Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

Och heden

08 april 2020

Prine & Kift

Een omroepgids hebben we al jaren niet meer. Dat is niet nodig. We weten hoe laat het journaal begint en wij hebben Steven. Zo maakte ik gisteravond alsnog kennis met de De Kift, omdat Steven zondag al vertelde dat we naar de uitzending van zaterdagavond moesten kijken. Toen was Het Uur van de Wolf aan ze gewijd. De documentaire, warm aanbevolen, is van Sanne Rovers en heet Water Wieg Me.
Er ontgaat mij bijzonder veel in dit bestaan. Ook als het om De Kift gaat. Maar wat een leuke groep is dat. Die man achter het harmonium bijvoorbeeld die een vriend blijkt te zijn van Rodaan Al Galidi.
Tussen neus en lippen kwam ook de vader van voorman Ferry Heijne ter sprake, Jan. Die is nu 87 en zit in een verpleegtehuis, maar tot 2013 speelde hij in de groep mee als trompettist. Twintig jaar lang, dus vanaf zijn zestigste.
Dat vond ik heel gaaf. Nu hebben mijn kinderen geen band en ik speel geen instrument, maar als dat allemaal wel zo was geweest, nou, dan wist ik het wel.

Vanmorgen wilde ik Steven even bedanken voor zijn zoveelste gouden tip, maar hij was me voor, nu met een bericht over John Prine. Die heb ik ook dankzij Steven een paar jaar geleden leren kennen. Zei ik niet dat mij in dit bestaan bijzonder veel ontgaat? Ik had vanochtend alleen geen tijd om het berichtje over Prine te lezen (dacht dat het weer om een kijk- of luistertip ging), dus beperkte ik me tot enkele opmerkingen over De Kift en van Prine zei ik: ‘Prine komt later.’

Maar dat is dus niet zo, begrijp ik intussen. Prine komt helemaal niet meer. Dat verrast me eerlijk gezegd niet. Hij had corona en wat had die man een slechte gezondheid. Maar het spijt me wel.
Zijn laatste cd, The Tree of Forgiveness, heb ik opstaan. De cd-speler staat op herhaling. Ik probeer even te tikken op de maat van Crazy Bone. Dat valt nog niet mee. Het volgende, weergaloze nummer, Summer’s End, maakt het me makkelijker.

Intussen voert Prine en muzikale strijd met De Kift, want ik probeer wat meer over ze te weten te komen. Zojuist ontdek ik niet dat Jan Heijne in een verpleegtehuis zit – dat wist ik, dat vertelde zijn zoon in de documentaire, maar wel dat op 23 maart De Kift op de stoep voor dat verpleegtehuis heeft staan spelen, ook voor vader Jan. Daar is een filmpje van en daar heb even naar geluisterd. Daarvoor moest John Prine wel even wacht zachter, maar nu hoor ik hém weer.

Het is dus zo dat je de pandemie van het coronavirus ook kunt zien als een intensieve, wereldwijde schoonmaakactie waarbij wat oud en zwak is wordt opgeruimd. Dat klinkt mij te clean en te klinisch, en daarom kan ik Jort Kelder niet goed volgen. Dat wordt nog moeilijker, nu ik John Prine hoor en terugdenk aan die prachtige plaats in Paradiso waar Steven en ik aan zijn voeten zaten, met een afstand van niet meer dan anderhalve meter. Maar ineens denk ik ook aan Jan Heijne. Hoe zou het nu, veertien dagen na dat concert, met hem zijn?

Natuurlijk denk ik ook aan die woorden van Lucebert, die boven Rotterdam oplichten.
En dan…

Komt er een bericht binnen van Steven. Het gaat om een filmpje waarin Jeff Tweedy een nummer van John Prine speelt: ‘Please don’t bury me.’
Even luisteren.

* Indertijd schreef ik al eens een In Poësis over John Prine. https://www.leesliter.nl/blog-en-nieuws/1039-in-poesis-120-prine. De foto die erbij staat is van mij.
**Jefft Tweedy zingt John Prine: https://www.rollingstone.com/music/music-news/jeff-tweedy-john-prine-tribute-cover-please-dont-bury-me-980316/.

07 april 2020

Bankje

Gisteren fietste ik over de Paltzerweg naar Amersfoort. Als je in Den Dolder doorsteekt, kom je langs de Vliegdennen, een straat die bestaat uit een appartementencomplex van twaalf woningen. Dat is het. Op die manier kom ik langs de twee huizen waar mijn schoonouders tweeëntwintig en vijftien jaar woonden, waar ze hun ouderdom vierden.
Op de heenweg zag ik ballonnen voor het huis aan de Paltzerweg. Binnen hingen ze ook, samen met een heleboel slingers. En achterin de kamer zat een heel gezin waarvan er eentje jarig was. Dat was een feestelijke aanblik. Thuis heb ik nog wat foto’s waarop de gevel van hetzelfde huis versierd is. Bijvoorbeeld toen mijn schoonouders veertig jaar getrouwd waren. In alle vroegte hebben we de boel toen versierd. Dat gebeurde weer toen mijn schoonvader zeventig werd. Misschien ook nog wel vaker, maar dat van die zeventigste herinner ik me nog goed. Dat was ook in april, twee weken later. De bomen en struiken bloeiden toen zoals ze dat nu weer doen. Er is niets veranderd.

Al met al had ik op die manier op de weg terug naar huis iets om naar uit te kijken.
Er is een serie met foto’s waarop opa Jan bovenop zijn stoel staat, de stoel die na zijn dood niemand wilde hebben. De kleinkinderen bombarderen hem met serpentines en zingen hem met hun ouders luidkeels toe. Het was een vrolijke boel.
Ik zag het nu zo levendig voor me dat het me niet eens onmiddellijk verbaasd zou hebben als ik hem had zien staan toen ik weer langsfietste. Opa kleurrijk behangen bovenop zijn stoel en toegezongen door een juichende meute kleuters, peuters en prepubers.
Hij stond er niet. Aan de tafel achterin zat een vrouw achter haar laptop. Dat zie je in tijden van corona nogal veel als je ergens door het raam kijkt: beren in de vensterbank en vrouwen achter een laptop.

Opa Jan was een klusser en hij had een patent op botenlak. Alles zat in de botenlak. Dat was al zo in Den Haag en in hun vakantieboerderijtje en dat ging verder aan de Paltzerweg. Ik had nooit van botenlak gehoord totdat ik Mente leerde kennen. Dacht trouwens lang dat het spul boterlak heette, met een r. Aan de Paltzerweg zette hij jaarlijks een bankje in de boterlak. Toen mijn schoonouders naar hun appartement in Den Dolder verhuisden, ging het bankje mee. Het kwam er in de hal bij hun voordeur te staan. Aan lakken kwam opa Jan niet meer toe. Hij werd ouder en het was ook helemaal niet nodig. Het bankje stond binnen.

Maar niet de afgelopen vijf jaar. Toen stond het weer buiten, hier in de achtertuin, en de vellen botenlak hangen erbij. Nee, hingen er bij, want eindelijk, na jaren is het er vandaag van gekomen en heb ik het bankje stevig geschuurd. Morgen wordt het weer geverfd, jawel. Een cadeautje voor opa, zullen we maar zeggen, alvast voor zijn verjaardag.
Nog even en dan staat het bankje weer strak in de, nee, niet in de botenlak, het wordt een dekkende beits. Engels rood.
Benieuwd wat hij daarvan vindt.

06 april 2020

Van God

Na de gedeelde thee gistermiddag las ik nog even wat Koos had geschreven in zijn rubriek ‘Dit was de week.’ De vlag waaronder hij de week liet wegvaren was veelzeggend, Het Woord Van God (https://koosmeinderts.nl/schrijfblok).

Op verschillende plekken in de wijk staat op de stoep met krijt ‘Psalm 91’ geschreven. Koos zegt daarover: ‘Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont heeft niets te vrezen, daar komt de psalm in het kort op neer: Hij bevrijdt je uit het net van de vogelvanger en redt je van de dodelijke pest. Maar wie kwaad doen worden gestraft. Zij die kwaad doen, wie zijn dat, de goddelozen, de ongelovigen en afvalligen?’
Daar gaan in zijn stukje woorden aan vooraf uit een preek van ds Agteresch uit Werkendam. Koos citeert ze en ik jat het citaat weer van hem: ‘Koning Jezus komt. Wanneer? Bij de wederkomst. Dan komt hij op de wolken van de hemel (…). Maar voordat Jezus komt, stuurt Hij zoals de koning eerst zijn knechten stuurt, eerst het corona-virus om ons te straffen. Waarom? De Heere wil dat jij gaat bidden. De Heere wil dat jij breekt met de verkeerde dingen.’

Ik zit er mee, met die dominee en met die psalmwoorden op de stoep, die ik overigens niet gezien heb. We wonen dicht bij elkaar, Koos en ik, maar Koos fietst niet alleen veel, hij maakt ook iedere dag een wandeling . Ik doe dat laatste minder en nu blijkt maar weer dat een wandelaar meer ziet.

Psalm 91 is een troostrijke psalm. Weliswaar wordt korte metten gemaakt met wat kwaad is, maar in 91 gaat het niet om personen, om vijanden die worden vertrapt. Dat gebeurt overigens regelmatig in de Psalmen. Ik ben er daarom altijd een beetje bang voor. Ze zetten naar mijn idee nogal een godsbeeld neer van mensen bij wie ik me niet thuis voel. Dat kom ik in de Bijbel wel vaker tegen. Er zijn profeten voor wie ik zou willen verhuizen als het mijn buren waren. Misschien heeft dominee Agteresch minder moeite met dergelijke buren van dat kaliber.

Wat de dominee over corona zegt, lijkt mij een vorm van vloeken . Als het virus een straf voor zondig gedrag genoemd wordt, dan gaat het om straf die iedereen, gelovig of niet, zou erkennen, een wetmatigheid dus. ‘Da’s logisch,’ zou Cruijff zeggen. Wie veel drinkt, wordt dronken; wie niet uitkijkt, kan makkelijker struikelen. Dat er een God is die met emmers rampspoed komt om mensen te straffen? Ik geloof er niks meer van.

Al kan het ook geen kwaad om een beetje mee te bewegen met dominee Agteresch, in de zin dat een ongemakkelijke gedachte je hopelijk kan uitnodigen eens wat beter na te denken over de vraag waar je in hemelsnaam mee bezig bent om vervolgens aan het antwoord daarop wat consequenties te verbinden (vlees, vliegtuig, verwarming, online shop, agenda, vrienden, Lesbos). Gebeurtenissen kunnen je uit de comfortzone van je vooruitgangsgeloof halen, uit de waan van veiligheid; soms kunnen stekelige woorden – bijbelwoorden bijvoorbeeld die je niet zo gelegen komen - dat ook.

Ik lees dat Koos zich, retorisch weliswaar, afvraagt of het dan vooral goddelozen, ongelovigen en afvalligen zijn die gestraft worden. Dat is drie keer dezelfde groep, plusminus, maar los daarvan valt mij op dat in Nederland juist gelovigen getroffen worden. Ik ga hier maar niet op door.

Ik houd het op een God die gaat voor het leven, eentje van licht aan, bloesem aan de boom, spelende kinderen. En die - als het dan niet gaat zoals we willen - zegt: je bent niet alleen.

05 april 2020

Kinderfoto

Van Facebook moet je je mooiste foto van de zee op de site zetten, je lekkerste recept posten en vertellen wat je lievelingsmuziek is. Ik word daar erg zenuwachtig van. En nu komt daar een foto uit je vroege kindertijd nog bij. Ik doe er niet aan mee. Niet omdat ik een jongetje ben en deze hypes bijna alleen maar vrouwen lijken te infecteren, maar ik heb er geen zin in. Die uitnodiging om een kinderfoto te plaatsen raakt sowieso een bijzonder gevoelig punt.

Ik zou natuurlijk kunnen zeggen dat mijn vader ooit alle foto’s verscheurd heeft en dat ik daarom niet mee kan doen aan deze FB-actie. Om er aan toe te voegen dat de herinnering aan die verschrikkelijke actie van mijn vader me nog zo aangrijpt, dat ik er niet over kan praten. Dat is alleen nooit gebeurd. Het zou niet eens in mijn vader opgekomen zijn om zoiets te doen. Dat lag helemaal niet in zijn lijn.

Wel is er een pijnlijke herinnering aan een foto die van mij gemaakt werd toen ik op de kleuterschool zat. Ik was toen drie. Die van mijn vijfde en vierde heb ik nog, maar niet die van toen ik drie was. Ik lieg alweer: er werden er toen twee gemaakt. De tweede heb ik nog, maar niet de eerste. Die heb ik niet meer, juist omdat die me zo dierbaar was.

Bij de fotosessie raakte ik volledig van streek. En dat terwijl mijn zus Elly er speciaal voor van haar school naar me toegekomen was. Ik was namelijk bang voor foto’s, voor het boze oog van een camera. Daardoor raakte ik in paniek. Iedereen had met me te doen, weet ik nog, de juf, de fotograaf, wat moeders en ook mijn zus.
Er speelde nog iets waardoor het me teveel werd: ik moest iets doen. Ik moest in het gareel van verwachtingen lopen. Iedereen deed het, dus moest ik ook. Daar kon ik niet mee omgaan, met iets moeten, net als anderen.

Uiteindelijk winnen grote mensen het. Ook toen. Ik gehoorzaamde en huilend keek ik in de lens van de camera, die glansde als een veel te grote kever. Met een verfkwast in mijn hand stond ik naast het schildersezeltje met daarop een waterverftekening waaraan ik part noch deel had gehad en waarop al mijn klasgenootjes allemaal al een lullige veeg hadden gezet.

De fotograaf verstopte zich en kwam al snel weer achter de camera tevoorschijn.
‘Nou, dat was alles,’ zei hij. ‘Zie je nou dat het meevalt?’
Mijn zus sloeg haar arm om me heen en wilde me meetrekken.
‘Wacht even,’ zei de fotograaf. ‘Hij heeft zo goed meegedaan. Hij mag nog wel even verder werken aan het schilderij.’ Daar had ik helemaal geen zin in, maar nu het grootste leed geleden was, konden die paar verfstreken er nog wel af. Elly deed een stap naar achteren. Ik zette de kwast op het papier en toen maakte die verraderlijke fotograaf de tweede foto. Die is er nog.
De eerste, met het huilende jongetje, kregen we later ook. Het is misschien wel de mooiste kinderfoto ooit.

Twaalf jaar later raakte ik verliefd op een Noors meisje. Toen zij weer terugkeerde naar Oslo, schreven we elkaar dagelijks, bijna drie maanden lang.
In die tijd dus heb ik - grote sentimentele stommeling die ik was - haar een keer de foto met dat huilende jongetje gestuurd.
In mijn laatste brief heb ik Sissel nog gevraagd om hem terug te sturen.

Zodra dat gebeurd is, zet ik hem op Facebook. Ik beloof het.

04 april 2020

De tip van Thé

Ik kom terug op een Och Heden van 20 maart (‘Geweten’).
Toen was ik uitgenodigd om een gedicht naar de afzender en naar nog een ander te sturen en zelf twintig (soms tien) anderen uit te nodigen mijn voorbeeld te volgen. Dat zou me een schat aan poëzie opleveren. De uitnodigingen om mee te doen kwamen en komen binnen via de mail. Intussen zit ik op 27 uitnodigingen. Ik reageer er niet meer op. Wel moet ik de droef stemmende conclusie trekken dat die mensen mijn stukjes niet lezen, anders hadden ze me de mailtjes nooit gestuurd.

Alhoewel, vrijdag kreeg ik een mailtje van de mij dierbare Thé en hij had besloten om net als ik de uitnodigingen af te slaan. Hij is aardiger dan ik ben, dus hij reageert nog wel op de uitnodigingen en daarbij stelt hij de afzender voor om in plaats van te werven onder derden zelf een nieuwe dichtbundel te kopen. Dat levert je in één klap net zoveel gedichten op en ze zitten meteen keurig in een bandje zodat je ze niet achter de computer hoeft te lezen. ‘De wijn is drinkbaar dankzij het glas ‘ zei Mulisch. Zoiets geldt ook voor gedichten: die laten zich het best lezen in een bundel van papier, met dank aan de vormgever.

Op die manier hebben bovendien ook armlastige dichters en boekhandelaren er iets aan. Ik zou je willen voorstellen de estafette inderdaad maar te laten voor wat ie is en zelf een boekhandel in te stappen om een bundel te kopen. Ja, boekhandels zijn vaak nog open. Ook daar zijn voorschriften en daar is ook sanitaire zeep en je vindt er ook hekjes of strepen, maar wat een zalige rust in vergelijking met de bedrijven van onze grootgrutters. Ik vind het een goede tip van Thé.

Mijn eerste, toen nog verrassende uitnodiging voor de poëzie-estafette kreeg ik van Benno Barnard. Uit zijn mail bleek dat de tekst met de uitnodiging niet van hemzelf was; dat vertelde hij er namelijk bij. Diezelfde tekst, soms met een kleine variatie, kan ik intussen dromen, maar Benno was de enige die niet de indruk wekte dat hij zelf op het idee gekomen was om het dichterlijke piramidespel op touw te zetten. Zijn uitnodiging was van de 17de en na mijn stukje erover van de 20ste vroeg ik hem naar de oogst tot dusver. Hij had toen een stuk of dertig gedichten binnen. Opvallend veel Shakespeare, zei hij. De meeste andere gedichten kende hij ook. Er zat weinig tussen dat hij niet al kende. Een paar gedichten, daar vroeg ik namelijk naar, hadden hem inderdaad ontroerd. Ik weet niet of het daarbij ging om hem bekende of onbekende gedichten. Had ik moeten vragen.

Het appje van Thé, die als jongen nog met Benno in hetzelfde voetbalteam zat trouwens, maakte duidelijk dat hij mijn OH van 20 maart wél gelezen had. Dat zou dus kunnen betekenen dat ik zonder dat stukje misschien al wel veertig of vijftig uitnodigingen had gekregen om mee te doen aan dit onzalige estafettegedoe.

De ervaring van Benno leert dat je beter het voorstel van Thé kunt volgen: koop eens een dichtbundel. Daar wordt de wereld beter van.

03 april 2020

Gofit19

Deze barre tijden gaan soms gepaard met een aangename bijvangst. Aan de beperkingen waarmee dit voorjaar ons opzadelt, danken we bijvoorbeeld Gofit19, een fietsroute die begint op de plek waar je fiets staat. Deze route kent een parcours dat wordt bepaald door omstandigheden en die kunnen van het ene moment op het andere veranderen. Dat maakt de route bijzonder flexibel en daarmee uitermate aantrekkelijk.
Grondregel is: houd afstand. In mijn geval betekent het dat ik pas op het moment waarop ik de poort uit fiets, beslis of ik links- of rechtsaf sla. De grondregel kent gradaties. Een afstand ten op zichte van een andere persoon van 1,5 meter of minder betekent dat je die kant absoluut niet moet kiezen. Gaat het om een grotere, om niet te zeggen, veel grotere afstand, dan is de regel wat minder stringent, maar ga, als het kan, de kant op waar je geen mensen ziet. Mijn tocht voerde vandaag via de Voorveldse Polder naar de Oostbroekselaan. Daar was ik in geen veertig jaar geweest. Heel lang geleden, toen Uithof en A28 nog geen roet in het eten gooiden, fietste ik er wel. Ik trakteerde mezelf op een herkenningsfeest.
Een volgende regel: kies het pad dat je niet kent en steek over waar dat niet voor de hand ligt. Het brengt je op onverwachte en ongekende plekken. En dat zonder te verdwalen, want je weet toch wel zo’n beetje waar je bent. Gelukkig niet altijd, maar binnen een paar minuten, herken je wel weer iets. Intussen begint er van boven van alles te kraken. Vanwege een geheugen dat geprikkeld wordt, maar ook ga je je afvragen hoe de kaart er eigenlijk uitziet die je befietst. Het zette mij in ieder geval tot nadenken toen ik het Provinciehuis naderde vanuit een richting die ik niet kende. Hoe zat dat nou?

Gofit19 is een fietsavontuur dicht bij huis dat je ook confronteert met onverwachte gebeurtenissen. Zo kwam ik via een vergeten laantje op de Weg naar Rhijnauwen. Altijd weer mooi, maar die kan ik dromen. Veertig meter voor me fietsten twee vrouwen. Bij een van de twee viel iets uit haar zak. Ik stopte. Het was een make-uppotlood, geloof ik; dat weet ik niet zeker. Ik wilde al bukken en het oprapen, toen de vrouw van het potlood ook stopte en omkeek.
‘Dat is nou vervelend. Wat moet ik nou doen? Mag ik dit wel oprapen en even aangeven?’ riep ik.
Ze lachte, zei ‘Dankjewel’ en fietste mijn kant op. Ik liet het potlood liggen.
‘Je zoekt het maar uit,’ zei ik. Ze lachte weer.
Kortom: een verrassende en hartelijke ontmoeting. Drie weken geleden had ik het potlood opgeraapt en aangegeven; daarna zou ik het voorval vergeten. Nu niet. Gofit19 maakt van een fietstocht niet minder dan een avontuurlijke expeditie. En je leert ervan nadenken.

