Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

Och heden

16 januari 2021

Met een zucht

De opmerking ontsnapte mijn schoonvader op de dag dat ook zijn andere dochter trouwde: ‘Hèhè, ‘alletwee die meiden getrouwd.’ In één adem voegde hij daar aan toe: ‘En zonder moetje.’
Hij had de pech dat hij dat juist op het moment zei dat er een stilte viel in het gezelschap. Het was tijdens de lunch, dus waarschijnlijk nam net iedereen een lepel soep of een hap brood. Hoe dan ook, zijn half gefluisterde opmerking, alleen bestemd voor zijn broer en schoonzus die naast hem zate,n bereikte ook heel veel andere oren. Maar opgelucht bleef hij, daar deed het gelach dat volgde op zijn opmerking niets aan af.

Van opluchting kon bij mij geen sprake van zijn toen er vandaag van twee kanten een jawoord klonk. Een moetje was er evenmin, wel waren er twee uit vrije wil in een prematrinoniaal tijdperk tot leven geroepen knulletjes. Andere tijden.
In plaats van met een gerust hart mijn dochter de deur uit te doen, zoals mijn schoonvader, en daarna hèhè te zeggen, zitten Mente en ik nu in het huis van de jongste en de man die we al jaren kennen maar nu plotseling schoonzoon heet, om ons daar bezig te houden met die jongens van ze.
Na een kort gevecht met misschien wel de enige sneeuw van deze winter eten wij patat, daarna taart, en na een filmpje en een verhaaltje gaan ze naar hun bed naar bed, zodat ook wij niet lang daarna uitgeput in een vreemd bed terecht kunnen. Vanuit hotel Karel V bereikt ons bericht dat de jonggehuwden zich daar uitstekend vermaken.
Hier treffen we na tandenborstel en washand een jongetje aan dat stilletjes van zijn eigen bed naar onze tijdelijke slaapplaats is geslopen. Middenin de nacht ploft hij opnieuw tussen ons in.
Hèhè, zeg ik mijn schoonvader na. Het klinkt heel anders en er is niemand die het hoort.

15 januari 2021

Onderstaande Och Heden bleef een jaar en drie maanden in portefeuille. Zaken veranderen.


Ligstoel met uitzicht

Geluk is waar je niets bent. Ik houd het mezelf graag voor en in dat opzicht kom ik in Nieuw-Zeeland nog meer aan mijn trekken dan in Utrecht. Of dat echt waar is? Er valt het nodige op af te dingen. In relationele sfeer ben ik vooral een kampeerder die na twee dagen al begint te zingen van zijn onafhankelijkheid om een week later vrolijk met de vuile was terug te keren in een centraal verwarmd huis en een goed bed.
Sinds eergisteren wordt er weer veelvuldig opa en pappa tegen me gezegd, om de doodeenvoudige reden dat ik dat ben. Het komt mij zomaar toe.
We zitten een paar dagen op een klein eilandje aan de rand van de Tasmanbaai. Langs het water staan twee ligstoelen die bij vloed met hun poten in het water komen te staan. Tot in de verte wisselen turquoise en zilver elkaar af, daarachter zie ik allerlei bruingroenen van heuvelrijen.
Toen Mente, onze jongste en haar kinderen gisteren dit uitzicht weer verruilden voor de veranda honderd meter verder, bleven Robert en ik achter op die twee stoelen aan het water. Waarover spraken zij, die twee, daar op die twee ligstoelen zo half in het water? Luister!

Het komt Robert wel uit dat we even alleen zijn, want hij heeft een belangrijke vraag. Zegt hij.
Om geld kan het niet gaan, bedenk ik. Daarvoor hoef je bij mij niet aan te kloppen. Misschien wil hij dat ik een brief voor hem schrijf, want zoiets vragen ze me af en toe. Dat is het ook niet.
Dan begint Robert te vertellen dat hij mijn dochter al zo- en zoveel jaren kent; hij combineert dat vrij snel met zijn, lees: hún toekomstplannen, en na een minuut of tien komt hij met de vraag om de hand van de jongste.
Nu hebben die twee samen een huis, een gedeelde bankrekening, een kat en twee kinderen, dus over die hand kan ik niet moeilijk doen, begrijp ik.
De vraag doet me plezier. Het huwelijk is in essentie een onpraktische instelling, zij hebben samen bovendien al zoveel praktische stappen gezet, dat ze makkelijk zonder een vereniging in de echt verder kunnen. Dat hadden ze dan beter eerder kunnen doen. Nu dient een huwelijk geen doel meer, dat wil zeggen geen enkel doel meer dan de rituele bezegeling van de relatie. En dat is wat mij betreft wel het punt waarop een huwelijk de moeite waard gaat worden.
De vraag van Robert doet me ook plezier omdat ik er helemaal niet toe doe. Die twee maakten allang geleden een keuze waar hun ouders volledig buiten stonden. En dan, wat is het voor onzin dat een volwassen vent aan een man gaat vragen om de hand van diens dochter? Ik kan ja of nee zeggen. Nee, zou niet goed zijn voor de verhoudingen, maar gevolgen voor de relatie van de jongste en de man naast me op de ligstoel zullen er niet van afhankelijk zijn. Waarom gaat mijn jongste trouwens niet naar Roberts moeder toe? Met dezelfde vraag, maar dan met geslachtsverandering.

Robert is tevreden met mijn ja en als ik even later in dat verband ook nog zeg dat hij mijn zegen heeft, dankt hij me hartelijk. Het woord zegen is belangrijk voor hem. En dat doet mij weer extra veel genoegen. Ik moet er even door aan Jakob denken die aan zijn oom Laban om de hand vraagt van diens dochter en daarvoor ook de zegen krijgt. Laban laat Jakob zeven jaar voor hem werken, dan mag hij de dochter trouwen. Ik kan niet zo gauw iets bedenken om Robert voor mijn karretje te spannen. Laban maakte het nog bonter door aan de deal een tweede dochter te koppelen voor nog eens zeven jaar. Afgezien van het feit dat ik geen tweede dochter heb, ligt dat tegenwoordig wat minder voor de hand.

Hoe dan ook: op de ligstoel zit een man van niets. Hij geeft toestemming voor iets waarover hij niets te zeggen heeft en gedraagt zich intussen als een vertegenwoordiger van een verdwenen patriarchale wereld door niet te zeggen dat de jongste bij Roberts moeder moet zijn en niet bij hem. Ook zou hij niet weten hoe hij de jonge man naast zich een poot zou hebben kunnen uitdraaien. Ach kom, dat zou hij niet willen.

Vandaag hebben Mente en ik op de jongens gepast en is Robert met zijn geliefde op stap geweest. Ze kwam terug met een ring om haar vinger.
In de koelkast zag ik zojuist een fles champagne liggen.

(Tot zover deze Och Heden uit oktober 2019. Wordt vervolgd.)

14 januari 2021

Open plek

De boom is terug naar de kweker; alleen de kerstkaarten laten nog zien dat aan deze sombere januarimaand een hartverwarmend december vooraf is gegaan. We komen dit jaar op 83 kerstgroeten van papier. Dat is meer dan vorige keer, waaruit wel weer blijkt hoe groot de behoefte aan contact en nabijheid is, al is het maar in de vorm van een kaartje. Misschien moet de overheid aan ‘januarizegels’ gaan denken. Die behoefte aan tekenen van leven zal er de eerste twee weken van januari niet minder op zijn geworden.

Natuurlijk neemt dit allemaal niet weg dat ook de linten met kaarten binnenkort zullen verdwijnen. De tekenen bedriegen in elk geval niet.
Gisteren merkte ik dat er een kaart gevallen was. Hij lag op de grond. Zoveel was duidelijk: voor de kerstpost was de herfst aangebroken. Wat ik bij boombladeren niet doe, maar met deze kaart wel, ik hing hem terug, me erover verbazend dat kerstwensen niet alleen seizoensgebonden maar ook seizoensgevoelig waren. Zou dat heus waar wezen?
Vanmorgen werd die vraag met ja beantwoord. Er was weer een kaart verdwenen, van hetzelfde lint als gisteren. De open plek was evident. Maar waar ik ook keek, nergens zag ik een kaart. Alsof de wind hem had meegenomen… Een al te grondige zoektocht stelde ik uit. De kaart was misschien achter de boeken in de boekenkast terechtgekomen. Daar zou ik dan later nog wel eens kijken. Verder dacht ik er niet aan, er zijn ook andere dingen.
Een halve dag later was die lege plek er nog. Dat van die boekenkast geloofde ik zelf niet, dat van de wind evenmin, wat het verdwijnen van die tweede kaart alleen maar merkwaardiger maakte.

Ik hield het nog even voor mezelf, maar ten slotte vertelde ik Mente wat voor vreemds zich had voorgedaan in de ons zo vertrouwde huiskamer.
‘Dat is de kaart van Annette,’ zei Mente.
En zo was het ook. Mente had die weggehaald, een lijstje gezocht en daarin de tekening gestoken. Mij vroeg ze vervolgens of ik die bij de andere kaarten wilde hangen, als eenentwintigste. Mevrouw Annette Fienieg heeft twee galerijen bij ons in huis, in de woonkeuken en op zolder. ‘Ik zal het zo doen,’ beloofde ik Mente. Gisteren dus.

Het verbaasde me niet dat ik geen verband had gelegd tussen de kaart die niet meer aan het lintje hing en het gevulde lijstje dat op de hoek van de tafel op me lag te wachten. Het is een van mijn talenten om samenhang over het hoofd te zien.
Wat ik na die mededeling wel onmiddellijk zag: de kaart die ik gisteren teruggehangen had, was terechtgekomen op de plek waar kort daarvoor nog die van Annette en Koos hing. Dat verklaarde ook waarom die andere kaart gevallen was.

Dat vond ik weer jammer. Ik zou het wel leuk vinden wanneer de linten in de kamer in januari langzaam zouden ontkaarten omdat de natuur erom vraagt. En dat ik dan de gevallen kaarten op zou rapen om in een doosje te stoppen. Een soort walnoten rapen zou het zijn, maar dan binnenshuis. Zo is het dus niet. Je moet het allemaal zelf doen.

Dat geldt ook voor de ingelijste kaart die op zolder komt te hangen. Dat brengt me weer bij de jaarlijkse vraag of ik een spijkertje in de pleisterlaag tik - dat gaat snel, als de pleister niet wegbrokkelt - of dat ik toch maar gaatje boor voor plug en schroefje. Ik zal er eens over gaan nadenken.

12 januari 2021

Mijn persconferentie

Ik heb nog een half uur en dan begint de persconferentie. Liever zou ik hem zelf geven, niet om te vertellen wat men besloten heeft, maar om te zeggen wat ik in mijn wijsheid heb besloten. Overigens wil ik ook wel uitsluitend als doorgeefluik fungeren, maar dan alleen wanneer de maatregelen me aanstaan. Sterker nog, dan laat ik ook de woordvoering graag over aan de heren Rutte en De Jonge. Daar heb je weer die bescheidenheid van mij die me zo charmant maakt.

Terzake. Stel je toch eens voor dat premier en minister zometeen vertellen dat de maatregelen van nu ook de komende drie weken van kracht blijven en dat we met dezelfde inzet doorgaan om het virus te pareren om vervolgens aan te geven dat we daarom ook onze aandacht kunnen gaan verleggen, namelijk naar de vluchtelingenkwestie.
De mensen die druk doende zijn in verband met het coronavirus moeten daar vooral mee door blijven gaan. Dat lijkt me nogal logisch. Maar als het om het vluchtelingenprobleem gaat, dan zijn er nog genoeg mensen over om daar eens hun tanden in te gaan zetten. Bijvoorbeeld politici. Bemoeienis met Moria is relevanter dan het eindeloze gehakketak over het vaccin dat er twee dagen eerder of later komt.

En als, maar daar hebben de landsdienaar en zijn baas minder over te zeggen, ook kranten en andere media eens wat minder met corona of met dat gedoe in Amerika bezig zouden zijn, door zich te beperken tot nieuwe ontwikkelingen op dat front, om ons in plaats daarvan de ogen te openen voor wat de vluchtelingenpandemie inhoudt, je weet wel, die ziekte met als belangrijkste symptomen honger, geweld, verdrijving en vlucht, en dat gekoppeld aan eigenbelang, lauwheid, laksheid onvermogen tot empathie van anderen - allemaal te plaatsen onder de noemer ‘ontoelaatbare onmenselijkheid’ - dan gebeurt er misschien eindelijk eens iets.

Ik denk ook dat het goed is voor de eigen gezondheid als we niet voortdurend bezig zijn met datgene waar al van alles aan wordt gedaan en dat ons desondanks blijft belemmeren. We staren ons blind op die ene vlek van eigen onbehagen. We zitten er met onze neus bovenop en daar groeit die vlek alleen maar van. We zouden er nog moedeloos van worden.

Van nadenken over menselijkheid en medemenselijkheid - dat zouden wel eens synoniemen kunnen zijn - worden we misschien weer een beetje meer mens dan gebeten hond.

Dus ik stel voor: op pagina 1 van de krant, en als hoofdartikel van de bijlage: vluchtelingen. Op bladzij 3 iets over Covid-19 en op 6 iets over Amerika.
Kijk, als er echt coronanieuws is, dan mag dat natuurlijk wél op de eerste bladzij. En misschien geldt dat ook wel voor nieuws uit Amerika. Daar ben ik nog niet helemaal uit.

Duidelijk? Duidelijk.
Dan laten we het hierbij voor vandaag.

10 januari 2021

Pas op dat je niet uitglijdt!

De vorst voerde Aat en mij gistermorgen door berijpt land. Dat was aangenaam voor de ogen, maar prettig ook voor de voeten. Niet alleen de paadjes langs de Kromme Rijn, ook de sporen die hier en daar dwars door een weiland waren getrokken, moeten de dag ervoor nog een modderboel geweest zijn die ongetwijfeld aan je schoenen zoog en tegelijkertijd van die gelegenheid gebruik maakte om dat schoeisel eens lekker onbeschaamd te bezoedelen. Nu gaf bevroren modder stevigheid en mijn schoenen bleven schoon.

Langzaam maar zeker verdween de rijp, maar de grond bleef hard en de wandeling bleef, weliswaar iets minder betoverend, erg aangenaam. Werd plotsklaps het stoere jongetje in me wakker of kwam het toevallig zo uit? Ging ik er misschien vanuit dat ik met mijn schoen dwars door het dunne laagje ijs zou trappen van wat je amper een plasje kunt noemen? Ik weet het niet, maar ik zette een voet vol op flinterdun gewaand ijs. Mijn schoen gleed weg en bijna kukelde ik achterover. Bijna. Maar de schrik van het moment was er. Dat is een schrik die je blijkbaar in staat stelt om wat bewegingen te maken, vraag me niet welke, die ervoor zorgen dat je je evenwicht bewaart, waarna je kunt doorlopen en kunt doen alsof er niets gebeurd is. Er was ook niets gebeurd. Maar tegelijkertijd met die opvlammende schrik en die reflexen van mijn lijf ontplofte er, heel klein, vreugdevuurwerk in mijn hoofd, omdat ik bezig was om uit te glijden op ijs. Die vreugde had niet zozeer met het glijden te maken, maar vooral met dat ijs. Als ik bijna was uitgegleden over een hondendrol dan zou er van binnen geen minivuurwerkje zijn ontstoken. Trouwens, als het een drol geweest was, dan zou ik er natuurlijk niet bewust mijn voet op hebben gezet, zoals ik wel deed bij dat bevroren plasje.
Het hield me daarna nog even bezig, dat vonkje vreugde. Dat had natuurlijk te maken met het feit dat het gevroren had. Dat vriezen uit die goeie ouwe tijd, waarin je nog zo gezellig onderuit kon gaan. Dat het toch nog even naar winter rook. Zoiets.

Vanmorgen maakte mijn eerste stap buiten de deur al duidelijk dat ik moest oppassen. Het ging nu niet meer om een klein plasje. Tweehonderd meter verderop lag een vrouw op straat. Er waren al twee mensen bij, en een hond, die het wel gezellig vond, die vrouw op straat.
Van de andere kant kwam Piet aangelopen. Hij was net als ik op weg naar de kerk. Er kwam een vrouw het huis uit gerend. Ze was op weg naar de vrouw midden op straat, dat was duidelijk.
‘Neem een plaid mee.’ Dat vond ze een goed idee. Ze draaide zich zo abrupt om dat ze bijna uitgleed. Bijna. ‘Doe nou rustig aan, waarschuwde ik, ‘één plaid is wel genoeg.’
‘Deze man is ook gevallen,’ zei Piet even later. ‘Het was een zij, een vrouw, daar op straat,’ verbeterde ik hem. Hij bleek het over zichzelf te hebben, want voordat hij naast zijn fiets was gaan lopen, was hij twee keer gevallen. ‘Of eigenlijk drie, want die tweede keer, ging ik bij het opstaan weer onderuit.’ Hij had een bebloede hand.

Bij het verlaten van de kerk liep ik Kees achterop. Hij schakelde net naar zijn stevige doorstapmodus dus ik wilde hem toeroepen dat… Toen gleed hij al weg. Ongeveer op de plek waar kort daarvoor de vrouw had gelegen. Ze was al weg, net als de hond die het allemaal zo gezellig vond. Nergens zag ik een plaid.

08 januari 2021

Groeten uit Monster

Vanmorgen bracht de post een bijzondere envelop. Allereerst was er het joueuze handschrift dat mijn naam en adres op de voorkant van de bruine envelop had geschreven. De achterkant vermeldde een postbusnummer en plaatsnaam, maar er zat vast geen zakelijke afzender achter. Vanwege dat handschrift en omdat de envelop met extra plakband was dichtgeplakt, zo consciëntieus dat ik met een briefopener nergens het begin van een opening kon vinden of maken. Het ging blijkbaar om iets kostbaars dat ik in geen geval mocht beschadigen. Deze ongenaakbare envelop met zijn stille geheim was goed voor mijn humeur.

Ik dacht aan mijn kunstzinnige vriend uit Den Haag, want daar kwam dit poststukje vandaan en het was afgestempeld in Rotterdam. Ik dacht aan een Rotterdamse kunstenaar van wie ik hier ook iets heb hangen. Die werkt ook regelmatig in Den Haag, weet ik. Zo betrapte ik me erop dat ik meende te maken te hebben met een kleine tekening of ets. Zaken waar ik bijzonder gevoelig voor ben. Voor olieverfschilderijen trouwens ook, maar daaraan hoefde ik niet te denken.

Alhoewel, onze Groningse vriendin, met ook al Haagse wortels, schetst met acrylverf op papier. Zou zij het zijn? Maar nee, haar schrift is hoekiger, voller ook. Intussen prikte ik met een klein scherp mes door een hoekje van de envelop en kon het grote opensnijden beginnen.

In de envelop zat een tweede die ik niet uit de eerste geschoven kreeg. Dat was dom. Het was niet een tweede envelop, maar nog dezelfde als die ik zojuist had geopend. Die was dubbelgevouwen en de randen waren als gezegd heel keurig afgeplakt. Van binnenuit biedt plakband nauwelijks weerstand en zo veranderde het formaat van de envelop van a6 in a5. Ik trof een stukje ribkarton aan van 10 bij 15 én een plat pakketje, zorgvuldig gewikkeld in vloeipapier. Een etsje, het moest de afdruk van een etsje zijn. Ik zag ook een visitekaartje. Ik las Gert. Aha! Gert! Vriend van Nieuw-Zeelandse Piet. En die woont tegenwoordig in Den Haag. We hebben sporadisch contact.

Het vloeipapier was vijf keer omgeslagen. Toen dat ongedaan gemaakt was, trof ik twee mapjes aan, met in elk daarvan een kaart uit Monster. Eentje uit 1901 en eentje uit 1918. Het werd me op slag duidelijk: dit was een heel andere Gert, en waarschijnlijk was het zelfs zijn Rachelle - haar naam stond ook op het kaartje - die het pakketje had verzorgd.

Ik had het kunnen bedenken, want ik had ze zelf besteld op Marktplaats. Was het alleen vergeten. Zoveel zorgvuldigheid had ik ook niet verwacht. Met het pakje ben ik de hele dag blij geweest.

Een van de kaarten toont de haven van Monster. Daar zijn tig kaarten van, maar deze spreekt me wel bijzonder aan, vanwege de verminkte toren -van de kerk ontbreekt trouwens het dak - en omdat er bij een van de schuiten een paar mannen staan, binnenschippers waarvan ik denk dat ze bij de familie Van Leeuwen hoorden.

De kaart is op 11 november 1901 op de post gedaan en waarschijnlijk nog diezelfde dag bezorgd bij, Mej. C.G van Leeuwen, Vaart, Monster. Oftewel: op de kaart staan drie Van Leeuwens en de kaart is dus naar een dochter des huizes gestuurd. Dat moet allemaal heel actueel geweest zijn toen, want de brand van de grote kerk was op 13 juli van datzelfde jaar.

Ik zie mejuffrouw van Leeuwen verbijsterd naar de kaart kijken, met daarop haar eigen huis, hun eigen schuit en ‘Kijk, pap, jullie staan erop!’ Een van de drie kerels grijnst. Hij stuurde de kaart naar zijn zus.

07 januari 2021

Bang

Vannacht zorgde de combinatie van lichamelijk ongemak en de bestorming van het Capitool ervoor dat ik veel wakker lag. Nu hoort dat gedoe in Amerika bij gisteren, alleen denk ik niet dat het voorbij is en dat maakt me onrustig en ongerust. In de VS is iets aan de hand waarvan geen Trump de aanstichter is en waarvan complottheorieën niet de verklaring of een deel van de verklaring zijn, maar symptoom. Er woelt een groot onbehagen door de mensen dat zich weliswaar vertaalt in merkwaardige opvattingen en raar gedrag maar dat je niet wegkrijgt door je daarop te richten en mensen te arresteren, af te zetten, met censuur te gaan bewerken.

In Nederland gunnen we het misschien een Baudet om als prins Carnaval een beetje de rol van een Trump – muis speelt olifant – te laten vervullen, maar ook hij is niet meer dan een symptoom van hetzelfde euvel dat in Amerika aan het licht komt. Ook hier woelt onbehagen dat alles en iedereen aangrijpt om zich te manifesteren. Het heet Lange Frans, of viroloog die een andere viroloog verkettert, feit dat opstaat tegen feit, of een buurman die zich opwindt omdat die De Jonge het vaccineren zo vertraagt en Nederland te schande maakt. Mensen zijn boos en winden zich op, niet omdat iemand iets verkeerd doet, nee, ze lijken dolblij met een blunder of een ongepaste uitspraak om boos te kunnen zijn en zich op te winden. Ik ben bang, niet voor de buurman, niet voor Baudet, niet voor Trump, ik ben bang voor wat er in mensen kan varen. ‘Wij zijn legio,’ zeiden de demonen in het Bijbelverhaal die huisden in een mens die zelf die demon niet was. Voor die demonen ben ik wel bang.

Het is ochtend en Lucas pakt een blaadje. Hij gaat een huis maken. ‘Tekenen?’ vraag ik. ‘Nee, bouwen,’ zegt hij en hij zet een ander blaadje haaks op het vel dat voor hem ligt. Het valt. Hij zet het weer overeind en legt nu aan de ene kant een lijmstift en aan de andere kant een stukje klei. ‘Nu blijft het wél staan.’ Aan zijn gezicht zie ik dat hij er niet tevreden mee is. Hij kijkt me aan. Ik pak het opstaande blaadje, vouw de randen, knip wat inhammetje en terwijl ik het op de ondergrond plak, knipt hij in de randen van een ander vel. ‘Wil je die ook doen?’ vraagt hij. We bouwen het huis. ‘Het is voor oma.’ Hij schiet de trap op en als hij even later terugkomt, vertelt hij dat hij Mente heeft gezegd dat ze nog even boven moet blijven tot hij klaar is. Ze vindt het prachtig.

Een uur later vraagt Lucas haar wat ze het mooiste vindt dat ze heeft. ‘Op het ogenblik vind ik het huisje dat jullie gemaakt hebben het allermooiste,’ zegt ze. Ik zie hoe zijn mondhoeken zijn oren veroveren.

Lucas is al weer weg, maar het huisje staat op tafel. Als we gaan eten zet Mente het op een ander tafeltje, heel voorzichtig.

Stel je voor dat er nu ineens een kudde olifanten de straat in dendert, of een boze buurman naar binnen stormt, omdat, omdat het virus van het onbehagen heeft toegeslagen.

Ik zag op tv hoe iemand een ruit insloeg met een schild.

06 januari 2021

Kerstboomverbranding

Toen de kinderen klein waren, eindigde een boom nog op de brandstapel. Daar ging een bomenjacht aan vooraf, het bomen rauzen. Dat was ook al zo aan het begin van de jaren zestig. Ik heb me als negen- of tienjarige eens het apenzuur gesjouwd aan een lange sliert met touw aan elkaar geknoopte bomen. Die sleepte ik van ons huis naar de Molenwei en dat zal toch iets meer zijn geweest dan een kilometer. Daar werden van alle kanten bomen verzameld. Het schijnt dat zoiets vanuit het dorp in optocht gebeurde, waarbij zelfs een van de twee plaatselijke fanfares de uittocht van de bomen begeleidde. Daar heb ik niets van meegekregen, want ik woonde buiten het dorp en de weg naar de plaats van verbranding was een buitenweg. Ik kan me geen andere bomensjouwers herinneren, ja, toen ik eenmaal bij de molen was, maar toen was het leed al geleden.
Per boom kreeg je een bonnetje en dat bonnetje werd een lootje. Hoofdprijs was een waardebon van tien gulden voor vlees bij slager Oosterveer. Een verschrikkelijke prijs. Ik ervoer het als een opluchting toen bij die prijs niet een van de nummers werd genoemd die ik in mijn hand had, alsof juist níet winnen de hoofdprijs was. Maar voor de tweede prijs had ik het winnende nummer in handen. Dat was een zaklamp! Nu had ik al een zaklamp, maar een padvinder als ik was, kon je natuurlijk best blij maken met een tweede. Er sloeg een golf van vreugde door me heen die sterker was dan de droefenis om de teloorgang van al de bomen die daar lagen te branden.

Nu valt het niet mee om als jongetje met een lootje door een menigte te dringen om bij iemand terecht te komen die je zou kunnen vertellen hoe je dat stukje papier kon omzetten in een heuse zaklamp. Weer was het lot me welgezind, want ik kende de man die lotnummers via een microfoon over de Molenwei en boven het geknetter van die betreurenswaardige bomen uit scandeerde. Dat was meneer Flinterman. En hij was toevallig ook de meester van de zondagsschool en dat niet alleen: meneer Flinterman wilde bij uitvoeringen van de zondagsschool, bij de zojuist voorbije kerstviering, maar ook bij middagjes voor ouden van dagen dat ik iets las, of een gedicht opzegde. Jawel, meneer Flinterman had het goed met me voor.

Toen ook de nummers voor een patatje bij snackbar Jansen bekend waren, kon ik meneer Flinterman aan zijn mouw trekken en alsof niet ik maar hijzelf die gave zaklamp had gewonnen, liep hij meteen met me mee, naar de elektrozaak van Koenders, een kleine winkel niet ver van de Molenwei. Die was gesloten op woensdagmiddag. En dat riep Koenders ook vanachter het raam toen Flinterman daarop had getikt. Daar had Flinterman niks mee te maken. ‘Die jongen heeft een zaklamp gewonnen!’ riep hij. En Koenders kon hoog of laag springen, Flinterman zag er op toe dat ik mijn zaklamp kreeg.
Het was een oranje lamp, veel fraaier, vrolijker, moderner dan dat platte ding thuis. Ik heb er nog jaren plezier van gehad.

In 2015 was ik onder anderen mentor van Jeroen Flinterman. Dat bleek de achterkleinzoon te zijn van meneer Flinterman uit Monster. Natuurlijk had hij zijn overgrootvader nooit gekend, net als zijn vader trouwens.
Dat klopt: meneer Flinterman overleed al in 1963. Ik was bij zijn begrafenis. Met de zondagsschool zongen we toen ‘Scheepke onder Jezus’ hoede’. Dat vond hij zo mooi. Ik niet, maar voor meneer Flinterman zong ik het met liefde. De zaklamp heeft hem ruim overleefd.

05 januari 2021

Vier dagen al

De test wees coronaloosheid uit. Er is sowieso veel loosheid deze eerste dagen van 2021, want de uitslag mag dan geruststellend zijn, zo’n resultaat betekent niet dat je je plotsklaps kiplekker voelt.Blijkbaar heerst er naast een gekroonde ook een ongekroonde griep.

Dat neemt niet weg dat de overstap van links naar rechts parkeren hier in de straat dit jaar vlekkeloos is verlopen. Ze is zelfs vrijwel volledig aan me voorbij gegaan. Buiten gebeurt het, ja, maar dan moet je wel door het raam kijken. Hier in de straat parkeert men in oneven jaren de auto’s links van de straat, en in even jaren rechts. Nu is links of rechts betrekkelijk. Uitgaande van de nummering zou ik ze moeten omwisselen, maar neem je als criterium de rijrichting van deze straat, in termen van de scheepvaart dus bak- en stuurboord, dan klopt het weer wel. Zo zit dat.

Je kunt met deze verhuizing pas een begin maken als er voldoende ruimte overblijft om, zij het zigzaggend, door de straat te rijden. Een overbuurvrouw van wie ik de naam niet weet, was de eerste, en een paar uur daarna, nadat Ellen van een paar huizen verderop (haar naam ken ik wel) even weg ging met de auto, kon ik de mijne strak voor die van de naamloze overbuurvrouw zetten. Feitelijk heb ik het niet over de hele straat maar alleen over het deel tussen de kruispunten waar wij wonen, en dat is een kwart gedeelte van de hele straat. Maar met dit deel is mijn wereld momenteel al groot genoeg.
Aan het eind van de straat stond ook al een auto rechts geparkeerd, zag ik. Daarna heb ik de ontwikkelingen niet meer bijgehouden. Dat wil zeggen: toen ik aan mijn volgende straatschouw toekwam, en dat zal zondagochtend geweest zijn, zag ik dat alle auto’s rechts, dat wil zeggen aan de even kant van de straat, stonden.
Daar komt meer bij kijken dan je denkt. Alle bij de auto’s horende mensen hebben regelmatig naar buiten gekeken om te zien of ze al naar de andere kant konden, dat met inachtneming van ruimte voor passanten om te slalommen zolang er in deze relatief smalle straat aan beide zijden auto geparkeerd stonden. Plotseling realiseer ik me dat ik toch iets meekreeg van die overgang. Er hebben drie auto’s moeite gehad om tussen de brokkelige rijtjes links en rechts te komen, waaronder een bestelbus van een pakjesbezorger. Dat ging gelukkig goed.

Ik heb niet gezien dat iemand daadwerkelijk zijn auto van links naar rechts bracht. Sterker: ik zie vrijwel niemand in de straat. Er zijn geen handen geschud met nieuwjaar, geen kussen uitgedeeld met buren links en rechts en van de overkant. Eerlijk gezegd is 2021 maar koud, kil, eenzaam en afstandelijk begonnen.
En nu ook nog dat gezeur over het niet op tijd zijn van vaccinaties. Wanneer kunnen ze in Kameroen beginnen? In april vorig jaar ging even het gerucht dat men Afrika als proeftuin voor nieuw ontwikkelde coronavaccins zou gebruiken. Dat gaf verontwaardiging. Terecht. Nu zal Afrika wel hekkensluiter worden. Maar in Nederland maken we wereldnieuws van een paar dagen vroeger of later. ‘Some are more equal than others.’

Dit heeft niets met links en rechts parkeren te maken, nee, toch is het wel bijzonder om je te realiseren dat je nu een heel jaar lang bij het inparkeren anderen bewegingen zult maken dan in het voorgaande jaar. Ook vraag ik me af waarom de auto’s in óneven jaren aan de kant met de éven huisnummers komen te staan, en omgekeerd. Daar zou iets aan gedaan moeten worden!

02 januari 2021

Voornemen

Van 2021 wordt om me heen alleen maar gezegd dat het niet op 2020 moet lijken. En die wens durven we amper de vader van een gedachte te laten worden. Er is meer hang naar afscheid dan gretig verlangen naar een hartstochtelijke toekomst.
Nu ben ik al heel lang geleden gestopt met roken, en drinken doe ik nauwelijks. Als ik wat te weinig beweeg, is dat steeds een tijdelijke aangelegenheid, dus om er een voornemen van te maken om in ’21 meer te bewegen, is te klein. Het is tijd voor een verrassend voornemen.
Met het oog op de toekomst heb ik intussen gisteren een huisje gereserveerd voor in april. Dat geeft een goed gevoel. Wie weet pikken we er nog een weekje in februari bij. Nu is dat is wel mooi toekomstgericht, maar de toon voor het komende jaar zal het allemaal niet zetten.

Wel heb ik wel wat voornemens voor anderen, voor het koningshuis bijvoorbeeld, en voor de regering. Nu is het nogal makkelijk om te zeggen dat we ruimhartiger moeten zijn met het toelaten van vluchtelingen, al was het maar om de taal de kans te geven zich op natuurlijke wijze verder te ontwikkelen.
Ik zeg dit omdat ik een boekje lees over de geschiedenis van de Nederlandse taal. Dat is een taal die, natuurlijk net als de huidige bewoners van Nederland, hun wortels ergens in Zuid-Rusland hebben. Voor hún komst stamden de meeste Lage Landers overigens af van mensen uit het Midden-Oosten. Ik houd met deze opmerkingen geen pleidooi voor omvolking, wel voor een samenleving waarin voldoende geventileerd wordt.

Nogmaals: dit is allemaal makkelijke, gratuite praat. Welke daad stel ik zelf? Kom met een kloek voornemen, jongeman!
Ik heb daar lang over nagedacht en ik ben eruit. 2021 mag wat mij betreft in het teken staan van Multatuli.
In een stalletje in de Markthof (heette het zo?) in Den Haag kocht ik geen honderd, maar wel op de kop af vijftig jaar geleden, zijn verzameld werk. Ik heb het over een oude editie daarvan, de Garmondeditie, in tien delen uitgegeven tussen 1900 en 1906. De set had ernstige waterschade geleden en daarom hoefde ik er nog geen tien gulden voor te betalen. Die gemankeerde deeltjes verklaren waarom ik er nooit toe kwam om te investeren in de editie waarmee vijftig jaar later Garmt Stuiveling begon en die uiteindelijk 25 delen zou bevatten, momenteel aangeboden op Boekwinkeltjes voor €125, ook geen geld.
Ik houd het bij de oude editie. Die staat niet voor niks al sinds mensenheugenis in mijn kast.
Dat is niet helemaal waar. Een jaar of tien geleden heb ik mijn aangetaste serie in een papiercontainer geknikkerd. Iemand had me namelijk uitgenodigd om bij het opruimen van de nalatenschap van haar ouders nog eens hun boekenkasten langs te lopen voordat een opkoper de resten zou meenemen. Op een plank stonden de mij vertrouwde Garmonddeeltjes, maar nu in een uitstekende staat, met die omslagen van een onweerstaanbaar blauw. In de delen plakte de vorige bezitter een kloek ex libris: M. de Bie. Ik heb hem nooit persoonlijk gekend, want hij is nogal jong overleden. Dierbaren van hem heb ik naderhand leren kennen. Zo is het gegaan.

Ik denk aan een maat van 2 – 1 – 2 – enz., waarbij de 2 voor ander werk staat en de 1 voor een deeltje Multatuli.
De Max Havelaar sla ik over, die kennen we wel.
Maar goed, eerst, twee andere boeken. Ik neem me voor om maandelijks iets te doen met Multatuli, al was het maar wat cirkelen om een citaat.

01 januari 2021

Van 20 naar 21

Vanwege een quarantainegeval ging de geplande oudjaarsvisite niet door. Uiteraard hebben we de vriendschap opgezegd. We zouden nog kunnen proberen anderen te laten invliegen, maar een avondje samen met Mente is geen straf, om er eens even een litotes tegenaan te gooien. We keken nog wel even tv, maar niet naar Youp en ook niet naar de Top 2000. Ik kan daarvoor natuurlijk prachtige argumenten voor op tafel gooien, maar het komt erop neer dat ik iets om een of andere reden minder aantrekkelijk vind als iedereen zich eraan verslingert. Hoezo arrogant?
Zelfs met oliebollen heb ik dat wel een beetje, maar dit culturele erfgoed laat ik me toch maar welgevallen, al was het maar om derden te kunnen sponsoren. De afgelopen jaren was dat steeds de scoutinggroep waaraan onze oudste zijn hart ooit verpande, deze keer - dat kan ook niet anders - ondersteunden we het restaurant van de middelste.
Het waren lekkere oliebollen; waren, zeg ik: ze zijn allemaal op. Wij kregen ze mee in zakjes waarop ‘met’ stond, wat betekende dat bij de bereiding bier was gebruikt. De jongste - met haar en haar grut waren we naar de oliebollenuitdeling gefietst - had porties besteld zonder bier, zag ik.

Wat me tegenviel was dat in het restaurant de Top 2000 aan stond. Ik merkte het omdat ik een overbekend nummer hoorde dat ik zelf nooit zal draaien. Ik keek de middelste vragend aan. Hij verontschuldigde zich: er waren nu eenmaal mensen aan het bakken die de Top 2000 wél leuk vonden. Ach, ik begrijp dat wel. Het waren jonge oliebollenbakkers. Ik heb er zelf ook ooit naar geluisterd naar die Top 2000. Inzicht moet groeien. Tot zover 2020.

2021. Toen ik gewassen en wel het nieuwe jaar tegemoet trad, hoorde ik Mente op zolder.
‘Ga maar beneden kijken,’ zei ze toen ik vroeg wat ze aan het doen was. Het mag een weinig voor de hand liggend antwoord lijken, ik ben voldoende ingevoerd om niet al te snel conclusies te trekken.
En inderdaad: beneden had het nieuwe jaar toegeslagen. Er waren kastjes, tafeltjes en stoeltjes verschoven, verdwenen en andere waren verschenen.
Eerst had ik gauw naar de kerstboom gekeken en naar de linten met kerstkaarten, want het idee dat die al zouden zijn weggehaald… De schrik sloeg me even om het hart. Ten onrechte. Boom en kaarten sierden nog steeds de kamer. Die strijd wordt nog even uitgesteld. Ik houd erg van boom en kaarten.

Later fietste ik de allervastste route - mijn rijwielcreativiteit schiet er inderdaad een beetje bij in - en constateerde dat er vandaag zo mogelijk nog meer wandelaars waren dan afgelopen zondag. Ik hield van al die mensen en graag zou ik zijn afgestapt om ze tenminste een hand te geven en ze te voorzien van de beste wensen voor het nieuwe jaar. Maar ja, Covid-19. Bovendien waren het er teveel, er was geen beginnen aan. Ik had kunnen volstaan met een paar joviaal toegeslingerde wensen, maar daarmee doe je gauw iemand tekort, en stel je eens voor dat er iets wordt teruggezegd en je verstaat het niet. Dan moet je afremmen, omkeren, en ‘wat zeg je?’ zeggen. Dat zou allemaal ongewenst oponthoud geven.

Thuis kwam de gerantsoeneerde hoeveelheid bezoek langs, pars pro toto voor de gehele mensheid, die ik ondanks mijn terughoudendheid op de fiets, een goed 2021 toewens. En sommigen een schop onder hun kont. Jawel, in enkele gevallen is dat beter. Maar dat zijn uitzonderingen natuurlijk.

31 december 2020

ZOZO

Beetje flauw maar ik vond 2020 ZOZO, waarbij ik voor alle mensen die de gewoonte hebben om mijn stukjes hardop te lezen, wel wil aantekenen dat je dat mompelend moet zeggen. Ik zeg dit omdat ik me er regelmatig op betrap dat ik zozo gebruik om kinderen te laten merken hoe diep ik onder de indruk ben van een van hun prestaties, bijvoorbeeld als ze op een vierde blokje ook nog een vijfde weten te stapelen zonder dat de toren omvalt. Dat zozo bedoel ik dus niet. Hier gaat het om de slecht gearticuleerde variant, passend bij een gerecht dat je wel at, maar nooit meer zult bestellen.
Ons wacht ZOZI. Dat bekt weliswaar minder dan ZIZO, maar juist die omkering biedt ook perspectief. Ziezo gebruik je ter afronding, bijvoorbeeld om aan te geven dat we 2020 tenminste gehad hebben. Juist daarom kun je ZOZI zien als een opmaat voor een jaar dat perspectief biedt. Geef daarom bij de uitspraak de tweede lettergreep het woordaccent.
20 – 20 klinkt bovendien als de stand van een slechte wedstrijd waarin blijkbaar van alles is gebeurd zonder dat het tot resultaat heeft geleid.

Jammer is wel dat onze jaarlijkse vogelkalender uit Nieuw-Zeeland nog niet is aangekomen. Dat leed laat zich goeddeels ongedaan maken doordat we die van 2016 nog hebben; toen vielen de data op dezelfde weekdagen als het komende jaar. Het gaat om een maandkalender. Het jaartal, 2016 dus, staat alleen op het omslag. Dus dat is in orde. De informatie op de kalender is nogal summier, want het gaat vooral om de foto’s van Nieuw-Zeelandse vogels. Wél geeft een simpel bolletje aan wanneer het volle maan is. Vijf jaar geleden was dat op 24 januari, zie ik, maar komende maand wordt dat de 28ste; een paar maanden later…
Ho, wacht even: 2016 was een schrikkeljaar, dus over twee maanden lopen we uit de pas. Ook dat nog.

Toen wij het nieuwe millennium in gingen, vierden we dat op 1 januari 2000. Toen begon de eenentwintigste eeuw. Dat is een beetje vreemd als je bedenkt dat wij (nou ja, niemand van ons was erbij) negenennegentig jaar eerder het begin vierden van de twintigste. Nu had die eeuw, ondanks een jaar minder, inderdaad genoeg aan zijn eigen leed, maar volgens mij zaten we er in 2000 een jaar naast.
Je kunt stellen dat morgen pas de jaren twintig beginnen, het derde decennium van deze eeuw. Dat komt wel goed uit voor mensen die snakken naar een schone herstart na het Covid-19-jaar.

Indertijd begon voor ons gezin 1960 nog sneu, na het ongeluk van mijn vader op de kerstavond van 1959. Ik bracht oud en nieuw door bij een oom en tante en plaste die nacht in mijn bed. Toen halverwege de nieuwjaarsdag – we keken naar skischansspringen – tante Nel mijn hemd in mijn broek terugstopte, voelde ze dat die nat was.
Gelukkig begonnen de echte jaren zestig een jaar later pas, in 1961. Nu zat ik met een droge onderbroek aan mijn vaders nieuwe bureau en schreef op een papiertje 1961. Vervolgens draaide ik dat om en weer stond er 1961. Ik schreef het nog een paar keer op, net zo lang tot de 9 en de 6 er echt hetzelfde uitzagen, maar dan verticaal gespiegeld.
We waren allemaal thuis. Achter me hoorde ik mijn ouders, mijn zussen en broers. Ik zat bijzonder gelukkig te wezen, daar aan dat bureau, met een klein papier en de roodgekleurde ganzenveer waarin een balpenstift gestoken was.
Het mocht wel altijd 1961 blijven.

30 december 2020

Rijbewijs

Vanaf een roze plaatje van plastic kijk ik mezelf aan met ogen die wat onzeker de lens van de camera zoeken. Ze zien het allemaal niet meer zo scherp, zonder bril. En voor de foto heb ik die moeten afzetten. De wazige ogen zijn weinig vertrouwenwekkend als je bedenkt dat zij op mijn rijvaardigheidsdiploma te zien zijn. Vijftig jaar lang is dat probleemloos verlengd, maar mijn nieuwe rijbewijs is nog maar zeven jaar geldig. Daarna zal er wat meer moeten gebeuren wil ik nog op een verlenging mogen rekenen.
De tweede helft van december 1970 zijn onvergetelijk: binnen twee weken legde ik beslag op de vrouw van mijn leven én op mijn rijbewijs. Dat laatste gebeurde op woensdag de dertigste.
Het had de dagen ervoor gesneeuwd. Op doorgaande wegen had je daar geen last meer van, in woonwijken wel.

Het lag voor de hand dat wij vanuit Rijswijk naar de Hoornbrug zouden gaan. Wij, dat zijn de examinator en ik. Hij besliste over links en rechts, ik reed. De Hoornbrug was onvermijdelijk wilde je op de grote weg komen. Toen tenminste.
Ik denk dat het nog geen tien minuten rijden was, van het CBR naar die brug.

Midden op de weg, vlak voor de brug, remde ik af en stonden we stil. De examinator werd boos.
‘Wat doe je nou toch? Je staat midden op de grote weg!’ riep hij.
Ik schrok van hem en kon even geen woord uitbrengen. In plaats daarvan wees ik, mijn hand nog aan het stuur, met mijn wijsvinger schuin omhoog naar een rood licht, bij de brug.
Toen zag hij het ook.
‘Verrek,’ zei hij, ‘wat stom van me. Ik had het niet gezien.’
Ik merkte dat hij ook mijn schrik niet had gezien. Hij was meer onder de indruk van dat vingertje dat als een understatement naar het licht bij de brug wees dat was gaan branden.

Ook toen de brug allang weer dicht was en de slagbomen weer waren opengegaan, bleef hij zich telkens weer kwalijk nemen dat hij dat licht bij de brug niet had gezien.
In Delft schoot ik vlak voor een fietser langs. De examinator zei dat ik wel even had mogen wachten en begon weer over het licht bij de Hoornbrug.
In Voorburg raakte ik bij het inparkeren een stoeprand.
‘Dat krijg je met die sneeuw,’ zei de examinator om zich vervolgens weer op zijn kop te krabben vanwege het licht dat hem was ontgaan, maar mij niet.

‘U bent niet bang en overziet de boel,’ zei hij toen ik de auto op het parkeerterrein van het CBR stil zette. ‘Maar u moet nog veel leren en dat kan alleen maar door veel te rijden. U bent geslaagd.’ In één keer.

Pas drie maanden later reed ik een auto total loss. Ik had niet gezien dat de remlichten van de auto voor me waren gaan branden.

29 december 2020

Werkboek

Je zou denken dat het oprakelen van een herinnering bij nader inzien helemaal geen vrolijke aangelegenheid is. Niet alleen omdat iets ‘voorbij, voorbij, o, en voorgoed voorbij’ is, maar ook omdat een detail vooral duidelijk maakt dat er van het grote geheel van ooit vrijwel niets meer over is: je bent zoveel vergeten.
Gisteren kwam ik tegenover mijn moeder aan tafel te zitten, terwijl ze me telkens het boekje met de plaatjes waarop spreekwoorden en gezegden werden uitgebeeld. Later realiseerde ik me dat er ook nog een ander boekje was geweest. En plotseling werd me duidelijk dat een detail, een scherf uit het verleden misschien wel op zijn zuiverst naar een essentie voerde waar ik tot nog toe geen idee van had.

De vrouw van rond de veertig die mijn moeder geweest is, had veel plezier in dat boekje met de zegswijzen en ze vond het heel erg leuk om daar aan tafel samen met mij mee bezig te zijn. Ik herinner me dat er later ook een ander boek tevoorschijn kwam, dun, slap kaft, iets groter dan a4, oranjebruin omslag met groene belettering. Het was een werkboek dat je leerde hoe je nota’s moest schrijven, wat een geschikte briefindeling was, hoe je een telegram moest opstellen. In de jaren dertig had mijn moeder een cursus gevolgd waarbij dit werkboek een rol had gespeeld. Er waren nog veel vellen met brief- en andere schema’s oningevuld gebleven. Dat liet mijn moeder me zien. Voor een jongetje van nog geen tien, ergens aan het begin van de jaren zestig kwam zo’n boek als dit uit de oudheid.
Maar toch ook weer niet. De bladzijden waren glad, mijn moeder had er ooit in geschreven, met een pen die ze telkens in een inktpot had moeten dopen en je kon zien dat ze haar uiterste best had gedaan om mooi te schrijven. En dan waren er de onbeschreven bladen, die blanke vellen uit een ver verleden die alsnog om invulling vroegen.
Waarom was mijn moeder naar dat werkboek op zoek gegaan? Waarom kwam ze er op een middag mee op de proppen terwijl mijn broers en zussen er niet waren?
Van toen weet ik nog alleen dat het me verbaasde dat mijn moeder dit had gedaan; dat zij zich ooit met handelscorrespondentie had bezig gehouden of had willen houden. Van haar jeugd wist ik dat ze op haar knieën vloeren boende, op een trapje ramen lapte, en kleedjes over balken gooide om die te kloppen, meestal bij andere mensen maar ook bij haar thuis, waar zij de oudste dochter was in een gezin met vijf kinderen en een moeder die tobde met haar gezondheid.

Heel veel later vertelde ze eens dat ze had gedacht dat ik de jongste in het gezin zou blijven. Mijn vader kon voor zijn kantoor wel hulp gebruiken en daarom zou mijn moeder een cursus voor de schrijfmachine gaan volgen en zich wat verdiepen in boekhouding. Het is er niet van gekomen. Ook vijf kinderen en een tamelijk bloeiend en steeds drukker wordend kantoor aan huis maakte haar tot moeder, huis- en ook gastvrouw. Zo is het heel lang gebleven. Het kantoor bleef aan huis totdat ze ver in de zeventig was.

Ver in de negentig was ze al toen ze ooit eens zei - we reden over de Leyweg en ze had net een huis aangewezen waar ze als tienermeisje als werkster had gewerkt: ‘Werkster, meer heb ik niet bereikt in mijn leven.’ We schrokken van de manier waarop ze dat ‘werkster’ uitsprak.
Nu pas begin ik dat moment te begrijpen dat we daar aan tafel zaten en zij me dat correspondentieboek liet zien. En ja, ik mocht er gewoon in schrijven van haar. Dat deed ik, met potlood, want het was iets bijzonders, dat boek, dat begreep ik.

Daar aan tafel zat een vrouw dus die ooit werkster was, die ooit een mislukte tuindersknecht tegen was gekomen die zijn heil zocht in het verzekeringswezen en daarin ook zijn weg leek te vinden. Samen met hem zou ze een toekomst opbouwen. Ze zou hem helpen met zijn zaak. Hij zou op pad gaan en zij zou achter het eikenhouten bureau dat nu hier op zolder staat, de administratie regelen. Een droom uit de late jaren dertig.

Er werd vervolgens veel gestorven, er kwam oorlog, er kwamen kinderen, mijn vader kon het wel alleen af en er was een achterneef die kon helpen.
Maar tien jaar later, in de jaren vijftig, was mijn moeder nog steeds jong en konden de plannen van vijftien jaar eerder alsnog worden waargemaakt, al kwam er nog een kind, al groeide de zaak zodanig dat er toch ook andere mensen in dienst genomen konden worden, al werd vooral na een ongeluk, haar man iemand om zorg voor te dragen.

Maar aan het begin van de jaren zestig zou het nog kunnen. Het leven begint bij veertig. Er was nog zoveel toekomst. Je zag het aan de auto’s die om het jaar vervangen konden worden, aan het moderne meubilair dat er kwam. Het grote stalen bureau, de grote archiefkast. En de kinderen waren allemaal naar school.

Die scherf uit het verleden, van toen, aan de tafel met dat werkboek laat zuiver zien hoe het leven er wat mijn moeder betreft uit had moeten zien. Het goed geklede gezin, het schone huis. En zij op het kantoor. Niet alleen om open te doen, gastvrouw te zijn en voor koffie te zorgen, maar ook om een brief te schrijven en op de juiste plek de juiste getallen te noteren.

28 december 2020

Kleine geschenken

Het is vierde kerstdag. Ik kies op deze maandag voor mijn allervastste fietsrondje en kom ontzettend veel mensen tegen, voornamelijk wandelaars, het zijn er echt onmaandags veel. Meestal met zijn tweeën, en dan weer vriendinnen. Honden zijn in de minderheid. Ik tel er tien. Nogmaals: het is meer een vierde kerstdag of een doordeweekse zondag dan maandag vandaag. Het verrast me dan ook om te merken dat de Jumbo en de fietsenmaker aan de overkant van het spoor gewoon open zijn.

Bij de rotonde aan de Overvechtse kant van het station zie ik de grote vrachtwagen aankomen van de Postcodeloterij. Je weet wel: die imitatie van de Coca Colatruck waarmee de kerstman door Amerika ronkt, heel rood en veel gloeilampen: die enorme bak die zo uitermate geschikt is voor het verkeerde kerstgevoel. Op de zijkant lees ik, dat er 54,9 miljoen gewonnen kan worden.
De grote Nationale Postcode Loterij stemt me droef vanwege de bedenkelijke sentimenten die erdoor worden opgeroepen. Het is vooral een Naast Potpiesloterij. Genoeg reden om niet mee te doen.

Maar ja, wie weet is hij net mijn straat doorgereden…
Ik vraag me af of dat wel kan. Zou hij niet alle geparkeerde auto’s geschampt hebben? Met 54,9 miljoen is dat niet iets om je druk over te maken. Maar mijn beschadigde auto zou, ondanks hetzelfde rood, niet delen in dit alles goed makende bedrag.
Het valt me op dat de vrachtwagen zo groot is dat hij de rotonde amper kan nemen. Het is een olifant in de porseleinkast van de goede smaak. De streekbus die er achter rijdt, wordt er een klein gevalletje bij dat als een behendige sprinter het verkeersplein neemt. Onhoorbaar ook, want de grote rode truck maakt behoorlijk wat herrie.

54,9 miljoen! Nu ik dit schrijf, kijk ik even op de site van de Postcodeloterij of er in mijn straat geen kloek geldbedrag gewonnen is. Nee, wel zou ik een Rituals Natural handcarepakket rijker zijn geweest als ik een lot had gehad.

Aan de Bankgiroloterij doe ik wél mee en ik krijg regelmatig een prijs. Vandaag nog: een tegoedbon van tien euro van de Hema en dan te bedenken dat ik er nog twee heb liggen van vijf euro. Dat is niet mis. En ik mocht anderhalve maand geleden twee boeken uitzoeken. Die keuzemogelijkheid is doorgaans verontrustend, maar gelukkig heb ik kleinkinderen. Dat zijn vijf prijzen in twee maanden tijd. Het is een fractie van wat ik maandelijks aan mijn twee loten kwijt ben.

Die prijsjes zijn, net als bij de Postcodeloterij, niet meer dan zoethoudertjes. Kleine geschenken onderhouden de vriendschap, denk ik. Maar er is helemaal geen sprake van vriendschap.
Nu is het voordeel van fietsen en van allerlei gewaarwordingen en gedachten tijdens zo’n fietstocht dat je die overwegingen alle kanten op kunt laten gaan. Dat gebeurt ook nu.

Jaren en jaren heeft die zegswijze niet door mijn hoofd gespeeld: kleine geschenken onderhouden de vriendschap.
Het brengt me terug naar de rechthoekige tafel in de achterkamer, dat was dus nog voor de ronde tafel er kwam. Mijn moeder zit aan een lange kant; ik zit recht tegenover haar. Ze heeft het boek met plaatjes van spreekwoorden en gezegden voor zich. Zij zoekt er eentje uit, schuift het boek mijn kant uit, terwijl ze een plaatje aanwijst. Ik moet raden om welke uitdrukking het gaat. Twee mensen kijken elkaar stralend aan terwijl de een de ander een klein pakje geeft. Ik zwijg. Zij vertelt om welk spreekwoord het gaat.

Om nooit te vergeten merk ik nu. Ik fiets met een warm kerstgevoel de poort in.

23 december 2020

Cakewalk

Plotseling maakt mijn agenda me duidelijk dat ik pas over een week een ritje naar Monster kan maken om daar een bezoek te brengen aan het graf van mijn ouders. Tenzij ik nu meteen in de auto stap.Mijn moeder overleed vijf jaar geleden, op eerste kerstdag. Nu hangt het niet zozeer van mij af of er een bos bloemen op het graf komt, ik heb een toeschietelijke broer, maar ik hecht nu eenmaal ook aan de uiterlijkheid van het gedenken; en vijf jaar is niet niks.
Zodra ik met een bos bloemen op de achterbank de stad uit rijd, kom ik, braaf achter het stuur gezeten en uiteraard onverminderd alert, op een emotionele cakewalk terecht. Een vriendelijke cakewalk is het: er komen allerlei herinneringen langs, die bij het passeren lichtjes toetsen van mijn emotionele klavier aantikken. Er borrelen tranen, ergens in een verre diepte. Dat doet me goed. Het is een geval van rechtvaardigheid, deze lichte versie van verdriet.
De hele weg houdt het niet op met regenen.

Vijf jaar geleden reed ik dezelfde weg, dat was ook op een woensdag de drieëntwintigste. Die dag en de nacht daarna waakte bij mijn moeder. ’s Avonds zei een verpleegkundige dat ik maar beter even een frisse neus kon gaan halen of zo, zij zou mijn moeder extra in de gaten houden.
Ik stapte in de auto en reed naar mijn kunstigzinnige vrienden in Den Haag. Zij waren niet thuis. Ook Dirk, met wie ik in mijn kinderjaren een siamese tweeling vormde, was er niet. Het was een vergeefse tocht. Waarom was ik ook in die auto gestapt?

Onderweg naar het graf kom ik langs de duinen waarin je tegenwoordig regelmatig mijn kunstzinnige vriend kunt aantreffen. Bij de watertoren rem ik af. Zal ik uitstappen en even rondkijken of ik hem ergens tref? Ik ken zijn favoriete plekken. Maar het regent nog steeds: hij zal er vast niet zijn. Veel tijd heb ik trouwens niet.

Toen ik die avond van vijf jaar geleden weer terug kwam, trof ik mijn moeder aan terwijl ze over haar rollator gekruld met de grootste inspanning van haar bed naar het toilet in de badkamer strompelde. Het was ongelofelijk dat ze dat nog voor elkaar kreeg. Ik heb haar opgetild en naar de badkamer gedragen. Na een uiteraard vergeefs bezoek aan de wc droeg ik haar terug en legde haar weer in bed.
Dat dragen is een fysieke herinnering geworden die ik regelmatig in mijn armen voel. Dat geldt ook voor de herinnering aan de pijn in mijn rug. Ik tilde haar die weken wel vaker uit en weer in bed en ervoer de pijn die daarvan het gevolg was als gerechtvaardigde pijn. Hij komt weer terug.

Bij het graf ben ik alleen maar bezig met de chrysanten. Weg is de cakewalk. Ik doe pa en moe de hartelijke groeten en weg ben ik weer. Wat wil je ook met die regen.? Halverwege rijd ik toch nog even bij mij broer langs. Hij werkt op een groot kantoor, maar daar is hij deze weken de enige aanwezige.

Pas als ik de stad weer in rijd, houdt het op met regenen.

22 december 2020

Liter 100

Ik merk dat ik er niet goed tegen kan. Op de mat valt Liter 100. Tien jaar was ik hoofdredacteur van dit mooie en bijzondere literaire tijdschrift. Twee jaar geleden heb ik me teruggetrokken, omdat ik niet als regelneef oud wilde worden. Dat heeft niet geholpen.
Mijn betrokkenheid bij Liter heeft al die tijd vooral in het teken gestaan van pogingen elke aflevering van Liter weer de moeite waard te laten zijn én nog meer mensen warm te laten lopen voor dit blad. Het eerste is goed gelukt, het tweede niet.

Nu valt dus nummer honderd op de mat, opnieuw een prachtige aflevering, maar vooralsnog ook het laatste nummer. Stilte staat er op het omslag. Gelukkig denkt men aan een doorstart, waarbij het blad een ander karakter zal krijgen, maar voorlopig wordt toch een punt gezet.

‘Ach, gatsie,’ zegt de jongste als ik haar het blad laat zien, haar wijs op het mooie open ruggetje en dat ook zeg: open ruggetje.
‘Ik kan er niet naar kijken!’ Zij is blijkbaar meer de moeder van jonge kinderen dan iemand die haar geld verdient met de propaganda voor het goede boek, al is het alle twee waar.
Ik voel het met haar mee, maar bij mij schuiven boek en geesteskind dichter naar elkaar toe.
Honderd afleveringen en niet langer levensvatbaar. Stilte.
Het nummer is extra dik. Ik zie dat de mij zo dierbare vormgever en telefoonmaat uit Zwolle er inderdaad iets moois van heeft gemaakt, zie veelbelovende namen. Werp een blik op het voorwoord van mijn Rotterdamse kompaan. En ik kan niet verder lezen.

In plaats daarvan ga ik voor het raam staan. Het miezert buiten. De wereld is grauw. Achter me staat de kerstboom met tien- en tientallen engeltjes, zit de jongste te werken, achter me ligt ook dat fraaie, fris ogende nummer honderd van Liter.

Als het blad even niet naar me kijkt, schiet ik naar boven en sla ik mijn vingers op de toetsen.

Voorbij, voorbij, o, en voorgoed voorbij.

Of toch niet? Van mij staat er ook een gedicht in, Liedje heet het. Zowel Steven als eindredacteur Tim vroegen of het gedicht niet moest eindigen met een punt. Dat was niet de bedoeling: het gedicht lijkt op te houden, alsof de avond valt, maar het gaat gewoon door. Het liedje raakt niet uitgezongen

21 december 2020

Geen bilharzia

Mijn kunstzinnige vriend uit Den Haag weet dat ik Wim Hofman een warm hart toe draag, ook de schrijver en de beeldend kunstenaar. Daarom had hij bij onze laatste ontmoeting een boekje bij zich dat hij in een kringloopwinkel was tegengekomen. ‘Lezing met lichtbeelden’, heet het, is van Wim Hofman en het bevat het korte levensverhaal van Ina van Belzen, die meestal Naaldje of Naadje genoemd werd. Het verhaal is kort, het leven van Naaldje was dat ook. Vandaag kwam ik er pas toe om het te lezen.

Naaldje wordt geboren in de Tweede Wereldoorlog, in Vlissingen en is 12 als ze moeder wordt. Ze komt als jonge vrouw in Tanzania terecht, waar ze zich ontpopt als weldoenster, eerst in Dar-es-Salam en daarna in de directe omgeving van Mwanza, aan het Victoriameer, dezelfde omgeving waar ik ooit anderhalve maand bivakkeerde, bij mijn zus en Aat, haar man. Ze woonden daar toen.

In het verhaal moet Naaldje na jaren terugkeren naar Nederland. Verondersteld wordt dat zij bij een zwempartij in het Victoriameer bilharzia oftewel schistosomiasis heeft opgelopen. Als gevolg daarvan kwam ze in een rolstoel terecht, broodmager intussen (dat was ze toch al); een aantal medische ingrepen hebben haar geen goed gedaan. Ze is dertig als ze overlijdt.

Bij het aanrecht zijn Mente en drie kleinkinderen bezig koekjes te bakken. Ik lees dit verhaal en denk aan mijn zus. Zij overleed tien jaar geleden, toen waren al jaren even onbekende als onvermurwbare krachten bezig haar gezondheid te ondermijnen. Ze sleepte zich voort achter een rollator of ze zat in een rolstoel, de rolstoel - omgekeerde wereld - waarin kort na haar dood haar moeder terecht zou komen.

Met Aat heb ook ik in het Victoriameer gezwommen, veertig jaar geleden. We waren bedacht op bilharzia, maar er zouden plekken zonder de wormen van zoetwaterslakken die zo makkelijk een menselijk lichaam binnendringen om dat te ondermijnen. Van mijn zus vraag ik me af of zij daar ooit gezwommen heeft. En dan nog iets: zou er met Naaldje niet iets anders aan de hand geweest kunnen zijn? Die rolstoel van haar associeer ik niet onmiddellijk met bilharzia. Intussen triggert het me wel: Mwanza, Victoriameer en vervolgens een merkwaardige ondermijning van iemands gezondheid. Zouden Naaldje en mijn zus eenzelfde onduidelijke tropische ziekte hebben gehad?
Voor de aftakeling van mijn zuster zijn we uiteindelijk niet verder gekomen dan minder of meer aannemelijke veronderstellingen.

Even later zit ik aan tafel: de koekjes moeten ook versierd worden; daar kan ik heel goed bij helpen. Ik denk aan mijn zus, had niet verwacht dat Wim Hofman me haar kant op zou sturen.

Zijn boekje is nummer 118 uit de zogenaamde Slibreeks, in 2006 uitgegeven in Middelburg. Ik weet bijna zeker dat mijn kunszinnige vriend en zijn vrouw de lerares het boekje ergens in Zeeland op de kop hebben getikt.

De koekjes zijn lekker. De kinderen zoet.

20 december 2020

Demonstratie in Nergenshuizen

Eerst even de coördinaten, dan hebben we die maar gehad: 52°08'28.5"N 5°09'47.9"E, bij carpoolplaats Maartensdijk, Nieuwe Weteringseweg bij Groenekan, gemeente De Bilt, langs een wat weggemoffeld fietspad. Geen epicentrum, nergens van.

Toen ik gistermiddag de stad uit reed, de polder in, besloot ik joggers te gaan tellen en daarbij na te gaan of er meer vrouwen dan mannen aan het joggen zijn geslagen, want die indruk heb ik. Het aantal joggers viel ontzettend tegen: verder dan een man en twee vrouwen kwam ik niet. Percentueel gezien een mooie opsteker voor mijn veronderstelling, maar getalsmatig heb je hier niks aan. Wel vreemd, ik had er veel meer verwacht, al stapte ik pas na half vier op de fiets. Ik sluit niet uit dat ik al fietsend mijn voornemen vergeten ben. Ik weet namelijk dat ik me ook heb zitten afvragen waarom ik geen enkele zilverreiger zag. Anderhalve week geleden waren dat er zes in ditzelfde gebied.

Ik vertel dit om aan te geven dat ik in een staat van vrijblijvende, aangenaam verloren mijmering en allenigheid terecht gekomen was. Halverwege Maartensdijk verliet ik de polder, nam een klein stukje langs de provinciale weg, bekommerde me daarbij nog even over het gesloten restaurant, al werd er wel gekookt. Het rook er aangenaam. Ik nam het viaduct over de A28 en kwam zo op dat altijd wat verloren stukje fietspad in de oksel van de A28 en genoemde Nieuwe Weteringseweg.

Daar stond een open aanhangwagen waarop al gauw een stuk of twintig witte gedaanten: witte kleding en een wit masker. Langs de kar was een spandoek gespannen met daarop NOS = fake news. In de smalle strook gras aan de andere kant van het fietspad, maar ook daarop, stond een dertigtal mensen, mensen van de Guerilla Mask Force. Ik moest wel oppassen. Iemand riep ‘Liefde, vastberadenheid…’ en nog iets, maar dat ben ik weer kwijt. Ik weet alleen dat ik het er niet mee eens was. Er werd instemmend gebromd en meegeroepen. Ik slingerde tussen de demonstranten door. De mensen op de kar mogen er spookachtig hebben uitgezien, van mezelf heb ik de indruk dat niemand me überhaupt ook maar even in de gaten heeft gehad.

Even meende ik ze te moeten vertellen dat Sinterklaas dood was, gestorven aan corona. Ik heb het niet gedaan. Achteraf heb ik daar spijt van. Al met al blijft het een merkwaardige gewaarwording: die minidemonstratie op de afgelegen plek. Ik kan een verklaring bedenken; dat het een verzamelpunt was om vandaar naar de grotere demonstratie te vertrekken, maar dat doet weinig af aan die merkwaardige gewaarwording. Een stoplicht midden in de woestijn. Zoiets. Compleet met roepende.

Vanmorgen werd ik gebeld, om kwart voor tien. Toen ik opnam kwam ik in contact met gekraak, dat ik vrij snel kon identificeren als een hand in een broekzak. Op de display had ik gezien dat het mijn mij dierbare Haagse vriend en kunstenaar was. Ik riep hem, bij zijn voornaam, zijn achternaam, bij zijn beroep en roeping, vriend riep ik en dierbare vriend. Er gebeurde niets.

