Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

Och heden

31 juli 2021

Onder de dekens

Tijd voor iets anders, maar voor het zover is, moet ik in ieder geval Tipsy nog noemen.
Eerlijk gezegd valt er over hem niet eens zoveel te zeggen, behalve dan dat het een rood katje was, dat ik het ergens niet eens zo heel veel verderop opduikelde, in de Emmastraat, in een bijkeuken en dat ik er vrijwel dagelijks ging kijken. Wie hem Tipsy noemde, weet ik niet meer, maar die naam geeft wel aan dat we de jaren vijftig verlaten hebben. Ik vind het een echte 1960-naam. We waren er wel aan toe om een kat van die voornaam te voorzien, en dat rode deed recht aan de juist begonnen jaren zestig, vooral met het groen van die ogen. De naam, de kleuren rood en groen, het waren tekens van nieuwe tijden.
Dat woord Tipsy had ongetwijfeld te maken met mijn kleinere broertje. Die dronk als driejarige graag cola. Dat was niet bepaald een dagelijkse drank, maar als we tijdens een autorit bij een restaurant uitstapten, vroeg en kreeg hij steevast een cola en tijdens het vervolg van de rit zat er een bijzonder vrolijke peuter in de auto. Hij was een beetje tipsy, zeiden we dan.
Tipsy was inderdaad heel vrolijk, hij speelde graag en anders dan de eerdere katten liep hij ook naar boven en ‘s nachts kroop hij bij mij onder de dekens. Dat vond ik erg gezellig. Ik zei het al: eigenlijk valt er over Tipsy niet veel te vertellen. Rood, vrolijk en dat bed. O ja, dit nog: mijn zus werd verpleegster in Den Dolder en dus stuurde ik haar af en toe een brief of een kaart waarin ik eindigde met de groeten van Tipsy. Die kreeg via de post ook altijd de groeten terug.
Toch moet ook dit katje niet lang daarna de weg van zijn voorgangers zijn gegaan. Om hem was ik verdrietig. Hij zou het laatste katje worden. We leefden een tijdje zonder beesten, totdat in mei 1963 mijn broer thuiskwam met een hond die het heel lang bij ons zou uithouden, zodat er voor een kat geen plaats meer was.

Toch is er nog één kat, eentje zonder naam. Het was de kat van de tuin van mijn vriendje Dirk. In de zomer van 1965 kampeerden we samen op een landje bij hun tuin, een driehoek waar ’s winters de spruiten stonden. Er was een vervallen schuurtje met daarin een waterpomp die het nog deed, al moest je hem soms met een scheut slootwater aan de praat krijgen, wat allemaal niets met die naamloze kat te maken heeft.
Die kat vond het wel gezellig, dat kamperen van ons. Hij ging overdag zijn eigen gang, maar ’s nachts kroop hij niet alleen bij ons in de tent, hij vond ook zijn weg naar het voeteneind in mijn slaapzak. Dat deed me aan Tipsy denken. Het verbaasde me wel dat hij het uithield, daar onderin. Ik stak mijn hoofd in de slaapzak, maar na een minuut had ik dat wel gehad, terwijl de dwaze tuinkat gewoon bleef liggen, in de diepte van de slaapzak..

Thuis lag er toen intussen al geregeld een hond bij me aan het voeteneind, maar die lag op de deken, niet eronder, zoals ik. Enfin, bij de Borgdorffjes kwamen daarna dus geen katten meer in huis. Ik bedoel dan in Monster. Later, toen ik me van de Monsterse tak had afgesplitst door in Utrecht te gaan wonen, werd dat een ander verhaal, maar voorlopig hebben we wel weer even genoeg katten herdacht, lijkt me.

30 juli 2021

Kattenziekte

De grijze Sallie was niet de laatste kat die ergens in een hoekje dood teruggevonden werd, maar dat kreeg ik pas jaren en jaren later te horen, toen het er allemaal al lang niet meer toe deed. Het was altijd mijn moeder die ze ergens tegenkwam. Zij vertelde nooit dat er een kat dood was. Pas als iemand er eentje miste, kregen we te horen dat die die ochtend bij het oversteken was doodgereden. Dat snapte ik wel: ik was zelf een paar keer aangereden door een fiets of brommer en mocht nog van geluk spreken dat ze mij op het fietspad al te pakken hadden, dus nog voor ik de weg met de auto’s bereikt had. Katten, dat begreep ik wel, keken nog slechter uit dan ik.
Ik was hoofdleverancier als het ging om een nieuwe kat. Op de tuinderijen in de omgeving, waar ik graag rondstruinde, liepen ook altijd katten. In het voor- en najaar vooral trof je in het warme ketelhuis regelmatig op een jutezak een kat met jongen aan. Dankzij Sallie wist ik heel goed af te wegen hoe dicht ik zo’n nest kon naderen en ook dat je langs de lijn van geleidelijkheid uiteindelijk best zo’n klein, nog blind mormeltje in je hand kon nemen, zonder problemen met de moeder te krijgen. Het was meer regel dan uitzondering dat een tuinder die me daar zag zitten, me dan zei dat ik er wel eentje mocht meenemen, binnenkort, en soms meteen al.
Er waren wel wat regels om in acht te nemen.
Eén: je moest thuis niet vragen of het mocht, want dan mocht het niet. Je moest het katje al bij je hebben.
Twee: als er al een kat was, ging het feest niet door. Mijn broer wist dat wel te omzeilen door in zo’n geval met een konijntje of ook wel eens met muizen thuis te komen. Vooral die muizen waren geen succes, en omdat mijn opa grossierde in konijnen voor de Kerst, misten die beesten voor mij de aantrekkelijkheid die katten hadden. Eerst met die zachte oogjes en later die glanzende vachten en de prachtig gesneden en gekleurde bekjes en dan dat merkwaardige wonder van de nagels.
Drie: geen vrouwtjes. We waren niet van het verzuipen (‘naar Wateringen brengen’), maar je moest niet met een hele schare katten komen te zitten en er waren meer katten dan huishoudens die plaats hadden voor zo’n dier. Bovendien had ik op de keukenmat een keer gezien hoe er bij Noor een lange mislukte worst tevoorschijn kwam, terwijl Noor zelf meer dood dan levend op haar zij lag. Doodgeboren katjes, hoorde ik.
Vier: geen najaarskatjes. Die werden slecht zindelijk en waren ook in andere opzichten nog meer een last dan de pendanten uit het voorjaar.
Deze restricties waren voor mij juist een vrijbrief om telkens weer met een katje thuis te komen als daaraan was voldaan. Mijn moeder vond het niet leuk, maar waarom zou ze een volgende kat weigeren als een vorige wel werd geaccepteerd?

Ik vraag me af waarom mijn moeder niet toen al vertelde van die kattenziekte. Ik weet het echt niet. Pas als oude vrouw klaagde ze erover: over telkens weer zo’n doodzieke kat, terwijl zij hun ellende moest aanzien. ‘En dan kwam jij prompt weer blij thuis met een jong katje!’
In haar verhalen waren de dode katten die ochtend aangereden, dus als de kinderen naar school waren. Ik zit me ineens af te vragen of mijn moeder niet zelf een doodzieke Sallie heeft neergelegd in het vrijwel ongebruikte schuurtje drie huizen verderop. Niemand die het weet.

29 juli 2021

Mijn eerste dode

Mijn zus en ik leverden een tijdje terug strijd over de naam van de grijze, cyperse poes. Was het Sjallie of Sallie. Zij zegt Sjallie, ik houd het op Sallie. Weliswaar heeft mijn zus met ons leeftijdsverschil van zeven jaar op zichzelf genomen meer recht van spreken, vooral omdat ik nog op de kleuterschool zat toen Sallie overleed, maar toch denk ik dat ik gelijk heb. Van Sallie kan ik vertellen dat zij de moeder was van Sjimmie. Ik denk daarom dat vanwege de naam Sjimmie én dat in combinatie met de associatie met toenmalige striphelden Sjors en Sjimmie (twee keer Sj) bij mijn zus Sallie Sjallie is gaan heten. Dit waren onze twee katten. Sjimmie was volgens mij de dominee onder de katten, met zijn zwarte vacht en witte bef. Dat zal ik niet zelf bedacht hebben, dat van die dominee, het lijkt me meer iets voor mijn vader en die zal er net voldoende bij verteld hebben om mij het idee te geven dat Sjimmie inderdaad een katse voorganger was. Ik dacht het in ieder geval echt. Ik zie hem nog over het muurtje lopen tussen onze achtertuin en het grote tuindersbedrijf van Lagerweij. Daar ergens moest dus ook de kattenkerk zijn. Muurtjes, de goten van ‘waarhuizen’, zoals wij de grote kassen noemden, en ook sloten waren geen enkel beletsel voor Sjimmie. Hij nam ze moeiteloos en met volledig behoud van waardigheid. De zon kon zo mooi op zijn vacht schijnen. Sjimmie en Sallie mochten dan zoon en moeder zijn, ze trokken nooit samen op. Behalve hetzelfde DNA hadden ze niets gemeen. Sallie ging blijkbaar ook niet ter kerke.
Sjimmie was uithuiziger dan zijn moeder, dat wel, en dat betekende dat ik meer met Sallie optrok, hoewel ik Sjimmie hoger had. Daar zal zijn predikantschap fors aan hebben bijgedragen, want ik was een bijzonder gelovig jongetje.
Sallie was onberekenbaar. Ze kon zich met welgevallen laten aaien, maar wee je gebeente als het haar niet uitkwam of als je haar tegen de haren instreek. Ze heeft me misschien wel vaker gekrabd, maar van één keer herinner ik het me nog heel goed. De kachel brandde en zij lag ervoor. Ik knielde om haar te aaien. Dat had ze niet verwacht en ze was er ook niet van gediend. Er stonden scherpe voren in mijn polsen en daaruit welde het bloed op. Ik was verbijsterd. Mijn moeder ontfermde zich over mij.
Voor Sjimmie had ik respect. Die lag niet te lanterfanten bij een warme kachel, maar ging, weer of geen weer, naar de kerk en anders bezocht hij wel andere katten des geloofs. Wel sliep hij graag in een doos.Zijn moeder kwam niet verder dan de achtertuin en had de merkwaardige gewoonte om nu en dan in het kolenhok in de schuur te gaan liggen slapen. Zonder vies te worden; dat vond ik bijzonder.

Ik heb Sallie gevonden toen ze dood was, in een schuurtje en op kolen, maar dan drie huizen verderop, in een vervallen schuurtje en ideale verstopplek: er stonden groentekisten, je vond er tuingereedschap, er waren twee schotten, soms met aardappelen en in een hoek lag een berg kolen. Daarop lag Sallie. Uitgestrekt, stijf, dood.
‘Katten die voelen dat ze doodgaan, zoeken een eenzaam plekje op, en een prettig plekje, en kolen houden je warm, ook als ze niet branden,’ legde mijn moeder uit. We begroeven Sallie in de tuin.

Zij was de eerste dode in mijn omgeving, precies zoals dat hoort in een mensenleven: je begint met een dode kat of een dood konijn, en dan steeds maar verder.

28 juli 2021

Isa

Eerlijk gezegd vond ik Isa een beetje viezig en misschien was dat wel de reden waarom ik geleidelijk aan toch wat sympathie voor haar ben gaan koesteren. Ik ging de weg van weerzin, langs mededogen naar een lichte sympathie, waarbij ook meetelt dat ze er de laatste jaren wat beter uitzag dan voorheen.
Isa werd 16 jaar. Een bezoekje aan de dierenarts veertien dagen terug maakte het waarschijnlijk dat ze behoorlijk ziek was en dat ze al de nodige stapjes op de Terminuslaan had gezet. Zeven jaar geleden nam de jongste haar in huis, nadat het beestje jaren lang onder het strenge regime van een veganiste had geleefd. Ze zag er erbarmelijk en vies uit en dat ze het einde van 2014 zou halen lag wat mij betreft niet voor de hand. Maar medicijnen en normaal kattenvoer deden hun werk. Ze knapte op, maar bleef wel een kneus, en nog een eenkennige ook, die alleen bij het vrouwtje, dus onze jongste, op schoot ging liggen. Ook daarin kwam wat verandering toen ze bijvoorbeeld merkte dat ook anderen rustig konden blijven zitten. Soms zelfs liep ze naar me toe als ik binnen kwam, maar meestal niet. Vooral de laatste jaren niet toen er twee zeer levendige jongetjes in haar leven kwamen. Ze lag graag onder het dressoir, of in een doosje in de vensterbank. Ze had vaste plekken, die overigens niet langer dan een paar maanden duurden en zo heeft ze in de loop der jaren zich alle hoeken en gaten van het kleine huis eigen gemaakt, van de benedenverdieping dan. Boven kwam ze nauwelijks, eerst omdat dat niet mocht en de kamerdeur een onoverkomelijke barrière voor haar vormde, later omdat ze de trap niet aan kon. Alhoewel: toen ze veertien dagen geleden medicijnen kreeg, leek er een jeugdig elan in haar terug te keren dat de jongste en haar gezin zelden van haar meemaakten. Toen is ze toch de trap op gekomen en heeft ze een dag lang boven op bed gelegen. Omdat duidelijk was dat deze opleving bedrieglijke schijn was, mocht ze blijven liggen.
Buiten kwam ze ook amper en dan niet verder dan het eigen plaatsje. Ook dit is niet waar. Twee jaar geleden is ze een paar weken onvindbaar geweest. Dankzij een huis-aan-huis actie vond men haar toen een blok verder in desolate toestand terug.
Ik denk dat kattenlevens doorgaans spannender en aangenamer geweest zullen zijn dan dat van haar, maar ze kende geen katten om zich mee te vergelijken en nooit heeft iemand haar horen klagen. Wel lag ze graag bij de jongste op schoot, als de kinderen naar bed waren. Die konden zo druk niet wezen of ze accepteerde het wel als die haar wilden aaien. Af en toe dan. Dat deden ze voorzichting. Isa was hun zenmomentje.
Vanmorgen kreeg ze dus een spuitje terwijl de jongste haar op schoot had. En weg was Isa, al werd ze wel mee naar huis genomen, want ze verdiende een ordentelijke begrafenis. Ze heeft nog een paar uur in een mandje in de schuur gelegen, waar haar erbarmelijke staat al vrij snel te ruiken was. Daarna zijn de twee baasjes van Isa en de kinderen naar het bos getogen. Ook Lukas en Markus hadden een schepje bij zich. Daar, op een geheime plek, ligt het stoffelijk overschot van de kat. Ik weet niet waar, maar ik vermoed dat ze niet ver van Sam zal liggen. Isa heeft Sam nooit gekend, maar dat was de vorige kat van de jongste.
Morgen komen de jongetjes weer hier. Ik ben benieuwd wat ze erover zullen vertellen.

27 juli 2021

Rubber

Leven is ongelofelijk vermoeiend. Dat zien we meteen als we haar kamer binnenkomen. Ze woont daar sinds een week. Ons vorige bezoek dateert van niet lang voor de corona en daarvoor moeten we twee verhuisadressen terug, honderd kilometer verderop. Alleen zijzelf is de draad door haar leven: geen vaste omgeving, geen broers of zussen, geen man meer, geen kinderen. Verhuizen is een thema in haar leven. Ze is ook wel iemand om te verhuizen, een pluis in de wind is ze en dat zijn haar gedachten en verhalen nu ook.
Mente vraagt hoe ze ooit haar man ontmoette. Roelf is al heel lang dood, maar hier aan de wand is hij prominent aanwezig op een grote foto die ze vlak na de oorlog van hem maakte, toen ze nog verliefd waren op elkaar, op de laatste foto die ze van hem maakte vlak voor zijn dood én op een schilderij dat ze maakte toen hij de man was zoals wij hem kenden, vijftig, zestig, de Groningse boerenzoon die arts werd.

We komen niet toe aan de ontmoeting waar Mente naar vraagt, daarvoor is het parcours van de opmaat te lang en kent het teveel belemmeringen. Maar hij studeerde in Wageningen toen de oorlog begon. Het leek hem beter onder te duiken in de omgeving van Stadskanaal. Dat lukte niet vanwege een NSB-neef. Dat maakte mensen extra voorzichtig. Ze durfden de student niet in huis te nemen en toen kwam daar de mededeling van de neef bovenop dat die het zijn ouders en broers extra lastig zou maken als Roelf van de radar verdween en zich niet ordentelijk meldde voor de Arbeitseinsatz.

Roelf wordt te werk gesteld in het Kaiser Wilhelm Institut. De plaatsnaam is Lyda vergeten, maar dat moet Berlijn zijn geweest. Hij raakt er bevriend met een Russische man die daar ook moet werken. Sleutelwoord is ‘Umdrehungen, Umdrehungen’, want dat doen ze, ze moeten het melksap van paardenbloemen centrifugeren. Van dat sap kun je namelijk rubber maken, weliswaar niet van een kwaliteit die het rubber van de bekend bomen oplevert, maar daarvan is de toevoer al lang gestagneerd en de oorlogsindustrie zit dringend verlegen om rubber, voor de banden van militaire voertuigen bijvoorbeeld.Als het gerucht gaat dat de Russen in aantocht zijn moeten Roelf en andere tewerkgestelden ‘met emmertjes en schopjes’ de vijand te lijf gaan. Nu blijken die een golf aan vluchtende boeren voor zich uit te drijven dus ergens in Polen besluit Roelf om zich om te draaien en deel uit te maken van die massa vluchtelingen. Op zijn tocht vindt hij nog een fiets zonder banden, waarmee steeds iets was, maar die hem uiteindelijk bij de deur van het ouderlijk huis in de omgeving van Stadskanaal bracht.

Intussen beleven we mee hoe zij als meisje in Den Haag en Haarlem woonde, de oorlog doorbracht in Amsterdam en daarna in Veenhuizen. Hoe ze van haar vader niet naar een kunstacademie mocht en daarom medicijnen ging studeren. Maar hoe een Wageningse student uit Stadskanaal ten slotte huisarts wordt en hoe en waar zij die heeft leren kennen, daar komen we niet aan toe.

We vragen er ook niet meer naar en gaan naar huis met een verhaalflard. Het zou zomaar zo kunnen blijven. De mensen in haar familie worden oud. Haar moeder werd net zo oud als zij. Ze wees naar een foto en daarna naar een foto van een man van in de tachtig in Zeeuws kostuum, haar grootvader, de kruidenzoeker. Voor alles in haar kamer is wel een verhaal. Het vertellen vervalt.

26 juli 2021

Zwart

Als ik me na het opstaan een tijdje onledig houd in de badkamer denk ik aan Kortehemmen en als ik aan Kortehemmen denk, gaan mijn gedachten uit naar Beijing, om precies te zijn naar de Olympische Spelen die daar in 2008 gehouden werden. De wekkerradio in het huisje waar we toen verbleven bracht me bij het wassen en scheren op de hoogte van de Olympische prestaties van die dag. Volgens mij zat Hugo Borst toen nogal eens achter de microfoon. Ik volgde Marianne Vos uiteraard, want van haar houd ik het meest sinds we even met elkaar spraken en ze een uurtje later tijdens de beroemde ronde van Zwolle even naar me lachte en zelfs een hand half naar me opstak. We hadden Anky van Grunsven, weet je nog wel, maar ook de altijd jonge Ranomi Kromowidjojo zwom zich toen al naar goud, samen met anderen. Bij Henk Grol dacht je toen aan judo en niet aan een politieke operette.

Met mijn gezondheid gaat het vele malen beter dan toen en het radiootje op de badkamer doet het een stuk beter dan het geval in Kortehemmen. Dus ik zou niet moeten klagen. Over Jurgen van den Berg hoor je me ook geen kwaad woord zeggen, maar er is zoveel reden tot droefenis ’s morgens tussen half acht en acht uur, daar in de badkamer en dat ligt niet aan de scheerolie of mijn nijvere tandenborstel. Nederlanders worden in Tokyo om de oren geslagen met het Corona-virus, er zijn verkeerd calculerende wielrensters, een ander valt over een plank die er wel is of juist niet is, een zeilster wordt op het water slachtoffer van de storm in haar eigen hoofd, de balkende zusjes redden het niet. Kommer en kwel, leed en ellende, narigheid en treurnis, zwarte zaterdag, zwarte zondag, zwarte maandag. ‘Black is black’ en ‘Paint it black, black as night, black as coal. I want to see the sun blotted out from the sky. I wanna see it painted, painted, painted, painted black.’

Ik daal de trap af in korte broek, alsof het leven een lolletje is, maar beneden hangt de zwaarte van een dag die een hele dag duurt. Een dag lang wachten op de nacht, verlangen naar het bed van vergetelheid. Maar zover is het nog lange niet. Eerst is er de krant waarin het ongetwijfeld gaat over het humorloze Bij1 dat desondanks mijn stille sympathie had. Het gaat ten onder zonder dat ik daar iets van kan of mag vinden, want ik ben nu eenmaal een witte boomer met een piemel, dus mij hoor je niet.
En dan komen de mensen steeds nader die geen prik willen, zich niet laten testen maar wel vragen of je eindelijk weer eens langs komt. ‘Jij bent immers toch wel ingeënt.’
En Den Haag? Ik begin te geloven dat daar een stille staatsgreep heeft plaats gevonden en dat het demissionaire kabinet pas ophoudt te bestaan als de laatste leden zijn overleden of zijn opgenomen in een verpleegtehuis. ‘We vertellen het ook niet aan de Tweede Kamer,’ aldus Mark Rutte.

Om mijn tijd nog een beetje door te komen, ga ik maar weer behang afsteken. Vroeger plakten we als behangers eerst kranten op de muur en daar kwam dan het behang overheen. Je kon dan de ellende achter het behang plakken, een louterende bezigheid. Ik zou er graag naar uitzien. In het huidige afsteekhuis hebben ze nooit kranten gebruikt als onderlaag, dat is me wel duidelijk geworden, en ik geloof niet dat er straks weer behang komt, dus ook geen krant.

Wat een tijden. Misschien moet ik me morgen maar niet wassen.

24 juli 2021

Afsteken

Over het afsteken van behang valt niet veel te vertellen en daarom houd ik het kort, vooral ook omdat ik er maar tweeënhalf uur mee bezig was. Toen was de klus nog niet geklaard, maar wel zat de beschikbare tijd erop. Het leven heeft nu eenmaal meer in petto dan behang afsteken alleen. Achteraf moet ik zeggen dat honderdvijftig minuten te kort is, al ben ik tevreden over het resultaat. Er verdween meer behang van de muren dan ik had gedacht. Daarvoor ben je natuurlijk wel behoorlijk afhankelijk van de wand, het behang en de lijm waarmee dat behang op de ondergrond is aangebracht, dat weet ik ook wel. Zo waren mijn broer en ik vorige week bezig met een beplakt gipswandje waarbij je eindeloos zat te pielen op de vierkante centimeter. Het woorden ‘pielen’ vind ik een onaangepast en vervelend woord en juist daarom doet het recht aan de ervaring van vorige week. En dan te bedenken dat ik toen maar heel even heb geholpen. Voor mijn komst had mijn broer er al veel meer energie in gestoken. Ik moet hem nog wel vertellen dat het wandje dat hij toen te lijf ging, inmiddels is weggebroken. Dat verstandig is, maar wel jammer gezien de energie die eraan verspild werd.

Ik kreeg vandaag te maken met gepleisterde dan wel gestucte wanden met behang waarvan een pvc-bovenlaag al was verwijderd, al was dat het werk niet. Het werk was de onderlaag.
Je zet eerst een vierkante deksel waar stoom uit komt op het behang zodat dit nat en de oude lijmlaag vloeibaar wordt en daar zet je dan je plamuurmes of je speciaal voor dit doel bedacht behangafsteekmes onder. Deksel links, mes rechts; zo werkt het tenminste het prettigst voor een rechtshandige afsteker zoals ik.
‘Weet je,’ riep ik mijn schoonzoon in de kamer ernaast toe, de kamer waarin hij bezig was dat tussenwandje te verwijderen - hij gaat hier namelijk over - ‘dat ik vrijwel nooit met een stoomapparaat heb gewerkt? Ik deed zoiets met een plantenspuit of een natte spons.’ Alsof ik het over de hongerwinter had waarin men op fietsen met houten banden van Utrecht naar Groningen reed om een zak aardappelen te bemachtigen. Ik hoorde het mezelf zeggen en begreep onmiddellijk dat ik alleen maar vertelde dat ik nooit meer kluste en dus was blijven hangen in voorwereldlijke ervaringen op dat gebied.

Toen het stoomapparaat was bijgevuld, had ik geen zin om te wachten tot het water weer heet genoeg was om als stoom via de vierkante deksel te ontsnappen. Ik nam een emmertje water en maakte vervolgens met een vaatdoek het behang nat. En nog eens. Daarna stak ik weer een stukje af, met de rechterhand, terwijl mijn linker spontaan, zonder expliciete instructie maar adequaat, aan loskomende stukken begon te trekken.
Na een kwartier drong tot me door dat het apparaat niet opwarmde, maar ook dat deze voorwereldlijke methode sneller en prettiger werkte dan het gedoe met het apparaat, dat nu zo onwillig was.
Tegelijkertijd wist ik mijn behendigheid in het afsteken in een razend tempo te ontwikkelen. Het volgende stadium van deze activiteit heb ik nooit bereikt, dat van het grote dromen en je gedachten weidse vluchten gunnen terwijl je handen automatisch hun nederige maar noodzakelijke werk verrichten. Zoals ik al zei: zo ver kwam het niet, ik had maar tweeënhalf uur tot mijn beschikking.

22 juli 2021

Walvis

Als wijsheid het vermogen is om het kind in jezelf te bewaren, ben ik een wijs mens. Jammer alleen van de veronderstelling die je daarbij als uitgangspunt moet nemen. Hoe dan ook: ik heb met aanhoudende vreugde het wonder gadegeslagen van de omgekeerde kom die de walvis wel bijna drie meter hoog in de lucht weet te houden. En dat voor acht euro; voor dat bedrag kocht mijn geliefde deze walvis, en wel bij het Kruidvat. Het is de derde in twee weken.

De walvis zou je een gemankeerde tuinsproeier kunnen noemen, een tuinsproeier omdat je hem moet aansluiten op een tuinslang zodat hij in staat is water te spuiten, gemankeerd omdat hij het water alleen maar recht omhoog spuit, vandaar dat de sproeier het uiterlijk heeft gekregen van een walvis. Als je nu de bijgeleverde kom omgekeerd op de walvis zet, dan schiet dat ding omhoog om een tijdlang te blijven dansen op de waterstraal. Als je subtiel de kraan open en dichtdraait, kun je de schotel laten stijgen en dalen; hij kan zelfs weer op de walvis terecht komen en eindigen met zijn uitgangspositie.Als kom is het ding ongeschikt, want de ‘bodem’ staat dankzij vier plastic pinnetjes een eindje van de wand van de schaal, zodat het water kan ontsnappen en de schotel zijn balans vindt. Maar vroeg of laat valt dat ding sowieso. Vandaar ook dat het belangrijk is om de sproeier op gras te zetten. Dan valt de schaal zachtjes in het groen.
Ik zeg dat niet voor niets. De eerste schotel was namelijk binnen een kwartier stuk. Toen hadden we de sproeier op het tuinpad gezet. Daardoor kwam de schaal met de bodem op een klinker. Dat ging goed totdat het niet meer goed ging en er een pinnetje brak.
Acht euro voor een kwartiertje pret: dat is kostbaar tijdverdrijf. Maar Mente nam het ding mee naar het Kruidvat en tien minuten later al kwam ze met een nieuwe. Hoefde ze niet te betalen.
Eén ding was intussen duidelijk: de kinderen vonden het een prachtig geval waarmee ze bovendien buurjongetje Finn naar de kroon staken, want die had er ook eentje. De tweede sproeier hebben we niet meer uitgeprobeerd; die ging als trofee mee naar Leidsche Rijn, leuk voor de kinderen, beetje jammer voor Finn.

Maar toen zaten we zonder en de zon bleef schijnen en we hebben meer kleinkinderen, met minder gras, dus kwam er een derde in huis. Of liever, in de tuin; dat is handiger.
Ik merk dat de kinderen niet erg onder de indruk zijn van die pinnetjes, maar ze zorgen ervoor dat de schotel niet op de steen komt, al was het maar om ervoor te zorgen dat het kind in opa niet plaatsmaakt voor de brommerige oude man die hij ook kan zijn.

Zo aanschouw ik het wonder van de zwevende schotel, geniet ik van de blote kindertjes die door het neerstortende water rennen, maar ik doe daar niet mee.
‘Dat is meer iets voor oma.’ Ook zij koestert het kind in haar maar ten dele. Mijn pet doet het trouwens niet, heb ik gemerkt..
Het kind in me is trouwens toch getekend door de tijd. Niet alleen vanwege die kwetsbare pinnetjes waarvan je zeker weet dat er eentje binnenkort toch zal breken - is het niet op een klinker, dan is het wel op het gras - maar ook al dat verspilde water. We beschikken over een gedeeltelijk veelvoudig verzadigd grasveld. Een verstandige opa onderhoudt vrolijke peuters en kleuters over de noodzaak om aan het milieu te denken. Een verstandige opa doet dat wel.

19 juli 2021

Mark

Tijdens de redactievergadering van Liter op zaterdag 3 januari 2015 stuurde iemand een appje naar Jaap Goedegebuure. Of hij ook iemand wist die onze redactie zou kunnen versterken. We waren met name op zoek naar iemand voor de essays.
Een paar minuten later kwam de naam van Mark de Haan binnen, een oud-student van hem. Dat was de beste, volgens de afzender. Els Meeuse kende Mark als studiegenoot. Zij was het helemaal eens met Goedegebuure.

Mark en ik spraken af op Den Haag Centraal, woensdag 14 januari om 18.00 uur. 'Als er een Starbucks is, zie ik je daar.' Om half acht gaven we elkaar een hand en daarna rende hij weg om zijn trein naar Leiden nog te pakken, terwijl ik voldaan naar perron 5 slenterde: er gaat vandaar altijd wel een trein naar Utrecht.

Pas op, dit verhaal loopt verkeerd af.

Bij de volgende redactievergadering had ik mijn cameraatje bij me en ik maakte tijdens het voorzitten wat foto's. Mark zat naast me, voor een foto net iets te dichtbij. Ik heb die plaatjes er zojuist weer even bij gepakt en zie een slanke knul, donker sluik haar, smal gezicht. Hij lacht op de foto's; meestal zag hij er juist erg bedachtzaam uit, ernstig, vriendelijk. Hij zag er niet uit als de man van de verhalen die ik later van hem las.

We werden een wonderlijke combi, want toen de redacteur van de verhalen vertrok, nam ik die functie een tijdje waar en zo redigeerde ik Marks eerste verhaal: Machmut Kanzal, terwijl hij zich met de essaytjes begon te bemoeien die ik schreef én omdat ik niet mijn eigen verhalen moest beoordelen, gingen die ook naar hem. We waren elkaars redacteur.
Bij Machmut Kanzal was het me na tien regels het helder en klaar: wat kon die De Haan schrijven. Daarom verbaasde het me dat Marks eerste verhalenbundel uitkwam. Ik bedoel: dat dat pas eind 2020 gebeurde. Hij mocht wel een beetje opschieten, met dat talent van hem, dacht ik indertijd. Ik vond het daarom billijk dat hij na drie jaar redacteurschap weer afscheid nam: hij had zijn werk, er was een verbouwing geweest, hij was vader geworden en hij moest dus ook schrijven. Rond zijn dertigste moest er toch wel iets van hem uitkomen, leek me.

Het werd op zijn drieëndertigste. Een verlaat debuut1 dus, maar de flaptekst beloofde een roman. Een half jaar geleden liet hij me via LinkedIn weten dat hij mijn rubriek In Poësis zou gaan missen. En dat was het. Je trekt een tijdje met elkaar op en gaat daarna elk naar je eigen perron.

Een paar weken geleden zag ik een foto van hem waarop hij kaal is, en nu krijg ik bericht dat hij is overleden, ruim een half jaar na zijn debuut. Hij hoopte, lees ik, zijn roman nog af te krijgen.
Op Youtube2 vind ik een interview met hem, nog geen maand oud. Op de film heeft hij weer wat haar, zie ik, maar ik herken Mark niet eens aan zijn neus; wel aan zijn stem, wel aan enkele opmerkingen. Hij draagt All Stars. Waar zijn z'n puntschoenen gebleven?
De wereld kent veel vergissingen, de dood van Mark is een grote, is een ernstige vergissing.

1Mark de Haan, Buitenaards koraal. Verhalen. In de knipscheer, Haarlem 2020.
2Gesprek met Mark de Haan: mark+de+haan.

17 juli 2021

Jan

Tijdens de repetitie van de cantorij trok iemand de deur van de kerkzaal op een kier en gluurde naar binnen. Betty liep er naartoe. Blijkbaar ging het om haar.
Zo was het niet, want even later kwam ze terug en vertelde ze dat er een man op zoek was naar ene Jan. Die zou hier moeten zijn. Betty keek mij aan, al heet ik geen Jan. Ik begreep het wel, want ik heb in de kerk de pet op van de man die in zo’n geval reageert. Terwijl ik naar buiten liep, voegde Helma zich bij me. Zij heeft ook zo’n pet en van politieseries weten we dat je in onduidelijke gevallen beter niet alleen ergens op af kunt gaan.

In de tuin naast de kerk stond een man te wachten. Hij was net weer in Nederland, met zicht op werk en onderdak, maar er was een kleine, tijdelijke kink in de kabel. Dat was geen probleem als hij Jan even kon spreken. Die kende hij goed. Een paar jaar geleden had hij die verschillende keren gesproken in deze kerk. Was hij nu niet in de kerk? Of anders misschien morgenochtend?
Ik begon hem niet te geloven, want ik heb een aardig geheugen voor gezichten en dit gezicht kende ik niet. Maar goed, alles kan. Dus vroegen we hem hoe Jan eruit zag; we hebben in onze kerk namelijk meer Jannen tot onze beschikking. Hij zette zijn vinger resoluut halverwege zijn neus. De Jan in kwestie was dus vijftien of twintig centimeter korter dan hij. Een kleine Jan, zou je denken, maar de bezoeker was wat langer dan ik en enig denkwerk maakte duidelijk dat daarmee nog steeds alle Jannen van de Tuindorpkerk in aanmerking kwamen.
‘And his hair?’ vroeg Helma, want we spraken Engels met elkaar.
De man wees naar de zijkant van zijn hoofd en we begrepen dat er geen sprake was van uitgesproken zwart haar, ook niet echt grijs. Blond, donkerblond, bruin misschien. Het was al wel drie jaar geleden dat de man zijn prettige gesprekken met Jan had gehad, hier in deze kerk. Hij zei het er nog maar eens bij.

Als hij hier bleef wachten, dan zouden wij een Jan gaan bellen, beloofden we. Had hij iets waardoor onze Jan zich hem zou herinneren.
‘Dimi, zeg maar dat Dimi hem wil spreken. Dat we elkaar hier in de kerk ontmoet hebben, drie jaar geleden. Of vier of vijf.’

We hebben zeven Jannen in de kerk weet ik nu en we kregen er vijf te pakken.
‘Dag Jan, ik bel je even omdat je Jan heet.’ Zo begon elk gesprek en telkens volgde er een speurtocht door het geheugen. Maar niemand herinnerde zich een Dimi of had nog weet van een gesprek met een man die volgens ons uit Oost-Europa kwam.

‘Het kan ook Jaap zijn of Klaas,’ zei de man toen we hem in de tuin vertelden dat we geen passende Jan gevonden hadden.
‘Die hebben we niet.’ Binnen hoorden we de cantorij. De man liep weg, maar na een vijftal stap draaide hij zich weer om. Hij hield een creditcard in zijn hand, eentje met een scheur. ‘Ik zoek een hotel, maar deze kaart wordt niet geaccepteerd. Hij is stuk.’

We geloofden niets meer van zijn verhaal. Toch, als ik geld in mijn zak had gehad, zou ik het hem gegeven hebben. Niet uit goedheid, maar om van hem af te zijn. We hadden geen geld en dus verwezen wij hem naar de stad, naar The Salvation Army, het Snurkhuis, ‘ask a policeman.’
Hij liep boos weg.

15 juli 2021

Dit is Vondel niet


De man op de volgende bladzij* van het grote Rembrandtboek** zit op een stoel en warmt zijn handen boven het vuur aan zijn voeten. De periode tussen bescheiden gemeten zestien- en achttienhonderd kennen we als de ‘kleine ijstijd’, dus in 1650, toen deze tekening gemaakt werd, zou het zomaar kouder geweest kunnen zijn dan wij gewend zijn. Ik denk even aan een Noorse hut waarin we enkele winterse weken doorbrachten, met alleen een open haard in de kamer.
Voor ik wat beter kijk, denk ik niet alleen even aan die Noorse Kerst, ook betrap ik me op de veronderstelling dat hier een oude man zit en dat dat Vondel is. Vondel, de man die aan het eind van zijn lange leven voorstelde om op zijn graf te laten zetten:

Hier leit Vondel zonder rouw;
Hy is gestorven van de kou.

Van wat hierboven staat, klopt vrijwel niets.*** Weliswaar blijf ik er maar vanuit gaan dat het distichon inderdaad van Vondel is, maar de woorden kwamen nooit op zijn steen. Vondel is ook nog eens begin februari gestorven, maar de dooi had ingezet bij zijn begrafenis, vertellen getuigen, dus zo bitter koud zal het niet geweest. Over zijn dood wordt trouwens gezegd dat hij die eerste week van de sprokkelmaand van 1679 langzaam, pijnloos weggleed uit een leven dat bijna 92 jaar had geduurd. Geen ontberingen, geen ziekte, een kaars die doofde omdat er niets meer was om van te branden.

De tekening van Rembrand is dan dertig jaar oud, en de maker ervan overleed tien jaar eerder dan de twintig jaar oudere Vondel. Nu zou de man op de tekening inderdaad vóór in de zestig kunnen zijn, maar hij is meer een figuur, met een tronie, dan een persoon in wie we onmiddellijk iemand zouden kunnen herkennen. Al helemaal niet onze Dichter des Vaderlands.

Dat is wel jammer voor de mensheid, die graag zou zien dat deze twee zeventiende-eeuwse toppers kameraden waren geweest. Desnoods vijanden. Maar zo was het niet. Ze woonden beiden in Amsterdam, en een tijdlang op tien minuten lopen van elkaar, ze kenden elkaars werk maar alles heeft er de schijn van dat het daarbij is gebleven. Wil je per se een stap verder gaan, moet je eerder de kant op van desinteresse en latente antipathie.
Vondel noemt twee keer een werk van Rembrandt in een van zijn vele korte gedichten, maar niet lovend. In 1956 geloofden enkele mensen heel graag dat Rembrandt een uitvoering of repetitie van Vondels Gysbrecht heeft meegemaakt. Er is een tekening die in die richting wijst, zoals er ook een portret is van de acteur die daarin bisschop Gozewijn speelt.



Stap verder: de opzet van de openingsscene van Gysbrecht van Aemstel ontleende Rembrandt aan de opstelling van de compagnie van Frans Banninck Cocq, van de Nachtwacht dus. Als het toch eens waar mocht wezen.

Graag had ik de twee wat nader tot elkaar gebracht. In beider leven was ellende genoeg om te delen: verlies van dierbaren; beiden moesten omgaan met bewondering en verguizing; er waren ernstige financiële perikelen, gedoe met het geloof. Ze zochten naar een wereld achter of dwars door de realiteit van de dag.

Maar bij elkaar op de koffie? Vergeet het.

De man op de tekening lijkt helemaal niet Vondel. Kijk maar naar zijn portret door Philips de Coninck uit 1665.

* Uitkleden (Och Heden 20210710) gaat over de vorige bladzij.
**Peter Schatborn, Erik Hinterding, Rembrandt. Alle tekeningen en etsen. Taschen Bücher, Keulen 2019
*** Veel wetenswaardigs ontleen ik aan: Piet Calis, Vondel. Het verhaal van zijn leven. JM Meulenhoff, Amsterdam 2008.

14 juli 2021

Met de auto

Maxwell is een vrolijk hondje, een dalmatiër, die samen met andere slimme, enthousiaste en heldhaftige hondjes deel uitmaakt van Paw Patrol, een reddingsteam dat zijn weerga niet kent en waar peuters en kleuters graag naar kijken, want het zijn figuren in een animatieserie. Omdat die serie zo populair is, kun je ook een echt Maxwellpak kopen, compleet met helm. Lukas trekt het pak graag aan als er iets te vieren valt. Het is zijn feestpak.
Vandaag vierde men op school het afscheid van kinderen die na de zomer naar een andere school gaan, zoals Lukas zelf. Hij verhuist binnenkort naar een dorp in de buurt. Dat op zich is al een reden om dat feestelijke Maxwellpak aan te trekken, maar zonder helm.
Alsof dat niet genoeg was, plande zijn toekomstige school voor de tweede helft van dezelfde ochtend een ontvangst voor kinderen die daar na de vakantie naar toe zullen gaan. Een combi was te maken als ik het verklede jongetje met de auto snel van A naar B zou brengen, zijn moeder en broertje gingen uiteraard mee.

Na vier bochten begonnen de klagelijke geluiden achter. Ik moest stoppen, vond Lukas: hij wilde eruit. In het spiegeltje van de zonneklep zag ik hoe zijn broertje geïnteresseerd naar het steeds wanhopiger en grauwer wordende smoeltje keek van het hondje dat geen hondje was maar een jongetje.
Op de ringweg wist hij de ellende keurig op te vangen in het plastic tasje dat hij onder zijn kin hield. Het overgeven ging in drie golven.

Even voor het stadion stapten moeder en hij uit. Hij moest maar even bijkomen. Hij wilde per se drinken; een aangereikte eierkoek ging er in één keer in. Dat verbaasde me en ik vroeg me af of het wel handig was, die eierkoek.
Hij mocht voorin komen zitten, op schoot bij zijn moeder. ‘Op de weg kijken, Lukas, op de weg kijken. We gaan naar links en nu naar rechts… O, een hobbel. Zie je dat?’ Het was of ik mijn moeder hoorde, maar het was mijn dochter, die als kind ook zo wagenziek kon worden. Dat had zij weer van haar vader. Een paar honderd meter voor zijn nieuwe school stapten moeder en Lukas weer uit, terwijl Markus verkondigde dat hij ook ziek was, want die wilde ook eens wat anders.

De kop van Maxwell is wit, want dat heb je met dalmatiërs, het gezicht van Lukas was en bleef van een onbestemd bleek uitgeslagen grijzig geel. Hij zat op zijn hurken in het lokaal met het ronde ruggetje van een hondje, speelde afwezig met wat duplo. ‘Waarom zijn de dingen zoals ze zijn?’ vroeg ik me af.

De eierkoek kwam er pas op de terugweg uit, bij de derde verkeersdrempel, hoewel ik die stapvoets nam. Toen er niets meer te bieden was, zijn maag aan die merkwaardige peristaltische bewegingen gewend leek te zijn en hij ook even niet hoefde huilen, bezwoer hij dat hij nooit, nooit en nooit meer met de auto meeging. Zowel de jongste als ik hoorden het onszelf zeggen. Markus had alleen nog aandacht voor de liedjes die hij zat te zingen.

Vijftig meter voor de huisdeur viel Lukas in slaap. We bleven even zitten, maar toen de jongste toch maar probeerde uit te stappen werd ie wakker.

‘We zijn toch niet te laat voor Kevin,’ vroeg hij. Dat was het volgende programmapunt vandaag, de verjaardag van Kevin.
Hij slingerde naar de deur. Thuis kon hij nog een uur thuis op de bank, deze kleine dalmatiër. Pas daarna zou het grote taart eten en limonade slempen beginnen.

13 juli 2021

Ochtendblad

Als bezoeker van het toilet volg ik ’s nachts meer de maanstonden* dan de wijzers van de klok. Er zit een patroon in maar dat verschuift ten opzichte van het moment waarop beneden de krant door de deur geschoven wordt.
Vorige week nog lag er geen krant als ik weer terug liep naar bed. Dat doe ik namelijk: even mijn kop in het trapgat steken om te zien of er al een krant op de mat ligt. Dat doe ik niet voor maar na mijn bezoek aan de badkamer, want ik kan zo slaperig niet zijn of ik besef dat dat handiger is. Nog geen krant op de mat te zien is dan een kleine maar aangename sensatie. Het betekent dat de dag en daarmee de ellende van de wereld nog niet begonnen. Dat is onzin, kan ik je vertellen, want op deze wereld is het altijd dag en altijd nacht tegelijk en los daarvan kent het leed van de nacht net zo min een einde als dat van de dag, maar zonder krant mag ik toegeven aan de illusie van een verstilde, aangename wereld waarbij ik nog even lekker in bed kan kruipen, tegen het lijf van mijn lief, al doe ik ook wel eens het lichtje aan om een stukje te lezen.

Sinds gisteren ligt de krant al op de mat als ik naar beneden kijk.
Nu kan dat ook een bron van vreugde zijn. De gewoonte om in vroege uren even uit bed te stappen en verlichting van de blaas te combineren met een snelle blik naar de deurmat kent een lange geschiedenis, want ik herinner me ineens een keer dat ik aan de singel (en daarvoor is het handig veertig jaar terug te gaan) een keer omlaag keek. Door de ruitjes van de voordeur was een witte wereld te zien, omdat het had gesneeuwd, en op de deurmat, in de weerschijn van dat wit aan de andere kant van het glas lag een krant die licht leek te geven. Het was een verademing. Alsof de krant een kerstbode was geworden die vertelde van de komst van een hemels kind. In een gedichtje dat ik daarover schreef, dwarrelde trouwens een klein veertje uit de krant toen ik die openvouwde, een veertje van de bezorger waarschijnlijk. Ja, de blik op die krant werd poëzie!

Die krant van toen lijkt helemaal niet op de krant die ik vanmorgen zag, al viel er ook nu licht door de ruit van de voordeur, het is immers volop zomer. Deze krant had niet eens de deurmat bereikt. Die hing nog met een puntje achter de klep van de brievenbus, als een dweil, een frommel, een ongevraagde folder die niets anders wist te vertellen dan wat geen nieuws was. En inderdaad: later las ik dat verdachten in de zaak rond Derk Wiersum bleven zwijgen, dat na de finale in Engeland behalve covid-19 ook het virus van de racistische tweets de kop op stak en er was iets met Rutte en De Jonge. Geen nieuws, maar aanhoudend geterg.

Wat een wijze om een nieuwe dag aan te gaan.

* Dit klopt niet. Als ik de maanstonden zou volgen, zou ik iedere nacht iets eerder naar de wc gaan, maar zo is het niet. Dat gebeurt juist steeds wat later dan de nacht daarvoor. Nu bevalt deze openingszin me wel; daarom kan ik er beter een heel ander verhaal op laten volgen, eentje waardoor die zin wel klopt.
Dat lijkt me iets voor een volgende keer.
Misschien. Heel misschien.
Ik denk het niet.

12 juli 2021

Renault 4CV

De kunstzinnige neef maakte ooit een houtsnede waarop je mijn ouders ziet zitten op de bumper van hun Austin 8. De prent is gebaseerd op een fotootje dat gemaakt werd in de zomer van 1952 en hangt in de huiskamer. Je kunt je voorstellen dat die prent, waar ik waarschijnlijk dagelijks en vaak met welgevallen naar kijk verklaart waarom ik gisteren plotsklaps over de auto begon en daarmee ook over mijn geboorte. Maar zo is het niet. Die aandacht had te maken met een stuk in de krant over het 75-jarig bestaan van de Wegenwacht. Daar had ik maar weinig ervaring mee, bedacht ik. Zelf niet, maar als ik me niet vergis, heeft ook mijn vader maar één keert gebruik gemaakt van deze ridders van de grote weg. Dat was met de tweede auto van de Borgdorffjes.

Na twee jaar maakte de Austin 8 namelijk plaats voor een Renault 4cv, een autootje dat vanaf 1946 werd geproduceerd. Geen tweedehands deze keer, maar een heuse nieuwe. Toch zou ook deze auto het maar twee jaar uithouden, want in ’56 kocht mijn vader een volgende wagen. Waarschijnlijk niet omdat die eerdere auto’s niet voldeden. Het bleek het begin van een gewoonte: de rest van zijn leven zou mijn vader om het andere jaar met een nieuwe komen aanrijden, een enkele keer werd het drie jaar.
Toch zou het me niet verbazen als mijn vader vrij snel spijt kreeg van die Renault 4cv. Hij zag er bijzonder lief uit, de auto, had een hoog aaibaarheidsgehalte vanwege zijn peuterachtige rondingen die goed combineerden met het kleine formaat. Er is een foto waarop mijn vader naast zijn dan nieuwe auto staat. Het is geen gezicht. Hij torent er boven uit en heeft te veel lijf om in dat kleine blik te persen. En dan nam hij ook nog eens regelmatig zijn vrouw en vier kinderen mee op sleeptouw. Als kleinste zat ik dan meestal bij mijn moeder op schoot. Ik heb ook wel achterin gezeten, weet ik nog, en kroop dan over de knieën van mijn zussen en broer. Daar werd ook duidelijk dat ik vrij snel wagenziek werd en zo veroverde ik me een vaste plek voorin, op schoot bij mams. ‘Op de weg kijken, Lennie, voor je kijken, op de weg.’ Dat was het devies.
Hoek van Holland haalde ik nog wel, maar van die keer naar Amersfoort weet ik nog dat ik het als een bevrijding ervoer dat we onderweg pech kregen. De auto ging aan de kant en de Wegenwacht kwam.Ik denk dat dit mijn eerst concrete auto-ervaring is: de vreugde van het uitstappen uit dat verraderlijk vriendelijk ogende maar funeste ansjovisblikje, die heerlijke buitenlucht, de wijde wereld van voorbij rijdende auto’s en de wegenwacht die met zijn felle geel als een reddende engel uitkomst kwam bieden.
Ik weet haast wel zeker dat het euvel een kokende motor was. Het was een kwestie van afkoelen en de radiateur bijvullen met water. Heet water graag, om scheuren te voorkomen. Zoiets.

Ik ben blij dat mijn kunstvaardige neef nooit een prent maakte op basis van de foto van pa naast zijn Renault 4CV. Het is een schitterend karretje, maar niks voor mijn vader.
Rond 1980 reed pa een keertje met me mee in onze Renault 4, een vierkant geval dat in de volksmond koekblik heette. Ik zag hoe hij naar het plastic dashboard keek en naar de mislukte versnellingspook. Daarna keek hij naar mij. Ik bleef voor me kijken, naar de weg, maar het medelijden in zijn blik ontging me niet.

11 juli 2021

Austin 8

Die zomer deed mijn vader zijn motor van de hand en in plaats daarvan kocht hij een auto. Het was een Austin 8 en ik heb er geen persoonlijke herinnering aan want twee jaar later al kwam er een andere wagen, deze keer wel een nieuwe. Toch speelt die Austin de toon gezet voor het verhaal van mijn leven.

De auto kwam een paar dagen voor mijn geboorte voor de deur te staan. Van zijn komst bleef mijn vader meer bij dan van de geboorte van zijn vierde kind. Over de dag van mijn geboorte heb ik hem nooit horen vertellen, over de dag die daaraan voorafging wel. Ik zeg het niet helemaal goed: mijn komst speelde in zoverre een rol dat die dreigde roet in het eten te gooien. Veel autobezitters telde ons dorp niet, mijn vader was de eerste in de straat waar we woonden. Daarom was hem gevraagd om nu ook mee te doen aan het jaarlijkse dagje uit van het dorp, waarbij alle ouden van dagen getrakteerd werden op een fraaie rit met decent vertier hier en daar. Mijn vader voelde zich meer geroepen dan gevraagd, begrijp ik achteraf. Hij moet er bijzonder trots op zijn geweest om met zijn nieuwe aanwinst mee te mogen rijden in de lange stoet die werd aangevoerd door de taxi´s van De Wilde, want ook die werkte belangeloos mee.
Ik zou wel eens willen weten wie er nog meer mee reden, al zal ik daar nooit achter komen. Het moeten toch mannen geweest zijn waar mijn vader toch een beetje tegen opzag. Het zou me niks verbazen als oom Rien Boers van kassenbouwbedrijf Kubo ook meereed. De twee waren gezworen kameraden, jawel. Ze gingen jaren achtereen met elkaar op vakantie, om maar iets te noemen, maar ze hielden elkaar ook goed in de gaten, die twee.

Voor pa was mijn geboorte dus een regelrechte bedreiging, hoewel die ? dat zul je begrijpen ? ruim van tevoren was aangekondigd en mijn moeder me meermalen verteld heeft dat ik, net als mijn zussen en broers, keurig op de geplande tijd geboren ben. Dat was in dit geval de dag na het uitje van de bejaarden. Om half negen ´s avonds was mijn vader weer thuis gekomen en de volgende morgen om kwart voor vijf of kwart voor zes kwam ik. Vreemd, dat zowel mijn moeder als mijn vader niet precies konden vertellen of het nou vijf of zes was. Maar dat half negen van de avond daarvoor klopt wel en dat mijn vader die dag met drie bejaarden in zijn auto in een stoet naar de Alblasserwaard reed, kwam ook telkens weer ter sprake als in verhalen die laatste week in juni van dat jaar ter sprake kwam.

Er is een fotootje. Daarop zitten mijn vader en moeder, gelukkige jonge mensen, op de bumper van hun Austin 8. Die staat voor het huis. Tegen de gevel staat de fiets waarop ik mijn vader vrijwel nooit heb zien rijden en achter die gevel lig ik ergens in een wieg. Maar dat laat die foto niet zien. Hij moet een maand of twee na mijn geboorte genomen zijn: het is nog volop zomer, mijn moeder is niet zwanger en mijn vader is nog steeds trots op zijn nieuwe aanwinst.

Op basis van dat fotootje maakte mijn kunstzinnige neef lang geleden een reductiehoutsnede. Daarvan hangt een exemplaar bij vrijwel alle kinderen en kleinkinderen, ook bij ons. Een plaat dus van een echtpaar met hun nieuwste aanwinst, niet met hun zo juist geboren kind, maar met een tweedehands auto.

10 juli 2021

Uitkleden

Bij een pentekening van Rembrandt - Een vrouw berooft een dronken man (ca 1650)


De man is ver weg. Hij zit nog wel op een stoel, maar zonder de tafel voor hem zou hij daar al lang van af gekukeld zijn. Feitelijk ligt hij in een diagonaal die links begint in een zwaar leunen en steunen om rechts te eindigen in een zweven dat bijna sierlijk is. Dat heb je met zweven.
Hij kan zo dronken niet zijn of zijn hoofd heeft in zijn armen nog wat comfort gevonden. Iemand die in coma ligt, met slangetjes verbonden aan ingewikkelde apparatuur, is zoiets niet meer gegeven. Met dat comfort zal het toch wel tegenvallen straks, als de beneveling plaatsmaakt voor het prikkeldraad en de housemuziek van een kater. Straks voelt hij ook die gewrichten die opgezadeld werden met een niet pose die ik niet optimaal kan noemen. En dan heeft hij nog niet in de gaten dat zijn broekzak leeg is.

Voorlopig zit hij nog half op zijn stoel. Zo te zien meer op zijn rechter dan op zijn linker bil. De knie rechts moet wel stevig tegen de forse middenpoot van de tafel drukken. Misschien dat Rembrandt juist daarom die knie en ook de zit van de man zo royaal in de inkt heeft gezet. Zonder die knie en dat halve zitten zou de hele constructie van de man onmogelijk zijn. Dan moeten we maar hopen dat de tafel stevig genoeg is. Zo ziet ie er ondanks de paar snelle lijnen waarmee hij is weergegeven wel uit: een kloeke tafel, ik houd het op een tafel van eikenhout. Al met al is er zoveel zwaarte, links op de tekening dat niet alleen de voet maar zelfs het hele linkerbeen van de man kan zweven. Op deze manier houdt de man het nog wel even uit in zijn benevelde, maar dankzij kloek eikenhout gestabiliseerde, diagonale zijligging met een linkerbeen dat van een wegvliegende engel geweest had kunnen zijn als Rembrandt zich had beziggehouden met een ander onderwerp.Deze man is geen engel en hij hoeft ook niet gelukkig te zijn met de tafel die hem met blad en middenpoot voor verder vallen behoedt. De vrouw achter hem wel. Die kan nu in alle rust de beurs van de man uit zijn broekzak trekken, de linker zak dus, met dat zwevende been even verderop. Alsof hij de vrouw ter wille wil zijn. Alsof hij een kind is dat zich slaapdronken door zijn moeder laten uitkleden.
Aan de rechterkant van de tekening wordt alles lichter: het been en de voet van de man, maar ook zijn broekzak. Lang voor de man overeind krabbelt, zal ook de vrouw verdwenen zijn.

08 juli 2021

Allemaal stoten

Vorige week even langs geweest bij Tineke.

Er kon geen sprake van zijn dat het ooit iets zou worden met een van de jongens van Grootscholten, dat wist zij indertijd ook wel, want die waren rooms en zij was gereformeerd, maar o, wat waren dat een mooie jongens, allemaal, en dan hadden ze ook nog de goeie leeftijd, alleen de jongste van de vijf was jonger dan zij, niet eens zoveel.
Op zaterdagmiddag kwam er altijd een van de prachtige zonen langs voor de zomerkolen. Dat was een spaarregeling. Grootscholten had behalve een tuin ook een kolenhandel en als je het hele jaar wekelijks een bedragje betaalde dan hielp hij je de koude winters wel door. Zo verdeelde je de kosten evenredig over het jaar. Ik kende dat wel: voor mijn vader haalde ik ooit wekelijks bedragen op bij mensen die een verzekering bij hem hadden of een spaarregeling. Maar ik was niet zo'n knappe knul van Grootscholten en ik mocht dan gereformeerd zijn, voor Tineke was ik natuurlijk veel te jong. Haar hart voor die jongens klopte toen ze vijftien, zestien of zeventien was en Tineke en ik schelen ook toen al op de kop af tien jaar en elf maanden.

Dat nam niet weg dat ze een keer was uitgenodigd voor een feest waarbij je ook een danspartner moest meenemen en daarom had ze op een zaterdagmiddag, toen er weer zo'n adembenemend knappe Grootscholten in de keuken zat om niet alleen een premie te innen maar ook om te snoepen van de lekkere koek die Tinekes moeder dan altijd bakte, het lef gehad hem te vragen mee te gaan. Tinus was het. En Tinus had ja gezegd. Ze was in de wolken geweest. De kloof van het geloof had ze niet eens op het idee gebracht om elkaar ook maar een vluchtige zoen te geven.

Die van Grootscholten waren in goeden doen, dus al die jongens hadden in de jaren vijftig een brommer en als ze die niet hadden, dan was dat vanwege de auto die ze intussen hadden gekocht. Tinus reed nog brommer en bij hem achterop was Tineke naar het feest in Naaldwijk gereden.

Ik herinner me die brommer wel. Wij woonden schuin tegenover Grootscholten en ik ging er graag langs omdat ik dan mee mocht met de kolenwagen of ik werd voorop de brommer gezet, op de tank, om tussen de armen van Aad of Theo of Tinus even naar de veiling te sjezen en er een veilingbrief op te halen. Prachtig vond ik dat. Misschien genoot ik er wel net zo van als Tineke toen ze bij Tinus achterop naar Naaldwijk reed om er op het dansfeest de andere meiden te verpletteren met de stoot die haar begeleidde.

07 juli 2021

The jack of hearts

Doorgaans zeg ik de psychotherapeut als ik het over mijn vriend de psychotherapeut heb, zelf noemt hij zich klinisch psycholoog, maar dat verandert niets aan het feit dat we beiden in Dylan zijn, niet overdreven, maar toch genoeg om het er af en toe over te hebben en ook genoeg voor hem om mij voor mijn verjaardag een boekje te geven dat de titel draagt van 'Blood on the Tracks. Dylans meesterstuk in blauw', geschreven door de mij overigens onbekende Dylankenner Jochen Markhorst. Ik vertel er even bij dat het album met die titel onze gedeelde favoriet is. Dit is de eerste alinea.

In alinea twee word ik plotseling wakker en ik zie dat Mente al op bed zit, met haar voetjes op de vloer. Ze gaat eruit, zegt ze. Dan is voor mij de lol eraf, maar het ontwaken overkwam me zo abrupt dat ik niet onmiddellijk omhoog veer. Wel hijs ik mezelf een eindje overeind, zet een bril op en graai naar een boekje naast m'n bed dat het mogelijk maakt om een punt te zetten achter deze alinea en over te gaan naar alinea drie.

Daarin lig ik dat boekje te lezen, het hoofdstukje over Lily, Rosemary and the jack of hearts. Er trekt onwillekeurig een grijns vanaf het spleetje tussen mijn tanden naar mijn linker- en mijn rechteroor. Het is een leuk hoofdstuk. Dat kan ook niet anders met zo'n fantastisch nummer als onderwerp. In 1966 brak er een zon in me door toen ik Bob Dylan hoorde lachen in 'Rainy Day Women', later werd ik dus vrolijk van dit nummer. Ik heb het gevoel dat ik er de laatste jaren nog vrolijker van word dan toen. Het hoofdstuk is verfrissend en het grappige is dat ik het nummer integraal hoor tijdens het lezen. Het zit met begeleiding en al in mijn hoofd. Ik ben Markhorst dankbaar dat hij even de regel eruit licht over Rosemary, 'seein' her reflection in the knife'. Van haar slempen in wanhoop word ik niet vrolijk, van deze waarneming wel. En er zijn meer opmerkingen die aan mijn mondhoeken trekken.

Ik verlaat alinea drie voortijdig om te vertellen dat het boekje meestal per hoofdstuk een nummer van het album bespreekt. Een hoofdstuk eindigt dan met het noemen van covers die daarvan gemaakt werden, plus waardering. Ik ken die covers vaak niet, waaruit maar weer blijkt dat ik niet de ware Dylanadept ben, maar ik ben wel van plan om er mijn voordeel mee te doen. Daar kom je bij dit nummer niet ver mee, Baez en Russell bakken er nog wel iets moois van, maar dan houdt het ook op. Sowieso waagden weinig artiesten zich aan dit nummer.

Er staat tussen de neus en de lippen van een aparte alinea van dit hoofdstuk nog iets dat me tevreden stemt. Als verklaring voor het feit dat dit nummer niet vaak gecoverd is, komt Markhorst op de proppen met de stelling dat Dylan als voordrachtskunstenaar door zijn manier van vertellen de spanning weet vast te houden. Kijk, dat is me uit het hart gegrepen. Dylan is niet alleen een zanger, hij kan zijn teksten ook brengen. Hij nodigt uit tot luisteren.

'Black Diamond Bay' denk ik als ik mijn benen over de rand van het bed zwaai, dat is ook zo'n nummer, dan loop ik al de slaapkamer uit. 'Next day was hangin'day the sky was overcast and black.' Zingend vind ik mijn weg naar de badkamer. Mijn dag kan niet meer stuk.
En dat is zes.

06 juli 2021

Toekomst

Mijn theologische vriend deed mij een paar weken geleden uit de doeken wat zijn project was voor de komende zeventien jaar. Daar keek ik wel een beetje van op, niet van dat project, wel van dat zeventien. Daarom legde hij zijn leven voor me neer in brokken van elk zeventien jaar. Het leek allemaal te kloppen, maar de verbazing bleef. Ik zou mijn leven niet in eenheden van zeventien jaar kunnen onderverdelen, maar ook niet in happen van zeven of acht. Later raadpleegde ik er mijn therapeutische vriend over. Hij en de theoloog beleven hetzelfde, door zeventien deelbare levensjaar en ze zijn gelijk gestopt met werken, misschien kon hij daarom een en ander duiden. Ook hij kwam bij het dit priemgetal niet verder dan particulier toeval. Wel had ook hij een duidelijk beeld van zijn toekomst en daarmee kwam hij nader tot de theologische vriend, die ook een uitgekiende blauwdruk had van de zijne, die met dat getal zeventien de periode van 68 tot 85 zou beslaan en waarin een aantal studies en voorgenomen publicaties voorkwamen. Studies en artikelen kwam ik bij de therapeutische vriend ook tegen. Deed ik iets verkeerd door me te beperken tot de gedachte dat iedere dag genoeg heeft aan zijn eigen leed? En ook vreugde neem ik aan, al maakt de Bijbel daar geen melding van.

Vandaag maakten we een rondje. Koffie dronken we in Wezep bij de vernufteling en zijn van een verse heup voorziene geliefde. Hij nam ons mee naar het betonnen skelet een paar straten verderop dat voor hen werd gebouwd. In miniatuurvorm zag het er al vollediger uit en kon hij zelfs laten zien welke kast en welke stoel op welke plaats zou komen. Hij had de boel in lego nagebouwd. Er belde trouwens een bezorger aan om een nieuwe cirkelzaag af te leveren. De grote variant had hij intussen via Marktplaats verkocht en dat gold ook voor een deel van het meubilair. Ook hier liep of strompelde men de toekomst planmatig en met een duidelijk beeld van de invulling tegemoet. Deden wij iets niet goed?

Voor de lunch trokken we naar een brug bij de IJssel, vijftig kilometer verderop, waar iemand die binnenkort nog net geen zeventig wordt, vertelde van de organisatie van kunstroutes, de kennis van de stad die ze zich als gids bezig was eigen te maken en van de eerste rondleiding die ze morgen zou verzorgen. Op en top een bewoonster van 'het kleine stadje Zutphen' om Bomans er even bij te halen, maar nog geen vijf jaar geleden was er in het leven van dit ooit Haagse meisje nog helemaal geen sprake van deze IJsselstad. Ze had haar plannen, muzikaal, cultureel, sociaal, relationeel keurig klaar alsof het leven een stappenplan was.

En dat was ook het geval bij de thee in Oeken, waar een woning en een reusachtige tuin een metamorfose ondergingen. Er zouden nog jaren overheen gaan, maar de fasering was klaar en de fundering lag er.

'Later als ik groot ben, ga ik ook eens nadenken over mijn toekomst,' zeg ik onderweg naar huis.
'Daar zijn we nog niet aan toe,' denkt Mente.
'Ik zou wel verkering met je willen,' zeg ik.
Zij ook wel met mij. Dat is al een hele stap. We kijken ernaar uit.

05 juli 2021

Teen

Ik ga al weer geruime tijd overwegend ongesokt door het leven en daarbij kom ik regelmatig de grote teen tegen van mijn linkervoet. De verminking daarvan neemt enorm af en daarom durf ik het weer aan om me ermee onder het volk te begeven.
Twee jaar geleden liet Tommy er een klein bouwwerkje van Duplo op vallen. Om verwijten aan zijn adres te voorkomen, vertel ik er maar even bij dat hij toen zijn eerste verjaardag nog moest vieren. Ik val hem er ook nu nog niet mee lastig. Het was een ongelukje, maar wel een bijzonder pijnlijk ongelukje. Je zag er niets van, maar het duplogeval was met een punt onder mijn nagelriem terecht gekomen. Nu vierde ik dat jaar een verlengde zomer, door in oktober een paar maanden naar Nieuw-Zeeland te gaan en daar zag ik hoe als een zwarte maan maar veel langzamer een donkere plek onder de nagelriem vandaan schoof. De hele nagel werd zwart. Daar was gelukkig niet veel meer van te zien toen vorig jaar mijn slippers en sandalen weer onrustig begonnen te worden.
Maar halverwege de zomer begon die teen een paar dagen flink te zeuren en nog voor de tijd rijp was voor gesloten schoeisel leek mijn teennagel van glas te zijn geworden. Nog weer later werd die opnieuw zwart. Ik zal niet in details treden. Houd het erop dat ik blij was met gesloten schoenen, en dat heb ik niet gauw. De pijn was voorbij.

Die zat bij buien in de grote teen van mijn andere voet, ook al voordat het Duplo langs kwam. Ook nu speelt die regelmatig op. Artrose, zegt de dokter. Het gekke is alleen dat ik de pijn van die teen associeer met die andere grote teen. En omgekeerd denk ik dat die verminkte nagel rechts zit. Dus als ik mijn rechterteen voel, denk ik dat die nagel opnieuw gaat opspelen. Vreselijk ingewikkeld allemaal, manmanman.

Het heeft er intussen alle schijn van dat het met de verminkte grote teen, de linker dus, de goede kant op gaat en dat een nieuwe nagel op daadkrachtige wijze bezig is kortemetten te maken met wat nog herinnert aan een verleden van leed en ontoonbaarheid.

Vandaag zat ik met Tommy op de bank. Hij keek naar Bing en ik keek naar mijn dappere teen. Vervolgens vroeg ik me af wat er vaker voorkwam, voeten waarvan de grote teen de langste is en waarbij de andere tenen keurig gerijd aflopen als pijpen van een panfluit, of dat doorgaans de tweede of, vergelijkbaar met handen de derde teen, de langste is. Ik heb het niet kunnen vinden. Wel zag ik dat de tenen voldoende stof bieden voor verregaande psychologische duidingen. Mijn aflopende tenen duiden op mijn sociale gevoel en op intellect, alsof ik dat niet wist. Ha, vertel mij wat. Maar er werd bij verteld dat mensen met voeten als ik heb, zelfingenomen kwallen kunnen zijn. Nou, daar heb ik gelukkig geen last van.
En nog iets: ook de afstand tussen grote en naastliggende teen is betekenisvol.
Wist je bijvoorbeeld dat ik niet goed in staat ben om spontaan te reageren als ik op mijn linkervoet sta? Daar is ruimte tussen de twee tenen, maar rechts ben ik wel spontaan, die liggen keurig tegen elkaar. Dus als het spontaan moet, balanceer op rechts.

Interessant, nietwaar? Maar nu ga ik weer naar Bing kijken.

03 juli 2021

Deze zaterdagmiddag

Even speet het mij dat ik dat kekke nieuwe kampeerstoeltje van me niet onder de snelbinders had geschoven. Dan had ik dat op een leeg veldje langs de Maarsseveense Plassen kunnen zetten om op te schrijven wat me dan en daar zou invallen of wat daar te zien viel of te horen. Lege veldjes waren er wel, maar geen perceeltjes met een bank. Dat ik verderop het bankje op de hoek van de Kooidijk en het pad dat voert naar Fort Ruigenhoek leeg zou aantreffen, dat leek me uitgesloten. Ik mag daar graag even zitten, maar het komt er zelden van. Ook anderen hebben dat bankje ontdekt. Bij Oostbroek, aan de andere kant van Utrecht, heb je dat ook . Daar staat een prettig opgesteld bankje voor mensen die er een kleine wandeling maken, maar vrijwel is het altijd bezeten en bezet.
Maar wat overkomt me op deze zachte zaterdagmiddag, die wel recreatief volk op de been heeft gebracht, maar minder dan anders, misschien omdat de terrassen in de stad vandaag extra aantrekkelijk zijn? Hoe dan ook: het bankje is leeg, het staat me op te wachten en spreekt me vriendelijk toe.

Terwijl ik af en toe naar de heel licht in nevel gehulde stad kijk, met zijn zo strak ingepakte Domtoren, de Verrekijker van de Rabobank en meer naar rechts de schoorsteen van wat ooit de Pegus heette, en naar de amper benevelde bosschages van het veel dichterbij gelegen fort, naar de middelhoge vlucht van zwaluwen hier en daar, die ik niet benijd om hun rusteloosheid en hun menu, en dan ook de vlucht meeuwen zie die omslaat en die ik na een vluchtige blik op mijn notitieblokje vreemd genoeg nergens meer kan ontdekken, hoor ik links en rechts van me wat mussen en achter me klinkt het gekras van een kraai die niet meer lijkt te geloven in zijn gezag. Een duif hoor ik. En ja, ook de A27. Dat is wel een beetje jammer. Ik kijk automatisch de kant op waar twee kilometer verderop die weg loopt, maar mijn blik wordt troostrijk gevangen door de draaiende wieken van Geesina. Die molen is er heel lang zo beroerd aan toe geweest, maar moet je nu eens zien.Dit zou al voldoende zijn geweest. Maar dan fietst een man het bankje voorbij. Hij is al over de helft met het roken van zijn sigaartje. Dat zie je niet veel meer, een sigaartje op de fiets en wat je helemaal nooit ziet, maar nu dus wel: onder de snelbinders, op de bagagedrager passeert me een antiek houten katheder, een kistje met schuin deksel. Spaans, denk ik in de gauwigheid vanwege de kleur en het schrijnwerk van kloeke krullen.

Ik heb zoveel gezien op fietstochten en ook zag ik veel wanneer ik niet fietste, maar dit, een fietser die een sigaartje rookt en een katheder achterop heeft, dat maakte ik nooit mee.
Het is een bijzondere middag, deze zaterdagmiddag. Ik stop mijn pen en papier weg en dan blijf ik nog even zitten.
Jammer dat ik geen appel bij me heb.