Weer later trof ik Miep. Ze stond bij een bankje en dronk koffie die ze zelf had meegebracht. Ik kom Miep nooit tegen bij een bankje met haar eigen koffie. We hebben tien minuten staan praten. Juist omdat Gofit19 een route dicht bij huis is, onderhoud je op verrassende wijze ook je sociale contacten.

Er zijn nog wel een paar mitsen en maren, maar het idee is nu wel duidelijk, neem ik aan.
O ja, je kunt Gofit19 zo lang maken als je wilt. Bij Fort Vechten had ik straffeloos tien kilometer aan de route kunnen toevoegen. Ook in dat opzicht is Gofit19 uitermate flexibel. Dus go fit en fiets Gofit19.

02 april 2020

Ouwe man met fiets

Mijn zus vertelde me een tijdje geleden hoe opa Van der Kruk de poort in kwam op zijn zware fiets, met een bagagedrager voorop en daarop een groentekist.
‘Dan kwam hij weer een maal bonen brengen of een of andere koolsoort.’
Ik zag het voor me en was geschokt. Van mijn opa met zijn transportfiets heb ik een scherp beeld, maar niet dat hij die fiets gebruikte om op te fietsen, maar dat deed hij dus, van Loosduinen naar Monster.
Pas nu ik dit schrijf, realiseer ik me dat Elly een andere poort bedoelde dan ik me daarbij tot nu toe heb voorgesteld. Die keer dat zij met een fietsende opa op de proppen kwam, zag ik hem door onze lange smalle poort aan de Choorstraat fietsen, nu heet het daar trouwens Emmastraat en ooit was het Poeldijkseweg. Maar hoe het er ook heten mocht: fietsen op zo’n zware fiets en dan ook nog met die groentekist was bijna ondoenlijk voor een vent van rond de zeventig. Maar Elly zei helemaal niet om welke poort het ging. Het lijkt me daarom waarschijnlijker dat ze die poort helemaal niet bedoelde. Toen ik twee was, verhuisden we naar de Choorstraat, naar het huis met de lange smalle poort, maar ook het huis met een voortuin. Elly was toen negen! Dus, bedenk ik nu, haar herinnering gaat terug naar het huis waar wij geboren werden. Daar was een brede, korte poort, maar er was geen voortuin. Het lag en ligt dus veel meer voor de hand dat mijn opa daar doorheen fietste.

Het spijt me, ik wilde dit helemaal niet vertellen. Ik wilde het hebben over die fietsende opa. Want die ken ik helemaal niet. Wel ken ik een opa, een stokoude man, zo krom als een hoepel, die iedere dag naar zijn tuin sjokte, naast zijn fiets met daarop altijd een groentekist. Als brugklasser fietste ik dagelijks van Monster naar Den Haag en een paar keer per week, om een uur of acht, ter hoogte van de brug naar Ockenburg kwam ik dan opa tegen. Die was onderweg naar zijn tuin. ‘Dag, Opa!’ riep ik dan en hij bromde iets terug. Ik weet zeker dat hij me nooit herkend heeft. Dat is het beeld van opa en zijn fiets. Nooit bedacht dat er tijden moeten zijn geweest dat hij er bovenop zat, met zijn voeten op de trappers. Had je het me ooit een keer gevraagd, dan had ik meteen ‘ja’ gezegd, ‘natuurlijk’, maar ook dan zou ik verrast zijn geweest, van de vraag en van mijn eigen antwoord.

Hoe ik hier zo op kom? Ik heb vandaag foto’s van vorig jaar doorgenomen, wat kon weg en wat niet, niet eens alles, maar het zijn er heel veel. Ik bedacht dat er heel veel niet op die foto’s staat. De laatste ontmoeting met Onno bijvoorbeeld, hoe hij nog voor ons uit zijn bed kwam. Of dat ik enkele weken lang telkens naar het UMC moest voor een bestraling. Er is geen foto van.
Toen bedacht ik dus dat ik ook geen foto heb van opa, van de ouwe man die ik in zijn laatste levensjaar bijna dagelijks tegenkwam, terwijl hij naast zijn fiets liep. Ik heb het beeld luid en duidelijk in mijn kop. Maar er is geen foto van. Dat is wel jammer. Ik had hem je graag laten zien.

01 april 2020

Oké, ik ga met je mee

Als ik zachtjes ‘Erbarme dich’ zing, stelt me dat niet voor raadselen. We zitten in de veertigdagentijd, en je mag deze aria van Bach rustig zien als een gebed dat ik prevel vanwege de corona-ellende die over Gods schepping golft. Trouwens, op een aria van Bach wil iedereen zichzelf wel betrappen.
Maar waarom zit er zoveel Ria Valk in mijn hoofd de laatste tijd? Vooral haar eerste hit Rocking Billy.
‘Hou je echt nog van mij, Rocking Billy, of is nu al je liefde voorbij?’ Waarom gaat er geen afwasbeurt voorbij zonder dat ik het weer sta te galmen? Ik ken geen Rocking Billy, ook niet iemand die zich op verre afstand van mij afkeert, integendeel, mijn geliefde staat op minder dan anderhalve meter bij me vandaan, we doen samen de afwas.

Eén zin uit het lied maakt veel goed:
‘In Amerika zou je beginnen
een fabriekje in leverpastei.’
Dan komt dat vreselijke ‘Jij had daarvoor geen money, Rocking Billy.’
Vooral dat money! En daarna het slot:
‘Stuur mij alsjeblieft weer mijn mooie matras,
want daarin zit mijn geld en mijn pas.’

Als kind stelde ik me daarbij mijn eigen matras voor, waarin ergens de tijk was opengeknipt – hup, geld en paspoort erin – en daarna dichtgenaaid. Gevolg is dat ik nog een scherp beeld daarvan heb, van dat matras: goudgeel, met een zilverkleurig bladmotief.
Maar wie doet nou zoiets? Geld in een matras meesturen en al helemaal je pas! Waarom moet trouwens het hele matras terug? Waarom zat er geld in het matras? Dat had ze toch al uitgeleend aan Billy? En waarom iemand zijn pas in een matras stopt dat naar Amerika wordt getransporteerd en zelf achterblijft…? Ik begrijp er niks van.
Erger is dat het ene liedje van Ria Valk vanzelf het andere oproept. De ‘worstjes op mijn borstjes’ zitten gelukkig niet in mijn repertoire, ook niet de Vrijgezellenflat. Maar de golven die ik aan het strand zie, zijn er weer wel. En ook Oké, ik ga met je mee.
Misschien is dat nummer van Valk minder bekend, maar in 1961 stond het op de achterkant van Rocking Billy en mijn zus had dat plaatje in huis gehaald.

Vanmorgen viel het kwartje. Ik denk dat ik nu de bron heb gevonden vanwaaruit het Ria Valkvirus zich door mijn hoofd verspreidt. Dat zit zo: doorgaans sta ik iets eerder op dan Mente, maar de laatste tijd heb ik minder haast om uit bed te komen. Daardoor gebeurt het nu regelmatig dat zij zegt dat ze eruit gaat. Daarmee is voor mij de lol eraf. Dat begrijp je. Dus ik zucht dan wat en zeg ‘Oké.’
En let nu goed op: terwijl ik overeind kom en intussen een halve draai maak om met mijn twee voeten op de koude vloer te komen, voeg ik daaraan toe: ‘ik ga met je mee.’
Doorgaans ga ik meteen naar de badkamer, waar ik me laat afleiden door Radio 4, maar dan heeft het virus mij blijkbaar al in zijn greep. Ik merk daar de hele dag niets van, maar bij de afwas klinkt plotseling:

OK, ik ga met je mee
Ver weg in Texas zingen wij Yippy-ayee
OK, ik ga met je mee
We zoeken samen dan een blokhut voor ons twee
Je moet me daar een paard met twee pistolen geven
Want op de prairie is nog heel wat te beleven
OK, ik ga met je mee
Ver weg in Texas zingen wij Yippy-ayee.

En als Ria Valk eenmaal losbarst, is er geen houden meer aan.

31 maart 2020

Aandenken

Lieve Tommy,

Vanmorgen stond ik onder de douche en weer moest ik aan je denken. Ik denk ook aan je broer en zus natuurlijk, en aan je neefjes, maar onder de douche dacht ik vooral aan jou. Dat heb je me ook wel gemakkelijk gemaakt, want ik moet altijd aan je denken als ik blote voeten heb en omlaag kijk. En zo sta ik doorgaans onder de douche. De nagel van de grote teen van mijn linkervoet is bruin. Zoiets springt in het oog. Het valt op dat juist een van de twee grootste nagels waarover ik beschik ook in kleur zo afwijkt van de andere, zelfs van de hele voet.
Je zult het je niet herinneren, maar vroeger, toen het nog zomer was, en jij nog maar nul, vroeger dus, droeg ik, je opa (ken je me nog?), slippers of sandalen. Ook op die zomerse maandag in augustus toen oma en ik bij jullie oppasten. Jij zat bij me op schoot en vermaakte je met een grote vierkante auto van duplo. Toen je die liet vallen, kwam het ding met een punt op mijn grote teen, precies op de nagelriem (laat pappa maar even uitleggen wat dat is, als het je interesseert). Dat deed pijn, niet bij die auto, wel bij mij.
‘Oe!’ zei ik en dat was heel keurig en beheerst van me, al zeg ik het zelf. Alleen je broer merkte het op en die vroeg wat er aan de hand was. Jij had niets in de gaten en zat alweer te spelen met de vervaarlijke duplotruck die ik voor je had opgeraapt. Maar je grote broer van toen nog vijf had gemerkt dat er iets met me aan de hand was.
‘Dat deed pijn,’ zei ik daarom tegen Klaas. ‘Tommy liet een auto op mijn teen vallen, precies met de punt.’ Klaas barstte in lachen uit en riep ‘Goed gedaan, Tommy!’ Daarna ging hij weer over tot de orde van de dag.

Die avond keek ik naar het rode puntje op mijn grote teen. Van pijn was al lang geen sprake meer. Omdat we in de herfst een paar maanden in Nieuw-Zeeland waren, oma en ik, liep ik weer op slippers en sandalen en ook daar ging ik onder de douche. Het rode plekje was intussen verdwenen, maar in plaats daarvan schoof een bruin schijfje vanonder de nagelriem tevoorschijn. Dat schuiven kan je niet zien hoor, dat ging heel langzaam, daar zijn de schijngestalten van de maan een komeet bij (schijngestalte? komeet? nagelriem? Even aan mamma vragen).
In Nieuw-Zeeland vond ik dat prettig. Het was mijn stille herinnering aan jou, daar aan de andere kant van de wereld.
Terug in Nederland gingen sandalen en slippers de kast in en verstopte ik mijn voeten weer in sokken en schoenen. Het aandenken was ook niet meer nodig, want ik zag je weer heel vaak.

De bruine vlek is nu op zijn grootst. Hij beslaat mijn hele nagel. Intussen ook heb ik je nu al bijna twee weken niet gezien, maar ik denk veel aan je. Ik zou niet weten wat opa’s en oma’s anders te doen hebben dan aan hun kleinkinderen denken. Daar hebben ze helemaal geen bruine nagel voor nodig, zou je zeggen. Maar toch, die nagel maakt wel dat ik extra aan je denk als ik hem zie. En ik ben zelfs een beetje blij met deze herinnering.
Begrijp me niet verkeerd, Tommy, dit betekent niet dat als het straks weer zomer wordt en ik weer slippers aan mijn voeten schuif…

Opa Len

29 maart 2020

Vijf jaar later

We rijden naar het kerkhof om een bos bloemen in de vaas te zetten. Het is vandaag precies vijf jaar geleden dat mijn schoonvader overleed. Ook toen viel 29 maart op een zondag, maar kerkelijk zaten we een week verder in de veertigdagentijd. Daardoor gebeurde het dat mijn schoonvader later die week begraven werd op Goede Vrijdag, op de derde april. Daar had hij zelf nooit op gezinspeeld. Dat kon ook niet, want een aantal weken daarvoor hadden we dit overlijden niet zien aankomen. Maar de Goede Vrijdag kwam in zijn verhalen van een jaar eerder regelmatig voor. Hij was geboren op de Goede Vrijdag van 1919. Vijf jaar geleden werd hij dus op die bedenkelijke feestdag begraven.

Die Goede Vrijdag van 1919 viel op 18 april. Schoonvader Jan had wel eens uitgerekend in welke jaren hij zijn verjaardag op Goede Vrijdag had gevierd. Met behulp van mijn mobieltje kon ik hem vervolgens vertellen dat hem dat in 2025 weer zou overkomen. Hij had toen wat bedenkelijk gekeken: 106 was wel heel oud. Maar die keer dat we het erover hadden, op de Goede Vrijdag van 2014 dus, toen hij zijn 95ste verjaardag vierde, sloten we het niet helemaal uit. Er hadden wel grotere gaten tussen Goede Vrijdagen gezeten die op 18 april vielen. Het liep heel anders. Op de Goede Vrijdag van 2014 vierde hij zijn verjaardag en op die van een jaar later werd hij begraven. Vandaag bezochten we zijn graf.

Een paar jaar geleden voegde zijn vrouw zich bij hem en als we de parkeerplaats oprijden, roept ze me al toe: ‘Zo, schone zoon.’ Ik had geen naam, ik heette Schone Zoon. Het was altijd het eerst wat ze zei. Soms was het ´zo´, soms was het ´dag´, maar altijd volgde ´schone zoon.´
Mijn schoonvader hoor ik niet als we naar het graf lopen. Pas als we bij de rij komen van hun graf zie ik hem uit zijn stoel opspringen, zoals die ene keer dat we op bezoek waren en hij me alle artikelen met ruime toelichting overhandigde die hij de afgelopen tijd was tegengekomen en voor me had uitgeknipt omdat de inhoud ervan ´echt iets voor Len´ was.

Meestal gaf mijn schoonmoeder ons koffie of wat dan ook en in de laatste jaren deden we dat zelf. Nu moet ik denken aan die keer dat hij overeind schiet om koffie voor mij te gaan halen als hij merkt dat mijn eerste kopje leeg is.
´Nou, nou, doe niet zo druk,´ zeg ik. ´Drink gewoon je eigen koffie op. Als ik meer wil, kan ik het zelf wel pakken.´
´Nee, nee,´ zegt hij. ´Ik heb twee zoons, twee dochters, twee schoondochters en acht kleinkinderen, maar ik heb nog maar één schoonzoon. Daar moet ik wel een beetje zuinig op zijn.´
´Doe me dan ook nog maar een plak cake.´
Dat deed hij.

Terwijl Mente de bloemen snijdt, maak ik onder een kraantje de vaas schoon.

28 maart 2020

Berenjacht

Om de vuilcontainers voor het restafval in de wijk is twee, drie jaar geleden veel te doen geweest. De bak hier honderd meter vandaan is al een paar maanden stuk. Het begon er mee dat de sensor dat je pasje afleest niet meer werkte en intussen zit de hele trommel vast. Daarom moet ik nu een flink stuk lopen om een zakje restafval kwijt te raken.

Dat gaf me gisteravond het plotselinge genoegen om eens na te gaan hoeveel animo er is om bij te dragen aan de berenjacht. Ik kan je vertellen dat het in de straat hierachter heel slecht gesteld is met de geëtaleerde knuffelberen. Op mijn ongewild langere weg naar een container die mijn zakje vuil wél accepteerde kwam ik er welgeteld twee tegen. Je leest het goed: geen vier, geen drie, maar twee. Daar scheep je kleuters toch mee af!
Er waren ook drie boeddha’s, maar die tellen niet mee, en dat is maar goed ook, want ik houd niet van boeddha’s. Bovendien zaten ze met hun rug naar het raam, afgewend van de wereld en daarmee geven ze precies aan wat ik op boeddha’s tegen heb. Onze lieve Heer zag ik helemaal niet overigens, wel een Maria, ook al met haar rug naar me toe. Van haar viel me dat wat tegen.
Verder waren er drie coronavlaggen en dat deed me nou weer goed. Ze waren zelfgemaakt. Eentje, was een hempje met daarop een hart. Dat was meteen de mooiste.
Maar die beren wilden maar niet vlotten.
Zonder de last van het afvalzakje liep ik terug langs een andere weg. Ik telde nu drie beren. Totdat ik in het deel van de straat kwam waar ik woon. En ik kan je met trots vertellen dat ik even later thuis kwam met een saldo van eenentwintig, waarvan het merendeel dus in het stuk straat waar ik woon. Waarin een straatstuk groot kan zijn! Dat was gisteravond dus. Nu zullen het er wel meer zijn, al was het maar dankzij de Winnie the Pooh die Mente bij ons in het raam heeft gezet.
Als je wilt meedoen, moet je je opgeven via Facebook. Maar dat er nu ook een beer bij ons voor het raam zit, is Mentes verdienste en zij doet niet aan Facebook. Ook niet aan Twitter of Instagram trouwens. Geen denken aan. Ik bewonder dat in haar. Ze verdient navolging. Het gevolg is dat onze beer niet via Facebook geregistreerd is. Hij zit er illegaal. Net als mensen moeten ook beren zonder verblijfsvergunning momenteel zoveel mogelijk binnen blijven.

Zojuist een rondje gefietst. Terwijl ik de wijk uit reed, merkte ik op dat er vaak een paar beren voor het raam zitten of staan. Sommige staan op hun kop. Ook even gekeken of er mensen zo grappig waren geweest om een beer boven voor het raam te zetten. Het aantal etagewoningen of appartementen is te verwaarlozen, dus een beer boven berust op moedwil. Maar goed, dat gebeurt maar weinig. Beren voelen zich het meest thuis bij jonge ouders. Zoveel is wel duidelijk. Bij gezinnen met pubers doet de vlag met hart het beter.
Nog even gekeken naar huizen van ouderen. En jawel, het zijn vooral grootouders die een beertje voor het raam hebben staan of zitten. Dan is het er bijna altijd eentje. Behalve bij Gerrie. Die heeft er zes!
Echt iets voor Gerrie.

27 maart 2020

Rondje stad

De stad ligt er tamelijk verlaten bij. Ze doet me denken aan de zondagen uit de tijd dat we nog aan de singel woonden. Omdat de winkels dan dicht waren, kreeg je op zondag je woonomgeving weer even terug. Ik maakte dan graag, alleen maar vaker met dierbaren groot en klein, een wandeling door de stad waarbij je veel meer dan op andere dagen werd uitgenodigd wat hoger te kijken dan de etalages, maar naar de oude gevels daarboven. Op zondag was de stad op zijn mooist. Vandaag, na de koffie, doe ik de stad op de fiets.
Anders dan toen voel ik me nu een beetje een ramptoerist en dat ben ik liever niet. Het gaat misschien wat ver om jezelf een toerist te noemen als je door je eigen stad rijdt en ook was er niets dat wees op een ramp. Die gesloten winkels, ja, en de a4’tjes met een niet vrolijke mededeling.
Maar het frisse licht en het water van de Oudegracht hadden het goed naar hun zin samen. En de her en de verspreide mensen, zittend op een krukje of een stoel en met in hun hand een mok of een traktatie van de bakker. Het had zomaar een ouderwetse zondag kunnen zijn.

Ik reed ook nog even langs het huis dat we vroeger bewoonden. Een half jaar geleden nog maar vroeg dat plotsklaps luidruchtig om onze belangstelling door te koop te staan. Even kriebelde er iets. Terug naar zo’n heerlijk oud huis, met zijn prachtige uitzicht, de bewerkte plafonds… Maar gelukkig was er al gauw iemand zo verstandig geweest om het pand te kopen, zodat ik er niet meer over hoefde na te denken. Het wordt al weer bewoond, zie ik.

Via een stukje Abstederdijk en het Wilhelminapark, waar het erg rustig was, kwam ik bij de rotonde bij het rosarium. De rotonde om het ronde grasveld waar heel lang de reusachtige beuk stond waar half Utrecht verliefd op was. De beuk die een eigen facebookpagina had. Op 13 februari werd hij gekapt, iets later dan gepland, vanwege de storm en na een groot afscheid.

Maar nu, anderhalve maand later, staat er een zeer forse beuk. Niet alleen de aarden ring om zijn stam maakt duidelijk dat hij hier nog niet zo lang staat, dat blijkt ook uit de kabels die er voor moeten zorgen dat hij ook stevig op zijn plek staat nu zijn wortels hun verdere weg de grond in nog niet helemaal gevonden hebben.

Ik maak een foto. Maar waarvan? Van de plek waar ooit die reusachtige rode beuk stond en nu niet meer of van de nieuwe beuk.

Life goes on, within you and without you. George Harrison.

We fietsen verder.