Ik vond het wel een goed begin van de dag. Geruststellend ook dat hij er nog is en zelfs in zijn onderbewustzijn nog contact met me legt. Dat is toch mooi.

Maar bevreemdend is het ook, een vriend te kennen tot in zijn broekzak, net zo vreemd als een demonstratie ter hoogte van heg noch steg en nergens huizen met maar één iemand die dat opmerkt, in dit geval een fietser die joggers zocht en zilverreigers.

19 december 2020

Union 1 en 2

Het groene brommertje was mijn derde brommer, er gingen - simultaan - twee buikschuivers aan vooraf. Dat waren overtollig geworden paarden uit de stal van mijn vaders koeriers, dus mij hoorde je niet zeuren. Bovendien was het een aardig statement tegen alle Puchs, Tomossen en Mobyletjes waarop je geacht werd rond te tuffen. Maar dat deed iedereen al.
Ze hebben me weinig vreugde gebracht, die brommers.

Ik reed er al op toen ik vijftien was, maar de stad ging ik er niet mee in. Dat veranderde op die zomerse, maar desondanks tamelijk sombere dag waarop ik zestien werd. Van mijn ouders kreeg ik wat toen een duikershorloge heette, een geavanceerd geval, met voor mij tot dan toe onbekende toeters en bellen. Mijn zus gaf het me namens hen, want paps en mams zelf vierden vakantie in Italië.
In de loop van de ochtend reed ik voor het eerst legaal op de roodbruine Union, en met dat prachtige, bijzondere horloge om mijn pols, over de Laan van Meerdervoort om een bezoek te brengen aan het Gemeentemuseum. Daar kwam ik graag. Met de brommer moest dat een eitje zijn. Dat was het niet en bij het museum ben ik ook niet aangekomen, want toen ik de bocht nam om de Fahrenheitstraat in te slaan, slipte ik in een tramrail en maakte een geweldige schuiver, die me behalve wat pijnlijke ledematen een onherstelbaar verminkt horloge opleverde.

Ik kan me niet herinneren dat zich ook maar iemand met me bemoeide. Dat krijg je als je geen Puch rijdt. ‘People just ain’t no good,’ ook niet voor iemand die op zijn zestiende verjaardag met zijn bakkes op het asfalt ligt, en dat waarschijnlijk alleen maar omdat hij op een voor Hagenaars en –nezen verkeerde brommer rijdt. Ik zou het anders ook niet weten.
’s Avonds belden mijn ouders en ze wilden graag weten wat ik van mijn cadeau vond. Ook dat nog. Ik weet niet meer wat ik gezegd heb, wel dat ik het er met mijn zus uitgebreid over heb gehad wat ik het beste kon doen als ze belden. Het meteen vertellen of juist niet. Terwijl ik dit schrijf, komt dat gevoel van toen weer terug: vertel ik het wel of niet als ze bellen? Alsof ik weer zestien ben en elk ogenblik de telefoon kan overgaan. Maar ik ben helemaal niet jarig en mijn ouders bellen al in geen jaren meer.

Van die brommers herinner ik me vooral dat er altijd wat mee was. Ik ontwikkelde wel handigheid in het uit elkaar halen en weer in elkaar zetten van de motor. Daar begreep ik helemaal niets van, maar als ik de boel maar demonteerde, alles schoonmaakte en een evt. kapotte zuigerveer verving om vervolgens het hele zaakje weer in elkaar te zetten zoals ik het aangetroffen, dan deed hij het wel weer een tijdje. Er waren zelfs mensen die dachten dat ik er verstand van had. Mijn moeder wist wel beter. Als ik in de tuin bezig was met een brommer deed zij ook bij hoge temperaturen de keukendeur dicht om mij niet te horen schelden en vloeken. Ik bedoel de deur van keuken naar tuin. De andere, van de keuken naar de gang, ging pas dicht, als ik in de keuken mijn handen stond schoon te schrobben. Ook daar kon ik vreselijk schelden: ik had een grote hekel aan vieze handen. Misschien was dat nog wel het ergste van die rotbrommers, dat je er vieze handen van kreeg.

Mijn eerste racefiets, ontdekte ik later, kon er ook wat van.

18 december 2020

Empo

Ook met het groene brommertje wist ik geen innige relatie op te bouwen. In de tweeënhalf jaar dat ik brommer reed was dit de derde. De eerste twee waren overbodig geworden gevallen van mensen die bij mijn vader werkten. Die ruilde ik na ruim een jaar ellende in voor een nieuwe Empo. Op een vrijdag in oktober haalde ik hem op en reed ermee van Monster naar Wanneperveen. Via Utrecht, waar ik een nachtje overbleef bij mijn zus, honderd meter van de plek waar ik later vijftien jaar zou wonen. Na een paar dagen, het was herfstvakantie, reed ik terug, weer via Utrecht.
Nu was het niet de bedoeling dat ik daar opnieuw zou overnachten, maar daar kwam het wel van. Na het avondeten wilde het brommertje niet starten en vervolgens brak de startkabel. Pas de volgende ochtend kon ik bij een fietsenmaker terecht, Ekeris aan de Gansstraat. Het was onze eerste ontmoeting. We zouden er in de loop der jaren misschien wel twintig fietsen kopen.

Mente kan zich het groene brommertje niet herinneren, en toch weet ik dat ze een keer bij me achterop heeft gezeten. Dat was in de zomer van 1970, een half jaar voor ons grote gebeuren, toen een grote vriendengroep een examenfeest wilde verplaatsen van Scheveningen naar mij, in Monster. Nu was dat brommertje volstrekt ongeschikt om iemand achterop te hebben. Zoiets betekende: op een ijzeren rekje pijnlijk door elkaar geschud worden, want vering kende het ding niet. Achterop zitten was niet alleen oncomfortabel, het was nog gevaarlijk ook. In een nacht van vrijdag op zaterdag ergens aan de voorkant van 1970 sjeesde ik langs de Scheveningseweg, terwijl Simon, een vriend, bij me achterop zat. We waren in een vrolijke bui, ik in ieder geval wel en ik voerde het hoogste woord daar voorop dat groene geval. Pas toen ik geen antwoord kreeg op een vraag, drong tot me door dat Simon helemaal niet meer achterop zat. Op de grond zat hij wel, midden op het fietspad, een paar honderd meter terug. Hij moest nog bijkomen van de schrik en van de pijn. Blijkbaar had ik een hobbel genomen en daarbij was Simon gelanceerd.

Dus die zomer een paar maanden later, was ik in de wolken toen Mente niet alleen op datzelfde Scheveningse feest aanwezig was, samen met haar broer, maar ook dat ze wel bij mij achterop wilde naar Monster. In de wolken, zei ik, maar wel bezorgde wolken, want stel je toch eens voor dat zij net als Simon van mijn Empootje geslingerd zou worden.

Het is niet gebeurd en nogmaals: Mente heeft geen enkele herinnering aan het brommertje en dus ook niet aan de tocht. In december 1970 kreeg het leven een wending waarvan ik tot op de dag van vandaag de zonnige gevolgen ondervind, maar daar heeft het brommertje nauwelijks meer een rol gespeeld, want bij die ingrijpende verandering hoorde ook mijn definitieve afscheid van de brommer en de keuze voor levenslang fietsen. Het behalen van mijn rijbewijs en een vader die scheutig was in het uitlenen van zijn auto speelde daarbij ook een rol, maar dat is een ander verhaal.

Het starten van het brommertje was vaak een ellende. Ik hoef nog steeds weinig moeite te doen om weer te voelen hoe een gloeiend hete knalpijp precies het stukje blote huid tussen sok en zoom van mijn rechterbroekspijp wist te vinden. En dat gedoe met vette en parelende bougies.
De brommer ruilde ik in voor een nieuwe racefiets, een Motobecane. Ook die zou niet al te lang daarna voor ellende gaan zorgen.
Maar de liefde was daar!

17 december 2020

Mundum theatrum est

We spijbelden. We gingen niet ieder naar onze eigen school, maar bezochten op de donderdagochtend van 17 december 1970 om tien uur al het HOT, het Haags Ontmoetingscentrum voor Theaterkunst. Daar waren we beiden regelmatig geweest, maar nooit samen. In deze voormalige gereformeerde kerk aan de Oranjebuitensingel kon je ook terecht voor allerlei koffievarianten en tosti’s.
Mente nam de tram vanuit het Statenkwartier, ik stapte met hetzelfde doel in Monster op mijn brommertje. Het was een grauwe decemberdag, zoals we nu ook meemaken. Bij een stoplicht, niet ver van mijn eindbestemming, stak Boer Koekoek over. Meer kan ik me van die tocht niet herinneren. Ik merk dat ik überhaupt veel minder van die dag weet dan mij lief zou zijn. Ik was dan ook ontzettend gespannen terwijl ik op mijn groene damesbrommertje naar het HOT reed. Mijn leven hing af van de komende uren. Zo voelde dat. Nou ja, zo was het.
Ik weet bijvoorbeeld niet meer wie er het eerste was. Wel dat we niet lang daarna naast elkaar in een hoekje zaten, aan een grote tafel. Verder was er niemand. Het was nog vroeg.

Vanaf april 1968, we waren toen vijftien, hadden we af en toe om elkaar gecirkeld, Mente en ik. We hadden een knipperlichtrelatie waarbij het licht veel langer uit was dan aan, maar intussen had Mente zich voor mij ontwikkeld tot de maat der vrouwen. Niet lang daarvoor had ik een verkering verbroken omdat ik merkte dat het meisje niet genoeg op Mente leek. Dat klinkt drastisch en heftig en zo voelde ik het toen ook. Mente of niemand, zo werd het.
De weken voor die bijzondere ontmoeting in het Hot hadden we eerst wat briefcontact gehad en dat was uitgelopen op enkele ontmoetingen waarbij we het vooral over elkaars beslommeringen hadden zonder het ook maar even over ons samen te hebben.

En toen besloten we zomaar om ook dat eens te doen. Dáárom spijbelden we dus, op de voorlaatste dag voor de kerstvakantie.
Van het gesprek herinner ik me vooral dat het volstrekt onnavolgbaar was. Ik had het lef niet om op te staan en als een flinke vent te zeggen: ik wil jou, helemaal en voor altijd! Stel je toch voor dat Mente zou zeggen dat dat voor haar toch wel wat anders lag. Dan hoefde ik nooit nergens meer op te rekenen. Het was nu of nooit. Dat nooit beangstigde me.
Via een melig, goddank niet afgemaakt verhaal over de prinsesjes Kar en Bo en Naadje - wat iets verraadt over de eetgewoonten bij de familie Borgdorff in die tijd - werd duidelijk dat er nu echt iets moest gebeuren.
Ik bleef onduidelijk, maar stapje voor stapje, van ‘ik wil je graag blijven zien’, ‘meer dan zien’ en ‘eigenlijk voor altijd’ en ‘jij en ik’ werd het Mente duidelijk wat ik bedoelde en was dat waar zij op zat te wachten. Volgens mij werd het pas duidelijk toen ik me voorover boog en haar op haar mond kuste.

Later liepen we over het Malieveld naar het Maerlantlyceum, waar Mente moest oefenen voor een kerstuitvoering van haar school. Zij in haar fraaie, lange oranje-bruine, wollen jas, die haar nog slanker maakte dan ze toch al was, die haar zo goed stond en die erg onpraktisch oogde, ik in een witte canvas jas met grote bontkraag en een grote zwarte veeg vanwege dat verdomde brommertje van me. Pas eergisteren vertelde ze me dat ze dat een stomme jas vond.

We liepen innig verstrengeld over dat wijde Malieveld, moesten nog leren onze gemeenschappelijke cadans te vinden. Dat is gelukt.

15 december 2020

Het is een wonder

De kerstboom die ons dit jaar gezelschap komt houden is een bijzonder geval. Ik zou haar une arbre dansante willen noemen. De boom vraagt om de Franse taal. Nu is arbre van huis uit een mannelijk woord, maar dan is deze arbre is een dochter, en nog wel een dansende dochter. Ze heeft de vormen van een vrouw en ze is volop in beweging.

Dat is ze niet. De vele engeltjes, de ballen, de lichtjes die ze draagt, het hangt allemaal keurig stil te hangen. En toch danst ze. Ze mag dan met een flinke kluit in een grote bak verankerd zijn, ze lijkt te dansen. De stam rijst niet keurig op uit het midden van die fraaie rode bak, maar scheurt in een diagonaal langs de rand.
Dat lijkt op een onhandigheid van de planters, maar zo is het niet. Ik heb dat gecontroleerd. Met al die kronkelingen naar de top zou je aan een mismaakte boom en dus aan een miskoop kunnen denken, maar zo is het dus niet. Het is een dansende boom. In stilstand. Het is een wonder. Nogmaals: je ziet geen enkel engeltje trillen, je hoort geen glazen klokje klingelen, altijd staat de boom stil. En toch lijkt het alsof ze beweegt, je komt haar tegen in haar beweging, als een door Degas geschilderde ballerina.

Het is een wonder dat ze met zoveel flair niet over de rand van de rode bak kiepert waarin ze haar ene been heeft gezet. Ongetwijfeld heeft ze nog een ander been, zoals je bij danseressen van Degas soms ook maar één been ziet, zonder dat je een tweede been mist. Dat been is er wel, zelfs als het niet geschilderd is.

Er wordt in alle verstilling iets groots verricht, hier in huis. En het ziet er naar uit dat de dansende boom dit weken vol zal houden. De boom is veel spannender dan de tv aan de andere kant van kamer. Daarop beweegt van alles wat er niet is, terwijl het scherm onbeweeglijk is. Onze ballerine de Noël daarentegen neemt je mee in haar beweging. Ongrijpbaar, maar niet virtueel, nee, ze is juist zeer aanwezig op haar kleine rode podium, waar ze keer op keer niet van af valt. Kijk, nu al weer.
Had ik al gezegd dat het een wonder is? Het is een wonder.

14 december 2020

Geheime missie

Wel ziek, geen corona, maar wel beperkende maatregelen. Daarom kies ik voor de illegaliteit. Als Mente is weggefietst om zich over kleinkinderen te ontfermen, trek ik buitenwereldbestendige kleding aan, sjor een rugzak om en fiets de poort uit. Even verderop staat de schoolmeester. Hij zwaait naar me. Ik stop en vertel hem dat hij mij niet heeft gezien. Dat belooft hij.
Bij de Kinderboekwinkel staat een rij, net als vorige week. Deze is langer, maar gelukkig minder hardnekkig. Koos en Annette komen even bij me staan. We wisselen wat titels uit, waar ook de vrouw voor me zich mee bemoeit. Haar suggestie neem ik mee, die van Koos trouwens ook, maar dat boek is er niet. Op mijn beurt raad ik de vrouw voor me aan om Monkie van het echtpaar Schubert te kopen. Geen kind mag zonder dat boek het leven in.
Dorothee, de dame van de winkel, doet me nog twee suggesties aan de hand en ik vertrek weer, om later weer terug te komen, want ik laat er mijn notitieblokje liggen, al weet ik dat dan nog niet. Als ik naar buiten loop, is Annette al vertrokken. Ik zie haar even later bij boekhandel Bijleveld. Daar komt opnieuw Koos naast me staan. Ik vertel hem dat mijn missie geheim is. Ik word geacht in bed te liggen dan wel op de bank te hangen. Hij zal zwijgen, belooft hij.
Bij Bijleveld binnen heerst schielijkheid onder het personeel, merk ik. Telkens moet er wel iemand ergens bij een plank zijn waar een klant voor staat die ze vooral niet willen storen. Daarom buigen ze zich om vanaf een afstand te zien of het gezochte boek er staat, of iemand duikt snel achter nietsvermoedende knieholten langs om een greep te doen, niet naar die knieën, maar naar de rug van een boek.
Omdat ik al vrij snel een boek op het spoor ben dat onder de boom mag, denkt elk van de drie personeelsleden wel een, en eentje zelfs twee keer, dat ik wil afrekenen, terwijl ik nog vijf cadeaus te gaan heb. ’t Is allemaal geen sinecure, maar uiteindelijk loop ik met een volle rugzak de winkel uit en bedenk ik dat mijn notitieblokje nog in de Kinderboekwinkel moet liggen. Dat is dom en slim tegelijk. Dom omdat het gebeurde, slim omdat ik het nu al door heb.
Dom is weer dat ik één boek teveel heb gekocht. Dat merk ik thuis pas. Dat kan ik dus pas na 19 januari ruilen. Als de winkels dan al weer open mogen. Zo werpt mijn geheime missie al een schaduw over het jaar dat nog gebaard moet worden.
Thuis tref ik een knipperende telefoon. De jongste heeft gebeld. Dat betekent ook dat zij nu weet dat ik niet thuis was. Ik bel haar terug, natuurlijk alleen maar om haar in het onzalige complot van de illegaliteit te betrekken.

Maar het zou kunnen zijn dat iemand anders mij ook gezien heeft en daar vrolijk over begint. Daarom lijkt het me wel zo verstandig om er nu even over te schrijven.
Als Mente straks weer thuis komt, hang ik kortademig op de bank. Ze zal vragen of er nog wat geweest is. Natuurlijk is er niets geweest. ‘O ja,’ zal ik zeggen, ‘ik heb nog wel een stukje geschreven. Misschien is het handig als je dat nog even nakijkt. Mag ook na het eten, hoor.’
Ik krijg een app’je van de schoolmeester. Hij vraagt of mijn missie geslaagd is. Ik weet niet waarover hij het heeft. Ik ben de hele middag thuis geweest.

13 december 2020

Kerstboom zonder rug

Terwijl hoest en snot en tergende vermoeidheid mij tussen de lakens hielden gisteren, kochten Annette en Jaap de geplande kerstbomen, eentje voor Annette dus, en eentje die niet voor Jaap was bestemd maar voor ons. Ik heb begrepen dat dat gepaard is gegaan met veel gesjouw en zoveel naaldverlies dat men ook de hele auto maar heeft uitgezogen en de vloer in huis heeft gedweild. Mij is dat goeddeels ontgaan, slaap won het van mijn bemoeizucht.

Vanmorgen was het al vanmiddag toen ik wakker werd. Nu de boom stond, kon ik er in ieder geval wel de lampjes in doen, dat was wel het minste wat van mij verwacht mocht worden. Daarna kon Mente aan de slag met de echte versiering. Dat is haar taak. Mente is erg van de engeltjes, wat je bij ons vooral terugvindt in de kerstboom. Het zou aanmatigend zijn als ik me daarmee bemoeide. Mente weet ongetwijfeld wat het beste is voor de boom en voor de engeltjes. Het resultaat is er dan ook naar.

Toch kon ik het niet laten om ondanks mijn wankele staat - nee, geen corona, zo weten we intussen - even naar buiten te stappen om te zien hoe de boom er vanuit de achtertuin uitziet. Dat is een gevoelig punt. Mijn voorbije dagelijkse fietstochten van huis naar school en - aan het vroeg vallende eind van de dag - van school terug naar huis, waren in de decembermaand tochten in het duister. Het betekende zelfs wel dat ik dagen achtereen bij daglicht niet even naar buiten kon maar in plaats daarvan de dag en zijn licht in een schoollokaal aan mij voorbij moest laten gaan.

Op zich hoefde een fietstocht door het donker geen straf te heten – alles liever dan in de auto; het was alleen jammer dat aan buiten zijn geen daglicht meer te pas kwam. Wel was het fijn om thuis te komen. Dan stond het eten al klaar en als ik de achtertuin in kwam, zag ik in de kamer, bij de achtergevel die zo fraai versierde kerstboom. Een punt van aandacht daarbij was dat die niet met zijn rug naar de tuin zou staan. Nu heeft een boom van zichzelf geen rug, maar die krijgt hij wel wanneer die als kerstboom niet rondom versierd is. Die kans loop je als je hem alleen vanuit de kamer bekijkt. Het is wel gebeurd dat we de tuinkant als een te verwaarlozen achterkant beschouwden en dat heeft zich gewroken toen ik een keer thuiskwam en bij de schuur al zag dat de kerstboom mij helemaal niet welkom heette. Een paar lampjes omdat dat nu eenmaal niet anders kon, maar wel slordig verdeeld, en twee, drie balletjes. Dat was het wel zo’n beetje.
Dat was een akelig gezicht.

Let wel, ik zeg niet dat Mente dat toen niet goed heeft gedaan, het versieren. Met de lampjes was het ook helemaal mis en het kan zomaar zijn dat ik tot die tijd ook een groot deel van het versieren voor mijn rekening nam. Ja, vroeger deed ik behalve de lampjes ook de ballen en Mente daarna de engeltjes. Nu weet ik het weer. Misschien is dat wel veranderd nadat ik de kerstboom op een blote rug had betrapt.
Ik kom al een aantal jaren niet meer in het donker thuis uit school, maar als dat wel zo wezen zou, dan nog had ik zeer tevreden kunnen zijn met het resultaat van dit jaar. De boom ziet er aan alle kanten piekfijn uit.

Piekfijn, is dat geen kostelijke grap voor een boom zonder piek?

12 december 2020

Niet met jou mee

‘Dag juffrouw, ik ga niet met jou mee.’
De oorlog is afgelopen. Joop is ooit afgevoerd, zit nog opgesloten in een kamp in Polen, maar daar heeft Sophie geen idee van. Zij, op haar beurt is ondergedoken geweest in Brabant en in Leiden. Hun zoontje Robbie werd ooit ergens ondergebracht. Hoe het hem vergaan is, weet Sophie ook niet, maar ze komt uiteindelijk in Landsmeer. Je leest het allemaal in het boek dat de twee in 1988 uitbrachten, Duet Pathétique.
Sophie loopt een huis in waarvan de deur openstaat. ‘Het eerste dat ik daar zag was een klein jongetje: dat was Robbie! Er was geen twijfel mogelijk! Hij zat lief te spelen. Ik ging naar hem toe, hij keek op en zei: ‘Dag juffrouw, ik ga niet met jou mee.’

Ik hoor het Sophie, die wij overigens Fiet noemden, nog zeggen, met haar heldere, meisjesachtige, stem. Een onvergetelijke stem ook. ‘Dag juffrouw, ik ga niet met jou mee.’ Het klonk parmantig zoals Fiet dat zei; misschien heeft Robbie het ook zo gezegd, al was het maar om dat hem was ingewreven om zo te reageren als een vreemde vrouw of man hem zou aanspreken.

Vorige week kreeg De kaalvreter, de debuutromen van Machteld Siegmann, de CLO Byblosprijs. Toen lag het boek al op mijn leesstapeltje. De mij dierbare psychotherapeut had het voor me meegenomen, dus ik moest het wel lezen. In De De kaalvreter is de hoofdpersoon Leie Rook, die als Leie Blum ooit met een lege koffer werd achtergelaten bij een familie Hardeman en als dochter in dat gezin leeft tot haar huwelijk in 1958. Als jonge tiener krijgt ze te horen dat haar joodse ouders haar hebben moeten afstaan in de oorlog. Leie heeft nog een vage herinnering aan een vrouw die na de oorlog de boerderij van Hardeman opzocht en in het Duits lief bedoelde opmerkingen tegen Leie maakte die haar alleen maar beangstigden. De vrouw logeerde nog even bij de familie. Op een dag vond men haar aan een hanenbalk op zolder. Pas veel later, in 1974, Leie is dan 35, dringt tot haar door dat die vreemde vrouw de persoon was op wie ze altijd, vergeefs, heeft gewacht: iemand zou haar moeten halen. Haar moeder.

Tussen Robbie en zijn ouders is het goed gekomen, voor zover wanneer jonge ouders en kinderen door collectieve mensenwaanzin zo verminkt worden. Joop en vooral Fiet bleven verminkten, hun leven lang. De tijd maakte van Robbie een succesvol man; ik heb hem onvoldoende gekend om te weten wat er allemaal in hem heeft gespeeld. De verstandhouding tussen de pleegouders en de familie Citroen is heel lang uitstekend gebleven. Verwijdering ontstond er pas veel later, toen de pleegouders naar Zuid-Afrika verhuisden en zij steeds meer de juistheid van de apartheidspolitiek gingen verdedigen. Joop heeft daarover alleen maar gezegd dat hij dat niet begreep, het betreurde, maar dat zij de liefhebbende redders bleven van zijn Robbie.

Nu ik De kaalvreter lees, probeer ik me voor te stellen wat er gebeurd was als men Robbies eerste impuls, maar ook die van de pleegouders die veel van hem waren gaan houden, had gehonoreerd: niet met jou mee.

De roman van Siegmann gaat daar niet op in. Dat is een keuze. Wel eentje die het boek een beetje ongrijpbaar voor me maakt. Siegmann kan deze geschiedenis gerust nog eens gebruiken, maar dan rond de vraag, waarom men heeft laten gebeuren wat er gebeurde.
Ook dat wil ik graag lezen.

Sophie en Joop Citroen, Duet pathétique, belevenissen van een joods gezin in oorlogstijd: 1940 – 1945, Utrecht 1988. Machteld Siegmann, De kaalvreter. Amsterdam 2019.

11 december 2020

Even wachten nog

Er is veel gedreutel en gewarrel en ander gelijksoortig onaangenaams. Door hoofd, keel en longen graaft een naar, slijmerig beest zich een weg. Ik blaas en tier, snuif stevig wat zoutoplossing naar binnen , ik slik broom en drink veel water om te voorkomen dat het zijn weg vindt naar die diepe holtes en holtetjes van geniep. Mijn kaakholtes zijn klein, er ontbreekt er zelfs eentje en de wegen ernaartoe zijn, ook na een chirurchische verbreding ooit, niet meer dan smalle paadjes. Ik zou daar niet over moeten klagen, want het ongemak is in het verleden veel groter geweest en het jaar 2020 was een voor mij opvallend gezond jaar. Dat heeft allemaal met Covid-19 te maken.

Maar nu vergroot datzelfde Covid-19 mijn onbehagen. Zo zouden Annette en ik in mijn riante arrenslee naar het verre Groenekan rijden om daar twee kerstbomen in te slaan, eentje voor haar en haar dierbare en eentje voor Mente en mij.
Onderweg zouden mensen zich hebben kunnen verlustigen in het rinkelen van de vrolijke belletjes en het zachte gebries van een paard en wij zouden zingen. Geen Mariah Carey, geen Jingle Bell Rock, nee, wij zouden de engelkens door het luchtruim laten zweven, juichen en jubelen zouden wij en de dagen prijzen en God roemen. Ook zouden de mensen langs de weg zien hoe mooi de bomen waren die we hadden gekocht.

Omdat de klachten alleen maar toenemen en ik me gisteren, op aandringen van de rest van de mensheid, heb laten testen, zat deze mooie jaarlijkse tocht er niet in. Daarom staat er nu nog geen boom in de kamer of in de tuin, ook niet bij Koos en Annette. Die boom zit wel in ons hoofd, als een stekelig gemis.
Met diezelfde arrenslee had ik de deuren van geliefden langs willen gaan om stilletjes een hartverwarmende wens door de bus te laten glijden. De kaarten liggen klaar, staan pontificaal op mijn takenlijstje en bonken in mijn kop. Achter de computer houd ik mij onledig met allerlei organisatorische klusjes die altijd al graag een route afleggen via mijn levensweg. Nu vergissen mijn vingers zich van nature al regelmatig en dat wordt niet minder, maar met een snotkop is het met de bedrading die snel en doeltreffend denkwerk mogelijk maakt ook niet goed gesteld.
Dat is de bittere waarheid.

Het zou de geest ontlasten als ik dus wel op de arrenslee had kunnen klimmen voor een kaartje hier en een kersboom daar en ergens naar binnen te stappen voor een kop koffie.

Ook het telkens weer raadplegen van mijn mobieltje om te zien of de negatieve uitslag er al is, leidt tot improductiviteit en maakt het moeilijk om me een beetje te concentreren. Morgen moet ik nog van alles regelen. De boom en de kaarten komen hopeloos in het gedrang.
‘Misschien is de uitslag straks wel positief,’ zegt Mente. Ik moet even slikken.

Nu ik dit stukje tik, komt er een berichtje binnen. Wacht even.
Nee, geen uitslag. Het is een bijbeltekst, zonder aanhef, zonder commentaar ook. Ik weet wel hoe dat zit: ik had erom gevraagd, omdat ik dan niet hele teksten hoef over te tikken. Toch kijk ik er wel een beetje van op nu op het scherm van mijn mobieltje spontaan de tekst van psalm 2 tevoorschijn springt:

Waartoe leidt het woeden van de volken,
het rumoer van de naties? Tot niets.

Goed, ik zal proberen in te binden en mijn lot wat kalmer te dragen.

10 december 2020

Fles keutels

‘Een fles bloemkolen kende ik wel, maar dit…’
De buurman kijkt me een beetje verdwaasd aan.
‘Bloemkolen?’ Hij begrijpt me niet.
‘André van Duijn,’ probeer ik nog. Vergeefs. Blijkbaar was de buurman vijfentwintig jaar geleden niet bezig met de Buurtsuper van Van Duijn.

Zij van hiernaast zijn net terug van een paar dagen Drenthe. Dat doen ze vaker en tijdens hun Drentse dagen zorgen wij voor de katten. Ik bedoel: dan zorgt Mente voor de katten. Zijn de buren weer terug, dan wordt er regelmatig even aangebeld.
De buurman heeft een pakje bij zich dat duidelijk laat zien dat er een flesje inzit. Drentse vlierbessensap gok ik, maar het blijkt te gaan om een flesje echte Drentse schapenkeutels, volgens het etiket dan. Dat is het moment waarop ik dus zonder succes de fles bloemkolen in de strijd gooi.
Overigens zitten er helemaal geen schapenkeutels in de fles; het zijn dropjes, van die zachte kokindjes. Die hebben inderdaad wel iets weg van schapenkeutels, maar de associatie is nieuw voor me. Het is wel verwarrend: drop in een fles voor appel-, peren- of wat voor sap dan ook, en daar dan ‘schapenkeutels’ op zetten.
Zou daar in Vledder, Roden of Dwingeloo iemand op het idee gekomen zijn als André van Duijn in zijn Buurtsuper niet een klant had gehad die om een fles bloemkolen had gevraagd?

De schapenkeutels zijn dropjes. Zo zien ze eruit en zo smaken ze ook, merken we meteen. De buurman bedankt; hij hoeft geen drop. Misschien is dat wel een teken, bedenk ik later.
‘Dat had je niet moeten doen,’ zegt Mente en daarmee bedoelt ze niet dat dit het verkeerde cadeautje is, want dat is het niet. Wij zijn dol op drop.

Lang geleden, de buurman moest nog geboren worden, waren zwartwitdropjes populair. Bolletjes met een scherpe, ik vond, betoverende smaak. Nogal brossig, ze konden makkelijk op je tong uiteenvallen. En ze leken op konijnenkeutels. Of liever omgekeerd.
Wij waren net terug uit een duinbos, Ockenrode. Daar kwamen we vaak, ook deze zondagmiddag. Wie die ‘we’ waren? Mijn vader waarschijnlijk, broers, zussen misschien ook, maar in elk geval was mijn vriendje Dirk er bij. En mijn moeder natuurlijk, want zij gaf ons in het bos zo’n zakje met salmiakbolletjes. Zij leken inderdaad op de konijnenkeutels die we volop tegenkwamen. We raapten er een stel op en namen ze mee.
Eer we weer thuis waren, was er van de oorspronkelijke inhoud van de zakjes niet veel meer over. We gooiden een handje keutels bij de resterende dropjes in het zakje. We hadden een plan.

En dat konden we meteen uitvoeren, want toen we de poort achter ons huis in liepen, troffen we Ireen aan, mijn buurmeisje, twee jaar jonger dan wij. Ik deed alsof ik nog zo’n salmiakballetje uit het zakje plukte en in mijn mond stopte.
‘Zo is het wel genoeg, hoor,’ zei ik. ‘De rest is voor jou.’
Ireen plukte ook een dropje uit het zakje. Het was een dropje. Het tweede dropje was dat niet.
Ze spuugde het uit en begon te huilen. Dirk en ik hadden dikke pret.
Dat spijt me. We hadden niet moeten lachen, we hadden verbijsterd moeten reageren, alsof we niet begrepen wat er aan de hand was.

De schapenkeutels zijn nog niet op. Er zou zomaar een echte in de fles kunnen zitten.

09 december 2020

Onderscheid

‘Ik heb nu toch ook mijn meerdere moeten erkennen,’ zei de mij dierbare psychotherapeut en hij vertelde dat een collega van hem benoemd was tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. We reden over mij niet erg bekende smalle weggetjes en ik zat achter het stuur, dus ik hoefde niet onmiddellijk te reageren, maar zijn opmerking gaf me stof tot nadenken.
De psychotherapeut en ik ontvingen dit jaar een koninklijke onderscheiding, zaten twee maanden later in dezelfde shift van mensen die hun lintje kregen uitgereikt. De mij dierbare psychotherapeut werd ridder, ik lid. Als lid hoor je bij het voetvolk, je bent een soort onderscheiden werkster, om even te refereren aan een gedicht van Achterberg. Natuurlijk hebben we dat onderscheid wel tegenover elkaar uitgespeeld, waarbij ik hem duidelijk maakte dat mijn lidmaatschap iets zegt over de mij kenmerkende bescheidenheid en dat dan tegenover een ridder die hoog te paard er alles aan doet om gezien te worden. Waarop hij me dan weer zei dat hij erg blij voor me was dat ik het onderscheid tussen ons twee op deze manier een voor mij acceptabele plaats kon geven.
Nu maakte hij met zijn opmerking duidelijk dat het onderscheid tussen ons voor hem blijkbaar nog speelt, wat wel blijkt uit het feit dat ik achter het stuur zat als een Ab Doderer en hij zich liet rijden als een Freddy Heineken. Maar wel gezellig samen ontvoerd.

Tijdens onze fietstocht door het koude, mistige en royaal berijpte Groene Hart was van dat onderscheid niets te merken. We gingen als gelijken met elkaar om.
Dat wil zeggen. Ik haalde hem op en daar kon ik even zijn fietsdrager onder de kapstok bewonderen. Die was veel lichter dan de mijne; hij zag er ook veel geavanceerder uit. Die van mij is handig, maar je tilt je er een breuk aan.
Intussen is de mij dierbare psychotherapeut ook eigenaar van de Rolls-Royce onder de fietsen, een Santos, en dan nog wel eentje met rohloffnaaf. Jawel. Ik tilde hem op mijn drager en merkte hoeveel lichter die was dan mijn Snelfiets. Ach ja, de ridder en het lid.

Misschien is onderscheid juist relevant als verschil in kwalitatieve zin amper een rol speelt. Ik denk dat de mij dierbare psychotherapeut dat aangaf toen hij zei dat hij in sinds vorige week iemand zijn meerdere moest erkennen. Dat was een hem dierbare collega en plotsklaps was daar dat onderscheid. De een schildert, de ander speelt piano; dat is een verschil. Jij hebt een zeven en ik een acht is een onderscheid. De acht merkte dat op het moment dat zijn buurman een negen kreeg. (En een tien buigt voor een elf, al was het maar om die bijzondere puntoren eens van dichtbij te zien.)

Na de smalle weggetjes ging het allang weer over iets anders. Mijn vingers hadden de kou bij het fietsen maar met moeite doorstaan, bij hem waren het zijn tenen. In de auto terug ontdooiden ze gelukkig. Over het leuke gevoel van de stukjes ijs die van de bomen gleden en soms tegen onze oren tikten hadden we het. Over Flakkee, bevindelijkheid, over demonen ook, de PvdA en de Christen Unie, vrijgemaakten die zich Gereformeerd noemen, en daaraan toevoegen: dus vrijgemaakt.
En over de volgende keer dat we weer gaan fietsen. Wie weet wel dezelfde route, in omgekeerde richting. We moeten ook nog een keer naar Oeke.

08 december 2020

Guilty pleasures

Gelukkig vond ik zojuist op de site van Radio 4 als cd van de week ‘Per la notte di Natale: Italian Christmas Concertos’. Dat is maar goed ook, want op radio 4 zelf is het maar huilen met de pet op. Er is een schat aan klassieke kerstmuziek, genoeg om vele decembermaanden mee te voorzien. Doe dat dan! We hebbben tien of elf maanden over om andere muziek te horen.
Ik wil de weg naar Kerst bewandelen met een zich zuiverend hartje, maar dan moet ik daar muzikaal wel bij geholpen worden. In mijn wanhoop zocht en vond ik, op het nippertje, toch nog heil bij Radio 4 dankzij deze cd. Maar een aparte speellijst met kerstmuziek vind ik nog niet, wel eentje met zgn. guilty pleasures. Jammer. Dat is een vervelende term. Je geeft er iets mee aan waar je maar beter niet te koop kunt lopen. Of je suggereert dat is verkeerd terwijl dat helemaal niet zo is. Nee, je wilt niet van slechte smaak beticht worden terwijl iets toch je smaak is en daarom offer je sommige muziek die je graag hoort publiekelijk op, enkel om je eigen gezicht te redden. Dat is laf. Waarom zou ik ‘Cent milles chansons’ een guilty pleasure noemen? ’t Is trouwens ook erg sneu voor Frida Boccara. Bij nummer 1 op de lijst, Whiter shade of pale, vind ik het wat moeilijker, maar dat zit hem meer in de ‘pleasure’ dan in de vraag of die wellicht ‘guilty’ is.
Als opmaat naar Kerst, en daar gaat het nu even om, is het een slechte start. Val een hartje dat zuiverheid en reinheid zoekt niet lastig met een misleidende, dan wel hovaardige term als ‘guilty pleasures.’ Bij de Intratuin in Ter Aar is een leuke Madurodamachtige en dus ook weer ‘guilty pleasure’-gevoelige opstelling van een dorpje met allerlei winterjolijt. Maar je wordt er intussen gek gemaakt door een kakafonie van tinkeldinkeldeuntjes afkomstig van mechanisch bewegende molens, schaatsertje en wat al niet. Let wel: die komen niet uit het miniatuurdorpje voor je, maar van de schappen achter je. Daar kun je allerhande beweeglijk kerstspul kopen, voor een bedrag van 40 tot 100 euro, ook een Coca Colatrein bijvoorbeeld. En dat is allemaal zo slecht voor het zuivere, voor het goede ontvankelijke kersthartje.

Vandaag ontvangen wij onze eerste kerstkaart, met dank aan mijn zus. Het is een witte correspondentiekaart met daarop een zelf gehaakte kerstboom en een persoonlijke, met de hand geschreven boodschap. Zo hoort het. Mijn zus komt uit een goed nest, dat merk je meteen.
Ik streef een zuiver en rein hartje na met Kerst, en daar helpen kaarten enorm bij. In dat opzicht is mijn hart trouwens bijzonder groot. Het mooist zijn uiteraard de persoonlijke kaarten zoals die van mijn zus, handgemaakt en/of hoofdbedacht, maar een bij het Kruidvat gekochte kaart met een sneeuwpop aan de ene kant en aan de andere alleen maar een naam is ook goed. Of een online bestelde hallmarkkaart.
Slecht daarentegen zijn kerstgroeten die via de mail binnenkomen, behalve als ze afkomstig zijn van een negentigplusser, want dat dwingt weer bewondering af. Voor het overige is een digitale groet eerder een demonstratie van gemaktzucht en een gebrek een persoonlijke betrokkenheid bij de ontvanger. Geen pleasure, wel guilty. Ik delete ze doorgaans knarsetandend. Doorgaans, en dat zegt al genoeg, komen die dingen pas op het laatst binnen, als dat hartje van je bijna de gewenste staat van zuiverheid heeft bereikt. Dan plopt er toch nog zo’n gratuite kerstwens in je mailbox. Bah.
Niet doen.

06 december 2020

Gaan en komen

Het is alweer de tweede zondag van advent en dat betekent dat in de kerk het tweede kaarsje aangestoken wordt. Ondanks zijn oorsprong, zijn naam en zijn status bij leven, ondanks de vele kerken die naar hem zijn genoemd, ondanks ook de icoon bij ons in de kamer met daarop zijn beeltenis is alle heiligheid om Sint-Nicolaas heen verdwenen. In kerken gaat het om Bethlehem en Jeruzalem en niet om Madrid of een stoomboot. Aan het begin van de kerkdienst hebben we een storing van de geluidsinstallatie. We horen een snel getik, alsof het paardenvoetjes zijn. Trippeltrappeltrippeltrap… Weg is hij.

Op straat zie ik later het jongetje van twee huizen verder bezig om met een afstandsbediening zijn jeep over het asfalt te laten scheren. Hij kan zelfs tegen niet al te hoge stoepranden op waarna hij als een agressieve teckel een aanval op mijn voeten lijkt te gaan doen. Voor het zover is, kukelt het autootje van het trottoir en ligt het ondersteboven wanhopig met zijn wieltjes te draaien. In de loop van de dag wordt duidelijk dat er bijzonder veel stepjes cadeau zijn gedaan door de sint. Alle kinderen zijn buiten en allemaal hebben ze een step.

Gisteren heeft Mente de sinterklaasvitrine leeggeruimd. Het dringt pas tot me door als het bezoek is vertrokken.
’s Middags, na een kom heerlijke soep, vertrek ik om halverwege aan te sluiten bij de stoet fietsers die van het Jaarbeursplein naar Rhijnauwen trekken om hun ongenoegen te laten blijken over het weer van stal gehaalde, onzalige en met de jaren alleen maar onvanzelfsprekender geworden plan om de A27 te verbreden en zo de schrale long die de stad Utrecht nog meer geweld aan te doen. Tegen rokers die het benauwd krijgen en hoesten, zou je zeggen: stop met roken. Minister Cora van Nieuwenhuizen vindt zoiets een slecht advies en haalt liever die hele long weg. Dan houdt het hoeste wel op. Het is droefmakend.

Als ik bij de grote weide van Rhijnauwen mijn fiets gestald heb, loop ik achter een Jozef en Maria aan. Hij loopt op blote voeten, zij laat een lange rok om haar benen zwaaien. Als ik ze heb ingehaald, kijk ik even om. Nee, geen Jozef en Maria. Jammer.
Het doet me plezier een aantal oud-collega’s tegen te komen. ‘We moeten niet moe worden,’ zeggen Hendrik en ik tegen elkaar. ‘Over twintig jaar staan we hier weer.’ Dat spreken we af. ‘Hopelijk om te vieren dat we met elkaar tot betere inzichten zijn gekomen.’ Het is koud. Koud genoeg om naar een warme stal te verlangen. Koud genoeg om je te warmen aan ontmoetingen en aan de enthousiaste woorden van jonge mensen. Aan het gezelschap van Hendrik die me aanvankelijk niet eens herkende. Ik voel me naast hem een wat oudere, uitermate tevreden herder. Er is trouwens ook een kar die soep verstrekt, maar een tweede keer soep laat ik aan me voorbijgaan.

Er ligt nog een stukje banketstaaf op het aanrecht en een klein zakje pepernoten, zie ik als ik weer thuis kom. Die noten zijn voor vanavond bij de koffie. Ik zie ook dat Mente intussen de adventsster heeft gevonden. Als ik die voor het raam gehangen heb, fluit ik op mijn vingers. Niet om het paard Ozosnel terug te roepen, maar om de drie koningen uit dat zo ver weg gelegen oosten duidelijk te maken dat ze op hun kamelen kunnen stappen om deze kant uit te komen.

05 december 2020

Weg

‘O, er ligt hier trouwens iets voor je.’ Mijn dochter kwam de kamer binnen en gaf me een amaryllisbol, ingepakt weliswaar maar dat in het kristalheldere cellofaan dat iedere bloemist wel op de rol heeft.
Er zat een briefje aan en daarop stond een gedichtje waarvan vooral de ondertekening interessant was. ‘Sint’ stond er onder dat gedicht.
Dus dat was niet zomaar een toevallige, voor mij bestemde bloembol, dit moest de ouverture zijn voor een heuse sinterklaassymfonie. Alleen, waarom maar één bol? Waren er dan niet nog meer pakjes?
We liepen de tuin in. De bol had op de tuintafel gelegen, vertelde mijn dochter.
Waren er dan geen cadeautjes?
We liepen naar de poort. Lucas in zijn pietenpak liep voorop. We vonden niets, niet in de tuin en ook niet in de poort. In de schuur kon niet, al wist Lukas wel te vertellen dat daarin vorig jaar de pakjes lagen. Maar de schuur zat op slot.
Nee, toch niet, hij zat niet op slot. Toen we onverrichterzake van het poortje de tuin maar weer instapten, stond de schuurdeur op een kier.
‘Ik heb ze gevonden,’ riep Lukas. ‘Kom ‘s kijken, allemaal pakjes. Zakken met cadeautjes.
Ik maakte een foto van Lukas met zijn verhitte, intense en stralende kop.
Even later bleek dat hij nog net een glimp van de sint had gezien en ook van een paar pieten. Dat zijn zijn collega’s in spé, want zoveel weet hij wel: als hij groot is, wordt hij eerst brandweerman en daarna piet, een combinatie die mij wel handig lijkt.
Na de pakjesparade - waarbij ik inderdaad het door mij verlangde vultpotlood kreeg, waarvoor dank, en ook nog bedankt voor de amaryllisbol, Sint - nam ik de foto’s nog eens door die ik die avond had gemaakt. Die van de in zijn bol van aangename verbijstering opgenomen Lukas aan het begin is er een om te bewaren, zoals ik ook een foto heb uit 1986. Daarop zie je een gespannen Jaap van ruim drie jaar over de daken uitkijken, omdat zijn broertje de sint daaroverheen had zien rijden, op zijn paard.
Het heeft er alle schijn van dat jongetjes die zoiets verzinnen er zelf in geloven, de magie van de fictie, wat heel iets anders is dan fake news. Bij zulk nieuws gaat het niet om magie maar om duivelse bezwering. Voor het een kun je terecht bij de betere boekhandel, voor het ander kun je beter contact opnemen met een psychotherapeut. Als het al geen geval van hersenkrimp is. Bij kinderen hoeven we daar nog niet mee bezig te zijn. Daar zit nog zoveel gezonde groei in.
Dat kinderen helemaal opgaan in de wereld van de sint verbaast me niet, wel dat ze zo spontaan met hun eigen aanvullingen en ‘waarnemingen’ daarop komen. Ik zie Jaap nog, zoals hij door het dikke glas dat als hek diende voor het dakterras met zijn ogen vergeefs probeert om de sint die zijn broer voor hem oplepelde, te recreëren. Hij was teleurgesteld.
Om mee te bewegen met Lukas z’n leugenachtige waarneming van een sint en wat pieten die hij had gezien, ben ik nog even de poort in gelopen. Waarom hoopte ik tegen beter weten in toch een fleurig broekje van een piet om de hoek van de poort te zien verdwijnen? Er was niets. Ik maakte er zelfs een foto van, van die lege poort, want je weet maar nooit. Ik heb hem later nog aan Lukas laten zien.
Ik had pech gehad, volgens Lukas, want toen ik die foto nam waren ze al lang weg.
Ik begrijp dat ik alert moet blijven.

04 december 2020

Kleine mislukte god

Een paar jaar later nam ik deel aan dat wat voor mijn kleine broertje nog een groot geheim moest blijven. Ik mocht de pakjes voor de voordeur zetten. Daarna moest ik daar hard op bonzen en vervolgens wegrennen. De poort door. Om het echt te laten lijken, zou ik mijn zelfgemaakte roe van rode takken meenemen en ook zou ik een papieren mutsje opzetten dat een echte piet niet zou misstaan. Ik had ze al klaargelegd op de vuilnisbak, want dat was de bedoeling. Ik zou toevallig even in de tuin zijn. Omdat er iets met de kat was of zo. Ik wist wel dat niemand iets te zien zou krijgen van de twee attributen op de vuilnisbak, want ik moest mijn taak ongezien uitvoeren, maar als je voor piet speelt, moet het wel een beetje lijken.
Samen met mijn vader zette ik de twee zakken voor de voordeur. Nu moest ik vlug omlopen, de poort door. Dus eerst de lange tuin, dan links achter de huizen langs van ons blok, weer links naar de weg en ten slotte links en dan voor de huizen langs.
Maar ik was slim en lenig, dus in plaats van door de poort een hele U te lopen, klom ik snel over het muurtje aan de ander kant. Hup, hup, springen en hup via het brede pad van de buren, naar de voordeur. Het ging voortreffelijk. Op de terugweg zou ik hetzelfde doen. Het zou zo snel gaan: als ik een beetje geluk had, zat ik alweer in de kamer terwijl de anderen nog bij de voordeur naar die twee zakken stonden de kijken. Mijn grote broer zou zich ongetwijfeld hardop afvragen of hij niet nog ergens een piet zag.

Ik schoot ons voortuintje in, bonkte hard op het gebobbelde glas van het tweede ruitje van boven. Mijn vuist ging er dwars doorheen. Voorzichtig trok ik hem terug. Bloed aan alle kanten. De deur ging open. Ik zei nog manhaftig dat ik een piet had gezien, maar vooral herinner ik me de grijnzende kop van mijn grote broer. In de keuken ontfermden mijn moeder en een zus zich over de bloedende vuist. Zaten er geen splinters meer in? Mijn vader was op zijn knieën bezig om de scherven op te vegen. Allemaal omdat ik… Pa had ook al een stuk karton achter het gat geplakt toen ik met een verbonden hand de kamer in mocht, waar mijn broertje gebiologeerd naar de twee zakken zat te kijken. Alle consternatie was hem op deze bijzondere avond ontgaan.

Ik voelde me die avond een kleine mislukte god, met die overbodige roe, dat rare petje en vooral dat verband om de hand waarmee ik zo gretig de voor mij bedoelde pakjes had willen uitpakken.

De volgende dag al kwam er een nieuw ruitje. Weer bobbeltjesglas, maar van een iets andere structuur. De dag daarna zag het nieuwe ruitje er nog steeds iets anders uit. En dat is jaren zo gebleven. Een treiterig ruitje was het, dat tweede ruitje van boven.

Op Streetview zie ik dat het huis een andere voordeur heeft. Bij de buren niet. Dat was ook niet nodig. Die deur heeft nog keurig vier ruitjes van hetzelfde bobbelglas.

03 december 2020

Of hij bestaat

Sinterklaas blijft me bezighouden en dat terwijl mij al vrij vroeg duidelijk verteld is dat hij niet bestond. Was ik zes of zeven, zit ik me af te vragen. Wel weet ik waar het gebeurde. Dat was in de Choorstraat in Monster. Nu woonde ik zelf in die straat, maar dat was in het gedeelte buiten het dorp, terwijl je dit verhaal moet situeren ter hoogte van de woninginrichting van Piet Kuijvenhoven, een oudoom. Het was ochtend en we waren op weg naar school, mijn broer en ik, en toen vertelde hij het me. Niet eens zozeer als een geheim dat hij met me wilde deelde of een voorzichtige poging mij in de andere wereld te doen geraken. Hij zei vol bravoure dat al dat gedoe rond de sint maar flauwekul was. Hij was mijn grote broer, van tien of van elf, dus hij zou het wel weten. Ik hield me groot en zei dat ik dat allang wist.

Sinterklaas had afgedaan, maar toen het heerlijk avondje aanbrak en er op de voordeur werd gebonkt, en mijn moeder me stimuleerde om met haar mee te gaan om te kijken wat er aan de hand was, liep ik wel mee de kamer uit, maar verder durfde ik niet. Een confrontatie met Piet of Sint bleek toch teveel gevraagd. Ik dook de keuken in en verstopte me achter een muurtje om vandaar heel voorzichtig af en toe om een hoekje te kijken wat er aan de andere kant van de gang gebeurde. Dat lukte slecht, want daar stond de rest van het gezin samengedrongen in de opening van de voordeur en er zat een knik in de gang.
Ik herinner me nog de koelte van de gele tegeltjes in de keuken. Daar had ik mijn wang tegenaan gedrukt. De tegeltjes boden me troost omdat ik me ervoor schaamde dat ik toch niet had gedurfd. Omdat mijn oplaaiende angst me verbijsterde, de angst voor iemand die niet bestond en dat dat was omdat hij wél bestond.
De voordeur ging weer dicht en mijn ouders, zussen en broer sleepten goed gevulde kussenslopen mee. Ze keken me allemaal lachend aan. Ze lachten me toe, ze lachten me uit, het was alletwee waar, zoals het ook waar was dat Sinterklaas niet bestond, ook al bestond hij wel.

Blijf ik zitten met de vraag wanneer dat nou geweest is. Dat ik zeven was, lijkt me nogal onwaarschijnlijk, want ik was nogal jong van Sint los, dat weet ik wel. Dus zes? Misschien was ik zelfs nog maar vijf. Want waarom zou ik door de Choorstraat langs oom Piet lopen als ik naar de lagere school liep? Dat deden we nooit. Dan sloegen we altijd veel eerder al rechtsaf de Kampschoërstraat in. Maar voor de kleuterschool achter De Wilde liepen we verder door de Choorstraat. Bij mijn schooltje liep mijn broer dan door naar zijn eigen school. Dat was iets om, maar niet veel.

Wat ik zeg: Sinterklaas blijft me bezighouden.

02 december 2020

Scheet

Pieten hebben de meeste lol als je er eentje aan zijn uitgestoken vinger trekt. Dan duiken ze met hun mond in hun elleboog en doen het geluid van een scheet na. Dat is lachen.
De eerste keer dat ik dat zag op het Sinterklaasjournaal, was ik verbijsterd over zoveel stompzinnige viezigheid.
Het is een oude grap, dat met die vinger. Mijn vader had er veel plezier in. Maar als je bij hem aan zijn vinger trok, waren de gevolgen ernstiger. Hij liet een echte scheet.
Dat vond ik verschrikkelijk en dat vond mijn moeder ook. Anderen konden er de lol blijkbaar wel van inzien. Er was in elk geval altijd iemand te vinden die op diens verzoek aan de uitgestoken wijsvinger van mijn vader trok. En dan kwamen altijd luidruchtig telkens weer bedenkelijke gassen vrij.
‘Acht gat,’ riep ik dan en liep de kamer uit.
‘Viezerik,’ zei mijn moeder.
Mijn vader kon er, vond hij, niets aan doen. Er trok nu eenmaal iemand aan zijn vinger. O, wat had ie dan weer een lol. Het gebeurde zo vaak dat ik er toch ook een zekere bewondering voor heb gekregen. Bij Pa zat de kracht van een grap in de herhaling. Daar heeft zijn nageslacht de nodige herinneringen aan over gehouden.
Regelmatig zei hij, alsof hem van ver een lang vergeten voorval te binnen schoot: ‘Wij hadden thuis een kabinet.’ Dan lagen we alweer krom over de tafel. Vorige week zei mijn broer het plotseling en weer lachten we. Later moest ik er wel over nadenken hoe het verhaal verder ging, want dat vervolg kwam er bijna nooit.

Die Pieten proesten dus in hun elleboog als iemand aan een vinger trekt en daarna lacht iedereen. Dat doe ik intussen ook. Het wordt pas leuk als kinderen het doen. Vorige week stak Markus me een vingertje toe.

‘Tekke, Opa.’
Dat proesten in een elleboog zat er bij hem nog niet in, dus dat deed zijn broertje maar. We lachten alle drie. Ik weet niet of dat broertje - ik heb het over Lukas - weet wat dat geproest moet voorstellen. Als dat wel zo is, dan zal hij er vast en zeker de grootste lol om hebben, want hij aardt naar zijn overgrootvader.

Voor mij ligt het vriendenboek van Lukas’ vriendje Miel, het is een Dinovriendenboek. Daarin lees ik dat Lukas later Piet en brandweerman worden wil. Bij zijn favoriete sport staat ‘scheten laten.’ De bladzij eindigt met de vraag ‘wat ik voor jou wens.’ Het antwoord dat Lukas zijn moeder heeft gedicteerd: ‘Veel samen scheten laten.’

Ik moet aan Komrij denken. Die laat een gedicht eindigen met deze woorden:
‘O, nergens heerste er ooit zo'n rust. Slechts
Af en toe klonk uit een urn een kreet.’


Denkend aan mijn dode vader maak ik er maar even dit van:
‘O, nergens heerste er ooit zo'n rust. Slechts
Af en toe klonk uit een graf een scheet.’


Van de mijn vader dierbare Maarten Luther zijn de woorden ‘Aus einem verzagten Arsch kommt kein fröhlicher Pfurz’. Daar maakte diezelfde Gerrit Komrij van: ‘Uit een treurige reet komt geen vrolijke scheet.’ Nou, Pa, zo kan die wel.

01 december 2020

Ik ben toch zeker sinterklaas niet

Om de uitstroom van leerlingen en de opstopping van wachtende ouders, grootouders en begeleiders van de BSO te spreiden hanteert de school van Lies en Klaas verschillende eindtijden. Die variëren van twee uur tot half drie. Lies mag om tien over twee naar buiten, maar ze is nooit de eerste van haar klas. Ik kijk omhoog naar het lokaal van juffrouw Gemmeke. Er brandt geen licht. Volgens mij is het leeg.
Het lokaal daar schuin onder en meer mijn kant op niet. Daar zit juffrouw Gemmeke wél.
Tien jaar geleden zat ze een paar jaar bij mij in de klas, samen met Moniek. Intussen staan ze al enkele jaren voor de klas op de basisschool van Lies en Klaas. Het zou leuk geweest zijn als die bij een van de twee jufffen in de klas hadden gezeten, maar zo is het niet.
Ik kijk de juffrouw recht aan. Volgens mij ziet ze mij ook, maar zeker weten doe ik het niet, want ze praat gewoon door tegen de klas. Als ik zwaai zwaait ze terug. Ze ziet me dus wel. Nog steeds praat ze door. Dat ging haar tien jaar geleden ook al goed af. Ik herinner me nog dat ze vertelde juf te willen worden. ‘Mooi zo,’ had ik gezegd, ‘dan is het onderwijs gered.’ Ik hoop dat ze er nog heel lang plezier in mag hebben.

De kinderen zitten met hun rug naar me toe, maar plotseling niet meer. Ze kijken allemaal mijn kant uit, springen vervolgens van hun stoeltjes en drukken hun gezichten tegen het raam. Ze zwaaien allemaal naar me.
Ik voel me een beetje als Sinterklaas, terwijl al die kinderen uitbundig zwaaien en de juf het raam opendoet. Ik zwaai terug, bescheiden, zoals dat past bij sinterklaas, ik knik ze ook toe, voorzichtig, want mijn mijter mag niet vallen.
‘We zijn bezig met gedichten,’ roept de juf, ‘dus u komt precies op tijd!’ Ik betrap me erop dat mijn mondhoeken naar mijn oren trekken.
Even later gaan de kinderen weer zitten. Ik kijk om me heen en zie hoe andere ouders naar me kijken. Alsof ik echt sinterklaas ben.

Dat geldt niet voor Liesje die over het schoolplein op me af rent. Dat is te zeggen…
Later in de middag vraagt zij me of ik haar kan helpen met een gedichtje voor een klasgenoot, voor Lot. De surprise is al klaar. Op school is met een vragenlijstje al wat voorwerk verricht en zo weet ik dat Lot dol is op het hondje van de buren, van sushi houdt, graag tekent. Lies zorgt voor aanvullende informatie.

Als we het gedicht af hebben, schrijf ik mijn naam eronder: Sint.
‘Doe maar ‘Liefs, Sint,’ zegt Lies.
Dat doe ik, Sint meent het immers goed.

29 november 2020

Niet verder vertellen

Om zowel onze middelste als de horeca te ondersteunen fietste ik vanmiddag naar een restaurant aan de zuidkant van de stad, dichtbij Station Vaartscherijn. In het geval van de middelste dient die ondersteuning zowel een maatschappelijk als een vaderlijk doel. Het blijven je kinderen, nietwaar.
Daar komt bij dat we minder langdurig en ook niet culinair creatief in de keuken hoefden te staan. Punt vier: het ophalen van het eten liet zich heel goed combineren met mijn behoefte om even te gaan fietsen.

Op de terugweg fietste ik over het Ledig Erf, waar ik gisteren nog als toeristische wandelaar had gelopen, en vorige week met de jongste de film van Freek de Jonge bezocht. Dat was in het Louis Hartloopercomplex, maar in de tijd dat ik er honderd meter vandaan woonde, was dat nog een politiebureau.

Op een koude februariavond in 1980, denk ik, kwamen Mente en ik uit het Academisch Ziekenhuis, toen net als onze woning te vinden aan de Catharijnesingel, twee- driehonderd meter lopen, dan had je het wel gehad. We hadden een collega bezocht. Aan de overkant hoorden we geroep. Daarom staken we de weg over. Het was niet goed te zien wat er aan de hand was. Ik liep het talud af naar het water, was al bezig mijn jas uit te trekken. Mente was intussen weggerend, ons huis voorbij, naar het politiebureau.
Het leek me wel stervenskoud, dat water. Er lag een dun laagje ijs op. Het geroep klonk akelig en serieus. Er was hulp nodig! Ik tuurde en tuurde en kreeg steeds meer de indruk dat er niet iemand in het water lag. Dat vond ik een hele geruststelling, eigenlijk meer voor mezelf dan voor het slachtoffer. Ik had mijn jas al weer aan en rende alsnog achter Mente aan. Het geroep moest uit het park aan de overkant van het water komen. En daar kwam je toen alleen via het Ledig Erf.
Even voorbij het politiebureau zag ik twee agenten voor me uit rennen, Mente rende tussen ze in. Twee tellen later haalde een derde me in.

Op het pad door het park troffen we elkaar, bij de kermende man die daar lag. Toen de agenten hem voorzichtig overeind trokken, zagen we zijn bebloede kop. De man was ladderzat en dat was hij niet voor het eerst: één agent herkende hem als een bewoner van een van de Zeven Steegjes. Ze zouden hem naar huis brengen. Dat kon niet vond de man, want zijn vrouw was jarig. Ook moesten we haar niet vertellen dat hij gevallen was en al helemaal niet dat hij had gedronken. Naar het bureau om daar opgeknapt te worden en bij te komen, wilde hij ook niet.
Uiteindelijk sjouwden twee agenten hem mee naar huis. Ze hadden hem beloofd zijn vrouw niet te vertellen dat hij een borreltje had gedronken en dat hij was gevallen. Dat zou waarschijnlijk ook niet nodig zijn. Mente en ik keerden huiswaarts. Bij het politiebureau nam de derde agent afscheid van ons. Hij ging naar binnen, door dezelfde deur als ik vorige week, voor de film van Freek de Jonge, samen met de jongste. Die wilde voor de film begon nog wel een glas wijn. Dat hadden ze niet. Ze schenken in deze tijd geen alcohol. Ik wilde koffie, net als die maandagavond in februari 1980. Dat was er wel.

Zojuist fietste ik daar dus weer langs en moest ik weer even denken aan die man die niet in het water lag.

27 november 2020

Dochter en vader

Ik citeer: ‘[…] met instemming van de dame op de foto stuur ik je niet zonder trots de foto van Janna samen met de oude vertrouwde wijsgeer in het Rotterdamse. […] Binnen vijf jaar student af, waarbij ze dan ook nog een tussenjaar heeft genomen, waarin ze ontzettend heeft genoten en veel opstak.’
Om geen reclame te maken, sla ik een stukje over. Daardoor wordt het vervolg van het citaat een tikkeltje duister, maar de essentie is duidelijk: ‘Dus de komende twee jaar werkend en dik betaald ervaring opdoen.’

Aan het woord is de heer Sander Molenkamp, vader van Janna. Meneer Molenkamp stuurde mij gisteren een mailtje met daarbij ook een foto van zijn dochter. Zij staat naast Erasmus en in haar hand heeft ze haar bul.

Janna is de laatste leerling die ik toesprak als onderwijsman. Dat was bij haar diploma-uitreiking vijf jaar geleden. Ik was haar mentor. Als docent is het mooi pronken met je goede leerlingen. Niet terecht, natuurlijk want voor hen is een leraar volstrekt overbodig. Daar zijn het goede leerlingen voor. Kijk, als ze zich verslingeren aan iets waar ze zonder jou niet gebeurd zou zijn, is het iets anders. Zo is het niet. Janna heeft een bul in haar handen, niet haar eerste dichtbundel.

Dat neemt niet weg dat we erg gelukkig met elkaar zijn geweest, Janna en ik, in dat jaar dat voor ons beiden het laatste jaar op de middelbare school zou zijn. Dat heeft weer alles, of in ieder geval heel veel, met haar vader Sander te maken. Bij hem sloeg de herinnering toe toen hij hoorde dat zijn dochter bij mij in de klas kwam, dat was in de vierde. Daarvoor moeten we naar 2012. Hijzelf was in 1973 bij me in de klas gekomen. Dat was mijn eerste jaar. H31 was een heerlijke klas, waarvan het me moeilijk viel om ze niet als leeftijdgenoten te zien, want zo kon ik mezelf met mijn 21 jaar toch wel zien.

Havo 31, maar ook leerlingen uit die jaarlaag, bleken een hecht stel; ze zijn elkaar om de vijf jaar blijven ontmoeten. Op die manier hielden ze de herinnering aan hun vroegere docenten levend, ook aan die jonge vent met die goudblonde haren tot op zijn schouders.
Ik bleef voor altijd jong en veelbelovend.

Janna en ik konden het dus goed vinden met elkaar. Zij was een dochter van die jongen uit die leuke klas van ooit en ik de held uit het jeugdsentimentele repertoire van haar vader.

Sander heb ik weliswaar ook ontmoet als de vader van Janna, maar telkens als ik aan hem terugdenk, is hij weer die vrolijk kijkende jongen met zijn corduroyjackie. Het zou me niet verbazen als ik in zijn ogen de man met de leeuwenmanen ben gebleven. Ik hoop het stilletjes.

Het kan niet anders of Janna heeft dit allemaal door. Zij is een slimme meid. En zij geniet ervan hoe die steeds ouder wordende kerels in hun dromen dezelfde jongetjes blijven die ze ooit waren, ik bedoel: die ze ooit denken te zijn geweest.

Gefeliciteerd, Janna! Groeten aan je vader.

26 november 2020

Stoute kinderen

Tijdens het Sinterklaasjournaal van woensdagavond bood sint publiekelijk zijn excuses aan voor de vroegere hardvochtigheid. Ooit zag hij er niet tegenop om stoute kinderen in de zak mee te nemen naar Spanje. Dat zou hij nooit meer doen. Als statement ensceneerde hij de terugkeer van het laatste stoute jongetje, dat luistert naar de naam Bernard het Stoute Kind, ongetwijfeld genoemd naar een bekende bewoner van wat nu het Pietenhuis is.
In mijn kinderjaren kon je volgens de verhalen als stout kind naast transport naar Spanje nog rekenen op een flinke tuchtiging met de roe, verblijf in een ellendig Spaans cachot waar je brood met spinnen en grijze muizen eten moest. Ten slotte ging je in de pepernotenmolen, wat erop neer kwam dat jouw resten het jaar daarop door andere kindertjes verorberd werden.
Dus als sint al eerder kindertjes weer naar huis heeft laten gaan, was dat als pepernoot.

Met dit optreden plaatst Sint zich in de rij van mensen die zich uitgebreid meenden te moeten verontschuldigen het afgelopen jaar. De koning, de spoorwegen, de overheid, deze week alweer. Vanwege Indonesië, de slavernij, de Jodenvervolging, het gerommel bij de belastingdienst. Ook de PKN begon zonder goed te kijken naar haar eigen achterban op de trom te slaan.
Nu dus ook de sint. We moeten er mee oppassen: straks zijn verontschuldigingen niks meer waard. Om van gezeur af te zijn zei ik op mijn werk ook wel eens sorry.
‘Inderdaad, dat was stom, had ik niet moeten doen. Sorry.’ Dan even zuchten en daarna: ‘Het volgende punt op de agenda zijn de overgangsnormen […]’
Ziezo, klaar.