01 juli 2021

Schuld

De dissertatie van Joyce Ronday is in het Nederlands vertaald* en dat is wel zo makkelijk. Zij schrijft over Primo Levi en er komt veel langs in het boek dat me nogal bezig houdt. Vandaag blijf ik hangen bij schuld en schuldbesef.
Primo Levi volgde indertijd het proces tegen Adolf Eichmann, de man die de personificatie mag heten van de banaliteit van het kwaad, zoals Hannah Arendt het (of hem) noemde.
Levi schrijft een gedicht met als titel ‘Voor Adolf Eichmann’. Dit is de tweede strofe:

O zoon van de dood, wij wensen jou de dood niet toe.
Moge jij zo lang leven als nog nooit iemand heeft geleefd:
Moge jij vijf miljoen nachten slapeloos leven,
En elke nacht de smart jou bezoeken van ieder die zag
Hoe de poort hem insloot en hem de terugweg benam,
Hoe het rondom donker werd, hoe de lucht zich vulde met dood.


Hier is geen sprake van haat, maar van gerechtigheid, ook van een onvervulde wens. Voor Eichmann volgde er geen leven voor wroeging, hij werd ter dood veroordeeld en deze clown van het kwaad is nooit aan schuldbesef toegekomen. Schuldbesef is er wel bij Primo Levi zelf. Hij heeft Auschwitz overleefd en dat betekent dat hij, desnoods tegen wil en dank, bij de slechteriken van het kamp hoorde. Er was maar een overlevingsstrategie in het kamp en dat was: kiezen voor jezelf. Strategie kun je het amper noemen en werken deed die ook al niet, maar het was wel het enige. Voorbeeldje: op een keer deelt Levi het kleine beetje water dat er is met een vriend en lotgenoot en hij ziet dan een derde, ook een lotgenoot die ook water nodig heeft dit ziet. Hij geeft geen water. Na de oorlog vraagt die derde hem waarom.

Tijdens het lezen ontkom ik niet aan de gedachte dat schuld of schuldbesef alleen maar mogelijk is, als je zelf ook slachtoffer bent en niet alleen maar dader. Een dader is wie en wat hij is; hij kan zich, als er al naar gevraagd wordt, verschuilen achter omstandigheden, achter opdrachten, zeggen dat je toen niet beter wist en dat kan nog waar zijn ook. Mensen zitten vast in de beperkte context van een zeer gekleurd hier en nu.

De slapeloze nachten zijn er voor de slachtoffers die al dan niet ook dader werden, niet voor daders. Die slapeloze nachten en een eeuwige pijn zijn de wensen van dichters en zangers als de jonge Boudewijn de Groot en zijn voorbeeld Bob Dylan én van slachtoffers die verlangen naar recht. Welk recht? Het recht op besef bij de dader. Die moet doordrongen zijn van zijn wandaden, die moet weten en weten, alle verhalen kennen en voelen en wanhopig worden van wroeging.
Alleen dat gebeurt niet, dat gebeurt, nogmaals, alleen bij degene die slachtoffer is.

Intussen krijg ik een ongemakkelijk gevoel als het gaat om de herziening van ons slavernijverleden. Ik weet om te beginnen al niet wat ik met dat ‘ons’ moet en voor een spijtbetuiging is het nog te vroeg. Daarvoor hebben we allereerst de onontkoombaarheid van verhalen nodig. We moeten ons slachtoffer voelen om tot besef van schuld te komen.
En ook… moet ik me verontschuldigen tegenover iedereen die nazaat is van mensen die als slaaf naar Amerika werden getransporteerd? Of moet ik me bijvoorbeeld inzetten voor bootvluchtelingen, voor mensen die hun land ontvluchten?

* Joyce Ronday, Primo Levi na God. Verhalen van een nieuwe Bijbel. Uitgeverij Verbum 2021.

30 juni 2021

Een raadsel

Omdat de lavendel op het graf behoorlijk was gegroeid, had ik het aanvankelijk niet eens in de gaten, maar toen ik de gepinde vaas uit de grond trok, zag ik dat het tubetje er niet meer stond. Kort na het overlijden van mijn moeder, had de jongste een tube Niveacrème op het graf gezet. Kort geleden stond het er nog. Toevallig stuurde mijn jeugdvriend Dirk me een maand geleden nog een foto van het graf met als onderschrift: ‘Je moet de groeten hebben.’ Nu was het dus weg.

Dat tubetje was indertijd een grapje van de jongste, maar ook niet helemaal. Het zou mij niets verbazen wanneer toch een verband te vinden zou zijn tussen dit tubetje en de gewoonte van oudere volkeren om hun doden schatten mee te geven voor in het hiernamaals. Mijn moeder was een levenslange smeerder van wie de Duitse fabrikant behoorlijk rijk geworden moet zijn, al was het maar omdat haar kinderen en een stel klein- en achterkleinkinderen ook een smeerbehoeftige huid hebben. We zijn groot geworden van Nivea en al zijn we intussen allemaal overgestapt op een zachtaardiger en neutraler merk, de heer en mevrouw Nivea hebben heel lang een goede boterham van onze familie kunnen eten. Vandaar dat tubetje.

En nu was het weg. Het stond pal voor de graftsteen, op een randje. Ik kan het anders zeggen: het stond op de plek waar nu een stroperig plasje bodymilk lag. Alsof het flesje was vervluchtigd en de inhoud was achtergebleven. Ik stuurde een foto naar de jongste en mijn broers en zus.
‘Heeft ze het tubetje eindelijk gevonden?’ appte de jongste terug, want met haar kun je lachen. Met mijn broer ook trouwens, hij reageerde met ‘Zeker over de datum.’
Ik had niet de indruk dat het tubetje op die plek was leeggeknepen, het leek er echt op alsof het plastic zomaar was verdwenen en de inhoud als plasje achterbleef.

Ik ging verder met de bloemen. Deze keer had ik zelfs een zakmesje bij me om die eerst schuin af te snijden voordat ze in de vaas gingen. Maar, zag ik nu, die vaas was beschadigd, een plastic geval waarvan aan een kant een ruwe bobbelige plek ontstaan was, alsof iemand hem met een aansteker had willen laten smelten.
Zo was het niet. Het tubetje had gebrand en dat stond naast de vaas. Spontane zelfontbranding leek me uitgesloten. Het zou wel eens een gevalletje vandalisme kunnen zijn, waarbij de tube inderdaad vlam vatte en de vaas ernaast inderdaad niet hittebestendig bleek. Die kon overigens nog heel goed gebruikt worden voor de bloemen die ik bij me had. Bovendien staat er nog eentje achter de steen.

Mijn vader kan tevreden zijn: de bloemen staan er immers voor hem, vanwege zijn veertigste sterfdag. Door dat tubetje was bijna alle aandacht naar mijn moeder uitgegaan. Dat zou niet fair geweest zijn tegenover mijn jubilerende vader, al hoorde ik hem daarover niet klagen.

Nu ik weer thuis ben, blijf ik me toch een beetje verbazen over die spoorloos verdwenen tube. Wie zet er nou een tubetje Nivea op een graf, kun je je afvragen. Nou, dat doet mijn jongste, en wie mijn moeder gekend heeft, weet dat ze nooit zonder crème op stap ging. Mijn vraag is eerder: wie steekt er nou zo’n tubetje in de fik? En omdat ik van het tubetje geen enkel spoor ontdekken kon, vraag ik me af of dat wel echt gebeurd is. Of heeft de schuldbewuste dader het later opgeruimd, of een tuinman van het kerkhof?
Het blijft een raadsel.

29 juni 2021

Two of a kind

Morgen is het precies veertig jaar geleden dat mijn vader overleed. Daarom is het volstrekt ongepast dat ik dit stukje schrijf. Dat weet ik. Ook wie las wat ik eergisteren en gisteren vertelde, zal weinig begrip op kunnen brengen voor wat nu volgt, maar die zal wel snappen hoe ik van het een, via het ander terechtkom in de merkwaardige nacht ergens in acht- of negenenvijftig.

Op de overloop kwamen een trap uit en zes deuren, eentje van een kast, een voor wat het midden hield tussen badkamer en berging, en dan waren er vier slaapkamerdeuren. Mijn ouders sliepen voor, mijn kleine broertje en ik achter. De deuren van mijn zussen en grote broer gingen ’s nachts dicht, onze deur en die van mijn ouders bleven open. Dat had oorspronkelijk te maken met mijn nachtelijke paniekaanvallen en toen die er niet meer waren, was er de onberekenbare astma van mij broertje.

Het beloofde een goede nacht te worden. Ongetwijfeld had mijn moeder me nog in het pootje laten plassen toen zij naar bed ging. Ze had de koude rand van het geëmailleerde potje, wit met blauwe rand, tegen mijn bovenbenen gedrukt en een langaanhoudend fluitje laten horen. Signalen die voldoende waren voor mijn blaas om de remmen los te gooien.
En nu was ik ook nog eens midden in de nacht wakker geworden omdat ik weer plassen moest. Dat betekende niet alleen dat ik nog niet in mijn bed had geplast, maar ook dat de kans daarop minimaal zou worden. Ik kroop uit bed.
Toen ik de overloop op wilde lopen, zag ik mijn vader staan. Hij hield het potje vast en stond te plassen. Ik kon zijn silhouet duidelijk zien in het licht dat van de straatlantaarns via de open slaapkamerdeur van mijn ouders op hem viel.

Mijn vader had van heel veel twee, oren, handen, voeten, net als andere mensen. Daarnaast had hij ook nog eens twee ringen en twee kinnen. Later zouden dat er drie worden. Maar wat ik niet wist: hij had ook twee piemels, niet op dezelfde hoogte zoals ogen, schouders en zo maar net als zijn kinnen onder elkaar. In het tegenlicht zag ik dat hij plaste met zijn bovenste piemel, maar die andere was even groot. Het was een wonder.

Hij zag mij niet en ik deed gauw een stapje achteruit en opzij om onzichtbaar te zijn. Toen ik zeker wist dat hij weer in bed lag, kwam ik weer tevoorschijn. Ik had niet het lef om nu ook van die po gebruik te maken. In plaats daarvan sloop ik de trap af om beneden naar de wc te gaan. Toen ik klaar was, trok ik niet door. Mijn vader had niet alleen twee kinnen, hij had dus ook twee piemels. Wat voor geheimen zou het leven nog meer voor me in petto hebben?

Ik ben nooit meer in staat geweest om dit wonder nogmaals te bestuderen. Weliswaar heb ik mijn vader nog wel zien plassen in een bos of bij een paaltje bij een weiland, maar daarbij keerde hij me decent de rug toe.

Een paar jaar later was ik bij een vriendje en toen ik daar voor de wc-pot stond, broekje op mijn enkels, deur op het haakje, riep de moeder van Kareltje: ‘Wel je plassertje vasthouden!’ Ik vond dat onbehoorlijk van haar, roepen naar iemand op de wc, maar ik liet mijn piemeltje rusten op de wijsvinger van mijn linkerhand. En ineens wist ik het.

28 juni 2021

Reservepaar

Zeegroen zou ik zeggen, als het gaat om het achterzitje van mijn moeders fiets, een zeegroen dekje, gevat in een frame van zwart metaal. Ik zal niet het eerste kind geweest zijn dat op dat zitje zat. Waarschijnlijk gingen mijn zussen en broer me voor of was het zitje via vrienden die het niet meer nodig hadden op mijn moeders fiets terechtgekomen. Ik vertel dit allemaal omdat ik nu pas begrijp dat dat zeegroen niet de oorspronkelijke kleur kan zijn geweest. Ooit was het heldergroen of blauw.
Het zitje had ook een rugleuning. Dat doet er toe, want daar maakte ik gebruik van. Ik leunde achterover om de rug van mijn moeder aandachtig te bestuderen en om tot bespiegelingen te komen. Deze keer droeg zij een vestje over haar jurk en we waren op weg naar een mij onbekend oord. Wáár we precies fietsten, kan ik niet zeggen, maar het was een weg die we niet vaak namen. Om een of andere reden denk ik aan de weg tussen Naaldwijk en De Lier. Ik weet niet goed waarom.
Verder kan ik je vertellen dat ik net vier was of dat binnenkort zou worden. Daar kom ik op terug.

Mijn handen had ik op haar heupen gezet en ik keek niet alleen naar de rug van mijn moeder maar ook naar de billen tussen die twee handen. Ik zat daar goed, op dat zitje achter die grote, warme en sterke moeder.
Ik dacht aan haar. Niet lang daarvoor had ik bij haar op schoot gezeten. We hadden gegeten en zaten nog aan tafel. Er waren gasten bij. Ik was bij mijn moeder op schoot geklommen en hing met mijn hoofd tegen haar aan. Ze praatte. Ik luisterde niet, maar voelde de aangename resonantie van haar stem omdat ik met mijn oor tegen haar borstbeen lag. Dan was het weer stil, omdat ze luisterde, maar als zij weer wat vertelde, was daar ook weer die aangename trilling. Zo mocht het wel blijven.
Daar achterop die fiets kwam ik in een vergelijkbare stemming. In een ver verleden waren we van huis vertrokken, we fietsten door terra incognita en van een aankomst ooit en ergens had ik geen idee. We fietsten door een eeuwig heden met alleen dit zitten achterop op een fiets, achter de beste moeder van de wereld. Toevallig wel!

Ineens wist ik het. Die billen en die borsten die hadden alles met elkaar te maken. Vrouwen hadden extra billen, extra billen voor als de echte billen stuk gingen. Niet dat zoiets gauw zou gebeuren, dat zag ik voor me: mijn moeders billen gingen nog heel lang mee, maar daar had God dus toch in voorzien, in reservebillen. Misschien omdat vrouwen veel meer fietsten dan mannen. Mijn vader bijvoorbeeld fietste nooit.
‘Nou, weet ik het,’ zei ik. ‘U heeft extra billen op uw buik voor als die andere stuk gaan.’
‘Wat zeg je?’ vroeg mijn moeder en ik was niet te beroerd nogmaals te vertellen wat ik zojuist ontdekt had.
Ze beaamde dat. Ik vond mezelf een heel clever kereltje daar achterop die fiets. Dit had ik toch maar mooi ontdekt.

Waarom was ik vier en niet vijf toen dit gebeurde? Dat zit zo. In de zomer van mijn vijfde verjaardag lag er een baby’tje bij mijn moeder aan de borst. Toen begreep ik dat het toch allemaal anders was dan ik een jaar eerder had gedacht.
Had mijn moeder dan gelogen?
Nou nee, toen op die fiets had ze begrepen dat de waarheid nog te ingewikkeld voor me was. Als vijfjarige kon ik daar wel begrip voor opbrengen.

27 juni 2021

Ouwe Jaap

Hij had een hoed en een wandelstok. Een bruine hoed was het, met een ronde rand en de bol was een beetje plat. Als hij liep, zag je meteen dat die stok een doel diende, het was zijn derde been, maar het liefst zie ik Ouwe Jaap voor me als hij stilstaat. De stok houdt hij dan recht voor zich door er met beide handen op te leunen, zijn rechter- over de linker.

Graag leunde hij ook ergens tegen, een muurtje, een vensterbank, een hekje. Of een geparkeerde auto, zoals bij de kleuterschool naast garagebedrijf Oostdijk. Jaap woonde een paar honderd meter bij ons vandaan, op een pleintje bij het katholieke Verenigingsgebouw. Daar woonden in de jaren vijftig meer oudere mensen. Dat was niet ver van ons schooltje, dus als we als kleuters buiten mochten spelen, kon je hem daar regelmatig aantreffen. Dan stond hij glimlachend te kijken. Hij had een vriendelijk gezicht. Onder de rand van zijn hoed trof je twee lichtblauwe, ronde, roodomrande ogen. Ik ging graag naar hem toe voor een praatje, vraag me niet waarover, ik heb geen idee. Ik kende Ouwe Jaap heel goed. Je kon hem in het dorp tegenkomen, maar graag liep hij juist de andere kant op, het dorp uit, waar wij woonden en waar ik graag speelde, aan de overkant van ons huis. Bij de rails van het dieseltreintje en de greppel daarachter, die even verder, via een duiker veranderde in een slootje. En daar trof Jaap me dan. Dan stond hij stil en maakten we een praatje.

Bij de kleuterschool heb ik het hem nooit zien doen, maar het gebeurde wel als we bij het slootje stonden te praten, of aan de huizenkant, bij Lagerweij, waar een bredere sloot, via een duiker onder de weg verdween.
Jaap at poep, wist ik. Blijkbaar deden oude mensen die geen tanden hadden dat, zoals hij. Zoiets zag je nooit, maar wel bij Jaap. En misschien at hij helemaal geen drollen, maar kwam het eten uit zijn buik niet alleen via zijn billen naar buiten maar ook via zijn mond, omdat hij oud was en geen tanden had. Misschien kauwde hij zijn eten wel tot drol omdat zijn buik en billen het niet meer deden. Dat zou ook kunnen.Hij kauwde er heel lang op en dan ineens spuugde hij een bruine drol met een boogje in de sloot. Ik heb het hem meermalen zien doen.
Dat moest de reden zijn waarom hij zo vaak onze kant op kwam gewandeld. Dan ging hij naar de sloot bij Lagerweij om drollen te spugen. Andere oude mensen heb ik dat daar nooit zien doen en dat verbaasde me, want ik had al vrij snel in de gaten dat er in de sloot heel veel drollen dreven. Die moesten daar dus allemaal door Jaap in zijn gespuugd. Je kon het trouwens ruiken. Het stonk er. Maar zo was het niet bij het slootje aan de overkant, bij de greppel. Daar rook je niets en nooit zag ik er een drol, hoewel Jaap ook daar wel eens in spuugde.

De wereld kende zoveel raadselen, vooral als het om plassen en poepen ging en om je billen en je piemel.
Dat nam allemaal niet weg dat ik erg gesteld was op Ouwe Jaap, met zijn hoed, zijn stok, die leuke ronde omrande ogen. Ik praatte graag met hem, bij de greppel bij ons huis, waar hij op drollen kauwde, maar ook bij de kleuterschool als we buiten mochten spelen. Maar dan hoefde zijn mond niet te poepen en was die niet bruin, maar rood. Je kon zien dat hij geen tanden had. Dat maakte hem nog vriendelijker.

Heb ik al gezegd dat in mijn herinnering altijd de zon scheen als ik Ouwe Jaap ontmoette? Een vriendelijk zonnetje was het.

26 juni 2021

Pim 2

Voor Pim is er geen wet van de stimulerende achterstand. Vanwege Covid liep hij een heel jaar Spoorwegmuseum mis. En dat tikt behoorlijk aan. Zijn nicht, zijn neef en zijn broer gingen daar tussen hun tweede en vierde twee keer per maand naar toe, hij niet. Daarom staan zijn verwachtingen op nul en als ik hem van de fiets af til en hij meteen naar de ingang stiefelt, is dat niet omdat hij de weg kent, maar omdat het voor de hand ligt daar de ingang te vinden.

Ook binnen gaat hij rechttoe rechtaan en onvervaard af op zijn doel. En dat is het onbekende, want hij heeft geen idee. Het leuke ondergrondse treintje waar zijn broer en neef zo dol op zijn? Hij heeft geen idee. De reiskoffers die als kijkdozen filmpjes herbergen? Zegt hem niets.
Dat er ergens plotseling een koe begint te loeien, vindt hij wel leuk. Even mindert hij vaart en kijkt me aan. 'Een koe,' zegt hij. Hij blijft even staan maar loopt al gauw weer door. Ik begin me af te vragen of hij de weg misschien wel weet, want hij loopt regelrecht naar het hoofdgebouw. Maar wat zou dat gebouw aantrekkelijk kunnen maken voor een peuter?

De kassa negeert hij. Even verderop ziet hij wat treintjes achter glas en die trekken zijn aandacht. Dat er in één geval een treintje gaat rijden als je op een knop druk, weet hij niet, maar als ik het eenmaal heb voorgedaan, is hij al gauw tien minuten zoet met dit wonder dat mij al gauw verveeld zou hebben als dit jongetje er niet zoveel plezier in had gehad. De knop functioneert slecht. Aanvankelijk moet ik hem helpen maar als hij door heeft dat alleen volharding helpt, kan hij het zonder mij af. De weerbarstige knop maakt het alleen maar spannender. Wonderen moeten niet vanzelfsprekend zijn.
Ik stel het treintje voor waarin hij een rondrit kan maken, hij hoort me niet en sjeest de grote hal in. Pas als we weer buiten zijn, op het rangeerterrein, komt hij weer tot rust. Hij klautert over de rails en vindt het prachtig hoe het grint onder zijn schoenen knarst. Ook vindt hij het leuk om op randjes te zitten. En dat is het wel zo'n beetje. We zien in de verte het kindertreintje langsrijden. Hij taalt er niet naar. Liever klautert hij over roestige spoorstaven en stapt hij over het grove grint waarbij zijn voeten af en toe wegglijden.

Op de weg terug ziet hij trappen. Een klein kind wil altijd een trap op, af is lastiger. Dat geldt ook voor hem. Dan moet ik hem dragen, maar ook dat is hem teveel gedoe en daarom besluit hij de treden achterstevoren te nemen, alsof hij de trap op gaat, maar dan de andere kant op. Er zijn ijzeren trappen, met allemaal gaatjes. Als hij nu maar niet een vingertje in zo'n gaatje steekt, denk ik. Het komt niet in hem op.

'Wat is ie gegroeid,' zegt Carla. Ze werkt hier en zat ooit bij me in de klas.
'Hij is niet gegroeid, hij is juist kleiner. De vorige zit op school.' Ze lacht en zegt dat het jammer voor hem is dat de speeltafel met treintjes er niet staat. Daar heb je het weer. Hij mist die tafel helemaal niet en ook vraagt hij niet om limonade of een ijsje of lolly uit het winkeltje met heel veel hebbedingetjes waar kinderen zo dol op zijn. Dat gedoe komt allemaal nog wel. Later.

Het Spoorwegmuseum is grint, spoorstaaf en trap. Pim vindt het fantastisch.

25 juni 2021

Pim

Boekstart wil dat kinderen zich op zeer jonge leeftijd al verslingeren aan lezen en bibliotheekbezoek. Zowel het een als het ander heeft mijn hart. Vooral voor kinderen is de bibliotheek een ware uitkomst. Prenten- en andere kinderboeken gaan snel*, je doet er al gauw twaalf in een maand. Wij in huize Borg waren en zijn wel van het voorlezen; ook mijn jaren op school had ik het liefst voorlezend doorgebracht al heb ik daarnaast een innige band ontwikkeld met 't kofschip en het verschil tussen feit, mening, verondersteld feit en al dan niet deugdelijke argumenten. Maar we hadden het dus over lezen en voorlezen.

Je begrijpt dat ik dan ook trots ben op het onlangs uitgebrachte promotiefilmpje van Boekstart en de bibliotheken waarop een jongetje met zijn oranje Boekstartkoffertje op stap gaat om een nog kleinere versie van zijn koffertje naar het Muizenhuis in de bibliotheek van Amsterdam te brengen. Hij loopt langs de grachten, passeert bruggen en dat allemaal op een vrolijk makend muziekje dat wonderwel bij dat jongetje past. Nu is dat jongetje van het filmpje nog maar twee en hij woont niet in Amsterdam, dus mag zijn moeder met hem mee. Trappen af vindt hij lastig, weet ik, daarom draagt zijn moeder hem een keer naar beneden en blijkbaar heeft hij ook even geen zin om zijn koffertje zelf vast te houden. Niet omdat dat koffertje zo zwaar is, helemaal niet. Er zitten drie muizen in, Sam, Julia en nog eentje van wie ik de naam niet weet, én dat kleine muizenkoffertje voor het Muizenhuis in de bibliotheek. Dat is allemaal niet zwaar.

Even later loopt het jongetje weer vrolijk verder en heeft hij zelf weer dat koffertje in zijn hand. Wel controleert hij halverwege nog even de inhoud daarvan. Je weet inderdaad maar nooit, zou je denken, maar dat jongetje zelf is goed van vertrouwen. Deze week zat hij bij me op de fiets. Zijn konijn moest ook mee, in de fietstas, maar geen enkele keer heeft hij me gevraagd of konijn niet stiekem uit de tas gesprongen was. Maar ja, Amsterdam…

Dat jongetje is Markus en de moeder is onze jongste. Kenners weten dat Markus in het ware leven geen Markus heet, maar zijn tweede naam is wel Pim. En daar moet ik wat over kwijt. Zelf was ik Pim vergeten. Dus toen de jongste na de geboorte van Markus vertelde dat haar zoontje ook Pim genoemd zou worden en me daarbij verwachtingsvol aankeek (dat verwachtingsvol is misschien wat ongelukkig gekozen), kon ik niet begripvol reageren op haar blik. 'Hoezo Pim?'

Dat zat zo: voor het slapen gaan vertelde ik haar vroeger een verhaal, een vervolgverhaal over roodborst Robijn, Pim de muis en een heleboel anderen. Aan deze vergeten Pim, aan Pim de muis, dankte het zojuist geboren jongetje, dat later als peuter wereldfaam zou genieten als de ster in het filmpje van Boekstart, zijn tweede naam. In dat filmpje, kun je zeggen, loopt een aan de fantasie ontsproten en tot mens geïncarneerde muis. Nee, daar loopt een aandoenlijk jongetje. In mijn geval loopt het moeiteloos het scherm af om over het tuinpad naar mijn fiets te lopen. Hij zit graag voorop op dat zadeltje op de stang.

Pim, dat is wel een goede artiestennaam voor hem. Ik denk dat ik hem voortaan onder die naam door deze stukjes laat banjeren.

youtube

* Je zou overigens in huis een standaard moeten hebben waarop je het 'prentenboek van de week' kunt leggen. Veel platen van prentenboeken hebben namelijk als nadeel dat ze in een boek staan: je zou er veel langer naar moeten kunnen kijken.

24 juni 2021

Seinpostduin

Op internet kom je Seinpostduin vooral tegen als het gaat om appartementen die te koop staan. Je kunt dus wonen op Seinpostduin 98 en dan bevind je je dus misschien op de plek vanwaar de heer Mesdag in 1881 zijn schetsen maakte voor zijn toekomstige panorama. Je hoeft alleen maar de coördinaten na te gaan en de hoogte te reconstrueren om daar zekerheid over te krijgen. Wie weet ligt nummer 98 wel op die hoogte. Dus voor zes of zeven ton heb je een dak boven je hoofd, een hoekje om te slapen, fraai uitzicht en je bent ook nog eens erfgenaam van wat er niet meer is, maar waarvan de suggestie een paar kilometer verderop te zien is.

Duinen zijn en blijven manifestaties van vergankelijkheid. Het zijn vreemde dingen. Beklimmen is een moeizame aangelegenheid, want je zakt zo diep weg in het fijne zand. Duinen associeer ik met zwaar en massief, want onder het zand ligt zand. Weliswaar zijn de korrels op het strand na het opspuiten van zeezand groter en hoekiger, in de duinen kom je nog het fijne zand tegen. Dat warm en zacht kan zijn als een huid. Dat zich naar je voegt als je er op gaat liggen. Erin. Dat trouwens ook gloeiend heet kan zijn, maar koel wanneer je even onder de oppervlakte gaat. Er is niets zo dood en doods als duin, niets zo zwaar en moeizaam ook. En omgekeerd.

Intussen heb ik er geen idee van wat het Seinpostduin is. Het duin zou in de negentiende eeuw worden afgegraven. Dat ging niet door. Er kwam een groot hotel op en nu staan er flats. Maar staan die op het duin of op de plaats van het duin. Wat is er anno 2021 nog Seinpostduin uit het jaar 1881?

In het museum aan de Zeestraat kom je via een gang en een trap, donker en misleidend, volgens de regels van de negentiende-eeuwse geschilderde panorama’s, bovenop het duin te staan. Dat is geen duin, het is een constructie met een platform waarvan de directe omgeving een folly is, een attrappe: direct achter de reling van ons uitzichtspunt vind je heus strandzand en op dat zand liggen wrakhout, stukken touw en een mand. Niet geschilderd, maar echt. Alleen, wat echt is, is een folly.

In werkelijkheid is het Seinpostduin aan de Zeestraat juist niet wat een duin is. Het zand verwaait niet. Er groeit geen zeegras. Wanneer je met je hand de diepte zoekt van het zand, kom je nooit bij koeler zand terecht.

Het zand van echte duinen en stranden met hun spannende en speelse huid verbergt altijd een diepte die geen einde lijkt te hebben. Het kan niet anders of her en der in de diepte zijn verkleuringen verborgen van andere aardlagen, klei, veen, van kalk. Er zijn wisselende concentraties van zout en ijzer. Verkleuringen is niet helemaal het goede woord: in de diepte, onder de bovenste laag zie je geen verkleuringen. Maar er zijn wisselende, geheime, ongeweten samenstellingen die verdwijnen op het moment dat ze aan het licht komen, zoals van een boom de jaarringen alleen iets van het leven laten zien wanneer die boom wordt geveld. Het ijzer, de botten van dieren en mensen van ooit, resten van een boot, het zout, het vocht hebben ze laten verdwijnen, maar iets ervan zou terug te vinden zijn als je diep zou graven. Je zou graven naar kleur, naar iets wat ontstaat als het aan het licht komt om te laten zien dat het er niet meer is.

Seinpostduin 98 hangt in de lucht.

23 juni 2021

Seinpostduin

Het is misschien wel onze kortste ontmoeting ooit. Intussen lopen we alweer door de Zeestraat naar het Buitenhof. Als ik daar de tram van tien over half vier heb, kan ik nog net voor vieren op het Centraal de trein pakken en om optimaal te profiteren van een dagje vrij reizen. Het hindert me, die drang om dat dan ook inderdaad te halen. Maar zo heb ik het voor vandaag nu eenmaal in mijn hoofd gezet. Intussen vertrek ik met meer bagage dan waarmee ik aankwam. Dat dank ik aan mijn kunstzinnige vriend uit Den Haag die me gedenkt met boekjes en krantenartikelen die mij volgens hem op het lijf geschreven zijn. Ja, er is aan me gedacht.

We hadden afgesproken op het Seinpostduin dat zo’n riant uitzicht biedt over het oude Scheveningen, de zee, het strand met de bomschuiten, de cavalerie die regelmatig langs de branding draaft. Dat Seinpostduin bestaat al bijna 140 jaar niet meer, maar het is wel de plek vanwaar Hendrik Willem Mesdag in 1881 zijn doek van 120 bij 14 meter projecteerde. En zo ontmoeten Gerard en ik elkaar als dierbare vrienden op een dito plek. Ook vandaag is de cavalerie er, zie ik.
Het Panorama bezochten we nooit samen, terwijl we de afgelopen vijftig jaar zoveel musea afstruinden, met zijn tweeën of met zijn vieren. Dat we aan het Mesdag niet toekwamen is heel vreemd. Vooral als je bedenkt dat wij alle twee gebakken zijn aan strand en zee en duin. En dan komt Gerard zelf nog eens uit Scheveningen.
In de Haagse Zeestraat bestaat het Seinpostduin nog steeds, maar dan als uitzichtpunt. Het is natuurlijk een kwestie van beoogd effect, maar dan wel een effect dat slaagt, want als we zonder te hoeven nahijgen van een klim boven op het duin aankomen, bevinden we ons in een land van louter licht, ja, het Scheveningen van 1881 ziet er tamelijk paradijselijk uit. In Openbaring vertelt Johannes dat er geen zee meer zal zijn en ook tempels zullen ontbreken, ik lees voor het gemak maar even ‘kerken’. Dat zou dan een ernstig gemis zijn: een nieuwe aarde zonder eeuwige zee en zonder de kleine, vergeefs in het heelal stekende vingertjes van oude kerken, om niet te spreken van een onvergeeflijke fout zijn van de regie.
We bezien het een en ander. Als ik opnieuw naar de cavalerie van Breitner kijk, verbaast het me dat die niet al een stuk verderop over het strand draaft. Dat Sientje Mesdag het schilderen maar niet kan laten, daar op het strand, achter die bomschuit, dat begrijp ik. En dat onderaan het duin die moeder en haar dochter de tijd vergeten zijn en voor eeuwig naar de zee blijven kijken? Ik zou het zelf ook zo doen.
Gerard maakt een foto van me en moppert over het onafwendbare tegenlicht. Het verstoort de illusie. We weten heus wel dat het niet echt is; daar hoeft een onwillige camera ons niet aan te komen herinneren. Het licht van Scheveningen is gefilterd en de contouren van het oude dorp zijn vaag, een lichte zeenevel, maar hier op het duin voelen we niet de frisheid daarvan.
Ik zoek de toren van Monster. Die is er nog steeds niet.

We spreken af om elkaar volgende keer te ontmoeten op de Bloedberg, tussen Monster en Kijkduin. Of anders in een museum.

Het was te kort, denk ik, als ik weer in de trein zit. Veel te kort, deze ontmoeting met mijn Haagse vriend en ook dit bezoek aan het oude Scheveningen.

22 juni 2021

Lezen en lezen en lezen

Even een carthagootje.
Om kinderen aan het lezen te krijgen, moeten ouders aan het voorlezen slaan. Dat moeten schooljuffen en –meesters natuurlijk ook doen en die moeten bovendien ruimte geven om te lezen in de les en ruimte eisen voor daarbuiten. Door boeken te laten lezen. Ik wil me ook we mengen in de discussie over kwaliteitseisen, maar het primaat ligt wat mij betreft wel op veel lezen. Het zal daarbij wel net zo zijn als met fietsen of schaatsen of knutselen, dat gaat doorgaans beter met goeie spullen.

In het middelbaar onderwijs is bij Nederlands één boek per maand de norm en dat is dan niet tien, maar twaalf boeken per jaar. Vakantie zijn namelijk juist goed om te lezen, dus die tellen niet. Als er bij andere talen ook gelezen moet worden, is dat mooi mee genomen. Maar lezen zullen ze die kids.
Verdergaande criteria over fictie of non-fictie, vertaald of niet vertaald, omvang en genre? Best, maar dat is allemaal uitwerking.

Lezen is lezen. Dus emmer ook niet te lang en te veel over analyse en vergelijking en andere onnodige en omslachtige dingen. Laat er in ieder geval geen scripties over schrijven. Dat is een andere bezigheid die juist slecht is voor het lezen.

Dat geldt ook voor de controleerbaarheid. Daar gaat het niet om. Het onderwijs heeft de omkering van doel en middel, van lesstof en toetsing, immers toch al veel te ver doorgevoerd. Cito is bekender dan Paul Biegel. Geloof toch in wat je doet en zegt en voorleeft en laat ze lezen.

Geen zin in lezen hebben kan nooit punt van discussie zijn. Wat krijgen we nou? Ik wil ook wel eens niet lopen. Lezen moet.
Een docent docnet die niet van lezen houden, moet weg. Een docent mag er zelfs geen begrip voor hebben dat iemand niet van lezen houdt. Die heeft alleen maar de taak om met boeken te komen waardoor iemand ontdekt dat lezen inderdaad wel leuk en zinvol en belangrijk is.
Over lezen mag niet langer gerelativeerd worden.

Voor docenten die een taal onderwijzen en die zich niet met hart en ziel inzetten voor het bovenstaande moet een korte, intensieve training in het leven worden geroepen. Als na die training blijkt dat een docent niet tot het juiste inzicht is gekomen, dan moet onmiddellijk ontslag worden aangeboden.
Docenten van andere vakken mogen nooit een geringschattende opmerking maken over lezen en ook zij zijn gehouden aan de regel dat de consumptie van één boek per maand wel het uiterste minimum is. Zo niet, dan moet ook voor hen ontslag mogelijk zijn. We kunnen niet langer verkeerde mensen tolereren in het onderwijs.

Ik houd van nuance en relativering, heus, maar ademhalen, het kloppen van een hart en lezen laten zich niet relativeren.
Lezen en lezen en lezen.
En niet anders.

21 juni 2021

Veroordeeld tot het kwaad

Eigenlijk begon het afgelopen vrijdag al. We fietsen weg van een camping zonder te betalen. Er was geen receptie te bekennen en ook was er niemand langsgekomen. Dieven waren wij eensklaps, mannen van het kwaad. Tegen wil en dank.

Gisteren, zondag, troffen we een camping met een receptie, maar die was gesloten. Ook was er een bel. Daar werd niet op gereageerd. Hier heerste de heiligheid van de zondagsrust, veronderstelden we. Niet vreemd voor Kootwijkerbroek. We zagen een aangenaam, leeg grasveld. ’s Nachts kwam er een regenbui die pas ophield toen we weer thuis waren. Goed voor het gras, minder prettig voor de fietsers die we vandaag waren.

Vanmorgen werd er wel gereageerd op de bel bij de receptie. Er stapte een ontstemde beheerder tevoorschijn. Ons belletje had niet kunnen horen; hij zat immers in de kerk. Wel had het hem onaangenaam getroffen om bij thuiskomst zomaar twee nieuwe tentjes op een van de velden te zien. ‘Hier komen of vertrekken de mensen op zaterdag of maandag, of op een andere dag, maar niet op zondag.’ Het was duidelijk, wij had de rustdag niet geheiligd. Zondaars waren wij in zijn ogen. Zo zagen we er trouwens ook wel uit, verregend als we al waren door het afbreken en inpakken van onze illegaal geparkeerde kampeerboel, en dat terwijl de fietstocht nog moest beginnen.
‘Hoeveel krijgt u van ons?’ vroeg ik. De man sloeg op wat knoppen om de transactie ook administratief mogelijk te maken.

De mij dierbare klinisch psycholoog verbaasde zich over het enorme assortiment honing langs de wanden en vroeg of die ook te koop was. Ja, die honing was te koop.
‘En welke komt dan van dat prachtige veld hiernaast?’ Hij wees naar een forse lap grond vol bloeiende bloemen. Uiteindelijk kochten we ook wat honing, maar de man bleef knorrig.
Dat was ook wel te begrijpen, zeiden we later tegen elkaar. Wij waren zondaars, maar ook hij was dat geworden, door ons. Dat doen mensen namelijk: elkaar meenemen in hun zondigheid. Dat is onafwendbaar.

Was die man een kerel geweest dan had hij ons gisteren meteen van zijn camping gejaagd. Maar ja, dan zou hij ons opnieuw gedwongen hebben tot zondagse arbeid, want het afbreken van een tent is op die dag even zondig als het neerzetten ervan. Dat geldt ook voor fietsen, of je nu aan komt fietsen of vertrekt. Auto rijden op zondag mag wel, fietsen niet. Dat is altijd zo geweest, logisch ook.
Door ons weg te sturen, zou hij ons tot zonde hebben aangezet en ook dat is zonde. Daarom had hij ons gedoogd en ons als onkruid mee laten profiteren van de vruchtbare aarde waarin ook het goede gewas groeide. Dat mag.

Maar waarom liet hij ons betalen vanmorgen? Waarom joeg hij ons niet weg als nonvaleurs die wederrechtelijk gebruik hadden gemaakt van zijn bezit? Door onze digitaal aangereikte steekpenningen te accepteren, sanctioneerde hij onze wandaad. Hij was gevallen voor het geld. En dan die honing!
‘Honing? Niks honing, jullie! Ga weg van hier en laat me jullie nooit meer zien!’ Dat had hij moeten zeggen. Die aanhoudende regen was onze straf. Wat zou de zijne zijn, vroegen we ons af. Die regen was een zegen voor zijn velden immers.
In Den Dolder troffen we een gesloten terras bij De Eglantier. Een bloembak barricadeerde de doorgang. Wij wilden bij het nuttigen van brood en koffie toch even droog zitten, dus wurmden we ons langs de bloembak.
Zondaars zijn we. De eigenaar van De Eglantier ook. Die zaak had gewoon open moeten zijn. Het was al maandagmiddag.

20 juni 2021

Schermtijd

We bezoeken een kerk, drinken koffie, onze gastheer verzorgt een lunch voor onderweg en hij en de sociaal-maatschappelijk en ook nog culturele werkster fietsen daarna nog een 9,7 kilometer met ons mee. 9 punt 68 om precies te zijn. Waar de paarse lijn naar rechts slaat, gaan zij naar links en vanaf dat punt fietsen de psychotherapeut en ik samen verder. Ik voorop, want ik heb een gps op mijn stuur en door maar braaf het paarse lijntje op de display te volgen, komen we enkele uren later bij een camping die ik vorig jaar met de vernufteling ook al aandeed. Vernufteling, is een bedenksel van Simon Stevin, als ik me niet vergis. Het was een zeventiende-eeuwse poging om het onnederlandse ingenieur te verbannen. Dat is niet gelukt, hoewel dankzij hem het woord wiskunde het vreemde mathematica wel wist te verdringen. Bij vernufteling ging dat feest niet dus door en dat is jammer, want het is een mooi woord. Mijn vriend de psychotherapeut zou ik daarom maar beter de zielenknijper kunnen noemen, naar Marten Toonder, als ik het wel heb, met uw welnemen. Alleen heeft dat woord dank zij de stripheld van die naam een wat bedenkelijke lading en daar wil ik in verband met mijn vriend op geen enkele manier een bijdrage aan leveren.

Maar goed, een gps heeft hij niet. Ook heeft hij geen klapstoeltje. Daar komt binnenkort verandering in. Onderweg kwamen we regelmatig banken en picknickplekken tegen en die waren allemaal bezet. Dat zal met de zondag te maken hebben, maar ook bij de tent is een stoeltje handig. Dat weet hij nu.
Of hij dan ook een kilometertellertje op zijn stuur heeft, waag ik te betwijfelen. Hij heeft het niet zo op cijfergedoe. Willen weten hoe hard je gaat, hoeveel kilometer je nu al hebt afgelegd. Elke gewaarwording, iedere ervaring of prestatie wordt vertaald in een getal. Daar wil hij ook niet al te moeilijk over doen, maar het leidt af van de inhoud van wat iemand doet of laat, en ook van het plezier dat iemand zonder die walificerende getallen aan iets kan beleven of had kunnen beleven als er niet een getal op werd geplakt, bijvoorbeeld een 5 voor een tekening waarvan het maken je zoveel plezier gaf.Globaal heeft hij heus wel een indruk van de afstand die hij aflegde of nog moet, daar is zo’n tellertje niet voor nodig.
Ik heb er wel eentje en ook nog die gps die nog veel meer getallen kan koppelen aan mijn doen en laten op de fiets. Ik kijk er ook regelmatig naar.
Dat neemt niet weg dat ik het diep in mijn hart misschien wel meer eens ben met mijn vriend dan je uit mijn gebruik van sommige apparaten kunt opmaken. Gevolg is wel dat ik vandaag nog wat minder vaak naar de schermpjes kijk.
‘Heb je wat gezien onderweg?’ zou iemand me kunnen vragen. En stel je dan eens voor dat ik dan moet zeggen ik vooral twee displays heb gezien.
Maar ja, het is me ook wel overkomen dat ik de paarse lijn al heel lang verlaten bleek te hebben vanwege een boeiend landschap, een dagdroom of een vlucht regenwulpen. Momenten met een hoge intrinsieke waarde, maar het is niet altijd even praktisch.
Vandaag hield de paarse lijn op bij de slagboom van de camping. We hadden 55 kilometer gereden en het was drie uur. Om en nabij.

19 juni 2021

Kassenbouwers

Ze moest vandaag naar haar werk, maar dat ontsloeg haar niet van de plicht om ons goed verzorgd achter te laten. Er lag een stapeltje knipseltjes met tips die ons als verweesde mannen op een aangename manier de dag door konden helpen. We konden tuinen bezoeken, ons storten op de archeologie van de streek. In Zutphen waren een paar leuke tentoonstellingen, of anders konden we nog naar Gorssel. Het zou er allemaal niet van komen. Van meet af aan was duidelijk dat haar generositeit even stilzwijgend als beslist zou worden afgewezen.

‘Ik wil wel ergens bij helpen,’ had de psychotherapeut gezegd en zijn technische en handige broer had nog een klus waarbij hij echt een paar handen nodig had. Ik hoefde die twee opmerkingen alleen maar met elkaar te verbinden om te weten dat het erf vandaag niet zouden verlaten.
Al vroeg in de morgen, lag er een groot blauw dekzeil op het gras. Ik wist niet dat dekzeilen zo groot konden zijn. Maar groot of niet, een gevallen boutje of moertje, vind je daarop makkelijker terug. En dat was ook zo.

We raakten onder de indruk van de enorme hoeveelheid spullen, vooral geprofileerde stangen die er nodig zijn om broeikasje te bouwen, want dat gingen we doen.
De techneut is niet alleen handig, hij werkt ook systematisch. Dat is een goede combinatie. Hij was onze chef. Tegenover wie zijn broer en ik weliswaar lieten zien dat wij ook het nodige in ons mars hadden, als groot geworden bouwers van Fallerhuisjes, want daar deed het me aan denken. De psychotherapeut haalde herinneringen op aan hun gedeelde liefde voor meccano. Hij en zijn technische broer speelden als kind altijd samen, ze schelen ook maar anderhalf jaar.
Van mij werd verondersteld dat ik als Westlander alles wist van kassenbouw. Dat is niet zo, maar ik zei wel dat zij daarom rustig aan de koffie konden en de boel aan mij mochten overlaten. Dat zouden ze toch niet doen.
Maar het Westlandertje in mij voerde me wel naar gebouw De Haven, aan de, jawwel, Havenstraat in Monster. Daar werd dat jaar, en het zal gaan om 1962, de jaarlijkse bazaar van de kerk gehouden en in de zaal van De Haven stond ook een aluminium broeikasje opgesteld. De Kubo, het plaatselijke kassenbouw bedrijf had het kasje gedoneerd. Het mocht verloot worden. Mijn vader kocht zich een ongeluk aan loten. Daar hield hij van, van loten kopen, maar het was ook een prestigekwestie, want oom Rien was zijn vriend die er alles aan deed om hem op te heuen zodat pa nog maar loten kopen zou. Kubo stond voor Kuiper & Boers. Kuiper was Arie Kuiper en Boers, dat was onze oom Rien. Ze stonden in De Haven bij het kasje, met een stevige bolknak in hun tetter. Ik stond erbij. Als aanmoedigend voorbeeld, want ik had al een krukje gewonnen.
In gedachten zag ik het mooie kasje al in onze tuin staan. Ik wist precies waar het zou moeten komen. Er zou ook een stukje van mijn tuintje voor moeten worden opgeofferd, maar dat was natuurlijk geen punt.
Ik me die tuin van toen moeiteloos kan voorstellen, mét dat kasje, gek genoeg.
Mijn vader won wel een transistorradio die avond, een degelijke Erres die nog heel lang dienst heeft gedaan. Naar wie het kasje ging, weet ik niet. Niet naar ons in elk geval.

Nog een paar ruiten en dan is het kasje klaar.
Als mijn vader indertijd dat kasje had gewonnen en het zelf in elkaar had moeten zetten., zou dat een ramp geworden zijn.

18 juni 2021

Ruud Rutte

De heer Rutte zette zijn eerste stappen op de lagere school toen wij al dagelijks onze koppen bij elkaar staken om de toestand in de wereld te bespreken. Daar wisten wij toen veel van. Net als nu, want dat gebeurde op een manier die veel weg heeft van wat zich deze middag afspeelt onder de rode esdoorn midden in wat geen tuin meer genoemd mag worden, maar park. Of arboretum. Dat vind ik een vies woord, maar het doet wel recht aan de rijke variatie grote bomen. Het is een idyllische plek, om vanuit het huis naar te kijken, maar ook om midden in te zitten. Gelukkig is er de schaduw van de rode esdoorn.
Ooit woonden de computerman en de sociaal-culturele werkster, toen nog studenten, samen met ons aan de singel, waar de platanen naar binnen gluurden en wij uitkeken op het park van Zocher. Er was altijd geboom, over geloof, politiek, mens en maatschappij. Theo de therapeut, broer van de technisch nog steeds handige en ondernemende Manus, woonde om de hoek.
Jammer genoeg is Mente er niet bij. Manus en zij waren het doorgaans niet eens met elkaar. Het was een manier om het gesprek levendig te houden. Nu onder de esdoorn, terwijl Theo en ik er door de hitte en na onze fietstocht vele glazen water doorheen jagen, zijn we het vrij snel met elkaar eens. De politiek, het bedrijfsleven, het klimaat, de toekomst van Omtzigt, links, rechts, groen en rood. En die Rutte, die we toen onze gesprekken aan de singel begonnen nog moest leren rekenen en schrijven, die moest de eer aan zichzelf houden en vertrekken. Had ie al lang moeten doen.
Twee keer heeft Manus het per ongeluk over Lubbers. Die kwam in onze gesprekken van ooit waarschijnlijk wel voor. Het is een veelzeggende verspreking. Alles is veranderd: we wonen al lang niet meer bij elkaar. We zijn al lang afgestudeerd en uitgewerkt. De sociaal-culturele werkster moet nog aan de bak voor de kost, maar voor de overigen worden alle activiteiten vriendelijk aangelengd met AOW. De etage van een bovenwoning was het epicentrum van een vanzelfsprekende vriendschap, nu is er een compleet landgoed.
Maar er is niets veranderd.
Jawel, ooit spraken we elkaar aan en zag de een de ander daarbij aan van aangezicht tot aangezicht, nu zijn we allemaal aan onze zoveelste bril toe. Zelfs de leesbrillen hebben we al lang achter ons gelaten. Alleen de sociaal-cultureel werkster houdt de schijn op, maar die had honderd jaar geleden ook al contactlenzen. Ik krijg de neiging om met een snelle beweging van mijn hoofd mijn haar opzij te gooien. Welk haar? Ja, welk haar.

Als niet alleen de glazen maar ook de karaffen leeg zijn, begint het te regenen. Niet hard en bovendien is het veel te warm om ons te haasten, maar toch staan we op. We ontfermen ons over het glaswerk en de kussens waarop we zaten en sloffen naar het huis. Ruud Rutte, of hoe die ook mag heten, laten we zitten. Die moet nog maar eens goed nadenken over ons gesprek. Als ie verstandig is en goed naar ons heeft geluisterd onder de schaduwrijke rode esdoorn, zegt hij over twee weken dat hij zich terugtrekt uit de Nederlandse politiek.

17 juni 2021

Velg

Tien uur. We zijn al halverwege, er staat een bankje in het bos en er is nog koffie die we vooral niet oud moeten laten worden.
Onderweg naar Theo hoorde ik al wel getik en dat kwam van mijn achterwiel. De tik deed er één wielronde over om zich te herhalen. Het was geen slepend geluid dat je kunt horen als een velg langs een remblokje schuurt. Nee, het was een tik. Ik zag een klein vierkant gaatje in de velg, maar dat was zo onooglijk en zat er al zo lang, dat kon het niet wezen. Dat wil zeggen: dat kon het wel wezen. Het zou kunnen betekenen dat de velg op één plek zachtjes langs een remblokje schuurde. Voor Theo en ik op reis gingen, rommelde ik nog wat met het remblokje en keek of er een slag in het wiel zat. Dat was niet het geval. Toen we wegfietsten was er geen tikje meer te horen.
Dat hoorde ik pas halverwege weer, vlak voor het bankje waar we met koffie zouden pauzeren. Ik keek naar het vierkante gaatje in de velg. Het was nog even onbeduidend als in Utrecht.

Maar wacht even, het gaatje zat toch aan de andere kant van de velg? Ik stond op en liep om mijn fiets heen.

‘We hebben een probleem, Theo.’
Hij hoefde alleen maar naast me te komen staan om de scheur te zien die zich uiterst langzaam door het alumium van de velg trok. Vanwege onze tocht had ik gisteren de banden nog eens goed opgepompt (hoewel dat amper nodig was, had ik nog gedacht) en daar was nu de bagage met kampeerspullen nog eens bij gekomen. Een leven van 45 duizend kilometer eiste zijn tol.

Nu is Theo een goede vriend die het wel kan hebben als ik hem een keertje teleurstel. Bovendien is hij een uitstekende therapeut die mij met zijn vragen en opmerkingen en instemmend meezuchten gerust weest te stellen. En dat niet alleen: zijn keramieke geliefde is een ware hulp in de nood. Zij haalde ons op met de auto en reed ons met de fietsen naar mijn fietsenmaker.
‘Zo’n wiel heb ik niet op voorraad,’ zei die. Wij zeiden niets, helemaal niets. Wel keken wij veelzeggend beteuterd genoeg om hem de telefoon te laten pakken en een collega te bellen. Als we een paar uur geduld hadden, dan kwam er nieuw wiel naar zijn werkplaats. ‘De banden ook maar meteen doen, hè?’ Business is business en het leek me geen overbodige luxe.
Hij zou bellen zodra de fiets weer klaar was. Daarna bracht onze keramieke vriendin Theo en mij weer weg, wel wat verder dan de plaats waar ze ons vanmorgen aantrof, zodat deze hele gebeurtenis uit ons geheugen gewist kan worden, als we dat zouden willen. Al zouden we daarmee hulpvaardige mensen onrecht doen.

Op dit moment zit de brave opa die ik ben gezellig op de bank, tussen twee blote jongetjes, want het is warm. Zij kijken naar Peppa Big en ik schrijf dit stukje.
Ik ben maar een enkel telefoontje verwijderd van mijn andere leven, dat van fietsende avonturier. Lang kan het niet meer duren.

16 juni 2021

Het gevoel van Stork

Morgen gaan we een paar dagen fietsen, de psychotherapeut en ik. Er is een route vastgesteld, we hebben een tent achterop, halverwege wachten ons de it´er en de sociaal-culturele werkster voor een uitgebreide ontmoeting en daarna maken we de cirkel in twee etappes rond en zetten we de fiets weer tegen de Domtoren. Toch is het een avontuur. Wat doen onze banden? Hoe zal het zijn met zadelpijn? Hoe hoog is onze resistentie als een koperen ploert ons uur na uur onverdroten afrost met zijn hitte? Wat voor onweer zal het onweer zijn waar wij fietsen? De tocht zal ondanks onze door een voortreffelijke voorbereiding geslagen piketpaaltjes een avontuur zijn.

Wij kunnen ook thuis blijven en een avonturenroman lezen, de Odyssee bijvoorbeeld of Moby Dick. Of Stork van Annette Fienieg en Koos Meinderts. Dat boek heeft een ijzeren structuur, volgens beproefd recept. Er is een missie en vervolgens is er een reeks vergeefse pogingen om het gewenste doel te bereiken. Maar dan, als radeloosheid en uitzichtloosheid het lijken te gaan winnen van elke hang naar avontuur, dan is er uitkomst. Gelukkig maar. Het had met zoveel tegenslag heel anders kunnen lopen. Ook het laatste avontuur van de oude ooievaar Stork had op een fiasco kunnen uitdraaien. Dat had zomaar gekund. Vooral kinderen, die behalve nadenken ook nog eens intens leven en beleven, zullen dat beamen. Een kind weet dat een boek dat je al vijf keer of meer is voorgelezen, terwijl je naar de platen keek van Annette Fienieg, een volgende keer toch anders kan aflopen.

Ik raap de spullen voor mijn fietstassen bij elkaar en betrap mezelf op het Gevoel van Stork. En dat terwijl ik veel vaker rondjes fietste, of slingerde langs rivieren en kusten en over adembenemende hellingen. Altijd was er een planning en die kwam in grote lijnen ook uit, maar zoiets weet je pas zeker als je afstapt bij de Dom. Of daar niet al te ver vandaan.

Doe ik Stork trouwens wel recht door mijn spanning voor ons vertrek naar hem te noemen? Neen, dat doe ik niet. Stork mag dan net als ik een ouwe vogel zijn en ook hij kan zich onderweg regelmatig vergissen, hij houdt de moed er in. Hij blijft lachen. Voor het kindje in het mandje aan zijn snavel natuurlijk, maar de krul aan de wortel van zijn lange snavel is een welgemeende krul. Stork doet niet alleen alsof hij blijmoedig trial en error aangaat om die te trotseren, nee hij ís blijmoedig.

Door er zo tegen aan te kijken is het Gevoel van Stork niet alleen een goed gevoel, het geeft, merk ik, ook beter aan hoe ik tegen de komende dagen aankijk. Dus toch.

15 juni 2021

Kwartslag

Volgens Liesje zit het knopje van onze toiletdeur niet goed. Je weet wel, de knop onder de kruk waarmee je een deur op slot kunt draaien. Zo'n knopje moest in een verticale stand staan als hij niet op slot is. Zo was het in ieder geval bij haar thuis en ook op school. In horizontale stand is de deur op slot. Ze zei het na een toiletbezoek, twee weken terug.

Het moet me van het hart dat de deurkruk van het toilet een bron van grote vreugde is hier in huis. Ik ga een stap verder, want dit geldt voor de hele deur, inclusief hang- en sluitwerk. Nu zijn de deurknoppen beneden, en gedeeltelijk ook boven trouwens, sowieso een genot: kloeke krukken van ebbenhout en vierkant mat metaal. Maar elke deur heeft wel een bezwaar. Zo kiert de meest gebruikte achterdeur, lopen de nooit gebruikte schuifdeuren wat zwaar. De deur van de badkamer gaat wat moeizaam dicht en de deur van de slaapkamer geeft een extra klik bij openen en sluiten. De voordeur reageert op warmte en vocht en daardoor klemt hij af en toe. Ach ja, zo is er met elke deur wel iets. Het lijkt het leven zelf wel.

Maar het gaat niet op voor de deur van het toilet. De souplesse om niet te zeggen vrolijkheid waarmee hij zich laat openen en sluiten, is een genot. De tong van de deurkruk weet moeiteloos het gat van de sluitplaat te vinden en dat geldt ook voor het gesmeerd lopende kleine tongetje daaronder waarmee je het toilet desgewenst ontoegankelijk maakt wanneer je behoefte hebt aan solitaire bezigheden.

Er klemt niets bij deze deur, nergens en nooit. Nooit ook gaat er een pin van een van de scharnieren aan de wandel zoals bij de kamerdeur het geval is. Wij leven in volstrekte harmonie, de deur van het toilet en ik, en ik meen ook namens mijn geliefde te mogen spreken. En dat al sinds de verbouwing van dertien jaar geleden.

Dat neemt niet weg dat Liesje wel gelijk had met haar opmerking. Het knopje moest een kwartslag gedraaid worden. Vreemd dat we dat nooit hadden opgemerkt. Aanvankelijk wilde ik het zo laten, maar ja, als je eenmaal weet dat iets niet helemaal in orde is, dan gaat het zeuren. Daar komt nog bij dat het een werkje is van niks om de boel in orde te maken. Ik ga nog een stap verder en zeg dat het zelfs een vreugdevolle aangelegenheid is om eens wat extra aandacht te besteden aan het zo soepele trouwe knopje.

Vreemd genoeg stoot ik nu telkens mijn vingers als ik de deur op slot doe en van het slot wil draaien. Mijn vingers staan automatisch in een stand die geschikt is om het knopje met de klok mee van horizontaal naar verticaal te draaien om de boel af te sluiten, of om het tegenovergestelde te doen wanneer ik weer de wijde wereld in wil.

Nooit gedacht dat dit ooit nog eens een vingergevoelige kwestie zou worden. Maar eerlijk is eerlijk: Liesje had gelijk, de deurkruk heeft recht op een ordentelijke bevestiging, ook dat, en bovendien kan een beetje extra aandacht voor de beste deur van het huis helemaal geen kwaad.

14 juni 2021

Nog een stukje dan (2)

Pas toen ik tijdens de voetbalwedstrijd van gisteravond mijn polootje uittrok, werd mijn prachtige supportersshirt zichtbaar. Niet helemaal de goede kleur, maar toch. Mente smeerde er wat aftersun op. Een gevoelige gezonstraalde rug had ik overgehouden aan een middagje strand, maar ongelukkig werd ik er niet van. Toen ik de hoge golven over me heen had laten komen, was het achtjarige jongetje in me wakker geworden en dat was ook een jongetje dat zijn verlies neemt met een verbrande rug. Nu ben ik doorgaans een heel brave smeerder geworden; in mijn kinderjaren kon het seizoen niet beginnen zonder verbrande rug. Zo'n vuurdoop had je doorgaans in april, of anders in mei, dus half juni zoals nu, was al aan de late kant.
Na het verbranden kwam het vervellen. Het vervelendst was nog wel dat je na het verbranden met een bloes aan op het strand moest zitten, soms zelfs met lange mouwen. Een paar regenachtige dagen konden soelaas brengen, maar als zonnige dagen zich aaneenregen moest ik aan een bloes geloven. Die ongewenste bloes zal me aan het smeren gebracht hebben. Of het laten insmeren. Laten insmeren, ja. Ook dat had ermee te maken. Ik hield als kind niet van andere handen aan mijn lijf.

Die verbrande rug van gisteren dankte ik vooral aan de tijd dat ik naar de drie gravende jongens had staan kijken, die ene grote en die twee kleine. Ook had ik gekeken naar de niet aflatende behoefte van het water om heen en weer te trekken en de loop in het zand telkens te veranderen. Op de achtergrond speelde de zee een rustig deel van een brede symfonie, bij mijn voeten was er een liefelijke sonate voor piano en viool.
De muziek van de zee, het spel van water, zand en lucht is er altijd, ook als ik er niet ben. Een stevig fortissimo of dit vriendelijke spel van water en zand, deze lichte zang voor twee instrumenten. Het is niet zo dat de zee in al zijn doen en laten voor je klaarligt om aan te slaan als je je hoofd boven de duinen uitsteekt. Jouw komen en gaan doen er niet toe. De zee gebeurt altijd.
Thuis kom ik mijn kamer binnen en hoor ik prachtige muziek, omdat ik blijkbaar vergeten was de radio uit te zetten toen ik weg ging. Hier staat de radio al aan en er gaat niemand over de knoppen van de muziek. Daar hou ik van, van die combi van door- en voortgaand gebeuren en eigen overbodigheid.
Zoals ik ook hou van die incidenten aan de rand van dit perpetuum mobile waarbij drie nietige kereltjes met een plastic schepje druk doende zijn hun aanwezigheid te bezegelen met een kuiltje waar zeewater in stroomt. Er staat trouwens een man bij te kijken, bij die drie jongens. Allemaal vergeten ze zichzelf, allemaal zijn ze in hun element.
Als ze weg zijn, gaat de muziek verder. Niets herinnert meer aan de jongens met hun schepjes, de man die naar ze kijkt. Niet daar.

Hier wel. Zojuist met mijn verbrande rug het zand uit de auto gezogen. Tachtig kilometer verderop komt zee aan land.

13 juni 2021

Een klein stukje dan

De zee is te groot voor een stukje. Eerst loop je de opgang op, dan weer daal je een beetje en als je weer stijgt zie die grijze lijn onder het lichte blauw. Dat past nog net op een a4'tje, maar een paar stappen verder al schiet elk formaat te kort. Niet alleen omdat het grijs van de zee zich zo onmetelijk ver uitstrekt, maar ook door de kleuren die het water kent en dan is er die beweging.
Eén was ik toen ik mijn eerste zomer doorbracht aan zee. Mijn moeder vertelde me dat ik toen nog niet liep. Dat kwam pas een paar maanden daarna, toen we niet meer naar het strand gingen, of minder vaker. Ook hield ik niet van het zand en zo bracht ik vele middagen door op een plaid.
Ik moet dus een zomer lang naar het water gekeken hebben en natuurlijk naar alles wat er om me heen gebeurde. Het kan niet anders of ik had aandacht voor de grote kinderen in ons gezelschap die af en aan renden.
Toch zal ik naar die zee gekeken hebben, ik weet er niets meer van, niet van woeste witte koppen, niet van het liefelijk gelispel van een uitgeraasde golf die als een muisje aan de tenen van het land knabbelt om daarna in zichzelf te verdwijnen. Ben ik die eerste beelden vergeten? Of vergat ik mezelf daar bij dat verre water onder die onbegrensde lucht?

Vanmiddag was ik er weer, met de jongste en haar man en de twee jongens. De schoonzoon droeg een strohoed. Met een strandschepje wierp hij dicht bij zee een kleine barricade op. Daarachter maakte hij een geul. Zo begon het. Intussen gingen Lukas en Markus ook druk aan de slag met hun schepjes. De wal werd vervolgens geslecht, niet door de zee maar door vier onachtzame kindervoetjes, en de geul werd een slotgracht. Ik mocht met mijn stoeltje voor slot komen spelen. Een uitnodiging waarvoor ik vriendelijk bedankte. Langzaam werd het vloed en toen er eenmaal een geultje zeewaarts gegraven was, stroomde de slotgracht vol. Er kwam een brug, zei Lukas, maar het was een dam. En niet lang daarna werd duidelijk hoe verstandig het was geweest niet met een stoeltje op het eilandje te gaan zitten. Het land verdronk.

Een van de vreugden van het vaderschap is dat je je op het strand onbekommerd kunt uitleven met een schepje. In elk geval hadden deze drie veel plezier: de vader en zijn jongens. De vader misschien nog wel het meest. Al was het maar omdat een volwassene wat meer inzicht heeft in het spel van water, zand en getij. Vandaar ook die geul.

Op dit strand groef ik ooit onder leiding van mijn grote broer, en later als vader. We logeerden in de zomer altijd wel bij oma en gingen dan als het even kon naar het strand.

We leven een jaar of vijfendertig verder. Terwijl ik stond te verbranden en naar de drie gravende jongens keek, schoot me het begin te binnen van een gedicht dat ik maakte toen ik als vader naar het strand was geweest.
'Als gekken groeven wij in
tegen het gaande tijd.'


Jeroen had het wel makkelijker door juist bij opkomend tij te gaan graven. Hij is slimmer dan ik.

Daar stond ik, bij de oneindigheid van de zee. Ik keek naar de twee vierkante meter, waarop kinderen gezellig aan het spelen waren. Ik telde er vijf: een man met een strohoed, twee jongetjes, het water en het zand.

12 juni 2021

Twijnstraat

Zojuist moest ik even in de Twijnstraat zijn. Voor het zover was, bladerde ik de krant door. Op bladzijde 2 liep Dingeman in zijn dagelijkse strip door een winkelstraat: twintig jaar geleden zag alles er veel beter uit. De strip eindigt ermee dat je maar het beste in een voortdurend verleden van twintig jaar terug kunt verkeren. Dus door te doen alsof het nu twintig jaar geleden is, word je gelukkiger. Dat kan niet, dat weet ik ook wel, maar los daarvan ben ik het er ook niet mee eens.

Ik moest dus even naar de Twijnstraat en dat is toevallig de straat waar wij onze dagelijkse boodschappen deden, al moet je daarvoor niet twintig maar veertig jaar terug. De winkel waar ik vandaag moet zijn, ging om tien uur open. Niet eerder, merkte ik toen ik een kwartier daarvoor al aan de deur rammelde. En zo liep ik dus als een Dingeman door de vertrouwde straat van ooit.

De Twijnstraat is al 800 jaar winkelstraat. De herkomst van de naam is niet helemaal duidelijk, wat ook geldt voor de straat met dezelfde naam in Brugge, maar men houdt het erop dat de –n van twijn er ten onrechte tussen is gekomen; het zou twij- of tuye-, nog eerder, twi- geweest zijn en daarmee samenhangen met twijg. Dat zou kunnen betekenen dat er vroeger mandenmakers woonden en werkten. Nu niet meer, heb ik zojuist weer gezien, en veertig jaar geleden ook niet.
Blijkbaar heb ik ooit Schönfelds Historische Grammatica weggedaan, want ik kan hem nergens meer vinden. Dat is dan wel een onzalige actie geweest, want het staat me bij dat daarin de Twijnstraat wordt genoemd. De Zadelstraat trouwens ook, maar daar gaat het nu even niet om.
Of het klopt, dat van Schönfeld? Ik weet het niet, en ik weet ook niet goed meer van wát erover werd gezegd. Dat de naam iets met twijnen te maken had, of (en dat lijkt me waarschijnlijker) juist niet. Al zat er veertig geleden nog het textielwinkeltje van Van der Gun. Hij was een grote man die erg veel last had van zijn rug. De winkel was klein, de waar bestond uit spul waarvoor je fijne vingers moest hebben. Die had hij niet. Ik had te doen met meneer Van der Gun. Alsof er een olifant in een hondenhok was gepropt. Een smalle trap voerde naar de bovenwoning. Daar had meneer Van der Gun een kloeke, hoge rechte stoel. Er hing veel pijn om hem en dat leed werd schrijnender door alle hempjes, een klos garen en lint en kousen waartussen hij zijn leven moest slijten. Maar goed, het twijnen van garen heeft niets met de naam van de straat te maken en ik kon vanmorgen ook niet vertellen achter welke gevel ooit de pijn van meneer Van der Gun schuilging.

Veertig jaar geleden zag de Twijnstraat er niet beter uit dan nu. De straat is er juist op vooruit gegaan en ook vind ik er meteen wat ik zoek, zodat ik even na tien uur al weer op straat sta. Daar aan de overkant zat Roos, weet ik, daar kaashandel De Hoop, daar melkboer Hooft. Waar zat de sigarenboer ook alweer? Hoe heette die toch? Boekhandel Geerts zat waar nu De Beren zit, naast de bank, met Koch aan de andere kant. Waar zat nou toch die smederij waar we ons bed lieten lassen, en de stang van onze tandem. Waarom heb ik dat niet onthouden? En vooral: waar zat toch Van der Gun?
Zal ik eens roepen?
Van der Gun!

10 juni 2021

Werkers

Aan het eind van de middag dringen drie mannen en een hond onze achtertuin binnen. Een uur later zijn ze weer weg.

Alleen de hond loopt even de kamer in om me te begroeten. Dat doet hij vriendelijk en snel, maar als hij weer naar buiten stapt, zit één van de mannen al in de walnootboom, compleet met touw, katrollen en een haak. Een tweede heeft zich verdekt opgesteld achter de beukenhaag waar ook de kliko staat voor het oude papier. Hij voert een telefoongesprek dat ik ook niet kan volgen als ik naar buiten kom, wel hoor ik woorden en andere flarden taal die ruiken naar ambtenarij en juristerij. Zou hij een folder of een ongeopend weggegooide brief uit de kliko gevist hebben om die voor te lezen?
Nummer drie ging blijkbaar over de bladblazer en de cirkelzaag. Ze staan onder de tuintafel. Nu trekt hij de eerste takken de tuin uit om ze via de poort af te voeren. Ik zit intussen op het schommelbankje buiten en zie toe, cameraatje bij de hand, maar ik stuur ook een foto weg via de familie-app met als onderschrift: ‘Als de boom niet naar de kapper gaat, komen de kappers wel naar de boom.’ Want ik ben erg geestig.

Inderdaad vraagt nummer één me vanuit de boom hoever hij moet gaan. Hij wijst wat mogelijkheden aan.
‘Als je over twee jaar terugkomt, dan moet de boom er net zou uitzien als nu. Ik heb er een foto van gemaakt,’ zeg ik. Dat is blijkbaar genoeg, want de man in de boom gaat weer verder met zagen. De man achter de beukenhaag is klaar met zijn telefoongesprek.
‘Ik zou er onmiddellijk voor tekenen als ik om het jaar mag zeggen dat ik er over twee jaar net zo uit wil zien als nu.’ Hij is inderdaad minstens dertig jaar jonger dan ik.
We worden afgeleid door roepende mannen. We verstaan ze niet, maar Pools is het wel. Enkele maanden geleden overleed mevrouw Merendonck. Ze woonde om de hoek. Je kunt haar huis vanaf het schommelbankje goed zien, in ieder geval de zolder. Nu wordt het huis volledig gestript en dat betekent dat het dak aan deze kant er helemaal af is. Het ziet er niet uit als het toekomstige thuis van een jong gezin, maar als het geopende graf van mevrouw Merendonck. Alsof zijzelf wordt ontleed.

Dan wordt mijn aandacht weer getrokken naar de omlaag suizende takken in hun volle blad. Is het een wonder of is het vakmanschap? Hoe dan ook, de takken vallen overal neer, maar bijvoorbeeld niet op de veertien meer dan handgrote bloemen van de pioenroos recht onder de walnootboom.
‘Is het goed aan deze kant?’ vraagt nummer één. Ik zie dat hij naar me kijkt, maar het is nummer drie die antwoord geeft. Hij wijst op een paar plukjes. Ik had daar niets van gezegd.Waar zou die hond trouwens gebleven zijn?

Eén van de Polen neemt een slok water, zie ik. Ze zijn daar met zijn zessen bezig, daar in het opengebroken huis van mevrouw Merendonck. In de brandend hete zon, vanaf vanochtend zeven uur.

Ik probeer me voor te stellen dat ik ergens op een opengebroken zolder in een Poolse stad sta, cirkelzaag in de hand.
‘Bedoelde je die onderste balk of de bovenste?’ roep ik, in het Nederlands uiteraard, want anders verstaan mijn maten me niet. Terwijl ik op antwoord wacht, zie ik hoe er op een bankje een paar tuinen verderop een of andere Pool naar me zit te kijken.