26 maart 2020

Bril

Nescio had net als ik een vrouw. En deze schreef alles wat Nescio aan het papier toevertrouwde nog eens netjes over. Het kon niet anders of af en toe leverde ze commentaar op Nescio’s schrijfwerk. En dat had weer tot gevolg dat die elders weer wat te mekkeren had op het commentaar van zijn vrouw. Ook dat las zij.
Ik kan me niet herinneren dat ook daarop weer een reactie kwam die werd neergepend om daarna weer gekopieerd te worden, maar het is wel een fraaie monoloog voor twee personen of een dialoog van een, dat weet ik niet.


Ook ik heb een vrouw en ooit heeft zij hele stukken voor mij overgetikt, mijn afstudeerscriptie bijvoorbeeld. Haar chef kwam dan op vrijdagmiddag langs om een ibm-machine af te geven, een elektrisch geval met vervangbare bolkop, waardoor je verschillende lettertypen kon gebruiken, en staand en cursief kon afwisselen. Daar was Mente dan in het weekend weer een tijdje zoet mee. Maandagochtend haalde de chef de machine weer op.
Nu typ ik veel sneller dan zij, maar die winst weegt niet op tegen het aantal vergissingen dat ik pas ontdek als het al te laat is.

Zo’n bolkopgeval is een tijdlang het summum van moderne tekstverwerking geweest, maar ineens was het afgelopen. Sindsdien tik ik mijn teksten zelf.
Alleen kijkt Mente ze de laatste jaren altijd na: ik maak namelijk nog steeds fouten en ik sta daar een paar dagen later pas voor open. En dat is te laat, als je schrijft van de dag voor de dag.
Op die manier is Mente dus mijn eerste lezer. En daar hou ik rekening mee. Nee, er is geen sprake van censuur, Mente moet vooral niet denken dat ik dat ook maar in de verste verten zou durven of willen suggereren, nogmaals nee. Waar ik begin te twijfelen, zegt zij juist dat iets best kan, maar ik zal er nooit over uitweiden hoezeer zij mij verrukken kan en kon en waarom. ‘Doe dat nou maar niet,’ zou ze misschien zeggen. En dat wil ik niet, maar misschien mist ze dat juist een beetje.

Ik wil het hebben over de nieuwe, multifocale bril die zij sinds vandaag draagt en waarmee ze waarschijnlijk nog meer onvolkomenheden ziet. In mijn teksten, maar ook in mijn gezicht. Bij de afwas zal ik minder vaak iets teruggeven met de mededeling dat de bodem niet helemaal schoon is.

Toen we vorige week een nieuwe bril uitzochten, vertelde de opticien dat ze een jaar of vijf geleden al een multifocale bril had gekocht. We wisten het niet meer. Toen ze thuis nog eens ging zoeken, vond ze hem weer.
Ze had het maar niks gevonden, dat multifocusding, terwijl bekeerde multifocalers weten dat het een kwestie is van doorzetten. Dat wil zeggen: vooral op je neus houden dat ding, tot je eraan gewend bent.
De afgelopen anderhalve week droeg zij de ooit afgewezen en vergeten multifocale bril zonder een kik te geven, met als gevolg dat ze de nieuwe, met sterktes die meer recht doen aan wat haar ogen nu nodig hebben, als een verademing ervaart.

Niet lang na die vorige multifocale is er een gewone bril gekomen voor in schouwburg, de tv en bij lange autoritten. De toen op maat gemaakte leesbril werd ooit door een zakkenroller uit het rugzakje gesnaaid, in Portugal. Ook dat waren we vergeten.

Misschien vindt ze het helemaal niet leuk dat ik het over haar heb en zegt ze: ‘Doe dat nou maar niet.’
Ik weet het niet, ik wacht het af. In elk geval kom ik hier niet op terug.

25 maart 2020

Gebak

Via een zijingang drongen wij gisteren het kantoor binnen en via diezelfde zijingang sluisde de notaris ons er drie kwartier later weer uit. Dat was lang genoeg om twee keer twee testamenten te ondertekenen. Twee met het oog op onze nakende dood en twee vanwege de mogelijkheid om voordien nog in coma te geraken dan wel in een wolk van niet weten onnozel fluitend door perkjes met chrysanten te struikelen of uur na uur na uur naar een scherm te staren waarvan niet tot je doordringt of je nu naar André Rieu kijkt of naar een goudvis.
Dat klinkt misschien weinig hoopgevend, maar ook ons vorige testament, uit 1989 hebben we zo ruim overleefd dat het met de ondertekeningen van gisteren vervallen is verklaard. Een testament regel je zoals je een paraplu meeneemt omdat het dan niet gaat regenen. Zoals er onder het zadel van alle twee mijn fietsen een setje bandenplak verborgen zit. Zoals… We zouden nu ergens koffie met gebak genomen hebben om het te vieren, ergens in de stad, op een terrasje. Als het warmer was geweest. Als er stoelen op een terras hadden gestaan. Als er koffie zou worden geserveerd. Als er ergens een horecagelegenheid was geweest met gebak. Als er een tent te vinden zou zijn die open was.

Maar koffie en ook thee hadden we zelf en onze favoriete feestbakker was open. Daarom kwamen we thuis met hazelnootgebak voor Mente, slagroomgebak voor mij en een flinke punt kersenkwarktaart voor de jongste. Die was haar eigen huis ontvlucht om bij ons op zolder als thuiswerker haar klussen te klaren.
Ze was al weg. Wij genoten van onze versnaperingen. Het gebakje van de jongste verdween in de koelkast

tot vanmorgen. De jongste komt niet vandaag. Niet nodig. Daarom snijd ik de kwarktaart in twee stukken. De kers zet ik ongeschonden op het stukje van Mente. Op die manier hebben we koffie met gebak en nu eten we gebak omdat mijn zus vandaag 75 jaar geworden is.

Of ook zij gebak heeft gekregen vraag ik haar aan het eind van de middag door de telefoon. Dat vond ze niet nodig, zegt ze. ‘Het is ook altijd zo’n gedoe. Als je het niet ruim van tevoren bestelt, lactosevrij gebak, krijg je altijd zo’n kouwe klomp uit de diepvries, dus dat doen we maar niet.’
Ik ben de zeventiende die haar belt vandaag, ze houdt het bij, en niet de eerste die over gebak begint. Een vriendin had verontwaardigd op haar geschamper over het gebak gereageerd, want dat kon toch helemaal niet, een verjaardag zonder taartje.
En zo kwam het dat nog geen half uur na het telefoontje van de vriendin de bakker voor de deur stond met een stuk lactosevrij gebak. In stevige staat van bevriezing, dat wel, maar we leven intussen uren later, dus voor vanavond zit een stukje verjaarsgebak er toch nog in. Ze verheugt zich er nu al op.

Nu ik er nog eens over nadenk, realiseer ik me dat ik het stukje dat we voor de jongste kochten, die kersenkwak dus, eigenlijk het lekkerst vond. En dat van vanochtend was ook maar een half gebakje.
Voor je levensonderhoud kun je gerust naar de winkel, dus ik zou morgenochtend ook weer even naar de bakker kunnen rijden. Mente krijgt morgen haar nieuwe bril. Daar moet je aan wennen, maar zoiets zou je ook moeten vieren.

24 maart 2020

Lat

Het valt niet mee om steeds anderhalve meter afstand te houden. Ons bed is éénveertig en dus lagen Mente en ik ernaast, zij rechts van het bed, ik links. Maar ’s nachts bleken we onder het bed door toch weer naar elkaar toe te kruipen, dus daar zijn we maar mee gestopt. We maken voor elkaar een uitzondering op de anderhalvemeterregel. Die telt niet. De kleinkinderen zijn nog even een gevoelig puntje, maar voor het overige zijn we onverbiddelijk.
Toen ik zondag even ging fietsen, bleek dat het onmogelijk was. Of liever: het werd me onmogelijk gemaakt en daarom heb ik korte metten gemaakt. In de schuur vond ik nog een lat van drie meter zestig. Die zestig heb ik eraf gehaald en precies halverwege het lange resterende deel heb ik een streep gezet. Als ik de lat daar horizontaal vasthoud en mijn hand recht voor mijn navel houd, dan heb ik altijd een afstand van anderhalve meter.
De eerste ervaringen binnenshuis vielen me niet mee. Je komt lastig door deuren en ook de trap is een crime, maar binnen heb ik de lat ook helemaal niet nodig. Als ik de poort uitfiets smokkel ik een beetje, ik zeg het maar eerlijk. Maar ook dat geeft niet, want links en rechts zou je met anderhalve meter ruim voorbij een schutting of muurtje komen. Door echter de lat een kwartslag gedraaid te houden is voor en achter wel de gewenste cordon sanitaire gewaarborgd. Vandaar dat ik door de straten fietsend met de lat ben gaan draaien. Daar moet je wel wat handigheid in ontwikkelen en dat gaat ook niet zonder slag of stoot, maar lukt me steeds beter. Ik ben er eigenlijk wel tevreden mee.
Het is jammer dat de lat geen onderscheid maakt tussen passanten en geparkeerde auto’s, daar moet ik zelf wat meer op letten. Maar het zwaaien heeft al een paar keer een verrassend effect gehad. Op links en rechts heb ik steeds beter zicht en voor me gaat ook goed. Sterker nog, ik hoef niet meer te bellen, ik geef gewoon een zwieper met de lat. Dat werkt veel beter, want bellen levert veel vertraging op. Mensen blijven eerst stil staan om te kijken wat er aan de hand is, of ze kijken, als ze op de fiets zitten, om en beginnen dan vervaarlijk te slingeren. Met een lat heb je ze zo op de gewenste afstand.
Maar de grootste verrassing voltrekt zich achter mijn rug. Je houdt het niet voor mogelijk hoeveel mensen zich achter je rug niets aan blijken te trekken van de anderhalvemeterregel. Als het straks allemaal voorbij is met die corona, houd ik die lat erin.

22 maart 2020

Johannes 9

Vanmorgen een paar kerkelijke diensten meegemaakt, via tv en computer. In drie van de vier werd Johannes 9 voorgelezen, het verhaal waarin Jezus een blinde man geneest. Het is een verhaal dat ik op de lagere school ongetwijfeld een paar keer gehoord heb. In gedachten zie ik het meester Van Beek het zo vertellen, zijn armen zwaaiend door de lucht. Hij was de beste verteller onder de juffen en meesters van de lagere school; ik had hem twee jaar achter elkaar.

Nu hadden we toen geen blinden in het dorp die je ergens in een portiek kon zien zitten, en ook geen bedelaars. Nederland zag er keurig aangeharkt uit rond 1960. Gevolg was dat ik me met het grootste gemak solidair kon verklaren met die stumper langs de weg, die wij alleen maar van horen zeggen kenden, uit verhalen van ver in de tijd of de ruimte.
Dat is veranderd. Ze zijn er nu wel. Wensen je goede dag met een krantje dat je niet wilt, bijvoorbeeld, en in de stad zie ik ze nu geknield voor een wegwerpbekertje waar ik iets in zou moeten gooien. Ik voel me er ongemakkelijk bij.

René de Reuver noemt in zijn verhaal daklozen en vluchtelingen en als hij eenmaal aan het verhaal van Jezus en de blinde toe is gekomen, zegt hij: ‘Gezien worden om zelf te kunnen zien’ en ‘Jezus ziet de mens.’ Pas op voor grote woorden, denk ik. Dan zegt hij iets over wat hij noemt de inner circle om Jezus heen. Die kan niet anders dan debatteren, discussiëren, in dit geval over de mogelijke verklaring van het feit dat die man daar zit. Dat is, begrijp ik, altijd een verklaring, waardoor de omstanders hem kunnen laten zitten waar hij zat. De zondebokreflex, bekend bij hoog en laag, ver en dichtbij. Jezus, zegt De Reuver, praat of denkt niet óver de mens, hij ziet hem. En gaat naar hem toe.

Dan zitten we al dicht bij de coronagevallen en bij de mensen die als gevolg van het virus extra kwetsbaar blijken en naar wie we beslist om moeten kijken. ´Laten we lief zijn voor elkaar.´ Op de radio en tv gaat het over niets anders. Corona lijkt wel het nieuwe Top 2000-gevoel op te roepen.

Terug naar De Reuver. Voor hij toe was aan het verhaal over de blinde had hij het onder andere over die vluchtelingen, ook zo´n grote groep over wie we praten, debatteren en discussiëren.
Zou Jezus al naar ze toe gelopen zijn? Blijft hij ook over de muur van corona heen kijken? Misschien. Ik merk het niet. Misschien wel. Misschien wacht hij erop dat wat meer mensen van de inner circle dezelfde kant op komen om te kijken wat ze kunnen doen.
In een andere dienst werd gebeden voor de mensen in Oost-Afrika die nog steeds geteisterd worden door een sprinkhanencatastrofe. O ja, dat is waar ook.

Je kunt niet alles. Ik weet het. Maar het is er wel en het gaat door…
Nu even niet, zou ik tegen de sprinkhanen willen zeggen. Ze luisteren niet.
Nu even vrede, tegen Assad en terroristen. Ook zij luisteren niet.

21 maart 2020

Tom

Vandaag fiets ik een rondje om de Uithof heen, aan de oostkant van de stad. Ik ben niet alleen. Veel fietsers en wandelaars zoeken hun heil in het ruime groen, als ze niet in de achtertuin bezig zijn. Maar dat zal dan niet gelden voor Tom.

Aan Tom denk ik nooit. Nooit. Maar nu, op de fiets, dus wel. Van de week belde ik met Dirk, mijn vriendje vanaf de kleuterschool. We zien elkaar niet vaak maar toch een paar keer per jaar. En nu belden we dus.

‘Wacht even,’ zei Dirk toen ik zei dat ik nu wel weer genoeg van hem wist. ‘Ken jij Anke nog?’
‘Anke Kadijk?’ Die bedoelde hij. Ook zij had bij ons in de klas gezeten. Hij was haar pas geleden tegengekomen, ze hadden wat gepraat en hij had haar uitgenodigd een keertje koffie te komen drinken. Zo is het gegaan. Anke is de tweelingzus van Tom, dus als je Anke spreekt, vraag je natuurlijk wel hoe het met Tom gaat. Dat deed Dirk dus ook.

‘Weet jij nou nog wat voor jongen dat was toen we bij elkaar in de klas zaten?’
Tom was een leuke, zachtaardige jongen. Voordat er bij de vriendschap tussen Dirk en mij geen speld meer tussen te krijgen was en we dus altijd naast elkaar zaten, had ik ook nog wel naast Tom gezeten. In de eerste zat ik naast Dirk, maar in de tweede ook een tijdje naast Tom, bedacht ik.
‘Hoezo?’
‘Tom is volledig van het pad af. Hij komt niet meer buiten. Ook Anke spreekt hem vrijwel nooit. Dat wil hij niet, kan hij niet.’ En dat zou allemaal komen omdat hij vroeger op school zo gepest is. Dat zegt zijn psychiater.
‘Herinner jij je daar iets van?’

Ik kon me er niets bij voorstellen. Volgens mij werd er bij ons in de klas niet gepest. We gaan de potentiële pestkoppen in de klas langs, maar komen steeds bij jongens van hogere klassen uit. Maar dat iemand het op Tom voorzien zou hebben? En tot de potentiële pispalen hoorde hij ook niet. Ik kan alleen maar bedenken dat ook de drie jongens die daarvoor in aanmerking zouden kunnen komen ook nergens last van hadden. Wat hebben Dirk en Lennie op hun achtste gemist? Schiet ons zestig jaar na dato nog iets te binnen?

Daar moet ik aan denken tijdens mijn tochtje langs Rhijnauwen. Weer in de stad pak ik een stukje Wilhelminapark. Een jonge vrouw heeft een koord tussen twee bomen gespannen en daar loopt ze voorzichtig overheen. Twee meter verderop staat een man, zijn armen als de armen van een vorkheftruck gebogen. Er ligt een andere man op, alsof hij een plank is. Gisteren heb ik een zak speelzand gehaald voor de zandbak. 25 kilo. Ik vond het nog een hele sjouw. En hier stond een kerel met een andere man in zijn armen en hij gaf geen krimp.
Nee, ze hielden zich niet aan de code van anderhalve meter afstand. Ik heb er niets van gezegd.

Toen ik verder reed, het park uit, de Ramstraat in, dacht ik weer aan Tom. Het zit me niet lekker.
Zojuist heb ik mijn fotoalbum uit die tijd tevoorschijn getrokken. Er zijn twee klassenfoto’s, eentje uit klas 1 en eentje uit de zesde. Op de eerste is Tom de vrolijkste jongen. Zijn lach spat van zijn gezicht. Op de laatste kijkt iedereen nogal ernstig. Van Tom zou ik wel zeggen dat hij met enige ironie in de lens lijkt te blikken.

20 maart 2020

Geweten

Het begon met het appje waarin ik werd uitgenodigd om vooral van harte mee te klappen voor zorgend Nederland. Dat niet alleen: ik moest deze uitnodiging ook doorsturen naar drie anderen. Op die manier zou ons medeleven, onze morele ondersteuning zich als een virus over het land verspreiden en overal de kop op steken. Nu was ik nog wel bereid om mee te klappen, al krijg ik het wel moeilijk als ik dat op commando moet doen, en dan ook al zo vroeg, maar vooruit. Als het zo uitkwam, wilde ik nog wel naar buiten lopen om met handgeklap het mijne bij te dragen.
Van het verzoek om het bericht vooral ook door te sturen, krijg ik pukkeltjes.

En last van mijn geweten, juist vanwege die pukkeltjes en dat onontkoombare, schelle stemmetje dat nee, nee, nee en nog eens nee roept. Ik luister naar dat stemmetje. Maar daarmee ben ik een spelbreker en doe ik geen recht aan het goede in de mens. Verpruts ik hun pret. Dat spijt me dan. Ik doe niet mee, trek me met een verzwaard en bezwaard geweten terug in een hoekje, beken daar in stilte schuld en besef dat ik een flauwe vent ben. Ik heb geen gehoor gegeven aan de oproep, heb die niet doorgestuurd en besef nu pas dat ik gisteren of eergisteren niemand in de straat heb horen klappen. Blijkbaar allemaal benepen oorwurmen van mijn kaliber.

Dinsdagavond kreeg ik een mailtje waarin ik werd uitgenodigd om een mij aangenaam gedicht te sturen naar de afzender en naar nog een in het mailtje vermelde naam. Nu was dit mailtje afkomstig van iemand die ik niet alleen graag mag, maar die ik om zijn poëtische gaven ook zeer bewonder. Ik ervoer het daarom als een eer dat hij me met dit bericht verraste. Wel moest ik het bericht enigszins aanpassen: mijn naam als afzender in het mailtje zetten op de plaats waar nu de zijne stond en die van hem een plaatsje omhoog schuiven, naar de plaats waar eerder een andere naam stond. Die viel af, met een, mag ik hopen, rijke buit.

Ik heb veel met poëzie en heel veel over voor de verspreiding ervan. Daarom begon ik een lijstje te maken van andere poëzieadepten in mijn omgeving. Al vrij snel had ik twintig namen op een blaadje.
Toen begonnen de puistjes weer op te spelen. Daarom liet ik het blaadje nog maar een dag op mijn bureau liggen. Gistermiddag keek ik ernaar. Wat zou ik doen? Ging er een mailtje met een nee naar de afzender of ging ik om de verspreiding van de dichtkunst te dienen viraal met een ander mailtje?

Het werd mij heel makkelijk gemaakt, want op dat moment kwam het dichterlijke verzoek opnieuw binnen, van een andere, ook al dierbare afzender. Ik heb beiden verteld dat ik afzag van deelname, als zwakste schakel in de ketting van hun lyrische verwachtingen. De mailtjes waren nog niet weg toen nummer drie binnenkwam en toen ik die antwoord gaf, kwam nummer vier.
Ik zit nu op zes. Zo langzamerhand krijg ik het gevoel dat ik voor poëzieminnaars in mijn eentje de andere twintig lezers van gedichten van Nederland ben.

Vandaag kwam er weer een verzoek, nu moest er iets via Facebook op gang gebracht worden.

Het zijn allemaal neveneffecten van het coronavirus. Wie de besmetting door dat virus goed doorstaat, is immuun. Als het om de digitale neveneffecten gaat, kom ik er goed van af: mijn geweten speelt niet meer op.

19 maart 2020

Vader Vellekoop

De vader van Peter was een grote, rustige, om niet te zeggen, slome man, met waterige ogen en dooraderde neus die vroeg om verdenkingen. Maar bovenal was hij aardig, hij kon me lang bezighouden met allerlei raadseltjes en hij had gevoel voor humor.
Mijn vriendje verhuisde op zijn zesde naar Honselersdijk. Daar werd zijn vader directeur van het nieuw gebouwde postkantoor.

Nieuwe klasgenootjes daar voerden Peter naar de padvinderij in Naaldwijk en de spectaculaire leugens die hij daarover wist te vertellen maakten me nieuwsgierig. Zo kwam ook ik bij de welpjes van de Rambonnetgroep te Naaldwijk.
We padvinderden op zaterdagmiddag van half twee tot drie uur of half vier. Daarna fietste ik met Peter mee naar Honselersdijk om daar nog wat te spelen.
De familie woonde boven het postkantoor, op de hoek van de oude Dijkstraat en een Groenelaan die nog goeddeels gebouwd werd. Achter het postkantoor stond nog een bouwvallig rijtje huisjes dat binnenkort gesloopt zou worden. Dan kon ook daar een ordentelijk doorzonblok komen.