Bij sint vroeg ik me af of hij ook met excuses zou komen over het houden van gekleurde bedienden. Die kwestie lijkt belangrijker. Dat deed hij niet en ik hoop ook dat het er nooit van komt. In de bubbel die Sinterklaas heet, mag van alles gebeuren, maar het moet niet de plaats zijn waar we afrekenen met wat in de bubbel van de Nederlandse samenleving moet worden opgelost.
Wel vroeg ik me nog even af waarom Sinterklaas dat nou deed, die excuses aanbieden vanwege die stoute kinderen. Knorren, zakje peper met wat zout, de gard, in de zak naar Spanje en de pepernotenmolen zijn toch al lang verleden tijd? Of niet?

Bij verontschuldigingen zijn twee, vaak drie partijen betrokken. Om met dat laatste te beginnen: regelmatig biedt iemand ook namens anderen excuses aan, de premier namens Nederland, maar Willem Alexander noemde op 4 mei ook zijn overgrootmoeder. Dat was niet namens Nederland, maar veel Nederlanders schaarden zich achter zijn uitspraak. Dat was goed. De PKN-baas deed iets dergelijks namens de PKN en schoffeerde daarmee talloze mensen die zich met de kerk verbonden wisten en die hun leven gaven of bereid waren dat te doen om andere mensen te redden, ik denk vooral aan joodse mensen. Dat vond ik minder goed.

Excuses zijn er vooral vanwege de doelgroep. In het geval van de sint moeten zijn excuses bedoeld zijn voor de groep die getergd door het leven gaat door het idee dat sint in staat zou zijn - of zou zijn geweest - tot deportatie van minderjarigen. Wie zouden er dan echt gevoelig zijn voor dergelijke excuses? Niet de nabestaanden van gedeporteerde kinderen, want het is nooit gebeurd. Sint heeft nooit kinderen afgevoerd, domweg omdat hij niet bestaat.
Nee, wat sint hier doet, is een boreale complottheorie waarmee een deel van de Nederlandse ouders en andere volwassenen als een virus kinderen menen te moeten besmetten, onschadelijk te maken. Niet door het te ontkennen, want dan zou hij de ouders en grootouders van kinderen in deskreditet brengen. Daarom neemt hij alle schuld op zich en belooft hij dat hij het nóóóóit meer zal doen. Waaruit niet alleen blijkt dat hij de taal der kinderen spreekt, maar ook dat hij in zijn zelfopoffering een christelijke heilige is.
Wel een beetje een schijn-heilige, want lijden is er in zijn geval niet bij.

22 november 2020

Leren fietsen

Doorgaans ben je het gelukkigst als je niet aan jezelf denkt. Dat vind ik en ik heb het leerlingen graag voorgehouden.

Toen ik de oudste leerde fietsen - op de stoep langs de Catharijnesingel, door de Vaartsebuurt en langs de Westerkade weer terug - was dat een behoorlijk vermoeiende aangelegenheid. Niet voor het jochie op zijn fiets, maar voor zijn vader. Maar na een paar rondjes had hij het onder de knie. Die rondjes waren wel over een paar weken verdeeld.
Nummer twee leerde fietsen toen we bezig waren met de verhuizing. Ik maakte me klaar voor een partijtje rennen in een zeer ongelukkige houding, maar we waren de poort nog niet uit of mijn hand vertelde me dat ik de fiets niet meer hoefde vasthouden.
Zo voorspoedig ging het niet met de jongste. Die was nogal onzeker. Ze hield zich meer bezig met de angst dat ik zou loslaten en dat zei ze ook steeds: ‘Niet loslaten, pappa, niet loslaten.’ En ik hijgde dat ik haar niet los zou laten.
Ik heb wel een paar keer woord gehouden, maar het moment brak aan dat ik moest roepen dat ik haar niet los zou laten, omdat ze al enkele tientallen meters voor me uit was gefietst. Toen ze het door had, was de triomf groter dan de schrik of de deuk in het vertrouwen in haar vader.

Met het leren fietsen van de kleinkinderen heb ik minder bemoeienis. En ik begrijp nu ook waarom.
Vandaag kwam Lukas aangefietst. Met een helmpje natuurlijk. En onder dat helmpje een glimmende kop, want dat had hij toch maar mooi gefikst. Aan zijn moeder kon ik zien dat ze nog geen moment had kunnen loslaten. Ik had met haar te doen: twee kilometer gebukt rennen met een jongetje dat zwaar de verkeerde kant op leunt. En nu moest ze ook nog terug.
‘Weet je wat, ik loop straks met je mee terug. Dan houd ik hem ook wel een paar keer vast.’ Lukas vond dat wel een goed idee, al was het maar omdat zijn moeder hem had verteld dat opa Len haar en haar broers had leren fietsen.

Al na honderd meter liep ik te hijgen als een paard. En dan vond Lukas het ook nog eens leuk om zijn handrem te gebruiken. Als je snel loopt, heb je minder problemen met het evenwicht, maar dan loop je wel erg ongelukkig te rennen; ga je langzamer… Ach, ik hoef je niks te vertellen.
Iets in mij vertelde me dat het leuk was: een kind dat leerde fietsen, straks zou hij als op vleugels zijn weg vinden door de wereld en wat is er nou mooier dan dat te doen op een fiets. En dat ik daar ook nog de hand in mocht hebben. Ik, de man die al meer kinderen had leren fietsen.
Maar ik was meer bezig met mijn adem, de pijn in mijn handen, meer met mezelf, en zo geraakte ik steeds verder af van wat op geluk zou kunnen lijken.
Ook al omdat mijn prestige achteruitvloog. Ik wist het, ik voelde het. Liep hier nu de vader die zijn kinderen, ook de jongste, had leren fietsen? Was dit nu de opa over wie mamma verteld had dat hij de kinderen leerde fietsen?

Een tot droefenis stemmend scharnierpunt in mijn bestaan was het, het moment waarvan straks gezegd zou worden: toen begon het. Hij was na honderd meter al buiten adem.

Thuis likte ik mijn ego en pakte ik een droog hemd.

21 november 2020

Sinterklaasloosheid

De fietstocht door het veengebied voltrok zich in een grauwe, een lege wereld die me deed verlangen naar ergens een glimp van Sinterklaas. Bij het fietstunneltje even boven Oud-Zuilen stond wel een paard te wachten, Ozosnel was het niet en ook zat niet de sint op zijn rug; het was een vrouw, in grijs en bruin. Een vrouw te paard laat mij doorgaans niet onberoerd, maar het is anders wanneer je droomt van de man in het rood. Dit paard was trouwens bruin.
Waarschijnlijk liet de vrouw haar paard wachten om paniek te voorkomen, want toen ik het paard voorbijreed en de tunnel in schoot, kwamen me twee mensen tegemoet met een middelgrote hond. Niet eentje die de indruk wekte op het zaaien van paniek, maar je kunt in dit opzicht blijkbaar niet voorzichtig genoeg zijn.

Voorbij het tunneltje was ik dit voorval (er viel niets voor) al weer kwijt, maar nu ik de dag doorneem, blijf ik hangen aan de grijsheid ervan en de sinterklaasloosheid dus. Dat bracht me er ook toe om na de venen door te rijden naar de bloemenmarkt op het Janskerkhof, in het hartje van de stad. Nergens zag ik in de oude straten een vreugde die rook naar pepernoten. Ik kocht van de weeromstuit een flinke bos saaie, namelijk bruine bloemen. Om de onontkoombaarheid van een leegte zonder kleurrijke sint te benadrukken. Waarschijnlijk, want het ging onbewust.

Thuis was het gezelliger, met de door Mente ingerichte sinterklaasvitrine en het werd extra gezellig toen Koos en Annette kwamen eten. Ook in een blauwe trui lijkt Koos op Sinterklaas en Annette had een pakje voor ons, in de vorm van bloemen die wél vrolijk waren.
Koos vertelde hoe zijn moeder pepernoten in de zak van haar schort had en die van achter de gang deur de kamer in gooide. Het was een schort met twee voorzakken. In de andere zak bewaarde ze haar kleingeld en daar dacht ze even niet aan.
Plotseling regende het in de kamer dubbeltjes, stuivers en kwartjes. Wat een feest was dat daar in Loosduinen. Even later kwam ook de pepernoten.
Maar moeder M wist haar vergissing snel op te lossen. Ze stapte de kamer in.
‘Wat is hier toch aan de hand? Is Sinterklaas langs geweest? En o, wat fijn dat Sinterklaas ook een keertje aan mij gedacht heeft en me wat geld stuurt. Dat hebben we hard nodig. Maar de pepernoten zijn voor jullie, hoor.’

Ik stelde het me voor, de moeder van Koos in de gang, met haar schort voor. Misschien had ze wel een mijter op, al denk ik van niet. Misschien stond er zelfs een paard in de gang, ja, ja, een paard in de gang.

Toen Koos en Annette vertrokken wuifden we ze na. Ik zong zachtjes ‘Dahag, dahag’ en ging toen neuriënd verder.

20 november 2020

Spekkoper

Mijn oudste nicht vertelde me ooit dat ze zulke goede herinneringen had aan haar opa en opoe in Monster. Ze was vaak bij ze; logeerde er ook. Het waren zulke lieve mensen, zei ze, en ze wist nog goed hoe ze met opa wandelingetjes maakte door de omgeving. Telkens kwamen ze dan iemand tegen en dan maakte opa een praatje.
Bij die bezoekjes en logeerpartijtjes hoorde een gevoel dat Fieke haar lange leven - ze is nu 88 - al kan oproepen, alleen al door de herinnering eraan op te halen. Dat deed ze ook in het boek dat mijn verre nicht onlangs over haar grootouders en overgrootouders schreef; daarin komt tante Fieke aan het woord.
Duidelijk is dat herinneringen aan die Monsterse opa en oma een belangrijke en dierbare plek innemen bij Fieke. Wel vraag ik me af wat er van de herinnering in concreto overblijft. Er is een klein meisje dat aan de hand loopt van haar opa. Veel meer zal het waarschijnlijk niet worden. De opa van Fieke overleed toen zij vijf jaar was. En dat is het.

Je begrijpt dat dit projectie is. Van de wandeling die ik gisteren maakte met een kleinkind van twee, weet die later helemaal niets meer. Ook haalde ik er eentje met de fiets van school. Die wordt dit jaar nog vijf. Dat op de fiets zitten is wel een dingetje voor kleinkinderen. Dat bevalt ze, maar dan wel graag voorop.
Stel je nou eens voor dat ik niet uitkijk bij het oversteken en dat een van de kleinkinderen over honderd jaar terugblikt op haar of zijn opa. Dan zou het zomaar kunnen zijn dat ze niet verder komen dan een man op een fiets die hobbeldebobbel zei, als hij over een hobbel of bobbel reed. En dat was leuk. Misschien kijken ze er wel dromerig bij, die ouwe kleinkinderen van me.
Van alle andere wapenfeiten uit mijn bestaan weet niemand meer iets, ik mag alleen nog even voortleven als een fietsende hobbeldebobbel.

Mijn oma overleed in 1941 en toen was Fieke negen jaar. Ze was - hoe dat precies zit, is me niet volkomen duidelijk - tijdelijk ondergebracht in een gezin schuin tegenover haar opoe en de kinderen die daar nog in huis woonden. Oma leed aan ms, had al jaren in een rolstoel gezeten en moest nu in bed verpleegd worden, door de drie jongste, nog niet getrouwde kinderen.
Fieke speelde op de stoep, aan de overkant, hooguit honderd meter verderop, toen de voordeur bij haar opoe openging. Even later zag ze hoe door dragers een kist naar buiten werd gedragen en daarachter liepen haar ooms en tantes. Toen zag ze opeens ook haar ouders. Ze heeft niets gezegd; ze hebben haar niet gezien.

Ik heb hier allemaal vragen bij, maar die hebben weinig zin: dit is het beeld van een grootmoeder dat nu al tachtig jaar meegaat: ze wordt in een kist naar buiten gedragen en de hele familie komt er achteraan. De rest is weggevallen. Misschien speelde ze met iemand, misschien haalde de tijdelijke pleegmoeder haar meteen binnen. Was er een koets? Heeft ze het wel zo gezien?

Stel het je toch eens voor.
‘Wat herinner je je nog van je grootmoeder?’
‘Nou, ik was aan het spelen en toen droegen ze haar het huis uit.’

Dan komt die wandelende opa er nog heel goed af, ook al heeft ze die minder lang gekend. En ik, straks? Als een enkel kleinkind zich mij over tachtig negentig jaar nog herinnert als de fietser die bij iedere kuil hobbeldebobbel roept, ben ik spekkoper.

19 november 2020

Krak

Uit Nieuw-Zeeland namen we vorig jaar vijf kiwi’s mee. Dikke platte schijven hout die allemaal in een iets andere vorm gezaagd zijn en een vrolijk kleurtje hebben. De bedoeling is dat je ze op elkaar stapelt en dat ze dan niet omvallen. Ik vermeld dit omdat het sinds onze terugkeer een vrijwel dagelijkse bezigheid is om ze weer op te stapelen. Het ligt niet voor de hand dat je dat steeds op dezelfde manier doet en daar leg ik me zelfs op toe. Ondanks mijn trillende handen lukt het me steeds weer om met een nieuwe variant te komen en denk maar niet dat ik het me daarbij gemakkelijk maak.
Zojuist deed ik dat voor de derde keer vandaag: kleinkinderen kunnen er niet van af blijven, maar het lukt ze ook niet om een torentje van de kiwi’s te maken dat niet omvalt. Ik kan je vertellen, dat ik nu op het bovenste poppetje zelfs een knikker heb gelegd.
Het bouwsel gaat vandaag nog plat. Het staat namelijk op een laag kastje waarvan de regelmatig gebruikte laden een beetje klemmen. Dat is dus vragen om ongelukken. Maar we kunnen ermee leven.
Een teleurstelling is dat de kiwi’s van nogal goedkoop hout zijn gemaakt en daarom brak er vandaag een snavel. Niet voor het eerst. Die snavel heb ik gelijmd.
Er breekt wel meer de laatste tijd en altijd zijn kinderhanden daarvan de schuld. Bij de kiwi’s, maar afgelopen maandag verloor een plastic paard van Sinterklaas zijn staart. Die heb ik weer gelijmd. Pogingen om de voeten van plastic poppetjes die lid zijn van de familie Pluis weer definitief aan de lijfjes te krijgen zijn mislukt, maar de houten schoolbus houdt het tot nog toe vol.

Markus ontdekte dat je daar op kan gaan zitten. Zo kon hij door de kamer rijden.
Opeens brak de bus in tweeën. Hij bleef even beduusd op de grond zitten, ook wij hadden dit niet zien aankomen. Hij stond op, keek niet eens meer naar de bus, maar wees wel achteloos naar in twee delen uiteengevallen stukken achter hem en zei ‘Oma maken’ en daarna ‘Opa maken.’
Dat viel nog niet mee; zelfs mijn lange lijmklemmen schoten tekort. Alleen een ingewikkelde constructie waarbij lijmtangen, workmate, stukje hout en wat touw gecombineerd werden, leek iets uit te halen. Nu rijdt de bus weer, al heb ik er niet veel vertrouwen in. Het gaat niet om echt hout maar om mdf. En het is weliswaar geen raadsel waarom de uitstekende motorkap en de rest van de bus geen eenheid vormen - dit is een goedkope oplossing -, maar het is toch raar dat er niet tenminste één grondplaat is gebruikt. Nu ben ik zelf ook in gebreke gebleven. Ik had natuurlijk wat deuvels moeten aanbrengen voor ik de boel weer aan elkaar lijmde. Daarvoor was ik te lui.
Voorlopig ziet de bus er weer patent uit. En misschien blijft dat wel langer zo dan ik een paar dagen geleden dacht, want vandaag heeft Markus niet meer naar de bus omgekeken.

Voor de kiwi’s is hij nog te klein. Dat geldt niet voor zijn broertje, want dat is degene die vandaag naar de omgevallen toren wees en zei: ‘Doe jij dat maar, oop.’ Ja, zo noemt hij me, en Mente is oom. Toen zag ik dus ook dat er weer een snavel gebroken was. Wat ik zeg: slecht materiaal, net als die bus. Want je hoort me natuurlijk niet zeggen dat mijn eigen kleinkinderen alles stukmaken. Dat zijn schatten.

18 november 2020

Ruup

De telefoon gaat. Hoewel ik midden in een bos zit, kan ik maar beter even doorfietsen. Juist hier, op dit moment, zijn ze bezig om met kettingzagen een flinke boom om te krijgen. Waar het geluid verstomd is en een bankje staat, bel ik terug.
Het is de dochter van Ruup. Zij vertelt dat de geliefde van haar vader is overleden. Ruup is behoorlijk van streek; allerlei fysiek en mentaal ongemak speelt op.

Ooit was Ruup mijn oom, maar honderd jaar geleden verloor hij die functie toen mijn tante en hij uit elkaar gingen. Geleidelijk aan verdween Ruup uit beeld, vooral toen er een nieuwe liefde in zijn leven kwam. Dat begon in de zomer van 1985 en zou uitgroeien tot een gelukkig huwelijk.
Mijn moeder en de vrouw die wel mijn tante bleef, komen uit een gezin van vijf kinderen die allemaal trouwden. Zo kreeg je vijf vrouwen en vijf mannen. Van die mannen brachten we in juli ’85 de vierde naar het graf; geen heeft de 70 gehaald.

Ruup en ik liepen samen van de aula naar het graf toen mijn voormalige oom opmerkte dat hij er maar goed aan had gedaan om te scheiden. ‘Anders was ik de volgende geweest.’
Het is inderdaad anders gelopen. Zijn eerste vrouw is overleden en nu overleeft hij dus ook de vrouw met wie hij, zoals ik zijn dochter door de telefoon hoor zeggen ‘leefde als yin en yang.’
Een scheiding die onherroepelijk fantoompijn op zal leveren. Ik denk aan de bekende regels die je terugvindt in Sotto Voce, dat gedicht van Vasasis: ‘En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.’

Naast de computer thuis hangt de foto van een vrolijk gezelschap, die dateert uit de tijd dat Ruup nog mijn oom was. Hij kijkt me, zoals iedere dag, vrolijk lachend aan.
Ach, Ruup.

17 november 2020

Schrijfles

We zitten in de auto, Klaas en ik. Hij vertelt dat hij binnenkort weer met een gel-pen mag schrijven. Dat is nu al de vijfde keer dit schooljaar. Als je netjes geschreven hebt, krijg je een sticker. Vijf stickers betekent dat je een keer met een gel-pen mag schrijven in plaats van met potlood. Dat is hem nu dus al vier keer overkomen en omdat hij intussen na de laatste keer alweer vier stickers bij elkaar geschreven heeft, kan het niet anders of hij mag binnenkort weer aan de slag met een gel-pen. Die heb je met en zonder glittertjes. Mét mag er dan misschien wat spectaculairder uitzien, Klaas kiest liever voor de gewone gel-pen. Die schrijft lekkerder.
‘Lekkerder dan potlood?’ wil ik weten.
Potlood schrijft het prettigst, veel prettiger dan een gel-pen. Daar komt bij dat je een verschrijving van je potlood makkelijk ongedaan kunt maken door even te gummen. Daar staat tegenover dat een gel-pen wel een eer is. Klaas is wel gevoelig voor prestige. Hij kan me precies vertellen hoe vaak klasgenoten al met gel hebben geschreven. Hij is topscoorder, begrijp ik.

Schrijven met balpen mag nog helemaal niet. Je schrijft met potlood en alleen na vijf stickers mag je een keer met een gel-pen schrijven, niet met balpen. Dat wil zeggen: twee jongens die vorig jaar ook al in groep 4 zaten, maar die zijn blijven zitten, mogen wel met balpen schrijven. Dat is dus blijkbaar ook een kwestie van tijd.
Klaas moet toegeven dat Kevin, een van de twee zittenblijvers, beter en vaardiger schrijft dan hij, maar ja, die doet dat dan ook al een jaar langer.
Toch heeft de juf onlangs gezegd dat als Kevin zo doorgaat hij volgend jaar weer blijft zitten.
‘Dat vind ik niet zo’n goeie opmerking van de juf, Klaas,’ zeg ik.
Hij is het met me eens en weet me te vertellen dat ook de andere juf – je hebt tegenwoordig altijd tenminste twee leerkrachten voor een groep - ook niet erg te spreken was over de opmerking van juf Jeanette. Bovendien, zo vertelt hij, is Kevin in taal en in schrijven behoorlijk goed, alleen met zijn rekentoets ging het verkeerd, en niet voor het eerst.

Klaas kijkt er niet naar uit om straks met balpen te schrijven. Thuis doet hij dat natuurlijk wel eens, maar potlood vindt hij fijner. Dat doet me genoegen.
Ik denk terug aan mijn eigen verkeerde juf. Die heette juffrouw Bijkerk. Of ze in het onderwijs gebleven is, weet ik niet. Wel weet ik dat ze het op mijn lagere school niet veel langer dan een jaar heeft uitgehouden. Haar pinnigheid kwam ook voort uit haar onvermogen om orde te houden. Dat was wel een beetje sneu. Van juf Jeanette heb ik niet de indruk dat zij ordeproblemen heeft, ook geloof ik dat Kevin niet altijd even aardig is, wat ik me bij een zittenblijver wel een beetje kan voorstellen. Prestige.
Het lijkt me onmogelijk om na te gaan of juffrouw Bijkerk en juffrouw Jeanette misschien wel familie zijn. Oma en kleindochter misschien?
Vroeger hadden leerkrachten alleen maar achternamen, van voren heetten ze allemaal juf of meester. Tegenwoordig hebben juffen en meesters juist geen achternamen meer. Dat is wel een beetje jammer.

‘Weet je nog een cryptogram, opa?’ Klaas is duidelijk aan iets anders toe. Hij verdient ook wel een poep-en-piesopmerking, vind ik. ‘Hij is geen kromme poeper,’ zeg ik. Hij weet niet wat het is. ‘Een scheidsrechter. En wat is een zure plant met stekels en op wielen?’

‘Een Citroën Cactus.’
Nu is hij aan de beurt.

15 november 2020

Weer in het land

De man wilde net in zijn auto stappen toen hij mij in het vizier kreeg. Samen met Kees liep ik vanmorgen aan de overkant van de straat waar de man woonde. Hij aarzelde, zag ik, moest hij iets tegen me zeggen of niet? Ik knikte hem daarom bemoedigend toe.
‘Sinterklaas?’ zei hij ten slotte.
‘Zijn de pakjes goed terecht gekomen?’ vroeg ik hem op mijn beurt. Dat was zo.

Gisteravond liep ik dezelfde weg. Het was donker, maar op het stille kruispunt voor me zag ik, omstraald door het licht van de lantaarns, een oudere dame rondjes rijden op een driewielfiets. Was ze de weg kwijt? Nadat ze me had gezien, maakte ze nogmaals een rondje. Er was iets aan de hand, dat was wel duidelijk. Nu kwam ze naar me toe.

‘Dag meneer,’ zei ze, ‘mag ik u iets vragen?’ Ze keek me even aan en vervolgde: ‘Sinterklaas is vandaag in het land gekomen…’
Even vroeg ik me af welke weg ze kwijt was, een geografische of een mentale. Ze stapte van haar driewieler en diepte uit een fietstas drie cadeautjes op: twee chocoladeletters zonder pakpapier; in het pakje met papier zat ongetwijfeld een boek.
‘Dit zijn pakjes voor de mensen die op nummer 15 wonen.’ Ze wees naar een huis vijftig meter verderop.
‘Maar ze passen niet door de brievenbus. Wat erger is: als ik bij de voordeur ben aangekomen via hun tuinpad en eer ik mijn fiets heb gekeerd, hebben ze mij misschien al in de gaten. En als ik de pakjes voor de deur leg en mijn fiets al heb omgedraaid voor ik aanbel, dan nog kunnen ze mij zien wegfietsen. Maar ze mogen niet weten dat de pakjes van mij komen.
‘Ik zal ze afgeven.’

Dat vond ze heel fijn. Ik moest maar zeggen dat een oude heer mij die pakjes had gegeven met het verzoek ze op nummer 15 af te geven.
‘U bedoelt een oude dame,’ veronderstelde ik. Misschien was ze inderdaad een beetje de weg kwijt, maar meteen schaamde ik me voor die gedachte en ik corrigeerde mezelf: ‘O, u bedoelt een oude heer met een mooie witte baard.’
‘En een indrukwekkende rode hoed,’ vulde zij aan.
Ik nam de cadeautjes over en zij bedankte me voor mijn hulp.
‘Nee, ik bedank u. Ik kom straks thuis met een mooi verhaal.’

Toen ik even later de pakjes had afgegeven en bij nummer 15 het tuinpad weer afliep, voelde ik hoe mijn rug zich rechtte en hoe waardig ik mijn weg vervolgde. Wel merkte ik dat mijn rechterhand, alsof het om een automatisme ging, de steun zocht van een stok, een stut, een staf.

14 november 2020

Knoeiboel

Het was niet bij juffrouw Rumpt, maar je hoort me ook niet zeggen dat het bij juffrouw Bijkerk was, al vermoed ik van wel. Ik zat in de tweede of derde klas - groep vier of vijf zeggen we nu - toen het me eindelijk lukte. Op mijn rapport stond voor schrijven een 6- en als het meezat, werd dat wel eens een 6. Dat betekende ook dat ik nooit in aanmerking kwam voor het schrijven met rode inkt. Dat was wel het doel dat ik nastreefde. Als je een keer met rood mocht schrijven dan had je de keren daarvoor een uitzonderlijke prestatie verricht op het gebied van de schoonschrijverij. Daarvoor had ik niet de motoriek; wel de wil. Het was dan ook een staaltje van dws, door wilskracht sterk, dat het mij lukte een keer met rode inkt te schrijven. Het schuifje van het in de schoolbank ingebouwde inktpotje bleef dicht, daarin zat ordinaire blauwe inkt. Ik kreeg een klein flesje rode inkt voor me op tafel. Mijn kroontjespen had ik natuurlijk extra goed schoon gemaakt.
Bij de lus van de eerste de beste f spatte de inkt; ik vloog uit de bocht. Rode inkt leek veel dunner dan blauwe waaraan ik gewend was. Hoe ik daarna ook mijn best deed, het lukte me niet om niet te spatten. Had ik niet dagen achtereen met mijn tong tussen mijn tanden zitten ploeteren? Nu zag ik de beloning daarvoor volkomen uit de hand lopen.
De juffrouw, van wie ik zeker weet dat het niet juffrouw Rumpt was, maar van wie, hoe waarschijnlijk het ook is, ik ook niet met zekerheid kan zeggen dat het dus juffrouw Bijkerk was, reageerde boos. Wat maakte ik er een verschrikkelijke knoeiboel van. Begreep ik wel dat met rood schrijven een eer was? Nou, ik hoefde er niet op te rekenen dat ik nog eens met rood zou mogen schrijven.
Thuis wisten ze waarschijnlijk niet wat voor rommel ik maakte van mijn schrijfschrift, veronderstelde ze. Dan werd het de hoogste tijd dat ze dat nu wel te weten kwamen. Ik moest daarom mijn schrift mee naar huis nemen.
‘Laat je vader of moeder maar een handtekening zetten onder de rommel die jij van je schoolspullen maakt.’
Ik was al diep bedroefd, nu was ik geschokt. Ik had een bijzonder sterk ontwikkeld gevoel voor de grilligheid waarmee mensen zonde aan kon kleven. Daarvan was dit een bewijs. Ik had het goede gewild, maar het kwade gedaan. Zo ging dat met zonde, die kleefde je aan zonder dat je dat wilde.
Blijkbaar zouden mijn ouders erg boos worden, anders had de boze juffrouw van wie ik dus niet zeker meer weet of het juffrouw Bijkerk was, in haar toorn en daaraan gekoppelde ondoorgrondelijke wijsheid - want je was juf of je was het niet - besloten om die handtekening als de ultieme straf op te leggen.

Thuis durfde ik het schrift niet te laten zien. Ik zei niets. Tenminste niet tegen mijn vader of moeder, maar toen ik het te benauwd kreeg, en ik telkens weer in huilen uitbarstte, vertelde ik mijn grote zus wanhopig wat er aan de hand was.
Ik moest haar het schrift laten zien. Ik had het verstopt in een kastje op mijn kamer.
‘Wacht maar, ‘ zei ze. Ze kwam even later terug met een balpen, sloeg het schrift op en onder het mislukte rood zette ze een handtekening die zich niet liet onderscheiden van die van mijn vader.
Ineke nam mijn zonden op zich. Ik haar in dankbaarheid.

13 november 2020

Met dank aan Theo

Inktfles

Het afscheid van school ging onder andere gepaard met een fles inkt. Die kreeg ik van Theo. Heel lang was hij directeur geweest van een basisschool, maar na zijn zestigste wilde hij zijn werk in het onderwijs afronden als leraar Nederlands op een middelbare school. En zo is het gegaan. Van zijn vorige leven hield hij nog wel een fles over met daarin een liter inkt. Gimborn, vertelt het etiket. Daarop lees ik ook dat het gaat om uitwasbare inkt. Dat geeft wel te denken: inkt met een ingebouwde delete-knop. Die fles zat nog in zijn doos.

En die fles, in zijn nog niet geopende doos, kreeg ik. Dat vond hij wel een passend cadeau. Dat vond ik ook: het geschenk kwam dan ook meteen hoog in mijn persoonlijke lijst van Topcadeaus Aller Tijden. De doos staat op zolder, de fles staat als ornament in de huiskamer.
Maar niet alleen om gezien te worden. Ben je gek! Ik gebruik die inkt en dat doe ik in het volle besef dat die fles bepaalt hoeveel tijd van leven mij nog gegeven is, de inktfles als zandloper. Dat is niet niks. Welnu, maak je over mij maar geen zorgen, ik heb nog alle tijd. De fles is plat, een rechthoekig geval, maar de hals is rond, dat snap je zelf ook wel. Ik zit nu halverwege hals en romp van de fles, dus het echte werk, het grote slobberen moet nog beginnen. En dan te bedenken dat die fles nu al meer dan vijf jaar hier in huis staat.
Om de fles open te krijgen, moet je de dop de andere kant opdraaien dan je bij schroefdoppen gewend bent. Dat heeft uiteraard een diepere, symbolische betekenis, al weet ik even niet welke dat dan is.

Intussen heb ik al een heel avontuur beleefd met de fles. Mijn vulpen, ik bedoel nu de Aurora, dus niet de Lamy, heeft een slim navulbaar reservoir en dat zit op de plek waar je ook een inktpatroon in de pen kunt steken, het is dus, anders dan bij de Lamy, een los, in de pen vastgeklikt reservoir. Bij het vullen moet je aan een knopje draaien en dan zuigt de pen de inkt uit de fles. Dat is een keer niet goed gegaan. Heus, ik maak hier in Utrecht van alles mee! Toen schoot het reservoir los van de rest van de pen, of liever, het kostbaarste gedeelte van de pen verdween in de peilloze diepte van de nog vrijwel volle inktfles. Ja, ja, dat was me wat.

Gelukkig ben ik een handige jongen die niet voor één gat te vangen is, dus ik goot met een trechtertje de inkt over in een andere fles en zo kreeg ik het bijna verdronken deel van de pen weer te pakken. Je begrijpt dat ik daarna de handeling in omgekeerde richting herhaalde. Daarom staat er nu weer een bijna volle inktfles in de kamer. Alsof er niets gebeurd is. Maar wij weten wel beter.

Sinds die tijd staat er op mijn bureau een klein glazen inktpotje met een dekseltje dat de gewone kant opdraait. Het potje wordt gevuld vanuit de grote Gimbornfles en vanuit dat potje vul ik nu de pen. Je moet het maar bedenken.

Ik kan je het gebruik van vulpennen aanbevelen. Inktpatronen zijn helemaal niks: vulpen imiteert balpen. Nee, vullen doe je van uit een grote dan wel kleine plas, een mer à boire. Dat is geen probleem. Wel is het belangrijk dat je ergens in huis een klein trechtertje tot je beschikking hebt.

12 november 2020

De vulpennist

Mijn vader was juist een uitgesproken balpennist. Bij zijn 25-jarig jubileum als verzekeringsman, dat was op 15 november 1962, kreeg hij onder andere twee vulpennen. Pièce de résistance was het gouden horloge dat hij vanaf die dag in ’62 tot aan zijn dood dagelijks heeft gedragen. Een van mijn broers doet dat nu of hij heeft het in een la liggen.
Dat laatste overkwam de twee vulpennen al op 16 november 1962. Die kwamen in een lade van zijn bureau terecht. Ik keek er af en toe naar. Blijkbaar waren vulpennen zo chic dat je er maar beter niet mee kon schrijven. Zoals mijn moeder jarenlang prachtige tafellakens in de kast had die ze niet gebruikte omdat dat zonde was. Zoiets paste wel bij mijn moeders zuinigheid, maar dat was niks voor pa. Die had gewoon niks met vulpennen, alleen realiseerde ik me dat aanvankelijk niet. De ene pen was beige met een metalen dop en je kon er losse inktpatronen in doen, een moderne pen waar ik in stilte verlekkerd naar keek. De andere zag er veel traditioneler uit: zwart, met twee gouden sierringen om de dop, en een gouden clip. De pen moest in een inktpotje om inkt in het daarvoor bestemde reservoir te krijgen. Zowel het uiterlijk als de techniek ervan vond ik nogal ouderwets. Het was een mooie pen, dat wel. Bovendien stond er een L op, van Lamy, maar ook van Len en dat sprak me wel aan. Aan de zijkant was onopvallend het logo van de schenkende verzekeringsmaatschappij gedrukt, de gestileerde zwaluw van de Goudse. Een merkteken dat me nog steeds bekoort, ook al omdat de inspecteur van de Goudse, meneer Hoop, zo’n bijzonder aardige man was.

Toen ik twee jaar later naar de middelbare school ging, nam mijn vader me mee naar een kantoorboekhandel. We gingen voor kaftpapier, etiketten, schriften, een etui en nog het een en ander en tot slot haalde pa de beige pen tevoorschijn. Daar moesten inktpatronen in.
Heel lang heb ik niet met de vulpen gedaan. Een jaar misschien. Lang genoeg om vertrouwd te raken met het wisselen van de inktpatronen en om van kleur te veranderen. Toen was het afgelopen: hij lekte onstelpbaar.
Een paar jaar later keerde ik terug naar de vulpen. Ik had het gehad met balpennen.
De zwarte pen uit 1962 werd pas twintig jaar daarna, na de dood ook van mijn vader, voor het eerst gebruikt. Die pen heb ik nog, hij vlekt aan mijn vingers.
Nee, dan zijn evenbeeld. Dat kreeg ik toen ik 25 jaar in het onderwijs zat, als betaalde kracht, bedoel ik dan, want ik kwam al op mijn derde op school. Ik werd toen 46, dat is net zo oud als mijn vader toen hij zijn vulpennen kreeg. Die dingen waar hij niks mee deed en ik dus wel.

De beige vulpen met metalen dop bleek achteraf een geval van dertien in een dozijn. Met de zwarte pen van pa die ik later ging gebruiken, was ik voorzichtiger. Die liet ik thuis. In plaats daarvan grossierde ik op school in goedkope vulpennen, maar wel altijd vulpennen. Daarom leek het mijn collega’s een goed idee me eindelijk eens een goeie te geven en zo kom ik aan mijn tweede zwarte pen, een Aurora, een veel beter product dan de Lamy van pa. Ik koester hem en ik neem hem vrijwel nooit mee. Daarvoor schakelde ik over op de multidisciplinaire vulpotloden die ik steeds kwijtraakte.

Wel kocht ik voor de nieuwe onmiddellijk een vulreservoir om inkt uit een glazen potje te zuigen, een aangenaam ritueel.

11 november 2020

Vulpotlood

Aan een fraai vulpotlood ben ik niet besteed. Daarom vraag ik me af wat er geworden is van de vulpotloden waarop ik me tussen 1998 en 2012 om de een of twee jaar trakteerde. Liggen ze al jaren anderen goed in de hand. Dat zou fijn zijn.
Ik had vooral een zwak voor het vulpotlood dat zich liet combineren met een paar verschillende balpenstiften. Die van Lamy bevielen me uiteindelijk het best. Binnen de twee jaar was ik zo’n pen wel weer kwijt. Aanvankelijk beschouwde de mensheid een dergelijke pen annex vulpotlood als een leuk cadeau. Alcoholische geschenken bevielen me niet, dure pijptabakken vielen af toen ik stopte met roken, boeken kocht ik toch wel, dus zo’n pen was wel wat.
Je zou denken dat het daarom maar goed is dat ik ze regelmatig kwijtraakte; zo bleef dit schrijfgerei een cadeau dat altijd weer in een behoefte voorzag. Zoals bloemen, tabak, drank en boeken ook geen einde kennen. Maar voor een pen seeku potlood gelden blijkbaar andere criteria, want de mensheid maakte me gaandeweg steeds onontkoombaarder duidelijk dat ik daar niet nog eens op hoefde te rekenen.
De laatste combipen kocht ik zelf, maar toen ook die verdwenen was, sloot ik me aan bij de groep van verbitterde ex-gevers. Ze hadden gelijk: ik was zo’n pen niet waard.

Mijn leven heeft vijf jaar geleden een dusdanig ingrijpende wending genomen dat een vulpotlood gecombineerd met wat verschillende balpenstiften niet langer nodig is. Die multipennen met potloodstift waren zo handig bij het corrigeren van allerlei op papier gekalkte producten van leerlingen. Dat doe ik niet meer en wat ik nog wel corri- of redigeer, gebeurt meestal op een computer.
Toch voel ik me nog erg senang bij gewoon schrijfwerk. En dat het liefste met een vulpen of een potlood. Over die vulpen maak ik me geen zorgen. Daar zal ik nu niet over uitweiden: de vulpen bewaar ik liever voor een andere keer. Maar dat vulpotlood is iets anders.

Er is een goedkoop vulpotlood van Pentel, waar ik gelukkig al langer aardig mee uit de voeten kan. Het ding heeft heel wat duurdere combi-exemplaren overleefd.
Ik kreeg ooit van een collega, een handvol vulpotloden, maar die zijn allemaal op zeker moment in een prullenmand terecht gekomen. Dat geldt ook voor de vulpotloden die ik een paar jaar geleden bij de Action kocht. Die waren me aanbevolen. Nou, ik vind ze drie keer niks.
Het doordrukmechanisme van een vulpotlood mag dan vernuftig zijn, vaak is het ook erg kwetsbaar. Soms verbrokkelen de stiftjes in het reservoir en dat kan veel gedoe opleveren. En wat dacht je van het gummetje dat bovenin onder het drukknopje verborgen zit: bij de Pentel zakt het vroeg of laat weg en later of nog later worden die gummetjes een beetje korrelig. Intussen maken de smalle breekbare stiften en die gummetjes een vulpotlood zo aantrekkelijk. Een klein onderzoekje in een pennendoosje levert gummetjes op van vier verschillende merken, allemaal getuigen van een droefstemmend verleden.

En toch... Gisteren vroeg de jongste wat ik wilde hebben van de Sint. Sint geeft per volwassen persoon doorgaans zo’n vijftien euro uit en nu valt me op dat je voor die prijs geen multidisciplinair schrijfwapen kunt kopen, maar een beetje een appetijtelijk vulpotlood voor zo’n spilzieke gebruiker als ik ben, zit er toch wel in. Ik denk dat ik dat maar eens aan de Sint ga vragen. En dat doe ik dan via de jongste. Die twee hebben wel een aardige verstandhouding.

10 november 2020

De snelheid van een bruine vlek

Het wandelpaadje voert langs een sloot die je een paar weken geleden niet gezien zou hebben. Toen zat er nog veel te veel blad aan de struiken die pad en water scheiden. Nu zie ik in een flits hoe er een bruin vogeltje voor me wegvlucht. Hij maakt een halve boog over het water en verdwijnt in het blad onder de struiken en in de slootkant. Hij is bruin en ik meen iets te bespeuren van zwarte strepen. Het gebeurde alleen zo snel.
Een tweede vogel flikt het ook. Nu van zo dichtbij dat het wel lijkt alsof hij uit mijn scheenbeen tevoorschijn schiet, de struiken in, ook in een halve boog het water over. Ook hij is weg. Weer bruin en opnieuw de suggestie van zwarte strepen. De zwarte strepen zouden wel eens een gebrekkige vertaling van mijn ogen kunnen zijn. Misschien zijn die strepen geen eigenschap van de vogel, maar van zijn snelle beweging. Daardoor begin ik ook te twijfelen aan het bruin. Waren het wel bruine vogeltjes. Is het bruin niet de beginstand van trage ogen die pas iets gaan zien als het eigenlijk al weg is? Bij mijn camera merk ik wel eens dat hij een fractie van een seconde nodig heeft om een veranderde situatie (meer of minder licht bijvoorbeeld, scherp stellen) te verwerken. Is het zoiets?
Ik zou me al lang, secondes lang, met iets anders beziggehouden hebben, als er niet even plotseling, een anderhalve verder bij me vandaan opnieuw een vogeltje door de struiken wegschiet, alleen gaat deze niet naar de sloot toe, deze kruist mijn pad en plotsklaps herken ik hem als een pimpelmees. Eerst is er een snel bewegend vlekje, dan een grijs voor me langs schietend vogeltje dat ik vervolgens kan vertalen in een pimpelmees, door met terugwerkende kracht te zien dat hij geen zwart kopje heeft. Het vogeltje zelf is al weg.
Ik kom weer terug op de bewegende vlek. Zag ik ook bij de derde vogel eerst een bruine vlek? Werd die grijs omdat ik het vogeltje wat langer goed kon zien. Ging dat intussen wel zo snel dat de gewaarwording van de bruinheid van de vlek niet eens meer tot mijn bewustzijn door kon dringen? Dan zouden die twee eerdere vogeltjes net zo goed grijze pimpelmeesjes geweest kunnen zijn, die zo snel weer verdwenen dat de gewaarwording niet verder kwam dan het eerste, dus bruine stadium.

Ik bevind me op vertrouwd terrein en ik weet dat ik hier 's winters massa's vinkjes tegen kom. Dat zou dus ook kunnen: dat die twee eerste vogels vinkjes waren. Maar dat kan ik alleen maar denken, omdat ik toevallig weet dat zich hier in barre tijden talloze vinkjes verzamelen. Dat heeft niets meer te maken met wat mijn ogen zagen. Bruine vlekken met zwarte strepen.

Zou mijn bril bijdragen aan die mogelijke vertekening en gebrekkige perceptie? Maar zonder bril zou ik er helemaal niets van bakken.

Ik mag mijn bril trouwens wel weer eens schoonmaken.

Dat deed ik vanochtend nog.

Er schiet in een flauwe helling maar met adembenemende snelheid een bruin vogeltje uit de struiken voor me langs over het pad en het duikt zo de dikke deken in van het gevallen blad. Het zou me niet verbazen als hij ondergronds nog even doorschiet. Wat een snelheid.
Zou hij nu vastzitten, in de grond, een halve meter onder het bladerdek?
Nee, daar is waarschijnlijk een rotonde. Die neemt hij en dan komt hij met dezelfde vaart weer uit het bladerdek tevoorschijn.

Daar ga ik niet op wachten.

08 november 2020

Schilderstok

 

Ik blader weer wat verder in het grote boek van Rembrandt en kom bij een tekening uit 1636. Eentje in bruine inkt, waarop een schilder van zijn stoel is opgestaan om wat afstand te nemen van zijn werk. Daar staat hij nu achter. De attributen waarmee hij aan het werk is heeft hij nog in zijn handen: rechts twee penselen, links een schilderstok. Wie de schilder zou kunnen zijn, weet ik niet, maar hij is rechtshandig en hoogstwaarschijnlijk gaat het om een fijnschilder, in ieder geval is hij bezig met een het schilderij waarbij enige precisie om de hoek komt kijken. Of het zou hier gaan om een nogal trillerige schilder.

Ik heb nog nooit nagedacht over een schilderstok. Het zou me niet verbazen als ik er in het echt nog nooit eentje heb gezien. Op schilderijen kom je ze vaker tegen. Ook weet ik waarvoor ze gebruikt worden, dat is ook niet moeilijk om te bedenken, maar nogmaals: ik heb me er nooit mee beziggehouden. Daarom vroeg ik me bij deze tekening ook even af hoe zo’n stok zou heten. Schilderstok leek me een passende benaming, en zo blijken die dingen ook te heten. Maar schrijf je dat nu met één s of met dubbel s? Mijn voorkeur gaat uit naar een enkele s; die hoort dan bij de stok. Bij een dubbele denk je aan een stok voor schilders, bij een enkele is het een stok die je gebruikt bij het schilderen. Met een dubbele s bestaat de samenstelling uit een samenvoeging van twee zelfstandige naamwoorden; bij één s is het eerste deel de stam van het werkwoord schilderen, zoals in griezelfilm. Dat ligt het meest voor de hand.
Daar denkt de dikke Van Dale over: in het lemma bij schildersezel, gaat het verder met, …genootschap, dan …gereedschap, …schildersgezel, allemaal woorden waarbij het iets vanzelfsprekender is om bij het eerste deel aan een schilderende persoon te denken dan aan de activiteit van het schilderen, maar bij de …kwast en het …mes wordt dat al moeilijker. Toch vragen die woorden om een dubbele s. Het rijtje gaat door tot …stok. Dan houdt de riedel op en gaan we naar het volgende lemma: schilderstuk. Met andere woorden: volgens Van Dale schrijf je schildersstok, dus met twee keer een s in het midden.
Merkwaardig. Stel je voor dat je tegen de muzikale stok van een dirigent geen baton zegt, heb je het dan over dirigentenstok of over een dirigeerstok? Ik blader door een ander deel van de dikke Van Dale en kom op dirigeerstok. Een dirigentenstok kom ik niet tegen.
Taal is geen logica. Dat wisten we al, maar het blijkt maar weer. Opvallend is wel dat ik het woord schilderstok op internet niet met dubbel s tegenkom. In Het Groene Boekje staat het niet.
Ik houd het op schilderstok. Zo’n ding, doorgaans een meter lang, wordt dusdanig, vaak diagonaal, over een schilderij gelegd dat de schilderende hand van de kunstenaar er een beetje op kan rusten en bij precisiewerk heb je op die manier een vastere hand. De stok is ook handig om rechte lijnen mee te trekken. Om beschadiging van het schilderslinnen (met verbindings-s) te voorkomen is een zijde van de stok afgetopt met een zacht bolletje, met een lapje erom.
Ze worden nog steeds gebruikt, die stokken. Ze zijn zelfs te koop, al lijkt het me niet moeilijk om er even zelf eentje te maken.
In het Duits zijn ze er ook. Daar heet zo’n stok Malstock. Geen Maler(s)stock. Ik bedoel maar.

07 november 2020

Vierentwintig

Het vertrouwde rondje dat me vrij snel bij de Vecht brengt, leverde een schoolplaat op met een weiland met daarin veel meeuwen, kraaien, kauwen, waterhoentjes, ganzen natuurlijk, wat koeien op de voorgrond en twee ooievaars. Geen twaalf, want ook dat kan je hier overkomen. Hoe dan ook veel gevogelte en dat in fraai licht onder een tamelijk strakke novemberlucht. Dat licht was ook goed voor de veelkleurigheid van de bomen langs de rand.
Ik ben niet afgestapt voor een foto, al had ik een cameraatje in mijn hand. Ik heb hier al vaak genoeg dezelfde foto gemaakt. Maar een fraaie schoolplaat was het wel vandaag, zo eentje van M.A. Koekkoek.
Druk was het wel. Wat werd daar veel gerend, gelopen en gefietst. Ik fiets er al zo lang zo vaak dat ik het me een beetje heb toegeëigend. Ik vond het fijn om er zoveel mensen te zien die genoten van hun uitje op zaterdagochtend. Fijn ook dat die vogels en koeien bereid waren om ook deze dag voor een aantrekkelijk decor te zorgen. Dat kunnen mensen in deze tijden goed gebruiken. Het weer is ons dit jaar sowieso zeer ter wille geweest.
Bij Oud-Zuilen slingerde ik via de molens in de richting van de Maarsseveense Plassen. De molens draaiden. Met de wieken in het zeil is dat een mooi Hollands plaatje in het hart van Utrecht, maar ik wil wel even kwijt dat dit plaatje helemaal niet vanzelfsprekend is. Een paar jaar geleden is de kleinste van de twee molens, de Buitenwegse molen, namelijk volledig afgebrand. Wat we nu zien is een replica van de molen uit 1830. Ik zie het verschil niet met zijn voorganger. Een kenner doet dat wel, al was het maar omdat er bij de herbouw is teruggegrepen naar de Dekkerwieken die in 1931 zijn aangebracht. Later werden die vervangen door andere, maar men voelde zich blijkbaar meer thuis bij hun voorgangers. Misschien heeft dat wel te maken met het feit dat die wieken van Dekkers in de oorlog zwart geschilderd zijn; dat was om geen oriëntatiemogelijkheid te zijn voor Britse vliegtuigen die op weg waren naar Duitsland om daar hun onaangename bagage te lozen.
Mogelijk zijn om die reden ook van deze nieuwe oude molen de wieken zwart gemaakt. Die zwartheid viel vandaag extra op, want de ook al zwarte zeilen waren opgezeild en de wieken draaiden, die vier wieken van de Buitenwegse én die van zijn grote buurman de Westbroekse molen uit 1753. Dat is trouwens een grondzeiler.
Bij Maarsseveen ben ik wel afgestapt. Er golfde een slinger ganzen door de lucht als een teer gedicht, op rijm. Hoe zouden de ganzen langs de Vecht naar hun overvliegende soortgenoten kijken, vroeg ik me af. Die langs de Vecht brengen zomer en winter in hetzelfde weiland door en sukkelen naar de rivier voor een rondje zwemmen en steken een pootje of een vleugel op als ze me zien. Ze kennen me onderhand wel.
Zo’n slinger, hoog in de lucht, is wel even wat anders dan rondbanjeren op een lap gras. Geen V was het, maar een meanderende staart. De afstand tussen de vierentwintig ganzen, ik heb ze ook maar even geteld, veranderde alleen als een gans aanstalte maakte om de slinger even te verlaten. Die versnelde dan en voegde een of twee ganzen verderop weer in. Maar goed, dat weet je vast wel. Ik vond het mooi om naar te kijken.
Bij Fort Ruigenhoek zwom er van alles in het water. Onder andere kuifeenden. Ook hiervan telde ik er vierentwintig. Dat is aardig wat voor kuifeenden.

06 november 2020

Give me some truth

Plotseling duwde ik met veel kracht de rechtertrapper omlaag, overrompeld door woede. Ik weet niet of je het ‘Give me some truth’ kent van John Lennon, maar dat nummer lijkt halverwege te beginnen. Je zit er meteen midden in. Zo ging het met dat fietsen ook: ik zat er ineens midden in. En door mijn hoofd ratelden plotsklaps woorden van Lennon.

‘I'm sick and tired of hearing things
From uptight, short sighted
Narrow-minded hypocritics
All I want is the truth
Just gimme some truth

I've had enough of reading things
By neurotic, psychotic
Pig headed politicians
All I want is the truth
Just gimme some truth […]’

In het nummer gaat het over hypocritics, prima donnas en politicians. Voor mij wordt steeds Trump bedoeld, ook al is het nummer al vijftig jaar oud. Zelfs de ‘short-haired, yellow-bellied son of Tricky Dicky’ heet Trump. Ik kan het niet helpen. Wat ben ik die verschrikkelijke leugenaar toch zat.
Op Nos.nl keek ik vanochtend naar de compilatie van de momenten waarop verschillende nieuwszenders reageerden op Trumps ongegronde beschuldigingen van fraude bij het tellen van de stemmen. MSNBC, CBS, ABC en CNBC lieten via een voice over weten dat de beschuldigingen van Mr President ongegrond waren. Enfin, ik hoef het er niet over te hebben, want je weet het al.
Maar op die fiets schoot het door me heen en ook wist ik dat die grote bek er weer een draai aan zou geven om alles wat vies en krom is weer recht te praten.

En wat er ook gebeurt: de ellende houdt niet op. Het feit dat er een nek-aan-nekrace plaatsvindt in het land van de onbegrensde mogelijkheden maakt al duidelijk dat de dwaasheid, de zotheid, de waanzin er onverbiddelijk heeft toegeslagen. Ook als Trump niet wint, woekert de narigheid voort en geen 78-jarige kan daar korte metten mee maken.

Ik moet het hier helemaal niet over hebben. Gelukkig bracht die fiets me wel snel thuis, terwijl ik John Lennon op de repeat maar bleef horen smeken om de waarheid, ‘ik wil alleen maar de waarheid.’

Ik heb een vierdelige compilatie met nummers van Lennon. ‘Give me some truth’ staat als nummer vijf of cd 2. Die draaide ik toen ik thuis kwam. De stem van Lennon is een verademing. Na dit vijfde nummer volgde ‘Oh my love.’ Het ontroerde me. Maar ja, daarna kwam dat vervelende ‘How do you sleep’ waarin Lennon zijn vroegere kompaan McCartney een hak zet. Weer een geval van jammer. Wil ik het ook niet over hebben.

Laten we het er maar op houden dat ik ook vandaag weer erg tevreden was met mijn fiets.

05 november 2020

Mm-mm

‘Heteplop,’ zegt Markus als hij een vliegtuig hoort en hij wijst naar boven. Ik verbeter hem, want wat hij hoort, is geen helikopter maar een vliegtuig.’‘Heteplop,’ zegt hij nogmaals, met zoveel stelligheid dat ik even aan mezelf twijfel. Misschien hoor ik het niet goed, maar als ik nog eens goed luister naar het langzaam wegstervende geluid, weet ik het zeker: het was een helikopter.
Misschien betekent zijn heteplop intussen zowel vliegtuig als helikopter, al geloof ik dat toch niet, want hij als hij vla of yoghurt eet vraagt hij nadrukkelijk om het fiete; dat is een lepeltje in de onmiskenbare vorm van een vliegtuig.
Markus staat nog aan de goede kant van het leven. Het zijne kent nog geen enkel trauma. Zijn twee jaar oudere broertje kan al het nodige vertellen van Covid-19, Markus heeft daar nog geen idee van. Dat is zijn wereld niet. In zijn wereld lopen geen links- en rechtsextremisten rond en van een onrustbarende opwarming van de aarde heeft hij geen idee. Wat is aarde trouwens?
We lopen door het bos. De twee honden die we tegenkomen, noemt hij ‘tee wauwau’. Ja, zeg ik, twee honden. Zo heb ik me dat aangeleerd: je corrigeert een kind door te beamen wat hij bedoelt en vervolgens zijn woorden in fatsoenlijk Nederlands te herhalen. Alleen bij ‘hun hebben’ mag je ingrijpen, maar dan zijn kinderen al vier.
Markus is het niet met me eens. ‘Neehee, opa, tee wauwau!’ Omdat hij verderop nog een hond ziet, zegt hij hard ‘wauwau, wauwau’. Al eerder viel me op dat hij volhardt in zijn eigen woordkeus, zoals je in sommige gezinnen wel meemaakt dat een van de ouders Engels spreekt met de kinderen en de ander Nederlands. De monden en de oren van de kinderen kunnen in zo’n geval moeiteloos schakelen. De poes bij Markus thuis wordt door zijn ouders en zijn broer ‘poes’ genoemd; Markus zegt nog steeds ‘maumau’. Nieuw is dat hij nu aan het verbeteren slaat. Als een kleine Trump zet hij de wereld naar zijn hand: van nu af aan zeggen we geen hond meer, maar gewoon ‘wauwau.’ Straks vliegen er alleen maar heteplops door de lucht. Er zit iets beslists in zijn gedrag, hier in het bos. Ik zie het ook aan de manier waarop hij zijn eigen buggy voortduwt, waarbij ik alleen mag helpen als hij echt vastzit. Buggy is overigens diddie.
Weer vliegt er een vliegtuig over. Hij roept hard heteplop. Markus is een zacht mannetje. Zo voelt hij aan, zo gedraagt hij zich doorgaans en zo kan hij ook praten. Tot voor kort leek praten op een zacht neuriën. Taal was muziek en hij had er blijkbaar gevoel voor.
Dat komen we vandaag niet tegen. Hij heeft een harde stem. Heteplop! Hij hoeft het niet eens te roepen. Er zit een enorme versterker in zijn kleine donder. Het lijkt ook wel alsof ook het vliegtuig hoog in de lucht er van geschrokken is, want het geronk verdwijnt bijzonder snel.
De diddy (vroeger heette dat ding dus buggy) zit vast in een dikke laag beukenblad. Ik raap wat beukennootjes op. Als ik er twee gepeld heb, eet ik er een op. Hij krijgt de andere. Hij aarzelt even, maar dan stopt hij hem in zijn mond.
Even later wroet hij met zijn handjes door de bladeren. Die nootjes bevallen hem wel. Hij komt er telkens eentje brengen die ik dan voor hem moet pellen.
‘Lekker hè, die beukennootjes.’
Hij beaamt het. ‘Ja,’ zegt hij.
‘Beukennootjes,’ zeg ik. ‘Dit zijn beukennootjes. Kun je dat zeggen?
Hij knikt en bromt ‘Mm-mm.’

04 november 2020

Verstoppertje

Door een speling van het lot kon ik vandaag met Lukas alsnog naar het Spoorwegmuseum. Op school was hij trots geweest op zijn Marshallpak, dat hem omgetoverd had in de heuse brandweerhond uit de serie Paw Patrol, maar hij wilde andere kleren aan voor het Spoorwegmuseum: hij ging daar niet voor gek lopen, zeg.
Het was er stil, ook tegen de verwachting in van het personeel. Je zou denken dat mensen op woensdagmiddag, met een sluiting van enkele weken in het vooruitzicht, nog gauw een bezoekje meenemen. Zo was het dus niet en dat gaf ons alle ruimte. Ook om verstoppertje te spelen. De eerste twee keren verlinkte hij zichzelf al voordat ik was uitgeteld. De derde keer dat hij zich verstopte, riep hij ‘doortellen!’ Ik begreep dat hij wat verder weg een trap af ging, naar een ondergrondse tunnel. Daarna was ik aan de beurt. Hij vond me niet. Of liever: ik zag hem nergens meer. Uiteindelijk liep ik terug naar de buutplaats. Ik was wel een beetje ongerust.

‘Ik zag je wel, hoor.’ Aan de andere kant van het kinderspoortje kwam hij ineens tevoorschijn. ‘Eerst zat je daar, achter dat bord, toen daar en toen ging je weer naar het bankje.’ Nu was ik weer aan de beurt. Deze keer moest ik niet tot honderd, maar zelfs tot tweehonderd tellen. Ik begon bij elf.
’21, 73, 98, 98 en een half, 116, 189, 190, nogmaals 190, 197 en dan 346. Wie niet weg is, is gezien! Ik kom!’
Mensen zouden zich hebben kunnen afvragen wat die idiote man in zijn eentje zat te doen, daar op dat bankje. Maar er was niemand meer om zich wat dan ook af te vragen. Alleen heel in de verte zat een oma zich verschrikkelijk te vervelen. Dat zag ik toen ik na vijf minuten vergeefs zoeken langs haar liep. Dat verveelde gezicht was er nog steeds toen ik later weer terug liep. Ik beklom de rotspartij bij de glijbanen, spiedend als een roofvogel op zoek naar prooi. Ik ging het gebouw weer in, liep naar links (wat Lukas nooit zou doen) en weer naar rechts (wat hij zeker wel zou doen). Ik vond hem niet. Het kon niet anders of ik was inmiddels op zoek naar een jongetje in heftige paniek.

Ik ging weer terug naar buiten. In de buurt van de verveelde vrouw bleef ik staan. Zou ik haar vragen of zij het afgelopen kwartier een jongetje had gezien dat… Natuurlijk had ze jongetjes gezien, het museum was niet helemaal uitgestorven, maar hoe moest ik Lukas beschrijven? Een donkerblauw jasje zegt niks, ook niet als de rits en de binnenkant van de capuchon een lichtgevend oranje kleur hebben. Ik hoorde twee keer zacht getik tegen metaal. Ik liep achter de vrouw langs naar de uiterste hoek van het terrein. Daar kwam het getik vandaan. En daar vond ik Lukas. Hij keek mee triomfantelijk aan.
‘Ik had me goed verstopt, hè.’ Weliswaar was hij me uit het oog verloren toen ik het gebouw in was gegaan, maar voor de rest had hij me voortdurend in de gaten kunnen houden. Hij had al eerder getikt trouwens. Lukas was de echte winnaar en hij wist het.

Er stond ondertussen een medewerkster van het museum bij de oude vrouw.
‘Ik vind er hier niks aan, in dit museum. Ben er finaal op uitgekeken. Er is hier niks.’
Als je op dat jongetje had gelet, dacht ik, zou je jezelf een gouden middag bezorgd hebben. Die slimme kleuter met zijn sullige opa. Het gebeurde onder je neus, truttebol dat je bent.

03 november 2020

Constable

Zonder ongeluk geen geluk en daarom waren we blij dat we voor vandaag hadden afgesproken. Hadden we een andere dag afgesproken, dan zou het hele feest niet zijn doorgegaan. Dus liepen mijn kunstzinnige vriend en ik vandaag met gezichtsmaskers door het Teylers Museum. Camera’s in de aanslag alsof het revolvers waren. Niemand was onder de indruk van ons. Het was behoorlijk druk en het viel niet altijd mee om de juiste afstand te bewaren, dus dat de musea dicht gaan kan ik me wel voorstellen, al vind ik dat heel jammer. Vooral ook omdat ik Lukas had beloofd om weer eens naar het Spoorwegmuseum te gaan. Hij wilde vorige week al.

Maar mijn kunstzinnige vriend en ik waren dus mooi op tijd om het werk van John Constable te bekijken. Voor mij behoorde hij tot de beschuitrolschilders, maar daar ben ik toch van teruggekomen.
Beschuitrolschilderijen zijn meestal landschapsschilderijen die het net niet helemaal zijn, schilderijen waarvan er dertien in een dozijn passen en dan zijn ze alle dertien ook nog wel goed, maar je raken, doen ze niet echt. De term gebruikte ik als kind al. Eerlijk gezegd weet ik niet eens zeker of het klopt, maar volgens mij is er rond 1960 een actie geweest waarbij op de bovenkant van een beschuitrol een plaatje van een schilderij was afgebeeld. Misschien kon je ze zelfs wel sparen. Stel je dat eens voor: je trekt een plaatje van een schilderij van een beschuitrol. Dat is natuurlijk verkeerd, dun en te glad papier en dan is er ook nog wat lijm gebruikt zodat je scherpe vouwen of kreukels krijgt als je de boel lostrekt en dan moest je daarna nog met gluton aan de slag om ze in een album te krijgen. Kortom: er gebeurde van alles met die minireproducties wat een regelrechte aanval op de schilderkunst mag heten. En dan overheerste op die afdrukjes ook nog die ellendige groene zweem.
Het effect was averechts: je zou er nog een hekel aan schilderijen door kunnen krijgen.
Beschuitrolschilderijen, dat betekende voor mij grote droefenis.

Mijn vooringenomenheid vandaag stond al op een laag pitje, maar ze was nog niet helemaal weg. Dat bleek terwijl we ons overgaven aan de expositie. De bewondering voor de heer Constable groeide. Schilders worden een stuk boeiender waar je iets van hun obsessie tegenkomt. En die zit in de herhaling. De vaste thema’s. Bij Constable heb je de enorme behoefte om echte wolkenluchten uit zijn vingers te laten komen. Dat werkte. Zijn luchten werden echte luchten, maar op een schilderij volstrekt zich dan het wonder dat licht en lucht en zelfs beweging niet zozeer van verf en het resultaat van een kwast is, als een stoel of een oor.

Tussendoor was er een zaal met Nederlandse schilders uit Constables tijd en dat vond ik wel weer een beetje jammer voor de Engelsman. De beschuitrolassociatie kwam weer een beetje om de hoek kijken. Heel eventjes maar.

De noodzakelijke afstand en de mondkapjes maakt een vrolijk gesprek onmogelijk en dus besloten we naar buiten te gaan en wat door Haarlem te wandelen. Er joegen wolken door de lucht waarvan Constable ongetwijfeld een paar keer marvellous van zou hebben geroepen. Maar er kwam ook flink wat regen uit, dus liepen we al gauw in de Grote Kerk. Daar was niemand!

Vanuit de trein zag ik hoe er licht over de weiden vlaagde. Constable, dacht ik. En toen: nee, Ruysdael. Dat was wel weer jammer voor Constable. Maar ik reed door een schilderij en zo voelde het ook met die adembenemende lap textiel op mijn snufferd.

01 november 2020

Dorien en het Ruprechtorgel

Ik zat op de achterste rij en keek omhoog naar het orgel, naar de jonge vrouw die tussen regendruppels door kan lopen zonder nat te worden. Ze zat met haar rug naar ons toe en begon aan het vijfde van de zes stukken die ze deze middag zou spelen. Arvo Pärt was aan de beurt, met My heart ’s in the Highlands, gebaseerd op een laat achttiende-eeuws gedicht van de Schotse dichter Robert Burns.
Het orgel klinkt bescheiden en daar is het lichte, ook al achttiende-eeuwse Ruprechtorgel uit de Tuindorpkerk heel goed in, terwijl de organiste er op haar beurt heel goed in is om een orgel licht, sober en melancholiek te laten klinken als de muziek daar om vraagt, zoals nu.
Dat Dorien niet alleen muzikale vingers heeft, maar ook een bijzonder aangename sopraan is, wist ik al; ze had het drie stukken eerder al laten horen door iets van Dowland te zingen, waarbij ze zich liet begeleiden door gitaar.
Ik was er niet op bedacht dat de vrouw achter het orgel die daar de minimal melancholy van Pärt uit de orgelpijp liet druppelen zelf zou gaan zingen. Met de rug naar ons toe.
Bij de inzet van ‘Farewell to the Highlands, farewell to the North’ vroeg ik me nog even af of het niet wat harder kon. Bij het tweede vers ‘The birth-place of Valour, the country of Worth’ was ik blij dat dat niet gebeurde. Er gleed een ijlheid door de kerkzaal waarvan de kaarsvlammen hun adem inhielden.

Jammer dat er geen herhaaltoets was. Ik had ik natuurlijk ‘bis, bis’ kunnen roepen, maar mijn opvoeding hield me tegen, ook de coronaregels maakten teveel enthousiasme lastig.
Misschien dat ze na afloop, hoopte ik, toch nog een van de stukken zou herhalen. Dat was niet zo.

Naderhand mompelde ik tegen de gitarist dat die Dowland fantastisch was. En dat was ook zo. ‘Ja, de Bob Dylan van de zestiende eeuw, zei hij om mij ter wille te zijn.’ Daar ging ik niet op in, want ik bedoelde mijn opmerking als opmaat voor mijn bewondering voor Doriens vertolking van Pärt. Gitarist David zei dat hij er de vorige week al zo van onder de indruk was. Omdat het concert vanmiddag vanwege de coronabeperkingen een herhaald concert was, hoorde hij het voor de tweede keer. Hij had het nu nog mooier gevonden en hij gunde mij ook een tweede keer. Dan zou hij ook weer luisteren, want een derde keer zou hij het ongetwijfeld nog mooier vinden.

Nu wil het geval dat Dorien Schouten dinsdagmiddag op Radio 4 te horen is met een eigen werk. Ik weet niet of ze al een keuze heeft gemaakt en ook niet of er een goede opname is gemaakt van haar vertolking van dit My heart’s in het Highlands. Als dat zo is, dan zou ik het wel weten.