09 juni 2021

Haar platanen

De platanen voor haar huis waren een bron van grote vreugde, meteen al, toen zij en haar Albert het grote huis honderd meter verderop hadden verruild voor het appartement bij deze bomen. Ze wonen er nu een jaar of vijftien.
Zestien jaar daarvoor is het gebouwd op de plek waar eerst de Pauluskerk stond, een markant gebouw dat in de jaren dertig, tegelijk met de hele wijk, werd opgetrokken. De kerk volgde de romaanse leest, met hoge kleine ronde bogen en twee gelijke torens, een gedesoriënteerd westwerk, want de gevel lag op het zuiden. Maar ontkerkelijking en onderhoud eisten hun tol en zo kwam er in de vroege jaren negentig een appartementencomplex voor in de plaats, uitermate geschikt voor aanstormende stellen en voor oudere Tuindorpers bij wie in huis hetzelfde was gebeurd als ook de Pauluskerk overkwam. Het moest kleiner, bescheidener worden, maar het moest wel Tuindorp blijven. Dat zou ook Wilma en haar Albert overkomen, maar dan pas veel later. Toen was daar nog helemaal geen sprake van, al hadden de twee platanen al wel hun plaats gevonden in het hart van Wilma.

Op een oude ansicht van de vroegere Paulus uit de jaren vijftig zie ik twee schriele boompjes waarvan ik maar aanneem dat het de reusachtige platanen zijn waar Wilma al zo lang dagelijks graag naar kijkt. Maar ik maakte ooit dia’s van de afbraak van de kerk en daarop zijn ze prominent aanwezig. In die tijd van afbraak en opbouw werd besloten dat de bomen moesten worden gerooid. Ze stonden vreselijk in de weg bij de werkzaamheden. Mensen die al hadden ingetekend op een van de nog te bouwen appartementen schrokken daarvan. Een collega van Wilma zou er komen te wonen en zij ging de strijd aan die zou eindigen met een massale handtekeningenactie. Die stond gepland in de week dat deze collega met koorts op bed lag. Wilma vond dat sneu en daarom ging zij enkele avonden de deuren langs om handtekeningen te verzamelen voor het behoud van de onpraktische maar levensvreugde verhogende platanen op het Paulusterrein.

Sommige mensen zeggen dat toeval niet bestaat. Ik denk van wel, maar toeval verdraagt genade. Ze vindt het niet erg als je er niet in gelooft.
Jaren later werden de platanen dus het dagelijks uitzicht van Wilma. En als zij dat zou willen dan mag zij denken dat die twee bomen hun bestendigde verworteling mede aan haar te danken hebben, aan de inzet van de vrouw die de twee reuzen in stilte ‘haar jongens’ noemt. Die twee hebben daar geen weet van. Ze hebben er ook geen idee van dat Wilma ze onlangs schilderede op een doek van een meter bij een meter. Dat is groot voor een huiskamer maar klein voor een plataan.

De bomen voor Wilma’s balkon zijn groot, maar ze staan op gepaste afstand van de huizen. Ze belemmeren het uitzicht niet, maar maken daarvan juist een vreugdevolle aangelegenheid. Het zou inderdaad een misdaad zijn geweest als ze indertijd geofferd waren.

Of bomen iets met mensen hebben? Bij ze naar binnen kijken tijdens het ontbijt of meelezen over Alberts schouder? Vast niet. Omgekeerd wel. Wij kunnen het niet laten om alles en iedereen menselijke trekjes te geven. Auto’s, theekopjes, maar ook bomen. We zien er gezichten in, we laten hun takken juichen, ze vertellen verhalen. De platanen op het schilderij van Wilma zijn kleurrijk, de vele groenen zijn vertaald in wit en rood en geel en blauw. Stil staan ze wel.
Het zijn platanen. Ze spiegelen de vrouw op het balkon die naar ze kijkt.

07 juni 2021

Antje

’t Was zomerdag.
De doodstille straat lag
Te blakeren in de zon…


Alleen vanwege het ritme, vanwege de sfeer begin ik even met deze woorden van Nijhoff. Dan laat ik zijn gedicht voorlopig weer met rust.
In ons geval is het een nazomerse dag en de eerste regel zou moeten zijn: Een brugklaskamp. Het is zeven uur of half acht in de ochtend en ik sta in de wasruimte van een jeugdherberg om me te wassen. De kinderen doen dat elders. Deze ruimte is er voor de begeleidende docenten en voor de leerling-mentoren, leerlingen uit havo 4 en vwo 5. Via de zeven spiegels voor me vormen de douches achter me mijn uitzicht. Dus ook het deurtje waarachter Antje vandaan tevoorschijn komt. Antje heet geen Antje, maar o wat stapt daar een roomzachte, fraai gevormde Antje in haar naakte schoonheid tevoorschijn. In plaats van een kapje heeft ze kort haar.
‘Goeiemorgen, meneer,’ zegt ze. ‘Goed geslapen?’
‘Ik slaap nog. En jij?’
‘Ach, het is een kamp, maar deze keer bleven ze na enen stil.’
Ze staat naast me. Naakt. Ze is een vanzelfsprekende schoonheid. Bij haar make-up beperkt ze zich dan ook tot wat onopvallende, volgens mij overbodige mascara. Daarvoor buigt ze zich voorover, haar gezicht dichtbij de spiegel. Ze glimlacht even naar de man naast haar die zich staat te scheren. Even later doet ze een stap achteruit en monstert ze zichzelf. Dat had ik ook al gedaan en ik had meteen al lang gezien dat alles aan haar bijzonder goed was. We waren even groot, viel me nog op.
‘Wat gaan we doen?’ vraagt ze. Ze heeft zich naar me toe gekeerd.
‘Eerst maar eens koffie drinken en wakker worden,’ zeg ik.
Als ze de wasruimte uitloopt, toilettasje en handdoek in haar hand, blijft, zo lijkt het wel, met de bloesemgeur ook de sfeer van haar roomwitte huid als een nevel bij me achter.
Lady Godiva.

September 1981 was het. Zij was na de Mavo in Havo 4 terechtgekomen. Zeventien was ze, ik 29.
‘Eerst maar eens koffie drinken en wakker worden,’ had ik gezegd.
Ik heb me keurig gedragen, maar ik had wel even mogen vertellen dat ze heel mooi was. Als ze in Volendamse dracht, met kapje en al, uit de douche was gestapt had ik er ook wat van gezegd.

06 juni 2021

Ruimte

We liepen naar het Griftpark waar we al vrij snel terecht kwamen op een bankje. Hilde koos voor de zon, ik had liever schaduw. Zij had zelfs koffie meegenomen. Onderweg naar het bankje was er al een verschil in toon gezet: ik wees naar bloeiende bloemen, naar een omgekeerd lieveheersbeestje, met zwart schild en oranje stippen; Hilde wees met open handen een denkbeeldige wolk aan, een plek waarvan je kunt zeggen dat die geheiligd is. Dat was ook haar vraag. Hoe maak je iets tot een geheiligde plek? Dat had te maken met psalm 132 en ook met daardoor ingegeven woorden van Huub Oosterhuis: ‘Ik zal in mijn huis niet wonen […] voordat ik heb gevonden: een plek waar Hij kan wonen.’
We besloten het met elkaar eens te worden door van het bankje waarop we terecht gekomen maken zo’n omgeving te maken. Ik door me op de ander te richten en Hilde door ons gesprek en door aandacht ruimte te maken. ‘Dus niet de ontmoeting van iemand bij Albert Heijn,’ terwijl je eigenlijk geen tijd hebt.’
‘Of dénkt niet te hebben,’ kon ik aanvullen en ik vertelde haar dat ik vanmorgen vroeg in de kerk de presentielijsten voor de bezoekers van die dag neerlegde. Dan kwam ik tenminste nog geen mensen tegen en had ik nog tijd voor iets anders. Vlak voor de kerk zag ik een verre buurman lopen, met stok. Ik zou sneller kunnen gaan lopen om te vragen hoe het met hem ging en wat er precies aan die stok vooraf was gegaan. In plaats daarvan dook ik de kerk in en legde de lijsten op de daarvoor bestemde plaatsen. Toen ik weer buiten kwam, zag ik de verre buur weer lopen. Als ik wat langzamer liep dan ik gewoon was, kon ik zonder praatje en lekker op tijd weer thuis zijn. Dat deed ik niet, ik ging sneller lopen en haalde hem in. We liepen daarna samen verder tot aan zijn voordeur. Meer was het niet, maar misschien was dit wel de geheiligde ruimte van Hilde. Zij vond van wel. Geheiligde ruimte is een intentie.

Ons gesprek daar op dat bankje ging verder en ook na de tweede beker koffie waren we niet uitgepraat. Ik laat het gesprek hier voor wat het is, want er gebeurde nog iets anders. Ik heb het Hilde niet gezegd, maar het gebeurde wel. Haar zou het niet overkomen zijn, denk ik, want zij groette iedereen heel vriendelijk. Maar zij zat met haar rug naar het wandelpad toe, en ik met mijn neus. Dus ik zag Joanne langslopen, een meisje dat ik ooit in de klas had en dat later nog even een collega was. Joanne zag ons niet, keek in ieder geval niet onze kant uit. Moest ik nu ‘Ha Joanne’ zeggen of niet? als ik het deed, zou ze misschien stoppen en een stap onze kant op doen, zodat ik wel belangstellend zou moeten vragen hoe het haar gaat. Maar ik zat hier toch met Hilde te praten! Ik verdiepte me daarom in de ruimte die een lege beker me bood. Ruimte heiligen door open te staan, viel niet mee, merkte ik. Ik deed nu simultaan de een èn de ander ander tekort.

De zon schijnt. Ik ga een stukje fietsen. Als ik Joanne mocht tegenkomen, dan zal ik haar met blokletters begroeten en zichtbaar afremmen om ruimte te maken voor een gesprek. En als Hilde dan langs komt, zal ik hardop gedag zeggen, ook als ze me niet zou zien.

05 juni 2021

Baum - Tür

Giuseppe Penone nam een stuk stam van een ceder van een tweeënhalve meter en daarin hakte hij een raam. Hij maakte eerst een paar forse inkepingen en vandaaruit hakte hij het hout weg. Je kunt beter zeggen dat hij voorzichtig jaarring na jaarring van de boom weg schilde. Zo kwam hij bij de vroegste jaarringen en haalde hij het jonge boompje tevoorschijn dat onaangetast in de grote boom bewaard was gebleven. Je ziet ook de zijtakken. Ze verdwijnen in het hout van de grote stam, die nu een uitstalkast lijkt voor zijn jongere ik. Maar aan de buitenkant van de stam zie je hier en daar de veel dikkere knoesten op plekken waar die takken verder groeiden. Een boom groeit niet als een mens. Mijn armen en andere uitsteeksels zijn in mijn eerste levensjaren me meegegroeid, al is ook dat proces rond mijn zestiende gestopt. Dat geldt niet voor een boom. Die groeit door, maar gek genoeg blijft het kind dat hij als boom was zuiver bewaard. Ik heb de neiging om van het beeld een beeld te maken, dus van de sculptuur een metafoor, en zo de boel te vermenselijken. Alleen wil ik dat niet, al ontkom ik niet aan het idee dat er met alle verschillen wel een verwantschap is tussen boom en mens.
Het jonge, blootgelegde boompje gedroeg zich als een echte ceder en daardoor kwamen er veel takjes uit zijn stam van toen tevoorschijn. Takken die het al snel aflegden en takken waar je makkelijk op kon staan.

Het is natuurlijk sneu om te bedenken, ik denk hierbij aan een gedicht van Chr. Van Geel, dat jaarringen van een boom pas zichtbaar worden als hij wordt geveld, en dat geldt ook voor deze sculptuur. De jonge boom wordt zichtbaar nu de boom er niet meer is. Maar in elke boom zit, zuiver, onaangetast, onveranderd en onveranderlijk elke boom die hij geweest is. En wat hij was, draagt hij niet alleen als een verleden met zich. Geen stadium is voorbij. Elk stadium, ieder moment van leven draagt bij aan verder leven. Door de jongste boom blijft een boomleven lang levengevend sap stromen. Jaar na jaar blijft aanwezig en jaar na jaar bestaat. Elke ring is een beginjaar zonder einddatum. De boom blijft groeien, slaat steeds meer toekomst in zich op. Van buiten volgt hij de seizoenen. Blad of naald, of vruchten vallen, maar heel het leven van de boom zelf is een alomtegenwoordig en vitaal heden.

Op mijn bureau ligt een foto van de sculptuur. Ik moet er steeds naar kijken, probeer een beetje boom te zijn. Wanneer komt er weer werk van Penone naar Nederland?

https://www.altertuemliches.at/files/penone_270_cedro_versailles_c695_digarchivio_penone.jpg

04 juni 2021

Dit wordt verboden lectuur

Het is op dit front iets rustiger, maar er hoeft maar iets te gebeuren en we zitten er weer midden in. Ik heb het over de vermeende onmogelijkheid om over je eigen geslacht dan wel ongeslacht, je eigen ras en je eigen plek heen de wereld in te kijken. Nieuw is dat niet. In de 19e eeuw was dat in naturalistische romans juist een thema. Met dit verschil dat die romans juist lieten zien dat mensen geketend waren aan ras, geslacht, erfelijkheid, milieu en de kansen die het moment aanbod of juist achterhield, terwijl deze erven nu juist als een territorium verdedigd lijken te worden, hier en daar. En, die boeken van toen werden meestal door witte westerse mannen geschreven. Die schreven dus om te demonstreren wat niet kon: over de rand van je eigen nest kijken.
Dat gemurmureer van vorig jaar maakte me wee. Dat mannen niet over vrouwen, witten niet over zwarten of wat dan ook zouden kunnen schrijven. Vrijheid was toch juist in taal te vinden en dan nog het meest in de taal van de kunst.

Lezers en schrijvers haal ik nog al eens door elkaar, als complementaire delen van de wet van de communicerende vaten waar ik bij natuurkundelessen zoveel plezier in had omdat bij dat onderwerp wetenschap zoveel leek op een kinderspelletje. Daar gaat het nu niet om, nu gaat het erom dat zowel een lezer als een schrijver de dragers zijn van het schild dat boek heet. Als het schrijven over dit of dat een exclusief recht is voor schrijvers die tot een bepaalde groep behoren, mag ik dan wel boeken lezen die geschreven zijn door een vrouw? Of door een man die van de mannenliefde is. Of door iemand die geen last heeft van benen als melkflessen wanneer de zon doorbreekt. Of iemand die de oliecrisis hooguit kent van horen zeggen.

Ik lees op het ogenblik de dichtbundel die Marjolijn van Heemstra vorig jaar publiceerde. Het is een bijzonder prettige bundel, waarin we af en toe vooruitwijzingen zien naar haar onlangs verschenen boek In lichtjaren heeft niemand haast. Ik kom er het leven tegen van mijn kinderen en van mensen bij me in de straat. Van vrouwen dus die mijn dochters hadden kunnen zijn en die vanwege een kraam of miskraam of wat dan ook sterker bij een aspect van vrouwelijkheid worden bepaald dat wel heel ver van mij vandaan staat. Omdat ik nu eenmaal een man ben. Mijn bedgenote kan die ervaringen wel delen, zou je denken, maar is de kloof van dertig, veertig jaar intussen niet te groot?

Het gedicht Bedoelingen mag ik sowieso lezen, want ook ik ben buurtgenoot. Het opent met de woorden ‘Gesteggel over het buurtfeest’ en dat is meteen de strekking van het hele gedicht. Als je dit gedicht leest, wordt duidelijk dat dergelijke festiviteiten een plaag zijn.

Er is nog een gedicht dat me treft. In ‘Universele weet-ik-veel’ lopen een man en vrouw langs de Theems terug naar hun hotel, en dat ‘na een avond in een zaal waarin / ik veel te bleek afstak en maar minnetjes lachte om de white people- / grappen terwijl jij zwart en bulderend naast me zat.’
Dat bedoel ik. Zij heeft dat dus ook. Dat ongemak van ongevraagde vrijheidsbeperking. Verderop in het gedicht zegt de ik: ‘‘Ik zie de verschillen niet.’ Jij zei: ‘Precies.’’

Van Heemstra goochelt verder ook nog eens met werelden die de mijne niet zijn. Of toch wel. Ik vind het een verademing dat ik dit nog mag lezen.

Marjolijn van Heemstra, Reistijd, bedtijd, ijstijd. Gedichten. Das Mag 2020

02 juni 2021

Eenden

Fietstochten zijn debet aan zoveel belevenissen, ervaringen en emoties dat ik de volgorde vandaag omkeer: eerst dit stukje en dan pas fietsen. Zo kan ik nog even terugkomen op eerdere ervaringen die in de veelheid van indrukken onverteerd vergeten dreigen te worden.
Zo waren daar die eenden bij de gele brug, De Banaan, die stad en Leidsche Rijn verbindt. Dat was op maandagmiddag om half zes. Ik fietste stadwaarts en zag hoe voor me, op het drukke fietspad, twee eenden overstaken. Dat ging goed. Maar ze leken niet tevreden met een verblijf in de berm die fietspad en autoweg van elkaar scheidt. Op die weg was het nog veel drukker. Wat moest ik doen? Afremmen, afstappen en aan de kant gaan staan om als een ramptoerist toe te zien op een onafwendbare eendenramp en daarvan naderhand een ooggetuigenverslag leveren? Of moest ik van mijn fiets springen en wapperen en heen en weer springen om die eenden een andere koers te laten kiezen? Of zou ik ze daarmee juist naar een dood op een motorkap of onder zwart rubber drijven?
Ik fietste door, hoorde achter me geen auto’s remmen, ook klonk er geen klap.
Ik bedacht ook dat ik nog voor het stoplicht die eenden al vergeten zou zijn. En zo was het ook. Ik werd al vrij snel afgeleid door iets waarvan ik niet meer weet wat het was.

Maar gisteren, in een voor eenden veel aantrekkelijker omgeving boven Utrecht daalden als een vliegtuig, maar zoveel aangenamer, fraaier en levendiger een woerd en een vrouwtje voor me langs om met een beheerste plons in een sloot terecht te komen. Toen dacht ik weer aan de eenden bij de gele brug en ik hoopte tegen beter weten in dat dit dezelfde eenden waren.
Daarna waren er de kuikens van grauwe en Canadese ganzen en de lelijke jonge eendjes van verschillende zwanenparen. Ja, het gaat goed met de zwanen. Met de kieviten en scholeksters wat minder en zag ik bij de Tienhovense Plassen een zwarte stern? Toen was mijn blik overigens al wat naar binnen gekeerd. Dat had ook te maken met tranende en prikkende ogen, want ja, het is hooikoortstijd.

Vanmorgen zaten Mente en ik even aan de koffie bij de oude schoolmeester. We hoorden sirenes van verschillende wagens en veronderstelden dat politie en brandweer een wedstrijdje deden en dat de derde sirene die van ziekenwagen was. Die reed alvast naar de finish om paraat te staan voor het ongeluk dat daar waarschijnlijk zou gaan plaats vinden.
Dat was een verkeerde grap waaraan we geen wending meer konden geven, want een traumahelikopter vloog rakelings over de tuin. Er moest een paar honderd meter verderop iets naars gebeurd zijn. De helikopter zakte en even later was het weer stil. Wij bleven zitten en dronken onze koffie: we zijn geen ramptoeristen. Ik dacht nog even aan de twee eenden bij de gele brug over het Amsterdam-Rijnkanaal.

En nu fietsen.

* Het ongeluk vond iets verderop plaats, lees ik, namelijk bij het grootwinkelcentrum van Overvecht. Twee gewonden.

01 juni 2021

Een wonder is niet te weerstaan

Hij herinnerde zich nog heel goed de ingenieuze manier waarop onze voordeur open en dichtgetrokken kon worden. Wij hadden het over ons huis aan de singel. Daar kwam mijn neef als jongetje regelmatig op bezoek. Omdat we boven woonden, was een koord aan het slot van de voordeur aangebracht dat via katrollen naar boven voerde. Daar was het aan het hekje om het trapgat vastgemaakt. Je hoefde daarom niet naar beneden te lopen om de deur te openen als er gebeld werd, maar kon aan het koordje trekken.
Maar er was nog een koord. Dat zat vast aan een haak aan de bovenkant van de deur en liep dan achter een katrolletje in de deurpost langs, via nog twee katrolletjes naar boven. Aan dat koord bengelde een gewichtje met een oog om datzelfde koord. Dan kon je ook boven blijven als je de deur wilde sluiten. Voor kinderen was het een wonder waar ze geen genoeg van konden krijgen. Ook mijn boekbindspullen met een heuse pers en een naaitafeltje waren de neef bijgebleven. Maar de koorden met hun katrollen in het traphuis hadden de meeste indruk op hem gemaakt.

Waarom ik tijdens het fietsen zojuist moest denken aan dit deel van mijn telefoongesprek met mijn neef van enkele weken geleden, weet ik niet, maar het was een prettige afleiding om me vervolgens af te vragen hoe het ook al weer precies ging met die koorden en zo. Ook ik genoot er indertijd van; voor mij was het grote wonder dat het systeem altijd werkte. Het heeft ons, anders dan gloeilampen, zekeringen, ruiten en kraanleertjes, nooit in de steek gelaten. Het was een wonder om niet te weerstaan.

Een wonder is niet te weerstaan.
Dat was het, die prachtige woorden uit Het Uur U van Nijhoff. Daarvan hadden woorden door mijn hoofd gespookt. Dat begon al met de voor vandaag zo toepasselijke openingsregel: 'Het was zomerdag.' Daarna had ik met medelijden gedacht aan de vrouw die vanachter de vitrage naar buiten kijkt en die met vijf woorden wordt neergezet als 'de dame die niemand kent.' Dodelijker en trefzekerder kan het niet. Je zult het maar tegen iemand zeggen: 'Aha, u bent de dame die niemand kent.' Ik had plotseling zo met haar te doen, daar op mijn fiets tussen Tienhoven en Westbroek.

Maar toen kwamen dus die kinderen uit het gedicht en die brachten me terug bij het telefoongesprek met mijn neef en bij de constructie bij de voordeur van ons huis aan de singel.
Ik laat je alleen met dit prachtige fragment. Lees maar wat er staat:

Eén der jongens stond met
zijn voet op een autoped
waarvan hij aantoonde dat
het richtingaanwijzers had.
'Daar wordt het geen auto door',
zei de grootste in een plusfour.
'Van auto's gesproken', zei
hij er medelijdend bij,
'hebben jullie er geen?' -
Het meisje zwaaide haar been
over het nikkelen stuur,
- alles aan haar was natuur:
het neusje iets opgewipt,
het haar als een jongen geknipt,
te argeloos nog voor fatsoen, -
'dat kan je bij de onze niet doen',
zei ze, en zwaaide 't terug.
Met zijn handen op zijn rug
- waar kon hij ze hebben gedaan
met niets dan een badpakje aan? -
riep de kleinste: 'Belt die bel?'
De bel belde. En hij: 'Zie je wel,
bellen doen auto's niet.'
De bezitter, inmiddels, liet
met strak geworden gezicht
aldoor de vleugeltjes dicht
en klappend open slaan.
Een wonder is niet te weerstaan.
Niemand meer die iets zei.

30 mei 2021

Rondje singel

Na de tweede prik gisteren reden we naar een terras om onze immuniteit te vieren voordat de terugslag van Pfizer ons zou lastig vallen. Een terras, ja. De horecaïsering golft door Nederland. De epidemie leek de afgelopen anderhalf jaar een beetje te worden teruggedrongen door die andere waaraan we onze tweede prik te danken hadden, maar nu slaan de terrassen terug!
Dat stemt een tikkeltje droef. Het ziet er allemaal wel vrolijk uit, maar er gebeurt iets met me als ik bijvoorbeeld op de Ganzenmarkt zie hoe de Kinderboekwinkel verdwijnt achter stoelen en tafeltjes, als ik het gekwetter hoor van mensen die in hun ene hand een mobieltje hebben en in de andere een pilsje. Doe dat mobieltje toch weg en loop voor je gaat zitten even die winkel in voor een boek.
Terrassen zijn de Japanse duizendknoop van de binnensteden aan het worden. Dag antiek, dag garen en band, dag lampenwinkel, dag prentenkabinet.

Dat neemt niet weg dat Mente en ik gisteren de eerste bezoekers waren van het door ons uitgekozen terras, want ik mag verdrietig worden van de terrrassificatie van het Rijke Westen, het hemd is nader dan de rok en door een terras te bezoeken sponsor ik mijn eigen vlees en bloed. Vandaar dat wij een half uur voor de openingstijd al achter de koffie zaten met een kouign-amann, een heerlijk Bretons pasteitje, met die tweede prik dus al in de pocket.

Vandaag zijn beide armen wat stijf, zowel de linkerarm van Mente als die van mij dus, maar voor de rest geen klagen. Wel zijn we een beetje duf, een tikkeltje afwezig. We zijn wat timide, maar of dat aan die prik ligt?
In ieder geval fietste ik zojuist mijn tot nog toe kleinste rondje van het jaar, een rondje singel, een tour d'anthrisque sauvage. Dat is fluitenkruid op zijn Frans. Wist je dat? Ik ook niet. Fluitenkruid is me dierbaar en het vergezelt ons dankzij de koude weken in mei dit jaar wat langer dan anders. Met een royale spuit is het als slagroom om de taart van de oude Utrechtse binnenstad gespoten. Het klinkt al wel een beetje in, maar ziet er nog steeds fraai uit.
In het water, tussen fluitenkruid links en rechts wemelt het van de bootjes en van surfplanken met suppers. Dat combineert goed. Het fluitenkruid bloeit maar een paar weken, maar lijkt er voor eeuwig te staan, teken van rust zonder einde, een vrolijke versie van psalm 23. En daartussen dus het vredige, lome gepeddel van suppers, een soort waternimfen, omwolkt ook door de geur van de witte schermbloemen. Met hier een daar een elf die gekromd met peddel in de hand moeizaam in evenwicht probeert te blijven. Dat suppen valt blijkbaar nog niet mee.

Bij het Lepelenburg stap ik af. Het grote groene grasveld is verdwenen onder honderden en honderden plezierzitters. Het is een groot terras.
Als dit nu eens allemaal paardebloemen waren geweest, bloeiende en ook de uitgebloeide pluizen. Wat zou ik daarvan zijn opgeknapt! Nu word ik een beetje droef. Ik ben blij dat ik aan de buitenkant van de singels fiets.

29 mei 2021

Uitgenodigd

Ik sleepte de twee jongens langs leeuwen, panda’s, leidde ze door het berenbos, gaf ze te eten en te drinken, liet ze spelen in speeltuinen en toen ze thuis kwamen, konden ze meteen aan tafel. Nee, bijna meteen, want eerst moest de kleinste die ik na zijn onfortuinlijke onderdompeling niet alleen onmiddellijk gered en vervolgens in mijn wollen vest gewikkeld had om hem zo, voorbij A12 en andere wegen, veilig af te leveren bij zijn moeder, nog wel even gewone kleren aan. Dat was donderdag.*
Ze stortten zich op hun spaghetti en Lukas vertelde dat hij zaterdag een feestje had, een verjaardagsfeestje.

‘Dan ga ik mee. Dat vinden je vriendjes leuk, als er ook een opa meekomt. Bij wie is dat feestje?’ En ik noemde wat namen die me waren bijgebleven.
‘Nee, het is míjn verjaardagsfeestje!’
Ik begreep dat Lukas probeerde duidelijk te maken dat ik niet welkom zou zijn, maar hij wel, dus ik vroeg nogmaals bij wie dat feestje dan wel was.

Zijn moeder voorzag dat het gesprek uit de hand zou kunnen lopen, ook was haar er veel aan gelegen dat er liefst warm voldoende spaghetti, met een overigens heerlijk ruikende saus, bij de jongetjes naar binnen ging, dus zij vertelde dat het inderdaad ging om het verjaardagsfeestje van Lukas.
Nu verjaart die in de tijd van de oliebollen en niet in tijden van fluitenkruid. Maar goed, met corona in deze wereld hoort ook het vieren van je vijfenhalfste verjaardag tot een nieuwer normaal, al is het maar tijdelijk.

Ik veronderstelde dat het dan al helemaal geen probleem zou wezen als ik kwam.
‘Wat zullen je vriendjes dat leuk vinden als ik er ook ben. Ik kan niet wachten. Weet je wat, ik kom wat eerder en ga ook wat later weg. Wel moet ik meer chips en taart dan de anderen want ik ben groter en een cadeautje heb ik je een half jaar geleden al gegeven, dus je krijgt niets. Hoe laat kan ik komen?’
Het mocht niet. Dat vond Lukas, de kleine Markus zei ook: ‘Nee, opa.’ Volgens zijn moeder moest het nu wel duidelijk zijn.

Dat feestje was dus vanmiddag en nu zal het wel voorbij zijn. Ik hoef trouwens helemaal niet naar een kinderpartijtje. Wel zou ik graag weer een keer dat gevoel willen hebben om te zijn uitgenodigd door een of ander vriendje. Er waren de vaste vriendjes, zoals Dirk, Loek, Peter. Hun uitnodigingen waren een bron van grote vreugde, heus. Maar ook anderen vroegen me wel voor hun feestje, een andere klasgenoot of iemand uit een andere klas of uit de buurt. Wim, herinner ik me opeens, en Leen, en Alexander, of heette die Alexander Cornelis? Koek en snoep happen. Soms was er een filmprojector en zag je de Dikke en de Dunne bijvoorbeeld. Alleen is dat niet waar het me om gaat. Mij gaat het vooral om dat gevoel, die stille sensatie, dat lichte gevoel in mijn hoofd, die vreugdevolle wetenschap dat er weer een feestje kwam en dat ik daarvoor was gevraagd, dat ik uitverkoren was, dat het leven me bij wijze van spreken dankzij een onverwacht jongetje of meisje plotseling toelachte zodat er vanzelf als antwoord een glimlach over m’n eigen snufferd trok.

* Zie Och Heden 20210527

28 mei 2021

De mijmering en het ding

Conny Westerveld kwam deze week Freek en Alexander tegen. Freek heeft haar naam weliswaar veranderd in Frederique, maar toen Conny en ik ze nog in de klas hadden, waren de twee al een koppel. Bij die ontmoeting kwam ik ter sprake. Ik zou ooit geschreven hebben ‘dat school meer is dan de plek waar je leert’. En nu mailt Conny me met de vraag of het niet leuk zou zijn als ik die tekst uit het geheugen van mijn computer viste, dan wilde zij die naar Frederique en/of Alexander sturen.

Dat de tekst ze is bijgebleven mag een wonder heten, erg spectaculair klinkt de samenvatting ervan niet, maar geldt zoiets niet ook voor ontroerende romans? Ik heb nog even gekeken, maar ik vermoed dat deze blijkbaar memorabele tekst niet meer bestaat en zelf heb ik er geen herinnering aan. Dat spijt me voor Frederique en Alexander en ook voor Conny, want het was op zich een leuk idee.

Misschien is het maar beter zo. De tekst zou zo kunnen tegenvallen, want o, wat is het verleden een valkuil. ‘De mijmering over een ding, is teerder dan het ding’ vertelt Gorter ons in zijn Mei. En die mijmering kan zowel een verlangen zijn als een herinnering. Dus kunnen we het maar beter bij herinneren laten. Misschien kom ik er zelf ook beter af op die manier en is de mijmering over een oud-docent veel teerder dan de oud-docent. Ik weet het wel zeker, want o, wat een vervelende vent ben ik! Een betweter, dwarsligger en een zeur. Praat me er niet van.

Achteraf moet ik constateren dat ik zelf op school overigens wel het een en ander heb geleerd, al hebben ze me bijvoorbeeld veel te weinig gedichten uit het hoofd laten leren vroeger. Wel heb ik van school liefde en vriendschap voor het leven meegenomen, en dat is veel waard en het stond niet in het leerplan. Het zou me niet verbazen als Frederique en Alexander daaraan moesten denken.

Hoe dan ook: ik hoop maar dat zij gelukkig zijn samen en met plezier terugdenken aan mevrouw Conny Westerveld van Duits en meneer Borgdorff van Nederlands en als dat is op basis van een vertekend beeld van het verleden, dan heb ik daar volledig vrede mee.

* Ook nu gaan genoemde personen onder een andere naam door het leven, behalve de docent Nederlands.

27 mei 2021

Te water

In de kinderbijbel thuis stond ook een gravure van Petrus. Het verhaal vertelt hoe hij en zijn vrienden naar de overkant van het meer varen. Het weer zit erg tegen en Jezus is alleen achtergebleven; hij zal zich later bij hen voegen. De discipelen komen amper vooruit en even later zien ze ook nog een gestalte over het water lopen. Een spook! ‘Nee, ik ben het,’ roept Jezus. Petrus herkent stem en gestalte, dat is Jezus. Enthousiast springt hij overboord en loopt over het water naar zijn grote held. Maar dan slaan met een forse windstoot de twijfel en daarmee ook de wet van de zwaartekracht weer toe en Petrus zakt weg in het water. Dat is het moment waarop de graveur zijn illustratie maakte, één met veel beweging rond de naar de diepte schietende leerling, maar als kind was ik onder de indruk van de wanhoop en de doodsangst op diens gezicht.

Dat gezicht zag ik vanmiddag weer, maar nu was het dat van een tweejarige Petrus die weggleed over de keien langs een stroompje water in de overdekte speeltuin van Ouwehands Dierenpark, daar was ik naartoe, met Lukas en Markus. En die laatste speelde dus voor de kleine Petrus.

Er waren de nodige tekenen geweest, kan ik achteraf zeggen. Hij was al twee keer gevallen, ook was hij een keertje stilletjes weggelopen en later had hij ademloos gekeken naar pinguïns die onder water zwommen. Dat kon je zien dankzij een ruit in hun bassin. En waarom was een van de olifanten zo paniekerig gaan trompetteren toen wij langsliepen?

Het begon weer te regenen, maar daar was de overdekte speeltuin, een hal vol zand, klimrek en een verleidelijk waterstroompje. Een mooie plek om een punt te zetten achter een middagje dierentuin. Ik ontdeed de jongetjes van laarsjes en sokken toen Lukas ontdekte dat het water van het stroompje hoger kwam dan de rand van zijn laars en bond het Markus op het hart om vooral niet op de keien langs het water te klauteren, vanwege dat water. Hij begreep me heel goed.

Toen hij zei dat ik weg moest, wist ik dat hij in zijn luier zou gaan poepen. Zoiets doe je namelijk in stilte, zonder mensen om je heen. Even later verschoonde ik hem in het ‘kakhuis’, zoals een bordje aangaf. Daarna ging ik op een bankje zitten. Hij klom op de stenen en keek me aan. Ik schudde nee en hij zag af van verder klauteren.

Maar een minuut later deed hij het weer. Terwijl ik rondkeek om te weten waar Lukas was, voelde ik weer twee oogjes op me gericht. Dat waren die van Markus die me, op de stenen gezeten, schuldbewust aankeek. En toen kukelde hij dus in het water. Het was een doop door onderdompeling om in Bijbelse termen te blijven. Hij was kletsnat. Ik wist wat me te doen stond in het kakhuis. Zijn sokjes en laarsjes waren nog droog, maar die propte ik in mijn rugzak. Hij kreeg een droge luier van me, ik sloeg mijn vest om hem heen en zette hem in de buggy. Lukas kwam net aangelopen. Hij was ons kwijt.

In het kakhuis had de blote, natte Markus staan huilen en hij had om zijn moeder geroepen. Nu in de buggy zat hij weer te zingen en Lukas vond het allemaal bijzonder gaaf: een olifant, een hoge glijbaan, pandaberen, wolven en beren in een bos en ook nog een broer die onder water ging. Markus merkte dat hij indruk had gemaakt op zijn broer, en ja, daar moet je iets voor over hebben.

26 mei 2021

Goudsbloemen 1*

‘De tuin had me getrakteerd op veel lievelingsbloemen dit jaar: goudsbloemen, Oost-Indische kers, allemaal jeugdsentiment dat ik zorgvuldig in stand houd en toevallig allemaal oranje.’

Trouwe lezers herkennen dit citaat onmiddellijk: het is een zin uit mijn stukje van 12 september 2019. Daarin kwam veel tuin en veel oranje voor, zie ik nu, maar ik kan het gerust over goudsbloemen hebben, want meer dan wat je hierboven leest, heb ik er toen niet over gezegd.
De grootste grutter van ons land is weer bezig geweest met een moestuintjesactie. En dat kun je hier bij de Borgdorffjes zien op het aanrecht, waar het zaad van sla en pompoen mag ontkiemen. De kleine plantjes gaan vervolgens in iets grotere potjes op een tafeltje bij het raam. Stap drie voert ze naar de andere kant van het raam en daarna gaan ze ergens de tuin in. Zo ver zijn we nog niet. Ik heb het nu over activiteiten van Mente. Ik houd me daar niet mee bezig. Ik ben meer van de Jumbo, zullen we maar zeggen, maar ik kijk wel naar de vruchten van haar handen en zij heeft me weer bij de goudsbloemen gebracht.

Want waar ik de uitgebloeide en verdroogde en dus zaadrijke knoppen van goudsbloemen ook maar zie, pluk ik die af en stop ik ze in mijn broekzak. Dat leidt doorgaans nergens toe: ze komen in de wasmachine of ik trek tijdens een wandeling onnadenkend een broekzak naar buiten als ik daarin ongerechtigheid meen te voelen. En hup daar gaan de zaadjes. Of ik gooi ze ergens in een bakje om dat meteen te vergeten. ’s Winters kom ik ze wel eens tegen, maar dat is niet de tijd om er iets mee te doen. Zo gaan er jaren voorbij. Het zijn zaden uit Frankrijk en Duitsland, van Terschelling en van Oostbroek natuurlijk.

Ook in de zomer kom ik wel eens een eierdopje tegen waarin ik blijkbaar ooit goudbloemzaad gooide. Dan ga ik met een harkje en een schep de tuin in, werk de zaadjes ondergronds en blus een en ander af met koel water. Daarna hebben we nooit meer iets van dat zaad gemerkt. En dat verbaast me wel een beetje, want toen wij hier waren komen wonen, verraste een kant van de tuin me al vrij snel met een fraaie zee van oranje. Dat vergemakkelijkte mijn overgang van singel naar Tuindorp.
Goudsbloemen waren de bloemen van mijn kinderjaren. In mijn Westlandse tuintje stonden aardappelen, je vond er Oost-Indische kers, maar vooral goudsbloemen. Door mijn moeder aangeleverde afrikaantjes, leeuwenbekjes en viooltjes zette ik er ook trouw neer, maar mijn vreugde vond ik in de goudsbloemen. Je begrijpt dat zij mij hielpen mijn lot als bewoner van een zo brave wijk als Tuindorp te aanvaarden.

Toen we onze tuin hier een paar jaar later veranderden, was het met ze gedaan en wat ik er ook aan deed, ze bleven weg. Zo is het nog, maar er voltrekt zich een wonder! Want ingeblazen door Mentes groene activiteiten, heb ik van her en der hoopjes goudsbloemzaad gehaald - van mijn bureau, in een hoekje van een keukenkast en zo - en dat zaad heb ik afgelopen zaterdag in drie bloempotjes gestopt. Maandag al kwam er wat groen tevoorschijn in een potje. Eergisteren telde ik respectievelijk vier, twee, nul, maar vandaag laat ook het laatste potje drie groene puntje zien. Het is een wonder waar ik met grote bewondering naar kijk. Dat dit oude zaad dit nog mag meemaken!

* Ik stel me zo voor dat ik hier later in een Goudsbloemen 2 nog eens op terugkom.

23 mei 2021

Spechten

Hoor je de roffel van een specht, dan schiet je blik meteen de bomen in. Je wilt het beest zien. Toch? Als ik Bach hoor, heb ik dat minder, die hoef ik niet meteen te zien; bij een vogel ligt dat blijkbaar anders.
Vanmiddag hoorde ik bij landgoed Oostbroek een specht, de grote bonte specht, neem ik aan, en die wilde ik dus zien. Er klonk een laag spechtengeluid ergens in een hoge boom. Vanwege de donkere roffel zou het wel om een dode boom gaan. Al vrij snel had ik een boom op het oog.
Toen hoorde ik nog dichterbij, lager in een boom, harder en veel hoger van klank, een andere roffel.
Was het dezelfde specht? Waarom had ik die dan niet van de ene boom naar de andere zien gaan in zo’n mooie lus? Ik stond er verdorie met mijn neus bovenop! Ik kreeg meteen antwoord. Er roffelden twee spechten tegelijk. De lage hoge van dichtbij zou natuurlijk van een ander merk kunnen zijn dan zijn hoge lage soortgenoot iets verderop. De grote versus de kleine bonte specht? De groene specht? Of de zwarte specht, dat zou leuk zijn. Dan zou de hoog gezeten, dof roffelende specht de grote bonte zijn en de laag gezeten, hard en hoog roffelende de zwarte.
Even struikelde ik over de verwarrende taligheid die aan het geluid en de positie van de spechten kleefde. De hoge roffel zat laag en de lage zat hoog. Taal is een gemankeerd vehikel. Ik legde een verband met ogen die zoeken maar niet zien en oren die wel horen maar niet in staat zijn om de ogen naar de bron van dat geluid te voeren: je ziet niet wat je hoort.
Daar moest ik niet over mekkeren; nu moest ik kijken, speuren.

Het zou leuk zijn als een van de twee een zwarte specht was, maar ik geloofde het niet. Het verschil in toonhoogte had volgens mij te maken met de kwaliteit van de twee beroffelde bomen, met het zachte hout van een dode boom versus het harde hout van een waardoor nog levenssappen trokken. Al met al zag ik geen specht.
Voor alle zekerheid maakte ik een foto om thuis op mijn computerscherm ontdekken wat ik nu niet zag. Je wist maar nooit. Al geloofde ik ook daar amper in: er zat al aardig wat blad aan de bomen en wie weet roffelden die spechten aan de achterkant van hun bomen.

Ik had natuurlijk iets anders kunnen doen: lawaai maken, met takken gooien, of met mijn appeltje, mijn flesje water, camera, m’n pet. Nu geef ik inderdaad niet aan spullen, onthecht als ik ben, dus dat zou het punt niet wezen, maar het gaf geen pas om spechten te storen in hun specht zijn. Maar als ik het wél zou doen, ik zeg áls, misschien dat dan een van de spechten opvloog. Of alle twee.
Ik liep verder, hoopte even dat dat hetzelfde effect zou hebben als het gooien dat ik zo braaf en diervriendelijk had nagelaten. Het was vergeefse hoop: er vloog niets weg, zodat ik niet eens kon zeggen dat de specht die er nu niet meer was inderdaad een specht was. Niet kon zeggen dat de specht die ik hoorde maar niet had gezien, hoogstwaarschijnlijk dezelfde was als de specht die ik zag wegvliegen maar niet meer hoorde. Toen ik wegliep, hoorde ik trouwens helemaal geen specht meer, de ene niet en de ander niet.

Thuis nog de foto nog even op de computer bekeken: niente, nada. Niks te zien. Ook niks te horen.

22 mei 2021

Objectieve taalvaardigheid

Gezien de levendige verontwaardiging waarmee ze vandaag door de telefoon haar hart luchtte, denk ik dat ze haar 95ste makkelijk zal vieren dit jaar. Aanleiding is een stuk in de krant. Kees Verstappen, eindexamenkandidaat uit Groningen, vertelt wat er niet deugt aan onderwijs bij het vak Nederlands. Kees heeft helemaal gelijk. We hebben ons in de luren laten leggen door onze behoefte aan objectiviteit en zijn vergeten dat je om te lezen vooral moet lezen. Kilometers maken en met elkaar praten over wat je leest.
Of ik de terreur van de meetbaarheid en de heiliging van hulpmiddelen nog heb meegemaakt, wil mijn oud-collega weten. Zij ging al in 1984 met pensioen. Dat kon toen via een regeling om oudere docenten plaats te laten maken voor de aanstormende volgende generatie. Wist ik van kern- en signaalwoorden, van argumentatiestructuren en kernwoorden? Had ook ik me met die onzin beziggehouden?

Allereerst gaf ik haar gelijk in haar verontwaardiging. Vervolgens vertelde ik haar dat ik die te ver doorgeschoten onzin ook had onderwezen, maar dat ik er nooit een geheim van had gemaakt hoe verschrikkelijk ik dat vond. Er was een onzinnige en onzindelijke behoefte gekomen aan objectiviteit, die waarschijnlijk voortkwam uit angst en uit gemakzucht. Docenten Nederlands klaagden steen en been over de enorme hoeveelheid langdurige en weerbarstige correctie waarmee ze te maken hadden. Dan waren voorgebakken toetsen, en de hegemonie van quasi-objectieve wetenswaardigheden en dito correctiemodellen een oplossing. En je gaf meteen toe aan de onaangename druk om minder te laten lezen, want dat was ook een behoefte in onderwijzend Nederland. Daar zou dan meer diepgang tegenover staan. Dat wel.
Toch zei ik het haar kwalijk te nemen dat ze zei geen weet te hebben van argumentatieschema’s en signaalwoorden. Ooit maakten we samen toetsen en dan vroegen we daar ook naar. Maar de zaak was nu op zijn kop gezet: middelen waren doel geworden.

Tijdens ons telefoongesprek losten we het allemaal op. Leerlingen moeten vanaf klas 1 tot en met het eindexamenjaar per maand weer minstens één boek per maand lezen en om dat te controleren moesten ze regelmatig meedoen aan een al dan niet creatief moment, een gesprek, een presentatie, een brief aan de hoofdpersoon in vijftig woorden. Ik moest haar vertellen dat het gemopper op het lezen van boeken na de invoering van de Tweede Fase alleen maar erger was geworden, juist omdat leerlingen in plaats van 36 boeken twaalf of acht nummers op een lijst moesten hebben. Met weinig leer je niets en als je iets niet kunt dan wil je het doorgaans nog minder dan daarvoor. Zo is het met zwemmen, fietsen of wandelen en ook met lezen en schrijven.

Wat waren wij het eens met elkaar! Nederlands was: lezen en lezen en schrijven. Van praten over fietsen word je droevig en angstig. Fietsen doe je. Tekstbegrip? De essentie is: vertel wat je leest en vraag je in voorkomende gevallen af wat je ervan vindt.
En waar was het opstel gebleven? Het vrije schrijven over een onderwerp? Fraude? Angst voor bedrog? We waren niet gek, heus niet, maar daarvoor hoefde je het onderwijs toch niets op zijn kop te zetten? Wat kregen we nou!

‘Ik was zo kwaad op wat ze met ons vak hadden gedaan,’ zei de bijna 95-jarige heel veel gedeelde opvattingen later, ‘en daarom belde ik je op. Nu ben ik nog minstens even kwaad, maar wat heerlijk dat we ons hart kunnen luchten. Volgens mij zitten we al meer dan een uur aan de telefoon.’
‘Nee hoor, 47 minuten en 12, nee, 14 seconden.’

21 mei 2021

Lichtspel

In 2011 bestond de universiteit van Utrecht 375 jaar en ter gelegenheid daarvan kon de mensheid genieten van Sol Lumen. Vanaf het Van Unnikgebouw buiten de stad, wierpen laserstralen in de kleuren van de regenboog en met de snelheid van licht, want het waren nu eenmaal lichtstralen, hun rechter dan rechte lijnen naar de Domtoren. Om het goed te kunnen zien, kon je maar het beste op de Neudeflat staan. De scepticus in mij vroeg zich nog wel stiekem af wat dat nou helemaal voorstelde, die paar lichtstrepen die een toren beschijnen, maar die scepticus heb ik de deur uit gegooid. Het was mooi.
Later fietsten we van het Neude naar het gebouw buiten de stad, met die kleurrijke stralen boven ons hoofd. Ik denk dat ik daar nog het meest van heb genoten. Van dat stille licht en wij op de fiets en ook de andere mensen die net als wij herkomst en doel van het licht wilden zien.
Bovenin het Van Unnikgebouw stonden grote projectoren. Er werd iets groots verricht en dat alleen maar omdat mensen iets wilden vieren. In mijn herinneringen zijn overigens de geluiden weggevallen. Ik weet nog wel van het gezoem van de apparaten en natuurlijk van de pratende mensen, maar alleen de stilte bleef. En er wás ook veel stilte.

Meer dan bij het vuurwerk rond oud en nieuw herinner ik me die aangename toestand van een vuurwerkshow in Argentat. Dat was op de avond van de veertiende juli. Aan de overkant van de Dordogne werd vuurwerk afgestoken. Wij bengelden met onze benen over de nog warme stenen van de kade van de rivier en gaven ons over aan vriendelijk oh en ah. Zelfs hier overheerste, ondanks de knallen van het afsteken en de ontploffingen in de lucht, de stilte. Zo heb ik ooit langs een drukke weg in de berm gestaan om fluitenkruid te fotograferen. Al vrij snel liep ik daar rond in een bel van stilte.

De afgelopen dagen zag ik een paar keer een foto van de raketbeschietingen van Hamas en de reactie van het Israëlische afweersysteem. Prachtig vind ik. Aan de ene kant die strakke, doelbewuste lijnen, aan de andere kant de jonge, aarzelend naar licht zoekende lijnen als ultra dunne bloemstengels. En omdat foto’s zwijgen, is er ook de stilte waar ik zo van houd en die van binnenuit zomaar op kan komen.

Maar zo is het dus niet. Zo is het helemaal niet. Er is gefluit van raketten, het geloei van sirenes en het gedonder van inslagen. De schreeuw van mensen hoor je niet. Ik moet denken aan De Schreeuw van Edvard Munch, aan de wijd open gesperde mond. Vol oorverdovende stilte.

Het is een prachtige foto met die vuurwerkshow van Israël en Hamas, die dove en blinde waanzin van de haat.

19 mei 2021

Geen pad

De kliko's voor papier en tuinafval staan meestal achterin de tuin, achter het beukenhaagje. Nu niet. Omdat Mente bezig is in de voortuin staat de bruine een paar dagen daar, maar wel tegen een beukenhaag. Dan voelt het toch nog een beetje vertrouwd voor hem.
Ook de papierbak staat nu elders. Die is zojuist begonnen aan zijn driewekelijkse uitje naar de straatkant, leuk, samen met de andere papierjongens. Ik had hem daar nog niet neergezet of Jacques van de overkant kwam al aangelopen. Blijkbaar kon zijn bak niet langer wachten. Ach, het zijn nog van die jonge speelse bakken.

Toen hadden we al een avontuur achter de rug. Of liever: er was geen avontuur, maar dat was op zichzelf genomen al een heel avontuur. We moeten een paar jaar terug in de tijd om dit duidelijk te maken en wel naar de tijd dat er wat meer grote padden bij ons in de tuin woonden. Verontrustend genoeg kom ik er nog maar zelden eentje tegen. Dat is anders geweest. Zo was er een pad die er een gewoonte van maakte om onder een van de twee kliko's op het achterterras te gaan zitten. Of ik daar een eerste of tweede keer van geschrokken ben, weet ik niet meer, maar wel dat ik sindsdien een bak die naar de straat moet eerst een eind naar voren schuif. Om beknelde pootjes of een geplette kop te voorkomen. Ik mag wel zeggen dat ik daar een behoorlijke handigheid in heb ontwikkeld, al kun je inderdaad niet zeggen dat dit zo moeilijk is. Maar ik kan daaraan toevoegen dat ik die handeling nu heel lang op dezelfde manier verricht, alleen trof ik de laatste twee jaar geen pad meer aan onder de kliko. Dat was en is nog steeds een teleurstelling.

Zojuist heb ik dus de papierbak aan de straat gezet en of het nu kwam doordat zijn vriend de bruine bak niet naast hem op het terras stond of omdat mijn gedachten elders verbleven, dat kan ik je niet vertellen, maar wel merkte ik dat ik onze papierboy vrij abrupt opzij trok en terwijl ik dat deed voelde ik hoe een van de wieltjes een hobbel nam om mij ter wille te zijn. Ik schrok geweldig. Zou ik dan toch een kikker?

Zo was het dus niet. Er lag een stukje tak. Dat was alles. Maar wat waren wij opgelucht, de bak en ik. In stilte legden we de weg af naar de straat, om te bekomen van de schrik en ons vervolgens te realiseren wat een avontuur het kan zijn om niets avontuurlijks te beleven. Ik weet zeker dat onze papierbak het verhaal al heeft verteld aan de bak van Jacques en als ik even naar buiten kijk, zie ik dat er nu al vijf, nee, zes bakken staan. Wedden dat die andere intussen ook al weten van de pad die er niet was?
Zelf ben ik er nog helemaal vol van en als ik het niet van me afschrijf, kan ik straks niet slapen.
Vandaar dit stukje.

18 mei 2021

Brede brugperiode

‘Brede brugperiode is de oplossing niet’, staat er als titel boven een ingezonden brief van gisteren in Trouw. Dit naar aanleiding van het nieuwe adagium van de Onderwijsraad dat je kinderen beter wat langer bij elkaar kunt houden. Soms vinden we iets anders en dan is ook daar wel een reden voor. Ons ideologische hart verbiedt ons af en toe om de gymnasiale masterclass bovenaan te zetten en de kaderklas van het vmbo ver daaronder. Dan veranderen we namen van opleidingen en/of we vegen we de boel bij elkaar. We willen immers niet in hoog en laag denken als het om kinderen gaat! Daarom moesten de ambachtsschool en het vglo en de huishoudschool weg, werd de boel herschikt en kwamen er onduidelijke namen, zoals een vmbo met allerlei onderafdelingen. Iets heel anders: bij de invoering van de basisvorming stopen we juist, zoveel theorie in de lessen dat het door de schoolkeuze toch al getorpedeerde ego van veel leerlingen nog een extra oplawaai kreeg.

In zijn brief spreekt de schrijver ervan, rector van een welgelegen school voor voortgezet onderwijs, zijn bedenkingen uit tegen de zaligverklaring van een brede brugperiode. Allereerst laat ook hij zien dat onderwijsinnovaties windgevoelig zijn en dat wind telkens uit een andere hoek kan waaien. Veranderingen zijn lang niet altijd verbeteringen. Het gaat internationaal gezien helemaal niet beter met ons uitgekiende onderwijs, wel slechter. Onderwijsverandering lijkt meer gebaseerd op geloof dan op inzicht dat voortkomt uit ervaring en degelijke brede studie. Alsof je iets vindt en daar vervolgens een onderbouwing voor bij elkaar harkt.

De rector van het lyceum zegt niet dat uitstel van keuze niet goed zou zijn, maar wel dat dat vaak het geval is. Hij haalt als deskundige een persoonlijk argument voor de dag door te veronderstellen dat zijn kinderen niet gelukkig zouden zijn in een breed samengestelde brugklas. Met deze niet erg sterke, maar strategisch slimme argumentatie geeft de heer Van Ommen wel aan dat hij een genuanceerd denker is én dat hij meer heil ziet in een dito benadering: er is geen pasklaar antwoord voor de inrichting van het voortgezet onderwijs.

Van Ommen wijst op het belang van onderwijs op maat en op de relatie docent – leerling; die is vitaal. Ik geloof het graag. Een paar van mijn overtuigingen hebben de jaren in het onderwijs getrotseerd of ze zijn er door gegroeid. Voor veel kinderen is het leven als leerling een grote oceaan zonder oevers. Gun leerlingen daarom fasering en schakering en afwisseling. Geborgenheid in de groep, dat warme bad dat ook een wespennest kan zijn? Trouwens, sociale vreugde wordt niet groter als je altijd in dezelfde groep zit, vraag het maar aan kinderen die ook op waterpolo zitten of zo, dat zijn echt niet allemaal klasgenoten.

Ten tweede, onderwijssysteem, de administratie en gedetailleerde beoordelingen met uitgekiende toetsen zijn zaken van tertiair belang. Eerst komt het onderwijs aan het kind, dan het onderwijs aan het kind en daarna pas de rest. Alsjeblieft!

En nummer drie: vergeet niet het vehikel van het vak. Een fatsoenlijk docent weet dat haar of zijn vak het belangrijkste is. Daarom gaat het er niet om dat een kind leert memoriseren of zo, maar wel dat het in de loop van de tijd schoolgaan een aantal prachtige gedichten uit het hoofd leert, om maar iets te noemen. Omdat je nu eenmaal een beter mens van wordt van heel veel gedichten in je hoofd.

Of dat waar is?

Natuurlijk is dat waar. Ja toch, meneer Van Ommen?

17 mei 2021

De Kruisweg

De turborotonde bij Monster is klaar. Er is lang aan gewerkt en er is nog langer gewacht voor het ware werk kon beginnen. Dat had onder andere te maken met de huizen die moesten afgebroken, mooie huizen. Dat is gebeurd en nu is er een gigantisch, langwerpig rotondeplein gekomen met dubbele rijbanen dat in niets meer herinnert aan het simpele maar gevaarlijke kruispunt dat wij de Kruisweg noemden. Zonder Bijbelse reminiscenties, vreemd genoeg, terwijl het kruispunt daar alle aanleiding toe gaf. Van mijn tweede tot en met mijn veertiende woonde ik er nog geen honderd meter vandaan en ik heb er heel wat ongelukken zien gebeuren. De ernstigste heb ik gemist. Die keer dat Henk op weg naar zijn vriendinnetje met zijn brommer de Molenweg uit kwam gesjeesd om zonder vaart te verminderen de Zwartendijk op te schieten werd ik in Naaldwijk geïnstalleerd als welpje bij de padvinderij. Henk was net als ik één van de kinderen van De Soos, een hechte vriendenkring van vijf echtparen en hun kinderen. Eindelijk ging het goed met Henk. Hij vond zijn draai als marinier en nu was er dat meisje. Op die vijftiende juli van 1961 bij de Kruisweg door een auto gegrepen en meters weg geslingerd. Hij was op slag dood. Een paar jaar later was ik nog onderweg van Den Haag naar dit kruispunt toen mijn overbuurmeisje gegrepen werd door een auto. Emmy overleefde het niet. De bestuurder van de auto wel en ook hij was een van de kinderen van De Soos.

Die Kruisweg was dus al een gevaarlijk punt toen er nog maar weinig verkeer de doorgaande weg van Monster naar Poeldijk overstak, van Molenweg naar Zwartendijk of omgekeerd. Ik zocht die hoek af en toe op vanwege de sloot. Daar kon je overheen springen, wat niet altijd lukte, en ’s winters was er ijs, waar je wel of niet doorheen zakte.

Er kwam een keer een nieuwe duiker waardoor het water onder de Molenweg door kon lopen. Het liep niet. Het stond stil. Als je met je knieën op de brede betonnen rand van die nieuwe duiker vooroverboog, kon je schaatstertjes over het water zien lopen. Er waren veel slakjes, soms zag je kikkervisjes en een doodenkele keer een visje. De rand van de duiker was hard maar ik herinner me vooral dat die aangenaam warm was. Soms ging ik er ook op liggen. Dan kon ik nog beter bij het water van de sloot. Tussen die sloot en de drukke weg lag de spoorbaan van het goederentreintje.

Vreemd genoeg is het in mijn herinnering een stille, warme plek, een plek om je hand in het slootwater te laten hangen en weg te dromen. Alsof er geen auto’s en brommers waren. Alsof er nooit een ongeluk gebeurde, terwijl dat wel zo was en dat wist ik: ik was zelf een paar keer onder een brommer gekomen, mijn vader werd er vijftig meter vandaan bij het oversteken aangereden.

Dat merkwaardige hoekje van de Kruisweg, waar hemel en hel elkaar afwisselden, ligt nu onder een laag asfalt van altijd auto’s. Van boven af zal het er uitzien als een ingewikkelde wiskundige figuur.

15 mei 2021

Ooievaar 4

In het Utrechtse veengebied knoopte de oude ooievaar op zijn fiets punt na punt aan elkaar om uiteindelijk weer thuis de komen. Voor de weg die hij gaan zou, had hij niet veel aandacht nodig, hij fietste hier bijna dagelijks. Oud zou de oude ooievaar zichzelf trouwens nog niet willen noemen en een ooievaar was hij al helemaal niet. Ooievaars vangen namelijk wel kikkers als die er zijn, of grazen alleen of in groepjes weilanden af. Staan uren op hun poot zonder een sok aan te trekken. Ze bouwen nesten hoog in de lucht. Ze leveren kinderen af in een tot draagdoek geknoopte ouderwetse luier. Vliegen van Westbroek naar Afrika en weer terug of trotseren een Hollandse winter. Maar fietsen doen ze niet. De oude ooievaar op de fiets kwam ze op zijn route herhaaldelijk tegen en zo veranderde hij in de oude ooievaar die hij niet was en kreeg hij een missie, een dubbele, nee, een driedubbele missie: hij moest weer thuiskomen waar zijn lief hem wachtte, hij moest het verhaal tot een goed einde brengen én in dat verhaal moest een oude ooievaar punt na punt belevenissen afwerken om zijn opdracht te volbrengen.

’s Middags aan de thee in de tuin vertelde hij van de firma Eiber & Co die het in deze tijden van corona extra druk gekregen hadden. En van Stork vertelde hij, van de oude ooievaar die vanwege een geboortegolf zijn vroegere werk. Van de mensen die niet de vader of moeder konden zijn of dat niet wilden. En ik zag het voor me.

Toen het verhaal net als een kind een jaartje later het levenslicht zag, herkende ik het verhaal, maar de tekeningen van het liefje van de ooievaar op zijn Gazelle waren nieuw voor me. Ik zocht naar de toren van Westbroek en speurde wegen af of er niet ergens in diepte van het land een kleine kereltje op een fietsje te zien was. Die waren er niet, maar daar stond veel tegenover in het boek. Zo gaf het beeldenrijke vrouwtje van de fietsende mannetjesooievaar Stork een pet die ik ook wel op zou willen zetten. En Stork mocht dan wat vergeetachtig zijn geworden, zijn toewijding straalde van zijn kop: zo’n ooievaar willen we allemaal wel wezen! En er was heerlijk wasgoed - er moet veel meer wasgoed buiten hangen; daar wordt de wereld beter van! - een onopvallend maar aangenaam stoeltje, het verrassende prikkeldraad om een voortuin, de neusjes, het mondje van die mooie oude vrouw. Om gelukkig van te worden allemaal. Ik zocht de mensen achter het mannetje en het vrouwtje, het diepste van hun ziel en hun geluk. En ik vond het. Waren er de alfa en de omega van het fietsrondje en het verhaal dat af moest, de klus die Stork te klaren had, ik zag ook de opdracht voorin het boek: ‘voor Olivia’ staat er. Ook dat is een alfa. De bijbehorende omega vinden we op de laatste bladzij van het verhaal waar Stork eindelijk, eindelijk zijn pakketje, dat lieve meisje, veilig op het goede adres aflevert, namelijk bij Bram en Saar, twee mensen van wie je eerder zou verwachten dat ze niet de ouders van het nieuwe kindje zijn maar de grootouders, zoals de oude ooievaar die geen ooievaar is en zijn liefje die ook al geen oranje stelten heeft en nooit een wit en zwart kleed draagt de opa en de oma zijn van de Olivia uit het begin van het boek.

Dat is de vierde missie: het boek is een geschenk!


Koos Meinderts en Annette Fienieg, Stork. Hoogland & Van Klaveren 2021

14 mei 2021

Papa papa

Nieuw-Zeeland houdt me niet alleen op de hoogte van aanbiedingen in diverse buitensportwinkels, maar ook van het wel en wee van vogels. Hier in huis hangt natuurlijk een kalender met foto’s van het vogeleiland Tiritiri Matangi. Maar er is ook een blad en in het meinummer van Dawn Chorus lees ik over Pari. Of ik op Tititiri de hoofdpersoon van dit verhaal in 2013 persoonlijk ontmoette, weet ik niet. Het zou zomaar kunnen, want Pari is misschien wel de vriendelijkste kokako van het eiland én hij is oud! Maar niet te oud! Lees maar.

Pari, voluit Paraninihi, werd geboren op 12 januari 2005, zo’n 650 kilometer van Tititiri, waar hij in juni 2007 terecht kwam. Daar trok hij het hele eiland over en na een half jaar koos hij bush drie uit als vaste woon- en verblijfplaats. Hij verslingerde zich het jaar daarop aan Te Koha Walata en aan Fern. Voor de laatste ging Pari door het vuur. Zij beliefde alleen de vruchten van de kawakawa en Pari deed er alles aan om haar ter wille te zijn. Hij was er zo druk mee dat hij een keer over een tak struikelde en twintig seconden bewusteloos bleef liggen. Toen krabbelde hij weer overeind, snavelde zijn verenkleed in orde en ging weer op zoek naar voedsel voor de kieskeurige Fern. Er was een nest, er was een ei, maar een kuiken kwam er niet en Fern ging er vandoor.

Zo komt in augustus 2009 Punga in zijn leven. Die relatie levert twee nesten op en eieren die niet uitkomen. Een paar maanden later is Pari weer alleen. En dan is daar in november 2011 de anderhalf jaar oude Koha. Ondanks wat ups en downs blijven de twee bij elkaar tot Koha’s dood. Zij is dan tien. Al bij het tweede nest van Pari en Koha krijgt het vrouwtje problemen met haar rechterpoot en dat betekent voor Pari dat hij eten voor haar moet regelen én opdraait voor de algehele verzorging. Als door menselijk ingrijpen het pootje van Koha weer kan genezen, blijft Pari dat doen. Dat is zijn sterke kant: hij is zo vriendelijk en loyaal. De verdediging van zijn territorium gaat hem minder goed af. Tot twee keer toe wordt hij verjaagd en in één geval neemt het concurrerende mannetje niet alleen Pari’s gebied over, maar ook zijn meisje. Dat daar overigens snel spijt van krijgt. Koha verlaat haar nieuwe minnaar en keert terug bij Pari, al moet die het intussen doen met een veel minder aantrekkelijk territorium.

In de loop der jaren komt wel steeds meer de klad in het bouwen van nesten en leggen van eieren. Soms bouwen de twee zelfs iets waar ze direct na oplevering nooit meer naar omkijken. Ze blijven bij elkaar, dat dan weer wel, totdat Koha overlijdt, medio 2019.

Nog geen half jaar later laat het jonge buurmeisje Waira haar partner in de steek voor Pari. Vanwege zijn zorgzame en empathische inborst, niet omdat hij een machtig grootgrondbezitter is en een lekkere jonge knul. Hun twee nesten leveren niets op, maar een half jaar geleden hoort Pari gepiep in het derde nest. De oude vogel is vader geworden. Van een jongen en een meisje. Die zullen waarschijnlijk nooit luisteren naar hun namen Ariki en Marihi, maar zo heten ze wel. In februari zijn ze gedoopt, dat wil zeggen: geringd. Pari blijkt niet alleen een voortreffelijk partner te zijn, ook is hij een uitstekende vader. De kinderen zijn dol op hem. Observanten op Tiritiri Matangi sluiten verdere gezinsuitbreiding niet uit. Zelf wil ik niet op de feiten vooruitlopen.

13 mei 2021

Hemelvaart

Ze zat een paar jaar bij me in de klas en vertelde me een keer dat het goed wonen was in het jaren dertighuis vlak bij school. Het enige probleem was een hardnekkige lekkage op zolder. Er was al regelmatig naar gekeken en verschillende mensen hadden iets uitgehaald met het dak en vervolgens verteld dat het probleem verholpen was, maar zo was het niet. Afgezien daarvan was het er prettig wonen.

Een paar jaar later kwam ik een paar huizen verderop te wonen. Zij was toen al op kamers. Totdat ik haar in de poort tegenkwam. Ze droeg een grote zonnehoed en ik liep er met een van de kinderen en een doos waarin een nieuwe cd-speler zat. Daar hadden we het even over. Ik kon haar bijna niet zien in de poort, ook al vanwege die brede zonnehoed.
’s Avonds stond ze voor de deur. In plaats van een hoed droeg ze nu een petje. Ze woonde weer thuis en ik zou haar vanaf nu wel weer vaker zien. Ze was namelijk ziek. Vandaar ook die hoed vanmiddag en nu dat petje. Dat deed ze af. Ze was kaal.
Ik heb haar maandenlang bezocht, die vrolijke leerling. Die ook bij de krenterige docent die ik was een acht op haar eindlijst haalde. Over haar ziekte zei ze een keer: ‘Ik heb nog geluk gehad, want ik heb leuke mie en ben het pretnizonnetje in huis.’ Ze bleef optimistisch.

Soms lag ze op bed en dan sprak ik met haar moeder. Die sprak medische taal met woorden die ik niet altijd begreep en stijgende en dalende waarden die ik al evenmin kon duiden. Woorden, feiten die haar overeind hielden.
De zondag voor Hemelvaart 1992 belde haar vader aan om te vertellen dat zijn dochter was overleden. De vrijdag daarna werd ze gecremeerd, de dag na Hemelvaart.
Dit is de eerste week van het jaar dat we regelmatig in de tuin zitten. Het is mooi weer, bijna net zo lekker als in die week in 1992, toen Hemelvaart op 28 mei viel. Ik moet aan Petra denken, aan haar moeder.

Bij haar ben ik nog een keer langs geweest. Zonder dochter had elke taal zijn betekenis verloren. Vader zag ik zelden. Het jongere zusje ging het huis uit. Ze waren onbereikbaar geworden voor elkaar. Moeder zat thuis. Ziekteverlof. Op een dag vond men haar op de zolder met die hardnekkige lekkage waarover Petra me ooit vrolijk informeerde. Die zonnige meid.

12 mei 2021

Logeetje

Als fietser beschik ik over dertig versnellingen. Mijn rode fiets heeft er 27 en de resterende drie zijn van mijn deftige zwarte herenrijwiel. Dat is de fiets waarop ik boodschappen en kinderen vervoer. Voor het eerste dienen de twee achtertassen, voor het tweede is op de stang een zadeltje gemonteerd en op de bagagedrager een kussentje dat op een ingepakt cadeautje lijkt. Zelf opteerde ik indertijd voor een passende zwarte zitting, maar de toen vierjarige Liesje vond deze veel leuker. Telkens als ze bij me achterop klimt, herinnert ze mij eraan en ook aan de fietsenmaker die het met haar eens was.

Ook gisteravond kwam het verhaal langs toen ze in de smalle poort opstapte. We gingen even op verjaarsvisite bij Jaap die zowel mijn zoon als haar oom is. Toen zij eenmaal zat, wurmde ik mijn voet over de stang, gebruikte de achterkant van de schuur om mijn evenwicht te vinden en fietste weg. Ik slingerde ontzettend en daar had ik rekening mee kunnen houden, want ik wist dat mijn versnelling stuk was. Ik was alleen te lui geweest om er naar te kijken en nu dacht ik er pas aan toen die fiets met tegenzin en slingerend in beweging kwam met Liesje achterop, een intussen grote meid van dik in de negen en met een versnellingshendeltje dat niks deed.
Ik botste nergens tegenaan maar wel maakte Liesjes linkerbeen kennis met de forse brandnetel die daar sinds kort weer is opgekomen. Het hield haar lang bezig daar achterop de fiets, ook al omdat ze niet even lekker kon krabben. Ze zou onverbiddelijk van het zitje kukelen.
Vlak voor het huis van Jaap schoot ik alvast te stoep op, maar door de verminderde vaart begon het grote slingeren weer. Desondanks wist ik het bankje dat voor een gevel stond nog te ontwijken, maar Liesje had geen weet van dat rakelingse bankje en dus klapte ze daar met het door brandnetels geteisterde been tegenaan.

Ik was aardig bezig om mijn krediet als opa te verspelen.
Spontaan had ze nog geen twee uur daarvoor gevraagd of ze een nachtje mocht blijven logeren en wij hadden ja gezegd. En dit was nu al het resultaat: een gehavend onderbeen en dat terwijl het logeren zelf nog moest beginnen. De kat bij Jaap krabbelde haar niet, maar liet zich ook niet aaien en reageerde op Liesjes avances door telkens ruimer afstand te nemen. Toch bleef ze vrolijk. En toen ik voor de terugweg toch maar even de versnelling repareerde, zei ze zelfs ‘Dank u, opa.’

Vanmorgen kroop ze om kwart voor zeven tussen ons in en over haar been had ze het niet. Na het ontbijt ging ik op de bank zitten. Ik legde de krant naast me neer en nam een slok thee. Toen kwam Liesje. Ze smeet de krant een meter verderop, plofte naast me neer en kroop tegen me aan. ‘Hé, mijn krant!’ had ik willen roepen, maar ik hield me gelukkig in. Ik voelde haar hartje tegen mijn hart kloppen. Het klopte snel. Ik had er geen idee van dat een hart zoveel vitale bombarie kon maken. Liesje heeft een goed hart, een hart dat onstuimig aan de deur van het leven klopt, maar ook een hart dat weet wat kloppen is. Ik was onder de indruk van dat motortje dat mijn arm doortrilde. Een wonder: het is ooit aangeslagen en het bonkt en bonkt en doet. En dat hopelijk wel honderd jaar. En daarvan mocht ik dus een stukje in de aanloop…

Ik was er stil van.