Peter en ik besloten om alvast maar met de sloop te beginnen. Halve bakstenen waren er genoeg en anders gooiden we een hele in stukken. Die hadden we nodig om de ruiten in te gooien die nog niet kapot waren, of om het laatste glas uit de sponningen te keilen. Leuk werk, prettig geluid.

We waren al een tijdje succesvol bezig toen er een man aangewaggeld kwam, dronken. Hij trok de steen uit Peters handen en begon daarmee dreigend te zwaaien. Hoe of we het in onze hasses haalden om de boel kapot te gooien. Dit was een zaak van de politie. Of nee, hij zou ons wel eens laten voelen wat hij allemaal kon met de steen die hij in zijn handen had.

Op dat moment kwam Peters vader eraan. Hij was opvallend kalm en deed of hij niet begreep wat hier aan de hand was. Weer kwamen heel overtuigend die hasses erbij en dat de politie moest komen en hij zou ons wel. Peters vader gaf hem gelijk. Alleen op het punt van het aftuigen, had hij liever dat we dat maar aan de politie zouden over laten. Hij zelf zou er maar last mee krijgen. ‘Maar als u mij nou die steen geeft, dan maak ik daar een mooi pakketje van, ik schrijf er een brief bij en dan stuur ik het hele boeltje naar de politie. Touwtje erom, postzegels erop. En reken maar dat ze die jongens dan zullen pakken, want toevallig weet ik wie die knullen zijn en dat schrijf ik ook in die brief. Met hun adressen erbij. Dat komt wel goed.’ Hij zei het langzaam, rustig.

Wat die man nu precies van dit verhaal van vader Vellekoop heeft gedacht, weet ik niet, maar wel gaf hij de steen af en sjokte hij weer weg. ‘Nog bedankt, hoor, meneer,’ riep Peters vader. Tegen ons zei hij dat we dit maar niet meer moesten doen. ‘Kom maar mee naar binnen.’
Daar moesten we het verhaal vertellen aan moeder Vellekoop. Ik zag dat zijn vader zat te lachen, stilletjes, dat wel, maar hij deed niet zijn best om het te verbergen.

17 maart 2020

Geerbron

Als tiener heb ik me wel afgevraagd waarom ik geboren werd in wat misschien wel het lelijkste dorp van Nederland was. Of liever: misschien was Monster het meest onttakelde dorp, want er waren plekken die getuigden van smaakvoller inzicht, ooit. Allereerst was er de monumentale toren, en de zeldzame keren dat ik de grote kerk van binnen zag, vroeg ik me af waarom ik niet hervormd was in plaats van gereformeerd. Daar stond jammer genoeg de verpaupering van de Vlotlaan weer tegenover, terwijl dat volgens oude ansichtkaarten een lommerrijke laan geweest moet zijn, met bomen links en rechts. En dan het gemeentehuis, zoals dat pal tegen de kerk was gebouwd! Of het prachtige Kerkplein waar oude geveltjes werden weggebroken, net als aan het begin van de Molenstraat.

In de Herenstraat zou ooit een prachtige hofstede te vinden zijn geweest, weliswaar niet zo fraai als het buiten van Frederik Hendrik in Honselersdijk. Dat moet adembenemend zijn geweest, en ook dat was naar de gallemiezen geholpen. Blijkbaar konden ze er in het hele Westland wel wat van, maar toch...
Het verdwenen buiten in Monster heette Geerbron.

Het boekenweekgeschenk van dit jaar werd geschreven door Annejet van der Zijl. Het was me een beetje ontgaan, maar ik wilde het wel hebben. Ik heb het ondertussen in een ruk uitgelezen, het verhaal over de romantische, verboden liefde tussen Leon Herckenrath en de Amerikaanse slavin Juliette MacCormick de Magnan, een liefde die geconsumeerd werd in Charleston en Monster, op landgoed Geerbron. In Monster zijn hun kisten nog te zien, in een grafkelder achter de Rijnweg. Ik ben er wel eens geweest met mijn broer. Het graf ligt zo ongeveer in de achtertuin van de plek waar ooit mijn moeder werd geboren. Ook dat heb ik me nooit zo gerealiseerd.

Zoals nu pas tot me doordringt dat de grote verwaarloosde lap grond waar ik met Peter speelde, deel was geweest van Geerbron. Dat was van mijn vierde tot mijn zevende, toen Peter naar Honselersdijk verhuisde. De grond lag achter het huis van mijn vriendje. Er waren resten van vroeger gebruik, maar er kwam niemand in deze verlaten, door de achterkanten van huizen en bedrijven omsloten woestenij.

Wij waren geïnteresseerd in insecten. Met een potje en wat lege luciferdoosjes klommen we over een muurtje en zo kwamen we bij ons veldje. Krekels, oorwurmen, lieveheersbeestjes, kevertjes, nachtvlindertjes, rupsen, stront- en ander vliegen. Alles wat ademde, ging in een doosje of in de pot. Er ging altijd wat groen bij.

Ook op dit stukje Monster kijk ik met gemengde gevoelens terug, al was het een paradijsje. Toen ik een keer bij Peter logeerde, zijn we ’s morgens vroeg met een potje zout het veld opgegaan en dat strooiden we op slakken. Die begonnen daarvan te schuimen. Er bleef alleen wat diffuse slijm over. Het hele proces zag er spectaculair uit, maar dat het niet goed was wat we deden, voelden we aan ons water. We hebben het nooit aan iemand verteld. We schaamden ons ervoor. De zachtaardige Peter misschien nog wel meer dan ik en ik schaam me eigenlijk nog steeds. Iemand van zeven is niet gek; bovendien was Peter toen pas zes, of waren we zes en vijf.

Maar dit gebied was dus, begrijp ik nu, ooit de tuin waar Leon als kind speelde en waar hij na zijn hun Amerikaanse jaren met Juliette en hun grote kinderschaar vertier zocht.

Honderdvijftig jaar later speelde ik er, een paar jaar, want toen verhuisde Peter als gezegd naar Honselersdijk. Ook daar, bedenk ik nu , hebben we ons misdragen.

16 maart 2020

Verwijtbaar gedrag

Na dit stukje zal ik doorgeven dat de Kamer 23-editie die gepland stond voor 5 april, wordt uitgesteld. Tot nader order. Alweer iets om weg te saneren. Vanmorgen ook al ons verblijf in Zutphen geannuleerd.
Wij kunnen niet zo goed omgaan met de maatregelen rond het coronavirus. Zo hadden we vandaag de hele dag drie kleinkinderen in huis en men vond dat maar vreemd: we moesten dat vooral niet doen als grootouders. Wel denk ik nog steeds dat we ons maar niet al te veel moeten beschermen tegen deze griepgolf omdat we toch wel aan de beurt komen en waarom zou je de ellende zo rekken en heel zzp’end Nederland ook nog even financieel aan de grond helpen? Maar aan dat onderbuikgevoel begin ik steeds meer te twijfelen.
Van mijn irritatie van anderhalve week geleden is niets over. Toen ergerde ik me aan de idiote knieval van overheidswege door mariniers hun zin te geven en ze nog verder het bos in te laten trekken in plaats van ze naar zee te verplaatsen. Diep in mijn hart wist ik toen al dat ook dit maar een pinda was/is als je denkt aan nog belangrijker nieuws, nieuws dat nu helemaal van het scherm verdween.
Hoe gaat het met Syrië en met de vluchtelingen die er veel voor over hebben het rijk van corona in te mogen? De cynische manier waarop wereldleiders van de hele wereld de ellende van dat rijk laten voortduren, leek een dusdanig hoogtepunt te bereiken dat ik meende dat nu niemand, ook de Navo, ook Nederland niet, nog langer schaapachtig hoofdschuddend en schokschouderend aan de kant kon blijven staan. Nu was het de tijd voor het morele uur u, ‘nu zou het beginnen, nu was het voor alles te laat.’
Het coronavirus is de makkelijke duivel van de wereld, de tegenstander die mensen lijkt te verenigen, maar we zijn blind gemaakt voor de splijtzwam die al jaren zorgt voor een veelvoud aan dodelijke slachtoffers, die nog generaties blijft zorgen voor een wond die niet dicht wil.
De laatste dagen duikt de term verwijtbaar gedrag nogal eens op in gesprekken. Steeds in verband met het coronavirus. Achter de horizon verdwijnt ons zicht op een zaak waarbij ons veel meer te verwijten valt als we niet wat moediger worden.

15 maart 2020

Canon In D Major

Op Radio 4 speelt het Sander Speelt Kamerorkest. Dat is een verzameling musici die voor de uitzending van vandaag thuis hun bijdrage op hun eigen instrument inspeelden of die inzongen en naar omroeper Sander Zwiep stuurden. Hij maakte er een geheel van. De melodie van Pachelbel ontroert me.

Toen mijn kinderen als basisschoolleerlingen in het schoolorkest zaten –in de vorige eeuw –, speelden zij die ook, op blokfluit, marimba of trompet. De Canon in D groot leent zich voor uitvoeringen op zeer uitlopende niveaus. In het geval van radio 4 gaat het om professionele musici en dat kun je horen ook. Maar er komt veel kunst- en vliegwerk bij kijken om er in de omstandigheden waarin Sander Zwiep dat deed een fraai geheel van te maken. Dat is hem goed gelukt. Volmaakt is het resultaat misschien niet, maar fraai dus wel. Je hoort de provisorische omstandigheden terug waarin we terecht zijn gekomen. En de uitvoering voert mij terug naar mijn toeterende Sam en mijn blokfluitende Jaap en ook de kleine meid op haar blokfluit. En ik zie die kinderen in het nu van 15 maart 2020.

Vanmiddag zaten we namelijk in het restaurant van Jaap. Daar namen we een afzakkertje, na met de kleinkinderen bij Soest een kabouterpad gelopen te hebben. Aan een tafeltje vlak bij ons zaten vrienden van Jaap, van wie ik er nog eentje ken van het orkest van de basisschool. Zij runnen een huiswerkinstituut, doen dat in de school aan de rand van de wijk waar ik woon, de school ook waaraan ik nu nog het grootste deel van mijn pensioen te danken heb. Ik zit goed.

Maar het restaurant gaat dicht en de jonge vaders van het huiswerkinstituut kunnen morgen misschien hun gebouw niet in, zoals de mensen die meededen aan het project van Sander Zwiep de komende weken niet op een podium staan. Dertigers, veertigers voor wie het in meer dan één opzicht bijzonder spannend wordt in de periode die nu aanbreekt.

Het lukt me niet om het stuk van Pachelbel nog een keer af te spelen, waarschijnlijk omdat de uitzending nu wordt uitgezonden. Of ik ben er te onhandig voor, dat kan ook. Straks probeer ik het nog een keer en dan zal ik weer goed luisteren. Ook zal ik applaudisseren, voor de muziek, voor musici. Maar ook voor de blokfluiters die zich bij de canon voegen; dat zijn de mensen die op hun manier het leven mooier willen kleuren, met extra hulp bij wiskunde of economie, met een bijzonder pilsje bij een met veel inventiviteit en aandacht bereide maaltijd. Meer kan ik niet doen.

14 maart 2020

Uitrit

We zouden met zijn dertienen bij elkaar gezeten hebben, de leden van de Conrectorenclub. Coronaal en ander medisch ongemak zorgt ervoor dat ik nu alleen in de kamer ben.
Aan de overkant komt overbuurman Hendrik langs zijn huis gelopen. Hij heeft een roze schepje in zijn hand en een plastic kiepwagen, gele chassis en bak die ook al roze is. Hij zet beide neer vooraan zijn uitrit. Er zit zand in de kiepwagen. Wat moet die grote kerel met het speelgoed van zijn kinderen en Zou hij me al gezien hebben en me zometeen uitnodigen om te komen spelen?

Hij loopt weer naar achteren. Langs de auto die op de uitrit geparkeerd staat kan ik een beetje in zijn tuin kijken. Daar zie ik dat het ook al roze deksel van de zandbak overeind staat. Hij schept met een kleiner schepje zand in een emmertje en komt daarmee weer naar voren. In zijn andere hand een harkje, jawel, roze, en een kloeke vervaarlijke, want grotemensen-, schroevendraaier. Ik wil zwaaien, want hij mag best weten dat ik al klaar sta, maar hij ziet me niet. Kijkt ook mijn kant niet op.

Met de schroevendraaier wipt hij een grindtegel op, dat is er al gauw eentje van veertig bij zestig. Nu dringt de ernst van de hele onderneming pas tot me door. De overburen hebben last van een wippende tegel. Met een fiets kun je daar nog wel omheen laveren, maar met de auto lukt dat natuurlijk niet.

Hun oudste kind is een meisje. Dat zou kunnen verklaren waarom de zandbakattributen en de zankbak zelf roze zijn. Blijkbaar heeft kind twee, een jongetje, daar geen moeite mee. Dat bedenk ik terwijl hij zand stort, gladstrijkt en met het harkje een beetje los maakt.

Aan onze kant, twee huizen verder, ligt ook een vervelend wippende stoeptegel. Precies waar de stoep even een stuk smaller is vanwege een boom. Ik heb er al eens naar gekeken, maar aan het wippen daar valt niets te doen. Dat komt door een wortel van die boom. Je zou met een zaag of slijptol aan de gang moeten. En dat voert me te ver.

Daar heeft Hendrik geen last van. Maar zonder wortels is het egaliseren al moeilijk genoeg. Als hij de tegel heeft teruggelegd, blijkt die nog te wippen. Ik zie het als hij erop gaat staan. Daarom komt Hendrik even later met een tweede emmertje zand en begint alles weer opnieuw.

Dan komt Suze van drie huizen verderop langs. Ze blijft staan. Eerst wijst nu eens de een en dan weer de ander naar de onbetegelde plek van de uitrit, maar als ze niet meer omlaag kijken, begrijp ik dat het waarschijnlijk intussen over iets ander gaat. Dat moet het coronavirus zijn. Dat gesprek kan nog heel lang duren. Ik geef het op.
Wel vraag ik me nog even af waarom er geen van de twee kinderen naar buiten is gerend om in het zandbakje te gaan spelen op de oprit, maar dan draai ik me om en richt me op de afwezige leden van de Conrectorenclub. Als die nu in de kamer hadden gezeten, zoals we een paar dagen geleden nog dachten, wie zou er dan nu aan het woord zijn geweest?

Waarschijnlijk zouden we aan de lunch gezeten hebben, met hartige taart onder andere en met de linzensoep waar Annelies het patent op heeft.

13 maart 2020

Proeverij

Via de mannelijke lijn van mijn stamboom stroomt er nogal wat alcohol door mijn lijf. Toen ik heel lang geleden een keer op Flakkee was, wist men mij daar, honderd jaar na dato, van mijn grootvader te vertellen dat hij als jongeman zijn verdriet om het verlies van zijn verloofde (die dus niet mijn grootmoeder zou worden) probeerde te smoren in liters jenever. Later schijnt dat allemaal goed gekomen te zijn. Hoe het zijn kinderen verging, weet ik niet zo goed, al heb ik wel wat ideeën daarover. Alleen van de jongste zoon van deze opa weet ik het, want dat was mijn vader. Die kon er maar moeilijk van af blijven.
Volgt mijn eigen generatie: mijn broers hebben zich jaren lang gevoed en gelaafd met alcohol, is het niet als grootgebruikers, zoals een paar van hun voorouders, dan is het door te voorzien in de behoefte aan drank van anderen.

Zelf heb ik dat minder, sterker nog, ik heb een lichte aversie tegen gebruikers van veel alcohol. Dat neemt niet weg dat mijn twee zoons op hun beurt diep in de drank gedoken zijn. Als kenners van bieren, whisky, champagne en wijnen, in die volgorde. Ook zij zijn gelukkig geen grootgebruikers, maar ze verdienen hun geld wel aan de drank, de een nog wat meer dan de ander.
Jaap, de jongste zoon, begon zijn bierproeverij vanavond met een rondje waarbij ieder een memorabele herinnering aan het drinken van bier moest oplepelen. Een paar keer kwam het averechts effect van een biertje tijdens een fietstocht voor. Dus mijn anekdote daarover kon ik achterwege laten.

Ik kon ook vertellen hoe ik als tiener twee keer een café binnen stapte en werd herkend als de zoon van mijn vader. Nu lijk ik in de verste verte niet op hem, toen al helemaal niet. In beide gevallen had mijn vader een keertje fotootjes van zijn kinderen laten zien. Ik schaamde me ervoor en ben die tenten nooit meer in geweest.
‘En nu kent iedereen mijn zoons van de kroeg,’ had ik tot slot kunnen zeggen, als ik deze herinnering wél had opgelepeld.

In plaats daarvan vertelde ik hoe ik de ochtend na de verjaardag van mijn vader of moeder in de schuur de summiere restjes (meestal druppels) die in de bierflesjes waren achtergebleven in één fles bij elkaar goot om vervolgens het daarin verzamelde pils op te drinken. Meer dan één slok zou het niet geworden zijn, maar zelfs dat werd het niet. Toen ik het flesje aan mijn mond zette, proefde ik niet alleen de bittere smaak van verschaald bier, maar voelde ik ook gekriebel op mijn tong. Ik spuugde de boel uit op mijn hand en zag hoe daar een oorwurm overheen kroop.
Bier smaakt naar oorwurm, wist ik toen. Omgekeerd dus ook.
Dat vertelde ik wel.

Overigens vond deze proeverij plaats in de kerk en de opbrengst was bedoeld om de renners te sponsoren die namens onze kerk in juni mee gaan doen aan de Alpe D’HuZes. Ik heb zes biertjes geproefd, telkens twee, drie slokken. Dat brengt me op een totaal van één, hooguit anderhalf flesje. Daarvoor betaalde ik dan wel een bedrag waar je flink dronken van kunt worden. Nu bracht ik het er vanaf met veel smaak en een helder hoofd.

‘Welke vond je het lekkerst?’ wilde Mente weten.
Dat waren er drie. Drie variaties op een oorwurm.

12 maart 2020

Om niets

‘Ondanks mijn jaarlijkse prik pik ik van elk griepje iets mee.’
Ik zeg het al jaren wanneer het zo uitkomt en mensen zich erover verbazen dat ik wat kwakkel, terwijl ik dat anderhalve maand geleden toch ook al deed. Griep is vaak niet meer dan een verkoudheid.
Op het ogenblik gaat het goed, maar die druk in mijn hoofd en op mijn oren? Dat niezen steeds?

‘Ondanks mijn jaarlijkse prik pik ik van elk griepje iets mee.’
Ik heb het lef niet om het nu te zeggen. Gisteravond zaten we even bij elkaar om te besluiten de kerkdienst van aanstaande zondag niet door te laten gaan. Ik moest niezen. Er werd lacherig naar me gekeken. Iemand schoof zijn stoel bij me vandaan. Een grapje natuurlijk.
Maar ik weet niet meer wat grappig is en wat niet.

Ik maak me druk en het is allemaal voor niets. De jaarlijkse terugkomdag van de conrectorenclub zou morgen bij mij thuis zijn. Allemaal mailtjes en telefoontjes over en weer voor iets dat niet doorgaat.
En dan het avondmaal van komende zondag. Gaat het door? Ja? Doen we cupjes of laten we matses in een beker dopen, handschoentjes voor ambtsdragers, een kring, rondlopen? Iemand vindt dit en een ander dat en tenslotte gebeurt er niets, helemaal niets.

Het concert van zaterdagavond gaat niet door. Het concertje bij Gist zondagmiddag waarschijnlijk ook niet. De boekpresentatie van Koos niet. En zo verder.

Zouden de collectanten voor Amnesty die nog moeten beginnen nog wel op pad gaan?

In Syrië gaat alles ondanks het coronavirus gewoon door. Maar daar horen we nu even niets van, juist op het moment dat de wereld eens een vuist zou moeten maken.

11 maart 2020

Fungus

Mente vraagt op welk nummer ze wonen.
Ik kom terug van het collecteren en vertel wat mij daarbij aan nieuws werd toevertrouwd. Zij pikt er een nieuwtje uit.
Ik weet geen nummer, maar grijp mijn mobieltje en toets een achternaam in en de naam van onze straat: ‘schimmel en ‘ritzema boslaan’. Ogenblik springt mijn eigen adres tevoorschijn. Dat is merkwaardig, vooral ook omdat er een bron achter zit uit 1948. Het gaat om Fungus. Dat is het ‘Officieel Orgaan van de Nederlandse Mycologische Vereniging.’ Bestuurslid en ook bibliothecaris van deze vereniging is Prof Dr O F Uffelie. De O staat voor Otto en achter de F verbergt zich Frederik. Deze Otto Frederik werd geboren in december 1906 in Leeuwarden en hij studeerde en promoveerde in Groningen om een half jaar later al hoogleraar te worden in Utrecht. Dat was hij van juni 1946 tot 1 januari 1977, ruim dertig jaar. Hij was toen zeventig.