Thuis luister ik nogmaals naar het stuk. En nog eens. Een nog een keer. Maar het is niet het orgel van de Tuindorpkerk, de handen van Dorien zijn het niet en ook mis ik haar sopraan.

Ik wacht op dinsdagmiddag.

31 oktober 2020

Shell 2 T – deel twee

Om nog even terug te komen op de foto en de tekening van gisteren: stel je toch eens voor dat er bovenin het mandje van de vrouw op de tekening van Rembrandt inderdaad een blik tweetaktolie van Shell had gelegen, dan zou de strekking van de tekening finaal onderuit gehaald worden. Nu voert die tekening ons naar het wanhopige kind en om diens plotselinge verdriet in te kaderen, een oorzaak en een gevolg te geven, zien we de hond en de troostende vrouw. De hond snapt er echt niks van, de vrouw gaat volledig op in haar rol van troosteres. Het mandje aan haar arm laat hooguit zien dat ze daar bepaald niet mee bezig is. Het zou kunnen dat het kind straks, als de man met het tekenblok weer weg is, een stuk van die appel krijgt, zodat achter het hele incident met de hond een punt gezet kan worden. Maar ook dan leidt de appel niet af van de gebeurtenis, van het verdriet van het kind. Dat zou anders geweest zijn als er een blik tweetaktolie in het mandje had gelegen, of een zojuist aangeschafte kandelaar. Die noem ik maar even omdat we niet in het anachronisme moeten blijven hangen.
Bij de jongens, de glimlachende vriend en de clowneske knul met het verband om zijn kop, is dat anders. De foto is deel uit gaan maken van een serie foto’s rond het thema feest. De clown met zijn verband ziet er gek genoeg uit om je van alles af te vragen, maar dat doen we niet omdat dat blik olie boven zijn hoofd zweeft. Als het blik echt met een klap op zijn kop terecht zou komen, zou dat bijzonder pijnlijk en bepaald niet feestelijk zijn. Maar het is zo dwaas om iemand met zo’n blik op zijn kop te meppen dat we rustig kunnen aannemen dat dat niet zal gebeuren.

Ik moet je iets bekennen. De jongen met het verband lijkt als twee druppels water op een knul die ik een jaar of dertig geleden in de klas had. Ik heb zijn naam nog paraat. O, wat kon die jongen lollig zijn, met zijn flaporen. En wat kon die vervelend wezen. Stoute en vervelende kinderen werden toen naar mij toe gestuurd. Hem kreeg ik vrijwel dagelijks op mijn kamer.
Achter alle loltrapperij zat veel boosheid en wat een ellende vond hij die flaporen van hem. Ik herinner me dat ik hem en zijn ouders heb geadviseerd om een boksbal voor hem te kopen, dan kon hij thuis, op zolder, zijn overtollige energie, maar ook zijn agressie een beetje kwijt. Die boksbal is er ook gekomen.
Het idee om iets aan zijn oren te laten doen, kwam niet van mij, maar dat is wel gebeurd. Toen hij in de derde klas zat, zijn ze wat dichter bij zijn hoofd gezet.

Ach ja: als je maar lang genoeg naar een plaatje kijkt, kun je overal wel een verhaal uit persen en daarmee de situatie naar je hand zetten. Maar met dat blik tweetaktolie is dat hele verhaal van de clown die achter zijn grijns en uitgestoken tong een triest bestaan verbergt, volstrekte onzin geworden.
Op de foto is het alleen maar feest en nog eens feest. Dat is het onderwerp. In dit geval het zogenaamde kolderieke feest. Dat is een belangrijk sub genre, waarvan deze foto dankzij dat rare blik een mooi voorbeeld is.

30 oktober 2020

Shell 2 T

 

In het Rijksmuseum is een tentoonstelling te zien met werk van Ed van der Elsken. Het gaat om foto’s rond het thema Feest die hij een jaar of zestig geleden bundelde voor een boek. Dat kwam er toen niet. Die schade wordt ingehaald door de expositie en de daarbij verschenen catalogus. Verschillende kranten besteden er aandacht aan en in tenminste drie gevallen wordt daarbij ook de foto afgedrukt van twee jongens van een jaar of dertien. Ze kijken lachend in de lens. Een jongen speelt voor vrolijke lachebek, al geeft zijn in verband gewikkelde hoofd daar op zich weinig aanleiding toe. De jongen heeft een flapoor. Misschien zelfs wel twee, maar dat is vanwege dat verband niet te zien. Maar het verband laat wel een behoorlijke bobbel zien waar je het linkeroor mag verwachten. Misschien heeft hij de stand van het ene oor laten corrigeren en is over twee weken het andere aan de beurt.

Mij houdt vooral het blik bezig boven het hoofd van de vrolijke jongen, die vanwege de foto ook nog zijn tong uitsteekt. Het gaat om een plat blik waarop te lezen staat dat er tweetaktolie in zit van Shell. Links in het beeld zie je de hand die dat blik ondersteboven vasthoudt, alsof het een hamer is waarmee de clown ieder ogenblik een flinke klap op zijn kop kan krijgen. De jongen rechts van de lachebek kijkt ook vrolijk, maar daar blijft het dan ook bij. Hij houdt zijn vriend vast. Het lijkt erop dat hij net als zijn vriend geen idee heeft van dat vervaarlijke olieblik.

Het is een intrigerende foto, die me een fietstocht lang heeft bezig gehouden. Ik mag dan een verklaring kunnen bedenken voor het verband, maar ik weet niet of die klopt. Het verband kan net zo goed gefaket zijn. Maar vooral dat blik olie blijft intrigeren. Bij een zorgvuldige enscenering had ik me nog een nephamer kunnen voorstellen, maar een blik tweetaktolie van Shell is iets anders, en dat dan met zo’n hand uit het niet.

Voor ik op de fiets stapte, kwam ik, in een tijdschrift, nog een pentekening tegen van Rembrandt. Daarop ontfermt een vrouw zich over een klein kind dat schrikt van een hond. Had Rembrandt een camera gehad, dan zou hij bij wijze van spreken een fotootje van het tafereel hebben genomen. De vrouw heeft ook nog een mand aan haar arm. Ik zie een appel. Blijkbaar komt ze net van de markt of zo. Ik kijk naar die appel en kom pas met die veronderstelling over dat marktbezoek als ik me voorstel dat Rembrandt in plaats van een appel ook een blik tweetaktolie had kunnen tekenen.

Nee, dat had hij niet. De tekening van Rembrandt mag zijn verwerkt in een toevallig tafereel dat hij zag, het resultaat is een bedachte compositie.
Bij Van der Elsken lijkt zich een ongeprogrammeerde, spontane werkelijkheid voor te doen. Die twee lachende jongens, met dat verband, zullen wel de aanleiding zijn geweest voor de foto. Dat blik olie is bijvangst. Op het moment dat de fotograaf klikt, doet de lachebek extra lollig door plots zijn tong uit te steken; een derde persoon wil ook grappig zijn en doet dat met wat hij toevallig bij de hand heeft: het blik olie dat hij voor zijn vader moest halen. Voor zijn brommer.

Bij een tekening vraag je je af of je iets wel of niet moet toevoegen; bij een foto of je iets ja dan nee moet weghalen.

 


29 oktober 2020

Wasrekje

We zagen gisteravond op de BBC het programma Repair Shop. Daarin leveren mensen allerlei spul af dat ze dierbaar is, maar het is ook kapot en daarom moet het gerepareerd worden. Mente moest bij het kijken denken aan het wasrekje uit haar kinderjaren.
Vooral in het noorden van het land kwam je die dingen tegen, maar dan in het groot, ik schat twee bij twee meter. Je zag ze in het verleden nogal eens bij een boerderij op het erf staan, of in het gras dat vaak tot aan de gevel liep. Een dubbel raamwerk was het, met dwarslatten. De standers stond schuin tegen elkaar. Ze waren wit geschilderd. De onderste dertig centimeter van de vier poten waren zwart. Het zou me niet verbazen als die onderkanten vroeger geteerd werden.
Mentes wasrekje was bedoeld voor poppenkleertjes en mat dertig bij veertig centimeter. Ik gebruik de verleden tijd; dat is niet terecht: ik heb het zojuist nagemeten. Bij haar rekje zijn de uiteinden van de dwarslatjes rood afgewerkt.
Mente was als kind een poppenmoeder; poppen hebben kleertjes; die moeten gewassen worden. Vandaar ook dat ze een klein machientje had (en nog heeft). Dat bracht haar overgrootvader - ik zeg óvergrootvader - op het idee om een wasrekje voor zijn Haagse achterkleindochtertje te maken. Zij logeerde vaak bij hem in het Groningse Winsum en had dan altijd een vrachtje poppen bij zich.

Vanmorgen kwam Mente de keuken in om het rekje schoon te maken. Ze had het van zolder gehaald. Het zag er nog goed uit. Terwijl ik haar zo bezig zag met spons en sop, verscheen er een oude man van 95 in de keuken. Zo oud moet Mentes overgrootvader in ieder geval geweest zijn toen hij zijn wasrekproject startte. Het aanrecht veranderde in een werkbank; de keuken werd een hoek in een grote schuur. De oude man scharrelde wat rond, trok hier en daar latjes van verschillende dikte tevoorschijn, mat met potlood en duimstok het een en ander uit en begon te zagen. Toen ging hij even weg. Plassen deed hij in de grup, koffie dronk hij in huis.

Na de koffie schaafde hij de hoeken van de balkjes die hij als staanders wilde gebruiken een beetje rond weg en hij spijkerde de scharniertjes vast die hij had gevonden in een kistje op een plank. Hij moest maar een kleine hamer gebruiken met die smalle latjes en kleine spijkers. Wacht, hij kon beter eerst wat inkepingen in de balkjes beitelen. Dat gaf meer stevigheid als de dwarslatjes daar gedeeltelijk in vielen. Hij had geen haast. Hij wilde het voor het middageten af hebben, zodat hij na zijn middagdut met het schilderen kon beginnen.

Met de zwarte poten van de staanders en de rode uiteinden van de dwarslatjes ging hij de volgende morgen pas aan de slag, toen de witte verf droog was. Hij vond het een leuk werkje. Het poppenmoedertje zou er vast heel blij mee zijn. O, bij nader inzien was het wel zo handig om een haakje te gebruiken om de staanders niet weg te laten glijden. Hij had nog wel iets, maar moest wel even zoeken.

De overgrootvader loste weer op, vanmorgen in de keuken. De werkbank werd weer een aanrecht.
Mente spoelt de spons uit.
‘Ziezo,’ zegt ze en ze hangt een vaatdoek over het wasrekje.

27 oktober 2020

Kastanjes

Er komt een zoete geur uit sommige kastanjes. Een paar weken geleden heb ik met Markus bij de Jordanlaan kastanjes geraapt en daar ben ik ’s middags, toen Lukas uit school was, druk mee in de weer geweest. Er moesten poppetjes gemaakt worden, honden, katten, spinnen, schildpadden. De kinderen gingen blij met een vracht geschenken naar huis om er daarna niet meer naar om te kijken.
Dat pleit voor ze, want al die kneuterige huisvlijt levert nu eenmaal weinig schoons op.

Een paar weken later ontdekten Lies en Klaas de schaal met kastanjes, want van wat we een tijdje terug raapten was nog niet de helft gebruikt. Zij wilden er meteen aan de slag. En zo zaten we even later aan tafel. Op sommige kastanjes zat een dun schimmellaagje, dat je met een doek meteen weg kreeg. Ook viel me op dat de bruine schil wat stugger was geworden.
Lies en Klaas liggen een paar jaar voor op hun neefjes, zij zijn al acht en zes, én ze herinnerden zich nog goed hoe dat ging, vroeger, toen ze nog jong waren, dat poppetjes maken. Toch werd ik binnen de kortste keren gebombardeerd tot enige echte gaatjesmaker. En ik moest met een tangetje de lucifers op lengte maken, maar ze bemoeiden zich wel met het ontwerp en zij staken de lucifer in de gaatjes.

Bij dat gaatjes prikken viel me die geur op. Die was nieuw voor me. Ook viel me op dat sommige kastanjes voorbij die stugge schil soms heel zacht en in andere gevallen juist heel hard waren. Als kastanjoloog maakte ik sprongen in mijn kennis.
Dat is wel wat laat, want op het gebied van kastanjepoppetjes heb ik een lange carrière achter de rug. Die begon bij de enorme boom tussen het huis van mijn vriendje Dirk en mij in. Toen kwamen de eerste poppetjes. Overigens hielden we van variatie. We fietsten soms zelfs naar Ockenburg voor eikels en beukennootjes en in plantsoenen plukten we rozenbottels.

Er moesten kinderen komen voor ik me weer bukte om kastanjes op te rapen. Zowel het kerkhof aan de Utrechtse Gansstraat als dat van Monster waren vruchtbare akkers. Thuis sloeg het grote fröbelen weer toe. Ook nu zijn de jaren weer vriendelijk voor me, maar hoe het over vijf jaar is… En komt er ooit weer een golf? Laat ik het zo zeggen: mijn moeder heb ik nog wel meegemaakt terwijl ze een boekje van Bruna aan haar achterkleinkinderen voorlas, maar voor het betere kastanjewerk moest je toen niet meer bij haar zijn. Mijn moeder fröbelde niet veel, al was zij het die liet zien dat rozenbottels een leuke kop met haar konden worden, of een pijpenkop. Sowieso was mijn moeder van de rozenbottels: daar maakte ze vieze jam van.

Maar goed, Lies en Klaas zijn naar huis. Ze hebben alle kunstwerken in een tasje meegenomen. De nog ongebruikte kastanjes heb ik er meteen maar bij gekieperd. Een weeïge, zoete geur? Hier in de kamer merk ik daar niets meer van. Hoe dat nu in Leidsche Rijn is, weet ik niet.

25 oktober 2020

Zondag

Iedereen deed braaf een gezichtsmaskertje voor en rommelde daarna wat met het pompje voor de handgel. Daarna waren er twee diakenen, elk achter een eigen tafel met schoteltjes waarop links minuscule bekertjes met sap en rechts met wijn, en een stukje matse. Je kon ook een klein servetje meenemen naar je plaats. Voor, achter of naast je, overal kon je je schoteltje kwijt en ook je jas, want het was niet de bedoeling dat je gebruik maakte van de garderobe. Op je plaats mocht je je masker af, maar de aanwezigen hadden elkaar toch al lang herkend. Dertig bezoekers en twaalf medewerkers, verspreid over een ruimte waar een paar honderd mensen kunnen zitten.

We waren in de ruimte verloren mensen geworden, kwetsbaar, klein. Thuis zat een klein veelvoud van de mensen in de kerk om de viering via de computer te volgen. De instructies voor brood en wijn waren ook voor thuis doorgegeven, samen met het verzoek om deze avondmaalsviering tegelijk met de mensen in de kerk te volgen. Ik hoopte maar dat ze dat zouden doen.

Er schoten me regels te binnen van Okke Jager:

Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens

Verraadt ons aller angst zich niet
in wie het leven weerloos liet?

De glasglans stemt de blazer mild.
De kaarsvlam vormt de hand tot schild.

De krokus wijst beton zijn grens.
Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens.

Over de aanwezigheid van God begon de voorganger zijn overweging met de woorden: ‘God is niet alomtegenwoordig.’ Dat zei hij een negentiende-eeuwse rabbi na; maar die voegde daar aan toe: ‘God is waar iemand hem zoekt.’ Een variant op ‘Ubi caritas et amor, Deus ibi est.’

We vierden het avondmaal, ieder in de schulp van zijn eigen plek. Daar werd God gezocht, op de plaatsen waar de mensen zaten. Daartussen, en overal waar de anderhalvemeterregel de gebiedende wijs was en dus niemand zat of stond, was ook God niet.

Iedereen stak tegelijk het stukje van de matse in zijn mond; je kon het horen. Van de wijn of het sap in de vingerhoedgrote bekertjes hoorde je niets.

Het was een viering met die verspreid voorkomende mensen die God zochten en die zich niet liet vinden waar geen mensen zaten.

24 oktober 2020

Bezorgdiensten

Er kwamen gistermiddag via de familieapp vanuit de dierentuin leuke opmerkingen over Tommy bij een tijger, maar een uurtje later - en dat kwam dan weer niet op de app, kreeg de oudste geen beweging meer in zijn toch al koppige knie. Pijnlijk was het ook.
Onderweg naar het ziekenhuis werden wij gebeld, want behalve een knie, was er gelukkig ook een vrouw en die ging mee naar het ziekenhuis, maar er waren ook drie kinderen die moesten eten en daarna naar bed.
En zo kwamen we bijna gelijktijdig aan bij het Antonius in Leidsche Rijn, daar hevelden we de kinderen over.

Er werd goed voor ons gezorgd: toen we bij het huis van de kinderen aankwamen verscheen ook de bezorgservice van de plaatselijk snackbar.
Vanochtend constateerde ik dat mijn printer nog steeds geen boe of bah meer zei. Waarschijnlijk lag het aan de adapter en dus moest ik in de stad maar eens gaan kijken naar een nieuwe; en dat voor een bijna twintig jaar oude printer.
Toen ging de telefoon. Het been van de oudste was nog even halsstarrig als de dag daarvoor, maar er zou vandaag een nieuw bed worden bezorgd voor zijn vrouw en hem. Dat leek ons geen combinatie: over de vloer kruipen met een been dat wel pijnlijk wilde zijn, maar niet wilde bewegen, en dan ook nog drie kinderen. Vier, er was een vriendinnetje gekomen.

Dus sloeg ik de printer over om na de lunch (voor je eten wordt altijd goed gezorgd bij de oudste), toen het bed net was bezorgd, aan de slag te gaan. Was het een Ikeabed? Nee, het was geen Ikeabed, maar er ontbraken wel 32 schroefjes, dikte 3 en een lengte van vijftien millimeter.
‘Die heb ik nog wel ergens, waarschijnlijk,’ zei de oudste.
‘Waar?’ vroeg ik vergeefs, want hij strompelde al op zijn net aangeschafte krukken naar het schuurtje.
‘Dat heeft geen zin,’ zei hij toen ik aanbood te zoeken. Of dat sloeg op zijn onnavolgbare wijze van opbergen of op wat de ervaring hem geleerd heeft over de speurzin van zijn vader, weet ik niet. Hij vond een heleboel schroeven die net niet goed waren en ook de buurman kwam met schroefjes die toch iets te lang waren. Nu waren die schroefjes bedoeld voor de puike laden die onder het bed geschoven zouden kunnen worden, dus dat kon in ieder geval in elkaar worden gezet. Eerlijk gezegd heb ik geen idee meer van het kort daarvoor afgevoerde bed, maar van dit bed heb ik een scherp beeld. Voor mij zouden die laden niet hoeven.

Daarna toch nog even naar de stad vanwege die printer, waar ik wilde weten hoeveel een adapter met een serieel snoer zou kosten. Ik vertelde om wat voor printer het ging.
‘Als ze nog leverbaar zijn, meneer, als ze nog leverbaar zijn.’
‘Dat was de vraag niet. Ik wil weten hoeveel zoiets kost.’
‘Als ze nog leverbaar zijn, meneer.’
‘Ja, maar stelt u zich eens voor dat zo’n adapter nog leverbaar is, hoeveel kost me die dan?’
Twintig euro, gokte hij, draaide zich om en liep weg. Een snelle raadpleging op mijn mobieltje leerde dat ze nog wel leverbaar zijn, maar 35 euro kosten. Die investering vond ik te riskant voor een printer die ik kocht toen dit millennium nog in de luiers zat. Ik heb nog even naar nieuwe printers gekeken.
Ik ga niet met een grote doos op de fiets. Daarom heb ik zojuist online een nieuwe besteld.
Bij een andere winkel: die verkoper had niet zo lomp mogen weglopen.

23 oktober 2020

Tausend kronen

Het biljet vertelt me dat de Oesterreich – Ungarische Bank mij onmiddellijk tausend Kroner uitbetaalt als ik dat wil, mits ik het biljet in kwestie kan overleggen. Daar staan ook een plaats en een datum bij: Wenen, 2 januari 1902. Het is een kloek biljet van 19 bij 13 centimeter en omdat ik er als tiener een hele stapel van terugvond in een oude hutkoffer, was dat genoeg om er mijn hele kamer mee te behangen. Dat heb ik ook gedaan. Daar kreeg ik vrij snel spijt van; het leek wel alsof er iemand meekeek die dat helemaal niet leuk vond, dus erg lang hebben ze er niet gehangen. De kleine stukjes plakband die ik gebruikte, lieten zich gelukkig makkelijk verwijderen. En zo vormden de biljetten weer de stapel die ze al tientallen jaren was geweest. Waar die nu is? Ik heb geen idee. Ik heb nog twee biljetten over van de enorme oogst.
De stapel kwam in de familie toen mijn opa in één keer alle koeien die hij had meegevoerd kon verkopen. In de nacht was hij met zijn koeien van Dinteloord naar Willemstad gelopen, waarbij een of twee van zijn jongens, jonge kinderen nog, hem hielpen. Vandaar ging het met de boot naar Rotterdam en daar gingen de beesten in een veewagon naar Hoek van Holland, waar opa zijn waar in één transactie helemaal kwijt raakte voor een flink pak geld.
In de trein terug naar huis kreeg hij te horen dat de waarde van de kroon desastreus gekelderd was.

In een boek dat mijn verre nicht over de familie schreef vind ik een kopietje van een bericht in een plaatselijke blad dat voor Aart Borgdorff uit Dinteloord faillissement is aangevraagd. Dat was in 1925, en het heeft ongetwijfeld te maken met de ongelukkige transactie die zoveel behangpapier opleverde.

Mijn vader heeft altijd trots willen zijn op zijn vader. Die was immers handelaar en gemeenteraadslid. Zijn ouders hadden zelfs in Zuid-Afrika gewoond en zijn opa had niet heel ver van Dinteloord vandaan zelfs een kerk en een school opgericht. Van die dingen. Maar zijn vader was er ook de reden van dat de kleine Rius (mijn vader dus) door andere jongens werd nageroepen met ‘baardaap, baardaap’, omdat de oude Aren, die dus geen Aart heette, een baard droeg. Daar kwam nu dat oneervolle faillissement nog bij. De geteisterde veehandelaar deed nog wel wat klusjes, maar financieel werd het gezin vooral afhankelijk van wat de kinderen inbrachten en zo zocht het gezin enkele jaren later zijn heil in het Westland. De plek waar de desastreuze bankbiljetten veertig jaar later nog even de muren van een tienerkamer zouden sieren, en dat op nog geen vijftig meter afstand van het graf van de man die ze ooit bij zich had gestoken. Hij zou ze bij wijze van spreken hebben kunnen zien hangen. Een pijnlijke gedachte.

Nu lees ik het boek van de verre nicht. Zij heeft het over Duitse marken, maar dat waren het dus niet. Ik zal haar verrassen en haar meteen even een scan sturen van de gewraakte biljetten. Daarom leg ik mijn twee exemplaren in de printer.
Die doet het niet.

‘Als ik nog eens petten ga verkopen, word iedereen zonder kop geboren.’ Dat zou volgens opa Aren gelden voor iedere Borgdorff. Mijn vader wilde daar niet van weten, maar hij heeft het me wel verteld en ik denk dat opa Aren gelijk had: ik ben zelfs niet in staat om een kopietje te maken van waardeloos geworden geld.

22 oktober 2020

Excuses

Wanneer zowel een koning als een minister-president publiekelijk excuses aanbieden voor een reis naar code geel, wanneer de protestantse kerken van datzelfde land in diezelfde week schuld belijden voor wat zij 75 jaar geleden hebben gedaan of juist hebben nagelaten toen joden werden vervolgd en weggevoerd, dan zijn dat grote dingen. Groter in ieder geval dan de orale winden die aan de andere kant van de grote plas een president omstandig laat. Ook daar is een lef voor nodig die mij ontbreekt.
Voor fiere grootheid moeten we weer even terug naar de plek waar een staatshoofd nog grotere woorden gebruikt om lucht te geven aan zijn verontwaardiging als er in zijn land een leraar is onthalsd. Of zijn dat woorden die groot moeten zijn omdat de angst en de schrik in zijn land zo groot zijn dat hij die met veel beslistheid van taal moest toedekken?
Ik zou dat ook wel willen. Groot schrijven over grote dingen. Zeggen: luister maar naar mij: ik weet hoe het zit en ik zal je zeggen wie de ware profeet is en wie de valse, wat waarheid is en hoe je de dwaalleer kunt ontmaskeren en ik zal jullie de weg wijzen. Maar het is me allemaal te groot.
Ik zit vandaag tussen de duploblokken, probeer vergeefs een autootje te repareren en een peuter te vinden die zich verstopt heeft achter een heg.

Ik bewonder scherpe pennen, gekoppeld aan kritische geesten van heldere koppen. Ook ik roep 'Leve de republiek' als het woord Griekenland valt, maar schrik ervan: alsof ik de doodstraf weer zou willen invoeren als iemand mijn fiets steelt, waarbij ik wel even kwijt moet dat ik aan beide fietsen zeer gehecht ben.
Ik lees wat een ander schrijft over een politicus die pas na vijf dagen zijn afschuw uitspreekt over de aanslag in Parijs en daarbij ? en let nu heel goed op! ? niet het rake woord islamist gebruikt maar het verdoezelend vage extremist om de dader aan te duiden.
Ik lees hoe een dichter de baggertent van vooringenomenheid openzet, eenvoudig door op Facebook een krantenartikel te plaatsen over kerken die wel meer dan dertig plaatsen aanbieden om de vieringen bij te wonen.
Ik bewonder de cabaretier die zich met het grootste gemak ontpopt tot onderzoeker, wetenschapper, tot expert op elke week weer een ander terrein en een mening verkondigt alsof het niets is.
Ik kan het allemaal afdoen met 'Zersägen, das kann jeder, aber ganzmachen, das ist schwer', maar dat is niet helemaal eerlijk. Eerlijker is het om gewoon toe te geven dat ik voor zoveel overtuiging, zoveel gemakkelijke lef en zoveel vermogen tot analyse te klein ben.

Maar ik zou het ook zo graag willen: schuld belijden, de grote waarheid verkondigen, de weg wijzen uit de duistere benauwenis naar het land van louter licht en roepen 'En nu is het afgelopen met die Covid-19, zijn jullie nou helemaal gek! En dat in Nagorno-Karabach moet ook afgelopen wezen. Nu!' Soms heb ik heel even het gevoel dat ik dat kan. Dan spring ik op om mijn pen wil pakken en struikel ik over een duploblok of over een beukennoot.

Het spijt me.

20 oktober 2020

Rijbewijs

Op mijn nieuwe rijbewijs draag ik geen bril. Zoals het een krasse kerel betaamt, zou je denken, maar dat komt door de fotograaf. Van hem moest ik mijn bril afzetten. Bij mijn paspoort, twee jaar geleden hoefde dat nog niet, misschien zijn de instructies veranderd, misschien ook komt het door de bril. Toen droeg ik nog een randloos geval, nu zijn mijn ogen ingeblikt.

Een paar jaar geleden kwam mij een pasfotootje van mijn opa onder ogen. Het zou me niet verbazen als hij daarop mijn leeftijd heeft. Hij zag er tenminste jonger uit dan de man die in mijn herinneringen rondspookt. Als het klopt wat ik zeg, dan betekent het dat opa’s fotootje rond mijn geboorte genomen is. Nogmaals hij zag er jonger uit dan de man die ik me herinner. Dat is een troost. Maar dat neemt niet weg dat hij er oud uit zag. Dat realiseerde ik me toen ik naar mijn eigen recente pasfotootje keek, waarvan nu een afdruk op mijn rijbewijs staat. In mijn mond staan weliswaar nog fier mijn eigen tanden overeind. Dat kon je bij opa niet zeggen. Bij hem stonden de tanden van de tandarts fier in roze plastic gevat op een kastje bij het bed. Hij had zijn gebit nooit in. Maar die ogen en de bescheiden maar desondanks wat slordige wenkbrauwen…
Voor zijn rijbewijs heeft opa geen pasfoto’s nodig gehad, want dat had hij niet. Ook niet voor een paspoort. Voor zover ik weet, is opa nooit in het buitenland geweest; veel verder dan Driebergen zal hij niet gekomen zijn, en daar had je ook in de jaren vijftig vanuit Loosduinen geen paspoort voor nodig.

Mijn nieuwe rijbewijs is nog zes jaar en acht maanden geldig, zie ik. Geen tien jaar. Het werd me bij het loket in het stadskantoor meegedeeld. Ik gedroeg me als een flinke vent en liet niets blijken van de schok die toen door me heen ging. Niet langer om de tien jaar een ander rijbewijs. De volgende keer is weliswaar pas over zeven jaar, maar daarna om de vijf. Het grote aftellen is begonnen. Ook hier, want dat was het al. Niet voor niets krijg ik een pensioen en AOW waarbij op basis van kansberekening is vast gesteld hoe lang ik nog te leven heb.

Bij het afhalen van mijn rijbewijs moest ik even mijn gezichtsmasker afdoen. Waarschijnlijk om te zien of ik mijn tanden niet op het nachtkastje had laten liggen. Ik had de neiging om mijn mond wijd open te sperren, te wijzen en dan te zeggen: allemaal echt. Dat deed ik natuurlijk niet. Ik ben niet gek. Ik zei ook geen aaaah, zoals bij de dokter. Wel vroeg ik of ik mijn oude rijbewijs, met een kloek ponsgat erin, dat wel, mee mocht nemen. Dat mocht niet.

Vijftig jaar rijbewijs, bijna dan, want in de loop der jaren is de uitgiftedatum van een vernieuwd rijvaardigheidsdiploma telkens iets naar voren geschoven. In werkelijkheid haalde ik mijn rijbewijs op 30 december 1970, bij lichte vorst en sneeuw op de straat. Dat rijexamen herinner ik me nog goed. Anderhalve week later vond ik mijn papiertje bij de post en stapte ik in mijn vaders auto. Dat was wel even schrikken, achter het stuur: dat ding was veel groter dan het kevertje waarin ik had gelest. Maar het ging goed. Pas twee maanden later zou ik een auto total loss rijden, met mijn vaders auto inderdaad. Maar dat is weer een heel ander verhaal.

19 oktober 2020

Thuis

We zijn weer thuis en het was geen telefoontje maar een mailtje dat zojuist binnen kwam:
‘Goedemorgen Len,
Goede week gehad op Ameland? Wat betreft komende zondag: […]’
Ik zal er eens naar kijken.

Voor we vertrokken, kwam eerst de eigenaar van het appartement nog even langs en later de eigenares. Bijna had ik gezegd: zijn vrouw, maar dat slikte ik nog op tijd in. Of het koperwieken waren die ik regelmatig in de tuin had gezien, kon hij niet vertellen, hij wist wel dat de vogeltjes die zich tegoed deden aan de zonnebloempitten koolmeesjes waren en dat er achter de dijk rosse grutto’s zaten.
Hij vertelde ook dat in dit deel van de boerderij vroeger zijn grootouders woonden, maar dat ’s winters de hele familie hierbij introk om hutje bij mutje wat warm te blijven. En hij maakte in dat kamertje - en daarbij wees hij iets rechts van ons - altijd zijn huiswerk. Later deed zijn zoon dat daar; die zat nu in de schuur te werken. Hij werkte in Arnhem en woonde in Zutphen, maar omdat hij vanwege Covid tot thuis werken was veroordeeld, was hij maar teruggekeerd naar zijn vrienden en zijn ‘man’s cave’ op Terschelling. Mede dankzij Covid konden we ook met de vrouw des huizes een praatje maken. Er was een studiedag voor de school waar zij werkte. Dat betekende dat ze met haar collega’s de hele dag op afstand zou moeten ‘teamen’. Daar werd ze zeer ongelukkig van; daarom hadden haar collega’s gezegd dat ze niet mee hoefde doen. Duidelijk een leeftijdsdingetje, maar dat zei ik maar niet.

Op de boot viel het niet moeilijk om te kiezen tussen koud of benauwd: we gingen buiten zitten kleumen; dat paste ook wel bij het slot van het tweede boek van Raynor Winn waarin zij en haar Moth en twee vrienden een variant op de overwintering op Nova Zembla bedenken door te gaan wandelen en kamperen op IJsland als de winter toeslaat.

In Harlingen wachtte ons warme thee bij onze zwager en schoonzus en thuis was de huiskamer erg groot. Dat maakte de thuiskomst feestelijk. Een vakantie vond ik als kind pas geslaagd als het huis zich bij thuiskomst onverwacht iets anders manifesteerde. Een aangename gewaarwording, die ging weer samen met het idee dat je dus lang en intensief genoeg weg was geweest om én terug te zien op een fijne vakantie én blij te zijn dat je weer thuis was.
Dat idee heeft me nooit helemaal verlaten. Dingen die mij bij thuiskomst aangenaam troffen waren het heldere licht in een kamer (bijvoorbeeld na een huisje of tent in de bossen), de hoogte en zachtheid van de vloer of de koelte van het huis.

Nu was dat dus de ruimte van het huis. Ik was er dik tevreden mee en dat was ik ook met de temperatuur. Vorige week zondag sprak ik de thermostaat toe en vertelde hem dat hij pas weer moest aanslaan op maandag 19 oktober om 15.00 uur. Dat heeft hij gedaan, want het was lekker warm in huis en omdat de kou van de boot uren lang in onze botten was blijven zitten, was dat extra prettig.
Prettig was ook dat de borden bijzonder koud aanvoelden toen ik die uit een keukenla plukte. Dat bewees maar weer dat de verwarming zich inderdaad keurig aan de afspraak had gehouden en pas vanmiddag was aangeslagen. Ik heb er wel twee eerst 30 seconden in de magnetron en daarna pas op tafel gezet.
We zijn weer terug. In het huisje op Terschelling zitten andere mensen op de bank.

18 oktober 2020

Heen en weer

Of Terschelling en ik elkaar wat beter hebben leren kennen de afgelopen week? Er was Terschelling sowieso niets aan mij gelegen; zelf weet ik het nog niet zo goed. Wel vind ik het jammer om morgen hiervandaan te moeten, terug naar verplichtingen waar ik best wat langer van verschoond had willen blijven. ‘Zo, een weekje weg geweest, dus. Ameland toch? O, Terschelling? Leuk gehad? Mooi! Maar waar ik je voor bel…’
Zover is het nu nog niet: we zitten nog op Terschelling en ik kom net terug van een gemankeerde wandeling; nog niet halverwege ben ik omgekeerd, omdat het me niet handig leek om in het donker mijn weg door bos en duin te zoeken. Dat speet me, ik was liever doorgelopen. Vandaag fietste ik weer naar de eendenkooi bij Hoorn, nu met Mente. Wat we zien van Terschelling zijn wat fragmenten en die zien we dan allemaal in de tweede of derde week in oktober en dat betekent dat in de tuin van de boerderij waar we bivakkeren de dahlia’s in volle bloei staan, alsof dat altijd zo is, en dat de koolmeesjes zich hier het hele jaar door te goed doen aan de pitten van de enorme rij uitgebloeide zonnebloemen. Willekeurige plekken, allemaal gezien in een en dezelfde week van hetzelfde jaar. Kennst du das Land wo die Dahlien blühen?
Ik heb een tijdje stilgestaan bij het bosje om een goudhaantje te fotograferen. Dat is niet de meest Terschellingse vogel, maar hij is wel leuk en klein. En te beweeglijk om een fatsoenlijke foto te krijgen. Zo heb ik de hele week op dit eiland zo’n beetje ervaren. Het vogeltje zat in een struik die wordt geruimd om ruim baan te maken voor de rugstreeppad die veel Terschellingser is.

Ik moest deze week een paar keer aan Johan Snijders denken, ooit mijn baas op school. Hij had, toen hij nog onderbaas was, een foto in zijn kamer hangen van een naambordje. In hout uitgesneden, inderdaad, nogal padvinderachtig, las je: Snijderspad.
Later, toen hij wel baas was en ik onderbaas, kampeerde ons gezin drie weken op Terschelling, niet ver van het Snijderspad, een uitkijkpunt bij Hee. Ik herkende de naam en zag ook dat het naambordje vervangen was door een professioneler, maar veel saaier bordje. Ik maakte er toen een foto van en gaf hem daarvan naderhand een afdruk . Die heeft nooit in zijn kamer gehangen: zijn naam stond immers ook al op de deur.

Nu zag ik er een plaat staal waarin behalve de naam en het logo van Staatsbosbeheer ook de naam Snijderspad is uitgespaard. Ik heb het gezien, maar heb het bord niet gefotografeerd; ik ben zelfs niet afgestapt. Het had geen zin: Johan is enkele jaren geleden overleden. Was dat niet zo, dan had ik hem waarschijnlijk een appje gestuurd.
Alweer eentje, zou hij waarschijnlijk gedacht hebben.

Maar ik had het wel moeten doen. Ik had wel moeten afstappen, had die foto wel moeten maken. Waarom was ik te beroerd om even de duintop van het Snijderspad te beklimmen, trouwens? Morgen hebben we daar geen tijd meer voor.
En dan, ik wil die eendenkooi bij Hoorn ook wel eens in het voorjaar zien. En die dahlia’s en die uitgebloeide zonnebloemen ook. Om maar iets te noemen. En ik moet die wandeling nog afmaken. Ik heb trouwens nergens een rugstreeppad gezien! En waarom heb ik niet gezwommen? En opnieuw liep ik niet eindeloos door voorbij paal 19. Watje.
Er valt op Terschelling nog veel onvolkomenheid op onvolkomenheid, tekort op te kort, fragment op fragment en toedoe op toedoe te stapelen. We moeten terug.

17 oktober 2020

Kooiker

Of ik dat echt zou willen, vroeg Mente, nog eens teruggaan naar de slaapkamer uit mijn kindertijd om daar uit het raam te kijken. Zijzelf had er helemaal geen behoefte aan om nog eens een bezoek te brengen aan het huis waar ze als kind woonde, aan het Haagse Chrysantplein. Aanleiding voor vraag en opmerking was het stukje van gisteren. Uitzicht op een klein sprookjeshuis had mij nieuwsgierig gemaakt. Dat resulteerde in een bezoek aan de plek waar dat huisje stond en daardoor moest ik denken aan het uitzicht van mijn slaapkamer ooit en aan een droomhuis uit mijn jeugd. Graag zou ik nog eens uit dat raam kijken, vertrouwde ik de mensheid gisteren toe.
Nu gaf die lang verleden slaapkamer mij uitzicht over bijna het hele Westland. De vuurtoren van Hoek van Holland heb ik al vaker gememoreerd, de kerken van Naaldwijk kon ik in mijn fantasie bijna aanraken, ook de Nieuwe Kerk van Delft kon ik regelmatig zien en als ik maar ver genoeg uit het raam zou hangen, had ik ook de kerk van Poeldijk gezien. Natuurlijk wil ik dat uitzicht nog wel eens meemaken. Al was het maar omdat ik eigenlijk niet goed meer weet of ik de Bartholomeus van Poeldijk nu wel of niet kon zien.
Wat dat droomhuis betreft: daarvan waren er drie en alle drie zag ik ze bijna dagelijks; alleen voor dit huis moest ik bij het slaapkamerraam zijn.

Ik zou het daar gisteren niet over gehad hebben, als ik had geweten wat voor huisje het is dat zo mijn aandacht trekt als ik in Lies uitkijk over de polders. Nu weet ik dat wel. Het huisje staat bij de eendenkooi van Formerum en het wordt verhuurd als recreatiewoning. De andere zes eendenkooien op Terschelling zijn veel beter bewaard gebleven, werd me nadrukkelijk verteld door iemand die me vervolgens naar Hoorn stuurde omdat je daar een gaaf gerenoveerde kooi hebt, waar je nog kunt rondlopen ook. Ik zou mezelf een groot plezier doen door in het voorjaar terug te komen. Dan zou mijn informant me er graag persoonlijk rondleiden.

Als blikvanger wint de kooi van Formerum het, maar wat een oase is die van Hoorn. Bomen en struiken met bijbehorende vogeltjes en in fraaie najaarskleuren verbergen een grote rechthoekige plas met daarin als extra attractie twee eenden waarvan mijn mobieltje suggereert dat het toppers zijn.
De kooi bij Hoorn heeft net zo’n huisje als die bij Formerum, even sprookjesachtig, maar meer dan een plek om te schuilen en je boterham te eten is het niet. Het is een ideale plek.

Zeelui voeren vroeger tot hun 55ste; daarna bleven ze aan wal en werden ze vaak kooiker.
Voor dat varen ben ik gelukkig te oud, maar dat kooiker zijn lijkt me wel wat. Beetje rommelen met al te enthousiast groeiende bomen en struiken en met de takken daarvan de vanggaten van de plas bijhouden. Op je gemak een pijp stoppen, want dat zou ik als kooiker onmiddellijk weer gaan doen, en dan regelmatig de koffie nog eens opwarmen en in een kroes gieten en dan ouwehoeren met een andere kooiker. Op eenden letten hoefde niet meer. Eendenkooien zijn immers cultuurgoed en cultuurgoed staat voor wat niet langer echt is; er worden helemaal geen eenden meer gevangen. Wat die pijp betreft: die zou ik alleen maar stoppen, als een vorm van cultuurbehoud, niet meer aansteken natuurlijk. Roken? Dat doen we niet; dat is zo premillenniaal.
Plotseling vind ik dat wel een beetje jammer, even. Minder moeite heb ik met die opgewarmde koffie die ik stiekem in de bosjes zou gooien.

16 oktober 2020

Keuken met uitzicht

Het appartement combineert keuken, huis- en eetkamer op een oppervlakte van vier bij drieënhalf en toen ik me uitrekte vanmorgen sloeg ik met mijn handen tegen het plafond. Daar staat een weids uitzicht tegenover. Ooit droomde Mente van een keuken met uitzicht. Het bleef bij een droom, behalve deze week dus.
Boven het aanrecht nodigen ramen je uit om de polder in te kijken, een verademing die kan duren van ochtendrood tot avondrood. ‘s Morgens, als ik de gordijntjes open doe betrap ik vlak onder het raam de vogels die ik koperwieken noem, al ben ik niet overtuigd van mijn eigen determinatie. De dag door – maar een groot gedeelte daarvan tref je ons aan op onze fietsen of in onze wandelschoenen – speelt nu eens het zonlicht en dan weer de wind zijn mogelijkheden uit op de lucht en het gras en steeds is er prettig samenspel van lijnen (slootjes, hekjes, weggetjes).

In de verte wordt al dat groen van de polder onderbroken door een ruime boompartij met een huisje. Het oog vertelt ons dat het vlak voor de waddendijk ligt, maar niet of het wel echt een huisje is. Vanmiddag zijn we er naartoe gefietst. Dat viel nog niet mee, want ook in dat opzicht had het oog ons bedrogen. Het ligt halverwege de boerderij waarvan we een stukje huren en de de dijk. Dat is één; twee is dat de diagonale lijnen van de percelen en hun begrenzing ons parten speelden bij de oriëntatie, maar we zijn er gekomen. Het is een bijzondere plek. De laatste tweehonderd meter moesten we door een weiland lopen voordat we werden begroet door een hond die vooral enthousiast was. We hebben om het bosschage heengelopen, op gepaste afstand, want het lijkt me verschrikkelijk voor een bewoner om dagelijks weer een stel nieuwsgierige toeristen op je erf te zien. Behoefte aan bezoek zal vast niet de reden zijn waarom iemand ervoor kiest om op zo’n plek te verblijven. Die iemand is trouwens een man en het huisje, want dat is het, is zo klein dat het niet voor de hand ligt dat er ook nog een vrouw of een andere man woont: vergeet niet dat er in ieder geval een kloeke hond is en die vraagt ook ruimte.

Als kind was ik geïntrigeerd door een huis dat ik vanuit mijn slaapkamerraam kon zien. Het stond ruim 500 meter verderop. Het was omsloten door het glas dat het Westland zo groot en lelijk heeft gemaakt. Het heeft dan ook lang geduurd voor ik het huis vond. Het was mijn sprookjeshuis. Dat er kinderen woonden was me wel duidelijk, want een enkele keer zag ik een vlieger bij het huis. Ook begreep ik dat ik de mensen die er woonden zou herkennen als ik ze zag. Ook zij woonden immers net als wij net buiten Monster.
Toen ik rond mijn tiende het juiste pad eindelijk had gevonden, bleek dat ook te kloppen: er liep een meisje bij het huis dat me gedag zei. Ze vond het blijkbaar niet vreemd me daar te zien.
Vooral de onbereikbaarheid van dat huis is me bijgebleven.

Dat was toen en vandaag is vandaag, vrijdag, kwart voor zes in de avond om precies te zijn. Ik kijk weer naar het huisje in de verte, tussen de bomen. Het ligt er in het aangename avondlicht weer even sprookjesachtig en onbereikbaar bij als vanochtend, toen we er nog niet geweest waren.

Ik zou dolgraag weer eens uit het slaapkamerraam kijken om naar dat sprookjeshuis bij Monster te kijken, dat onbereikbare eiland in een zee van glas.

15 oktober 2020

Kaasschaaf

Als we ergens een huisje of appartement huren, nemen we regelmatig onze eigen kaasschaaf mee. Dat hebben we deze keer niet gedaan, want het is ook een beetje raar. Wél ging het stuk kaas mee dat nog in de koelkast lag. Dat was wel zo praktisch.
Juist dat stuk kaas maakte me eergisteren duidelijk hoe fijn het is om een goeie kaasschaaf bij je te hebben.
De meeste huishoudens kennen een kaasschaaf waarbij ik me afvraag hoe de mensen die daarvan dagelijks gebruik maken gelukkig kunnen zijn. Wij gingen ooit ons huwelijk in met een kaasschaaf uit Noorwegen, eentje met een tinnen handvat met Noorse motieven.
Van meet af aan droeg ze bij aan ons geluk. We hoefden maar even elders te ontbijten om te weten wat anderen met kaasschaven aan ellende hebben uit te staan. Je moet veel kracht zetten om door de sleuf in het blad van de schaaf een ordentelijke plak kaas tevoorschijn te laten komen. Dat had, en heeft nog steeds, te maken met de wijze waarop die sleuf in het blad is aangebracht. Meestal is dat een rechttoe rechtaan getrokken sleuf waarvan de randen strak en uiteraard evenwijdig van elkaar lopen. Er is ook een variant waarbij de sleuf niet recht is maar een flauwe s-vorm aanneemt, al zie je die amper meer. Onze Noorse schaaf had ook een rechte gleuf. Het verschil was dat de randen ervan niet strak waren maar ribbelden. Zoiets levert gezellige plakjes op waarbij die een vriendelijke associatie met de ribbels op het strand oproepen. Dat is mooi meegenomen, maar veel belangrijker is het gemak waarmee zo’n plakje zich tevoorschijn laat snijden met zo’n schaaf, zo’n Noorse schaaf dus.
De schaaf met het tinnen handvat ging twintig, dertig jaar mee; toen brak het blad af. Toen ook schaften wij maandelijks en soms meer dan maandelijks een nieuwe kaasschaaf aan. We probeerden traditionele gevallen, maar ik herinner me ook een geavanceerd geval met een strak gespannen draad en een rollend cilindertje. Dat ding gaf dikkere plakken; vervelender was dat het snaartje vrij snel brak.

De Noorse kaasschaaf kwam in ons leven door onze Noorse schoonzus. Nu was die niet meer onze schoonzus toen de kaasschaaf brak, maar de relatie was dusdanig dat we haar wel konden vragen om bij gelegenheid weer een kaasschaaf uit Noorwegen voor ons mee te nemen.
Dat is gebeurd en intussen doet de nieuwe Noor, nu met een eenvoudig grenenhouten handvat, ook al meer dan twintig jaar zijn werk uitstekend.

Ik kan je Terschelling aanbevelen, of de Achterhoek, of Thüringen of Bretagne, maar als het om kaasschaven gaat, moet je echt naar Noorwegen.

Het stuk dat we uit Utrecht meebrachten, droeg dinsdagochtend nog de charmante sporen van de ons zo vertrouwde schaaf en de schaaf die we in Lies aantroffen, leverde bij het ontbijt met het grootste gemak, twee, drie ordentelijke plakken. De vierde ging al moeilijker. De kaas begon te golven. Daardoor leek de schaaf af en toe over de kaas uit te glijden. Kijk, dat gebeurt je niet met een Noorse schaaf.

De meegebrachte kaas is intussen op en de Terschellinger kaas die we gekocht hebben, smaakt minstens zo lekker. Ook bij dit nieuwe stuk werden de eerste plakken moeiteloos afgeleverd, maar daarna begon het moeizame trekken en het onbeheerste golven van de kaas.
We genieten van Terschelling. Voor een volgend uitje noteer ik alvast: kaasschaaf.
En eigen koffiefilter. Maar dat is weer een ander verhaal.

14 oktober 2020

Verrassing

Gisteren genoten we in West in een horecagelegenheid van een lunch. Dat zou voorlopig het laatste bezoekje aan een restaurant zijn.

Tijdens die memorabele lunch draaide de wind. We waren door bos en duin van Lies naar West gefietst in de veronderstelling dat we straks, op de terugweg, riant langs de Waddendijk terug konden zeilen. Zo ging het niet, maar we hebben er ook niet onder geleden.
Een paar uur daarvoor kwam die wind nog onmiskenbaar uit het zuidwesten. Dat merkte ik toen ik aangekleed en wel bij het aanrecht stond om thee te zetten. In het groen dat direct achter het raam boven het aanrecht begint, zat een zwarte vogel met een kuif. Vooruit: kuifje, maar wel onmiskenbaar. Kortom een vogel om even op te zoeken.
Toen hij zich omdraaide blies de al genoemde zuidwestenwind het kuifje weg en bleek de vogel een merel te zijn.
Vanmorgen schoof ik de gordijnen open en het blad van de wilg in de verte wilde overduidelijk naar het zuidwesten toe. In het gras zaten tien, vijftien vogels waarvan ik nu zeker wist dat het geen merels waren, al waren deze even groot. Ze waren bruin, hadden een duidelijke tekening en bij de borst waren zij rood.
Kramsvogels! dacht ik. Foto! dacht ik vrijwel gelijktijdig. Op de camera zat niet de goeie lens, maar als het om vogels gaat, moet je eerst klikken en dan pas denken.
De ruiten hebben dubbel glas en dat kan een fotograaf parten spelen, maar voor de vogels in het gras vormde dat glas geen enkele belemmering. Hoorde ze het klikken van het fototoestel, zagen ze mijn bewegingen? Ik weet het niet, maar de een na de ander vloog weg en mij bleef niets anders over dan de thee op te schenken en te kijken of het inderdaad kramsvogels waren die ik had gezien.
Het waren koperwieken. Bij de omschrijving op de wadvogelapp, lees ik dat je een grote kans hebt ze aan te treffen. Ook lees ik dat het een wintergast is en omdat we nog maar in oktober leven, maakt dat de trefkans iets kleiner en dus het geluk van deze ontmoeting een tikkeltje groter.

Ik ben er wel blij mee, met die koperwieken. Mentes grootmoeder bracht haar laatste jaren door in de Koperwiek, een verzorgingstehuis in Bilthoven, dat zijn naam niet ontleende aan het besef dat wij allen ten diepste trekgasten zijn, maar aan het feit dat het complex aan de Koperwieklaan lag, zoals je aan de overkant de Bosuillaan had. Regelmatig, als we er voor een bezoekje aan oma naar binnen liepen, vroeg ik me af hoe een koperwiek er uit zag. Die vraag was ik al kwijt voor ik een voet op de eerste traptree had gezet, dus aan een antwoord kwam ik nooit toe. Nu dus wel. Ik denk dat oma er de hand in had.

In de zomer van 1997 kampeerden we op Terschelling. Op een ochtend hing er een briefje bij het kantoortje van de camping met een mededeling voor ons. We moesten oma bellen. Nu hadden we er toen nog drie, dus we begonnen met de verkeerde, maar nummer twee was raak. We waren gebeld vanuit de Koperwiek. Er was niets aan de hand met oma, toen 94, maar ze had besloten om een flink bedrag aan ons over te maken. Daarom wilde ze een banknummer en ze wilde er wel even voor bedankt worden, zo was oma.

Op het strand hebben we naderhand met de kinderen iets gedronken met gebak erbij.
Nu weet ik hoe koperwieken er uit zien en ik denk aan oma.

13 oktober 2020

Terschelling

Vroeg ik me ooit af wat Terschelling betekent en waarom het zo heet? Nee, dat vroeg ik me nooit af en dat verbaast me. Anders dan Schiermonnikoog kent Terschelling een lange politieke en economische geschiedenis en Schiermonnikoog mag zich dan wel verheugen in een veel toeristische en een klein beetje culturele belangstelling, Terschelling verslaat op dat gebied zijn duizenden. Maar nogmaals, waarom het zo heet, heb ik me nooit afgevraagd. Dat geldt ook voor de namen van de drie andere Waddeneilanden, al zal Vlieland geen verrassing opleveren en Ameland waarschijnlijk ook niet. Maar dat zoek ik straks uit, na dit stukje, niet nu.
Terschelling betekent aan of bij de schelling en de oorspronkelijke betekenis van schelling is scheiding of grens. Dat komt mooi uit, want hier houdt Friesland en in vroeger tijden Holland echt op.

Dat van Schiermonnikoog leerde ik van meester Rijper. Nou ja, hij was de eerste die ik het heb horen vertellen, maar niemand viel mij dus lastig met de herkomst van het woord Terschelling. Overigens heette dat oorspronkelijk Wicsele. Duizend jaar of langer geleden groeiden er een eiland en een zandplaat aan elkaar. Het eiland heette Wicsele en de zandplaat Schelling.

Dat vind ik allemaal op internet, maar dat ik begon na te denken over de naam heeft te maken met een boek dat ik aantrof in een appartement in Lies, dat is een dorpje op Terschelling en het appartement maakt deel uit van een boerderij. In dat boek lees ik hoe op 19 augustus 1666 de Engelsen een enorme Hollandse vloot in de brand staken. Dat gebeurde tussen Vlieland en Terschelling, in de 17de eeuw een belangrijke doorgang voor koopvaardijschepen; Harlingen, Vlieland en Terschelling speelden bij de handel met de Oostzee een belangrijke rol.
De dag daarop, op 20 augustus dus van dat omineuze jaar, staken de Engelsen in West een aantal huizen in brand, in het volle vertrouwen dat de wind hun werk af zou maken. Dat vertrouwen werd niet beschaamd: exacte getallen ontbreken maar het zullen bijna 200 huizen zijn geweest die in de as werden gelegd. Veel mensen verloren daarbij het leven. In het boek over die droefstemmende rampen kwam ik de naam Schelling een enkele keer tegen in een andere combinatie dan het vertrouwde voorzetsel en toen pas dacht ik: hé… Zo is dat gekomen.
In West zelf troffen wij vandaag niets dat herinnerde aan de desastreuze slag en de verschrikkelijke brand de dag daarop, al moet ik zeggen dat we het museum daar niet binnen zijn gelopen. Dat komt er misschien nog van.

We zitten in Lies. Waarom dit dorp zo heet, weet ik ook al niet, maar wel kan ik je vertellen dat de naam een bijzondere betekenis moet hebben voor de jongen die met zijn moeder langs het plaatsnaambord fietste. Nee, die met zijn moeder afstapte bij dat bord. De jongen zette zijn fiets onder het bord en probeerde dat via die fiets te beklimmen, terwijl zijn moeder er met haar mobieltje foto’s van maakte. Het lukte niet, dat klimmen. Daarom zei de moeder dat de jongen maar onder het bord moest gaan staan en dat deed hij.
Wat een teleurstelling voor hem dat hij niet als een ridder te paard op Lies zat, maar een beetje lullig onder dat bord moest staan. Zo ging hij op de foto.
Voor de moeder en haar zoon was zonder meer duidelijk wie of wat Lies was.
Ik weet nog steeds niet waarom het hier zo heet.
Aangenaam is het er wel.

11 oktober 2020

Bietjes

Niet alleen de spruitjes die we straks eten hebben een bijna sacrale betekenis gekregen, ook bietjes hebben dat. Bietjes of krootjes. Dat alleen al maakt deze rode knollen zo bijzonder, in geraspte staat, maar ook als dunne plakjes kan ik ze aanbevelen. Willlem hoorde bij De Soos, dat is de inner circle van gezinnen in mijn kinderjaren waarbij de ouders met elkaar bevriend waren maar ook de kinderen vriendjes of vriendinnen waren van elkaar. Willem trok veel op met mijn grote broer en daarom zat ook hij regelmatig bij ons aan tafel. Ook die keer dat we kroten aten en die lustte hij niet. Mijn vader barstte in lachen uit. Dit waren helemaal geen kroten, zag Willem dat dan niet? Nou ja, ze leken er inderdaad wel een beetje op, maar ze smaakten heel anders. Hier ging het namelijk niet om kroten, dit waren bietjes. Willem hoefde ze niet te eten, maar hij moest het wel even proberen, al was het maar om te merken dat ze inderdaad heel anders smaakten dan kroten.
En zo was het ook. Willem at ze met smaak, ook toen hem duidelijk werd dat hij beduveld was.
Ik kende mijn vader en was dus een van de ingewijden, maar juist daarom ervoer ik het als een wonder. Het wonder van de transsubstantiatie. We lachten er allemaal wel om, ook Willem en ook ik, maar hier was toch iets gebeurd waarvan de smaakpapillen leken te getuigen. Het was het raadsel, de al dan niet magische kracht, van de taal.
Aan krootjes dan wel bietjes is het wonder blijven kleven. Doorgaans veer ik niet enthousiast op als er bietjes op het menu staan, maar eenmaal aan tafel vind ik ze altijd weer lekkerder dan ik me had voorgesteld. Bietjes vallen altijd mee. Het zijn troostrijke knollen.

Ze zijn ook onlosmakelijk verbonden met een donderdagavond in november, helemaal aan het begin van de jaren tachtig. Na de spruitjes, terwijl ik met een onwillige brugklasleerling aan de telefoon zat, schoot Mente voorover en kroop over de vloer: de weeën waren begonnen.
Niet veel later sjeesden we in ons rode autootje naar het ziekenhuis waarbij Mente tijdens een wee de bietjes langs dezelfde weg weer kwijtraakte waarlangs ze naar binnen waren gekomen. Ze bleken de wegbereider van ander rood waarmee, via een heel andere kanaal, onze oudste geboren werd.
Het lijkt me niet verstandig om dit als een metafoor te zien, dat zou te ver gezocht en misschien ook wat onsmakelijk zijn. Dat laatste zou ik juist jammer vinden, ik heb liever dat ook hier het wonder het laatste woord heeft, in dit geval van de geboorte.

Bij de bietjes hoort overigens wat mij betreft altijd gefruite ui en wat schijfjes appel doen het ook heel goed.

10 oktober 2020

Spruitjes

Mijn moeder zou vandaag 102 geworden zijn. Het valt me niet moeilijk om een herinnering aan haar op te diepen; ze is lang genoeg bij ons geweest om veel herinneringen na te laten. Toch verschuif ik de aandacht naar haar jongere zus Jo. Dat komt door de spruitjes op het aanrecht, een vooruitwijzing naar de zondag. Die dag is in de beleving van Mente in ieder geval erg gevoelig voor spruitjes en misschien smaken ze dan ook wel het lekkerst. Dat vinden wij namelijk alle twee van spruitjes, dat ze lekker smaken. Graag met een kerriesausje. Champignons en kastanjes doen het er ook lekker bij, maar de spruitjes zijn al genoeg om er de zondag feestelijk me af te ronden.
De vorige keer dat we spruitjes aten, een paar zondagen geleden, zei Mente dat ze bij spruitjes altijd aan Jo moest denken. Tante Jo was ooit de buurvrouw van een groenteboer die zijn zaak dichtbij de Delftse Prinsenhof had. Heel lang geleden, misschien al wel vijftig jaar terug, kwam het ervan dat Jo de groenteboer hielp door spruitjes voor hem schoon te maken. Dat is inderdaad een werkje en blijkbaar zijn er mensen die dat schoonmaken liever overslaan en er daarom geld voor over hebben als een ander dat voor ze wil doen.
In deze verstrekkende service had Jo dus de hand en ze bleef dat doen tot het laatst van haar leven. Daarvan getuigden ook de vlijmscherpe mesjes die ze in de keukenla had liggen en waaraan ik me nog niet zo lang geleden flink sneed toen ik met een van die mesjes een pak koffie open maakte. Of ik Jo daadwerkelijk met die spruitjes aan de slag heb gezien, weet ik niet. Het kost me alleen geen enkele moeite om me haar voor te stellen, met een bak spruiten, een bak voor het snijdsel, een pan voor de spruiten en dat zo bescheiden en vriendelijk ogende maar uiterst vervaarlijk mesje in haar hand. Ze zit in haar sta-op-stoel en maakt schoon.
Als ik het in werkelijkheid nooit gezien heb, dan nog hebben we er vaak over gepraat. Ze heeft me bijvoorbeeld wel eens verteld hoeveel ze ervoor kreeg. Hoeveel, zeg ik, maar ik vond het bijzonder weinig, al weet ik niet goed wat een reëel bedrag is voor het schoonmaken van spruitjes, ook al omdat ik ook niet weet hoeveel een groenteboer aan inkomsten heeft. Jo zelf vond het ook niet veel, maar ze was er tevreden mee en zij telde de bedragen bij elkaar op en zo kwam ze via honderd euro per maand op meer dan duizend per jaar en dan klonk het plots als een aanzienlijk bedrag. In magere jaren was dat bedrag een welkome aanvulling voor het huishoudgeld, later zette ze ook wel geld apart om er bijvoorbeeld een kunstwerk van een aankomend kunstenaar van te kopen. Spruitjes voor de kunst. Je begrijpt dat Jo me ook na haar dood nog zeer dierbaar is.
Daarom was ik ook blij met de opmerking van Mente dat zij bij de feestelijke zondagse spruitjes aan Jo moest denken.

De mesjes zullen weg zijn, de pan en de bak ook. De handen zijn opgeborgen. Jo is uitgediend. Maar nu ik de spruitjes op het aanrecht zie liggen, weet ik dat ons morgen een feestje wacht. De herinnering aan Jo past daar goed bij.
Mijn moeder is daar ook blij mee, krijg ik zojuist door.

09 oktober 2020

Geriefhoutbosje

Het geriefhoutbosje is een aangename plek voor zangvogels, maar ook voor dassen, vertelt een informatiebord in de buurt. Dat verklaart niet waarom er ‘gerief’ staat. Ik ben hier zojuist afgestapt om ongestoord en ongezien te plassen en het resultaat bevalt me uitstekend, maar ook in die richting moet je niet zoeken als je van de hoed en de rand van het indrukwekkende woord geriefhoutbosje wilt weten.
Er staat een bankje en daar maak ik graag even gebruik van om te vertellen dat zich onderweg bijzonder weinig vogels hebben laten zien. Meerkoeten, ja, zwanen ook , maar al veel minder en vaker verder, aalscholvers tegen de wind in, maar wat er ook vloog, som van al die vleugels bleef ver onder het gemiddelde.
Dat ik geen enkele das zie, verbaast me niks. Ik zie nooit een das. Maar wat zangvogeltjes had toch best gekund. Ik zie ze niet, al hoor ik ze wel, in de verte, in het riet.

Nee, niet in het riet, merk ik nu ik een eindje de kant van het geluid op gelopen ben. Ze zitten in een rododendron die zich verbonden heeft met een braamstruik. Daar zitten ze en het moeten er een heleboel zijn, al zie ik er vrijwel niets van. Soms een snel flardje tussen de blaren en de takjes. Af en toe schiet er een vogeltje waar dan ook vandaan de struik in. Het zijn kleine vogeltjes, dat is nu eenmaal het lot van zangvogels en ze zijn van een bruin dat ook al echt bij zangvogels hoort, maar vraag me niet welke.
Ik neem het geluid op met mijn mobieltje -twintig seconden lijkt me wel genoeg - en loop terug naar het bankje bij het geriefhoutbosje.
Een vervelend, beleerderig en erg antropocentrisch woord. Archaïsch ook. Dat ‘gerief’ hoort bij ‘hout’ en zorgt voor een bosje met geriefhout. Maar het hout gerieft helemaal niet meer. Boeren gebruikten takken als bonenstaken, als weidepaaltjes en als brandhout; ik lees het allemaal op het informatiebord dat steunt op twee palen die echt niet van geriefhout zijn gemaakt. Dat geldt ook voor weidepaaltjes aan de overkant van de sloot. Reken er ook maar niet op dat hier brandhout wordt gehakt.
De namen van de in het bosje aanwezige bomen worden ook vermeld. Ik ga ze even langs. De zwarte els: check; de schietwilg: eh, dat schiet- zegt me even niets; toch maar check; zomereik: check. Naar de lijsterbes moet ik even zoeken, maar: check. Een meidoorn? Die zie ik niet zo gauw. De vlier wel: check dus.
Er liggen veren in het bosje, ongetwijfeld van een duif waarmee waarschijnlijk een buizerd aan de haal ging. Die hier in dit bosje dus aardig aan zijn gerief gekomen is. De duif dan weer niet.
Maar kom, het boekje gaat weer dicht. Ik stap weer op.

Iets verder: ik denk dat het mussen waren, in die rododendron.

Nog iets verder: ik weet het wel zeker.

Weer verder: ik zou me moeten schamen.

Op de terugweg: ja.

08 oktober 2020

Door de wijk

De twee neefjes nodigen uit tot een vergelijkend warenonderzoek. We hebben met deze even oude jongetjes nogal ongelijk vlees in de kuip. Op maandag passen we op krijger Tommy met zijn onbedaarlijke hang naar zijn oma, terwijl bij dromer Markus, zo merken we op donderdag, opa met stip op nummer een staat. Daarom viel het afgelopen maandagochtend niet mee om Tommy mee te krijgen naar het speeltuintje. Hij wilde bij oma blijven. ‘s Middags, toen een oudere zus en een vriendin ook aandacht vroegen, wilde hij wel mee met opa. Iets verderop is een speeltoestel, dat ik maar een zwevend tapijt zal noemen: een lange rubberen loper die aan meters uit elkaar gelegen uiteinden aan palen is bevestigd; halverwege wordt de mat ondersteund door een rollende cilinder. Zwevend tapijt is wel een leuke benaming; hoe zo’n geval in het echt heet, weet ik niet.
Tommy vindt hem fantastisch, vooral als er een plasje water in ligt. Hij is in tegenstelling tot zijn neef vast ter been en vindt gedragen worden doorgaans iets voor watjes, niet iets voor hem, behalve dan als het om oma gaat.
Na het zwevend tapijt wilde hij lopen, gewoon lopen, de huizen langs. Bij de speeltuin hebben die geen voortuintjes maar wel bellen die op kinderhoogte zijn aangebracht. Als ik nee zeg, belt hij niet, maar als ik geen nee zeg en ook toevallig niet kijk, doet hij dat wel. Het feit dat ik hem dat verbied, hoort bij het spel. Daarom kijkt ik af en toe expres een andere kant op. Dat is tamelijk risicoloos, heb ik intussen gemerkt, want je ziet vrij snel of er iemand thuis is. Ik was als kind een fervent belletjetrekker, maar toen was ik ouder en maakte juist de onbetamelijkheid ervan dat bellenlellen zo aantrekkelijk. Ik hoop dat Tommy dat ook nog eens zal ervaren, maar dan ga ik niet mee.
Als klein jongetje liep ik graag door poorten. Dat heeft Tommy ook. Hij probeert alle deuren. Vaak zitten ze op slot, maar niet altijd. Ik was als kind veel voorzichtiger dan hij. Ik keek liever door kieren of sleutelgaten. De kans om op al te enthousiaste of vervaarlijke honden te stuiten was toen groter.
Nu is het donderdag. Markus ging zojuist met me op stap. Met zijn minuscule loopfietsje. Het regende net even niet. Ik liep half achter hem. Markus rent niet, maar wijst blijmoedig alles aan dat ook maar even zijn aandacht trekt en benoemt het dan. Dat kom ik bij Tommy niet tegen. Die beperkt zich tot ‘die, die’ als hij ergens je aandacht op wil vestigen. Markus ziet, fofo’s, baadjes, bommen, huis, deur, auto’s en vroemvroems, hij hoort elke tatu en als hij een plas ziet, roept hij ‘kijk, kijk, jegen, wate’ en ‘lase aan’ en dan stapt hij op en rijdt hij drie keer door de plas. Net als zijn neefje trouwens, maar die staart vervolgens niet dromerig naar zijn spiegelbeeld.
Hij viel twee keer met zijn fietsje. De eerste keer stapte hij welgemoed weer op, de tweede keer kwam hij toch met zijn mond op straat. Ik heb hem naar huis gedragen, fietsje in de andere hand.
Thuis zette hij zijn knuffels op de bank, ging er naast zitten, riep ‘deken’ en toen ‘opa hier.’ Ik aaide hem over zijn kale bolletje. Dat deed ik bij Tommy ook, maandag. Onder een dikke bos krullen voelde ik een enorme bult. ‘Boet’ zei Tommy toen ik hem aaide. Dat woord kent hij wel. Daar heeft hij al zoveel ervaring mee. ‘Het is gehecht, hoor,’ vertelde zijn moeder geruststellend.