10 mei 2021

Ooievaar 3

Van de Kamerverkiezingen die er op die dag gehouden werden, kan ik me niets herinneren. Er waren belangrijker zaken. Die dag zou namelijk kinderclub De Ooievaar worden opgericht. Daar ging een uitbarsting van de Ungung Agung op Bali aan vooraf, waarbij 1500 mensen omkwamen, maar ik was vooral onder de indruk van de mensen die niet gedood maar zeer gehavend waren door de vulkaanuitbarsting. Het journaal liet een jongeman zien op een brancard. Hij was zijn onderlijf kwijtgeraakt. Ik vroeg me af of dat mét of zonder zijn billen en zijn piemel was geweest, maar toen ik even later in bed lag, raakte ik vooral het verwrongen gezicht van die jongen niet meer kwijt. Het was verschrikkelijk wat daar gebeurd was! En dan te bedenken dat ik een spaarpotje had waarin ik wekelijks een klein deel van mijn zakgeld stopte om in de komende zomer tijdens het padvinderskamp iets leuks te kopen. Zo’n kamp was sowieso uitgesloten, wist ik opeens, een beetje pret maken in een wereld waarin zoveel ellende kon toeslaan.Voor ik het wist stond ik alweer beneden in de kamer waar ik het spaarpotje uit de kast greep en snikkend riep dat ik niet meer op kamp wilde en ook moesten we niet met elkaar met vakantie. Dat geld moest naar Bali. Ik liet de dubbeltjes, kwartjes en stuivers over de tafel rollen.
Mijn moeder probeerde me te kalmeren, maar het voorstel van mijn vader maakte me rustig. Hij telde mijn spaargeld en stopte de helft terug. Die vakanties en dat kamp gingen gewoon door, maar ik moest maar wat voor Bali gaan doen, als ik dat zo belangrijk vond. Niet sparen voor Bali, maar iets doen. Zo begon het.

Het zal al maart zijn geweest, denk ik. In de schuur lagen nog kalenders, overgebleven reclamemateriaal van mijn vader. Die waren niet meer zo interessant als een paar maanden geleden, maar ze konden nog negen of tien maanden mee. Daar kon ik iets mee en dat was een. Met mijn buurmeisjes links en rechts en met Jelte van drie huizen verder besloten we om bloemen uit tuinen te plukken en daar bosjes van te maken. Ook zouden we flessen of potjes ophalen. Het statiegeld was voor de slachtoffers op Bali. Zo is het gegaan. Wij probeerden de verouderde kalenders en gestolen bloemen te slijten en dat lukte. We waren er een tijd mee bezig. De lege flessen liepen wat minder. Toch haalden we zes-en-halve gulden op en mijn vader maakte dat bedrag over naar het Rode Kruis. ‘Ten bate van Bali’ schreef hij erbij. Niet lang daarna kregen we een bedankkaart van het Rode Kruis.

Toen wist ik het: we moesten met elkaar een kinderclub vormen om bij rampen geld in te zamelen, maar ook moesten we iets bijzonders doen. Opgravingen bijvoorbeeld leken me wel wat.
Dat die club De Ooievaar zou heten, had alleen maar met de uitgezaagde vogel te maken die ik zo graag een bestemming gaf. Door die op de schuurdeur te spijkeren hadden we meteen een clubhuis. Dat gebeurde dus op 15 mei. Na de oprichting fietsten we naar de oude kerk van Monster die op dat moment gerestaureerd werd. We mochten binnen komen en er werd ons uitleg gegeven.
Het was een indrukwekkend begin van de club en mooier zou het niet worden. Toen we een paar maanden later na de aardbeving in Skopje de bloementruc weer uithaalden, hadden we veel meer bloemen tot onze beschikking en ook die wisten we ongestraft te slijten, maar de geest van de club was weg.

09 mei 2021

Ooievaar 2

Koos liet me gisteren de ooievaar op zijn T-shirt zien en toen vertelde ik hem van de prachtige ooievaar die ik ooit uit een plaatje hout had gezaagd. Ook bij de dunne poten ging het goed en dat is niet niks: er had maar iets hoeven gebeuren en ik was uitgeschoten. En wat is een ooievaar met maar één poot? Die heeft er twee nodig, eentje om op te trekken en een om op te staan. Mijn ooievaar van triplex was een echte Haagse ooievaar al had ie niets in zijn snavel. Later zou ik hem nog prachtig beschilderen, in wit en zwart en oranje, want zoiets vinden ooievaars heel fijn. Tot dan toe had ik me al figuurzagend verslingerd aan personen. Dat ging nogal makkelijk. Ik knipte Prins Bernhard of president Kennedy uit een tijdschrift en zette de contouren daarvan met potlood op een plaatje triplex. Daarna kon het zagen beginnen. Mijn voorlopige hoogtepunt was Prinses Irene, want die was zo mooi. Voor haar ook moesten haar vader en de president van Amerika wijken. Irene kwam boven mijn bed te hangen.
Later volgde dus die ooievaar. Ik heb hem zelfs nog voorzien van een vernislaag en op woensdag 15 mei 1963 spijkerde ik hem op de achterste schuurdeur. Maar nu loop ik op de zaken vooruit.

De hobby van het figuurzagen, bedacht ik later, toen Koos al weg was, had ik aan school te danken. Als de meisjes handwerken kregen, dan gingen de jongens aan de handarbeid. Van raffia maakten we servetringen en onderzetters bijvoorbeeld, en we gingen figuurzagen. Dat gebeurde onder leiding van meester Rijper. Dat weet ik zeker, niet van meester Van Beek. In de jaren daarvoor kregen de jongens extra cijferoefeningen als de meisjes naar juffrouw Borst mochten, maar dat veranderde bij meester Rijper. Zo was het. Alleen, en daar sloeg de twijfel toe, ik kreeg pas in de zesde les van Rijper, dus na de zomervakantie van ’63. Toen pas ook kwamen de handvaardigheidslessen in mijn leven. Toch weet ik zeker dat ik op 15 mei 1963 een ooievaar op de schuurdeur spijkerde. Om precies te zijn de ooievaar die ik hierboven beschreef. Dat zou dus kunnen betekenen dat ik die ooievaar helemaal niet zelf heb uitgezaagd, in ieder geval niet de ooievaar die nog nasmeult op mijn netvlies. Langzaam maar zeker doemt een andere waarheid op. Dat van die 15de mei klopt, zoals het ook zeker is dat het figuurzagen bij meester Rijper begon. Maar er is meer: ik gebruikte niet vaak verf, en vernis al helemaal niet. Toch was die ooievaar glanzend afgelakt.
Nu doemt er ook een Willem op in mijn herinnering. Daarvan zijn er twee, beiden vier jaar ouder dan ik en alle twee knutselden ze graag, de ene was mijn buurjongen, de andere was een vriend van mijn broer. Die tweede Willem was de aardigste en hij knutselde net als zijn vader graag met hout en hij schilderde ook. Hij zal me die ooievaar gegeven hebben. Daar zie ik hem wel voor aan.
Ja, ik heb gefiguurzaagd. Ik denk zelfs dat de ooievaar van Willem me later heeft geïnspireerd om er zelf ook eentje te maken. Die zal minder mooi geweest zijn en mogelijk heeft zich in mijn hoofd alleen maar een valse geschiedenis genesteld om mezelf een heldenrol toe te dichten. Een rol die ik dus niet verdien, en nu heb ik ook Koos nog voorgelogen. Sorry en sorry.
Maar dat van kinderclub De Ooievaar, officieel opgericht op woensdag 15 mei 1963, dat klopt wel.

Wordt vervolgd.

08 mei 2021

Ooievaar 1

Op de Annie M.G. Schmidtlezing van dit jaar moeten we nog even wachten. Op 19 mei wordt die uitgezonden en daarvoor kun je je nog aanmelden, want dat is het mooie van online: vol is niet vol. De lezing wordt dit jaar verzorgd door de heer Koos Meinderts, schrijver van onnoemelijk veel liedjes en van boeken voor kleuters, kinderen, jongeren en volwassenen en dan gaat het om verhalen, romans, teksten voor musicals, conferences en nu dus ook van een essay. Ik kan wel verklappen dat hijzelf tevreden is met het resultaat. Dat kan hij zeggen, want gisteren is de lezing op film vastgelegd. Daarom ook kan ik je alvast vertellen dat hij bij die lezing onder zijn colbertje een T-shirt zal dragen met daarop de afbeelding van een ooievaar. Dit omdat de lezing gehouden werd dan wel wordt in het Kinderboekenmuseum in Den Haag en in die stad hebben ze de ooievaar zelfs op het schild geheven, op het eiberschild.

De lezing van de heer Meinderts zou je ook wel een oratio pro domo mogen noemen, Koos is namelijk als Hagenaar op de wereld gekomen, maar daar wil ik iets aan afdoen. Hij werd geboren in het door ’s-Gravenhage in 1923 geannexeerde deel dat we beter kennen als Loosduinen en anders dan Louis Couperus zul je de heer Meinderts niet horen zeggen ‘Zo ik iets ben, ben ik een Hagenaar.’ Eerder zal hij zich een peenbuiker noemen. Iets waarvan ik nu alleen wil zeggen dat een bewoner van Loosduinen zo wordt genoemd. Toch stond er geen wortel op de buik van de heer Meinderts maar een ooievaar. Dat is ongetwijfeld loyaliteit jegens het Haagse en het Kinderboekenmuseum, al denk ik zelf nog steeds dat dat beter gevestigd kan worden in het pand waar tot een jaar geleden de Openbare Bibliotheek van Utrecht te vinden was.

Maar het komt mooi uit dat het laatste en nu al bejubelde boek van de heer Meinderts en de hem dierbare Annette Fienieg ook over ooievaars gaat, en dan met name over Stork. Inspiratie voor het boek vonden zij tijdens fietstochten in de omgeving waar ik vanmorgen nog enkele ooievaars zag. Vooral het ooievaarsnest bij de kerk van Westbroek heeft de heer Meinderts tijdens het fietsen op allerlei ideeën gebracht die je terugvindt in het boek Stork. Een vruchtbaar nest dus. Op datzelfde nest is overigens ook vandaag een ooievaarspaar druk in de weer.
Over het leuke boek valt veel te vertellen, maar het lijkt me het beste dat je het boek zelf koopt, zoals het me ook beter lijkt om niet op de inhoud van de Schmidtlezing in te gaan en je te adviseren om daar zelf naar te kijken.
Zojuist heeft de heer Meinderts me zijn T-shirt geshowd en het ziet er fraai uit, jaloersmakend fraai zelfs omdat ik er een ooievaar in herkende van lang geleden. Dat laatste verklaart waarom ik boven dit stukje achter de titel een 1 zet.

Wordt vervolgd.

07 mei 2021

Vader Willem en de druiven

Tien tot vijftien jaar terug werkte een groep dichters aan een bundel Schriftgedichten, dat waren gedichten rond de evangelielezing van een viering. Ik schreef er indertijd ook een stel. Dit gedicht werd door de redactie afgewezen. Dat ik van God een vader Willem maakte, was een brug te ver.
Zoveel werd mij toen wel duidelijk. De redacteuren kwamen niet uit het Westland en ze wisten ook niet hoezeer tuinders juist hun hart verpandden aan hun druiven en Vader Willem hebben ze nooit gekend. Ik wel. Hij was mijn vader niet en dat was hij ook niet voor de vele anderen die het over Vader Willem hadden als ze hem bedoelden. Dat had ook te maken met zijn zoon; die heette namelijk ook Willem, maar ook zonder deze zoon kon je hem met recht Vader Willem noemen. De naam kwam hem toe. Het is een gedicht bij Johannes 15: 1-8, de evangelielezing voor de vijfde zondag na Pasen.

Vader Willem en de druiven

Hij is graag in zijn druivenkas.
Soms loopt hij er alleen doorheen.
Dan zegt hij ja en even later ja.

Een andere keer snoeit hij het nieuwe hout
tot één oog van de stam terug. Zo gaat de kracht
niet naar het hout maar naar de druiven toe.

Bestuiven, zegt hij, als het zover is,
dat doet de lucht, maar ik help graag
een handje mee. Met een plumeau.

Zijn grote vingers krenten in het voorjaar
de tissen mooi en ruim en daarna komt er kleur.
Dan is het aan de zon en af en toe een koude nacht.

Later zijn daar die zware en bedauwde korrels
in het lichte groen en overal zie ik de handen
en het gezicht van Vader Willem in zijn druivenkas.

Bij Vader Willem verdiende ik ’s zomers wat bij in de tomaten. Zelf zat hij liever in de meloenen, maar vooral de druiven waren hem lief. In de druivenkas liet hij me ooit het paradijs zien.
Hij ging midden in een kas staan, boog zich voorover en keek tussen zijn benen door naar de druiven.
‘Zo zie je het mooiste landschap dat er is. En nu jij.’
Vader Willem had gelijk. Ik kwam van een druivenkas terecht in een heuvelland waarbij het licht door het groen opstraalde en met bomen die als dikke, volle druiventrossen omhoog staken. Hemel en aarde ruilden van plaats.

06 mei 2021

De mijmerende spaarpot

Half verscholen achter de televisie staat een blikken spaarpotje. Honderd jaar schat ik. Een verweerd gevalletje, ooit zwart gelakt en versierd met floraal aandoende geometrische figuren in rood, groen en zilverkleur, maar als je snel kijkt, zie je alleen een onooglijk bruin blikje. Het moet een kistje voorstellen, met op het deksel een hengseltje van dik ijzerdraad en een gleuf. Daar kunnen nog wel nikkelen knaken door maar een vijfguldenmunt is te dik. Er moet ooit een slotje zijn geweest.
Het blikje moet een verleden kennen met veel handen die er maar niet van af konden blijven, maar dat weten wij allemaal niet. Een kleine twintig jaar geleden is het hier in huis gekomen. Mente houdt van klein, van doosjes en van snuffelen, dus het kan niet anders of het is via haar in huis gekomen.
Navraag leert dat zij het voor één euro kocht op een miezerige braderie die weinig voorstelde, maar dat blikje vond ze leuk. Ze nam het mee en zette het op de plek waar het nu nog staat.
Na de overstap naar de euro kwam er uit een hoekje hier of daar nog wel eens een dubbeltje, kwartje, gulden of zo tevoorschijn en dat loos geworden geld verdween in het blikje. Meestal via de gleuf, alleen voor de vijfguldenstukken moest het blikje dus even open.

In 2012, nog voor haar eerste verjaardag ontdekte Liesje het blikje. Zij vond het leuk om het leeg te gooien en de muntjes daarna weer door het gleufje terug te duwen. Wat later deed Klaas hetzelfde. Twee jaar later ontdekte Lukas het blikje en nog steeds wordt het een paar keer per week geleegd en weer gevuld met muntjes, die een voor een via de gleuf hun plek weer innemen.
Het is blijkbaar leuk om dat te doen. Als kinderen drie jaar zijn, wordt het geld een belangrijk hulpmiddel bij het winkeltje spelen. Al met al vinden kinderen het bijna vijf jaar lang leuk om met het blikje en het geld te spelen.
Ook ik speel er wel mee. Omdat de kleinsten nog denken dat ik de vijfguldenmunten wél door de gleuf krijg of omdat ik als klant een belangrijke rol speel als er met het winkeltje gespeeld wordt. Bij het opruimen doe ik de muntjes via de gleuf terug. Bijna alle muntjes.

Tien jaar lang kreeg het blikje de tijd om zijn verleden te vergeten en stond het op het lage tafeltje bij de tv. Totdat Liesje het ontdekte.
Ik begrijp nu wel dat honderd jaar geleden al kinderen niet van het blikje konden afblijven. In de tien jaar tussen braderie en de komst van Liesje kreeg het blikje de tijd om te vergeten waarom het er zo gehavend uitzag, om te vergeten dat zijn bestaan een doel diende. Maar toen kwam alles weer terug: het open en weer dicht, opgepakt worden en neergezet, het gerammel van de munten die verdwijnen en via de gleuf weer terugkomen.
Andere munten waren het ooit, zo begon het blikje zich te herinneren, eerst met de afbeelding van de jonge en later de oude Wilhelmina. Toen Juliana. En nu is het al jaren en jaren allemaal Beatrix wat de klok slaat.
De spaarpot leeft. ’s Nachts als niemand kijkt, trekt hij soms tevreden zijn gleuf in een glimlach, maar voorzichtig en niet te lang, want anders kunnen straks ook de guldens er niet meer door.

05 mei 2021

Vlag

De vlag aan de overkant zit weer aan twee kanten vast zie ik. Gelukkig maar. Ik kijk even hoe het twee huizen verderop is, want toen ik een paar uur geleden langsliep, zag ik dat ook daar de vlag nog maar met één puntje aan de stok vastzat. Even geduld, dan kijk ik uit het raam.

Ja, ook weer in orde. Ik tel in de gauwigheid trouwens elf vlaggen in dit stukje van de straat. Dat doet me goed. Er wordt tegenwoordig meer gevlagd rond 4 en 5 mei. Ook op Koningsdag tel je volgens mij meer vlaggen, maar niet zoveel als nu. En ook dat is een bron van vreugde. Zelf heb ik dit jaar niet gevlagd op Koningsdag. Ik ben niet zo van het Oranjehuis, maar ik hang de vlag ook uit op Koningsdag als ik weet dat er kleinkinderen langskomen, want ik gun ze hun vreugde rond vrijmarkt en andere festiviteiten op de dag en ik wil ze niet lastig vallen met een eeuwenlange reeks van onbetrouwbare prinsen, vanaf Prins Maurits die Oldenbarnevelt liet onthoofden tot Prins Bernard die luidruchtig Zandvoort tot leven wekt.

Vorige week reed ik op Koningsdag tegen negenen de wijk uit en telde toen vier vlaggen. Maar bij Austerlitz en vooral bij Scherpenzeel werd huis aan huis gevlagd. Ik hoop maar dat dat daar vandaag ook zo is.

De vlaggen aan de overkant en twee huizen verder hangen er als gezegd weer keurig bij en dat betekent dat er goed op wordt gelet. Daar sta je niet bij stil maar achter iedere vlag leven een of meer mensen die daar in gedachten mee bezig zijn. Zit ie wel goed vast? Wordt de vlaggenstokhouder niet uit de gevel gerukt met al die wind?

Achter allerlei voordeuren staat bovendien twee dagen en soms ruim een week een trapje of krukje klaar en dan is er nog het gedoe om de vlag van rouw naar vreugde te verplaatsen en weer terug. Wat een gehannes vindt er allemaal plaats in gangen en op overlopen. Hoeveel plafonnieres, wandlampjes of spiegels sneuvelen er niet door een vlaggenstok? Allemaal omwille van onze vrijheid. Hoe vaak vraagt men zich af of die knoop het wel houden zal? Hoeveel mensen proberen ervoor te zorgen dat de vlag in ieder geval niet de grond raakt?

Het valt me op dat ik veel vlaggen zie hangen, maar ik heb niemand gezien die bezig was om ze uit te steken. Zelf verander ik de vlag van verdriet naar vreugde of omgekeerd het liefst in de voortuin, juist met het oog op neerdwarrelend glas van een lamp bijvoorbeeld. Maar dat zie ik om me heen niet gebeuren.

Nu ontgaat me veel. Zo hees ik vanmorgen ook de vlag bij de kerk. Toen ik daar naartoe liep, zag ik dat de mast in de tuin tegenover het kerkgebouw werd versierd door een enkel koord, maar toen ik vijf minuten later een vlaggende kerk achter me kon laten wapperde ook in die tuin het rood-wit-blauwe doek. Ik heb het niet zien gebeuren. Alsof er speciale vlagkaboutertjes zijn.
Zo is het niet. Achter elke vlag schuilen een of meer zorgzame mensen die in stilte en ongezien de vrijheid eren.

04 mei 2021

Scherrenberg

Langs de Brailledreef is van alles aan de hand. Aan de westkant is men al heel lang bezig om de rioolzuivering te updaten. Dat heeft tot gevolg dat het er nog meer stinkt dan in het verleden. Mijn dagelijkse tocht voert al heel lang langs dit gebied en ik word er altijd wat droevig wanneer de weeë geur me benevelt. Afhankelijk van de wind kan ik overigens bepalen of ik het terrein rechts via de Vechtdijk of links via de Brailledreef passeer. Dat is op de fiets. Wanneer ik er zoals vandaag met de auto langs moet, heb ik geen keuze en is de lucht onontkoombaar.

Aan de oostkant van de Brailledreef staan sinds enkele jaren een paar hoge flats en momenteel komt daar een nog veel groter complex naast te staan. Het ziet er prettig uit. Ik zou er, bij wijze van spreken, wel willen gaan wonen als daar niet die stank was geweest die onverbiddelijk in korte tijd een zwaarmoedig mens van me zou maken. Hier zal ik het verder niet over hebben.

Wel over de enorme betonblokken die op de weg staan. De Brailledreef is een vierbaansweg. Gewoonlijk voeren twee rijbanen je van zuid naar noord en twee zijn er als je met de auto juist van noord naar zuid wilt rijden. Vanwege al die ingrijpende bouwwerkzaamheden zijn de twee noord-zuidbanen al een jaar van elkaar gescheiden door stoere betonblokken van een zeventig cm hoog en breed. De dikte schat ik op twintig centimeter, maar dat geldt niet voor de voet van het blok; die is misschien wel veertig centimeter. Wat ik zeg: stoere blokken dus. En dat is maar goed ook, want de westelijke van die twee rijbanen is momenteel een fietspad en het moet daarom onmogelijk zijn voor een verdwaasde automobilist om op de fietsers daar in te rijden. Ik gebruik de weg als automobilist en als fietser en in beide gevallen voel ik me veilig. We mogen blij zijn met die keurig gerijde blokken. Toen ik vanmiddag in de auto op die ene zuidwaarts voerende rijbaan voor het stoplicht stond te wachten, bekeek ik de blokken met enig welgevallen. Ze dienden een goed doel, zagen er eenvoudig, maar vooral efficiënt uit. Goede vorm, geschikt materiaal. Ik meende zelfs van schoonheid te mogen spreken. Nu werken overpeinzingen snel en simultaan en stond het stoplicht tamelijk lang op rood, dus ik had ook tijd om tot me door te laten dringen dat op ieder blok in kloeke letters Scherrenberg stond. Dat is een aannemer die zich inlaat met bestrating, maar ook met wegen-, bruggen- en tunnelbouw. Mij kwam ineens een oud-leerling voor de geest, compleet met voor- en achternaam. Moniek Scherrenberg heette ze. Ik zal haar twintig jaar geleden in de klas hebben gehad. Ze had kastanjebruin haar dat asymmetrisch geknipt was, zoals dat toen vaker gebeurde. Ze wist zich eenvoudig maar treffend op te maken. Als ik haar op straat was tegengekomen en niet in havo 4 en 5, dan zou ik haar tien jaar ouder hebben geschat, maar ik zou bij het passeren wel even omgekeken hebben naar die struise meid.

Ik denk niet dat ze een dochter is van de naamgever van het bedrijf dat langs de Brailledreef die betonblokken plaats, maar het had gekund met die stevige naam, dat jong volwassen, verzorgde, fraaie en zelfbewuste voorkomen. Laat ik het zo zeggen: als het wel zo was geweest en als ik dan die meneer Scherrenberg was, wat zou ik trots geweest zijn. Op mijn bedrijf én op die dochter van me.

Toen sprong het licht op groen.

02 mei 2021

Antependium

Als antependist van de Utrechtse Tuindorpkerk kan ik je vertellen dat het daar helemaal in orde is. Vanmorgen nog zag ik het: aan de kansel hangt een wit antependium, zoals dat hoort in de tijd tussen Pasen en Pinksteren.
Het kan ook anders. In het kerkje van Westernieland zagen we vorige week dat het groene antependium werd gebruikt, terwijl het daar extra nauw luister. Omdat het om een klein kerkje gaat, ja, maar vooral omdat daar twee antependiums gebruikt worden. Een groot ligt als kleed over de avondmaalstafel ? het altaar van de protestantse eredienst ?, het andere hangt aan de voorzijde van de kansel. Niet aan de achterzijde, de naam zegt al genoeg: in goed Nederlands kun je beter spreken van voorhangsel, wat erop neerkomt dat ik dan de voorbehanger of de voorbehangselaar van de Tuindorpkerk zou heten.

De in Westernieland gemaakte fout zou me ondanks mijn functie en ondanks de nadrukkelijke aanwezigheid van de twee groene kleden niet zijn opgevallen als Mente me er niet op attent had gemaakt. En zij wist het dankzij een mededeling in het gastenboek die daar nog geen uur voor onze komst in was gezet, nota bene door mensen die we een half uur eerder in het kerkje van Saaxumhuizen hadden gesproken.

Het groene antependium wordt het meest gebruikt; het is de kleur van de meeste kerkelijke zon- en feestdagen. Je kunt het jezelf weliswaar heel ingewikkeld maken met die kerkelijke kleuren, maar de meeste kerken stellen zich tevreden met vier kleuren, waarvan groen dus het vaakst gebruikt wordt. Maar van Kerst tot Driekoningen en van Pasen tot (en niet tot en met!) Pinksteren zegeviert het wit. En dan moet je dus ook een wit antependium gebruiken. In de adventstijd en de zesenhalve week voor Pasen gebruik je paars. En bij Pinksteren heb je rood. Het basispakket kent ook nog een paar momenten die om een eigen kleur vragen. Bij een gedachtenisdienst of een uitvaart gebruik je paars, maar als er iets te vieren valt, bijvoorbeeld bij de bevestiging van iemand tot predikant of ouderling gebruik je rood. Ik ben erg voor het rode antependium, want dat is een vrolijk kleur en van alle vier de antependiums hangt het rode het langst in de kast. Ik vind dat sneu.
Ik geloof niet dat kerken het ambt van antependist erkennen en dat bevalt me wel, het past bij mijn bescheiden aard om die rol te vervullen en er in alle stilte voor te zorgen dat op de juiste momenten het antependium van de juiste kleur aan het spreekgestoelte hangt. Ik doe dit werk nu ruim twintig jaar en over opvolging heb ik nog niet nagedacht.
Wel vergat ik een enkele keer om de doeken op tijd te verwisselen. Op twee keer na is dat vervolgens onopgemerkt gebleven. Tenzij iemand mijn nalatigheid wel opmerkte maar er liever over zweeg. Dat kan. Overigens denk ik dat vrijwel niemand in onze kerk weet dat ik daar de antependist ben. Vrijwel niemand zei ik, maar er zijn er die het weten, want bij de wisseling van groen naar paars twee maanden geleden kreeg ik een appje van een diaken die me liet weten dat ze mijn nalatigheid nog op tijd had goedgemaakt. Dat was liefdevol. Anders was het acht jaar terug. Ik had net enkele maanden Nieuw-Zeeland achter me toen iemand me op hoge poten kwam vertellen dat ik het antependium had verwaarloosd. 'Tut,' heb ik gezegd. Dat was niet aardig; het past een antependist ook niet zoiets te zeggen. Ik heb het wel gedaan. Een antependist beleeft van alles, zoals je ziet.

01 mei 2021

Pyjama

Halverwege trof ik Joris. Heel lang woonde hij twee straten verder, nu zag ik hem na veertien kilometer fietsen bij zijn huidige woonstee met een schep in zijn hand, een spade. Hij was blij met een praatje. Dat brak de klus een beetje. Sinds een half jaar woont hij in de natuur, achter Tienhoven en hij is er zeer tevreden mee, maar zonder zweet en vieze handen gaat het niet.

Ik trof hem op het moment dat ik een beeld begon te krijgen van een stukje dat ik binnenkort moet schrijven. Mijn overpeinzingen werden abrupt onderbroken door deze ontmoeting. Nee, dat niet. Afgebroken werden ze, want ik kwam na ons afscheid niet terug bij mijn hoogverheven en bijzondere inzichten van even daarvoor.
Waar ik wél was met mijn gedachten weet ik ook niet. In ieder geval schrok ik van mezelf toen ik vrolijk en goed gearticuleerd een mij tegemoet rijdende fietser toeriep dat hij een mooie pyjama aan had. Ik stak daarbij ook mijn hand op. Dat zal hij niet gezien hebben een waarschijnlijk hoorde hij ook niet wat ik zei. Intussen was de man een luchtige en ontwapenende verschijning geweest in zijn pyjama, die geen pyjama was natuurlijk, maar hoe heette dat dan wel? Was dit een kaftan? Reikten die niet tot je enkels? Er was ook een woord dat op robe leek. Thobe, ja, dat was het. Maar had die man op de fiets een thobe aan? Hoe hadden we trouwens ooit kunnen wennen aan dat toch merkwaardige woord pyjama? Waarom was dat geen nachtpak gaan heten? Hoe was het toch mogelijk dat zoiets gewoons als een pyjama pyjama heette?

Kleertjes uit, pyjamaatje aan.
’t Is weer tijd om naar bed toe te gaan.
Kijk eens in het kippenhok:
alle kippetjes zijn al op stok.


Hoe ook kon in een oer-Hollands versje dat rare woord pyjama voorkomen? Toch bestaat het al bijna tweehonderd jaar in het Nederlands, want in 1837 wordt gezegd dat het een vrouwentabbaard is. Pas zeventig jaar later komt het voor als nachtpak voor mannen. Het woord kwam tot ons via het Engels, uit het Hindi, maar het vindt zijn oorsprong in het Perzische woord paydjama, dat beenbekleding betekent. En zo komen we toch weer in de buurt van de pyjama van de man op de fiets.

Al die etymologische wetenswaardigheden heb ik naderhand bij elkaar geharkt toen ik weer thuis was. Dat gebeurde niet op de fiets, dat begrijp je ook wel. Op de fiets was ik even later al weer met heel iets anders bezig. Nu ging het om een jonge vrouw die in de berm prachtige balletachtige bewegingen maakte. Ze droeg een strakke zwarte legging en een zwarte bh. Mooi was ze ook, zag ik. Zo hé, klonk het in mij. Maar ik zei niets.
Niet voor mij stond ze daar zo bevallig te wezen. Ook niet zozeer voor haar vriendin, maar wel voor het mobieltje waarmee die foto’s maakte van onze danseres. Ik bleef onopgemerkt.

Het beeld van de man in de kaftan was vervlogen. Het mooie meisje brandde na op mijn netvlies. Zo indringend dat ik vijftig meter verderop nog op mijn gemak kon kijken naar het zwarte vlindertje op haar linkerschouder. Dat was een beetje jammer, want ik hou niet van tattoos.

Ik kwam thuis met woorden die me niet bevielen: pyjama, thobe, legging, bh, tattoo. Kaftan daarentegen vind ik wel een mooi woord.

30 april 2021

Mensingeweer

De tocht begon en eindigde bij het kerkje van Mensingeweer. Een eerste poging om het van binnen te zien mislukte, maar aan het eind van de tocht hadden we meer succes. De Petrus van dit kerkje heeft niet alleen de sleutel ervan, ook zit hij geregeld achter het orgel, gewoon omdat het kan. Zijn vrouw en hij steken graag de straat over naar het kerkje, hij met de sleutel en zij neemt haar stem mee. Hij speelt incidenteel ook wel bij een kerkdienst. Nu wordt het kerkje niet vaak gebruikt, want de PKN-gemeente van Leens (en daar hoort dit kerkje bij) heeft meer gebouwen en ook voortreffelijke organisten. In zekere zin is dit kerkje de muziekstudio van de sleutelbewaarder en dat is niet gering, want het orgel werd in de late zeventiende eeuw gebouwd door Arp Schnitger. Dat was voor de kerk van Pieterburen. Pas in 1901 werd het verkocht aan Mensingeweer, voor 400 gulden. Een Arp Schnitger behoort tot de Mercedessen en BMW´s in de orgelwereld, ook Duits.

Petrus laat ons horen hoeveel geluid er uit het kleine en simpele instrument te halen is. Het heeft lange tijd in armoedige staat verkeerd, maar daarover hoef je sinds 2010 niet meer te klagen.Waarom er in het kleine kerkje twee doopvonten staan, kan ook onze Petrus niet vertellen. Hij mag dan de sleutelbewaarder zijn, hij is geen lid van deze kerkelijke gemeente. Hij hoort bij de Vrijgemaakt gereformeerden van Baflo. Die informatie brengt ons even op een ander gesprek, want hij blijkt familie van Mente te kennen, maar we blijven vandaag bij de doopvonten. Er staat namelijk een lelijk houten geval uit de jaren ´10, waarschijnlijk van de vorige eeuw. En er is een koperen bekken uit 1760, op een open smeedijzeren voet.

Het verhaal gaat, weet Petrus te vertellen, dat prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven voor de doop van een van hun kinderen gebruik wilden maken van het doopvont van de kerk van Mensingeweer. Er was een bode gestuurd om het ding op te halen. Om welk doopvont het ging, wist men niet. Dus op goed geluk nam men het houten geval mee. Dat zag er tenminste nog netjes uit. Het is waar, het koperen bekken ziet er wat gehavend uit. Wie weet, rust de schaal al 250 jaar op vier ijzeren punten van het onderstel en op twee daarvan is de rand van het bekken gaan scheuren. Het zou me niet verbazen dat er rond 1830 ook een paar keer mee gefrisbeed is. Logisch, want toen was er nog geen plastic. Een door de tijd getekende schaal al met al, maar wel bijzonder fraai. Daarom blijft het een raadsel waarom de Oranjebode met het verkeerde doopvont vertrok.

Petrus kon niet vertellen hoe het is afgelopen. Voor welke van de vier koninklijke Van Vollenhovens was het doopvont trouwens bedoeld? Als de fout niet tijdig hersteld kon worden en men daarom in de naam van Vader, Zoon en Heilige Geest een afwasteiltje tevoorschijn heeft getrokken, wordt het antwoord op die vraag nog interessanter. Wie, wie zou dat geweest kunnen zijn? Waarom buitelen de woorden waswater en kind zo enthousiast door mijn hoofd?

Nogmaals, het fijne wist onze Petrus er niet van.

Op internet vind je wel wat informatie over het kerkje van Mensingeweer, maar in boekjes over Groninger kerken is niets te vinden. Dat is jammer. Het gaat om een vriendelijk gebouwtje uit de dertiende eeuw, met aangenaam in houtnerf geschilderd meubilair uit de negentiende eeuw. En er staat een BMW op de orgelgalerij een bijna koninklijk doopbekken.

29 april 2021

Op de plaats - rust

Het duurde wel even. Een paar weken dacht ik dat het om de plaats ging waar Tommy wilde zitten. En dat was altijd waar ik hem niet gedacht had, want zette ik hem recht achter me, dan wilde hij schuin achter me en als ik de volgende keer de zitjes op de achterbank al had omgeruild, dan moest het juist andersom. Totdat ik doorhad dat het hem juist om die zitjes ging. Het ene zitje heeft namelijk wel en het andere geen rugleuning. Die rugleuning doet er wel toe. Met zo’n ding zit je strakker ingesnoerd. Het zal je onmiddellijk duidelijk zijn dat Tommy voor het zitje zonder rugleuning opteert. Bij mij heeft dat dus iets langer geduurd.

De tweejarige Tommy bepaalt wat er gebeurt. Als hij in de gaten heeft, dat ik eraan kom, rent hij naar de deur en doet die open. Soms hang ik aan de bel, soms ook heeft hij mijn auto al in de peiling als ik aan kom rijden. Hij doet weliswaar de deur open, of hij staat al op de stoep, maar hij begroet me niet. Wel volgt hij nadrukkelijk of ik doe wat hij van me verwacht en omdat dat altijd zo is - ik loop namelijk braaf achter hem aan naar binnen - kan ik rekenen op zijn instemming.
Het eerste wat hij zegt is: ‘Kopje koffie!’ Dat doet hij als hij de kamerdeur open gooit en hij vraagt niet, hij stelt iets. Hij rent vervolgens naar de keuken en schuift het bekende Ikeatrapje onder de koffiemachine. ‘Een grote,’ zegt hij terwijl hij een koffiebeker pakt om die onder het slurfje van het apparaat te zetten. Voor mijn koffie kan hij dezelfde knop indrukken als bij zijn moeder; papa heeft altijd een veel kleiner kopje waarvoor je ook een andere knop moet bedienen. ‘Mama ook die,’legt hij me soms uit, ‘en papa die.’ En dan wijst hij. Aanschouwelijk onderricht zit hem in het bloed.

De koffie moet wel wat schielijk gedronken worden, want we moeten naar oma.
Bij de auto krijgen we eerst even het ritueel van de zitjes, wat veel sneller verloopt nu hij zijn zin krijgt en op het stoeltje zonder de rugleuning mag. Daarna stap ik in.
‘Vastmaken,’ zegt Tommy. Ik klik mijn veiligheidsgordel vast.
‘Auto aan.’ Ik start.
‘Muziek!’ En even later klinkt Trapperdetrap of Sesamstraat of A.M.G. Schmidt. Soms roept hij ‘Appel,’ want het appellied is favoriet.

Onderweg vertelt hij wat hij ziet. Een bus, een hijskraan, rook. Niet altijd versta ik hem, maar het is genoeg, om ja te zeggen, of nou zeg, of tjongejonge en soms vraag ik wat ik zien moet. Van mijn kant gebeurt hetzelfde.
Vanmorgen attendeerde ik hem op een brandweer en zijn tante en neefje op de fiets. Even later zag ik een graafmachine. Tommy wilde weten waar.
‘Te laat, jongetje. We zijn er al voorbij.’ Zoiets gebeurt wel vaker, maar er is Tommy veel aan gelegen om niets te missen, merkte ik, want niet lang na de tweede graafmachine, piepte hij ‘Opa, helpen. Help, Opa.’
Ik zette de auto aan de kant en zag dat hij helemaal niet meer op het stoeltje zat. De veiligheidsgordel had hij nog om, maar zijn stoeltje stond keurig naast hem. Het was met dat gedraai onder hem vandaan gesprongen.

Bij de volgende rit wilde hij weer op het stoeltje gaan zitten, maar toen ik hem alsnog in het zitje met de rugleuning plantte, protesteerde hij niet.

28 april 2021

Larix

Stond er een larix in de Larixlaan? Volgens mij niet. In ieder geval dacht ik nooit aan die boom als de naam van de straat een keertje viel. In mijn levensverhaal is de straat er eerder dan de boom. Er gebeurde dan ook iets toen me verteld werd dat die bomen daar larixen waren. Er vielen, zeg maar, twee muntjes tegelijk. De straat kwam in een ander licht te staan en dat gold niet alleen voor de Larixlaan, maar ook de aangrenzende Acaciastraat en de Ahornstraat. Dat is een, en twee is dat de boom aan zijn betekenis kwam.
Ik denk dat het mijn zus was die zei dat die bomen daar larixen waren. Dat was op de Veluwe. We waren met vakantie. Ik zat op de tak van een kromme den die klauterende kinderen gewend was. Volgens mij had we een stuk gewandeld, want we gaven toe aan dromerigheid. Mijn zus vertelde ook dat de in een rozet geplaatste naalden zacht waren. Daarom liet ik me uit de den glijden om ze te voelen. Ik keek met stille bewondering naar de rozetten. Wat was er geïnvesteerd in die boom! En dat was dus altijd zo bij die larixen, met hun honderden en nog eens honderden knoppen, onnozele knoestjes leken het, harde wratten maar dat werden dus prachtige groene waaiertjes of bundeltjes. Dat van die harde wratten kwam door thuis. Daar stond ergens een groene flesachtige vaas met daarin zwarte takken met de dezelfde knobbels en met kleine dennenappeltjes die geen dennenappeltjes waren, begreep ik nu, maar larixappeltjes. Aan die twee takken was geen enkel zacht, groen naaldje te bespeuren geweest. Maar dat waren dus larixtakken. Die dooie zwarte dingen thuis hadden geleefd. Daar waren ooit van diezelfde zachte naalden uit gegroeid als hier bij Voorthuizen (of was het bij Ede?).
De verwondering van den versus spar was ik al te boven, daar werden nu deze ontdekking en deze verwondering en bewondering aan toegevoegd. Met een sprong nam niet alleen mijn kennis der natuur toe, ook kreeg ik enig inzicht in het beleid van de gemeentel Monster waar het de naamgeving van straten betrof.
Weer thuis keek ik met andere ogen naar de takken en die vaas. Ik vond ze mooi. Ze werden verkondigers van een nieuwe tijd, voorbij verfletste pauwenveren in koperen potten en smyrna kleedjes. De fles ving licht en vroeg erom vereeuwigd te worden in een aquarel, terwijl de takken smeekten op datzelfde papier terecht te komen, maar dan in Oost-Indische inkt. Een nieuwe tijd, een kunstzinnig appèl.

Nu ik ze eenmaal had ontdekt, ontgingen larixen me niet meer. Ik zag dat ze in de herfst mooi geel konden worden en daarna, terwijl den en spar deden of er niks aan de hand was, werden ze kaal en zwart.
Maar het grootste wonder kwam nog. In de lente kwam uit de dode takken dun maar vooral weergaloos groen tevoorschijn, bij de bomen in het bos dan, niet bij de takken thuis, in die vaas, maar die hadden dat dus ook allemaal meegemaakt. Ze hadden meer geleefd dan de takken van den en spar.

Gisteren liepen Aat en ik langs het weergaloze aprilgroen van een larix.
‘Dat vond ik als kind al de mooiste boom,’ zei Aat . Hij dus ook al.

O ja, vanaf die Veluwse zomer werd de Larixlaan in mijn ogen een van de mooiere straten van Monster.

* Larix zou volgens de regels der spelling lariks moeten zijn. Ik kan er niet toe komen om het zo te schrijven.

In poësis 254

voor als ik jouw stem
slechts indenken kan nog



Het trapje bij de kerk van Leens is van Bremer zandsteen. Die steensoort past goed bij het kerkje. Dat geldt ook voor de tekst op de vier brede, lage treden, een gedicht dat C.O. Jellema schreef. Het opent met een gemoedstoestand die altijd op de loer ligt wanneer je een kerkje in het noorden van Friesland of Groningen bezoekt. Dat het hier om Groningen gaat, blijkt al uit het vierde woord: er staat wierde, geen terp.

Twee mensen, geliefden waarschijnlijk, mensen die samen door het leven gaan, bezochten zo’n kerkje, altijd gelegen op een aandoenlijk kerkhof, op een wierde, waar een paadje omhoog voert en er vaak trapjes zijn. Dat bezoek kan zomaar de afgelopen middag nog zijn gebracht. Halverwege het gedicht komen we in het heden. Eerst maar even het hele gedicht.

Het waait er altijd

Op zo’n wierde, zeiden we, dicht
bij zo’n eeuwenoud kerkje, zo
zouden wij ook wel – en wezen
elkaar de symbolen: zandloper,
vlinder, als ring om namen
de slang die zichzelf in de staart bijt.
het was een voorjaarsdag, er bloeide
al wat in het gras hier en daar,
uit het veld geruststellend
gebrom van een trekker, er stond
veel wind.

licht zijn die dingen gezegd zolang
je kunt spreken, mij aanzien daarbij
met dat vertrouwde gezicht van je, maar

nu ik het opschrijf, zoek naar een woord
dat niet vlees werd, niet onder ons woonde,

voor als ik jouw stem
me slechts indenken kan nog,
jouw gezicht me verbeelden:

wat benoemt zich dan blijvend,
wat laat zich waar dan ook weg;

voor als dat hele
idee van idylle
ondergronds gaat,
wat dan,
op zo’n wierde, in
hij blaast waarheen hij wil
en gij hoort zijn geluid
maar gij weet niet vanwaar
die eeuwige
wind?


Wat ik zojuist gemoedstoestand noemde, beschrijft Jellema in de tweede strofe. Hij noemt de dingen licht, want dat zijn ze ook tijdens dit uitje samen. De twee wezen elkaar de tekenen van tijd en eeuwigheid, maar ze hebben het leven, elkaar, de tijd nog volledig in eigen hand. Maar intussen zien ze de tekenen die niet alleen symbolen zijn voor een ingetogen middagje uit, maar ook van wat ons uit de hand loopt, ons ontgaat en zich aan ons voltrekken zal, daar al mee bezig is. Wat als die ander uit de tijd verdwijnt en langzaam zelfs uit ons wegtrekt, als die ander, de intens met ons meelevende zelf een vanitassymbool blijkt te zijn? Het is de wind, die altijd waait om het kerkje, om ons heen, door ons heen. De wind, teken van vanitas bij uitstek, lucht die stroomt van niets naar niets. Adem ook. God. Het gedicht eindigt met een vraagteken.

Ik had er moeite mee om het gedicht te lezen, daar bij de kerk van Leens. De tekst is kloek uitgehakt, maar zo hard is Bremer zandsteen nu ook weer niet. De tijd doet zijn werk met de tekst. Die werd in 2008 aangebracht, dat is vijf jaar na de dood van de dichter. Jellema maakte de publicatie van de bundel waarin het gedicht is opgenomen niet mee. Hij overleed drie weken voordat Stemtest verscheen. C.O. Jellema ligt begraven in Saaksum, bij een kerkje waar het altijd waait.

C.O. Jellema, Stemtest. Gedichten. Querido, Amsterdam 20033

24 april 2021

Perspectief

Wat God samenvoegt, zal de mens niet scheiden, vandaar dat de GGD ons samen heeft uitgenodigd op zaterdag 24 april om kwart over elf onze prik te komen halen, en wel aan de Truus van Lierlaan numero 1.
Dat adres zegt me niets, maar mijn mobieltje verschaft duidelijkheid. Over het kanaal, bij Transwijk.
Voorbij de Daalsetunnel vraagt Mente nog of we niet over de Leidsekade moeten fietsen, maar ik houd me aan de route die de heer en mevrouw Google voorschreven.
Nu zit het venijn in de staart, want op het eind ontstaat er een conflict tussen Google en de door de GGD aangebrachte bewegwijzering. En dan zijn er nog onze eigen veronderstellingen, zodat er de laatste paar honderd meter nog heel wat te overleggen en te beslissen valt.

Het is alsof we langzaam maar zeker een andere wereld in spiralen. Dat woord spiralen is wel goed, want zo voelt het. Het begint met al dan niet misleidende borden, dan verschijnen hier en daar mensen in gele hesjes die alleen maar wijzen of nodeloos vragen of je voor de vaccinatie komt. Er komen pijlen en linten. We drijven een fuik in die eindigt in een hokje waar een jongedame een spuit in onze arm zal zetten. Maar nu ga ik iets te snel. We zijn nog onderweg, al hebben we al wel de fietsen gestald.
Vingers, pijlen en linten wijzen onontkoombaar naar een overdekte loopbrug en die gaat over water. Het strookt niet met de menselijke waardigheid om zo ingesluisd te worden. Rechts zie ik de brug die ons vanaf het voormalige veilingterrein naar de rand van Kanaleneiland bracht. Alles ziet er vreemd en vertrouwd uit. Vanaf de loopbrug herken ik ook wat er ooit was hier. En links is ook een brug, waarvan ik zojuist ontdek dat die de Paul Krugerbrug heet. Waarom stuurde Google ons niet daaroverheen? Of nog beter, waarom niet nog een brug verder, over de brug bij de Munt. Inderdaad, precies zoals Mente tien minuten geleden zei. Dat was veel korter geweest.
Als we eenmaal binnen zijn, herken ik de ruimtes waar we doorheen moeten. Natuurlijk, dit is gewoon de achterkant van de Jaarbeurs, maar dan hadden we bij de Croeselaan toch over de parkeerplaats hierheen kunnen fietsen?
We komen in een grote hal waarin witte schotten zijn geplaatst. Er is veel ruimte. De meeste mensen die ik zie zijn personeel.

Het meisje dat ons prikt is zelf nog niet ingeënt. Ze heeft er geen idee van wanneer zij aan de beurt is. Ik vind dat een beetje raar en voor haar is dat sneu.
‘Zal ik het even doen? Er is genoeg spul. Ga maar even hier zitten.’
Ze zegt wel dat ze het een goed idee vindt, maar ze maakt geen aanstalten.

We moeten nog ergens een kwartiertje blijven wachten tot we flauwvallen. Als dat niet lukt, mogen we weer weg.
Hier heb ik vorig jaar op de fiets- en wandelbeurs een Santos uitgeprobeerd, die fiets waar ik wel een heel half jaar verliefd op ben gebleven.
Als we het gebouw uitlopen, zie ik hoeveel korter onze weg hierheen had kunnen zijn als we met de fiets over de parkeerplaats van de Jaarbeurs waren gekomen. Maar we zien ook hoe een eigenwijze fietser van omtrent hetzelfde bouwjaar als wij door een hesje wordt weggestuurd. Die moet dus een stuk terug en dan een van de drie bruggen nemen. Dat is een kleine kilometer. Goed, dat weet ik dus voor de volgende keer: niet de kortste route nemen, maar wel de Leidsekade, zoals Mente meteen al zei.

23 april 2021

Les mains de ma Mente

De vierde mei van 1968 viel op een zaterdag. Die dag namen wij na schooltijd vanuit Den Haag de bus naar Naaldwijk en aan het eind van de middag, weer in Den Haag, liepen we nog even over wat wel het Zwarte Pad genoemd werd, een onverhard laantje dat de Haagweg met de Groen van Prinstererlaan verbond. Nu is het een kloeke weg geworden die deel uitmaakt van de straat waarop hij uitkwam, toen was het een paadje met sintels en kolen. Rechts had je een tehuis dat Rozenburg heette, links was een graslandje met wat geiten.
In Naaldwijk hadden we op een bankje gezeten en daar had ik het lef gehad om Mentes handen te pakken en met haar vingers te spelen. Ik vond haar handen bijzonder mooi. Slank, helder, fraaie nagels. Ik was ontzettend verliefd en bevangen door een bleuheid waar ik me nog steeds voor schaam.
Na de bus liepen we naar mijn fiets en toen waren daar die geitjes. Eentje begon aan Mentes uitgestoken hand te sabbelen, de hand die ik had gestreeld, had vastgehouden, de hand met de vingers waarmee ik had gespeeld. Verder dan die hand had ik niet durven komen. Ik zou, dacht ik, ik moet, maar ik deed niks. Dat wil zeggen: ’s avonds schreef ik een gedicht over die handen en dat geitje. Waarom was ik zo bleu? Vijftien waren we en het is niets geworden toen. Die handen bleven me bij. De handen? Het hele meisje liet me niet meer los.

Tien jaar later kwam er aan de singel een fotograaf naast ons wonen. Hij had een grote studio aan huis, waarin hij onder andere foto’s maakte voor de Tip, een toen populair culinair tijdschrift. Speciaal voor de fotoreportages van de Tip was er een keuken in de studio gebouwd en daar ging een kok aan het werk. Het resultaat van zijn kookkunsten, het is godgeklaagd, werd oneetbaar gemaakt door er een fixeerlaag overheen te spuiten. Dan behield het eten langer een voor de foto’s geschikte kleur.
De Tip bevatte recepten, maar liet ook aan de hand van foto’s zien hoe je iets moest doen. En of je nu een aardappel schilt, een ei klutst of een indrukwekkende tafelschikking verzorgt, daar komen handen bij te pas en dat waren die van Mente, want ook onze fotograferende buurman had gezien dat haar handen bijzonder fraai waren. Amy, de vrouw van de fotograaf, voorzag haar nagels van een kleurloze lak. Iedere kleur zou afbreuk doen aan de schoonheid ervan. En zo zijn de handen van Mente wereldberoemd geworden in culinair georiënteerd Nederland.
De mooiste foto vond ik die waarop zij witlof snijden. De eenvoud van compositie en handeling, de vanzelfsprekendheid waarmee de gracieuze vingers doen wat ze moeten doen.

Vanavond eten we risotto met daarin veel klein en fijn gesneden groenten. We zitten tegenover elkaar. Ik schuif mijn hand over die van haar. Ze legt ook haar andere hand op tafel. We eten even niet.
‘Ze worden we oud, hè.’
Ja, ze worden ouder. De mijne vertonen steeds meer vlekken, de huid van haar handen wordt dunner, rimpeliger.
‘Niet als ik een vuist maak. Kijk maar.’ Ze steekt twee vuisten in de lucht.
Ik kijk er naar met een fotografisch oog: het zal me weinig moeite kosten om er met een simpel fotobewerkingsprogramma weer jonge handen van te maken. Maar dat hoeft helemaal niet. Ze voelen nog even goed als honderd jaar geleden en ik houd van het patin van oud en waardevol.

‘Er zit geen witlof in de risotto,’ zeg ik.
‘Nee, geen witlof.’

22 april 2021

Leven na de dood?

De vier heertjes waren vrij snel op en daarom kochten we er bij de bakker in Leens weer een paar, twee paar zelfs, want je koopt ze per vier. Deze rondo’s graag, had ik willen zeggen, maar Mente was me voor. Zij had het over heertjes.
‘Aha, de amandelringen.’ Dat kwam van de vrouw achter de toonbank en zo stond het ook op de verpakking. Heertje, rondo, amsterdammertje, amandelring; als je de zijkanten plat drukt, worden het kano’s en sta je erop dan heten ze gevulde koek. Wonderlijk, zoveel namen voor eenzelfde soort product dat voornamelijk bestaat uit suiker, boter en meel. Zoete inval, zou ook wel een aardige naam geweest zijn.

Het woord amandelring contamineert trouwens twee verzorgingshuizen. Mijn schoonouders leefden nog korte tijd in De Drie Ringen en in mijn geboorteplaats gingen de mensen op hun vijfenzestigste naar de Amandelgaarde als het even kon, ik heb het over zestig jaar geleden. Bij Bilthoven heb je dan nog de Amandelhof en ook daar moet je oud zijn, wil je er kunnen wonen; geen 65 meer maar fors over de tachtig.
Dat dit niet met die koeken te maken heeft, begrijp ik. Heertjes, zou nog gekund hebben, maar mannen halen doorgaans een verzorgings- of verpleegtehuis niet eens, dus dat zou wat cynisch wezen.
Nu denk ik bij amandelen vooral aan de harde pitten waar een bakker wel raad mee weet , maar wat heeft dat met oude besjes te maken? Omdat ze net als die noten moeilijk kapot te krijgen zijn?
Aan amandelbloesem denk ik niet meteen en dat terwijl de straat waarin ik woon er vol mee staat, nou ja, met familie ervan, prachtige prunusbomen.

Ik kan je intussen vertellen dat tehuizen die in hun naam het woord amandel hebben opgenomen, van christelijke signatuur zijn. De kort na de winter al bloeiende amandelbomen zijn een teken van zowel kortstondigheid als eeuwigheid, waarbij de laatste betekenis zegeviert. De amandelbloesem, zou je kunnen zeggen, is de opmaat (en zo heette het tehuis waarin mijn moeder haar late jaren sleet) naar de grote zomer van de eeuwigheid. Zo zit dat dus.

Vanavond nam ik van een tafeltje langs de kant van de straat bij Vierhuizen een paar potten jam mee (jawel, ik heb geld in het busje gedaan) en omdat het kerkje nog open was, liep ik er even binnen. Het is een leuk kerkje, al vind ik de honderd jaar oude granitovloer wat vreemd. Je weet wel, waar aanrechtbladen en keukenvloeren van werden gemaakt. Je hebt ze in verschillende kleuren, maar meestal gaat het om wit en zwart, waarbij de witte scherfjes overheersen. Zo ook in het gangpad van het kerkje. Daarom verbaasde het me om ineens een concentratie van zwarte steentjes te zien. Ik schoof er achterdochtig en dus voorzichtig de punt van mijn schoen tegenaan. De vlek verschoof. Het was een dode vlinder. Ik vouwde zijn vleugels open en zag zijn oranje-zwarte tekening, maar even later, met dichtgeslagen vleugels, was hij weer een zwarte vlek.
De vlinder heeft dezelfde dubbele symbolische betekenis als de amandelbloesem: de kortstondigheid van het bestaan en de belofte van een nieuw leven zonder eind.

Waaruit maar weer blijkt dat symbolen tekort kunnen schieten, want de vlinder vond zijn dood in een vriendelijk ogend kerkje en de heertjes, de amsterdammertjes, de rondo’s en de amandelringen zijn op, allemaal.

21 april 2021

Sluitertijd

De spreekwoordelijk derde keer lukt het wel, al blijkt het te gaan om een vergissing. Zowel vrijdag als zaterdag wilden we de oude Petruskerk van Leens bezoeken. Die van het beroemde Hinszorgel uit 1734. Niet dat het ons speciaal om dat orgel te doen was, maar toch.
Onlangs is het gerestaureerd. De hele kerk heeft trouwens een onderhoudsbeurt gekregen. Vandaar ook dat we er zaterdag niet in mochten.
Vanmiddag vond ik een paar sleuteladressen en telefoonnummers, waarvan het eerste geen aansluiting meer had, het tweede uitmondde in een antwoordapparaat waarin ik geen trek had, maar nummer drie, Margreet, nam wel op. ‘Waarom ook niet,’ zei ze.

‘Dat had ik niet mogen zeggen,’ vertelde ze me een half uur later aan de deur, ‘want de kerk is nog niet toegankelijk voor publiek.’ Maar ja, ik was er nu, dus alsnog wegsturen vond ze ook zo wat.

Het was stil in de kerk. Anders dan 36 jaar geleden barstte vandaag niet het orgel uit in een afgrijselijk kabaal. Dit mag dan een van de beroemdste orgels van Nederland zijn , maar als je er een orgelstemmer op loslaat, zoals toen, kun je je lol op. Om het nog een beetje goed te maken met me rondde de orgelstemmer van toen zijn werk af met een kort stukje Buxtehude. Daarna vertrok hij en ik herinner me vooral de stilte in de kerk, en het, dankzij de niet echt witte muren, zachte licht.
Om foto’s, in mijn geval dia’s, te maken, was het handig om rolletjes te kopen met een hogere iso-waarde. Ik gebruikte 400. We hebben het nog steeds over 1985, hè. Daar werden de afbeeldingen een beetje korrelig van, maar het kon er nog net mee door. Flitsen was niks. Ik was daarom altijd in de weer met een statief, een draadontspanner en ik stak veel tijd in lange sluitertijden. Dat klinkt allemaal omslachtig, maar het waren rituelen die voerden naar meditatie, contemplatie. Ik verloor me in dat zachte licht, weet ik, en in het koperwerk, waarmee het meubilair was versierd.

Is versierd, want zo is het nu nog. Het verschil met toen is dat ik zonder statief, vrolijk en ongelimiteerd foto’s kan maken, misschien met minder liefde en toewijding dan toen, maar technisch zijn ze veel beter.Er staat een nieuwe paaskaars in de kerk, met het jaartal 2021 erop. Hoewel Pasen al een paar weken achter ons ligt, heeft hij nog niet gebrand. Zal ik, zou ik? Ik zal en zou niets! Ik had hier helemaal niet mogen zijn zelfs. Het is allemaal genade.
In het gastenboek noteer ik de datum van vandaag. De vorige bezoeker was hier begin oktober, zie ik. Ik beperk me verder tot voor- en plaatsnaam. Er liggen nog twee gastenboeken, zie ik. Nu voel ik me niet geroepen om die te gaan bekijken, maar ik kan allicht even kijken bij juli 1985. En ja hoor, die keer met dat valse orgel was op 10 juli van dat jaar. Ik noteerde toen ook nog mijn achternaam, zie ik. Ook deed ik toen iets meer mijn best op mijn handschrift. Dat moet me te denken geven.

Mente was er niet bij vanmiddag. We hadden immers al een flinke fietstocht langs de Waddenzee gemaakt, tegen de wind in. ‘Wat bijzonder dat we hier samen fietsen,’ had ze gezegd.
Op een trapje bij de kerk staat een gedicht van C.O. Jellema waarin de vanzelfsprekendheid van ‘wij’ verdwijnt. Ik blijf naar de regels staren. Ze vragen om een wat langere sluitertijd.
Jammer dat Mente er niet bij is.

20 april 2021

Beeldentuin

Even voor Ulrum zie je in een voortuin een enorme kist waaruit aan het ene uiteinde het hoofd en aan het ander de voeten steken van een meisje. In de kist zijn drie zwaarden gestoken. Hoofd, voeten en zwaarden, alles is van brons. Het is een grappig beeld, maar wel wat groot voor een grap.
Je kunt je afvragen waar het meisje net niet gestoken zou zijn door die zwaarden, maar dat dient geen doel. Van het meisje bestaan alleen het hoofd en de voeten en waar de zwaarden de kisten raken, houden ze op te bestaan. Er is geen leed in deze voortuin bij Ulrum. Dat neemt niet weg dat het meisje met haar afwezige lijf wel heel erg aangekleed oogt, daar in de kist.

Een dorp verderop lopen we langs de beelden in de tuin bij Borg Verhildersum. Allemaal blote bronzen van Eddy Roos. Allereerst doet het me plezier dat de beelden het niet koud hoeven te hebben vandaag. Natuurlijk denk ik dat niet echt of in ieder geval niet heel erg lang en toch schiet het even door mijn hoofd. En dat niet alleen, ik zeg het ook tegen Mente. Die troost me door te zeggen dat ze ‘s winters dikke witte kleren hebben en ik knik instemmend, maar ik weet wel beter. Allereerst leveren winters doorgaans meer kou dan sneeuw en ten tweede is het allemaal onzin: beelden voelen niets. Waarom kunnen we het niet laten om toch allerlei sentimenten en overwegingen op beelden los te laten?

Er is gelukkig maar één torso. Ik heb het niet op vrouwen zonder hoofd en armen en benen…
Ineens zie ik het beeld van het meisje van Ulrum weer voor me. Hoe komt het nu toch dat het zwaardenmeisje van Ulrum completer is dan de torso van Verhildershem?
Aan een borstbeeld mankeert een heel lijf met bijbehorende ledematen en dat ervaar ik niet als een gemis. Naakten roepen misschien wellust op, maar als een naakt ontdaan wordt van alle mogelijkheid tot wederkerigheid, dus ogen om je te zien, oren om je te horen, handen om je aan te raken enzovoort, dan is de lol eraf. Dat in ‘Kort Amerikaans’ de hoofdpersoon zijn seksuele heil zoekt bij een tors heeft me altijd verbaasd. Ik kan we er niets bij voorstellen.

Bij Eddy Roos zijn op die ene tors na alle beelden compleet. Eentje heet er Rachel. Een vrouw rekt zich behaaglijk uit. Maar ze staat midden in de tuin. Het beeld had ook binnen kunnen staan. Daar zou ik deze houding meer op zijn plaats hebben gevonden. Toch doet dit beeld van Rachel me nog het meest. Daarna worden het me teveel eurytmische houdingen en ik moet denken aan Duitse blootloopverenigingen, aan raszuiverheid. Er is een meisje dat erbij staat alsof ze de ballerina van Degas is, maar ze is het niet. Ik mis de vlecht. Bij alle beelden mis ik iets. Volgens mij zijn de beelden te perfect. Zo kunnen balletdansers eruit zien als je ze even onderdompelt in een bad kokend hete brons. Dat is bij een temperatuur van om en nabij de duizend graden.
Dat kan Roos heel goed. En dat is het dan ook. Maar waar zijn de hem kenmerkende hoeken of rondingen? Waar zijn zijn vingerafdrukken? Waar doet hij iets geks met het materiaal?

Bij de bakker van Leens hebben ze koffie, thee en een hartig broodje dat we kunnen opeten op een bankje in de zon.

19 april 2021

Wierhuizen

Als je de kerk weghaalt, houd je een kerkhof over. Zo is het in ieder geval in Wierhuizen. Ik had daar niet van gehoord tot het moment dat we van plan waren door te fietsen maar besloten toch maar af te stappen. Voor kerkbezoek zijn we te laat. Het dorpje werd in 1717 geteisterd door de zogenaamde Kerstvloed en dat betekende de dood van veertig mensen. Zeventien huizen gingen er aan, maar ook de kerk hield geen stand. Wel kun je nog steeds op de kerkloze hof van het gehucht begraven worden. Zelf heeft men het over een begraafplaats en dat is in dit geval beter dan kerkhof.
Dat wil zeggen, als er niet opnieuw een kerkje was neergezet. Het gaat om een nogal luchtig geval van dik betonijzer. Gezien de bouwwijze en de plaats is het woord skeletbouw niet ver gezocht. Dat moest ik even kwijt.
Als de kenner die ik ben, zag ik natuurlijk meteen dat de ijzeren kerk geen kleine, artistieke kopie is van het gebouw dat hier ooit stond. Dat is ook niet de bedoeling geweest van de ontwerper. Meschac Gaba komt uit Benin en als je daar heen gaat, om precies te zijn naar Cotonou, en je bezoekt in die plaats de Michaëlskerk, dan herken je daarin het ijzeren skelet op de begraafplaats van Wierhuizen. Het is natuurlijk omgekeerd, dat begrijp ik ook wel.
Dit luchtige frame staat er sinds 2009. Je kunt er in staan, er een paar stappen zetten en zitten is ook mogelijk. Er staan twee stoelen in de kerk en een tafel. En dat is nog niet alles, want niemand belet je om in het kerkje te trouwen. Dat hebben Mente en ik tenminste gedaan vanmiddag. Wij waren het bruidspaar, onze eigen getuigen, babs en priester tegelijk. Trouwen doen we wel vaker, meestal in bed, maar ook in een kerkje wil ik de bruid wel eens kussen. Of zij dat ook wilde? Jawel, vandaag kwam zij zelfs met het voorstel en ik zei ja. We hopen op een mooi huwelijk en rekenen daar ook wel een beetje op. Het zal in ieder geval beter zijn dan van Albert.
In die koude decemberstorm van 1717 had hij het achttiende slachtoffer kunnen worden. Zijn vrouw en vijf kinderen lieten het leven, maar Albert kreeg een stuk hout te pakken waarmee hij naar Ulrum dreef. Daar joeg een golf hem in de top van een boom en dat herhaalde zich. Hij kwam nu in een boom in een tuin terecht en heeft het kunnen navertellen. Volgens het informatiebord bij Wierhuizen schijnt deze Albert gezegd te hebben dat hij ‘nooit in zijn leven een gelukkiger dag’ had dan ‘de dag dat hij zoo ineens van de zorgen van zijn gezin was ontslagen.’ Misschien waren op hun beurt zijn vrouw en kinderen wel blij om eindelijk verlost te zijn van deze man.
Voor ons huwelijk hoeven wij niet meer op kinderen te rekenen. Die zijn er al en die hebben we jaren terug de deur uit geschopt. Dat klinkt hard, maar haalt het niet bij de verzuchting van Albert.

18 april 2021

Aan de haak

Er moet wel gewerkt worden en daarom maken we een wandeling door het gebied van Lauwersoog, mijn lief en ik.
Eerst een stuk langs de dijk en na een kilometer of wat begint het grote dwalen door het nieuwe land. Mijn dikke vest zit dan al in de rugzak en ik zal niet zeggen dat ik er spijt van heb niet mijn korte broek te hebben aangetrokken, maar mijn benen hadden dat wel fijn gevonden. We zien Schiermonnikoog en memoreren de wandeling in de regen die we daar maakten en de tas die we vergeten waren. Ik vertel Mente dat ik hier vorig jaar met Aat liep en na een half uur ontdekte dat ik mijn camera niet meer bij me had. Aat liep niet mee terug, maar nam de tijd, zei hij, om even te plassen. Ik vond na twintig minuten snelwandelen mijn camera terug op het bankje waar we even hadden gerust. En toen weer terug.
‘Klaar met plassen?’ riep ik.
‘Ik hoefde niet.’

Na vijf kilometer loop ik doorgaans zonder lijf, zeg maar. Wandelen gaat vanzelf. Er zijn alleen nog ogen en gedachten elders. Nu loop ik achter Mente en ik zie dat haar rug en haar schouders iets minder fier door het leven gaan dan in het vorige millennium, al glanst ze wel bijzonder mooi. Het licht valt goed op haar. Zij doet het uitstekend in dit voorjaarsbos. Ze loopt uit, denk ik. Ons wacht opnieuw een mooie zomer.
Zo zijn er nog meer mooie gedachten, maar ik merk ook dat ik wat rechter ben gaan lopen. Al valt er op dat punt bij mij niet veel eer te behalen.
‘Jij kunt tenminste zeggen dat je broer rechter is,’ zei mijn vader regelmatig.
Zo is het nog steeds. En toch loop ik nu rechter dan anders.

In precoronale tijden werden dirigenten ervoor betaald om bij koorrepetities te vertellen dat je rechtop moest staan. ‘Uitrekken, strekken, rechtop, alsof je aan een haakje op je hoofd bungelt.’
Ik zie dat altijd voor me, die veel te zware kerstboomfiguren die een haak in hun schedel geschroefd kregen om in een boom te kunnen bengelen. En daaraan moet ik denken terwijl we door het nieuwe land van Lauwersoog lopen.
Een simpele haak met schroefdraad zal niet werken. Aan de binnenkant van de schedel moet een moer worden aangebracht en de haak moet een bout zijn. Vanwege het gewicht moet je een behoorlijk dikke bout gebruiken en omdat de forse bout toch operatief moet worden ingebracht kun je meteen ook maar beter een flinke ring aanbrengen om tussen de moer en het uiteinde van de bout te schuiven, zodat het gewicht een beetje verdeeld wordt als je hangt en het niet allemaal moet afhangen van het stuk schedel direct rondom het gat. Het is maar een tip. Hoe je dat moet doen, dat inbrengen, kan ik je zo een-twee-drie ook niet zeggen. Dat vergt nog kilometers denkwerk.
Zo’n haak is onpraktisch voor iemand die graag een petje draagt, al was het maar om te kunnen genieten van de momenten waarop je het afzet en even je kop kunt krabben. Zoiets gaat doorgaans vanzelf. Met haak wordt dat een gedoe. Ik moet er niet aan denken, zo’n haak. Het zou bijna een reden zijn om uit jezelf rechtop te lopen, zodat je geen last hebt van de druk op de schedelpan wanneer je even dreigt te gaan bengelen.
En zo wandel ik bij Lauwersoog, met opgeheven hoofd in een poging tot kaarsrecht, een beetje ontdaan vanwege die haak, maar ook blij met mijn petje en dankbaar voor de glanzende vrouw voor me.

17 april 2021

Zuurdijk

Bij Zuurdijk namen we afscheid, William en ik. We keken nog even naar de zwaar gehavende staat van de muren van het oude kerkje. Wij hadden heel aardig weer die dag, maar de muren zagen er onherstelbaar verregend uit. Hij sloeg rechtsaf om met een bocht naar Grijpskerk terug te keren, ik zou nog even een paar keer om de kerk drentelen, heel voorzichtig uiteraard, daarna zou ik verder fietsen via Leens en Ulrum. Dat was in 1985.
Vandaag ben ik er weer en anderd dan toen keer is het kerkje nu wél open. Van buiten ziet het er keurig uit. Niets herinnert meer aan de erbarmelijke staat van toen. Niets, zeg ik, maar dat klopt niet helemaal. Weliswaar ziet het kerkje er van binnen ook fraai en aangenaam en droog uit, maar op een gelamineerd blaadje papier lees ik van Alie Hoeksema.
Zij maakte quilts en haar mooiste hangt hier in de kerk. De Kringloop heet het. Alie overleed op zestigjarige leeftijd, in 1999, en dat laatste maakt duidelijk waarom het werkstuk waar zij zo trots op was die naam kon hebben. Nu zou ze dat niet meer gedaan hebben. Mogelijk zou ze nu gekozen hebben voor Circle of Life. Dat klinkt intussen wat gedateerd en bovendien zit je voor de rest van de dag met Elton John in je hoofd, maar om je meesterstuk Kringloop te noemen, is ook zo wat. Overigens, geen kwaad woord over Elton John en ook niet over winkels voor allerhande tweedehands goed.En al helemaal niet over het wandkleed van Alie Hoeksema. Twintig jaar na haar dood hangt het er nog prachtig bij. Ik geloof niet dat het verschoten is, maar – en dat is belangrijker – vocht heeft er op geen enkele manier vat op gekregen. Ik weet zeker dat Alie rekening heeft gehouden met de mogelijkheid van inwerkend vocht. De laatste twintig jaar van haar leven woonde zij in Zuurdijk en ik lees: ‘Zij beheerde het kerkje dat toen nog niet was gerestaureerd en dat kleddernat was.’ Kleddernat staat er.

Het gelamineerde a4’tje vertelt dat zij iedere ochtend naar het kerkje liep om de deur te openen en ‘s avonds ging ze er weer heen, nu om de boel af te sluiten. Dat eerste had ze nog niet gedaan toen William en ik in de zomer van ‘85 kwamen aangefietst en een poging deden om het kerkje van binnen te bekijken. Dat zal tussen tien en half twaalf geweest zijn. Wij hadden haar daar zomaar kunnen treffen terwijl ze een sigaretje zat te roken, want dat deed ze, telkens als ze bij het kerkje was. Ze had er zelfs een eigen asbak, lees ik, en die staat nog steeds ergens in het gebouw. Ik heb er niet naar gezocht. Ook heb ik op het kerkhof eromheen niet even gekeken of ik haar steen ergens zag en dat neem ik me wel een beetje kwalijk, maar het is niet anders.
Maar stel je eens voor dat wij haar wel hadden getroffen in 1985. Dan hadden we gedrieën kunnen roken. Volgens mij rookte William toen pijp, net als ik. Ik vermoed overigens dat we zo ongeveer in hetzelfde jaar daarmee gestopt zijn, met roken, zij het niet om dezelfde reden.
In haar Kringloop kom je de sterrenbeelden tegen, geboorte, oorlog, liefde, vreugde en dood. Ik mis erin het wandelingetje naar de kerk, het eeuwige sigaretje.
Maar het kerkje staat er prachtig bij, het is er beter aan toe dan in de tijd van Alie en het is een waardige bewaarplaats voor haar meesterstuk. Daar kan geen asbak en geen eventuele grafsteen tegenop.

