuindorp. Wij, de Borgdorffjes uit Utrecht zijn erg van Kerst en combineren dat graag met een paar kerkbezoeken. Dat beviel haar wel. De Borgdorffjes uit Drenthe (je vindt ze overal) hadden wat minder met die combinatie. Daarom ging ze daarna pas naar het noorden, eerst door er zelf heen te rijden, twee keer heeft ze de trein geprobeerd, maar uiteindelijk werd het een kwestie van halen en brengen. En dat deed iedereen met plezier, want mijn moeder wilde nooit iemand tot last zijn en juist dan is het aangenaam om iemand ter wille te wezen.
Enfin, ze zat dus doorgaans twee dagen voor Kerst al bij ons in huis en ze had goede oren. Dit moet je even vast houden.

Een wijde kring van mij dierbaren weten dat ik jaarlijks een kerstgedicht schrijf om dat per post of persoonlijk bij diezelfde dierbaren door de bus te laten glijden. Ik veronderstel dat die vaste gewoonte er de reden van is dat wij jaarlijks ook veel kaarten bezorgd krijgen. Het is een bron van vreugde.

Dat was het nog meer toen mijn moeder de dagen rond Kerst bij ons was. Ze hoorde iedere kaart. De postbode bezorgde ons dagelijks een plofje, maar veel spannender was de zachte klik van de brievenbus en een geluid dat aarzelde tussen geruis en het uiterst stille tikje waarmee een enkele kaart op de deurmat viel.
'Daar is er weer een!' zei ze dan. Die werd van alle kanten bekeken, door alle huisgenoten, en daarna opgehangen. Mijn moeder ging met haar ogen de guirlandes van kaarten langs en telde ze zoals ze vroeger als meisje in de kerk waarschijnlijk orgelpijpen telde, maar met veel meer vreugde.

Het aantal kaarten neemt al jaren af. We maakten jaren mee waarbij we over de 200 kwamen, vooral die keren dat ik rond Kerst ziek was en leerlingen zich op afstand om me bekommerden. We zitten nu iets over de veertig en ik vermoed dat we de zeventig nog maar net zullen halen. Als ik het mijn moeder vertel morgen, op eerste kerstdag, zal ze er beleefd over zwijgen, maar ze zal ook een beetje teleurgesteld zijn.

Ongetwijfeld trap ik mensen op hun goedbedoelende ziel als ik zeg dat ik digitale wensen niet meereken. Ik druk ze ook niet af. Ik weet het: digitale wensen ontzien het milieu en zijn geen onverantwoorde aanslag op portemonnees waarover ik niets te zeggen heb. Het is allemaal goed, maar ze tellen niet mee.

We brengen de dagen als vanouds door onder de kerstboom, gaan naar kerstdiensten van jongst, tamelijk jeugdig en behoorlijk oud. Het worden goede dagen. Leuk, mooi, fijn. En nu moeder niet meer komt, gaan we naar haar toe morgen.
'Daar is er weer een,' haar variant op Gloria in Excelsis Deo, spreekt ze niet meer uit. Maar telkens als er weer een kaartje binnenkomt, hoor ik het haar weer zeggen. En ik hoor dat zo graag.

23 december 2019

Oranje

Robbie kreeg zijn vriendje, Hans zat in de knel, er was iets Met z’n vieren en met Het geitje van Bertus, en Stille Nacht was van K. Norel. Dat speelde zich af in Indonesië en er kwam een bekering in voor. Dat boekje zou ook wel eens het laatste geweest kunnen zijn dat ik kreeg van de zondagsschool, want ik herinner me nog dat ik de naam Norel al heel goed kende als schrijver van De Engelandvaarders, die machtige trilogie die over de oorlogsjaren op Urk gaat. Dat werd niet alleen voorgelezen op diezelfde zondagsschool, ik had het thuis ook al gelezen.
Van de andere boeken kan ik me geen auteursnaam meer herinneren en ook geen inhoud, wat me er niet van weerhoudt bij Het geitje van Bertus de warmste gevoelens te hebben. De boeken, maar dit is typisch een opmerking achteraf, hielden gelijke tred met de economische opmars van Nederland in de jaren vijftig. Zo was het vroeg verkregen ‘Robbie krijgt een vriendje’ niet meer dan een fors katern waar een of twee nietjes doorheen geslagen waren, terwijl ‘Hans in de knel’ en Norels ‘Stille Nacht’ gebonden boeken waren.

Op eerste kerstdag waren er de reguliere kerkdiensten waarbij het orgel het luid gezongen Ere zij God aan de aarde vastspijkerde. Voor de eerste dienst was er kerststol met roomboter waarbij ik me altijd afvroeg wat ik met de klont spijs moest doen. Smeerde ik die uit over het brood of hield ik die apart om het ontbijt af te sluiten met die lekkere spijsbal? Tussen de diensten waren er pasteitjes, krabcocktails en er was een konijn, waarover ik het niet wil hebben omdat ik dan niet aan het eigenlijke punt van vandaag toekom.

En op tweede kerstdag was er in de kerk de even druk bezochte dienst van de zondagsschool. Dat ervoer ik als een hoogtepunt. Wij kinderen zongen dan voor in de kerk de gemeente toe, lazen het kerstevangelie en werden getrakteerd op een verhaal waarvan je halverwege een brok in je keel kreeg, maar aan het einde kwam alles goed, meer dan goed. Ja, dat was mooi.

De klap op de vuurpijl was het cadeautje waarmee je naar huis mocht: dat boek.

En een reusachtige sinaasappel. Die was helemaal voor mezelf. Ik vond het niet zo’n bijzondere traktatie. Sinaasappels waren tamelijk gewoon goed in huize Borgdorff. Mijn hart ging sneller kloppen van het papier waarin een sinaasappel wel verpakt zat, dan van de vrucht zelf. Als mijn moeder er eentje pelde dan at ik graag wat partjes mee. Ze waren lekker, maar ik had er een hekel aan om er mijn vingers aan vuil te maken en de pitten die erin zaten bevielen ook al niet.

Als gezegd: de sinaasappel van de zondagsschool was helemaal voor mezelf en dat betekende dat ik hem zelf ook moest pellen en in partjes moest ontleden. Ik denk niet dat me dat ooit gezegd is, maar daar ben ik toen als vanzelfsprekend vanuit gegaan, de rest van de familie waarschijnlijk ook.
Dus daar zat ik dan, aan tafel. Om mezelf nog een beetje ter wille te zijn koos ik de plek van mijn vader. De sinaasappel van de zondagsschool was groter dan de vruchten die mijn moeder doorgaans in huis haalde. Deze was groot, heel groot. Lastig, bijna onmogelijk om te rollen. De vrucht werd groter, mijn handen werden kleiner. Ik rolde hem over de tafel terwijl ik op het oranje gevaarte drukte om de schil een beetje los te masseren. Je kon voelen of het werkte. Maar als je eenmaal aan het pellen begon, was er geen weg terug. De sinaasappels van de zondagsschool waren groot en per definitie weerbarstig, met als gevolg dat ik eindeloos moest zitten plukken, aan een schil die onwillig losliet en bij je vingers scheurde. En na het oranje was er die verraderlijke witte tussenlaag. Als die niet een beetje meegaf, en dat deed die natuurlijk niet, dan scheurde je de sinaasappel open en droop het sap langs je vingers of het spoot eruit. Onder je nagels zaten de witte velletjes en het was meer uitzondering dan regel dat er een normaal partje in je mond verdween. Ik moet eerlijk zeggen dat ik geen bijzondere herinnering heb aan de enorme hoeveelheid pitten die ik daarna moest uitspugen. Dat viel nogal mee. Wel herinner ik me de taaie substantie die achterbleef in mijn mond, alsof het kauwgom was. Ik moest me niet laten kennen, dus die slikte ik maar door. Manmoedig en met lichte wanhoop. Als troost was er dan het boek.

Maar dit beeld dringt zich op bij tweede kerstdag. Ik zit aan tafel op de plek van mijn vader, met voor mij een krant en daarbij een bord en daarop een reusachtige, ik zeg reusachtige, sinaasappel.
Het is aan mij om dit klein te krijgen, maar daar moet ik nog aan beginnen. De bal is reusachtig, mijn handen zijn klein. Ik slik ervan.

22 december 2019

Foto’s

Het wordt me weer eens duidelijk dat het belangrijk is om zo minimaal mogelijk te leven. Al was het maar om administratieve redenen. De nabetrachting van een reis door Nieuw-Zeeland komt, een maand na thuiskomt nog, neer op het eindeloos bekijken, elimineren en bewerken, herordenen en vervolgens toch weer weggooien van foto’s. Om maar één ding te noemen. Van Ghandi wordt verteld dat hij leefde op een enkele rijstkorrel per dag. Ik heb dat nooit gecheckt en op internet vind ik zo gauw geen bericht dat dit klopt en zelf heb ik grote twijfels bij dit verhaal, maar ik heb het ooit gehoord en het is me bijgebleven.
Wat ik wil zeggen: om redenen van beheersbaarheid is een rijstkorrel meer dan genoeg. En zelfs die ene korrel zou met de nodige aandacht een boekenkast aan informatie met zich mee kunnen slepen, om het bestaan ervan een beetje recht te doen. En dat geldt ook voor de spijsvertering van Mahatma G en nog veel meer van de persoon zelf. En omdat alles met alles samenhangt, brengt het simpele voorbeeld van de rijstkorrel al hele bibliotheken in rep en roer.

Dat gebeurt ook bij de foto’s. Van gefotografeerde kunstwerken leg ik doorgaans ook de naam van het werk en de maker dan wel maakster vast, om het werk niet tot een lukraak ding te laten verworden. Bij vogels speelt mijn geweten in dit opzicht al steeds meer op en dat betekent dat ik tussen de foto’s door op zoek ga naar namen. Bij planten en bomen heb ik dat iets minder, maar ook daar overkomt het me wel dat ik op zoek ga.

Gelukkig regent het. Kan ik weer verder met de foto’s

21 december 2019

Op de voorpagina van Trouw

We beleven deze week de langste nachten en daarom was het wel een goed idee om in bed te ontbijten en dat gepaard te laten gaan met de dikke krant die al door de bus was geschoven. Vanaf de voorpagina van Trouw keek Rutger Bregman mij loom aan. Ik herkende hem vrijwel onmiddellijk, maar toen al had ik, o, snelle geest, een oordeel over de foto uitgesproken. Ik vond het niet prettig om zo aangestaard te worden door een vroege dertiger. Laat ik het zo zeggen: als die jongen bij me in de klas had gezeten, zou ik gezegd hebben dat hij recht moest gaan zitten en moest doen alsof hij geïnteresseerd was in wat ik stond te vertellen over het middeleeuwse heffingenvers. Ik bedacht ook nog dat ik ongetwijfeld niet leek op de persoon die de foto had genomen. In mijn geval zou Rutger me uit zichzelf al anders hebben aangekeken en een iets vitalere houding hebben aangenomen. Hij zou er niet de minste behoefte aan hebben gehad om zo te liggen kijken naar een vent die dichter bij de zeventig dan bij de zestig was. Met andere woorden: de foto moest genomen zijn door een vrouw die een stuk jonger was dan ik. Zo kreeg de houding van Bregman een heel andere betekenis. En toen pas zag ik dat het Rutger Bregman was die mij aanstaarde.

Later, weer in bed, mijn brood al op, en aan de thee, maar nog pas op bladzij 2 van de krant, bij de column van Ephimenco, verslik ik me. Ik moet snel overeind en weet een en ander zonder morsen af te handelen en geef Mente de gelegenheid mij uit te lachen. Dan, alsof er niets gebeurd is, pik ik de zin op waar ik was gebleven. Er stond ‘hoe ver van onze normen, waarden en’, toen verslikte ik me en ik ging een minuut later verder met ‘menselijkheid zijn we afgedwaald…’ Wat je noemt een naadloze aansluiting. Alsof ik niet gehoest had, niet uit bed gesprongen was en weer was teruggekomen. Maar er was meer gebeurd. Ergernis had de kop op gestoken! En dat had te maken met de voorpagina van Trouw. Die bevatte helemaal geen nieuws, die vertelde niets van wat er nu in de wereld toe deed. Die zette alleen maar zichzelf in de etalage. Op de voorpagina had vandaag de column van Ephimenco moeten staan. Zonder zijn portret maar met een foto van Tom toen die nog lachte.
Ephimenco heeft het over de moord op de 64-jarige Tom, doodgestoken door twee jongens van vijftien toen hij geld pinde.
Ik had op de voorpagina willen lezen waarom mevrouw Minnesma zo blij is. Ik zou het begin willen lezen van de journalist die undercover lange tijd bij de Belastingen werkte en mij nu eindelijk eens vertelt wat daar in vredesnaam aan de hand is. Om maar iets te noemen.

Ik gun Thiema, Pfeijffer, Van Nieuwenhuizen allemaal hun plek in de krant en heus ik zal het allemaal lezen dit weekend, maar een krant mag wel iets meer betrokkenheid uitstralen. In Nieuw-Zeeland kwam me dagelijks de New Zealand Herald onder ogen. Toen verlangde ik naar mijn krant thuis. Daarin was de wereld groter dan wat me downunder op papier voorgeschoteld werd. Maar vandaag schoot me dus die voorpagina van Trouw verkeerd, met die foute foto van Bregman onder andere. Dat vind ik trouwens jammer voor Bregman. Goede knul. Heeft wat te vertellen. Goed ook dat de krant hem interviewt.

20 december 2019

Dakhaas

Drie jaar geleden moest mijn paspoort verlengd worden en daarvoor verifieerde de dame achter de balie nog even mijn gegevens. Adres, geboorteplaats en –datum, het was allemaal niet veranderd. Lengte? Ik vertelde dat er altijd 1.83 in mijn paspoort had gestaan. Ze keek me even aan en vroeg me toen om even tegen een pilaar te gaan staan.
‘Een meter tachtig,’ zei ze en zonder op mijn instemming te wachten noteerde zij de lengte die nu al enkele jaren in mijn paspoort staat.
Het zal geleidelijk gegaan zijn, maar mij overkwam het als een schok. In december 2016 voelde ik aan den lijve hoe ik drie centimeter kleiner werd. Dat een jongere generatie mij in lengte voorbij streefde had ik in de loop der jaren wel geaccepteerd, maar dit…

Vorige week dook plotseling de man op in mijn leven die nu al dagen achtereen op mijn dak rondbanjert. De zolder wordt geïsoleerd en dat gebeurt van buitenaf. Het initiatief komt van de buren, maar wij doen graag mee. Bij de kennismaking liepen we even naar boven om uit de dakkapel kijkend enkele extra werkzaamheden door te nemen. Terwijl we naast elkaar stonden, kreeg ik last van spontane krimp. Nagemeten heb ik het niet, maar waarschijnlijk is er weer drie centimeter bij me weggehaald. En dat gebeurde op het moment dat de dakman juist iets in lengte toenam, want dat zag ik toen we naast elkaar stonden. Ik kromp terwijl hij groeide.

Deze week kijk ik regelmatig vanaf de straat naar boven en dan zie ik regelmatig een mannetje dat als een behendige steenbok over mijn dak springt. En hij is helemaal niet zo groot. Aanvankelijk dacht ik zelfs even dat het niet de reusachtige dakman was, maar toen hij langs een ladder omlaag kwam, herkende ik hem weer. ’t Is allemaal een kwestie van perceptie. De afgelopen dagen won ik mijn verloren gewaande centimeters weer terug.

Vanmorgen vroeg Mente de man nogmaals binnen, vanwege een tochtstrook onder de dakkapel waaraan iets gedaan moest worden. Samen namen we de boel even op. Weer stonden we naast elkaar en weer kromp ik terwijl hij groeide. Het is en blijft een vreemd verschijnsel.
Hopelijk herstelt de boel zich de komende dagen weer en gelukkig hoef ik voorlopig nog geen nieuw paspoort.

17 december 2019

God Zorgt

Vroeger zat er een videotheek, een paar honderd meter verderop, op een hoek, daarna kwam er een zorgwinkel in. Joost Zorgt heette die. Daar moest ik wel even aan wennen. Want is Joost niet de man die het mag weten en werd daar vroeger niet ook de duivel mee bedoeld? Later hoorde ik dat de winkel de naam droeg van de oprichter ervan en dat die zelf een lichamelijke handicap heeft. Dat maakte de boel er sympathieker op al zou ik een zorginstelling niet zo gauw naar mezelf noemen. De zorg van Joost breidde zich behoorlijk uit, want in de regio kwam ik steeds vaker een pand met die naam tegen.
Intussen worden de winkels onttakeld. Joost Zorgt is failliet. Jammer, het avontuur is voorbij.

Vandaag kreeg ik een appje van Daniëlle. In mijn netwerk zweven haar man en zij al jaren in de driehoek die gemarkeerd wordt door de punten kennis, vrijwilligerscontact en vriendschap. Ze meldt dat hun oudste dochter in het ziekenhuis ligt en dat de toestand nogal precair is. Het zal waarschijnlijk moeten uitdraaien op een levertransplantatie. Wij wachten af.

Wij kunnen niet anders doen dan afwachten. Terugappen, dat kan ook. Kaartje door de bus. Aanbellen, met een bloemetje. Kan allemaal. En afwachten. Ik heb geen witte jas. Hou me ver van infusen, vocht dat moet worden ingebracht, een lancet dat straks misschien gebruikt moet worden, of een robot die moet worden ingezet. Ik weet er allemaal niets van.

En van de man of vrouw die nu misschien nog leeft en van wie straks de lever wordt weggehaald om gebruikt te worden voor de dochter van Daniëlle weet ik al helemaal niets. Het raakt aan de rand van het geheim dat leven is. Ik weet trouwens veel te weinig van een lever. En dan, bij dat ene woord ‘levertransplantatie’ komt zoveel weten, techniek, discipline, wonder samen dat ik me afvraag of er überhaupt iemand is die zich daar heer en meester over zou kunnen noemen. Er moeten rond het bed en de lever van de oudste dochter, die ook jonge moeder is, niet alleen disciplines, maar ook veel betrokken en kundige mensen samenkomen. En dan nog… Ja, het is spannend.

‘Ik bid dat de artsen de hulp kunnen bieden die nodig is’ lees ik in het reeksje appberichten. Even heb ik het idee dat mensen met al hun weten, hun dingen en hun doen, verspreid voorkomende disciplines zijn die alleen maar in een bezield verband kunnen bijdragen aan wonderen. Dat bezielde verband heet dan niet Joost Zorgt, want Joost was na een jaar of wat al weer failliet. God zorgt, ik denk dat het bezielde verband zo heet.
Bloem, kaart, app, gebed, dat zijn de middelen van leken en ze maken allemaal duidelijk dat het van onze kant niet komt, hulp moet van elders komen en misschien is die hulp wel gevoelig voor een kaart of een kaars en onze beden, zoals ook de vrouw in het bed gevoelig is voor onze uitingen van ontoereikendheid, en de ouders, de andere dierbaren.

13 december 2019

Morgen maar niet

Vanwege medische beslommeringen heb ik het afgelopen halfjaar regelmatig gezegd dat ik de volgende dag maar eens niet naar school zou gaan. Daar zouden ze raar opkijken als ik na jaren plotseling weer met mijn schoudertas naar binnen kwam lopen.

Bij Lukas was het ernst toen hij het gisteravond zei. Ik had zijn broertje en hem net weer thuisgebracht.
‘Morgen ga je weer naar school, hè,’ zei ik. ‘Leuk!’
‘Ik denk dat ik morgen maar eens een dagje vrij neem van school.’ Lukas formuleert goed. Afgelopen dinsdag ging hij voor het eerst een halve dag proefdraaien, vandaag zou de tweede ochtend worden. Dat werd het overigens ook, zo heb ik intussen begrepen. In januari, als hij vier is, mag hij als scholier vol aan de bak.
Vanmorgen leek het hem nog steeds beter om maar een dagje vrij te nemen, maar toen hij hoorde dat zijn (andere) opa hem zou komen ophalen, gaf hij toe en ging hij braaf mee naar school.
Het viel hem daar tegen dat hij niet onmiddellijk de Duplohoek in mocht duiken, maar eerst opgezadeld werd met een rondje kring zitten, tussen die andere kinderen in. Ik zou dat ook niks vinden.

Zijn broertje, ik heb dit allemaal uit de derde hand, want ik wandel door Friesland, vindt die school juist een fantastische uitvinding. Lukas bewaakt zijn Sinterklaascadeau, een Duplotrein, met hand en tand, maar ook voor een jongetje van anderhalf is het onweerstaanbaar om een treintje over een spoor te laten rijden. Markus had een goede ochtend. Er komen nog een paar van die ochtenden. De kersvakantie zal dus een ernstige terugval zijn voor Markus, maar daarna krijgt hij alle gelegenheid om zich hartstochtelijk en ongehinderd op al het speelgoed te storten, ook op dat van zijn grote broer.

11 december 2019

Scheerspiegel

Waarom ik een foto nam van een scheerspiegel? Dat vroeg ik me zojuist ook even af. Wie goed kijkt, ziet mij in de spiegel terwijl ik een foto neem. De spiegel staat er scherp op, ik niet.
Intussen weet ik het weer. Het ging me echt om die spiegel. De foto is meer bedoeld als snelle aantekening.
We zien voor ons een uitklapbare spiegel waarin je jezelf aan de ene kant op ware grootte kunt ontmoeten en aan de andere kant in ieder geval een deel van jezelf, maar dan wel vergroot. Ik zei al dat het een scheerspiegel is. En nu herinner ik me ook weer de prijs ervan: zes Nieuw-Zeelandse dollars, wat neerkomt op nog geen vier euro. Het zegt iets over de kwaliteit van de spiegel, de herkomst ervan en het zegt iets over de winkel waarin ik de foto nam.

Het zegt ook iets over de prijs die je in januari 1969 moest neertellen voor zo’n ding. Ik houd het op twee gulden, vooruit een knaak dan. Voor dat bedrag had Gerrit het beeld kunnen zuiveren dat mijn vader na het scheerspiegelincident van hem overhield. Mijn vader had namelijk zo’n scheerspiegel en die gebruikte hij ook altijd. Hij had de gewoonte om zich ’s ochtends in de huiskamer te scheren en dat gebeurde dus ook toen we een wintervakantie in Noorwegen doorbrachten. Ergens buiten een dorpje dat Brandbu heette stapten we in om naar de boot in Oslo te rijden voor de terugreis. We, dat waren mijn ouders, mijn jongere broer, mijn vriend Gerrit en ik. Het was proppen geblazen.
Toen dus, bij het instappen, gleed de scheerspiegel omlaag. Vraag me niet hoe dat kon gebeuren. Het is in elk geval zo gegaan. Hij viel op de bodem voor de achterbank op de plek waar Gerrit nog geen twee tellen later zijn voet neerzette. We hoorden allemaal dat dat iets teveel was voor de spiegel.

‘Geen probleem,’ riep Gerrit. ‘Als we thuis zijn, krijgt u een nieuwe van me.’
‘Ja, ja,’ zei mijn vader.
Mijn moeder: ‘Ben je gek, dat is toch maar een ongelukje. Kan iedereen overkomen.’
Gerrit: ‘Nee, niks ervan. U krijgt een nieuwe spiegel!’ Hij zei het luid en duidelijk. We hoorden het allemaal en daarmee was de kous af.

Toen Gerrit een week later voor de vierde of vijfde keer bij ons langskwam, riep mijn vader verheugd dat daar zijn nieuwe spiegel kwam. Dat was natuurlijk niet zo en dat snapte mijn vader ook wel. Na een maand noemde hij Gerrit Scheerspiegel en iedere keer zei die dat de nieuwe spiegel er echt kwam. Dat was al lang niet nodig meer. Mijn moeder had al een nieuwe gekocht, maar dat vertelden we niet. Daar ging het niet om.

Die hele scheerspiegel interesseerde mijn vader niet, die belofte deed dat wel. Voor mijn vader had Gerrit afgedaan en ik gaf mijn vader gelijk.

In Oneroa op Waiheke zag ik dus dat Gerrit voor een drol zijn belofte had kunnen inlossen. Hij had beter zijn grote mond kunnen houden toen in die auto.

Daarom nam ik dus die foto. Ik denk dat ik hem nu maar wegdoe.

10 december 2019

Gelijkenis

Vertel het niet aan mijn moeder. Ze zou me uitlachen. Toen ik oom werd, en dat gebeurde rond 1970 ineens zes keer, ergerde ik me aan de behoefte om de zuigeling meteen op iemand te laten lijken, vader, moeder, deze opa of die oma. ‘Laat dat kind toch op zichzelf lijken,’ heb ik een keer geroepen, ‘daar heeft het een leven lang beide handen al vol genoeg aan.’ Misschien was het ook een stil protest tegen de erfzonde, dat weet ik niet, wel weet ik dat mijn moeder die woorden goed onthouden heeft en ze de rest van haar leven vaak herhaalde: ‘Len zei dan altijd…’ Maar ik heb het helemaal niet altijd gezegd. Dat hoefde ook niet, want dat deed mijn moeder al.
Het resultaat was dat ik wat zwijgzamer werd als een gesprek die kant op ging, bang als ik was om afbreuk te doen aan de woorden die ten diepste meer bij mijn moeder waren gaan horen dan bij mij, of liever bij het beeld dat zij van mij wilde hebben.
In mijn geval hoefde gelijkenis overigens niet ter sprake te komen. Ik leek uiterlijk in niets op mijn vader, wel op mijn moeder, en nog meer op mijn grootvader en overgrootvader.

Natuurlijk kijk ik ook wel naar familiegelijkenis. In Nieuw-Zeeland zag ik een schilderij van Mentes overgrootvader, ooit burgemeester van Ridderkerk. Het is een typisch gelegenheidsstuk, waarvan er indertijd in ieder geval twee zijn gemaakt, want toen we vorige week op bezoek waren in Harlingen, bij zwager en schoonzus, zag ik hetzelfde schilderij weer. Deze keer nam ik er een foto van, voor het familiearchief. Dat werd tijd. Toen drong ineens tot me door dat mijn zoon Jaap veel op hem lijkt. Toevallig had ik een paar dagen daarvoor bekend dat hij de neus heeft van zijn moeder, nu kwam er een heel gezicht bij.

Vanwege een boekpresentatie van een opnieuw uitgebracht boek van Mentes opa, kwamen me dit weekend een paar foto’s van de man onder ogen, en toen zag ik dat Jaap niet alleen zijn neus, nee, zijn hele gezicht, zelfs zijn hele postuur aan die kant van de familie te danken heeft. En dat hij vooral heel erg lijkt op zijn schrijvende overgrootvader.

De boekpresentatie vond plaats in Nijkerk en een medewerker, of de baas, van het plaatselijke museum voerde het woord. Hij bleek bijzonder ingevoerd in leven en werk van P de Zeeuw JGzn, zo heb ik me laten vertellen. Ik was er niet bij. Ik was aan het oppassen op kleinkinderen van wie ik het idee heb dat er eentje flink op mij lijkt, al heb ik het daar natuurlijk nooit over, al was het maar om mijn moeder niet in verlegenheid te brengen.
Mijn afwezigheid maakt de opmerking van de museumman alleen maar geloofwaardiger. Toen hij Jaap de hand schudde, sprak hij er zijn verbazing over uit dat die zoveel leek op zijn over- grootvader. Dus zo hoor ik het ook van een ander.
Toch is er meer. Een mens is een assemblage van zoveel onderdelen dat er altijd nog veel meer in te ontdekken is.
Toen Jaap geboren werd bijvoorbeeld, hield hij zijn linkeroog dicht. ‘Ha pa,’ dacht ik toen, want als mijn vader moe was, sloot hij al snel zijn linker oog.

Soms denk ik dat wij in ons leven nu eens meer op het ene en dan weer meer op het andere familielid lijken. Het is ingewikkelde materie.

Dat neemt niet weg dat ik nu toch echt moet gaan stofzuigen.

09 december 2019

Het gevecht

Het gevecht met de kerstengel was altijd een zoet gevecht. Op school kreeg je in de laatste maand van het jaar te maken met leerlingen die zich als logge karren met vierkante wielen lieten voortbewegen, meer nog had je last van collega’s die dat vonden en daarover zo klaagden dat ze er nog in gingen geloven ook. Er was veel moeheid. Alleen het idee dat het straks allemaal anders zou zijn, na die verlossende kerstvakantie, in het strakke en nog onbesmette nieuwe jaar met dat begin van een fris januari, hield hen op de been. Een dwaze illusie.
Dat is één. Er zijn jaren geweest dat ik vooral met die collega’s te maken kreeg terwijl ik samen met anderen de kerstbijeenkomst van school regelde. Er moest een thema komen. Dan kwam er een lied. Vervolgens werd er door Jo en mij een toneelstuk geschreven. We moesten met een leuke activiteit komen. En dat mondde dan uit in een kerstviering op de avond voor de laatste schooldag en op die dag zelf deden we nog drie bijeenkomsten, met koor, orkest, toneel, praatje, activiteiten en kerstontbijt in alle klassen en nog iets. Tussendoor speelde ik voor Sinterklaas, schreef ik het programmaboekje voor het volgende schooljaar, want de Open Dagen van januari moesten wel voorbereid worden.
En ik schreef een kerstgedicht voor thuis.

Twee weken geleden kwam het gevecht met de engel weer terug. Nu ging het alleen maar om dat kerstgedicht. Ik fietste om Groenekan en Westbroek. Met de klok mee. Tegen de klok in. Keek naar een enkele ooievaar, naar reigers. Eenden. Ganzen. Ze hadden me allemaal niets te bieden. Er was alleen een zwaar en onontkoombaar idee. Het moest gaan over verlies. Kerst moest binnenstebuiten gekeerd worden. Dat ging gepaard met zware woorden, ook als ik al fietsend schakelde naar een hogere versnelling, want ik hou niet van zware woorden. Maar er bleven allerlei woorden hangen. Ik zette ze in een andere volgorde. Linksaf. Maakte van een mededeling een vraag. Rechtsaf. Veranderde ik in je. Even wachten en dan pas oversteken. Nu. Even opschrijven. Nee, niet opschrijven. Doorfietsen: als het goed zit, onthoud je het wel.

En toen was ik die woorden kwijt. Vandaag, besloot ik vorige week dinsdag. Vandaag ga je zitten en wee je gebeente als je opstaat voor je een gedicht hebt.
Om er in te komen schreef ik: ‘We reden weer naar Bethlehem.’

Toen leek het alsof ik daar nog zat om het gedicht van vorig jaar te schrijven. Alsof dat gisteren was. Dat schreef ik toen ook maar op.

‘We reden weer naar Bethlehem alsof
we dat ook gisteren al deden.’

En toen kwam de rest.

Enfin, het gedicht is klaar.

Het gevecht met de kerstengel gaat door, want een kerstboom hebben we nog niet. Dat wordt morgen. Het eerste dat we dan gaan doen is een kerstboom kopen. En wee mijn gebeente als die om twaalf uur nog niet in de kamer staat.