07 oktober 2020

Groen

Vanaf de bank keek ik naar de achtertuin. Het telefoongesprek vergde niet al te veel aandacht en gunde me alle tijd om vanaf de ene kant van de kamer door de ruiten achter te kijken en plotseling bijzonder blij te zijn met zoveel vol groen daar achter het glas. De witte regen deed afgelopen zomer met zijn matige bloei zijn naam amper eer aan, maar dat kon je je bijna niet voorstellen als je de gulheid van het groen zag waarmee hij nu de pergola volledig onzichtbaar maakte. Het gras leek te roepen om honden of kinderen die er doorheen kwamen rollen. En dan was er de notenboom, veel zware vrucht en wat een blad en allemaal groen. Een paradijselijke nazomer.
Seizoensveranderingen waren in vroeger dagen niet mijn sterkste kant. De frisheid van jong groen viel me al zwaar omdat ik wist dat die vergeefs was; al die subtiele groenen van april, mei en ook nog wel in juni zouden verworden tot een massief en onontkoombaar groen. De maanden die volgden waren er alleen maar om te laten zien dat ik gelijk had.
En nu was dat gevreesde groen er. Volledig. Het zou nog maar één ding doen: verkleuren, afvallen en ten slotte verdwijnen.
Maar vorige week, want dat was het moment waarop ik op de bank aan de telefoon zat, genoot ik van die volheid en omdat het gesprek voortduurde, bleef ik er naar kijken en zag ik dat al dat groen weldegelijk nuances kent.

Sinds vorige week kijk ik iedere dag naar het groen in de tuin. Tot zondag overheerste het nazomerlijke groen en eigenlijk is dat er nog wel, alleen ontstaan er de laatste dagen plukjes geel die ik misschien nog wel meer lichtgroen moet noemen. Dat heet herfst. Intussen is het grasgroen anders groen dan dat van de witte regen, of de Gelderse roos, walnoot, de sering, de vergeefs levende druivenrank en de beukenhaag.

Gisteren waren Gerard en José hier. Heel, heel lang geleden schilderde Gerard regelmatig buiten. Aquarellen. De vellen had hij met papieren plakband kletsnat op een plaat geplakt. Door het drogen spanden die bladen zich. In het grote groen van Holland of Friesland ging hij daar dan mee aan slag. Ik ging wel eens mee. We deelden het plezier van mijn auto en van elkaars gezelschap. In de buitenlucht ging Gerard aan de slag en het papier raakte zo doordrenkt van allerlei schakeringen waterig groen dat je het board met het daarop gespannen vel goed horizontaal moest houden. In de kofferbak stutten we de plaat met een plaid, maar ook ging Gerard wel eens eerst in de auto zitten. Ik wachtte gedienstig en als hij eenmaal goed zat gaf ik hem uiterst voorzichtig de plaat met al dat vloeibare groen aan. Hij hield het liever op schoot. Op eieren reden we vervolgens naar huis. Natuurlijk liep de boel hier en daar toch uit of het liep door elkaar. Daar wist een latere natte kwast wel weer raad mee.
Het was gezellig gisteren. En nu ik weer naar het groen kijk, denk ik aan een schilderij van Gerard, een schilderij in wording. Ik kijk heel voorzichtig, want de wereld is nog nat.
De genade van zoveel groen begon dus een week geleden toen ik aan de telefoon zat. Ik pieker me suf, maar ik kan je niet meer vertellen met wie en ook niet waarover we het hadden. Wel weet ik goed wanneer het was: woensdag tussen drie en vier. Dat weet ik omdat ik toen naar dat groen keek in de tuin.

06 oktober 2020

Halve waarheden en gemakzucht

De druk wordt zwaar. De kapper van Den Bommel weet te melden dat de moeder van Jantje *, Chrisje, niet een textielwinkeltje had aan de Voorstraat, maar dat het om een winkeltje ging aan de Molendijk. Hij heeft het zelfs over een klein winkeltje. Daar verkocht ze wat koffie en thee, wasmiddelen, waarvan vooral de Sunlightzeep hem is bijgebleven, tabaksartikelen, waaronder naast rookwaren ook pruimtabak. En snoep verkocht ze ook. De kapper weet te vermelden dat hij altijd een snoepje kreeg als hij er voor zijn moeder boodschappen deed. Daarbij zei Chrisje steevast: 'Hier, voor een zoete mond.' Dat is een uitdrukking om te onthouden.
De kapper helpt me en passant aan wat data rond ons zeer in de verte gedeelde familielid Jan Bakelaar, een mooie aanvulling voor de genealogie.
Intussen drukt het zwaar: die verkeerde nering en dat niet eens in de goede straat.

Erger wordt het door het mailtje van mijn zwager, wandelmaat en webmaster. In het stukje van zondag** vertel ik dat me in Tanzania ooit verteld werd dat men daar voor blanken de term onmensen gebruikte, ter onderscheiding van wat de oorspronkelijke bewoners van het land zélf waren, namelijk mensen. Hij veronderstelt dat in dat gesprek het woord mzungu is gevallen en dat klopt. Ik herinnerde me dat woord. Sterker: ik heb het afgelopen zondag gebruikt maar het later weggehaald. En ik zal je vertellen waarom.
Als je op internet zoekt naar de betekenis van mzungu, kom je op 'buitenlander' (dat is doorgaans een blanke). Letterlijk betekent het woord: iemand die doelloos of zinloos rondzwerft.
Toen ik dat las, haalde ik het woord uit mijn tekst, want deze betekenisomschrijving paste niet in mijn verhaal. Bovendien: de betekenis die ik daar ooit te horen kreeg in een klein Afrikaans dorp was echt die van 'onmens'. En die past bij de strekking van mijn verhaal. Maar ja, dat klopte dus niet helemaal, merkte ik zondag dankzij internet. Ik liet mij dienen door het gemak en haalde het woord weg. Dat bespaarde me een mogelijke discussie. Het heeft niet geholpen: mijn zwager, hij woonde toen in Tanzania, begreep onmiddellijk welk woord er gebruikt moest zijn.
Dat bedoel ik: de ene lezer draagt je fouten na, de ander wijst je op je gemakzucht.

Vandaag kwam een levenslange vriendschap op bezoek. Er kwam veel heden en verleden en gedeelde belangstelling langs, dus we kunnen nog wel even voort, al kreeg de lange lunch een onverwacht venijnig slot. Had ik gelezen, dat in het Vaticaan een kardinaal de boel voor vele miljoenen had opgelicht. Daarbij was ook 20 miljoen van de privérekening van de paus weggesluisd. Ik had het niet gelezen.
'Maar je leest de krant toch wel?' Inderdaad, ik lees de krant toch wel, maar dit bericht was me blijkbaar ontgaan.
Blijft de vraag hoe het mogelijk is dat een paus die niet een gouden kruis van de Bijenkorf, maar liever een houten pendant van Leen Bakker draagt, en die een op maat gemaakte pausmobiel inruilt voor een overjarige Renault 4, 20 miljoen op de bank heeft staan. Op zijn pri-vé-re-ke-ning! Pee, er, ie, vee, ee!
Ik wist het niet.
'Dat moet je dan maar eens uitzoeken en daar moet je dan over schrijven.'
Nu zijn ze weer weg en ik kijk wat mismoedig naar de achtertuin.
Ik controleerde feiten niet, zette de realiteit gemakzuchtig naar mijn hand en schrijf over walnoten waar ik me op het echte werk zou moeten storten.
Ik kijk naar het grasveld: de walnoten laten me in de steek.

* Zie de OH van 3 oktober
** En 4 oktober

04 oktober 2020

Vreemdelingen

Als we ons heel erg vervelen, kunnen we altijd nog gaan meedoen bij De Rijdende Rechter, al zullen de buren daar dan wel het initiatief voor moeten nemen. Onze walnootboom staat namelijk op ons terrein, en is dus onze boom, maar hij staat amper veertig centimeter van de erfgrens. Dat zou twee meter moeten zijn. Niet als die er langer dan twintig jaar zou staan, maar zover zijn we nog niet.
Deze boom staat er een jaar of tien, denk ik. Hij kwam in de plaats van een grote blauwspar die heel abrupt en op zeer mysterieuze wijze aan zijn einde kwam. Niet lang daarna kwam de notenboom er. Zijn eerste zes jaren had hij bij een kweker doorgebracht. Onze buren stemden van harte in met de komst van de boom. De erfscheiding speelde niet zo'n rol, ook al omdat er toen nog geen schutting was. Intussen zijn de instemmende buren verhuisd. Ze hebben de afgelopen week nog wel een zak walnoten gekregen van wat ooit toch ook een beetje hún boom was. Wat ooit aan hun kant viel, was ook voor hen.
De nieuwe buren zijn even inschikkelijk. Intussen staat er wel die schutting, maar daar lachte de boom om en vrolijk laat hij zijn noten ook voorbij de erfgrens vallen. Die zijn nog steeds voor de buren. En met die buren hebben we dus afgesproken dat we ons gaan melden bij Meester Visser of die andere man als de verveling toeslaat. Dat moet dan wel binnen tien jaar gebeuren, begrijp ik.

De noten die bij de buren vallen, doen hun naam eer aan. Ik leg het uit. Het woorddeel '-wal' betekent Keltisch, maar dat is een toegespitste betekenis. Oorspronkelijk is het de aanduiding voor alles wat en vooral iedereen die niet Germaans was en dat waren in negen van de tien gevallen die verrekte Kelten.
Even een verhelderend zijspoor: in Tanzania vertelde iemand me ooit dat in zijn taal de eigen groep werd aangeduid met een woord dat mens betekende, in ruimere zin betekende het alle donker gekleurde mensen zoals men die van oudsher kende. De blanken werden aangeduid met een woord dat niet-mens, desnoods onmens betekende.* Het werd me lachend verteld: ik was de enige witte in verre omtrek. Zo werkt het dus: je hebt een wij en je hebt de anderen. Het woord 'Wales' en ook 'Wallonië' danken er hun naam aan, wat me wel een beetje verbaast, want dat zou betekenen dat ze zich de 'aanduiding' van vreemdeling eigen hebben gemaakt.
Dan wordt het nu echt tijd om terug te keren de notenbomen. Die kwamen oorspronkelijk voor in Zuid-Europa, niet-Germaans gebied dus, waar vreemde wezens een vreemde taal spraken (koeterwaals) en bomen hadden met vreemde noten, die daarom walnoten werden genoemd. Het zijn de noten van de anderen, van de vreemdelingen. En dat zijn altijd je buren: de Kelten naast de Germanen, de romaanse volkeren naast diezelfde Germaanse stammen en dus ook de mensen van nummer 20 naast en tegenover de vreemdelingen van nummer 18.
Daarom ook zijn de noten die hier naast in de tuin vallen vreemde noten, walnoten, terwijl omgekeerd de noten die wij op ons erf rapen voor die van hiernaast de vreemde noten zijn, ook weer walnoten. Maar heel andere, ook al komen ze van dezelfde boom, vallen ze gelijktijdig en smaken ze hetzelfde, het zijn heel andere noten dan die van de buren. Dat is toch duidelijk! Anders waren ze wel daar op de grond gevallen.
Da's logisch.

* Ik heb twijfels bij deze uitleg.

03 oktober 2020

Jan van Chrisje

De dag voor mijn bezoek aan kapper Bakelaar in Den Bommel, veertien dagen geleden, had ik nog wel even gekeken of zijn naam, en daarmee familie van hem, ook in de genealogie van de mijne voorkwam. Ik vond twee verschillende Bakelaars. Beiden hadden zich gelieerd aan een Borgdorff, maar dan eentje van de tak van de broer van mijn overgrootvader, geen directe familie dus.

In 1916 trouwde Johanna Christina Borgdorff met Pieter Bakelaar en ruim een jaar later werd hun zoon Jan geboren. Johanna Christina is de vrouwelijke variant van Johannes Christiaan en die naam kom je niet vaak, maar zelfs heel erg vaak tegen in de stamboom van de Borgdorffen. Vrijwel alle mannen met die naam luisteren als je Chris roept. Dat blijkt ook te gelden voor de moeder van Jan Bakelaar.
Zij had een textielzaak in de Voorstraat, een zoon en een man.
Als ik de kapper goed begrepen heb, is dat de goede volgorde. Hij wist te vertellen dat Jan van Chrisje familie van hem was. Zo zei hij dat. Hij had het niet over Jan of over Jan Bakelaar, het was: Jantje van Chrisje. Zo werd de jongen en later de man altijd genoemd, tot zijn dood in 1968, dus oud is hij niet geworden. Moeder Chrisje heeft hem overleefd, nipt. Zij overleed in maart 1969, een maand later zou ze 81 geworden zijn.
In het genealogieboekje kent Jan Bakelaar, Jan van Chrisje dus, geen vervolg. Dat zal een puur praktische reden hebben. Het boekje volgt de mannelijke lijnen en dat maakt het nageslacht van Chrisje niet interessant genoeg. Als dat de reden mocht zijn, zou dat wel jammer wezen en ook niet terecht.
Intussen heb ik de kapper zojuist even gebeld om hem te vragen of zijn verre familielid nog trouwde en kinderen had. Hij weet me te vertellen dat Jantje geen broers of zussen had en nooit een partner heeft gekend. De eenzaamheid op bladzij 13 van wat een parenteel heet, is veelzeggend.
Er staat: ‘Uit dit huwelijk:
1. Jan Bakelaar, geboren, 11-11-1917 te Den Bommel, overleden 1968.’
Het cijfer 1 is nomineus: het maakt het gemis van een nummer twee voelbaar. Droefmakend is ook het ontbreken van een exacte overlijdensdatum.
En dan heette deze Jan Bakelaar in het dorp waarin hij het levenslicht zag en waar het hem ontvlood Jantje van Chrisje.
Dat lag ook voor de hand, vertelde de kapper. Niemand kwam om Chrisje heen. Zij was een zeer aanwezige vrouw, een instituut, geen BN’er weliswaar, maar wel een BB’er, een bekende Bommelse.
‘Een echte Borgdorff,’ zei de kapper bij mijn bezoek twee weken terug.
Ik wilde wel weten wat dat was.
Dat waren mensen waar je niet omheen kunt. Op een of andere manier vestigen ze altijd de aandacht op zichzelf. ‘Dat gaat gewoon zo.’
Even dacht ik aan Willem Engel, aan Dorien Rose Duinker en andere influencers waar ik zo huiverig voor ben.
Op de bank bij de kapper nam ik me voor om me heel bescheiden op te stellen.

Waarom ik op deze grijze morgen aan Jantje moet denken, weet ik niet. Net als zijn vader leefde hij tot in de dood in de schaduw van Chrisje, zo’n Borgdorff waardoor anderen niet aan het licht komen.
Misschien waren ze wel heel gelukkig met elkaar. Dat kan ook. Ik weet het niet.

02 oktober 2020

Walnoten opschenken

Terwijl ik koffie zet, kijk ik de tuin in om te zien of er weer wat noten liggen. Het worden er minder, maar als het water nog maar net kookt, kom ik de keuken in met zeven vers geraapte bruine knollen. Koffie gaat hier op de klassieke manier waarbij een echte oudhollandse hand het water opgiet en er even gewacht wordt op het moment dat het de moeite loont om opnieuw water op te gieten. Dat duurt niet lang, maar wel lang genoeg om te constateren dat het gras buiten, er mooi groen bij ligt en ook dat de walnootboom nog vol in blad zit, al verkleurt er hier en daar wat blad. Tussen het blad hangen nog wat beloftes van noten en dat in drie varianten: in volledig gesloten bolster, veel vaker een open gesprongen bolster en, drie, als noot waarvan de bolsterslippen blijkbaar al op de grond gevallen zijn. Het dringt, na een tweede keer opschenken, tot me door dat ik naar de boom sta te kijken zoals iemand naar een peuter of kleuter kijkt die aan zijn of haar zorgen is toevertrouwd. Dus zoals ik naar de oren of de schoenen van mijn kleinkinderen kijk. Verschil is dat ik de boom met rust laat, al pluk ik een doodenkele keer een noot uit de boom, als ik daar bij kan. Even komt mijn moeder weer langs: ze heeft een washandje in haar hand en daarmee valt ze mijn oor aan. Een punt van de washand dringt hardhandig door in alle gootjes, gangetjes, heuvels en dalen die een oor rijk is. Het is zeer onaangenaam, ook al is het goed bedoeld. Gelukkig duurt het niet lang, ongelukkig genoeg had ik twee oren. Ik schrijf dat, niet omdat ik die oren niet meer heb, maar omdat mijn moeder me niet meer met een washandje te lijf gaat, al heel lang niet meer. Al heel lang behoor ik bij de groep van belagers. Goed, daar zal de boom geen last van hebben. Maar ik betrap mezelf erop dat ik hem bekijk zoals ik dus naar kinderoren kijk.
Met drie keer opschenken is de koffie klaar.
Er staan nu twee ondiepe manden met noten op de grond. De kans om een beeld te krijgen van een totale oogst is allang verkeken. Mente heeft her en der al zakjes met noten uitgedeeld, hopelijk met de mededeling dat je ze beter nog een week of drie kunt laten drogen.

Intussen krijg ik foto's van de oogst in Oeken. Daar hebben vrienden een tuin waarbij die van ons in het niet valt, met daarin een walnotenboom waar de onze van zou schrikken en slikken, zo overdonderend groot. Mijn vriend de computerman heeft er misschien wel een dagtaak aan en als die noten niet zo'n tijdelijke aangelegenheid zouden wezen, zou ik hem voortaan misschien maar beter de notenman kunnen noemen.
Op één van die foto's? wacht, ik schenk even koffie in, en dan zoek ik die even op? zit hij gehurkt voor een platte bak met noten. Zoals een jongetje op de grond speelt met zijn auto's, of nee, met zijn elektrische treintje.
De mededeling bij de foto's is geruststellend. Als die van ons op zijn, dan kunnen we altijd nog bij de computerman en de hem dierbare sociaal werkster terecht.

Ik had nog iets over de herkomst van het woord walnoot willen schrijven. Dat moet ik maar even uitstellen. Misschien morgen, misschien ook niet.
De brievenbus kleppert. Dat zal een klein jongetje wezen. Kijken hoe het met zijn oren is.

01 oktober 2020

Zat

Ook deze week ontrolt zich het leven als een geknoopt tapijt met lijnen, motieven en kleuren die kinderen in de jaren vijftig (toen die tapijten er nog waren) ertoe brachten om daar een compleet wegenplan in te zien waarover ze hun autootjes konden laten rijden. Dit beeld dank ik aan gisteravond toen zo'n kleed en een daarbij behorende auto bij een Biltse vriendin boven kwam, die als kind nooit met poppen speelde maar wel met auto's (en eigenlijk was het er maar eentje). In die herinnering was het kleed geen beeld, maar kleed, én plattegrond. Het was niet het beeld van iets wat steeds maar terugkeert, zoals dat ook in het leven gebeurt.
Ik gebruik dit beeld van het kleed om de boel wat te relativeren, want zolang de banen, de krullen, de cirkels, de vierkantjes, de bloemmotieven, het wit, donkerrood, zwart, blauw en bruin er zijn, kent het bestaan voldoende variatie om draaglijk te zijn. En zo is het ook.
Maar als ik alle variatie weg zou denken van dat kleed, om alleen die vorm en die kleur over te houden die deze week dominant waren, dan komt dat neer op iets tussen bruin en zwart en afgebroken lijnen, en in niets uitlopende krullen. Dat is het gevoelskleed van deze week.

Ik mag niet klagen, en dat probeer ik nu ook echt niet te doen, maar ik word meneer Covid en mevrouw Corona meer dan zat. Heel onaangenaam zijn ze niet voor me geweest: ze hebben niet aangebeld en ik heb amper levensingrijpende maatregelen hoeven nemen om ze buiten de deur te houden, nogmaals het kleed kent veel vormen en kleuren, maar ik word het zat.
Het gepraat erover, de briefjes bij de winkels, de schermen, de onmogelijkheid om zomaar een museum in te stappen, de intekenlijsten, die smerige, stinkende, nare, desinfecterende gel. Het geregel voor de kerk, de onmenselijke vergaderingen.
En dan moeten we nu ook alles wat we voorzichtig aan het opbouwen waren weer afbreken. Er waren een toneelvoorstelling, een concert en een festival, een bijzondere vergadering. Er waren ideeën en mogelijkheden. Je belt die en die op, chartert hem of haar, regelt hier en handelt daar en zo verder en dan zijn er weer van die maatregelen.

En dan is het toch maar beter dat het niet door gaat of op een onaantrekkelijke manier. En dan moet je daar iets van vinden. En dan zegt een ander dat het wel kan en je zou zelf ook willen dat het nog wel door kon gaan, maar je denkt dat het niet kan, en dan zeg je toch dat het misschien inderdaad wel kan en dan even later realiseer je je dat het niet kan en dan zeg je dat ook, maar dan lees je dat je zelf hebt gezegd dat het wel kan en dat zou je ook willen; daarom zei je dat het wel kon, maar nu zeg je dat niet meer en je vindt het stom dat je vierentwintig uur geleden iets anders dacht en zei, en niet omdat je er toen nog anders over dacht, maar omdat je anderen ter wille wilde zijn bijvoorbeeld, maar omdat je het zei waren anderen het er mee eens, maar je had je mond moeten houden, je had er eerst nog eens goed over moeten nadenken, je had je beter moeten laten informeren. En al die tijd zit dat dus in je hoofd, terwijl je walnoten raapt, terwijl je een pak koopt, terwijl je gaat lunchen met een psalmist, een peuter op de wip zet.

Nogmaals het levenskleed kent deze week veel schakeringen, ik weet het, ik weet het heus wel. Ik zie ze ook wel. Dat hoef je me heus niet te vertellen, hoor. Hou toch op!

30 september 2020

Perceptie van een raper

Er viel geen enkele noot op mijn hoofd en dat mag een wonder heten, want er kwamen er dit jaar heel veel naar beneden en er hangt nog het een en ander. Een nieuw fenomeen bij het rapen is de kat van de buren. Om de walnootboom in onze tuin staan hoge varenplanten en het loont de moeite om te kijken of daar ook iets onder ligt. Aan noten bedoel ik. Maar een van de twee katten van hiernaast zit er blijkbaar ook graag. Het is me al een paar keer overkomen dat mijn hand vlak boven een zojuist ontdekte noot zweefde en er plotseling een kat onder de hand doorliep en daarbij mauwde. Om de betekenis van dat gemauw te doorgronden, hoef je geen enkele vooropleiding te hebben. Hier moet geaaid worden. Meteen en niet even tussen het rapen door, maar met volle aandacht.
Het compromis vinden we in aaien, rapen, terwijl de kat in achtjes om mijn voeten draait. Na twee noten wordt het gedraai zo nadrukkelijk en de kans op struikelen zo reëel dat je er goed aan doet om de kat weer even de volle aandacht te geven.
De mensheid heeft geen oog voor wat er allemaal in onze achtertuin gebeurt, maar ik stel me voor dat het er gezellig uitziet, die man en die kat die samen noten rapen. Ongezellig zal ik het niet noemen, maar van gezamenlijkheid is al helemaal geen sprake.
Dan kun je beter noten rapen met een tweejarige. Een peuter vindt het prachtig en brengt het praktische voordeel met zich mee dat de kat onmiddellijk verdwijnt. Zowel Markus als Tommy helpen ijverig mee. Tommy is doortastender. Die raapt zelf en gooit noten in het daarvoor bestemde emmertje. Dat smijt hij enthousiast leeg als hij zo gauw geen walnoot meer op de grond ziet liggen. Bij Markus gaat het anders: hij is wel genegen om een noot die je zelf hebt opgeraapt van je over te nemen en die in het emmertje te gooien. Ook gooit hij dat vervolgens niet leeg, maar van eigen initiatief is nauwelijks sprake. Het waarom van de noten ontgaat ze. Ze vinden ze alle twee niet lekker. Er gaan wel eens wat noten in een speelgoedwagonnetje of een kiepwagen, maar meer vertier bieden de noten niet. Losse duplosteentjes zijn veel leuker om mee te spelen.
Ze zijn intussen de beroerdste niet en willen oma of opa best ter wille zijn, als die zo blij worden van die rare mislukte bruine ballen.
Van haar kant houd Pip (zo heet de poes) jongetjes blijkbaar goed in de gaten. Als ik na het uitzwaaien van zo’n jongetje de tuin in loop en ik steek mijn hand tussen de varens bij de notenboom, dan duikt ze daar weer onderdoor.
Of zou Pip denken dat ik haar zoek en intussen de rommel in de tuin opruim? Dat zou kunnen: dat ze daar zit omdat ze denkt dat ik haar zoek en dat ze zich laat aaien omdat ik dat blijkbaar zo leuk vind.
‘Gelukkig haalt hij die harde knollen weg. Dat ruimt op en hij stopt tenminste even met aaien. Ik word helemaal gek van de geaai van die vent.’
’t Is allemaal een kwestie van perceptie en als het daar om perceptie draait, wordt zelfs het rapen van noten een ingewikkelde toestand.

27 september 2020

Lezen en lezen en lezen en lezen en lezen en lezen

Dat was wel even schrikken vanavond, toen Arjen Lubach het begrijpend lezen door de plee trok. Nu kan ik de zaak afdoen door te zeggen dat Zondag met Lubach een geval is van infotainment, het vervelende is alleen dat ik het voor een groot deel met hem eens was. Nu moet je met het waswater niet ook het kind wegspoelen en daar leek het wel een beetje op. Dit is trouwens een uitdrukking: het kind met het badwater weggooien. Uitdrukking en betekenis moest ik leren toen ik op de lagere school zat, maar voor het zover kwam, wist ik het al, want mijn moeder had een boek waarin bij spreekwoorden en gezegden tekeningetjes waren gemaakt. Dat boek haalde ze af en toe tevoorschijn en dan gingen we ermee aan de slag. Ik vond dat leuk. Uitdrukkingen, memoriseren, teksten lezen, het is allemaal opgeofferd aan begrijpend lezen.

Maar nu het kind in die badkuip. In een tussenzin geeft Lubach toe dat je bij begrijpend lezen een aantal trucjes worden aangeleerd waarvan je bij het lezen profijt kunt hebben. Het is zeer de moeite waard om die trucjes te kennen. Bij begrijpend lezen is de boel volledig doorgeslagen, met de opbouw, de verbindingswoorden, de signaalwoorden, de type teksten en wat dan ook.
Het gros van de leerlingen die ik lastig viel met een zakelijke tekst met vragen las die tekst helemaal niet, maar ging meteen aan de slag met de beantwoording van de vragen. Natuurlijk zette ik kinderen drie weken op water en brood als ik ze daarop betrapte, maar als ik haast had met de voorbereiding van een tekst, deed ik het zelf ook. Dat voorbereiding was en bleef nodig, lang geleden omdat we nog niet met antwoordenboeken werkten en de laatste jaren van mijn bestaan als schoolmeester omdat de antwoordenboekjes vaak niet deugden. ‘Die worden door mensen gemaakt die de uitgeverij als sluitpost heeft ingehuurd,’ was de redenering. Dat mag zo wezen, maar dat is niet de kern van het probleem. De kern is dat al die zogenaamde tekstanalytische hulpmiddelen zich hebben losgezongen van de tekst.

Volgens mij moet je een tekst lezen om die te begrijpen. Om te zien of je er met je kop wel helemaal bij bent, moet je je zelf afvragen wat er staat. Dat doe je door de tekst samen te vatten. Dat doe je door een lastig stukje tekst in je eigen woorden weer te geven. Door commentaar te laten leveren op de tekst. En je doet het door zelf teksten te laten schrijven. En dan pas kom je met je trukendoos. En als je toetst, dan laat je lezen, samenvatten, parafraseren, becommentariëren en je stelt dat nog wat vragen over soorten verband, verbindingswoorden, type tekst en zo. Dat telt voor 10 of 15 procent mee, vooral niet meer.
En voor de rest is het lezen, luisteren, kijken naar gesprekken, maar vooral lezen. Of het nu gaat om fictie of non-fictie. Ook bij fictie ging het uiteindelijk fout door alle soorten vertellers, ruimtelijke aspecten en wat dan ook.
Zwemmen leer je door te zwemmen. Bij het duiken is het handig als er water in het bad zit.
Kortom lezen en laten lezen.

Iedere neerlandicus behoort altijd met een boek in de hand door het leven te gaan.
‘Doe jij de deur van het lokaal even open voor me, Pris. De sleutel hangt aan het koordje om mijn nek. Pak maar. Ik moet echt even deze alinea uitlezen. Dat begrijp je.’ Good practice-onderwijs heet dat.
Een krant per dag, anderhalf boek per week.

26 september 2020

Engel

Alleen een naam al kon een beeld oproepen van de drager ervan. Of dat beeld klopte met de werkelijkheid is een ander verhaal. Maar een persoon verandert mettertijd; voor een naam is dat veel minder vanzelfsprekend. In de tijd dat ik na de zomervakantie weer een paar bakken vol nieuwe leerlingen voor me zou krijgen, probeerde ik me met de naamlijstjes van de mij toebedeelde klassen op mijn schoot, tijdens een saai onderdeel van een vergadering bijvoorbeeld, bij de namen een voorstelling te maken van de persoon die er bij paste.
Bij de naam Willem Engel zou ik ongetwijfeld gedacht hebben aan een kloeke knul met sluik blond haar dat hij schuin over zijn wenkbrauwen zou laten vallen. Wel een beetje een dondersteen, maar een leuke. En waarachtig, de Willem Engel die ik nu te onpas en te onpas op tv of anderszins voorbij zie komen, lijkt wel een beetje op de jongen die ik me, maar dan als twaalfjarige, had voorgesteld. De illusie blijft.
Tot ik hem hoor.

Het is flauw om in te gaan op zijn achternaam en te zeggen dat die misleidend is en er dan ook nog een liedje van Elvis Presley bij te halen. Dus dat doen we maar niet. Op Twitter vertelt iemand wat Willem Engel allemaal niet is of heeft. Hij is geen viroloog, geen afgeronde studie, heeft geen ervaring en hij komt uit een bedenkelijk nest. Dat klinkt een beetje vooringenomen misschien. Als iemand zich maar goed, dat wil zeggen, breed orïenteert en niet vooringenomen eenzijdig bronnen raadpleegt, zonder de betrouwbaarheid daarvan te controleren. Toch?
In de krant vertelt Dorien Rose Duinker me dat je zelf niets meer hoeft te onderzoeken, want ‘Willem weet alles.’ En dat klopt. Ik heb ook van die mensen in mijn omgeving bij wie ik me maar liever op de vlakte houd, omdat die probleemloos alles weten, vooral beter weten. Bij die allesweters heeft de overheid het altijd gedaan. Die rotzooit maar wat aan. Dat mogen hier en daar en nu en dan zo wezen (kindertoeslag, gas, onderwijs, cultuurbeleid), het zal de insteek en vaker de praktijk niet zijn van hen die die overheid vertegenwoordigen. En de wetenschap is ook maar een mening.

Ik denk dat Dorien Rose Duinker op de middelbare school dat Rose niet gebruikte, het is maar een veronderstelling. Dus Dorien Duinker. Dat klinkt stevig en vlot. Die meid kunnen we straks om een boodschap sturen, zou ik hebben kunnen denken. Maar stel je voor dat ik dat had gedaan en ze was teruggekomen met: ‘Corona is een normale griep en niemand kan mij vertellen met wie ik wel of niet kan knuffelen. En dat weet ik allemaal omdat Willem het vertelt en die weet alles.’ De combinatie van mededelingen is verrassend. Meteen daarna: ‘Zo vertrouw ik ook de farmaceutische industrie niet, die willen alleen maar vaccins verkopen.’ Dat woordje zó suggereert dat ze haar vorige uitspraak onderbouwt. Nu weten we dus waarom ze blijft knuffelen: omdat de industrie niet te vertrouwen is. En meer.
Dat weet zij dus allemaal dankzij Willem.

Ik zou ze zo dolgraag alsnog in de klas willen hebben, Dorien Rose én Willem, één jaartje maar. Leuke schrijfopdracht laten maken, leren hoe je je moet documenteren voor je wat zegt, een verhaal bespreken, vertellen over onderwerp en persoonsvorm, een paar mooie gedichten voor je leven uit je hoofd leren, ook nooit weg. Als ze dan een keer iets geks zouden doen of zeggen, zou ik even met m’n hoofd schudden en erop vertrouwen dat dat wel goed zou komen. Eenmaal groot zouden ze ongetwijfeld meer zelfkritiek hebben.

25 september 2020

Dienaar

De gulheid waarmee de walnootboom in onze tuin zijn vruchten aan ons toevertrouwt ? daarover had ik het willen hebben. Ik wijdde er enkele gedachten aan die ik nu om praktische redenen maar voor me houd, want wie weet is het stof voor morgen. Bij het oprapen van de noten ? narapen was het, want Mente was nog geen half uur eerder ook al even bezig geweest ? werd me duidelijk dat ik wel weer eens over het jaarlijkse terugkerende wonder van de notenregen kon schrijven. Ik moest dat maar meteen gaan doen.
Nu gaat schrijven me beter af met een geledigde en tot ontspanning gekomen blaas, dus dat ging voor. Omdat het wat koeler is buiten, stak ik me vanmorgen niet meer in korte broek en een simpel T-shirt, maar kwamen er een lange broek, een overhemd en een giletje aan te pas. Ik hoef niet alles te noemen, dus laat ik hemd en sokken maar achterwege en omdat ik wel dezelfde slippers draag als anders, noem ik die helemaal niet. De onderbroek, zeg je? Doe niet zo flauw. Ik had me ook kunnen beperken tot mijn overhemd, al zou je eerder denken aan de broek, maar daarvan doet het er niet toe of die kort of lang is als die maar geopend kan worden. Want dat deed ik en ook ben ik gelukkig nog in staat om over mijn buik heen te kijken om daarbij mijn nederige dienaar te zien wat bij het plassen wel eens handig kan wezen. Dat is allemaal goed gegaan. Sterker nog: alles is goed gegaan, want dit is een verhaal met een blij einde.

Toch had het zo makkelijk heel anders kunnen lopen, want toen ik dus over mijn buik keek, zag ik dat er een tweede reden was om blij te zijn dat ik zicht had op wat er daaronder gebeurde. Er lag namelijk een knoopje op mijn dienaar, een klein knoopje. Alsof hij een jasje aan had dat eventueel uit kon. Alsof er, andere mogelijkheid, een alternatief voor een eventuele besnijdenis werd geboden en er desgewenst een deel losgeknoopt kon worden. Of misschien diende zo'n knoopje wel om ervoor te zorgen dat bij een verregaande staat van opwinding de huid van mijn dienaar kon worden uitgelegd zodat er geen pijnlijke scheuren zouden ontstaan. Of misschien diende het om de liefde van mijn leven wat extra te gerieven. In dat geval kwam dat knoopje wel wat laat, al mogen we blij zijn dat er niet gekozen was voor klittenband of een rits. Ik moet er niet aan denken.
Zo was het allemaal niet, natuurlijk, al schoot het wel door me heen, terwijl ik, zonder te morsen, het knoopje verwijderde. De draadjes in de gaatjes suggereerden dat het knoopje stevig vast zat. Ik wist wel beter. Het kwam van mijn overhemd. Ik veronderstelde dat het ging om het reserveknoopje dat doorgaans onderaan een overhemd te vinden is. Zo was het niet. Hier hadden we het over een knoopje ter hoogte van mijn broekband; dat had blijkbaar losgelaten.
Als mijn trouwe dienaar het niet had opgevangen, dan was ik het of kwijtgeraakt of ik zou een onfrisse actie hebben moeten ondernemen om dat te voorkomen. Waaruit maar weer blijkt dat mijn trouwe dienaar het beste voor heeft met zijn meester. En dat mag wel eens gezegd worden.

24 september 2020

Pak

Toen we de hoek omliepen waar we kort geleden nog mochten fietsen, wist ik het al. Maar nu waren we onderweg naar een winkel iets verderop. Daar viel met grote letters te lezen dat er een totale uitverkoop was.

'Als je het niet wilt, dan doen we het niet, hoor,' zei Mente. Dat zei ze niet voorkomend of vriendelijk en dat was terecht want ik had non-verbaal voldoende in stelling gebracht om duidelijk te maken dat ik ernstige twijfels had bij het bezoek aan deze zaak, al was het maar door op de standaard van de aan de hand meegevoerde fiets te mopperen. Dat was vooringenomenheid, domme vooringenomenheid zelfs, want wat was er op tegen om een aangenaam pak te kopen voor een aantrekkelijke prijs. Er zit meer vooringenomenheid in deze man dan hij de wereld wil laten weten en, heus, regelmatig spreekt hij zich daarop indringend aan en dat helpt gelukkig, maar als je even niet oplet slaat de ellende weer toe. Ik ben daar niet trots op, niet op het een en niet op het ander.
Dus liepen we de zaak in, langs de rijen blauw en grijs. En tussen al de rijen met Italiaanse pakken, achter de toonbank zaten twee mannen. Ze bestudeerden een scheermes, zo'n ouderwets geval dat je langs een leren lap moest opscherpen voordat het zijn weg onder het scheerschuim vond. Of een keel doorsneed, want natuurlijk dacht ik even aan de maffia. Maar dat was weer die ellendige vooringenomenheid. Het klapmes was meteen weg, maar ik had het goed genoeg gezien om het behalve vervaarlijk ook een mooi exemplaar te vinden.
'Ik zie het al,' riep één van de twee mannen. Hij sprong kwiek op en vertelde me welke maat ik had. Hij complimenteerde zichzelf met zijn scherpe oog en opnieuw drukte hij daarbij bij mij op de verkeerde knop. Eerst die grote schreeuwende letters op de etalageruit, dan die geringe variatie in kleur, vervolgens dat klapmes en nu deze verbale zelfbevlekking om ons als klanten van zijn kostumologische potentie te overtuigen.

Acht pakken paste ik aan, blauw, grijs, grijs, blauw, en allemaal heerlijk gladde wol en Mente vond het me allemaal goed staan. Dat is de liefde, wist ik. En liefde is een kostbaar goed, maar je komt daarmee niet thuis met het beste pak. Toen we vertrokken, lag de hele zaak overhoop met jasjes, broeken en stalenboeken. Over veertien dagen zou er nieuw spul binnenkomen en dan zat er ongetwijfeld nog meer moois voor me tussen. Dan zouden we binnenkort weer langs komen, logen we. Ach, wat had ik aangericht?

We liepen weg. Bij de hoek keken we nogmaals naar een pak in de etalage van de concurrent. Er stond geen prijs bij.
Tien minuten laten stonden we er weer. Met een jasje, een giletje, een broek, overhemd, stropdas en doe-dan-ook-maar-een-nieuwe-riem. Over de schoenen wilde ik nog even nadenken. Dat wel.

22 september 2020

Even naar Waiheke. Doei!

In een nog niet eens zo grijs verleden vroegen de Maori in Nieuw-Zeeland zich of wie er wel eens het nest of het ei van een grutto had gezien, de kuaka zoals die in hun taal heet, oftewel bar-tailed godwit, zoals het dier in het Engels heet. De vraag zal ongetwijfeld retorisch bedoeld zijn, maar de tekst zou niet misstaan hebben in het Bijbelboek Job. Intussen zou Job, net als de Maori niet alleen antwoord kunnen geven op de vraag maar ook kunnen uitleggen waarom niemand het nest en de eieren van grutto’s in Nieuw-Zeeland ooit was tegengekomen. In maart verlaten de grutto’s Nieuw-Zeeland om naar Alaska te vliegen. Ze vertrekken met flink wat vet op de lichte botten, met een vergroot hart en een vanwege het gewicht gekrompen lever. De route telt 11.000 kilometers en onderweg stoppen ze één of twee keer. De reis neemt acht, negen dagen in beslag en dat betekent dat ze doorgaans zo’n 80 kilometer per uur vliegen. Na aankomst bouwen ze hun niet erg indrukwekkende nest, zoals je die behalve op Alaska ook in Nederland, helaas steeds minder vaak ziet. Nederlanders zouden gelachen hebben om de vraag van de Maori. Er waren hier genoeg weilanden om eventjes een gruttonest aan te wijzen en had niet iedere Nederlander een halve eeuw geleden niet een grutto-ei in zijn broekzak? Vandaar ook, begrijp ik nu, dat in de Nederlandse Bijbel geen vragen over de grutto te vinden zijn.

Vorig jaar verpandde ik mijn hart aan de grutto’s die rondliepen en sliepen langs de rand van de Black Pool, een baai bij Waiheke. Ik logeerde er een paar keer en vrijwel dagelijks liepen we ’s avond en geregeld ook aan het begin van de dag langs de grutto’s daar. Overdag waren ze weg. Ik zal niet zeggen dat het voor m’n gevoel míjn grutto’s waren, maar ik vermoed dat de grutto’s dat toen wel zijn gaan denken.
Sinds vorige week word ik vanaf Waiheke dagelijks op de hoogte gehouden van de vlucht van de grutto’s, want ze komen er weer aan! Op hun weg naar dit eiland dichtbij de kust van het Noordereiland rusten ze helemaal niet. Als je hun route volgt, zie je dat dat ook helemaal niet kan: ze vliegen alleen maar boven water. Bij aankomst zijn ze de helft van hun gewicht kwijt en, zo vertelt een informatiebord bij de Black Pool: ‘they can hardly stand up or fold their wings properly.’
Gisteren kreeg ik de eerste foto’s binnen van de zojuist gearriveerde grutto’s. Die foto’s hadden ze niet zelf gemaakt; dat deed Pieter voor ze en hij stuurde ze me toe. Hij telde ze ook, 21, en ik heb dat op de foto kunnen checken. Ze zien er goed uit: geen verlopen koppen en hangende snavels, maar ook ordentelijk gevouwen vleugels en dat van de helft van hun gewicht kan ik op de foto niet waarnemen.
In navolging van Pieter ben ik natuurlijk ook gaan kijken naar de site die de vlucht van de grutto’s zo nauwkeurig bijhoudt. Dat is www.globalflywaynetwork.org. Kleine lettertjes leren dat de site ontwikkeld is door Team Piersma, genoemd naar de Groningse hoogleraar en uit Friesland afkomstige Teunis Piersma. De site beperkt zich overigens niet tot de Oost-Aziatische vliegroutes, ook de grutto’s die pendelen tussen Afrika en Westbroek zijn er te volgen.
Maar ja, het waren de kiwi-grutto’s die mijn hart stalen, waaronder dus 4BWWY, een vrouwtje dat vorige week dinsdag vertrok en gisteren arriveerde. Ze vloog 6941.96 kilometer. Dus ergens zit een informatiegat van 3000 km. Misschien is de terugweg langer.

20 september 2020

Door de poort

Opnieuw beleven we een fraaie dag, net als gisteren. Toen reden we onderweg van Culemborg naar huis over de smalle Lekdijk en die voert langs Fort Everdingen. Daar zagen we, vanaf de overkant van het water, een tentje staan dat ons bekend voorkwam. Hadden we daar deze week niet een fotootje van toegestuurd gekregen? De vraag werd beantwoord door de verschijning van Greetje. Ze kwam naast de tent te staan.
Mente liet een treffend ‘hoewoit’ over het water schallen, waarvan Greetje opkeek en even later zagen we ook Jaap. Hij riep zijn verwekkers toe waar we de auto konden parkeren en zo liepen we even later tijdens een wel bijzonder geslaagd golden hour over fort Everdingen. Ik verlangde innig naar mijn eigen tent en naar mijn fiets.
Een uurtje later namen we een afslag eerder om te kijken of we ergens konden eten. Niet ergens, maar bij Taplokaal Gist om precies te zijn. Ik zeg het omdat de mede-eigenaar van dit lokaal op dit moment in een tentje bivakkeert op de camping van Fort Everdingen.
Bij de Helling zoals deze omgeving heet, was het gezelliger dan ik ooit heb meegemaakt: één groot terras.

Vanmorgen had ik trek in een pak en ook dat kon, maar vanmiddag liep en fietste ik alweer zonder pijpen, mouwen en sokken. Bij Oud-Zuilen kon je bijna van bootje naar bootje springen, al moest je hier en daar dan wel genoegen nemen met een supplank.

En zo schakelt ook in deze septembermaand het ene aangename zomermoment zich aan het andere en ik zou ervoor tekenen als ik niet regelmatig overvallen word door onrust. Zoals ik die had als kind, met mijn bovengemiddelde angst voor een hiernamaals dat wel op de hel zou uitdraaien, want wat maakte mij bijzonder genoeg om in de hemel te komen? Dat akelige gevoel dat me kon overvallen als ik bij mijn moeder of oudere zus achterop de fiets zat, net opgehaald van een leuk verjaarspartijtje met blinddoekerij, snoephappen, raadsel oplossen en nog het een en ander.
Zo liep ik zojuist door de poort terug naar huis, met net een gezellig bezoekje aan dierbare achterburen en plots was daar het klimaat dat ons onafwendbaar meesleept in een ecologisch inferno. Doe iets, dacht ik. Nog minder vlees. Ook die zuinige auto van je moet je verkopen. Volgend jaar hetzelfde pak en daarna dezelfde korte broek. Alleen klinkt dat allemaal zo lullig.

De tegels in de poort liggen onder een dikke laag taxusbes. En dan al die taxusbesgeile vliegen! Het is een en al geknars onder mijn zolen. Als we de brij voorbij zijn, volgen de bessen van de lijsterbes. Die blijven wat meer zichzelf dan die van de taxus. Maar acht stappen verder staat de volgende taxus. De besrijke bomen staan allemaal ongetwijfeld in een tuin van mensen die hun fietsen, als ze die al hebben, in de voortuin laten staan. Die komen nooit in deze poort.

Aan het eind van de poort wacht me het nazomerse licht. Als ik de sleutel in het slot van de voordeur steek, ben ik ben nog lichtelijk geïrriteerd. Waarom ruimen die mensen hun rotzooi niet gewoon op? Ik raap toch ook braaf de noten op die van de walnotenboom in onze tuin vallen? Dat taxusbessen en walnoten zich niet laten vergelijken en dat dit dus geen redelijk argument is, weet ik ook wel, maar laat me nou gewoon een beetje mopperen. Dat is trouwens veel aangenamer dan het gepieker over het klimaat.
Binnen trek ik mijn slippers uit. De zolen zijn minder vies dan ik had gedacht. Dat is dan een meevaller.

19 september 2020

De kreek

‘Een kreek is een kleine watergeul, die ontstaat als gevolg van een dijkdoorbraak of is een restant van een ingedijkte vroegere getijdengeul. Een bestaande watergeul op het wad, die onderhevig is aan eb en vloed wordt een priel genoemd,’ vertelt Wikipedia. Op Flakkee gaat het om kreken in de betekenis van restanten van een getijdengeul. Het komt erop neer dat die geulen aan de andere kant van de dijk, al dan niet onder water gewoon door gaan, maar daar zijn ze nog zout. Wie over Flakkee rijdt, en dat deden we gisteren, mijn koude neef en ik, gaat van dijk naar dijk. Alleen al op het kleine stukje tussen Haringvliet en Volkerak, dus het gebied onder Den Bommel reden we over de, houd je vast: Molendijk, Boven-Oostdijk, de Buitendijk namen we niet, we gingen er langs en blijven op de Schaapsweg, dus de Buitendijk telt niet. De Oudelandsedijk weer wel, en ook de Mijntjesdijk, de Galathese dijk, de Mariadijk en, na een lunch, de Grote en de Nieuwe Bloksedijk, de Kranendijk, waar mijn koude neef en ik om uiteenlopende redenen beide nieuwsgierig naar waren en ten slotte de Tilsedijk. Wat een namen, wat een poëzie!
Zoveel dijknamen op zo’n kleine gebied, dat geeft wel aan dat er in het verleden flink is gepolderd en niet in één keer heel grootscheeps. Nu kunnen met een project wel eens meer dan één dijk en dus ook meer dan één naam gemoeid zijn geweest, maar de veelheid in zo’n klein gebied geeft wel aan dat er heel wat gebeurd is. Er is een kaart waarop nog 38 kreken te zien zijn. In de zeer directe omgeving van Den Bommel zijn dat er drie: de Grote Kreek, de Kleine Kreek en de Kreek van Borgdorff, uit te spreken als Borredorref. Je leest het goed. Die laatste kreek loopt langs De Kinderput. Dat is de boerderij die in 1850 door mijn betovergrootvader werd gekocht en die rond 2000 door de bank verkocht werd. Vanaf dat moment was de boerderij niet langer in handen van een Borredorref. Er is blijkbaar iets goed misgegaan.
Dus die kreek dankt zijn naam aan de familie die er anderhalve eeuw woonde. Vreemd genoeg kan niemand me vertellen hoe de kreek voor die tijd heette.

‘Stop, stop, stop,’ riep mijn kouwe neef op een manier die ik niet van hem gewend ben en dus reed ik de auto prompt de berm in. Ik moest uitstappen en er kwam een camera tevoorschijn. De neef wees me op een slootje langs de weg, dat juist aan de vertakking bezig was. Een slootje van niks, dat van nergens leek te komen en ook nergens toe leidde.
‘Dit is hem nu, de Kreek van Borgdorff.’ Mijn neef spraak de naam uit in welluidende hoofdletters alsof we langs de Maas stonden die op het punt stond ook de winterdijken te slechten.
Ik moest dit goed zien, legde de neef me uit: er waren veel meer kreken geweest, maar na inpoldering waren er heel veel opgeofferd aan het land. Dat was ook gebeurd met grote delen van deze kreek. En daar was dan tot besluit ook nog eens een stevige ruilverkaveling overheen gegaan.

Toen moest ik op de foto, waarop ik met een weids gebaar naar de machtige stroom wees die naar mijn familie was vernoemd. Ik deed het en wees naar de Kreek van Borgdorff.’ Misschien was het lullige woordje ‘priel’ toch beter geweest.

* Via deze link kom je op de kaart die de kouwe neef maakte van de kreken op Goeree- Overflakkee: kreken op Goeree

18 september 2020

Vreemde vlag

Mijn koude neef was ooit ook mijn buurman en toen werden we vrienden, lang geleden. Hij is betrokken bij de ontwikkeling van wandelroutes op Flakkee, ook bij Den Bommel. Daar kwam hij regelmatig mijn achternaam tegen. Dat klopt: enkele generaties van mijn voorgeslacht hebben er gewoond. Dat maakte nieuwsgierig. Ik wilde wel eens weten wat mijn koude neef van moederskant uitspookte op het erf van mijn vaders zijde en de kapper van Den Bommel, die enkele boeken op zijn naam heeft als delver in het verleden van zijn dorp, wilde wel eens weten wie de kouwe neef van mijn kouwe neef was.
De bewoners van Den Bommel ervaren de Watersnood van 1953 als hun belangrijkste verhaal, was me bij een eerder bezoek opgevallen. Dat gold ook voor kapper Bakelaar. In 2003 publiceerde hij daarover een boek. Hij schreef het niet alleen, hij speelde er ook op verschillende manieren een rol in. Als jongeman - de kapper is uit 1933; hij viert dezer dagen zijn verjaardag - liep hij graag rond met een fototoestel en dat betekende dat hij honderden foto’s maakte nadat het water in die memorabele nacht over de dijk was geslagen en daarachter een slecht herstelde uitwateringssluis wegvrat wat in de dagen daarna door de werking van eb en vloed voor een enorme ramp zorgde.
Veel mensen werden geëvacueerd, maar gezonde mannen moesten blijven om te redden wat er te redden viel van dit volkomen van de buitenwereld afgesneden dorp.

De kapper knipte, fotografeerde, maar hij was ook zendamateur en dus droeg de burgemeester hem op om vanaf een hooggelegen punt contact met de buitenwereld te houden. Dat liep via iemand die in de kerktoren van Vlaardingen berichten opving, doorgaf en terugzond.
Toen de kapper weer eens boven zat en uitkeek over het water, zag hij in de verte een boot naderen die een vlag voerde die hij niet herkende. Hij pakte een verrekijker. Het bleef een hem onbekende vlag. Hij zocht contact met Vlaardingen. Vlaardingen zocht contact met anderen en wist een paar minuten later te vertellen dat het de koninklijke standaard was. De koningin was onderweg voor een bezoek aan het zwaar getroffen Den Bommel.
De jonge kapper rende naar beneden, naar de burgemeester, om te vertellen wat er aan de hand was.
‘Jij blijft hier op me wachten. Ik ga onmiddellijk mijn goede jas pakken.’
Even later liepen ze samen naar de plaats waar de boot zou aanleggen.
En zo werd in die koude februarimaand van 1953 hare koninklijke hoogheid Koningin Juliana ontvangen door de burgemeester van het dorpje en door een kappersjongen van negentien.

Ik krijg het boek van de ramp te zien en blader het door.
‘Heeft u nog een exemplaar?’
‘Ik heb er nog twee of drie en ik heb mee voorgenomen om die niet weg te doen,’ zegt de kapper.
‘Tja, voornemens.’ Het is even stil. Dan staat de kapper op terwijl zijn vrouw me bemoedigend toeknikt.

Thuis blader ik het boek door. Natuurlijk zoek ik ook naar een foto waarop te zien is dat de majesteit het geteisterde gebied bezoekt. Die is er niet. En dat is ook geen wonder bedenk ik me, want de plaatselijke fotograaf, te weten de jonge kapper Bakelaar, was ook lid van het comité van ontvangst. Vlak daarvoor was hij druk als verbindingsman, dus hij had geen tijd gehad om zijn fototoestel op te halen. Gelukkig heeft hij de koningin goed bekeken. In het boek lees ik: ‘Gummilaarzen, een bontjas en een lichtblauw hoofddoekje. Dat is me altijd bijgebleven.’

* M. Bakelaar, Den Bommel, het gedeelde dorp. Watersnoodramp 1 februari 1953. Den Bommel 2003.

17 september 2020

In de wachtkamer

Je kunt je afvragen waar dit ziekenhuisbezoek voor dient. De opnieuw geruststellende bloeduitslagen vond ik immers een paar dagen geleden via internet. Waarom houd ik me niet gewoon aan de orde van deze donderdag?
Maar nee hoor, in plaats daarvan moest er van alles geregeld worden om een kleuter van school te laten halen nu ik dat niet kon doen. En dan heb ik het maar niet over de telefonische pogingen om dit ongerief voor te zijn door om een ander moment te bedelen, tevergeefs.
En zo zit ik dus in een wachtkamer te wachten op een ritueel gesprek, en daar mag ik natuurlijk niet over mopperen, dat begrijp ik ook wel, ik moet juist blij en dankbaar zijn dat ik hier voor niks zit.

Misschien zit ik hier ook wel niet voor niets en gaat het helemaal niet om het gesprekje met een arts, maar heeft juist dit zitten in de wachtkamer een bijzondere betekenis en mag ik de zojuist opgedane ervaring zien als een belangrijke, mijn verdere leven mede bepalende vingerwijzing.
Ik stel je even voor aan de inhoud van mijn rugzakje: het notitieblokje dat ik nu opgeslagen op mijn knie heb liggen, de pen waarmee ik deze woorden schrijf en het mobieltje waar ik zojuist nog druk mee in de weer was.

Ik nam de digitale post even door, stuurde een snelle reactie naar iemand en keek vervolgens nog even op facebook en twitter. Ik likete ook nog iets. En plotseling kreeg ik verschrikkelijk de schurft aan dat apparaatje en vroeg ik me verbijsterd af waarom ik niet zoals vroeger een boek had meegenomen. Ik had nota bene mijn boek juist weggelegd toen ik de deur uitging. Waar was het automatisme gebleven om dat juist zoals het een fatsoenlijke vent betaamt in dat rugzakje te steken. Ik miste mijn boek. Dat gemis was nog tot daar aan toe, erger was het alternatief: dat vanzelfsprekende gehannes op dat mobieltje, dat overal op reageren en dan die sociale media. Hoe kreeg ik het voor mekaar om met mijn afkeer van reclamefolders me te pas en te onpas te verlustigen in de hond van een nicht die ik nooit zie, een glas bier dat iemand verdiend heeft, een leuk kleurboek voor kleuters? En waarom viel ik zelf mensen daarmee lastig? Al die versnipperde aandacht. Aandacht? Aandacht? Helemaal geen aandacht. Alleen maar versnippering van iets waarvan je niet eens meer kon zien waar het de snippers van zijn.

Zoveel was duidelijk: niet meer op stap zonder boek. Dat was een…
En wat die sociale media betreft... Ik heb gerookt vanaf mijn veertiende. Achttien jaar geleden deed ik me op een avond weer te goed aan een pijp en plotseling vroeg ik me af waarom ik me bezig hield met zoiets raars als roken. Ik heb mijn pijp uitgeklopt. Pijp, tabak en aansteker in een kastje gelegd en daar liggen ze nu nog.
En nu met die sociale media, daar kan…
O, daar is de dokter voor ons rituele gesprek.

16 september 2020

De ring

Gisteren bestudeerde ik de ogen van mijn nicht aan de Waal. Onze moeders waren zussen. Vorige maand toen mijn Amersfoortse neef langskwam – onze vaders waren broers, ging het om familiaire handen.
Op een gegeven moment kreeg ik de gouden ring in de gaten die mijn neef droeg. De B van het monogram was duidelijk en daaruit begreep ik dat wat er niet duidelijk was wel een A moest wezen, de initialen van mijn neef. Ook bij nadere bestudering bleef de A een moeizame aangelegenheid. Je kon hem niet echt als zodanig herkennen. Het was een gouden ring, maar dan wel een héél dun geval. Hoeveel karaats? Veel zal het niet geweest zijn. Er zat zelfs een slijtgaatje in de ring. Het model voerde een kleine honderd jaar terug, art deco, en dat in de simpelste vorm die zich maar denken laat. Ik wilde het ringetje beter zien.

‘En dan steek je het in je zak en zie ik het nooit meer terug.’ Als familie ken je elkaars gebruiken.
Toch mocht ik het van dichtbij bekijken. Het simpele ringetje werd misschien al wel honderd jaar gedragen. Eerst door onze grootvader dankzij wie de ring aan de initialen kwam: A en B. Na diens dood in 1937 ging die naar de vader van de Amersfoortse neef. Opa en oma Borgdorff hadden geen kinderen van wie de voornaam met een A begon. De opa zou bij de zes gezinnen van zijn kinderen telkens vernoemd worden en zo mocht de ring zich na zestig jaren eindelijk weer laten dragen door een echte A B, en dat intussen al weer 22 jaar. Maar bij deze overdracht vond de moeder van de neef wel dat die bijna volledig weggesleten A maar eens in ere hersteld moest worden. Dat is gebeurd. En dat is erg jammer. De A is er niet duidelijker op geworden, je mag je afvragen of de graveur niet dyslectisch was, je kunt ernstig twijfelen aan diens stijlgevoeligheid en je hoeft niet lang naar het ringetje te kijken om te weten dat je er maar beter niks mee had kunnen doen.

Het vreemde was alleen dat ik het ringetje herkende. Niet van de tijd dat mijn oom het droeg, toen was het me nooit opgevallen, maar wel van mijn vader. Die had een wat betere editie van deze ring gedragen, ook art deco, ook heel slank, maar toch van betere kwaliteit dan dit geval; bij hem stonden er zijn eigen initialen op. Dat ringetje was hij ooit kwijt geraakt. De ene keer vertelde hij dat hij bij een toiletbezoek per ongeluk met het toiletpapier ook een keer de ring had weggespoeld. Een variant was dat van de handschoenen om een winterkoud autostuur. Toen hij uitstapte bij een klant trok hij ze uit en hup daar verdween de ring rinkeldekink in een afvoerputje. Er waren meer verhalen, met hetzelfde resultaat. Mijn vader kocht naderhand een kloekere gouden ring; daarvoor verwijs ik naar mijn broer.
Nu pas begreep ik, al kan ik het verhaal niet meer verifiëren, dat mijn vader als jongeman na het overlijden van zijn vader een ring kocht als die van zijn vader en die heeft laten graveren. Zijn broer erfde het origineel. De overeenkomst was treffend.
En dan waren er nog die vingers. In de familie B zijn slanke handen met slanke vingers meer regel dan uitzondering. In ieder geval had mijn vader die en zijn broer en vader hadden die ook, net als mijn Amersfoortse neef dus.

15 september 2020

Haar ogen

Japi, de onvergetelijke held van Nescio, was helemaal geen held. Hij was een uitvreter; aan die kwaliteit dankt het verhaal over Japi dan ook zijn titel. Hij was wel, laten we eerlijk zijn, een profiteur en klaploper om in je hart te sluiten. Nu wil ik het helemaal niet over Japi hebben, maar hij kwam bij me langs toen ik naar mijn nicht keek. Haar ogen fascineerden mij, niet alleen de twee kijkers, ook het hele deel van het gezicht daaromheen. Laten we zeggen: een strook van vijf centimeter: opslag, oogleden en hoe die knipperen, de glans.
Zou, zo vroeg ik me af, ik in haar ogen kunnen zien dat zij al tientallen jaren over de Waal uitkijkt? Als dat zo was, dan zou… en toen dacht ik dus aan Japi, die uren naar het stromende water ervan kon kijken. Maar mijn nicht heeft haar leven ook gedeeld met paarden, we zijn er nog even naar toegelopen. Ze wonen op een stuk grond vlak bij het huis van de nicht en haar man. Ook zonder bestudering van de tien paardenogen die ik er zag, was zonder meer duidelijk dat niets in de blik van mijn nicht ook maar zweemde naar iets dat aan paarden doet denken. Ik hield deze stille overwegingen voor me, ze speelden door een daarvoor speciaal ontwikkelde hersenkwab die zelfstandig functioneert. Misschien herkennen sommige familieleden dat en ook zij zullen er in dat geval niet over praten.
We waren erg bij elkaar betrokken, luisterden goed naar elkaar, lieten ons het eten goed smaken, al ben ik vergeten te zeggen hoe heerlijk ik de omelet vond die de nicht voor ons maakte. Die nalatigheid komt waarschijnlijk op het conto van de opa, die de nicht en ik delen. Dat spijt me.
Intussen was die bijzondere hersenkwab volop actief; die bleef zich verdiepen in de oogpartij van de nicht tegenover me. Haar moeder heb ik veel bezocht, tot haar dood anderhalf jaar geleden. De mond heeft de nicht van haar vader. Vroeger gold dat ook voor haar ogen, maar dat is dus veranderd. Achter haar bril kan ik nu moeiteloos de ogen van haar moeder schuiven. Dat wordt bevestigd als de nicht in de kamer even naast een foto van haar moeder staat, niet om ons op die foto te wijzen: er staat er ook eentje met daarop een paar kleinkinderen.
Ik ben wel vaker onder de indruk van de hybride manier waarop we zijn samengesteld uit stukjes voorgeslacht. Nu weer. Ook al omdat de ogen van haar moeder niet lijken op de ogen van diezelfde moeder veertig jaar eerder. Ik kan dat goed zien omdat er boven mijn bureau een groepsfoto hangt waarop mensen me dag in dag uit, voor een aanzienlijk deel dood, vrolijk lachend aankijken, ook de moeder van de nicht, maar toen had ze nog andere ogen. Alsof niet de dochter op haar moeder is gaan lijken, maar omgekeerd.
Ook zij observeert mij, merk ik, want plotseling heb ik van… en dan noemt ze haar ene broer. Een half uur later heb ik weer wat van de andere.
In haar woorden herken ik wendingen, aarzelingen, formuleringen, ook al zo vertrouwd. Als ik niet oppas, neemt die zelfstandige opererende hersenkwab stiekem wel de rest in beslag en ga ik straks naar huis met het beeld van een gefragmenteerde nicht. Dat zal me toch niet gebeuren. Vandaar dat we na de lunch onze aandacht richten op de kouwe neef. Een leuke vent die weliswaar zegt dat hij de nodige trekken van zijn vader heeft, maar dat kan ik niet controleren.

13 september 2020

Pyramus en Thisbe

 

Ik kijk wat langer naar een pentekening die Rembrandt maakte van Pyramus en Thisbe, een van de tekeningen. In het verhaal van de twee is er een moerbeiboom. Daarvan verkleuren de vruchten, van wit naar rood, en dat vanwege de dood van Pyramus, zo vertelt Ovidius in zijn Metamorfosen. Bij Rembrandt kom je die boom niet tegen. Hij laat alles weg wat in het verhaal een rol speelt. Er zijn geen huizen waarin de twee als buurjongen en –meisje woonden; er is geen spleet waardoor ze toch contact hebben met elkaar; de leeuw ontbreekt en dus ook die boom. Misschien, misschien is met een paar simpele lijnen die onder Pyramus vandaan lopen een deel van het zwaard zichtbaar gemaakt waarmee Pyramus zich van het leven beroofde; ik denk toch van niet. Rembrandt heeft het hele verhaal weggesaneerd. Alleen de naam van de tekening vertelt waar we naar kijken. Als we dat al kunnen zeggen.

We zien in een voorzichtige diagonaal, iets onder het horizontale midden Pyramus op de grond liggen, niet plat, want zijn rug en hoofd hellen een beetje. Ligt hij half op een grote kei, helt de grond daar? En als dat zo is, zou dat dan kunnen betekenen dat hij half op een graf ligt? Op een kerkhof hadden hij en zijn Thisbe met elkaar afgesproken en daar ook doodt hij zichzelf. Hij ligt er al met al nogal bevallig bij. Je zou kunnen denken dat hij slaapt en al heet de tekening ook ‘Thisbe beweent Pyramus’, aan Thisbe, half zittend naast hem, is weer niet te zien dat ze treurt om haar dierbare dode.

In het dikke boek met tekeningen en etsen van Rembrandt is de tekening ondergebracht in de afdeling ‘Voorstellingen’, maar het lijkt me meer een figuurstudie. En toch niet.
De gezichten van de twee en ook hun houding drukken niet veel emotie uit. Maar de manier waarop Thisbe half overeind over Pyramus gebogen ligt, zijn onderarm vasthoudt en met haar blik diens gezicht fixeert, spreekt boekdelen. Het zijn geliefden. En wat er aan de hand is, is de emotie voorbij of gaat aan de emotie vooraf. Het is ongelofelijk wat die Rembrandt doet.