16 april 2021

Met tuimelraam

De blokhut waarin wij ons hebben teruggetrokken is groter en comfortabeler dan ik had gedacht. En ook hoger. En je kunt in de eethoek languit op een bank liggen. Die is wel wat smal, maar over de lengte ervan hoor je mij niet klagen. Rondom ons is de uitgestrektheid van het Groninger land, maar het houten huisje wordt omgeven door bomen en struiken die helemaal klaarstaan voor een nieuw voorjaar. Alleen een beuk staat vol in blad, maar dat is blad van vorig jaar. Overigens zie je die beuk niet als je op dat smalle bankje ligt.
Dan zie je door een hoog tuimelraad wél de uiteinden van takken die zo vol in knop staan dat daar ongetwijfeld nog iets moois mee gaat gebeuren de komende week. Vraag me even niet van welk merk die boom is. Misschien kan ik daar op een ander moment iets verstandigs over zeggen.

Die hartveroverende knoppen zou ik niet gezien hebben, en ook de takken niet, als er niet een vogeltje op een daarvan was gaan zitten. Het musje had meteen mijn aandacht. Zonder dat musje zou ik die takken dus niet gezien hebben, dat wil zeggen: ze zouden niet tot me zijn doorgedrongen. Maar dat vogeltje zag ik meteen. Of het echt een musje was? Vertel mij hoe een mus eruit ziet. Ze zaten op de rand van mijn wieg toen ik geboren werd en als kleuter moest ik eerst altijd alle mussen uit mijn zakken halen voor ik mijn jasje aan kon, bij wijze van spreken dan. Maar er is iets aan dit ranke vogeltje dat me aan het twijfelen brengt. Plots is het weg.

Dan pas zie ik de knoppen en het onweerstaanbare voorjaar dat daarin woelt. Vervolgens stel ik met tevredenheid vast dat ik ook niet had voorzien dat de blokhut een kantelraam zou hebben en dat dat wel erg gunstig is voor de lichtinval in het huisje, en ook dat het een onverwacht uitzicht geeft op een paar takken met knoppen en een enkele keer een vogeltje.

Het raam brengt ook onrust met zich mee. Want hoe zou je dat raam open kunnen krijgen?
Het is gedaan met de rust na een lange fietstocht. Ik sta op van de bank en ga op zoek naar een stok met een haak. Alleen daarmee kun je volgens mij het raam open krijgen. Zo’n stok is er niet, waar ik ook kijk. Schuif je de tafel onder het raam en ga je daar op staan, dan nog kom je niet bij de sluiting van het raam. Dat hoef ik niet eens uit te proberen. Dat zie ik zo wel. Maar nu zie ik ook dat een stok met haak geen soelaas geboden zou hebben. Je hebt een trap nodig, om erbij te kunnen én om de sluiting met je hand een kwart slag te draaien. Een trap is al helemaal nergens te bekennen. Dat geeft niet; het raam hoeft helemaal niet open.

Het stelt me niet teleur. Ik ben juist blij met de hoogte van de hut. Dat had ik er op de foto’s niet van af gezien.
Wat een luxe al met al. Een tuimelraam met uitzicht op takken in knop en af en toe een vogeltje, een uitzicht dat doet denken aan een ingekleurde tekening uit Japan.

15 april 2021

Presse-papier

Het kostte me wat moeite voor ik doorhad hoe ik de camera van mijn laptop een draai van 180 graden kon laten maken, zodat die op mijn gezicht gericht stond en niet meer op de presse-papier achter het scherm. Daarvan staan er twee op mijn bureau. Allereerst is er het strijkijzertje dat ik vijftig jaar terug kocht op een rommelmarkt; zo’n geval dat nog veel langer geleden op een kachel moest worden verwarmd. Geen echte presse-papier dus, maar wel handig.

De andere is echt. Op een houten blokje van tien bij tien bij tweeënhalf waarvan de bovenrand is afgeschuind, is een bol bevestigd, met een doorsnede van zevenenhalve centimeter. Die bol is ook van hout, opgebouwd uit tien schijven van verschillende houtsoorten. Het gaat waarschijnlijk om tropisch hout. De voet is van palissander en dat geldt ook voor een en misschien twee schijven. Het geval had zomaar de bovenkant van een oude trapleuning kunnen zijn, maar dat is het niet en het is het ook nooit geweest.

Tientallen jaren stond hij op het bureau van mijn schoonvader, maar nu hij en zijn bureau er niet meer zijn, vind je het bij mij. Of de presse-papier gefunctioneerd heeft indertijd? Ik weet het niet. Het ding is nooit onderwerp van gesprek geweest. Daarom weet ik ook niet hoe het op het bureau van Mentes vader kwam, wie de gever was, wat de herkomst is en hoe oud het geval is. Ik geloof niet dat ik er ooit papieren onder heb zien liggen. Wel herinner ik me dat hij de laatste jaren niet meer op het bureau stond maar in de boekenkast terecht was gekomen, op een stapeltje boekjes. Het is een leuk ding om naar te kijken.

Maar voor het begin van die zoomsessie deed ik er dus van alles aan om hem uit beeld te laten verdwijnen en onzichtbaar te maken achter het scherm van de laptop en dat lukte. Naderhand vroeg de presse-papier toch om mijn aandacht. Ik zei het al, het is een leuk ding om naar te kijken en daarom vind ik het nu ook wel een beetje jammer dat ik er niet meer van weet. Maar ik kan me voorstellen dat mijn schoonvader ooit naar het ding keek terwijl hij achter zijn bureau zat te telefoneren, in zijn ene hand de hoorn van de telefoon, in zijn andere een pen, of briefopener, of hij stak weer eens een sigaret op. Misschien gaven de eenvoud en zuiverheid ervan hem wel enige rust tijdens een onverkwikkelijk gesprek.

Of hij ook al gebruikt werd om op een stapeltje papieren te zetten, weet ik dus niet, maar bij mij is dat wel het geval. Hij houdt de memoblaadjes van de week bij elkaar.
Van de week, vraag je?
Jawel, van de week, maar dat is weer een heel ander verhaal. Vandaag wil ik me beperken tot de presse-papier van mijn schoonvader die zelfs even onderwerp van gesprek is geweest vóór het begin van een videovergadering.

Je had die camera misschien beter op dat ding kunnen laten staan, zeg je.
Ja, dat had gekund, maar dat is niet gebeurd.

14 april 2021

Over en anders

Als ik Esther Gerritsen was, zou ik het boek Superduif niet laten herdrukken, als het daar al voor in aanmerking zou komen. Je kunt het een novelle noemen omdat het te weinig vlees op de botten heeft om een roman te heten, maar ook is het geen verhaal. Daarvoor hangen er net teveel niet uitgewerkte toeters en bellen aan. Als aanduiding is novelle weer te veel eer voor iets dat vlees noch vis is.
En dan is er nog de stijl.

Als ik Esther Gerritsen was, zou ik het boek wel herschrijven, zonder eerst nog eens deze versie te herlezen. Die duif waaraan het boek zijn titel ontleent, zou ik er al helemaal uitgooien en de hoofdpersoon moet een andere naam hebben. Karakters moeten meer uitgewerkt worden, de lezer moet meer te horen en te zien krijgen van de omgeving. Het is een mislukt boek.
Maar met een gegeven dat goed genoeg is voor een prachtig boek en Gerritsen is ongetwijfeld in staat om er iets beters van te maken.

De twaalfjarige Bonnie gelooft in haar eigen escapistische droom dat ze af en toe een duif wordt. Voor een lezer wordt ze daarmee volstrekt onacceptabel, jammer, jammer, maar blijkbaar niet voor haar vriendinnetje Ine. Als duif meent Bonnie in staat te zijn mensen te redden en dat laatste past wel weer bij een serieus kind, de wereld redden.
Zoals ook het tegendeel past. Als Ines grote broer verongelukt, zoekt zij onmiddellijk haar heil bij Bonnie. In het boek lees ik:
‘De volgende dag zei ik onze vriendschap op.’ En twee bladzijden verder lees ik ‘’Ik heb geen flauw benul,’ zei ik, ‘van wat jij nu doormaakt. Sorry… ik weet hier niets van. Ik zou niet weten wat ik zou moeten doen.’

Dat vond ik sterk, schokkend en sterk. We weten intussen alles van monden vol tanden als iemand intens verdrietig is en ook dat wat gezegd wordt nog wel eens pijnlijk treft en zo. En ook dat je er alleen maar hoeft te zijn voor die ander en meer van die ongemakkelijke opmerkingen. Dan is de reactie van Bonnie wel zo verfrissend.

Drie bladzijden later begint een volgend hoofdstuk zo: ‘Omdat Ine had bepaald dat ik haar begreep, begreep ik haar.’ Dat is een korte samenvattende conclusie van het vorige hoofdstuk. En ook dat vind ik jammer, want zo wordt binnen de kortste keren een prachtige angel uit het verhaal getrokken en die angel had iets moois kunnen opleveren wanneer Gerritsen hem wat langer had laten zitten.
Nee, ik zou het gegeven niet gebruiken voor een heel ander boek, ik zou dit boek uit 2010 opnieuw schrijven; dat mag desgewenst inclusief die wereldvreemde maar belezen ouders, het schrijftalent van Bonnie (maar dan niet meer met die hondennaam), de zelfmutilatie, het onvermogen om zichzelf en anderen te accepteren en nog het een en ander. Maar wel heel anders.

PS Hoe ik ineens op dit boek kom dat Gerritsen nota bene tien jaar geleden al uitgaf?Omdat het ook al tien jaar bij ons in de kast staat. Het kwam er nooit van maar nu heb ik het gelezen. Gevalletje corona.

12 april 2021

BBB

Liesje is in een BBB-state of mind. Ik zie het aan de manier waarop ze de school uitloopt. Een paar uur geleden kreeg ze haar buitenboordbeugel. Voor haar vader waren er de instructies over de manier waarop die kan worden losgepeuterd en weer kan worden ingedaan. Een beugel doe je in. Liesje mocht kiezen: of meteen terug naar school of even naar huis voor de boterham en daarna alsnog naar school of alvast naar opa en oma. Zij koos voor de tussentijdse boterham en ze kan me vertellen dat papa dat goed kan, de beugel uit en weer in doen. Daarbij is het handig als Liesje ligt, had de orthodontist verteld.

‘Dan kan papa tenminste zijn voet of zijn knie op je buik zetten als hij die beugel moet losrukken,’ veronderstel ik. Maar zo zit dat niet.

Overigens loop ik op de zaken vooruit. Liesje informeert me weliswaar uitgebreid via haar beugelbekkie, maar dat gebeurt pas als ze bij me is en nu loopt ze nog over het schoolplein naast een jongetje met wie ze een paar jaar geleden vaak speelde, maar vanaf de kleutertijd worden kinderen minder genderneutraal. De nieuwe beugel brengt ze weer wat dichter bij elkaar en het kan niet anders of hun gesprek gaat over dat ding.


Haar hele lichaam staat ernaar. De kin trekt ze naar achter en naar beneden. De nek is rechter. Haar rechte rug lijkt nu helemaal geen welving meer te kennen. Het kan dan ook niet anders of haar binnenwerk is volledig op de beugel afgestemd, zoals ik zei: het is a state of mind.

En dat heeft alles te maken met een overbite die mij nog niet zo was opgevallen, maar ik ben van andere tijden.

Het is voor haar eigen bestwil, praat ze grote mensen na. Over een jaar staan haar tanden en kiezen keurig in het gelid. Dat vertelt ook als we thuis zijn en haar broertje van twee naar de beugel grijpt om daar het fijne van te weten. Ze schrikt. En daar schrikt Tommy weer van, maar hij begrijpt: met Liesje is iets serieus aan de hand en hij moet verre van die beugel blijven.

Ook Klaas is wel onder de indruk. Hij laat het niet zo merken, maar als ook hij de school uit is gelopen en hij onmiddellijk een claim legt op de stoel naast mij, doet hij niet moeilijk als ik zeg dat hij achterin moet en dat Liesje voor mag zitten.


Het eten van die boterham thuis krijgt een mythische betekenis en ik begrijp dat het haar enorm geruststelt dat papa bij haar die beugel al een keer heeft uit en ingedaan. Dat zou anders een punt van zorg zijn geweest, vooral omdat het haar zelf nog niet lukt.

In de auto vertelt ze ook alvast dat haar broers best mogen snoepen als ze bij ons zijn, maar dat papa heeft gezegd dat er voor haar dan maar een zakje of doosje moet komen, voor de gemiste koek en chocolade. Dan mag zij snoepen als de beugel uit is. Maar dat zal ze dan niet doen als die jongens ook wat zouden willen hebben, zegt ze, dus dat doet ze wel als Klaas naar voetbal is bijvoorbeeld. Ook in deze state of mind is ze een trouwhartige kind. In gedachten hoor ik Billy Joel zingen, maar in plaats van New York zingt hij ‘I’m in a BB state of mind.’ Nee, hij zingt ‘boigel’, met een zachte k.
Een heel jaar lang zo’n frame om je bakkes. Ik heb met haar te doen. De eerste uren heeft ze glansrijk doorstaan.

11 april 2021

Veertien op een rij

Even verderop staan veertien tot aan de strot met papier gevulde vuilnisbakken, twintig tot dertig meter uit de hoek van de straat, rechts van ons huis. Dat hoort ook zo volgens een tegel met daarop de afbeelding van een kliko. Het is nu zondagavond en de bakken staan er vanaf donderdagavond of vrijdagochtend. Toen zouden ze geleegd worden, vanwege tweede paasdag vierentwintig uur later dan anders.
Je kunt je bak ook op de hoek links van ons zetten, maar dat is twee keer zo ver lopen. Daarom zet de helft van de bewoners van ons gedeelte van de straat de bakken links en de andere helft doet dat rechts. Die aan de linkerkant werden wel geleegd afgelopen donderdag. Daar staan de bakken dichter op de hoek.
Verderop in de straat werden vrijdag oude dakkapellen verwijderd en nieuwe geplaatst, met behulp van een hoogwerker. Zodoende zagen we meer auto’s achteruit langs ons huis rijden dan vooruit. De vuilniswagen zagen we helemaal niet. Die had allang in de gaten dat hij er niet door kon. Nu is dat amper een probleem: vuilniswagens negeren hier sowieso de verplichte rijrichting en dat kan ook makkelijk, want er komen niet veel auto’s langs. Pakketbusjes, de vuilniswagen en een auto van deverkeershandhavers die op zoek zijn naar inkomsten, dan heb je het wel gehad. Maar goed, geen vuilniswagen dus. Was het een gebrek aan betrokkenheid? Onnozelheid? Verborgen rancune? Het kan allemaal. Geen vuilniswagen maar wel volle bakken.

Toen ik vrijdagochtend - de hoogwerker was er nog niet - nog wat karton kwijt wilde in de eigen bak aan de straat, bleek die al vol te zitten. Terwijl ik de avond daarvoor een half volle kliko had neergezet. Dat was, blijkt nu, nog maar het begin, want toen ik zojuist langs de bakken liep, zag ik dat er al heel wat deksels niet meer dicht konden.
De bakken staan er namelijk nog steeds. Als een stil, maar zinloos protest, want geen vuilnisman in de wijde omgeving die zich hiervoor interesseert en het is nog maar zeer de vraag of iemand de gemeente een seintje gaf. Wel hebben alle bewoners heel bewust hun papierbak laten staan. De volgende papierlichting volgt pas over drie weken!

Het is zondagavond en dus moeten morgenochtend de bruine bakken aan de straat. Dan is het gft-afval aan de beurt. Vreemd genoeg staat er aan onze kant van de straat nog geen enkele bruine bak klaar, terwijl het al tegen achten loopt. Aan de ander kant van de straat staan ze al wel, maar daar staan uiteraard geen papierbakken vergeefs te wachten.

Het kan niet anders of straks en in ieder geval morgenochtend krijgen we hier te maken met een kliko-infarct dat zijn weerga niet kent. Er hoeft maar iets te gebeuren en de boel loopt finaal uit de hand, want donderdag zijn blik en plastic aan de beurt.

Ik voorzie een klassenstrijd waarbij de grote, rijke witte mannen woedend hun recht claimen op een geleegde bak, terwijl slecht betaalde, in andere wijken wonende vuilophalers het niet langer pikken om steeds maar voor dat goed verdienende volk daar in Tuindorp opzij te moeten, nu weer omdat ze voor een paar decadente dakkapellen precies de dag uitkiezen waarop een vuilnisman gewoon efficiënt zijn werk moet kunnen doen. En geen witte kakmeneer of –madam die een bak een keertje honderd meter verderop neerzet. Nee, dat zoeken die vuilnismannen zelf maar uit.

10 april 2021

Conrectorenclub

Lies en ik wonen honderd meter bij elkaar vandaan, maar ontmoeten elkaar vandaag via een laptop. Als ik de Zoommeeting inschakel, zit ze al klaar, haar neus op het scherm, de ogen achter haar leesbril schieten alle kanten op, want o, doet ze het wel goed? Ze doet het goed.
Ik niet. Krijg de camera niet op mezelf gericht. Intussen schuift Boxtel aan en word ik gebeld door de dochter van Lies om me vertellen hoe ik de camerastand kan corrigeren. We zouden met negen zijn, vanmorgen, maar met merkwaardig kabaal, beeld dat stilstaat, verdwijnt, weer verschijnt, gepiep, gezang lijkt het soms uit interstellaire sferen, komen af en toe tekenen vanuit Maastricht tot ons. Maastricht zou er niet bij kunnen zijn vandaag, maar heeft een afspraak omgezet. Via een hulplijn in Amerika komt het ook goed met Maastricht.

Ruim dertig jaar zien we elkaar jaarlijks, vorig jaar ging dat voor het eerst niet door. Nu proberen we de videotelefoon.
‘Ik herken jullie allemaal nog,’ zegt Friesland.
‘Het duurt nog geen minuut,’ vertelt Boxtel. ‘Je kijkt heel even wat vreemd naar elkaar, maar binnen de minuut is het oude beeld weg en is dat nieuwe oude gezicht een vertrouwd oud gezicht geworden. Alsof het altijd al zo was.’
Ik weet niet of het waar is. Ik vind ons oud geworden. Ooit volgden we als schoolleiders een cursus en de chemie tussen de deelnemers uit het hele land zorgde ervoor dat we elkaar zijn blijven ontmoeten. We zijn nu tussen de 84 en 63. Drie jaar geleden waren we nog voltallig. Nu is er een overleden, een tweede zit in een verpleeghuis, drie en vier haakten af, maar de anderen richten zich op de ontmoeting van volgend jaar.

Hier kolkten lump sum, de aanmeldingen, de invoering van ICT, verbouwingen, fusies, kerndirecties, basisvorming, Tweede Fase, Verzorging en Techniek, roosters, internationaliseringen, veertig, vijftig of zestig minuten, blokuren. We hielden het hele voortgezette onderwijs jarenlang tegen het licht.

‘Ik wil nog een keer vlammen,’ zegt de eennajongste uit Scheveningen.
‘Ik wil nog een jaar gewoon lesgeven en ben daarom uit de directie gestapt,’ zegt de jongste. Zij wil niet meer vlammen en zou liever een boek lezen, net als de anderen.
Maar de meesten lezen nauwelijks meer. De concentratie is weg. Er is onrust, verdriet ook dat afleidt, getob met gezondheid.

We laten elkaar ruim aan het woord.
We zijn veranderd. We zijn echt anders geweest en je kunt het ook zien.
‘Je bent nog steeds mooi!’ zegt Boxtel vrolijk tegen de jongste. Hij houdt de moed erin. Dat deed hij altijd al. Opgewekt en onconventioneel. Ik houd van Boxtel.
Boxtel is ook de fanatiekste lezer van het stel. Maar dat lukt hem dus niet, nu er al een jaar een foto bij hem op de kast staat, met een doosje en daarnaast altijd een vaasje met rozen. Daar kijkt hij naar.
‘Alleen zijn went niet,’ zegt Gouda.

Om twaalf uur houdt het op. We zijn nog niet klaar.
Zojuist vraagt Boxtel via de app of Het Mussolinikanaal van Antonio Pennacchi de moeite waard is.
‘Een schitterende roman,’ appt Gouda terug.

09 april 2021

Lunch

Dit schiet niet op. Besluit ik om een tien bladzijden durende cyclus gedichten te lezen van Les Murray, blijf ik al hangen bij de eerste regels. Het gaat om The Buladelah-Taree Holiday Song Cycle. Ik kan nu natuurlijk juichend gaan zitten beweren dat dit nu precies is wat poëzie met je doet, en ik hoop ook dat mensen die dit lezen zo’n opmerking óf beamen óf ter harte nemen door onmiddellijk een gedicht te gaan lezen. Maar de vlucht die mijn gedachten al na een paar regels nemen, is veel aardser, banaler. Dat spijt me. Ik was zo graag al lezend in geestelijke zin een andere kant op gegaan. Dat kan heel goed bij Les Murray. Zijn gedichten zijn als hijzelf: groot, zwaar, alledaags, woorden staan met hun poten in de modder en op hun kop hebben ze een zowel versleten als verschoten baseballcap.
Maarrrrr, bij dit verbale stampen op de grond ga je langzaam zweven. Hoe langer je leest, hoe langer ze mogen voortduren, die gedichten van Murray.

En dat ging dus bij de eerste regels al mis. Ik lees:
‘The people are eating dinner in that country north of Legge’s Lake;
Behind flywire an venetians, in the dimmed cool, town people eat Lunch.’


Er kwam een moment dat wij thuis tussen de middag niet langer warm aten. De schuld daarvoor moet gezocht worden bij mijn zussen, denk ik. Toen zij naar Den Haag fietsten om daar hun verdere onderwijs te volgen, zal er besloten zijn om warm en brood voortaan om te wisselen. Ik zal dus een jaar of zeven geweest zijn, toen. Daarom roept de gedachte van rode bietjes met speklapjes tussen de middag nu alleen maar onbegrip en zelfs een beetje weerzin op.

Dat geldt niet voor bloemkool of bonen met een riant stuk vlees en dat komt, voortschrijdend inzicht na twee regels poëzie, doordat wij op zondag wel warm bleven eten tussen de middag.En dat, realiseer ik me nu, gebeurde dus ook bij Dirk. Ik at op een zondagavond bij Dirk toen er iets met een ei was. Om een of andere reden kleeft aan dat ei een warme maaltijd, maar dat is helemaal niet zo. Het was zondag en dus had men net als bij ons vastgehouden aan de oude gewoonte van een warme maaltijd tussen de middag en brood om zes uur. Ik vond het al zo sneu: een ei bij de warme maaltijd, was dat in plaats van vlees? Zoiets kon toch niet op zondag? Nee, dat kon niet en zo was het ook niet. Een warm eitje bij je brood daarentegen is iets feestelijks.
Wat er met dat ei aan de hand was? Niks. Wel met mij en ik schaam me nog. Ik was nota bene de gast, maar met veel vertoon liet ik zien hoe je een eitje tikt door het stevig tegen mijn voorhoofd te slaan, rechtsvoor, om precies te zijn. Ik voel het nog. Het brak inderdaad en de dooier van het zachtgekookte en zojuist verongelukte eitje, maar ook wat eiwit, gleed langs mijn gezicht, over mijn wang, in mijn hals, over het boordje van mijn bloes en over mijn mooie donkerblauwe sweater.
De hele familie brulde van het lachen.
Toen ik in de keuken bezig was de schade weer enigszins te herstellen, riep Dirks vader dat ik straks zíjn eitje ook wel mocht proberen.

Ja, de poëzie nam me onmiddellijk mee op haar vlucht, maar deze middag was het dus niet een vlucht naar en door het ijle, ongrijpbare rijk der transcendentie, dat toch ergens zijn moet.

Les Muray, De plankenkathedraal. De Harmonie 2013

08 april 2021

Uitzicht op graf met uitzicht

In het maartnummer van het tijdschrift van de Groninger Kerken gaat het om de directe omgeving van oude kerken, dus ook over kerkhoven zoals die van Toornwerd, een klein dorp bij een goeddeels afgegraven wierde met daarop de toren van een lang geleden afgebroken kerk. Er gaat van de bewoners veel liefde naar deze plek. Zo lees ik ‘Ger verhuisde in 1992 van Middelstum naar Toornwerd. Middelstum werd hem te druk. ‘Tijdens de bouw van ons huis, zag ik vanaf de steigers mijn eerste begrafenis hier. De klokken luidden. Ik besloot meteen dat ik hier ook begraven wilde worden, met uitzicht op mijn huis.’ Ook Huib van der Stelt en zijn vrouw hebben hun graven al gekocht, nog net de laatste twee naast elkaar. Zij hebben zelfs al even proefgelegen om hun toekomstige uitzicht uit te proberen.’
Ik mag hopen dat ze naast elkaar komen te liggen, liefst graag hand in hand, maar dat zal wel niet kunnen.

Van de grootvader die ik niet gekend heb en wiens grafsteen ik onlangs opknapte, weet ik dat hij in de jaren voor zijn dood graag de nieuwe begraafplaats bij zijn wandelingetjes betrok. Hij heeft aangegeven waar hij begraven wilde worden en daar ligt hij al heel lang. Samen met zijn Cato. Wat haar rol was in de besluitvorming is me niet bekend. Wel weet ik dat ze daarmee jaren later zicht kregen op het huis van hun jongste zoon en diens gezin en in de stilte van de nacht zouden zij, mijn grootouders en mijn ouders met elkaar kunnen praten zonder hun stem te verheffen.

Dit is allemaal flauwekul. Als je dood bent, doen de zintuigen het niet meer. Dood is dood. Toch zit ons een hardnekkig sentiment in de weg. Op het kerkhofje van het Friese Sybrandahus staat een stenen bankje bij de kerkmuur, aan de zuidkant. Je hebt er een mooi uitzicht. Ik ben er al een paar jaar niet geweest, maar heb het regelmatig gezien. Jarenlang dacht ik dat het bankje een grafmonument was, wat me er niet van weerhield om af en toe te gaan zitten. Mogelijk heb ik de dode die eronder lag ook nog wel eens bedankt voor het gebruik van zijn bankje. Daar heb je het weer, dat hardnekkige sentiment. De laatste keer dat ik er was, kreeg ik te horen dat de eigenaar van het bankje nog leefde. Hij woonde, meen ik, in de stad Groningen, maar had deze plek uitgekozen en gekocht om er later begraven te worden. Hij had er het bankje alvast neergezet en af en toe bezocht hij de plek waar hij straks terecht zou komen, maar waarvan hij nu alvast kon genieten door op het bankje te gaan zitten.

Van mijn verre Haagse neef weet ik dat het perspectief van een postmortaal bestaan hem bezig houdt. Dat kan er een karaktertrek zijn, maar zijn lichamelijke conditie en zijn geloof nodigen er ook toe uit. Nu weet deze neef dat ik onlangs de belettering van het graf van mijn grootouders heb opgeknapt, voor hem zijn dat een oudoom en – tante. Misschien bracht dat hem er toe mij vandaag een foto van het graf van zijn ouders te sturen. Zij hebben een liggende steen. Maar op het graf stáát ook een steen, met de namen van de verre neef en zijn vrouw inclusief geboortedata. Hun koffers staan zogezegd al klaar.
Ik kan ze vertellen dat ik een aantal uitstekende watervaste viltstiften in huis heb om de sterfdata toe te voegen, als het zover is. Dat is nóg een zorg minder.

07 april 2021

Fruitvliegje

Dank je, ik knap weer aardig op. Maar wat ik allemaal heb moeten doorstaan! Alleen dit al: was het vrijdag? was het zaterdag? Hoe dan ook, ik lag overdag amechtig te bed en hapte naar adem toen er vlak voor mijn gezicht een fruitvliegje voorbij dwarrelde. Ik zag het, zeg maar, op het moment dat ik het niet meer zag. In plaats daarvan kriebelde er iets in mijn keel. Ik moest hoesten en slikken. Het vliegje heb ik nooit meer gezien. Ik denk dat het slikken hem fataal is geworden.
Ik weet het wel zeker. Nu was de hoestbui niet bijzonder ernstig en dus kon ik me even later in alle rust afvragen op welk moment het vliegje de geest gegeven zou hebben. Was dat al in mijn keel? Zou ik hem met mijn stembanden hebben doodgedrukt? Werd hij even later slachtoffer van de peristaltische bewegingen van mijn slokdarm? Hij zal toch niet levend in mijn maag terecht gekomen zijn om daar overweldigd te worden door bittere zuren en andere sappen? En zo ja, zou hij dan pogingen gedaan hebben om terug te keren, opnieuw langs de keel om vervolgens de vrijheid in gehoest te worden? Nee, dat kon niet.

Gisternacht denderde ik al heel snel in een diepe slaap, zoals meestal. Tijdens een droom waarin mijn dode moeder en dode zus een levendige rol speelden en ik door een raam en over een kade schreeuwde naar iemand aan de overkant van de vaart, verslikte ik me. Ik schoot meteen overeind om een tijdlang onbedaarlijk te blijven hoesten. Mente voerde een beker water aan en kort daarop een tweede. Het duurde lang voor de rust weerkeerde. Toen was ik al het bed uit geschoten naar de badkamer om er op de wastafel te steunen, na te hoesten, onbeperkt te drinken en mezelf diep in de ogen te kijken, want al was het donker, ik zag heus wel wie die vent in de spiegel tegenover me was.

Langzaamaan keerde de rust weer. Ik knikte mezelf toe en sjokte terug om weer naast de liefde te gaan liggen. Onderweg, op de korte overloop kreeg ik mijn dode zuster aan de lijn, het ging om een gesprek van veertig jaar geleden, toen zij nog jaren te gaan had. Ze belde om te vertellen dat mijn vader zich verslikt had toen hij een slokje nam van zijn jenever. Hij hoestte, kreeg geen adem, zijn hart begaf het en hijzelf volgde. Had ik zojuist mezelf wel gezien in die badkamerspiegel? Even later sliep ik weer.

‘Zitten er wel eens fruitvliegjes in de slaapkamer?’ vroeg ik Mente vanmorgen.
‘Nooit. Wel eens bij de fruitschaal in de keuken af en toe en bij sommige planten. Dat zou wel eens met de potgrond te maken kunnen hebben.’
‘Daar gaat het me nu even niet om. Ik vroeg me alleen af of ik me gisternacht in een fruitvliegje verslikt had.’ Ik vertelde haar over het voorval van vrijdag of zaterdag.

Nu slaapt de liefde meestal veel later in dan ik. Wat bij mij minuten zijn, zijn uren bij haar en zo waakt zij over me terwijl ik slaap.
‘Nee, je hebt je gewoon verslikt in je eigen verkoudheid. Ik hoorde het gebeuren. Je hoest vaker in je slaap.’
Ze lag naast me, maar bij haar geen geschreeuw naar de andere kant van een onbekende vaart langs een vreemde kade, geen vader die in de benauwenis weer even meesterft. Zelfs geen fruitvliegje.Het past me wel: dood door een fruitvlieg. Daar teken ik voor; datum vul ik later in.

05 april 2021

De verzoeking 2

Intussen erger ik me ook aan de correspondentie die het gevolg is van de vergissing. Direct na het telefoongesprek met de blauwe winkel krijg ik dit mailtje.

‘We hebben de aanmelding ontvangen. Je ontvangt tijdens klantenservice openingstijden binnen1 uur een mail met verdere instructies

Overzicht van je aanvraag Product: Sony LCJ-RXF hoes voor Sony CyberShot DSC-RX100 serie
Gewenste oplossing: Ruilen voor hetzelfde product
Reden van retour: er is een camera van sony (sony dsc rx100 m5a) van ongeveer 1100 euro geleevrd inplaarts van het hoesje.
Even geduld, we gaan direct voor je aan de slag.’



De spelfouten heb ik laten staan. Ernstig zijn ze niet, maar bij een strak imago hoort ook aandacht voor spel- en tikfouten, lijkt me. Bovendien lijkt het erop dat ik straks weer een camera krijg als ik om een tasje vraag. Met dit mailtje kan ik desondanks goed leven. Maar een uur later krijg ik dit bericht:


‘Voelt goed
Hoi Len,
Hebbes! We hebben de aanmelding van je retour met retournummer [dit en dat] ontvangen. We gaan direct voor je aan de slag en hebben de verzendinstructies voor jouw product klaargezet.Je kunt je product tot [dan en dan] naar ons terugsturen.’


Wat moet ik met die verschrikkelijke opening?
Voelt goed. Het voelt helemaal niet goed. Ik lig nota bene ziek in bed met een verkeerde bestelling, waarvoor ik van alles moet uithalen om die ongedaan te maken, alleen om een blauwe winkel ter wille te zijn. Ik voel me helemaal niet goed; zij misschien wel, maar dat voelen begrijp ik niet. Daarmee geef je aan dat iets ondefinieerbaars wel eens positieve gevolgen kan hebben, zoals je een getal onder de tien kiest om als enige het gebakje te bemachtigen dat nog over is. Je zegt ‘zes’, want dat voelt goed. Maar ik heb niet meegedaan aan een loterij, nee, ik heb iets besteld en kreeg het verkeerde, dat wil zeggen: ik vroeg om een kleinigheid en krijg per ongeluk iets groots en dat wil ik rechtzetten. Voelt goed? Nee.

Dan volgt ‘Hoi Len.’ Wie zegt dat? Ken ik u? Doe maar ‘Dag meneer,’of ‘Dag mevrouw’, want dat ben ik met mijn voornaam wel gewend, maar geen ‘Hoi Len’ en al helemaal niet na deze blunder.

Dan staat er ‘Hebbes’, met uitroepteken nog wel. Waar slaat dat op? Wat heb je, wie heeft er iets? Kreeg iemand onverdiend de hoofdprijs en stuurt die die daarom terug? Roep je ‘hebbes’ omdat je eindelijk weer eens zo’n onnozelaar te pakken hebt? Of ben je als afzender niet zo bedreven in het vinden van het juiste tekstformat en roep je hebbes als je dat format eindelijk vindt?

Kort daarop krijg ik een mailtje van de ‘manager tevreden klanten’, een standaardmailtje dat me vertelt dat klanttevredenheid een heuse obsessie is van de blauwe winkel en dat mijn reactie bijdraagt aan een nog grotere inzet van degene die mij zaterdagmiddag te woord stond. Ik klik het mailtje weg. Dit is wel een bijzonder klantonvriendelijk moment om me zoiets te sturen. Slordig, slecht en dom.

Vandaag wordt me verzocht een recensie te schrijven. Weer een automatische mail. Een basisschoolleerling uit groep vijf zou meteen gezegd hebben dat het erg onhandig is om dit mailtje in mijn digitale brievenbus te laten vallen. Wacht toch tot alles is afgerond. Maar goed, ik vul in dat ik niet tevreden ben.
Vandaar dat ik zojuist een tweede mailtje krijg. Men zal mijn recensie de komende zeven dagen niet plaatsen, zodat de blauwe winkel nog even tijd heeft om de kwestie naar tevredenheid op te lossen.Die zeven dagen respijt had men beter een mailtje eerder kunnen bedenken.
Blijven over dat misplaatste toontje en die krenterigheid. We hebben nog zeven dagen.

04 april 2021

De verzoeking

In mijn hoofd en eigenlijk door mijn hele lichaam regeert ruis. Dit vertel ik omdat ik zonder die ruis waarschijnlijk geen tasje voor mijn camera besteld had. Ik bedoel het kleine cameraatje dat ik een paar maanden geleden kocht, ook al in een opwelling.
In die staat van ruis dus ging ik, voor het naar bed gaan op vrijdagavond, op mijn mobieltje nog even na of er misschien niet een opvolger daarvan, van dat mobieltje, in de aanbieding was, of van het kampeerstoeltje waar ik een tijdje terug mijn oog op heb laten vallen. Ik had ook vijf minuten eerder naar bed kunnen gaan, maar dat deed ik dus niet.

Ik trof geen aanbieding van een mobieltje of stoeltje, maar bij een bekend bedrijf dat blauw hoog in het vaandel voert zag ik als ‘tweede kans’-aanbieding wel dat tasje voor mijn nog nieuwe cameraatje. Nog geen minuut later wist ik ook dat het de volgende dag bezorgd zou worden. Wat had ik gedaan? Ik heb al een tasje, minder gelikt misschien, maar wel geschikt.

Ik had mezelf verrast en die verrassing werd groter toen de bestelling zaterdag werd afgeleverd. Het was meteen te voelen: dit kon het tasje niet zijn en dat was het ook niet. Het was een nieuwe camera. Eentje die net als de mijne uitstekend in het tasje zou passen, van hetzelfde merk en van dezelfde serie, al ging het hier om een zeer geavanceerde variant van meer dan 1050 euro. Dat is twintig keer zoveel als ik voor het tasje had betaald.

Had ik dat? Jawel. Zowel bankrekening als mailbox lieten zien dat er een tasje was besteld en betaald en geen Sony DCS-100M5a. Heel ernstig werd het gevecht met het geweten niet, maar ik dacht het wel even: ik kon tevreden zijn met het resultaat van deze bestelling en niets meer laten horen. Ook kon ik deze luxe variant houden en zijn iets bescheidener en onlangs gekochte broertje doorverkopen voor een bedrag dat me in staat stelde een heleboel cameratasjes te kopen. Dat deed ik niet, maar ik dacht het wel. Ik zou natuurlijk ook mijn eigen, nog ongeschonden camera in de doos kunnen stoppen en retourneren, of: mijn zeven jaar oude cameraatje, dat ook van die serie is. Die cameraatjes zien er namelijk precies hetzelfde uit.

Ik kreeg de tijd om dit allemaal bedenken, want het duurde nogal lang voordat ik de klantenservice van het blauwe postorderbedrijf te spreken kreeg en toen het zover was, had men daar tijd nodig om de vergissing te verwerken. Het was geen probleem vond men daar: ik kon de camera terugsturen en dan kreeg ik alsnog mijn tasje, in dit geval een heel nieuwe tasje. Ik was er met mijn eerlijkheid vijf euro mee opgeschoten. Het was een nogal krenterige beloning voor het weerstaan van zoveel verleiding.

Twaalf was ik en ik fietste als brugklasser van school naar huis toen ik bij Ockenburg een portemonneetje zal liggen. Er zat zo’n tien gulden in. Aan de binnenkant was geschreven wie de eigenaar was en waar die woonde. Dat was in Monster en daarom fietste ik daar naar de Ahornstraat. Er deed een jongen open van een jaar of zestien. Hem liet ik het portemonneetje zien.
‘Hé, die is van mij,’ zei hij. Hij pakte het aan, controleerde de inhoud.
‘Nou, bedankt.’
Dat was het. Ik stond al weer voor een dichte deur. De lul had me in ieder geval een gulden kunnen geven, vond ik.

De doos kan na de paasdagen retour, maar is nog niet dichtgemaakt. Ik zou alsnog

03 april 2021

Kruisverhoor

Donderdagavond volgde ik niet de Sedermaaltijd van onze kerk, maar stemde ik af op de politieke zender om mee te maken hoe zich in de Tweede Kamer iets afspeelde dat me op punten deed denken aan de gebeurtenissen rond Pasen in het Jeruzalem van om en nabij het jaar 30.
Mark Rutte leek zelfs door zijn vrienden in de steek gelaten. Hun wegen scheidden. Dat gebeurt allemaal tijdens een debat gaande waarbij een enkeling aan waarheidsvinding doet, maar een meerderheid van het volk, dat zich door kamerleden laat vertegenwoordigen, heeft al lang een eindoordeel klaar: weg met die man, weg met die man.
Onze lieve Minister-President luistert, knikt, speelt met zijn mobieltje en ziet hoe het mes gescherpt wordt. De vergelijking is niet optimaal, zo zijn de rollen niet helemaal duidelijk. Ik zit een beetje met Pilatus bijvoorbeeld en met Petrus, al moet ik zeggen dat de heer Hoekstra nog het meest in hun buurt komt. Nu haast ik me te zeggen dat in het Bijbelse verhaal de twee P’s me in hun zwakheid sympathiek zijn, nou ja, sympathiek is niet helemaal het goede woord, laat ik zeggen dat ze op enig begrip van mijn kant kunnen rekenen. Dat is een. Twee is dat Hoekstra in deze kwestie zuiver, ook wel een beetje saai, redeneert, wat je van de 2 P’s en ook van veel in de Kamer aanwezigen niet kunt zeggen. Het overgrote deel van het volk is al klaar met denken, slaat zichzelf op de borst en dat is het.
Als het eenmaal Goede Vrijdag is, zegt Van der Staaij dat, ook daar ben ik blij mee. Het onderstreept de tragiek van wat er in ’s-Gravenhage gebeurt. Ik krijg meer en meer te doen met de man die Jezus speelt, met dit verschil dat ik daar doorgaans bij Rutte geen last van heb, maar ik heb nu eenmaal een zwak voor zwakken. Al vind ik dat het maar eens afgelopen moet zijn met deze Rutte.Aan Jesse Klaver kan ik geen bijbelse rol toekennen, maar wel verwoordt hij het duidelijkst waarom het wat mij betreft maar eens afgelopen moet wezen met deze premier: te veel te vaak. Klaver heeft het over een optelsom.
Waar ik nog een beetje mee zit, is het gedoe rondom die verkennende gesprekken. Daarvan is me veel niet duidelijk. Wat was oorbaar, hoeveel gewicht mag je die opmerkingen geven. Alles wordt door een meerderheid vertaald in louter leugen of onvergeeflijke domheid, maar dat weet ik niet. Er is rijtje rijp en rot en nog niet eens groen onder de arm van Ollongren vandaan naar buiten gekomen, dat eerst gewogen had moeten worden, het resultaat van een oriënterend roept-u-maar, waarvan je weet dat er vervolgens weggesnoeid moet worden, bijvoorbeeld omdat iets onjuist of stom of irrelevant is. Maar dat wordt allemaal nu weggezet als één bak ongerechtigheid. Dat bekt lekker maar zuiver vind ik dat niet.

Ik was er een tijd lang van overtuigd dat de grote Tuimelaar of Duikelaar weer onderuit zou gaan, maar nu niet meer boven zou komen.
Maar wat gebeurt er? Zijn vrienden hebben hem niet in de steek gelaten en nog voor Pasen is Rutte al opgestaan. De dierbaarste vriendin van Jezus zag in haar geliefde een tuinman en niet de man aan wie ze haar hart had verpand. Rutte fietst door Den Haag, met een ver over zijn oren getrokken wollen mutsje, wordt door iedereen herkend en hij zwaait vriendelijk.
Is dit al zijn wederkomst of is er sprake van uitstel en moeten we nog veertig dagen wachten op zijn afscheid?

02 april 2021

Pennewip

Multatuli begrijpt niet waarom het beroep van schoolmeester ‘zoo karig bezoldigd wordt.’ Het lijkt hem niet makkelijk om een klas te bestieren. Waarom worden mensen niet liever ‘serjant-instrukteur?’ vraagt hij zich af. En dan zegt hij: ‘Ook was ik liever dominee. Deze heeft toch altyd te doen met menschen die de zaak volkomen met hem eens zyn, en naar hem komen luisteren uit vrye keuze, terwyl de onderwyzer gedurig te kampen heeft met onwil en ‘n hoogst gevaarlyk mededingerschap van tollen, knikkers en papieren mannetjes, om nu niet eens te spreken van suikergoed, tandwisselen, roodvonk en zwakke moeders.’
Het citaat is misschien wat lang, maar ik heb het lef niet om het eerder af te breken.

De dominee triggert me, omdat ik mijn leven lang te horen krijg dat ik dominee zou (toen) dan wel had (nu) moeten worden. Maar dat zou een verkeerde keus geweest zijn. Als we dominee en schoolmeester op een fiets zetten, dan moet de eerste op een racefiets. Hij is leidt ons op de weg voorbij de verste horizon en anderen zijn de knechten die hem faciliteren, zij geven hem de snelheid waarmee hij als eerste kan aankomen om de volgers vervolgens op te wachten. De onderwijzer hoort op een trekkersfiets met volle tassen voor en achter, tentje mee, kookgerei. Zonder de weerstand die hem stevig op de weg houdt, valt hij om. Ik voel me meer zo’n trekker.

Tot zover de dominee, ik blijf bij de goedbedeelde schoolmeester. Die hoeft niet veel meer te weten dan wat hem ooit als kind zelf werd verteld en aangeleerd en van daarna is hem vanzelf voldoende bijgebleven om zijn leerlingen net iets voor te blijven. Bovendien: wat hij niet weet, vertelt hij niet, en wat hij verkeerd vertelt, blijft doorgaans onopgemerkt.
En stel, stel dat dat wel gebeurt en dat een leerling je wijst op een fout, dan kun je eenvoudig zeggen dat je nu al voor de zevende keer die ochtend een onjuistheid in je verhaal stopte en dat nu pas, eindelijk, zes fouten te laat één iemand van die hele slapende kudde een keertje iets opmerkt. En dan verzin je ter plekke een eerder gemaakte fout en verzucht je dat je die andere vijf maar laat zitten, maar dat het wel ‘jullie eigen stomme schuld is dat je nu met gemankeerde kennis je toekomst tegemoet gaat.’ Je bent eenoog en je hebt altijd gelijk.

Nog iets. ‘Die man weet alles,’ hoorde ik een leerling ooit zachtjes tegen zijn buurman zeggen. Hij had het over mij. Het uur daarna zou hij natuurkunde hebben, ik niet, ik zou weer een uurtje Nederlands draaien, want van natuurkunde weet ik niets en daar hoefde ik het ook nooit over te hebben.Ik ga door. Tegen die leerling zei ik dat ik geen geklets wilde. ‘Dat weet je toch? Waarom doe je dat dan… Ach, zeg maar niks ook. Ik zal je matsen en je deze keer geen strafwerk geven, maar gewaarschuwd ben je wel!’ De fouten liggen bij de leerlingen. Dat weet iedereen.

Kortom: onderwijzen is een ego-strelende aangelegenheid en het salaris dat schoolmeesters in 1862 ontving en dat tegenwoordig alle schooljuffen op hun bankrekening bijgeschreven krijgen, is het netto-resultaat van hun schoolse inspanningen, dus minus de therapeutische genoegdoening. Om maar iets te noemen. Er valt meer over te zeggen, maar de bel kan ieder ogenblik gaan.

01 april 2021

Wilde Ganzen

Natuurlijk bedankte de stichting Wilde Ganzen me allereerst voor eerdere giften. Ik vroeg naar de ware reden van het telefoontje. Het ging om een tientje per maand. Eerst werd duidelijk gemaakt dat arme gezinnen in Bolivia met een tientje hulp per maand in staat zijn de producten te verbouwen om in hun eigen onderhoud te voorzien en daarbij begeleid te worden. De kern was dus dat er een gezin maandelijks gesponsord zou worden. Dat de vertaalslag van deze hulp het mooie, ronde bedrag van tien euro opleverde moet een prettige bijkomstigheid zijn geweest.
Wel wilde ik weten waarom ik het idee moest hebben dat ik een gezin zou sponsoren. Wie of wat werd met dat idee gediend? Een echt antwoord kwam er niet. Wel werd met verteld dat ‘we’ op die manier mensen zouden helpen leren eigen producten te telen. ‘Wie zijn die ‘we’? wilde ik weten. Dat waren de mensen van Wilde Ganzen.
‘Dus mensen uit Amersfoort of Lisse die naar Bolivia zijn gegaan om daar de mensen te gaan helpen en ze te zeggen hoe ze het best hun groenten kunnen verbouwen en kippen kunnen houden?’‘Ja,’ zei de jongeman aan de andere kant van ons draadloze contact.
‘Dus ik moet betalen om witte mensen uit Europa naar Zuid-Amerika te laten reizen die vertellen hoe de mensen daar iets moeten aanpakken.’
Zo zou ik het kunnen zien.
‘En het is goed voor die armlastige Bolivianen om te zien dat niet andere Bolivianen dat doen, maar Europeanen?’
‘O,’ zei de Wilde Ganzenman, ‘nee, dat zijn inderdaad mensen uit Bolivia, maar het geld voor middelen en begeleiding komt van ons.’
‘Dus je vraagt me niet of ik een gezin wil sponsoren. Je spreekt me alleen maar aan als portemonnee en dat doe je door me een verhaal te vertellen over een Boliviaans gezin. Maar mijn tientje komt niet bij een speciaal Boliviaans gezin.’
‘Maar uw geld wordt heel goed besteed, hoor, en voor dat doel.’
‘En als ik vraag of ik niet af en toe een kaartje van een bepaald gezin uit Bolivia…’
‘Maar dat kan heel goed, meneer.’
De jongeman had al twee keer gezegd dat hij me begreep, maar hij begreep me niet; daarom vertelde ik hem dat ik geen kaart wilde. Juist niet, en ook wilde ik geen Boliviaans gezin sponsoren voor een tientje in de maand. Dat ik niet een tientje wilde betalen om dierbare gevoelens te koesteren en al helemaal niet om iemand in het verre, armlastige Weggistan ook maar even het idee te geven dat in Europa een of andere goeierd…

‘Ondersteunen jullie ook projecten waarmee je niet naar buiten treedt omdat dat politiek niet handig is, bijvoorbeeld, of omdat er geen mooi dierbaar verhaal van te bakken is…?’
‘Als u niet maandelijks een tientje wilt doneren, is dat prima, hoor meneer.’
Ik kreeg met de jongeman te doen.
‘Nee, doe dat tientje maar, maar ik hoef niet te weten waarvoor.’
‘Dat kan.’ Daarna vroeg hij of dit en dit mijn naam was en dat en dat mijn geboortedatum. Hij noemde Mentes naam en geboortedatum en dat vertelde ik hem.
‘O, maar dan veranderen we dat toch.’
‘Nee,’ zei ik. ‘Dit is beter. Dan geeft mijn vrouw het zonder het te weten en dan weten ze in Bolivia niet waar het geld vandaan komt. Ik zal het mijn vrouw niet vertellen en als u uw mond erover houdt in Bolivia, dan komt het met dat maandelijkse tientje wel goed. Want daar gaat het toch om.’
Ik weet niet of hij me heeft begrepen.

31 maart 2021

Wie mag er vandaag Lichtdrager van de dag zijn

De wandeling heeft rode sporen achtergelaten in mijn nek en op mijn rode armen. Ik voel het amper, maar het stemt me tevreden, die kleur op mijn lijf. Dat geldt voor de hele wandeling waarbij we het hadden over poëzie. Poëzie levert financieel gezien dan wel veel minder op dan het kamerlidmaatschap, maar o, wat heb je dan je ziel en zaligheid overgeleverd aan het kwaad. Toen ik weer thuis was, had ik nog even tijd om te kijken naar wat er in Den Haag gebeurde en plots verdween de wandeling boven Westbroek uit mijn bestaan, het mijmeren over poëzie, het gezelschap van mijn jonge vriend.
De ellende klemde vingers om mijn keel en ik moest weer waden door een wereld van statements waarvan ik de achtergrond niet meer doorgrond. Met een leider van het land die sjoemelt, ontwijkt, toedekt, over dingen heen praat. En met dat merkwaardige CDA, dat vijf- of zesstromenland dat alle kanten op golft en nergens toe leidt, dat huishouden waarvan je als buren voelt dat het een gezin is vol onderhuids gedoe. En je merkt het ook: ze zeggen er elkaar alleen gedag als ze zien dat je toevallig hun kant uit kijkt en soms dan ook niet. Ander beeld: het CDA is lange bemodderde lappen waar je doorheen moet.
Ik werd er zo mistroostig van.

En toen kreeg Lucille Werner als nieuw kamerlid een microfoon onder haar neus. Ze straalde en haar vrolijke gezicht, haar stralende ogen vermochten vele malen meer dan wat ze ooit bij de ballenbakken van Lingo hadden kunnen doen. Ze was een verademing. Zou zij, dacht ik, zou zij, zou niet Sigrid Kaag, maar Lucille Werner Onze Lieve Vrouwe van het Binnenhof worden? Even geloofde ik dat, nee, ik geloof het nog, ik wil het geloven.
Haar last is licht, haar juk is zacht, dacht ik. Het kon niet anders of het zou een feest moeten zijn voor het CDA om haar regelmatig door de gangen en zalen van de Tweede Kamer te mogen dragen. Niet omdat zij dat nodig zou hebben of zou willen, maar omdat het niet anders dan een feest kan zijn om dat te mogen doen. En iedere keer is dan een ander CDA-kamerlid Lichtdrager van de Dag, soms zelfs, na een goed overleg, mag zelfs iemand van een andere partij haar dragen. Soms ook mag Lucille zelf lopen en ook dan zal ze stralen, al was het maar omdat ze eindelijk weer even op eigen benen mag staan.

Iedere vergadering zou ik beginnen met een rondje waarin vier kamerleden haar vragen of ze goed geslapen heeft, of ze lekker heeft gegeten, toevallig nog een mooi stuk muziek heeft gehoord. En zij zou antwoorden en ook iets moois zeggen over een van andere kamerleden. Pas na deze ouverture, na dit Licht van de Dag, zouden de andere agendapunten volgen.

Het heil van het CDA, van de Tweede Kamer, van onze natie zou wel eens kunnen afhangen van Lucille Werner. Ik heb besloten nog meer van haar te gaan houden. Dat zou heel Den Haag ook moeten doen. De vuile was wordt er schoner van, regeerders en volksvertegenwoordigers worden zachter, eerlijker, vriendelijker, lucider.

Straks wandelt er lichte poëzie door de gangen van het Binnenhof.

30 maart 2021

Mefiboseth 3

In en om het dorp kon ik zo vijf, zes mensen aanwijzen met de naam Joop van den Heuvel, alleen dat al was een reden om bijnamen te gebruiken en bij de tuinder aan de Zwartendijk lag die nogal voor de hand, want hij liep mank, dus werd het Kreupele Joop van den Heuvel. De aanduiding ‘Kreupele’ had de achternaam overbodig kunnen maken. Ze hadden hem ook Joop Hobbel kunnen noemen, maar dat zou de man geen recht gedaan hebben; daarvoor was deze Joop van den Heuvel te statig. Hij mocht dan mank lopen en door de week tuinderskleren aan hebben, hij leek wel het meest zichzelf in een grijs kostuum. Je kon je niet voorstellen dat er ooit wel eens jij of jou was gezegd tegen deze tussen tomaten levende manke aristocraat. Maar toen mijn vader zich over het illegaal naar binnen gesmokkelde hondje boog en Mefiboseth zei, refereerde hij aan de tuinder aan wiens harde hand het hondje was ontsnapt.

Er waren heel wat Westlandse katten, tuinkatten, en daardoor kwamen er ook vaak jonkies en die gingen niet lang na hun geboorte ‘naar Wateringen.’ Zo heette het als de katjes samen met een steen in een zak terechtkwamen die vervolgens in een sloot werd gekieperd. Veel hondjes ondergingen hetzelfde lot. Van Kreupele Joop van den Heuvel ging het verhaal dat hij er ook niet tegenop zag om jonge beestjes heel hard tegen een muur te smijten. En dat verhaal kreeg ooit als vervolg dat de dominee van de Gereformeerde Kerk van het dorp, dominee Van Bekkum bij Kreupele Joop van den Heuvel langs ging om hem daarop aan te spreken. Hij zou het niet meer doen, al meende hij er wel op te moeten wijzen dat deze manier van opruimen veel vriendelijker was dan het gebruikelijke transport ‘naar Wateringen.’ Misschien is dat nog waar ook.

Maar het was ook waar dat we ons geen illusies hoefden te maken over lot van het hondje dat in ons gezin een leven tegemoet ging van zeventien jaar. Als mijn broer hem niet mee had genomen, dan zou hij nooit aan mijn vaders voeten zijn naam hebben gekregen. Hij zou waarschijnlijk diezelfde dag al dood geweest zijn en naamloos zijn weggewerkt.

Toen ik een paar maanden later met Mefi aan het wandelen was, kwam ik de zoon van Joop van de Heuvel tegen, die inderdaad dezelfde naam had als zijn vader. Deze zoon was een eind in de twintig. Hij wist natuurlijk van de herkomst van ons hondje en vroeg me hoe het heette. Ik had kunnen zeggen: ‘Nou, hij is net als jij naar je vader genoemd, maar dan anders.’ Alleen, dat durfde ik niet. Ik durfde zelfs niet te zeggen dat hij Mefi heette, want wie weet was ook in het gereformeerde gezin van de manke tuinder de naam en staat van die aan de dood ontsnapte zoon van Jonathan bekend.‘Peef’ zei ik daarom en gelukkig keek Mefi op omdat hij dacht dat ik hem riep.
‘Peef,’ zei Joop junior, ‘Peef, wat een rare naam.’
‘Maar hij luistert er wel naar,’ zei ik. En dat was waar, dat had de zoon van de tuinder zojuist zelf gezien.

29 maart 2021

Mefiboseth 2

Tafel en bed in plaats van de dood, dat stond de kreupele Mefiboseth te wachten, volgens het bijbelverhaal. Daarbij werd een belangrijke rol toegekend aan Ziba, vroeger een dienaar van Saul, de grootvader van Mefi B, en ook degene die David had verteld dat er nog een nazaat van deze koning in leven was. Deze Ziba én zijn familie kregen de opdracht om voor de kreupele man te zorgen en zo is het ook gegaan. Maar tijden veranderen en zo gebeurde het dat David moest vluchten en onderduiken voor zijn eigen zoon Absalom. Dat is weer een heel ander verhaal. Ook Mefiboseth had zich bij David willen voegen, maar daarvoor was hij wel afhankelijk van een ezel om op te zitten, zelf kon hij geen kant uit. Dat zou Ziba regelen, maar in plaats daarvan ging hij er met de zijnen vandoor naar David. Toen die hem vroeg waar zijn stiefzoon Mefi B was, vertelde Ziba dat die in Jeruzalem was gebleven en wel om van alle oproer te profiteren door als laatst overgeblevene van het vorige koningshuis een greep naar de macht te doen. David was ontzet, maar dankte Ziba voor zijn informatie door hem al het bezit van Mefiboseth te schenken.
Als na de val van Absalom blijkt dat zowel David als de zoon van zijn vroegere vriend bedrogen zijn door Ziba, krijgt de kreupele de helft terug. Waarom hij niet alles terug krijgt, begrijp ik niet, zoals ik nog minder begrijp dat Ziba de onrechtmatig verkregen andere helft mag houden. Mefiboseth zelf is daar niet mee bezig. Die is en blijft een en al dankbaarheid tegenover David, de man die als vorst zijn dood had kunnen afdwingen maar hem in plaats daarvan een man in bonus maakte. Het is een spannend verhaal, dat ook mijn vader heel goed kende. We gaan terug naar de hond van gisteren.

Op een zaterdagmiddag, begin mei 1963 kwam mijn broer thuis met een klein hondje. Daarmee was hij samen met zijn vriend Kees naar het asiel in Naaldwijk gegaan om het daar af te leveren; dit op verzoek van Joop van den Heuvel, een tuinder achter de Zwartendijk. Maar het asiel bleek dicht en daarom hadden ze het hondje maar meegenomen. Dan zouden ze het maandag, na het weekend dus, alsnog naar het asiel brengen. Als ik het mij goed herinner, was iedereen erbij toen mijn broer dat vertelde en bijna iedereen was vertederd. Alleen mijn moeder werd niet vrolijk van de actie van mijn broer. Iedereen wist ook dat zijn verhaal helemaal niet waar was. Ze waren helemaal niet bij het asiel geweest, hadden het zelfs niet overwogen. En Joop van den Heuvel, wisten we ook, zou er niet tegenop zien om het hondje samen met een baksteen of een paar gebroken bloempotten in een jutezak te stoppen, die dicht te knopen en hem vervolgens in het water van de Gantel te gooien die langs zijn tuinderij liep.
We begrepen dat we aan een charmeoffensief moesten beginnen: het hondje moest zo min mogelijk, liefst helemaal niet, binnen plassen, want mijn moeder hield van schoon en netjes. We moesten ook laten merken plezier in het hondje te hebben, maar niet te overdreven, want dat plezier moest wel een beetje geloofwaardig en bestendig overkomen.

Nog diezelfde middag gebeurde er iets. Mijn vader zat in een diepe stoel toen het hondje over zijn voeten liep. Mijn vader boog zich voorover, het hondje liet zich omvallen, pa kroelde over zijn buik en zei: ‘Zozo, Mefiboseth.’
Wij zeiden niets en keken toe, maar we wisten het: dit hondje blijft.

28 maart 2021

Mefiboseth 1

In het verhaal dat ik vandaag vertelde voor de Kinderpaasviering laat ik de hoofdpersoon David kennismaken met Dirk van Leeuwen. Voor de kleine David bestond geen model, al sliep er bij hem net als ooit bij mij een hond aan het voeteneind van het bed. Meneer van Leeuwen modelleerde ik losjes naar mijn Westlandse vriendje dat ik vanaf mijn vierde dagelijks zag en tegenwoordig nog maar een paar keer per jaar. Deze vriend komt vaker in stukjes voor, onder de naam Dirk. Ik stuurde hem gisteravond een link van de opname die er van de viering was gemaakt.
De ontmoeting tussen de kleine David en meneer Van Leeuwen, die het jeugdvriendje is van Davids opa (dat dan weer wel) heeft onder andere tot gevolg dat er een naam bedacht moet worden voor een hondje.

De echte Dirk appte naderhand dat het hem speet dat het hondje in het verhaal niet hinkte. Ook had hij verwacht dat ik het hondje in het verhaal Mefiboseth genoemd zou hebben. Het is geen moment in me opgekomen. Van zijn kant wist hij me overigens te vertellen dat hij, de echte Dirk dus, het met zijn kleinzoon over Mefiboseth had gehad. Dirks kleinzoon heet overigens David.
Mefiboseth was de hond die jarenlang bij me aan het voeteneind sliep. We vierden zijn verjaardag op 7 april en de hond paste met zijn geboortejaar 1963 keurig in de rij kinderen, want mijn oudste zus was van ’43, twee jaar later kwam de jongste zus, drie daarna, in ’48, kwam mijn oudste broer. Tussen nummer een en twee zat twee jaar, tussen twee en drie drie jaar, daarom ook werd ik vier jaar na mijn oudste en vijf jaar voor mijn jongste broer geboren. Na vijf volgt zes, dus als een volwaardig familielid werd in 1963 de hond in het gezin opgenomen. Het zou, na vele katten, onze eerste hond zijn, en onze laatste. Net als mijn grootvader vond deze hond jaren later zijn einde door niet uit te kijken bij het oversteken. Hij was toen zeventien, de hond, hè, niet opa; die was tachtig toen hij niet oplette. Enfin, die hond ging dus door het leven onder de naam Mefiboseth, meestal afgekort tot Mefi of Meef.

Hoe deze hond aan die merkwaardige naam kwam, vertel ik morgen, anders wordt het verhaal te lang, maar ik kan wel alvast beginnen iets te vertellen over de herkomst van die naam. Het is een prachtig verhaal, waarvoor we teruggaan naar de tijd van koning, jawel, David.
David wordt koning als het huis van zijn voorganger Saul is uitgeroeid. Ook diens zoon en Davids goede vriend Jonathan vindt daarbij de dood. Er is er maar eentje die de slachting overleeft en dat is de vijfjarige zoon van Jonathan, Mefiboseth. Zijn verzorgster vlucht met hem weg, maar laat het kind in haar paniek vallen zodat het jongetje voortaan kreupel door het leven moet. Hij leidt een teruggetrokken bestaan in het Land van Niets en dat is maar beter ook, want hij heeft als loot van een verdwenen koningshuis geen bestaansrecht.
Later krijgt David te horen dat er nog ergens een nazaat van Jonathan rondscharrelt, die is intussen al een man. Hij laat hem opsporen en naar het paleis halen. Mefiboseth gehoorzaamt maar begrijpt ook dat dit zijn einde zal zijn. Daarom is hij extra verbaasd wanneer koning David hem niet alleen de bezittingen van zijn vader en voorvader schenkt, maar hem ook opdraagt om voortaan met hem dagelijks aan tafel te gaan. Genade voor recht. Tafel en bed in plaats van de dood.Houd dit even vast.

27 maart 2021

Wat geschreven staat

Afgelopen dinsdag kon ik haar naam voor het eerst goed uitspreken. Niet Kasja en ook geen Olofgren, maar Kajsa Ollongren. Bijna had ik een aantal vrienden gebeld om mijn articulatorische vorderingen met ze te delen. Toen werd het donderdag.

Het gedoe rond Ollongren houdt me bezig. Om een of andere reden blijf ik het sneu vinden, gênant ook, ja, maar ook sneu. Dat ze misschien niet had moeten zitten vergaderen nadat ze getest was? Ik denk inderdaad dat een hoge boom niet boven de wet leeft, maar er juist rekening mee moet houden dat hij of zij meer wind vangt. Dus dat ze het deed, zou ik geen punt gevonden hebben als zij niet zo’n hoge boom was geweest. Voor hoge bomen geldt het woord van de Prediker dat we niet al te rechtvaardig moeten zijn en ook niet al te wijs, veel minder dan voor struiken.
Dat ze op slag vertrok toen de uitslag bekend werd, is correct. Zelf zou ik mijn jas nog hebben dichtgedaan, want het was frisjes en zij had iets onder de leden. Dat van die zichtbare papieren is een bedrijfsongeval. Als ik als scriba van de kerkenraad van een vergadering naar huis zou lopen (maar ja, dat gaat allemaal digitaal), papieren onder mijn arm, en een vertegenwoordiger van een aangrenzende kerk zou een telelens op me richten, dan zou er niets gebeuren: te klein, te onbeduidend. Ik zou een zieke Ollongren daarom niets kwalijk nemen als zij scriba van onze kerk was geweest. Maar dat was ze dus niet. Dat maakt het ernstiger. Toch vind ik ook dit nog steeds net iets meer sneu.

Als ik niet weet wat er door wie en wanneer werd gezegd, kan ik dat niet sneu of dom vinden, of wat dan ook, want ik weet het niet. Er was wel eens een schoolleidingsvergadering waarin we ons afvroegen hoe we van een docent verlost konden worden. Daarvan kwam nooit iets op papier. Zo discreet waren we nog wel. Gevolg was wel dat je daarmee ook minder snel een dossier kon opbouwen om iemand naderhand mee om de oren te slaan. Dat kon je alleen maar pareren door met iemand open kaart te spelen, hoe akelig dat ook was.

Hier stond wel iets op papier. Dat had nooit gemogen. Dat is niet sneu, dat is dom, heel dom.
En dan stond het ook nog op het papier van de verkeerde persoon. Dat is niet sneu, dat is niet dom, dat is niet fout, dat is een regelrechte overtreding. Van hoge bomen nog wel. Want hier had mevrouw Kajsa Ollongren, van wie ik de naam nu niet alleen goed kan uitspreken maar ook zonder fouten kan spellen, zich nooit mee kunnen en mogen inlaten. Volgens mij kunnen ze alleen maar binnen het CDA iets zeggen over Omtzigt, maar dan moeten ze dat vooral niet opschrijven, voordat de tijd en gelegenheid ernaar is om het er eerst met deze grote magneet van die bizarre partij over te hebben.
Het a4’tje onder de ministeriële arm zou een CDA-papier geweest kunnen zijn als er niet ook iets te lezen was geweest over de onderhandelingsstijl van de leider van die partij. Wilde een VVD die Omtzigt niet? ‘Want bij Omtzigt kun je niet door rood rijden.’

Misschien moeten we Ollongren wel dankbaar zijn voor haar domheid, ook al vinden we het sneu.
Omzigt spitte en spitte en bracht misstanden aan het licht. Ollongren stapt met een bundeltje papieren naar buiten en laat zo zien dat gekonkel echt niet deugt.

26 maart 2021

Middenberm

De twee keer twee rijbanen van de Kardinaal de Jongweg worden gescheiden door een middenberm. Die zal een meter of drie breed zijn. Begin- en eindpunt van de weg worden gemarkeerd door een rotonde, aan de westelijke kant is dat het Salvador Allendeplein, van de oostelijke kant zal ik het maar de Veemarktkant noemen, doorgaans zeg je alleen: bij de Veemarkt. Halverwege heb je nog een rotonde die Eykmanplein genoemd wordt.
In de middenberm aan de oostelijke helft staan honderden narcissen in volle bloei. Er zijn middenbermen niet ver hiervandaan die nog overdadiger staan te bloeien, ik geef het toe, maar al met al is het een feestelijk gezicht, daar langs die oostelijke helft van de Kardinaal de Jongweg: de groene grasmat en dan die op groene stengels daarbovenuit stekende proppen van een bijzonder geelachtig geel. Je kunt er als fietser of als automobilist langs rijden zonder er op te letten maar daarmee doe je de narcissen geen recht en jezelf tekort.Vanmiddag reed ik stapvoets (er is behalve een rotonde ook nog een kruispunt met stoplichten) langs de middenberm toen ik daar een jonge vrouw zag joggen. Dat was merkwaardig, want er loopt nooit iemand over die middenberm. Die zijn daar niet voor. Nu liep er dus wel iemand.

Vorige week stak ik met Klaas de Kardinaal de Jongweg over. We liepen naar de overkant om daar te gaan voetballen. We hebben het nu over de westelijke helft, waar geen narcissen staan, maar wel struiken. Er is daar geen oversteekplaats, maar je snijdt er wel een enorm stuk af om van ons huis bij het voetbalveldje te komen. Klaas vond het maar niks: zo’n drukke weg oversteken en ik voelde dat hij bij het doorsteken van de middenberm het idee had dat hij zich in de illegaliteit had begeven, dat zijn opa hem tot overtreding dreef. En zo was het ook. De middenberm van een drukke weg is er om niet te betreden.

En nu jogde daar over het gras van de oostelijk middenberm, tussen de links en rechts van haar bloeiende narcissen een jonge vrouw. Ze stak er niet over, maar nam de middenberm in haar volle lengte. Het kan niet anders of de vrouw trok de aandacht van de andere automobilisten. Dat kwam ook omdat ze een strak paars en lila trainingspak droeg. Alsof ze een paaseitje was, of een bazin van de paashaasjes, want zelf zag ze er niet uit als een eitje, of een in zilverpapier verpakt paashaasje. Het was een jonge vrouw, met een blozend gezicht. Het had een vrouw kunnen zijn die zojuist op een schaatsbaan en nieuw baanrecord heeft gevestigd en nu een microfoon van de NOS onder haar neus krijgt: blozend, rood, blij, hijgend. Zo’n gezicht dus.

Ik moest weer mee met de optrekkende file. Een kijkdoos, dacht ik toen. Dit is een mooi tafereel voor een kijkdoos. Je plakt propjes geel crêpepapier op stukjes van lichtgroene, bijna transparante rietjes. Die plak je op de bodem van de schoenendoos en die bedek je vervolgens met stroken groen crêpepapier. En van de zilverpapiertjes van paaseitjes maak je een figuurtje. Lila en paars. Behalve het kopje, dat moet roze zijn. Vergeet het kijkgaatje niet. Dek de doos af met vliegerpapier. Waarschijnlijk kun je daarvoor het best ook iets geels gebruiken.

Zo was het vanmiddag. Alsof ik even door een gaatje naar een andere wereld keek toen ik daar plotseling die vrouw tussen de narcissen zag joggen. In de middenberm van de Kardinaal de Jongweg.