Rond zijn benoeming kwam hij dus terecht in het huis dat ik nu bewoon. Heel lang is hij er niet gebleven, een jaar of vier. In 1949 staat in de Fungus als zijn adres Lessinglaan 88. De huizen aan de Lessinglaan waren nog wat moderner dan die in Tuindorp, waarschijnlijk ook iets ruimer en toen was het ongetwijfeld heel aantrekkelijk aan de brede laan te wonen die de Lessinglaan toen was, met zijn fraaie middenberm. Nu is het daar wel erg druk geworden. Het huis aan de Ritzema Boslaan was toen nog een huurhuis, want wij zijn de eerste bewoners die het huis in eigendom hebben. Misschien wil O F U graag een eigen huis en zou hij in Tuindorp gebleven zijn als hij dit pand had kunnen kopen. Het luidruchtige apparaat van de schoenmaker hiernaast, kan ook een reden zijn geweest. Die is al heel lang weg.

Hij overleed in 1992, dus ik had hem nog eens kunnen vragen of hij het leuk zou vinden om zijn vroegere woning nog eens te zien. Ik veronderstel dat de kamer waarin ik dit stukje tik zijn slaapkamer was: mijn computer bevindt zich namelijk op de hoogte van een vroegere wastafel die ik hoogstpersoonlijk sloopte, vlak voor wij dit huis betrokken. Als hij al een eigen studeerkamer had, dan moet dat onze huidige slaapkamer zijn geweest. Die hebben in dat geval stuivertje gewisseld.
Beneden zou hij als studieruimte het kleine voorkamertje hebben kunnen gebruiken dat er toen nog was. De zolder lijkt me hoogst onwaarschijnlijk. Dat is was niet meer dan een provisorisch vertimmerd hok om kinderen en overtollig huisraad te dumpen.

Ik vind nergens iets over vrouw en kinderen, wel zie ik dat hij hoogleraar was in Galenische farmacie met inbegrip van de pharmacognosie en receptuur. En als je dus op je zoekmachine schimmel intypt, heb ik gemerkt, heb je kans dat je hem tegenkomt, maar korstmos of mycologie werkt waarschijnlijk ook.

10 maart 2020

Amnesty 3

Amnesty houdt zich wat meer bezig met sociaal recht. Of ik daar wat meer van weet…
‘Meneer, ik ben maar een eenvoudige geldophaler. Ik kan er geen zinnig woord over zeggen,’ beken ik schaamtevol. De man is een beetje teleurgesteld, zie ik aan zijn gezicht, maar niet lang, want dan draait hij zich om om toch wat geld op te zoeken voor in de bus. Ook hij geeft maandelijks al een bedrag aan Amnesty, maar hij wil niet dat ik voor niks heb aangebeld.

Dat verhaal hoor ik vaker. Er wonen blijkbaar veel donateurs van Amnesty International in deze straat. Vier van de vijf mensen die me vertellen dat zij al maandelijks doneren, stoppen desondanks iets in de bus, nummer vijf vindt de maandelijkse gift wel genoeg.

Intussen hebben nu twee mensen betaald via de QR-code van Ideal. Dat is niet veel, maar het is een begin. In zes gevallen heb ik de procedure uitgelegd. Vandaag gingen twee mensen daarna met succes toch nog maar eens op zoek naar kleingeld. Twee anderen waren zeer tevreden met het digitale gemak dat ik ze kon bieden. Zelf bleek ik het lastig te vinden om mensen die zeggen helaas geen klein geld in huis te hebben erop te wijzen dat ze dus ook met hun mobieltje bij me terecht kunnen. Je voelt soms aan je water dat ze helemaal niet willen geven. Ik denk trouwens dat over een jaar die betaalmogelijkheid gewoner zal zijn. Dan zullen deze weigeraars met iets anders moeten komen. Ik ben benieuwd.

Regelmatig moeten kinderen uit een gezin inspringen om de bus gevuld te krijgen. Dan worden er spaarpotten bijgehaald. Nu maar hopen dat ze hun geld weer terugkrijgen van paps of mams.

Ook mocht ik de allerjongste jeugd weer onderwijzen. Sommige kinderen wilden weten waar het geld voor was. Daar kan ik gelukkig meer over zeggen dan over sociaal recht. Tot twee keer toe droegen moeders bij aan het onderricht bij de deur door over onderdrukte vrouwen te spreken. Ook kwamen in de verhalen ooms langs die samenleefden met een andere oom, en tantes met tantes. De kerstman was er ook, want dat had een jongetje in een film gezien: dat er allemaal mannen op een bankje zaten in de gevangenis en dat toen de kerstman kwam om ze te bevrijden.

Sommige mensen hebben net als wij een geldpotje bij de deur staan waaruit ze hun giften opdiepen. Iemand gebruikte daarvoor een collectebusje van de VU. Jeugdsentiment.

Ik denk dat ik maar eens op zoek ga naar een wijwaterbakje voor naast de deur. Dat lijkt me ook wel handig en leuk.

09 maart 2020

Amnesty 2

De oppasopa werd nat vandaag, maar de collectant voor Amnesty bleef droog. Ik kan me voorstellen dat een regenbui goed is voor de opbrengst. Zoals ik ook bedacht dat het goed kan zijn om een kleinkind mee te nemen langs de deuren.

In een toenemend aantal gevallen heeft het een noch het ander zin, want tip 7 vertelt me dat ik niet moet aanbellen bij mensen met een sticker op de deur die aangeeft dat zij collectes niet op prijs stellen. En die stickers zie ik dit jaar vaker dan de vorige keer. In het blokje van zes dat ik bewoon, zijn er vier deuren met zo’n sticker. Drie huizen verder vertelde de buurvrouw me dat ze niks over had voor Amnesty maar wel voor mij, dus dat kwam goed. Die stickers besparen je wel de ontmoeting met mensen die niet willen geven. Daarbij wordt in alle gevallen het woord sorry gebruikt. Alsof het ze zou spijten dat ze niet willen geven. De gezichten van de weigeraars kennen twee standen: het een gaat mee in de verontschuldiging en het ander laat zien dat het geen krimp wil geven.

Prettig is de tegenhanger van de nee-sticker. In dat geval wordt colporteurs en evangelisten verteld niet aan te bellen, maar voor collectanten lees ik een uitdrukkelijk JA. Daar ben je welkom. Een andere fraaie ontwikkeling is dat er meer papiergeld in de bus komt. De biljetjes van vijf blijven wel hangen in de gleuf, maar dan gebruik ik mijn multifunctionele legitimatiepasje om het geld verder de bus in te duwen. De derde functie van het pasje is nog niet geëffectueerd. Daarop staat dit jaar ook een QR code die digitale betaling mogelijk maakt. Eén keer had iemand geen bank-app op zijn mobiel, in een tweede geval zei iemand dat hij het meteen ging doen. Hij deed de deur dicht en kwam niet meer terug. Niet goed begrepen, blijkbaar.

Wat ik aanvankelijk ook wel deed als een briefje van vijf bleef hangen: in de gleuf blazen. Maar vanwege corona zal ik dat niet meer doen. Stel dat er bij het blazen een druppel speeksel op de bus komt dat viraal blijkt te zijn, dan gaat binnenkort de mare dat in Utrecht de verspreiding van het coronavirus een vlucht heeft genomen door een collectant van Amnesty. Ik moet er niet aan denken. Blazen doen we dus niet meer. En ook kus ik niet spontaan als er een deur open gaat, en ik schud geen hand en ook geen bus (dat is zo ordinair). Ik houd me strikt aan tip 4: ‘Het is aan te raden om een stapje terug te zetten nadat je hebt aangebeld. Dit voorkomt dat mensen het gevoel krijgen dat je je aan hun opdringt.’ Dat staat er. Dat ‘hun’ moet ‘hen’ zijn. Die stap terug is intussen ook een hygiënische geste geworden.

Maar hebben de gulle gevers hun handen wel gewassen voor ze het geld in de bus stopten? En moeten ze dat niet ook naderhand doen? Moet ik ze dat niet adviseren? Het staat niet in de tips.

08 maart 2020

Amnesty

De eerste van de ‘acht tips voor een goed resultaat’ luidt, zo lees ik: ‘Zorg ervoor dat je legitimatiebewijs goed zichtbaar is. Dat wekt vertrouwen.’

Dat laatste probeert duidelijk te maken waarom dat legitimatiebewijs zo goed zichtbaar moet zijn. Dat vertelt de folder met ‘informatie & tips’ voor de collectanten die de komende week voor Amnesty International op stap gaan. Ook ik ben van de partij. En niet voor het eerst, maar toch lees ik het blaadje nog maar even door. Het valt me op dat zowel de collectant die op de folder is afgebeeld als de man op de affiche geen koordje om hun nek hebben daaraan het aanbevolen legitimatiebewijs. Wel is hun voorkomen vertrouwenwekkend, en daar ging het uiteindelijk om.

Dat legitimatiebewijs heeft dit jaar trouwens een tweede zeer praktische functie gekregen en daarom ook ziet het bijgeleverde koord er anders uit. Je kunt je legitimatiekaart nu nog makkelijker losklikken om mensen ter wille te zijn die geen contact geld in huis hebben en daarom menen dat ze geen geld kunnen geven. Er staat een QR-code op het kaartje. Eerdere proeven met een pinapparaatje bevielen blijkbaar niet, maar nu kun je dus ook doneren door met je mobieltje je bankapp te openen en dan de iDeal QR op dat kaartje te scannen. Ik heb het even geprobeerd en het werkt als een tierelier. Dat komt omdat ik niet bij de Triodosbank zit, want die app doet het blijkbaar niet. Vaak schaam ik me er een beetje voor dat ik met al mijn politieke correctheid nog steeds niet bij een ordentelijke milieu- en anderszins menslievende bank zit, maar nu komt dat goed uit. Nee, het zóu goed uitkomen als er bij mij zou worden aangebeld voor Amnesty, maar dat gebeurt niet, want ik ben zelf de collectant in de straat waarin ik woon.

Op al die stickers bij voordeuren die me ervan proberen te weerhouden om aan te bellen, ben ik ook voorbereid. Al raken ze wel een gevoelig punt. Er zijn mensen in de straat met wie ik goed kan opschieten maar die toch een sticker op de deurpost hebben die mij vertelt dat ik als collectant niet welkom ben. Bij die mensen zet ik, in gedachten, toch een klein minnetje achter de relatie. Een beetje een goede verstandhouding moet er tegen kunnen als die naar beneden wordt afgerond, maar het zou niet hoeven als buurt- en andere genoten gewoon die onvriendelijke sticker niet hadden afgebracht. Ze mogen hem nog weg halen.

O ja, ik kom rond etenstijd. Dat is een ongelegen moment, maar het is conform tip 3 uit de folder. Maak je geen zorgen: ik eet niet mee. Gewoon doneren en je bent al weer van me af.

05 maart 2020

Belasting

Al honderd jaar regel ik mijn belastingen zelf. De eerste keer, in ’74 was dat, keek oom Arend mee, en later heeft een boekhouder van een straat verderop dat nog eens gedaan, toen er wat veel veranderingen waren, maar ook dat was ruim voor de invoering van de euro. Dit zegt vooral iets over de eenvoud van mijn financiële wereld en die eenvoud heb ik ook heel hard nodig, want zodra iets digitaal of financieel niet gestroomlijnd verloopt, krijg ik uitslag. Nee, niet echt, ik overdrijf een beetje.
Een heel klein beetje.

Sinds een paar jaar is opgeven van een belasting helemaal een peulenschilletje. Veel is al ingevuld, dus het kan in een ruk van nog geen twee uur afgehandeld worden. Ik koos vandaag voor twee korte rukjes. Eentje voor en eentje na de lunch. Tijdens de lunch las ik hoe de huidige staatssecretarissen die de belastingdienst in hun portefeuille hebben, overwegen om die eventueel onder curatele te stellen. Zo zeiden ze het weliswaar niet, maar ik ben niet in de stemming voor nuances. Ik hapte net een boterham met eiersalade weg terwijl ik bedacht dat ik nu dus mijn best zat te doen voor een stelletje gasten dat de weg helemaal is kwijtgeraakt. Want ik denk niet dat het allemaal slechteriken zijn daar bij de Belastingdienst en dat geldt in zekere zin ook voor degenen die de doofpot naar voren schuiven, of lijken de kast in vegen.
Maar het gebeurde wel.

Na de lunch maakte ik de klus af. En hup daar kwam het eindresultaat: niet de normale teruggave waarmee we een deel van onze vakantie kunnen betalen, maar een kleine vijfduizend bijbetalen.
Ik loop snotseldereju al een week rond met de vraag of ik een bepaald boek nou wel of niet zou kopen en dan gebeurt dit! Dat boek kan ik voorlopig wel schudden.
Schurken zijn het, daar bij de Belastingdienst. Weg met de nuance! Boeven! Hoe durven ze. Ik zou ze dit, ik zal ze dat.

En dat stemmetje dat piept dat ik er geen boterham minder om zal eten wil ik ook niet meer horen. Anders, anders, nou dan…

Dat zul je dan wel merken!

Poep!

En nog eens poep!

04 maart 2020

De lijstjes van Bert

In 2007 – 2008 deelde ik op school een kamer met Bert. Ik ben hem uit het oog verloren intussen. Dat vind ik jammer, maar daar gaat het nu niet om. Op een aantal punten kon ik van Bert het nodige leren.
Hij had een veel fraaier handschrift dan ik en daarmee noteerde hij de taken van de dag. Hij gebruikte daarvoor een a5-blokje, maakte een rondje en schreef de taak in kwestie erachter. Op de volgende regel, bij het tweede rondje kwam taak twee. Dat deed hij met een blauwe pen. Als het blaadje vol was, dan konden er voor die dag geen taken meer bij.
Telkens als iets was afgerond, vulde hij het open rondje dat op het blaadje voor de taak in kwestie was aangebracht. Het ging om een opvulling in rood. Zo bleef zijn dag overzichtelijk. Het a5’je op zijn bureaublad was een gedicht.
Zijn dag eindigde ermee dat hij het takenlijstje voor de volgende dag maakte. De punten waaraan hij niet was toegekomen schreef hij op het nieuwe blad en soms verdween er ook wel een punt.
Zijn bureaublad was bij zijn vertrek helemaal leeg: alleen het blokje met de taken voor de volgende dag lag er.

Natuurlijk heb ik deze aanpak van Bert overgenomen. Ik probeerde zelfs netter te gaan schrijven.
Toen ik in 2010 mijn eerste IPad kreeg, ontdekte ik daarop een app die bijzonder veel leek op het lijstje van Bert en daarom bekeerde ik me tot de digitale variant. Het a5-formaat bleef en daarmee ook de overzichtelijkheid. Voordeel was bovendien dat niet uitgevoerde taken gewoon bleven staan, dat taken die vaker voorkwamen, bijvoorbeeld altijd op donderdag om 10 uur, vanzelf op het gewenste moment tevoorschijn kwamen en dat je de volgorde kon wijzigen. Om maar iets te noemen.

Sinds kort heb ik een IPhone en die ontdekte bij de installatie onmiddellijk die slimme app op mijn tablet en nam alle informatie daarop integraal over. Dat was nog handiger. Maar een paar dagen later verdween die applicatie van mijn IPad. Het apparaat was te oud voor de nieuwe editie van mijn besturingsprogramma en daarom staat dat lijstje nu alleen nog op mijn Iphone.
En het jaagt me op. Het piept bij elke nieuwe taak en die kondigt zich altijd eerder aan dan mij uitkomt. Mijn tablet deed dat ook, maar die stond op mijn bureau, mijn mobieltje heb ik altijd bij me. En dan het formaat.

Ik denk vaak terug aan Bert en aan de poëzie van zijn geschreven takenlijstjes. Een paar keer heb ik die oude gewoonte van hem weer ingevoerd. Maar het werkt niet meer. Die digitale lijstjes zijn te handig: ik hoef daardoor niet meer te denken aan de dingen die ik op een bepaalde tijd niet doe: die hebben hun eigen tijd. Maar ze jagen me ook op, die lijstjes. Zo staat er voor vandaag een ‘Och Heden’ gepland voor 11.45 uur. Dat zou dan na mijn fietstocht zijn. Het is intussen al half een. Dit stukje is weliswaar bijna af, maar aan het fietsen ben ik nog niet toegekomen. Daar kwam iets anders voor in de plaats, iets dat niet op het lijstje stond.

Voort voort voort! roept mijn mobieltje.

03 maart 2020

Langs de kant

Gistermorgen reed ik dezelfde fietsroute als zojuist. Maar in omgekeerde richting. Dat doe ik zelden en daarom is het een bijzondere ervaring om het rondje tegen de klok in te rijden. Ik moet af en toe zelfs even nadenken bij een kruising en sommige mij vertrouwde stukken lijken korter, andere weer langer. Dat geldt allemaal niet voor het eerste en vandaag dus laatste stuk van de tocht, want dat reed ik jarenlang dagelijks in beide richtingen, en ik kon deze fietstocht als reiskosten declareren bij de belasting.
Een even groot verschil vormden de weersomstandigheden. Gisteren fietste ik door een grauwe, sombere wereld, met een natte broek om mijn benen, vandaag scheen de zon en vloog er onderweg opvallend veel klein gevleugelte voor me op. En o, wat viel het licht mooi op een waggelend troepje ganzen, weg van de lens van een nog mooiere fotografe vandaan.

Vandaag was ik vooral nieuwsgierig naar het stukje langs de Vecht. Ter hoogte van het vroegere gemeentehuis van Zuilen zaten daar gisteren veertien vissers. Stoeltjes, complete bakken met van alles en nog wat en allemaal een reusachtige paraplu. De vele ganzen die dat gedeelte van de Vechtdijk al vanaf de grondvesting der aarde als domicilie kennen, waren duidelijk ontregeld. Het was immers hun oever waar die ouwe kerels zaten (geen vrouw gezien). De hengelsport kan sowieso op mijn volledige onbegrip rekenen en zo begrijp ik ook niet wat vissers ertoe brengt om wel elkaar op te zoeken maar vervolgens op een kleine dertig meter van elkaar te gaan zitten. Nou ja, dat laatste begrijp ik dan nog wel: iedereen zijn eigen stek, dan heb je kans op vangst, al zou ik liever juist niets willen vangen. Maar waarom zoek je dan dezelfde plek op? Dat vroegen die ganzen zich ongetwijfeld ook af. Ze waren er druk over in gesprek met elkaar en hadden geen enkele aandacht voor dat mannetje op zijn rode fiets dat – het moet gezegd – heel behendig en met zichtbaar genoegen tussen ze door laveerde.
De afstand tussen de vissers gaf mij de gelegenheid om ze te tellen. Het waren er veertien, allemaal op bijna gelijke afstand en toen hield het ook op. Verderop zat een gans in de struiken, kale braamstruiken, die me aan nummer 42 van het Ganzenbordspel deed denken. Maar er stond een andere gans in de buurt. Misschien werd er aanstalten gemaakt voor de bouw van een nest.

Vandaag fietste ik dus vanaf de andere kant langs de Vecht en dat onder weersomstandigheden die mij bijna konden verleiden ook visser te worden, maar dan wel eentje zonder hengel. Nu trof ik twee vissers, ongeveer ter hoogte van nummer 42. Er stonden weer wat ganzen op de weg die me negeerden. Ze waren niet druk met elkaar. De meeste lagen in het weiland. De oever was leeg. Geen ganzen maar ook geen vissers meer.

Nogmaals, van hengelsport heb ik totaal geen aas gegeten. Waarom zaten er gisteren allemaal van die ouwe kereltjes bij slecht weer langs het water te blauwbekken? En waarom niet vandaag, met die heerlijke voorjaarszon en een licht dat je verliefd maakt op de waterglinstering van de Vecht?
Het is een raadsel, een groot raadsel.

01 maart 2020

Schrikkelkind

Gisteren werd, geheel volgens de officiële verwachting een schrikkelkind geboren. Nu werden er gisteren alleen maar schrikkelkinderen geboren, dus heel bijzonder is dat nu ook weer niet, maar die andere geboortes vonden plaats buiten de kring waarvoor ik spontaan warme gevoelens koester.

Sneu voor het kind vind ik dat het levenslang zal zijn opgezadeld met de opmerking dat het eigenlijk maar eens in de vier jaar jarig is. En dat het dus eigenlijk vier is als het zestien is. Deze flauwekulopmerking is de prijs die je betaalt voor een betrekkelijk unieke datum.

Het is natuurlijk allemaal onzin. Woorden als jarig, verjaren en verjaardag verwijzen allemaal naar de cyclus van dagen die 52 weken en een of twee dagen in beslag neemt.