08 december 2019

Dag Sinterklaasje

Donderdagmiddag ontving Dieuwertje Blok de Sint ergens in een grote zaal. Maar voordat Sint arriveerde moest er alweer een of andere stommiteit worden rechtgezet. Ik word wel eens moe van domme Pieten en een Sint die er ook wat van kan, al bijt ik liever mijn tong af dan iets van mijn misnoegen aan kinderen te laten merken die nog in Sint zijn, zoals Lukas.
Hij zag hoe Sint als skateboarder de wildste capriolen uithaalde zonder ook maar één keertje onderuit te gaan. Het was adembenemend en dat was goed te zien aan de drie- bijna vierjarige Lukas. Zijn mond zakte open van bewondering.
Nu had Sint zich vergist. Hij had er even niet aan gedacht dat het zijn verjaardag was en dat hij dus royaal ontvangen zou worden bij mevrouw Blok. Toen dat duidelijk werd, rende Sint naar een helikopter. Nog nooit had hij zo’n ding zelf laten vliegen, maar deze nood brak elke wet en zo zagen we de Sint opstijgen. Eerst ging het verkeerd en draaide de helikopter als een koffiemolen door de lucht, maar de heilige had het kunstje vrij snel onder de knie.
‘Oma, oma. Zie je dat. Sinterklaas kan skaten, hij kan in een helikopter vliegen en hij kan ook over en dak racen!’ Dat had hij namelijk ook al gezien.
Op dat moment werd er een god geboren in het leven van Lukas. Hij was al een bewonderaar (ook deze zomer zong hij heel vaak dat er aan de deur werd geklopt), maar nu zou hij zelfs een ijveraar voor willen zijn voor de goede zaak die Sint heet.

Thuis had hij in de tuin al een paar stoeltje neergezet zodat Sint en zijn helpers even konden uitrusten als ze ’s nacht dak op en dak af moesten om schoentjes te vullen. Ze stonden dicht bij de schuur, die stoeltjes, want dat was toch wel het epicentrum van de Sinterklaasbeleving van Lukas. Daar had de heilige vorig jaar namelijk alle cadeautjes voor pakjesavond (is –middag) verstopt.

Vanmiddag vierden we het feest van Sint. En o wonder, de pakjes lagen niet in de schuur, deze keer had Sint of had een Piet – wij weten dat niet – ze onder het bed van pappa en mamma verstopt. Dat had Lukas niet verwacht. Hij kon er niet over uit. Die Sint. Hij kan skaten, met een paard over daken racen, een helikopter besturen en nu kon hij ook nog cadeautjes niet in de schuur verstoppen maar onder een bed.
Overigens was de treinbaan van Duplo nog indrukwekkender. Om maar iets te noemen.
Mij viel op dat Sinterklaas zich dit jaar voor de groteren vooral te buiten was gegaan in allerlei opshops in Nieuw-Zeeland. Kringloopwinkels zijn daar nog veel populairder dan hier.

Maar niet voor mij. Voor mij had Sint in Nederland rondgekeken. Ik kreeg een chocoladeletter, net zo eentje als Lukas; er was een knijper om al die losse memoblaadjes op mijn bureau bij elkaar te houden en, samen met een gedicht dat een variatie was op het Onze Vader, maar waarin ik deze keer de aangesprokene was, bedacht Sint me met het nieuwe boek van Marcel Möring, Amen.

07 december 2019

Nijkerk onder Duitse bezetting

Op 1 augustus 1968 overleed de heer P de Zeeuw JGzn. Hij werd 78 jaar. Ik heb hem nooit ontmoet. Wel was hij in de laatste maanden van zijn leven een paar keer onderwerp van gesprek tussen zijn kleindochter en mij. Hij was toen al ziek en ik was verliefd op die kleindochter. Het is allebei niet goed afgelopen toen. Hij overleed en de liefde ging voorbij. Dachten wij.
Met wat vallen (toen, na een jaar weer en nog een jaar later opnieuw) en opstaan (na een jaar weer en nog een jaar later opnieuw) is het met de liefde goed gekomen. Maar toen was de heer De Zeeuw dus al een paar jaar dood en zo is het gebleven.
Of toch niet helemaal, want wie schrijft die blijft. De rasverteller die P de Zeeuw was, schreef tien- en tientallen boeken, van een degelijke protestants-christelijke signatuur. Ze vonden altijd aftrek al verplaatste de kring van lezers zich wel. Ooit vooral gereformeerde en iets minder hervormde lezers, toen kwamen er vertalingen voor Nederlanders die in de jaren veertig en vijftig naar Amerika of Canada emigreerden en sinds een paar jaar moet je de lezers zoeken in kringen van bijvoorbeeld de Gereformeerde Gemeenten.
In Goes zit een uitgeverij , De Ramshoorn, die de laatste jaren een hele serie boeken van P. de Zeeuw opnieuw heeft uitgegeven. Mente en ik hebben de meeste daarvan doorgenomen om al te gedateerde formuleringen wat aan te passen.
Heel toevallig niet bij het boek dat maandag 9 december wordt gepresenteerd op de Rehoboth, een basisschool in Nijkerk. De burgemeester van dat stadje krijgt het eerste exemplaar aangeboden. Het is een bundeling van twee boeken.
Het eerste werd geschreven in 1941. Direct na de inval van de Duitsers werden de bewoners van Nijkerk geëvacueerd. De familie De Zeeuw kwam in Harderwijk terecht. Toen men na een tijdje terugkeerde, trof men een beschadigde stad aan. Beschietingen, plunderingen, vernielingen. Over die evacuatie gaat het eerste deel van dit boek. En P. de Zeeuw schreef zijn jeugdroman erover nog geen jaar na dato, tamelijk heet van de naald, en dat in een huis dat ook behoorlijk beschadigd was.
Ruim drie jaar later, op 1 oktober 1944 vond hij het verstandig om zijn manuscript in de tuin te begraven. Hij wilde niet dat de Duitsers dit subversieve geschrift in zijn huis zouden aantreffen. Op 20 april ’45, de dag waarop Nijkerk werd bevrijd, groef hij het weer op. Een jaar later verscheen de eerste druk.
Het tweede boek in deze band speelt zich af in de Hongerwinter. Het is een verhaal dat De Zeeuw uit de eerste hand (lees: mond) heeft. Ook dit werd direct na de oorlog uitgegeven.
En maandag dus wordt het boek uitgereikt aan de burgemeester van Nijkerk, op de school die een opvolger is van de school waarvan De Zeeuw jarenlang het hoofd was. Ik kan er niet bij zijn. Ik moet op drie achter-achterkleinkinderen van De Zeeuw passen, maar zijn kleindochter gaat er wel heen, samen met een van zijn achterkleinkinderen.

*P. de Zeeuw JGzn, Onder Duitse bezetting. Uitgeverij De Ramshoorn, Goes 2019.

06 december 2019

He ain’t heavy

Toen ik het kerkje binnenkwam, wist ik onmiddellijk wie de zus van Otto was. Dat zag ik aan de manier waarop zij naar mij keek, daar in de deuropening van de kerk. Ik was waarschijnlijk de enige van het gezelschap die haar nog onbekend was en ook dat is een vorm van herkenning.
In de kerk was het aangenaam warm. Heel vaak bezocht ik op doordeweekse dagen kleine kerkjes in het hoge Noorden. Doorgaans krijg je wel ergens een sleutel. In de zomer was er niets aan de hand, maar in de andere seizoenen waren de kerkjes dan doorgaans kil. Nu niet. En nu was er ook nog een bekertje verse koffie.
Op 10 oktober werd Otto gecremeerd in Utrecht, maar daar kon ik niet bij zijn. Nu werd de urn met zijn as bijgezet in het graf van zijn grootouders. Dat had als gevolg dat zijn naam al op een oude zerk stond, want ooit werd Otto vernoemd naar zijn hier begraven grootvader.
Er was een kleine plechtigheid in het kerkje van Goënga, een naam die zijn zus zo prachtig in het Fries uitsprak: Goaiïngea. De zus heeft een prettige stem. Ik denk dat het een prettige vrouw is. Het kerkje mag geen monument heten. Weliswaar is het uit 1758, maar dat maakt een Fries kerkje niet interessant genoeg voor de Stichting Alde Fryske Tsjerken. Voor dit kerkje werd vijf jaar geleden apart een stichting opgericht en dankzij haar activiteiten is het gebouw prachtig gerestaureerd.
De luidklok uit 1342 is wel een monument en sinds kort luidt die weer. Dat werd duidelijk toen om twaalf uur een van de sprekers wilde beginnen. We moesten een paar minuten wachten.

De spreekster vertelde over de lessen van haar vroegere wiskundeleraar Otto. Zij vertelde dat zij in een van zijn lessen ooit onder de indruk raakte van de zuiverheid dat vak. De essentie van wiskunde was helderheid, schoonheid en waarheid. Het was een ervaring die ze later weer herkende toen ze in India leerde mediteren. Toen ook herinnerde ze zich dat Otto, die behalve wiskundige ook sterrenkundige was, ooit wel verteld had waarom hij zo van wiskunde hield. Ze heeft hem vaak bezocht.
De zus vertelde wat haar en Otto bond aan deze plek. Ze hadden er nooit gewoond, maar brachten er met hun ouders als kinderen al hun vakanties door, bij hun grootouders. De zus bewonderde haar grote broer die zo prachtig kon tekenen en hij had, zo dacht zij toen, de toren van de kerk van Scharnegoutum gebouwd. Daar zag ze haar grote broer wel voor aan.

Nu was hij terug op de plek waar zijn hart zijn leven lang had gelegen. Nooit woonde hij in Friesland, al had hij er jarenlang een stacaravan, maar alleen daar was hij echt thuis.
De zus had de urn in haar rugzak mee naar Friesland genomen en nu droeg ze die naar het kerkhof van Goënga. De zus is frêle, wat een mooi woord is voor iemand die Frans gestudeerd heeft.
‘Was dat niet zwaar, die urn op je rug?’ vroeg iemand.
Alles wat ik voor Otto deed, heb ik heel graag gedaan. Het is me nooit teveel geweest. Ook dit doe ik graag.’
‘He ain’t heavy, he’s my brother,’ zei de vrouw naast me.
Toen de zus de urn in de grond had geplaatst, gingen we even terug het kerkje in, maar een paar minuten later liepen we terug naar de plek waar het gat was gedicht. Er lag een steen op, met Otto’s eigen naam en zijn eigen, voorbije tijd.

05 december 2019

Het rondje van de Sint

Met het stoeltje voor Tommy is het toch nog goed gekomen. Ik verwijs even naar de wanhoop van eergisteren. Aan het eind van de middag, gisteren, opende een dame haar mail en vond mijn drie berichtjes. Ze belde onmiddellijk en ik beloofde na het eten naar Zoetermeer te rijden. Zodra zij hoorde dat ik toch met de auto op stap ging, vond De Jongste het wel een goed idee als ik de cadeautjes die wij hadden verzorgd en waar we intussen mee klaar waren, alvast bij haar thuis bracht. Dit met het oog op kleine nieuwsgierige jongetjes. Als ik na mijn rit naar Zoetermeer langskwam, lagen die al lang te slapen.
Kleine correctie. Ik zei zojuist ‘de cadeautjes die wij hadden verzorgd.’ Dat is een leugen. Ik heb helemaal geen cadeautjes verzorgd. Dat deed Mente. En zij schreef ook de gedichten. Mijn aandeel in het Sinterklaasfestijn van 2019 begon pas gisteravond.
Ik reed dus door de duisternis over een nog drukke A12 maar zonder herkend te worden als iemand die diensten verrichtte voor de goedheiligman, hoewel iets van zijn glans toch op mij, als zijn hulpverlener, moet hebben afgestraald, vooral omdat ik in een auto rijd van hetzelfde rood als zijn mantel en mijter. Ik kocht het rode stoeltje voor Tommy, inderdaad, hetzelfde rood, een goede kleur dus. Er was enige slijtage, maar niet veel, en bij het intensieve gebruik dat Tommy, en we kennen hem, ervan zou maken vielen de kleine oneffenheden in het niet. Moet je over een paar weken komen.
Goed. Ik reed met het stoeltje naar Leidsche Rijn, waar de kinderen sliepen en hun ouders de mythe in stand hielden dat er een ontelbare schare pieten en één Sint doende zouden zijn alle cadeautjes voor kinderlijk Nederland te verzorgen. De tafel lag vol met rollen papier en nog in te pakken geschenken. Er stond een laptop waarop de gedichten getikt werden. Ook op de vloer vond je het nodige. Die paps en mams lagen voorlopig nog niet in bed. Dat was wel duidelijk, Ik kreeg een snelle koffie en mocht zelf het stoeltje inpakken. Terecht, want het was het cadeau wij als grootouders namens de Sint hadden verzorgd. De andere cadeautjes hadden we maandag al afgehandeld. Dat was overdag, dus ging gepaard met een kofferbakruil. Ja, er komt logistiek veel bij kijken bij dat kinderbedrog van ons.
Stoeltje ingepakt. Koffie op. Toen naar De Jongste en haar geliefde om daar een jute zak af te leveren. Daar vieren ze aanstaande zondag pas het sinterklaasfeest, samen met hun kinderen en Mente en mij.
Om half zeven reed ik weg, om half tien was ik terug. Dat was gisteravond. Ben nu op zoek naar het adres van het Pietenhuis om ergens de kosten te kunnen declareren.

04 december 2019

Mimicry

Er zit een roerdomp in de tuin. Het moet een miniroerdomp zijn, een kleinere variant die ik nooit eerder zag. De gewone roerdomp heb ik ook nooit gezien. Die is wat kleiner dan de gewone blauwe reiger, die ik tot mijn achttiende trouwens ook nooit zag, maar waarvan ik er nu drie op mijn werkkamer heb rondlopen en in mijn fietstassen zitten er ook regelmatig een of twee.
De roerdomp is veel schuwer dan zijn grote neef, waagt zich amper in het open veld, maar kiest er voor om tussen het riet te zitten en heeft hij perfecte schutkleuren. Voor camouflage krijgt hij een 9,8.
Zijn zachte geluid, een hoempend geluid dat van heel ver lijkt te komen, heb ik natuurlijk verschillende keren gehoord en natuurlijk bleef ik dan stilstaan en tuurde ik een rietkraag af, maar nooit liet de vogel zich zien. En nu zit hij zomaar midden in de tuin, onder het kleine seringstruikje, tussen de pollen van een nog groen en een al helemaal bruine plant. Hij zit ineengedoken en geeft geen krimp, niet als ik een foto van hem maak vanuit de keuken en ook niet als ik naar buiten loop. Hij blijft zitten.
Graag had ik hem nu het geluid horen maken waaraan hij zijn naam te danken heeft, een hoorn die klinkt in het riet, maar dat zit er niet in. De structuur van het verenkleed van de dwergroerdomp wijkt een beetje af van die van zijn grote broer of zus, maar de veren hebben dezelfde kleuren en de glans ervan is indrukwekkend in de ochtendzon.
De gewone roerdomp is 75, lees ik. Ik weet niet goed hoe dat gemeten is; waarschijnlijk komt een ineengedoken exemplaar minder ver, maar die is altijd nog een stuk groter dan de vogel in onze tuin. De kleine roerdomp meet in ineengedoken toestand, en zo zit ie en blijft ie zitten, 15 cm, dus van ingetrokken kop tot staart. Daar komt nog eens 10 misschien ook wel 15 cm bij voor de poten. Ik zeg poten, maar ik zie er maar eentje.
De dwergroerdomp lijkt bijzonder veel op een blad van de walnootboom die bij ons in de tuin staat. Op het blad van een walnootboom dat door een bijzonder toeval recht omlaag gevallen is, met de steel naar beneden en dat, toeval op toeval, tussen wat amechtige planten rechtop is blijven staan alsof het een dwergroerdomp is.
Om dit geval van mimicry te vervolmaken zwijgt de kleine roerdomp. Dat is jammer.
Maar ook beweegt hij zicht niet en dat is natuurlijk heel prettig als je een foto van het dier wilt nemen.

03 december 2019

Stoelendans

We dansen de hele dag nogal nerveus om een stoel die er niet is. Niet hier in Utrecht. De stoel is in Zoetermeer, en als ik wist waar in Zoetermeer, dan was ik er al lang naartoe gereden. Intussen begint de tijd te dringen. Donderdag viert Sint de vooravond van zijn sterfdag, dus uiterlijk morgen moet de stoel ingepakt en wel en stiekem elders in Utrecht bij de pakjes komen te liggen.
De stoel mag ons volledig in beslag nemen, in werkelijkheid gaat het om een klein stoeltje, een kinderfauteuil waarop Nijntje is afgebeeld. Toen Klaas één werd gaven we hem zo’n stoeltje cadeau, een met spijkerstofbekleding en met een puike Nijn erop. Nu vijf jaar later dendert er in hetzelfde gezin een eenjarige Tommy rond. Hij zit overal aan, schiet als een wals over alles en iedereen heen en hij is idolaat van Nijntje. En stoeltjes vindt hij ook leuk.
Natuurlijk hebben we gesuggereerd om dat van Klaas van diens slaapkamer te halen en aan Tommy te geven. Nu hebben ouders meer inzicht in de psyche en andere gevoeligheden van hun kroost dan grootouders. Zij, die ouders, vonden dat geen goed idee: Klaas is erg aan zijn stoeltje gehecht. Dus zegden wij in de hoedanigheid van Sint en Sint een vergelijkbaar stoeltje toe voor Tommy.
Die zijn volgens internet nog op de markt, maar dan van de verkeerde stof en met een allesbehalve puike Nijn erop. Je moet Tommy niet opzadelen met gewatteerde bekleding, in mint of zacht geel. Een kinderfauteuil met Nijntje? Graag! Maar dan wel de heavymetalvariant. Zo een als die van Klaas. Maar toch een beetje anders We surften internet in en internet uit en uiteindelijk, lees: u i t e i n d e l i j k, troffen we op Marktplaats een fauteuil aan, in het rood waar een stier van gaat kwijlen en met de gewenste Nijntje op de rugleuning. ‘Zo goed als nieuw.’ De ideale stoel voor Tommy.
Ik nam contact op. Het stoeltje is anderhalf jaar oud, ziet er nog prima uit en ik kon het komen ophalen, na het weekend.
Ik mailde terug dat het dan dinsdag of woensdag zou worden. Dat was prima. Geen adres, geen tijdstip. Ik zocht vanmorgen weer mailcontact. Geen reactie. Vanaf dat moment lopen we hier dus rond om een stoeltje dat er niet is. ‘O, als Elsie in Zoetermeer eens wist hoezeer wij wachten, ja, gewis, dan mailde zij wel.’ Vanmiddag mailde ik opnieuw: ‘Kan ik vanmiddag nog langskomen? Waar?’ Nu is het avond. Nog één keer pak ik mijn laptop.

02 december 2019

Vergadering

De man die vanavond de vergadering opende, vertelde ons dat afgelopen vrijdag een kopstuk uit hun kerk was overleden, uit de kerk waar die vergadering plaatsvond. Het was goed om te weten in welke sfeer wij door onze gastheren en –vrouwen ontvangen werden, al kenden de meeste aanwezigen de overledene niet. ‘Nol overleed afgelopen vrijdag,’ zei de man. Maar hij voegde daar onmiddellijk aan toe: ‘En op diezelfde dag overleed ook mijn vader.’
Bij de opening las hij een bewerking voor van psalm 84, dezelfde die ook bij de uitvaart van zijn vader gebruikt zou worden. Die persoonlijke insteek sprak me erg aan. Ik vroeg me af of ik daar gezeten zou hebben om een vergadering te openen als het om mijn vader ging die was overleden.

Ik moest denken aan Johan, ergens in de jaren negentig. Er was een personeelsvergadering op school, die zou beginnen op dinsdagmiddag om half twee. Rector Johan verloor in de week daarvoor zijn moeder. Begrafenissen namen toen wat minder tijd in beslag dan tegenwoordig dus hoewel ook de uitvaart van zijn moeder op die dinsdag plaatsvond, meende Johan met enig haastwerk het een en het ander te kunnen combineren. En zo is het ook gegaan. Die dinsdag begroef hij ’s morgens zijn moeder en ’s middags leidde hij de vergadering.
De vrijdag daarna evalueerden we als schoolleiding de vergadering. ‘Wat vonden jullie ervan?’ vroeg Johan. ‘Ik bewonder je en ik vind je een lul,’ zei ik. Dat werd voor kennisgeving aangenomen.
Toen een paar jaar daarna zijn vader kwam te overlijden, kwam Johan enkele dagen niet of nauwelijks op school. Dat was mijn schuld, vertelde hij me. Achteraf vond hij dat ik gelijk had gehad.

De man die deze avond de vergadering opende, memoreerde de dood van het geliefde gemeentelid en die van zijn vader, maar hij was niet de voorzitter van die avond.
Zou ik in zo’n situatie verstek hebben laten gaan?

De begrafenis van mijn vader lang geleden vond plaats op een zaterdag. De maandag daarna, werd ik door collega’s gecondoleerd. De een hield me langer aan de praat dan de ander. Toen ik bij mijn lokaal kwam, was de klas die ik les moest geven al vertrokken. VWO 6. Ze wisten natuurlijk wat er aan de hand was. Nu kon ik naar de kantine gaan en ze daar optrommelen, maar dan zou ik ook iets moeten doen met mijn chagrijn. Zeggen dat ik het flauw vond dat ze niet even gewacht hadden, dat ze natuurlijk hadden kunnen bedenken waarom ik er nog niet was en zo.
Ik deed het niet. Ik haalde een extra kop koffie en slofte daarna terug naar het lege lokaal 208 om daar in alle rust een beetje te landen. Het was maar goed dat ze waren weggegaan.

01 december 2019

Pappa

‘Ik ben geen vader en ik heb geen zoon.’ Het is de eerste regel van het sonnet Gedroomde Zoon dat Willem de Mérode schreef in 1928. Ik ben hem gaan benijden vandaag.

Boog ik me vanmorgen te Utrecht over de profetieën van Micha, vanavond doken Koos en ik o.l.v. Yoerie Albrecht met Oek de Jong en Ronald Ophuis in het kwaad. Dat was in Amsterdam. In Den Haag werd ons ‘s middags van alles uit de doeken gedaan over vaders in de literatuur. Een paar keer werd gezegd, niet alleen door literatoren maar ook door de psychiater en filosoof Damiaan Denys, dat literatuur meer en beter zelfs dan wetenschappelijk werk ons een beeld geeft van de werkelijkheid. ‘Doe die studieboeken maar weg en laat studenten romans en gedichten lezen,’ zo kopte Denys een voorzet in van Adriaan van Dis. Gewoonlijk zou ik heel blij zijn met zo’n opmerking. Vanmiddag niet.
Want als dat zo is, dan heb ik een ernstige fout gemaakt. Weliswaar eindigden verschillende medewerkers die middag hun bijdrage door het woord liefde in de mond te nemen, maar daar was al zo’n ontmoedigende hoeveelheid ellende aan vooraf gegaan dat ik er niet meer door kon worden opgebeurd. Ik noteerde het een en ander in mijn schrijfblokje.
Vaders zijn afstandelijk, hebben geen diepgang, gedragen zich als hufters met hun boeren en winden en slurpen. Ze zijn conservatief. Het zijn flierefluiters die alleen buitenshuis bloeien. Gewelddadig zijn ze, heel gewelddadig. En hopeloos gefrustreerd. Ze zijn verslingerd aan alcohol en dwingen met hun verslaving, maar niet alleen daarmee, jonge mensen en moeders om getuige te zijn van hun ontluistering en aftakeling. Ze zadelen hun kinderen op met eigen tekorten en ze liegen. Dit allemaal als ze thuis zijn, wat lang niet altijd het geval is. Ze zijn juist vaak opvallend vaak afwezig, en als ze thuis zijn en hun aandacht gewenst is, dan maken ze zich er makkelijk van af. Ze negeren hun kinderen.
Intussen voeren die kinderen een vergeefse strijd om aandacht, genegenheid en een geringe blijk van begrip. Ze zoeken de voetsporen van hun vader. Of ze laten hun leven bepalen door de vader te overwinnen, te overtreffen in het goede of kwade, of ze moeten het juist allemaal anders doen dan die ouwe zak. Linksom, rechtsom. Af- of aanwezig. Levend, dood, vader is onontkoombaar.

Al deze ellende distilleerden Truijens en Noordervliet uit de belangrijkste romans van de belangrijkste auteurs van de afgelopen eeuw. Vrijwel altijd ging het om de vaders van zonen. Daarvan heb ik er twee. Ze zijn het huis al uit. Jac van Hattum gaf ooit een bundel uit onder de titel ‘Plant u niet voort’, in de jaren veertig al. Desondanks is het voor mij te laat en voor Koos ook.
Vaders van zonen, die we zijn.

Maar we moesten verder, naar Amsterdam, om ons te dompelen in het kwaad. Alsof die middag al niet genoeg schuld ons gemoed, ons gehele bestaan, ondragelijk had bezwaard. Tegen middernacht liepen wij snikkend door Tuindorp naar huis.

30 november 2019

Azijn

‘Dat na voorzichtig te zijn overgestoken, voorzichtig en snel, want in mijn kleutertijd had ik tot drie keer toe leergeld betaald door niet uit te kijken. Daarover valt nog meer te vertellen, maar niet nu.’ Aan het stukje van gisteren hangt nog een verhaal.

Daarvoor voer ik je terug naar een wereld waarin je niet voor al je doen en laten werd verwezen naar een website of een ‘handige’ app, maar waarin je voor ieder wissewasje bij iemand terecht kon en dat niet door op te bellen maar door even langs te gaan. Mijn vader had als verzekeringsman kantoor aan huis en het was er een komen en gaan. Ikzelf ging vooral graag. Als de voordeur openstond, glipte ik naar buiten. Dat lukte ook nog regelmatig toen men door had dat ik een nestvlieder was. Gevolg was wel dat ik als driejarige al naar de kleuterschool moest.

De muurtjes om de voortuin benamen een wegrennende kleuter sowieso al het zicht op wat erachter gebeurde, maar ik denk niet dat ik daar aanvankelijk veel aandacht voor had. Daar kwam bij dat het fietspad onmiddellijk achter die muurtjes langs liep. Niet eerst een voetpad, nee, meteen een fietspad. Met daarop een druk heen en weer van fietsen, en vooral van brommers. Auto’s waren er veel minder op de weg, maar wel veel vrachtwagens en – wagentjes. Drie keer ben ik aangereden, alle drie de keren door een brommer, nooit heb ik kans gezien om de weg met auto’s te bereiken en de confrontatie met een vrachtwagentje aan te gaan.
Ik herinner me hier overigens niets meer van. Had ik het over ‘kleutertijd’? Peutertijd is een beter woord. Wel herinner ik me nog de nasleep van de derde keer.

Ik had een tijdje niet mogen lopen, had met mijn voet omhoog gezeten. Daarvan herinner ik me vooral de geur van azijn. Het verband om mijn enkel was in azijn gedrenkt, om zwellen tegen te gaan. Misschien dat ik daarom niet zo dol ben op wijn, dat voorstadium van azijn. Hoe dan ook, op wat een goede dag leek te gaan worden, werd ik op de keukentafel gezet. De dokter bestudeerde mijn enkel aandachtig en zei dat het verband eraf mocht en dat ik weer gewoon mocht lopen. Dat moment van vreugde herinner ik me nog. Waarom ik meteen daarna druk ging zitten draaien, weet ik niet. Vanwege die vreugde? Hield iemand me vast en wilde ik dat niet? Nogmaals ik weet het niet. Wel weet ik dat ik tussen dokter en tafelblad doorschoot, op de grond kukelde en ongelukkig en pijnlijk op de zojuist genezen verklaarde enkel terecht kwam. Er kwam weer verband met azijn aan te pas, deze keer legde de dokter het om. Hij deed het strakker dan mijn moeder.
Dat ik met mijn been omhoog weer in de lekkere stoel van mijn vader mocht, maakte wel iets goed, maar veel was het niet.

In ieder geval keek ik sinds die tijd goed uit bij het weglopen. Ik heb herinnering aan pijn, maar nog meer aan de afgrijselijke en onontkoombare stank van azijn. Het was een leerschool.

Ook onze katten liepen regelmatig weg en ook mijn vader keek een keer niet uit. Maar dat zijn weer andere verhalen.

29 november 2019

Greppel

Op bladzij 273 van Zwarte Schuur, tiende regel van onderen. Gevonden? Mooi. Daar staat dus: ‘Hij hield van greppels om in weg te kruipen, onder een struik, de greppels waar ook de hazen en de patrijzen zich verborgen.’
Het was de greppel die mij even terugbracht naar die tegenover ons huis in Monster. Die greppel is er niet meer. Toen hij er nog wel was, trof je daarin geen struiken aan, geen hazen en al helemaal geen patrijzen. In de Zeeuwse greppels van hoofdpersoon Maris zul je die hoogstwaarschijnlijk ook niet meer vinden. Ik zou het trouwens fantastisch gevonden hebben, een haas of een patrijs in de greppel, waarin ik zo graag wegkroop.
Wij woonden net buiten het dorp, met achter ons een zee van tuinderijen en voor ons ook.
Je stak over, wel uitkijken voor het fietspad en de voor de jaren vijftig, zestig tamelijk druk bereden weg. Dan moest je nog over de rail van de goederentrein heen. Nog een paar stappen en daarna had je de greppel. Daarachter dus tuinderijen, te beginnen met een strook plat glas.
De greppel was een aangename vorm van zijn zonder te zijn. Ik ging er als kind graag in liggen. Dat na voorzichtig te zijn overgestoken, voorzichtig en snel, want in mijn kleutertijd had ik tot drie keer toe leergeld betaald door niet uit te kijken. Daarover valt nog meer te vertellen, maar niet nu.
Ik lag in de greppel en keek, zonder gezien te worden, naar alles wat en iedereen die langskwam, of aan de overkant naar buiten stapte of ergens aanbelde, of het poortje in fietste of bij Lagerweij de tuin af kwam rijden. Na een tijdje droomde ik dan weg en na nog een tijdje vroeg ik me af wat ik toch in die greppel lag te doen.

De greppel was ook een ideale plek bij verstoppertje. Een bos is een zaligheid voor notoire verstoppers, maar over de omgeving van ons huis moet je vooral niet te min denken. Allereerst waren er schuttingen en muurtjes die zich makkelijk lieten beklimmen om achter te verdwijnen, de beschutte achtertuinen van buren, de schuurdaken, de schuurtjes en zelf gebouwde hutten. De smalle poort leek het onmogelijk te maken om niet gebuut te worden, maar als je handig genoeg was, kwam je daar wel uit.
Ik verstopte me het liefst in de greppel aan de overkant, ver van de buutplaats. Het duurde dan een behoorlijke tijd voor de zoeker uit het poortje kwam om daar verstekelingen te betrappen. Wie-hem-was liep dan langs de muurtjes van de voortuinen en verdween door de brede poort bij Hofstede. Daar kon je over een muurtje klimmen en zo belandde je weer bij de buutplaats. Dat wachtte ik niet af. Zodra de zoeker over de muurtjes van de voortuintjes keek op zoek naar prooi, spurtte ik het poortje in, natuurlijk niet na eerst goed te hebben uitgekeken bij het oversteken, want daarvoor had ik immers in mijn kleutertijd tot drie keer toe leergeld betaald. Als de zoeker me al zag, dan nog kon zij of hij achter me aan komen rennen, maar ik had al geaccelereerd en was in het smalle poortje niet in te halen. Of de zoeker maakte het rondje versneld af, maar dan was dat muurtje bij Hofstede weer een obstakel.

Kort en goed: de greppel was een sublieme verstopplek. En ik zat er met het prettige idee dat er naar me gezocht werd. Spannend was het. Ik hoor mezelf opeens weer ademen in die greppel. Hoofd dicht bij de grond.

We lezen verder in Zwarte Schuur.