25 maart 2021

De Mattheus on tour

Mijn zus is jarig. Ja, dankjewel. Vandaag lukt het me niet om haar te bezoeken, want ik ben niet alleen broer, ik ben ook grootvader en dat betekent dat ik op donderdagmorgen heen en terug slenter naar het speeltuintje om de hoek en ’s midddags haal ik een tweede kleinkind op en dan bezoeken we een andere speeltuin of we blijven thuis of wat dan ook.
Ik doe ook wel grotemensendingen op zo’n dag. Zo schreef ik vanmorgen een belangrijke brief en deze middag bracht ik sluitinkjes langs het raam aan om straks als de zomer losbarst en de zon vol op het glas wil kletteren daarvoor een doek te spannen. Dit in navolging van twee huizen verder. De buurvrouw kwam me tijdens het klusje nog even vertellen dat het wel vijf graden scheelt straks. Dat is mooi.
Als mijn zus nu om de hoek had gewoond, dan zou ik wel even langs zijn gegaan. En was ik niet de eerste of enige geweest dan had ik wel een bos bloemen bij haar door de brievenbus gepropt. Maar nee, ze woont hier ruim 130 kilometer vandaan.
Vroeger niet, toen was dat heel anders en woonden we bij elkaar in huis, zoals dat wel vaker gaat met broers en zussen. Maar op haar zeventiende vertrok ze en kwam ze intern als leerlingverpleegster in het voor een Westlands jongetje verre Den Dolder terecht. Ik was toen tien. Eerlijk gezegd kan ik me van haar verjaardagen in Monster niets herinneren. Later zijn we nog een jaar of wat stadgenoten geweest en het kan niet anders of ik ging naar haar verjaardag.
Maar nu reis ik al weer jaar en dag op en neer en dat combineer ik met de Mattheus, vroeger stond die op een bandje, daarna had ik cd’s bij me, nu klinkt die via mijn telefoon.
Ik denk niet dat mijn zus dat weet, dat ik in Donner und Blitze en met een bos bloemen op de achterbank naar haar toe rijd en mij in Tränen niedersetze als ik afscheid van haar heb genomen, maar zo is het dus wel.
Toen mijn andere zus nog leefde reed die een keertje mee, dat was nog in de tijd van de cassettebandjes. Zij vertelde van alles tijdens de reis heen en terug, terwijl ik tussen haar woorden bezig was naar de muziek te luisteren. Dat ik niets terug zei, viel haar blijkbaar niet zo op, dat ik zo onbeleefd was de muziek niet wat zachter te zetten waarschijnlijk wel, maar pas halverwege de terugreis drong tot haar door dat het geen zin had om ook maar iets te zeggen en zweeg ze, tot bij het uitstappen. ‘Wat ben jij een verschrikkelijke chagrijn,’ zei ze en toen gooide ze het portier dicht.Volgens mij was chagrijn niet het goed woord, maar dat ik me niet netjes had gedragen, begreep ik ook wel.
Mijn levende zus is overigens ook wel eens jarig op eerste of tweede paasdag, dan kun je rustig met me meerijden, dan draai ik geen Mattheus. Goed, vandaag komt dat er dus niet van, maar morgen rijd ik naar Drenthe voor een verjaarsbezoekje. Alleen. Vanwege corona, ja, maar het komt ook wel goed uit want onderweg ben ik toch niet te genieten, met mijn ogen op de weg, voeten op de pedalen, handen aan het stuur en mijn oren in de speakers.

24 maart 2021

Lezen met een mond vol tanden.

‘Er smelt iets hier, er explodeert iets daar. Er zoekt een virus naar overleving en hij vindt vogels, vissen, dieren, mensen. De vrijheid van het overleven is vooral onvrijheid van anderen. We consumeren of we worden opgegeten.
Bevrijd ons van de wetten van de natuur. Zo bidden wij.’

Vanavond verzorgde ik de vesper van onze kerk en daarin kwam deze voorbede voor. Dat verbaasde me niet, want ik had hem zelf geschreven. De gedachte lijkt me duidelijk: ik herken God niet bepaald als natuur, als natuurwetgever, waarin de norm van de overlever, van de sterkste geldt.

In zijn Ideën noemt Multatuli de Natuur dom (die hoofdletter neem ik even van hem over). ‘De Natuur hakt, snydt, stampt, heft, draait, maalt, samenstelt, verbrijzelt.’ Hij noemt de Natuur een werktuig (nu geen hoofdletter): ‘’t Is tuig dat werkt.’ Vervolgens begint hij over een door stoom aangedreven grote schaar van een koperplettery die voortdurend gaapt en hapt. Als er een plaat koper tussen de twee scherpe lange tanden wordt gelegd, dan knipt hij koperplaat, is er niets, dan hapt hij lucht, houd je een bevallig meisje van achttien jaar en met een slanke taille tussen de lemmetten, dan knipt hij een meisje. Dat vertelt hij in Idee 158. Tot zover kan Multatuli dus wel met me meebidden. Maar dan Idee 161:
‘Er ligt ’n bevestiging myner meening over de domheid van de Natuur, in het bij zoovelen bestaand geloof dat het intelligent-goddelijke aanvangt waar van haar wetten wordt afgeweken door ‘n “wonder.”

Men begrypt eerst de verstandelyke zelfbewusten wil van ‘n “God” als de Natuur schynt op te houden.
Daar die werking der Natuur nooit ophoudt, geen grenzen heeft, is er alzoo voor ’n God geen plaats. Wie aan God gelooft, moet wonderen aannemen, op straffe van inkonsekwentie. Een God zonder wonderen - d.i. ’n God die niet mag, kan of wil afwyken van de wetten der Natuur - is ’n overbodig Wezen.’

Twee Ideën verder: ‘Bidden is aan die schaar vragen of ze zoo goed wil zyn, ditmaal niet toe te happen omdat er iets tusschen haar kaken ligt, dat we graag wilden heelhouden.
Bidden zou dus, als ’t niet kinderachtig ware, een misdadige poging zijn om de Natuur te verlokken tot wanorde.’ Die laatste zin las ik een paar keer. Verderop noemt hij bidden: vragen of gisteren over mag.
In een gesprek met Multatuli zou ik het afleggen, want ik mag dan stoppen met citeren, hij gaat nog een hele tijd door. Ik heb weinig weerwoord. Natuurlijk kan ik het hebben over het mysterie van het geloof. Hij zou me Ideën lang met Mysterie om de oren slaan waardoor ik het woord in ieder geval een aantal jaren niet meer zou gebruiken. ‘Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen,’ zou ik Multatuli interessanterig in het gezicht kunnen slingeren.
Dat moet ik ook maar niet doen, hij zou me alle hoeken van de kamer laten zien.

Dat gebeurt er als ik Multatuli lees, ik ga zitten jamaren. En hij geeft me de kans niet om een eigen gedachte af te maken. Ik kan zijn snelheid alleen pareren door langzamer te lezen, maar het werkt niet.
De heer Douwes Dekker slaat ieder argument weg, prikt elke redenering door. Hij laat me lege handen en een mond vol tanden en gaat maar door. Jamaar…, zeg ik. Hij is alweer een alinea verder en ik moet blijven lezen.
Of hij me ooit echt zal overtuigen? Voorlopig zijn we nog niet uitgepraat. Nou ja, hij dan… Ik lees alleen.

23 maart 2021

Een per dag

Op de verre neef zit een aan-en-uitknop en dat is het dan. Om in zijn termen te blijven - hij is, dan wel was, elektrotechnicus: een schuifregelaar ontbreekt. Sinds kort staat hij weer aan en dat betekent dat ik dagelijks een mailtje van hem ontvang. Een enkele keer zoekt hij ook telefonisch contact. Zo’n gesprek kost tijd, maar een goede kant daarvan is dat daarbij veel gerelativeerd wordt van wat er in zijn mailtjes gebeurt, al was het maar vanwege zijn prettige stem en hij komt doorgaans vrij snel aan zijn zelfspot toe. Die mis ik wel eens in die mailtjes.

Aanleiding van het contact is het feit dat ergens op internet een genealogie staat, van ons beider familie uiteraard. Die staat op een site van iemand die ook weer verwant is. Dit familielid ter andere zijde had mij gevraagd of dat mocht. Ik heb die vraag toen doorgespeeld naar een van de twee opstellers ervan. Die vond het goed en dat heb ik doorgebriefd: ze vinden het goed.
Maar de verre neef vindt het niet goed, blijkt nu. Ook dat heb ik doorgegeven: onze verre neef vindt het niet goed.

Nu moeten we voorzichtig zijn met openbaarheid van gegevens, dus de verre neef heeft een punt. Dat erken ik, dat erkent ook het familielid ter andere zijde.
Verschil is dat ik de kreten, noodkreten, waarschuwingen of hoe je het noemen wilt, alleen doorgeef als het familielid ter andere zijde en ik elkaar spreken; dat is een. Een ander verschil is dat ik nooit op diens site kijk of er al wat mee is gebeurd. Dat hoeft ook niet, want de verre neef doet dat al dagelijks.

Vanmorgen was er weer een bericht: waarom er op de site van het familielid ter andere zijde nog niets aan was gedaan; waarom ik niet op de afgelopen vijf mailtjes heb gereageerd? Ook dat klopt.En dat terwijl er in ieder mailtje ook wel iets staat waar ik iets mee kan. Zo heb ik ongevraagd een familielid op een honderd jaar oude foto kunnen traceren, maar ook kon ik een verkeerde persoonsaanduiding op diezelfde foto corrigeren. Alleen, ik spaar die reacties op.
Gisteren vroeg de verre neef me of ik een artikel uit De Standaard wilde lezen om er vervolgens mijn commentaar op te geven. Ik las het artikel, met de bedoeling om vandaag iets naar de verre neef te schrijven. Maar ik kan me van dat artikel niets meer herinneren, helemaal niets. Ik weet alleen nog dat ik me tijdens het lezen afvroeg wat voor verstandigs ik te berde zou kunnen brengen naar aanleiding van wat er stond. Dat weet ik ondertussen, namelijk helemaal niets.
Dat schreef ik hem vandaag, zoals ik hem ook vertelde dat mijn molen trager werkte dan de zijne en dat ik de rol van onderhandelaar bij een nog niet beklonken deal minder belangrijk vond dan mijn bijzonder prettige relatie met het familielid ter andere zijde.

De verre neef gaf me gelijk, zo liet hij me per omgaande weten in zijn tweede mailtje van vandaag. Wel speet het hem dat ik nooit in ga op de religieuze overwegingen die je ook ieder berichtje van hem tegenkomt. Maar vanmiddag gaf hij daar zelf het antwoord op. Hij schrijft: ‘maar daar hebben we wellicht of mogelijk nog een Eeuwigheid de Tijd voor.’ Kijk, dat vind ik geestig.

22 maart 2021

De tweede lentedag (2)

Toen ik de dag na het ongeluk uit school kwam, zat mijn vader in de kamer. Ik was ’s morgens om half acht de tuin uit gefietst om er een dag mee te maken waarvan ik me niets herinner tot het moment waarop ik de kamer in kwam en daar mijn vader zag. Die kon niet weg zonder auto. Dat begreep ik.
‘We zijn druk bezig geweest met je grapje van gisteren,’ en ik heb intussen ook een auto gehuurd. Nou, daar kan ik niet aan wennen. ’t Is een Fiat. Ik in een Fiat.’
Nu moest hij vanmiddag nog naar Hoek van Holland en naar een paar mensen aan de Maasdijk, dus hij zat al een tijdje te wachten, want ik moest hem rijden. Dat was niet voor het eerst, en de laatste keer zou het al helemaal niet wezen, maar dit moment was wel bijzonder, een dag nadat ik zijn auto zo heftig te grazen had genomen door er een andere wagen mee total loss te rijden.
O ja, moest in de loop van de week wel even bij de mensen langs die ik had aangereden, vond hij. Dat kon ik maar beter met de fiets doen. Een flinke bos bloemen was wel het minste waarmee ik daar moest aankomen.

Pa kon iemand jaren na dato aan een stommiteit herinneren, bij voorkeur op een moment dat er wel om gelachen kon worden, terwijl het toch een beetje stak. Hij verstond de kunst van het kleine venijn. Op de aanrijding van zondag 21 maart 1971 is hij nooit teruggekomen.

21 maart 2021

De eerste lentedag

Ongetwijfeld herinner je je nog dat ik in december 1970 mijn rijbewijs haalde; ik schreef er immers een stukje over. Nu fietste ik gisteren een rondje door de duinen en daarbij kwam ik tussen Kijkduin en Loosduinen door Ockenburgstraat en dus ook langs die omineuze plek van vandaag precies 50 jaar geleden, toen net als nu de 21ste maart op een zondag viel. Met mijn vriendinnetje had ik afgesproken dat ik haar met de auto van mijn vader zou ophalen. Daar ging dan wel een ritueel aan vooraf. Ik was bij mijn oudere broer al regelmatig getuige van geweest. Als je pa om de auto vroeg, zei hij steevast nee, maar twintig minuten later was het ja. Daar hoefde je niets anders voor te doen dan gedurende die twintig minuten bij hem in de buurt te blijven en onopvallend wat sip en teleurgesteld te doen. Geen woorden, geen zucht, nee, meer als iemand die zich in stilte afvraagt hoe hij een plotselinge tegenvaller het beste kan pareren en die daarvoor nog niet een-twee-drie een oplossing weet. Na twintig minuten mompelde mijn vader dan: ‘Pak die sleutel maar en rot alsjeblieft op.’

Op deze vroege zondagmiddag lag dat ingewikkelder. Pa lag in zijn stoel te slapen en slaap is heilig, dat weten we allemaal. Maar ik zou om half twee bij Mente zijn. Daarom moesten het ritueel maar een keertje overslaan. Ik pakte de sleutels en liep naar de garagebox, twee straten verderop. Daar stond de auto. Het kon allemaal ongemerkt gebeuren.

Zo zou het zijn gegaan als ik in de Ockenburgstraat had geremd toen de auto voor mij dat ook deed. Die wilde linksaf naar het crematorium maar moest wachten tot de stroom tegenliggers ophield. Ik had dat niet in de gaten en reed vol in op de achterkant van de Volkswagen voor me. Die sprong enthousiast weg, schoot tussen de tegenliggers door om op de zijweg tegen een geparkeerde vrachtwagen te botsen. Total loss. Intussen ontging het mij niet hoe mooi de motorkap van de auto van pa opkrulde. Fraaie, beige golven zag ik. Maar ik zag ook de oude man die op het voetpad plotseling een auto op zich af zag komen, ik zag zijn verbijsterde gezicht, rukte aan het stuur en botste even later niet tegen hem op maar tegen het bordje met de tekst crematorium. Het boog over de gehavende motorkap mijn kant uit.

Ik handelde snel. Voor politie en ziekenwagen zorgden anderen, maar binnen een minuut stond ik in een huis aan de telefoon om het thuisfront in te lichten.
‘Wat heb je nou toch gedaan, gek?’ riep mijn ontdane moeder. Ik reageerde er niet op, maar vertelde wel waar ik was.
Alsof ik de regisseur was van deze hele scene handelde ik de zaak ook administratief of door met schadeformulieren te wapperen, je bent de zoon van een verzekeringsman of je bent het niet.Later kwam mijn vader aangereden, met de garagehouder, Van den Burg. Hij sloeg zijn arm om me heen en zei dat een Borgdorff niet zonder zijn zeven beschermengelen kan, ‘maar in jouw geval had je er veertien op de motorkap zitten. Het is een wonder.’

Dat Mente intussen ook was gearriveerd, had ik wel in de gaten. Dat mijn en haar vader op deze plek kennis maakten niet. Daar was ik niet mee bezig. Wel met de mensen in de auto voor me. Ze werden met een ziekenauto afgevoerd. Het zou niets ernstigs zijn. Het was alleen maar voor de zekerheid.

Het was 1971 en de lente begon.

20 maart 2021

Viltstiften 4

Met mijn telefoontje kan ik mijn goede daad wereldkundig maken. Een foto via de familieapp zou voldoende wezen om te laten weten dat er hier op het kerkhof in Monster iets schoons was verricht. Ruim een maand geleden was ik de grafsteen van mijn grootouders te lijf gegaan met een schroevendraaier, een beiteltje en vooral met watervaste viltstiften en zo had ik ervoor gezorgd dat weer te lezen is wie er al tachtig jaar op deze plaats begraven liggen.

Pas vandaag kwamen de data van mijn grootmoeder aan de beurt en ook de tekst die ons vertelt dat hun leven Christus was en hun sterven gewin. Deze woorden vind je in het bijbelboek Filippenzen, om precies te zijn als het 21ste vers van het eerste hoofdstuk. Ook nu weer riep de tekst vragen op, over het leven van deze grootouders waarin veel gesappeld was, elders in de wereld gezocht was naar een nieuw bestaan, faillissementen, ziekte, veel ziekte, verlies van een kind en ten slotte een langdurige aftakeling die zou leiden tot een tamelijk vroege dood. Maar dat lees je dus niet in die woorden, dat hun leven Christus was. Het was wel zaak mijn kop bij het klusje te houden, want het beiteltje schoot snel een verkeerde kant op en de inkt kreeg je niet makkelijk weg.

De klus ging veel vlotter dan ik had gedacht en dat is maar goed ook, want toen ik dus mijn mobieltje pakte voor een foto, zag ik dat de app van mijn parkeermeter nog liep. Volgens die app stond mijn auto nog steeds aan de Jan van Galenstraat in Utrecht , daar was de bestuurder even uitgestapt voor het boeket bloemen waarmee hij een vriendin wilde verrassen. Meer dan vier minuten had dat niet geduurd. Daarna was hij naar De Bilt gereden, had er de bloemen overhandigd, koffie gedronken en zich erover beklaagd dat er geen appeltaart met slagroom was.

Er waren sinds het parkeren in de Jan van Galenstraat twee uren en veertig minuten verlopen, zag ik. De kosten waren opgelopen tot acht euro vijftig. Ja, het gemak van een app is een harde leerschool. En ik was hardleers, want dit was niet de eerste keer.

Nu moest ik niet de voldoening over mijn goede daad naar de gallemiezen helpen door over die stommiteit en dat verspilde geld te gaan simmen, maar dat viel even niet mee. Ik moest maar denken, dat mijn auto hier bij het kerkhof gratis geparkeerd stond en daar kon hij blijven staan als ik mijn rondje door de duinen zou fietsen, want de fiets was ook mee. Dat fietsen was gratis. ‘Het fietsen is gratis, het sterven gewin,’ mompelde ik.

Ik fietste langs bij oude vrienden en daar hoefde ik niet te betalen voor de thee, een reusachtige bonbon en een koekje.

De parkeerplaats bij het kerkhof kan worden afgesloten met een hek. Het was vijf uur geweest, dus stel je nou toch voor dat het hek al dicht zou zijn. Het zou toch niet!

Zo was het inderdaad niet en ook dat mocht pure winst heten. In de auto dacht ik nog even aan de woorden van Paulus, aan sterven als gewin. Hij zegt dat hij ernaar verlangt om te sterven, maar nu nog niet en hij gaat er ook vanuit dat het voorlopig niet zal gebeuren. Ja, zo kan ik het ook, zo wil ik ook sterven zien als winst, over zeventig jaar, als er niks meer functioneert en er ook niemand meer is om een bloemetje te brengen, of een kop thee bij te drinken. Die Paulus was een mooiprater.

19 maart 2021

Te laat

Mente kocht een kaart met veertig erop en legde die op mijn bureau. Aanstaande zondag viert een neef zijn verjaardag, daarom kan er wel een kaartje af. Ik maakte mijn klus af en begon aan een gelukwens. Nu heb ik onlangs ook een dia gedigitaliseerd waarop diezelfde neef mij vanaf zijn sleetje en vanonder zijn wollen muts diep in de ogen kijkt. Dat was een maand voor zijn vijfde verjaardag.

Het leek me heel onwaarschijnlijk dat hij dat plaatje kende, want zo ging het met dia’s: die werden veel minder verspreid dan foto’s. Daarom vond ik het een goed idee om een printje van de gedigitaliseerde versie te maken en die mee te sturen. Dat betekende: foto opzoeken, formaat vaststellen, even ruziën met het papier en de printer, maar toen had ik hem toch.

De kaart en de foto gingen in de envelop. Adres, schoenen, toch maar een jas. Als het een beetje mee zat, was ik toch nog op tijd.

Dat was ik niet. De bus zou na 17.00 uur geleegd worden, het was 17.07 en de volgende lichting zou plaatsvinden op maandag, na 17.00 uur. Eén dag na de verjaardag van de neef. Hij zou de kaart dus twee dagen te laat krijgen in plaats van één dag te vroeg!

Ik draaide me om, stapte het kruispunt op, en zag hoe aan het eind van de straat, niet meer dan honderd meter verderop het witte bestelwagentje van Post.nl de bocht nam. Ik stak automatisch mijn hand omhoog met daarin de kaart voor mijn neef. Het was een vergeefs gebaar. De bestuurder van het postwagentje had het niet gezien, helemaal niemand zag me daar staan. Niemand, terwijl het toch een schitterend beeld moet zijn geweest, die man daar midden op een kruispunt die wanhopig een brief in de lucht steekt en dan in de verte die auto die duidelijk maakte dat het te laat was. Dat het Nu Voor ALLES Te Laat, Voorgoed Te Laat was. De Wanhoop, de Tragiek. Iemand had een iconische foto kunnen maken, een onvergetelijk schilderij. Maar niemand zag mij.

Ik liet de kaart alsnog in de bus glijden. Het klonk hol.

Natuurlijk, een mailtje, een appje, een telefoontje is genoeg om… Ja, om wat? Om te zeggen dat ik eigenlijk op tijd, maar dat die verdomde PTT (en zo heet het niet, dat weet ik ook wel, maar ga nou niet zitten zeuren)… maar zo is het niet. Ik was te laat. Als ik niet die foto… Zo was het ook niet, als ik gewoon tien minuten eerder. Hoe dan ook, de neef zal denken dat ik pas op het idee van die kaart en die foto kwam toen ik langs via diverse glasplaten felicitaties zijn kant uit zag gaan. Dat heb ik maar te accepteren, maar dat valt me zwaar.

Het is nu nu. De neef is pas overmorgen jarig, de kaart is gepost en ligt hier vlakbij drie nachten lang in de brievenbus hier vlak bij. Alsof er niets aan de hand is. Wij weten beter:

het mes van de guillotine suist omlaag en niets houdt dat vlijmscherpe ijzer tegen.

18 maart 2021

Donderdag

Zo langzamerhand ben ik het kwijt, maar vandaag kwam het donderdaggevoel weer over me. Dat kwam door een telefoongesprek met mijn zus die me wist te vertellen dat onze vroegere werkster nog leeft. Ze is nu 101. Ook haar noemden we tante, maar dat was ze niet, want ze was geen familie, ook geen vriendin van mijn ouders en had ze nou maar als een Tante Hannie bij de televisie gewerkt, maar daar heeft ze nooit gesolliciteerd.

Donderdag werd donderdag op het moment dat ik tussen de middag uit school thuis kwam. Dan was alles anders. Naar. Er stond bijvoorbeeld een trap in de voorkamer. Er hingen kleden over de kloppaal in de tuin. Of die nare kattige slastem van tante Katrien snerpte je al toe dat je ergens niet lopen mocht, want daar was net gedweild. ‘Je wacht maar buiten tot het droog is.’

Met een stoel was doorgaans ook wel iets dus zitten kon je vergeten. Het was naar, vervelend en ellendig en tante Katrien was daar de personificatie van, met die kijfstem van d’r. Zij woonde aanvankelijk een straat achter ons, maar na onze verhuizing ging haar donderdagse klus bij ons gewoon door. Ik weet zeker dat ze niet meer kwam toen ik eenmaal naar de middelbare school ging. Nee, dat moet al eerder geweest zijn. Maar dat was al te laat: de donderdag bleef decennialang de vervelendste dag van de week, de dag van de ontregeling.

Tante Katrien was getrouwd met oom Jan. Dat was een heel ander geval, een aardige vent met diepe verticale plooien over zijn gezicht dat zo goed paste bij de lange leren jas die hij als motorrijder altijd droeg. Oom Jan kon prachtig tekenen; er hing een dorpspleintje van hem keurig ingelijst bij ons boven de kachel. En dat niet alleen, hij kon ook timmeren en lassen en zo kregen mijn grote broer en ik een prachtige kar. Het onderstel was van een kinderwagen, de bak was een groentekist, maar het stuur had oom Jan gelast en je kon er heel goed mee sturen. Ja, die kar is een verhaal apart.

Natuurlijk zal hij de leren jas niet altijd gedragen hebben, maar zo zie ik hem voor me. In die leren jas verongelukte hij met zijn motor. En die jas droeg hij ook toen de foto werd genomen die na zijn dood bij tante Katrien op het dressoir kwam te staan. Wij hadden die foto ook. Alleen draagt oom Jan op daarop niet meer zijn leren jas, maar een colbertje. Dat Hugo Liebe aangepast, de plaatselijke fotograaf die ook schilder was, of omgekeerd.

De tragiek van het verlies van die lieve oom Jan droeg tante Katrien met zich mee, dat merkte je nergens aan, maar het was wel zo, dus ik had met tante Katrien te doen. Alleen deed dat medelijden niets af aan mijn nare donderdaggevoel, dat gevoel van ontregeling, teveel zijn, niet welkom wezen, het niet goed kunnen doen, nee, dat medelijden kwam er juist bovenop: je moest het maar slikken. Zo leuk was het natuurlijk niet voor tante Katrien en haar twee kinderen.

Waar mijn moeder was? Ze was er gewoon bij; zij en tante Katrien deden alles samen op die vervelende donderdagen. Ik wist wel dat mijn moeder met me heulde. Ze knipoogde wel eens, maar ze zei niets.

Als ik op dondermiddags om half vier weer uit school kwam, liever met Dirk mee, of met een ander vriendje. Dat hielp amper: de donderdag was een mentale kwestie. Thursday is a state of mind.

17 maart 2021

Glimlach

Ik heb gestemd en ben niet gevallen. Nogal snel liep ik vanmorgen de deur uit om te gaan stemmen maar iets in mij was alert genoeg om rekening te houden met het kleine afstapje halverwege het paadje van de voortuin. Dat afstapje was er niet, al jaren niet meer, en zo raakte mijn rechtervoet de grond sneller, abrupter en voller dan ik gedacht zou hebben. Ik ‘struikelde over iets dat er niet lag en er ook niet behoorde te liggen.’ Het citaat komt vaker in me op als ik me met goede afloop verstap. Die goede afloop zal er ook wel aan bijdragen en volgens mij is het vooral dankzij dat spontaan opgeborrelde citaat dat ik meestal glimlachend verder loop. Er was verder niemand op straat op dat moment, dus niemand hoefde zich zorgen te maken om die man met die dwaze glimlach op zijn gezicht.

Het citaat vergezelt me al jaren, het ligt ergens keurig op een vaste plek in mijn bovenkamer, maar er hoeft maar iets te gebeuren en het springt tevoorschijn en altijd weer vind ik dat leuk. Het staat aan het begin van Ruitjespak. Dat is het tweede verhaal in de bundel De kleine parade, van Henriëtte van Eyk, maar ik las het in een leesboek voor tweedeklassers. Het verhaal is tot mijn vaste repertoire gaan behoren, al was het toen al wat gedateerd misschien. Nou en? Waarom zeg ik dat nou?

Zeven jaar geleden hebben we dat afstapje laten weghalen en kozen we voor een tuinpaadje dat iets meer helde. Mijn schoonvader, een negentigplusser toen, was al eens bijna gestruikeld, iemand had bijna zijn enkel verzwikt, maar toen Leen languit kwam te liggen, was het afgelopen. Toen hebben we het pad aangepast.

Op een avond in de week voor Kerst 2013 besloot Leen, hij woonde een eindje verderop, een kaartje bij ons in de bus te doen. Het was donker en het huis bood geen soelaas, want daarin brandde geen licht. Dat was ook niet nodig, wij zaten toen een paar maanden in Nieuw-Zeeland om pas na Kerst terug te komen. Geen licht dus. Maar dat opstapje halverwege het tuinpad was er wel en Leen zag het niet. Hij maakte een smak. Zijn neus werd nog diezelfde avond gehecht. De kerstkaart die hij al in zijn hand had, heeft onze deurmat nooit bereikt.

Pas een maand later hoorden we ervan en toen was ook duidelijk dat maar eens afgelopen moest wezen met dat verraderlijke af- dan wel opstapje. Zo is het gegaan.

Maar ergens, diep in mij, klinkt er dus automatisch een belletje dat me op het afstapje wijst. Ik heb geprobeerd de draadjes van dat mentale alarm los te trekken, maar dat is niet gelukt, zoals ook vanmorgen weer bleek. Het fantoomafstapje heeft gelukkig nooit een ernstige situatie opgeleverd, wel een leuk citaat dat spontaan opspringt als ‘ik struikel over iets dat er niet ligt en er ook niet behóórt te liggen.’

De glimlach bleef, ook toen ik het stembureau binnenliep, maar toen was dat omdat ik daar mee mocht doen aan het feest van de democratie, want dat is het als je stemmen mag, een feest.

15 maart 2021

Begonnen in Ideen van Multatuli

Het is hollen of stilstaan bij Multatuli. Ik heb tien ouwe blauwe bandjes met zijn Verzameld Werk en ben net begonnen aan deel 3; dat is de eerste bundel van zijn Ideen. In deel 2 sprak opnieuw het verhaal over Golgotha me aan, maar ik werd ook wel eens moe van het boek. De Ideen van het begin zijn nog vooral aforismen en uitlatingen, soms treffend, soms ook niet, al heeft dat ook te maken met hun leeftijd: ze zijn 150 jaar oud.
Een aantal is trouwens overbekend. De eerste bijvoorbeeld al:
1. ‘Misschien is niets geheel waar, en zelfs dat niet.’
Nummer 2 al minder: ‘Twee linker-handschoenen maken geen paar handschoenen; twee halve waarheden maken geen waarheid.’
Ik ben blij dat hij niet met een toepassing komt.

Moe werd ik in deel 2 van de manier waarop hij de opmerking of aantijging pareert dat hij het wel bijzonder veel over zichzelf heeft. Dan zijn zijn reacties wat flauw; bovendien heb ik ook wel een beetje last van zijn ik-gerichtheid en zijn eigendunk, al leveren die in de Ideen ook wel aardige momenten op. Van God moest hij niet veel hebben, maar dat weerhield hem er niet van om zich met Christus te vereenzelvigen, en dat op de manier van ‘ik en Christus weten er alles van.’
Idee 57 past in dat straatje: ‘Er is maar één weg ten hemel: Golgotha. Wie er wil komen langs anderen weg, is ’n infame smokkelaar.’
Dit idee geeft een onverwacht bruggetje naar iets anders wat hem hoog zit en dan gaat het om de belachelijkheid van sommige spellingregels. Zo fulmineert hij tegen de in zijn tijd nog gebruikelijke sch, niet alleen bij een woord als logisch, maar ook bij mensch en visch. Maar ook de slot-n van ‘anderen’ in bovenstaand Idee schrijft hij met tegenzin. Liever ook zou hij hollans schrijven in plaats van hollandsch. Dat brengt me natuurlijk bij een van zijn bekendste Ideen, namelijk nummer 41:
‘Ik leg me toe op ’t schrijven van levend hollandsch. Maar ik heb schoolgegaan.’

Tussen de Ideen veertig en de zestig heb ik meermalen een streepje gezet, zoals bij 48.
‘Een ruiter viel van ’t paard, en sinds dien tyd
Noemde ieder die van ’t paard viel zich ’n ruiter.’


Idee 50.
‘Ik paste een hoed, en zei: die maat is goed.
M’n kleine jongen had ’n hoedje noodig, en wou dezelfde maat hebben.
- Papa, je hebt gezegd die maat was goed.
Zoo’n kind.’


Ik heb het niet zo op bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden die een affect of een graad uitdrukken, daarom kan ik me vinden in Idee 51.
‘Wie me wat nadoet, is dikwyls m’n vyand, meestal vervelend en altijd ’n dwaas.’
Het zou zomaar een van zijn lijfspreuken zijn, maar hij is nog niet klaar met dit Idee. Hij vervolgt namelijk: ‘De adverbia in dit Idee zyn inkorrekt en schynen slechts te dienen om de maat van ’t vers voltemaken. Dit is by verzen dikwyls het geval, en niet met bywoorden alleen. Het overige is juist.’

Spelling en etymologie (ook al een stokpaardje) kom je tegen in 62 als hij vertelt dat hij er niet toe kan komen om ‘in ’t woord avend geen o [kan] plaatsen.’ Die o spreken we namelijk niet uit, ook etymologisch hoort hij niet in het woord thuis.

Flauw is hij dus ook zo nu en dan. In 58 vertelt hij dat er maar weinig boeken zijn waaruit je niet kunt leren hoe je niet moet schrijven. Meteen daarop zegt hij: ‘Neem één raad aan. Deze: dat ge geen raad aanneemt.’

14 maart 2021

Het recht is een vrouw

Bij de Poortstraat valt het geluid van de Nieuwe Kerk over me heen. Bij de tweede slag weet ik het weer: het klimaatalarm. Fijn dat ook de Nieuwe Kerk – de Utrechtse, dus niet die van Amsterdam of Delft - er aan meedoet. Terwijl ik verder fiets, hoor ik er nog twee, ik kan niet zeggen welke.
Onderweg wordt het gebeier overstemd door een vrouw die in de deur met een lepel op een deksel slaat. Blijkbaar is haar zojuist van de overkant toegeroepen: ‘Wat ben jij nou toch aan het doen, buuf?’ Want als ik passeer roept de dekselse meid dat ze dit doet voor het klimaatalarm. Zo zegt ze dat: ‘Voor het klimaatalarm.’ Volgens mij klopt de formulering niet helemaal, maar dat doet niets af aan de plotselinge liefde die in mij opwelt voor deze vrouw. En als ik op zoek zou zijn geweest naar een kerk, dan had ik vanwege het gelui vanmiddag misschien wel voor de Nieuwe Kerk gekozen. Andere deksels hoor ik overigens niet op mijn fietstocht. Wel signaleer ik later nog twee uitgediende demonstratieborden onder de arm van een man en een vrouw.
Daar had ik natuurlijk bij moeten zijn, bij de demonstratie. Gelukkig bedenk ik het me te laat; die tegen de verbreding van de A27 bij Amelisweerd van begin december leverde me enkele weken ongemak op en het is vandaag niet minder guur dan toen die zondag.

Ik kom ook nog langs het beeld van Vrouwe Justitia. Ze staat voor de rechtbank. Het is een mooi, eenvoudig beeld van Elselien van der Graaf. Waarom is al sinds de klassieke oudheid een vrouwe het symbool van gerechtigheid? Je kunt je even zo goed afvragen waarom Chronos een mannelijke god is, maar we hebben het nu over Justitia. En zou het niet interessant zijn om na te gaan of je inderdaad kunt zien dat dit beeld voor de Utrechtse rechtbank gemaakt werd door een vrouw? Ik merk dat ik dat wil. Daar zou ik het ook over kunnen hebben. Maar ik blijf tobben over die rare blinddoek. Ook als ik een foto heb gemaakt en weer verder fiets. Waarom een blinddoek en waarom dan bijvoorbeeld ook niet meteen dikke proppen in haar oren? Waarom moet de gerechtigheid blind zijn? Ik zou juist zeggen dat die goed uit haar doppen moet kijken. Niet doof maar ook niet blind. Vrouwe Justitia is Vrouwe Fortuna niet!
Na twee stoplichten, en bij een ervan zie ik dus die twee demonstratieborden oversteken, dringt tot me door dat de Vrouwe Justitia van Van der Graaf geen weegschaal draagt, maar ook geen zwaard in haar knuist houdt. Nu wordt het me toch een beetje te gortig: blind, geen afweging en ook geen vonnis. Gekker moet het toch niet worden.

Pas als ik thuis ben en de gemaakte foto’s nog eens bekijk, herken ik in de bevallige houding van de Stichtse Juus, een balans. Ze is zelf een weegschaal. Daarna is het zwaard een eitje: zoals het zwaard Excalibur van Koning Arthur in de rots stak, zo steekt deze Justitia als een zwaard in het plaveisel van het plein voor het gerechtsbouw. De vrouw identificeert zich met haar taak, nee, ze ís waar ze voor staat. Daar heb je geen attributen voor nodig, bij haar is alles inclusief. Misschien is dat de boodschap van de maakster.
Dan vermoed ik dat deze Juus van Elselien dwars door dat doekje voor haar ogen heen kan kijken.

13 maart 2021

Kijk eens hoe hoog wij zijn

Ik slaap er al een paar nachten slecht van. Niet omdat er op dit punt iets ernstigs aan de hand is, het viel juist allemaal heel erg mee, maar omdat ik dat wel even heb gedacht. Mijn gevoelige plek weer even een beurt kreeg. Ik denk dat die er niet minder op wordt. Met terugwerkende kracht komen er lang verleden huis-, tuin- en keukenongelukjes langs, met dit verschil dat ze ooit keurig hun beurt in de tijd afwachtten, maar nu simultaan hun slag slaan. De gebroken neus, de gehavende armen en kinnen, de abcessen, de hardnekkige longontsteking, het benauwde gepiep, de koliek.

Het was de hoogste tijd voor een bezoek aan de speeltuin om de hoek, vonden Markus en ik. We hebben het nu over eergisteren. Hij nam nog gauw even wat druiven en schoof toen zijn kinderstoel van tafel, een tripptrappgeval. Ik keek toe vanaf de bank, bezig mijn schoen te strikken. Markus duikelde voorover en plofte als een grote zomervrucht vol op de tegels van de keuken. Ploffen is een onomatopee. Ik geloof niet dat ik dat laatste op dat moment heb gedacht, want ik was de kamer al door gerend om hem in de keuken van de grond te rapen. Er moeten geen vijf seconden tussen gezeten hebben, maar dat was genoeg om zijn voorhoofd blauw te zien worden en een bult te zien ontstaan. Hij huilde onbedaarlijk, klemde zich aan me vast. Toen hij merkte dat oma intussen ook weer in de buurt was, wilde hij verhuizen.
Het huilen bleef. En toen dat op hield vielen zijn oogjes telkens dicht. De koude lap die ik op zijn voorhoofd legde, vond hij vervelend. Hij reageerde dus nog adequaat, maar dat veranderde niets aan de armzalige staat waarin hij verkeerde. Het draaien met die oogjes beviel ons niet, en dat die smak! Hij viel in slaap.

Zijn moeder werd opgetrommeld en we reden naar de dokter en daarna, na de nodige instructies, waaruit we begrepen dat het waarschijnlijk allemaal goed was afgelopen, konden we weer naar huis. Hij wilde naar zijn eigen huis.
Daar lag hij een uur later te zingen in zijn bed. Er was niets aan de hand. De nacht erna is zijn moeder volgens de aanbevelingen van de dokter een paar keer wezen kijken. Hij sliep als een os.Ik niet. Ik zag al die kinderen vallen, die keren dat handen te kortschoten. Steeds waren er weer die akelige regels van Rutger Kopland, uit de reeks ‘Bij de dood van mijn vader’. In het vierde gedicht, dat heet ‘Een lange wandeling’ lees ik:

[…] kijk
eens hoe hoog wij zijn. En inderdaad zij
zijn buiten bereik, al zij vielen,
ik zou hen moeten laten vallen.


En dat gebeurde, gisternacht en deze nacht opnieuw.

11 maart 2021

Wat niet is

Langs de weg staan bilboards met de heer Rutte erop. Er zijn verschillende foto’s: af en toe wijst hij naar me, maar meestal loopt hij me tegemoet met een koffiebekertje in de hand. Waarom is dat een wegwerpbekertje en niet bijvoorbeeld een aluminium beker? Is dat een statement? Twee keer voorzagen grappenmakers hem flauw genoeg van een vierkant snorretje. Terwijl Rutte niet eens lijkt op Charlie Chaplin. Ook mevrouw Kaag lacht me geregeld toe. Gelukkig zonder verminking. Dan kom ik nog veelvuldig de heer Baudet tegen. Doorgaans met een sticker op zijn neus en, kijk, dat vind ik nou weer niet zo erg. Dat er nog plakkers te vinden zijn die deze man op het schild van een bilboard tillen.
Ik wil het er verder niet over hebben.

Gisteravond zag ik op de BBC een man van een jaar of tachtig en ik wist het meteen: zo ziet onze Tommy van twee er over tachtig jaar uit!
Nu zijn er fotobewerkingsprogramma’s die je laten zien hoe je er als stripfiguur uitziet of je ziet hoe je over twintig, veertig of zestig jaar door het leven gaat. Maar op tv zag ik dus de Tommy, zoals ik hem bij leven nooit zal meemaken, al zou ik het kunnen proberen door de uitzending terug te kijken en dan wat foto’s te maken. Met die bewerkingsprogramma’s schakel je de hobbel van de tijd gewoon uit, als die programma’s betrouwbaar zijn, dus dan zou ik geen tachtig jaar meer hoeven wachten.

Dat kun je checken door een kinderfoto van jezelf, van je ouders of grootouders te gebruiken. Daarmee zou je te zien kunnen krijgen of iemand inderdaad wel haar of zijn eigen zelf is geworden of dat er ergens iets misging.
Als ik terugkijk naar oude foto’s valt me overigens op dat ooms en tantes van vroeger levenslang herkenbaar blijven en hier en daar zie je op de oude foto’s trekken terug van hun veel latere nazaten. Toch word ik vooral achterdochtig, want als ik van mij onbekende mensen een recente plaat zie én een jeugdfoto, dan lukt het vaker niet dan wel om gelijkenis te ontdekken. Ik hou het er maar op dat er in hun leven blijkbaar inderdaad iets misging, of dat omgekeerd iets onverhoopt toch nog goed gekomen is.
Al met al vrees ik het ergste voor die fotobewerkingen.

Mijn moeder vertelde wel dat ze zich ’s avonds op bed regelmatig had liggen afvragen wat haar kinderen later zouden gaan doen en ook hoe ze er zouden uitzien. Er had niets van geklopt, zei ze later. Natuurlijk vroeg ik haar of de uitkomst mee of tegen viel en ook wel wat ze dan wél had verondersteld indertijd, maar daar gaf ze geen antwoord op. Waarom niet? Wel vertelde ze vrolijk verder dat ze dat later ook weer deed met de kleinkinderen; ook bij hen kwamen dromen haar niet uit. Ik geloof niet dat ze overspannen verwachtingen had. Maar de voorspellende waarde ervan bleek nul.Bij Tommy zal het ook wel niet kloppen: die ziet er als tachtiger waarschijnlijk heel anders uit dan de man die ik op tv zag.

Als je nou die politici op hun bilboards met een fotoprogramma zou terugvertalen naar hun kleuterpendant om op basis daarvan een beeld van hun hun huidige kop te reconstrueren. Hoe zouden die er dan uit zien? Waarom zou ik dat willen weten? Ik kan het je niet zeggen. Wil ik het wel weten? Ik geloof van niet, maar we hadden afgesproken het daar verder niet over te hebben.

10 maart 2021

Lukaffff

Na een bezoek aan de speeltuin van het Griftpark rende Lukas nog even de heuvel op die we de teletubbyheuvel gedoopt hebben. Dat leek Markus ook wel wat. Die deed daar met zijn twee jaar veel over, maar wat gaf dat? Hij wilde nog een keer de helling op en af. Lukas, zag ik van een afstandje, kwam al dichter in de buurt van mijn fiets.

Daar stond hij niet meer toen ook Markus klaar was met de heuvel. Waar ik ook keek, ik zag geen Lukas. Was hij weer teruggegaan de speeltuin in? Had hij het pad achter me genomen, het pad voor me, was hij linksaf geslagen? Ik wist het niet. Vlug plantte ik de peuter op het zadeltje op de stang en fietste naar links. Ik zag geen Lukas, ook niet bij het volgende kruispunt. Het meest voor de hand lag het om hier rechtdoor te gaan en het brede pad te blijven volgen, al zag het pad links er leuker uit. Alleen, het pad naar rechts zou het goeie zijn, maar kon Lukas dat weten? We namen deze weg nooit als we naar het Griftpark gingen. Ik ging naar rechts. Tweehonderd meter verder zouden we in een wirwar van straten terecht komen en als al je niet hopeloos verdwaald was, kwam je bij een drukke weg uit. Het zweet brak me uit.

In de verte zag ik hem lopen. ‘Lukas!’ riep ik met een volume waar ik zelf van schrok. Markus niet, die vond het wel leuk en echode mijn roep: ‘Lukaf, Lukaf!’ Dat was niet nodig, want Lukas was al stil blijven staan, toen zijn naam onverhoeds uit de lucht kwam vallen. Hij stond uit, zo leek het, ook toen ik bij hem kwam. Ik had het over verdwalen, weglopen, schrikken. Lukas zei niets. Wel trok hij zijn been half behulpzaam op toen ik hem achterop tilde. Daar bewoog hij niet. Markus riep af en toe nog eens ‘Lukaf.’

Bij de schuur barstte Lukas in huilen uit. Ik trok hem tegen me aan en zei dat ik er niet aan moest denken dat ik hem kwijt zou zijn.

Ik lees verder in het boek van Jo Boer, Kruis of munt. Daarin dwaalt de zeven- of achtjarige Jopie tijdens een verjaarspartijtje door het park van het Haagse Zorgvliet. Ze speelden verstoppertje maar blijkbaar is men haar vergeten. Het houdt haar niet bezig. In plaats daarvan laat ze zich bedwelmen door het moment van bosanemoontjes en een eindeloos veld vol klokjesbloemen. Ze gaat er languit in liggen. Het duurt lang voor men haar gevonden heeft, maar nogmaals: dat houdt haar niet bezig.

Toen moest ik ineens weer denken aan onze Lukas van vijf, veertien dagen geleden. Natuurlijk had ik hem gevraagd waarom hij niet bij de fiets had gewacht. ‘Ik liep alvast de kant op naar huis,’ had ie later gezegd. Hij zou daar uit zichzelf nooit gekomen zijn, wist ik, maar dat zei ik toen niet en nu bedenk ik dat ik hem had moeten vragen wat hij allemaal bedacht had terwijl hij daar liep. Misschien ook had die harde stem die zijn naam de wereld in knalde als een steen zijn zieltje geraakt om dat eens flink te beschadigen. Misschien ook niet. Misschien bleef dat harde ‘Lukas!’ wel resoneren in het peuterhoofdje van zijn broertje Markus, en zou die er later nog eens aan terugdenken, zonder te weten waar die kreet toe had gediend. Misschien zou hij denken: toen die keer riep opa zo hard Lukas dat ie er plotseling nog was ook. Maar zo is het niet geweest.

09 maart 2021

Sprits

In de roman ‘Kruis of munt’ van Jo Boer sabbelt de vijfjarige Jopie op een koekje en dat bevalt me wel. Ze eet omzichtig de randjes van het koekje en daarna moeten een voor een de letters op het koekje eraan geloven. Ten slotte blijft er een restje van het spritsje liggen.

Dat lees is: spritsje, maar ik geloof niet dat het om een spritsje zou gaan. Vertel mij wat spritsen zijn. Maar wel rook bij het lezen onmiddellijk de spritsen van Voskamp en ik kreeg er ontzettend veel trek in. Een sprits is een koek van opgespoten deeg; daar dankt hij ook zijn naam aan. Van spritskoeken bestaan allerlei varianten, vierkant, rond, groot klein, recht of in een golfje gespoten of in een cirkel, maar de enige echte sprits, kan ik je vertellen, is de rozetsprits, waarbij een pinkdik gat in het midden geen vereiste is, maar wel bijdraagt aan de waardering van de sprits. En hij is groot. Ik moet me niet in de luren laten leggen door kinderlijke herinneringen die alles van vroeger groter, verschrikkelijker, mooier, lekkerder maken, dat weet ik ook wel, maar de meetlat van mijn geheugen laat het niet toe dat de diameter onder de tien centimeter komt. Ik houd het liever op twaalf en dan nog geloof ik niet dat ik overdrijf.

Dan heb ik het natuurlijk wel over de spritsen van bakkerij De Tijd, oftewel bakkerij Voskamp, op de hoek van de Helmstraat in Monster. Graag zou ik je willen aansporen om er nu onmiddellijk heen te gaan, maar dat heeft geen zin: je bent te laat; de bakkerij is er niet meer. Heel jammer is dat, want de spritsen van Voskamp waren groot, lekker en vers.

Ze hoorden bij de woensdagmiddag. Dan trokken van verschillende gezinnen de moeders en de kinderen naar een huis aan de Molenweg, dichtbij de bakkerij in kwestie. Het was meer regel dan uitzondering dat er op een gegeven moment kinderen op pad werden gestuurd om een zak spritsen te halen. Ik ging altijd mee. Achteraf begrijp ik ook waarom ik zo’n hang had naar de bakkerij en de spritsen die daar gebakken werden. Ik werd geboren in het huis ernaast. Er moet toen een oostenwindje hebben gestaan dat een zoete baklucht de kamer in blies waar ik geboren werd. Dat was in de vroege morgen van een zomerse dag, het moment waarop bakkers druk in de weer zijn. Vanwege het weer zal het raam een beetje open hebben gestaan.

Bakkerij De Tijd heeft lang bestaan en eerlijk gezegd verbaast het me dat de winkel er niet meer is. Internet voert me wel naar een hele keten van bakkerijen met de naam Voskamp. De oorsprong daarvan ligt in Spijkenisse en daarvoor moet je terug naar 1969. Toen kwam daar de eerste bakkerij Voskamp, zo vertelt de betreffende website me. Dat de geschiedenis verder teruggaat, naar Monster, vertelt de website niet. Maar dan zie ik een foto van de oprichter van de bakkerijen daar in en om Spijkenisse. Die kop ken ik. Heette die man niet Frans? Ik weet het niet, maar ik pak wel de telefoon om even daarna te horen dat bakkerij Voskamp inderdaad begonnen is door een Monsterse bakkerszoon, dus door mijn onbekende buurjongen. De spritsen van Voskamp bestaan dus nog.

Er komt een moment dat ik naar Spijkenisse rijd, om daar een pak spritsen te kopen. Dat doe ik op een woensdagmiddag. Mijn babytijd kende moedermelk en paplepel, jawel, maar via mijn kleine neusje zocht de geur van versgebakken sprits zich een weg naar het diepst van mijn geheugen.

07 maart 2021

Dia’s op zondag

‘Gedenk de sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat; daarop zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstmaagd, noch de vreemdeling die in uw stede woont. Want in zes dagen heeft Hij de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevenden dag. Daarom zegende Hij de sabbatdag en heiligde dien.’
Ik hoop maar dat ik correct heb geciteerd, ik deed het uit het hoofd.
Bij mij is alles liefdewerk, want om in mijn onderhoud te kunnen voorzien, hoef ik niets te doen. Dat neemt niet weg dat ik bepaalde dingen niet doe op zondag. Niet om den Heere welgevallig te zijn, sorry, maar omdat het een slimme regel is. Wel eentje waar ik niet consequent mee omga. Dat wil zeggen: ik ga er consequenter mee om wanneer er veel aan mijn fietsbel hangt, zoals de uitdrukking zegt. Om te beginnen is internet taboe. Dat scheelt al. Maar voor kerken-, schrijf- of ander werk moet je op zondag ook niet bij me aankloppen. Digitaal heeft sowieso vaak geen zin, want bij een kerkdienst gaat mijn mobieltje op de stille stand. Doorgaans vergeet ik daarna om het weer in te schakelen. Een zondag zonder computer is een betere zondag. Maar nogmaals: consequent ben ik niet en omdat ik er vandaag wel zin in had om weer wat dia’s te digitaliseren, kreeg ik toestemming, naar ik aanneem ook van hogerhand.
Dat digitaliseren gaat langzaam, maar omdat ik de prentjes meteen een beetje opknap, lijkt het juist snel te gaan, want op het digitaliseren van vier dia’s knap ik er twee en soms drie op, met als gevolg dat er een stuwmeer aan nog op te knappen foto’s ontstaat. Ik vind het leuk om te doen.
Vandaag bijvoorbeeld brachten we de voorjaarsvakantie van 1986 door in Ruinen en met Pasen waren we bij mijn moeder in Monster. Daar zag ik hoe de oudste yoghurt gelepeld kreeg uit die de vlaflipglazen. Ze waren even lelijk als onvermijdelijk, die eeuwige vlaflipglazen van mijn moeder! Nu zijn ze verdwenen. Geen idee wat ermee gebeurd is. Op binnenshuis genomen dia’s zie ik vaak een asbak. Daarin ligt vaak een pijp van me. In Monster stond er altijd een grote kristallen asbak, ongetwijfeld een relatiegeschenk. Ik vond hem wel mooi. Mijn moeder had er drie kleine viltjes onder geplakt. Zij was zuinig op haar spullen. En ik zie ergens een oude aardewerken melkkan, van een wit dat naar geel neigt, met kleine blauwe bloemetjes. Het zou met niet verbazen als die kan ook al door een eerdere generatie gebruikt werd. Ik zou nooit meer aan die kan gedacht hebben als ik er zojuist niet een stofje van had moeten afhalen, een digitaal stofje dan, van een digitale kan. De kan was niet alleen mooi, maar ook praktisch. Je kon er slagroom in kloppen, je kon hem als schenkkan gebruiken voor limonade, bowl of water. Bij hoogtijdagen met een extreem boeketgehalte diende hij ook wel als vaas. Ja, hij zag er zeer bescheiden uit, decent is het goede woord, maar wat was hij handig.
Die kan is me het dierbaarst. Ik hoop maar dat die niet in de Monsterse kringloopwinkel terecht is gekomen, maar dat een familielid hem mee naar huis heeft genomen die er nu heel blij mee is.

Zal ik toch het citaat uit de tien geboden nog even controleren?
Nee, niet doen op zondag doen we geen kerkenwerk.

06 maart 2021

Professor doctorandus

Uit Australië kwam vandaag een pakketje binnen voor ‘Prof Borgdorff.’ Ik vroeg me even af of dat een vergissing was of dat er opzet in het spel was. Was het een manier om de Australische afzender dan wel de Nederlandse bodedienst aan te sporen om vooral snel dan extra voorzichtig met deze bestelling om te gaan?

In 1965 begon ik het leven als een gevangenis te ervaren. Dat had alles met school te maken en de ellende was: alles wás school. De lesuren die je doorbracht, de weg erheen en altijd tegen de wind in weer terug om daarna dat vreselijke huiswerk te doen, dat ik uitstelde omdat het zo verschrikkelijk was, zodat het ook nooit afkwam. Voor ik het wist, zat ik een plaatje te draaien of bleek ik met een tekening bezig of ik staarde uit het raam.
Of ik pakte mijn atlas en volgde met mijn vinger de weg die ik zou gaan door de wereld. Ik zou een kampeerbusje kopen, een Volkswagenbus waarvan je het dak kon verhogen. Daarmee zou ik die hele wereld bereizen. Ik zou stukken naar kranten sturen en daarmee zou ik mijn reizende bestaan bekostigen. Op multoblaadjes begon ik alvast met mijn route. Die begon in Monster en daarna zou ik via Poeldijk, Wateringen en Rijswijk eerst een stuk van de E8 nemen om bij Arnhem het land te verlaten.
Ook moest ik weten wat ik in al die landen wilde gaan bezoeken. Daarvoor stuurde ik regelmatig een briefkaart naar een ambassade. Het telefoonboek van Den Haag hielp me daarbij enorm en in een la van mijn vader lag een dikke stapel voorgefrankeerde briefkaarten waarvan ik onopgemerkt gebruik kon maken.
Over Tsjecho-Slowakije, Polen en Zuid-Afrika kreeg ik al vrij snel prachtige informatie. Dat was mooi, maar er waren ook ambassades die niet reageerden. Veel meer succes had ik toen ik de briefkaarten niet meer met de hand schreef, maar een tikmachine gebruikte. Het woord ‘wereldreis’ verving ik door ‘een grote reis waarbij ik ook uw land wil bezoeken’ en voor de afzender gebruikte ik niet meer mijn voornaam, maar ‘Drs. L.’ Dat had succes. Ik kreeg ook wel landkaarten toegestuurd die me duidelijk maakten dat er ook in het buitenland veel meer plaatsen en wegen bestonden dan mijn Bosatlas suggereerde. Van Volkswagen kreeg ik een folder dubbel zodat ik mijn droomauto kon uitknippen om naast mijn bed te hangen: een tweekleurige bus, met uitgeschoven dak en twee mensen die ervoor zaten, op kampeerstoeltjes, bij een vuurtje. Een man en een vrouw. Dat stak ik er ook van op: ik zou niet alleen op reis gaan, maar met een vrouw. Nu was dat nog een meisje; daarom was het zaak om goed naar meisjes te kijken, want misschien zat daar mijn toekomstige reisgenote en geliefde wel tussen.

Dit leerde ik ervan. a. Je moest niet te beroerd zijn om de voorraad briefkaarten van je vader te blijven plunderen. Uiteindelijk had ik dan ook een bananendoos vol boekjes, folders, tijdschriften en landkaarten. Ik kon eindeloos zitten bladeren in wat er allemaal binnenkwam. Dat kwam wel goed.
b. je moest er goed op blijven letten dat je niet je gedroomde reisgenote mis liep.
c. Die Volkswagen was nog een puntje, maar ja, je kon toch pas op je achttiende je rijbewijs halen, dus dat had nog wel even tijd.
d. School werd van ondergeschikt belang. Studeren was helemaal niet nodig. Je hoefde alleen maar drs. voor je naam te zetten.

05 maart 2021

Bureaustoel

Dit stukje schrijf ik vanuit mijn nieuwe bureaustoel. Wel een moment om even bij stil te zitten. Twee maanden geleden kwam er een scheur in de zitting van de stoel die nu, gedemonteerd en wel, beneden in de gang staat om te worden weggevoerd zodra ik hiermee klaar ben. Die scheur is het resultaat van veelvuldig gebruik. Nu kun je dat makkelijk oplossen, in mijn geval: laten oplossen, met een nieuwe overtrek. Nadere inspectie leerde alleen dat ook de schuimrubberen laag daaronder, bedoeld om mijn billen te gerieven, bezig was om in poedervorm te verdwijnen. Dat verklaarde het stof op de grond, al was het meeste in de zijkanten van de bekleding blijven hangen. De stoel is nooit mijn liefde geweest. Het was een krijgertje, wat ook geldt voor het bureau waaraan ik zit, afkomstig uit een kantoor dat failliet ging. Daar zat zelfs nog een handig ladenblok bij. Ook het bureau is niet mijn meubilaire liefde, maar het is ongelofelijk praktisch: groot en het vult mijn werkkamer optimaal. Soms kijk ik wel eens stiekem naar andere bureaus, sterker nog: er staan er hier twee in huis, die me veel dierbaarder zijn, maar zo praktisch als dit bureau zijn die niet. Nee.
Dat gold ook voor die stoel. Gold, zeg ik, let op de verleden tijd.
Een vervanger was snel gevonden. Via Marktplaats, want daarop is een levendige handel in bureaustoelen.
Op zaterdagmiddag, anderhalve maand geleden, kocht ik er na wat gemopper over een losse leuning eentje voor 35 euro. Op zondagmiddag zette ik hem weer op Marktplaats, na wel even de leuning te hebben vastgedraaid. Het ding verdween tot mijn verbazing een uur later al weer uit mijn leven. Op de versleten stoel legde ik daarna een kussen en daarmee was de kous voorlopig af.

Totdat ik me erop betrapte dat ik op mijn mobieltje wel erg vaak naar een bureaustoel zocht, een nieuwe, want ineens had ik geen zin meer in een afdankertje. Heel, ik zeg héél, in de verte heeft dat met smetvrees te maken. Daar zet ik me natuurlijk als een flinke vent overheen, maar na de aankoop van de verkeerde stoel was ik er op dat punt blijkbaar anders over gaan denken. Ik weet niet precies hoe dat werkt. ‘Ik zou het maar doen,’ zei Mente toen ik haar een plaatje van een stoel liet zien, om precies te zijn een plaatje van de stoel waarin ik nu dus zit.

Ik moet nog een beetje wennen. Niet aan het uiterlijk: hij oogt veel fraaier dan zijn onttakelde voorganger in betere dagen deed, lichter, ranker, maar ook comfortabeler. Zonder bureau zit hij goed, maar rammelend op een toetsenbord is het nog wennen, de armleuningen bijvoorbeeld. Bij de vorige sloopte ik die eraf. Die zaten in de weg, maar ik merkte de laatste tijd dat mijn armen het zat werden om tijdens het tikken in het luchtledige te moeten bengelen.

Zijn voorganger gaat naar de vuilstort. Om hem makkelijker de trap af te krijgen heb ik hem uit elkaar gehaald. De bouten heb ik weer teruggedraaid, maar nu zie ik hier op de grond nog een borgringetje liggen. Ik heb de neiging om weer even een boutje uit te draaien en het ringetje erachter te zetten. Dat is onzin natuurlijk. Dat dient geen enkel doel meer. Ik zal het zo in de prullenmand gooien.
Ik merk dat ik dat een vervelend idee vind. Het kleine jongetje in mij steekt de kop op, het jongetje dat snoeppapiertjes liever in zijn zak houdt dan ze weg te gooien.
Niet zeuren: eerst dat ringetje weg en dan die ouwe stoel.

04 maart 2021

Jaren later

We komen in een klassieke opstelling terecht, elk in een van de negentiende-eeuwse stoeltjes aan weerszijden van een raam dat uitziet op een grote tuin. Het was me bij aankomst al opgevallen dat er veel meer sokkels in die tuin te zien waren dan beelden.
Blijkbaar werd er nog wel wat verkocht af en toe, maar de toevoer van nieuw werk was al geruime tijd gestopt. Het maakte duidelijk bij wie ik op bezoek ging.
Aan het hekje hing een bordje met in grote letters het woord gesloten. Daarboven hing een grote bel. Ik schrok van het geluid, het sloeg door mijn hoofd en het kon niet anders of aan de overkant van de Maas was het nog te horen.
Het bordje negeerde ik en zonder te wachten liep ik door, over het paadje langs de boerderij, naar een deur met een drukbel ernaast en een sleutel in het slot. Ik belde opnieuw. Nu hoorde ik juist niets. Ik wachtte niet. De deel stond vol met Afrikaanse beelden, het was ongelofelijk. Later die middag zou ik er nog een kwartiertje rondlopen, tussen die beelden maar vooral ook tussen zijn eigen werk.

Er waren veel verschillende deuren waar ik uit kon kiezen, verschillend ook in kleur en formaat. Ik riep zijn naam nog een keer en koos voor de breedste deur. Die ging open toen ik mijn hand uitstak naar de deurkruk. En zo stond ik even later met zijn hand in de mijne.

Een jaar lang kreeg er niemand een hand van en nu dit. Het was een prettige vergissing van twee kanten. Er was ook een vrouw. Zij zorgde voor koffie, zette later de bloemen die ik had meegenomen voor ons op het tafeltje en toen ging ze weg. Een jaar of dertig geleden was ze hier begonnen om wekelijks de boel een beetje bij te houden. Ze was verhuisd, had een eigen leven ingericht, maar de klus die ze als schoolmeisje deed, was ze blijven doen.

Ik moest niet op de bank gaan zitten, maar in de fauteuil tegenover hem, bij het raam.
‘Ik moet aan je wennen,’ zegt hij. ‘Heb ik je vijftig jaar geleden voor het laatst gezien?’ Dat klopte niet, het is bijna dertig geleden, maar hij had gelijk: de tijd dat we elkaar regelmatig zagen, ligt veel verder achter ons.

Hij is altijd mijn jongste oom geweest. En ik bewonderde hem. Toen ik een kleuter was, begon hij steeds meer toe te geven aan zijn behoefte tot tekenen, schilderen en later tot het maken van sculpturen. Bovendien begon hij in antiek te handelen. Kortom: hij deed wat goed was in mijn ogen, en wat hij deed wilde ik ook wel. Het was dan ook vanzelfsprekend dat hij me tien jaar later niet alleen van tekenopdrachten voorzag, maar ook materiaal daarvoor aanleverde. Eens in de maand trok ik dan met mijn mapje naar Delft en dan vond hij er iets van. Dat ik daarmee stopte, had onder meer te maken met mijn dierbare kunstzinnige vriend uit Den Haag, met wie ik toen al veel optrok. Die was mijn meerdere. Ik kon maar beter een kijker worden. De lessen verdwenen, het contact bleef, totdat ik naar Utrecht vertrok; totdat ook hij en mijn tante uit elkaar gingen. We zagen elkaar nog sporadisch en ten slotte niet meer.

Er zit intussen een heel leven tussen ons.
Als ik weg ga, vertelt hij dat hij een positieve mededeling voor me heeft.
‘Je bent goedgekeurd. Je mag terugkomen en daar hoef je niet lang mee te wachten.’

03 maart 2021

K-k-koud

Dit stukje schrijf ik met een koud hart, bevroren vingers en een glas gelukkig hete koffie. Voor ik op de fiets stapte, zat er al een agenda in mijn hoofd. Vandaar dat ik maar met het fietsen moest beginnen. Dan hadden we dat maar gehad. Daarom ook koos ik voor het rondje dat ik al dertig jaar fiets als ik niet over een route wil nadenken. Wel had ik nog gauw even mijn cameraatje bij me gestoken, je weet immers nooit wat je tegenkomt. Voor de ooievaars hoefde ik het niet te doen, maar stel je toch voor dat je een vliegend tapijt ziet, en je kunt het naderhand niet bewijzen.Ik zag geen vliegend tapijt, maar wel een beeld, een heel groot en lelijk beeld, maar toch stond ik even stil om het te fotograferen. Het batterijtje van de camera was leeg. Dat vond ik wel een geruststellende gedachte: nu kon ik gewoon doorfietsen en mocht ik momenten die schreeuwden om fotografische vereeuwiging negeren, lekker puh.
Maar Lex negeren kon ik niet. In geen zes jaren had ik hem gezien. Er stond nog wel een afspraak open maar die was nooit ingelost. Hij en ik fietsten enkele jaren samen naar en van school, waren vakgenoten en broeders in het management waarbij we zelfs een tijdlang een kamer deelden. Toen sloegen gezondheidsklachten, pensionering en nog het een en ander toe, allemaal redenen die het niet tot argument hoefden te brengen, maar van een ontmoeting kwam het niet meer. Een verhuizing en een ander telefoonnummer deden de rest. Zoals die dingen gaan.
Het was een vrolijke ontmoeting. Hartverwarmend, maar na een kwartier bleek toch dat ik voor een ontmoeting als deze iets te dun gekleed was. Ik fietste verder met een nieuwe afspraak en een vers telefoonnummer en een routebeschrijving naar de nieuwe woning.

Vijf minuten later belde na twintig jaar een Haagse achterneef die me vertelde dat zijn perspectief alleen maar aan de andere kant van de heuvel te vinden was, waar de eeuwige velden lagen. Hij had het niet over jachtvelden, de verre achterneef heeft als huismus niets van een jager in zich.
Was het een afscheidsgesprek? Ja, en nee, het ging over genealogie en rechten en registratie, en wat al niet. Misschien, bedacht ik, terwijl het gesprek in de verste verte niet iets van een punt liet zien, maar integendeel via familieleden die niet of juist wel deugen, in binnen- en buitenland, via voor altijd afgekochte grafrechten en gedeelde Haagse herinneringen alle kanten uit waaierde, misschien is dit gesprek over een parenteel die geen parenteel is maar een beknopte genealogie voor mijn achterneef wel belangrijker dan een gesprek over zijn aanstaande dood. En dan: hoe lang het gesprek ook mocht gaan duren, je kon na een pauze van twintig jaar niet zeggen dat hij me plat belde, ook al zou dit gesprek misschien wel een half uur gaan duren. Het werd 37 minuten en 14 seconden. Toen was ik al weer gaan fietsen, met het mobieltje in mijn hand, maar warm kreeg ik het niet meer. Ook daarna niet, toen ik een vergeefse poging daartoe deed door een sprintje te trekken.

En die agenda? Daar loopt het helemaal mis mee vandaag. Vermoedelijk horen we er wel iets over op het journaal en vind je morgen een berichtje in de krant.

Ziezo, in mijn vingers zit intussen weer een beetje beweging, maar ik heb het nog steeds ontzettend koud.

28 februari 2021

Viltstiften 3

We schrijven zondag en het is twee uur als ik mijn eerste streepje zet op de grafsteen van mijn grootouders. Het is een streepje aan de achterkant om te kijken of het werkt en, zo ja, hoe het dat doet.
Het werkt en het valt mee. Ook aan de voorkant. Dat er de afgelopen tachtig jaar erosie heeft plaats gevonden is duidelijk. We hebben het over een betonnen plaat, die met zijn snufferd op het zuidwesten staat, aan de rand van het kerkhof en dat op een plek waar je op rustige momenten de zee kunt horen. Wel staan er wat struiken en bomen ter beschutting, maar nu valt me bijvoorbeeld op dat het licht er ongehinderd doorheen valt. Dat zal voor een aanjagende wind ook gelden.
De inkepingen van de letters zijn ongelijk. Er is ook voor gekozen om verticale lijnen dik te maken, maar als er een diagonale lijn is, dan krijgt die voorrang, dus in dat geval is de schuine streep van de hoofdletter N dik en diep, en zijn de twee verticale poten dun. Bij twee schuine lijnen, dus bij de kapitale A, is de rechtse diagonaal dik, de andere niet.
De oorspronkelijke zwarte verf is goeddeels verdwenen. Verder zijn de diepe geulen vaak dieper geworden, terwijl de dunnere lijnen er vaak helemaal niet meer zijn. De meegebrachte schroevendraaier en een liniaaltje verrichten daarom belangrijk reconstructief voorwerk.
Aan de schreven van de letters valt niet veel eer meer te behalen; ze zijn hun scherpte kwijt. Maar het werk valt mee, en met het voorlopige resultaat ben ik zeer tevreden. Voorlopig, zeg ik, want ik ben nu op tweederde. Oma Cath. Borgdorff – Manuël mag dan wel weer een goed zichtbare naam op haar steen hebben, maar dat zij leefde van 10 – 12 – ’81 tot 19 – 12 – ’41 is nog een groot geheim.

Dat moet nog. En dat geldt ook voor de reclameboodschap onderaan de steen:
Hun leven was Christus
Hun sterven gewin.


Er zijn op de steen alleen kapitalen gebruikt, groot en klein kapitaal, en dat dan ook nog in verschillende grootten, als je begrijpt wat ik bedoel. Dat wordt priegelen en flink bukken de volgende keer.

Mijn broer komt me even opzoeken. We vragen ons af waarom er ‘Cath.’ staat bij oma, en niet C.; bij opa staat immers ook alleen een A.
Achter me, voorbij de genoemde struiken en bomen, achter de straat ook waar ik honderd keer mijn vaders auto heb staan wassen, zaten mensen in de tuin. Ze hadden het naar hun zin. In de uren dat ik met de steen bezig was, heb ik alleen maar gelach en vrolijke stemmen gehoord. Nu verbaast me dat niets, want het kwam uit de tuin waaruit vroeger ook altijd gelach en gepraat opklonk, namelijk dat van onze buren. Over de buren gesproken: die liggen hier ook, recht tegenover mijn grootouders.
Het dringt nu pas tot me door dat al die huiselijke geluiden, en dus ook die van ons, ja, ook die van mijn vrolijke vader, hier te horen waren.
Feitelijk heeft mijn vader zijn ouders niet alleen zijn leven, maar ook zijn dood lang binnen gehoorsafstand tot zijn beschikking gehad. Hij hoefde maar even te roepen en niet eens zo hard, en het zou hier te horen zijn geweest.

Ik ken mijn grootouders van het nachtkastje naast het bed van mijn ouders, aan de kant van mijn vader, dus links. Gek dat die grootouders die ik nooit heb gekend, altijd zo dichtbij zijn geweest. Alleen de dood zit er maar tussen, meer niet.

27 februari 2021

Ergens fietsen

Ik woon simultaan. Zo leef ik ruim dertig jaar na onze verhuizing nog steeds aan de singel, maar ook aan de kust. Ik kan je daar zelfs de plek aanwijzen waar ik woon: tegenover de watertoren tussen Monster en Loosduinen.
Toen ik vanmiddag op de fiets was gestapt, betrapte ik me er na een paar honderd meter op dat ik al verschillende keuzes had gemaakt. Nog steeds had ik er geen idee van welk rondje ik zou gaan fietsen, maar intussen waren er al een paar mogelijkheden afgevallen. Laten we zeggen dat mijn fiets bij gebrek aan navigerend initiatief van zijn berijder zelf een keuze had gemaakt voor links, rechts, dan wel rechtdoor. Ik liet hem zijn gang gaan. Wel stapte ik hier en daar af om een foto te maken, een overbodige foto van een plek die ik al vaker fotografeerde. Fotograferen is meer een geestesgesteldheid dan een activiteit. De meeste plaatjes verlaten de camera via de prullenbak.

Toen ik onderweg bleek te zijn naar landgoed Oostbroek nam ik het even over, want naar Oostbroek zelf wilde ik niet: daar waren we van de week al geweest en in het weekend is het er meestal druk. Toch sloeg ik af, om te kijken of de auto van Aat er misschien stond. Ook hij bezoekt het gebied namelijk af en toe. Zijn wagen stond er niet, wel stonden er genoeg fietsen om zelf inderdaad meteen weer te vertrekken en in een boog om Rhijnauwen te fietsen, wat ik toen overigens nog niet wist. De fiets had het weer overgenomen.