Bij de afbeelding lees ik ‘Pen in bruin, latere toevoeging met penseel in rood. Een penseel kom ik hier en daar nog wel tegen; dat rood niet. Verkleuring? Zou er dan met rode inkt toch iets meer verhaal in de tekening geslopen zijn? Ligt daar links van het hoofd van Pyramus de bebloede sluier van Thisbe die Pyramus op het idee bracht dat zijn geliefde was aangevallen en verslonden door een leeuw? Is dat een plasje bloed waarin Pyramus ligt? Hebben de jaren na 1652 het rood van het bloed opgezogen?
Ik mis die rode kleur niet. Ik heb genoeg aan de verstilling waarachter zich, achter een papierdun scherm een storm van emoties verbergt.

Het verhaal van Pyramus en Thisbe, vond zijn opvolger in dat van Romeo en Julia en nog weer later in de liefde tussen Tony en Maria in de Westside Story.
Ik moet ineens denken aan de graftombe die Anna van Ewsum liet maken na de dood van haar man Carel Hieronymus von Inn- und Kniphausen. Rombout Verhulst maakte dat monument in 1664, twaalf jaar nadat Rembrandt zijn tekening maakte. Voor dat monument moet je naar het Groningse Midwolde, maar de maker ervan woonde in Amsterdam. Zou Verhulst deze tekening indertijd gezien hebben?

* Ik kijk graag naar tekeningen van Rembrandt. Af en toe maak ik een kijkverslagje.

12 september 2020

Straatfeest

Het straatfeest gonst nog na. Voor de kinderen was er het springkussen, maar ook de sjoelbak die we van zolder hadden gehaald vond bijzonder veel aftrek, ook bij kinderen die op een oude groentekist moesten worden gehesen om erbij te kunnen. Sommige kleintjes wilden de stenen laten rollen en wij hadden de neiging om dat maar zo te laten, maar oudere broers en zussen waren onverbiddelijk: je schuift de stenen en dat doe je met kracht. Twee meisjes wensten de strijd alleen samen aan te gaan dus, schoven ze tegelijkertijd een schijf onder het balkje door. Hun stenen kwamen meestal niet halverwege de bak. Ik was me ervan bewust dat Mente en ik bezig waren een belangrijk folkloristisch gebruik door te geven. Rond 1600 bestond het sjoelen al in de Nederlanden, het zou een variant zijn van een oorspronkelijk Engels spel. Maar het eerste telt: het sjoelen in de vorm zoals wij dat kennen, is Nederlands. Je begrijpt hoezeer het ons met trots vervulde om op deze bescheiden wijze een komende generatie kennis te laten maken een van onze tradities. Misschien geldt dat ook wel voor de zoete spekkies die ieder kind na een speelbeurt kreeg. Zal wel weer afgeleid zijn van Engelse marshmallow. Maar de roze-gele geruite variant is toch wel heel Nederlands. Kortom: veel cultuuroverdracht op het straatfeest.

Niemand haalde honderd punten, de twee meisjes kwamen één keer op drie punten, met twee stenen, dat wel; een andere keer leverde een serie van drie beurten nul punten op. Het kan overigens zijn dat de volwassenen die daarna nog wat sjoelden meer hebben gescoord. Dat weet ik niet, want toen moest ik mijn post verlaten om me te goed te doen aan de vervaardiging van pizza.
Internationaal was het straatfeest dus ook al.
Bij de kinderen was het springkussen het meest favoriet.
De meeste kleintjes waren al opgeborgen toen mijn vriend de schoolmeester langs liep. Toen waren ook de pizza’s al op. Hij schudde het hoofd over wat hij Grapperhause toestanden noemde. Ik vond dat we ons tamelijk keurig gedroegen. We raakten elkaar niet aan en hielden wel afstand, maar die was inderdaad minder dan anderhalve meter.

Meestal krijgt ons deel van de straat nog een gemeentelijke subsidie. Dit jaar niet. Misschien heeft dat wel te maken met de onmogelijkheid om bij samenscholingen als deze de één meter vijftig vol te houden. Toen de schoolmeester doorliep, schudde hij weer met zijn hoofd. Even dacht ik dat hij voor straf mijn vriend niet meer wilde zijn.
Dat zal zo’n vaart niet lopen, maar ineens was de lol om hier nog langer samen te scholen eraf. We hebben allemaal keurig ons best gedaan, maar de schoolmeester had een punt.
Niet veel later zaten we weer binnen. Benieuwd wat het straatfeest van 2021 ons brengen zal.

11 september 2020

Nein,nein!

Het laat zich niet met elkaar vergelijken, maar we doen het toch.
Een van de schoonheden van het schoolleven vond ik de cyclische opbouw ervan. Aan het eind van het schooljaar werden vrijwel alle draden afgehecht zodat we rond 1 september weer konden beginnen alsof alles nieuw was. Hetzelfde lokaal, maar andere leerlingen waren nu de brugklassers en bekende leerlingen zaten in een andere klas. Niet alleen de lengte van de zomervakantie is aantrekkelijk voor mensen die voor de klas staan, ook dat cyclische verloop dat ergens in juli ophoudt om na een vijf-, zes- of zevental weken pas weer op gang te komen.

Veertien dagen geleden bezocht ik het Spoorwegmuseum met Lukas. Dat deden we voor de honderdste keer. Ik rond de boel maar even af. Voordat ik bijna wekelijks wel even met hem naar de Maliebaan ging, deed ik dat met zijn neefje Klaas en voor die tijd met Liesje. Gisteren ging ik er voor het eerst naartoe met Markus. Liesje kon de eerste keer maar niet genoeg krijgen van een trap met gaatjes, Lukas verslingerde zich onmiddellijk aan de speelgoedtafel en Klaas rende graag een bepaalde helling af. Waar zou Markus voor vallen?

We werden hartelijk ontvangen door de oud-leerling; misschien bracht zij me wel op die vergelijking met school.
Markus kan heel erg schateren en enthousiast reageren als er een motor voorbijkomt of wanneer hij een poes ziet. Dat zijn toppunten in zijn bestaan.
Het heeft er alle schijn van dat daar nu ook het treintje bij hoort dat vlak voorbij de kaartjesverkoop achter glas zijn saaie rondjes rijdt terwijl hij twee wagons meevoert. Om hem te laten rijden moet je wel op een grote knop drukken. Het treinbaantje bevindt zich op peuterhoogte, achter glas.
Markus begint enthousiast te roepen als ik op de knop druk en de trein begint te rijden. ‘Nein, nein!’
Wanneer die weer stopt, duwt hij met zijn handje op de knop, maar die kan zo kindvriendelijk niet wezen of er moet wat meer druk worden uitgeoefend om het treintje in beweging te krijgen. Dus duw ik mee.
Ik laat het Markus nog een keer met twee handjes proberen, behalve het enthousiaste ‘Nein, nein’ dat door de voormalige stationshal davert alsof hij zingt, klinkt nu eerst ‘Opa, hand, opa hand.’ Ik moet met mijn hand op de zijne drukken. Dan gaat het goed. Het is iedere keer weer een volstrekte verrassing voor hem dat de trein inderdaad gaat rijden als je maar hard genoeg gedrukt hebt.

Er komen andere ouders of grootouders langs met kinderen die ook wel op de knop willen drukken. En dat gebeurt. Markus maakt daar geen punt van. Wel roept hij enthousiast ‘Nein, nein’ en daarbij wijst hij naar de trein die zich in beweging zet. Hij zou het jammer vinden als die andere kinderen dat zou ontgaan. Na een of twee keer hebben die het wel gehad en dan heeft Markus weer eventjes het rijk alleen.

Om hem toch nog het idee te geven dat het Spoorwegmuseum meer te bieden heeft, drentelen we nog wat rond. Hij moet niet gaan denken dat je het met dat ene treintje wel gehad hebt hier.
Voorlopig heeft hij nog niet genoeg van het sneue treintje, maar mocht dat wel zo zijn, dan moet daarmee niet meteen het hele museum een gepasseerd station voor hem worden. Er liggen hem hier nog veel voetstappen te wachten, wat mij betreft.
We lopen verder, al kost het hem moeite om zich los te rukken van het treintje en de knop. Maar die grote treinen zijn ook wel erg indrukwekkend.

10 september 2020

Dit stukje stond deze week als column in PUP, het blad van de protestantse kerk van Utrecht. Dat had deze maand als thema Licht en Donker.

Door het duister naar het licht

Na wat gehobbel en gedraai mochten we onze blinddoeken afdoen en uitstappen. Ik was een van de twee die in de achterbak waren gestopt. We voegden ons bij de andere vijf. De auto reed weg over het bospad. Het was donker. Niemand had een zaklamp bij zich. Je deed mee aan een dropping of je deed het niet.
Buiten het bos wisselde de lucht van zwart naar antraciet. Een doodenkele keer zagen we een verlicht venster in de verte. Daar moesten we ons niet op oriënteren, vond Stephan, met zijn twintig jaar de onbetwiste leider van ons groepje. Na hem kwamen de meiden, tussen de dertien en zeventien, en dan ik, elf.
Huizen, leerde Stephan ons, hielden je net als wegen af van de kortste route. Zo zouden we het nooit winnen. Hij nam ons weer mee het bos in. Links, rechts, noord, zuid, Stephan had er blijkbaar geen moeite mee. De rest wel en het viel ook niet mee om hem te volgen, want vaak zagen we hem niet. ‘Hierheen, hierheen,’ en dan bewogen we de kant op waar het geluid vandaan kwam.
Ik twijfelde aan Stephans speurcapaciteiten, maar er was niemand anders om zijn rol over te nemen. Het struikelen over takken of onverwachte kuilen vond ik wel leuk en de nervositeit van Diny beviel me uitstekend. Vooral toen zij nodig moest plassen, niet bij de groep weg durfde en daarom Stephans schoen nat pieste.
Winnen zouden we niet, begrepen we na verloop van tijd, het was alleen nog zaak om bij de kantine van het vakantiepark terug te komen. Dat lukte. Misschien wel omdat er een ster viel die nacht.
‘Dan mag je een wens doen,’ had iemand gezegd.
‘Ik wil naar huis,’ riep Diny toen.
‘Als je hardop zegt wat je wilt, dan doet je wens het niet’. Toch kwamen we bij de kantine. De lichten waren uit, de deuren op slot.
Niet in ons zomerhuisje. Daar zaten de thuisblijvers om ons uit te lachen. Er was ook soep.
Tomatensoep was het. Dat rook je; je kon het ook zien, onder de lamp.

09 september 2020

De purperreiger

Of ik veel vogels had gezien tijdens mijn Groningse wandeltocht vorige week, wilde de ontwerper weten. Hij veronderstelde dat er heel wat gevleugeld trekwerk plaats zou vinden daar.
Zijn vraag verraste me. Gisteren had ik me er op de fiets over verbaasd dat ik zo weinig vogels hoorde of zag. Door de vraag van de ontwerper realiseerde ik me dat ik inderdaad helemaal niet zoveel vogels had gezien, daar in het noorden. Mijn zwager blijkbaar ook niet; had hij niet zo vaak voor me uit gelopen, met zijn hoge, stapvertragende vogelgevoeligheid.

Ik heb zojuist weer een rondje gefietst: Noorderpark, onder Westbroek langs, Maarsseveense Plassen, doorsteken naar Oud-Zuilen en langs de Vecht weer terug. Ja? Een zeer gebruikelijk rondje, al fiets ik meestal in omgekeerde richting. De oogst? Ik heb geen enkel klein vogeltje gezien. Geen mus, geen zwaluw, geen meesje of vink of andere pieper. De lucht bleef leeg.
Goed luisteren, hield ik mezelf voor en inderdaad hoorde ik uit struiken op afstand wel eens wat gepiep, maar nogmaals: ik zag ze niet. Eenden waren er wel, en meerkoeten. Zwanen en ganzen.Allemaal grond- en waterwerk. Ik telde één keer acht en één keer twaalf ooievaars. Zag in de verte een reiger, kon niet zien of het een blauwe of een purperreiger was en besloot daarom maar een purperreiger gezien te hebben. Blauwe zie je al zo vaak. Ook vandaag nog een stuk of acht. Er werd bijzonder weinig gevlogen. Ook niet door vliegtuigen en de lage wolken maakten het onmogelijk om hun eventuele sporen in de lucht te zien. Horen deed ik ze evenmin.
De koolwitjes hoorde ik ook niet, maar die zag ik wel. Nu zijn dat, net als vliegtuigen geen vogels, maar die fladderden lustig rond. Ik moet er al minstens tien gezien hebben voordat ik besloot om ze te gaan tellen. Ik begon bij tien en kwam op 43. Vreemd genoeg hielden ze bij Oud-Zuilen op te bestaan. Langs de Vecht zag ik ze niet en ook niet op het laatste stukje langs Overvecht. Tegenover die koolwitjes telde ik maar een andere vlinder, dat zal wel een atalanta geweest zijn.
Ook telde ik nog veertig pompoenen in een kraam, groot en klein. Ik klapte nog even in mijn handen; ze vlogen niet weg. Een paard iets verderop probeerde dat tenminste nog. Het galoppeerde als een aspirant-Pegasus langs de bomen van een boomgaard, maar ik bleef horen hoe zijn hoeven telkens weer de grond raakten. Het was ook geen grote boomgaard; mogelijk was daarom zijn startbaan te kort.
De ganzen die ik onderweg zag, zitten er het hele jaar. Er zat geen enkele nijlgans tussen, alleen witte en grauwe. Even boven Oud-Zuilen, bedacht ik nu pas, had je vroeger veel reigernesten. Op gezette tijden gaf het daar een kabaal van jewelste, zag je overal reigerschijt en het kon er stinken. Misschien zitten ze er al twintig jaar niet meer. Ik weet het niet.
Weinig meeuwen ook, alleen bij de ooievaars, de zwanen en de ganzen op de weilanden langs de vecht. Daar ook wat kraaien en kauwtjes. Vlakbij bij huis zaten nog een paar kraaien. Eentje had een stuk walnoot in zijn snavel. Hij was er blij mee, dat zag ik meteen. Het zou zomaar kunnen dat hij die uit mijn tuin heeft gejat. Dat mag. Dat zou ik hem niet kwalijk nemen.

Ik denk eerlijk gezegd dat het helemaal geen purperreiger was die ik in de verte heb gezien. Maar stel je eens voor dat het wél zo was.

O ja, nog een aalscholver. Eentje.

08 september 2020

Met en zonder draad

Wij worden geleefd en dat met de illusie zelf te leven.
Ik doe doorgaans mijn uiterste best om zware en grote woorden en diepe gedachten te vermijden, maar dit moest er toch even uit.

Heb ik het al eens gehad over dat verschrikkelijke moment dat ik mee moest maken in een lokaal Engels op de Populier in Den Haag? Zeventien was ik, dus schrijven we 1969. Op een of andere manier ging het verhaal met mijn buurman over computers. Toen meneer Westerhuis de les was begonnen, sloeg blinde paniek toe, want ooit, besefte ik, zou de wereld geregeerd worden door computers. Wij zouden onszelf laten aansluiten op allerlei grote machines waardoor we allemaal over dezelfde dingen zouden praten, dezelfde angsten zouden hebben, dezelfde beelden voor ogen zouden krijgen. Achter de apparaten zouden grote mannen zitten, mannen van macht. Maar ook mannen die zelf aangesloten waren op die apparaten, die geloofden in hun macht en er gelukkig mee waren, maar die even zo goed in hetzelfde universum leefden als de slachtoffers van deze apparatenterreur.
Intussen weet ik dat die apparaten helemaal niet zo groot meer hoeven te zijn als ik toen dacht. Een mobieltje is groot genoeg.

Daar begon mijn afkeer van televisie en ook van film, technische middelen zonder vlees en bloed, die eropuit waren volksstammen mensen simultaan dezelfde gevoelens en gedachten op te leggen.
Volgens mij ben ik nog opgestaan in dat lokaal, om uit het raam te kijken. Zeker weten doe ik het niet, want ik herinner me absoluut niet dat meneer Westerhuis me tot de orde riep.

Wel weet ik dat ik eenmaal thuis zelfs een beetje moeite had om op mijn kamer de radio aan te zetten en kon ik wel een plaat draaien van een afwezige Bob Dylan? Toen ik ’s avonds de hond uitliet, werd ik nog droeviger dan anders van de mensen die achter hun ramen aan de tv gekluisterd zaten. Gekluisterd was daarvoor trouwens het goede woord.

Toen ik zojuist de computer aanzette, verscheen het pictogram van een wolkje. Als je daarop klikt, krijg je de mededeling dat One Drive helemaal up-to-date is en dat je zo bij je persoonlijke kluis kunt om je gegevens veilig te bewaren. Zo duikt soms I-cloud op. Maar ik maak meer gebruik van Google Drive, want dat vinden andere mensen handiger en dus doe ik maar mee. Toch voel ik weer hoe ik langzaam maar zeker verstrikt raak in een zogenaamd mensvriendelijk maar in essentie juist onmenselijk web van techniek. Een stap naar de sociale media waaraan wij kleven, is gauw gemaakt. Ik zou daar ook mee moeten stoppen, met dat Facebook, dat getwitter en meer. Gisteren heb ik plotseling een teamvergadering voor een groep aangemaakt, een gevalletje Microsoft. Maar dat heb ik helemaal niet gedaan! En Marianne nodigde mij en anderen eergisteren ook al uit voor een Teamvergadering; ook zij wist van niets.

Opstaan en verder leven zonder stekkers, glasvezel en G3, 4, 5, 6, 7. Heerlijk lijkt het me. Maar ik doe het niet.
Ik lees dat Lewis Hamilton eigenaar is van een team dat de autosport een klimaatvriendelijke wending wil geven door in een elektrische raceklasse te gaan rijden, in door de natuur aangetaste gebieden. Zelf blijft hij in de onmatig vervuilende Formule-1-bak rijden. Zijn ambities en verplichtingen bij Mercedes maken dat noodzakelijk, zegt hij. Daarom zit hij achter een stuur zoals ik achter een toetsenbord of met mijn vingers op het scherm van een mobieltje.

06 september 2020

B A B C B C B

Op zaterdag rijdt er geen bus door ’t Zandt. Dat betekende dat we het openbaar vervoer maar lieten voor wat het was om met auto en fiets begin- en eindpunten van onze wandeling te bereiken. We zouden lopen van A naar B naar C. C is het al genoemde ’t Zandt.
Vrijdag reden we naar Uithuizen en daar lieten we de auto staan om naar Warffum te fietsen, van B naar A. Daar kon na een lunchvervangend groot stuk huisgemaakt appelgebak de wandeling beginnen waarom het allemaal begonnen was. We hadden net zo goed de trein kunnen nemen van Uithuizen naar Warffum, maar dat bedacht ik pas toen die ons passeerde terwijl wij al op de fiets zaten. Nu is fietsen geen straf en zonder fietstocht zou het appelgebak iets minder lekker gesmaakt hebben.

De volgende dag, de zaterdag dus die ons een reis met trein en bus door de neus boorde, reden we met de auto van B naar C, fietsen achterop. Dat wil zeggen: fietsen achterop tot C, want vandaar gebruikten we die om weer terug te komen in B. Ook daar wachtte ons koffie en gebak, een vruchtengevalletje. Het grote appelgebak van A zou ons ondanks het fietstochtje te zwaar gevallen zijn. We hadden eerder in B al uitgebreid ontbeten bij een ‘Vriendin op de Fiets’.
Aat merkte op dat hij nog nooit in Uithuizen was geweest en dat dit nu plotseling al de derde keer was, dat hij er kwam. Ik win het van hem, want ik ben er in de jaren tachtig twee keer doorheen gefietst. Twee keer, omdat ik toen de oude Jacobuskerk graag van binnen had gezien. Dat is me toen niet gelukt en ook nu ging dat feest niet door, dus ik zet een zesde bezoek aan Uithuizen alvast in mijn agenda.
De wandeling voerde op afstand langs Uithuizermeeden. De hoog opgespoten slagroompunt van de toren van de Mariakerk is sowieso een blikvanger, maar verzorgde nu samen met de zon en een zeer gevarieerde en beweeglijke wolkenlucht, of wolkenvlucht, een lichtshow.
Die zagen we dus vier keer: eerst vanuit de auto, toen vanaf de fiets, daarna tijdens de wandeling en toen we met de auto terug reden van C naar B om de fietsen op te halen, ging dat spel onverdroten door. Die kwetsbare bovenbouw, de Meistertoren, van drie, nee, vier gestapelde lantaarntjes staat daar al driehonderd jaar te balanceren. Hij is 48,5 meter hoog. Het is een wonder, en dat in dit kwetsbare gebied van Noord-Groningen. Alsof de toren een lange neus maakt tegen de aardschokken. Ook de kerk in Uithuizermeeden ken ik alleen maar met de deur op slot. Moet dus ook weer op het lijstje.
Dat geldt niet voor Oldenzijl en ’t Zandt. Oldenzijl passeerden we op afstand, maar met goed zicht op het romanogotische kerkje dat aan de heilige Nicolaas werd gewijd. Het ronde koortje is intussen achthonderd jaar oud, maar ziet er doordat het zo klein is, maar vooral omdat het sierlijk is gemetseld, nog jong uit. Achthonderd jaar jong. En dat dankzij de rondboogjes, de colonnetten en de vriendelijke raampjes. Ook hier doet de zon mee. Al krijgen we even verderop een stortbui over ons heen waarvan de adem stokt, maar als ik mijn regenjas eindelijk aan heb, kan die meteen weer uit.
En zo bereiken we C, waar je ook al zo’n vrolijk stemmende Mariakerk aantreft. Met losse toren. Maar wat een vrolijk metselwerk. En moet je binnen die schilderingen eens zien! Toch maar weer op mijn lijstje. Doe Oldenzijl dan ook maar.

02 september 2020

Boterberg

Het hoofd van Grapperhaus lijkt er geen moeite mee te hebben als er een pak boter op gelegd wordt. Het zal wel blijven liggen en als hij er toch mee in de zon gaat lopen, dan wordt in ieder geval zijn haar niet vies. Hoe het met de rest gaat, weet ik niet, daarover wordt op dit moment gedebatteerd in de Tweede Kamer. Ik vind de heer Grapperhaus een stommeling, dat hij in coronatijd een huwelijk doorzet (ik ken verschillende stellen die dat voorlopig een jaar hebben uitgesteld) en dat hij zich niet aan de coronaregels houdt en dat juist hij dat doet als man die er als eerste verantwoordelijk voor is dat mensen zich aan die kille voorschriften houden. Over die voorschriften valt te twisten, ikzelf vind ze kil, koud en onmenselijk, maar ik ben onvoldoende in de materie ingevoerd om te zeggen dat ze er niet zouden moeten zijn. Ik vind de heer Grapperhaus vooral een grote stommeling omdat hij beschikt over verstand, gezag en heeft laten zien dat hij heel wat in zijn mars heeft als minister.

Vanmorgen zag ik in de krant de strip van Pieter Geenen, waarin mensen zich ter verontschuldiging van hun eigen gedrag met een grote mond verschuilen achter de minister (en een koninklijk paar in Griekenland). De strip brengt je in drie stappen naar het punt dat iedereen kan doen en laten wat hij of zij wil omdat er altijd wel een voorbeeldig fenomeen is om mee aan de haal te gaan. Dat zijn de mensen met boter op hun hoofd en stront in hun ogen en gebrek aan fatsoen. Voor die mensen ben ik zelfs een beetje bang, ze behoren tot de horde die toeslaat en de eigen verantwoordelijkheid aan de kant zet zodra zich een mogelijk excuus voordoet. Of dat nu de stommiteit van een minister is, licht dat uitvalt of een moment waarop iedereen toevallig de andere kant uit kijkt.

De derde boterberg kom ik tegen in Den Haag. Natuurlijk laten de regering haar collega-minister niet vallen, zolang de goegemeente, met enig gemor weliswaar, aangeeft dat de heer Grapperhaus toch maar het beste kan blijven omdat hij ondanks dat geblunder nu eenmaal de beste is. Maar ze laten hem wel vallen als de goegemeente wel zin heeft in het bloed van een minister, wat nu eenmaal een trekje is van de goegemeente, want de goegemeente, waar trouwens ook weer partijen voor zijn, of waar partijen om politieke (= allesbehalve belangeloze) redenen gevoelig voor zijn, ik zei: want de goegemeente houdt wel van het bloed van hooggeplaatsten. Partijen maken ongetwijfeld gebruik van de situatie om de eerder genomen maatregelen alsnog onderuit te kunnen halen. Ook een geval van onzuivere boterhandel. Of ze zijn nu om praktische, lees weer: politieke (= nog steeds verre van belangeloze) redenen voor handhaving van de heer Grapperhaus als minister en zeggen dat het fout is, maar we ook de menselijke kant van de zaak moeten bezien. Zoiets.

Er is een liedje van Johnny Jordaan, ik weet niet of Grapperhaus het kent, maar dat zou zomaar kunnen. Het dat begint zo:

Was ik maar nooit getrouwd,
dan had het me nooit berouwd.


Het schiet me spontaan te binnen en ik grijp van schrik naar mijn hoofd. Wat voelen mijn haren raar! Zo klef, zo vet. Verbijsterd kijk ik naar mijn vingers. Hoe is het mogelijk! Ik heb ze vanmorgen nog gewassen. Die vingers, maar ook dat haar.

01 september 2020

Lotnummer 2228

Toch maar weer over mijn zakhorloge. Ik vertelde ooit dat ik het draag om mijzelf eraan te herinneren, maar ook om uit te dragen dat tijd een kostbaar goed is. Vandaar dat ik graag de moeite neem om het horloge uit mijn zak op te diepen, met een knopje het klepje open de laten springen om dan pas te zien hoe laat het is. Het horloge is twaalf jaar oud en loopt op een batterijtje. Dat is nog steeds zo: het ligt hier voor me en geeft de juiste tijd aan. Sinds een week heb ik het niet meer op zak, met een ketting aan een lus van mijn broek. Ik had het er niet over willen hebben, maar gisteravond ‘bladerde’ ik wat door de catalogus van een kunst- en inboedelveiling die er aan staat te komen en daar trof ik een lot aan, zoals dat heet, dat bestond uit een doosje vol zakhorloges. Het zullen er al gauw een stuk of veertig zijn geweest. Er zaten ook losse onderdelen tussen. Verwachte opbrengst: 500 euro.

Dat zou dus zomaar het lot van mijn horloge kunnen zijn, verzeild te raken in een zee van tijd waarvan de golven verstarren zodat alles in het doosje uiteindelijk stilstaat. Op mijn bureau ligt nog een ander zakhorloge. Het is een dikke knol en het is opgeborgen in het rode doosje waarin het ooit werd aangeschaft. Dat zou makkelijk honderd jaar geleden kunnen zijn. Ik kreeg het van mijn zwager, omdat ik meer om dat soort oude spullen geef dan hij. Het was het horloge geweest van de grootvader naar wie hij vernoemd was. Ik krijg het horloge niet aan de praat.
Vreemd genoeg, heb ik nóg een zakhorloge, ook dat doet het niet en ook dat zou afkomstig zijn van diezelfde grootvader, Pieter de Zeeuw. En om het nog bonter te maken: Mente heeft ook nog ergens een zakhorloge liggen, ook toegeschreven aan diezelfde opa. Ik vermoed dat we de eigenaars ervan vergeten zijn.
Het is een veeg teken dat alle gestokte tijd aan ons wordt toevertrouwd als iets dat ooit werd gekoesterd, maar inmiddels nauwelijks meer waarde heeft. Ik zou eens met die horloges naar een reparateur kunnen gaan, maar wat win ik erbij als ik die horloges aan de praat krijg?

Ik vraag het me af omdat het horloge dat ik de afgelopen jaren telkens bij me droeg nu heb afgedaan met het idee dat het maar beter is om het niet meer te dragen, ook al loopt dit uurwerkje in tegenstelling tot die andere uurwerkjes nog prima. Er is alleen iets anders aan de hand. Het slotje waarmee je het dekseltje (we ontkomen bij dit horloge niet aan verkleinwoorden, excuses daarvoor) kon laten openspringen, reageerde al niet meer zo kwiek en de veer van het scharniertje liet het klepje al langer niet zo enthousiast openspringen, maar nu is het dekseltje losgescheurd.
Een paar dagen droeg ik het horloge zonder deksel maar het horlogeglas blijkt niet erg krasbestendig. Als ik het bij me draag, is het een kwestie van tijd (ja, ik zie het ook) en de tijd laat zich door het gehavende glas niet meer aflezen. Dekseltje monteren? Titanium, en dat met een slot dat al bedenkelijk begint te worden en een veer die zijn naam steeds minder eer aan doet… Het lijkt me zinloos.
Ook niet iets om lang bij stil te staan (stilstaan, ik zie het). Wel jammer dat ik net nu in die digitale veilingcatalogus een foto van een doos vol zakhorloges tegenkom.

* Ook in OH 2019025 en OH 20200515 komt het horloge voor.

30 augustus 2020

Te Winsum

Het afgelopen jaar was ik een paar keer even in Winsum. Aat en ik gebruikten de plaats vooral als overstapplek om met de bus bij het punt te komen waarvandaan we onze wandeling door Groningen konden vervolgen, of omgekeerd: om vandaar weer thuis te geraken. Als het goed is, komen we er in de loop van de week weer langs, al blijven we dan wat langer in de trein zitten.
Winsum is de plaats van familieverhalen. Mente is er als kind niet heel vaak geweest, maar die keren dat ze er was, waren indrukwekkend genoeg om zich er de logeerpartijen bij haar overgrootvader te herinneren. Hindrik Heerema werd 98 en die leeftijd maakt je inderdaad onvergetelijk bij je nazaten. De band met Winsum was ook innig omdat Mentes moeder en grootmoeder, hoewel die in Den Bosch woonden, er soms langdurig hebben gebivakkeerd.
Wie Winsum (of Obergum, dat loopt behoorlijk door elkaar) zegt, zegt Heerema, zegt familie, zegt ons, leerde ik van mijn schoonfamilie. En dat betekent dat de nazaten van Hindrik opveren als ze horen dat Winsum is uitgeroepen tot mooiste dorp van Nederland. Hún Winsum.

Een jaar of dertig geleden, we waren net begonnen aan het Pieterpad, hebben Mente en ik er op een begraafplaats nog eens eindeloos langs graven gelopen, op zoek naar het graf van de in 1959 overleden Hindrik en zijn vrouw. We vonden het niet. Ook zijn we nog op zoek geweest naar het huis waar hij had gewoond. Later begrepen we dat we op de verkeerde begraafplaats hadden gelopen en ook dat het huis geruime tijd daarvoor al was afgebroken.

Twee jaar terug deden we een nieuwe poging door op de andere begraafplaats te gaan kijken. Onderweg liepen we nog een winkel binnen die er in de jaren vijftig ook al was geweest. Toen woonde daar een jongetje met wie Mentes broer speelde als hij in Winsum logeerde. In de winkel hing een foto van het jongetje, maar dan als man van in de zeventig. Hij was de vorige eigenaar van de winkel en hij was overleden.

Omdat ik me wat lamlendig voel vandaag kom ik niet veel verder dan lezen, bladeren, doezelen. En ik scharrel op mijn mobieltje wat rond in de Open Archieven. Op een of andere manier is Hindrik Heerema uit Winsum uitgegroeid tot een aartsvader; bovendien is er een stamboom van de familie. Daar ook, in dat pittoreske en onvergetelijke Winsum groeide dus ook zijn dochter op, maar waar kwamen haar man en diens familie vandaan? Ik kom ze tegen in geboorte- huwelijks- en overlijdensregisters. Klaas van der Laan kwam ook uit Winsum-Obergum. Net als zijn ouders en zijn grootouders, ook moeders kant, de familie Tel.
Generaties voorgeslacht van mijn kinderen hebben daar dus hun leven geleefd. Ze zijn er geboren, getogen en gestorven. En vergeten. Geen plek heeft er nog weet van de kinderen die er knikkerden, achter een hoepel aan renden, de koeien naar stal brachten, brood kochten en naar de kerk liepen. Niemand die het nog weet. Van de plek waar nu een Jumbo zit, weet een enkeling dat er in de jaren zeventig een cafetaria was, bij wijze van spreken. Daar houdt het mee op.
En mijn kinderen, wat zegt het mijn kinderen, dat er in het noorden van het land een plaats is waar hun voorgeslacht zich bijzonder thuis voelde. Het dubbele dorp, met zijn bijzondere kerken, dat gekke bruggetje, en al dat land eromheen, het water, het zat ze in het bloed.
De kinderen vergeten de plek; de plek vergeet zijn kinderen. Ik kan daar nogal slecht tegen.

29 augustus 2020

Gebit in vogelvlucht

De kroon die zich afgelopen maandag in een dropje verstopte, is weer terug op zijn plek en we hebben het weer goed samen. De tandarts heeft er alle vertrouwen in dat hij nu niet meer los zal raken. Ik vroeg haar gisteren of zij wel eens droomde van haar werk, van al die uit tandvlees en speeksel opdoemende spelonken en rotsformaties die zij moest uitlichten met een felle lamp terwijl ze al die ongerechtigheid ook nog eens uitvergrootte met dat kijkertje op haar veiligheidsbril.

De avond ervoor had ik een documentaire gezien waarin iemand onder andere in een zweefvliegtuig over de besneeuwde toppen van de bergketen vloog die over de hele lengte van het Nieuw-Zeelandse Zuidereiland loopt. Terwijl ik in de tandartsstoel lag, kwamen die beelden weer terug. Daar kwam bij dat ik de nacht daarvoor had gedroomd dat ik als schoolleider een team onder mijn hoede kreeg en merkte dat een aantal mensen naar me keek alsof ik hoognodig geconsumeerd moest worden. Met huid en haar. Hoewel ik sliep, werd ik erg alert in mijn droom.
Ook dat kwam weer terug in de tandartsstoel. Vandaar dat ik me begon af te vragen of de tandarts ook droomde van gebitten, van kraters waaruit een kies verdwijnt, van een vanwege een noodzakelijke wortelkanaalbehandeling in steigers geplaatste rotspartij of het spook van een onwillige tong die zich om de boor krulde. Ik heb nooit begrepen wat iemand er toe kon brengen om zijn of haar toekomst te zoeken in de tandheelkunde, ook al in de tijd dat ik er nog niet aan dacht dat iedereen regelmatig van zijn of haar werk droomt, dus een tandarts ook.
Het beeld van een tandarts die boven rotsformaties zweeft, stond me wel aan.

De tandarts droomde inderdaad wel van haar werk, vertelt ze, maar niet van moeizame of afzichtelijke gebitten die ik haar suggestief probeerde aan te smeren. Wel droomde ze regelmatig van het moment waarop ze met een moeilijke ingreep moest beginnen. De voorbereidingen waren getroffen maar nu kwam het er even op aan. Dat moment, waarop je denkt: nu, nu moet het gebeuren. Ook dat herkende ik van de documentaire over Nieuw-Zeeland. Daarin besluit de presentator dat ook hij maar als een jonge vent van een klif af moet springen. Met een lang elastiek aan zijn been. Je ziet de spanning op zijn gezicht als hij de rand van de klif nadert. De instructeur roept dat hij nog dichter bij de rand moet gaan staan. Nee, nog dichter! De presentator doet het, met enorme tegenzin. Een paar keer krijgt hij te horen dat hij kan springen. Nu. Doe maar. Spring maar. En dan springt hij.
Naderhand vertelt hij dat dat het spannendste moment is van de sprong, het moment waarop je inderdaad springt. Dat duurt maar heel even. Al aan het begin van de sprong is dat voorbij. Domweg omdat je verder moet.
En zo springt blijkbaar ook mijn tandarts in mondholtes voor een moeilijke klus. Nu verder! Nu! Het lijkt mij allemaal niks. Dan maar liever weerbarstige mensen, denk ik.

De tandarts gaat verder.
‘Nog vervelender,’ zegt ze, ‘ is het om te dromen van lastige mensen. Van mensen die moeilijk gaan zitten doen bij de behandeling. Commentaar leveren. Eigenwijze mensen leveren de vervelende dromen.’
Dus toch, denk ik.

Volgende keer maar eens vragen wat in de behandelkamer van een tandarts de momenten van vreugde zijn. Zouden die er wel wezen?

27 augustus 2020

De tweede keer*

Na een uitgebreid bezoek aan het Spoorwegmuseum – ik vraag me af of er bezoekers zijn die daar zo vaak geweest zijn als ik de afgelopen zes jaar – had Lukas wel zin in een stukje fietsen. Het liefst in de speeltuin om de hoek. Daar was het rustig en je hebt er een prachtig circuit. Hij kreeg er geen genoeg van, maar zijn behendigheid op het fietsje nam met de minuut toe, al zitten de zijwieltjes er nog wel op. Remmen deed hij door met de punten van zijn schoen over de tegels te schrapen. Ik vertelde hem dat hij kon stoppen door achteruit te trappen. Herhaalde dat even later. Deed het voor door zijn enkels vast te houden en die vervolgens de andere kant op te draaien. Toen hij zei dat hij dat nu eenmaal niet kon, en dat op een toon waaruit berusting klonk, wist ik dat ik het er niet meer over moest hebben. Hij zou het waarschijnlijk nog eens proberen als ik me er verder niet mee bemoeide.
Vijf minuten later kwam hij op me af geracet. Hij remde en stond net op tijd stil.
Maar het alternatieve trapje dat hij moest nemen om ter onderbreking van het fietsen even de glijbaan af te kunnen, dat vond hij nog te moeilijk. Weer rommelde ik wat met enkels en polsen. Weer zei hij dat hij dat nu eenmaal niet kon en daarna zag ik nog twee keer hoe hij de glijbaan weer op klom om daarna weer te gaan racen. Hij was duidelijk bezig met een opmaat voor de toekomst.
Met tegenzin ging hij weer mee naar huis, maar hij sjeesde voor me uit de hoek om, onze straat in. Tot zover de toekomst.

Een eind verderop kwam uit de andere richting een meisje aangefietst. Ze slingerde op haar Cortina met voordrager. Ik herkende haar. Ze woonde tot een kleine twee jaar geleden een blok van ons vandaan. En woont nu twee kilometer verderop. Dat is niet veel, maar ik heb haar en de andere gezinsleden sindsdien niet meer gezien. Of nee: vorig jaar juli trof ik ze bij de uitvaart van hun buurvrouw.
Ik vermoed dat ze naar VWO 6 gaat nu. Ze volgde namelijk een wat langer durend traject. De school die ze bezoekt ligt aan de rand van onze wijk. Misschien moest ze daar vanmiddag zijn en wilde ze in deze nazomerse fase waarin het leven van veel mensen weer een herstart begint, in een vlaag van lichte melancholie even langs vroeger fietsen, langs het huis van haar meisjestijd en dat van haar lieve oude buurvrouw Annie. Stevig verbouwde huizen met een bakfiets voor peuters voor de deur.

‘Even langs vroeger?’ Ik zei het meer dan ik het vroeg. Ze glimlachte. Het leek erop dat ze blij was dat ze herkend werd door die man van een blokje verderop. ‘Langs het laantje van de herinnering.’ Ik zei het alsof die woorden voor mezelf bedoeld waren, terwijl ik verder liep en zij, nog steeds slingerend, de andere kant op fietste. ‘Ja, Memory Lane.’ Het klonk zelfs een beetje opgelucht. Ik zei niets meer, keek ook niet om, maar knikte wel. Ik moest haar maar even laten, met haar eigen herinneringen.

Bij de voordeur trof ik het fietsje aan. De Toekomst had het daar laten staan. Dat moet Opa maar naar binnen sjouwen, zal De Toekomst gedacht hebben.

* Dit is de tweede keer deze week dat iemand een sentimentele tocht door de straat maakt, zie Och Heden 20200825.

26 augustus 2020

Drop

Schrijven gaat me vandaag makkelijker af dan praten. Hoe langer ik ontkroond ben, hoe moeilijker me dat valt. Toen we afgelopen maandagmiddag uit de auto van de oudste stapten, kreeg ik nog een dropje. Het ging in dit geval om een Zeeuwse knoop. Oogst van een vakantie bij Veere. Ik mocht er een uit het potje halen dat me werd voorgehouden. Het beviel me dat ook in deze auto drop een vaste plek heeft gekregen en ik weet wel zeker dat dat in dit geval door Klaas komt. En die heeft dat van mij. Als hij bij mij in de auto zit, krijgt hij altijd een dropje en voordat hij weer uitstapt, heeft hij een tweede te pakken. Ik heb in de auto al jaren een bakje met dropjes bij de hand. Dat hoort bij het ritueel van het autorijden. Ook Lucas, de jongere neef van Klaas, rekent daar op en misschien kennen intussen ook zijn paps en mams de autodrop. Goed voorbeeld doet goed volgen.
Ik kauwde dus met dubbel plezier op de Zeeuwse knoop toen ik uitstapte, de auto nazwaaide en op iets hards beet.

Ik wist meteen wat er loos was. Het was me vier jaar geleden, minus een maand, ook overkomen. Toen ik bij Hoek van Holland van de boot af was, nam ik mijn eerste dropje. Anderhalf uur later zat ik bij de tandarts. Die maakte de boel ter plekke in orde en verbood me om ooit nog drop te eten. Aan dat verbod heb ik me niet gehouden. Erger: ik heb kleine kinderen ook op het slechte pad gebracht. Maar die hebben nog geen kronen die los kunnen komen.
We leven intussen niet alleen vier jaar maar ook een tandarts verder en het is weer gelukt. De nieuwe tandarts liet me een dag wachten en daarom kwam ik pas vanmorgen in die ongemakkelijke stoel terecht. Ik vroeg of zij nu ook ging zeggen dat ik geen drop meer mocht eten, maar deze tandarts is een generatie jonger dan de vorige. Misschien dat ze daarom geen antwoord gaf; mogelijk is een volgende generatie ook iets minder belerend. Wél zei ze dat de kroon, die ik eergisteren gelukkig uit de taaie zwarte brij wist te redden, gezandstraald moest worden om ervoor te zorgen dat die weer stevig in mijn mond kan worden teruggezet. Vervolgens heeft zij de ontkroonde kies te pakken genomen. Lijmresten verwijderen en zo, zodat ik vrijdag wat sneller met kroon en al de praktijk en dus ook die verschrikkelijke stoel weer uit kan.

Ik heb gisteren en vandaag niet in de auto gezeten, bang als ik ben dat ik bij het wegrijden automatisch een dropje in mijn mond stop en stevig ga zitten kauwen. Ondertussen is alle aangename vanzelfsprekendheid uit mijn leven verdwenen en dat allemaal vanwege een dropje, al was die Zeeuwse knoop wel bijna twee keer zo groot als het Friese dropje die ik in de auto heb.
Geen drop, geen auto rijden, maar ook weinig praten, want door dat voorbereidende werk van de tandarts zijn de randen van de gehavende kies wel wat scherper geworden en daar is mijn tong nogal gevoelig voor. Eten gaat nog wel, maar praten is geen lolletje. Dat merkte ik toen ik zojuist bij een bevriende tandarts op bezoek was. Ik heb hem niet verteld wat er aan de hand is. Stel je voor dat hij zou gaan zitten lachen. Dat zou me te pijnlijk wezen.

25 augustus 2020

Een glanzende gevel

Wat gebeurde er vanmiddag om een uur of half drie? Het lot dat Armeniërs trof die langs allerlei onaangename wegen in de Tweede Wereldoorlog verzeild waren geraakt, kon zo beroerd niet wezen - en het was beroerd, zo las ik in het boek op mijn schoot - of ik werd toch even afgeleid door de auto die voor het huis stil was blijven staan. Stationair draaiende motor, raampje opengedraaid en een vrouw die daar glimlachend doorheen keek. Ze praatte met iemand.
Ik las verder.

Ik keek weer op en zag tussen de lamellen door hoe zij nog steeds glimlachte en praatte. Maar met wie? Natuurlijk wilde ik discreet blijven, daarom deed ik niet de uiterste maar slechts een hele kleine moeite om daar achter te komen. Ik zag niets en ook hoorde ik niemand terugpraten. Het was een raadsel. Ik las verder.

Het drong tot me door dat ik die vrouw achter het stuur kende, maar wie… Toen ze langzaam, nog steeds breed glimlachend wegreed, wist ik het. Ik sprong demonstratief op om alsnog te zwaaien. Ze keek niet. Maar ik zag wel dat er een jongetje naast haar zat, eentje van een jaar of tien. Zo zat het dus. Zij had de hele tijd tegen dat jongetje zitten praten. Ze had verteld van het huis waar ze vroeger gewoond had. Een jaar of twintig geleden was ze vertrokken. Maar wat zag ze er goed uit, Marja. Veel slanker dan in de tijd dat zij naast ons woonde. Wel verbaasde het me dat ze geen enkele keer onze kant op keek. We hadden indertijd goed contact als buren. Dat bleef toen ze het huis uit ging. We deelden daarna nog lang de zorgen om haar ouders. Die zijn er niet meer.

Ik vertelde het toen Mente terug kwam. Op het moment dat ik vertelde dat Marja slanker was dan vroeger, dat ze zelfs wel veel jonger leek dan vroeger, begreep ik dat het Marja helemaal niet was geweest. Mente snapte dat onmiddellijk. In mijn geval werd andermaal duidelijk dat het beter is om over zoiets te praten.

Desondanks probeerde ik nog even om mijn eerste idee overeind te houden door het over Marja´s steile haar en haar pony te hebben, maar daardoor werd juist helemaal duidelijk hoe het zat. Marja had al heel lang een permanent, zei Mente. Dat was waar, ik was het vergeten. En Marja was nu in de zestig, inderdaad. En dat was de vrouw in die auto niet. Ook niet aan gedacht.
Tegelijkertijd wist ik dat mijn vergissing niet compleet was. De genen van onze buren van ooit zijn zo onmiskenbaar en die genen hadden ook achter het stuur van de bewuste Volkswagen Polo gezeten. Ik wist het zeker. Vooruit, dan was het niet Marja geweest, maar het kan niet anders of in die auto had een nichtje van haar gezeten, een kleindochter dus van buurman en buurvrouw Van der Beek. De gevel van het huis hiernaast had naar haar geglimlacht zoals zij naar die gevel glimlachte. Achter ieder raam verscheen een zoete herinnering die zich liet spiegelen in haar gezicht. Het waren herinneringen aan de tijd dat zij bij haar oma en opa logeerde, de tijd dat tante Marja daar nog woonde. Het waren zulke lieve mensen. En dat vertelde ze allemaal ook aan haar zoontje van tien en toen ze weer verder reed, kwamen er nog meer herinneringen boven.
Ik hoop maar dat dat jongetje naast haar goed heeft opgelet en niet alles vergeet wat zijn moeder hem vanmiddag vertelde.

24 augustus 2020

Panda

Omdat Liesje bij een vriendin logeerde, mocht haar vader in haar plaats mee naar de dierentuin. Weliswaar was ik een mooie actie op het spoor gekomen waarbij je met zijn allen voor de helft van de prijs naar binnen kon, maar die ging pas in op 1 september. Dat is begrijpelijk: het is een manier om iets te doen tegen de dan abrupt gestopte toelevering van vakantievierende scholieren, maar daar zit hem nou net de kneep. Wij wilden juist naar de dierentuin omdat het de laatste vakantieweek was.
De uitkomst is belachelijk, want nu trokken er drie volwassenen naar Rhenen, een jongetje dat over een maand pas twee wordt en inderdaad een jongen van zes, de enige voor wie het hele verhaal opgaat. Achteraf vraag ik me af waarom we niet dat andere kleine blikje kleinkinderen hebben opengetrokken. Maar als gezegd: dat is achteraf.
Ik heb heel braaf achter mijn camera aangelopen, hoewel de ervaring me heeft geleerd dat al dat gefotografeer niets oplevert. In Nieuw-Zeeland moest ik veel meer moeite doen een pinguin te fotograferen en eerlijk gezegd staat die van gisteren er veel beter op, maar in de gevangenschap van een dierentuin gefotografeerde dieren brengen een onaangename context met zich mee. Alsof het niet echt is. De leeuwen in Serengeti, waarvoor ik wel terug moet naar 1982, waren een sensatie. Nu richt ik mijn fototoestel wel even op de leeuwen, maar ik klik niet. De twee jongetjes in ons gezelschap fotografeer ik wel. Die zijn echt.
Zouden die beesten achter hun tralies, achter glas en diep uitgegraven greppels zich bewust zijn van hun onechtheid? Ach, het is het oude verhaal, maar ik word er toch altijd weer een beetje wee van, van die combinatie van bordjes, zuurstokken, kinderen in klimrekken en die daaromheen in afzonderlijke vakjes, in een onprettige, stuntelige, minuscule nepbiotoop gevatte dieren.

Het moest natuurlijk Ouwehand in Rhenen worden, want een panda had ik nog nooit in het echt gezien. Nu wel en ik kan je vertellen dat een panda er uit ziet als een panda, wit-zwart gevlekt. En wel zodanig dat je niet kunt zeggen dat het een zwarte beer is met witte vlekken, maar ook niet dat het precies omgekeerd is. Van de drie panda's zagen we er eentje in zijn binnenruimte. Van de kleine en de andere grote heb ik misschien op video een vlek gezien, ergens achter een strobaal. Hun verblijf in Rhenen gaat gepaard met allerlei afspraken en regelingen, voorwaarden, geld en bamboe.
Hoe langer je door een dierentuin loopt, hoe interessanter de musjes worden.
Maar goed, ook ik heb ooit een echte panda gezien. Die kan nu ook op mijn lijstje. Daar heb ik 68 jaar op moeten wachten.
'Ik ben zes en ik heb hem ook gezien,' zegt Klaas.
'Tommy moet nog twee worden.'
'Die heeft niet eens gekeken.'
Dat is waar. Gelukkig maar dat we voor Tommy niet hoefden te betalen.

23 augustus 2020

Tasje

Vanmorgen zat ik in de kerk recht achter Nel, gescheiden door een lege rij, de coronabuffer. Als ik Nel een rots in de branding noem dan doe ik haar recht, maar die uitdrukking zegt niets van haar postuur. Nel is slank, zeker niet groot, maar ook niet echt klein. Nels houding combineert bescheidenheid, trouw en vasthoudendheid. Dat is veel, maar je ziet het in een keer. En dat is weer heel knap.
Nel was diaken van dienst en dat betekent onder meer dat ze zich ontfermt over het gebedenboek, dat ze de collectes regelt, maar in onze kerk zorgt de diaken er ook voor dat ruim voordat de dienst begint de zeven kaarsen van de menora zijn aangestoken, teken van verbondenheid met Israël, of met het joodse volk, zo wordt er regelmatig bij verteld.
Na het orgelspel waarmee de viering begint, loopt de diaken naar voren, naar de grote menorakandelaar om met het licht daarvan een klein kaarsje aan te steken. De menora staat uiterst rechts in het liturgisch centrum. Vanaf die plek loopt de diaken naar de paaskaars. Met dat brandende kaarsje. Dat is iedere keer weer een precaire aangelegenheid. En of de kerk nu stampvol zit, of, zoals nu in deze anderhalvemetertijden, maar matig gevuld is, iedereen kijkt met ingehouden adem naar de reis die dat kleine vlammetje moet afleggen zonder te doven. Die paaskaars staat namelijk aan de andere kant van het liturgisch centrum. Voorzichtig, maar toch ook met een zekere behendigheid en meestal zonder beschermend de andere hand voor het vlammetje te houden, loopt de diaken van rechts naar links. En, het moet gezegd, vrijwel altijd gaat dat goed en komt de diaken met een brandend kaarsje bij de paaskaars. Dan zijn we er nog niet: om dat aan te krijgen, moet zij of hij, in dit geval een zij, want we hebben het vandaag over Nel, ook nog twee treetjes van de kansel op, want vanaf die hoogte pas kun je de paaskaars aansteken. En dan is het nog maar de vraag of de lont daarvan wel vlam wil vatten.
Vandaag heeft Nel dus dienst en het gaat allemaal goed. Halverwege vertraagt ze omdat het vlammetje wel heel klein wordt, maar helemaal stilstaan hoeft niet, want daar licht het vlammetje alweer op. Ze vervolgt haar weg.
Ook zij gebruikt haar andere hand niet om de vlam te beschermen. Ze maakt het spannend.
Nel loopt wel een beetje gebogen en daarmee vormt ze nog meer een eenheid met het kwetsbare licht dat zo meteen, als alles goed gaat, de kerk van Christus zal verbinden met haar joodse bron. Maar Nel doet nog iets en dat gebeurt op een zo subliem bescheiden wijze dat het makkelijk aan je aandacht kan ontsnappen. Ze draagt een schoudertasje. Dat laat ze met een band om haar rechterschouder afhangen tot iets voorbij haar rechterheup. Ze kiest dus niet voor de makkelijke diagonale variant, nee, het bandje van het tasje gaat verticaal omlaag. Aan de kant waarmee even later ook dat kaarsje over de volle breedte van het liturgisch centrum wordt gedragen. Er hoeft maar iets te gebeuren en het bandje glijdt van haar schouder en dan kan het niet anders of het gaat mis met het brandende kaarsje.
Dat gebeurt niet. Het duurt niet lang of de paaskaars brandt. Nel blaast het kleine kaarsje alsnog uit, legt het op een tafeltje en loopt, met dat tasje, rustig naar haar plek recht voor me.
Het liefst zou ik nog tien seconden mijn adem willen inhouden om daarna in luid gezang uit te barsten. Het is een adembenemend schouwspel.

22 augustus 2020

De schoonmaak

We worden tegelijk wakker. Kwart over zeven blijkt al half negen te zijn geworden. Vandaar dat niet alleen ik, maar aan de andere kant van het bed ook Mente meteen overeind komt. We zitten met de rug naar elkaar toe om deze nieuwe dag langzaam tot ons door te laten dringen. We moeten weg vandaag, weet ik.
Even ben ik weer het jongetje van zestig jaar geleden dat na het vroege ontbijt het huisje uit werd gestuurd, want ik liep toch maar in de weg. Dan slenterde ik nog wat over bospaadjes van het vakantiepark waarin ik me de afgelopen weken die paden juist zo eigen had gemaakt. Nu leken dat levende organismen die zich langzaam terugtrokken, steeds verder bij me vandaan, totdat ik zeker wist dat dit thuis maar tijdelijk was. Dat het zelfs helemaal geen thuis meer was, maar een willekeurige plek, waar ik nu al niets meer te zoeken had.
Straks om elf uur kwam er een beheerder van het vakantiepark kijken om te zien of alles wel naar behoren was achtergelaten, of de wc was gedaan, de kleedjes waren uitgeklopt, de lampen het nog deden, of er inderdaad nog sprake was van een negendelig bestek en of er geen glas gebroken was. Er ging altijd wel iets stuk. Soms stond een gebroken glas of gesneuveld kopje al wel een week naast het gasfornuis kapot te wezen en teken te zijn van het besef dat dit onderkomen ons onderkomen helemaal niet was, ook niet op de momenten dat we tijdens een gezellige regenbui een potje mens-erger-je-niet zaten te spelen. Zo’n glas kwam op de rekening en zou vervangen worden zodra wij vertrokken waren, maar nog voor, één of twee uur later de nieuwe bewoners het huisje zouden annexeren.
Dat was toen. Het was intussen al heel lang niet meer de bedoeling dat ik me na het ontbijt maar beter uit de voeten kon maken om de grote mensen, dus ook mijn grotere zussen, hun werk te laten doen. Juist niet! Mente en ik zijn onze eigen ouders geworden en tegelijkertijd onze grote broers en zussen.
Na het inpakken verdwijnt de bagage in de auto en komen de fietsen achterop. Dat is mijn klus. Mente is meer van het natte werk. Ik hanteer de stofzuiger. De kleedjes, als ik daar een keer met de stofzuiger overheen ga, lijkt het me wel genoeg. Dan komt Mente langs: ‘De kleedjes heb je nog niet gedaan, zie ik.’
De stofzuiger werkt soepel mee: hij is makkelijker te hanteren dan die thuis, de zuigkracht is prima. Alleen de stang, die krijg ik maar niet van de slang en daardoor kan ik niet even handig een hoekje meenemen. Een keer lukt het. Het is zo simpel, maar ik weet niet wat ik nou precies deed. De stang weer aan de slang te schuiven is een eitje, maar daarna lukt het me niet meer om dat weer ongedaan te maken.

Weer zestig jaar terug: op de terugweg dronken we iets bij De Bilt en we sloten de vakantie af met een uitgebreide maaltijd bij Zoetermeer.
Ook vandaag rijden we om half elf weg. Niemand is komen controleren. Voor een uitgebreide lunch rijden we langs Wezep. Dat is iets om, maar dan heb je ook wat.

En dan zijn we thuis en als ik boven de ramen open doe, dwarrelen mij stofvlokken tegemoet. Er moet hier nodig gestofzuigd worden. Zal ik dat meteen maar doen?
De banden van de orde van de dag beginnen spontaan te knellen.

21 augustus 2020

Een geluidswandeling

Zou het weer er iets mee te maken hebben, met die verhuftering waarmee we in deze maand te maken krijgen? De afgelopen week werden in de Schilderswijk, op Kanaleneiland en in Overvecht onbeschofte onfeestjes gevierd. En andere groepen, boeren die het beste met ons voor hebben, corona-ontkenners die graag in één week willen afbreken wat anderen in maanden zorgvuldig pogen op te bouwen, mensen met een grote bek en disfunctionerende oortjes en met de verstandelijke ontwikkeling van een muis of een eekhoorn, trekken intimiderend door de Hofstad.
Dat zouden ze ook voor mijn eigen bestwil doen, zeggen ze, maar ik loop daar niet en ik ben het heel erg oneens met ze, met wat ze beweren en met hoe ze denken dat ze zich mogen gedragen, namens, eh, namens… niet namens mij dus. De domheid van de massa. Het gaat steeds vaker trekken in mijn darmen als ik de dwazen zie.

Dwaas zal ik de mensen in Wit-Rusland niet willen noemen. Maar ook de beelden die ik daar zie, werken slecht op mijn darmen. Ik geloof niet in massa. Tijdens de geschiedenisles leerde ik dat de revolutie haar eigen kinderen opeet en van de Arabische Lente hebben we niets goeds teruggezien.
Alleen zachte krachten kunnen winnen. Het zijn woorden van Henriette Roland Holst. Maar of het echt zo is, weet ik niet zeker. Ik hoop het, maar twijfel.

Daar had ik in Diepenheim geen last van. Vanmiddag liep ik als een karikatuur van mezelf, maar vrolijk, door een stukje Diepenheim. Korte broek, sandalen, gestreept T-shirt, rode stuurtas van mijn fiets om mijn schouder en een grote camera op mijn buik, petje op en daarop weer een koptelefoon, geleend bij de Kunstvereniging Diepenheim waar mijn oog viel op een blad met daarop de naam van Harm van den Berg. Nu heb ik de afgelopen weken nogal nadrukkelijk diens tekeningen bekeken, dus ik werd nieuwsgierig. Wat blijkt? Harm was in de zomer van 2018 artist in residence van Diepenheim en dat resulteerde onder meer in een geluidswandeling die ‘Het onzichtbare landschap’ werd genoemd.
Dus ik luisterde door die koptelefoon niet naar de bevlogen opvattingen van Lange Frans of de geruststellende woorden van Thierry Baudet die me vertelt dat ik bij zijn partij veilig ben. Ik luisterde naar Harm én ik luisterde naar opnames die hij maakte in het maisveld waar ik nu langsliep, zodat ik de mais hoorde groeien, ik hoorde onder de grond het knagen van wormen, hoorde voor het eerst vissen en ook hoe de bevolking van een mierenhoop tekeer kon gaan. Allemaal op locatie. Het was een wonderlijke wereld.
Verder sprak Harm enkele Diepenheimers. Eentje wist te vertellen dat prinses Armgard hier ooit woonde, op kasteel Warmelo, waar ik eergisteren nog door de kasteeltuinen dwaalde.
‘Je kon hier in het dorp dus af en toe Prins Bernhard en zijn moeder tegenkomen. Dat was in de jaren vijftig, zestig. En prinses Juliana (je moet koningin zeggen, dacht ik, het was toen koningin Juliana) en de vier prinsessen.
En gek genoeg zag ik ze plotseling even voor me. Ik schaamde me wel een beetje, met die tassen en dat petje met daaroverheen de koptelefoon.
Maar als gezegd, er lopen hier en daar mensen rond die zich nog veel meer moeten schamen.
Toen ik de koptelefoon weer inleverde vroeg de man achter de balie of ik bij de geluidsopname ook een keer had horen zingen. Dat was hij.
‘Ik zong iets van Schütz. Een heerlijk lied, ook om de akoestiek van een ruimte te testen:
Nacket bin ich von Mutterleibe kommen.Nacket werde ich wiederum dahinfahren.’

20 augustus 2020

Helemaal goed

Over ons korte verblijf in het vakantiehuis van onze vrienden, hier in de Achterhoek, in de meimaand van het jaar 2016 valt wel wat memorabels te vertellen. Wij waren hier toen met zijn drieën: Mente, haar Nieuw-Zeelandse broer en ik. Op een avond streken wij neer in een pannenkoekenhuis. Het was er enorm druk, maar de even struise als vrolijke jonge vrouwe die ons bediende stal ons hart. Afgelopen vrijdag, toen Mente en ik weer in het pannenkoekenhuis waren, zagen we haar weer. Deze keer was ze achter de bar bezig en bediende ons niet. Vier jaar geleden dus wel.
Ze herhaalde onze bestellingen zonder iets op te schrijven. Niet lang daarna kwam ze met het bestelde terug en het klopte. Maar telkens als een van ons een bestelling had geplaatst, zei ze ‘helemaal goed’. Die subtotalen leverden bij elkaar een definitief ‘helemaal goed’ op. Alsof zij behalve serveerster ook schooljuf was die ons tot onze geruststelling meende te moeten vertellen dat onze bestelling de juiste was.
Zo was het niet en zo bedoelde zij het niet en wij begrepen dat, maar de woorden stemden tot nadenken, vooral omdat het die avond niet bij die vier keer bleef. Zij diende ons trouw als serveerster en daarom denk ik dat ze, altijd weer vrolijk en uitnodigend, wel twintig keer ‘helemaal goed’ heeft gezegd toen.
Dat gebeurde ook die maandagochtend daarna waarop we er nog even langsreden, voor koffie met gebak. Toen waren we de enige, nog vroege gasten. En weer bediende de leuke meid ons aan wie wij ons hart hadden verpand. We waren inderdaad aan de vroege kant, maar dat was wat haar betreft helemaal goed. Dat we buiten wilden zitten, bij de waterput nog wel, was helemaal goed, en dat we twee koffie en een thee met drie keer appelgebak mét slagroom wilden, vond ze prima. Helemaal goed.
Later die dag vertelden we een horecaans familielid van die merkwaardige uitdrukking. Die lachte hartelijk met ons mee, maar we hadden wel door dat zij eigenlijk niet goed wist wat ons punt was. Dat begrepen we later pas, toen we ontdekten dat je bij geen enkele horecagelegenheid meer iets kunt bestellen zonder dat je wordt verteld dat het ‘helemaal goed’ is.
Intussen weet ik niet goed wat ‘helemaal goed’ eigenlijk (om nog een verdacht woord te gebruiken) betekent. Ik goochel wat met zinnetjes als ‘Ik weet niet of ik het helemaal goed zeg’, vraag me af of ik ‘helemaal goed’ moet vergelijken met ‘helemaal gek’, waarbij het accent van helemaal plotseling van de eerste naar de laatste lettergreep kan verspringen.
Nee, het is een ellips van ‘Dat is helemaal goed.’ Maar dan nog weet ik niet goed wat het betekent. Ik neem aan dat de serverende vrouw of het serverende meisje (mensen die deze functie combineren met het dragen van een piemel zeggen het veel minder vaak) bedoelt dat niemand zich over de bestelling of wat dan ook zorgen hoeft te maken en dat alle betrokkenen dus tevreden kunnen zijn. Zoiets. Maar waarom dan die woorden ‘helemaal goed’? Ik begrijp ze niet.

Vrijdagavond waren we weer in het pannenkoekenhuis. Jongemannen bedienden ons en we zagen de oermoeder van ‘helemaal goed’ achter de bar. Maar we hoorden ze niet, die woorden. Totdat, bij het verlaten van het pand, Mente iemand bij de deur nog even bedankte. ‘Helemaal goed,’ zei ze.

Tot mijn verontrusting zie ik dat de meest onbekende streek van Nederland, de Liemers, ingeklemd tussen Arnhem en Achterhoek, zich op de kaart probeert te zetten met een treffend bedoelde spreuk: ‘De Liemers. Helemaal goed.’ Jammer is dat.

19 augustus 2020

Reclameblok

De hitte klettert op ons neer, maar dat betekent niet dat wij alleen maar amechtig in een luie stoel liggen te hijgen, opgesteld in een beschaduwde tuin. Nee, wij trekken er dagelijks op uit voor een fikse fietstocht, waarbij we wel blij zijn dat we af en toe door een bos moeten. Dat dan weer wel. We gaan zandpaadjes niet uit de weg, integendeel, ook niet nadat Mente zich in het zand vastreed en met een bonte linker- en een blauwe rechterarm verder moest. Zij fietst onverdroten verder en ontziet geen enkel zandpad. Nu valt het met de mulheid van die paden nogal mee. Pas vandaag komen we vaker zachte delen tegen.
In het huisje van onze theologische vrienden vind je een schat aan fietsroutes. Nu heb ik op mijn stuurtasje natuurlijk een slim kaartenmapje, dus wie zou me er van kunnen weerhouden om daar geen gebruik van te maken?
Ikzelf! Een aantal jaren geleden bekeerde ik me onder protest en op zachte aandrang van mijn fietsmaat Henk tot een gps. Nog regelmatig wordt dat ding uitgescholden, maar bijna altijd is dat een verkapte manier om mezelf aan te spreken op mijn domheid. Mijn gps weet dat, zwijgt en wacht braaf tot ik het wel goed doe.
Ik heb een Garmin. Het wordt tijd voor een reclameblokje. Ik noem die Garmin met ere omdat Henk vorig jaar een Mio in de strijd gooide die veel meer opties had, veel gebruiksvriendelijker was, volgens de dame die hem het ding had verkocht. En het leek er ook even op, want toen wij onder Parijs besloten om flink van de route af te wijken, konden we die de volgende dag vrij makkelijk terugvinden, dankzij zijn Mio.
Toen het later die dag ging regenen, raakte het appartaat de kluts helemaal kwijt. En nog weer later kreeg het ding nog andere kuren.
Ik vertel dit omdat we in de Achterhoek bezoek kregen van Mentes vriendin van de lagere school. Zij woont in Zutphen, fietst fanatiek, maar heeft intussen haar gps na veel ellende en verdriet via Marktplaats van de hand weten te doen. Ze ervaart dat nog steeds als een opluchting, en zo is die Mio van haar zijn geld toch waard geweest.
Mijn Garmin doet nu vijf jaar mee en vergezelt me op fiets- en wandeltochten en ik gebruik hem niet voor spontane acties.
Het is tijd van een ander reclameblok. Met behulp van de routeplanner van de ENFB kan ik een route op mijn gps zetten. Vandaag bijvoorbeeld fietsten we een rondje van Geesteren (Gld) naar het kasteel in Ruurlo waar die vreselijke Willinks hangen, maar waar we toch maar naartoe wilden. Ik koos voor een rondje Geesteren via Ruurlo en selecteerde daarvoor de natuurroutevariant, want dat kan. Je kunt kiezen voor ‘makkelijk doorfietsen,’ voor ‘recreatief’, voor ‘knooppunten,’ voor ‘natuurroute’ en zo zijn er nog een stuk of wat mogelijkheden. Je kunt zelf bepalen welke plekken je al fietsend wilt aandoen. Je kunt natuurlijk ook een afstand instellen, maar dat beperkt het aantal punten dat je wilt passeren. Wij kozen voor een rondje van 36 kilometer via Ruurlo en aldus geschiedde. De GPS accepteert zo’n route blindelings.