28 november 2019

1300

Bij de vaste onderdelen in het Spoorwegmuseum hoort nu ook een bezoek aan de opengewerkte loc waar je als machinist moet opereren. Er zijn drie hendels en een wieltje waarmee je ieder ogenblik iets moet uithalen. Door kleine raampjes zie je de stoomlocomotief die je bedient door de bossen rijden. De loc stampt gezellig. Dan verschijnt plotseling een tekst in de bossen, want je rijdt niet echt door de bossen, door de kleine raampjes wordt een filmpje afgespeeld. De hendel links, bedoeld om te accelereren, moet je het vaakst gebruiken. Die is het lastigst. Rechts heb je het wieltje voor de rem, dat vraagt de meeste tijd. Intussen heb ik daarin aardig wat handigheid gekregen: een rukje om het los te krijgen en dan draaien door één vinger door de spaken van het wiel te steken, een voordeel van grotemensenvingers; kinderen moeten echt aan het wieltje draaien. Van de twee hendels vooraan weet ik niet waar ze voor dienen en ook niet of ik nou de een of de andere moet hebben. De plaatjes op het front van de loc zijn niet duidelijk genoeg. Het gaat om vier ronde plaatjes die groen dan wel rood oplichten. Bij groen is er geen vuiltje aan de lucht, bij rood moet je onmiddellijk en snel optreden. Het is dodelijk vermoeiend. Voor Lukas is het allemaal teveel om dat te doen, wèl heeft hij goed door hoe het werkt en dus geeft hij mij aanwijzingen. Dat alleen al vergt de uiterste inspanning. Net als ik vergist hij zich in de twee hendels aan de voorkant. Gelukkig valt de bediening daarvan mee, zodat een vergissing zich makkelijk laat herstellen.
Als we tien keer zonder ongelukken op de plaats van bestemming zijn aangekomen, stappen we uit.

Of ik een foto wil maken, vraagt een jongedame me. Naast haar staat een beer van een vent met een heel kleine cameraatje. Een stel? Is zij zijn begeleider? Ze moet in elk geval ook op de foto en niet voor het eerst, begrijp ik. Ik moet er vooral goed op letten dat het nummer van de trein duidelijk zichtbaar op de foto komt, 1201. ‘Dan moeten jullie daar maar bij gaan staan; eentje links en eentje rechts.’
Pas als ik de foto wil maken door de camera een kwart slag te draaien, zegt de grote jongeman iets. ‘Niet draaien. Dan doet ie het niet.’ Het klinkt niet als een terechtwijzing, meer als een bekentenis waarin enige schaamte doorklinkt. Als ik een stapje achteruit zet en vervolgens ook nog een beetje door mijn knieën zak, beginnen zowel hij als zij te stralen. ‘Wacht even, dit was er eentje van veraf. De trein staat er ook helemaal op. Nu nog eentje van dichtbij.’
Ze vragen het vaker. Laatst vroegen ze het aan een man. Die klikte meteen en liep weer verder. Zij stonden wel op de foto, maar waren nog niet klaar. Het nummer, toen ging het om de 1300, was helemaal niet te lezen.
‘Dan moet je nu maar even kijken of ik het wel goed gedaan heb.’
De jongedame is tevreden met het resultaat. De goedmoedige beer kijkt niet. Hij durft niet.

Lukas is intussen hoogstwaarschijnlijk bij een van zijn vaste onderdelen aangeland. Het treintje in de etalage, het filmpje van Thomas, het hobbeltreintje waar je een euro in moet gooien, de houten treintjes bij het winkeltje? Het buitentreintje? De glijbanen? Gelukkig regent het: hij staat weer bij de tafel met houten treintjes. Geen wonder ook. Er zijn geen andere kinderen, hij heeft er het rijk alleen.

27 november 2019

Ik wacht op geld

Vandaag naar de PAN geweest, een kunstbeurs in de RAI, samen met Koos. We weten al wat we willen kopen, maar zoeken nog wat sponsors, vandaar deze oproep. Kunst troost. En dat was wel nodig voor iemand die net de krant gelezen heeft, waarin een goed verdienende fractieleider kamerlid ook nog aanspraak meent te maken op wachtgeld, terwijl er voor Klaas Dijkhof helemaal niets te wachten valt. Hij heeft een uitstekend betaalde job. ‘Uitgesteld loon’ noemt hij het. Ik word heel boos op zo’n man, maar meer dan zijn naam opzettelijk verkeerd spellen kan ik niet.
Dan is daar mevrouw Hennis die vanwege de onbekendheid van het aantal doden van een bombardement haar mond daarover dichthoudt en er later zelfs over liegt, daarmee variërend op het nieuws van het westelijk front dat er niet zou zijn, in dit geval van een ander front. Teveel doden, mevrouw! Doden die je om tactische redenen verzwijgt. En dan een premier die zich verschuilt met een formulering die dicht aanschurkt tegen een Duits zinnetje dat we vaker hebben gehoord. Nee, zo zegt hij het niet, het schurkt er alleen maar tegen aan. Om een of andere reden heb ik er een enorme behoefte aan om dat ‘schurken’ te gebruiken in dit verband.
En dan blijkt ook nog dat er in Amerika drie mannen in de gevangenis hebben gezeten, 36 jaar om precies te zijn, vanaf hun tienertijd. Dat is de tijd waarin ik me verliefde, mijn vrienden had, trouwde, leraar werd, een huis kocht, vader werd, meer vrienden kreeg, weer vader werd, liedjes schreef, weer vader werd, een ander huis kocht en verhuisde, meer vrienden kreeg, conrector werd, en al die vakanties en fiets- en wandeltochten, vijfentwintig jaar getrouwd was en dat onstuimig vierde, vijfentwintig jaar op school was en dat vierde. Kortom al die dingen, die drie mannen niet meemaakten, maar mijn leven markeren. En dat omdat zij, net als ik, iets niet gedaan hadden.
En dat omdat er moedwillig niet geluisterd werd, omdat er gemanipuleerd werd, omdat niemand echt geïnteresseerd was in de waarheid. Gemakzucht, tunnelvisie, vooringenomenheid.

Doden die ontkend worden, geld verdienen en toch een uitkering willen, niet mogen wandelen, trouwen, fietsten en feestvieren, omdat , omdat… Ik verslik me bijna in mijn koffie.

Gelukkig was daar dus de PAN. Mijn oog viel op een uitzicht bij Ezinge, een schilderij van Johan Dijkstra. Het voert te ver om in dit stukje mijn banknummer op te nemen, maar een mailtje is genoeg om het te weten te komen, meneer Dijkhof. Maar als u het geld gewoon terugstort, is het ook goed. Laat me dat dan wel even weten, want dan krijgt u die tweede f weer.

25 november 2019

Wandelen met God

Ook het maandelijkse afzakkertje is terug. Over Nieuw-Zeeland moet ik het maar niet hebben, vindt Mans. Daar moeten Mente en Nelly bij zijn. En wat foto’s.
‘Ik heb het aantal intussen teruggebracht tot 1400.’
‘Dat zeg ik: we zullen het niet over Nieuw-Zeeland hebben.’
Nelly belt. Dit is het moment om de dag samen met Mans af te sluiten. Eens in de maand breek ik in op dat gebruik. ‘Nog een uurtje, dan bel ik terug.’

Wat vonden we van die meditatieve oefening gisteravond? Mans vond het een openbaring. Dat naar binnen keren en cirkelen om een paar woorden, blijft hem vast en zeker beter bij dan heel wat diep doordachte preken. ‘Ik ben het bos in gegaan met ‘Wandelen met God,’ zegt hij. Henoch, denk ik, en Okke Jager, die nu vergeten predikant en dichter die in zijn betrekkelijk korte leven duizenden en duizenden naar zich trok met zijn preken, dichtbundels en bijbelse dagboeken. Hij schreef ooit een gedicht over Henoch, met daarin de regel ‘En Henoch wandelde aldoor met God.’

Mans komt in zijn uitwerking heel ergens anders terecht, namelijk in het huis van Bart van der Werf. De naam zegt me iets. Imposante man… Allesweter… Muziek… Journalist.
Dat is hem. Van der Werf schreef ooit voor Trouw over wetenschap en over muziek. Intussen is de man jaren geleden al volledig vastgelopen. Hij woont in een huisje van de diaconie, zit in de schuldsanering. Hij moet leven van zeventig euro in de week. Ziekenhuisbezoeken voor de meest bizarre kwalen waarvan je niet weet wat echt is en wat is ingebeeld, wisselt hij ondertussen af met megalomane studieprojecten. Over de transitie van plaatsen waar steden ontstonden naar waar ze zich nu ontwikkelen, en over Mahler wil hij schrijven. Degelijke studies moeten het worden.
Voor beide projecten verzamelt hij materiaal. Hij struint kringloop- en tweedehandsboekenwinkels af, grasduint op internet. Hij verzamelt kranten van gisteren en vorige week en komt er niet toe te lezen wat hij binnenhaalt en van selecteren is al helemaal geen sprake. Het gevolg is dat stapels kranten manshoog zijn opgestapeld in zijn kleine huisje. Op sommige plekken moet je schuin lopen om verder te komen. Nu is Bart nogal groot, hij kan nog over de stapels heen kijken, Mans lukt dat vaak niet.
Bart heeft vaak last van zijn ogen en lopen lukt hem ook niet goed meer. Het is wel duidelijk dat er moet worden ingegrepen. Dat gaat eindelijk gebeuren. Maar nu heeft Bart gevraagd of Mans erbij wil zijn, voor hem, om duidelijk te kunnen maken wat híj wil, om, om, nou ja, gewoon om erbij te zijn.

‘Dus jij bent de god van Bart.’
‘Een beetje wel, ja. Alleen dacht ik bij die meditatieve oefening gisteren aan wandelen met Bart. Want laten we eerlijk wezen: het is heel goed voor mij dat ik dit doe. Wat heb je aan een voetballer zonder bal? Zoiets.’

Het uur is nog niet om, maar we hebben nog genoeg om over te praten, ook als het niet over Nieuw-Zeeland mag gaan.
Ik laat het bij één biertje; het is al erg genoeg dat Nelly zo lang op haar telefoontje moet wachten vanavond.

24 november 2019

Uw aangezicht

In de experimentele kerkdienst deze middag was ook ruimte voor een meditatieve oefening. Je weet wel: rug recht, goed zitten, beide voeten op de grond, aandacht voor je ademhaling en zo. En vervolgens moest iedereen een woord in gedachten nemen, een heilig woord, maar het mocht ook een zinnetje zijn. Er werden voorbeelden gegeven. Omdat je gedachten weer met je hoofd op de loop konden gaan, was het zaak je heilige woord in jezelf te herhalen alsof je het echt uitsprak.
Ik koos voor ‘uw aangezicht’.

Heel lang geleden vloog ik over Afrika, op een hoogte van tien kilometer en ik zag kaal land, soms bebouwing, maar nooit een mens. De afstand was te groot. Onze Vader die in de hemel is, ziet geen fluit van ons doen en laten beneden; ik weet dat dat toen door me heen schoot. Daar in de lucht raakte ik van streek door het idee dat alle gezwoeg op aarde ongezien, onopgemerkt, zinloos zou zijn.
Van de God die alles ziet, was ik als kind nooit bang, al hield ik wel rekening mee, met die alziende God. Toen, in dat vliegtuig, brak het zweet me uit bij de tegenovergestelde gedachte aan het ongeziene geploeter van mensen.

Afgelopen woensdag vloog ik over kaal land van Iran. Ik zag bergformaties, plooien in de huid van de aarde, soms met sneeuw. Ik zag rivieren en rivierbeddingen, verschillende stuwmeren, woonplaatsen en de wegen waarmee die met elkaar verbonden werden. Ik deed mijn uiterste best om een auto te zien rijden. Dat lukte. Dat vond ik al heel wat, op die afstand, en dat met een verkeerde bril op. Toen dacht ik weer aan de gedeprimeerde jongeman die ooit over Afrika vloog en meende dat hij iets van een goddelijk point of view zou kunnen ervaren door op tien kilometer afstand door een vliegtuigraampje naar de aarde te kijken.
Deze keer zag ik misschien wel minder dan toen, maar ik werd ongelofelijk nieuwsgierig naar wat zich daar ver beneden mij afspeelde.

In de kerk liet ik de woorden door mijn hoofd gaan. Uw aangezicht, uw aangezicht, niet het mijne: ik zie veel niet, en op tien kilometer hoogte zie ik geen mens meer. God is het gezicht van de ander, zegt Levinas. De ander die mij aankijkt. Maar God is ook het gezicht dat anders kijkt, met mededogen, maar ook zonder onder de indruk te zijn van welke afstand in ruimte of tijd dan ook. Op een of andere manier voel ik me meer het kind dat er vanuit gaat dat God alles ziet. Het lukt me niet om het woord ‘besef’ in de vorige zin te krijgen, maar ik zou het er graag een plaats geven. Uw aangezicht, hoor ik.

De dwarsfluit klinkt. Als de dwarsfluit klinkt, is de oefening afgelopen, was er gezegd. Ik weet niet of ik de oefening naar behoren heb uitgevoerd. Er is niemand die me overhoort.

Uw aangezicht. God ziet het, en altijd van dichtbij. Ik mag hopen dat hij ook geland is in Iran, hij wel. Ik ben er alleen maar overheen gevlogen. Ik zou er wel eens heen willen, naar dat woest ogende gebied. Kijken wie er in de woonplaatsen wonen en er op die wegen rijden.

Er wordt muziek van Sibelius dwarsgefloten; dat klink een stuk aangenamer dan de ronkende motoren van een vliegtuig.

23 november 2019

Vliegen

Als Mente op de bank zit, neem ik graag een duikvlucht. Door de ruime kamer neem ik een aanloop en vervolgens lijkt het wel alsof ik zweef. Mijn opengeritste dan wel -geknoopte vest (ik heb er eentje met een rits en een met knopen) wappert als een cape achter me aan. Hier komt Superman. Bij de bank kom ik omlaag. Ik werp achteloos maar beslist de bril van mijn neus, voor Mente het sein om het puzzeltje, boek of borduurwerk op haar schoot aan de kant te doen om plaats te laten maken voor mij, de geliefde die daar op haar afgevlogen komt en nog snel de leesbril van haar neus haalt om haarzelf vervolgens te vangen in een innige, onontkoombare omhelzing. Ik wil dat je je dit voorstelt.
Het kan natuurlijk dat vroeg of laat een bril zo’n subliem moment niet overleeft en stukvalt op de grond of wordt geplet waar ik land op de bank. Zoveel hartstocht is die tol dan wel waard. Je zult als bril maar op zo’n subliem moment het leven mogen laten!

In werkelijkheid verloopt de eerste alinea wat trager en is de duikvlucht meer het product van een vernuftige montage. Dat geldt eigenlijk voor heel alinea één. Het is de montage van een beperkt aantal beelden uit een grote reeks waarbij vooral die plaatjes zijn verdwenen waarop een been de vloer raakte, er met een knie gesteund werd op de rand van de bank, waarop Superman keurig wachtte tot zijn beminde haar borduurwerkje aan de kant had gelegd. Maar ook bij de werkelijkheid van deze tweede alinea zou een bril kunnen sneuvelen en ook dan zou dat als resultaat van diep doorvoelde hartstocht een mooi einde mogen heten voor een bril. Toch heb ik liever dat je het beeld van alinea één vasthoudt.

In de derde wordt duidelijk dat mijn bril slachtoffer is geworden van slecht rentmeesterschap. De bril die mij was toevertrouwd om mij te dienen heb ik kapot gemaakt door er mijn vuist op te zetten terwijl ik me afvroeg waar mijn bril was. Ik zat op een bed in Nieuw-Zeeland en Mente stond op dat moment in de badkamer. Ik vertelde het afgelopen dinsdag al.

In de vierde alinea zijn we bij een Utrechtse opticien voor een nieuwe bril omdat de huidige niet gerepareerd kan worden. Ik loop daar met hoofdpijn naar binnen met een reservebril op, die is nog in tact, maar de glazen daarvan bieden niet de juiste scherpte, wel hoofdpijn.
Omdat ik moet wachten, zet ik nog even de kapotte bril, die met nog maar één poot, weer op mijn neus. Hij blijft staan alsof er niets aan de hand is. Ik laat het maar zo. Het zicht gaat er enorm op vooruit.

In de vijfde, zesde en zevende alinea loop ik rond met een eenpotige bril en niemand heeft het in de gaten. Op de cantorij (donderdag) bewondert men mijn bruine kop, maar daar blijft het bij. Pas als Mente (vrijdag) heeft gezegd dat iedereen eens goed naar mijn gezicht moet kijken, meent Klaas dat mijn neus een beetje scheef staat. Dat was hem nooit opgevallen. Vandaag merkt Annette het gemis pas op als ik mijn vinger bij mijn slaap houd, bij mijn rechterslaap wel te verstaan, waar het pootje ontbreekt. Zij heeft een scherp oog.

Intussen houdt die bril het uitstekend. Straks, als ik deze achtste alinea af heb, breek ik ook het linkerpootje af. Daarna ren ik door de kamer en roep ik dat ik kan vliegen. ‘En mijn bril ook!’ Mente zal onder de indruk zijn.

22 november 2019

Jetlag

Als je maar zorgt voor een gevulde dag en niet te vroeg naar bed gaat, dan komt het wel goed, dacht ik, en zo kon ik gisteravond om half elf tevreden terugzien op de manier waarop ik de donderdag had besteed. Wel was ik nog klaar wakker, maar ik viel desondanks als een blok in slaap. Naast Mente die het om kwart voor acht al had opgegeven. Zij sliep.

Om kwart voor twaalf werd ik weer wakker, een uur later was ik dat nog. En zo ging dat voort. Ik hield me slapende toen Mente uit bed stapte, maar toen ze na anderhalf uur nog niet terug was, ging ik eens kijken. Ze was bezig een takenlijstje op te stellen, wel met een glas warme melk erbij. Je moet toch wat.

Al geruime tijd delen wij tafel en bed. En bank, badkamer, schuur, inkomen en krant en nageslacht. We rijden in een en dezelfde auto. Wij delen veel, de vreugd van mijn bestaan en ik, en nu dus ook een jetlag. Het is geen straf om met haar wakker te liggen en ook niet om te merken dat zij tegen de ochtend toch weer wegzakt. Sterker nog, toen mompelde ik dat ‘vreugde van mijn leven’.

Wij zijn, bedacht ik, intussen hoorde ik hoe beneden de ochtendkrant op de deurmat viel, voor elkaar bestemd. Achteraf gezien waren gedeelde tafel en bed enz. onafwendbaar en ik merkte dat drie belangrijke mannen in mijn leven van vijftien- tot achttienjarige ook meegewerkt hebben aan de herhaalde ontmoetingen toen tussen Mente en mij. Ik ga dat hier niet uitleggen, dat is veel te ingewikkeld en bovendien zijn het hersenspinsels van iemand die even, na veel vergeefse pogingen, toch in een diepe slaap zal vallen maar dat nog niet weet.

Die hersenspinsels waren niet alleen ingewikkeld, ik vond ze in essentie ook niet bevredigend. Alsof de kringen, van scholen en vrienden en vrienden van vrienden en zo waarin we verkeerden ons naar elkaar dreven. Zo was het niet. Er was uiteindelijk maar één moment. En ook dat bedacht ik toen ik nog wakker was en zij al sliep, vanmorgen vroeg. Dat is het moment waarop een jongen van vijftien bij Nederlands, alleen gezet, achterin de klas, aan de gangkant, omdat hij zo stout is, door de glazen wand naar de gang kijkt en daar een meisje langs ziet rennen en denkt ‘zij!’ Geen netwerken van vrienden of zo. Ik was het zelf.

Of is het de architect van het schoolgebouw? Het jaar daarop zat ik op een andere school, in een gebouw waar tussen lokaal en gang stenen muren gemetseld waren. Daar zou me dit niet zijn overkomen.

Nu lag ik in staat van jetlag in bed naast de vreugde die gelukkig toch sliep. Ik schoof haar kant uit. Geen glazen wand scheidde ons, ze rende niet voorbij maar bleef rustig liggen. Er dwarrelden nog wat netwerken en andere moeizaamheden langs, zoals de mammoetwet, meester Rijper en andere scholen met al dan niet glazen tussenwanden, maar daar weet ik weinig meer van.
Uren later werden we samen wakker.

21 november 2019

Maria

De post van de afgelopen anderhalve maand lag op tafel. Gesorteerd en wel. De persoonlijke post bevatte onder meer twee rouwkaarten, een uitnodiging voor de bijzetting van een urn, gelukkig ook een geboortekaartje, een drietal uitnodigingen voor feest en tentoonstelling en er was de brief voor de ‘geliefde lezer’ van Menno.
Menno van der Beek gedenkt zijn dierbaren regelmatig door ze een kaart te sturen wanneer hij uithuizig is. Op die kaart staat dan een gedicht, vrijwel altijd een kwatrijn met coda. Die kaarten bewaar ik zorgvuldig in een apart mapje in de boekenkast met poëziebundels, tussen de vier bundels van Menno van der Beek, en twee bundels van Abdelkader Benali. Dat is dus een intiem stukje van mijn boekenkast, ook al omdat ik van één bundel van Menno twee exemplaren heb, vanwege de verpakking waarin de vormgever de bundel heeft aangeboden, een gesealde plastic hoes. De bundel heet Waterdicht, vandaar. Het idee en het ontwerp daarvan is van Steven van der Gaauw, ook al een vertrouwde vriend, zodat dit stukje boekenkast me wel heel dierbaar is.
Daar staat een mapje tussen met de poëtische kaarten van Menno, afkomstig uit Doorn, Rotterdam, Trier, Rome, Medebach, Epe, Mesnil-Val en verder en voort. En er is nog meer bijzonder spul, niet bepaald door verblijf elders, maar door een moment in het jaar, Kerst, Pasen, Allerheiligen. Alleen een kaart uit Milaan of Venetië zit er niet tussen en dat zou wel het geval moeten zijn.
Half augustus stuurde Menno zijn dierbaren namelijk een kaart vanuit een van die twee plaatsen met daarop onderstaande, altijd handgeschreven tekst:

‘Milaan, 14 augustus, vooravond Maria Hemelvaart, Il Duomo.
Kwatrijn, met coda

Een vrouw met blote schouders krijgt een gazen overkleed
waarna ze haast iets van de Maagd Maria heeft
die morgen naar de hemel hoopt te gaan
maar niet voordat ze in Milaan geweest is:

Drie euro voor de kerk. En in de rij staan.’

Voor de verzending gebruikte hij GPS-zegels, waarvan bij raadpleging van internet bleek dat de bezorging van daarmee beplakte post vaker wel dan niet fout ging. Na enkele maanden bleek Menno’s vrees terecht te zijn geweest. Geen enkele kaart is op de plaats van bestemming aangekomen. Daarom stuurde hij twee maanden later vanuit Rotterdam een brief aan de dierbaren die deze zomer geen kaart van hem hadden gekregen vanuit Italië waarin hij uiteenzette waarom zij niet getrakteerd waren op een kaart met kwatrijn. Gelukkig had hij van een van de kaarten een foto gemaakt, dat wil zeggen: van de adreskant, waarop het gedicht geschreven stond.

De brief heeft meer dan een maand in gesloten envelop op me liggen wachten, maar hij is aangekomen, Menno! Behalve de brief bevatte de envelop een boomblaadje dat duidelijk maakt dat het ook vijf, zes weken geleden al herfst was. Het blaadje is heel droog geworden en brak in tweeën. Ik heb het aandachtig bekeken en teruggeschoven in de envelop. Straks gaat ook de brief met kwatrijn erin en uiteindelijk komt alles in de poëziekast, tussen de bundel van Van der Beek en Benali.

20 november 2019

Thuis

De ontvangst van de trapleuning is kil en stroef. Dat geldt misschien wel voor het hele trappenhuis, maar dat was me nog niet opgevallen. Integendeel. Vlak voor de landing had ik even iets extra’s aan gedaan, want enkele app’jes hadden ons op voorhand welkom geheten in een koud Nederland. Dat viel dus heel erg mee. Er scheen een najaarszon op de bladeren die nog geen afscheid hadden genomen van hun bomen. De trein die ons op vijfhonderd meter van ons huis weer los zou laten, was verwarmd. Toen we instapten hadden we ons afgevraagd wie de eerste bekenden zouden zijn die we zouden ontmoeten. Dat waren Jonathan en Elleke, van honderd meter verderop, de ouders ook van Jaaps vriend David. Ze stapten een coupé verder uit dezelfde trein en liepen met ons mee naar huis.
Daar lag post op de mat, alleen die van vandaag, inclusief de krant van vandaag. De kamer was verwarmd, dank zij de slimme thermostaat die ik ruim anderhalve maand eerder had gevraagd om pas weer aan te slaan op woensdag 20 november om 13.00 uur. Op tafel lag de post keurig gesorteerd, zonder kranten, want het abonnement had ik tot vanochtend laten onderbreken. Er stonden bloemen op tafel, de koelkast was gevuld met avondeten en broodbeleg. Er was vers brood en verse vruchtensap. In de tuin stond de walnootboom vrijwel kaal te wezen, maar er lag geen blad onder. Dat vond ik terug in de bruine afvalbak. Waaruit maar weer blijkt dat het krijgen van kinderen een aardige toekomstinvestering is, vooral nu we weten dat spaargeld je op termijn niets meer oplevert. Ook mijn kamer boven was warm. Kortom de ontvangst was prettig en warm, behalve dan die van de trapleuning. Toch begon die na een paar uur al toeschietelijker te worden.
Het was van belang deze dag vooral zoveel mogelijk naar Nederlandse maatstaven af te ronden. En dat kon maar het beste met een avondje televisie. Mente leek het beter om niet te wachten tot het journaal van acht uur. We moesten om zeven uur het nieuws van zes uur alvast maar terugkijken en daarna nog wat telefoontjes plegen.
Van het nieuws van zes uur om zeven uur heb ik weinig meegekregen. Ik voelde telkens weer hoe mijn hoofd omlaag knakte. De dappere vent die ik ben, hief het hoofd weer op en keek naar de tv zonder veel meer te registeren dan een hoofd dat weer omlaag viel en te constateren dat het amper begonnen nieuws al was afgelopen. Met een uitgebreide douche wist ik de dag nog iets te verlengen, maar ruim voor negenen lagen we in bed. Een koud bed. Ik kroop dicht tegen Mente aan. Daar vond ik mezelf uren later terug. Toen was het nog steeds woensdag.

19 november 2019

Bril

Vrolijk poets ik al mijn tanden en daarna scheer ik me. Voor deze reis van bijna zeven weken heb ik natuurlijk een extra scheermesje meegebracht, want ik wissel doorgaans na een week of drie vier. Maar zonder dat ik bijzondere problemen ben tegengekomen, red ik me nu al die tijd al met hetzelfde mesje. Dat was dus iets teveel bagage, maar dat vind ik niet erg. Prettig is juist dat ik door een mesje uit te sparen de toch al hoge kosten van de reis omlaag heb weten te krijgen. Dat is een fikse meevaller. Verder heb ik in de vroege ochtend al een stukje geschreven, kortom deze dag van het grote afscheid begint goed.
Mente leest mijn stukjes altijd door en als ze dat gedaan heeft, stuur ik ze naar Aat en die zet ze dan wel een keer op de site. Vandaag kan het stukje al weg terwijl het nog maar half acht is. Ik ben me nog aan het aankleden, maar dit kan wel even tussendoor. Ik ga op het bed zitten, op mijn vest, maar ik zit niet goed, dus met de laptop op schoot en mijn vuisten op het bed gedrukt duw ik mezelf wat verder het bed op. Maar zonder bril zie ik niets. Die heb ik toch niet in de badkamer laten liggen? Nee, die lag op bed, aan het voeteneind, op de plek waar ik het vest gooide toen ik mijn bloes van de stoel pakte, op de plek waar ik mijn bril neerlegde voor ik naar de badkamer ging. Op de plek waar ik zojuist mijn vuist zette, onder het vest, vind ik de bril terug, in twee stukken.
Weliswaar heb ik achteraf één scheermesje teveel meegenomen, uiteindelijk word ik nu toch beloond dat ik op elke reis een reservebril meeneem, in dit geval nog wel de bril waardoor ik zes jaar geleden naar Nieuw-Zeeland heb gekeken. Ik weet blindelings in welke hoek van de koffer ik hem zoeken moet. De oude bril haal ik uit de koker, de twee halve brillen gaan er voor in de plaats.
Het is wel even wennen. Mijn ogen trekken, maar ik moet niet zeuren. Het is nu even inpakken en daarna wegwezen voor de ferry van negen uur.

In de loop van de ochtend zet ik de bril steeds vaker af, maar zonder dat het helpt. Als jongetje zette ik af en toe de bril op van mijn zus, van Ineke. Dat was een sterk geval, die bril dus, waardoor je niks zag maar na vijf tellen al scheel van keek en dat voelde ik tien minuten later nog. Nogmaals, ik deed dat niet vaak, ik kende de gevolgen. Alleen in een onvoorziene bui van overmoed, liet ik me wel eens gaan. Nu loop ik te piegen met en zonder bril. De paracetamolletjes werken amper.
Tegen de middag verlang ik naar een donkere kamer en een lapje voor, alles in en boven mijn ogen trekt en zeurt, maar er moet nog van alles. Ik loop te zweten. Ik kan nu Achterberg wel citeren als hij het over Paulus heeft op zijn weg naar Damascus, ‘Blind word ik weggevoerd.’ Zo erg is het natuurlijk ook weer niet, maar als ik eenmaal in het vliegtuig zit, ben ik blij met mijn vierde paracetamol en met het ooglapje. Als ze een piloot zoeken, ben ik niet beschikbaar. Ik ga wel op de achterbank, met mijn ogen dicht.
Morgen zal het wel beter gaan, wel jammer dat deze dinsdag vierendertig uur duurt.

18 november 2019

Rood

De Thai in Onerao heet de Rode Krab. Je hebt er ruim uitzicht op de gelijknamige baai. Nu zijn er veel plekken op Waiheke die uitzicht bieden op een baai, vaak een andere. Vandaag, het was in tegenstelling tot gisteren en eergisteren matig weer, bezochten we bijvoorbeeld nog even Palm Beach, Rocky Bay en de Huruhi Bay die ook wel Blackpool Bay heet. Dat geldt waarschijnlijk voor alle baaien overigens, dat ze een dubbele naam hebben, een Engels-koloniale en een Maorinaam. Bij plaatsen is het vaak net zo, al zijn er inderdaad ook veel plaatsen die alleen maar een Maorinaam hebben, bijvoorbeeld dit Oneroa. Maar het land zelf is nog steeds vooral Nieuw-Zeeland en niet Aotearoa, wat land van de witte wolken betekent. Dat is nog eens een naam. Ik zou het mooi vinden als men wat rigoureuzer afscheid nam van dat koloniale verleden en zich gaandeweg tot de Maorinamen zou beperken. Dat zit er voorlopig nog niet in. De kranten staan hier vol van het bezoek van Prins Charles en Camilla en een bezoek aan Maori’s ervaren de laatsten als een hoogtepunt in hun bestaan. Ik zou me als Maori afvragen wat die broer van die rare Andrew hier te zoeken heeft.