Ik zou het wel leuk vinden om een schrikkelkind te zijn. Er hangt een zweem van magie om mensen die op 29 februari het levenslicht zagen. Dat zeg ik zonder er eentje persoonlijk te kennen. (Jawel, roept Mente, en ze noemt nu een paar namen.) Schrikkelkinderen, het feit dat ik dit woord kan gebruiken geeft het al aan, horen in het rijtje van de wisselkinderen en de schipperskinderen. Dat zijn bijzondere kinderen. Het liedje over die laatste groep zingt vandaag trouwens voortdurend door mijn hoofd, al loopt er dan een schrikkelkind in de wind en op die brug.

‘Alles in de wind, alles in de wind,
daar liep een schipperskind.’

En vooral dat mooi, ja, betoverende:

‘Op die brug, op die brug
vond ik mijn zusje terug.’

Bij die groep van bijzondere kinderen horen ook de sterrenkijkers en zij die met de helm geboren worden. Ook met hen is niets aan de hand en toch…

Los van die altijd weer terugkerende opmerking van hierboven zou ik het dus wel leuk gevonden hebben om een schrikkelkind te zijn. Maar dan niet op 29 februari. Dat is geen goed moment in het jaar om jarig te zijn. Ik werd gisteren in Rotterdam op de Coolsingel tenminste behoorlijk van mijn sokken geblazen. Zelf ben ik blij met mijn zomerse verjaardag. Dan word je op je verjaardag niet zo nadrukkelijk in één hok gedreven waar je elkaar amper kunt verstaan. En op mijn kinderpartijtjes deden we spoorzoekertje en verstoppertje. Dat hadden mijn broers en zussen niet.

Het zou daarom beter zijn om 29 februari gewoon af te schaffen en er 31 juni voor in de plaats te stellen, dus een kille sprokkeldag in te ruimen van een mooie zomerse dag.
Daarmee zou mijn verjaardagsdatum dezelfde blijven, maar die van mijn geliefde niet. Nu wil het geval dat wij onze verjaardag altijd samen vieren, dus dat zou een reden kunnen zijn om dat voortaan nog maar een keer in de vier jaar te doen. Wat een uitkomst zou dat zijn. En altijd in de zomer!

Ik krijg zojuist een reactie uit Nieuw-Zeeland. 31 juni is daar unaniem afgestemd. Te koud, te nat. Men houdt er liever vast aan een zomerse 29 februari.

29 februari 2020

De rituele beurs

De afgelopen weken gingen gepaard met wat reserveringen van overnachtingsplekken voor de komende zomer. Er zijn ook twee overtochten geboekt. Het is een claim op de toekomst die drieste trekjes begint te krijgen, al ben ik nog niet begonnen aan het gedetailleerd uitstippelen van een fietsroute door Siberië. Ik denk ook niet dat dat er nog van komt. De mate van driestheid is persoonsgebonden.

Feitelijk hebben Henk en ik niets te zoeken op de jaarlijkse fiets- en wandelbeurs. Jaarlijks fietsen we hooguit twee weken ergens in een omliggend land, met tent en eigen kookgerei. Maar tenten hebben we al, fietsen ook en pannetjes, een kekke primus, een gps. En voor een route hoef je helemaal niet naar een beurs. We zijn verzadigd.
Het bezoek heeft dan ook vooral een ritueel karakter: het stelt me mentaal open voor de toekomst. Die mentale opening kan zich uiten in de aanschaf van het een of ander.
Zo kocht ik er jaren geleden in de aanbieding een overbodig dagrugzakje waar ik nog steeds erg gelukkig mee ben.

Twee maanden geleden trakteerde ik mezelf op twee nieuwe inlegzooltjes voor mijn wandelschoenen. Daar was ik erg blij mee, ook tijdens de wandeling daarna. Maar op de beurs ging ik desondanks door de knieën voor een aanbieding. ‘Het wordt misschien wel mijn laatste paar wandelschoenen,’ bedacht ik. Die dingen gaan in mijn geval heel lang mee, want ik ben niet erg sleets.
Ook kan ik me verlekkeren aan tentjes. Maar kopen? Nee, mijn huidige kan nog jaren mee. Drie jaar geleden ging er een rits stuk, maar die is vervangen en voor de lekkage langs de naden heb ik goed spul gevonden.

En dan mijn fiets. Mijn trekkersfiets heeft de 40.000 kilometer al ruim op zijn tellertje. Dat mag ook wel voor een fiets van ruim vijftien jaar oud. Maar dit is er eentje voor de eeuwigheid. Een keer andere banden, andere tandwielen, ketting een keer vervangen, een kabel. Alles kan. Maar een hele nieuwe fiets?

Op die manier loop ik niet alleen langs tentjes, maar ook langs fietsen die aan mij niet besteed zijn, met die dappere Snelfiets van me.
‘Je kijkt er wel naar, maar je doet het niet. Je bent je spullen veel te trouw,’ zegt Henk. Ik zie het meer als een vorm van terminaal denken: mijn fiets dient mijn tijd uit, mijn tent zal straks nog jaren ongebruikt op zolder liggen. En, maak ik mezelf wijs, door iets nieuws te kopen druk ik mezelf nog meer op het feit dat het waarschijnlijk wel de laatste slaapzak of tent of wat dan ook zal zijn.

Op de beurs kun je ook fietsen uitproberen. Het is in eerdere jaren niet eens in me opgekomen, maar dit jaar heb ik dat wel gedaan. Een trekkersfiets van zo’n 4000 euro, met Rohloff naaf en tandriem.
Nooit meer een vieze ketting, nooit meer een ketting tussen frame en voorblad. Dat moet een zaligheid zijn. Verder een gewone fiets, geen e-variant. Daarvoor ben ik nog te klein.

Het parcours is langer dan ik had gedacht. Al fietsend word ik jonger. Gelukkig mis ik de goede afslag en moet ik de ronde nogmaals maken. Nee, ik heb hem niet gekocht.
Maar dus wel wandelschoenen, een klein op te vouwen maar zeer adequaat hoofdkussen, kettingolie (ook een aanbieding) en we kochten boekjes met een fietsroute die niet voert van hier tot Tokyo, maar wel tot aan de Zwarte Zee.

Of we daar ooit arriveren? Wanneer? Op welke fiets?
Wie zal het zeggen.

28 februari 2020

Geluk 2

Om nog even terug te komen op het geluk van woensdag: er was die dag nog een fraai moment. Daarvoor fietsen we even naar de stad, stappen we af bij de rijwielstalling onder het stadhuis en dalen er de trap af, met de fiets aan de hand. Rechts is een gootje met stevige borstelharen zodat het je weinig moeite kost om af te dalen; de fiets ondervindt net te veel weerstand om jou enthousiast mee naar beneden te sleuren.
Dit is nog maar de opmaat van mijn geluk. Onderaan de trap staat een vrouw te wachten tot ik beneden ben. Zij wil daarna haar fiets via datzelfde gootje omhoog duwen. Op die manier slaat het voordeel van de borstels om in zijn tegendeel.
‘U kunt beter de andere kant pakken.’ Ik wijs naar het gootje aan de andere kant. Daarin zijn geen borstels aangebracht, maar draait een smalle stugge band omhoog, zodat je je fiets niet omhoog hoeft te duwen als je je remmen inknijpt.
‘In dat gootje wordt uw fiets geholpen om boven te komen,’ zeg ik. Dan zie ik dat de vrouw aan de andere kant van haar fiets staat. Misschien is ze linkshandig. Er komt een man achter me tevoorschijn – ik had hem niet in de gaten. Hij pakt de fiets van de vrouw.
‘Komt u maar,’ zegt hij. ‘Ik zal het even voordoen.’ Dat ik veronderstel dat hij wel een medewerker zal zijn hier, heeft waarschijnlijk met zijn uiterlijk te maken.

De stalling is gratis – fantastisch - maar je fiets wordt wel gescand. Dat wil zeggen: op de fiets zit een stickertje met een barcode en je moet in het bezit zijn van een labeltje, ook met barcode. Vrijwel iedere Utrechter heeft dat labeltje aan de ring van het fietssleuteltje hangen, ik ook. De scanner pakt vandaag wel de code van het labeltje maar niet dat van de fiets. De man van de fietsenstalling plakt een nieuw stickertje op mijn fiets. Dit gebeurt allemaal zo snel dat ik niet eens de tijd heb om mijn fiets even op slot te zetten om ook een nieuw labeltje te kunnen bevestigen.
Dat hoeft ook helemaal niet, vertelt de man. Dat verbaast me. Ik ben er altijd vanuit gegaan dat fietssticker en sleutellabeltje dezelfde barcode hadden, maar dat is helemaal niet zo. Bij binnenkomst registreert de scanner de combinatie van beide codes en als die combinatie herkend wordt wanneer je je fiets weer meeneemt, dan kun je zonder kans op achtervolging de trap weer op.
Soms kan ik thuis niet zo gauw mijn fietssleuteltje vinden en dan pak ik een reservesleuteltje, zonder label. Ik ben me er dan van bewust dat ik mijn fiets niet kwijt kan in een stalling zonder nieuwe codes aan te laten brengen. Maar zo werkt het dus helemaal niet. En in het sleutelbakje in de keuken liggen sowieso wel wat sleutels van andere fietsen. Met label. Alleen dat besef is al een hele zorg minder. En ik heb weer wat geleerd.

Als ik, zonder fiets, de stalling uit loop, kijk ik nog even om. Achterin is de man die zojuist de fiets van de dame naar boven bracht, bezig zijn eigen fiets te stallen. Dat was dus helemaal geen medewerker maar gewoon een aardige man.
Ik loop de trap op. Met welgevallen zie ik hoe de smalle band in het gootje naast me met me meedraait.
‘People ain’t no good,’ zong Nick Cave. Als ik langs Broese loop, lijkt het of Rutger Bregman hem antwoord geeft: ‘De meeste mensen deugen.’

26 februari 2020

Geluk

Gelukzoekers zijn niet alleen domme, maar ook ongelukkige mensen. Geluk valt je namelijk toe, onverwacht, ongezocht en onverdiend. Je merkt al dat ik hier gelukkig veel verstand van heb, anders zou ik niet meteen zo’n misselijk toontje niet aanslaan.
Doorgaans is geluk moeilijk en klein. Dat leerden we al van de dichter J C Bloem die zijn gedicht met de weinige verrassende titel Geluk zo laat beginnen:
‘Moeilijk gewoon geluk,
‘Klein schijnend, maar het meeste’

Vervolgens is er in zijn gedicht de nodige ellende te vinden, met als troost

‘‘een liefde als een kamermuur,
‘Als lamplicht om het hart’

Of dat nou geluk te noemen is, vraag ik me af. Dan zie ik de oude dichter liever in gedachten ‘domweg gelukkig in de Dapperstraat’, maar dat staat weer in een ander gedicht van Bloem.
Geluk laat zich niet zoeken, hooguit kan het ongezocht gevonden worden.

Ook is geluk niet de parel in de pijn van de oester, de zoete troost, een zee van narigheid, het lichtje in de duisternis. Niet per se. Dat is namelijk misvatting twee.
Gelukkig maar dat ik ook daar verstand van heb. Ellende is geen voorwaarde voor geluk.

Deze dag bracht mij twee bijzondere momenten van geluk die ik graag met je deel. Allereerst is daar de oude klok die nu weer keurig op de daarvoor geëigende tijden het juiste aantal slagen slaat. En dat tegen geringe reparatiekosten. Het bijzondere daarbij is ook dat hij veel vriendelijker slaat dan in de tientallen jaren hiervoor.
Om het half uur - ik zit er niet op te wachten en ik ben ook niet steeds beneden in de woonkamer – slaat het geluk mij onverwacht toe: o ja, de klok doet het weer en hij klinkt veel minder schel.

Ook zit ik geregeld boven waar ik sommige van mijn bezigheden muzikaal omlijst door op een knop te drukken, die van de radio, de cassettespeler, een mobieltje of van de cd-speler. Vandaag deed ik het laatste. Ik hoorde ‘Fretwork,‘ muziek van Bach, uitgevoerd op zeer uiteenlopende snaarinstrumenten,. Maar die cd is helemaal niet van mij. Die is van de Muziekbibliotheek. Een paar weken geleden heb ik hem teruggebracht, althans het hoesje, zo blijkt nu. Het punt is alleen dat de Muziekbibliotheek intussen is opgeheven en dat alle cd’s verkocht zijn. Meer dan vijfenveertig jaar leende ik er platen en later cd’s. Deze cd is een mooi aandenken aan die tijd. Het is prettige muziek en dus een aangename vergissing. Zo beleef ik vandaag op twee plekken in huis onverwachte momenten van geluk.

Natuurlijk is het goed mogelijk dat ik een verkeerde cd in het hoesje stopte. Dat zou er dan eentje van mezelf geweest moeten zijn. En die ben ik dan kwijt, ja. Maar ik zou niet weten welke schijf dat moet wezen. Daar ga ik ook niet naar zoeken. Zoeken naar een cd die ik misschien niet meer heb, lijkt me heilloos. Niet alleen geluk moet je niet zoeken, ook je ongeluk niet.

24 februari 2020

Comtoise

We hebben geen tijd en daar word ik onrustig van. Al een paar jaar slaat de comtoise niet meer. Dat is een tweehonderd jaar oude klok in een ijzeren huis, met een in dun geslagen koper gevatte geëmailleerde plaat. Wij kregen hem toen we trouwden.
De klok heeft de gewoonte om de hele uren twee keer te slaan. Dat past bij zijn ouderdom en zijn herkomst. Ze moeten veel voorgekomen zijn in Franse boerderijen, die klokken. Als een comtoise ‘s nachts sloeg, kon de boer of boerin daarvan wakker worden. Die vroeg zich dan natuurlijk af hoe laat het was, want hoeveel slagen had hij of zij gemist. Even een lampje aandoen was nogal bewerkelijk, anno 1820. Daarom was het wel prettig dat de klok na een minuut het laatste geslagen aantal slagen nog eens herhaalde.
De service reikte verder. Onder de klok hangt een koordje. Als je daaraan trekt, dan geeft hij de slagen van het dichtstbijzijnde uur. De halve uren worden met een enkele slag aangegeven, maar als je daarvan wakker mocht worden en je zou afvragen of het nu half twee is of half vijf, dan trek je dus gewoon even aan het koordje en dan hoor je twee, dan wel vijf slagen. Of drie of vier. Daarvoor moet je dan wel de klok niet ver van je bed hebben.
Het geluid van de bel is niet prettig maar wel onaangenaam. Maar alles went, ook die slag, waarbij je ook nog mag bedenken dat de klok om twaalf uur dus vierentwintig keer slaat. Ons maakte dat al heel lang niets meer uit. We hoorden hem alleen als er andere mensen waren. Wel werkte het mechanisme van het koordje nog, maar van die bijzondere mogelijkheid maakten we nooit gebruik. De klok hangt dan ook niet in de slaapkamer.
De wijzers zijn de tijd tamelijk getrouw blijven aangeven. Geen probleem.

De prijs van comtoises is in de loop der jaren drastisch gedaald. In het begin van de jaren zeventig is voor die van ons als vriendenprijsje vijfhonderd gulden betaald. Nu zie ik ze op veilingen aangeboden van 50 tot 80 euro. Dat is minder dan een klokkenmaker vraagt als hij alleen maar even naar de klok kijkt.
Kortom, de klok mag dan een waardeloze klok geworden zijn en het slaan dient misschien geen enkel doel meer, het is wel onze klok en waarom zouden we een gemankeerde klok in de kamer hebben als die ook braaf door kan gaan met het wegtikken én -slaan van de secondes, de minuten, de halve en de hele uren, de dagen, weken, maanden, jaren, ja zelfs de eeuwen?
Dus kwam er vanmorgen toch een klokkenmaker langs. Het was een kwestie van wat solderen en een beetje smeren. Kleinigheid. Vijf tientjes, inclusief halen en evt. brengen.

Nu is de klok weg. Eén nachtje maar.
Klokkijken, merk ik, is een soort ademhalen. Dat wist ik niet, maar nu dus wel. Ik kijk om de haverklap naar de muur, naar die lege plek. Ik heb wel even een schilderijtje op de klokkenstoel gezet om de zich telkens herhalende schrik een beetje te dempen. Dat helpt niet. Ik wist niet dat het zo ontregelend kon zijn om geen tijd te hebben.

22 februari 2020

Kruk

Het is de schuld van Oom Kees. We waren nog maar net weggereden, zaten op de Oude Haagweg, dus de motor van zijn auto moet nog koud geweest zijn toen hij een of andere fout maakte. Laten we zeggen dat hij iets te ruim een fietser wilde passeren en daardoor een tegenligger dwong om snel uit te wijken. Zoiets.
Oom Kees mopperde: ‘Nou Kees, je bent een echte Van der Kruk en zult wel nooit een Van der Stoel worden.’ Dat zei hij in 1973. We zouden een dag op stap gaan: Oom Kees en zijn Trees en Mente en ik. Dat was om hun zilveren bruiloft voor te bereiden, die voor een paar maanden later op de lat stond: een bustocht, met een lunch hier, thee daar, een diner in Haarzuilens en dan weer naar Loosduinen.

Iedereen hield van de kinderloze Kees en Trees, vrijwel evenveel, maar van de zo zachtaardige Kees net een tikkeltje meer. Om de milde zelfspot van oom Kees helemaal recht te doen, moet ik wel Max van der Stoel noemen, want diens ster was in die jaren tot grote hoogte gestegen vanwege zijn bemoeienis als diplomaat met het kolonelsregime in Griekenland. En zo iemand, stelde oom Kees vast, was hijzelf dus niet.
De achternaam van oom Kees, en dus ook van mijn moeder, omdat zij zijn zus was, kreeg door zijn opmerking een betekenis waarover ik nog niet had nagedacht. Een kruk is een mislukte stoel, zo’n geval op te hoge poten en zonder rugleuning of ander zitcomfort. Dat was een. Twee was zijn indirecte bewondering voor Van der Stoel. Ook ik had die man hoog, maar was gewend dat in de ARP-kringen waarin ik was opgegroeid, na Drees nogal moeilijk werd gedaan over de PvdA, vooral toen nestvlieder Den Uyl het gezicht werd van die partij. Oom Kees was met al zijn bescheidenheid en zelfspot, merkte ik, ook iemand die over de muren van partijen heen kon kijken. Dat deed me deugd.

Vandaag kwamen alle neven en nichten Van der Kruk bij elkaar, aan de rand van het Westland. Dat was voor het eerst zonder dat er een oude Kruk ten grave zou worden gedragen. Twee nichten verschenen met een rollator. Duwkrukken waren dat. Je had ze dus blijkbaar ook met wieltjes. Ik dacht aan oom Kees.

Later bracht ik een van de twee nichten naar huis. Behalve een rollator had ze ook een kruk bij zich, dat wil zeggen: een steunstok. En toen voor het eerst moest ik bij de naam Van der Kruk niet meer denken aan een mislukte stoel of aan de bewondering voor een onkreukbare en doortastende diplomaat, maar aan die stok.
Die opmerking van oom Kees had er voor gezorgd dat ik zijn achternaam en dus ook die van een substantieel deel van mijn voorgeslacht vanaf de vroege jaren zeventig zou blijven koppelen aan een halve stoel en de mislukte kopie van wat een groot mens had kunnen zijn. Maar daarmee had hij mij blind en doof gemaakt voor andere betekenissen van het woord. Dat lag niet aan Kees dat lag aan mezelf, waaruit bleek dat ook ik een echte domme kruk was en geen verheven stoel.

Oom Kees had geen kinderen, zei ik al; zijn enige broer Adriaan ook niet, maar zijn zussen wel. Het gevolg was dat er vandaag op de Krukkenreünie geen enkele Van der Kruk aanwezig was. Maar krukken waren we allemaal. Gezellige krukken met zelfspot, viel me op. Geen leuning, soms maar één poot, soms met zwenkende wieltjes. We hebben een vervolgafspraak gemaakt.

21 februari 2020

Stom

Er doet zich de vraag voor naar een document dat er niet lijkt te zijn en dat heel hard toe is aan een update. Op die manier kan het opnieuw tien jaar ongelezen blijven, totdat er opnieuw een update moet komen en niemand meer weet waar de intussen verouderde editie ook al weer was.
Daarom geef ik geen gehoor aan de uitnodiging om te komen kijken naar de carnavalsoptocht waarin de vierjarige Lukas als brandweerman zal meelopen. Geen tijd voor frivoliteiten; er moet gewerkt worden. Ik ben nu even geen opa, maar secretaris van de kerk.

Als het te laat is om op mijn harde besluit terug te komen en ik voor vandaag genoeg gevorderd ben met het akelige document, ga ik op de bank zitten om te lezen.
Mijn aandacht wordt getrokken door drie versierde meisje uit groep zes of zeven van de basisschool. Een is er een banaan. De drie hebben een bal bij zich en ze blijven voor ons huis staan praten. Dan lopen ze weer verder.

Dan lopen ze opnieuw langs, nu de andere kant op.
Even later zie ik alleen de banaan.
Die komt weer langs.
Een kleine anderhalve bladzij later staan ze weer stil voor ons huis. Dat is toeval.
Geen idee waar ze het over hebben.