Als ik nu tegenover de watertoren achter de duinen had gewoond, zou ik via Monster het duinpad op zijn gegaan naar Kijkduin en dan, slingerend door Ockenburg, weer terug naar het huis-waar-ik-niet-woon. Ik reed daar graag als kind. Later zou het mijn dagelijkse weg naar school worden. Dat was, ernstig genoeg, juist in die jaren dat het pad door de duinen was afgesloten. Nog steeds voel ik me daarom tekort gedaan, ernstig tekort gedaan zelfs. Ik zeg het maar ronduit. Goed, dat zou dus het rondje zijn geweest als ik tegenover de watertoren zou hebben gewoond en eigenlijk fietste ik daarom vanmiddag door de duinen terwijl ik ook langs de Kromme Rijn reed en af en toe afstapte voor een foto, want o, wat deed het licht het goed op het water en door het riet!
Vanuit mijn Westlandse domicilie zou er trouwens weinig te kiezen zijn, veel minder dan hier in en vooral om Utrecht. Het rondje daar zou ook te kort voor me zijn.

Als ik van Den Haag terugfietste naar Monster - we zijn nu weer terug in mijn kinderjaren - nam ik ter hoogte van de nu al voor de derde keer genoemde watertoren ook wel eens de Oorberlaan, een smal, onverhard weggetje dat naar de Made-, dan wel Madepolderweg voert, ook al onverhard. Nou ja, onverhard, de verharding bestond uit slakken en sintels met als gevolg dat ik er meer dan eens een lekke band opliep. Hier en daar en af en toe kon je ergens afslaan en dan kwam je ergens of nergens, was er een verrassende doorsteek of moest je terug. Ze zijn er nog steeds, die Oorberlaan en de Madepolderweg, maar ze lijken in niets meer op de laantjes die het ooit waren en die ik vanmiddag imaginair befietste toen ik de stad weer in reed om bij het voormalige Antonius rechtsaf te slaan en niet door te rijden naar het ongetwijfeld veel te drukke Wilhelminapark.
Of nee, niet ik besloot dat, dat deed mijn fiets.

26 februari 2021

Heuvel op en heuvel af

Op woensdag 20 januari werd een groot deel van de mensheid op slag verliefd op Amanda Gorman. De 22-jarige spoken-wordartieste droeg op indrukwekkende wijze haar gedicht The Hill We Climb voor tijdens de inauguratie van Joe Biden, je weet wel, die ontzettend witte man, die ook nog oud is en die bovendien vanaf die dag symbool zou staan voor het westen.
Twee dagen later stond er een vertaling in het Nederlands Dagblad, natuurlijk van Menno van der Beek, want hij kent de krochten van het Engels, verstaat de kunst van het dichten en hij is ongelofelijk snel.

Vandaar ook dat ik deze week niet onmiddellijk snapte waarom Marieke Lucas Rijneveld was gevraagd om het gedicht te vertalen, want er lag al lang een uitstekende vertaling klaar! Dat moest wel met de kleine bubbeltjes te maken hebben waarin ook de Nederlandse literatuur zich graag terugtrekt, want welke literaire BN’er leest bijvoorbeeld het ND? Nu houd ook ik veel van Rijneveld, dus ik gunde haar de opdracht die nota bene uit kringen van Gorman was voortgekomen. Wel jammer voor Menno en ook jammer van zijn vertaling.
Op internet kon ik die niet vinden en ook op zijn facebookpagina rept hij er met geen woord over. Ik begon zelfs te twijfelen. Had Menno dat gedicht wel vertaald en had ik die vertaling wel gelezen? Als witte, westerse babyboomer krijg ik een beetje de leeftijd waarop verbeelding en werkelijkheid door elkaar kunnen gaan lopen. Begint dat juist op het moment dat een nog wittere, nog oudere man die nóg westerser was, president werd van Amerika en die daarbij bemoedigd werd door een kleurrijke en getalenteerde jonge vrouw van 22?

Intussen heb ik de vertaling van Van der Beek weer voor me. Intussen heb ik ook de voordracht van Amanda Gorman opnieuw gehoord en gezien, maar dat is nadat Marieke Lucas Rijneveld haar opdracht heeft teruggegeven. Nu wordt het een heel ander verhaal. Zei ik al dat ik, net als zoveel andere mensen, veel van Rijneveld houd? Ja, dat zei ik al, maar nu heb ik ook nog eens met haar te doen omwille van de onverdiende kritiek die over haar is uitgestort. En ook bewonder ik haar: ‘Ik heb begrip voor de mensen die zich gekwetst voelen door de keuze van Meulenhoff om mij te vragen,’ zegt ze.
Nou, dat begrip kan ik nog niet opbrengen. Ik kan me die keuze voor Rijneveld allereerst heel goed voorstellen: zij vertegenwoordigt momenteel zo’n beetje in haar eentje de Nederlandse literatuur aan de andere kant van de plas; dat zal niet zijn omdat ze niet talig genoeg is en op literair gebied weinig voorstelt.
Nog erger vind ik het dat in de literatuur niet-literaire argumenten een rol spelen. Zo lang ik de vertaling van Rijneveld niet heb gezien kan ik er ook niets van vinden. Het zal er nooit van komen ook, en dat alleen maar omdat Rijneveld wit is en geen uitgesproken spoken-worddichteres, ondanks haar podiumkwaliteiten.

Als ik het goed begrijp mogen oudere witte westerse mannen zich alleen bezig houden met de dingen van oudere witte westerse mannen. Van haar kant had Amanda Gorman natuurlijk nooit bij die ouwe Biden moeten gaan staan. Dat gaat in tegen de wetten van segregatie! En dan komt ze ook nog met een pleidooi voor eenheid.
In de vertaling van de witte Van der Beek, geen babyboomer, maar wel een stevige nabrander daarvan, lees ik bij Gorman:
‘Onze wens is doelbewust een eenheid te laten ontstaan.
Een land te componeren uit alle culturen, kleuren, kansen en karakters van de mens.’

25 februari 2021

Viltstiften 2

‘verzekeringen’. De letters waren in een witstenen plaat gefreesd.
Mijn opdracht was tweeledig: ik moest de voorletters weghalen, want het bedrijf - met kantoor aan huis, zoals je intussen wel begrepen zult hebben - zou voortbestaan, maar dan met alleen die achternaam. Dat was een. De voorletters liet ik, met enige tegenzin overigens, verdwijnen onder witte verf. Opdracht twee kwam er op neer dat ik de overige tekst weer fris en duidelijk zou maken. Dat deed ik met zwarte verf. Een kleine vergissing liet zich makkelijk herstellen, want de witte steen was glad gepolijst, een doekje voldeed.

Intussen lag mijn vader op het kerkhof naast het huis met het bordje en ook niet ver van het graf van zijn ouders. Die lagen daar intussen al veertig jaar, waar boven hun neuzen een eenvoudige grafsteen stond, een dunne betonnen plaat met daarop kwijnende letters. Na het naambordje moest dat maar eens mijn volgende project worden, bedacht ik. Maar toen ik hoorde dat het graf in diezelfde jaren tachtig nog geruimd zou worden, zag ik daar vanaf.

Die steen verdween niet, het graf bleef. Mijn Amersfoortse neef deed een paar jaar geleden navraag en wist me naderhand te vertellen dat de grafrechten voor honderd jaar waren afgekocht, in 1938 al. Door mijn vader. Die had me indertijd dus kunnen vertellen dat de steen nog zestig jaar te gaan had. Maar ja, die kon me dat toen niet meer vertellen.

De eenvoudige steen van mijn grootouders verweert vrolijk verder. Af en toe schraap ik wat mos weg. Geen enkele letter en geen enkel cijfer kent nog een kruimeltje verf en het oppervlak van de steen wordt steeds ruller zodat er van smalle geultjes die ooit in de plaat gegraveerd werden, weinig meer over is.
Maar sinds het verhaal van de neef knaagt het als ik weer eens op het kerkhof van Monster kom en dat gebeurt geregeld. Stom genoeg dacht ik bij het opknappen steeds aan een kwastje en aan verf en dat maakte in mijn ogen de hele onderneming onmogelijk. Ik zou vlekken maken, de verf zou ongewenste sporen trekken in de poreuze steen. En hoorde het niet bij de natuur der dingen en de bijbelse woorden dat stof weer stof wordt, as weer as?

Maar toen zag ik van de week dus die man met viltstiften in de weer op het kerkhof in Oud-Zuilen. Hij had ook een paar beiteltjes bij zich en een schroevendraaier. Daarmee trok hij soms het spoor van de letters wat duidelijker in de steen, haalde hij oneffenheden weg, maar hij gebruikte dat gereedschap vooral als gummetje. Soms maakte hij namelijk een ongewenst haaltje en dat tikte hij dan voorzichtig weer weg.

Weg was het excuus om de grafsteen van de opa en oma die ik nooit heb gekend maar over te laten aan de wetten van as en stof.
Enfin, de stiften zijn besteld en natuurlijk ga ik ze ophalen.
Ik ben het echt van plan, al blijft het nog even de vraag of ik er ook daadwerkelijk aan begin.

24 februari 2021

Viltstiften

Zojuist een kantoorboekhandel gebeld en vrijdag kan ik de stiften ophalen.
Toen ik maandag bij de begraafplaats van Oud-Zuilen kwam, ben ik afgestapt om te zien hoe het bij Ari was. Ari overleed vorig jaar februari en dit jaar, ook in februari, zou hij zeventig geworden zijn. Ik moest regelmatig aan hem denken toen er opeens beschaatsbaar ijs lag. Hij zou er als een van de eersten op gestaan hebben.
Langs het pad van Ari trof ik twee andere bezoekers. Een man met een driewieler ontfermde zich over bloemetjes voor zijn vrouw en iets verderop zat een man bovenop een graf, dicht tegen de grafsteen. Het was van een intimiteit die me te denken gaf. Het leek wel of hij daar zat te picknicken. In elk geval had hij het zich gemakkelijk gemaakt met een kussen; er lagen doeken en er waren twee doosjes waarvan ik dacht dat er brood in zou zitten.
Na Ari liep ik nog een eindje om te kijken of ik het grafje van het nooit buitenbaarmoederlijk geleefd hebbende kind van een jongere collega kon vinden. Ik vond het. Mijn weg terug voerde langs de man die op een graf zat te picknicken.

Dat deed hij helemaal niet. Hij was bezig om met een viltstiften de letters van de grafsteen over te trekken zodat die weer leesbaar werden. Het ging om ondiep in de steen gegraveerde letters waarvan de verf intussen verdwenen was. En dat euvel ging deze man dus te lijf, niet met verf en kwastje, zoals ik gedacht zou hebben, maar met viltstiften.
Nu ik eenmaal met de man aan de praat was geraakt, was ook voor de man op de driewieler het ijs gebroken. Ook hij had zich blijkbaar afgevraagd wat die man toch uithaalde, daar bij die grafsteen. Hij bleek bestuurslid te zijn van de begraafplaats en van het een was het ander gekomen. Als er onleesbaar geworden stenen waren, dan trok men bij hem aan de bel en dan wilde hij die steen wel een beetje opknappen. Dat deed hij graag, al had hij er wel een beetje de pest in dat de letters op deze steen zo laag waren aangebracht. Hij was niet meer de jongste en het viel niet mee om in elkaar gedoken tien centimeter boven de grond op een beetje fatsoenlijke manier letters op een grafsteen weer zichtbaar te maken. Hij kreeg af en toe kramp, maar het was ook te veel gevraagd om telkens op te staan om even de benen te strekken. Dus maakte hij na elke letter of ieder cijfer wat gymnastische oefeningen om de boel nog enigszins soepel te houden. De naam was intussen klaar en met de geboortedatum was een begin gemaakt. Aan het jaartal was hij nog niet toe gekomen, maar ik kon goed zien dat het ook mijn geboortejaar was. Het jaar van overlijden was 2002.
Hij liet zien welke stiften hij voor welke stenen en graveringen gebruikte. Verder had hij nog wat beiteltjes en een schroevendraaiertje en een stoffertje om de ergste ongerechtigheid weg te werken.Ik was diep onder de indruk en dat gold ook voor de man op de driewieler. Dat bleek even later. Hij vertrok eerder dan ik, ik liep nog even langs Ari. Maar toen ook ik op mijn fiets stapte, kwam de man op de driewielfiets er weer aan. Hij had per ongeluk een gieter van het kerkhof meegenomen. Wat rammelt er toch zo? had hij zich afgevraagd. Het antwoord kreeg hij door even om te kijken.

Blijft de vraag waarom ik viltstiften besteld heb.

23 februari 2021

Mens sana in corpore sano

Op het strand bij Monster heb ik me vandaag vooral bezig gehouden met pogingen om een bal in een kuil te schoppen. De kuil werd met indrukwekkende duikvluchten verdedigd door Klaas. Als het geen leren bal was geweest, zouden we hem ongetwijfeld zijn kwijtgeraakt, zoals ooit de opblaasbare Niveabal van de vader van Klaas, toen die nog een jongetje was.

Zo’n bal ontsnapt maar net aan je vingers en begint dan voor je uit te dansen. De afstand stelt niks voor, je hoeft maar iets harder te rennen, de bal hoeft maar even een obstakel tegen te komen en je hebt hem weer. De afstand wordt intussen steeds iets groter. Toch blijf je rennen, ook al omdat je achter je zes ogen weet, die van het jongetje en zijn broertje en zusje, nee, acht ogen, want er is ook nog een moeder. Ten slotte was er nog een minuscuul blauw stipje, alleen waarneembaar voor betrokken kenners, en toen was ook dat er niet meer.

Nu mocht ik me revancheren dankzij een tas van Albert Heijn waarop de wind vat had gekregen. Hij kwam van een vrouw die honderd meter verderop had gezeten en nu achter de tas aan rende. Ik kon volstaan met de sprong en zo kreeg ik de vluchteling te pakken. Jawel, ik was een held. Dat vond die mevrouw ook.

Ik had me als voetballer en als ridder kranig geweerd en daarom kon ik met een vrolijk zingend hartje het strand verlaten. Daar kwam een vrouw ons tegemoet gerend. Ze ging in een rechte lijn naar de zee. ‘Kleren vergeten?’ riep ik nog, want met mij kun je lachen. Ze lachte erom. Een van de kinderen, was het nou Klaas of was het Liesje, ik weet het niet, vroeg iets aan me. En nog een keer. En nog een keer. Ik zei dat ze stil moesten zijn, omdat ik die vrouw moest bewonderen. Natuurlijk had ik me allang omgedraaid om te zien hoe dat ging. Bij de zee rende zij niet langer, maar liep ze, en niet eens aarzelend. Toen het water voorbij haar knieën was gekomen sprong ze zonder overtuiging een paar keer op en neer, vervolgens deed ze nog twee stappen en daar ging ze. Ze zwom met stevige slagen, zonder een greintje paniek, ik zag geen enkele onbeheerste beweging vanwege die plotselinge kou. Ik zag dat het goed was!

Er was altijd wel een enkeling geweest die dat deed, vroeger: zomer en winter, vrijwel elke dag van het jaar even de zee in, oom Lies bijvoorbeeld. Ik kon daar als kind ademloos naar kijken, naar zoveel onverschrokkenheid. Later, als ik groot was, zou ik dat ook doen. ’s Ochtends om zeven uur, voor het ontbijt, in een dikke badjas en met een handdoek naar zee, een duik nemen en dan terug voor een hete kop thee en een bord brinta. Ik ben er nog steeds te jong voor.

Onze karavaan ging langzaam. Er waren laarzen en schoenen vol zand en Tommy moest alle bankjes twee keer belopen, dus werden we ingehaald door de dappere vrouw van wie ik veel was gaan houden natuurlijk. Ze had nu een bodywarmer aan en ze belde met iemand. Ik denk dat ze haar vader belde in het verzorgingshuis, om te zeggen dat alles goed was.

We zagen allemaal hoe rood haar benen waren. Daar liep een gezuiverde mens, in wie zich het goede, het schone en het ware verenigden. Iemand dus die nooit Forum voor Democratie zou stemmen.

21 februari 2021

Kliko hier en kliko daar

Dat met de kleine kliko is me een belevenis van jewelste geweest. Nu staat ie weer langs de straat, alsof er niets aan de hand is, maar wij weten beter. Allereerst was het een heel gesjouw, want het bakje zat tot aan de rand toe vol met gft-afval. De meeste mensen hier hebben een grotere bak en die hebben we ook. Daarin gaat het tuinafval, dus de t, maar voor g en f gebruiken we de kleine. Soms zet je een bak langs de straat en dan is dat de laatste keer dat je hem zag. Bijvoorbeeld omdat de bak in de ingewanden van de vuilniswagen terecht is gekomen. Exit bakje, akelig voorbeeld van niet gescheiden afval. Zoiets gebeurt vaker met een kleine bak dan met een grote, leerde de ervaring ons. Maar er kan ook iets anders gebeuren. Luister.

Ons kleine bakje staat nog geen vier weken naast de keukendeur; het vervangt een ander bakje. Nu stond er langs de straat al weken een kapot bruin bakje en wat gebeurt er? Toen Mente ons bakje, ons eigen bakje, dat met die vrolijke groene strik, wilde meenemen, was het weg. Een dag later trof je er alleen nog dat bakje dat stuk was. Mente veronderstelde dat iemand het onze had meegenomen, waarschijnlijk de eigenaar van zijn onbruikbaar geworden broertje. Nu kun je daarvoor een hele buurtactie ondernemen, wij kozen ervoor de gemeente te bellen en te zeggen dat ons bakje stuk was. We moesten het gehavende exemplaar voor ons huis aan de straat zetten en dan zou dat op vrijdag 26 januari worden omgewisseld voor een nieuw. Die vrijdagmorgen, om kwart voor acht al, werden de bakjes omgewisseld en de maandag daarna al mocht het nieuwe bakje meedoen met het grote ophalen, een beetje voor spek en bonen weliswaar, want het had nog maar minder dan een halve week dienst gedaan. Maar toch. Toen ik het geledigde bakje op maandag weer ophaalde, zag ik daar ons vroegere bakje staan, het bakje met het vrolijke groene strikje. Natuurlijk had Mente gelijk gehad.

Goeie verf kon ik niet zo gauw vinden, maar wel een kloeke viltstift en daarmee schreef ik ons huisnummer op het deksel. Dat moest de mensheid ervan weerhouden om zich nogmaals wederrechtelijk de bak van een ander toe te eigenen.

Dit is nog niet het einde van het verhaal! Ik zei het al: ik heb zojuist flink moeten sjouwen met het nieuwe kleine bakje. Meer dan vorige week, meer ook dan de week daarvoor. Twee weken terug kwam, de avond ervoor nog, ik had de bak net aan de straat, via de Afvalwijzer het bericht dat de ophaaldienst van maandag zou komen te vervallen. Het rooster schoof niet op, nee, op maandag 8 februari werd er geen vuilnis opgehaald. Ik heb het halfvolle bakje teruggehaald.

Maar vorige week zondag meldde de Afvalwijzer dat het ophalen van maandag de 15de gewoon door zou gaan. De bak zat al behoorlijk vol, we waren zelfs al begonnen om wat vaker ook vuilnis bij het restafval te doen en dat valt onder een volkomen ander regime, dat begrijp je.

Vorige week glibberde ik opnieuw twee keer met een volle bak en ware doodsverachting via de poort naar de straat, zondagavond. En, maandagmorgen, weer terug naar de keukendeur; nadat ons via de Afvalwijzer het verzoek bereikt had om de bakken weer weg te halen, ook deze maandag was het weer te slecht om er met vuilniswagens op uit te trekken.

Waaruit maar weer blijkt dat je in deze wijk werkelijk van alles mee kunt maken.

20 februari 2021

Uif en Vaar

Zei ik negentien? Ja, dat deed ik, maar gisteren telde ik geen negentien maar twintig ooievaars. Ze stonden op dezelfde plek als die negentien een paar weken geleden en dat is dezelfde plek als de twaalf die ik telde toen ik van mijn laatste schooldag terugfietste naar huis.

Net als de vorige keer heb ik goed geteld en omdat ik nu ook een cameraatje bij me had, kon ik het thuis nog eens verifiëren. Steeds kom ik op twintig. Dat werpt de vraag op wie van die twintig de ooievaar is die er de vorige keer niet bij was. Ik kon hem er niet tussenuit pikken. De vraag is zelfs of er tussen de twintig ooievaars van gisteren niet nog meer zaten die er de vorige keer helemaal niet bij waren. Want ja, ik kan wel een beetje dierbaar zitten doen over een groep ooievaars, maar kennen doe ik ze niet. Wit, zwart, oranje, en dan nog iets met snavel, hals en poten, dan heb je het wel gehad.

Vanmiddag fietste ik een ander rondje, een dat grensde aan dat van gisteren. Hier had het ijs waarop vorige week nog schaatsers te zien waren plaats gemaakt voor een loket waar mensen op af doken om er een softijsje te bemachtigen. Een kilometer verderop zag ik drie, vier ooievaars, en honderd meter verderop stond nummer vijf. Ze zagen er vies uit, schmutzig, zou ik willen zeggen omdat dat woord in zijn klank iets van zijn betekenis verraadt. Hoe dat kon - en nu bedoel ik niet dat onomatopeese karakter van het Duitse woord, maar de vieze en wat verwaaide uitstraling van de ooievaars - weet ik niet. Zouden dit ooievaars zijn die van ver waren gekomen, zoals vroeger zo gebruikelijk was voor ooievaars? Ik denk van niet; daarvoor hebben zich ten noorden van de stad Utrecht al teveel ooievaars permanent gevestigd. Ik weet het allemaal niet en ze komen het me ook niet vertellen. zo weet ik dus ook niet of deze drie, vier en even later vijf ooievaars van vandaag gisteren nog deel uitmaakten van de twintig beesten op het weiland langs de Vecht.

Zegt de ene ooievaar tegen de ander: ‘Zou die mens daar, op die wielen, niet dezelfde zijn als die we gisteren langs de Vecht zagen?’

Zegt de andere ooievaar: ‘Moet je me eerst vertellen welke. Er zijn er zoveel en ze zien er allemaal hetzelfde uit. Het is al heel knap dat ik ze kan onderscheiden als mensen met en mensen zonder wielen. En ik veronderstel dat je net als bij ons ooievaars een verschil zou moeten kunnen zien tussen mannetjes en vrouwtjes, maar vraag me niet hoe dat zit, want daar weet ik het fijne niet van.’

Zegt de ene weer: ‘Het blijft merkwaardig spul, mensen, waartoe bewegen zij zich voort? Waarom buigt er nooit eentje voorover om iets eetbaars van de grond of uit het water te plukken. We hebben daarover nu al zo vaak een speciale vergadering belegd - niet waar, Uif - daar bij het weiland langs de Vecht, maar we komen er niet uit.’

‘Zegt de ander weer: ‘Zo boeiend zijn ze ook niet. Het moeten wezens zijn zonder doel in hun leven. Dat beent of wielt maar wat van links naar rechts of van rechts naar links en dat is het dan. Als je niet opschiet, Vaar, dan pik ik de worm in, hoor, die daar vlak voor je poten omhoog komt. Wel bij de les blijven.’


En inderdaad, ik fiets hier alleen maar om te fietsen. Ze hebben gelijk, Uif en Vaar, of hoe ze heten mogen.

19 februari 2021

Het woord en het licht

Het was half zeven. De zon had zich al teruggetrokken achter de huizen aan de overkant én achter wolken waaruit gestadig regen viel. Wij waren moe, mijn lief en ik. Uitgewoonde oppassers waren wij. Zelf droomde ik al wel van de anderhalve meterwereld waarin ik me met haar zou mogen terugtrekken straks. Dat zou voorlopig een droom blijven, want over een uur moest ik alweer achter een scherm zitten voor een onlinevergadering.

Toen ging de bel en wij hebben een vrolijke bel! Ik deed open en, zie, daar stond, in die duisternis buiten, in een regen die zelfs te lusteloos was om te stoppen, daar stond, in een van hemelwater als asfalt glimmend regenpak, de capuchon over het hoofd getrokken en bijpassende regenhoezen om de voeten, met een ferm uitgestoken lange arm, omdat hij nu eenmaal lange armen en ook benen heeft, om mij in een kloeke plastic zak van ’s lands grootste grootgrutter iets aan te reiken, daar stond een dominee.

Onderweg naar de deur had ik me afgevraagd wie er voor de deur zou staan en daarbij kwam ik op twee mogelijkheden. Het was de eerste.

Ik stak mijn hand uit naar het pakje. De man keek mij aan en zei:

‘De bijbel.’

Dat was alles. Ik pakte het pakje aan en dankte de bezoeker: ‘De dominee komt het woord brengen.’ Want zo was het: voor de deur stond de dominee en in het pakje zat een bijbel. Nu heb ik al een bijbel, je kunt hier in huis verschillende edities aantreffen zelfs, maar nu had ik juist deze nodig en die had ik niet, maar een goede dominee bezoekt zijn schapen en brengt dan altijd het juiste woord.

Hij had zich al weer omgedraaid toen ik de deur dichtdeed. Gesterkt liep ik de kamer in en vroeg me af wanneer er weer gebeld zou worden. Dat gebeurde niet, gisteravond, en ook nu nog wacht ik tevergeefs, al maak ik daar geen halszaak van. Ik wacht nu nog op het licht, op gloeilampjes voor de lamp boven de tafel, een ledvariant, om precies te zijn. Van de oude bolletjes zijn er een paar stuk.

Ik vertrouw er op dat het licht nog komt. Het gaat zoals de bijbel zegt: eerst is er het woord en het woord zegt: Er zij licht. En dan pas komt het licht, dat is dus anders dan bij het onweer. Dan volgt het woord op het licht. Dat brengt me bij donderpreken. Hoe zit het bij donderpreken? Ik denk dat daarbij het licht gewoon wegblijft. En wat gebeurt er als het licht inderdaad weg blijft en er geen bolletjes worden afgeleverd?

17 februari 2021

De engel

Mijn genegenheid voor Willem Engel kent geen voorjaar, zomer of herfst. Hij is een koude sneeuwengel. Als hij iets beweert, zal het wel niet kloppen, denk ik vrij gauw. Als hij iets vindt, wordt het voor mij extra moeilijk om het daarmee eens te zijn. Is dat vooringenomenheid? In ieder geval noopt Engel met zijn gedrag en zijn uitlatingen mij tot een voortdurend gewetensonderzoek, want ik wil mij in het leven niet door vooringenomenheid en antipathie laten leiden. Zo huist er dus een koude engel in mijn geweten.
Vandaag bezig geweest om het maandblad van de kerk in elkaar te zetten. Dat lijkt een eenvoudige klus, maar het is er wel eentje die mij zeven uren achtereen vastzet op een versleten draaistoel, met mijn vingers verkleefd aan het toetsenbord. Daarom was het een verademing toen de klus geklaard was en ik nog even van mezelf naar buiten mocht voor wat beweging en een beetje frisse lucht. Ik trof Jakob. Hij liet zijn hond uit.
Jakob neemt doorgaans onmiddellijk het woord en geeft het niet gauw terug. Bovendien heeft hij meningen. Noem iets en hij vindt er iets van en hij spreekt het uit ook. Ik ben het niet altijd met hem eens, maar waar het om de contraproductieve, bizarre en domme, ja, zelfgenoegzame kletspraat en acties van de heer Engel gaat, kan ik in alle gemoedsrust zwijgen en Jakob het woord gunnen.Jakob vertelde en ik liep met hem op. We liepen door een verlaten straat. De hond had een tak gevonden en voerde die mee. Dat maakte de hond rustiger en gaf Jakob gelegenheid om door te praten en daarbij het verkeer te overstemmen dat er niet was. Wel was er veertig, vijftig meter verderop een vrouw uit een zijstraat gelopen. Ze was nu bezig om over te steken en hoorde heel goed wat Jakob zei.
‘… dat een rechter tot zo’n uitspraak komt.’ Hier zwijgt Jakob even om de toon te vinden voor een tussenzin. ‘Het was nog een vrouw ook.’ De opmerking bereikt het kruispunt met groot gemak. De vrouw houdt haar pas in. Ze kijkt onze kant uit. Zal ze? Zal ze niet?
Ik schaam me een beetje voor wat de vrouw moet horen en vraag me af of ik nu Jakob terecht moet wijzen, al was het maar om de vrouw tegemoet te komen die zich ongetwijfeld plotseling overspoeld voelt door een golfje verontwaardiging. Maar waarom zou ik dat doen? Om Jakob terecht te wijzen? Om de mij onbekende vrouw ter wille te zijn? Om niet de verdenking van de vrouw op me te laden dat ik een wel erg gewillig gehoor ben als het gaat om een vrouwonvriendelijke opmerking? Moet ik naar de vrouw roepen dat hij (dus Jakob) in de omgang verder wel meevalt? De vrouw herneemt zich, loopt verder, maar kijkt nog wel een keertje onze kant uit. Ik doe niets. Ik zwijg. En de hond trekt ons verder.
Willem zou ongetwijfeld iets gezegd hebben. Waarschijnlijk niet iets waar ik het mee eens had kunnen zijn, maar hij had iets gezegd. En dat had ik dan van hem kunnen leren.
Wat ik zeg: er zit een koude engel in mijn geweten.
Tot zover. Al vroeg ik me later af hoe vaak mensen die vooral uit zijn op de honorering van hun eigen gevoelens en hun eigen gelijk, de woorden vrijheid en democratie in het vaandel voeren, terwijl ze daar waarschijnlijk alleen de eigen vrijheid en de macht voor het eigen volk, hun eigen soort mensen, bedoelen. Benieuwd wat Willem Engel daarvan vindt.

16 februari 2021

Puntmuts met boek

Ik moet nu wel heel erg opschieten, anders gelooft niemand me meer.
Sneeuw? Vorst? zullen ze zeggen. Welke sneeuw dan en welke vorst?
Toch lag er nog maar een paar dag geleden een laag sneeuw op het tafeltje naast de schommelbank, zo dik dat je niet kon zien dat op dat tafeltje en onder de sneeuw, onzichtbaar, een kaboutertje zit. Hij zit er op zijn paddenstoel en hij leest een boek. Natuurlijk heeft hij een rode puntmuts op. Hij is acht centimeter hoog, en dat is gemeten vanaf het tafelblad tot het puntje van die muts. Maar dat zag je dus niet. Zondag al kwam na bijna een week dat rode mutsje weer tevoorschijn. De sneeuw was daar iets ingezakt, waaruit maar weer blijkt dat het kaboutertje leeft. In zijn kaboutermuts verzamelt zich namelijk de warmte van zijn hoofd. Daardoor wordt de muts warm en dan smelt de sneeuw. Zo zit dat. Precies zoals bij zolders van huizen. Als die slecht geïsoleerd zijn, smelt de sneeuw eerder dan bij de huizen die de isolatie puik in orde hebben. De muts van de kabouter is ook niet goed geïsoleerd.

Je kunt je afvragen waarom het kaboutertje niet beweegt als hij leeft. Maar toevallig heb ik daarvoor twee verklaringen. Allereerst leest het kaboutertje een boek en blijkbaar is dat een heel spannend boek. Ten tweede, kabouters vermijden mensen en als ze mensen niet vermijden dan bevriezen ze. Zo zit dat dus.

Daar gaat het nu overigens helemaal niet om, het gaat erom dat de winter heel erg aanwezig was en dat straks niemand dat meer gelooft, zoals ook heel veel mensen niet in kabouters geloven. Vanmorgen, want ja het gaat heel snel, zat het kaboutertje op het tafeltje en hij las. Alsof er niets aan de hand was geweest. Er lagen nog resten sneeuw in de tuin, maar niet meer bij het kaboutertje. Wel was het tafeltje nog nat. Dat was het niet meer toen ik een paar uur later weer thuis kwam. Zei ik al dat het heel hard gaat, met die sneeuw en dat ijs? Vanmorgen, toen het tafelblad, nou ja, blaadje, nog nat was, fietste ik nog glibberend de poort uit en nam ik een wijde bocht naar rechts om niet onderuit te gaan. Maar twee uur later lag er alleen nog wat sneeuw op een afvoerrooster in de poort en het tafelblad was dus droog.
Een paar uur later, na een fietstocht waarbij ik halverwege het bos van Beukenburg nog even moest uitkijken, staken er in de tuin plotsklaps allemaal krokuspuntjes uit de grond alsof het de mutsen waren van kabouters. Dat waren het niet, hoor, want kaboutermutsen zijn doorgaans rood en rode krokussen heb je niet.

Welke winter van 2021? zeggen we over een paar dagen. Er was helemaal geen winter.
En als ik dan vertel van de kabouter in de tuin die in de sneeuw verdween terwijl hij zat te lezen in zijn boekje, dan zullen ze me meewarig aankijken, elkaar misschien bezorgd toeknikken. Misschien nemen ze de kinderen wel even apart en dan niet om te kijken of het wel goed gaat met die kabouter.

14 februari 2021

Gezellig ommetje

Een rondje Blauwkapel is het seniorenrondje van bewoners van Tuindorp. Je mag het ook wel nemen als je jonger bent, maar dan in sporttenue, met een flinke snelheid en het rondje moet deel zijn van een groter parcours.
Voor ons geldt dit allemaal niet, vandaag al helemaal niet. Het is veel belangrijker dat je ervoor zorgt niet uit te glijden. Vandaag lukt het ook om een groot deel van het rondje om fort Blauwkapel te schaatsen en dat hebben honderden mensen ontdekt, vooral jonge ouders met kinderen.
Zelfs het ongeluk op het ijs ziet er gezellig uit, met al die mensen in kleurige kleding. Er staat een kringetje dicht bij elkaar, zodat je amper kunt zien dat daar iemand op het ijs ligt. Daaromheen krabbelen kinderen en laten vaders en moeders met sleetjes achter zich aan hun ijzers groots schaatswerk verrichten en in een nog ruimere cirkel, niet meer op het ijs, maar op het besneeuwde en steeds gladder wordende wandelpad, tref je dus de mensen aan die even uitrusten of die bij de wandelende senioren horen, zoals wij.
Ik maak wat foto's en we raken aan de praat met een liesbreuk die gelukkig al weer een aardige tijd voorspoedig is hersteld. Ooit behaalde hij zijn Elfstedenkruisje en gisteren nam hij op zijn noren nog een keer de Molenpolder te grazen. Vandaag loopt hij gearmd met zijn nog herstellende blindedarmontsteking. Zij komt net uit het ziekenhuis en het mag een wonder heten dat ze hier nu al zomaar rond loopt. Wel ligt ons looptempo hoger, ondanks de foto's die ik af en toe maak.

Maar een half rondje later halen de liesbreuk en de blindedarm ons in omdat wij al een tijdje stilstaan om ons te verdiepen in een gebroken huwelijk van ooit een jongste collega, waarbij ons wordt verzekerd dat voor de kinderen alles goed geregeld is. Er wordt nog wat medisch leed aan toegevoegd en dat allemaal met een lach die past bij de strakblauwe lucht en de pret op het ijs en ook bij de vrolijkheid van de jongste dochter uit het gebroken huwelijk die sneeuwballen naar ons gooit, vooral naar Mente, want die gooit tenminste terug.

Al met al kost ons rondje fort bijna een uur en nog steeds, zien we nu, staat dat kringetje mensen op het ijs. Er zijn intussen twee ambulances gearriveerd. Natuurlijk zijn we nieuwsgiering, alleen niet genoeg om te gaan kijken wat er aan de hand is. In plaats daarvan verlaten we Blauwkapel en als we de wijk in lopen zien we de vrouw die ons zojuist voorbij liep, onderuit gaan. Het ziet er allemaal vriendelijk uit: ze loopt midden op straat en dan glijdt ze weg. Dat is het. Haar rugzakje zorgt ervoor dat zich blijft zitten en niet verder achterover valt.
Ik moet denken aan het porseleinen servies dat ik van de week in rugzakje meenam.
We hebben vanmiddag heel veel kinderen op de grond zien smakken; die krabbelen overeind en gaan vervolgens door met wat ze deden voor die val langskwam. Deze vrouw blijft zitten, alsof dat haar wel bevalt. Dat is niet waar. Ze ziet op het gladde stukje straat geen kans om overeind te komen. Wij helpen haar. Heel ernstig is het niet, al doet haar pols wel pijn, duizelig is ze ook en ze kan maar beter afzien van het geplande bezoek aan haar dochter in Hilversum. Ze noemt haar adres. Het lijkt ons beter als ik even de auto ophaal om haar thuis te brengen.

Toch zag het er allemaal zo vrolijk en vriendelijk uit vanmiddag, tijdens ons ommetje.

13 februari 2021

Ik ween om bloemen in de knop gebroken

Toen de adventstijd aanbrak kwam de liefde mijn kamer in en zij had een bol in haar hand, een kloeke amaryllisbol die ik voortvarend in een pot met aarde op mijn bureau heb gezet. Ik houd van de wilde, overrompelende schoonheid van de amaryllis, van het donkerrood dat nogal waaghalzerig tot ontplooiing kan komen. Nog geen dag later kwam de jongste ook al met een amaryllisbol.
‘O, je hebt er al een.’ Zij was een tikkeltje teleurgesteld. Ik niet, want twee amaryllissen is mooier dan een. Mijn teleurstelling kwam later, toen de bol op mijn bureau niets bleek te doen. Helemaal niets. Hij voelde zo zacht aan en zo zonder belofte dat ik hem maar heb weggedaan. Toen verhuisde de amaryllis van beneden naar boven en vervolgden wij vol goede moed onze weg naar Kerst. En inderdaad, we hadden een fijne, langdurige Kerst, maar niet eentje die werd opgevrolijkt door de rode bazuinen van een amaryllis. Intussen had ook nummer twee het laten afweten.
De jongste meende het verlies te kunnen compenseren met twee nieuwe bollen en omdat mijn kamer mogelijk niet een geschikte plek was, al zou ik niet weten waarom, bleven die beneden. Ook zetten we ze niet in een pot met aarde maar op een vaas met daarin een laagje water.
Dat die bollen pas met Kerst aan hun eigen advent begonnen, maakte de verwachting er niet minder op.

Dit wordt het moment om Klaas in te voeren. Toen hij met zijn vader voor Kerst een tuincentrum bezocht, zag hij een kerstroos. Hij pakte er een, waarvan hij vond dat zijn vader die maar moest kopen. Dat was een mooi cadeau voor opa en oma. Dat betekende dat we met de kerstdagen niet zonder plantaardig rood zaten. Deze roos kwam overigens ook beneden te staan. Daar staat hij nu niet meer, want kerstrozen verliezen voor Klaas’ oma net als de bijna gelijknamige bomen hun bestaansrecht. Ik heb dat niet; voor mij blijft ook in januari een kerstroos een wonder. Daarom staat die nu op mijn bureau, minder uitbundig rood dan eerst, maar hij brengt nog steeds veel vreugde.

Intussen heeft een van de amaryllisbollen van de tweede generatie flink zijn best gedaan. Gisteren telden we zeveneneenhalve bloem. Die halve achtste zou vandaag een hele geworden zijn. De andere bol is nog niet zo ver, maar alles wijst erop dat de twee parmantige groene penissen die daar uitsteken zich zullen ontpoppen als onstuimig rode flamencojurken. Zo komt alles toch nog goed…

… zou je denken, en inderdaad, op die laatste bol wil ik nog niet vooruitlopen, maar vanmorgen lag wel die andere bol op de grond. Hij moet vannacht niet van zijn tafeltje gevallen zijn maar er met inzet van ongekende kracht vanaf zijn gesprongen om vervolgens te pletter te slaan op de tegels van de woonkeuken.
Alsof er een grote plas bloed lag.
We zijn er nog ontdaan van. Van stengel twee was de achtste bloem afgebroken, de andere drie doen het nog redelijk, maar bij stengel één was er helemaal geen redden meer aan.

Al met al een hard gelag. Weken lang hebben we na de deceptie van de twee eerdere bollen de nieuwe belofte gestalte zien krijgen en nu dit. Natuurlijk kijken we uit naar de toekomst van de laatste bol, maar een onbekommerd uitzien mag het niet meer heten. Want komen ze wel uit, en als ze uitkomen, dondert dan opnieuw de boel niet om? We zijn onze onbevangenheid kwijt.

12 februari 2021

Bezichtiging

Het is een huis uit 1973. In dat jaar zijn de eerste en tot nog toe enige bewoners erin getrokken. Het ging om een echtpaar zonder kinderen. Hij overleed twee jaar geleden, misschien wel in dit huis. Op bed? In de kamer? Ik weet het niet. En zij is onlangs, na bijna vijftig jaar dus, naar een verzorgingshuis vertrokken. Daarom staat het huis nu te koop.

Ik vergezel de jongste bij een bezichtiging. Funda maakte al duidelijk in welke leeftijdsklasse we de bewoners van het pand moesten zoeken en het klopt helemaal. Er werd ooit gekozen voor bonte tegels. Er is weliswaar regelmatig iets vervangen, en de keuken is stevig verbouwd, maar veel van de jaren zeventig is nog herkenbaar.

De zolder is opvallend ruim, al geven moeten en verkleuringen van vloer en wanden aan, dat hier flink wat diepe kasten moeten hebben gestaan.
Ik moet aan meneer Verwoerd denken. Hij was ruim in de tachtig toen hij me een keer vroeg om even met hem naar zolder te lopen. Hij had wat boeken, brochures en kaarten waar ik vast wel wat aan had. Ik kwam op die zolder terecht in zijn wereld. Het was zijn seniorencave en dat was het al heel lang. Als hij voor het oog van de wereld niet een beetje representatief wilde zijn – en dat ging hem goed af, ik kende hem alleen maar van buitenshuis en altijd in kostuum – dan zat hij dus hier, tussen kasten en laden die hem elke keer opnieuw welwillend toeknikten, met een bureau en luie stoel en overal fotootjes.
Mijnheer Verwoerd is al tien jaar niet meer van deze wereld en ik heb zijn zolder nooit meer gezien. Maar op deze lege zolder verraden de verkleuringen, strepen op de vloer en nog niet opgevulde gaten in de muur dat hier een enorme kaalslag heeft plaatsgehad en ik heb even het idee dat ik in de onttakelde cave sta van meneer Verwoerd.
De makelaar vertelt dat een neef zich met de ontruiming heeft belast.

De jongste stelt zich intussen voor hoe er misschien een douche op zolder zou kunnen komen, of toch maar niet. Of dat zij en de schoonzoon hier op zolder zouden kunnen gaan slapen en de jongens dan op de benedenverdieping. In stilte bied ik de dode meneer en zijn verbannen vrouw mijn excuses aan.
Waarvoor?
Dat weet ik niet, maar de grond waarop ik sta, heeft nog iets van de heiligheid van anderen.

Voor wij naar binnen mochten, moesten we even wachten: er liepen nog andere kijkers in huis. Toen wij nog volop bezig waren, ging de bel, zo’n welluidend geval waarbij een hamer twee kloeke metalen buizen aantikt, eerst de een – ding – en dan wat lager de ander: dong, een mezzo en een contralto. Er is veel belangstelling voor het huis. En ieder doet in gedachten iets met de veel te nadrukkelijk aanwezige open haard, droomt van dubbel glas en gepleisterde muren en vraagt zich af wat ze met de glazen wand moeten waar de vorige bewoners zo trots op waren.

Als ik weer thuis ben en mijn kamer in loop, word ik even afgeleid door een gedachte die ik uitban: ‘Hou daar onmiddellijk mee op,’ mompel ik. ‘Onmiddellijk schrijf je met dubbel d en dubbel l; vergeet dat niet!’ voeg ik er aan toe, maar er is geen leerling meer die dat nog van me hoort.

10 februari 2021

Eierschaalporselein

Mijn zus maakte me erop attent; mijzelf was het serviesje altijd ontgaan. Wanneer je bij de Delftse zus van mijn moeder de kamer in liep, stond het op een buffet, recht tegenover de deur. Die deur ben ik vaak doorgegaan, maar een theeservies heb ik nooit gezien. Mijn zus wel en zij herinnerde het zich van opa, want voordat het bij Jo terechtkwam had het altijd in Loosduinen gestaan. Daar kwam ik ook vroeger, maar alweer: het serviesje is me nooit opgevallen. Toen mijn zus het een keer noemde, beloofde ik haar om er bij een volgend bezoek aan Jo eens op te letten. Dat deed ik, alleen was Jo er toen niet meer. Het serviesje wel. Ook mijn neef had nooit geweten wat de herkomst ervan was, maar mijn Drentse zus dus wel. En Jo zou het ook geweten hebben. Was het maar eens ter sprake gekomen, daar in Delft.

Mijn grootouders hadden vijf kinderen, maar weinig inkomsten en dus ook weinig fraais in huis. Beroemd is de regulateur die zij in 1912 als huwelijkscadeau kregen, een klok van dertien in een dozijn, waar geen kind ooit aan mocht zitten, en ook niet mijn oma. Alleen opa wond die op, vertelde mijn moeder. En ze vertelde van de loodlijn die strak langs de klok was getrokken. Toen mijn opa na zijn dodelijke ongeluk in 1965 daar niet meer toe in staat was, nam mijn moeder die rol op zich, maar met de nodige terughoudendheid. Het was immers niet haar klok, maar die van haar vader. Het moet een opluchting voor haar geweest zijn toen de zware taak van het opwinden kon worden overgedragen aan mijn broer. Hij verzorgt de klok al jaren, heel lang bij mijn moeder, nu al weer geruime tijd in zijn eigen huiskamer.

Maar over het servies van Japans eierschaalporselein valt geen enkel verhaal te vertellen. Wel kan ik zeggen dat er geen suikerpotje meer is en dat het servies nu vijf kopjes telt en drie schotels, dus er ontbreekt het een en ander. Van wat nog rest, is niet alles ongehavend gebleven. Ik denk dat ik met een geschatte verkoopwaarde van 25 euro eerder aan de hoge kant zit.

Mijn Leidse neef herinnerde zich mijn opmerking over het serviesje en zette het voor me apart. Zijn Amsterdamse zus nam het mee, we maakten tot vier keer toe een afspraak, en gisteren heb ik het serviesje bij haar opgehaald. Daarvoor moest ik door de sneeuw banjeren, gebruik maken van vertraagde treinen en wel negen keer zag ik mezelf uitglijden en als een ninja op mijn rug terecht komen. Mijn val zou in dat geval gebroken worden door mijn rugzak met daarin het porseleinen serviesgoed dat dun genoeg was om het aan scherven te blazen. Het idee van de ninja turtle beviel me overigens wel: dan was ik natuurlijk Leonardo, vernoemd naar mijn opa. Het moet louter genade zijn geweest dat het spul ongeschonden in Utrecht kwam.

Ik probeer er naar te kijken op de manier waarop mijn oma er in de jaren dertig naar gekeken moet hebben, daarna niet meer, want ze heeft van de jaren veertig nauwelijks iets meegemaakt. Ze moet de kwetsbaarheid en de zachte glans van de schildering erop gekoesterd hebben, dit kwetsbare antwoord op een hard bestaan, en ik hoop daarom dat de teloorgang van de drie schotels, het ene kopje en de melkkan iets is van na haar dood. Maar hoe het ooit in haar huis kwam, wat er mee gebeurde, wanneer het gebruikt werd, dat weet ik allemaal niet. Dat spijt me.

09 februari 2021

Een dag naar school

Liesje snakte ernaar om weer naar school te gaan. Klaas had daar minder last van, maar soms moet je de dingen nemen zoals ze zijn. Hun neefje Lukas keek er al dagen naar uit, maar in plaats daarvan werd hij gisteren per slee een eind de stad door gevoerd voor een oppas. Ik had met hem te doen. Vorig jaar sneeuwde het tien minuten en juist toen sleepte ik hem met de slee van ons huis naar het speeltuintje om de hoek. Daar op die slee memoreerde hij de ellende die hij het jaar daarvoor had moeten doorstaan. Toen nam ik hem na een bezoekje aan de speeltuin op de slee ook nog eens mee naar de spoorwegovergang een kilometer verderop. Lukas was tot voor kort heel erg van de treinen. Ik stribbelde tegen, wees hem op de kou en de ellende die die met zich meebrengt als je lang op een slee zit, maar hij zou en hij moest. Dat ging ook heel goed. We bezwaaiden tien treinen en toen vond ik het welletjes. Tot halverwege de terugweg naar huis ging het goed, maar toen werd het hem toch te bar. Ik heb de toen driejarige voor een deel gedragen, zodat ik in elk geval mijn armen om hem heen kon slaan, maar per honderd meter werd hij een kilo zwaarder en dan bungelde er ook nog zo’n ouderwetse houten slee achter ons aan. Enfin, hij wist het zich een jaar later haarfijn te herinneren en ik stelde me voor dat hij gisteren bezig was om aan zijn trauma nog meer handen en voeten te geven. En dat allemaal omdat hij toen niet naar school kon, terwijl dat wél was beloofd!

Vandaag ging dat feest wel door, al was dat weer op de slee. Zodra hij binnen was, bleef hij stokstijf staan en keek om zich heen. Noemde de namen van alle kinderen uit zijn klas die hij zag; klasgenootjes die hem blijkbaar extra dierbaar waren, noemde hij een paar keer. Zo zorgde hij voor een opstopping, want hij kwam niet op het idee om verder te lopen en bijvoorbeeld zijn jas uit te trekken.

Klaas van zeven had een lijst gemaakt van wat er allemaal mee moest naar school: zeven kilo boeken; een skibroek; vier handschoenen, pantoffels, brood, fruit, koek voor de juf, melk, water en een plan om minder te hoeven werken. Op een foto zie ik hoe hij en Liesje, maar ook met Tommy op de slee naar school worden getrokken. Liesje heeft een grote tas voor zich staan, maar Klaas niet. Op de foto zie ik ook zijn moeder: die trekt niet alleen een slee met twee jongetjes daarop, maar draagt ook nog een grote tas. Ik weet wat daar in zit. Waarschijnlijk past dit bij het plan van Klaas om zelf minder te hoeven werken.

Vanmiddag kwam Klaas thuis met een diploma, niet voor hemzelf, maar voor zijn vader en moeder, een ouderdiploma voor geduld, creativiteit, veerkracht, flexibiliteit, enthousiasme en doorzettingsvermogen.

Ook Lukas kwam thuis. Met waterpokken.

08 februari 2021

IC-handen

Als het sneeuwt, moet je wandelen en foto’s maken. Daarom trok ik zowel gisteren als vandaag de stad in om er foto’s te nemen die ik al vaker maakte van singels en grachten, maar dat geeft niet. Net als zondag had ik vanmiddag al gauw last van koude handen. Gelukkig kon ik met mijn handschoenen aan fotograferen. Gisteren liep ik naar de noordkant van het oude centrum, vandaag pakte ik de zuidkant en daarom fietste ik het eerste stuk.
Bij de singels was het drukker dan gisteren. Het viel me op dat her en der meiden van tussen de twintig en dertig op een sleetje de helling afgesjeesd kwamen. Opnieuw liepen er heel wat coffee to go bekertjes door het park en op de Springweg liep ik onder een sneeuwballengevecht door. Vanuit twee zolderramen werden vice versa ballen gegooid, niet door kinderen maar door volwassenen, dertigers. Ze maakten er werk van, gooiden een emmertje aan een touwtje een eindje verderop in de dakgoot en trokken dat vervolgens naar zich toe voor een nieuwe voorraad ammunitie.Om te fotograferen vond ik het licht niet ideaal, maar je kunt niet alles hebben.
Ik heb een met bont gevoerde muts die al jaren vrijwel nieuw ligt te wezen. Nepbont natuurlijk, maar dat zul je wel begrijpen. Die zette ik op, zodat ik de hele middag met een warme kop rondliep. Daar wisten mijn vingers niet van te profiteren.
Lastig begon het te worden op de fietstocht naar huis. De sneeuw was weerbarstig: er lagen harde verijsde klonten onder het wit en geslinger terwijl er auto’s langs je rijden, is niet praktisch, maar pas in de poort achter het huis liep ik vast en ontdekte ik dat ik mijn been niet over de rugleuning van het kinderzitje achter me gezwaaid kreeg. En dan die handen. Het op slot zetten van mijn fiets was nauwelijks te doen.
De grote ellende sloeg binnen toe. Met geen mogelijkheid kreeg ik de bontmuts losgeknoopt en het leek wel of mijn handen gegrepen werden door een houtversnipperaar. Het kind in mij werd wakker, dat ooit eerst vergeefs probeerde om de natte touwtjes van zijn doorlopertjes los te krijgen en eenmaal thuis zo ver mogelijk bij de kachel vandaan bleef omdat zijn vingers van de warmte leken te ontploffen.
Als welpje fietste ik een keer van Monster naar Naaldwijk. Daar kwam ik zonder handen aan, zo leek het. In mijn wanten trof ik blokjes pijn aan. In de keuken van het troephuis (zo noemen padvinders hun clubhuis) stond een pan water in de gootsteen. Dat was de remedie, wist ik: de warmte van een kachel maakte de ellende alleen maar erger, je kon je pijnlijke vingers maar beter onder een straal koud water houden. En nu stond daarvan een hele pan. Ik stak mijn handen erin en gilde het uit. Het was kokend heet water!
Dat was het niet. Het was ijskoud water.

Zestig jaar later sta ik weer met mijn handen onder de koude kraan en het water voelt heet. Mijn hoofd explodeert met die muts op mijn kop. Ik krijg hem los door de sluiting kapot te trekken. Pas als ik ook een appel op heb, kom ik weer een beetje bij. Uren later voelen mijn handen dik en moe, alsof ze nog maar net van de IC af mochten.

06 februari 2021

Een tas van Hoogvliet

Toen ik de deur open deed om mijn broer binnen te laten zag ik dat de grote plastic tas die hij in zijn hand had, er eentje van Hoogvliet was. Dat had ik door het smalle draadglasruitje niet zou gauw gezien, maar ik begreep wel wat er in die tas zat. Het waren de fotoalbums van onze ouders. Die waren niet zo trouw geweest in het bijhouden van foto’s, wat mij als kind altijd niet alleen een raadsel maar ook een bron van ergernis was. In de maanden voor hun dertigjarig huwelijk hebben we, dat wil zeggen, mijn Westlandse broer, Mente en ik uit hoeken en gaten en vooral twee schoenendozen de boel bij elkaar geraapt en geordend. We zijn ook nog op toernee geweest langs ooms en tantes en vrienden om namen, plaatsen en tijden te achterhalen. Daarna sloegen we aan het plakken. Dat begon met fotohoekjes, maar al vrij snel stapten we over op die handige lijmstiften van Uhu. Dat was iets nieuws.

Dertig jaar getrouwd vierde je in 1972 met een tompouce bij de koffie voor het gezin en voor een eventuele, al dan niet toevallige bezoeker, moet mijn moeder gedacht hebben. Nu viel die dag op een zaterdag en dat was een reden voor de mensen die wij hadden geraadpleegd om die ochtend op de koffie te komen, die het overigens ook weer hadden doorverteld zo hier en daar. Dit tot verbijstering van mijn moeder; zij wist niet dat de bakker al was ingeseind, zodat er al vrij snel voldoende gebak was voor iedereen. Het werd een onverwacht feest, voor mijn ouders, maar ook voor de bezoekers die niet op zo’n aanloop hadden gerekend. Toen al hadden de vijf nog zo gloednieuwe albums kunnen sneuvelen, want die gingen een paar uur lang van hand tot hand en overal kwamen verhalen los. Een gloriemoment voor de aanstichters van deze onverwachte vreugde was het natuurlijk ook, ik zeg het maar even.

Vanmiddag bracht mijn Westlandse broer de albums van onze dode ouders mee. Ik vraag me af of hij de betekenis van de tas van Hoogvliet wel doorgrondt. Mijn broer is een adept van deze winkelketen, maar deze nogal praktische verklaring doet geen recht aan de symbolische betekenis van de plastic tas.
Ooit, begin jaren zestig, brachten mijn ouders een week, misschien twee, door in een hotel in De Steeg en daar trokken zij op met een echtpaar uit Zoetermeer. Ze maakten met zijn vieren uitstapjes in het Gelderse en omdat Monster en Zoetermeer niet zo heel ver van elkaar liggen, kwamen ze daarna een tijdje af en toe bij elkaar op bezoek. Heel lang heeft dat niet geduurd. Vooral mijn moeder genoot van deze nieuwe vrienden. Vrienden en kennissen duikel je doorgaans voor je dertigste of vijfendertigste op. De kennismaking met het echtpaar Hoogvliet uit Zoetermeer maakte duidelijk dat de wereld toch iets minder gesloten was dan ze doorgaans dacht. Die relatie is verwaterd. Waarschijnlijk alleen maar omdat dat zo kan gaan. Ik weet nog van de prachtige kerstkaart die de familie Hoogvliet ooit stuurde: dik papier, alsof het geschept was, met een eigen tekst en namen daarop gedrukt. Die kaart maakte indruk op me: een eigen, gedrukte kerstkaart, een dubbele nog wel. Het maakte ook duidelijk dat die Hoogvlietjes hoger in de boom zaten dan die Borgdorffjes uit Monster. Dat ook.

Al met al kwam mijn broer langs met een beloftevolle tas en een vreugdevolle inhoud. Volgend jaar zijn mijn ouders tachtig jaar getrouwd en dan hoop ik voor belangstellende familieleden een digitaal samengesteld album van hun leven beschikbaar te hebben.

05 februari 2021

Bedelaar met kind en hond (1647)


Ik schreef een stukje en was daar niet tevreden mee. Daarna, tijdens een onlinebespreking, ging het over schilderijen die ondanks hun lichte linnen stuk voor stuk te zwaar aan de wand hingen vanwege alle betekenis die de schilder op het doek had aangebracht. Zo dreigde er een mismoedige avond en zo ver mocht het niet komen!
Ik pakte de roman met de aangename bladspiegel, maar het verhaal en ik konden elkaar niet vinden. Ik sloeg de krant op voor een puzzeltje waarvoor ik geen opening vond. Ik tilde de loodzware foliant waarvoor Rembrandt een leven lang had getekend en geëtst van tafel, ging met het boek op mijn knieën zitten en sloeg het open.

De man op de krijttekening heeft het niet getroffen. Hij is al 374 jaar blind en gaat bedelend door het leven. Om te bestaan zijn hem niet meer dan een paar snelle lijnen gegund. De kleine hond op de voorgrond, is nog het stevigst neergezet. Naast de bedelaar loopt de donkere vlek van een beschaduwd gezicht. Een kind, volgens de titel van de tekening. Ik geloof het graag.
Het vlak wordt vooral gevuld door de bedelaar. Wij zien hoe de streepjes van zijn ogen niet zien. Ook de andere vier ogen op de tekening zijn met enkele streepjes aangegeven, die ogen zien wel en ook dat zie je. Vanuit het vaag aangegeven midden van de tekening, het epicentrum van de bedelaar, lopen de lijnen; daar is het zenuwcentrum.

Opvallend na de hoed op het hoofd van de man, is de tweede hoed die hij in zijn linkerhand houdt. Het zal een bedelaarsnap zijn. Het is het midden van de tekening. Het kind kijkt ernaar. Waarom?
Om zijn pols heeft de man de lus van de hondenlijn geschoven. In zijn rechterhand heeft hij een lange stok. Iemand die niet ziet, heeft het druk.
De hond kijkt naar links. Het lijkt wel of hij naar de naam ‘rembrant‘ kijkt, zonder hoofdletter, zonder d ook, en niet met krijt geschreven maar met een pen. Zelfs een hond valt zoiets op. Of kijkt hij naar de later op het papier gestempelde letter G, of is het een C? Ik denk dat hij verder kijkt dan het papier groot is; misschien dat het kind dat ook wel doet: die twee hebben dezelfde kijkrichting. Er wordt al met al flink gekeken op de tekening met deze blinde bedelaar.
In werkelijkheid meet het tekeningetje 127 x 78 mm, dat is niks bij niks. In mijn boek is de tekening vier keer zo groot afgedrukt. Je zal en passant maar zo een hond tekenen. Je zal als bedelaar maar zo op het papier terecht gekomen zijn.

De tekening bevindt zich in Los Angeles. Daar hadden de man, het kind en natuurlijk de hond nooit van gehoord voor ze er terecht kwamen en Rembrandt al helemaal niet. Hij was al lang dood toen deze stad werd gesticht.

Ik kan niet zo gauw een afronding voor dit stukje bedenken en blijf wat langer kijken naar de tekening.

04 februari 2021

Carmiggelt en Ros

Ik vertelde gisteren dus dat de verzamelde boeken van Carmiggelt na jaren weer naast elkaar komen te staan in de boekenkast. Aan die verzamelreeks kleeft nog een geschiedenis die zonder gevolgen bleef, maar die me bij Martin Ros bracht, uitgever van de Arbeiderspers en dus van de boeken van Carmiggelt, en van Annie M.G. Schmidt. De flamboyante Ros heb ik drie keer gesproken. Hij heeft dat nooit geweten, dat van die drie keer.

Ik had ooit een gedicht van A.M.G. Schmidt op de radio gehoord dat me was bijgebleven en waarvan ik later dacht dat ik het goed kon gebruiken om een literaire avond op school mee te openen. De verzamelde gedichten van Schmidt en internet waren er nog niet. Ik belde De Arbeiderspers en kreeg Martin Ros aan de lijn. Of hij wist in welke bundel ik Mijnheer van Dalen zou kunnen vinden, zo heette dat gedicht, Mijnheer van Dalen. Hij wist het niet, maar ik trof het, zei hij, want Annie zat toevallig juist bij hem op zijn kamer. Er kwamen allerlei mogelijk titels van bundels langs, maar precies wist ook zij het niet. Een paar weken later vond ik het in een verzamelbundeltje van haar, ‘En wat dan nog?’ Dat was in juni 1983. Lang geleden, ja, maar, toch te laat voor die bewuste literaire avond.

Een kleine tien jaar later belde ik Ros opnieuw. Ik vond dat de tijd rijp was om de verzamelde verhalen van Carmiggelt uit te brengen. Ros was het met me eens, maar zag financiële beren op zijn weg. Ik vroeg me af of er niet een geldschieter te vinden was. Heineken bijvoorbeeld. Carmiggelt was een promotor geweest van het caféleven, dus mocht de hoofdleverancier van de gelukkige horeca wel eens iets terugdoen. Probleem was alleen, vond Ros, dat Carmiggelt van de jenever was, en niet zozeer van het bier. Distilleerders kon je minder makkelijk een poot uittrekken. Dat was een zuinige markt. Het gesprek duurde een half uur. Ik weet niet goed meer waar we het verder over hebben gehad, maar Martin Ros verstond de kunst om veel te zeggen.

De derde keer ging het om een ontmoeting in het Academiegebouw in Utrecht. Ros was een van de sprekers bij een symposium, waarvan ik bezoeker was. Dat verschafte ons beiden het recht op een broodje kroket en dat recht wilden we op hetzelfde moment op dezelfde plek laten gelden.
Over Carmiggelt hebben we het toen niet gehad en dat is heel vreemd, want ik heb nooit geweten dat men bezig was diens verhalenbundels uit te geven. Pas toen dat voorbij was en de boeken onverkoopbaar bleken, kwam ik er toevallig achter doordat boekenclub ECI met een pand in Hoog Catharijne de complete set aanbood voor 36 gulden. Dat wil zeggen: 23 bandjes met verhalen, een met de gedichten en een bandje waarin door derden zijn leven uit de doeken werd gedaan. Het was geen geld.
Ik nam de doos mee naar huis. Blij en droef tegelijk. Met deze uitgave had men Simon Carmiggelt recht gedaan, maar dat deze uitgave zo snel al in de ramsj terecht zou komen, was een onverdiend lot.

Af en toe pak ik nog wel eens een bundeltje met Kronkels, zoals de columns van Carmiggelt genoemd werden. Ze zijn wat gedateerd, inderdaad. Niet alles is even geslaagd, maar er is heel veel en heel veel blijft de moeite waard. In 2013 zou Carmiggelt honderd zijn geworden als hij niet in 1987 al was overleden. Het eeuwfeest ging gepaard met een gedundrukte selectie van zijn verhalen. Het bleef bij één druk.

03 februari 2021

Ze schuiven op en vallen af

Mijn werkkamer lijkt een oase van rust. De dingen lijken er hun plaats gevonden te hebben. Regelmatig moet de printer voorzien worden van nieuw papier, wat toch een hele belevenis is, maar er gebeurt nog meer. Links of voor mij (ik heb een L-vormig bureau en een draaistoel) knalt in het voorjaar groen uit de takken en er vliegt af en toe een vogel langs, maar inderdaad, dat is aan de andere kant van het raam. Aan de wand rechts daarvan voeren drie boekenplanken een stille strijd met de foto’s en tekeningen die daar hangen. Maken we nog een kwartslag dan kom je in de poëzie terecht. Daar komen regelmatig bundeltjes bij en dat gaat ten koste van een stoel die er stond en een kratje met tijdschriften. We draaien verder en werpen een blik op de boekenplanken waarop de wereld het meest tot stilstand lijkt te zijn gekomen. Maar misschien wordt daar wel de hevigste strijd gevoerd, want die planken zijn vol, helemaal vol. Het is de wand waar vooral romans en hun literaire neefjes en nichtjes wonen.
Ze staan op alfabetische volgorde, nu nog van A tot T, om precies te zijn tot en met het tweede deel van de Verzamelde Werken van Herman Teirlinck. Voor nummer drie en de volgende delen moet je naar zolder. Daar bevindt zich het slot van het literaire alfabet.

Dat is nog niet het hele verhaal. Voor meer informatie moet je namelijk weer deze kamer even uit, deze keer naar beneden. In de huiskamer vind je nog een boekenkast met voornamelijk romans, ook van A en in dit geval tot Z. Die boeken staan daar om redenen van schoonheid, actualiteit en/of dierbaarheid. Dat zijn de criteria, waarbij het eerste het zwaarst weegt en het derde amper, al mag je niet rekenen op al te consequent gedrag.
Bij nieuwe aanvoer moeten er boeken uit de kast beneden naar boven , naar de werkkamer. Die nieuwe aanvoer komt eerst op een bankje te liggen, maar als er een hele stapel ontstaat, moeten er maatregelen genomen worden. En dan begint het grote schuiven.
Gisteravond heb ik in alle wijsheid besloten om de verzamelde verhalenbundels van Carmiggelt allemaal van beneden naar boven te doen, naar mijn werkkamer. Daar staan al dertien banden, maar straks voegen die elf van beneden zich bij hen. In elke band zijn twee verhalenbundels opgenomen. Er is nog een 25ste bandje met daarin de gedichten van Carmiggelt, maar dat staat dus braaf tussen de gedichten.

Dat betekent dus dat Teirlinck naar een plank boven het trapgat op zolder verdwijnt. Dat is wel een sneue plek voor boeken, maar er zijn schrijvers die daar al heel lang staan, dus Teirlinck mag nog van geluk spreken. Bovendien staat zijn oeuvre eindelijk weer als een geheel bij elkaar. Ik zie trouwens dat ook Stijn Streuvels naar zolder moet. Ook in dat opzicht is het lot Teirlinck welgezind, want hij en Streuvels waren streek- en tijdgenoten, en complementaire tegenhangers.

Ook op zolder raken de planken vol. Ieder jaar houdt ergens in mijn kamer of op zolder de regel van tien huis. Dan moet er van elke tien boeken eentje in de doos voor kringloop of Boekwinkeltjes. Als een keuze al te moeilijk valt, dan mag ik een keer tien boeken overslaan, maar dan moeten er van de volgende tien titels twee weg.

Door de coronaperikelen staan al maanden twee dozen te wachten op een tweedehandsboekenzaak die open is. Ik hoor hoe in de verte een derde, nog lege doos komt aangestommeld.

02 februari 2021

Boekje terugbrengen

Vanmorgen had ik willen fietsen. Buienradar adviseerde me om dat tot na de middag uit te stellen en ook de regenkleding in de gang wees in die richting. Die had de jongste daar uitgespreid om te drogen. Daarom bracht ik de ochtend achter de computer door met allerlei kerkelijk werk. Dat hoort nu eenmaal bij de dinsdag. Na de lunch regende het nog steeds en dat bracht me ertoe de auto vol te gooien met allerlei rommel waarvan ik al langer vind dat het naar de vuilstort moet. Dat ruimde op, maar de lucht bleef betrokken, dus boog ik me over een andere klus en zo werd het half vijf. Eerlijk gezegd had ik niet zo veel zin meer om te fietsen. Zal ik wel, zal ik niet, zo dronk ik mijn thee.

En toen viel mijn oog dus op de boekje dat Klaas gisteren had laten liggen. Hij moet een spreekbeurt houden over leeuwen en daar ging dat boekje dus over, want wie over leeuwen spreekt, moet ook iets weten over leeuwen. Ik had hem er een beetje bij geholpen, even en zo was het boekje hier blijven liggen. Het zal ik wel dan wel niet was ineens weg; er hing nog wat ondefinieerbaar vocht in de lucht, maar regen kon je dat niet meer noemen. Kortom: ik zat al op mijn fiets voor mijn theeglas helemaal leeg was, met het boekje onder de snelbinders. En ik werd beloond voor mijn ondernemingslust en kordaatheid, want ik reed een zonsondergang tegemoet waarbij de zon zelf weliswaar niet te zien was, maar die voerde wel duidelijk de regie over wat er zich aan de hemel aan licht en zilver en grijs liet zien in mooi opgehangen banen die langzaam van vorm veranderden.

Mijn verplichte fietsleven, van middelbare school tot middelbare school, en die tijd heeft 51 jaar geduurd, reed ik vooral van zuid of zuidoost naar noord dan wel noordwest en terug. Vooral de laatste vijftien jaar fietste ik naar school in de wetenschap dat ik het wonder van aurora achter de rug had. Als ik omkeek af en toe, zag ik wat ik miste. Aan het eind van de middag, als ik terugfietste naar huis, voltrok zich het wonder van de zonsondergang, maar ook die moest ik vooral ongezien achter me laten. Dat speet me, zoals het me ook spijt dat ik vanuit huis, midden in een overigens aangename woonwijk, noch van het een en ook niet van het ander veel te zien krijg.

Maar nu dus wel. Een ansichtenkaartenzonsondergang was het niet. Daar komt altijd bloed aan te pas, deze was ingetogen, maar niet minder schitterend.

Nadat ik het boekje had afgegeven, overwoog ik nog even om door te fietsen, nog verder naar het westen. Maar thuis wachtte de liefde, thuis wachtte een warme maaltijd en bovendien zou het al vrij snel donker worden, dus ik keerde de schoonheid van de dag opnieuw de rug toe. Toen ik hier de straat in reed, floepten de lantarens aan. Dat kunnen lantarenpalen namelijk: floepen.

31 januari 2021

Fly me to the moon

Als ik aan mijn bureau met de computer bezig ben, moet ik naar links draaien om naar buiten te kunnen kijken. Dat had ik er vanmorgen om kwart over acht wel voor over. Ik wilde het graag dag zien worden terwijl ik er op het toetsenbord een tekst uitrammelde. Om te beginnen had ik daarom de gordijnen open gedaan en nu zag ik hoe zich in het grijs boven de huizen aan de overkant af en toe een vogel liet zien die voorbij vloog. Maar vooral was daar de melkwitte, nou ja, gebroken witte schijf van een afnemende maar nog behoorlijk volle maan.

Plotseling ging die uit, alsof het een lamp was, een ledlamp, waarvan iemand had het knopje gevonden. Het licht van de maan was flets geweest, niet geschikt om een boek bij te lezen, maar nu deze lamp was uitgeschakeld, en nog wel zo plots, werd de lucht er iets lichter van, niet veel, maar wel een heel klein beetje. Was de maan gebroken wit, dan zou ik die lucht lichtgrijs noemen, maar met een zweem, nee, een zweempje geel.

Er zijn momenten dat ik een hekel heb aan de huizen aan de overkant. Daar had water moeten stromen of gras moeten groeien onder oneindige lucht. Als je hier een zonsondergang wilt meemaken moet je naar zolder en dan krijg je nog maar een zeer gemankeerde film te zien. Nu was dit geen zonsondergang, want die kom je ’s morgens weinig tegen, maar het abrupt uitschakelen van de maan is ook wat waard en bovendien mocht ik nog van geluk spreken dat ik op mijn kamer zat, want beneden had ik er helemaal niets van gezien. Die grijze lucht en de maan daarachter die niet meer te zien was, maar er nog wel was - mij maak je op dat punt niks wijs - liet mij verlangen naar meer. Intussen schreef ik dus een tekstje dat over heel iets anders ging.

Plotseling ging de maan weer aan - wie had dat nou gedacht - en aarzelend kwam er wat diepte in die nog iets lichter grijs wordende lucht. Geen ´Morning has broken´ maar desondanks een mooi, wat aarzelend begin van de dag. En dan die maan.

Fly me to the moon, zong ik, terwijl ik mijn kop bij de tekst probeerde te houden die ik bezig was aan de computer toe te vertrouwen.
Ik hoefde zelf niet verder te zingen, want in mijn hoofd nam Frank Sinatra het van me over.

[…] Let me play among the stars
And let me see what spring is like
On a-Jupiter and Mars

In other words, hold my hand…


Daar hield Sinatra op, want ik wist de tekst verder niet. Ik vond het trouwens een tekst van niks. Ik hoef niet tussen de sterren te spelen. Onzin. En ga toch weg met je voorjaar op Jupiter. En ik ben dol op liefdesliedjes en gelukkig houdt Mente mijn hand vaak vast, maar daar ging het nu allemaal niet om.