Vreemd genoeg ben ik hier nu twee keer tegengekomen dat mensen met een Nederlandse herkomst zich met terugwerkende kracht schamen voor het koloniale verleden van ons land, met zijn handelsmissies, waarbij slavenhandel en andere blijken van mensonwaardige praktijken niet werden geschuwd. Ze waren blij dat ze zich daarvan konden distantiëren door Kiwi te zijn. Ach ja. Ik volg dat niet helemaal. Er is een enorme kloof tussen Maori’s en blanken, al zie je gaandeweg wel wat meer vermenging ontstaan nu er ook veel meer Aziatisch bloed door Nieuw-Zeeland, door Aotearoa, begint te stromen.

Maar vanavond zaten we voor de tweede en laatste keer in De Rode Krab. We hebben er heerlijk gegeten en keken door beregende ruiten naar de Oneroa Bay. Diezelfde baai zie je ook bij de Italiaan en bij de fish-and-chipstent. Eergisteren nam ik mijn eerste duik in zee, dat was in de Onetangi Bay, gisteren volgde de tweede, nu in de baai van Oneroa, misschien wel recht onder de Thai van vanavond. Aan die tweede zwempartij heb ik een rode buik overgehouden. Het is onverstandig om hier zonder zonnebrandcrème een minuut of twee in de zon te gaan liggen. Dat deed ik zaterdag, dat deed ik zondag weer en nu heb ik dus een rode buik. Ik ben er vreselijk trots op. Dat me dit in 2019 nog mag overkomen. Aan iederereen die het horen wil, vertel ik dat ik, straks in Nederland, op Schiphol al, mijn bloes of trui omhoog trek om mijn mooi rooie buik te laten zien. De Rode Kreeft. Vanavond in De Rode Krab at ik snapper. Daar verslingerde ik me bij een vorig bezoek aan, maar nu was het er nog niet van gekomen. Nu ik een eerste staat van verbranding had opgelopen, had ik toch ook recht op tenminste één keertje snapper. Het gerecht dat ik koos, was een curry met poon. Piet vroeg of daar geen snapper voor in de plaats kon komen. Dat vond de kok geen probleem.

En zo nadert ons verblijf hier zijn afronding. We hebben gezwommen, ik ben verbrand en heb snapper gegeten, morgen bevaren we nog een baai met een mij onbekende naam, lopen nog eens door Auckland en dan gaan de Rode Kreeft en Blanke Mente de lucht in.

O ja, vanmorgen kocht Tien een tafeltje met een oranje blad. Vanmiddag ruilde ze dat in voor eentje met een rood blad. Rood deed het veel beter, ook bij dat tafeltje.

17 november 2019

Intuïtieve lijn 2

Beneden, in de nieuwe kelder, die geen echte kelder is, omdat dit huis, hoewel midden in de stad, op een helling is gebouwd, heeft Mirjam van Weezel haar atelier. Ze maakt allerlei kunstwerken, die op hun manier complementair zijn, ik beperk me tot de dikke doeken van Belgisch linnen die gewassen worden in een bad met aardkleuren en, zo lijkt het, daarna uitgewrongen zodat, als het natte doek wordt neergelegd, er allerlei vouwen en plooien zijn die verharden als het linnen droogt. En daarop zet Mirjam dan, met garen een lijn uit, de intuïtieve lijn. Het is geen lijn die ergens naar toe wil, geen lijn met een doel, maar eentje die ontstaat als alleen maar naar de volgende stap wordt gekeken met het idee om hobbels te vermijden.
Ik heb heel wat gewandeld de afgelopen maand, ook over steile, smalle en zeer oneffen paadjes, waarbij ik goed moest kijken hoe en waar ik mijn voet neer moest zetten voor een volgende stap. En dat is dan ook het enige wat er toe doet op zo’n moment, waar en hoe die voet gezet wordt, zodat je niet uitglijdt, niet al te veel kracht hoeft te zetten om omhoog te komen, je knie niet een rare draai moet maken. Dat is wat er gebeurt op de doeken van Van Weezel, met dit verschil dat ik al wandelend een spoor volg terwijl bij haar een spoor ontstaat. De intuïtieve lijn, en dat is tegelijkertijd de weg van de minste weerstand.
Op de doeken kunnen lijnen elkaar kruisen.

De doeken spreken me enorm aan, dankzij de intuïtieve lijnen, maar ook door de beperkte middelen en kleuren die gebruikt worden. Kleurstoffen, klei, vermalen zand- of kalksteen, zand, komen allemaal uit de directe omgeving van een kunstwerk. Nu kun je een doek van een vierkante meter of meer of juist minder ophangen, het houdt een keer op en het komt in een ruimte te hangen met haar eigen mogelijkheden en beperkingen.

We hebben er heerlijk gegeten en ik heb mijn camera niet gebruikt. Als ik alleen geweest was, zou ik het eten overgeslagen hebben en stevig aan het fotograferen zijn geslagen in dit fraaie laboratorium in Auckland.

16 november 2019

De verwarring

‘Time is an ocean but it ends at the shore,’ zingen Dylan en Emmylou Harris in Oh Sister. Het kostte me aanvankelijk wat moeite, maar uiteindelijk heb ik toch gezwommen in de Onetangi Bay, deel van de Hauraki Gulf, deel van de Grote Oceaan. Op mijn handdoek doezel ik weg en lig ik me af te vragen hoe de vogels heten die in de zeven potjes zitten die nog het meest aan eierdoppen doen denken, ook vanwege de kleur, zes keer beige en één keer wit. Potjes met een dekseltje. In plaats van vogeltjes kunnen het ook plantjes zijn in de potjes, maar ook daar weet ik de naam niet van. Wel is duidelijk dat we aan het laatste, het witte potje toe zijn. De onmetelijkheid van ons verblijf in Nieuw-Zeeland loopt ten einde. We komen in een andere stand te staan: de jongste en haar gezin hangen vandaag bijna anderhalve dag in de lucht en zijn volgens de klok binnen de vierentwintig uur thuis, de verjaardag van Liesje overlapt die van Klaas. Ze krijgen, dan wel kregen allebei een fiets. En Sinterklaas komt vanmiddag aan in Apeldoorn, op het moment dat er op Schiphol een vliegtuig landt en er hopelijk een dikke jas is voor Lukas en Markus, maar dan is het hier al morgen. Morgen gaan ze allemaal naar de Weerdsluis in Utrecht, Liesje, Klaas, Lukas, Markus en Tommy, dan is het hier al overmorgen, hoe dan ook, wij zijn er niet bij daar. Ik raak verdwaald in een niemandsland.
Vanwege lichamelijk ongemak deze zomer is dit de eerste keer dit jaar dat ik op het strand lig. Dat zeggen Pieter en Martine ook tegen elkaar, dat het zo heerlijk is, hun eerste zwemmetje. We delen het zwemmen, voor allemaal de eerste keer, voor mij de laatste keer dit jaar. Ik moet misschien niet te lang blijven liggen om mijn buik niet te laten verbranden.

Ik weet niet hoe de vogels in de potjes heten, of zijn het plantjes? De afgelopen weken steeds geprobeerd om ze te leren kennen en herkennen, het geelkopje, de grey warbler die in het Nederlands de maori-mangrovezanger schijnt te heten, wat wel een erg lange naam is voor zo’n heel klein vogeltje, de reuzenstern, de meest uiteenlopende reigers en aalscholvers, de fantail, de tui, mina. Met bomen en planten had ik het nog veel moeilijker. Het zit allemaal in kleine ondoorgrondelijke potjes.

Het is 16 november. Vanmiddag, als Sinterklaas aankomt en de familie landt, vieren Liesje en Klaas hun verjaardagen, maar mijn vanmiddag is hun morgenmiddag. Nu met de vlucht terug van de jongste en consorte en met die toch al op elkaar gestapelde verjaardagen, duren de dagen anderhalve dag en lopen ze tegelijkertijd in elkaar over, zodat je niet goed meer weet wat je overhoudt. Zo moeten we dus tot na het avondeten wachten om Liesje nog voor het ontbijt met haar verjaardag te kunnen feliciteren.

Vanmiddag heb ik in de omgeving gewandeld, heb ik bloemetjes gefotografeerd en door een vogelgids zitten bladeren, voor enig houvast. Vanavond kregen we via What’s App de fiets te zien die Liesje voor haar verjaardag kreeg. Na het videogesprek werden we gebeld. Het was Klaas. Hij was intussen naar buiten gelopen om ons de nieuwe fiets te laten zien die hij gisteren gekregen had.

Er komen steeds meer mailtjes binnen, van mensen die niet eens weten dat ik al een tijdje niet thuis ben. Ik reageer wel, alsof ik gewoon thuis achter mijn bureau zit.

Oceaan, kust, elkaar overlappende dagen en in elkaar overlopende werelddeeltjes.

15 november 2019

Blackpool

Bij vloed zijn de grutto’s er wel. Om half acht loop ik met mijn camera het stukje strand op. Heel omzichtig natuurlijk, een paar stappen en dan sta ik weer even stil. Ze staan te slapen in het water, kopjes omgeknakt half onder een vleugel, waaronder dus ook die lange snavel van ze verstopt zit. Langzaam maar zeker kom ik dichterbij. Er komt wat leven in de groep, al geloof ik niet dat dat met mij te maken heeft, eerder met het wassende water, want de vloed is nog niet op zijn hoogtepunt. En misschien ook met een stern die vergezeld wordt door een groot jong dat maar niet ophoudt met zeuren. De twee zitten tussen de grutto’s, rosse grutto’s. Een eindje verderop staan borden. Of je hier vooral je hond niet los wil laten lopen, vanwege de grutto’s. Ook wordt verteld dat die beestjes een ongelofelijke prestatie leveren om hier te komen. Ze komen van Alaska en vliegen 11- tot 12.000 kilometer om hier te komen. Dat doen ze zonder onderbreking. Het kost ze een dag of acht. Als ze deze baai, de Blackpool, eenmaal bereikt hebben, is hun gewicht tot een minimum gereduceerd, kunnen ze amper nog op hun pootjes staan en van een vleugelslag is nauwelijks nog sprake. Als ze in maart weer terugvliegen zijn ze aanmerkelijk aangedikt.
De beeldengroep die Lukas hier gisteren maakte, is niet te zien. Daarvoor staat het water nu te hoog.

‘s Middags, bij eb, lopen Mente en ik nogmaals naar het water. De grutto’s zijn weg, maar een kenner vindt nog resten van Lukas’ beeldengroep. De schelpen die hij als gezichtjes aan de stokjes hing zijn niet meer te achterhalen, maar van de twaalf stokjes die hij in de grond had gedrukt staan er nog twee. Het zijn de twee kleinste en die vertegenwoordigden hemzelf en de kleine Markus. Het is een geruststellende gedachte dat zij er nog zijn, straks, als wij allang zijn weggevaagd, meegenomen door de zee van de tijd. Mente vindt aan de vloedlijn toch nog twee stokjes die zij meent te herkennen, maar wie deze drenkelingen zijn?

Na het avondeten lopen we nogmaals naar het water, nu met zijn vieren. Het wordt weer vloed. De grutto’s zijn terug, maar de jongetjes zijn weer in het water verdwenen. Zojuist kwam er een fotootje binnen van Markus: hij staat, niet in het water van de Blackpool, maar op het vliegveld. Zometeen vliegen ze terug naar Nederland, de jongetjes en hun paps en mams. Hier in Nieuw-Zeeland zijn we geen opa en oma meer en in Nederland vieren Liesje en Klaas vandaag en morgen hun achtste en zesde verjaardag.
Martine en ik dragen nog de feesthoedjes die we hebben opgezet voor de What’s Appvideo om Klaas te feliciteren. Hij en Liesje lieten ons hun traktatie voor school zien.
Zometeen zijn ze allemaal erg ver weg, die kleintjes. Allemaal. En dan ook nog die twee trekvogeltjes hoog in de lucht. Ik vind het maar niks.

14 november 2019

Beelden aan zee

Het is eb. De grutto's zijn er niet. Wel is er in een hoekje van het strand gedoe met twee kleine graafmachines en een vrachtwagen. En er zijn mensen met fel oranje hesjes. Een zit er op de graafmachine bovenop een hoop zand. Twee zitten er op de bumper van de vrachtwagen. De een kijkt naar zijn mobieltje, de ander heeft het aan zijn oor. Misschien probeert de een de ander wel te bellen. In het totaal dreutelen er twaalf mensen rond. Dat lijkt me wat veel.

Een paar honderd meter verderop, midden op het natte schelpenstrand waarop zo hier en daar wat plasjes zijn achtergebleven, loopt een jongetje op blote voeten. T-shirtje en onderbroek. Dat is het. Er is een vrouw bij. Ze zijn met iets bezig. De vrouw zwaait naar me. Het jongetje ziet me niet. Die heeft het te druk.
Ik nader. Zelfs als Lukas recht op me af komt lopen ziet hij me niet. Bij de vloedlijn raapt hij twee kleine stokjes op en dan loopt hij weer terug naar zijn oma. Ik loop achter hem aan. Hij merkt het niet. Hij heeft het te druk.
Mente staat bij een plasje. Daarin staan een paar stokjes met daarop, als petjes om de knop van een stoel, schelpen. Dat zijn gezichten. Lukas maakt een beeldengroep.
'Wat is het mooi geworden!' zegt Mente als Lukas dichtbij gekomen is. 'Eigenlijk zouden we Opa moeten roepen om er een foto van te maken. Zullen we hem roepen?' Lukas staat met zijn rug naar me toe. Hij heeft er geen idee van dat ik er ben. Toch doet hij braaf wat zijn oma zegt. 'Opa!'
'Ja.' 'Je moet hier een foto van maken.' Het verbaast hem niet dat ik uit het niets verschenen ben en al met een camera in mijn handen sta.
Hij vertelt wie wie is. Ik ben de grootste stok met schelp, dan volgt Mente. Papa en mama zijn al een stuk kleiner. Markus en hijzelf zijn kleine takjes.
Omdat hij zojuist dus weer wat stokjes gevonden heeft, kan de beeldengroep worden uitgebreid. Pieter komt erbij. Martine. Jenny. Af en toe waait er een schelpje van zijn stokje. Gelukkig staat er weinig wind, anders zou het onderhoud van de groep uitbreiding ervan bijna onmogelijk maken. Ik denk aan gezichtsverlies, je hoofd niet verliezen en van je stokje gaan, allemaal taal die aan Lukas niet besteed is. Die heeft het te druk met zijn project. We vinden een grote stok. Mij lijkt die buitenproportioneel voor de compositie. Lukas deelt dat bezwaar blijkbaar niet, maar vindt het prima als zijn oma de stok resoluut in tweeën breekt. Ook de halve stok steekt ruim boven de andere uit. We vinden nog een kloeke bruine schelp. Dit is Marlon, zijn neef en grote vriend, thuis in Utrecht. Ik heb het maar te accepteren dat ik mijn eerste plaats afsta aan een jongetje van drie. Het is me al eerder duidelijk geworden dat je als grootvader vrij snel uit het centrum van de belangstelling van een kind verdwijnt.
De andere halve stok wordt een vriendinnetje van het kinderdagverblijf dat verder naamloos blijft en ten slotte vinden we nog een stok en een schelp voor een ander vriendje, ook van het kinderdagverblijf en ook naamloos.

Als we teruglopen, dreutelen er nog steeds veel te veel mensen rond in het hoekje van het strand. Wel komt juist de vrachtwagen aangereden met een nieuwe lading zand. We hebben niet gemerkt dat hij was weggegaan.

13 november 2019

Corolla

Gisteren reden we terug naar Christchurch, dropten onze bagage in het motel en leverden de auto in. Daarvoor moest eerst de tank vol. Bij de benzinepomp schalde Bob Dylan over het terrein. 'You got to serve somebody!' zong hij en een achtergrondkoortje herhaalde zijn woorden, zoals ik dat als kind moest doen bij het bijbellezen aan tafel. 'Wat was het laatste woord?' En dat herhaalde je dan, niet het laatste woord alleen, maar zelfs de laatste vier of vijf woorden, voor minder deden we het niet. Met die herhaalde woorden liet je merken dat je goed geluisterd had.
Dat was onzin natuurlijk. Laatste woorden kun je slapend herhalen. Ze hoeven niet eens tot je bewustzijn door te dringen om ze luid, duidelijk en correct weer te geven. Dat gaat gewoon vanzelf. Hoe dan ook, het koortje nam de woorden van Dylan over en zong 'Serve somebody.' Daarna ging de grote Bob weer verder met zijn twijfelachtige tekst: 'Well, it may be the devil or it may be the Lord, but you gotta serve somebody.' (En weer het koortje: 'Serve somebody.) Je kunt dit niet mijn lievelingslied van Dylan noemen, het komt zelfs niet voor in mijn persoonlijke Dylan Top 150, maar zodra ik ergens iets van Bob Dylan hoor, ben ik aangenaam verrast en gaat mijn toch al zonnige humeur een paar tandjes omhoog. Ook nu. Ook met dit nummer.

Twee minuten later stopte ik bij het verhuurbedrijf. 'Wat kan ik voor u doen?' zei de dame op de stoep. 'Ik kom de auto terugbrengen.' 'O, zet u hem hier maar achter.' Ze stak haar hand uit toen we uitstapten. Ik gaf haar de sleutels. Ze dook half de auto in, natuurlijk om te checken of de tank vol was, liep in twee seconden, maar het kan ook iets minder geweest zijn, om de Toyota Corolla heen, knikte naar ons en zei 'Mooi. Fijne dag verder.'

Dat was het.

'Wat raar,' zei Mente. 'Bijna een maand rijden we overal met die auto naartoe en ineens is dat weg.' Ik vond het ook raar, voelde me tekortschieten. De auto had al die weken, die paar duizend kilometer lang geen krimp gegeven. Als er al iets fout ging, lag dat aan mij. Dat ik de hendels van richtingwijzer en lichtschakelaar verwisselde bijvoorbeeld. Dat ik een keer onnadenkend een knopje had ingedrukt zodat de auto begon te piepen zodra ik over de witte streep langs de weg ging, wat de eerste dagen van het linksrijden nogal eens gebeurde.
Ik had hem nog even een klopje op zijn carosserie willen geven en hem iets willen zeggen. Over zijn uitstekende acceleratie bijvoorbeeld, over de puike ruitenwissers, ik noem maar wat. Maar het 'Fijne dag verder' van de dame liet geen ruimte. Het is dus allemaal haar schuld.

We liepen de straat uit. Nergens klonk muziek. Geen Dylan. Geen 'Well, I'm walking down the highway with my suitcase in my hand.' En dat dan herhaald: 'Well, I'm walking down the highway with my suitcase in my hand.' Dat zou me getroost hebben, ook al liepen we helemaal niet langs de highway en hadden we onze koffers in het motel gezet voordat we de auto inleverden.

We vliegen naar Auckland. In mijn hoofd hoor ik een ander lied van Dylan: 'If you see her, say hello, she might be in Christchurch.' Of ergens anders in Nieuw-Zeeland. Het gaat om een zilvergrijze Toyota Corolla, een hatchback. Saaier kan niet, ik weet het.
Kenteken: LSS 78.
If you see her, say hello, namens ons. LSS 78.

12 november 2019

Yo-Yo Ma

Het podium is een zee van keurige stroken hout waarvan ik vermoed dat ze inheems zijn, zachtbruine tinten. Ze liggen op de vloeren en trekken verticale banen over de wanden, vier zijden van een overigens denkbeeldige acht- of negenhoek. In de ruimte staat een stoel, met daarnaast op een kussen een microfoon. Het oogt allemaal zo klein op het toneel, maar je ziet ze niet over het hoofd: de stoel, het kussen en de microfoon daarop. Je lijkt uit te kijken op een open plek in een bos. We zijn in de Townhall van Christchurch, in de concertzaal die sinds dit jaar pas weer gebruikt kan worden na de aardbeving van februari 2012. Er kunnen 2500 mensen in de zaal. Op een paar na zijn vanavond alle stoelen bezet.
Om tien over half acht komt er een man het podium op. Hij heeft een cello en een strijkstok in zijn hand. Hij loopt tamelijk snel, glimlacht intussen naar de mensen in de zaal, maar trekt zich weinig aan van het applaus. Hij gaat zitten en speelt. Ik hoor de melodie die je in Nederland vrijwel ieder uur op Radio 4 kunt horen, het is het begin van het eerste van de zes cellosuites van Bach, die Yo-Yo Ma deze avond speelt.
In het midden van de open plek in het bruine bos zit nu een meneer met zwart haar in een zwart pak en met een zwart overhemd met een bruine cello. Zijn kleine randloze bril zie je alleen als hij zijn hoofd beweegt.
Meer dan de handen en de cello trekt dat hoofd, het gezicht van Yo-Yo Ma, de aandacht, de hele avond. Het vertaalt de muziek voor de ogen. Hij glimlacht. Het gezicht wordt ondoorgrondelijk. Het kijkt ernstig. Het knikt bemoedigend naar een jongetje op de voorste rij. Het gezicht wordt een dodenmasker van Mao Tse Tung. Het herkent een flard van de muziek en wiegt vrolijk me. Het vraagt of we wel hoorden wat er gebeurde. Het laat zich verrassen.
Het podium vroeg er al om en na een paar maten al zit ik in een bos en kijk en luister ik naar de vogel die zich wel erg makkelijk liet spotten, maar die blijft zitten waar hij zat en zingt. De vogel dat zijn kopje omhoog doet en zingt, al lijkt het geluid niet per se uit zijn keel te komen.
Na de tweede en de vierde suite wordt hij mens. Dan laat hij zich beklappen, pakt hij de microfoon en spreekt hij de bomen in het bos aan alsof het mensen zijn. Het publiek is welwillend. Af en toe pauzeert de cellist wat langer bij de overgang van het ene naar het andere deel in een suite, alsof hij wil dat er mensen per ongeluk gaan klappen, maar we trappen er niet in. In plaats daarvan zie je hoe mensen elkaar even glimlachend en veelbetekenend aankijken. Engelse blikken werpen ze elkaar toe, Engelse glimlachjes, regelrecht uit de beschrijving van een Engelse soirée in een Engelse roman uit de eerste helft van een zeer Engelse negentiende eeuw. Een beetje tuttig dus, een beetje 'O, o, die Yo-Yo, die probeert ons in het ootje te nemen met zijn lange pauzes. Isn't he adorable! Maar wij hebben hem door, haven't we?'
Dan is hij weer de vogel die we hebben gespot. Het vijfde en zesde deel zijn het mooist, ik hoor de vogel twee-, driestemmig zingen, met verschillende instrumenten. Soms hoor ik iemand zingen. Er is alleen een man met een cello.

11 november 2019

Verstandig

Van kringloopwinkels vind je er in Nieuw-Zeeland in iedere plaats twee, ook als er verder geen winkels zijn. Het is niet te geloven. Op shops heten ze en ik heb er de afgelopen maand heel wat bezocht. Meestal uit liefde, niet voor die winkels, maar voor mijn gezelschap. Toch tikte ik de eerste dagen van mijn verblijf al een zeer gedetailleerde wegenatlas op de kop voor een NZ-dollar, wat neerkomt op zestig eurocenten. Nu is de kans op verdwalen op beide eilanden vrijwel uitgesloten en bovendien zat er in onze huurauto een uitstekende navigator. Maar er gaat niets boven een heuse kaart of atlas. En dat dus voor een dollar. Mente kocht af en toe iets en de jongste en haar geliefde kunnen er wat van.
In nogal wat plaatsen lijkt de middenstand een droefmakend bestaan te leiden en in de ene hoofdstraat van een stadje of dorp staan vaak de nodige panden leeg. Daarom dacht ik dat die op shops op een heel makkelijke manier van enorme winkelpanden gebruik konden maken omdat die anders alleen maar sneller zouden verpauperen. Sinds Wanaka twijfel ik daaraan. Daar wisselde de ene gelikte outdoorshop de andere af. En horecagelegenheden en souvernirwinkels, die waren er ook. Maar heel groot en heel manifest was er ook een op shop. Ik ben er drie keer langs gelopen, twee keer 's morgens voor negen uur en een keer na vijven. In alle drie de gevallen was de zaak gesloten, maar ik heb wel naar binnen gegluurd.
In de etalage lag onder andere een singletje van Barry McGuire. 'What's exactly the matter' las ik. Dat was de achterkant van 'Eve of Destruction', je weet wel, dat nummer dat ik nu dus al enkele dagen in mijn hoofd heb. Een gedateerd nummer, niet omdat het uit 1965 is, maar omdat de toekomst van de wereld zoals die daarin beschreven wordt mijlenver van ons af is komen te staan. Met de toekomst van de jaren zestig is het slecht afgelopen. Die kwam niet. Misschien biedt die gedachte enige hoop voor de uitkomst van het toekomstbeeld waarmee we binnenkort de jaren twintig van de eenentwintigste eeuw ingaan.
We hadden best een keer tussen negen en vijf naar de op shop van Wanaka kunnen gaan, maar dat wilde Mente niet. Behalve het singletje trof je in de etalage namelijk ook een zestal setjes van Engels porselein aan: kop, schotel en gebaksschotel. Ik keek spontaan door de ogen van mijn moeder en zag de schoonheid ervan. Ze kreeg jarenlang voor haar verjaardag losse stukken theeservies. Ze was er trots maar vooral ook zuinig op, zo zuinig dat het spul alleen maar ergens in een kast stond te staan, een kast met een solide houten deur.
Het geëtaleerde servies zag er tadellos uit en kostte vrijwel niets. 'De koffers, Mente, de koffers,' zei ik. Dat was genoeg: het zou te ver voeren om volgende week te proberen om half Nieuw-Zeeland in Nederland te importeren, dus nee, geen servies, maar dan ook, al was het maar om de verleiding te weerstaan, geen bezoekje aan de op shop van Wanaka.

Vanmorgen bezochten we Oamaru, een onverwacht aangename kennismaking, ondanks de kou, want boven de tien graden kwam het gisteren en vandaag niet. Wat een leuke stad! En wat een leuke winkels. In een ervan hing een vrolijk giletje en daar ben ik wel van en Mente vond een heerlijk warme trui van merino. Beide een tientje, dat is zes euro. Geen geld.
'Het giletje stinkt,' zei ik en hing het terug. Mente zag dat de trui pilde.

10 november 2019

In de genen

De afgelopen nacht brachten we door in de voormalige politiecel van Lawrence. Onze gastvrouw en -heer woonden in het huis van het hoofd van de politie en zijn gezin. Ons huisje was de politiepost. Het voormalige kantoortje was nu de huiskamer, een andere gedeelte was op creatieve wijze omgebouwd tot badruimte. Douche, toilet en wastafel slingerden zich om ons slaapkamertje en dat was dus de cel. Zijn oorspronkelijke bestemming verried hij door de dikke houten deur met daarin een gat dat te klein was voor een struisvogelei, dus al helemaal voor een hoofd. Bovendien kon er een stevige ijzeren schijf voor het gat geschoven worden die je dan kon vastzetten met een stevige pin. Ik gebruik de verleden tijd voor deur, gat en schijf, ze zijn er nog steeds en het functioneert ook allemaal, behalve het slot van de deur. De zware deur hangt al honderdvijftig jaar in zijn sponning en is iets verzakt. Daardoor kan de grendel niet meer in het daarvoor bestemde gat geschoven worden. Het huisje heet Jailhouse Break en er is ook wifi. Het wachtwoorde is Letmeout. Met die grendel is dat geen probleem, desondanks hebben Mente en ik dus de nacht in een politiecel doorgebracht.
Ik heb zomaar het vermoeden dat die cel vroeger vaak gebruikt is. De gevangenis was elders in Lawrence, maar voor dronkenschap, een vechtpartij, huis- en andere vredebreuk ging je allereerst een nachtje onze slaapkamer in. Voor de hoogtijdagen van de Goldrush van Nieuw-Zeeland kom je terecht in de tweede helft van de negentiende eeuw. 1861 wordt vaak als beginjaar genoemd. Toen werd hier in Otago goud gevonden, zoveel dat van alle kanten mensen naar deze contreien trokken om er hun geluk te beproeven. Het resultaat was dat het bevolkingscijfer toen, hondervijftig jaar geleden, twintig keer zo hoog lag als de vijfhonderd van nu. In die cel vroeg ik me af of de houten wanden nog origineel waren. Ze zagen er zo gaaf uit. Het kan natuurlijk zijn dat ze flink geschuurd zijn, maar dan nog verbaasde me de gladheid ervan. En de zachtheid. Ik vermoedde dat het kaurihout was. Op mijn bureau thuis ligt een smal houten plankje kaurihout, daar deed het me aan denken.
Onze gastheer vertelde dat de wanden inderdaad nog de originele zijn. En kaurihout? Dat zou best eens kunnen. Hij zuchtte, want de houtkap waarmee de vroegere kolonisten zich het land ooit eigen maakten, is een gevoelig punt bij veel Nieuw-Zeelanders.
Met mijn verblijf in de politiecel herstel in overigens een oude familietraditie in ere, van mijn moeders kant in dit geval. Uit oude geschriften blijkt namelijk dat er in de negentiende eeuw meer dan eens een Van der Kruk in de politiecel van Naaldwijk zat. Krukken woonden bij de Monsterse duinen en maakten er een gewoonte van om konijnenstrikken te zetten. Ik denk niet dat ze uit angst voor de politie met stropen gestopt zijn, ze werden er steeds handiger in om niet betrapt te worden. Desondanks werd er wel eens een Kruk op heterdaad betrapt. Dankzij deze herhaalde overtreding weten we trouwens dat ook een paar honderd jaar geleden veel Krukken rossig waren.

Maar kijk. Het zal toch niet waar zijn: door het raam zie ik dat er een konijntje komt aangehuppeld. Vlak voor de veranda blijft het zitten.
Pas nou toch op, beestje, de afgelopen nacht bracht ik al als malafide goudzoeker de nacht door in een cel, probeer jij me nou zo gek te krijgen dat ik vannacht als stroper word opgepakt?