Opeens laat een van de meisjes, maar niet de banaan, de bal uit haar handen glijden. Die rolt onze voortuin in. Het andere meisje dat ook niet de banaan is, duikt schielijk de tuin in om de bal te pakken. De banaan en het meisje dat de bal liet vallen, kijken ontdaan naar binnen. Ze zien me op de bank zitten. Ik ben onder de indruk van hun geschrokken gezichten. Ze beginnen zelfs angstig te kijken als ze mij zien zitten en zien dat ik naar hen kijk.
Zodra de bal in veiligheid is gebracht, lopen de meisjes snel weg.
Zij komen niet meer terug.
Ik ben iemand om bang van te zijn. Dat is jammer.

Het zou anders gelopen zijn wanneer ik een uur geleden naar Zuilen was gefietst om daar een brandweerman toe te zwaaien.
Die zou dat leuk gevonden hebben.

20 februari 2020

Pijpjes

In de onderste la van het blok onder mijn bureau hangen mappen. Die hangen met haakjes aan ijzeren stangetjes, links en rechts. Die zijn op hun beurt weer gevat in een plastic frame. En daarvan is dus een hoekje afgebroken, van nog geen halve bij een halve centimeter, met als gevolg dat het uiteinde van het linkerstangetje in het luchtledige is komen te hangen en de mappen hun naam niet langer helemaal waar kunnen maken.

De leverancier van het ladenblok, een overbekend Zweeds bedrijf, levert geen onderdelen meer voor mijn ladenblok, dat ik een jaar of tien geleden kreeg, samen met het bureau waaraan ik nu zit. Krijgertjes van een failliet bedrijf. Op Marktplaats wordt mijn ladenblok voor 15 euro aangeboden. Ik heb het nog wel overwogen, maar waarom zou ik een heel blok weggooien voor 15 euro en een stukje plastic?

Iets anders. Eindelijk, een half jaar na de dood van Annie, is er weer leven in haar huis, vijftig meter verderop. Alles wat mogelijk nog aan haar zou herinneren, wordt momenteel rigoureus weggesloopt: plafondplaten, balken, planken, contactdozen, pvc-pijp, kranen, stukken van muren. Er moet een volstrekt kaal casco overblijven. Niets zal straks meer aan Annie herinneren. Haar hele leven woonde ze in deze straat.

In de tweede, of is het al de derde, container voor haar huis waarin ik een stuk electriciteitspijp vind, je weet wel, van dat witte spul waarmee je papieren pijltjes moet wegblazen maar die ook handig zijn om draden doorheen te trekken.
Hier past even een stilte en een close up van een man die stilstaat bij een container. Je ziet hoe ineens zijn ogen oplichten en vervolgens pakt hij de witte buis en loopt er een huizenblok verder mee naar binnen.

In tien minuten heb ik het voor elkaar. Twee stukken buis afgezaagd en in de hoek van de la gedrukt. Ik meende twee tie-wraps nodig te hebben om de boel vast te zetten, maar eentje was al genoeg. Het euvel van de mappen is de wereld uit, definitief en onzichtbaar, al neem ik me voor om af en toe een blik te werpen op de twee stukjes pijp die mijn mappen hoog houden. Met dank aan Annie.

18 februari 2020

Ari II

Ik meen toch echt dat me bij de vorige beurt was verteld dat ik dit jaar wel moest rekenen op de aanschaf van vier nieuwe banden en een andere distributieriem. Maar zo ging het dus niet. Ook was er geen andere, onvoorziene uitgave. Daarom liep ik vanmiddag als een spekkoper de garage uit, met het gevoel alsof ik voor de service zelfs geld toe gekregen had. ‘Helemaal nog niet nodig, meneer.’

De man achter de balie liep zelfs even met me mee naar de auto. Zou het niet zo goed gaan met deze garage? Serviliteit kan ook achterdochtig maken.
Het ontbrak er nog maar aan dat de man mijn fietsdrager en fiets op de trekhaak zette. Maar dat moest ik toch zelf doen. Hij keek toe hoe ik dat deed. ‘O, dat gaat nogal makkelijk,’ meende hij te mogen zeggen.
Dat zou Ari nooit gedaan hebben. We begroeven hem gisteren. De afscheidsdienst was in Maarssenbroek, de begrafenis en nazit in Oud-Zuilen, en daar ligt het bedrijf van de autodealer van mijn auto precies tussen in. Dus zowel gisteren als vandaag kwam ik er langs.
Ari, onderwijsman in hart en nieren, zou gezegd hebben: ‘Nou, dat doe je handig.’ Ik hoop maar dat ik dat ook gedaan zou hebben. In ieder geval als het om een leerling ging. Ik hoop het, zeg ik in mijn geval, bij Ari weet ik zeker dat het zo zou zijn gegaan.

Ik werkte snel en zonder te aarzelen. In minder dan een minuut lag de drager niet meer in de koffer- bak, maar stond hij op de trekhaak, met fiets en al.
Doorgaans doe ik er iets langer over, maar vreemde ogen dwingen.

Onderweg zag ik dat de nagel van mijn rechtermiddelvinger flink was ingescheurd.
‘Ach ja,’ zou Ari gezegd hebben. ‘Een beetje pech hoort erbij.’
… zou Ari gezegd hebben…

16 februari 2020

Propjes

Vanmorgen heb ik goed geluisterd tijdens de preek, van harte meegedaan aan het avondmaal en ook heb ik flink meegezongen. Heus. Toch zijn de twee plekken op de balustrade van de orgelgalerij me niet ontgaan. Het zullen twee plakkertjes zijn die iemand vergat om weg te halen, maar mij deden ze denken aan verkauwde papierpropjes in een klaslokaal. Ik heb er heel lang niet meer aan gedacht, maar herinner ze me nog heel erg goed.

Pubers maken er soms een sport van om het pijpje van een balpen als proppenschieter te gebruiken. Ze kauwen op een stukje papier, zetten dat op de opening van het holle balpenstuk en blazen vervolgens heel hard, het pijpje omhoog gericht. En hup, daar hangt weer zo’n klodder aan het plafond. Als een docent veel ordeproblemen heeft of als die streng en onredelijk is maar ook volledig opgaat in de eigen lesstof, dan worden proppen ook wel horizontaal gelanceerd. Je kunt overigens zien of een klodder nog nat is, of dat ie al weken geleden weggeschoten werd.
Ik was erg vies van die projectielen en had een scherp oog voor de versheid ervan. Dus als ik wel eens een rumoerig lokaal binnen stapte, dan keek ik ook altijd naar het plafond. Dat was in de tijd dat ik er ook voor betaald werd om in te grijpen bij ordeproblemen. Bij een nog verse prop kon je vrij makkelijk reconstrueren van wie die afkomstig zou zijn. Na de les ging ik dan nog even terug naar het lokaal in kwestie en dan sprak ik de jongen aan die ik ervan verdacht de prop tegen het plafond gekwakt te hebben. Ik heb nooit een meisje verdacht.
‘Waarom schiet je zo’n smerig propje tegen het plafond?’
Ik vroeg niet of iemand dat wel of niet had gedaan, maar waaróm hij dat deed. Wanneer die zei dat hij dat niet had gedaan, dan zei ik dat dat geen antwoord op mijn vraag was. Als je dat een vorm van intimidatie noemt, dan klopt dat. Ik vond het zo smerig en kinderachtig.

Daders kregen de simpele opdracht om een reeks plafonds te ontdoen van dergelijke spuugproppen. Dat leek me redelijk. Maar voor de rest heb ik het iemand nooit als straf opgelegd. Wel ging ik zelf regelmatig lokalen langs en dan deed ik het zelf: via een stoel op de tafel, daarop een tweede stoel en als je die beklommen had, dan kon je erbij. Soms kon je jaloezieën open en dicht draaien met een stang. Maar er was vaak wel ergens een scherm dat stuk was, dan vond je zo’n stang, dun maar wel lekker lang en met een scherpe hoek aan het kapotte uiteinde ergens naast een kast. Dat waren handige dingen. Dan hoefde je alleen maar op een stoel te gaan staan. En zo hield je je vingers wat schoner. Het was zaak om dit goed bij te houden. Ook scholieren zijn kuddedieren. Eén prop vraagt om een tweede, twee proppen roepen om vier proppen, en vier schreeuwen om acht.

In de kerk zullen het inderdaad plakkertjes zijn geweest, vanmorgen, die iemand in zijn of haar onschuld vergat weg te halen. Maar iemand anders kan natuurlijk toch denken dat het spuugproppen zijn en dan…
Als ik een flinke vent ben, dan haal ik ze weg deze week, al is het natuurlijk ook verleidelijk om te kijken wat er volgende week gebeurt in de kerk. Even kijken wie er dan voorgaat.

En nu ga ik toch even mijn handen wassen.

15 februari 2020

Een echte padvinder

Voor de echte welpenwereld is Klaas nog iets te jong, daarvoor moet je bij zijn zus zijn, maar bever is hij wel. Met een uniform dat is gereduceerd tot een bloes en een das. Geen stevige bruine korte broek van ribfluweel, geen kniekousen waaraan wapperende groene kwastjes hangen en ook geen pet. Dat laatste verbaast me een beetje. Een scoutcap lijkt me wel leuk.

Vandaag was het vader-en-moederdag bij de bevers, maar die van Klaas hadden andere verplichtingen, dus mocht zijn opa wel mee. Dat vond ik leuk, want zelf droeg ik ooit een padvinderspakje, een dat wél voldeed aan de hierboven genoemde beschrijving. Mensen die ik vertelde van mijn scoutingavontuur vandaag vroegen of ik mijn uniformpje al klaar had liggen. Zij waren niet op de hoogte van mijn padvinderlijk verleden en bedoelden hun opmerking waarschijnlijk als grapje. Niet eens een heel leuk grapje, want over padvinderspakjes werd ook al grappig gedaan toen ik er nog in rondliep. Bijster origineel is de mensheid niet.

Bij mijn eerste kennismaking met scouting, toen ik me nog niet in het uniform mocht steken, want daarvoor moest je geïnstalleerd zijn, gingen we er met de welpjes (er waren nog geen bevers, niet in de Biesbos en niet bij de padvinderij) op stap voor een spel even buiten Naaldwijk. Onderweg raakte mijn veter los. Ik bukte me om die vast te maken en om herhaling te voorkomen, legde ik er nog een knoop bovenop. De akela, vanaf het eerste moment een held in mijn bestaan, constateerde dat ik heel keurig de platte knoop in mijn veter had gelegd. Daar was ik me niet van bewust, maar blijkbaar had ik met die simpele knoop een bijzondere prestatie verricht. En dat gerommel met veters kreeg nog een naam ook: platte knoop. Toen wist ik het: de padvinderij zou goed zijn voor mijn ego, vooral met een akela die oog had voor mijn kwaliteiten.

Klaas is de platte knoop al lang voorbij. Hij liet me een paar weken geleden al zien welke knopen hij beheerst. Ik herkende ze, ook al droegen ze bij hem soms andere namen, maar de platte knoop zat er tussen, en ook de mastworp. De schootsteek kreeg een andere naam en of de paalsteek er ook al tussen zat, weet ik al niet meer. Wel is duidelijk dat hij die knopen op veel jongere leeftijd blijkt te beheersen dan ik deed.

Vandaag volgden we een speurtocht bij Vleuten, aan de rand van het Maximapark. Het ging daarbij niet om knopen, maar om reuzenjenga, om kompasvaardigheden, om het opvolgen van, via een portofoon, doorgegeven instructies. Leerzaam en leuk.

Maar stel dat ik vandaag niet was meegelopen als meelevende opa, maar als jongetje dat misschien wel lid wil worden... Dan weet ik het niet. Mijn veters raakten niet los en er was geen akela die mij heftig complimenteerde. Maar ook was het vandaag veel kouder dan toen die andere eerste keer, in Naaldwijk. Dat was ergens rond 1 juni, herinner ik me, en dat is heel iets anders dan 15 februari. Die kinderen hadden geen last van kou. Die renden en deden. Af en toe greep een kinderhandje mijn grote koude hand en dan merkte ik hoe warm dat handje was. Wat de vaders en moeders ervan vonden, weet ik ook niet. Natuurlijk hield ik me ook groot, met geen woord heb ik gerept over die koude wind. Eens een padvinder, altijd een padvinder.

14 februari 2020

Weggewerkt

Op zijn schilderij ‘De Triktrakspelers’ plaatste Pieter de Hooch de spelers voor een houten schot. Zo lijkt het. Waarschijnlijk is het omgekeerd en zaten de spelers er al, ook op het schilderij. Het schot werd later toegevoegd. Op het bijschrift bij het doek lees is dat De Hooch waarschijnlijk niet tevreden was met de schouw die hij aanvankelijk schilderde. Hij kreeg het perspectief en de verhouding niet helemaal goed. Het schot is dus een noodoplossing. Grappig is het intussen wel om te bedenken dat er achter dat schot dus een haard te vinden is: in de verbeelde werkelijkheid, waarin een van de spelers even zou kunnen opstaan om achter het schot zijn mobieltje te raadplegen bijvoorbeeld, maar ook in de taal van de verf. Met röntgen- of andere stralen moet die schoorsteen weer tevoorschijn gehaald kunnen worden. Zoiets vind ik grappig en daarmee is deze kous af.

Ook grappig is de hond op het ‘Interieur van de raadskamer van het Amsterdams stadhuis’ uit 1664. Daarop zie je met het blote oog heel goed dat die aanvankelijk een meter meer naar links stond. Ook duidelijk. Weer een kous af, al vraag ik me wel af waarom de oorspronkelijke hond niet beter is weggewerkt. Of is hij in de loop van de tijd weer meer tevoorschijn gekomen?

Iets anders kom ik tegen op een schilderij met een rokende man en een drinkende vrouw, we zitten dan in 1659. Het hangt gewoonlijk in het Mauritshuis. Op een tafeltje staat een fraaie wijnkan. Het hangt naast een vrijwel identieke afbeelding, die voor de tentoonstelling in de Prinsenhof helemaal van Washington naar hier gehaald werd en binnenkort weer naar Amerika terugkeert. In beide gevallen staat een meisje op de voorgrond. Maar op het Amerikaanse schilderij zit tussen de roker en de vrouw nog een man, een soldaat. Hij houdt een wijnkan in de aanslag om meteen bij te kunnen schenken. Aangenomen wordt dat het schilderij uit Washington net iets ouder is, maar waarschijnlijk wel uit hetzelfde jaar. Ook is wel duidelijk dat op de pendant uit het Mauritshuis ook een schenkende soldaat heeft gefigureerd. Maar daar zien we nu een schutting. Het commentaar vertelt dat die overschildering niet van De Hooch is.

Waarom moest die soldaat weg? Is de man op dit doek beschadigd? Is hij minder geslaagd dan op het eerste doek? Waren er compositorische redenen, mede ingegeven door de tijd? Het doek zonder de soldaat ziet er veel verstilder uit. Misschien vond men dat mooier. Zelf kan ik geen keuze maken. Maar ik heb wel te doen met de verdwenen soldaat.

Alsof iemand jaar en dag een vaste plek had ergens, in een stamkroeg bijvoorbeeld, en als hij er dan niet meer is, dan verdwijnt ook de herinnering aan hem. Zelfs zijn attributen lijken hem vergeten te zijn. Ik kijk nog even naar de wijnkan. In beide gevallen is het niet alleen exact dezelfde kan, hij is ook nog eens helemaal niet van positie veranderd. Ook de kan verraadt de man.

Toen ik gisteren aan het eind van de middag wegreed met de auto moest ik honderd meter verderop al een tijdje wachten. Er stond een antracietkleurig bestelbusje op straat geparkeerd. Van een begrafenisondernemer; dat was wel duidelijk. Even later reed een brancard voor me langs. Het zeil verborg een overledene, waarschijnlijk iemand die daar woonde, honderd meter verderop. Een buurtgenoot. Ik kon me niet voor de geest halen welk gezicht er onder dat zeil te zien zou zijn.

13 februari 2020

Ari

We waren niet naar de Kunsthal gegaan vanwege de erotische prenten die er hingen, uit China of Japan, dat weet ik niet meer, maar ze hingen er wel en ik kon er niet helemaal onbevangen naar kijken. Als we niet voor die prenten kwamen, moet het iets anders geweest zijn waardoor wij specifiek naar de Kunsthal getrokken werden, die dinsdag. Maar wat? We waren er met een tamelijk kleine groep leerlingen heengegaan, Ari, Monica en ik. Die leerlingen hadden meegedaan aan allerlei debatrondes, eerst op school en later namens de school bij een wedstrijd in het provinciehuis en we waren goed uit de strijd gekomen. Daar had dit museale uitstapje mee te maken. Ari en ik hebben een aantal jaren het debat op school voor onze rekening genomen en Monica voegde zich bij ons.

Nog steeds kan ik niet bedenken wat ons ertoe gebracht heeft om met de leerlingen van de debatklas naar de Kunsthal te gaan. Wel weet ik nog dat het een groepje ideale leerlingen was: kritisch, onderhoudend en groot genoeg om ook zonder docenten op stap te gaan. Juist die overbodigheid maakte het gezellig. De meiden liepen giechelig door de afdeling met prenten. Ze giechelden ook om mij. Het was blijkbaar goed te merken dat ik niet erg gelukkig was met die tentoonstelling. Twee van hen had ik een paar jaar eerder extra lessen Nederlands had gegeven. Zij kwamen uit Afghanistan. Nu behoorden zij tot de beste debaters, niet alleen van de school, maar zelfs van de hele provincie. De kunst van een docent is dat hij of zij zich overbodig maakt. Dat was bij deze groep dus goed gelukt en bij die twee meiden in het bijzonder.

Zo kwam het dat Ari en ik grotendeels samen de Kunsthal door liepen. ‘Welk werk zou jij mee naar huis nemen?’ vroeg Ari toen we alles wel zo’n beetje hadden gezien. We liepen de werken nogmaals langs, niet die erotische prenten waarvan zich met weerhaakjes de herinnering in mijn geheugen heeft vastgezet, maar het veel boeiender deel van wat er toen geëxposeerd werd en waarvan ik me nu dus niets meer herinner. Ari had zijn keuze al gemaakt. Ik moest er nog even over nadenken.

Als we toen echt gedaan hadden wat we zeiden en de uitverkoren schilderijen van de wand hadden gehaald, dan zou ik ongetwijfeld nog geweten hebben wat mijn keuze was geweest en die van Ari zou ik ook niet zijn vergeten waarschijnlijk. Maar dat hebben we niet gedaan. We hebben ons toen weer keurig bij de anderen gevoegd en zijn met tram en trein weer naar huis gegaan.

Ik gok dat dit een jaar of vijftien geleden is. Sindsdien kies ik regelmatig bij een museumbezoek een schilderij uit om mee naar huis te nemen. Gisteren bijvoorbeeld weer, bij de tentoonstelling van De Hooch, in de Delftse Prinsenhof.

Toen ik daarvan melding maakte in mijn Och Heden bedacht ik opeens dat die vraag van Ari kwam. ‘Welk schilderij neem je mee?’ Als ik hem nog eens gevraagd zou hebben of hij nog wist wat zijn of mijn keuze was toen, in de Kunsthal, zou hij het waarschijnlijk ook niet meer geweten hebben. Vanmorgen stond zijn overlijdensadvertentie in de krant.

12 februari 2020

De Hooch

Of het postlaborale bestaan haar een beetje beviel, vroeg ik. José voelde zich verpletterd door de drukte waarmee ze nu dagelijks werd geconfronteerd. Weg was het dwingend gemak van een opgelegde agenda, weg het zo aangenaam voor in de mond liggende nee als er gevraagd werd of je misschien tijd had voor dit of dat. Vandaar ook dat we er pas in de allerlaatste week van de al maanden lopende tentoonstelling toe kwamen om die te bezoeken en elkaar eindelijk weer eens te spreken.

Dat laatste deden we pas na de expositie, tijdens de lunch en de wandeling. In de Prinsenhof deden we Pieter de Hooch ieder in eigen tempo en op eigen wijze. Alleen Gerard buurtte af en toe eens bij de een en dan weer bij een ander.

Wij delen onder meer de liefde voor Delft, voor de huisjes en huizen, het water, de lichtval, de poortjes, waar ook de heer De Hooch zo dol op was, deze schilder van Delftse binnenkamers en plaatsjes of binnentuinen. Schilderijen van warme vlakken en van binnenvallend licht, maakte hij, gestoffeerd met mensen en vaak ook een kind (vrijwel altijd een meisje) en een hond. Die waren er om de schilderijen huiselijk en daarmee goed verkoopbaar te maken in het midden van de zeventiende eeuw, maar ze waren ook goed voor het ruimtelijk effect en droegen bij aan de compositie. Zo zie je (maar dat was wel op een Amsterdams doek van De Hooch) ergens een hond die is weggeschilderd om een eindje meer naar rechts weer te verschijnen. Waarschijnlijk gebeurde het omgekeerde: eerst verdubbeld en toen de linkerhond weggeschilderd.