Het ging me alleen om die merkwaardige, die uitermate bescheiden, kwetsbaar ogende maan die zo maar weg was en onverwacht weer terug kwam.
Ik wilde ook helemaal niet naar de maan vliegen. Bewaar me! Maar erover zingen wilde ik wel. En dat deed ik dus.

Fly me to the moon
Padapapapadapapa
Doebiedappiedopie
Doebiedopiedappiedoe
Tadatatatada – oebiedoe
Tadatatatada…


Wel heb ik die tekst nog even extra goed nagekeken.

30 januari 2021

Een zilverreiger en een toegift

Mijn kleine camera vertoont kuren, mijn grote camera is groot en de camera van mijn mobiel is geen camera, kortom ik had niets bij me om het moment vast te leggen. Nu was het behoorlijk koud vandaag en al heb ik daar als fietser niet heel veel last van, mijn voeten en vooral mijn vingers kunnen er niet goed tegen. En dat - ik heb het nu alleen over die vingers - is onpraktisch bij het nemen van foto´s. Bovendien weet ik niet wat er gebeurd zou zijn als ik was gestopt.
Ik denk het wel te weten: ik zou waarschijnlijk een beetje ontgoocheld verder zijn gereden, nog even omkijkend of ik verderop in het weiland de zojuist opgevlogen zilverreiger weer zou zien neerdalen, want daar heb ik het over, over een zilverreiger die in de slootkant stond, vlak langs de weg. Ik zag hem al van een afstand zitten. Anders dan veel blauwe reigers vliegen deze zilveren neven en nichten al vrij snel weg als je in de buurt komt, maar deze dus niet.
Had ik een camera bij me gehad – en mijn mobieltje tel ik dus niet mee – dan zou ik al vroeg zijn afgestapt om een foto te maken. Vervolgens zou ik een paar stappen in de richting van de vogel gezet hebben om nog een keer af te drukken en zo verder. Deze Chevrolet onder de vogels zou vroeg of laat zijn vleugels uitgeslagen hebben om aan mijn aandacht te ontkomen, waarschijnlijk vroeg.Nu speelde dat dus niet. Niet de moeite om de vogel al klikkend dichter te naderen en ook niet het ongemak waarmee ik in mijn behoefte tot het vastleggen van een zilverreiger aan de slootkant dat beest zou opzadelen. Niets daarvan. Wel was ik wat langzamer gaan fietsen en de zilverreiger had niet langer aandacht voor de sloot, maar wel voor die man die steeds dichterbij kwam. We stonden oog in oog, dat wil zeggen: hij stond en ik fietste. Er trok een rilling door het reigerlijf, ik zag dat hij slikte. De slikbeweging gleed door zijn lange hals alsof hij net een kikker had ingeslikt, maar dat was niet zo. Het was de kikker van de spanning die daar door zijn lange nek sloeg.
Maar wegvliegen deed hij niet en ik passeerde hem op anderhalve meter.
Zo dicht was ik nog nooit bij een zilverreiger geweest. Hoera, riep het kleine jongetje dat in mij woont. Jawel, het was koud, ik voelde het aan mijn vingers. Maar misschien was het ook wel vanwege die kou dat de reiger niet was weggevlogen. Terwijl hij mij fixeerde, was hij in zijn kleine bovenkamertje bezig geweest met kansberekening: hoe groot is de kans dat die vent daar me te grazen wil nemen, hoeveel energie, te vertalen in voedsel, heb ik nodig als ik op voorhand al wegvlieg en wat moet in dit geval het zwaarst wegen? En! zou hij gedacht hebben, hoeveel kans op ontsnapping heb ik als die vent inderdaad kwaad in de zin heeft? Enfin, we kennen de uitkomst. Hij koos voor behoud van energie, vanwege de kou. En dat terwijl het voor mij handiger was om juist in beweging te blijven.
Een half uur later, langs de Vecht, zag ik in het weiland negentien ooievaars. Ook dat was een record. Je ziet er hier een, twee, drie, ook wel twaalf, en in juli 2015 telde ik er achttien. En nu dus negentien. Jawel.
Toen in 2015 had ik wel het kleine cameraatje bij me trouwens. Dat leverde slechte foto’s op.

29 januari 2021

Eenheid van plaats en tijd

Het fietspad van Groenekan naar de Nieuwe Weteringseweg voert door een lang gerekte strook die je amper een bos kunt noemen, zo smal is die. Hier en daar dijt ie wat uit, maar een groot deel is niet meer dan veertig meter breed. Omdat het pad over het midden van die strook voert en omdat aan weerszijden dus bomen staan, niet een rijtje of zo, lijkt het een bos. Het is er aangenaam fietsen.Aan de randen van de bosstrook, zowel links als rechts, vind je een onverhard wandelpaadje.
Nu het winter is en nu er meer gewandeld wordt dan we tot nog toe gewend waren, kun je daar mensen zien lopen.
Pas een paar maanden geleden kwam ik ertoe om daar zelf ook eens te wandelen, het oostelijk gelegen wandelpaadje maakt deel uit van een klompenpad. Ik wist wel dat het er was, maar verder dan weten kwam ik niet, tot in november dus. Sindsdien kijk ik ook wat uitdrukkelijker naar die paden en ik zie er dus mensen wandelen. Ik zei het al: het is winter en er wandelen ook daar meer mensen, maar toch weet ik wel zeker dat ik ook meer aandacht heb voor die paden nu ik die zelf heb belopen. Eerlijk gezegd heb ik het tamelijk druk tijdens het fietsen want ik moet natuurlijk ook de vinkjes in de gaten houden die er zich vooral in de wintertijd graag ophouden. Je moet bovendien goed naar die vinkjes kijken, want dan ontdek je af en toe dat er een vinkje tussen zit dat geen vinkje is maar iets anders. Ik weet dan natuurlijk niet wat het dan wel is en prent me wat kenmerken in om thuis op te kunnen zoeken met welk vogeltje ik te maken had. Ook het bestuderen van een vogelgids is vaak niet afdoende, want was het nu dit of was het dat en als ik eenmaal een naam heb, tjiftjaf, ben ik het een half uur later al weer kwijt.

En nu komen daar die wandelaars bij. Wat me bezig houdt, is die gelijktijdigheid, de eenheid van plaats en tijd en ook bijna van handeling. En allemaal eenzelfde soort kleren, dezelfde taal vaak en eerst wat ontbeten of koffie met iets erbij genomen en straks heeft ieder weer hetzelfde nieuws om naar te luisteren. Ondertussen leeft dat, lopend, fietsend, volkomen langs elkaar heen. Parallelle werelden die alles gemeen hebben en elkaar nooit raken. Het maakt je een vreemdeling in je eigen omgeving.

Vanmiddag weer: er liepen twee vrouwen, ze zagen mij niet. Ik van mijn kant zag hen wel, maar, zo realiseerde ik me, meer als fenomenen waarbij je snel afweegt of een groet wel de moeite waard is om ze daarna in je eigen gedachtewereld mee te nemen, als toevallige zetstukken voor gedachten waar je niets aan hebt, gedachten aan de parallelle werelden waarin wij leven, als mensen, als mens tegenover de vinken en misschien geldt dat ook wel voor de tjiftjaf tussen de vinken, die ook tussen de vinken alleen maar deel uitmaakt van het universum der tjiftjaffen.

Ik kwam meer mensen tegen en zal ook nog wel gegroet hebben hier en daar, maar hoewel ze haar haar geverfd had, zag ik bij de Hoogkampse Plas onmiddellijk dat daar de medekerkelijke schooljuf liep. Met haar heb ik nog een kwartier staan praten, terwijl mensen op fietsen of in wandelschoenen ons passeerden. Soms knikten we dan even, zonder verder aandacht te besteden aan die anderen.
Soms knikten we niet.

28 januari 2021

De Burgerwacht

In De donkere kamer van Damocles wordt hoofdpersoon Osewoudt tot zijn teleurstelling afgekeurd voor militaire dienst. Hij is een halve centimeter te kort. Dat geldt niet voor zijn evenknie. Dorbeck heeft zich bij de keuring uitgerekt. Nu is hij luitenant. Dat zijn in dit geval de meidagen van 1940.
Om toch iets te doen meldde Osewoudt zich bij de Vrijwillige Burgerwacht. Daar leerde je ‘exerceren. Hij leerde hoe hij een oud geweer moest laden, hij leerde autorijden en hij mocht een keer schieten met een oude revolver.’ Voor gepast idealisme, een diep doorvoeld besef van menselijke waarden en dito waardigheid moest je niet bij Hermans zijn, de schrijver van de roman. Ook bij Osewoudt ging het daar niet om, al liet hij zich dat als veronderstelling wel aanleunen. Voor hem was verzet een verzetje.

In 1952 ontstond een vergelijkbaar fenomeen, de Bescherming Bevolking, de BB, vrijwilligers op wie men in tijden van nood een beroep kon doen als de natie bedreigd werd. De organisatie heeft ruim dertig jaar bestaan. Er hing een waas van treurigheid omheen. Voor de instelling van de reservepolitie moet je terug naar dezelfde tijd. Deze georganiseerde politievrijwilligers zijn er nog steeds.Ik heb die twee altijd over een kam geschoren. Eerlijk gezegd heb ik ook nooit nagedacht over de BB en de reservepolitie. Ik herinner me nog wel het kleine bordje met het embleem van de BB op sommige deurposten en bij de reservepolitie dacht en denk ik nog steeds aan oom Jan. Een enkele keer zag ik hem in uniform, op Koninginnedag bijvoorbeeld, maar ook een keer dat er een wielerronde bij ons huis voorbij kwam. Oom Jan zat altijd statig op zijn fiets, maar met dat uniform werd hij wel bijzonder indrukwekkend. Als hij me zag, zwaaide hij, en ik hoopte maar dat ook anderen dat zagen, niet alleen dat hij zwaaide, maar ook naar wie. Ik was trots op oom Jan, maar ik wist ook van zijn zwakke rug. Dat hij zo rechtop op zijn fiets zat, had daar alles mee te maken: hij droeg een korset.
Nooit heb ik oom Jan gevraagd waarom hij bij de reservepolitie zat, maar wat zou hij gezegd hebben wanneer ik dat wel had gedaan? Zou oom Jan het over Koningin en Vaderland hebben gehad, die woorden met hoofdletters uitsprekend?

Op tv zie ik boeren, hardcore voetbalsupporters, leden van de rotary, scholieren en allerhande wijkbewoners. Ze zijn in de weer voor hun stad, hun land, hun wereld.
Allemaal Osewoudtjes, denk ik schouderophalend.
Allemaal oom Jannen, denk ik met gematigde bewondering.
Wat ga je doen? denk ik bij mezelf.

27 januari 2021

Papier hier

Bij mijn Drentse zus drink ik drie koppen koffie en eet ik twee koekjes en een broodje kroket. Intussen meandert het gesprek van de sneeuw in Polen, via de breedte van de Yangtze naar de bruiloft van de jongste. Ik wil haar het bijzondere verhaal vertellen van de bruidsjurk, maar dat kent mijn zus al. Ze vertelt dan dat onze moeder indertijd trouwde in de jurk van haar nicht, tante Sjaan Knoester. Die naam komt me vaag bekend voor. Aan deze tante worden vervolgens ook nog twee dochters gekoppeld. Zij zouden vroeger regelmatig bij ons gelogeerd hebben. Hier wreekt zich waarschijnlijk het leeftijdsverschil tussen zus en mij; ik kom niet verder dan een vage herinnering aan de naam van tante Sjaan Knoester. De namen van de dochters en hun logeerpartijtjes zeggen me niks. Wel pak ik mijn notitieboekje om op te schrijven wat de herkomst is van de bruidsjurk en omdat ik toch bezig ben, noteer ik ook meteen de namen van de dochters en de Haagse straat waar ze ooit woonden.

Als ik daarmee klaar ben, legt mijn zus drie lege schrijfblokjes voor me neer, met daarop naam en logo van het reisbureau dat mijn dode zwager ooit runde. Ze heeft er nog genoeg.
‘Tot voor kort beschreef ik die blaadjes aan alle twee de kanten. Als ik dat blijf doen, dan blijven er na mijn dood nog veel te veel over,’ zegt ze. ‘Daarom gebruik ik nu nog maar een kantje. Ik ben een verkwister geworden.’
Ik stop de boekjes dankbaar in mijn rugzak; het eten en drinken berg ik elders op.

’s Middags ga ik langs bij mijn vormgevende vriend in Zwolle. Ik krijg er thee in een beker en een schoteltje met daarop een gevulde koek. Ook ligt er een stapel boeken en kaarten voor me klaar. De vormgevende vriend zit nu eenmaal dicht bij het vuur en daaraan mag ik me regelmatig warmen.

Tussen de eerste en de tweede beker vraagt hij of ik die kleine bruine envelopjes nog zo leuk vind. Dat is inderdaad nog het geval; ik stel zelfs voor dat hij bij een volgende bestelling de kosten én de nieuwe voorraad met me wil delen. Zover is het nog lang niet. Hij heeft er nog meer dan genoeg, sterker, ik moet er maar een stapel van meenemen. Met een volle tas ga ik twee uur later de deur uit.

Intussen heb ik het formaat van de blaadjes van de schrijfblokje ingesteld ook op de computer, tien bij twaalf. Als ik dit stukje nu af maak, lettergrootte 11 gebruik en afsluit met dank en groet, dan kan daar nog net handgeschreven mijn naam onder. Ik druk de tekst uiteraard eenzijdig, maar wel twee keer. Het verhaaltje gaat op blaadjes van een Drents blokje in een Overijsselse envelop naar Ruinen en ik stuur eenzelfde setje naar Zwolle.

Bedankt en hartelijke groet van



....

PS Dit was geen goed idee. Printer is vastgelopen. Het feest gaat niet door.

26 januari 2021

Diasnijdertje

Rond 1980 stapte ik van foto’s over op dia’s en dat hield ik 25 jaar vol. Lang genoeg voor een kast vol dozen, die er allemaal even lelijk uit zien, maar veel liefde herbergen. Dat begon al met het moment van afdrukken. Iedere klik vroeg een financieel offer en dan was er nog het euvel van een vol rolletje halverwege een dag wandelen in verlaten natuurgebied. Dia’s waren weliswaar goedkoper dan foto’s die je meteen liet afdrukken, maar dan nog.

Bij het, ook al door zuinigheid ingegeven, ritueel hoorde vervolgens het snijden van de filmstroken. Daar was een apart apparaatje voor en dat maakte een onvergetelijk geluid want in het geheugen van de jongste klonk het spontaan toen ik vanmorgen over dia’s begon - ik zal straks uitleggen waarom. Dat geluid herinnerde ik me ook, maar de jongste rook de geur van een filmstrookje waar het mes doorheen gaat. Zij hielp me daar indertijd graag bij, vandaar. Ik zou daar nooit op gekomen zijn, op die geur, maar inderdaad, nu zij het zei, rook ik het ook. Gek genoeg rook ik het niet, zo leek het tenminste, in de grijze brij van mijn schedelzolder, maar in mijn neus. Wonderlijk toch.

Na het snijden, dat ik dus na zorgvuldige instructie, aan de kinderen overliet, klikte ik de dia’s in de daarvoor bestemde raampjes en met een watervaste fineliner schreef ik een code op de ingelijste dia die correspondeerde met de plaats in de slee waarin vijftig plaatjes pasten. Daarvan zaten er twee in een diadoos en elke doos had een nummer. Met arabische cijfers geschreven nummers waren voor de huis-, tuin- en keukendia’s en die waren in de meerderheid. Voor dia’s van oude kerken - die fotografeerde ik omstandig van binnen en van buiten - gebruikte ik romeinse cijfers; bij wandelpaden liet ik er twee letters aan vooraf gaan. Dus op een op het Pieterpad genomen dia werd PP4b36, zoiets.
Vervolgens noteerde ik op lijsten achter het nummer, de datum, de plaats en wat er voor de rest nog te vermelden valt. Van de dia hierboven, ik zoek het even op, kan ik je vertellen dat die genomen werd op 1 mei 2002 en dat gaat om het bij Limbricht genomen romaanse kerkje, direct naast het kasteel.
Die lijsten drukte ik af en zo heb ik niet alleen een kast vol dia’s maar ook een ringband vol lijstjes.

In de gedeelde nostalgische bui van afgelopen zondag pakte ik de diaprojector met ingebouwd uitklapbaar scherm, een stapel dozen met daarin ons verleden. In de prullenmand naast me verdwenen heel veel dia’s, maar van het Pieterpad van eergisteren, bleef toch de helft over.
Bij het kijken kon ik bij iedere dia precies het wie en wat en waar vermelden. Het was een en al vreugde zondagmiddag, daar op die bank.

‘Ga je er ook een boek van maken?’ wilde Mente weten. Dat wist ik nog niet. Daar moest eerst het grote digitaliseren aan vooraf gaan en dat is niet niks. Omdat we het erover hadden, zocht ik, niet voor het eerst, naar informatie over geschikte scanners en naar de mogelijkheid om dat uit te besteden. Die scanners zijn veel goedkoper dan een jaar of tien geleden, toen ik ook al eens keek. Gisterochtend belde ik de fotograaf en die vertelde met welk apparaat hij zelf zeer tevreden was. Daarvan had hij er trouwens eentje staan.

Nu niet meer, want dat ding staat nu naast mijn bureau. Inderdaad, het zal veel tijd kosten, maar het resultaat bevalt me.
In elk geval begrijp je waarom het vanmorgen even over een diasnijdertje ging.

24 januari 2021

Avondklok

In de tijd dat ik nog rookte, liet ik ’s avonds rond een uur of elf bij gebrek aan een hond mijn pijp nog even uit en dan kon het wel gebeuren dat ik nog ergens aanbelde voor een afzakkertje.
Eind 1940 voerden de Duitse bezetter hier een avondklok in, van twaalf uur ’s nachts tot vier uur in de ochtend. Die maatregel werd gecombineerd met de verplichting om huizen te verduisteren. Het doel daarvan heeft helemaal niets te maken met wat nu wordt beoogd met een avondklok. Daar komt bij dat het niet voor de hand ligt om bij deze middernachtelijke uren van avondklok te spreken. Dat deed men toen dan ook niet: de mensen hadden het over spertijd. In de loop van de oorlog ging die spertijd in allerlei gemeenten eerder in en werd het acht uur.
Hoe dat precies in het Westland zat? Als dit verhaal klopt, was het in de eerste helft van 1944 nog twaalf uur. Ik neem tenminste aan dat het zich in die tijd moet hebben afgespeeld.

Als jonge verzekeringsman ging mijn vader juist ook ’s avonds bij mensen langs, om premies te innen, als het even kon een nieuwe verzekering te slijten en het kon geen kwaad wanneer er daarbij ook iets te drinken was.
Voor zijn ongeluk in december 1959 kon mijn vader aardig wat drank verstouwen zonder dat dat echt merkbaar was. Daarna gaf zijn consumptie meer problemen, al realiseer ik me ook dat ik toen pas de leeftijd begon te krijgen om iets van zijn alcoholische genoegens te merken.

Een jaar of tien geleden pas vertelde mijn moeder me het verhaal dat mijn vader voor een gezellige afzakker als laatste klant Johan de Munnik bezocht, aan de Molenstraat. Dat was niet al te ver van zijn eigen huis aan de Varenstraat en zo kon hij nog net voor twaalven thuis zijn. Zowel de gast die hij was als de gastheer hadden het blijkbaar erg gezellig, want pas om half een hadden ze in de gaten dat de avondklok al lang was ingegaan. Dus namen ze er nog maar eentje.

En nog een. Uiteindelijk zocht de gastheer zijn bed op en mijn vader legde zijn hoofd op het dikke smyrna tafelkleed. Om vier uur kwam mevrouw De Munnik uit bed. Ze maakte hem wakker en vertelde mijn vader dat hij nu wel naar huis kon. Een tijdje later werd mijn moeder wakker van gerommel aan de voordeur. Ze is voor alle zekerheid maar achter hem aan de trap op gegaan.

Dat was nog in de tijd dat ze daar wel om kon lachen, voegde ze er aan toe, toen ze me het verhaal vertelde. Het deed met deugd haar bij deze herinnering even te zien glimlachen.

23 januari 2021

Binnenzak

‘Het Verraderlijke Hart’ is een verhaal van Edgar Allan Poe. Het is een heerlijk verhaal om voor te lezen, en dat heb ik vaak gedaan, maar daar gaat het nu niet om. Het gaat wél om het tikken van een hart, onder de vloer - ik zal niet in details treden en daarmee de clou verraden. Dat tikken klinkt eerst als ‘een horloge dat tussen watten ligt’. Je moet je daarbij een zakhorloge voorstellen, want het verhaal is bijna 200 jaar oud. Dat geeft misschien al antwoord op de vraag waarom het horloge tussen watten ligt, want zoiets ligt op zichzelf genomen niet erg voor de hand.
Intussen heb ik mijn eigen zakhorloge even tevoorschijn gehaald en even geluisterd. Zelfs als ik het tegen mijn oor houd, hoor ik niets. Dat verwondert me niets; er zit namelijk een batterijtje in. Maar ja, het secondewijzertje verspringt wel met kleine schokjes van tel naar tel en ook dat is blijkbaar niet te horen.
Nu ligt er op mijn bureau ook nog een oud zakhorloge. Het zal van Mentes grootvader geweest zijn; honderd jaar is het al gauw. Het ligt in het doosje waarin het ooit werd gekocht. Het horloge ziet er nog goed uit. Wel staat het stil en ik krijg het niet meer aan de praat. Dat is jammer, want zo kom ik niet nader tot het horloge uit 'Het Verraderlijke Hart'.
Nu ik het doosje weer open maak, valt de bekleding van het dekseltje omlaag. Onder het rode zijde tref ik stof aan die inderdaad aan watten doen denken, maar mijn onderzoekende geest is niet sterk genoeg om de boel nog verder uit elkaar te plukken.
Wel ben ik nu wel heel ver weg van de aanleiding van al deze wetenswaardigheden. Het ging namelijk helemaal niet om een al dan niet tussen watten liggend horloge dat wel of juist niet hoorbaar zou wezen en het ging dus al helemaal niet om het verhaal van Poe. Daaraan moest ik alleen maar denken door de woorden ‘horloge dat tussen watten ligt’ en daaraan moest ik weer denken vanwege mijn mobieltje.

Dat zit namelijk nog in mijn jaszak en die jas hangt beneden aan de kapstok terwijl ik boven zit, terwijl de deur van de kamer dicht is, dus als er een berichtje binnenpingelt, zelfs als hij als telefoon zijn carillon laat horen, zal ik dat niet in de gaten hebben, alsof het een horloge is ‘dat tussen watten ligt’, en anders dan de verteller uit het verhaal van Poe hoor ik het dus niet. Dat is een aangenaam verschil tussen hem en mij, want ook die verteller wilde dat hart, dat horloge, helemaal niet horen, maar hij hoorde het wel. Ik hoor mijn mobieltje niet. En dat is maar goed ook, want ik heb even helemaal geen zin in berichtjes of belletjes en op ongevraagde confessies vanuit mijn sociale omgeving zit ik ook niet te wachten. Ik wil helemaal niets op dat front. Nu even niet!

Het kan natuurlijk zijn, dat ik niets hoor omdat er niet gebeld wordt en er ook geen berichtjes komen. Misschien ook, als ik goed luister, hoor ik toch iets van het mobieltje, daar beneden in die binnenzak van mijn gewatteerde winterjas.
Die man in het verhaal hoorde trouwens zacht tikken onder de vloer, terwijl dat er helemaal niet was. Maar wacht even, hoor ik…
Nee, onzin. Weet je wat? Ik zet onmiddellijk een punt achter dit stukje en schakel dan mijn mobieltje uit en dat zonder eerst te kijken of er toevallig niet een bericht of oproep is waar ik echt op moet reageren.

22 januari 2021

Et in arcadia ego

Ook vanmiddag bleven ze liever bij hun lego, duplo, bij het touwtje waaraan ik een haakje had gemonteerd zodat Markus steeds met een ander autootje achter zich aan door de kamer kon paraderen. Ik was onverbiddelijk: we moesten echt ook naar buiten toe. En zo vertrokken we even later naar de speeltuin van het Lubroveldje, een paar honderd meter verderop. Een motiverend moment daarbij was dat Lukas net voor Markus’ neus het plastic loopfietsje kon wegkapen. Hij was weliswaar iets te groot voor dat fietsje, maar een broertje een hak zetten is ook wat waard. Lukas schoot weg, de tuin en daarna de poort uit, terwijl Markus achter hem aanrende, niet vanwege dat fietsje, hij was niet eens van plan geweest om daar iets mee te doen. Hij rende omdat hij een vent van twee is en omdat er iets voor hem uit ging waar hij achteraan kon rennen. Zoals een hond achter een bal of een stok aan gaat, zeg maar. Kortom, het tempo zat er gelukkig lekker in.
In de speeltuin kreeg Lukas navolgers toen hij met het fietsje steeds de hobbelige heuvel afracete en hij oogstte bewondering van een meisje doordat hij in staat was om op dat fietsje zittend ook weer het heuveltje op te kunnen komen. Bovenaan verloor Markus zich in een modderplas, een podderpas in zijn woorden, want Markus is dol op de p. En op plassen.

Toen de schommel vrij was, zo’n spinnenweb waar je als kind ook in kunt liggen, sjeesde Lukas daar naar toe. Het meisje schoot achter hem aan. Ze heette Elin en had een lichtblauwe viltstiftstreep op haar voorhoofd die er al de hele dag gezeten moet hebben, want hij was zijn hoogtepunt ver voorbij. Die streep stond haar goed.
Even later duwde ik Lukas en Elin, terwijl zij vriendelijk lagen te kibbelen. De een vond dat ik langzamer moest duwen, de ander wilde de schommel ‘onder de kop’ hebben. ‘Over de kop,’ zei ik. ‘Nee, niet zo hard,’ riep Lukas. De oma die bij Elin hoorde deed tot nog toe alsof ik niet bestond, maar toen ik om me heen keek om te zien waar Markus was – die was de schommel na een minuut al zat geweest – wees ze me wel waar hij was: hij had de speeltuin verlaten en stond nu bij het jeu-de-boulesbaantje. Matthias draagt graag een cap. Hij heeft er eentje met hondjes erop van Paw Patrol. Daar steken die petten van mij maar schriel bij af zou je zeggen, maar zo is het niet. Hij gaat liever met een pet van mij naar buiten. Het is een leuk gezicht: zo’n dreumes die zich verdiept in de gravel van een jeu-de-boulesbak, ergens in de verte, en dat onder een veel te grote pet.

Lukas en Elin kregen van het schommelen niet genoeg. Het gekibbel ging door, maar zonder overtuiging; het bracht ze zelfs in een staat die zweemde naar gelukzaligheid leek het, zo dicht tegen elkaar liggend op die schommel. Ik moest even aan Jeanette denken.
Et in arcadia ego, dacht ik. Het is een gevleugelde uitspraak, maar ik denk daarbij onmiddellijk aan boeken van Hella Haasse: De verborgen bron en De Ingewijden. Het eerste is een dun en door scholieren indertijd dus veelgelezen gevalletje dat handelt over de mysterieuze verdwijning van een kunstenares. Alleen haar kleren blijven achter én een tekening met daarop die Latijnse tekst. Elin Breskel heette die kunstenares, Elin, net als dat meisje.

Thuis trek ik de boeken uit de kast en leg ze op de leesstapel voor 2021. Dat heeft Hella Haasse wel verdiend.

19 januari 2021

Worüber man nicht reden kann…

Via What’s App kwamen gisteren twee foto’s binnen die duidelijk maakten dat de jongste en haar bruidegom aan de afgelopen zaterdag voltrokken echtverbintenis ook nog een huwelijksreis hadden gekoppeld. Eentje van ruim een halve dag en die voerde tot mijn verrassing naar mijn geboortedorp. Ze maakten er een strandwandeling, wat ondanks de kou wel een passende bezigheid is voor jonggetrouwden, maar vóór die tijd gingen ze nog even langs het graf van mijn moeder. Mijn vader ligt er ook, maar sinds het overlijden van mijn moeder wordt hij door zijn kleinkinderen amper meer als bewoner genoemd.
Op de foto zag ik dat er een bos bloemen bij het graf stond. Dat vond ik een sympathiek gebaar, dat wil zeggen: zolang ik het onderschrift niet had gelezen, want dat maakte duidelijk dat het bruidspaar zelf geen bloemen hadden meegenomen. Toen ik nog eens goed keek, herkende ik er de chrysanten in die ik er zelf drie weken geleden neerzette. Wat zeg ik? Nee, het was de woensdag voor Kerst, dus die bloemen stonden er dus al bijna vier weken.

De jongste vond het wel raar dat er niet ergens een toilet te vinden was op het kerkhof. Nu weet ik er wel eentje, maar daarvoor moet je de aula in en die is doorgaans gesloten. Er is ook nog een leuk ogend tuinhuisje en misschien hoort daar ook wel een wc bij, maar ik heb die een maand geleden niet kunnen vinden. Ik kan niet zeggen dat mijn blaas sinds mijn bestralingen van anderhalf jaar terug onberekenbaar is geworden, wel is het er een waarmee ik meer rekening moet houden dan ik gewend was, en nog steeds schiet ik daarin af en toe te kort. Vandaar dat ik dat zo goed weet, van die gesloten aula en van het gebouwtje voor de kerkhoveniers dat ook al geen soelaas bood.
Ten slotte vond ik een maand geleden een rustig plekje tegenover het graf van mijn grootouders, want die liggen er ook. Het bijzondere van die plek is dat je vandaar uitzicht hebt op het huis waar mijn moeder 46 jaar woonde. Nu in de winter zie je het extra goed.

Over de aangelegenheden van de blaas van woensdag 23 december heb ik het nooit met iemand gehad, maar vandaag was de jongste hier en nu blijkt dat zij gisteren, net als ik daags voor Kerst, vergeefs aan de deuren heeft gerammeld van aula en hoveniershuis. Ook zij vond een plek buiten waar zij haar blaas tot bedaren kon brengen. Ze koos hetzelfde hoekje en keek daarbij beter naar het vroegere huis van haar oma dan ik een maand geleden, begrijp ik intussen. Ik had het toen te druk met me te verontschuldigen tegenover mijn grootouders, die hier al lagen toen mijn leven nog verre toekomst was. En tegenover onze vroegere buurman en buurvrouw aan de Molenstraat, want die liggen in diezelfde uithoek begraven. Ook tegen hen heb ik sorry gezegd.

Vanmiddag fietste ik mijn inspectierondje door de polder, toen er zwermen kauwtjes voorbij vlogen. Geen spreeuwen, maar kauwtjes. Geen kraaien ook. Op het kerkhof van Monster zie je veel kraaien. Tegen de avond vliegen ze om de molen, daarna langs het raam waarachter jaar en dag mijn moeder zat, en dan weer terug naar de bomen van het kerkhof. Mijn moeder keek graag naar ze, naar de kraaien. Ik geloof niet dat ik een maand geleden kraaien heb gezien op het kerkhof, in het verslag van de jongste komen ze ook niet voor. Ik moest vanmiddag aan ze denken toen die kauwtjes voorbij vlogen.

17 januari 2021

Herinnering voor later

Toen ik vanmorgen wakker werd en goed luisterde, hoorde ik aan de andere kant van de muur, hoe Markus in zijn bedje lag te zingen. Er kwamen flarden van bekende melodietjes voorbij en soms ook stukjes tamelijk gehavende tekst. Op de melodietjes werd vrij geïmproviseerd en voor de tekst volstond meestal een nananana waar geen einde aan leek te komen. Toen we de slaapkamerdeur hadden opengezet konden we het beter horen. Het was een vriendelijk geluid. In het voorjaar kan ik wakker worden van vogels die de dag begroeten of luidruchtig afscheid nemen van de nacht. Dit peutersopraantje klonk veel aangenamer. Het was duidelijk dat het jongetje zelf nog half sliep. Af en toe kwam hij even op een hoger bewustzijnsniveau terecht, maar zodra een riedel in de herhaalstand kwam, wist je dat hij weer bezig was te verdwijnen. Maar nooit helemaal. Na drie kwartier werden de liedjes herkenbaarder en langzaam maar zeker nam het volume toe. Toen was het half acht. Dat viel niet tegen.

Niet lang daarna was ook zijn oudere broer van de partij en werd het tijd om verstoppertje te spelen in bed. Ee – tee – die – vie – zes – vihtien – ih plom! Lukas nam voor de gelegenheid de taal van Markus over.

Buiten verloren we het gevecht tegen de dooi. Het enige wat nog aan de sneeuw herinnerde toen de jongste en de schoonzoon thuis kwamen van hun bruidsvlucht, waren natte, bemodderde kleren over de verwarming.

De sneeuw had gisteren, na de bruiloft, even gezorgd voor een sprookjesachtig decor. Het bruidspaar, de vader en moeder van Lukas en Markus, hadden ’s avonds nog een wandeling langs de singel gemaakt, precies zoals Annette ze op de trouwkaart had getekend. Ook dit sneeuwfeest gehoorzaamde aan de wetten van covid 19 en duurde maar even. Op de foto’s krijgen huwelijk en sneeuw eeuwigheidswaarde. Als de kleine Markus groot is en terugblikt op vroeger, dan herinnert hij zich misschien een tijd waarin zijn vader en moeder ’s winters altijd trouwden, het voortdurend sneeuwde of waarin je het spannende gevecht tegen de dooi aanging. Een tijd ook waarin je je grootouders ergens onder dekens terugvond en waarin een helder kinderstemmetje fraai en onvermoeibaar varieerde op bekende kinderliedjes.

16 januari 2021

Met een zucht

De opmerking ontsnapte mijn schoonvader op de dag dat ook zijn andere dochter trouwde: ‘Hèhè, ‘alletwee die meiden getrouwd.’ In één adem voegde hij daar aan toe: ‘En zonder moetje.’
Hij had de pech dat hij dat juist op het moment zei dat er een stilte viel in het gezelschap. Het was tijdens de lunch, dus waarschijnlijk nam net iedereen een lepel soep of een hap brood. Hoe dan ook, zijn half gefluisterde opmerking, alleen bestemd voor zijn broer en schoonzus die naast hem zate,n bereikte ook heel veel andere oren. Maar opgelucht bleef hij, daar deed het gelach dat volgde op zijn opmerking niets aan af.

Van opluchting kon bij mij geen sprake van zijn toen er vandaag van twee kanten een jawoord klonk. Een moetje was er evenmin, wel waren er twee uit vrije wil in een prematrinoniaal tijdperk tot leven geroepen knulletjes. Andere tijden.
In plaats van met een gerust hart mijn dochter de deur uit te doen, zoals mijn schoonvader, en daarna hèhè te zeggen, zitten Mente en ik nu in het huis van de jongste en de man die we al jaren kennen maar nu plotseling schoonzoon heet, om ons daar bezig te houden met die jongens van ze.
Na een kort gevecht met misschien wel de enige sneeuw van deze winter eten wij patat, daarna taart, en na een filmpje en een verhaaltje gaan ze naar hun bed naar bed, zodat ook wij niet lang daarna uitgeput in een vreemd bed terecht kunnen. Vanuit hotel Karel V bereikt ons bericht dat de jonggehuwden zich daar uitstekend vermaken.
Hier treffen we na tandenborstel en washand een jongetje aan dat stilletjes van zijn eigen bed naar onze tijdelijke slaapplaats is geslopen. Middenin de nacht ploft hij opnieuw tussen ons in.
Hèhè, zeg ik mijn schoonvader na. Het klinkt heel anders en er is niemand die het hoort.

15 januari 2021

Onderstaande Och Heden bleef een jaar en drie maanden in portefeuille. Zaken veranderen.


Ligstoel met uitzicht

Geluk is waar je niets bent. Ik houd het mezelf graag voor en in dat opzicht kom ik in Nieuw-Zeeland nog meer aan mijn trekken dan in Utrecht. Of dat echt waar is? Er valt het nodige op af te dingen. In relationele sfeer ben ik vooral een kampeerder die na twee dagen al begint te zingen van zijn onafhankelijkheid om een week later vrolijk met de vuile was terug te keren in een centraal verwarmd huis en een goed bed.
Sinds eergisteren wordt er weer veelvuldig opa en pappa tegen me gezegd, om de doodeenvoudige reden dat ik dat ben. Het komt mij zomaar toe.
We zitten een paar dagen op een klein eilandje aan de rand van de Tasmanbaai. Langs het water staan twee ligstoelen die bij vloed met hun poten in het water komen te staan. Tot in de verte wisselen turquoise en zilver elkaar af, daarachter zie ik allerlei bruingroenen van heuvelrijen.
Toen Mente, onze jongste en haar kinderen gisteren dit uitzicht weer verruilden voor de veranda honderd meter verder, bleven Robert en ik achter op die twee stoelen aan het water. Waarover spraken zij, die twee, daar op die twee ligstoelen zo half in het water? Luister!

Het komt Robert wel uit dat we even alleen zijn, want hij heeft een belangrijke vraag. Zegt hij.
Om geld kan het niet gaan, bedenk ik. Daarvoor hoef je bij mij niet aan te kloppen. Misschien wil hij dat ik een brief voor hem schrijf, want zoiets vragen ze me af en toe. Dat is het ook niet.
Dan begint Robert te vertellen dat hij mijn dochter al zo- en zoveel jaren kent; hij combineert dat vrij snel met zijn, lees: hún toekomstplannen, en na een minuut of tien komt hij met de vraag om de hand van de jongste.
Nu hebben die twee samen een huis, een gedeelde bankrekening, een kat en twee kinderen, dus over die hand kan ik niet moeilijk doen, begrijp ik.
De vraag doet me plezier. Het huwelijk is in essentie een onpraktische instelling, zij hebben samen bovendien al zoveel praktische stappen gezet, dat ze makkelijk zonder een vereniging in de echt verder kunnen. Dat hadden ze dan beter eerder kunnen doen. Nu dient een huwelijk geen doel meer, dat wil zeggen geen enkel doel meer dan de rituele bezegeling van de relatie. En dat is wat mij betreft wel het punt waarop een huwelijk de moeite waard gaat worden.
De vraag van Robert doet me ook plezier omdat ik er helemaal niet toe doe. Die twee maakten allang geleden een keuze waar hun ouders volledig buiten stonden. En dan, wat is het voor onzin dat een volwassen vent aan een man gaat vragen om de hand van diens dochter? Ik kan ja of nee zeggen. Nee, zou niet goed zijn voor de verhoudingen, maar gevolgen voor de relatie van de jongste en de man naast me op de ligstoel zullen er niet van afhankelijk zijn. Waarom gaat mijn jongste trouwens niet naar Roberts moeder toe? Met dezelfde vraag, maar dan met geslachtsverandering.

Robert is tevreden met mijn ja en als ik even later in dat verband ook nog zeg dat hij mijn zegen heeft, dankt hij me hartelijk. Het woord zegen is belangrijk voor hem. En dat doet mij weer extra veel genoegen. Ik moet er even door aan Jakob denken die aan zijn oom Laban om de hand vraagt van diens dochter en daarvoor ook de zegen krijgt. Laban laat Jakob zeven jaar voor hem werken, dan mag hij de dochter trouwen. Ik kan niet zo gauw iets bedenken om Robert voor mijn karretje te spannen. Laban maakte het nog bonter door aan de deal een tweede dochter te koppelen voor nog eens zeven jaar. Afgezien van het feit dat ik geen tweede dochter heb, ligt dat tegenwoordig wat minder voor de hand.

Hoe dan ook: op de ligstoel zit een man van niets. Hij geeft toestemming voor iets waarover hij niets te zeggen heeft en gedraagt zich intussen als een vertegenwoordiger van een verdwenen patriarchale wereld door niet te zeggen dat de jongste bij Roberts moeder moet zijn en niet bij hem. Ook zou hij niet weten hoe hij de jonge man naast zich een poot zou hebben kunnen uitdraaien. Ach kom, dat zou hij niet willen.

Vandaag hebben Mente en ik op de jongens gepast en is Robert met zijn geliefde op stap geweest. Ze kwam terug met een ring om haar vinger.
In de koelkast zag ik zojuist een fles champagne liggen.

(Tot zover deze Och Heden uit oktober 2019. Wordt vervolgd.)

14 januari 2021

Open plek

De boom is terug naar de kweker; alleen de kerstkaarten laten nog zien dat aan deze sombere januarimaand een hartverwarmend december vooraf is gegaan. We komen dit jaar op 83 kerstgroeten van papier. Dat is meer dan vorige keer, waaruit wel weer blijkt hoe groot de behoefte aan contact en nabijheid is, al is het maar in de vorm van een kaartje. Misschien moet de overheid aan ‘januarizegels’ gaan denken. Die behoefte aan tekenen van leven zal er de eerste twee weken van januari niet minder op zijn geworden.

Natuurlijk neemt dit allemaal niet weg dat ook de linten met kaarten binnenkort zullen verdwijnen. De tekenen bedriegen in elk geval niet.
Gisteren merkte ik dat er een kaart gevallen was. Hij lag op de grond. Zoveel was duidelijk: voor de kerstpost was de herfst aangebroken. Wat ik bij boombladeren niet doe, maar met deze kaart wel, ik hing hem terug, me erover verbazend dat kerstwensen niet alleen seizoensgebonden maar ook seizoensgevoelig waren. Zou dat heus waar wezen?
Vanmorgen werd die vraag met ja beantwoord. Er was weer een kaart verdwenen, van hetzelfde lint als gisteren. De open plek was evident. Maar waar ik ook keek, nergens zag ik een kaart. Alsof de wind hem had meegenomen… Een al te grondige zoektocht stelde ik uit. De kaart was misschien achter de boeken in de boekenkast terechtgekomen. Daar zou ik dan later nog wel eens kijken. Verder dacht ik er niet aan, er zijn ook andere dingen.
Een halve dag later was die lege plek er nog. Dat van die boekenkast geloofde ik zelf niet, dat van de wind evenmin, wat het verdwijnen van die tweede kaart alleen maar merkwaardiger maakte.

Ik hield het nog even voor mezelf, maar ten slotte vertelde ik Mente wat voor vreemds zich had voorgedaan in de ons zo vertrouwde huiskamer.
‘Dat is de kaart van Annette,’ zei Mente.
En zo was het ook. Mente had die weggehaald, een lijstje gezocht en daarin de tekening gestoken. Mij vroeg ze vervolgens of ik die bij de andere kaarten wilde hangen, als eenentwintigste. Mevrouw Annette Fienieg heeft twee galerijen bij ons in huis, in de woonkeuken en op zolder. ‘Ik zal het zo doen,’ beloofde ik Mente. Gisteren dus.

Het verbaasde me niet dat ik geen verband had gelegd tussen de kaart die niet meer aan het lintje hing en het gevulde lijstje dat op de hoek van de tafel op me lag te wachten. Het is een van mijn talenten om samenhang over het hoofd te zien.
Wat ik na die mededeling wel onmiddellijk zag: de kaart die ik gisteren teruggehangen had, was terechtgekomen op de plek waar kort daarvoor nog die van Annette en Koos hing. Dat verklaarde ook waarom die andere kaart gevallen was.

Dat vond ik weer jammer. Ik zou het wel leuk vinden wanneer de linten in de kamer in januari langzaam zouden ontkaarten omdat de natuur erom vraagt. En dat ik dan de gevallen kaarten op zou rapen om in een doosje te stoppen. Een soort walnoten rapen zou het zijn, maar dan binnenshuis. Zo is het dus niet. Je moet het allemaal zelf doen.

Dat geldt ook voor de ingelijste kaart die op zolder komt te hangen. Dat brengt me weer bij de jaarlijkse vraag of ik een spijkertje in de pleisterlaag tik - dat gaat snel, als de pleister niet wegbrokkelt - of dat ik toch maar gaatje boor voor plug en schroefje. Ik zal er eens over gaan nadenken.

12 januari 2021

Mijn persconferentie

Ik heb nog een half uur en dan begint de persconferentie. Liever zou ik hem zelf geven, niet om te vertellen wat men besloten heeft, maar om te zeggen wat ik in mijn wijsheid heb besloten. Overigens wil ik ook wel uitsluitend als doorgeefluik fungeren, maar dan alleen wanneer de maatregelen me aanstaan. Sterker nog, dan laat ik ook de woordvoering graag over aan de heren Rutte en De Jonge. Daar heb je weer die bescheidenheid van mij die me zo charmant maakt.

Terzake. Stel je toch eens voor dat premier en minister zometeen vertellen dat de maatregelen van nu ook de komende drie weken van kracht blijven en dat we met dezelfde inzet doorgaan om het virus te pareren om vervolgens aan te geven dat we daarom ook onze aandacht kunnen gaan verleggen, namelijk naar de vluchtelingenkwestie.
De mensen die druk doende zijn in verband met het coronavirus moeten daar vooral mee door blijven gaan. Dat lijkt me nogal logisch. Maar als het om het vluchtelingenprobleem gaat, dan zijn er nog genoeg mensen over om daar eens hun tanden in te gaan zetten. Bijvoorbeeld politici. Bemoeienis met Moria is relevanter dan het eindeloze gehakketak over het vaccin dat er twee dagen eerder of later komt.

En als, maar daar hebben de landsdienaar en zijn baas minder over te zeggen, ook kranten en andere media eens wat minder met corona of met dat gedoe in Amerika bezig zouden zijn, door zich te beperken tot nieuwe ontwikkelingen op dat front, om ons in plaats daarvan de ogen te openen voor wat de vluchtelingenpandemie inhoudt, je weet wel, die ziekte met als belangrijkste symptomen honger, geweld, verdrijving en vlucht, en dat gekoppeld aan eigenbelang, lauwheid, laksheid onvermogen tot empathie van anderen - allemaal te plaatsen onder de noemer ‘ontoelaatbare onmenselijkheid’ - dan gebeurt er misschien eindelijk eens iets.

Ik denk ook dat het goed is voor de eigen gezondheid als we niet voortdurend bezig zijn met datgene waar al van alles aan wordt gedaan en dat ons desondanks blijft belemmeren. We staren ons blind op die ene vlek van eigen onbehagen. We zitten er met onze neus bovenop en daar groeit die vlek alleen maar van. We zouden er nog moedeloos van worden.

Van nadenken over menselijkheid en medemenselijkheid - dat zouden wel eens synoniemen kunnen zijn - worden we misschien weer een beetje meer mens dan gebeten hond.

Dus ik stel voor: op pagina 1 van de krant, en als hoofdartikel van de bijlage: vluchtelingen. Op bladzij 3 iets over Covid-19 en op 6 iets over Amerika.
Kijk, als er echt coronanieuws is, dan mag dat natuurlijk wél op de eerste bladzij. En misschien geldt dat ook wel voor nieuws uit Amerika. Daar ben ik nog niet helemaal uit.

Duidelijk? Duidelijk.
Dan laten we het hierbij voor vandaag.

10 januari 2021

Pas op dat je niet uitglijdt!

De vorst voerde Aat en mij gistermorgen door berijpt land. Dat was aangenaam voor de ogen, maar prettig ook voor de voeten. Niet alleen de paadjes langs de Kromme Rijn, ook de sporen die hier en daar dwars door een weiland waren getrokken, moeten de dag ervoor nog een modderboel geweest zijn die ongetwijfeld aan je schoenen zoog en tegelijkertijd van die gelegenheid gebruik maakte om dat schoeisel eens lekker onbeschaamd te bezoedelen. Nu gaf bevroren modder stevigheid en mijn schoenen bleven schoon.

Langzaam maar zeker verdween de rijp, maar de grond bleef hard en de wandeling bleef, weliswaar iets minder betoverend, erg aangenaam. Werd plotsklaps het stoere jongetje in me wakker of kwam het toevallig zo uit? Ging ik er misschien vanuit dat ik met mijn schoen dwars door het dunne laagje ijs zou trappen van wat je amper een plasje kunt noemen? Ik weet het niet, maar ik zette een voet vol op flinterdun gewaand ijs. Mijn schoen gleed weg en bijna kukelde ik achterover. Bijna. Maar de schrik van het moment was er. Dat is een schrik die je blijkbaar in staat stelt om wat bewegingen te maken, vraag me niet welke, die ervoor zorgen dat je je evenwicht bewaart, waarna je kunt doorlopen en kunt doen alsof er niets gebeurd is. Er was ook niets gebeurd. Maar tegelijkertijd met die opvlammende schrik en die reflexen van mijn lijf ontplofte er, heel klein, vreugdevuurwerk in mijn hoofd, omdat ik bezig was om uit te glijden op ijs. Die vreugde had niet zozeer met het glijden te maken, maar vooral met dat ijs. Als ik bijna was uitgegleden over een hondendrol dan zou er van binnen geen minivuurwerkje zijn ontstoken. Trouwens, als het een drol geweest was, dan zou ik er natuurlijk niet bewust mijn voet op hebben gezet, zoals ik wel deed bij dat bevroren plasje.
Het hield me daarna nog even bezig, dat vonkje vreugde. Dat had natuurlijk te maken met het feit dat het gevroren had. Dat vriezen uit die goeie ouwe tijd, waarin je nog zo gezellig onderuit kon gaan. Dat het toch nog even naar winter rook. Zoiets.

Vanmorgen maakte mijn eerste stap buiten de deur al duidelijk dat ik moest oppassen. Het ging nu niet meer om een klein plasje. Tweehonderd meter verderop lag een vrouw op straat. Er waren al twee mensen bij, en een hond, die het wel gezellig vond, die vrouw op straat.
Van de andere kant kwam Piet aangelopen. Hij was net als ik op weg naar de kerk. Er kwam een vrouw het huis uit gerend. Ze was op weg naar de vrouw midden op straat, dat was duidelijk.
‘Neem een plaid mee.’ Dat vond ze een goed idee. Ze draaide zich zo abrupt om dat ze bijna uitgleed. Bijna. ‘Doe nou rustig aan, waarschuwde ik, ‘één plaid is wel genoeg.’
‘Deze man is ook gevallen,’ zei Piet even later. ‘Het was een zij, een vrouw, daar op straat,’ verbeterde ik hem. Hij bleek het over zichzelf te hebben, want voordat hij naast zijn fiets was gaan lopen, was hij twee keer gevallen. ‘Of eigenlijk drie, want die tweede keer, ging ik bij het opstaan weer onderuit.’ Hij had een bebloede hand.

Bij het verlaten van de kerk liep ik Kees achterop. Hij schakelde net naar zijn stevige doorstapmodus dus ik wilde hem toeroepen dat… Toen gleed hij al weg. Ongeveer op de plek waar kort daarvoor de vrouw had gelegen. Ze was al weg, net als de hond die het allemaal zo gezellig vond. Nergens zag ik een plaid.

08 januari 2021

Groeten uit Monster

Vanmorgen bracht de post een bijzondere envelop. Allereerst was er het joueuze handschrift dat mijn naam en adres op de voorkant van de bruine envelop had geschreven. De achterkant vermeldde een postbusnummer en plaatsnaam, maar er zat vast geen zakelijke afzender achter. Vanwege dat handschrift en omdat de envelop met extra plakband was dichtgeplakt, zo consciëntieus dat ik met een briefopener nergens het begin van een opening kon vinden of maken. Het ging blijkbaar om iets kostbaars dat ik in geen geval mocht beschadigen. Deze ongenaakbare envelop met zijn stille geheim was goed voor mijn humeur.

Ik dacht aan mijn kunstzinnige vriend uit Den Haag, want daar kwam dit poststukje vandaan en het was afgestempeld in Rotterdam. Ik dacht aan een Rotterdamse kunstenaar van wie ik hier ook iets heb hangen. Die werkt ook regelmatig in Den Haag, weet ik. Zo betrapte ik me erop dat ik meende te maken te hebben met een kleine tekening of ets. Zaken waar ik bijzonder gevoelig voor ben. Voor olieverfschilderijen trouwens ook, maar daaraan hoefde ik niet te denken.

Alhoewel, onze Groningse vriendin, met ook al Haagse wortels, schetst met acrylverf op papier. Zou zij het zijn? Maar nee, haar schrift is hoekiger, voller ook. Intussen prikte ik met een klein scherp mes door een hoekje van de envelop en kon het grote opensnijden beginnen.

In de envelop zat een tweede die ik niet uit de eerste geschoven kreeg. Dat was dom. Het was niet een tweede envelop, maar nog dezelfde als die ik zojuist had geopend. Die was dubbelgevouwen en de randen waren als gezegd heel keurig afgeplakt. Van binnenuit biedt plakband nauwelijks weerstand en zo veranderde het formaat van de envelop van a6 in a5. Ik trof een stukje ribkarton aan van 10 bij 15 én een plat pakketje, zorgvuldig gewikkeld in vloeipapier. Een etsje, het moest de afdruk van een etsje zijn. Ik zag ook een visitekaartje. Ik las Gert. Aha! Gert! Vriend van Nieuw-Zeelandse Piet. En die woont tegenwoordig in Den Haag. We hebben sporadisch contact.

Het vloeipapier was vijf keer omgeslagen. Toen dat ongedaan gemaakt was, trof ik twee mapjes aan, met in elk daarvan een kaart uit Monster. Eentje uit 1901 en eentje uit 1918. Het werd me op slag duidelijk: dit was een heel andere Gert, en waarschijnlijk was het zelfs zijn Rachelle - haar naam stond ook op het kaartje - die het pakketje had verzorgd.

Ik had het kunnen bedenken, want ik had ze zelf besteld op Marktplaats. Was het alleen vergeten. Zoveel zorgvuldigheid had ik ook niet verwacht. Met het pakje ben ik de hele dag blij geweest.

Een van de kaarten toont de haven van Monster. Daar zijn tig kaarten van, maar deze spreekt me wel bijzonder aan, vanwege de verminkte toren -van de kerk ontbreekt trouwens het dak - en omdat er bij een van de schuiten een paar mannen staan, binnenschippers waarvan ik denk dat ze bij de familie Van Leeuwen hoorden.

De kaart is op 11 november 1901 op de post gedaan en waarschijnlijk nog diezelfde dag bezorgd bij, Mej. C.G van Leeuwen, Vaart, Monster. Oftewel: op de kaart staan drie Van Leeuwens en de kaart is dus naar een dochter des huizes gestuurd. Dat moet allemaal heel actueel geweest zijn toen, want de brand van de grote kerk was op 13 juli van datzelfde jaar.

Ik zie mejuffrouw van Leeuwen verbijsterd naar de kaart kijken, met daarop haar eigen huis, hun eigen schuit en ‘Kijk, pap, jullie staan erop!’ Een van de drie kerels grijnst. Hij stuurde de kaart naar zijn zus.

07 januari 2021

Bang

Vannacht zorgde de combinatie van lichamelijk ongemak en de bestorming van het Capitool ervoor dat ik veel wakker lag. Nu hoort dat gedoe in Amerika bij gisteren, alleen denk ik niet dat het voorbij is en dat maakt me onrustig en ongerust. In de VS is iets aan de hand waarvan geen Trump de aanstichter is en waarvan complottheorieën niet de verklaring of een deel van de verklaring zijn, maar symptoom. Er woelt een groot onbehagen door de mensen dat zich weliswaar vertaalt in merkwaardige opvattingen en raar gedrag maar dat je niet wegkrijgt door je daarop te richten en mensen te arresteren, af te zetten, met censuur te gaan bewerken.

In Nederland gunnen we het misschien een Baudet om als prins Carnaval een beetje de rol van een Trump – muis speelt olifant – te laten vervullen, maar ook hij is niet meer dan een symptoom van hetzelfde euvel dat in Amerika aan het licht komt. Ook hier woelt onbehagen dat alles en iedereen aangrijpt om zich te manifesteren. Het heet Lange Frans, of viroloog die een andere viroloog verkettert, feit dat opstaat tegen feit, of een buurman die zich opwindt omdat die De Jonge het vaccineren zo vertraagt en Nederland te schande maakt. Mensen zijn boos en winden zich op, niet omdat iemand iets verkeerd doet, nee, ze lijken dolblij met een blunder of een ongepaste uitspraak om boos te kunnen zijn en zich op te winden. Ik ben bang, niet voor de buurman, niet voor Baudet, niet voor Trump, ik ben bang voor wat er in mensen kan varen. ‘Wij zijn legio,’ zeiden de demonen in het Bijbelverhaal die huisden in een mens die zelf die demon niet was. Voor die demonen ben ik wel bang.

Het is ochtend en Lucas pakt een blaadje. Hij gaat een huis maken. ‘Tekenen?’ vraag ik. ‘Nee, bouwen,’ zegt hij en hij zet een ander blaadje haaks op het vel dat voor hem ligt. Het valt. Hij zet het weer overeind en legt nu aan de ene kant een lijmstift en aan de andere kant een stukje klei. ‘Nu blijft het wél staan.’ Aan zijn gezicht zie ik dat hij er niet tevreden mee is. Hij kijkt me aan. Ik pak het opstaande blaadje, vouw de randen, knip wat inhammetje en terwijl ik het op de ondergrond plak, knipt hij in de randen van een ander vel. ‘Wil je die ook doen?’ vraagt hij. We bouwen het huis. ‘Het is voor oma.’ Hij schiet de trap op en als hij even later terugkomt, vertelt hij dat hij Mente heeft gezegd dat ze nog even boven moet blijven tot hij klaar is. Ze vindt het prachtig.

Een uur later vraagt Lucas haar wat ze het mooiste vindt dat ze heeft. ‘Op het ogenblik vind ik het huisje dat jullie gemaakt hebben het allermooiste,’ zegt ze. Ik zie hoe zijn mondhoeken zijn oren veroveren.

Lucas is al weer weg, maar het huisje staat op tafel. Als we gaan eten zet Mente het op een ander tafeltje, heel voorzichtig.

Stel je voor dat er nu ineens een kudde olifanten de straat in dendert, of een boze buurman naar binnen stormt, omdat, omdat het virus van het onbehagen heeft toegeslagen.

Ik zag op tv hoe iemand een ruit insloeg met een schild.

06 januari 2021

Kerstboomverbranding

Toen de kinderen klein waren, eindigde een boom nog op de brandstapel. Daar ging een bomenjacht aan vooraf, het bomen rauzen. Dat was ook al zo aan het begin van de jaren zestig. Ik heb me als negen- of tienjarige eens het apenzuur gesjouwd aan een lange sliert met touw aan elkaar geknoopte bomen. Die sleepte ik van ons huis naar de Molenwei en dat zal toch iets meer zijn geweest dan een kilometer. Daar werden van alle kanten bomen verzameld. Het schijnt dat zoiets vanuit het dorp in optocht gebeurde, waarbij zelfs een van de twee plaatselijke fanfares de uittocht van de bomen begeleidde. Daar heb ik niets van meegekregen, want ik woonde buiten het dorp en de weg naar de plaats van verbranding was een buitenweg. Ik kan me geen andere bomensjouwers herinneren, ja, toen ik eenmaal bij de molen was, maar toen was het leed al geleden.
Per boom kreeg je een bonnetje en dat bonnetje werd een lootje. Hoofdprijs was een waardebon van tien gulden voor vlees bij slager Oosterveer. Een verschrikkelijke prijs. Ik ervoer het als een opluchting toen bij die prijs niet een van de nummers werd genoemd die ik in mijn hand had, alsof juist níet winnen de hoofdprijs was. Maar voor de tweede prijs had ik het winnende nummer in handen. Dat was een zaklamp! Nu had ik al een zaklamp, maar een padvinder als ik was, kon je natuurlijk best blij maken met een tweede. Er sloeg een golf van vreugde door me heen die sterker was dan de droefenis om de teloorgang van al de bomen die daar lagen te branden.

Nu valt het niet mee om als jongetje met een lootje door een menigte te dringen om bij iemand terecht te komen die je zou kunnen vertellen hoe je dat stukje papier kon omzetten in een heuse zaklamp. Weer was het lot me welgezind, want ik kende de man die lotnummers via een microfoon over de Molenwei en boven het geknetter van die betreurenswaardige bomen uit scandeerde. Dat was meneer Flinterman. En hij was toevallig ook de meester van de zondagsschool en dat niet alleen: meneer Flinterman wilde bij uitvoeringen van de zondagsschool, bij de zojuist voorbije kerstviering, maar ook bij middagjes voor ouden van dagen dat ik iets las, of een gedicht opzegde. Jawel, meneer Flinterman had het goed met me voor.

Toen ook de nummers voor een patatje bij snackbar Jansen bekend waren, kon ik meneer Flinterman aan zijn mouw trekken en alsof niet ik maar hijzelf die gave zaklamp had gewonnen, liep hij meteen met me mee, naar de elektrozaak van Koenders, een kleine winkel niet ver van de Molenwei. Die was gesloten op woensdagmiddag. En dat riep Koenders ook vanachter het raam toen Flinterman daarop had getikt. Daar had Flinterman niks mee te maken. ‘Die jongen heeft een zaklamp gewonnen!’ riep hij. En Koenders kon hoog of laag springen, Flinterman zag er op toe dat ik mijn zaklamp kreeg.
Het was een oranje lamp, veel fraaier, vrolijker, moderner dan dat platte ding thuis. Ik heb er nog jaren plezier van gehad.

In 2015 was ik onder anderen mentor van Jeroen Flinterman. Dat bleek de achterkleinzoon te zijn van meneer Flinterman uit Monster. Natuurlijk had hij zijn overgrootvader nooit gekend, net als zijn vader trouwens.
Dat klopt: meneer Flinterman overleed al in 1963. Ik was bij zijn begrafenis. Met de zondagsschool zongen we toen ‘Scheepke onder Jezus’ hoede’. Dat vond hij zo mooi. Ik niet, maar voor meneer Flinterman zong ik het met liefde. De zaklamp heeft hem ruim overleefd.

05 januari 2021

Vier dagen al

De test wees coronaloosheid uit. Er is sowieso veel loosheid deze eerste dagen van 2021, want de uitslag mag dan geruststellend zijn, zo’n resultaat betekent niet dat je je plotsklaps kiplekker voelt.Blijkbaar heerst er naast een gekroonde ook een ongekroonde griep.

Dat neemt niet weg dat de overstap van links naar rechts parkeren hier in de straat dit jaar vlekkeloos is verlopen. Ze is zelfs vrijwel volledig aan me voorbij gegaan. Buiten gebeurt het, ja, maar dan moet je wel door het raam kijken. Hier in de straat parkeert men in oneven jaren de auto’s links van de straat, en in even jaren rechts. Nu is links of rechts betrekkelijk. Uitgaande van de nummering zou ik ze moeten omwisselen, maar neem je als criterium de rijrichting van deze straat, in termen van de scheepvaart dus bak- en stuurboord, dan klopt het weer wel. Zo zit dat.

Je kunt met deze verhuizing pas een begin maken als er voldoende ruimte overblijft om, zij het zigzaggend, door de straat te rijden. Een overbuurvrouw van wie ik de naam niet weet, was de eerste, en een paar uur daarna, nadat Ellen van een paar huizen verderop (haar naam ken ik wel) even weg ging met de auto, kon ik de mijne strak voor die van de naamloze overbuurvrouw zetten. Feitelijk heb ik het niet over de hele straat maar alleen over het deel tussen de kruispunten waar wij wonen, en dat is een kwart gedeelte van de hele straat. Maar met dit deel is mijn wereld momenteel al groot genoeg.
Aan het eind van de straat stond ook al een auto rechts geparkeerd, zag ik. Daarna heb ik de ontwikkelingen niet meer bijgehouden. Dat wil zeggen: toen ik aan mijn volgende straatschouw toekwam, en dat zal zondagochtend geweest zijn, zag ik dat alle auto’s rechts, dat wil zeggen aan de even kant van de straat, stonden.
Daar komt meer bij kijken dan je denkt. Alle bij de auto’s horende mensen hebben regelmatig naar buiten gekeken om te zien of ze al naar de andere kant konden, dat met inachtneming van ruimte voor passanten om te slalommen zolang er in deze relatief smalle straat aan beide zijden auto geparkeerd stonden. Plotseling realiseer ik me dat ik toch iets meekreeg van die overgang. Er hebben drie auto’s moeite gehad om tussen de brokkelige rijtjes links en rechts te komen, waaronder een bestelbus van een pakjesbezorger. Dat ging gelukkig goed.

Ik heb niet gezien dat iemand daadwerkelijk zijn auto van links naar rechts bracht. Sterker: ik zie vrijwel niemand in de straat. Er zijn geen handen geschud met nieuwjaar, geen kussen uitgedeeld met buren links en rechts en van de overkant. Eerlijk gezegd is 2021 maar koud, kil, eenzaam en afstandelijk begonnen.
En nu ook nog dat gezeur over het niet op tijd zijn van vaccinaties. Wanneer kunnen ze in Kameroen beginnen? In april vorig jaar ging even het gerucht dat men Afrika als proeftuin voor nieuw ontwikkelde coronavaccins zou gebruiken. Dat gaf verontwaardiging. Terecht. Nu zal Afrika wel hekkensluiter worden. Maar in Nederland maken we wereldnieuws van een paar dagen vroeger of later. ‘Some are more equal than others.’

Dit heeft niets met links en rechts parkeren te maken, nee, toch is het wel bijzonder om je te realiseren dat je nu een heel jaar lang bij het inparkeren anderen bewegingen zult maken dan in het voorgaande jaar. Ook vraag ik me af waarom de auto’s in óneven jaren aan de kant met de éven huisnummers komen te staan, en omgekeerd. Daar zou iets aan gedaan moeten worden!

02 januari 2021

Voornemen

Van 2021 wordt om me heen alleen maar gezegd dat het niet op 2020 moet lijken. En die wens durven we amper de vader van een gedachte te laten worden. Er is meer hang naar afscheid dan gretig verlangen naar een hartstochtelijke toekomst.
Nu ben ik al heel lang geleden gestopt met roken, en drinken doe ik nauwelijks. Als ik wat te weinig beweeg, is dat steeds een tijdelijke aangelegenheid, dus om er een voornemen van te maken om in ’21 meer te bewegen, is te klein. Het is tijd voor een verrassend voornemen.
Met het oog op de toekomst heb ik intussen gisteren een huisje gereserveerd voor in april. Dat geeft een goed gevoel. Wie weet pikken we er nog een weekje in februari bij. Nu is dat is wel mooi toekomstgericht, maar de toon voor het komende jaar zal het allemaal niet zetten.

Wel heb ik wel wat voornemens voor anderen, voor het koningshuis bijvoorbeeld, en voor de regering. Nu is het nogal makkelijk om te zeggen dat we ruimhartiger moeten zijn met het toelaten van vluchtelingen, al was het maar om de taal de kans te geven zich op natuurlijke wijze verder te ontwikkelen.
Ik zeg dit omdat ik een boekje lees over de geschiedenis van de Nederlandse taal. Dat is een taal die, natuurlijk net als de huidige bewoners van Nederland, hun wortels ergens in Zuid-Rusland hebben. Voor hún komst stamden de meeste Lage Landers overigens af van mensen uit het Midden-Oosten. Ik houd met deze opmerkingen geen pleidooi voor omvolking, wel voor een samenleving waarin voldoende geventileerd wordt.

Nogmaals: dit is allemaal makkelijke, gratuite praat. Welke daad stel ik zelf? Kom met een kloek voornemen, jongeman!
Ik heb daar lang over nagedacht en ik ben eruit. 2021 mag wat mij betreft in het teken staan van Multatuli.
In een stalletje in de Markthof (heette het zo?) in Den Haag kocht ik geen honderd, maar wel op de kop af vijftig jaar geleden, zijn verzameld werk. Ik heb het over een oude editie daarvan, de Garmondeditie, in tien delen uitgegeven tussen 1900 en 1906. De set had ernstige waterschade geleden en daarom hoefde ik er nog geen tien gulden voor te betalen. Die gemankeerde deeltjes verklaren waarom ik er nooit toe kwam om te investeren in de editie waarmee vijftig jaar later Garmt Stuiveling begon en die uiteindelijk 25 delen zou bevatten, momenteel aangeboden op Boekwinkeltjes voor €125, ook geen geld.
Ik houd het bij de oude editie. Die staat niet voor niks al sinds mensenheugenis in mijn kast.
Dat is niet helemaal waar. Een jaar of tien geleden heb ik mijn aangetaste serie in een papiercontainer geknikkerd. Iemand had me namelijk uitgenodigd om bij het opruimen van de nalatenschap van haar ouders nog eens hun boekenkasten langs te lopen voordat een opkoper de resten zou meenemen. Op een plank stonden de mij vertrouwde Garmonddeeltjes, maar nu in een uitstekende staat, met die omslagen van een onweerstaanbaar blauw. In de delen plakte de vorige bezitter een kloek ex libris: M. de Bie. Ik heb hem nooit persoonlijk gekend, want hij is nogal jong overleden. Dierbaren van hem heb ik naderhand leren kennen. Zo is het gegaan.

Ik denk aan een maat van 2 – 1 – 2 – enz., waarbij de 2 voor ander werk staat en de 1 voor een deeltje Multatuli.
De Max Havelaar sla ik over, die kennen we wel.
Maar goed, eerst, twee andere boeken. Ik neem me voor om maandelijks iets te doen met Multatuli, al was het maar wat cirkelen om een citaat.

01 januari 2021

Van 20 naar 21

Vanwege een quarantainegeval ging de geplande oudjaarsvisite niet door. Uiteraard hebben we de vriendschap opgezegd. We zouden nog kunnen proberen anderen te laten invliegen, maar een avondje samen met Mente is geen straf, om er eens even een litotes tegenaan te gooien. We keken nog wel even tv, maar niet naar Youp en ook niet naar de Top 2000. Ik kan daarvoor natuurlijk prachtige argumenten voor op tafel gooien, maar het komt erop neer dat ik iets om een of andere reden minder aantrekkelijk vind als iedereen zich eraan verslingert. Hoezo arrogant?
Zelfs met oliebollen heb ik dat wel een beetje, maar dit culturele erfgoed laat ik me toch maar welgevallen, al was het maar om derden te kunnen sponsoren. De afgelopen jaren was dat steeds de scoutinggroep waaraan onze oudste zijn hart ooit verpande, deze keer - dat kan ook niet anders - ondersteunden we het restaurant van de middelste.
Het waren lekkere oliebollen; waren, zeg ik: ze zijn allemaal op. Wij kregen ze mee in zakjes waarop ‘met’ stond, wat betekende dat bij de bereiding bier was gebruikt. De jongste - met haar en haar grut waren we naar de oliebollenuitdeling gefietst - had porties besteld zonder bier, zag ik.

Wat me tegenviel was dat in het restaurant de Top 2000 aan stond. Ik merkte het omdat ik een overbekend nummer hoorde dat ik zelf nooit zal draaien. Ik keek de middelste vragend aan. Hij verontschuldigde zich: er waren nu eenmaal mensen aan het bakken die de Top 2000 wél leuk vonden. Ach, ik begrijp dat wel. Het waren jonge oliebollenbakkers. Ik heb er zelf ook ooit naar geluisterd naar die Top 2000. Inzicht moet groeien. Tot zover 2020.

2021. Toen ik gewassen en wel het nieuwe jaar tegemoet trad, hoorde ik Mente op zolder.
‘Ga maar beneden kijken,’ zei ze toen ik vroeg wat ze aan het doen was. Het mag een weinig voor de hand liggend antwoord lijken, ik ben voldoende ingevoerd om niet al te snel conclusies te trekken.
En inderdaad: beneden had het nieuwe jaar toegeslagen. Er waren kastjes, tafeltjes en stoeltjes verschoven, verdwenen en andere waren verschenen.
Eerst had ik gauw naar de kerstboom gekeken en naar de linten met kerstkaarten, want het idee dat die al zouden zijn weggehaald… De schrik sloeg me even om het hart. Ten onrechte. Boom en kaarten sierden nog steeds de kamer. Die strijd wordt nog even uitgesteld. Ik houd erg van boom en kaarten.

Later fietste ik de allervastste route - mijn rijwielcreativiteit schiet er inderdaad een beetje bij in - en constateerde dat er vandaag zo mogelijk nog meer wandelaars waren dan afgelopen zondag. Ik hield van al die mensen en graag zou ik zijn afgestapt om ze tenminste een hand te geven en ze te voorzien van de beste wensen voor het nieuwe jaar. Maar ja, Covid-19. Bovendien waren het er teveel, er was geen beginnen aan. Ik had kunnen volstaan met een paar joviaal toegeslingerde wensen, maar daarmee doe je gauw iemand tekort, en stel je eens voor dat er iets wordt teruggezegd en je verstaat het niet. Dan moet je afremmen, omkeren, en ‘wat zeg je?’ zeggen. Dat zou allemaal ongewenst oponthoud geven.

Thuis kwam de gerantsoeneerde hoeveelheid bezoek langs, pars pro toto voor de gehele mensheid, die ik ondanks mijn terughoudendheid op de fiets, een goed 2021 toewens. En sommigen een schop onder hun kont. Jawel, in enkele gevallen is dat beter. Maar dat zijn uitzonderingen natuurlijk.