09 november 2019

Beloven

We beloven de man van de rommelwinkel in Lawrence dat we over een paar jaar terugkomen naar Nieuw-Zeeland en dan een maand alleen, maar dan ook alleen maar in Otago zullen doorbrengen. Dan zullen we Wanaka en Queenstown overslaan en vooral veel fietsen. Ze vinden het verstandig als we dat op e-bikes doen, niet vanwege onze leeftijd want 67 is nog heel erg jong. De man van de winkel is al jaren 35 en hij blijft in conditie door niet in de spiegel te kijken.
'Nou,' zegt zijn vrouw, 'dat valt nog te bezien, want meestal rijd ik in de auto en zit hij naast me te slapen. Hij heeft niks in de gaten, maar als we bij huis komen, wordt hij wakker, of ik nou een uur omgereden heb of niet. Maar 35...'
Haar beloven we dat we straks nog even in de auto stappen om het weggetje tegenover hun winkel te nemen naar de plek waar het hier allemaal ooit begon met de 'goldrush'. En hem beloven we dat we na het eten nog even een eindje verder de SH8 op zullen rijden om mevrouw Beekman te bezoeken. Ze zou het prachtig vinden. Ze ontvangt zo graag bezoek. Dan kunnen we ook haar prachtige tuin zien. Ja, mevrouw Beekman is een beroemdheid in Lawrence en omgeving. Ze is al 85, dus kunnen we maar beter niet wachten met ons bezoekje tot we over een paar jaar terugkomen om een maand door Otago te gaan crossen op een e-bike, die je trouwens honderd meter hiervandaan kan huren. Geen probleem.
Hij vertelt dat we eigenlijk tien jaar eerder hadden moeten komen. We gebruiken de Lonely Planet toch wel? Wij vertellen dat we die inderdaad gebruiken. Dat is maar goed ook want tot een jaar of tien geleden runden zijn vrouw en hij hier een café-restaurant en dat werd aanbevolen in de Lonely Planet. En zoiets legt geen windeieren.
Ook dat beloven wij. We komen tien jaar geleden opnieuw naar Otago, zoeken dan in de Lonely Planet naar een aanbevolen café-restaurant om er iets te gebruiken. Hij vindt dat een goed idee.
Als het ons goed bevalt, nemen we de zaak dan tien jaar terug misschien nog wel over ook en dan zorgen we ervoor dat de Lonely Planet onze tent blijft noemen. Dat is goed voor geen windeieren.
We moeten haar wel beloven niet al te lang te wachten met ons ritje over de weg naar het begin van de goldrush hier. Die weg eindigt in een gravelpad, maar dan is het niet ver meer. We beloven dat we niet te lang zullen wachten.
En als we zo van oude rommelwinkels houden, moeten we maandag of dinsdag of wannneer dan ook zo'n honderd kilometer onder Christchurch van de weg af, voor Mayfield. Daar is een rommelwinkel, nou, daar is die van hem helemaal niks bij, en als we dan iets zien wat we mooi vinden, dan moeten we dat gewoon kopen. Als het niet in de koffer voor het vliegtuig past, dan kunnen we er daar wel een koffer bij kopen. Dat beloven we.
'Voor extra bagage moet je extra betalen en zo blijft er van je voordelige koopje niks meer over. Ik zou dat niet doen,' zegt zijn vrouw. Wij beloven het.
We lopen de winkel uit. 'Als je even wacht, bel ik mevrouw Beekman even op. Vraag ik meteen haar huisnummer. Dat is makkelijk met je Google Maps.' We horen het niet.

08 november 2019

Wanakatree

In april schreef ik in mijn notitieblokje 'Wanaka' en daar zette ik een uitroepteken achter. Terwijl Lukas in het Spoorwegmuseum druk aan het spelen was bij de treintjestafel, vertelde Jana me wat ik vooral niet mocht missen als ik het Zuidereiland zou bezoeken. Ik maakte braaf aantekeningen tijdens haar college. Jana werkt bij het Spoorwegmuseum en als grootvader ben ik er al jaren vaste klant. Zij zat ooit bij me in de klas. Toen leefde ze nog niet samen met Nieuw-Zeeland, nu wel. Ik volgde twee colleges bij haar. Het derde werd afgebroken voor het begon, want Jana werkt nu eenmaal voor het Spoorwegmuseum. Dat gaat voor.
Wat Jana over Wanaka vertelde, weet ik niet meer, maar het resulteerde in een uitroepteken. Ongetwijfeld heeft ze het gehad over het prachtige meer, over de besneeuwde bergen eromheen. Over de wanakatree heeft ze het niet gehad en totdat ik gisteren de kamer in kwam waar ik nu zit, wist ik van het bestaan ervan niet af. Het eerste wat je dan namelijk ziet is een foto van het meer, met links wat populieren, op de achtergrond de bergen met hun besneeuwde toppen en een klein boompje dat midden in dat immense meer lijkt te staan.
Je zal zoiets maar tegenkomen. Het leek me onwaarschijnlijk, een boompje in die grote watervlakte, maar gisteravond zag ik het boompje nog ergens op een foto.

Mente koos vanmorgen voor een wandeling langs het water. Het waaide hard, maar voorbij de bocht stonden heel veel mensen op het smalle strandje. Ik begreep onmiddellijk dat die mensen daar waren vanwege dat strandje en vanwege de luwte. 'Ja, ja,'zei Mente. Daarmee bedoelde ze natuurlijk 'nee, nee' en ze had gelijk. De wind joeg ook voorbij de bocht even onversaagd en de tientallen Aziaten stonden er niet met hockeysticks voor een potje strandhockey, maar met selfiesticks om samen met het boompje op de foto te komen, met de wanakatree. Die stond een twintigtal meters verderop in het water ontzettend kwetsbaar te wezen. Iedereen wist blijkbaar van de boom, behalve wij. Alsof je je in Parijs afvraagt wat dat rare hoge ijzeren geval daar toch doet.
De boom is het symbool bij uitstek van Wanaka. Iedereen kent hem. Maar wat voor boom is de wanakatree? Ik dacht zelf aan een wilgje. Maar er zijn hier zoveel mij volstrekt onbekende bomen die ook leven van en in voortdurende zompigheid, dus ik twijfelde. Nu bleek dat iedereen de wanakatree wel kende, maar niemand kon me vertellen of het inderdaad een wilg is. Google wel. Dat vertelt me ook dat een boomtechnisch bureau adverteert met het feit dat het de boom deskundig begeleidt. Dat schijnt wel nodig te zijn, want de intussen tachtig jaar oude boom dreigde ten onder te gaan aan de belangstelling van mensen die in zijn takken klommen en hun namen in de bast wilden kerven. Je moet ervoor door ijskoud water zwemmen, maar in de zomer loop je er zo naartoe.
Het boompje begon aan het eind van de jaren dertig als waarschijnlijk het laatste paaltje van een hek dat moest voorkomen dat schapen vanaf een weiland het stadje in liepen. Dat laatste paaltje bleek dus levensvatbaar. Gwenda Rowlands kan het zich nog goed herinneren, vertelt ze in Stuff van 25 mei 2015.
Het Noordereiland heeft zijn Tane Mahuta, een kolossale kauriboom die al 2000, tweeduizend, jaar oud is, 45 meter hoog, maar Wanaka heeft een boom die minstens even populair is en die waarschijnlijk al vaker is gefotografeerd dan de blikvanger van Waipoua.

07 november 2019

Zweven

Ons was slecht weer beloofd, dus dachten we er goed aan te doen om flink door te stoten naar Wanaka. Dat viel tegen, want de regen bleef boven Franz Josef hangen en boven Fox al scheen de zon. Daarom zat er niets anders op om toch maar naar de gletsjer te wandelen en onderweg veel vaker uit te stappen dan we hadden gepland, voor een watervalletje hier en een bijzonder bos daar. Ook bij Lake Wanaka. Het was al vijf uur geweest toen we na een eerste kennismaking met het meer weer verder konden.
De zon scheen. Het water schitterde, terwijl daarboven, maar vooral langs de flanken van heuvels en bergen een diffuus licht hing. Besneeuwde toppen. Rechs witte wolken hoog in een blauwe lucht, links vergeefse dreiging van regen. Het was allemaal van een weidsheid die me niet alleen de adem benam, maar die me ook een beetje duizelig maakte. Een aantal bochten nam ik nog op de mij vertrouwde sublieme wijze, maar toen de weg plotseling een heftige slinger naar links maakte terwijl recht voor mij een zilverblauwe eindeloosheid op me af kwam, schoot ik rechtdoor. En we vlogen, we zweefden, een, misschien twee meter boven het water. We zweefden.
Tien kilometer eerder had een informatiebord ons verteld dat op het komende traject van 20 kilometer het gemiddelde aantal autobotsingen vele malen hoger lag dan elders. Nu begreep ik waarom. Weliswaar was het niet bijzonder druk, maar wel veel drukker dan de afgelopen dagen op andere delen van de SH6, maar wij zagen de onoplettende chauffeurs. Die keken allemaal naar de zilveren kogel die langzaam maar onversaagd over het water zweefde. Blijkbaar gebeurde dit vaker, al heb ik er in mijn Lonely Planet niets over kunnen terugvinden. We zwaaiden nog wel naar ze, maar zijn daar na de eerste botsing mee gestopt. Ik genoot tijdens onze zweeftoch van de boterham met kaas, het appeltje en een paar slokken water en knapte enorm op, zodat ik, toen de auto weer de weg op gleed, fris en helder onze route kon voortzetten. De vertragingen bleven. Het uitstappen en ergens rondwandelen, het hield maar niet op. In Wanaka was de vis nog niet op.
Morgen willen we gaan wandelen in de omgeving. De weersvooruitzichten zijn gunstig, dus ik hou mijn hart vast.

06 november 2019

Het is er wel

Westport, vertelde onze spraakzame gastvrouw Michelle, en ook de Lonely Planet liet er geen misverstand over bestaan, was ooit een welvarende plaats, met tientallen hotels en grote huizen.
Dat laatste was nog goed te zien aan het oude huis waarin we de nacht doorbrachten. 130 jaar oud volgens Michelle. Van die welvaart is weinig meer te merken en dat geldt ook voor de volgende stad langs de H6, Greymouth. De stad daarna is Hokitika, waar we gistermiddag aankwamen. Dat ligt ook aan de zee en aan de monding van een rivier, maar hier is wat meer gebeurd. De functie van havenstad is, en dat geldt voor alle drie, vooral overgenomen door steden aan de oostkust. De grote goudkoorts van de tweede helft van de negentiende eeuw is voorbij, maar Hokitika heeft nog steeds zijn groensteen en de kunstnijverheid trekt toeristen. Jammer voor Westport en Greymouth, maar Hokitika wint.
En er is natuurlijk het boek van Eleanor Catton uit 2013, 'The Luminaries', in het Nederlands vertaald als 'Al wat schittert.' Met behulp van een kaartje wordt het je zelfs mogelijk gemaakt om belangrijke plaatsen uit het boek langs te gaan. Dat leek me wel leuk, maar gisteren aan het eind van de middag was het al aan het eind van de middag en vanmorgen goot het. Daardoor schoot zelfs een wandeling langs de zee erbij in. Langs de kust van Hokitika spoelt veel hout aan, takken, boomstammen, allemaal door wild stromende rivieren naar zee gevoerd. Ik houd van dat door water, zon en wind geloogde en verbleekte hout. In januari worden hier wedstrijden gehouden. Wie maakt er het mooiste bouwsel van. Nu leven we intussen tien maanden voorbij de laatste competitie, maar er staat nog het een en ander en dat wilden we graag zien. En dan, bergen zijn bergen, bos is bos, weiland is weiland, alleen de zee, ja, dat is de zee! Maar toen was er dus die regen en die wind en koud was het ook. Vandaar dat we naar het voederen van de eels gingen kijken, een typisch Nieuw-Zeelandse palingsoort die me met weerzin vervult, maar waar men hier trots op is. Ik zag het zes jaar geleden ook al een keer en ook toen was het een soort onvermijdelijk voorprogramma voor wie een echte kiwi wilde zien. Daarvan zagen we er twee vandaag. Eentje krijste er nogal. 'Gekooide tijger,' zei Mente. Ik moest meteen aan Der Panther van Rilke denken. Enfin we hebben twee kiwi's gezien en in een glasatelier kocht Mente een vaasje en ik een pinguin.
Daarna trokken we de wijde wereld is. Die er niet was. Regen en regen. Toen we in Franz Josef aankwamen zagen we nog wat besneeuwde gletsjers. Excursies waren afgelast. Helikopters vlogen niet uit. Dat zou fijn geweest zijn voor de bezitters van drones. Die dingen mogen niet gebruikt worden als er helikopters in de lucht hangen, nu kon dat dus wel. Maar wat heb je aan een drone als het regent en wolken je alle zicht benemen? Ik heb geen drone, anders zou ik flink gebaald hebben vanmiddag.
We hebben een kamer die in andere tijden uitzicht biedt op de Franz Josef gletsjer. Buienradar vertelt ons dat we morgen op hetzelfde weer mogen rekenen. Op onze kamer hangt een prachtige foto van de Franz Josefgletsjer.
Vanuit Christchurch meldt de jongste dat het daar prachtig weer is. Dat doet ze expres natuurlijk.

05 november 2019

Paparoa

We waren eerder in Nieuw-Zeeland. Toen bezochten we alleen het Noordeiland. Pieter maakte indertijd een mooi to-do-lijstje, de heer en mevrouw Lonely-Planet droegen het hunne bij, en prettig was de informatie die je onderweg toebedeeld kreeg. 'Als je niet die weg neemt maar die,' waarbij men je kaart afpakte om de eigen woorden met overduidelijke balpenstreken en schriftelijk commentaar te onderstrepen, 'dan kom je langs een tent met de lekkerste fish 'n chips van het hele eiland.' Kortom: ongezochte maar waardevolle informatie, ook voor iemand die niet zo dol is op frites en die in beslag gedompelde en vervolgens in het frituurvet gegooide vis een belediging vindt voor het dier dat daarvoor het leven liet en voor de smaakpapillen van de consument . Maar daar gaat het niet om, het gaat erom dat je onverwacht op goede ideeën gebracht kan worden.

Het afgelopen weekend was Elizabeth, onze gastvrouw bij Collingwood, onze ongevraagde gids en dat leverde ons een bijzonder avontuurlijke afdaling, een prettige strandwandeling en een paar mooie ervaringen op bij Cape Farewell. Alleen was dat nog niet de helft van wat Elizabeth ons vertelde om vooral te doen. En zo begon ik rond te lopen met een gevoel van een verschrikkelijk falen. Het leek er steeds meer op neer te komen dat Mente en ik die hele reis naar Nieuw-Zeeland hadden ondernomen, om meer niet te doen dan wel. Onze gastvrouw in Westport gisteren en vanmorgen deed daar nog een schepje bovenop. Natuurlijk was het prima als we langs de westkust zuidwaarts zouden rijden. De natuur was er mooi, inderdaad, maar de boel werd er commercieel volkomen uitgebuit. Ondertussen sloeg iedereen het stuk ten noorden van Westport over en daar was het minstens net zo mooi en in bepaalde opzichten nog veel mooier. Daar waren zoveel ongerepte maar goed te bereiken stukken natuur en dat zonder dat handige jongens en meiden er hun toeristen lokkende geursporen hadden uitgezet. Punakaiki met zijn pannenkoekrotsen, Hokitika met zijn groene steen, prima als we dat deden, maar wat deden we onszelf toch tekort door niet naar Karamea te gaan, niet naar Opara.

We deden het niet. Met bezwaard gemoed en een map vol folders waar we niets mee zouden doen, reden we Westport uit. Ik vond troost bij de gedachte dat straks, in het fotoboek, alleen maar plaatjes zouden komen van plekken die we wel bezochten en dingen die we wel zagen. Zo zouden langzaam maar zeker al die tips die we niet opvolgden op de achtergrond geraken. Tegelijk vond ik dat een wat sneue gedachte. Maar vreemd, we waren nog maar een paar minuten bezig met onze eerste wandeling van vandaag, tussen boomhoge varens en palmen en oeroude bomen, op weg naar zee, of het viel allemaal weg.

Dat wij tweeën daar zomaar samen liepen, Mente en ik. Als het daarom gaat, vertelde ik haar, dan ben ik gauw klaar. 'Doe mij maar Mente, en laat de rest dan maar zitten.'
Op dat moment begon het Koninklijk Concertgebouworkest te spelen, onder leiding van Bernard Haitink. De vierde symphonie van Brahms, als ik het wel heb.

04 november 2019

Blik op de weg

De wegen zijn tamelijk stil. Nieuw- Zeelands hoofdwegen zijn tweebaanswegen, die zich hier en daar versmallen tot een eenbaansweg. In de breedte is men hier veel en veel minder asfalt kwijt aan wegen dan in Nederland. Daar staat veel lengte tegenover. Je moet nogal wat kilometers doen om ergens te komen. Daar staat dan weer tegenover dat het wegennet veel minder fijnmazig is. Ik vraag me daarom af waar het meeste asfalt wordt gestort om het verkeer terwille te zijn. Eerlijk gezegd weet ik dat niet goed. Moet nog even vertellen dat we de afgelopen dagen ook heel wat onverharde wegen hebben gehad.

Vandaag hebben we voor een groot deel in ingeblikte toestand doorgebracht om van het noordelijkste puntje van het Zuidereiland tot de westkust te geraken. Niet altijd, maar wel hinderlijk regelmatig, pauzeerden we op plekken waar ook ander blik zijn inhoud even uitliet. Onderweg zie je ze amper, maar op bepaalde plekken klonteren ze samen en maken ze ook nog eens dezelfde foto's.

Ik word niet vrolijk van een dag auto, maar ik mag niet mopperen. Onderweg zag ik een gedenkplaat die weet te vertellen dat in zowel maart 1847 als in april 1848 Thomas Brunner die plaats passeerde. Hij reisde van Nelson naar Paringa en deed daar, heen en terug, 550 dagen over. Ik zal even wachten om dit tot je door de laten dringen: 550 dagen.

Ja? Dan ga ik nu naar Google Maps en lees dat de afstand tussen die plaatsen 548 kilometer is, maal twee maakt dat 1100. De getaxeerde tijd voor een enkeltje komt op ruim zeven uur ; maal twee wordt dat 14. Vanwege het luchten, gestrekte benen, de nodige foto's en een kop koffie doe ik het voor twintig uur. Dat is de reistijd.

De plaquette vertelt ons overigens nog iets anders. Brunner ondernam zijn expeditie samen met, en nu citeer ik 'Kehu and three other Maoris'. Bij Gods gratie mag er nog een Maori een eigen naam hebben, de anderen moeten het met een gedeeld getal doen.
De plaquette geeft stof tot nadenken en dat is misschien wel een aardig tijdverdrijf als je zolang in een auto moet zitten, al moet je wel op de nogal slingerende weg blijven letten.
In de negentiende eeuw banjerden er overal westerlingen door een ander continent, meestal zijn het Engelsen. Zij brachten van alles in kaart en hun naam werd een handelsmerk.
Tasman - geen Engelsman en ook geen negentiende-eeuwer, ik weet het - kreeg een zee naar zich vernoemd omdat hij daar één keertje op voer. Waarom niet naar een Maori die al honderden jaren daarvoor die zee bevoer, iemand die er thuis was?
Thomas Brunner was de initiatiefnemer, de regisseur van zijn eigen onderneming, dat begrijp ik wel, en toch zit het me niet helemaal lekker.

Waar ik wel van opknap, is een foto, ook onderweg, van de Newman Coach, uit 1890: een koets met zes mannen erop of erin en vier paarden ervoor. Die deden er ongetwijfeld nog langer over.

Ik zei het al, je komt ondanks alle geestdodende ellende toch nog wel iets leuks tegen onderweg waarover je kunt zitten nadenken, als tijdverdrijf, maar je moet alert blijven.
Er komt een camper recht op me af. Ik rem op tijd zodat de kampeerwagen zonder brokken te maken weer naar zijn eigen weghelft kan schieten. Dan zie ik de fietser die de bestuurder van de camper wilde ontzien, al hadden wij zomaar frontaal… Maar dat is niet gebeurd, dus niet zeuren.

Die fietser intussen is zowel een ontdekker als zijn eigen vervoermiddel en hij is ook nog eens zijn eigen Maori's die hem steunen onderweg. Zo'n fietser, die zouden ze moeten vernoemen.

03 november 2019

Booking en Boeddha

Voor gasten is de wifiverbinding nog niet optimaal, maar om en in het huis van Duan en Elizabeth is dat geen probleem. Gevolg is wel dat ik de overnachting van morgen op overmorgen sta te regelen terwijl ik met Elizabeth praat. Via Booking.com is dat makkelijk te regelen. 'Dat is een Nederlandse organisatie, hè?' Elizabeth zegt het meer dan dat ze het vraagt. Nu zijn dat zaken waarvan ik niet goed op de hoogte ben, maar het zou zomaar kunnen.

Elizabeth vraagt of ik ook een geniuslid ben. Dat weet ik niet. Zij vertelt dat zij niet bij Booking aangesloten zijn en waarom. Het heeft alles te maken met de scherpe prijzen die die organisatie rekent. Voordeel van Booking is natuurlijk dat het zo makkelijk is, voor de reiziger en in zekere zin ook voor de aanbieder, al is die wat meer veroordeeld tot het gemak ervan. Je ontkomt er amper aan. 'Daarom heb ik ook een hekel aan organisaties als Amazon. Het is voor luie mensen, maar de kleine leveranciers die wel mee moeten werken, worden gepakt.'
Ik vrees dat ze gelijk heeft.

Hoe wij nou precies op Ao Marama Retreat terechtgekomen zijn, vertel ik haar maar niet. Ik had elders geboekt, maar later werd de reservering teruggedraaid. Foutje, met excuses van de eigenaar van het andere onderkomen, maar misschien zouden we iets hebben aan een ander adres en toen volgde dus een verwijzing naar de plek waar we nu zitten. De website die ik nog even checkte, meldde dat het hier ging om een voormalige boeddhistische retraiteplek.
Nu heb ik niet veel op met boeddhabeelden in een bosachtige omgeving, maar zo'n omgeving zelf, viel me al vaker op, is doorgaans niet verkeerd.
Dus kwamen we terecht op deze nogal afgelegen plek die toch niet al te ver van de buitenwereld is. We zitten in een eenvoudig huisje, met goede doch eenvoudige badruimte. Er is een gemeenschappelijke keuken 30 meter verderop. Een open keuken, dat wil zeggen: een keuken zonder vierde wand. In plaats daarvan heb je uitzicht op bomen en de Golden Bay. Alles is hier uitzicht en het wemelt er van de vogels en vogeltjes. Opnieuw spijt het me dat we hier niet langer kunnen blijven. 'A place with very good vibes,' zegt de enige andere gast van AO Marama Retreat. Nog geen jaar zijn Duan en Elizabeth er eigenaar. Als Kiwi's woonden ze twintig jaar in Londen, nu zijn ze hier. Zelf hebben zij ook niet veel met Boeddha, al mag zijn terracottakop voor ons huis blijven staan.

Meer dan een bloempot is het eigenlijk niet; eentje die omgekeerd op een paal is gezet. Ik verbaas me over de richting waarin hij kijkt: niet naar het water, maar ook niet naar ons huisje zodat ik hem eventueel zou kunnen toezwaaien. Hij kijkt opzij, waar niets is. Het zou kunnen dat hij aanvankelijk wel naar het huisje keek, maar dat hij zijn gezicht heeft afgewend toen hij zag dat ik het was die kwam logeren. Dat zou zijn losse schedeldak kunnen verklaren, losgebroken toen hij zijn kop draaide, terracotta kan niet veel hebben. De losse schijf is zo groot en zit op dezelfde plaats als een keppeltje. Boeddha glimlacht erbij alsof er niets aan de hand is. Dappere kerel.

Morgen laten wij alweer een plaats achter die wij graag meer recht hadden gedaan door er langer te blijven. Reizen is een aanslag op ons geweten. En op het hoofd van Boeddha.

02 november 2019

Scholeksters

Mente had even tranen in haar ogen toen we wegreden. Dat heb je met vrouwen. Een echte vent als ik doet het met een brok in zijn keel. Zondag ontmoetten we elkaar bij de Countdown van Motueka en bij die supermarkt deden we toen meteen onze boodschappen voor een aantal dagen 'onbewoond' eiland. Nu moesten er opnieuw boodschappen gedaan worden. Voor de jongetjes zou het te verwarrend wezen als we dat nog samen zouden doen. Daarom gingen wij naar de Countdown en die van de Vlierboomstraat naar de New World. Vervolgens trokken wij noordwaarts, naar Collingwood, en zij zitten nu waarschijnlijk bij de Lewis Pass.
Vanuit ons huisje kijken we uit over de Golden Bay. Af en toe komt er een riflemannetje (maar dat kan dus ook een vrouwtje zijn) op een tak voor het raam zitten. Die hadden we nog niet gezien.

Scholeksters des te meer, maar niet zoveel als vanmiddag. Het is hier goed toeven voor ze. De vloed was over zijn hoogtepunt en daarmee kwam er aardig wat voedsel vrij. Niet voor ons, al hebben wij uitgebreid naar de vogels zitten kijken terwijl we hardnekkig brood met kaas en marmite zaten te eten.
In Nieuw-Zeeland heb ik vaker de helemaal zwarte variant van de scholekster gezien dan de ons vertrouwde zwart-witte, maar vanmiddag was dat omgekeerd. Er liepen twee zwarte tussen en die vielen op. Ze gedroegen zich agressief tegenover de anderen. Dat was een beetje sneu voor ze, want ze hadden het soms zo druk met het wegjagen dat ze minder aan eten toekwamen. Soms duwden ze hun kop omlaag en renden luid krijsend door een menigte zwart-witte neven en nichten, die allemaal braaf opzij gingen en soms wegvlogen om van het gezeik van die twee oververhitte verre verwanten af te zijn. De twee zwarten trokken samen op, al hadden ze af en toe ook ruzie met elkaar. Dan vlogen ze een stukje, landden ergens, de een rende de ander nog wat na. Die ging er vandoor, maar twee minuten later scharrelden ze weer in elkaars buurt, meestal aan de rand van de grote groep. Dat krijg je als je de ander verjaagt.
Niet alleen wij zaten naar de scholeksters te kijken. Vanaf een paal in het water deed een grote meeuw hetzelfde. Zonder er verder aandacht aan te besteden spoot hij wat poep weg. Hij bekeek ontspannen de fouragerende vogels onder hem. Mente probeerde zijn aandacht te vangen door stukjes brood zijn kant uit te gooien, niet zozeer uit liefde voor deze reusachtige meeuw, meer om van dat veel te stugge brood af te komen. De meeuw keek wel even, maar belangstelling kon je het niet noemen. Hij viel wel even uit zijn stoïcijnse rol toen er twee meeuwen overvlogen, toen slaakte hij een kreet in een verschrikkelijk plaatselijk meeuwendialect. Dat viel een beetje tegen van hem. Daarna hervond hij zijn houding.
Maar opeens was hij weg. Misschien vroegen de zwarte scholeksters even onze aandacht, hoe dan ook, de paal van de meeuw stond plotsklaps verloren in het water.

Het was het sein om terug te lopen, eerst over het strand en daarna over een uitdagend pad dat tussen varens en ander onstuimig gewas omhoog voert naar ons huisje.

Hopelijk zijn de jongetjes op een leuke plek bij de Lewis Pass. Voor zijn vader en moeder zal het niet praktisch zijn, maar ik hoop wel dat Lukas intussen een paar keer gezegd heeft dat hij naar Opa en Oma wil. Je doet het tenslotte niet allemaal voor niks.

01 november 2019

Eucalyptus 2

Gisteren, terwijl Lucas de glijbaan opklom en afgleed en opklom en afgleed, had ik alle tijd om te constateren dat ook de eucalyptus bij de speelplaats niet met kop en schouders, maar zelfs al vanaf de lendenen boven andere bomen uitsteekt. Vanmorgen was dat nog steeds zo.
Vanaf de veranda van ons onderkomen in Motueka hebben we ruim uitzicht op een golfbaan. Na vieren verdwijnen de toch al sporadische golfers, maar de bomen blijven staan. Het is een fraai park, waarbij alweer een eucalyptus hoog boven de andere bomen uittorent.
Gisteren en eergisteren liep er voor in de avond een meisje over het uitgestrekte grasveld naar de eucalyptus, een meisje van een jaar of twaalf, dertien. Die leeftijd ontleende ik aan haar manier van lopen. Naarmate ze dichter bij de boom kwam, werd ze kleiner en ten slotte leek ze hooguit acht. Er liepen twee katten met haar mee die eenmaal bij de boom wellustig hun nagels in de bovengrondse wortelpartij zetten en toen ze daar mee klaar waren, klom één van de twee een eind naar boven. Hij klauwde zich omhoog en kwam een heel eind, hij zat al een eindje boven het hoofd van het meisje, maar de eigenlijke stam van de boom moest nog beginnen.
In Portugal heb ik wel door eucalyptusbos gelopen en ik heb er door bosbranden geteisterd gebied gezien waaruit hier en daar een kleine eucalyptus het opnieuw ging proberen, maar dat ze zo groot konden worden, ik wist het niet. Deze hier in Nieuw-Zeeland maken meer indruk.
Bij Dunedin staat een eucalyptus regnans van 82.5 meter en een omtrek van bijna zes meter. Die wordt ergens op internet vermeld. De eucalyptussen die ik deze week in en om Motueka zag kom ik daar niet tegen. Ja, ik weet heus wel dat er een manier is om als toeschouwer de hoogte van een boom te berekenen, maar voor ik dat heb gedaan, is mijn pizza koud, terwijl die nu nog in de oven moet. De omtrek van de boom gaat me makkelijker af. Ik kom op zes meter.
Op deze reis heb ik nog geen kauri gezien en de pohutakawa staat nog niet in bloei. Ik ben zeer tevreden met de eucalyptus. Indrukwekkende bomen.
En kom nu alsjeblieft niet met dat stemmetje van de heks uit Paulus de Boskabouter. Wel even serieus blijven.

31 oktober 2019

De hond

Ik lees 'In poëzie en oorlog', het erg persoonlijk gekleurde relaas van vijftig jaar Poetry International van Bas Kwakman. Het is uitstekend leesmateriaal voor een reiziger, al word ik steeds droeviger van het omslag. Tegen een onbestemde achtergrond en boven een iets donkerder voorgrond onderaan steekt een hond zijn kop op. Hij kijkt niet wanhopig of zo. Het is de lege blik van een hond.
Ooit zag ik aan de Catharijnesingel uit het raam hoe aan de overkant een hond vergeefse pogingen deed om uit het water te komen. Het was winter. Hij kreeg met zijn voorpoten geen greep op de beschoeiing. Ik rende naar beneden over de brug bij het Ledig Erf en schoot vervolgens het park in tot bij de hond. De hond keek me aan. Hij kon niet laten zien of hij verwachtingsvol was of wat dan ook. Ik wist niet wat de hond dacht. Waarschijnlijk begreep hij wel dat ik hem wilde helpen, maar dat kon hij niet zeggen. Of dat echt zo was wist ik niet en ook de uitdrukking op zijn kop liet zich niet duiden. Ik trok aan zijn voorpoten. Hij was zwaar. Ik zou hard moeten trekken en zou de hond wel begrijpen waarom ik dat deed? Of zou hij me met al mijn gesjor in mijn handen bijten? Erg trots op die gedachte was ik niet.
Desondanks rende ik naar huis, om handschoenen te halen. Ik had dat niet hoeven doen, bleek naderhand, want zodra ik door mijn gesjor de hond wat hoger kreeg, hielp hij mee om zich verder omhoog te krijgen door zijn voorpoten ingetrokken te houden en met zijn achterpoten tegen de beschoeiing te trappelen. Toen hij eindelijk aan de kant stond, schudde hij zich een paar keer en liep weg. Hij rende niet, hij liep.
De hond op het omslag van Kwakmans boek staat bekend als The Dog. Goya schilderde hem op een muur van zijn huis, rond 1820.
Goya's hond kijkt evenmin geschrokken of droevig, maar hij kijkt wel en van zijn lijf is niets meer te zien. Zakt hij weg in drijfzand? Hangt hij boven diep water?
Het ziet er niet naar uit dat iemand naar de hond toe zal komen. De hond is alleen. Als reiziger lees ik dagelijks maar een klein stukje in het boek, dus al een paar weken kijk ik naar het omslag, naar de hond. En er komt niemand. Er is geen mensenhand. Er is niemand even weggegaan om handschoenen te halen.
Je kunt niet zeggen dat de hond wanhopig is. Je weet het niet. Je kunt wel zeggen dat zijn situatie uitzichtloos is.
Ik zou het boek natuurlijk kunnen kaften.