Heerlijk, dat je niet met je neus op de kaart hoeft te zitten. Als je desondanks eens verkeerd rijdt, dan heb je dat na tien of twintig meter al in de gaten en ook dan kun je er nog voor kiezen om via een andere weg weer op de route terecht te komen.

Je moet de groeten van Willink hebben!
Tot zover dit reclameblok.

18 augustus 2020

J B Charles

Van een eerder verblijf hier weet ik dat onze theologische vrienden niet alleen thuis maar ook in hun Achterhoekse bosbungalow heel wat boeken hebben staan. Nu Het zoutpad uit is, ga ik wat planken langs en trek een boek tevoorschijn van J B Charles. Ik ken een deel van zijn gedichten, het zou me niet verbazen als ik het boek in kwestie zelf ook ergens heb staan, thuis, maar gelezen heb ik het nooit.
Het zal toeval zijn dat dit boek, ik heb het over Volg het spoor terug, naast werk staat van A den Doolaard. En zoveel weet ik wel: J B Charles, die in het dagelijkse leven prof dr W H Nagel heette, was geen vriend van deze schrijver en stem van Radio Oranje in de Tweede Wereldoorlog. Hij noemt Den Doolaard 'de beledigende snoever, de grove leugenaar.' In het uit de kast getrokken boek zegt hij nog wel meer over onze Balkanfetisjist, maar het citaat maakt al veel duidelijk. Een persoonlijke rol zal gespeeld hebben dat Charles in de oorlog in het verzet heeft gezeten en daar de hitte van heeft ervaren, dit in tegenstelling tot Den Doolaard die samen met anderen aan de overkant bemoedigdeb en voor geweten speelde. Daar was Nagel niet erg van onder de indruk.
Na de oorlog was hij betrokken bij en getuige van veroordelingen van oorlogsmisdadigers en hij zag met lede ogen aan dat in de loop der jaren opgelegde straffen werden omgezet in lichtere straffen. In Nederland, maar ook waar het gaat om in Neurenberg opgelegde straffen. Voortschrijdend inzicht, zeggen bijvoorbeeld Amerikaanse rechters en mannen als Eisenhower. Nagel maakt duidelijk dat dat niet klopt en dat het gaat om wat ik maar 'wel begrepen eigenbelang' zal noemen. 'We forgave the Germans and then we were friends,' zong de nog jonge Bob Dylan daarover tien jaar later.
Tien jaar later, Nagel schrijft zijn boek in de tijd dat mijn moeder dagelijks bezig was mijn luiers te wassen, in 1953.
Ik moet erg wennen aan het boek. Dat heeft met de springerige stijl te maken, de uitgesproken ideeën, want daar was Nagel wel een man van, maar ook met het feit dat het boek gedeeltelijk is opgebouwd uit teksten die hij eerder schreef, soms al in '48. Verfrissend is het wel, wat hij zegt over het verschil tussen communisme (vaak gebruikt als alibi om de strijd van de Duitsers te legitimeren) en fascisme, waar de katholieke kerk het in de jaren dertig veel minder moeilijk mee had. Nagel vraagt zich af waarom Rome de van huis uit roomse Hitler nooit in de ban heeft gedaan. Ja, waarom gebeurde dat niet?
Ook haalt hij de term 'honnête homme' weer in mijn herinnering boven. Een mens dient zich waardig te gedragen. Dat ziet hij als maat voor zichzelf, maar ook voor anderen. Alle mensen zijn gelijk, geen overtuiging, geen ras, geen milieu is beter of slechter. Ze zijn gelijk.
Nagel noemt zichzelf een schurk op het moment dat hij zichzelf erop betrapt dat hij soms een idee of opvatting maar voor zich houdt of iets inslikt, bijvoorbeeld omdat hij al genoeg aan zijn kop heeft. Er is geen ruimte voor gelatenheid, voor vermoeidheid of onvermogen als excuus, lijkt hij te zeggen. Wie 'nou ja' zegt of 'toe maar' is een schurk.
Woorden van 60 jaar geleden. Eergisteren zei Carola Schouten, die dappere minister, bij Zomergasten dat ze een goed mens wil zijn. Nagel zegt dat wie niet opkomt voor het goede een schurk is. Helder.
Het boek van Charles telt ruim 300 bladzijden. Ik ben nu op pagina 50.

16 augustus 2020

Chocola

Ook vandaag reikt de actiradius van een stukje niet verder dan de directe omgeving van onze theologische vrienden. Die vermaken zich op een eiland en wij treden in hun voetsporen in en om het Achterhoekse huisje. Gisteren kwam ik voor een stukje niet eens het bed uit, vandaag drink ik mijn koffie en lees ik mijn boek in een makkelijke stoel op een terras. Daar zie ik net zoveel bladstilte als gisteren vanuit bed.
Maar dat is schijn. In het lage groen begint soms iets te bewegen. Dat doen de koolmeesjes en ook is er een nieuwsgierig roodborstje. Als er een boomkruiper langs een stam van een den omhoog kruipt, geeft die den geen krimp. Dat gebeurt wel als er vanuit een andere den een specht wegvliegt. Ik heb geen specht gehoord, en mijn ornithologische kennis is gefundeerd op veel frustrerende onwetendheid, dus zag ik wel een specht vliegen?
Ja, ik zag een specht vliegen: hij komt me even later geruststellen door heel dichtbij in een dode tak te gaan hakken. Ik zie het hem doen, maar ik hoor niets.

Her en der zwaait af en toe een tak en na een tijdje heb ik vier, nee, vijf verschillende eekhoorns onderscheiden, dat zijn er al twee meer dan gisteren. Toen ging het om een eekhoorn met een nogal zwarte staart en eentje zonder staart. Mente wist me later te vertellen dat de zwartstaart achter de geenpluim aanzat. Maar ik zag er ook eentje met een pluim in het mij meer vertrouwde roodbruin.
De drie waren er vandaag weer. Het viel me op dat de geenpluim vooral in lage struiken zat, dus ik meende al enkele belangrijke conclusies te kunnen trekken waar natuurorganisaties hun voordeel mee konden doen. Even later, ik had even niet opgelet, zag ik hem in een hoge boom, dus hij was zonder staart iets minder gehandicapt dan ik dacht. Wel was ik er getuige van dat er weer een eekhoorn met zwarte staart achter hem aanzat. Ze hadden het zo druk met de achtervolging dat ik ze een schop had kunnen geven als ik wat sneller was geweest en als ik dat had willen doen. En dat is natuurlijk niet zo.

Het favoriete prentenboek in Huize Borgdorff gaat over een eekhoorn die zijn hazelnoten heeft verstopt maar niet meer weet waar. Het boek heeft al twee generaties intensief gebruik achter de rug en het is een wonder dat het indertijd bijgeleverde eekhoorntje er nog is: lijfje van karton, de pluim een stukje vilt. Op zijn zoektocht naar de hazelnoten moet je op iedere bladzij het beestje door een gleufje duwen. Dan sla je om en dan bevindt de eekhoorn zich weer in een nieuwe omgeving, maar ook daar zijn zijn noten niet. Zo komt hij bij een gemene boswachter die dol is op hazelnootchocola. Met een bijl zit hij aan tafel om dikke tabletten chocola in stukken te hakken. Maar, een eekhoornboutje, zegt hij, lust hij ook wel. Daar moet de eekhoorn dus als de gesmeerde bliksem door het gleufje naar de volgende bladzij ontsnapppen, waar het minder gevaarlijk is.

Vanmiddag dook ik bij mijn theologische vrienden even het schuurtje in voor een fietspomp en wat zag ik daar? Niet één, nee, twee bijlen! Natuurvorsers weten te vertellen dat eekhoorns in de ruitijd hun pluimen kunnen verliezen, maar ook dat agressief gedrag van soortgenoten desastreus kan zijn voor een eekhoornstaart. Maar nu ik in de schuur die bijlen heb zien staan, wordt het me toch een beetje koud om het hart. Het zal toch niet...

15 augustus 2020

Bladstil

De wind is stuk. Het huisje waarin we verblijven wordt omgeven door hoge bomen, een gemengd boeket van naald, blad, stam en twijgjes, en alles staat strak stil in het ochtendlicht. We liggen nog in bed. In een vreemd bed. We hebben wel ons eigen beddengoed meegenomen, want dat heb ik nu eenmaal graag, maar het is en blijft een vreemd bed.
Een beetje merkwaardig is dat wel. Als ik tijdens fietstochten mijn tentje ergens neerzet, dan is dat, hoe tijdelijk, in welke omgeving ook en ongeacht de omstandigheden, mijn plek. Op een landje in Bretagne, op een stadscamping in Praag, een dorre vlakte aan de Middellandse Zee, een boomgaard bij Lelystad, tussen hoge dennen aan de Ooszee. Of het nu gaat om nachten waarin ik op mijn slaapzak lig of daar met trui en sokken in kruip.
Hier lig ik tussen mijn eigen lakens, naast het meisje van de 47 rode rozen, op dezelfde plek waar ik ook al met haar lag toen het boeket met de drieenveerstigste roos nog in de maak was, en ik ervaar het als een vreemde omgeving. Dat is niet vervelend. Maar het is wel zo. Ik ben in de ambiance van een ander.
Dit is het vakantiehuisje, dit is het bed van onze theologische vrienden. Ik vraag me af wie van hen aan welke kant slaapt. Het is al licht geworden en ik heb het gordijn opengeschoven. Door het raam zie ik hoe hoog de bomen zijn. Hoe het licht op de lage bomen direct bij het huisje valt alsof dat door de bladeren gedragen moet worden. Het gaat ze goed af, ondanks de voortdurende warmte.
Naar achteren de hoge, al even bladstille bomen, maar ze wekken niet de indruk dat zij de lucht moeten dragen. Dat komt door de kleur. De kleuren zijn die van de vlag van de Achterhoek, lichtgroen, middelgroen, donkergroen en wit. Wit is hier de lucht. Licht- en middelgroen zijn de bomen bij het huisje en donker de bomen die daar hoog bovenuit torenen. Er zijn meer dan drie tinten groen, maar het valt me op dat bij de veelvuldig voorkomende streekvlag de kleuren ook variëren, afhankelijk van de lichtval en plooien.
Door al het groen steekt een hoge stam zonder kruin of kroon, alsof op enorme hoogte de takken zijn afgezaagd. Ik kan het amper geloven, maar zo ziet het er toch uit. Ik zet er mijn bril voor op, maar dan nog kan ik het niet goed zien. Afgezaagd, of toch afgebroken?
Ik kan me voorstellen dat mijn theologische vriend, of is het de theologische vriendin?, vanuit dit bed naar diezelfde boom ligt te kijken als hij, of zij, 's ochtends wakker wordt. Ik kijk naar het uitzicht van een ander.
Zo'n idee heb ik niet als ik 's morgens op een camping mijn tent uit kruip. En in een sanitair gebouw van een camping, betrap ik me er bij een tweede of derde bezoek wel op dat ik dezelfde douche, of hetzelfde toilet kies als de vorige keer. Een merkwaardige vorm van toeëigening, waar ik natuurlijk nooit meer aan terugdenk als ik, met ingepakte tent, weer ben weggefietst. Hier hanteer ik de deur-, licht- en kraanknoppen van een ander. Heel in de verte lijkt het er zelfs een beetje op alsof het niet mijn eigen handen zijn die dat doen. Het zijn ook niet de handen van mijn theologische vriend, wel zijn het aarzelende handen geworden. Handen die zich afvragen of ze het wel goed doen als ze een schakelaar omzetten.
Ik kijk nog steeds naar buiten. Bladstil.

14 augustus 2020

Op of met vakantie

Mente wenste Lucas gisteren een fijne week, nu hij weer met vakantie ging. Hij verbeterde haar: het was niet mét vakantie maar óp vakantie. Hij ging óp vakantie. Zo’n vakantie had hij als vierjarige natuurlijk dik verdiend en zijn oma had het hem erg gezellig gemaakt vandaag, maar dat gaf je nog niet het recht om de dingen verkeerd te zeggen.
Hij zei het met zoveel stelligheid dat een groot deel van de mensheid hem onmiddellijk zou hebben geloofd. En misschien is dat nog wel zo, want niemand corrigeerde hem. Ook ik vond het ongepast om hem gedeeltelijk af te vallen door ook zijn oma gelijk te geven. Met of op vakantie is zo’n typisch flauwekul dingetje waar ik voor de klas misschien wel jaarlijks mee te maken kreeg. Nu zegt die frekwentie bar weinig, want er is ongetwijfeld veel meer waarover ik een leven lang allerlei stelligs heb beweerd, terwijl dat helemaal niet klopte. Gelukkig schiet me even geen voorbeeld te binnen.

Bij de discussie over op of met vakantie werd ook wel beweerd, ten onrechte, dat protestanten het vooral hadden over met vakantie gaan en katholieken op vakantie gebruikten. Eerlijk gezegd vind ik het wel jammer dat dit niet waar blijkt te zijn. Stel dat het wel zo was geweest, dan zouden we nu ook kunnen beweren dat het wegvallende onderscheid samenhangt met de ontkerkeleking.
Zelf weet ik niet goed wat ik spontaan gebruik, maar als ik erover zou moeten nadenken, dan zou ik een voorkeur hebben voor mét vakantie. Dat heeft niet te maken met mijn protestantse achtergrond, maar wel met dat prachtige liedje uit Sesamstraat dat ooit gezongen werd door Aart Staartjes:

M’n vader is met vakantie
Dat duurt al een hele poos
Elke week stuurt-ie een ansichtkaart
En die stop ik in een doos.
‘k Heb er al een stuk of tien
Rietedietedieterie
Als m’n vader terug is
Mag-ie ze allemaal een keertje zien.

Dat liedje zit in mijn hoofd vanaf het moment dat ik Lucas bij zijn moeder achterop de straat uit zag rijden gisteren aan het eind van de middag. Het is een heerlijk, weemoedig lied. Het zou me niet verbazen dat de vader van de ik in het lied een tijdje in de bak zit, zoals mijn vader ook ooit een paar weken in de gevangenis zat zonder dat ik dat wist. Overigens kreeg ik toen geen ansichtkaart. Daarvoor duurde dat penitentiaire verblijf niet lang genoeg. Of zijn de vader en de moeder van de zingende ik uit elkaar? Ik denk ook niet aan een opgesloten of van zijn echtgenote losgeweekte vader bij dit lied, wel aan een dode.
Het liedje uit Sesamstraat was populair in de jaren tachtig. Dat was in de tijd dat ik druk met langspeelplaten van de muziekbibliotheek in de weer was om die over te nemen op cassettebandjes. Daar zaten toen ook heel wat kinderliedjes bij, want we hadden drie kleintjes in huis. Het was ook niet lang nadat mijn vader was overleden en ik had mijn kinderen nog graag even kennis met hem willen laten maken. Vanuit het hiernamaals is me nooit een kaart toegestuurd. Laat ik voorzichtiger zijn en me beperken tot de constatering dat ik er nooit eentje heb ontvangen.

13 augustus 2020

Prosecco

Een week lang hebben de rozen het uitgehouden in water dat langzaam zijn kookpunt naderde, maar nu hebben ze het toch echt gehad. De ene witte roos, dat teken van een komend jaar, hangt er bij als een te vaak gebruikte papieren zakdoek.

Teus is net even weg, krijg ik te horen als ik hem bel, maar over een uurtje zal hij er wel weer zijn. Het wordt me verteld door een vrouw van wie ik alleen de achternaam heb verstaan, die van Teus. Zou dat zijn vrouw Ella geweest zijn? vraag ik me af. Dat kan toch niet! De stem is te jong, te opgewekt. En dan… natuurlijk was dat Ella niet.

Teus en ik maken deel uit van een netwerk van mensen die elkaar in het verleden af en toe zagen. Nu al die mensen zich door het ABP laten onderhouden is het contact veel minder, maar we vergeten elkaar niet helemaal. Vorig jaar zijn we nog een keer uit eten geweest.
Een half jaar geleden kon Teus een afspraak niet nakomen: hij zou een hartoperatie ondergaan. Ergens in maart, in een ziekenhuis in Den Bosch. Ik belde hem toen. Hij had er goede hoop op dat die ondanks de Coronaongeregeldheden door zou gaan. Zo klonk hij ook. Ik zag hem voor me, olijke, onbevangen in glas gevatte blik.
In mei mailde hij dat hij buitengewoon goed herstelde van de inderdaad enige tijd uitgestelde operatie. Maar dat gold niet voor Ella, voegde hij er aan toe. Er was alweer kanker bij haar geconstateerd, maar nu was het nog maar een kwestie van weken.

Het gaat heel goed, vertelt Teus als ik hem een uur later aan de lijn krijg. Zijn beide dochters zijn er. De een zorgt voor wat versnaperingen, de ander schenkt juist de prosecco in. En hij is blij dat Ella er weer is, in asvorm weliswaar, maar nu is ze tenminste weer thuis. De afgelopen anderhalve maand leefde hij, zo leek het, in een ander huis. Zo eenzaam en alleen. Daarom was hij blij dat ze er weer was. Wel was de tijd omgevlogen. Dat gold gelukkig niet voor de weken in mei, zei hij, toen hij en zijn meiden Ella nog thuis hadden kunnen verzorgen. Die tijd duurde veel langer. Het was kostbare tijd geweest. Het was maar een geluk dat hij die nog met Ella had kunnen meemaken. Zojuist had hij de urn opgehaald; daarom was hij even weg; vandaar ook die prosecco. ‘Ik ben ook heel blij met mijn lieve, lieve dochters.’
Teus heeft twee heldere trapeziumvormige ogen, ruitjes lijken het en ze kunnen zo glinsteren vanachter de glazen van zijn bril. Ik zie ze voor me.
‘Laat de prosecco niet warm worden, Teus.’
‘Dat zal ik niet doen.’

Ik ruik de rozen, ik ruik het water in de vaas. Ik rijd de kliko naar binnen en in een keer kieper ik het boeket in de bak, ook de witte roos die op een teveel gebruikte witte zakdoek lijkt.
Voordat Teus zijn prosecco op heeft, heb ik ook de vaas al omgespoeld.

12 augustus 2020

Oranje

Ik schrijf wel erg veel over het verleden, vindt Mente. Dat vertelt ze me nadat ze het stukje van gisteren op fouten heeft gecontroleerd.
Het is waar. Het is daarom misschien ook wat raar om een rubriek Och Heden te dopen en er vervolgens zoveel gisteren of vorig jaar in te stoppen. Toch denk ik dat ik er niets aan moet doen.
Ik kan toch moeilijk ook in geschrifte net als iedereen mee gaan puffen en klagen over de hittewolk waarin wij onontkoombaar gevangen zitten? Ik heb nog wel even een fietstocht gemaakt, gisteren. Ja, het was warm en ik merkte dat ik de neiging had om bij het fietsen de schaduw op te zoeken en dat vond ik een vervelende neiging. Daarom was ik al snel weer thuis. Had ik het daarover moeten hebben? Had ik moeten vertellen dat het aan de westkant van de Amsterdamse Straatweg veel aangenamer fietsen was dan aan de andere kant? Het was wel zo. En ik vroeg me op het hete ijzer van mijn fiets ook af of dat gevolgen zou hebben voor de winkels die er bezocht werden, daar aan de Straatweg, wat je in plat Utregs moet uitspreken en waarschijnlijk moet je dan ook óp zeggen, óp de Stroatweg. Maar ook de winkels aan de schaduwkant werden amper bezocht, zag ik. Verschil was wel dat de winkeliers aan die kant van de straat op een krukje buiten zaten, naast de deur. Aan de andere kant, in de zon, zag je dat niet. Misschien hadden ze daar ook wel gezeten, maar waren ze intussen gesmolten in het gootje langs de straat (stroat) weggesijpeld of verdampt, (uit te spreken als ‘verdaamp’).
Nog iets viel me op, daar aan de Stroatweg. Dat was de nummering. Daar is de westkant de even kant en oost de oneven, terwijl dat in de straat waar ik woon precies omgekeerd is. Nu weet ik niet zeker of ik wel helemaal goed zit met mijn oriëntatie en daarom check ik het even.

Klaar. Mijn straat loopt noordoost, de straatweg noordwest. Dat scheelt een kwart, maar zou voor de nummering niet moeten uitmaken. Dus kijk ik naar een straat die net zo loopt, maar dan in Leidsche Rijn, de Krophollerstraat. Daar vind je, aldus googlemaps, de even nummers aan de oostkant.
Ik kan de neiging niet onderdrukken om toch weer in het verleden te duiken om te constateren dat ik in Monster op twee adressen aan de oostkant van de weg woonde, op een oneven nummer, dus conform Straatwegvariant. Dat brengt me op de vraag welk beleid er gevoerd wordt bij de nummering van huizen. Dan heb ik het nog niet eens over straten die van oost naar west lopen of omgekeerd. Dat kan, hè, want bij de nummering neem je het centrum van een plaats als uitgangspunt.

Kortom, als ik gisteren niet in het verleden was gedoken, dan was ik met een verhaal als dit op de proppen gekomen. Ik bedoel maar. Daar moet je toch ook niet aan denken.
En dan… aan het verhaal over de sinaasappels waarmee twee jongetjes van een jaar of tien bijna honderd jaar geleden de deuren langs gingen (de Och Heden van gisteren dus) kleefde een zeer actuele aanleiding. Gisteren namelijk trok ik voor het eerst mijn nieuwe T-shirt aan. Ik meende een geel shirt gekocht te hebben, maisgeel, maar toen ik het had aangetrokken en mezelf bewonderde in de spiegel, zag ik toch echt een oranje mannetje staan, een sinaasappelmannetje. En dat bracht me bij die twee jongetjes uit Dinteloord.

Vandaar.

11 augustus 2020

Broertjes

Tante Cobie was meestal al lang het bed uit wanneer hij wakker werd. Als het zover was dan voelde hij naast zich of zijn broertje er nog lag. Pas daarna werd hij echt wakker. Ze deden alles samen als kind, mijn vader en hij. Ze scheelden ook maar vijftien maanden, de twee jongsten uit een tamelijk armlastig gezin in een dijkhuisje bij Dinteloord, ook slapen in de twijfelaar. Oom Chris noemde mijn vader zijn beste vriend, tenminste wel bij mijn laatste bezoek, iets meer dan twintig jaar geleden. Hij was toen 84, veel ouder dan mijn vader zou worden.
Die heeft zijn iets oudere broer nooit zijn beste vriend genoemd. Sterker nog: mijn vader was helemaal niet zo gesteld op zijn broer. Daarom vond ik het wat gênant om mijn oom zijn jongere broer zijn beste vriend te horen noemen.

Hij vertelde me die keer ook het verhaal van de twee jongens die ergens een partijtje sinaasappels op de kop hadden getikt en daarmee langs de deuren gingen. Ze sjouwden een kist sinaasappels met zich mee. Ze woonden toen nog in Dinteloord. Onderaan de dijk of op een hoek van de straat hield mijn vader zijn arm in een halve boog voor zijn borst en daarop stapelde Chris zoveel mogelijk sinaasappels, of nee, hij stapelde die zo dat het er meer léken. Om dat voor elkaar te krijgen duwde Chris de berg van onder af een beetje op; soms lukte het dan zelfs om er van onderaf een of twee sinaasappels uit te peuteren. Met de zorgvuldig geconstrueerde berg ging mijn vader de dijk op of de hoek van de straat om om ergens aan te kloppen.
‘Het zijn de laatste,’ zei hij dan. ‘De hele hoop voor…’ en dan werd er een bedrag genoemd dat de koper zou moeten bevallen.
‘Jouw vader kon zielig kijken,’ vertelde oom Chris. ‘Als het koud was, leek het wel of hij het kouder had dan anderen. En hij kon kijken alsof hij dood- en doodmoe, misschien wel hartstikke ziek was. Maar dan bleef hij wel vrolijk praten… De mensen vonden je vader altijd een zwak, maar dapper en leuk kereltje, mij niet. Hij verkocht veel beter dan ik.’
Mijn vader had altijd nog een sinaasappel in zijn zak. Als hij dan voor de deur stond, dan toverde hij die tevoorschijn. ‘Als ik die erbij doe, dan ben ik echt helemaal los.’ Het leek dan of dat jochie van een jaar of tien voor hetzelfde geld ook nog de sinaasappel erbij deed die hij voor zichzelf had bewaard. Bijna altijd kwam hij met lege handen terug en met geld. Daarna liepen ze weer een stuk om buiten het zicht van de vorige koper de truc te herhalen.

Mijn vader heeft me nooit verteld van die twee jongetjes die samen in een smal tweepersoonsbed sliepen en het verhaal van de sinaasappels kende ik dus niet tot die laatste keer dat ik mijn oom bezocht. Wel kende ik verhalen waarin mijn jonge oom wormstekige appels verkocht aan een man in Loosduinen die hem onmiddellijk herkende toen de twee aan elkaar werden voorgesteld, de een als de toekomstige schoonvader van mijn vader de ander als diens broer. Of hoe de kleine Chris in de klas – hij en zijn broertje waren klasgenoten - werd uitgelachen toen hij bij een leesbeurt las:
‘Hoe heet je, Keesje?’
Dat had moeten zijn:
‘‘Hoe heet je?’
‘Keesje.’

Ik vind het allemaal leuke verhalen. Ik zou ze nog leuker hebben gevonden als ze die herinneringen samen hadden opgehaald terwijl hun kinderen erbij zaten. Nu schrijnt er iets.

10 augustus 2020

Wok

Mijn vrouw heeft mij verlaten. Ze is er vandoor met mijn dochter. Met onze dochter. Ondanks de hitte van dit middaguur zijn ze op de fiets gestapt naar een mij onbekende bestemming waar in ieder geval iets te eten is. Op die manier gedenkt de jongste in één keer zowel moeder- als verjaardag, waarbij je overigens wel een beetje los moet omgaan met de agenda. Ook Mente weet niet waar haar dochter haar heen loodst, maar ook al lieten ze mij hier achter, nog steeds heb ik het beste met ze voor en daarom hoop ik dat er een leuke gelegenheid is uitgekozen.

In mijn geval combineert de jongste vaderdag met mijn verjaardag en zo valt mij op een ander moment dezelfde eer te beurt om met de jongste naar een onbestemde gastronomische omgeving te vertrekken. De eis die de jongste zichzelf daarbij stelt: het moet niet voor de hand liggen dat de moeder, dan wel de vader er al eens geweest is. Het is nauwelijks toevallig te noemen dat ik gisteren werd ontvoerd. Ze begeleidde me naar een reusachtig wokrestaurant aan de Gageldijk, nog geen vijf kilometer hiervandaan.

Dat had ik inderdaad absoluut niet verwacht, en even inderdaad: ik was er nog nooit binnen geweest. In de omgeving van Utrecht is de Mallejan een begrip. In de jaren zeventig was het meen ik een belangrijke manege en een zalencomplex voor bruiloften en andere partijen. De jongste heeft weliswaar jaren aan de Gageldijk op paardrijles gezeten, maar daarbij fietsten we de Mallejan alleen maar voorbij en voor feestjes ben ik er nooit uitgenodigd. Het oogt er ook allemaal van geen kant, waaruit maar weer blijkt dat ik een zelf- en tegelijkertijd vooringenomen, elitaire kwal ben.

Wat me aanstond van De Mallejan was de naam, maar dat was niet voldoende om me ook maar even af te vragen waarom dat bedrijf aan de Gageldijk zo heet. Nu weet ik dat wel. Een mallejan is een tweeassige wagen op hoge wielen. Bevestig aan de as een lange paal als dissel en klaar is je mallejan. Je kunt er bijvoorbeeld boomstammen mee vervoeren, maar de dissel kan ook dienen als hefboom. Mijn excuses voor de ott in dit verhaal, want het gebruik van de mallejan is natuurlijk vooral verleden tijd.
Blijft de vraag hoe die kar aan zijn naam komt. Een narrenwagen, de wagen waarin in de late middeleeuwen leden van het narrengilde zich lieten rondrijden, werd wel een mallewagen genoemd. Het woorddeel –jan zou hier ‘heel groot’ betekenen, vanwege die buitenissig hoge wielen. Het zou kunnen zijn dat jan in die betekenis weer is afgeleid van de persoonsnaam Jan.

Daarmee vertelt de Mallejan aan de Gageldijk iets over zijn verleden als manege, maar intussen zit er al jaren een wokrestaurant in. Zou ooit zijn geprobeerd om de tent om te dopen in Wok Plaza, of Peking. De Gouden Wok misschien, of Hollywok? Als dat al zo is, dan is men daar dus van teruggekomen.

Goed, daarheen werd ik gisteren ontvoerd door de jongste. Er zijn vier (?) reusachtige naast elkaar gelegen sporthallen, daar lijken de ruimtes op. Die zijn zo ongezellig mogelijk ingericht. Het eten was er prima, ook omdat je niet per se alleen in termen van vlees hoeft te denken. Ook leven ze er niet bij wok alleen. En ondanks het onbeperkte eten mag je gewoon op tijd stoppen.
Ze hoopte dat ik er nog nooit was geweest, de jongste. Ze had gelijk.

Waar vrouw en dochter zich nu te goed doen aan allerlei lekkers? Niet aan de Gageldijk.

08 augustus 2020

Oma Borgdorff

Mijn Amersfoortse neef en ik waren woensdag op bezoek bij onze Monsterse neef en zijn vrouw. Hij liet ons een jaloersmakend fotoalbum zien van zijn ouders. Oude foto’s waren gedigitaliseerd en in fraai overzicht opgenomen. Over de schouder van mijn Amersfoortse neef keek ik mee. Ik genoot van de foto’s en van de oh’s en ah’s van mijn neef.
Er zijn een paar foto’s waarop je mijn grootmoeder kunt zien. Ze zit in een rieten stoel. Hoewel het mooi weer is op de foto heeft zij een omvangrijke jurk aan. Ik vermoed dat de jurk verwijst naar een verleden waarin daar meer vlees in stak. Mijn oma toont een beetje mager op de foto, en vermoeid. Maar ook gelukkig. Op enkele foto’s zie je dat er twee peuters om haar heen cirkelen. Daar kijkt ze naar. De peuters zijn bijna onherkenbare witte vlekken, maar wij weten dat het mijn Monsterse neef en zijn één jaar oudere zus zijn die daar als vrolijke kippetjes om de rokken van die mevrouw draaien. En zij ziet het vanuit haar hoogte met genoegen aan.
Natuurlijk kijk ik ook even naar mijn Monsterse neef, die met zijn 82 jaar met welgevallen kijkt naar die twee veel jongere neven van hem terwijl ze het fotoalbum doorbladeren. Hij moet twee jaar geweest zijn, op die foto waarop hij als witte vlek aanwezig is. Dat brengt ons naar de zomer van 1940. Dat is ruim twee jaar nadat onze grootvader overleed en anderhalf jaar voordat de MS waaraan oma leed haar naar het graf zou brengen. Het zou me niet verbazen als dit de laatste foto’s zijn die van haar gemaakt zijn. Ik herken de plek: de achtergevel van Varenstraat 2. Dat is het adres waar zij, net als haar man, zou overlijden. Ook het huis waar mijn zussen, mijn oudste broer en ik geboren zouden worden. Haar laatste foto werd op precies dezelfde plek gemaakt als mijn eerste, een baby’tje in doopjurk.
Eergisteren speelden Lucas en Marc bij ons in de tuin. Ze waren bloot en huppelden rakelings langs een verraderlijke tuinsproeier, sprongen vlot (vier jaar) of klauterden moeizaam (twee jaar) zwembadje in en uit om af en toe bij te tanken bij hun grootmoeder die op een kinderstoeltje bij de achtergevel van ons huis zat. Mente droeg een zeer bescheiden maar wijd vallend jurkje. Haar man liet vanaf het schommelbankje een welgevallig oog op haar rusten. Dat meisje was tien jaar ouder dan de oude vrouw op de foto in het album van mijn Monsterse neef.
Ik genoot ook van de vanzelfsprekendheid van de twee jongetjes waarmee ze zich thuis voelden hier, in de zonnige achtertuin. Even vanzelfsprekend voelden ze zich thuis bij die oma op het lage stoeltje. Ze waren in hun element, en die oma op dat stoeltje, was vanzelfsprekend deel van dat element.
Zo moet het ook geweest zijn met de Monsterse neef en zijn al lang geleden overleden zusje toen ze als dronken kippetjes om hun oma op Varenstraat 2 ronddraaiden.

Alles wat voorbij leek, was gebleven. Zo leek het. Even.

07 augustus 2020

47 x rood + 1 x wit

Het liedje zit al weer regelmatig in mijn hoofd. Het hoort bij regenachtige zomerdagen.
‘We were married on a rainy day
The sky was yellow
And the grass was gray
We signed the papers
And we drove away
I do it for your love.’

Het is een nummer van Paul Simon en je vindt het op het album Still Crazy after all these years. ‘I’d do it for your love’ heet het. Die zevende augustus van 1973 kende overigens vooral droge momenten, maar over mijn overhemd had ik een trui en af en toe trok ik een jasje aan. Internet vertelt me dat het die dag in Den Haag een graad of 16 was.
Tot zover de eerste regel van het gedicht. Over regel 2 en 3 valt nog te zeggen dat het verleidelijk is om geel en grijs van plaats te laten wisselen; dat maakt die regels wat waarheidsgetrouwer maar ook veel minder spannend, dus dat doen we maar niet. De laatste drie regels geven aan hoe we het ons eigenlijk hadden voorgesteld, onze trouwdag. Tekenen en wegwezen. In de praktijk zat er anderhalf dagdeel tussen het een en het ander. Maar toen reden we weg. In een kever die ik de dag daarvoor in Utrecht had gehuurd en die ik de dag daarop weer zou inleveren. Daarna liep ik naar huis terug, naar ons zojuist betrokken singelpand.

Vandaag zit het liedje dus weer in mijn hoofd, maar wat ben ik blij dat we jaren geleden niet het weer van 7 augustus 2020 hadden. We zagen het al aankomen: die hitte. Daarom waren er ook geen festiviteiten gepland voor vandaag. Dat wil zeggen: de bruid bracht haar bruidegom ontbijt op bed en de bruidegom fietste later langs de bloemist om er de bestelde rozen op te halen. ‘Kom nou om half elf, dan heb ik verse van de veiling voor je,’ had hij gezegd.
Nu staan ze in de vaas: 47 keer rood en één keer wit.

De dag kreeg nog een onverwachte wending toen Mente zag dat de bloemen te strak op elkaar stonden in de vaas die ze had uitgekozen. Nu zijn wij van Borgdorff niet voor of door één vaas te vangen, dus kwamen de bloemen in een andere te staan. Daarin kregen ze meer de ruimte. En omdat de bloemen de jaren van ons huwelijk vertegenwoordigden, kreeg in deze vaas ons hele huwelijk meer ruimte. Ik zag ook hoe Mente de bloemen herschikte en hoe het boeket er steeds beter uit ging zien. Dat kwam door haar. Af en toe trok ze er een of twee bloemen uit en stak die op een andere plaats. Bloemen kun je, anders dan jaren, niet chronologisch rangschikken en iedere roos levert zijn uitgesproken karakter in om deel te zijn van een gaaf geheel. In die kleine cirkel in de kamer daverde het van de symboliek van een bruid die in de hitte op blote voeten om het vuur van zoveel rode rozen danste. Ze was, viel me op, alleen met die rode rozen bezig, ze deed niets aan die ene witte, de enige die aandacht vroeg maar als beeld van de toekomst geen enkele eigen inhoud had, die stond goed.

Enfin, daarna heb ik haar opnieuw, net als vanochtend lang voor het ontbijt, ten huwelijk gevraagd en weer zei ze ja. Om dat te vieren zijn we op de fiets gestapt en naar een restaurantje gereden. Ik had al een voorschot genomen op de witte roos en ergens gereserveerd.

06 augustus 2020

Schelpen

Foto. Klaas zit achter een tafel met daarop allerlei schelpen, van kokkels, mossels, minuscule zee-egels. Mesjes zie ik, oesterschelpen; ook is er een rijke variatie aan stenen. En een hoopje schelpengruis. Hij noemt het zijn schelpenmuseum, maar alles is te koop. Klaas vraagt twintig cent per stuk. Het is dus een soort Hema, Hollandse eenheidsprijzenmaatschappij. Dat ligt gezien de variëteit niet heel erg voor de hand en verstandig is het waarschijnlijk ook niet, maar bij een jongen van zes gelden andere regels. Dat vinden potentiële kopers blijkbaar ook, want de foto laat al een mevrouw zien die ik ervan verdenk een jonge moeder te zijn, van andere kinderen, maar wel op dezelfde Zeeuwse camping. Zij zal ongetwijfeld iets kopen. Twintig cent is het nieuwe kwartje.
De foto is via een groepsapp binnengekomen en zo ben ik er getuige van dat Klaas ook langs digitale weg bestellingen binnen krijgt. Later op de dag stuurt zijn vader nog een fotootje, nee, een gif waarop je Donald Duck gniffelend een stapeltje bankbiljetten ziet tellen. Donald, niet Dagobert.
De zaken lopen blijkbaar goed.

Ooit had ik twee schoenendozen vol schelpen. Na een tijdje was dat er nog een, want de geur in de slaapkamer dwong me om een groot deel van de collectie ondanks herhaalde wasbeurten in de vuilnisbak te kieperen. Zee-egels waren verraderlijk en onderdelen van krabben ook. Beide konden enorm gaan stinken en ze gingen makkelijk stuk.
Toch bleef het wonder. Aan de schelpen van kokkels was nauwelijks eer te behalen, je zag ze overal en ze waren dik genoeg om ongeschonden uit welke strijd dan ook tevoorschijn te komen, maar ik vond ze mooi, met die kordate, krachtige rechttoe rechtaan ribbel van ze. En dat in combinatie met die weemakende schone vorm van vrijwel alle gewone schelpen, die driehoekjes waarvan de ‘hoeken’ door licht gebogen lijnen verbonden waren. Een schelp verenigde zacht en hard. Andere schelpen konden bijvoorbeeld weer zo zacht glanzen, op een manier die recht deed aan de zacht ogende rondingen van een schelp. En wat dacht je van die roze schelpjes? Daar had je er nog genoeg van. Mooie meisjes waren dat.

En dan was er het wonder van hun herkomst. De zee was hun element, maar daar keek niemand naar hun zachte vorm, daar ontbrak die betoverende glans en daar waren ze gepaard het huisje van een levend wezen. Dat wist ik. Bijna alle schelpen waren halve huisjes van gestorven, meestal opgevreten diertjes.

Ik stel me Klaas even voor als het jongetje dat zijn opa ooit was, die dromerig naar die schelpen kijkt, maar in dat jongetje herken ik ook zijn overgrootvader die het wel aantrekkelijk vond om iets in geld om te zetten. Als verzekeringsman verkocht hij een schuilplaats tegen de angst voor het ongewisse, nadat hij als jongetje al samen met zijn broertje appels en groente had proberen te slijten. Klaas verkoopt halve huisjes: dat wat er na massaal overlijden op het strand is achtergebleven, overtollig geworden en gemankeerde boedel.

Wat er ooit met die schoenendoos vol schelpen gebeurde? Ik kan het raden. Hij ging van de plank naast mijn bed, naar de kast. Vanwege de geur kwam hij mogelijk niet in de kast, maar erbovenop. Dat heb ik niet gedaan, dat deed mijn moeder. In of op die kast zal hij nog een tijdje zijn blijven staan, totdat hij, misschien via de schuur, in de vuilnisbak verdween. Ik heb het nooit gemerkt.

‘Dat wist ik wel,’ zegt mijn moeder uit den hoge.
‘Je had ze beter kunnen verkopen,’ hoor ik mijn vader. Zijn stem komt uit dezelfde hoek.

05 augustus 2020

Lieftink

De literatuur kent paarden van mythische proporties: het ros Beiaard, Pegasus, Gringolet, Jolly Jumper, Bonfire. Americo. En Lieftink. Dat is het paard waarmee mijn oom in de jaren na de oorlog door Monster langs de huizen ging om groente te slijten. Het paard ontleende zijn mythische proporties aan het feit dat het er niet meer was. Daar kwam nog bij dat mijn oom rond 1948 naar Amersfoort verhuisde. Ook zou hij zijn leven geven aan de verkoop van groenten, zoals hij dat als jongetje ooit in Dinteloord al deed. Maar dat laatste is weer een heel ander verhaal.
Ik hoorde in ieder geval dat in de jaren voor mijn geboorte mijn nu zo verre Amersfoortse oom in Monster had gewoond en dat die een paard had. Het was een verhaal ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’, maar het was zo dichtbij geweest, want die oom had nota bene gewoond in het huis waarin ik geboren zou worden en mijn zusjes wisten me zelfs te vertellen dat ze op de bok van de paardenkar hadden gezeten. Zij herinnerden zich de Monsterse pendant van die verre oom maar al te goed, zeiden ze. Een kleine rekensom maakt duidelijk dat die twee meisjes vijf en drie waren toen de oom vertrok, maar het kon.
Dat hield me trouwens helemaal niet bezig. Het was dat paard met die bijzondere, blijkbaar geestige naam: genoemd naar de toenmalige minister van financiën die er na de oorlog voor zorgde dat iedere Nederlander weer met een tientje een nieuw bestaan kon opbouwen.

Een enigszins toevallige ontmoeting twee weken terug met de zoon van mijn Amersfoortse oom, de Amersfoortse neef dus, bracht ons op het idee om eens samen bij een andere neef op bezoek te gaan, veertien, vijftien jaar ouder dan wij. Een neef die het Monsterse altijd was trouw gebleven. Dat hebben we vandaag gedaan. Opnieuw kwam het sprookjespaard Lieftink ter sprake. De Amersfoortse neef wist te vertellen dat zijn vader eigenlijk een hekel aan het beest had. De oudere neef begreep dat wel. Lieftink was vals en ongezeglijk. Hij liep gewoon bij mensen de tuin in als het hem uitkwam, om daar van het gras te vreten. Hij kon spontaan in je arm bijten. Ongezeglijk en onberekenbaar. Maar het dier had een pracht leven. De oudere neef wist een foto te vinden. Hij zelf zit op de bok, naast zijn oom de groenteboer. Die had die oudere neef, toen nog een jongetje van zeven of acht, er graag bij om het beest toch een beetje in de gaten te houden.
’s Avonds brachten ze het paard weg. De kleine oudere neef zat op het paard; hij hield de manen stevig vast. De oom fietste ernaast. Bij de duinen liep het paard door het hekje dat voor hem werd open gehouden, vrolijk, want Lieftink genoot van de duinen, aldus de neef. En hij kon het weten, want hij had niet alleen op de kar gezeten, was niet alleen door Lieftink gebeten, maar hij was er zelfs de slaperdijk mee overgedraafd.
En hij had er zelfs een foto van. Vroeger wilde ik zo graag als die neef zijn, die stoere schaatser en wielrenner, motorrijder. Nu, nu ik hoorde van zijn tochten op een ongezadeld paard, kwam dat verlangen weer even terug.

* Het paard kwam ook ter sprake in de Och Heden van 23 juli.

04 augustus 2020

Vrienden

Een paar weken geleden moest Koos laat naar bed omdat hij was uitgenodigd als gast voor het programma Nooit meer slapen. Dat wordt via NPO 1 live uitgezonden tussen nul punt nul nul en één punt nul nul uur, een tijdstip waarop zo’n jongen op bed hoort te liggen. Ik heb het gemist, maar daar heb je een speciale site voor en zo luisterde ik een week later overdag, toen ik ook al een idee had van een deel van de inhoud en ook wist van het enige nummer dat tijdens die uitzending werd gedraaid. Dat was Bob Dylan’s Dream. Daarin kijkt de zanger terug op de goeie oude tijd waarin hij uren met zijn vrienden doorbracht. Hij zingt aan het eind:

‘How many a year has passed and gone,
And many a gamble has been lost and won;
And many a road taken by many a friend,
And each one I’ve never seen again.

I wish, I wish, I wish in vain,
That we could sit simply in that room again;
Ten thousand dollars at the drop of a hat,
I’d give is all gladly if our liver could be like that.’

In het programma werd dat nummer gedraaid toen Koos vertelde hoe hij als zestien- of zeventienjarige samen met vrienden op een slaapkamer kon zitten, waarschijnlijk shag rokend en nummers van Bob Dylan draaiend. Hoe het met die vrienden verder is gegaan, weet ik niet precies, maar van twee ervan kan ik vertellen dat ze nog steeds op een steenworp van elkaar wonen, zij het in een andere stad, en nog veel samen optrekken. Roken zie ik ze nooit, van een slaapkamertje weet ik niks, maar je ziet ze zeer regelmatig een rondje fietsen. Daarmee houden die jongens dus mooi een groot deel van die tienduizend dollar ‘in the pocket.’

In De Hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo maken we kennis met Ewout en zijn vrienden. Bij het woord vrienden liggen er wel aanhalingstekens op de loer, want de vraag is of en in hoeverre de jongens wel echte vrienden zijn.

Dat is ook een vraag die je je achteraf kunt stellen. De mooiste vrienden in de literatuur zijn wat mij betreft de Titaantjes van Nescio. ‘Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is.’ Van Nescio is het een kleine stap naar Piet Paaltjens en zijn ‘Drie Studentjes.’ Dat begint zo:

‘Daar waren eens drie studentjes
Drie vrienden in lust en in nood;
Ze sprongen zoo moedig de wereld in,
En de wereld - trapte ze dood.’

We kunnen nog even langs bij Frits van Egters en zijn vrienden in De Avonden, al komen we daarmee aardig in de buurt van de aanhalingstekens die ik bij De Hoogstapelaar al wilde gebruiken. En dan hebben we natuurlijk Boudewijn de Groot nog met ‘Vrienden van vroeger’ en een stel andere nummers van de lp Voor de overlevenden.

In de meeste gevallen blikken de vertellers weemoedig terug naar een verleden dat helemaal niet ver achter ze ligt. Zowel Boudewijn de Groot als Bob Dylan hebben het over een ontoegankelijk vroeger terwijl ze zelf nog maar 22 jaar zijn. Gerard Reve is een jaar of 23 als hij zijn roman schrijft en François Haverschmidt (= Piet Paaltjens) schrijft zijn gedicht in 1853; hij is dan achttien.

Dat het allemaal zo lang geleden lijkt, zit hem dus niet in het aantal jaren, maar in de onherroepelijke verandering van staat en status waarmee de vriendschap eindigt, ‘at the drop of a hat.’

02 augustus 2020

Aanbieding

Langs verschillende digitale wegen laat Bever, die van de buitensport, weten dat de Helinox One Chair, om precies te zijn, de grijze editie met 30% korting wordt aangeboden. Nu ben ik geen liefhebber van online aankopen en bovendien vind ik buitensportwinkels bijna net zo leuk als boekwinkels om binnen te lopen. Dat bracht me afgelopen woensdag naar de Oudegracht.
In de winkel bevestigde een bordje wat al via internet was verteld, maar bij die mededeling vond ik geen bijpassend stoeltje. Wel een tafeltje; alleen heb ik daar geen interesse voor.

Het stoeltje is een gevoelig punt. Ook letterlijk. Ik heb namelijk al 35 jaar een klein en bijzonder handig kampeerstoeltje. Het is veel gebruikt en daarom heeft een schoenmaker al wel eens een weggesleten hoekje moeten vernieuwen. Nu is het de beurt aan een tweede hoekje. Punt is alleen dat ik tijdens de fietsvakantie van een paar weken geleden merkte, hoe moeilijk het soms was om uit het stoeltje overeind te komen. Het zit te laag. Bovendien prikt het uiteinde van de rugleuning links een beetje in mijn rug. Misschien wordt het daarom tijd voor een iets hoger stoeltje, al moet het makkelijk zijn om op en uit vouwen. Ook moet het te reduceren zijn tot een klein en vooral ook licht pakje.
Zonder de korting kost het beoogde nieuwe stoeltje 100 euro. Dat is op zichzelf genomen misschien niet te duur, maar in mijn geval moet zo'n stoeltje wel gekocht worden door iemand die diep in zijn hart helemaal geen afstand wil doen van zijn vertrouwde stoeltje en ook niet van de vanzelfsprekendheid om uit dat stoeltje op te staan. Kortom: woensdag vertrok ik zonder nieuw stoeltje en amper teleurgesteld uit de nieuwe winkel van Bever aan de Oudegracht.
Donderdag ging ik naar een speelweide met water en veel kleine kinderen, onder wie twee van mijn kleinkinderen en ik nam het oude, te lage stoeltje mee. Eerlijk gezegd viel het me mee, het opstaan uit het stoeltje. Dus als ik een nieuw stoeltje zou kopen, dan moest me dat wel in de vorm van een aantrekkelijke aanbieding in de schoot geworden worden. Graag of niet.
Terwijl ik me met de kleintjes bezighield, zag ik op afstand dat Mente in het oude stoeltje was gaan zitten. Ze was er zeer content mee. En daarmee kwam toch weer die aanbieding om de hoek kijken, want stel dat ik toch een nieuw stoeltje kocht, dan schreef ik daarmee het oude niet af: dan hadden Mente en ik alle twee een laag stoeltje, voor in het gras of op het strand. De aanbieding van Bever stond nog steeds op internet, zag ik thuis. Telkens als ik naar het digitale winkelwagentje ging, vond ik daarin een stoeltje voor de volle prijs. Dan maar niet.
Gisteren fietste ik naar de grote winkel van Bever in Houten. Dat deed ik via een lucratieve route die ik via de ENFB op mijn gps-apparaatje had gezet. Ook daar vond ik alleen maar de tafeltjes en niet die stoeltjes in de aanbieding. Ik neusde nog even bij T-shirtaanbiedingen, fietstassen en bij de tentententoonstelling, maar kocht niets.
Vanmorgen kwam in een tussenzin in de preek onze gehechtheid aan spullen even langs. Ik dacht aan het stoeltje dat al dagen door mijn hoofd speelt. Vanmiddag liep ik in Harlingen een boekwinkel binnen. Voor het geld dat ik daar uitgaf, had ik gisteren best een stoeltje kunnen kopen.
Voor boeken gelden andere regels.

31a juli 2020

Boodschappen

Bijna een maand geleden al spraken we af dat ik op vrijdag 31 juli haar wekelijkse boodschappen zou doen. Doorgaans zorgen vooral haar buren daarvoor, maar die zijn met vakantie, net als anderen in haar straat die graag iets voor haar willen betekenen.
Voor alle zekerheid bel ik haar donderdagavond op. Er wordt niet opgenomen. Ook niet een tweede, derde of vierde keer, telkens gaat de telefoon anderhalve minuut lang over; dan wordt de verbinding automatisch verbroken.
Ik bel haar broer, haar kleine broertje, zoals ze hem nog regelmatig noemt. Die is een eindje in de tachtig. Hij wijt het euvel aan het gehoorapparaat, of liever, niet aan het apparaat, maar aan het feit dat ze dat ding nooit in heeft als ze niet onder de mensen is.
Om half acht fiets ik even naar haar toe. Ze doet meteen open.
‘Ja, sorry, ik ben pas net aan het koken. Ik heb een paar uur in de hal gezeten omdat er medicijnen afgeleverd zouden worden, maar ze zijn nog steeds niet geweest. Nu zullen ze wel niet meer komen.’ Het heeft nog minder zin dan anders om iets terug te zeggen. Ze volgt haar eigen verhaal en zonder apparaatjes hoort ze niet eens wat ik zeg, al vraagt ze me nog wel of ik misschien gebeld heb. Nu ik zo voor haar neus sta, realiseert ze zich dat ze misschien de telefoon wel gehoord heeft, maar ze was teveel bezig met die medicijnen, met dat wachten in de hal. Ze mag nog blij zijn dat er een gewone heldere ruit in haar voordeur zit.
Maar nu ik er toch ben, kan ze net zo goed het boodschappenbriefje samenstellen. Dat koken moet maar even wachten.
Ze noteert een zakje krieltjes van ongeveer 500 gram en vertelt vervolgens dat het met haar gezondheid niet goed gaat. Ze moest dus een maandje terug plots het ziekenhuis in en onmiddellijk geopereerd worden vanwege een galblaasontsteking. Dat ging allemaal goed. Haar zwakke hart doorstond het allemaal, maar nu valt ze ontzettend af. Ze zit nu onder de vijftig kilo. ‘Moet je het vel op mijn armen zien. Zo ken ik mezelf helemaal niet. Daarom krijgt ze nu voedingssupplementen en die zou de apotheek vandaag dus afleveren.’
‘Je briefje, Nel,’ roep ik.
‘O ja, mijn briefje… Krieltjes, ja, en dan een net perssinasappels en doe ook maar twee bananen. Ik ben er wel door van streek merk ik. Ik mag niet klagen, over een maand word ik 94, maar ja. Twee nectarines.’
Bij de drie paprika’s vraag ik nog even naar de kleur. Dat maakt haar niet uit. Daarna is het stil. Ze noteert de boodschappen op een afgeknipt stuk van een envelop.

Vanmorgen fietste ik toch langs de apotheek en ik kreeg haar medicijnen meteen mee. Dat viel me mee. Bij Albert Heijn, een vestiging die pas een jaar geleden geopend werd, lagen de groenten, het brood, de drank, werkelijk alles, in de volgorde van het briefje. Behalve het laatste punt, ‘iets lekkers voor jezelf’, maar een pijl gaf aan dat ik daarvoor moest zoeken tussen ‘1 klein stukje zalmfilet’ en ‘1 half Waldkornbrood.’

De vreugde was groot toen ik niet alleen de boodschappen maar ook de medicijnen afleverde.
‘Wat ga je vandaag doen?’ vroeg ze.
‘Ik ga iets schrijven over Leopold.’
‘Leopold? Die van ‘Dan ben ik licht, den hoogsten zon te boven’ bedoel je?’ En ze gaat verder.
‘dan ga in diepe duisternis ik dooven.
Mijn ziel rijst hemeluit, mijn lijf is hier –
Wat moet ik, Heer, wat van mijzelf gelooven?’

Met haar hoofd is niks mis.

31 juli 2020

Met vleugels

We gaan naar de Voorveldse Polder. Mente heeft haar fiets al uit de schuur gehaald als Lucas de nieuwe leren bal onder het afdakje ziet liggen. Daar wil hij mee spelen. Afgelopen maandag waren hij en zijn neefjes hier ook en toen raakte hij onder de indruk van de balvaardigheid van zijn neef Klaas, die overigens al zes is. Misschien heeft die bal wel te maken met het plotselinge besluit iets anders te gaan doen, want eenmaal onder het afdakje kijkt Lucas even de schuur in, waar hij het fietsje met de zijwieltjes ziet. Hij stapt er op, rijdt de schuur uit en sjeest zo de poort in, met een enorme vaart.
Verderop in de poort staat Mente op ons te wachten: we zouden toch naar de Voorveldse Polder, naar de plek van zon, gras, en een voor kleuters spannende waterpartij. Lucas geniet ervan om dan juist iets anders te willen. Dat hebben jongetjes van vier. Vandaar die bal waarschijnlijk. Maar eigenlijk is de bal nog een stap te ver voor Lucas, vooral nu hij gezien heeft met hoeveel virtuositeit Klaas daarmee omgaat. Dat verklaart misschien die plotselinge beslissing om op dat fietsje te gaan zitten, maar dan nog zie ik het met verbazing gebeuren, want eerdere pogingen om Lucas daarop te krijgen, werden radicaal van de hand gewezen. Lucas was ervan overtuigd dat hem een leven wachtte zonder te fietsen. Vandaar ook dat het fietsje uiteindelijk achterin de schuur terecht kwam. Alleen al bij het zien ervan verschoot Lucas van kleur.
En nu dit.
‘Ik wil op deze fiets naar de Voorveldse Polder!’ roept hij. Ik zeg dat we dat vandaag maar niet moeten doen en hij is plotseling een en al meegaandheid.

Als we weer naar huis willen, is daarvan weinig meer over. Mente worstelt nog wat in een poging hem in sandalen en droge onderbroek te krijgen. Om daar even van bij te komen, richt ze zich op Marcus. Die werkt ook niet mee, maar met zijn twee jaar biedt hij toch minder weerstand. Lucas kan zich wel vinden in mijn voorstel dat hij zichzelf maar moet aankleden en daarom fiets ik even later naar huis met een jongetje voor me met een onderbroek op zijn hoofd, met blote voeten op de stepjes en hij heeft wel keurig een korte broek aan, maar daar zit dus geen onderbroek onder. Eenmaal thuis weet hij niet hoe snel hij alsnog zijn sandaaltjes aan moet trekken en wij zijn nog niet bij de achterdeur of hij kart luid zingend door het poortje. Met nog steeds die onderbroek op zijn hoofd. Ik blijf liever in de buurt, want als je een poort inrijdt, kun je hem ook zo uitrijden. En ik acht hem er toe in staat om nu zelf alsnog naar de Voorveldse Polder te fietsen.
De kwaliteit van het poortje is niet honderd procent. Er zijn wat kuiltjes hier en daar. Als je daar langzaam doorheen rijdt met een fiets met zijwieltjes, dan raakt het achterwiel de grond niet meer en kom je niet meer van je plek. Alleen een opa kan dan uitkomst bieden. Daarom wordt mijn aanwezigheid gedoogd. Beter is het natuurlijk om juist harder te gaan rijden en dat doet hij dan ook. Hij wordt één met het fietsje. Als hij me tegemoet sjeest, doet hij me denken aan een van de hondjes uit zijn favoriete serie Paw Patrol, waarin hulpvaardige hondjes altijd vrolijk in vliegtuigjes de verschrikkelijkste rampen te lijf gaan. Onverschrokken. Onkwetsbaar. Onverbeterlijk gelukkig.

27 juli 2020

Over twintig jaar

In onze niet al te directe omgeving is sprake van relationeel ongerief. ‘Als het vuur gedoofd is…’ Want dat is er aan de hand tussen een man en een vrouw die ooit ja zeiden en nu, jaren later, aan hun kinderen vertellen dat ze met de ander toch maar liever niet oud worden. Ik kan daar niet zo goed tegen, als mensen uit elkaar gaan, en al helemaal niet als er kinderen in het geding zijn.
In de jaren negentig kwamen we in onze kennissenkring nogal eens mensen tegen die ’s avonds in bed, een partner met een gespannen voet tegen kwamen, of overdag in de keuken. Eerlijk gezegd hoorden we daar vaker van via hun kinderen dan via die mensen zelf. Kinderen betalen niet alleen de rekening, ze moeten zolang iets nog niet definitief is vaak ook nog met een geheim rondzeulen. Dat vergaat ze doorgaans slecht, als ze klein zijn en ook niet als ze op de middelbare school zitten. Al het onverkwikkelijks dat ze overkomt en dan ook nog eens loyaal moeten zijn…
Ineens moet ik ook weer denken aan al die afgrijselijke rituele handelingen op school rond ouderavonden, rapportages, persoonlijke gesprekken. Een leerkracht mag kinderen niet slaan, dat begrijp ik, maar waarom mocht je ouders niet af en toe een schop verkopen?

Van die botsingen stellen in onze kennissenkring van twintig jaar geleden zijn er overigens nauwelijks daadwerkelijk uit elkaar gegaan. En nu? Nu lijkt het alsof er nooit iets aan de hand is geweest. Ik kom zorg en zorgzaamheid tegen. Mijn eerste impuls is en blijft daarom ook: doe het niet. Wat heeft het voor zin om degene die je jaar en dag het naast is geweest, door wie je je leven het laten tekenen, met terugwerkende kracht af te keuren.
Let wel, ik heb het over het gedoofde vuur, waarbij de een voor de ander en omgekeerd niet meer interessant genoeg is.
En of ik dat ook zeg? Nee, natuurlijk niet. Als ze me het zouden vragen, ja dan,… Maar er wordt me niets gevraagd.
Vandaag zat ik op een gegeven moment met vier jongetjes op de bank. We hadden oppasdienst. Ik keek naar ze en dacht aan hun ouders. Stel je eens voor dat… Ik zou, ik zou, ik zou misschien wel niets.
Soms komt het binnen, zonder te bellen en zonder te kloppen: angst dat mensen hun relatie niet kindvriendelijk weten te houden. Zoals ik de laatste tijd wel eens wakker word van de gedachte dat Trump opnieuw president wordt omdat er blijkbaar heel veel rare Amerikanen zijn die deze overjarige wel weer voor vier jaar op een schild willen hijsen. Zoals ik een beetje sip ben als ik bedenk dat ik over een maand of wat niet mijn arm om een oude vriend kan slaan die toevallig naast me zit, op de bank, in de schouwburg of in de kerk.
Zo ben ik ook bang voor scheuren tussen mensen die elkaar ooit beaamden en het tijd vinden voor iets anders, eentje met rood haar of met een buikje en een ander gezin, om maar iets te noemen. Dankjewel, ik moest het even kwijt.

26 juli 2020

De druppel en de boemerang

Ik kom zojuist terug van een reis over en door wereldzeeën en tijd. En dat allemaal telefonisch. Met mijn zus herdacht ik, het derde gesprek, mijn zwager die gisteren acht jaar geleden overleed en wiens as enkele maanden later uit een koker in zee terecht kwam. We zijn toen een heel eind de strekdam bij Hoek van Holland op gelopen. Mijn neef klauterde nog wat naar de zijkant, opende de cilinder en hield die vlak boven het water. De golven wilden wel, maar de wind ook en zo werd ook wat as in onze gezichten geblazen. Het verliep allemaal wat onbeholpen, maar toch ook passend en met die as in onze gezichten waren we wel tevreden. Er mag toch wel iets beklijven van wie je dierbaar zijn.
Twee telefoongesprekken daarvoor sprak ik een goede kennis, die behalve een vroegere buurman ook een koude neef is. Dat wil zeggen dat zijn naar den bloede warme tante getrouwd was met een naar den bloede warme oom van mij. Het was een gelukkig huwelijk waarvan altijd wel een kat getuige was, maar nooit een kind. Het beheer van de nalatenschap ging naar de familie van de koude tante.
Een paar weken geleden bedacht ik dat ik als tamelijk trouw kerkhofbezoeker (dat is een familietrekje) nooit een bezoek had gebracht aan het graf van de oom en tante in kwestie. Omdat ik nu de koude neef toch aan de lijn had, vroeg ik er naar. Het graf is al enkele jaren geleden geruimd. Er zijn dus geen sporen meer van de oom en tante bij wie ik als kind iedere vakantie wel een paar dagen logeerde. Dat vind ik jammer.

Volgens mijn zus ligt dat met haar overleden geliefde anders. Die is sinds zijn ontsnapping uit de koker overal. Verdund weliswaar, maar hij is alomtegenwoordig. Alsof de oceanen om ons heen een homeopathische plas zijn.
Het tweede telefoongesprek van vanmiddag duurde het langst. Daarin was voornamelijk de kunstzinnige neef aan het woord. Die had het ook al over wereldzeeën, verdronken rijken als Atlantis en oude Egyptenaren die goed wisten om te gaan met boemerangs zoals we die kennen van de aboriginals. ‘Na de oorlog zijn er nogal wat Nederlanders naar Nieuw-Zeeland vertrokken, maar wie weet kwamen de eerste Nederlanders tienduizend jaar eerder uit Nieuw-Zeeland en vestigden ze zich op Flakkee. Zeg niet, dat het niet waar is, want wat weten wij daarvan?’
Ik zweeg, want deze neef is de zoon van de man die verdund simultaan door alle wereldzeeën stroomt. Waarom zou hij niet gelijk hebben?
Opeens dacht ik aan twee gedichten van J.H. Leopold. Allereerst is daar Oinou hena stalagmon, één druppel wijn. In dat gedicht valt een druppel wijn in de oceaan:
‘daar kleurt de druppel uit den gevloten
den Oceaan; een enkle pereling
doordringt de gansche helderheid en deelt
haar wezen mede aan de verste stranden,
den diepsten bodem […]’

En het andere gedicht is natuurlijk Cheops, waarin de gestorven farao hemelse sferen doorkruist waarbij orde en chaos door elkaar buitelen en individualisering strijd voert met een ontindividualiserende vergoddelijking. Je zou kunnen zeggen dat Cheops aanspoelt, kiest voor het aardse en zijn plaats inneemt als element tussen in steen gevatte tekens:
‘hij is geboeid door de symbolen
van het voormalige en hij hangt er in.’
Ja, het was me een middagje aan de telefoon. Intussen heb ik de bundel van Leopold uit de kast getrokken. Ik denk dat ik die twee gedichten maar eens rustig moet herlezen.

24 juli 2020

Dirk zag Loof

Het was beslist geen goedheid toen ik zei dat ik me in het Westland niet onledig zou houden met allerlei bezoekjes, dat was onvermogen. Onvermogen van mijn kant om voor kleine jongetjes opa te zijn én tegelijkertijd met anderen oude koeien op het droge te trekken; onvermogen van kleine jongetjes om niet te jengelen maar braaf aanwezig te zijn als grote mensen die je grotendeels onbekend zijn met elkaar aan de praat gaan. Dus we liepen gisteren wel even een kroeg binnen in ’s-Gravenzande omdat daar de kleinzoon van mijn zus werkt, maar het vrolijk aangeboden drankje sloegen we af. Dat wil zeggen: dat sloeg ik af.
De jongste, haar partner en hun kinderen waren van de week al bij mijn Westlandse broer geweest, dus daar kon ik met een gerust hart naar toe toen de kinderen op bed lagen, gisteravond.

En dan heb ik nog mijn Westlandse vriend. Maar die trok, dacht ik, met zijn camper door Nederland, dus dat hoefden we niet te proberen. Dirk en ik zijn vrienden vanaf ons vierde. ‘Sinds de kakschool,’ zoals hij zegt als hij me aan iemand voorstelt.
Toen we vanmorgen langs zijn huis reden, moesten we toch maar even stoppen, al was het maar om te kijken of de bel het nog deed. Die deed het en er werd nog open gedaan ook. De vrouw van de vriend deed open en we moesten vooral binnen komen. Nu ligt er een verrassende tuin om het huis, en de vriendin, de jongste en Mente vinden kleine jongetjes leuk, dus konden we er zo drie kwartier blijven zonder dat de jongetjes het gevoel hadden braaf te moeten wezen.

Dirk vertelde me dat hij van de week Loof had zien fietsen. Loof was een weinig succesvolle boekhandelaar in Monster. Lang, rossig, enorme flaporen en hazenlip en dan stotterde hij nog ook. Hij was getrouwd met een korte dikke vrouw. Waarschijnlijk omdat zij als enige twee in de bak waren achtergebleven bij de grote partneruitdeling. Je kunt Loof lelijk noemen, je kunt ook zeggen dat ie markant was. Aardig was hij ook. Als ik voor een tombola voor de padvinderij of voor de bazaar van de kerk bij hem naar binnen liep, ging ik altijd wel met een stapeltje boeken de deur uit. Niet alleen aardig, die Loof, ook gul. En Dirk had hem van de week zien fietsen.
Ik dacht dat ik de enige was die daaraan leed. Toen ik gisterochtend in Naaldwijk een boodschap moest doen, zag ik op de Geestweg onze akela fietsen. We hebben elkaar niet gegroet. Dat gaf geen pas, want al reden we elkaar tegemoet in dezelfde straat, in dezelfde wereld was dat niet, want twee jaar geleden was ik aanwezig bij zijn begrafenis. En dat had Dirk dus met Loof.