30 oktober 2019

Oma Sand

We zitten op een bijna onbewoond eiland. Om ons heen een ruim, nee een zeer ruim erf. Bomen, struiken, veel vogels, een enkel wild konijn en veel zand. Strandzand, zand waarvan je niet vies wordt, maar dat wel aan je blijft kleven totdat je weer in huis bent. Daar blijft het achter op de laminaatvloer, daar ook loop je voortdurend met je blote voeten door het zand. Ik ben al voor de vierde of vijfde keer op zoek naar een bezem als ik me dat realiseer. Er is er nergens een te vinden. Wel liggen er bij de houtkachel een plastic en een dito blik, waarschijnlijk afkomstig van de Warehouse, de Nieuw-Zeelandse variant van de Action, die hier spreekwoordelijk is geworden met de leus 'Where everybody gets a bargain.' En of ik nu wil of niet, ik kan het niet laten om bij gebrek aan bezem, gekromd het huis door te gaan. Dat zand moet weg!

Mijn kinderjaren liggen achter de duinen. Nog steeds weet ik niet goed wat je bij mooi weer zou moeten doen als je niet naar het strand kan. Mijn moeder had een allergie voor al dat strandzand in huis. Je hoefde de tuin maar in te komen - natuurlijk haalde je het niet in je hoofd om met strandvoeten de voordeur te nemen - of ze riep al: schoenen uit en voeten schoon.
Bij de vuilnisbak lag een stoffer en daar borstelde je je voeten mee. Vooral de plooien tussen je tenen moest je niet vergeten en daar bleef het zand nogal plakken, al bleven de stugge haren van de stoffer (jawel, kinderen, toen waren de haren van een veger harder dan die laffe dingetjes van Action of Blokker, weerbarstige kokosvezels waren het) vooral vervelend op je onderbenen: daar krasten ze over je licht verbrande vel.
Voor haar kleinkinderen had mijn moeder verschillende namen, een daarvan was Oma Sand. Dat had niets te maken met haar allergie voor strandzand en de daaraan gekoppelde uitroep dat je je schoenen uit moest doen en je voeten moest schoonmaken; het was een topografische aanduiding.
Ik geloof zelfs dat zij nooit moeilijk heeft gedaan over de zandvoeten van haar kleinkinderen. Mijn moeder deed sowieso niet moeilijk. Behalve dan bij haar kinderen als die van het strand kwamen.
'Wat lijk je op je moeder,' hoorde ik vaak als kind. Toen ging het om mijn uiterlijk.
Nu, terwijl ik met pijn in mijn rug door de kamer schuier, denk ik het zelf.
Ik troost me met de gedachte dat ze me zit uit te lachen terwijl ik met een vegertje over een vloer aan de andere kant van de wereld kruip.

29 oktober 2019

Naar rechts

Voor de derde keer die dag lopen we naar het strandje. Nu de vloed voorbij is kunnen we daar weer op. Drie jaar is blijkbaar nog te jong om bevangen te zijn voor de ongereptheid van een onbetreden zandvlakte. Er is zelfs nog geen vogelspoor te zien, maar Lucas is daar niet mee bezig. Het strand is smal, vijf meter tussen het zich terugtrekkende water en de vloedlijn, meer is het niet. Lucas heeft het druk. Overal liggen stokken die nodig terug het water in moeten. Misschien zijn het wel dezelfde stokken als gisteren en heeft de zee ze teruggebracht. Mijn uitgebreide kennis van wind en waterstromen vertelt me dat het onwaarschijnlijk is. Een paar uur geleden gooiden we nog een enorme dennenappel in het water die vrij snel wegdreef. Die zie ik nu nergens meer.
Binnen de kortste keren is het ongerepte stuk strand omgewoeld. Ik ga naar rechts en beloop het nog gladde strand. Het zand is een beetje warm aan mijn voeten. Lucas komt vanzelf achter me aan.
In de verte zien we een hut van grote aangespoelde takken, een tipi. Lucas rent erheen en verstopt zich. Ik besluit nog even een stukje terug te lopen en hard zijn naam te roepen.
'Ik ben hier, maar je ziet me niet!' roept hij al na vijf seconden.
Ik verstop me samen met hem in de tipi waar je dwars doorheen kunt kijken.
Ons verstoppen wordt beloond, want in de verte zien we Mente aan komen lopen; ze draagt Marcus. Wij houden ons stil, maar onze sporen verraden ons. Ze doet niet eens alsof ze ons niet kan vinden.
'Hier mag je niet komen,' zegt ze als ze nog een eind bij ons vandaan is. Wij houden ons stil.
'Je mag wel het hele stuk naar links, maar rechts mag je niet verder dan de vlaggenmast.'
Ik weet daar niets van. Blijkbaar is het ons luid en duidelijk verteld, maar er ontgaat mij wel vaker iets. Tot mijn genoegen, want stel je eens voor dat ik het geweten had. Dan zou ik weer braaf naar links zijn gegaan, want ik ben niet alleen een gehoorzaam jongetje, maar ook een opa die graag het goede voorbeeld geeft. Links is ook leuk, maar daar waren we vandaag al twee keer.
We lopen weer terug. Het valt me op hoe snel er van een ongerepte zandvlakte niets, maar dan ook helemaal niets meer over is.

28 oktober 2019

Eucalyptus

Aan het water staan houten ligstoelen in het zand verankerd. Ze bieden mooi uitzicht, maar zonder matras zit je wel hard en dat beginnen we na een half uurtje te merken. De zachte ligstoelen op de veranda voldoen beter, ook al zit je dan vijftig meter van het water vandaan dat de afstand sowieso alleen maar groter maakt nu de vloed voorbij is.
Ik kijk naar de eucalyptusbomen. Ze vormen samen één grote en hoge eucalyptusgebeurtenis, maar er komen in werkelijkheid vijf, nee, zes stammen uit de grond. Er vliegen merels in en uit, fantails, even zitten zelfs twee ijsvogels naast elkaar op een tak, er komt een tui aan, misschien om iets te eten, maar waarschijnlijker om de vinkjes te verdrijven.
Er is veel boom op het eiland, maar de groepering ervan laat iedere boom, of ieder groepje van bomen en struiken tot zijn recht komen. Geen enkele boom hier hoeft zich te beklagen.
De stammen van de kleine eucalyptuskudde doen me even aan platanen denken. De stam is altijd in bedrijf. Bij de plataan laten bij droog weer hele stukken los, bij de eucalyptus komt de schors in lange linten omlaag te hangen en dat maakt die twee boomsoorten zo verschillend. Het lijkt erop alsof een plataan zich voortdurend verjongt en vernieuwt, terwijl de eucalyptus aanhoudend en vergeefs strijd lijkt te voeren tegen de ouderdom.
Aan gnoes doen de eucalyptussen me ook denken, vanwege die lange droefgeestige manen van ze, maar ook doordat wildebeesten steeds maar voortgejaagd lijken te worden door een ingebakken drift waarin ze zelf de betekenis niet doorgronden maar waaraan ze zich willoos over moeten geven. Jammer voor de gnoes en sneu voor de eucalyptuspartij.
De bomen, de vijf, maar ook de zesde die twee meter verder van de andere stammen uit de grond gekomen is, vormen een majestueus geheel. Als ik deel zou uitmaken van deze groep, zou ik vol trots over het eilandje uitkijken, en verder, over de baaien links en rechts en voor en, veel verder weg, achter. Maar ik lig in een luie stoel voor luie mensen en zie twee, drie fantails. En even later weer een merel. Zou die ergens een nest hebben? Ik zak een beetje weg. Traag maar onafwendbaar, zonder dat ik het in de gaten heb, geven mijn benen zich over aan een volgende verbrandingsgraad. Straks hangen de vellen erbij.

27 oktober 2019

Familie

Omdat consequent gedrag bij de duivel uitkomt, omdat ik hier niet dagelijks kom, omdat ik nieuwsgierig was, omdat ik mijn verre nicht niet teleur wil stellen en omdat de tijd het waarschijnlijk net toeliet, omdat een navigator in de auto zoiets wel heel makkelijk maakt, gingen we vanmorgen toch naar de Reformed Church in Nelson. Bij de ingang stond een man die meteen wilde weten wie we waren en waar we vandaan kwamen. Ons antwoord beviel hem. Hijzelf heette Van den Berg, was geboren in 's-Gravenzande en was als baby in Nelson terechtgekomen, maar wacht, daar had je John en die zou dit ook wel leuk vinden. John heette Van Ginkel, maar zijn moeder was een Borgdorff, uit Monster.
Nu heb ik aardig wat genealogie in mijn hoofd zitten en daarom had ik wel een Willem paraat, maar dat zou zijn moeder vast niet wezen. John wist wel te vertellen dat hij vernoemd was naar zijn opa Jan Borgdorff, uit Monster. Hij had hem nooit ontmoet.
Dat vond ik een beetje sneu. John is net zou oud als ik en ik had zijn grootouders vaak genoeg ontmoet in Monster. Een doodenkele keer kwamen hij en zijn vrouw bij ons thuis. Hij werd doorgaans Jantje genoemd en zijn vrouw noemden mijn ouders Tante Nicht. Die naam gaf de familieband goed aan: Jantje was een neef van mijn grootouders en het verhaal gaat dat deze Jan mijn grootouders overhaalden om in Monster te komen wonen, omdat de kinderen er werk konden vinden. En dat was wel nodig, want mijn grootvader had in 1929 een financiële doodsteek gekregen die zich slecht liet combineren met zijn matige gezondheid en die van zijn vrouw. Zo is het gegaan. De oudste kinderen vonden werk in het Westland en kort daarop volgde de rest van het gezin.

We moesten na de dienst vooral even kennismaken met de dominee en daarna was er koffie en cake. Aan dat laatste kwamen we niet toe, want Jake Vandenberg (ik twijfel over de voornaam) had intussen een boek tevoorschijn gehaald waarin onder andere een foto stond met daarop zijn ouders, de ouders van een man die ook in de kerk aanwezig was en de al eerder genoemde Willem, zoon van de al eerder genoemde Jantje. In een toelichting bij de foto worden ze met name genoemd, met de mededeling dat zij de stichters waren van de Reformed Church in Nelson. En daarmee komen we aan bij de derde kerk die mede door een Borgdorff is gesticht, eerst in Stad, toen in Den Bommel en dus ook in Nelson.
Intussen noteerde in mijn schrijfblokje John van Ginkel wat gegevens van Willem én van zijn moeder, Jacoba Maria, die de zuster was van Willem, die trouwens niet alleen Johns oom was, maar ook van Jake (?), die dus zonder neven van elkaar te zijn wel aan elkaar gelieerd blijken te wezen. Ik kan dat ook wel uitleggen, maar dan alleen op afroep.

De koffie en de cake zagen er heerlijk uit, maar de tijd drong. Om 13.00 uur, zo was ons verordonneerd, moesten we op de parkeerplaats van de Countdown van Motueka zijn, 45 kilometer verderop. We waren op tijd. Een kwartier later liep ik met een kleinkind op mijn schouders. Marcus vond het meteen allemaal prima. Lukas had twee minuten nodig om ons de denkbeeldige reis naar hier te laten maken, en dat vanaf dat verre Nederland waarvan hij dacht we daar nog waren.
Net als John en Jake (?) leest hij mijn stukjes niet.

26 oktober 2019

Charlie

Als ik de parkeerplaats van de supermarkt oprijd, heb ik het alweer te pakken en zing ik 'It's the final countdown' en bij gebrek aan trompetten tetter ik het instrumentale gedeelte er achteraan. De groep Europe heeft in '86 natuurlijk geen blaasinstrumenten gebruikt maar een ordentelijke synthesizer, neem ik aan. Ik vind het een verschrikkelijk nummer, op zich al voldoende reden om naar een andere supermarkt op zoek te gaan. Bovendien vind ik Countdown als naam voor een winkel heel vervelend. Ik wil een brood of een fles jus d'orange en een pak suiker. Countdown is net zo erg als de kleintjes waar Albert Heijn vroeger zo over opgaf.
New World is in Nieuw-Zeeland even onontkoombaar als Countdown en ook dat vind ik maar een rare, trouwens ook weer muzikale, naam, in ieder geval voor een supermarkt. Veel uitnodigender klinkt Fresch Choice; Woolworth is lekker neutraal, maar een zwak heb ik voor Four Square, in aanleg een coöperatie van zelfstandige kruideniers.
In 1924 kwam meneer John Heaton Barker op het idee om kleine kruideniers die het dreigden af te leggen tegen grote winkelketens te laten samenwerken, een concept dat je overal in de wereld tegenkomt, en waartoe meestal in de jaren twintig initiatieven werden ontwikkeld, in Nieuw-Zeeland was het dus meneer Barker die dat deed.
Toen hij op 4 juli 1924 vanuit Auckland met een potentiële kandidaat in Wellington belde voor zijn project, tekende hij afwezig met potlood een vierkantje om de datum van de dag. Even later bedacht hij dat dat wel een goede naam voor zijn onderneming zou zijn: Four Square, en dat onder het motto: Square to all winds that blow. Het vierkantje met de 4 werd en bleef het beeldmerk van het bedrijf.
Sinds de jaren vijftig vind je het ook op het schort van de grote icoon van de kruidenierscoöperatie: Mr Four Square. Op oude plaatjes is hij weliswaar al steeds herkenbaar maar helemaal vast is zijn uiterlijk nog niet: hij lijkt een beetje de broer van Clark Gable, in diezelfde tijd de populairste Amerikaanse filmster, de man van 'Gone with the wind'. Het zou me niet verbazen als Mr Four Square zijn voornaam Charlie, nauwkeuriger Cheekie Charlie, niet te danken heeft aan een reclamebureau, maar dat die spontaan ontstaan is. Hoe dan ook: Charlie werd van meet af aan omarmd.
In de jaren tachtig gaf Dick Frizzell hem het uiterlijk zoals we dat nu nog kennen. De man met het schort waarop de vier in een vierkant. En altijd die vrolijke lach. Charlie werd er vanaf de jaren vijftig steeds jonger op. Hij was niet meer de steun en toeverlaat van vrouwtjes die boodschappen kwamen doen, hij werd de vrolijke jonge knul in de winkel.
Het potloodje achter zijn oor is intussen ook verdwenen, maar zijn schort heeft nog geen borstzak waaruit een mobieltje steekt.
Dick Frizzell is al jaren dé man van Charlie. Hij tekent hem op verschillende manieren, maar dan zoals Dick Bruna dat met zijn Nijntje deed, behoedzaam. Cheekie Charlie speelt gitaar, heeft een beschilderd gezicht als dat van David Bowie als Aladd. Hij is soms nog vrolijker dan anders, knijpt eens een oogje toe, maar een joint zul je hem niet zien roken. Charlie drinkt misschien vijf pilsjes in de week, maar dan heb je het wel gehad. En ondanks de strepen van Bowie denk ik dat hij meer op heeft met country.

Het is overigens een wonder dat die andere supermarkten nog bestaan.

25 oktober 2019

Verband

Ook de Macpac in Nelson houdt uitverkoop en daarom ben ik nu een sneldrogende korte broek rijker, een optimistische aanschaf, want het blijft maar koud in Nieuw-Zeeland. Links en rechts klinken verontschuldigingen voor het weer, en dat mét de mededeling dat het gewoonlijk om deze tijd van het jaar veel en veel behaaglijker is, maar daar schieten we niets mee op. Een korte broek in de uitverkoop in oktober in Kiwiland zou een veeg teken zijn: het warme seizoen moet er nog beginnen. Maar goed, ik heb dus een broek gekocht.
De verkoper veronderstelde dat we uit Nederland kwamen. Hij herkende de taal van zijn moeder. Zelf kwam hij uit Zuid-Afrika, maar hij woonde zijn halve leven al in Nieuw-Zeeland. Dat hoorde ik hem al vertellen tegen de vorige klant die oorspronkelijk ook uit Zuid-Afrika kwam. Herkomst is wel een dingetje in deze contreien. Ons vertelde de verkoper dat zijn vader weliswaar een geboren en getogen Zuid-Afrikaander was, maar zijn moeder was als jonge meid uit Nederland daarheen vertrokken. De verkoper had nog goede herinneringen aan Pinkeltje van Dick Laan.
Dat had ik niet verwacht. Hij beschikte nog over dankje of danke, dat wist hij niet goed meer, maar tot ziens zei hij nog regelmatig.

Meer dan elders ben ik nieuwsgierig naar de mensen om me heen. Als jochie keek ik graag naar een paar fotootjes, eentje waarop een paar jonge vaders een huis aan het bouwen zijn en een waarop een gezin poseert, bij datzelfde huis in aanbouw. Het is nog lang niet klaar, maar toen ik nog niet uit mijn ledikant kon klimmen emigreerde de familie Boutkan naar de andere kant van de wereld. Het waren goede vrienden van mijn ouders. Het gezin zou tot de vriendenclan waarin ik opgroeide behoord hebben: bevriende ouders, zelfde kerk, zelfde school, bevriende kinderen, zelfde woonwijk. Ik weet alleen maar van die foto's en van het machtige avontuur dat die lieten zien. Zoiets zag ik mijn vader niet doen: ergens aan de andere kant van de wereld een huis bouwen, een houten huis nog wel, een permanent vakantiehuis.
De naam Boutkan kom ik hier een paar keer tegen, maar in de omgeving van Nelson en Richmond en Picton zijn ook Borgdorffen neergestreken, in diezelfde jaren vijftig, ook afkomstig uit Monster. Via internet krijg ik daarvan wat indirecte bewijzen, maar veel verder brengen die me niet. Ik weet bijna zeker dat ik op verre familie zou stuiten als ik aanstaande zondag hier naar de Reformed Church zou gaan. Alleen roepen dan andere verplichtingen. Het spijt me voor mijn verre nicht. Zij zou mij ongetwijfeld aangemoedigd hebben én om naar de kerk te gaan zondag én om op zoek te gaan naar familie hier. Ik ben zowel gevoelig voor het een als voor het ander, maar het zit er even niet in.
Toen ik me op de parkeerplaats zichtbaar stond af te vragen hoe dat nou moest met een parkeerbonnetje, kwam er een grote kerel op me af die een bonnetje voor me uit een automaat trok. Hij gaf het me en legde uit hoe het parkeren werkte, hier in het centrum van Nelson. Hem zou ik wel een leuke achterneef gevonden hebben. Hoe dan ook, de chef van de Macpac is geen familie, die komt uit Zuid-Afrika. Wel is het bijzonder dat hij Pinkeltje nog kent.
Ik had het vandaag ook over het vervelende piepsignaal in de auto kunnen hebben. Dat zou ik hebben kunnen doen.

24 oktober 2019

Ansichtkaart

Vanmorgen werden we wakker in een ansichtkaart. Dit is een gevaarlijke opmerking, dat weet ik heus wel. Naar aanleiding van de dood van Herman Deconinck schreef Rutger Kopland 'Kaart van een Grieks eiland.' Het gedicht begint zo:

'ik had je nog een kaart willen schrijven,
zo'n lullige ansicht, […]'

Dan hebben we de titel al gelezen en weten we dus ook wat die kaart waarschijnlijk zo lullig maakte. Aan het eind van het gedicht komt Kopland weer terug op de kaart en zegt hij:

'zo'n veel te blauwe zee,
zo'n veel te blauwe hemel:
Happy days in Greece.'

Weliswaar zitten wij niet in Griekenland, maar het is inderdaad waar: vanuit ons bed zie ik wat als omslag kan dienen van een folder waarin deze omgeving wordt aanbevolen. We zijn in Te Mahia en kijken onvermijdelijk uit op een baai, waarvan het water regelmatig van kleur verandert. Er dobberen een paar bootjes op het water, er is een steiger. Jawel, er zijn palmbomen en de hoge varenstammen waar ik zo gek op ben, die zijn er ook.
Weliswaar komen we wel uit bed, maar de ansichtkaart komen we vandaag niet uit. Daarvoor slingert de kustlijn te veel. Een forse wandeling stelt hemelsbreed weinig voor, maar is wel een fraai avontuur, met veel variërend licht op veel verschillende groenen. En dan zijn er al die vormen, van blad, van stamstructuur, van heuveltoppen. Het landschap is behoorlijk eetbaar vandaag.
Ik fotografeer me intussen van tegenvaller naar tegenvaller, van obstakel naar onmogelijkheid. Mijn slimme camera is vele malen dommer dan mijn ogen. Die zien de fijnste schakeringen waar het fototoestel maar geen vat op krijgt en dat is frustrerend. Als het om bewegingen gaat bakt de camera er ook niks van. Bij herhaling zie ik van dichtbij de rare duikelvlucht van een fantail, ik heb het scherp op mijn netvlies, maar een beetje een foto? Vergeet het maar.

Door het beeld van de ansichtkaart liepen vanmorgen ook Californische kwartels, twee groten en vier kleintjes. Allemaal met dat grappige pluimpje op hun kop. Opnieuw kwam er een weka aangestapt. Hij wilde ook wel naar binnen. Maar hij, nee, zij had ook drie kuikentjes bij zich. Als we daar te dichtbij kwamen, liet moeder een brommend geluid horen, een hond die begint te grommen.

Ansichtkaarten van door de toeristenbureaus aanbevolen mooie plaatsen zijn een verschrikking. Praatjes over vogeltjes en verleidelijk maar ongrijpbaar groen, het is gevaarlijk want als je niet oppast, kom je al gauw op slaapverwekkend terrein, of erger.
Ik zwijg verder en loop weer naar buiten. Twee musjes vliegen met me mee de kamer uit.
Camera niet vergeten.

23 oktober 2019

11.660 km

Zojuist ontvang ik bericht uit Costa Rica dat er weer drie stukjes 'Och heden' op mijn site zijn geplaatst. Dat doe ik namelijk niet zelf; dat doet mijn zwager Aat. Dat is zo ontstaan en dat houden we maar zo. Aat zit een maand in Costa Rica en dat moet wel ergens in de rimboe wezen, want voor contact via internet moet hij naar een dorp tien kilometer verderop. Om daar te komen is hij afhankelijk van iemand die én een auto bezit én toevallig naar het dorp moet én na een uurtje weer terug gaat én die ruimte in de auto heeft voor een extra passagier én die er heil in ziet om een of andere Hollander ter wille te zijn. Er moeten dus heel wat hindernissen genomen worden voor een stukje als dit de lucht in gaat. Nu is Aat niet alleen mijn zwager en mijn digitale steun en toeverlaat, hij is ook mijn wandelmaat en daarom begrijp ik niet goed waarom hij niet dagelijks voor de plaatsing van een stukje twee keer tien kilometer naar en van het dorp loopt. Het zal zijn omdat er niets aan is, aan die wandeling, zonder zijn wandelzwager.
Niet alleen vertelt Aat zojuist dat hij weer drie stukjes heeft geplaatst, ook weet hij te melden dat hij momenteel, net als ik, uitzicht heeft op de Stille, dan wel Grote Oceaan, maar dat hij Nieuw-Zeeland niet kan zien. Dat had hij kunnen weten. De Noordzee is vele malen kleiner dan de Stille Oceaan en ooit hebben Aat en ik een keer naar elkaar staan zwaaien: hij in Harwich en ik bij Hoek van Holland. We hebben elkaar toen niet gezien. Ik heb zelfs nog een keer hard geroepen, maar dat haalde niets uit. Nogmaals: hij had het kunnen weten.
Doorgaans leven we op een afstand van 25 kilometer van elkaar, nu zijn dat er ruim 11 en een half duizend. En een tijdsverschil van 19 uur, wat betekent dat Aat zo up-to-date niet kan zijn of hij loopt alweer een stukje achter.
Door mijn dagelijkse mailtje aan Aat is hij bijzonder vaak in mijn gedachten. Dat is hij ook als ik een Nieuw-Zeelandse vogel zie. Vanavond dwarrelde er een fantail om me heen. Nee, een camera had ik even in het huisje laten liggen, maar later gingen Mente en ik terug naar diezelfde plek en toen zaten er zelfs twee. Het was te donker om de camera te gebruiken zonder vervolgens gefrustreerd te raken vanwege het resultaat. Toen dacht ik dus even aan Aat. Vanwege die fantails dus.
Even later, we stonden even stil om een of ander apparaat op een verlaten veldje te determineren, kwam een weka uit de struiken gelopen. Mente dacht dat hij ons niet zag, ik was er zeker van dat hij regelrecht naar ons op weg was. Een weka, loopvogel die net zo groot is als een kip, is verre van schuw en volgens mij hoopte hij dat we brood of wat dan ook bij ons hadden. Hij bleef cirkeltjes om onze benen draaien en toen we verder gingen, liep hij nog een paar honderd meter met ons mee, als een hondje, maar op een gegeven ogenblik werd de afstand hem te groot en verdween hij in het struikgewas.
De weka was zo dichtbij dat ik daar wel een foto van heb gemaakt en die stuur ik zometeen naar Aat, voor alle moeite die hij zich in Costa Rica getroost om die stukjes van mij te plaatsen.

22 oktober 2019

De walvis

Omdat we stinkend rijk zijn, hebben we in Kaikoura in dit hotel een kamer op de eerste verdieping die ruim uitzicht biedt op zee. In dit geval de Stille Oceaan; ik zeg het er maar even bij. Het is koud en er staat een stevige wind die zo van de besneeuwde toppen af komt rollen. Ook daarop hebben we uitzicht, op de toppen. Het uitzicht trekt voortdurend aan mijn ogen; het wil gezien worden. In een fauteuil achter dubbel glas is het goed toeven. Een enkele keer schiet ik het balkonnetje op om een foto te maken, van de bergkam. Op dit moment - het is half zeven in de avond - trekt de lucht verder dicht, is er niet meer een zon die even een kleine sneeuwvlakte uitlicht. Toen ik de vorige zin begon was er nog een schamele rest van de twee stokbroodvormige wolken die halverwege de flanken van de bergen zweefden, nu zijn ze weg. Waren die twee wolkjes het hoogtepunt van de dag? Ik weet het niet, maar… Even terzijde: omdat ik kan blind tikken, zie ik nu twee distelvinkjes in korte halve boogjes in de boom voor het raam landen. Ze gaan van tak naar tak en weg zijn ze weer.
Ik had het over de wolkjes. Magritte schilderde veel wolken, maar één keer liet hij een wolk vlak boven een dunne glazen kelk zweven. 'Het verstandig akkoord' heet het schilderij. (Kijk nu zijn er toch weer twee wolkjes, momentje…) Het idee van het schilderij is mooier dan het schilderij. Dat heb je bij Magritte: briljante kunstenaarsgeest, niet de beste schildershanden. De wolken waar ik een tijd naar heb zitten kijken, hadden de teerheid van een wolk die boven een dun glas blijft zweven.*
Overigens kunnen die haakjes van de onderbreking in de vorige alinea wel weg, want een van de twee wolken legde zich om de top van een lagere heuvel en vormde zo een fraai vervolg op de eerdere wolken die in het luchtledige zweefden alsof ze boven een afwezig glas hingen. Als gezegd, deze hotelkamer kost wat, maar je krijgt er zoveel voor terug.
Intussen moet ik ook de uitgestrekte oceaan voor me in de gaten houden. Omdat de bergen zich in deze contreien onder water voortzetten, heb je hier tot vlak onder de kust te maken met heel diep water. Daarom komen walvissen hier dicht bij het land. In de auto zag ik al regelmatig de staartvin van een walvis uit het water steken, maar dan bleek het steeds weer om een rotsblok te gaan. Maar met een ruim en weids uitzicht als het onze, kan het toch niet anders of er moet zo nu en dan iets van een walvis te zien zijn, een spuitende kop of een vrolijke staartvin. Maar dan moeten ze niet te lang meer wachten, want het wordt al een beetje donker. Sluitingstijd komt dichterbij. Er zijn al wat bergen opgeborgen.
'Kijk,' roept Mente, 'een nijlpaard! Hij steekt zijn ogen net boven het water uit.'
Ik zie het ook. Een nijlpaard! Hij kijkt naar ons. Daarover heb ik niets gelezen in de Lonely Planet. Walvissen, dolfijnen, pinguins, stormvogels, daar heeft de gids het over, maar het nijlpaard zijn ze vergeten. Het dier blijft ons onbeweeglijk aankijken.

* Stokbroodwolken schilderde Magritte trouwens ook.

21 oktober 2019

De intuïtieve lijn

Vandaag moet ik het over de intuïtieve lijn hebben. Innig tevreden als ik was met de term intuïtieve lijn, heb ik nog even gecheckt of die misschien al bestaat en, zo ja, wat die dan betekent. Ik kwam meteen bij mandala's terecht. Dat begrijp ik wel, maar ik bedoel met intuïtieve lijn juist niet een lijn die neigt naar herhaling en harmonie, maar een lijn die een eigen, op het oog juist grillige want onvoorspelbare weg gaat.
Aan de muur tegenover het voeteneind van ons bed hangt een okerkleurig canvasdoek waarop een paar grillige lijnen in verwante kleuren hoekig over de ondergrond bewegen. Lijken te bewegen, want er is de afgelopen vijf jaar niets meer aan die lijnen veranderd. Dat kan ook niet, want nadat ze op het doek getekend waren, als ze dat al waren, heeft Mirjam van Wezel ze met dik garen nageborduurd. Het is een doek van 50 bij 50. We kijken er vaak naar. Het blijft speels.
Zes jaar geleden logeerden wij een paar nachten in het huisje van Mirjam en haar man Pete Bossley, een architectonische bijzonderheid op een onvergetelijke plek aan Orua Bay niet heel ver van Auckland. We sliepen naast net zo'n canvasdoek, maar dan een met dezelfde afmetingen als het tweepersoonsbed waarin we lagen. Ik raakte erg gesteld op het werk aan de wand, Mente werd er zelfs verliefd op en dat resulteerde later in het doek dat nu aan ons voeteneind hangt.
Wat mij er aan fascineert, is de grilligheid die, misschien door de kleuren, misschien door de herkenning, ik weet het niet, ook iets vanzelfsprekends heeft. Ze kunnen zo grillig niet zijn, of ze hebben iets eigens en ze komen dichtbij. Het is aangenaam wakker worden met die aardse lijnen boven je voeteneind.
In de hotelkamer in Christchurch heb ik, als ik over de daken kijk, uitzicht op een langgerekte kam van heuveltoppen die met elkaar een bijzonder grillige skyline vormen, terwijl het een lijn is die op volstrekt natuurlijke wijze ontstond. Daarvoor moet je niet kijken op enkele tien- of honderdduizenden jaren verschil tussen het ene stuk van de lijn of het andere. En omdat een skyline zich niets aantrekt van diepte, moeten wij dat ook niet doen. Die lijn kan zo grillig niet zijn of hij is afhankelijk van de persoon die er vanuit zijn bed naar kijkt. Alleen vanaf die plek is die lijn er, ook als er niemand is om ernaar te kijken: die lijn is er altijd. Wie weet keek er iemand, vanuit een heel ander gebouw dat misschien ooit op deze plek stond, of vanuit een hoge boom, naar diezelfde even grillige als herkenbare skyline.
Vanochtend lag ik een tijdje te kijken naar de grillige lijn. Even wilde ik een jongetje zijn dat dat zag en dat besloot om altijd op die plek te blijven wonen, alleen maar vanwege die vertrouwde, grillige, onvoorspelbare lijn. Ik maakte een foto. Straks wil ik die lijn van de heuvelkam van Christchurch natrekken. Straks in Utrecht dus, waar boven het voeteneind van ons bed dat prachtige lijnenspel van Miriam hangt waar nu niemand naar kijkt. Maar het is er wel.

Op internet vond ik een site met het huis van Bossley en Van Wezel aan Orua Bay, op een van de foto's zie je ook hoe Miriam met de bewerking van een canvasdoek bezig is, en let ook op het doek aan de wand:
Pete Bossleys

20 oktober 2019

Cardboard Cathedral Christchurch

Of we nog koffie of thee willen blijven drinken, wordt ons na de dienst gevraagd. We bedanken vriendelijk maar beslist.
Een paar dagen geleden waren we deze bijzondere kerk al ingelopen, de kartonnen kathedraal. Bij de aardbeving van februari 2011 werd de grote neogotische kathedraal en symbool bij uitstek van Christchurch dusdanig verminkt dat die niet meer gebruikt kon worden. Later volgde gesteggel over helemaal afbreken of weer herbouwen daarvan. Dat duurde jaren. Maar een voorlopig alternatief was er al na twee jaar. De Japanse architect Shigeru Ban ontwierp een even eenvoudig als indrukwekkend gebouw dat het een jaar of twintig zou moeten kunnen uithouden. Hoofdingrediënten: een stalen constructie, een dak van halftransparent plastic, containers voor de zijkanten en vooral kartonnen kokers. Het hoogoprijzende plafond is een woud van kartonnen kokers. Het altaar en de preekstoel, de fronten van de koorbanken: kartonnen kokers. De kosten voor de bouw bedroegen zo'n drie miljoen euro, dat is heel weinig voor dit indrukwekkende gebouw, waarvan ik hoop dat het veel langer blijft staan dan de geplande twintig jaren.

Choral Eucharist, zo stond de mis van vandaag aangekondigd. Het koor zong de delen van de mis. Vier mannen hadden elk een eigen stem, dus tenor, bariton, bas en een countertenor die erg op Mr Bean leek, in dit geval met achterovergekamd haar om niet herkend te worden, maar wat een stem! Veertien jongetjes die nog niet toe waren aan een baard in de keel en vier jongens van een jaar of achttien. Christchurch was ooit een erg Engelse stad. Wat dit koor betreft is het dat nog steeds. Prachtig.

Drie ingrediënten uit de preek. Kort refereert de reverend aan zijn wat latere bekering en dat hij onder de indruk was van de geloofszekerheid van een gemeenschap waarin hij terecht kwam. Toen hij zich er wat meer thuis ging voelen, ontdekte hij dat hij niet de enige was die intussen met allerlei vragen rond liep en daardoor ging hij zich er nog meer thuis voelen. Mente pikte bij het verhaal over Jakob en zijn gevecht met de engel vooral de vraag van de onbekende belager op. 'Hoe heet je?'Jakob geeft een eerlijk antwoord: Jakob, leugenaar. Ooit wás Jakob een leugenaar en noemde hij een andere naam, nu is hij oprecht en krijgt hij een nieuwe. Ik haakte aan het verhaal van de corrupte rechter die een arme vrouw alleen maar haar zin geeft om van haar gezeur af te zijn. Zo is God, iemand om bij te blijven zeuren en die je tegemoet komt om van je af te zijn. Zo is God niet, zegt Jezus vervolgens. God is rechtvaardig. 'En toch lijken oprechte gebeden niet verhoord te worden,' zegt de priester. 'Wij zijn de Jakob die zijn belager vasthoudt en de vrouw die blijft aankloppen.' En God is de Ander die op zijn eigen wijze naar je toekomt, concludeer ik, en dat is verwarrend en hoopgevend.

Tijdens de eucharistie, wordt een oude man onwel. Een vrouw die veel te laat met man en kind de kerk inkwam, ontpopt zich als dokter en reddende engel. Er staat een heel groepje mensen om de man. De eucharistie gaat door. 'Pleni sunt coeli,' zingt het. Mooi. Na een tijdje komt ambulancepersoneel met een brancard de kerk in. 'St. John' staat er in grote letters op hun lichtgevende pakken. De eucharistie gaat door. De man wordt op de brancard gelegd. De brancard wordt weggereden. De eucharistie gaat door. De mensen met brood en wijn geven geen krimp. Het koor zingt hemeltergend mooi en doordringend. De vrouw van de man lijkt sprekend op mevrouw Van den Bos van de Vredebestlaan in Poeldijk, zie ik, misschien iets kleiner. Ze loopt achter de brancard. De man op de brancard lijkt helemaal niet op meneer Van den Bos.

'God of peace,' zegt de reverend, 'you have nourished us in this sarcrament...' Als hij Amen zegt, stel ik me voor dat hij eindelijk, eindelijk zal reageren op wat er zojuist in de kerk gebeurd is. Het gebeurt niet.

19 oktober 2019

De bewonderaar

Alles komt samen als we op de terugweg bij Arthur's Pass overstappen van bus op trein. De reis van Christchurch naar Greymouth, dwars door het alpine gebied van het Zuidereiland, is zeer de moeite waard, heen en terug. In Greymouth, aan de westkust hebben we minder dan een uur de tijd om de boel te verkennen en ook nog een kop koffie te kopen. Dat is dom. Met de beker koffie (Mente heeft thee) lopen we nog gauw even een winkeltje in voor een boekje dat Mente graag wil hebben, maar dat tegenvalt als we het eindelijk vinden. Met die beker koffie schuiven we de bus in om pas achterin een plaats te vinden omdat op eerdere, lege stoelen een tasje ligt. Rugzak in het rek, vest uit, waterfles in het netje voor ons. Gedoe met camera, niet knoeien met de koffie waarvan ik telkens schielijk een slok neem. We zitten.
De stoelen van het tasje voor ons blijven leeg. We attenderen de begeleider erop. Hij is niet geïnteresseerd. De plaatsen blijven leeg en voor het wagenzieke mannetje dat ik ben is een plaats tussen voor- en achterwielen wel erg aantrekkelijk, dus Mente besluit te verhuizen. De koffie valt verkeerd, maar toch neem ik telkens een slokje. Ik wil af van het extra obstakel dat de beker vormt, maar denk er niet bij na, daarom drink ik toch die koffie: om van die beker af te komen.
Als de bus wegrijdt en Mente het achtergelaten tasje bij de chauffeur heeft ingeleverd, zitten wij op onze nieuwe plaatsen en is de koffiebeker leeg. Ik moet iets eten. Ik had die koffie niet moeten nemen. Ik had brood moeten eten en wat water moeten drinken. Dat doe ik alsnog, maar met de koffiebodem komt mijn maag in opstand. Het is een kwestie van regelmatig slikken, diep ademen en af en toe een slokje water. Intussen tettert door de speakertjes de stem van de chauffeur die op deze terugweg hetzelfde vertelt als heen. Onder andere van de soorten lawines waardoor dit gebied getroffen kan worden: bomen die in hun val als dominostenen ander bomen meenemen, sneeuw die omlaag schuift, rotsblokken. Het kan allemaal. Het verklaart in ieder geval waarom ik in een bus naar het akelige geluid van het speakertje boven mijn hoofd moet luisteren. Vanwege een lawine is een deel van de spoorlijn tussen Arthur's Pass en Greymouth onberijdbaar geworden.
Eindelijk mogen we overstappen. Ik voel me beroerd maar de frisse lucht en het lopen doen me goed. We lopen langs de lange trein naar onze coupé. Halverwege komt een oude man weer naar buiten. Hij staat me van ver aan te kijken. Als ik dichterbij komt, verdwijnt zijn nek, zie ik, zijn hoofd zakt tussen zijn schouders. Intussen neemt hij zijn hoedje voor me af en schuift bijna tegen me aan. Hij zegt iets, heel zachtjes. 'Neem me niet kwalijk,' zeg ik, 'maar ik verstond u niet.' En dan herhaalt hij wat hij zei en weet ik dat ik hem wél goed verstond.
'Ik vind het een grote eer u te ontmoeten, meneer. U moet weten dat ik een groot bewonderaar van u ben.' Dat me dit mag overkomen, midden op een eiland aan de andere kant van de wereld. O, gerechtigheid!
'Ik kom uit Nederland.'
'O, neem me niet kwalijk, ik dacht dat u...' En dan noemt hij een naam die ik niet goed versta, de mijne is het in elk geval niet.
We lopen verder. Ik blijf wat langer buiten en knap vrij snel weer op.

18 oktober 2019

Het dwaallicht

De weg naar het verhuurbedrijf biedt allerlei verrassingen. Als je vanuit het hotel naar het zuiden loopt, kom je nog allerlei eetgelegenheden tegen en een Countdownsupermarkt en een geldautomaat. Ontbeten hebben we al en voor boodschappen zijn we nog niet in de stemming. Maar wie weet kunnen we op een ander moment ons voordeel doen met deze ontdekkingen. Nu willen we een auto huren. Alleen die geldautomaat is wel handig. In winkels doet onze gewone betaalkaart het niet, maar wel bij een apparaat in de muur. Je kunt daarom maar beter wat geld bij je hebben. 'Sorry, out of order,' meldt het schermpje van de automaat. We lopen verder naar Iversen Terrace. Daar zit het verhuurbedrijf.
Het regent en het is een regen volgens het boekje: bij Wellington en Auckland komt die geregeld bij bakken, bij Christchurch mag je rekenen op een gestage motregen. Dat gestaag klopt ook: het zal de hele dag blijven regenen. 'Het is hier prachtig,' vertelt iemand ons die middag, 'maar je moet er wel op rekenen dat het elke dag regent.'
We moeten zijn op nummer 33. Daar zit Apex met zijn autoverhuur. Ik vond nog een kaart van Nieuw-Zeeland van een paar jaar geleden, met daarop plattegrondjes waarop je kunt zien waar Apex zijn bedrijven heeft. Ik zit niet aan Apex gebakken, maar huurde er in het verleden twee keer een auto en het handige kaartje gaf aan dat het bedrijf op een kwartier lopen van ons hotel was. Zo komen we, nat en zonder gevulde portemonnee, maar zonder te verdwalen aan op 33 Iversen Terrace waar zich een houthandel gevestigd heeft, geen autoverhuurbedrijf. We lopen naar binnen. De man achter de balie weet niet wat er voor andere bedrijven op 33 hebben gezeten. Zij zitten hier nu twee jaar.
Ze hebbben hier veel hout, maar geen blik. Dat is duidelijk. Ik vraag de man of hij misschien een verhuurbedrijf in de buurt weet. Dat weet hij niet, maar een snelle blik op de computer biedt hulp en hij kan me precies laten zien hoe we lopen moeten.
In 'Dwaallicht' van Elsschot vragen drie Afghanen in een donker Antwerpen de weg aan de hoofdpersoon Laarmans. Dat is in de jaren veertig. Zonder Google Maps wordt het een tocht die een novelle lang duurt zonder dat de mannen komen waar ze willen wezen. Heel romantisch, maar ook onpraktisch en alleen maar aangenaam voor de lezer. In het boek is al dat dwalen ook een zoektocht naar de vrouw, De Vrouw.
Ik bof, ik hoef niet te zoeken, want in mijn geval loopt De Vrouw naast me, en de ellende van het dwalen wordt ons bespaard: niet alleen is het computerscherm duidelijk, de route erheen is opvallend simpel. Een uurtje later zijn we weer in het hotel. Zonder geld nog, een beetje koud ook vanwege de regen en we hebben een behoorlijke wandeling achter de rug, maar maandag staat er een auto voor ons klaar en daar ging het nu even om.

17 oktober 2019

Christchurch 2

El of San Salvador, Jezus-Eik en dus ook Christchurch. Het jongetje dat ik was, was zich er heel erg van bewust dat je de naam van de Heere uw God niet ijdel mocht gebruiken, voor de Heilige Geest luisterde dat mogelijk minder nauw, maar bij de Zoon juist weer niet. Die stond op één lijn met de Vader. En hoe kon je dan de naam van God of Jezus in de mond nemen zonder hem te bedoelen? Dat was op zijn minst ijdel gebruik van iemand die vervolgens om die reden niet onschuldig gehouden wordt. Ik begreep niet dat mensen aan dorpen, steden, hele landen namen gaven die niet anders dan een doorn in het oog van Opperwezen en Zoon konden zijn. Zelf woonde ik gelukkig in Monster, ook een rare naam, maar niet godslasterlijk. De naam Monster zou trouwens ontstaan zijn uit monastarium, klooster. Een godgewijde omgeving dus, een vrome naam, en dat dus zonder een geheiligde naam op wat voor wijze dan ook ijdel te gebruiken. Integendeel, al bleef het inderdaad een rare naam voor een dorp, Monster. Dat gold ook voor de straat waarin ik woonde. Die heette Choorstraat, met ch gelukkig, niet met een g, maar toch, erg verheffend klonk het niet.
Toch was ook de herkomst van die naam Choorstraat er een om trots op te zijn. Het ging immers om de straat die rechtstreeks naar het koor, het hart van de kerk leidde. Daar was de kerkuil die ik was erg gevoelig voor. Misschien was het juist wel goed dat de schone betekenis van straat- en dorpsnaam schuilging achter een verachterlijk kleed, een steen die door de wereld misschien vol verachting aan de kant gegooid werd maar die tot hoeksteen… Maar zo mocht ik ook niet denken. Dat was hovaardig.

Ik ben dat denken voorbij. Zeg ik. Maar toch, toen Christchurch indertijd door aardbevingen getroffen werd, schoot het toch even, heel even maar, door me heen dat de stad zichzelf mooi tuk had met die zelfingenomen naam. Ik durfde de gedachte toen niet eens af te maken, bij wijze van spreken, maar gedachten gaan sneller dan wijsheid en fatsoen.

Vandaag liepen wij langs kapotte gebouwen, braakliggend land, een vernielde kathedraal, en evengoed door de onstuimige bloei in de botanische tuin. We zagen veel nieuwbouw, fraaie streetart, veel leuke tentjes, prachtige winkels en zeiden ah en oh in de kartonnen kathedraal, indrukwekkend van eenvoud.
De nacht van 3 op 4 september 2010, vooral 22 februari 2011 en vervolgens 13 juni van datzelfde jaar: het centrum van de stad werd bij wijze van spreken in drie dagen afgebroken. Overal hoor je drilboren, overal wordt gewerkt, al jaren is men nu al bezig om Christchurch weer op te bouwen en er zal nog een hele tijd overheen gaan voor de boel weer een beetje op orde is. Maar dat gaat gebeuren.
Als ik jong geweest was… Maar ze zitten hier vast niet te wachten op een leraar Nederlands.

16 oktober 2019

Christchurch 1

We kwamen vanmiddag aan in Christchurch en reden met de bus naar een prachtig busstation vijf minuten van ons hotel vandaan. We hebben later nog even rondgelopen en aten in een tent waar je ons morgen zomaar opnieuw zou kunnen vinden en nu zitten we weer op het hotelkamertje waar een mooie foto hangt van een straatbeeld uit deze stad van rond 1950. Dan heb je meteen het mooiste van deze kamer gehad. Verder kijken wij over daken van plaatijzer, dat soms golft en soms niet. In de verte bergen, mooi, maar in de verte.
Ik heb een heleboel eerste indrukken, maar ik moet denken aan een gesprek met een Nederlandse arts die al zes jaar in Tanzania werkte, in de zomer van '82. We vlogen van Dar es Salaam naar Schiphol. Ik had juist zes weken Tanzania achter de rug. 'En nu denk je zeker dat je iets weet van het land?' Hij zei het met een lachje dat me niet beviel en vertelde dat hij pas na drie jaar iets van het land begon te begrijpen.
Natuurlijk had ik in die paar weken indrukken opgedaan, al voelde ik er niets voor om ze met deze wat zelfingenomen vliegende dokter te delen. Toch is zijn retorische vraag behoorlijk blijven hangen.
Wat moet ik dan zeggen van een stad waar ik nog maar een paar uur ben en waar zoveel gebeurd is? Laat ik me beperken tot de meest zichtbare sporen van de aardbeving achtenhalf jaar geleden. Martine vertelde van indrukwekkende, graffitiachtige muurschilderingen en dat er door de lokale overheid allerlei containers zijn gedumpt waarin kleine bedrijfjes terecht kunnen. Pieter zei dat de stad eruit ziet als een gehavend gebit. Ik moest aan Dresden denken, waarvoor dat beeld indertijd ook gebruikt werd, ook al een stad waar ik liever niets over zeg. Een aantal grote bedrijven in Christchurch gebruikte uitgekeerd verzekeringsgeld om hun bedrijf elders voort te zetten, wat natuurlijk niet erg bevorderlijk is voor de wederopbouw van deze stad.
Vanuit de bus zien we grote lege plekken. Parkeerplaats genoeg in Christchurch. We zien veel containers, vaak gestapeld, als bedrijfje, maar ze staan dikwijls ook loos te wezen, lijkt het, en twee keer zag ik dat ze gebruikt waren bij het stutten van een gevel.
We aten in The Little High Eatery, een gelegenheid waarin acht kleine restaurants de ruimte, tafels, stoelen en de muziek delen. Ik moet maar niks zeggen van Christchurch, niet nu ik daar nog maar een paar uur ben. Maar we aten dus in een leuke tent en kwamen, zoals ik al zei, aan op een fraai busstation, zo riant als ik nooit eerder zag.
Alleen dit nog. Op 12 november treedt Yo-Yo Ma er op. Het is zijn eerste concert in Nieuw-Zeeland en dat vindt dus plaats in Christchurch. Niet in Auckland, niet in Wellington, in Christchurch.

15 oktober 2019

Toilet

Wij zijn de eerste gebruikers van de FFU, de Family-And-FriendsUnit, bij het nieuwe onderkomen van mijn zwager en schoonzus in Nieuw-Zeeland. Iemand zei dat je het beter een LFFU kunt noemen, waarbij de L staat voor Lucky. Ik spreek dat niet tegen. In ons appartement hebben we uiteraard een eigen badkamer met toilet en gelukkig ook eigen toiletpapier. Omdat slechts twee personen daarvan gebruik maken, wij twee, doen we er nu al dagen mee.
Met dat papier is iets aan de hand. Ik denk niet dat het om een typisch Nieuw-Zeelands verschijnsel gaat. Allereerst is me zoiets ook wel in Nederland overkomen en in de tweede plaats heb ik hier ook al gebruik gemaakt van toiletrollen waarbij het zich helemaal niet voordeed. Nu dus wel. Ik heb het over het type rol waarbij twee laagjes synchroon worden afgerold. Op zich is dat niet iets om aandacht aan te besteden, behalve als de perforatie van het ene velletje niet samenvalt met die van het andere. En dat is nu het geval. Dat betekent dat bij het afscheuren het ene velletje aan de ene kant drie centimeter langer is dan het andere. En omgekeerd. Heel erg is het niet, je hoort me niet klagen, maar het vraagt aandacht, aandacht die ik doorgaans liever niet besteed aan toiletpapier. De ene keer herschik ik de velletjes zodat ze wel precies op elkaar komen te liggen, de andere keer laat ik het erbij, maar in beide gevallen heb ik daarvoor een beslissing moeten nemen en dat vind ik jammer. Ik moet toegeven dat het papier zich zonder problemen laat scheuren en dat het keurig gebeurt op de plaats van de perforatie. Daar kun je ook grote problemen mee hebben, maar zo is het dus niet.
Het zal wel toeval zijn en, nogmaals, onoverkomelijk is het niet, maar het is wél zo. Ik denk ook niet dat het vaker voorkomt bij toiletpapier van dit type, dat hier overigens verkocht wordt bij een filiaal van een grote Australische supermarktketen. Maar als het géén toeval is, dan betekent het dat niet alleen in Nieuw-Zeeland, maar ook in Australië mensen geconfronteerd worden met verkeerd afscheurend toiletpapier.
Nog iets heel anders op het toilet trekt mijn aandacht. Moderne toiletpotten - ik zag het al verschillende keren - zijn niet zoals in Nederland hangende potten, maar ze staan op de vloer. Zoiets kennen wij ook, maar hier lopen ze niet golvend alsof ze een taille hebben naar de grond, maar rechttoe rechtaan, als een emmer. De stortbak zit direct achter de pot. Dat is bekend en vertrouwd, even vertrouwd en bekend als de aanwezigheid van twee knoppen naast elkaar, eentje voor een bescheiden en een voor een kloeke spoeling. Alleen: in Nederland zit de knop voor het korte spoelwerk rechts en die voor het grote werk links; hier is dat omgekeerd. Deze verrassende ontdekking is nog te vers om te mogen veronderstellen dat deze omkering een algemeen Nieuw-Zeelands verschijnsel is en dus moet ik ook uitermate voorzichtig zijn met conclusies of veronderstellingen, bijvoorbeeld dat er samenhang is tussen het spoelmechanisme en het feit dat we hier te maken hebben met linksrijdend verkeer.
Al met al is wel duidelijk dat een reis als deze me met zaken confronteert die ik niet had voorzien.

14 oktober 2019

Tuiroa

We liepen vanmorgen naar het dorp om nog even te lopen. Oneroa draagt zijn hart op de tong, zeg maar: het centrum is een winkelstraat langs een steile kust. Achter de straat zigzagt een pad omlaag naar een fraaie baai waar de wind stevig op ons afkomt. Eerst zou er een harde wind komen en daarna kon je op slagregens rekenen. En zo gaat het ook.

De wind en later de regen zijn en blijven alomtegenwoordig de rest van de dag, al zijn wij gewoon droog thuis gekomen, net als vanavond toen we nog even naar de kust liepen voor een bezoek aan de Thai. Het geluid om het huis heen doet me nog het meest aan de wasstraat denken waar plotseling het water van alle kanten op je afkomt of de wind tegen dak en ruiten buldert.
Het huis van Piet en Martine is groot. Of liever: het wooncomplex, want wij hebben er een eigen woninkje, de zogenaamde FFU, family-and-friendsunit, maar door de harde wind en heftige regen heb ik de neiging in elkaar te duiken alsof ik in een auto zit.

Gisteren was het juist prachtig weer. Ik maakte een lange wandeling, een stukje van de Te Ara Hura, en het viel me op hoe je van grote afstand steeds het nieuwe complex van Pieter, Martine en Jenny kan zien. Het is nog niet helemaal af maar het grootste deel van het woongedeelte wel.
Tuiroa is een droomproject. Dat wist ik al wel, want Pieter is architect en die wil natuurlijk ook wel eens in zijn eigen huis wonen. Maar het is meer. Het is een droomproject vanwege andere wensen: mensen ontvangen, cursussen geven of daarvoor ruimte bieden, tuinieren, in de natuur leven, nieuwe ontmoetingen. Dat kan hier allemaal. Het is indrukwekkend. Groot, licht, modern, verrassend met bijzondere vondsten, fraai gelegen.
Pieter werkte samen met zijn vriend Pete, ook architect. Hij liep hier vrijdag rond om het resultaat te zien van hun plannen. Toen had ik al kennis gemaakt met Peter, de man van het grondwerk. De werker van het eerste uur die hier nog steeds veel doet. Ik merk dat Pieter en hij vrienden zijn geworden. Dat geldt ook voor de timmerman.

Die belde gisteravond op. We moesten naar zijn huis komen om de zonsondergang te zien. Hij vroeg het niet, hij zei het. Malcolm woont met zijn Jude tegen een steilte waardoor het lijkt of het huis geen achterkant heeft. Je moet een paar flinke trappen op om bij de deur te komen van een verticaal huis, weinig diepte, wel vier verdiepingen. Een huis om altijd naar buiten te kijken.
Malcolm verwelkomde Mente alsof zij de koningin was, koningin Sissie, zoals hij haar noemde omdat zij de zus van Pieter is. We bleven niet lang, maar lang genoeg om een sterke indruk van Malcolm te krijgen. Een grote man met een harde stem en een ver reikende lach. Die het project Tuiroa als zijn masterpiece beschouwt. En alles deed hij samen met Pieter. 'Pieter inventend it all, he designed it, and I made it. Pieter was always there. He was the creator, my boss and my helping hand. He gave this 65 year old man the chance to build his masterpiece en he became my friend.'

Op straat kwamen we zaterdag een kleine man tegen, Andy, de tuinkabouter, de man die zich met de tuin gaat bemoeien. En zo verder en zo voort. Tuiroa is een levenswijze aan het worden en een netwerk.

13 oktober 2019

Het parallelle Delft op Waiheke

Heerlijk gewandeld langs Memory Lane, vertelt Julia, maar het is wel heel erg druk geworden in Delft. Ze was er afgelopen zomer, ook Maarten en Sue waren er een paar maanden geleden nog geweest. Nu zitten zij net als wij bij Pieter en Martine op Waiheke.
Minder auto's in het centrum dan misschien, maar een veelvoud aan fietsers die van alle kanten op je afkomen. Maar genoten heeft ze wel.
Tot veertig jaar geleden bewoonde een groep bouwkundestudenten een pand aan de Vlamingstraat. 'Recht tegenover het huisje van Vermeer,' heb ik de afgelopen dagen al een paar keer gehoord. Ze kenden er de kroegen, de bioscoop, waren kind aan huis in de boekwinkel en in zaken voor gereedschap, teken- en schildersmaterialen. Aan de studenten van de Vlamingstraat waren weer allerlei vriendinnen en vriendinnen van vriendinnen verbonden, en zusters van vriendinnen van vriendinnen. Dames uit Engeland, Zuid-Afrika, Zimbabwe en Amsterdam of Assen. In 1978 en 1979 vloog een groot deel van de bouwkundestudenten en hun geliefden naar de andere kant van de wereld om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Er vonden wat kleine, nauwelijks noemenswaardige veranderigen plaats. Enkelen keerden terug naar Nederland. Maar de groep bleef de groep. Een van de studenten uit de Vlamingstraat bewoont het studentenpand van toen nog steeds, samen met de vriendin van toen. Memory Lane kent dus zijn eigen monument.
Mente en ik hebben het geluk om het ontstaan van die groep aan de Krakeelhof en de groei ervan in de Vlamingstraat van dichtbij meegemaakt te hebben. Dus lijkt er veel herkenning als er vandaag uitgebreid verteld wordt over de winkels van ooit. Over winkels die nu allemaal verdwenen zijn en vervangen door horecagelegenheden. Delft: stad van uitspanning en fiets.
Voor mij is Delft de stad gebleven van een negenjarig jongetje dat er graag kwam om er over de grachten te dwalen, altijd weer de Nieuwe Kerk te bezoeken en als het kon de toren te beklimmen; dat bang was voor de martelkamer in museum Het Steen, aan de achterkant van het oude stadhuis. Dan waren er Lambert van Meerten waar ik altijd als enige bezoeker rondliep, het Agnetapark, de Laan van Overvest, tante Jo en oom Ben, de kinderen, het Bethelziekenhuis waarin zoveel Westlanders hun laatste adem uitbliezen. Later kwam ik er voor autorijles omdat de bruggetjes een uitdaging waren om te nemen zonder dat de motor afsloeg, ging ik naar het atelier van Ben in het oude Sint-Hippolytus.
De boekhandel herinner ik me nog. Mente en ik gingen later wel met Vlamingstraters mee om ergens iets te eten of te drinken, een bioscoop te bezoeken, maar ik weet daar weinig meer van.

'Is Kecks er nog?' vraagt iemand. Kecks is er niet meer. Ik weet van geen Kecks. Weet niet eens hoe je het schrijft. Met een c, of zonder. Is het een winkel geweest, een koffiebar? Geen idee. Ik luister naar de verhalen uit Memory Lane.
Het Prinsenhof is er nog en de omineuze gaten in de muur zijn er ongetwijfeld ook nog, maar daar hebben de studenten van toen het niet over.
Parallelle werelden, in dit geval een parallel Delft met een parallelle Memory Lane. Zolang ik alleen maar naar de anderen luister, lijkt het net of we met hetzelfde Delft bezig zijn.

12 oktober 2019

Tui

Het blad van de meeste bomen is nogal klein. Soms zijn we weliswaar net te laat om de onstuimige bloei van een boom mee te maken, van de rode flametree en de gele kowhai bijvoorbeeld, de zweem van nieuw groen om de takken maakt veel goed. Tuiroa heet het bijzondere huis waarin we terechtgekomen zijn en het doet recht aan de bomen die er omheen staan. Er is flink huisgehouden in de vegetatie van het gebied, maar daar houd je prachtige bomen aan over. Het nieuwe huis heeft veel glas om door naar buiten te kijken, ook raampjes waardoor je telkens uitsneden ziet van een boom, alsof je door een passepartout kijkt. Op die manier gebeurt het regelmatig dat een vogel zich inlijst door op een tak te gaan zitten. Vaak de kereru, die reusachtige Nieuw-Zeelandse duif die altijd de tijd neemt, geregeld de ijsvogel. En natuurlijk de tui.
Die hoor je vooral. Het metaalachtige geluid, alsof wind door een ijzeren buis geblazen wordt, is misschien niet eens mooi, maar het is desondanks het leukste geluid van dit land. Het maakt vrolijk. Je zou pilletjes van dat geluid moet maken; een half pilletje is al genoeg om een depressie te verdrijven.
Je ziet ze hier veel, deze merelachtige vogels, met hun witte befje. En dan vooral als ze grillige lijnen door de lucht tekenen om van de ene boom naar de andere te gaan. Daar lijken ze plotseling te verdwijnen. Dat is een vreemde gewaarwording als je naar tamelijk kale bomen met dunne takken kijkt. Vanmorgen zag ik een merel en een tui bij elkaar. Ze vlogen vlak na elkaar op naar een boom, elk naar een andere. De merel zag je vervolgens duidelijk zitten, de tui niet, al hoorde je die wel. Een bron van ergernis zal ik de tui niet noemen, integendeel, maar het viel niet mee om hem vanmiddag op de foto te krijgen. Ik begreep nu ook wat hem zo onzichtbaar maakt: hij zit net zo makkelijk op een tak als dat hij eraan hangt, verticaal, maar ook horizontaal. Er zijn hier in de tuin een paar flametrees met rode bloesem en daar komen tui's graag op af. Ik ben onder de rijkst bebloesemde gaan staan om eens goed naar die beesten te kunnen kijken. Dat ik daarbij langzaam in de modder wegzakte, nam ik op de koop toe. Tui's graven met hun snavel snel, ongedurig is een beter woord, hun kop de bloem in. En dat kan dus op twee meter van je neus gebeuren, maar zodra je je camera erop richt, hangt zo'n beest weer net achter een tak.
Tientallen foto's maakte ik, maar ik heb er nog niet naar durven kijken. Vermoedelijk kunnen ze allemaal weg. Dat is zo gebeurd. Langer zal ik bezig zijn met het schoonmaken van mijn bemodderde schoenen.
Leuke vogels, die tui's, maar lastig dus om de fotograferen en aardig voor elkaar zijn ze ook niet. Een hele tijd volgde ik er eentje die opeens in een rechte lijn, toen wel ja, naar de boom ernaast schoot, alsof hij een pijl was, een klein raketje, dat daar een andere tui wilde doorboren. Die ander vloog weg en de aanvaller bleef nu een tijdje in de 'veroverde' boom zitten. Waarom deed hij dat. Er zat amper meer bloesem in die tweede boom. In de boom van herkomst had hij nog genoeg te eten. Typisch een slachtoffer van het tiende gebod.