Ik loop sinds die tijd met het lied van Willem Barnard in mijn hoofd over Jeruzalem, de vaderstad, dat lied dat vanwege de negers met hun loftrompet in diskrediet raakte. Tot mijn spijt. Ik heb heel lang niet geweten dat neger een beladen woord was en gunde Louis Armstrong een hemelse trompetsolo, Miles Davis trouwens ook. Een eenvoudige herformulering om het lied weer vlot te trekken lijkt me niet moeilijk. Als het zover is, dan kom je regelmatig op aarde de hemel tegen, waarin Bach de maat slaat, Uncle Satchmo trompetspel afwisselt met een hemels ‘Wonderful world’. En waarin veel gefietst wordt, door Loof, door de Akela en fietsenmaker Niek Vianen komt ook weer langs.
Verbazingwekkend dat je bij kerkhoven zo weinig fietsen ziet. Waar zouden ze die laten als ze even uitrusten?

23 juli 2020

De fietsenmaker

Eergisteren stond mijn Amersfoortse neef voor de deur. Hij moest in onze straat zijn en knoopte aan een zakelijke verplichting daar een bezoekje aan familiair erfgoed. Zijn vader verliet Monster kort na de oorlog om elders een bestaan op te bouwen en dat deed hij dus in de Keistad. Daar werd zijn enige zoon geboren; niet onmiddellijk, vandaar dat we leeftijdgenoten zijn.
Dit was de eerste keer dat de een de ander spontaan bezocht, maar we troffen elkaar wel bij zijn moeder. Niet heel vaak, maar toch frekwent genoeg om een gestaakt gesprek onmiddellijk voort te zetten.
Gisteren liep ik even door de wijk waar ik als kind gewoond heb, net als de vader van de neef deed in de jaren dertig en veertig. Die oom was de broer van mijn vader. Ze scheelden maar vijftien maanden. De oom woonde al twintig jaar elders toen we in de zomer van 1967 door de Molenstraat liepen, niet ver van de molen, ter hoogte van de rijwielhandel waar ze geen fietspomp wilden uitlenen aan een oudere dame*. Ook toen zat daar al een fietsenmaker, maar een andere dan de huidige. Dat kan ook niet anders, want als Niek Vianen nog had geleefd, zou hij nu toch al gauw honderdtien zijn geweest. Ik denk zelfs iets meer.
Goed, wij liepen daar dus, mijn oom en ik, toen Niek Vianen kwam aangefietst. Mijn enthousiaste oom sprong de straat op om hem tegen te houden.
‘Dag Niek, hoe is het nou met jou? Weet je nog wie ik ben of ken je me niet meer?’
Niek lachte een beetje schaapachtig en keek mijn kant op. Mij kende die dan wel, maar wie die man was? Hij bleef wat lachen, te bleu om te zeggen dat hij het niet wist. Ik schaamde me een beetje voor mij overenthousiaste oom.
Die vertelde wie hij was. ‘Je weet wel, uit de Varenstraat. De groenteman met zijn paard, met Lieftink,’ want zo had mijn oom zijn naoorlogse paard genoemd.
Ik kan me niet herinneren dat Vianen echt iets gezegd heeft. Ook niet dat hij er geen idee van had wie die man nou was, maar zo was het wel. Zoveel was wel duidelijk.
Ik ben niet twintig maar bijna vijftig jaar weg uit Monster en ik weet zeker dat ik gisteren en vandaag mensen ben tegengekomen met wie ik vroeger in de klas zat of op de padvinderij of wat dan ook. Af en toe is er wat herkenning, een stuk straat, een huis, maar ik beweeg me vooral door een gebied van vervreemding. In Loppersum, om iets te noemen, eigen ik me straten toe, in het Westland zie ik vooral dat er veel niet meer is. Deze keer vallen me vooral de stukken grond op waar ik vroeger op een schuit doorheen voer, waar ik slootje sprong of wat dan ook. Ze gingen op de schop of doen dat alsnog om huizen te bouwen voor de tien- en tienduizenden Westlanders van na mijn vertrek met wie ik nooit wat te schoffelen had of hebben zal.
De Amersfoortse neef en ik heb intussen wel een afspraak gemaakt en ik weet zeker dat hij een keer met me naar Monster wil. Om de Molenwijk te zien, het kerkhof te bezoeken en een oude neef. De fietsenmaker bij de molen zal ik hem afraden.

* Zie OH van gisteren, 22 juli 2020.

22 juli 2020

Geen fietspomp

Ook een maand geleden bezocht ik het kerkhof van Monster. Deze keer had ik geen bloemen bij me, je kunt niet bezig blijven, maar wel een dochter en een kleinzoon en we gingen even langs het graf van mijn ouders. Voor mij had het niet zo gehoeven om het opnieuw bij de doden te zoeken en niet bij de levenden, maar de jongste wilde er weer eens langs. We zijn een paar dagen te gast in een huisje dat zij huurde in de driehoek Naaldwijk, ‘s-Gravenzande, Monster. En vandaar fietsten we naar Monster.
Een bezoek aan doden heeft als praktisch voordeel dat je er niet zo lang hoeft te blijven. Dat was maar goed ook, want Lucas begon steeds meer trek te krijgen in het ijsje dat we hem beloofd hadden. Dat haalden we bij de ijsboer tegenover de molen. Onder die molen, De Vier Winden, waren bankjes geplaatst die uitnodigden om daar je ijsje op te eten. Links zag ik het huis waar ik in mijn puberjaren woonde, rechts stond mijn geboortehuis. Hier was ik een jeugd lang thuis geweest.

Op het bankje naast ons zat een oude man. Hij had een vouwfiets voor zich staan, op zijn kop. De band was zacht, misschien wel lek. Terwijl wij vergeefs ons best deden om de ijsjes niet te laten lekken, kwam er een vrouw naar ons toe met de vraag of wij een fietspomp hadden. Die hadden we niet. Vanochtend, thuis in Utrecht, had ik nog wel even gekeken naar het handige pompje dat ik altijd meeneem op trektochten, maar lekke banden spelen me nauwelijks meer parten, dus ik nam het niet mee.
Daarom moest ik nu nee verkopen. Wel verwezen we naar de fietsenmaker om de hoek. Daar was de vrouw al geweest, maar de werkplaats was gesloten. Alleen de verkoopafdeling draaide. Zonder fietspomp. Ik vond het een raar verhaal.
‘Gaat u aan de overkant de deuren langs. Er is vast wel iemand met een pomp,’ stelden we voor. Dat had de vrouw al gedaan. Hoewel de man van de omgekeerde fiets en zij geen woord met elkaar wisselden, elkaar zelfs niet even aankeken, was duidelijk dat ze een stel vormden en dat zij de ondernemende was van de twee. Ze belde iemand met haar mobieltje en even later stak ze over en stapte op een fiets die blijkbaar de hare was.

Hier was ik een jeugd lang thuis en nu was ik niet eens in staat om iemand even aan een pomp te helpen. Ik wist van de schuur links, een eindje verder, zou er blindelings de fietspomp hebben kunnen pakken, een andere overigens dan die van de schuur achter het huis rechts, die hadden we ooit moeten vervangen. Intussen kon ik dus niets betekenen en moest ik constateren dat een heel dorp in gebreke bleef.

Lucas had bijzonder veel moeite met zijn smurfenijsje, al leed hij er niet onder. Gelukkig had ik bij de ijssalon gauw een stel servetten in mijn zak gestopt en ik had dan wel geen fietspomp bij me, wél een volle bidon zodat er een schoon jongetje op de fiets gehesen kon worden.

Toen we vertrokken zat de man onder de molen, nog achter zijn omgekeerde fiets, hij staarde naar wat sprietjes gras tussen zijn schoenen. De vrouw was nergens te zien.

21 juli 2020

Sterzingers

 

Het ligt niet erg voor de hand om op de derde dinsdag van de hooimaand stil te staan bij een tekening waarin een groepje kinderen in een optocht huizen langs gaat. Als het goed is, zijn ze verkleed als een van de drie koningen of als herder. Het is een tafereel dat zich afspeelt in de periode tussen Kerst en Driekoningen.
In het midden, het drukste deel van de tekening staan zeven kinderen. Een vrouw midden in het groepje draagt een achtste kind en een beetje achteraan staat misschien een negende. Een puber? Dan wel eentje die geen aandacht heeft voor waar de vier kinderen vooraan mee bezig zijn. Die staan in een kringetje, eentje met de rug naar ons toe. Ze zijn ergens over in gesprek. Het zou kunnen dat de een vindt dat hij de ster nu eens mag dragen, dat is de lamp die aan een dunne stok als een zonnebloem van licht boven hun hoofden hangt. De ander wil hem niet afgeven, of hij wil juist dat die andere koning hem nu eens overneemt. Het maakt deel uit van hun spel van de driekoningen, maar ze zitten niet meer in hun rol. Het zijn geen koningen en herders meer, maar jongens die het niet helemaal met elkaar eens zijn. Eentje staat er verveeld bij. Hij is het gedoe van zijn vrienden zat. De vierde, links, is er bij gaan zitten en wacht af hoe het afloopt. Hij is partij, maar laat het niet merken.
Ernstig is allemaal het niet. Dat zie je aan de moeder met het kind op haar arm. Ze is met een paar penseelstreken neergezet, voldoende om te zien dat ze wel plezier heeft in het gedoe van de jongens, voldoende ook voor ons om te zien dat ze mooi is. De hond die later met een dikker en dik in de inkt gedoopt penseel met een paar cirkels en streepjes is neergezet, heeft meer belangstelling voor de twee kinderen rechts. Waarbij de grootste van de twee de ontevreden kleine wijst op de ster, om af te leiden. Niet alleen de hond, ook twee mannen op de achtergrond hebben meer belangstelling voor die twee. Het kan niet anders, of het kleine kind huilt. De mond is een grote zwarte inktvlek. De hond is later aan komen lopen, denk ik.
Schuin achter de vrouw heeft nog een derde man gestaan. Hij is veranderd in een bruine vlek. Waarschijnlijk heeft Rembrandt de zijkant van een in water gedoopte rechterduim gebruikt om de man weg te halen. Uiterst rechts zie je nog iemand weglopen. Dat zou dus de man kunnen zijn die meer naar voren een bruine vlek werd.
Het linker deel van de tekening is veel lichter dan de rest. We zien een gezin in de deuropening. De onderdeur is nog dicht, een kind heeft moeite over de rand heen te kijken. Hier, naar dit gezin in de deur zou de belangstelling van al die kinderen uit hebben moeten gaan. De man en de vrouw en de baby die ze dragen zouden toegezongen moeten worden. Het gezin in de deur zou zomaar de heilige familie kunnen zijn, maar waar komt dan dat kind vandaan dat moeizaam over de onderdeur gluurt?

Rembrandt maakte de tekening in 1646, toen calvinistische predikanten er alles aan deden om dit soort katholieke gebruiken uit te bannen. Kerst, Pasen, Pinksteren, dat waren genoeg feestdagen.
Daar hoorde die flauwekul van Driekoningen niet bij.
De tekening, pen en penseel met bruine inkt, meet ca 20 bij 30 centimeter.

18 juli 2020

De plek

Op de avond van onze thuiskomst stuurde Henk me zijn foto's van onze fietstocht toe. De man is zo snel! Een deel van zijn en mijn foto's wordt onmiddellijk gewist. De rest schuif ik in elkaar. Daar ben ik nog mee bezig. Voor de exacte volgorde raadpleeg ik af en toe de tijd van opname. Daarbij viel me deze keer op dat Henk dertien minuten op mij achterliep. Intussen heb ik gecheckt hoe het zit en weet ik dat hij niet achterliep, maar ik voor. Daarbij verbaast het me niet dat de tijd van Henks camera goed was ingesteld, wel dat het leek dat mijn camera voorliep op die van hem. Nogmaals: Henk is namelijk sneller dan ik.

Bij het ritueel van onze tochten hoort dat Henk iedere dag een tekeningetje maakt als verslag van de dag en ik schrijf een stukje. Henk zit doorgaans voor of anders in zijn tentje, ik zit liever niet buiten, omdat ik dan het scherm van het laptopje niet goed kan zien, dus mij vind je in mijn tentje, op mijn stoeltje, het apparaat op schoot. Henk heeft dit jaar geen foto van me gemaakt terwijl ik een stukje aan het tikken ben. Dat is geen punt, integendeel: ik hou er niet zo van dat schrijfsels verwijzen naar het schrijven, of foto's naar het fotograferen. Dus je hoeft ook niet te zien hoe de schrijver zit te schrijven. Maar bij het kamperen is het vinden van de geschikte plek toch wel steeds een momentje om bij stil te staan.

De fietstocht van dit jaar was bijzonder kort, een week, en daarbij kwam dat ik halverwege een nacht thuis sliep en dus mijn stukje achter mijn bureau kon schrijven. Dat is bijzonder prettig (daarom deed ik het ook), maar past niet bij het ware kampeerwerk. Er blijven nog vijf nachten over en in drie gevallen lukte het me in de buurt van een stopcontact te zitten bij het schrijven. Ik ben nogal gevoelig voor volle batterijen en accu's namelijk. Twee keer kwam ik in een soort blokhutje terecht en een keer, in Drieënhuis, in een tot eenvoudige recreatiehal omgetoverde boerenschuur, waar ik een krukje als tafel gebruikte en een andere krukje als - je raadt het nooit - krukje om op te zitten.

Het vinden van een schrijfplek is dus wel een moment om aandacht aan te besteden, al moet ik zeggen dat het schrijven op een stoeltje in de tent met computertje op schoot me goed bevalt. Maar vanwege de energievoorziening is dat dus niet mijn eerste keus. Dat een plek een stukje wel kan beïnvloeden, ook al gaat dat helemaal niet over die plek, zal wel onzin wezen, maar toch zit dat in mijn hoofd. Stel je voor dat je aan een stukje over gesprekken tussen Europese regeringsleiders in Brussel kunt merken dat de schrijver ervan die dag gebonden tomatensoep heeft gegeten, hoogstwaarschijnlijk niet uit een kom maar uit een bord. En dat je dat niet merkt omdat dat wordt verteld, maar de woordkeus en melodie van de zinnen dat verraden. Dat zou toch prachtig zijn.

Die gedachte speelt ergens in de diepte mee als ik tijdens fietstochten een schrijfhoek zoek. Misschien dat ik het daarom wel spannend vind om op een vreemde plek mijn laptop open te klappen.

Cup-a-soup is heel lekker als je een dag gefietst hebt. Thuis smaakt die verschrikkelijk, maar niet tijdens een fietsvakantie. Ik weet niet of het met de rest van dit stukje te maken heeft, maar voor mijn gevoel maakt deze belangrijke mededeling het voorgaande pas volledig.

17 juli 2020

Déjeuner sur l’herbe

Mijn rooie fietsje sprong enthousiast de poort in. Het was een verademing om na meer dan een week zomaar zonder bagage op stap te gaan. Hij huppelde naar de grazige weiden direct buiten de stad, vrolijk om zijn herwonnen lichtheid. Nauwelijks in de polder werd hij tegen een paal gezet.
Een paar meter verderop stond het stralende middelpunt van de dag. Een kleine rij mensen vormde een pijl die naar haar wees. Er is er een jarig, dacht ik, en: dat kun je wel zien, dat is zij. ‘Ik ben echt jarig vandaag,’ zei ze, ‘en ik voel me ook heel erg jarig, ook al kan ik niet geloven dat ik nu al zeventig ben.’
Dat zou het thema van de dag worden. Wat ons daar in de groene polder te wachten stond, wist ik niet goed. Koffie was er, en gebak. Dat had ik wel verwacht. Er zou ook iets van een rondleiding zijn. Dat klopte, een deel van het gezelschap zou worden rondgeleid op het fort iets verderop, het andere deel zou een wandelingetje maken. Ik wandelde even later langs de paden waren ik een paar keer per week fiets. Van een afstand volgde mijn rooie fietsje mijn gangen.
Sommigen bleven bij de picknicktafels. Dat was een leeftijdsdingetje waar beleefdheidshalve niemand iets van zei. De wandelaars liepen langzaam, het was een slenteren, op halve kracht. Ook dat was te snel en daarom stonden we vaak stil om de anderen op te wachten. Er werd gewezen naar lang geleden huizen die er niet meer stonden. Gewezen naar een molen en een overbodige slagboom die er altijd al geweest waren, maar die de een of de ander nooit eerder had opgemerkt. In al die jaren niet!

Toen het rondje af was, begon mijn fiets al te kwispelen, maar nu zou de high tea nog komen. Ik kwam met vier anderen aan een van de vier tafels te zitten.
Een stel vertelde in geuren en kleuren van de ellende die de bouw van hun seniorenwoning met zich mee brengt. Zij hadden het overigens niet over een seniorenwoning maar over alternatief wonen. ‘Het is namelijk voor alle generaties.’

‘Ik voel me helemaal niet ouder dan vroeger. Zeventig zijn zegt me niks,’ verklaarde een vrouw die ik al zag bij de zwemles van de kinderen en bij de avondvierdaagse, maar die ik nooit had gesproken. Ze ging verder: ‘Alleen als de kinderen er zijn, dan voel ik me oud, want ze praten met elkaar, niet met mij, en ik heb vaak geen idee waar ze het over hebben.’
‘Zo ging het met mijn schoonmoeder ook, Carla,’ nu was de 72-jarige echtgenoot van de jarige aan het woord, en hem kende ik wel. ‘Die bepaalde bij haar thuis het gesprek. Later, als ze op bezoek was bij de kinderen, voor een verjaardag, sneed ze een onderwerp aan dat het twintig tellen vol hield; daarna gingen de anderen weer verder met hun eigen gesprek. Nog weer later zei ze niets meer, behalve als iemand vroeg of ze het een beetje naar d’r zin had. ‘O, ja hoor, zei ze dan.’ Jij zit ergens op dat hellend vlak, Carla.’
Ik vroeg maar niet hoe het nu met zijn schoonmoeder was; ik wist dat ze al lang dood was.
Haar jarige dochter niet, die straalde nog steeds en genoot van een scone. Het deed me genoegen om te zien dat ze nu in ieder geval niet dacht aan de staaroperatie die haar te wachten staat en waar ze nogal tegenop ziet.

16 juli 2020

Barneveld

Kootwijkerbroek, Stroe, Harskamp, De Valk, de gebieden van die dorpen lopen wat door elkaar. In dit deel van de Gelderse Vallei lijken de landwegen op elkaar en ze zijn de afgelopen halve eeuw nauwelijks veranderd. Ik merk het als ik door een milde regen in een ruime boog om Barneveld fiets.
Er zijn nieuwere, fraaiere stallen gekomen, dat wel, maar niet veranderd is de geur. Die komt uit de poriën van het gebied.
Bij geur denk ik aan iets vluchtigs. In de lift op school kon je vroeger ruiken wanneer Joop daar gebruik van had gemaakt. Hij hield van eau de toilette en ging er royaal mee om. Toen ik twintig jaar na de verhuizing nog eens terugkwam in de werkkamer van ons vroegere huis rook ik nog de pijptabak die ik daar lang geleden had zitten verstoken. Daar schaamde ik me toen, intussen een verstokt niet-roker, voor. Een beetje maar, een heel klein beetje, want het deed me ook plezier. Dat had ik ook toen er onlangs, vraag me niet vanwaar, een miniatuurtje uit een doos tevoorschijn kwam van een flesje Dakkar Noir. Ik herkende het niet eens, maar toen mijn zoon van tegen de veertig aan het flesje rook, riep hij plotsklaps: Pappa. Inderdaad, zo was het. Ik rookte pijp en deed nog aan eau de toilette. Amphora Bruin en Dakkar Noir
Bij Barneveld rijd ik door een landschap van geur, de geur van de Gelderse Vallei. Het is een weeïge lucht waarvan ik niet alleen het idee heb dat die uit de poriën van het land komt, maar ook opgezogen wordt door de huizen, de mensen en dat alles in de wijde omtrek, organisch of anorganisch, die lucht vervolgens ook weer afscheidt.
Is het vergezocht om te veronderstellen dat geur ook een mentale component kent? Het gaat er nu niet om dat iemand wat somber of gelaten wordt van de lucht van zoveel pluimvee, vermengd met wat andere agrarische ingrediënten. Daar gaat het niet om, ik ga een stap verder. De geur heeft niet alleen een mogelijk effect op iemands geestesgesteldheid, nee, dat zogenaamde effect is een van de bouwstoffen van de geur die kippen verspreiden.
Het zou mij niet verbazen als mijn denken, mijn kijk op het leven anders zou zijn geweest als die pluimveegeur de lucht was geweest waarin mijn leven zich voltrok. Het is een heel andere geur dan die van de kust waar ik opgroeide, en ook van de bossen en de heide van gisteren, toen we hier niet ver vandaan, van Doorwerth naar Kootwijk fietsten.
Misschien zijn er wel geurtherapieën. Ik weet het niet.
Als alle pluimveehouderijen in de Gelderse Vallei geruimd zouden worden, duurt het nog decennia voordat die geur weg is, weg uit de grond, weg uit de mensen, weg uit de gebouwen en weg uit de lucht en daar lijkt het ook een beetje op, dat de lucht bij Barneveld een andere samenstelling heeft dan in de rest van Nederland.

15 juli 2020

Protest

Het derde pontje zette ons de Neder-Rijn over en zorgde daarmee voor een schok in onze beleving van het landschap. Weg waren de klei, het altijd aanwezige water, het platte land en de wind die we tot dat pontje tussen Driel en Doorwerth vooral tegen hadden. Voor het eerst in tijden gebruikte ik het kleinste verzet van mijn fiets. Lang duurde dat niet, zo breed is de stuwwal bij Heveadorp nu ook weer niet, maar het zand, het bos, bleven.

In het rivierenland zagen we hier en daar borden die ons leerden dat het werk van boeren van groot belang is en dat we daar dus vooral niet te gering over moesten denken. Boeren waren trots! De borden zagen we ook op de Veluwe. Natuurlijk niet op de Ginkelsche Heide of bij Kootwijkerzand, maar weer wel bij Stroe, waar bikken rijmde op stikken.

In de omgeving van Kootwijk begon het een beetje naar de Bible Belt te ruiken en al helemaal op de keurig verzorgde minicamping waar we aan het eind van de middag neerstreken. Een leestafel in het sanitaire blok liet er geen misverstand over bestaan: stapels van het tijdschrift De Waarheidsvriend, de kranten van afgelopen week waren edities van het Reformatorisch Dagblad, ik zag een editie van Terdege en ook lagen er twee Bijbels.
Een kilometer of tien eerder hadden we ons erover verbaasd toen we een camping zagen waarbij alle caravans een schotel op hun dak hadden. Die kwam je niet tegen op de natuurcamping even verderop en ook niet bij de twaalf caravans op deze camping. Caravans zonder schotels hebben mijn sympathie. Dit was dus de Biblebelt.

Ik vroeg me af of boeren die bij de GerGem horen, bij Hersteld Verband of bij de Gereformeerde Bond mee zouden doen aan demonstraties? Zouden zij met hun trekker optrekken naar Den Haag? Ik denk van niet, maar ja, onlangs las ik van een SGP-jongere die niet inzag waarom er niet samengewerkt kon worden met Forum voor Democratie. Dat is heel iets anders, ik weet het, maar ik heb geen ander voorbeeld. Ik schrok er wel van. Mijn latente angst voor hordes en mensen die geboren lijken met een beschuldigend vingertje steekt heel makkelijk de kop op.

Lijkt me overigens interessant eens na te gaan of en in hoeverre en op welke manieren mensen die deel uit maken van een bepaalde groep, een beroepsgroep zoals die van boeren, maar ook van een andere groep, bepaald door streek en levensbeschouwing zich manifesteren. Zijn het vooral Drentse boeren die ook lid zijn van een biljartclub die optrekken of juist de Zeeuwse boerinnen die op elke derde dinsdagavond van de maand een boek bespreken?

Welke boeren gaan met een trekker een autoweg op en welke boeren niet? Wie lopen te hoop tegen de anderhalvemetermaatregel, wie denken er net zo over maar trekken vervolgens niet naar Dam, Malieveld of wat dan ook?

Zitten daar veel mannetjes tussen die met een tentje op de fiets door Nederland trekken en blij zijn als ze om tien uur eindelijk naar bed kunnen? Dat zou ik ook wel willen weten.

14 juli 2020

Zwaaien

Het verbrande hoofd van gisteren was een optelsom van drie dagen onverdroten blootstelling aan de zon tijdens het fietsen. Daarom was ik niet erg rouwig om het regentje dat het vandaag de hele van de zon overnam. Mijn gezicht was er blij mee en de rest van het lijf kon er ook goed mee omgaan. Hier wil ik het verder niet over hebben.

Ondanks de regen troffen we nog heel wat mensen op ons pad dat voerde van Utrecht naar Millingen aan de Rijn, een kleine honderd kilometer waarbij Rijn en Waal uitgebreid op het menu stonden. Die andere fietsers waren de natuurlijke en de onnatuurlijke kleur in hun haar al voorbij. Ik moet wel zeggen dat er de nodige petten en capuchons waren, maar desondanks durf ik met een gerust hart voor deze bewering in te staan. Nu, met een mild regentje zag je geen jong volwassenen op een kekke racefiets. Senioren zag je en scholieren, de echte doorbijters in de Nederlandse samenleving. En, dat dan weer wel, ruim bepakte gezinnen die op fietsvakantie waren. Het goede volk dus.

Vandaag gebeurde het minder dan de dagen ervoor, maar het gebeurde wel: fietsende tegenliggers zwaaiden naar ons. Ik ken de gesproken groet. Het goedemorgen dat het veel beter doet dan goedemiddag, en dat niet alleen in Nederland, alleen in Frankrijk wenst een tegenligger je geen ‘bonmatin’ maar pakt hij de hele dag. In Nederland doen hoi en hallo het ook wel, maar dat zwaaien maak ik pas mee sinds afgelopen vrijdag.
Zwaaien is ook het goede woord niet. Daarbij denk ik namelijk meteen aan een hand die los uit de pols even heen en weer wappert, terwijl het hier gaat om iemand die een bovenarm opzij buigt en daarbij de onderarm verticaal houdt, en wel zo dat de hand niet of nauwelijks boven de schouders uitkomt. De hand is gestrekt, met de palm naar de fietser die wordt begroet.
Het begon met een ouder echtpaar afgelopen vrijdag, onder Almere. Eerst groette de vrouw me en de man achter haar deed het precies zo. Inderdaad man en vrouw nemen doorgaans de gekste gewoontes van elkaar over, zoals er mannen zijn die bij het plassen gaan zitten. Zoiets. Misschien ging dat ook op bij een manier van groeten.
Maar ik had Almere nog niet geslecht of een jongeman alleen begroette me op dezelfde manier. Was het streekgebonden?
Ik houd het kort en vertel alvast dat het niet streekgebonden is, niet leeftijdgebonden, niet wordt bepaald door sekse of positie in de samenleving (al heb ik dat niet gecheckt).
Henk en ik hadden het er gisteren al even over, ook hem was het opgevallen. Door even over zoiets te praten kwamen we tot een mogelijke verklaring, waaruit maar weer blijkt hoe goed het is om te praten over wat je dwars zit of anderszins bezighoudt. Het ging allemaal zo snel in dat gesprek van ons dat iedere reconstructie ervan de werkelijkheid geweld aan zou doen. Maar we kwamen samen op de high five. Het zou wel eens een door de coronatijd ontstane luchthighfive kunnen zijn. Misschien is er intussen ook wel een airboks. Het zou zomaar kunnen. Hier in de tent (het regent weer) is geen internet, dus ik kan gelukkig geen onderzoek doen, maar ik houd het erop.

Vandaag kwam we overigens maar een keer iemand tegen die ons op die manier groette. Dat was ergens tussen Dodewaard en Nijmegen, langs de Waalbandijk, met één d.

13 juli 2020

Die Romeinen

Met een grote boog bereikten we gisteren Katwijk, Henk en ik. Daar begint de Limesroute, een fietsroute die voert langs de noordgrens van het Romeinse rijk. Ik wil niet dat daar grapjes over worden gemaakt. Vraag me niet of ze zoveel citroenen aten, die Romeinen, vraag me ook niet of die mannen ook alles op de fiets deden. Zeg ook niet dat het maar rare jongens zijn, die Romeinen. Anderen zijn je voor geweest. En nee, het is ook niet logisch om de tocht die voert van Noordzee naar Zwarte Zee van west naar oost te maken. Al kun je je met hetzelfde recht afvragen of je voor een rondje om Nederland de grens met de klok mee moet volgen of juist andere kant op.

Het mag ons worden aangerekend dat we weinig aandacht hadden voor het beginpunt, Kalla’s toren, een gedenkteken dat herinnert aan die verschrikkelijke keizer Caligula die van hieruit Brittannië had willen veroveren, maar dat niet deed. De echte toren van Caligula was deel van het Lugdunum Batavorum waarvan resten een kilometer verderop in zee liggen. Dat was niet een bijzonder geschikte plek om de tocht te laten beginnen aan, maar we hadden toch op zijn minst foto van onszelf moeten maken bij dat kunstwerk op de Boulevard. In plaats daarvan vroegen wij ons meer af hoe we met al die wegomleggingen de gereserveerde camping bij Wassenaar konden bereiken. Dat gaf het nodige gedoe.

Daar hadden we vandaag geen last van, maar ook het eerste manifeste Romeinse moment, c.q. monument het Matilo kreeg nauwelijks onze aandacht. We brachten er tien minuten door, maar dat was vooral omdat Henk naar batterijen voor zijn camera zocht en ik naar hem keek, op ruime afstand om te laten merken dat hij op moest schieten.

Eerlijk gezegd ken ik de route vandaag wel. Ik heb hem meermalen gefietst en voor een groot deel ook gelopen. Maar nu was ik niet op weg naar of van het strand, van mijn moeder of tante Hennie in Alphen aan de Rijn of wat dan ook, nu fietste ik de Limesroute, uit te spreken als Limès, al doe ik dat zelf ook niet, het klinkt me te uitsloverig. Vandaag fietste ik deze route voor het eerst als zijnde een traject dat voert langs de noordgrens van Romeinse rijk. Het lijkt wel of er met de aandacht voor dat volk dat 2000 jaar geleden Europa beheerste een nieuw stukje geschiedenis bij gekomen is. Ik associeer het gebied, met de zeventiende eeuw, met negentiende nijverheid, met J.P Thijsse. Ik noem maar wat.

We hadden al wel wat oude stenen met inscriptie en het castellum op het Domplein, de resten onder de muzieschool daar, maar daar heb je het al: dat is toch vooral de plek van een middeleeuwse kathedraal. Met de aandacht voor de Romeinen wordt er een nieuw stuk geschiedenis geëxploiteerd. Nieuw! De Romeinen! Het Castellum bij Leidsche Rijn geeft misschien wel een beetje aan wat ik bedoel.

Ja, dat heb ik allemaal bedacht op de fiets, met de wind in de rug en een verbrande kop.

12 juli 2020

Bikkelen

Natuurlijk dacht ik gisteren bij dat grote huis onderaan de dijk onder Schermerhorn ook wel aan koningin Emma, maar veel meer dan een losse gedachte werd het niet, gisteren niet en veertig jaar geleden ook al niet*.
Vanmorgen was er geen ontkomen aan die associatie, want we waren nog maar amper op weg, verder zuidwaarts, of we troffen in de bocht een huis met de naam Juliana en daarnaast een… was het een gemaaltje? Ik weet het niet zeker, wel weet ik dat het Willem Alexander heette. De tussenliggende generaties met Wilhelmina en Beatrix heb ik niet gezien, maar deze trits was onmiskenbaar. Het grote huis is genoemd naar de koningin-moeder die met haar regentschap in de jaren negentig van de negentiende eeuw de harten van de Nederlanders stal. Vermoedelijk is Nederland nog een koninkrijk dankzij de dood van Willem III.

Vandaag wilde ik me hoeden voor memory lane. Het kan niet altijd feest zijn. Gisteravond liepen we naar het pannenkoekenhuis van Driehuizen en toen herinnerde ik me een etappe van het Trekvogelpad waar ik ooit met Aat liep, een kille dag in februari. Storm, regen. Ik vertelde het Henk en toen zag ik een sticker met de naam van het pad.
Vandaag geen herinnering. Het was tijd voor heel iets anders. In ieder geval waren er veel en veel minder auto’s op of langs ons pad. Des te meer fietsers. Ik denk niet dat je in Nederland een man van tussen de dertig en de veertig kunt zijn zonder racefiets en bijpassende outfit. Er moet door de week heel wat kostbaar materiaal in schuren of wat dan ook opgeslagen staan om op zondag (of zaterdag) tevoorschijn getrokken te worden.
Het was prachtig weer vandaag. Voor fietsers konden de weersomstandigheden niet gunstiger zijn. Al die voorbij- of ons tegemoetstormende hordes deden me aan gnoes denken. Het blonk allemaal, die fietsjes van ze, die shirtjes en helmen; wat zag het er kek uit. Maar het waren gnoes, zinneloos geframede dertigers die roekeloos een bocht afsneden als de voorste dat ook deed. Die blind naast elkaar blijven rijden als er ook van de andere kant mensen naast elkaar rijden. Henk en ik deden dat niet, natuurlijk niet, wij reden keurig achter elkaar.
Toch had niet elke wielrenner zich overgegeven aan zinneloosheid. Zo werden we gepasseerd door een tweetal (daar heb je het al, geen vier- of nog-meer-tal, nee, twee) waarvan er een ons toeriep dat wij de echte bikkels waren.
En zo is het ook. Over een uurtje stonden die dertigers onder de douche en even later liepen ze weer rond met een schoon polootje aan. En dan zaten wij nog op de fiets. Met tent en kookgerei, schoon goed en nog veel meer. Wij wel!
Dit gebeurde dus allemaal tussen overstelpend veel sappig groen dat doorsneden werd door vaarten met lelies en watervogels en daar boven een blauw dat hemels blauw was, met wolkjes waarbij slagroom schriel afsteekt. Maar met regen en stevige tegenwind zouden wij er ook zijn geweest.
Later reden we langs de Leidse Trekvaart. Dat is de vaart waarlangs 200 jaar geleden een voorvader van me als scheepsjager over het jaagpad zeulde. Dat was nog eens bikkelen. Als we hem waren tegengekomen, zouden wij ons geschaamd hebben, als dwaze zestigers die zich in het zweet trappen... En waarvoor? Voor de lol.

* Zie OH van 20200711

11 juli 2020

Emma

De dijk van Lelystad naar Enkhuizen grijnsde me toe, maar de wind viel erg mee. De enige regen die ons had willen teisteren viel op de parasol halverwege. Daar zaten we onder met koffie en gebak.
Het echte ongemak wachtte ons op bij Enkhuizen. Kilometers lang reden we langs ingeblikte mensen. Dat denk ik tenminste, dat er mensen in dat gemotoriseerde blik zaten. Ik droomde van de jaren dat ruiten van auto’s nog niet getint waren en je als passagier of chauffeur gezien werd. Je zat minder verschanst in een auto: de ruiten zorgden voor een aangenamer uitsnede van het menselijk lichaam. Zouden kinderen dat nog doen als ze in een auto zitten, eindeloos naar inzittenden van andere voertuigen zwaaien en dan maar hopen dat er gereageerd wordt? Ik ben bang dat er van dit erfgoed niets meer over is. In plaats daarvan zitten de kinderen ook in de auto naar een schermpje te turen. Denk ik. Zeker weten doe ik dat niet: vanaf mijn fiets kan ik dat niet zien. Het zou me welkom zijn geweest, af en toe een kinderhandje dat naar je zwaait.
Het zou me misschien ook wat hebben afgeleid van de wind, want die bleef ons lastig vallen, ook toen we eindelijk bij Avenhorn van het misdadige blik verlost werden. Toen was er dus nog die wind en die nam toe. Henk kon daar veel beter tegen dan ik. Ook dat nog.

Op de dijk langs het Markermeer vanochtend hadden we geconstateerd dat we hier geen van tweeën eerder fietsten. Henk had hem wel vaker met de auto bereden. Pas toen ik zei dat ik dat niet gedaan had, schoot me te binnen dat ik er veertig jaar geleden overheen was gegaan. Daarna had ik een wandeling door Hoorn gemaakt, er een parkeerbon van 35 gulden opgelopen die ik ter plekke bij de politie ben wezen betalen. Daarna ben ik wat in de omgeving gaan rondrijden.

De droef makende aandacht voor mijn afnemende krachten werd onder Schermerhorn hoopgevend afgeleid door een huis. Ik had, al fietsend, een foto gemaakt van een stukje land met molen toen ik rechts, onderaan de dijk, een groot vrijstaand huis zag, een zakelijk ogend huis waar er in de jaren twintig heel veel aan de toenmalige rand van dorpen werden neergezet, maar hier stond het huis zonder dat er varianten rond dit bouwkundige thema in de onmiddellijke nabijheid stonden. En het was veel groter.
Toen wist ik het. Ik was hier in 1980 uit mijn rooie Renault 4 gestapt om een foto van de landelijke ligging van de molen te maken en toen ik weer wilde instappen (het was toen slecht weer) zag ik dat grote huis en ik zag dat het Emma heette. Nu nog.

Ik weet nog dat ik die avond thuis een verhaal, of waarschijnlijker een gedicht schreef over Emma. Vraag me maar niet waar het over ging. De kans is groot dat ik het heb weggegooid en als dat niet zo is, kan ik nu niets met die vraag. Het is niet mijn gewoonte een heel archief met me mee te slepen als ik een paar dagen ga fietsen. Dat ik een tent meeneem bij wijze van huis is al heel wat. Aan een complete inboedel kunnen we niet beginnen.

Intussen ben ik wel benieuwd naar wat me toen zo aanspraak van dat huis en wat die naam met me deed, want er was iets met die naam en dat was vreemd, want ook toen kende ik niemand die zo heette.
Bij het raadhuis van Grootschermer moesten we rechtsaf. Als ik een flinke vent was, zou ik nu afstappen en een foto maken. Ik reed door. Ik had die foto in 1980 al gemaakt en dus vond ik dat dat nu niet meer hoefde.

De tent staat, ik heb gedoucht, we hebben gegeten. Er hoeft niets meer vandaag. Zit ik alleen nog met die vraag waarom huize Emma me indertijd zo intrigeerde en waarom me dat nu bezig houdt.

10 juli 2020

Pap en moes

In de ‘Heiligen met de Krakeling’ vertelt Belcampo van Franciscus van Assisi, die het beste voorhad met viervoeters, pootlozen en andere dieren, en daarom op zijn fiets niet ophield met bellen. Dit om kevertjes, slakken te waarschuwen. Ik denk dat dat geen zin heeft. De dieren besteden er geen aandacht aan óf ze schrikken zo dat de waarschuwing wel averechts zou kunnen werken. Ik heb vandaag regelmatig gebeld, maar dat was steeds om mensen die voor me uit jogden of sjokten te waarschuwen. Dat deed ik ruim van te voren, juist om schrikken te voorkomen.
Voor slakken volg ik een andere strategie. Die van het slalommen. Dat valt nog niet mee als het regent, zoals vandaag, en je rijdt over betonnen of geasfalteerde paden door bossen en parken, paden waarop het wemelt van de naaktslakken die allemaal in zijn voor een orgie.
Het is ook een uitdaging, met een bepakte fiets op paden die uiteraard spekglad zijn. Ik heb de illusie dat ik ze als een duivelskunstenaar op de fiets allemaal heb weten te ontwijken. Voor mijn achterwiel kan ik niet helemaal instaan.

En dan waren er natuurlijk de kwikstaarten die op het fietspad neerdalen, daar blijven zitten tot je dichtbij bent om dan weer op te vliegen, eerst tien meter niet meer dan twintig centimeter boven het pad; daarna golven ze omhoog en honderd of tweehonderd meter verder weer omlaag. Er lijkt geen einde aan te komen.
Toch blijkt zo’n kwikstaartje er ineens niet meer te zijn, dus het is wel opletten geblazen. Ook al omdat de geringste verslapping van aandacht de onmiddellijke dood van een slak betekent, wat zeg ik, van soms wel vier of vijf slakken tegelijk, want die beestjes lusten er wel pap van.

Dankzij mijn oplettendheid maakte ik intussen meermalen het moment mee dat een kwikstaartje het af liet weten, weg zwenkte en niet meer terug kwam, maar het gebeurde ook dat een andere kwikstaart het spel over nam. Ik had ze wel door.

Al met al was er vandaag veel spel op deze eerste fietsdag: al te sappig liefdesspel, het sliden van de kwikstaarten en het fenomenale slalommen van een skikampioen op de fiets.

Waaruit maar blijkt dat je gewoon in Nederland kunt blijven voor a thrilling vakantie-experience.

09 juli 2020

Ontoereikend

Winkelhaak en viltstiftje gepakt, slippers uitgeschopt, toen tegen een deurpost gaan staan en vervolgens een streepje boven mijn hoofd gezet. Ik kom op 1meter 78. Met ruis is dat 79, maar misschien ook wel 77. Daarna het streepje weer weggehaald. Dit hoeft niemand te weten.
Vandaag is het oppasdag en komt het er niet van om de spullen voor de fietstocht van de vliering te halen. Daarom deed ik dat gisteren alvast. De tent, het slaapmatje, noem het maar op of je vindt het op de vliering. Die stelt bij ons niets voor: op het hoogste punt zal hij nog geen zeventig centimeter meten. Dat neemt niet weg dat we er onze kampeerspullen goed kwijt kunnen.
Om bij de vliering te komen moet je een luikje weghalen. De handelingen zitten in mijn systeem. Je duwt het luik aan de handvatten omhoog, houdt het rechterdeel schuin omhoog en het linker- omlaag zodat je het door het gat kunt wegtillen. Dan pak je het trapje, en vervolgens kun je vanuit het mangat de spullen pakken, waarbij je jezelf wel in de weg staat, maar ook de handigheid om het toch voor elkaar te krijgen zit in mijn systeem.
Alleen kreeg ik deze keer het luik niet weg. Dat wil zeggen: dat lukte pas toen ik eerst het trapje had neergezet en op de eerste sport was gaan staan. Een paar jaar geleden kwam 1.80 meter in mijn nieuwe paspoort te staan. Dat was drie centimeter minder dan wat eerdere edities vertelden.

De regressie zet door en dat van gisteren, daar onder dat luik, was een vervelende confrontatie met wat ik eigenlijk al wist. Dat maakte het inpakken van de fietstassen tot een bedenkelijke aangelegenheid. Ik rolde het slaapmatje op, maar mijn handen leken strammer. En dan het idee dat ik een week lang op het matje kom te liggen. Toen ik opstond, zocht ik steun bij het hekje van het trapgat. Een kampeerder met een trekkerstentje leeft laag bij de grond en dat zou straks weer mijn lot zijn. Kruipen en strekken en kruipen en weer overeind.

De route die we aanvankelijk zouden gaan fietsen, de Limesroute, hebben we dit jaar ingeruild voor een tocht van een week waarin via slingerbewegingen het Nederlandse deel ervan is opgenomen, een echte seniorentocht dus.
Terwijl ik dit schrijf, regent het. Als het regent, denk ik dat het altijd regent en zo zie ik mezelf nu al morgen de hele dag door de regen naar Lelystad fietsen om daar mijn fietsmaat te ontmoeten. Als ik aankom, heeft hij zijn tent al opgezet. Toen was het nog droog en hij komt van een andere kant, dus hij had de wind in de rug. Nu kijkt hij toe hoe ik na mijn lange vermoeiende tocht in die barre regen bezig ben mijn optrekje te installeren. Hij zal dat doen zonder een spoor van medelijden, want ik ben bijna een heel jaar jonger dan hij. Mijn regenjas beschermt mij al lang niet meer tegen de neerslag op mijn rug.
‘Ik zie dat we morgen de wind weer tegen hebben. Veel neerslag, af en toe hagel. Dan moeten we bij Enkhuizen maar even pauzeren, voor we verder fietsen,’ roept Henk die zich intussen in zijn tentje heeft teruggetrokken. ‘D’r zit trouwens een grote slag in je achterwiel viel me op toen je zojuist aan kwam fietsen. Er zal wel een spaak gebroken zijn, denk ik. Als je klaar bent met je tent, kun je maar beter even op zoek gaan naar een fietsenmaker.’

‘Geen punt,’ roep ik vrolijk terug. Diep van binnen huilt een jongetje dat steeds kleiner wordt.

08 juli 2020

Teun

Er kleven venijnige haakjes aan een koninklijke onderscheiding. Vanochtend las ik dat mensen er niet tegenop zien om standbeelden van Wilhelmina omver te halen. Stel je toch eens voor: dat mooie beeld dat Mari Andriessen van haar maakte. Nu heb ik sowieso bedenkingen tegen de merkwaardige geschiedvervalsing die hand in hand gaat met een anachronistische vorm van censuur als een beeldenstorm, al heeft Wilhelmina ongetwijfeld fouten gemaakt en verpersoonlijkt zij een regime dat wel eens rare dingen deed. Als lid in de Orde van Oranje Nassau, en dat is een venijnig haakje, compromitteer ik me in zekere zin met een familie waarin personen die verwerpelijke dingen deden of iets juist ten onrechte nalieten. Straks, als de koninklijke familie, zonder koninklijk te zijn verder leeft, zal het mij nog worden aangewreven. Het helpt dan niet als ik vertel dat ik helemaal niet zo koningsgezind ben, sterker, dat ik regelmatig een lans brak voor Nederland als republiek. Met onderscheiding zal mij dat alleen maar verdachter maken, een verachtelijke opportunist zal ik heten, iemand die zijn rug niet recht waar het om principes gaat. Ik kan nu wel verdedigen waarom ik toch… Het zal vergeefs zijn. Vooringenomen oren kunnen niet luisteren.

Secundo. Een koninklijke onderscheiding beneemt je je vrijheid. Waar mensen vrij en onbevangen met elkaar omgaan, brengt een lintje een aantal ridicule regels met zich mee waaraan je je maar hebt te houden én het verheft niet zozeer, maar plaatst iemand onder de ander. Ik kreeg mijn lintje tegelijk met de mij dierbare psychoanalyticus. Ik werd lid, maar hij Ridder in dezelfde orde. Tientallen jaren zijn wij vrienden en gaan we als zodanig door het leven, als gelijken, wat toch wel de basis is van vriendschap. Maar nu is het dus ridder. En dat maakte hem al onmiddellijk genereus door de lunch te betalen die wij na afloop genoten, met zijn vieren. Ik laat het niet aan me voorbij gaan als iemand de hele rekening wil betalen. Alleen nu kreeg die generositeit een bijsmaak, een ridderlijke bijsmaak om precies te zijn.

Dat is allemaal geen reden om weer over dat lintje te beginnen. De reden is wel een filmpje dat ik gisteravond via Facebook te zien kreeg. Het ging om de schoonvader van een jonge collega. Op 24 april juichte zij via Facebook over het lintje van haar schoonvader. Nu, na de uitreiking, is er het filmpje van zijn weduwe en zijn twee zoons. Hij zelf overleed daags voor de uitreiking. De plaatselijke omroep ging op bezoek. De weduwe zweeg, de zoons vertelden beurtelings. Dat hij zo naar de uitreiking had uitgezien, dat de burgemeester vóór de officiële bijeenkomst was langsgekomen, dat ze hem alsnog de onderscheiding hadden opgespeld terwijl hij lag opgebaard en dat het lintje bij nader inzien geen kroon was op zijn vrijwilligerswerk, maar een kroon was op zijn leven.

Ik hoop maar dat dat niet zo is, een lintje als kroon op je leven. We kunnen de dode decorandus niet vragen wat hij er van vindt. Dat doet er ook niet toe. Híj zei het niet zelf, een van de zoons zei het. Een van de mensen die hadden gezien wat de man in en met zijn leven had gedaan en wat hij voor anderen betekende die daarom energie wilden steken in de aanvrage van een onderscheiding, dat was de kroon.

Twee liefhebbende zoons en een snikkende weduwe en een lintje dat moet worden teruggestuurd naar de Kanselarij der Nederlandse Orden.

07 juli 2020
Voor Johan

Geen water svp!

Aan de linker- en de rechterkant van het liturgisch centrum van de Tuindorpkerk te Utrecht staan twee bloempotten. Ze vallen niet op, al zijn ze verre van klein. Ze zien eruit als kanonslopen. Gelukkig zijn ze niet op de bezoekers gericht die nu weer mondjesmaat onze vieringen meemaken. Veel kwaad zou dat overigens niet kunnen: er zit geen kruit in maar potgrond en het zijn cilinders van aardewerk, niet van brons. Ik zie ook geen lont. En ze wijzen recht omhoog.
Mij vallen ze alleen op als ik een boodschap moet doen bij de tafel van het liturgisch centrum en van de zijkant kom. Dan moet je er namelijk langs. Ze vielen me ook op tijdens de open kerkochtenden in juni. Beide potten zijn bijna tot de rand gevuld met grond; er steekt een metertje of iets in en er ligt een briefje in. Het verschil is dat uit de ene pot sprieten steken waarvan ik niet goed weet of het om iets palmachtigs gaat of dat het familie is van de rietstengel. In de andere pot vind je de schamele resten van een plant die het al een tijd geleden heeft opgegeven.

Het briefje in beide potten geeft mogelijk aan waarom de ene plant zo weinig tiert en de andere al dood is. ‘Geen water geven, s.v.p. ‘ staat erop. Navraag bevestigt die veronderstelling. De planten zijn waarschijnlijk vloeibaar doodgeknuffeld. Zo zijn kerkmensen: ze zorgen graag, en dan is wat water voor een plant wel het minste wat je kunt doen.
Het kunnen mensen van de interieurcommissie zijn, de hulpkosters, de voorzitter van de kerkenraad, alle leden van de bloemencommissie, onze eigen tuinbroeders, de leden van de commissie Groene Kerk. Het kan, en misschien gedenken ze de planten allemaal wel. Doodgeknuffeld dus.

Misschien ook hebben we te maken met een oud christelijk gebruik, dat bij sommigen levend is gehouden. Vroeger (en nu nog bij de doop) maakte het gebruik van water deel uit van de liturgische handeling. Wat over was van dat water werd via de piscina afgevoerd. Een piscina was een bekken bij het altaar, vaak in een nisje in de muur, met een afvoergootje waardoor het gewijde water op de eveneens gewijde grond van het kerkhof vloeide dat naast de kerk lag. Gods water over Gods akker laten lopen. Misschien biedt die uitdrukking wel een mogelijke verklaring voor het al te hoge waterpeil in de twee potten. Weliswaar zijn we met de piscina wel ver weg geraakt van de protestantse gang van zaken tijdens een viering, maar sommige tradities zijn hardnekkig. Naast Sinterklaas en de kerstboom hebben we blijkbaar ook het lozen van water in de gewijde grond van een bloempot.

De plant in de linkerpot heeft de gemeenteleden toegewoven afgelopen zondag. Het briefje ligt nog steeds bij zijn wortels. De boodschap blijft, hoezeer dat ook indruist tegen je altruïstische hart: geen water geven!

Afgelopen zondag zagen we overigens hoe uit de pot rechts grote groene tongen tevoorschijn sprongen.
Er is namelijk een nieuwe plant aangeschaft. Die aanschaf ging wel gepaard met het verzoek om luid en duidelijk te vertellen dat de boodschap die voor zijn voorganger gold onverminderd van kracht blijft: geen water. Het staat op het briefje. Hier speelt nog iets anders een rol: de plant is van zijde. Hij heeft dus helemaal geen water nodig, sterker nog, we weten niet eens of hij kleurecht is. En stel je eens voor dat de kern van de nerven ervan uit ijzerdraad bestaat dat allesbehalve roestvrij is.

Echt of nep, levend of dood, als het om de planten van het liturgisch centrum gaat: geen water. Er wordt in voorzien.

05 juli 2020

Dylan

Op het nieuwe album van Dylan heb ik even moeten wachten. Ik wist wel zeker dat de middelste die cadeau zou doen. Dat heeft hij ook gedaan, maar iets later dan ik had gewild. Die jongen heeft al mijn elpees van Dylan gekregen toen hij de ouderwetse platenspeler weer in ere herstelde, dus hij weet wat hij me voor mijn verjaardag geven kan.
Ik ben zeer tevreden met Rough and Rowdy Ways, zoals het album heet. Het ziet er niet uit en het hoesje scheurde toen ik probeerde een van de twee schijfjes eruit te peuteren, maar het is zoveel beter dan de voorlaatste productie met nieuw werk.
Aan de glans van de cd draagt natuurlijk ook bij dat ik hem kreeg, nog wel van mijn zoon, en dat ik moest wachten. Twee weken geleden fietste ik al langs Plato, de platenzaak, alsof ik het jongetje van vroeger was dat spaarde voor een album maar wel af en toe in een etalage keek, alleen maar om hem alvast te zien. Of, en daar leek het nu een beetje op, dat je weet dat er een nieuw album uitkomt en dat je het al hebt besteld en dat je maar moet wachten.
Blonde on Blonde was net uit in de tijd toen ik me tot Dylan bekeerd had, ik had al wel twee andere platen van hem gekocht, maar voor dit dubbel album moest ik toch nog een paar uur tomaten plukken.
Nog een kwartier, dan heb ik hem, dacht ik tussen de tomaten. Het meeste geld dat ik er verdiende, was vakantiegeld, maar deze plaat moest ik wel hebben. 22,50 gulden was die. Zaterdag ging ik op de koffie bij moeder Ma en vader Willem. Ik kreeg mijn geld en fietste meteen naar Den Haag om hem te kopen.

Het was een of twee jaar daarna dat ik weer in een tuin bezig was, nu tussen die verschrikkelijke komkommerplanten waar ik uitslag van kreeg. Bovendien was het niet in de gezellige tuin van vader Willem, maar van een jonge kerel die goed in de gaten had dat ik geen tuinder was.
John Wesley Harding was al even in huis en zonder mijn best te doen waren de woorden van de nummers in mijn hoofd blijven haken. Ik was alleen bezig in de komkommerkas en zong de nummers uit volle borst.
‘Wat zit jij nou toch te doen!’ werd er geroepen.
‘Ik ben bezig met je komkommers en ik zing.’
De jonge tuinder zei dat hij me daar niet voor had aangenomen en dat ik een beetje vaart moest maken.
‘Maar ik zing toch mooi.’
Misschien heeft hij dat niet eens gehoord. Toen ik omkeek was hij al weg.

Ik probeer het nog een keer, die liedjes van John Wesley Harding die ooit zo soepel naar binnen gleden . Het resultaat valt me tegen. Misschien gaat het minder goed zonder komkommers.

Tijdens het tikken van dit stukje heb ik het album uit 1967 opgezet. Begin ik nou te denken dat het schijfje uit 2020 me misschien wel beter bevalt?

04 juli 2020

Nummer 8-24

De tekening is anoniem. Ook aan de achterkant wordt niet verteld wie de maker is. Nog een probleem, en misschien vloeit het eruit voort: ik weet niet wat onder of boven is.
Als de maker van de tekening die niet zelf had toegestuurd, zou ik meteen gezien hebben dat er het een is van Harm van den Berg. Die maakt al een kwart eeuw werk als dit. Tekeningen ‘zonder handschrift, zonder beweging, zonder een lijn die even soepel als vrolijk uit zijn pen ‘in einem Guss’ het papier op zeilt. In plaats daarvan tekent Harm van den Berg ergens op een A3-vel met een zwarte fineliner van 0.05 een rechthoekje van niks. En wel daar waar het rechthoekje komt te staan. Geen kleur, geen gebeurtenis, geen warmte, geen geluid. Niks. Een rechthoekje van niks.

Daar komt dan een tweede tegenaan te liggen en dat vraagt weer om een derde, op die en die plek, en daarna een vierde, vijfde. Rechthoekjes die om rechthoekjes roepen, blokjes die stuk voor stuk stilstaan op een rijtje en dan, zo lijkt het, wel bewegen willen.’


Ik citeer hier mezelf. Ik schreef dit bij een portfolio met tekeningen van Harm en nu heb ik er zelf eentje.

De tekening is bijzonder goed verpakt en dat maakt me extra voorzichtig als ik die uit de stevig dichtplakte map probeer los te peuteren. Voorzichtigheid maakt je ontvankelijk voor wat uit zijn kluister bevrijd wordt. In dit geval is het een zwerm vogels. Of nee, omgekeerd, het is een keten van bergen. Het is, kwart slag gedraaid, de beweging van een groep mensen, of, andere kant op, twee minnaars in bed.

Toen ik de tekst voor het portfolio schreef, stapelden de minuscule ruitjes zich tot lijnen, vormen en beweging. Nu zie ik het omgekeerde.

Ik draai de tekening een paar keer rond. Honderd jaar geleden, Bob Dylan was nog pas aan zijn officiële zevende album toe, zag ik een tekening die ik had gemaakt, in de spiegel. De verhoudingen klopten niet, merkte ik. Vervolgens vond ik de hele tekening niet meer deugen. Ik leerde dat het een bekend trucje was. Een tekening op zijn kop zetten, in de spiegel bekijken, het zijn manieren om te ontdekken of hét klopt. Vraag me niet wat dat hét nou precies is.
De tekening van Harm klopt aan alle kanten. Altijd. Ik denk dat ik hem zó hang, dat ik de lijst makkelijk een kwartslag kan draaien. Er zijn geen vogels of heuvels, marcherende uniformen of innig geliefden. Er zijn lijnen en die zijn een mooi verbond aangegaan met elkaar.

Ik heb hem een dag in huis. Hij is mooier dan gisteren.



De Emergent Square Drawings zijn ook te zien op drawings.
Die tekening in kwestie vind ik ook terug: gallery_8-24.

03 juli 2020

De atheïst

Hoe het in de kast kwam, weet ik niet, maar ik trof het daar tussen Patricia Grace en Graham Greene en trok het tevoorschijn. De naam van de auteur zei me helemaal niets: Jens Peter Jacobsen. De titel is Niels Lyhne. Zo heet de hoofdpersoon.
Het boek is niet zo dik en er gebeurt niet eens zo bar veel en wat er gebeurt voltrekt zich in tamelijk lange zinnen waarbij mijn gedachten nog wel eens afdwalen. Je kunt me rustig bladzijden opnieuw laten lezen zonder dat ik het merk.
Het boek is 140 jaar oud en werd drie keer vanuit het Deens vertaald. Volgens sommige grootheden wordt het boek mooier naarmate je het vaker leest. Ik beloof niks.
De roman is een Deense variant van het naturalisme en dus moeten van mensen snel een portret geschetst worden waarin psyche, erfelijkheid en milieu een belangrijke rol spelen.

Het boek is interessant omdat het een fraai beeld geeft van een periode en een stroming, maar ook omdat er uit de brij af en toe prachtige formuleringen opspringen of treffende inzichten in mensen.

Ik sukkelde vanmiddag weg toen op een kerstavond de vereenzaamde Niels alleen in een restaurant gaat eten, waar ook andere eenzame zielen komen dineren. Niet samen, maar ieder op zijn eigen eilandje. Dat geldt onverwacht niet voor Niels want hij ontmoet een kennis en na het diner wandelen ze door Kopenhagen en dan lees ik ‘Niels sprak heftig, maar in nogal algemenen termen tegen het christendom.’
Volgende alinea: ‘Hjerrild was het beu om oude discussies op te pakken die hem welbekend waren en zei opeens, zonder dat het echt aansloot op het voorafgaande: ‘Wees op uw hoede, mijnheer Lyhne, het christendom heeft de macht. Het is dom om het aan de stok te krijgen met de heersende waarheid door te agiteren voor de waarheid van de kroonprins.’
Dat ‘waarheid van de kroonprins’ vond ik leuk gevonden. Daar werd ik al een beetje wakker van. Dat moest ook wel, want ik verwachtte een nogal opportunistische verdediging van het christendom vanuit de negentiende eeuw en die wilde ik wel eens meemaken.
Ik kreeg mijn zin. Dan, als het gaat over het fanatisme van Lyhnes atheïsme, vraagt zijn vriend van die avond zich hardop af: ‘En hoe moet hij [de atheïst dus] in ’s hemelsnaam fanatisme opbrengen voor iets negatiefs? Fanatisme voor het idee dat er geen God bestaat – en zonder fanatisme geen overwinning!’
Lyhne geeft tegengas door te vertellen hoezeer bevrijd de mensen zich zonder God zullen voelen. Maar hij verdedigt zijn ongeloof als een geloof.’ Dat deed Multatuli ook toen hij riep ‘O God, er is geen God.’

Toen werd ik toch weer afgeleid. Er was een toneelstuk van een Franse existentialist (maar ik denk niet dat het Sartre was) en daar herhaalt iemand op het eind ‘er is geen God, er is geen God.’ Ik heb dat altijd zo zielig gevonden. Dat iemand dat vindt, moet ie zelf weten, maar dat iemand zich zo kan vastbijten in wat er volgens hem of haar niet is, dat begrijp ik niet. Dat is dan toch zonde van je tijd. Ga iets anders doen, iets wat niets met een god te maken heeft. Die er immers niet is.

Toen ging de bel en bracht de postbode mij een prachtige tekening. Daarna kwam er van lezen niets meer, dus straks blader ik wat terug en herlees ik de passage. Ben benieuwd wat ik er dan van vind.

* Jens Peter Jacobsen, Niels Lyhne. Vertaald door Annelies van Hees, Wereldbibliotheek Amsterdam 2014 [oorspr. 1880]

02 juli 2020

Bloemen

Om de negenendertigste sterfdag van mijn vader luister bij te zetten zette ik gisteren een bloemetje bij zijn graf. Een opeenstapeling van feestelijke dagen de afgelopen week had ons huis tot een kleine bloemenzee herschapen en dat maakte de verleiding groot een boeket uit een vaas te rukken om dat bij pa neer te zetten. En bij ma, want zij voegde zich ruim vier jaar geleden bij hem. Ik beheerste me en kocht bij de Monsterse bloemist die me al veel vaker aan bloemen hielp om er een dode mee te verrassen.
Er stond al een bos. Mijn broer was me voor geweest. Die had natuurlijk keurig op de dag zelf een bosje neergezet. Gelukkig zijn er twee vazen bij het graf.

Bij het verlaten van het kerkhof bedacht ik dat tante Trees op vrijdag de derde 100 geworden zou zijn. Zij en haar Kees bleven kinderloos en daar heb je als neef of nicht maar rekening mee te houden, ook nu ze dood zijn.

‘Bent u daar alweer’ vroeg het meisje dat me een half uur geleden geholpen had. Ik vertelde dat me nog een honderdjarige dode te binnen was geschoten.
Bij de kassa stond iemand anders.
‘Is het voor een man of voor een vrouw?’ Omdat ik blijkbaar niet snel genoeg antwoord gaf, vertelde ze er maar achteraan dat ik kon kiezen voor roze of blauwe slierten die ze op het cellofaan zou plakken.
‘Tante Trees zag het verschil al jaren niet meer, en nu al helemaal niet.’ De mededeling was duidelijk genoeg om helemaal af te zien van extra papier en verfraaiing.

Tante Trees en oom Kees liggen op Ockenburg, vijf kilometer van Monster, maar voor iemand die Utrecht als epicentrum van zijn bestaan heeft, is dat naast elkaar. Dus dit bezoekje kon mooi in één moeite door.
Bij een herschikking van graven besloot men ooit om een andere oom, oom Geert, naast zijn zwager Kees te leggen, dus dat is een beetje een familiehoekje geworden, daar op Ockenburg (officieel: Westduin). Er is ook een praktisch voordeel aan verbonden. Kees en Trees hebben een liggende steen, Geert een staande. Dus oom Geert is aangesteld als bewaker van de vaas. Die kun je namelijk achter zijn steen zetten.

Maar die was weg. Niet de steen, maar de vaas. Er stond er eentje aan het voeteneind van Kees en Trees, maar dat was een veel goedkoper gevalletje dan ik ooit voor ze aanschafte.
We moesten het er maar mee doen. De prikvaas kwam tussen de twee graven in te staan. Met daarin een combinatie van gerbera’s en rozen. Een roze boeket. Misschien maken de twee zwagers daar bezwaar tegen, maar die moeten niet zeuren. Deze bloemen zijn voor tante Trees. Voor haar honderdste verjaardag morgen.

01 juli 2020

Onscheidbaar

Laat het een les zijn. Als je je met je dierbare wilt laten vereeuwigen, doe dat dan in verstrengeling. Oor- of onoirbaar, maakt me niet uit, in ieder geval wel zo dat wat op de plaat werd samengevoegd zich door geen schaar, stanleymes of wat dan ook laat scheiden.
En laat je als gelieven nooit op een tweeluik vereeuwigen. Dat al helemaal niet.
Met Elisabeth en Jacob is het gelukkig toch weer goed gekomen, maar daar is wel veel tijd overheen gegaan en dan nog is het een gelukje dat het zover heeft kunnen komen.

Sinds gisteren zijn ze weer samen, in het Mauritshuis, na veel meer dan een eeuw, toen Jakob Omphalius op een veiling met onbekende bestemming vertrok en Elisabeth Bellinghausen in Den Haag terecht kwam. Ooit werden ze als verloofd stel geschilderd door Batholomäus Bruyn de Oude, dat gebeurde in 1539, in Keulen. Pas vorig jaar kwam het verloren gewaande portret van Elisabeth weer boven water. En nu is alles weer goed.

Het is een wonder. De portretten zijn niet alleen bedoeld om de twee geliefden weer te geven, maar ook om te laten zien dat ze bij elkaar horen en dan is het bitter als de wederhelft er niet meer is. Alsof Acda & De Munnik voorbij gekomen zijn om te zingen: ‘Portret voor jou, portret voor mij.’ Maar zo was het niet. Weliswaar kwam er in het leven van Elisabeth een kleine dertig jaar na haar huwelijk een tweede man, maar toen was Jakob al ten grave gedragen. Tot dan bleven zij samen en daarvan wilden die twee portretjes dus getuigen, blijvend.

Onderzoekers zijn ervan overtuigd dat het hier inderdaad gaat om genoemde geliefden. Formaat van de portretten, de kleur van de achtergrond, de kleuren in de kleding. Het komt van één hand, het is het resultaat van dezelfde wijze van verf bereiden. En ook vroeger al waren de paneeltjes met een scharniertje verbonden.

Maar stel je nou eens voor dat het toch niet zo is, dat ze misschien wel van dezelfde schilder zijn en uit dezelfde tijd. Dat kan. Het waren gelegenheidsstukken en een schilder kan zijn trucjes en technieken herhalen. De lijsten bijvoorbeeld zijn nieuw. Ze zijn gemaakt naar lijsten die Bruyn de Oude voor ander werk heeft gebruikt, lees ik in de krant. Kijk, daar begint het al.

Mentes moeder wilde haar man eens verrassen met een gezinsportret - voor het verhaal begeven wij ons naar de jaren vijftig. De fotograaf nam van haar en van de kinderen losse foto’s en die voegde hij samen op één vel. De boel was zodanig geretoucheerd dat de gezinsleden als losse ballons met vage randen over het blad verdeeld waren. Mijn schoonvader was niet bij de sessie aanwezig; het was immers een verrassing voor zijn verjaardag. Van hem werd een bestaande foto toegevoegd.

Alleen vergiste de fotograaf zich: hij gebruikte voor de man en vader een verkeerde foto. Toen mijn schoonmoeder de foto kwam ophalen lachte het gelukkige gezin haar vanachter de etalageruit al toe. Met die verkeerde man. De fout werd snel hersteld en de verkeerde foto heb ik nooit gezien. Wel de goeie editie en altijd als ik er een blik op wierp kwam weer dat verhaal van de verkeerde man. Alsof de goede foto eigenlijk de verkeerde is en er op de foto een man had moeten staan die niemand kent.

Dat bedoel ik dus. Als je elkaar dierbaar bent en je gaat samen op de foto: omarm elkaar, kruip bij elkaar op schoot of schouder. Doe in elk geval iets dat iedere verwisseling of scheiding onmogelijk maakt.
Desnoods wacht je met portretteren tot we uit onze bizarre anderhalvemetercoma zijn ontwaakt.

* Bericht in Trouw van vandaag.