11 oktober 2019

The Bastard

Piet is in his seventies terecht gekomen en dat vieren we. 's Ochtends zitten we met zijn vieren aan koffie en zelfgebakken appeltaart terwijl de jarige zijn cadeautjes uitpakt. In de loop van de middag breidt het gezelschap zich uit en komt de taal nog verder onder druk te staan. Nederlands en Engels wisselen elkaar hier nogal makkelijk af. Het wemelt van de mengelmoezen in Nieuw-Zeeland met zoveel herkomsten. Zo is een van de werklui een Litouwer, lopen er af en toe ook Brazilianen en Argentijnen over het erf en worden we 's avonds door een busje opgehaald met Sacha achter het stuur, nu komt hij uit Ostend, maar een paar jaar geleden kwam hij nog aus Leipzig,. We schakelen onmiddellijk over op Duits, behalve Sascha. Hij brengt ons naar het restaurant.
'Where is your wonderful Kiwi-acccent from,' vraagt Pete (niet te verwarren met Pieter die doorgaans Piet genoemd wordt, maar dan op zijn Engels, zodat het ook toch ook Pete wordt) aan de jongeman die ons bedient.
'From Austria.' We houden het nu bij Engels. We moeten voorzichtig worden: verwarring ligt op de loer.
Pete is de enige echte Kiwi in het gezelschap, natuurlijk niet een rasechte, want rasechte Nieuw-Zeelanders zijn er niet.
Aan dit verjaardagsmaal van Pieter ging in Petes geval een begrafenis vooraf van een andere vriend: Harvey, vandaar ook dat hij en Miriam zich wat later bij ons gezelschap voegden.
Hij vertelt dat hij dinsdagavond bij zijn overleden vriend langs was geweest. Deze lag opgebaard in een aparte kamer. Ze hadden nog een minuut of tien zitten praten en toen wilde Pete zijn vriend natekenen. Harvey vond dat goed, zei hij, maar hij liep toch even naar de kinderen om te vragen of zij het er ook mee eens waren. Dat was zo en zo vereeuwigde hij zijn overleden vriend in zijn schetsboek.
Later was hij op weg naar huis nog bij verschillende mensen langs geweest om iets te regelen en dat was een reden om een van hen nog even op te bellen, want er was hem iets te binnen geschoten dat het begin van een oplossing zou kunnen zijn.
Hij kon zijn telefoon niet vinden en belde daarom met die van Miriam. Om het begin van de oplossing af te handelen maar ook om zijn eigen telefoontje weer te pakken te krijgen. Het eerste lukte, het tweede niet. Daarom ging hij aan de slag met het bellen van zijn eigen nummer. Toen dat niet hielp, stapte hij weer in zijn auto om de bezoekjes van die avond in omgekeerde volgorde nog eens af te leggen en uiteindelijk weer bij Harvey terecht te komen. Petes mobieltje lag naast de kist.
'He didn't answer, the bastard.'

10 oktober 2019

Pukeko

Aan de zijkant van de koelkast die de overgang vormt van woonkamer naar keuken hangt onder andere een kalender met vogels uit Nieuw-Zeeland, elk jaar een andere. Ik heb het in dit geval over ons eigen huis, in Utrecht. Het zijn de vogels waarvan ik hier regelmatig een exemplaar tegenkom.
De kiwi mag dan de bekendste vogel van Nieuw-Zeeland zijn, tegenkomen doe je hem niet. Ik heb hem zes jaar geleden in een vogelreservaat achter glas gezien, en dan was het nog een albino-variant. Veel bepalender voor Nieuw-Zeeland zijn de tui, de pukeko en de mina. De laatste is geen native, dus die zie je niet op de kalender. De weka, de tui en pukeko wel. Die keren regelmatig terug op de kalenderplaten, want zoveel verschillende 'native birds' zijn er nu ook weer niet.
De pukeko wordt inheems genoemd, al is dat betrekkelijk. Wikipedia vertelt dat hij oorspronkelijk uit Australië komt en dat hij al meer dan duizend jaar in Nieuw-Zeeland thuis is. In dat geval zou hij dus ooit vliegend de oceaan zijn overgestoken. Er wordt, zo gaat Wikipedia verder, ook beweerd dat hij nog niet langer dan 400 jaar op het Noorder- en Zuidereiland rondbanjert en dat hij is meegekomen, lees: meegenomen, door de Maori's. Waarom die zoiets gedaan zouden hebben, is me niet helemaal duidelijk, want erg smakelijk schijnt hij niet te zijn. In elk geval is hij hoe dan ook dus minder een native bird dan je zou denken. Maar zo oogt hij wel, deze blauwe kip. Voordat de uitgestrekte bossen van Nieuw-Zeeland gekapt werden scharrelden de beesten eeuwen tussen de bomen en met dat scharrelen gingen ze door toen er veel bomen verdwenen. Rond het huis op Waiheke van Pieter en Martine lopen er een stuk of vijf. Ze produceren af en toe het schrille geluid van een ijzeren deur die nodig gesmeerd moet worden, maar de pukeko die vanochtend toen ik opstond pal onder een raam van ons huisje wat liep rond te pikken was stil en reageerde niet toen ik hem een goedemorgen toewenste. Hij ziet eruit als een oervogel, die al in deze omgeving rondliep toen dit niet alleen nog allemaal bos was, maar toen ondertussen al lang uitgestorven diersoorten hem nog gezelschap hielden. Dat is dus niet zo.
Een paar uur later zag ik er een eindje verderop eentje in de berm liggen. Dood. Ongetwijfeld aangereden, want dat schijnt een belangrijke doodsoorzaak van die beesten te zijn. Dit exemplaar zag er nog gaaf uit. De manier waarop hij daar op zijn zij lag, met de rode pootjes wat hulpeloos over elkaar deed hij me aan een waterhoentje denken, al is de pukeko helemaal geen zwemvogel.
Blijft over de vraag of hij wel van Australië naar Nieuw-Zeeland heeft kunnen vliegen. Als hij schrikt, fladdert hij wat ongelukkig op om ergens op een tak van niet meer dan tien meter hoogte zijn heil te zoeken.
Van een afstand is hij in de eerste plaats zwart, al vallen de rode pootjes en snavel op, een snavel waarvan het hoornige deel doorloopt tot aan de bovenkant van zijn kop. Dichterbij zie je de blauwe borst. Bij de dode pukeko zag ik hoe mooi dat blauw is en een fraai het glanst. Stel je voor dat hij langzaam overeind zou komen, op z'n pukeko's zou zeggen dat hij heerlijk was uitgestorven en vervolgens door zou gaan met scharrelen, in die berm. Dat zou goed zijn voor hem, goed ook voor de wondermooie blauw van zijn borst.

09 oktober 2019

Rugzak aan zee

We zijn zijn uitgestapt voor een wandeling, alleen Mente zit nog in de auto. Ze zoekt iets.
'Mijn rugzakje. Ik heb mijn rugzak op het bankje laten staan.'
Een kilometer of vijf terug gingen we ook al even de auto uit, want Waiheke is een eiland waarop je er niet aan ontkomt om vaak stil te staan en te kijken naar al het moois dat God hier in zijn goedheid op één hoop heeft gegooid.
Pieter veronderstelt dat de rugzak er nog wel zal staan. Ik denk het ook; na zoveel goddelijke goedheid kan ook een rugzakje dat niet verloren gaat er vast nog wel bij. We rijden terug.

Als we een flauwe bocht door komen zien we het bankje, maar de rugzak zie ik niet meteen. Het is een kleintje. We kochten hem ooit in Zwolle, een jaar of tien geleden. Omdat die woensdagmiddag in augustus nogal regenachtig was, werd de verleiding groot om winkeltjes in en uit te gaan en zo vond Mente dat rugzakje. Of ik het ook niet een leuk ding vond. Weliswaar vond ik hem te klein, maar Mente heeft nu eenmaal een zwak heeft voor miniaturen en andere kleine voorwerpen en daarom vond ik het wel een aardig ding. Zij raakte in de loop der jaren steeds meer gesteld op het rugzakje, mijn liefde werd het niet. Ik geloof niet dat ik het ooit heb gebruikt.

Opeens zag ik toch een donkere vlek tussen rugleuning en zitgedeelte van het bankje. Alsof er een kind zat dat uitkeek over het adembenemende blauw van de Hauraki Gulf. Een kind zo klein dat het bijna lange na niet boven de rugleuning uitkwam en er geen idee van had dat het door zijn ouders in de steek was gelaten en dus vol vertrouwen en blijmoedig keek naar al het moois dat de wereld te bieden had. Een kind dat juist daarom uitnodigt om naar om te zien en goed voor te zorgen.
Ik stapte uit om het tasje te pakken, maar maakte eerst een foto. Misschien dacht het tasje wel dat we daarom even weg waren, om de camera te halen, zodat we een foto konden maken van het rugzakje dat zo tevreden op een bankje zat.
Wij dachten ook aan de inhoud van het rugzakje: een petje, een flesje water, een portemonnee met al gauw een vijftal praktische pasje en geld. En een kammetje. Maar het was toch vooral het rugzakje zelf waarmee wij blij waren.
Wij, zeg ik, want na dit avontuur, na deze blijk van onvoorwaardelijk vertrouwen was ook ik van het rugzakje gaan houden. Het ging weer mee de auto in. Daar mocht het tussen Martine en Mente in zitten. Gezellig vond het dat. En toen we vijf kilometer alsnog met de wandeling begonnen, ging het mee op Mentes rug. Ook leuk. De tas hield haar goed vast.
We hebben niet verteld dat we een kwartier eerder ook al aanstalten maakten om dat te gaan doen. Dat houden we ook maar zo.

08 oktober 2019

Aankomst

Natuurlijk zingt het 'Trains and Boats and Planes' door mijn hoofd als we in een busje kriskras door Auckland rijden, van de luchthaven naar de haven voor de boot die ons naar Waiheke zal brengen.
'Seen this, done that' probeer ik mezelf wijs te maken maar het meeste is of lijkt nieuw. Op het vliegveld herken ik in een gang het kleurrijke tapijt en vooral het portaal van Maori houtsnijwerk, maar daar blijft het bij. Het busje slingert door een paar buitenwijken, ook door wijken waar ik eerder was, om daar mensen af te zetten en ik kijk nadrukkelijk naar buiten. Het is nog een beetje donker maar het is al druk op de weg. Ik herken hier en daar een naam op de borden, herken later het diagonaal oversteken van de mensen in het centrum. Ook op de trottoirs al veel volk. Er zijn meer fietsers dan zes jaar geleden. Het is half zeven.
Wij worden als laatsten afgezet, bij de haven. Daar komen we op iets bekender terrein en op de ferry slaat de herkenning volledig toe, ook al ging het toen om een fraaie zaterdag op een oudere en veel kleinere boot. Nu is het rustig. Dat is ook geen wonder, want de boot brengt 's morgens veel meer mensen van Waiheke naar Auckland dan omgekeerd. Toen scheen de zon, nu, het is intussen bijna half acht, regent het. We varen door een grijze baai, maar ik herinner het me en herken de eilandjes, de kleur van het water. We varen door een kalenderplaat die nog mooier worden zal, wanneer de zon maar even kans krijgt. Behalve wij kijkt er niemand naar buiten.
Zelfs het haventje herken ik van Waiheke. Toen bleven we aan boord om door te varen naar Tiritiri Matanga, het vogeleiland. We meerden er alleen maar aan om nog meer mensen mee te nemen.
Nu stappen we van boord. Daar staan Pieter en Martine. Die trekken zich nooit iets aan van het weer en zien er altijd zonnig uit.
Het liedje speelt de rest van de dag nog op: Trains,Boats, Planes. Ik mis het busje dat ons door Auckland voerde en die trein, die ons duizenden kilometers geleden al naar Schiphol bracht, was ik al bijna vergeten.

07 oktober 2019

Mariëlle

De dag wordt op deze hoogte in een paar uur afgeraffeld en zelfs van die paar uur krijgt niemand hier iets mee. De luikjes voor de ramen blijven dicht, het licht in het vliegtuig is gedempt. Ik gebruik het toilet op toiletachtige wijze maar ook om wat beweging te hebben. Onderweg zie ik links en rechts mensen zitten of hangen, ooglapjes voor. De meeste monitorschermpjes staan aan maar bijna niemand kijkt ernaar. Leeslampjes? Alleen bij 16 I, J en K wordt gelezen. Daar zitten wij. De dame van wie ik dacht dat ze een Maori was totdat ze een Russisch boek pakte, Mente en ik. Mente schiet door Zwarte Schuur heen en krijg de laatste Liter ruim voor de landing uit.
De vliegreis doet inclusief een paar uur wachten 41 uur in 31. Vliegen is niet goed voor een mens. Vliegen levert schaamte op, maar het is vooral in veel opzichten los staan van het leven. Honderden mensen bij elkaar in een tamelijk comateuze toestand. Een vliegtuig lijkt nog het meest op een doodskist. Mensen in een vliegtuig zijn minder waard. Je zult er maar van leven.

Ik fietste vroeger met een charmant meisje naar school. Ze heette Mariëlle van voren, ze had een dubbele achternaam en ze reed al op een mobyletje naar school toen ik nog fietste, dus ze zal wat ouder geweest zijn dan ik. Ze minderde gas, ik trapte wat harder en soms trok ze me. Zij was echt een meisje voor een glimmende mobylette en een uit staaldraad gevlochten mandje voorop. En toen ze zei dat ze stewardess zou worden, zag ik haar onmiddellijk voor me: de strakke rok, een blouse waarover de ontwerper goed had nagedacht en dan dat kekke kadetje op het hoofd.
Naast haar fietsend leek het me heel wat: stewardess worden. Dan was je iemand. In elk geval dacht Mariëlle er zo over. Toen ik zelf een brommer had, heb ik Mariëlle nooit meer gezien. Wel in gedachten. Veel gevlogen heb ik niet in mijn leven, maar vaak genoeg om het afschuwelijk te vinden en een groot medelijden te ontwikkelen voor de Mariëlle die op haar brommertje ooit droomde van een glansrijk leven in een doodskist. Alle stewardessen heten Mariëlle. Ik gun ze allemaal een brommertje.

Maar ik vergeet Anja. Ook zij was stewardess een paar jaar lang stuurde ze mij een kaart van een tempel of een kerk van een plaats waar ze naar toe vloog. Japan, India, de Verenigde Staten, Zuid-Afrika. Dat was leuk natuurlijk. Maar na die paar jaar sloeg de herhaling toe.
En dan hebben we nog Lidy. Zij vliegt niet meer. In plaats daarvan loopt ze regelmatig door de wijk met een collectebus, nu eens voor de nieren, dan weer voor het hart. Ik denk dat dat de gelukkigste momenten zijn van een stewardess: de jaren van een brommertje waarop je droomt van de wereld die je gaat veroveren en de jaren dat je uitgevlogen van deur naar deur gaat voor hart en nieren.

Och Heden tikt een stukje, tien kilometer boven Australië. Het klinkt indrukwekkend. Ik kan het je afraden.

06 oktober 2019

Ergens tussen hemel en aarde

Otto is dood. Tussen het inchecken en de douane kwam er een mailtje binnen.
In een interview van lang geleden zegt Jan Wolkers dat het hem verschrikkelijk lijkt om dood te zijn en te worden begraven. Alle beelden en beeldjes, al die foto’s en dia’s van herinneringen, zullen dan wegsijpelen.
Ik zag het voor me, die plaatjes in zijn hoofd die langzaam vloeibaar zouden worden en om weg te zakken door een schedelwand die steeds poreuzer blijkt dan je gedacht had, door de houten bodem van een kist die langzaam maar zeker verdwijnt en dan ten slotte in de grond.

Bij Otto denk ik aan taal, aan de woorden die als dingen in zijn hoofd zaten, daar allemaal aan iets bleven haken zodat ze er de laatste jaren nauwelijks meer uit konden komen. Soms dacht ik aan een fluïdum dat ontbrak, waardoor contact met de buitenwereld onmogelijk was geworden, hermetisch opgesloten taal, taal die de context niet meer haalde. Maar misschien zaten er gezonde gedachten achter.
Opgekropte woorden waren het, die al ver over hun houdbaarheidsdatum waren, al bezig te bederven, uit elkaar te vallen tot ongearticuleerde klanken, zoals de beelden van Wolkers wegsijpelden.

Drie jaar geleden bogen we ons nog over een spectaculaire moord die plaatsvond in het Friesland uit de jaren dertig. Hij liet me foto’s zien van vroeger. We bespraken de ooit gedeelde vreugde van het pijproken. Over geloof hadden we het, over de kerk. Hij schudde er zijn hoofd bij. Dat was voorbij, al wilde hij zijn financiële bijdrage aan de kerk niet stoppen. Dat moest zo blijven.
Hij betreurde het dat hij altijd alleen gebleven was. Nooit had hij een vrouw gekend. Dat speet hem.

Het is nu donker, maar vanuit het vliegtuigraampje leken we een uur geleden nog uit te kijken op een enorm sneeuwlandschap. Het waren wolkenvelden natuurlijk.
‘Kijk, daar loopt een hondje,’ zei ik. Mente lachte, maar ik zag het hondje dat Lars Gustafsson in een gedicht over een bevroren meer ergens in Zweden laat lopen.

Ergens tussen hemel en aarde loopt Otto. Ik had met hem te doen. Ik heb het nog.

05 oktober 2019

Via Doha

Om de terugkeer te veraangenamen heb ik zojuist mijn bureaublad een beetje opgeruimd. Ik verbaas me over het grote aantal pennen dat er op rondslingert. Toen ik gisteren stofzuigde en even een onschuldig randje van het bureau meenam, glipte er een pen de slang in. Het was een krijgertje waarvan ik er in het pennenbakje nog drie zie liggen. Ik gooi pennen liever niet weg, maar zo’n ongelukje als met de stofzuiger is wel een verademing, zoals ik het ook prettig vind als een pen ondanks krassen en zuigen aan het puntje niet meer wil schrijven. Dan gaat zo’n ding met een elegante zwaai in de prullenbak.
De diverse notitieblokjes liggen keurig recht. Ook de iPad blijft thuis. Jarenlang was hij een reisgenoot en eigenlijk doet het ding het nog prima, maar het beleid van meneer en mevrouw Appel blokkeert allerlei noodzakelijke updates en dus gaat er nu een kleine laptop mee. Jammer, want ik vind die tablet toch handiger.
Voorlopig gaat hij nog niet de weg van de balpennen. Wacht, ik zet hem even helemaal uitl.
Mijn vulpen blijft ook thuis. Dat gaat me aan het hart. Van Theo kreeg ik bij mijn afscheid van school een oude literfles met schoolinkt. Die krijg ik van mijn leven niet leeg, ook al moet ik de pen vaak vullen. Ik durf het niet aan om een flesje inkt in mijn koffer mee te nemen. Ooit heb ik leergeld betaald met shampoo die gelukkig niet verder kwam dan mijn toilettas.
De koffers staan beneden, mijn rugzakje staat er ook.
Uit Nieuw-Zeeland komt een appje binnen. ‘Geef ik dat aan hun of aan jullie?’
Iemand antwoordt: ‘Aan hun dus.’
Ik: ‘Aan hen.’
Iemand antwoordt: ‘Ja ja.’
Kortom: hun weten nu dat ik er aan kom. Schoolmeesters weten het altijd beter.
Nog wel even langs Doha om te kijken of er niet nog wat gedaan kan worden aan de diskwalificatie van de sprinters van de 4 x 100 meter estafette voor heren. Schoolmeesters willen altijd bemiddelen.
Maar eerste dit stukje naar Aat. Die zet de OH’s op de site. Net als wij kiest hij de komende tijd voor een onregelmatig bestaan, dus de OH’tjes zullen wat minder punctueel verschijnen.
Dus: verzenden. Computer uit. Stekkers los. Weg.
‘Meester, ze pesten me!’ hoor ik Jesse Klaver roepen.’
Het spijt me, Jesse, je lost het zelf even maar op. Ik heb nu geen tijd voor je.

04 oktober 2019

Op sloffen

Het is druk. Er moet gepakt en ingecheckt en gekookt en gebeld en het beste kinderboekenweekgeschenk in jaren hebben we nog niet in huis. De secretariële toestanden van de kerk moeten afgerond. Mailtje, nog een mailtje, briefje. Er is reuring in het huis waar het nu ineens koud aan het worden is. Als ik zit, trek ik een extra hesje aan, als ik langer zit, wordt het hesje een vestje en als ik de trap op loop voor dit en af voor dat, blijk ik onderweg dat hesje of dat vestje te hebben uitgetrokken, en ben ik even later op zoek. Waar lag het nou toch? Er wordt geappt om stroopwafels. Ik moet er wel vooral mijn kop bij houden. Focussen!
En dan mijn voeten. Die weten telkens weer de sloffen te vinden. Als ik ze niet aan heb, staan ze meestal onderaan de trap. Daar schop ik ze doorgaans uit als ik naar boven wil en dan vergeet ik totdat ik blijkbaar weer even naar de trap ben gelopen om er mijn voeten in te steken. Dat gaat vanzelf.
Mijn dode moeder loopt geagiteerd door de gang. Die trok zich de laatste dagen voor een reis de haren uit het hoofd. Waarom reizen? vroeg ze zich af. Blijf toch vooral thuis!
Mijn dode vader zit waarschijnlijk in de auto voor de deur, op de passagiersstoel. Hij wacht. Hij heeft een dikke sigaar opgestoken, Ritmeester Gracia, en wacht. De bagage moet nog in de auto. Ze schieten niet op daar in huis, denkt hij. Hij rommelt even tussen de cassettebandjes.
Ik heb mijn pantoffels weer uit en mijn hesje of vestje aan, of omgekeerd, en pak een cadeautje in. Dat moet ook mee. Kijk nog een keer naar het inchecken. Misschien zijn andere stoelen toch geschikter.
Ik draai de boel uit, voor alle zekerheid. Bij de tweede pagina trekt de printer halverwege een volgend vel mee. Het duurt even voor ik zie hoe ik ervoor kan zorgen dat alleen het mislukte vel opnieuw wordt afgedrukt. Vooral rustig blijven. Het is warm. Ik struikel over mijn pantoffels als ik mijn hesje over het vestje op de stoel gooi.
De avond raakt ten einde. Een mooi moment is het moment van bloot, wanneer is mét mijn kleding alles van de dag heb afgelegd. Er is alleen nog een tandenborstel, een washandje en een handdoek en dan tien stappen naar het bed. ‘Where my love lies waiting.’
Als ik even later toch nog even naar de wc moet, trap ik op mijn pantoffels. Die staan bij het bed alsof ze er braaf zelf naartoe geslopen zijn om mij te dienen.
Het wordt koud in huis.

03 oktober 2019

Ik wacht

O, o, Den Haag, dwaze stad achter de duinen, zingt het in mij, maar gelaten klinkt het, ingehouden. Het gaat niet goed daar. We drinken koffie en Mente eet per ongeluk mijn stroopwafel op. Ik begrijp dat wel. Ze is weliswaar niet in die stad geboren, maar getogen wel. En in die stad, waar ik school ging, trof en trouwde ik haar. En dan is daar Annette, geboren in de Hofstad, net als Koos, al was dat in zijn geval in het in 1923 door Den Haag geannexeerde Loosduinen, waar de aanhang van de Groep de Mos/ Hart voor Den Haag het grootst is. Dat begrijp ik niet helemaal. Ik had gedacht dat het nationaal bewustzijn van een Peenbuiker juist afstand zou willen nemen van alles wat Haags is, maar misschien spelen mijn eigen Westlandse sentimenten mij parten en zijn de Loosduiners van nu de Haagste Hagenezen van Den Haag en dus al lang geen Peenbuikers meer.

Diep in mij juichte er weliswaar iets toen ik hoorde van de inval bij Jacobse en Van Es, deze week, omdat ik nu eenmaal een slechte inborst heb en niet van lokale belangenpartijen hou, maar de droefheid overheerst. Het gaat niet goed met Den Haag. De naam Hofstad heeft al jaren een schrille betekenis. Oud en nieuw is er al tientallen jaren een ramp. Een ramp die zover gaat dat men bij de laatste jaarwisseling moedwillig pogingen heeft ondernomen om Scheveningen, ook al zo’n geannexeerd stadsdeel, volledig af te branden. Dat is niet gelukt of het had niet mogen gebeuren (soms weet ik niet meer wat de waarheid is) en dus zijn ook de dagen van de burgemeester geteld.

Persoonlijk ken ik twee momenten die mij met droefheid vervullen waar het gaat om Den Haag. Dat is het verdwijnen van het HOT Theater, in 1987. Erger was de komst van Babylon. Dat is net als Hoog-Catharijne in Utrecht goeddeels gesloopt, maar er staan nog resten van dit deprimerende gebied rond Koninklijke Bibliotheek en Conservatorium.

Het Literatuurmuseum vindt ook onderdak in die onzalige omgeving. Alles rond het Centraal Station in Den Haag lijkt geen recht van bestaan te hebben. De allerschitterendste culturele instellingen zitten er in laat twintigste eeuwse krottenbouw alsof het hier om illegale ondernemingen gaat, die er mogen zitten omdat ze een bedenkelijke partij sponsoren.

Het Literatuurmuseum en het Kinderboekenmuseum moeten daar weg. Dat vindt men in Den Haag. Het zal wel een kwestie van geld zijn. Er wordt gesproken van een verhuizing naar het Haagse Museumkwartier. Dat zou ik niet doen. Begin er niet aan. Kijk naar het Binnenhof, naar de ellende die ons daar te wachten staat. De Haagse ziekte dringt al door in de landelijke politiek. Maak dat je wegkomt. Maar ga vooral niet naar Amsterdam.
Geef de literatuur een plaats waar die thuishoort, en dus niet ergens achter een station weggemoffeld, maar in het hart van de stad, in het hart van het land.
De stad waar de Haagste zanger, de Haagste televisiepresentator en de Haagste kinder- en jeugdboekenschrijver lang geleden al hun thuis hebben gevonden. De stad die Unesco City of Literature is. De stad waar bij de Stadhuisbrug binnenkort een prachtig boekenpand vrijkomt als Boekhandel Broese en de Openbare Bibliotheek naar het Neude verhuizen.

Ik zou het wel weten. Weg uit Den Haag, weg van de stijgende zeespiegel, weg van golven van vuur, weg van die merkwaardige politieke stormen. Op naar Utrecht. Nu maar wachten tot er iemand komt om me te vragen wat ik zou doen met het Literatuur- en Kinderboekenmuseum.

02 oktober 2019

In de lucht

Of Marcus nog wel een baby was, vroeg Lucas zich gistermorgen af. Hij dacht zelf aan het woord peuter. Ik heb er de boeken nog eens op nageslagen, maar Lucas is zelf nog een peuter, nog maar een maand of drie, maar toch een peuter, terwijl zijn broer tot de dreumesen gerekend moet worden. Lastig voor kinderen die de taal nog maar amper machtig zijn om met zoveel categorieën geconfronteerd te worden. Juist als je bezig bent om jezelf te leren kennen, moet je niet voortdurend in een andere categorie vallen. Door al die termen lijken ze trouwens op beestjes. Daar heb je kalveren, biggen, welpen, puppy’s en kittens. Van alles dus. Het zijn jonkies, laten we het daar maar op houden.
Bij grote mensen is dat anders. Het overbuurjongetje, sinds kort een officiële kleuter, want de gouden opblaas-4 hangt voor het raam van zijn slaapkamer, zei afgelopen zondag iets te hard dat hij een oud opaatje zag lopen. Hij wees naar mij. Omdat zijn vader wel merkte dat ik het hoorde, werd de jongen vermanend toegesproken, dat is een jonge, vitale meneer. ‘Jong’ is een leugen, ‘vitaal’ is het nieuwe woord voor kras en dat gebruik je voor oude mensen. Ik liep verder en troostte met de gedachte dat ik veel en veel langer een oud opaatje blijf dan deze vierjarige een kleuter of een jonkie.

Toch ben ik een oud opaatje, merk ik. Gisteravond bracht ik de dreumes en de peuter en hun ouders naar Schiphol. Op het moment dat ik dit schrijf, hangen ze ergens ver hier vandaan hoog in de lucht. Ze maken een lange reis, eentje die ik binnenkort ook hoop te maken, maar dat houdt me minder bezig. Ik vind het maar niks, die twee daar in die hoge lucht.

‘Zul je voorzichtig zijn,’ zei mijn moeder de laatste tientallen jaren van haar leven (en daarvoor waarschijnlijk ook), telkens als ik op bezoek was geweest. ‘Nee, moeders. Ik rijd door rood, maar wel met mij ogen dicht en als ik maar hard genoeg rijd kan ik ook niet geflitst worden.’ Ik probeerde altijd iets anders te bedenken. Het was allemaal even flauw.
‘Je weet wel wat ik bedoel.’ En dat wist ik ook wel.
‘Ik bel wel even als ik thuis ben,’ zei ik dan.
Dat gevoel dus. Ik zal blij zijn als het vliegtuig landt.
Over landen gesproken, wat zei Boris Johnson pas? ‘As the rubber hits the road.’
Dat klinkt ook niet bemoedigend.

01 oktober 2019

Nuts 2

Het verhaal van de walnoten is plotsklaps iets minder dan een halve waarheid geworden. Omdat Mente plotsklaps geconfronteerd wordt met een heftig geïrriteerde knie. Eergisteren werd ze daarmee wakker en een dag later zijn we er mee naar de dokter gegaan en die belde het ziekenhuis. Dat had alles te maken met de verre reis die we binnenkort willen gaan maken, anders zouden zowel de arts als het ziekenhuis het nog wel een dagje aan willen zien. Die reis zet alles in een stroomversnelling. Maar als er niets gebeurt, kunnen we die wel kunnen vergeten. Zoveel is wel duidelijk.

Een rare wending. De reis is al maanden lang niet erg vanzelfsprekend, maar ik was aangewezen om eventueel roet in het eten te gooien en op het laatste lijkt Mente dat te moeten doen. De huisarts treft gelukkig een gewillig oor aan de andere kant van de lijn en moet wat gegevens doorgeven.
‘Er wordt gevraagd of je familie bent van een anesthesioloog die in het Diakonessenhuis werkt.’ Die vraag wordt altijd gesteld als we te maken krijgen bij het Diakonessenhuis, maar ook bij de kapper en we delen zelfs dezelfde brillenboer, de anesthesioloog en wij.
‘Ja, het is een neef.’
‘Het is een neef,’ herhaalt de dokter door de telefoon.
‘Of eigenlijk een achterneef.’
‘Nou ja, een achterneef,’ herhaalt hij een beetje laatdunkend. Dat was niet handig van me.
‘Maar het is wel mijn lievelingsachterneef, toevallig wél.’ Ik zeg het luid en duidelijk, want ik begin te begrijpen dat hier kansen liggen.
Gelukkig wordt ook de lievelingsneef doorgegeven.

En later in het ziekenhuis komt die weer terug. Niet de persoon van de anesthesioloog, die heeft er geen idee van hoe onze verwantschap wordt uitgebuit, maar ‘mijn lievelingsachterneef’. Die houden we erin.
Zelf heb ik hem nooit ontmoet. Mente wel. Een paar maanden geleden bijvoorbeeld bij de kapper. Toen stonden er bij het afrekenen een meneer en mevrouw Borgdorff aan de balie, die elkaar niet kenden.

Terug naar de knie. Die vormt dus die andere veertig procent van de waarheid.
Of de verre reis door kan gaan, is nog niet zeker. Zo niet, dan is dat goed voor de walnoten. En hebben we in dat opzicht geluk. Als de reis wel doorgaat, dan gaat de reis door en dan hebben we ook geluk. Ik heb voorkeur voor dit tweede geluk. Al is dat jammer voor de noten. Op het ogenblik is het nog niet duidelijk en spartelen wij boven de afgrond van de onzekerheid. We go nuts. Het kan niet anders of met een dag of twee hebben we de hele waarheid te pakken.