De mensen, en vooral die regelmatig terugkerende meisjes, maken duidelijk dat De Hooch niet een echte portrettist was. ‘Het is geen Terborch,’ zei Gerard toen hij weer even langskwam. Hij zei dat vijftig jaar geleden ook al. Maar vorig jaar, in het Mauritshuis, stond hij naast me en zei hij: ‘Het is een Terborch.’ Dat was bij diens ‘Luizenjacht’. Daarvan hangt hier in Delft nu een De Hoochse variant en dat was inderdaad geen Terborch. Kinderen zijn moeilijk om te schilderen of te tekenen. Zij zijn nog zo vloeibaar.

Maar met een stapje achteruit (‘Sorry mevrouw’; ‘Neem me niet kwalijk meneer’, want druk was het wel in de Prinsenhof) waren daar weer die fraaie vlakken van prachtige baksteenmuren, de vloeren, wanden, die openstaande ramen of deuren, de doorkijkjes links of rechts met hun lichtval.

Aan het eind van de rondgang stel ik mezelf de vraag welk schilderij ik zou willen meenemen. Moeilijk, moeilijk. ‘Buitenplaats van een huis in Delft’ ziet er verleidelijk uit of ‘De moeder’. Een vrouw rijgt haar vest los om het voor de toeschouwer in een wieg verborgen zuigeling de borst te geven, als de toeschouwer weer verder gelopen is. Bij de open achterdeur staat met haar gezicht (slim) van ons afgewend een prachtig in licht gevat meisje bij de half geopende deur. En halverwege is er die aarzelende hond.

Pas nu ik dit opschrijf, weet ik het: ‘De moeder’. Maar met Buitenplaats zou ik ook dik tevreden zijn, hoor. Of een ander schilderij van De Hooch.

Of desnoods alleen maar een keertje alleen door deze zalen dwalen. Daar zou ik ook al heel gelukkig van worden. Maar als ook dat niet kan, hoor je me nog niet klagen. De anderen ook niet.

11 februari 2020

Kleine wereld

Bij een bezoekje in december rende ze naar boven om pas na vijf minuten terug te komen met een kopie van het testament. Ze was zo blij dat de zaken indertijd goed geregeld waren. Daar had ze nu profijt van. Ze legde het me allemaal uit en ik begreep het maar half. Deze wending in het gesprek had ik niet verwacht, al begreep ik natuurlijk wel heel goed dat ook kwesties als nalatenschap en geldstromen je volle aandacht behoeven, een paar maanden nadat je partner is overleden. Hoe dan ook, ik moest hun testament maar eens goed doornemen en er mijn voordeel mee doen.

Thuis las ik het allemaal nog eens door en toen snapte ik er nog minder van. Ik belde een notariskantoor en vertelde dat als mijn partner of ikzelf zou overlijden er zo min mogelijk financiële schade voor de overledene moest zijn, maar dat de kinderen niet vroeg of laat met een flinke claim van de belasting geconfronteerd zouden worden.

De kandidaat-notaris die ons verwelkomde had me vorige week al herkend, aan mijn naam en aan mijn stem. Nee, ze had niet bij me in de klas gezeten, maar wel op school.

Het is een raar gesprek. Allereerst ontgaan me de finesses. Daarnaast moet ik me mezelf in hulpbehoevende toestand voorstellen, naast een gedementeerde vrouw. We moesten ons voorstellen hoe onze kinderen dan met ons om zouden gaan. En dan… zouden ze nog wel met dezelfde geliefde door het leven gaan over ik-kan-je-niet-vertellen-hoeveel jaar? En daarna. Als Mente zou willen hertrouwen of ik. Ik moest er niet al te lollig over doen, dat begreep ik wel. We hadden ervaring, met dementerende ouders die heel oud werden, maar ook een moeder die nog ouder werd en niet dementeerde.

Mijn rijbewijs zit in een vakje bij mijn telefoon en net toen ik het hoesje opende sprong er een bericht tevoorschijn. Kees mailde dat Ari gisteren was overleden. Ik vertelde het aan de kandidaat-notaris. Meneer die en die vertelt dat meneer zo en zo is overleden. Ze had van beiden les gehad.
Even zat ze beduusd naar mijn rijbewijs te kijken.

Dertig jaar geleden stelden we een testament op dat zichzelf ruim heeft overleefd. Daarom is het maar goed dat we een nieuw testament laten opmaken. Dan zien we over dertig jaar wel weer verder, zou ik willen zeggen.

Dat doe ik niet, al helemaal niet na dat mailberichtje.

09 februari 2020

Kajale

‘Holland’ heet het nieuwste boek van Rodaan Al Galidi en ik ben bij de presentatie. Die wordt muzikaal afgesloten door Monir Goran. Al Galidi introduceert hem. ‘In Irak zijn we vijanden,’ zegt hij en slaat zijn arm om Goran, ‘want ik ben een Arabier uit het zuiden en hij is een Koerd uit het noorden. Maar hier niet, hier zijn we grote vrienden.’
Goran begeleidt zichzelf op gitaar en zingt een tekst die ik niet versta. Het is een vriendelijke melodie. Het is vriendelijke muziek, gezongen door een vriendelijke zanger. Bij binnenkomst hebben we hem al even de hand geschud. Zo iemand dus, eentje die je spontaan een hand geeft.
Nu zingt hij zijn lied. Twee rijen voor me gaat een man rechtop zitten, alsof hij naast Goran zou willen staan. Hij zingt het refrein mee. Het is duidelijk: er zit deze middag in ieder geval nog een tweede Koerd in de boekhandel van Broese.
Ik luister naar de melodie en wacht op het moment dat de man voor me weer naar voren zal bewegen, zijn rug zal rechten en opnieuw mee zal zingen. Het lijkt spontaan en dat is het ook wel, maar Goran vertelt later dat hij het wel had verwacht.
Zijn vriend Baldin wilde niet samen met hem zingen. ‘Ik ben geen zanger. Wel een kunstenaar, geen zanger.’ Maar uiteindelijk zong hij vanuit het publiek spontaan mee.

‘Kajale’ heet het liedje. In de late jaren zeventig heeft de kleuter die Monir toen was het wel gehoord. De oorlog kwam. Veel later moest hij nog wel eens aan het liedje denken, maar hij wist zich nog maar een enkele flard te herinneren. Archieven waarin het liedje misschien terug te vinden zou zijn geweest, waren vernietigd.

Na 2000 ontmoeten Monir Goran en Baldin Ahmad elkaar in Nederland. Goran is een naar Nederland gevluchte muzikant, Ahmad is beeldend kunstenaar. Hij woonde een tijd in Italië maar is nu al lang hier. Als Goran een keer een flard laat horen van ‘Kajale’, kan Ahmad dat moeiteloos aanvullen. Hij kent de tekst en ook van de melodie is hem het nodige bijgebleven. Zo ontstaat een eigen arrangement.
Kajale is het mooie meisje dat iedere dag naar de bron loopt. Ze wordt in het lied bezongen door de jongen die smoorverliefd op haar is, maar haar dat niet durft te zeggen. Het meisje heeft ook geen oog voor hem, ze geeft haar liefde aan een ander.

Dus dat gebeurde er toen de man twee rijen voor me naar voren boog, zijn rug rechtte en meezong. Hij zag hoe ergens in het noorden van Irak een mooi meisje naar de bron liep en hij zong van haar en zijn vergeefse liefde.

08 februari 2020

Bol

In Monster besloot een bakker deze week om zijn in de chocola gedompelde slagroomsoezen voortaan roomkoppen te noemen in plaats van moorkoppen. Die naam vond hij niet meer passend anno 2020. Ik moest aan Hildebrand denken. Die geeft zijn verhalenbundel Camera Obscura als motto mee: ‘Nec lusisse pudet, sed non incidere ludum.’ Dat wil zoveel zeggen als: je hoeft je er niet voor te schamen gespeeld te hebben, maar moet je er wel voor schamen als je daarmee doorgaat. Of dat motto ook al te vinden is in de eerste uitgave van het boek, we hebben het dan over 1839, weet ik niet. De spreuk is overigens veel ouder. Hildebrand trof die aan bij Horatius en voor hem moeten we 2100 jaar terug.

Het is jammer dat het gebak dat jaar en dag mijn grootste bron van vreugde was en dat ik in Monster heb leren eten, meestal afkomstig van bakkerij Grootendorst, nu zoveel ophef met zich meebrengt. In mijn kindertijd was het probleem met de soezen vooral hoe je ze zonder al te veel te knoeien en zonder al te vieze vingers naar binnen kreeg. En nu, nu ik daarin toch een zekere handigheid heb ontwikkeld, blijkt de naam het volgende struikelblok.

Tijden veranderen, maar dat de naam een kwestie zou worden, konden we al heel lang zien aankomen. Een lekker gebakje moet niet de aanjager zijn van een gebrek aan wederzijds begrip tussen mensen, dus als een ander woord minder beladen de lading van het gebak kan dekken, dan moeten we daarvoor kiezen. Roomkop is in zoverre een leuk woord dat het een anagram is van moorkop. Maar juist daarom is het niet zo’n slim alternatief Waarom zou je voor een woord kiezen dat een versleuteling is van de oude naam? Kom toch met iets anders.

Op Facebook vind ik tussen het verongelijkte getetter een poging om de boel in der minnen te schikken. Laten we het, naar de Bossche Bol, voortaan hebben over de Westlandse Bol. Lief bedoeld, maar het getetter blijft, zie ik. En dan nog: het is helemaal geen Westlandse bol, het is een soort gebak dat je overal kunt krijgen, ook in Twente of in Gaasterland. Ook niet. De Hema, bekend om zijn worst en tompouces wil het gebak voortaan aanprijzen als chocoladebol. Dat lijkt me niet verkeerd. Verwarring met de Bossche bol zal dat in de praktijk niet opleveren.

Zelf heb ik het probleem dat geen probleem is opgelost door me te beperken tot appelgebak.

Intussen krijg ik het wel weer een beetje benauwd van het gedoe dat de bol in Monster teweeg heeft gebracht. Wat is er toch in de jeugd van de azijnpissers gebeurd waardoor ze nu zo beginnen te steigeren?

07 februari 2020

Waagstuk 2

Om Waagstukken een ordentelijke plaats te geven in de boekenkast, moet er een ander boek uit. Dat verhuist naar een boekenkast boven. In dit geval kan dat zonder veel geschuif van andere boeken. Want als ik Geheime Kamers van Jeroen Brouwers weghaal, staat het boek van Van de Broeck automatisch op de goede plaats. En dat treft, want nu staat het naast De laatste deur, waarin Brouwers een grote reeks zelfdodende schrijvers portretteert.

Bij Charlotte van den Broeck gaat het niet om zulke schrijvers, bij haar staan dertien gebouwen en hun architecten centraal en rond al die bouwkunstenaars cirkelt, al dan niet terecht, het woord zelfmoord. De gebouwen van hun hand zijn mij vaak helemaal niet bekend. Soms zijn het enorme mislukkingen, soms aanvankelijk verguisde en later bewonderde bouwwerken, of omgekeerd. Maar altijd heeft de bedenker er zijn ziel en zijn zaligheid aan verpand, met alle gevolgen die dat met zich mee brengt. Wat doe je als jouw bioscoop het paleis bij uitstek wordt van de filmindustrie en het dak ervan stort omlaag bij een extreme sneeuwbui en veel mensen verliezen het leven? Met onuitroeibare tocht? Met een schoorsteen die toch te zien is of een kromme torenspits?

Nogmaals: ik ken de gebouwen niet en hun makers evenmin. En je zult me ook geen inhaalslag zien maken door alsnog een pelgrimage langs de producten van de beschreven bouwkundigen te maken. Maar als iets boeiends geschreven dat de moeite van het lezen waard is. Dat is één. Ik las het boek met veel plezier, niet alleen omdat het een boek is om urenlang mee in je handen te zitten, maar dus ook daarom, én omdat de auteur van de opstellen een dichteres is van nog geen dertig jaar die is ingetreden in de orde van literatuur, niet als bruid van Christus maar als bruid van de schone letteren. Charlotte van de Broeck zegt het zo niet, maar het is zonneklaar dat zij over Literatuur Hooge Opvattingen heeft en ook over de rol die zij daarin wil hebben. En dat betekent dat het lot van de bouwkundigen met hun al dan niet geslaagde gebouwen ook het hare zou kunnen zijn. Ze legt het verband niet eens erg expliciet, maar ze vertelt voldoende over zichzelf om de parallel te zien. Hier schrijft iemand die zich overgeeft aan de orde van de literatuur, zo absoluut dat alles, ook de liefde (door apostel Paulus de meeste genoemd), ervoor moet wijken. Het is me een beetje te veel van het goede, te romantisch en daarom las ik het boek af en toe hoofdschuddend en voelde ik me ook erg oud. Daarom ook las ik door. Ik had de vader van Charlotte kunnen zijn, met een beetje goede wil zelfs haar grootvader. Ik het boek, gretig vanwege de stijl, vol bewondering vanwege alles wat die meid toch maar heeft ondernomen om dit boek te schrijven, vol bewondering ook vanwege haar talent en haar overgave. En ik kon het dus niet nalaten om haar te waarschuwen. Maar ze luisterde niet. Dat heb je met auteurs: ze zeggen wel, maar luisteren niet.

06 februari 2020

Waagstuk

Waagstukken heb ik al een tijdje uit, maar het moment om het in de boekenkast te zetten, heb ik lang uitgesteld, in de boekenkast beneden wel te verstaan, met daarin de boeken waarvan ik de rug graag tentoonstel. Met het boek van Charlotte van de Broeck is wat dat betreft iets bijzonders aan de hand. Allereerst is het ontwerp van Steven van der Gaauw en die is me niet alleen als persoon zeer dierbaar, hij heeft er ook een handje van boeken prachtig vorm te geven. Dit boek is wel het klapstuk van 2019. De voorkant ziet er van zichzelf niet spectaculair uit, al kan ik als fervent zeestaarder mijn ogen moeilijk van Lowry’s The Sea afhouden. Op de achterflap van het omslag vind je trouwens de andere helft van het schilderij.
Op de voorzijde is bij de belettering gekozen voor twee kleuren: de naam van de auteur vind je terug in enkele golven van het zeegezicht en minder duidelijk, maar ook het bruin van de titel is daarin te vinden, meer op de achterkant van het boek dan aan de voorzijde, maar daar zie ik het toch ook.

Maar dan de rug. Die is er niet. Dat wil zeggen dat je in plaats van gekartonneerd papier met daarop opnieuw titel, auteur en logo van de uitgever, de zwaar belijmde katernen ziet die keurig aan elkaar geregen zijn. Daarbij is garen gebruikt in kleuren die, opnieuw, ook in het op het eerste oog wat saai ogende omslag zijn gebruikt. Omdat voor- en achterflap niet samen met de rug uit één vel gesneden zijn, moest die ook meegeregen worden een daarom zijn dubbele flappen gebruikt. Ik kan het ook anders zeggen: je hoeft het boek niet te lezen om er lang en bij herhaling veel plezier aan te beleven.

Dan ontdek je ook dat het boek erg makkelijk open valt, met als gevolg dat voor- en achterkant als eenheid het hele schilderij van Lowry laten zien. Van een van zijn zeegezichten, want hij kan het niet laten om de fascinerende levendige leegte van een onmetelijk watervlak onder een dito lucht te schilderen.

Maar als je toch besluit het boek te lezen, dan wacht je de bijzondere verrassing van handzaamheid van het boek. Je kunt het zittend lezen of liggend. Het bijzondere is dat hij, door die open rug zo mooi openvalt. Dus om esthetische redenen wil ik je aanraden om het boek op een, liefst hoge, tafel, of een lessenaar, vooral staand te lezen. De bladzijden vallen open met de rust van een kalme zee.

Boeken komen doorgaans niet tot hun recht in een boekenkast. De ruggen verbleken, de voor- en achterzijde zijn onzichtbaar en ook van eventueel fraai bindwerk is amper iets te zien. Dat wordt ook het probleem als ik Waagstukken in de kast zet. Dan zie je een boek waaraan de rug lijkt te ontbreken zodat je de rijgdraden ziet.

Maar zo is het dus niet.

05 februari 2020

Bubble

Schizofrenie is het woord niet. Die term is verouderd en hoort thuis in de wereld van de psychologie en daarom gaat het hier niet. Als ik het in de literaire hoek zoek, denk ik aan Kafkaësk. Ook lijkt het er wel een beetje op dat Barbertje moet hangen, maar ook dat is het niet. Jammer, want de situatie vraagt om een stevig woord.
In ieder geval waait ook door de kieren van ons huis het wereldnieuws naar binnen: zonder dat er iets aan de hand is, is er van alles aan de hand. Weliswaar weet ik intussen dat het huidige coronavirus minder virulent is en minder slachtoffers maakt dan andere griepvirussen doorgaans doen. Maar omdat men er desondanks toch weer veel te weinig van weet en dus ook niet hoe het zich ontwikkelt, en ook dat we wel weten dat er nog geen adequate bestrijdingsmiddelen voorhanden zijn, is de ziekte wereldnieuws dat het openbare leven in China lamlegt. De kans is heel groot dat de epidemie met een betrekkelijke sisser afloopt, maar dan nog kun je niet zeggen dat de huidige paniek en ingrijpende maatregelen vooral ‘much ado about nothing’ zijn. Het kunnen ook doortastende preventieve acties zijn of – zeggen we straks - zijn geweest, als de sisser daar is. Wij weten dat niet, nu niet en straks misschien nog steeds niet.

Dat neemt niet weg dat mijn broer in China een verre van uithuizig bestaan heeft geleid en dat terwijl hij er zelfs een scootertje kocht, eentje. Van mondkapjes kocht hij er een heleboel, ook heeft hij veel gelezen. Dat gebeurde allemaal in Qinghandau, een stad die 1402 km van het tot voor kort ook onbekende Wohan ligt. Ik heb even gegoogeld en zie dat er momenteel weinig verkeer is tussen beide steden, ook als je langs Beijing rijdt, want dat moet je dan wel doen.

Ik heb ook nog een broer in Polen en die raadde zijn ‘Chinese’ broer aan om de terugreis om te boeken en 24 uur eerder te vertrekken. Het gerucht ging dat dat voorlopig de laatste vlucht van Beijing naar Warschau zou zijn van de LOT. Het toeval wilde dat onze man in China met deze Poolse maatschappij vloog.
Zo is het gegaan en dat is maar goed ook, want het gerucht bleek waar te zijn.

In Qinghandau was en is nog steeds niemand gemeld die door het coronavirus zou zijn besmet. Als dat alsnog gebeurt, zal het niet om mijn broer gaan, want die is al lang thuis. Dat weet ik zeker: ik heb hem zaterdagavond van Schiphol naar huis gereden.
Hij zit er nog steeds, want via de telefoon is hem door zijn werkgever gevraagd om nog een weekje thuis te blijven, voor rekening van de zaak uiteraard. Een aantal collega’s vond het toch een beetje eng, zo’n Chinaganger in de buurt.
Over buurt gesproken, vanuit zijn directe omgeving ontvangt hij via appjes het verzoek om nog maar even niet op de koffie te komen. ‘Leuk dat je er bent, maar wacht nog een weekje.’
De pot met snoep die hij voor iemand had meegenomen, liet hij achter op de stoep toen er niet werd opengedaan. Later, na een appje, heeft hij die maar weer opgehaald.

04 februari 2020

Briefopener

Het was wel even en vreemde gewaarwording. Onder mijn bureau vond ik een briefopener terug die ik niet gemist had. Dat kan. De hoeveelheid post die hier binnenkomt is nog maar een fractie van wat er een jaar of twintig geleden nog door de bus gleed. Bovendien wordt de real post meestal beneden geopend en daar tel ik, uit mijn hoofd, vier briefopeners, vouwbenen die lang ook die functie vervulden niet meegerekend. Op mijn kamer heb ik er, het kan ook niet anders, eentje uit Nieuw-Zeeland. Het zijn ideale cadeautjes om per post te verzenden. Zo zal het gegaan zijn.
Het is goed om je te realiseren wat er door mijn hoofd schoot, toen ik vanonder mijn bureau achteruit kroop, met in mijn rechterhand de briefopener die ik nog niet had gemist maar wel zojuist had terugvonden. Ik had me een tijdje geleden afgevraagd hoe ik op het idee was gekomen dat de briefopener van kaurihout was, het hout waar kiwi’s zo trots op zijn, het hout van de honderd, soms meer dan duizend jaar oude woudreuzen. Maar op een hoekje van de briefopener stond in kleine maar duidelijke letters ‘Rimu NZ’. Dat was een tijdje geleden.
Eenmaal overeind legde ik de briefopener op zijn plek op het bureau. Maar daar lag al zo’n zelfde briefopener. Ook met rechts een gaatje waar een touwtje doorheen gestoken was en aan dat touwtje hing een langwerpig stukje jade.
Maar op de teruggevonden opener stond ‘Kauri NZ’. Ik had er dus twee. In ieder geval komt er eentje uit de nalatenschap van mijn schoonouders. De andere mogelijk ook, maar die is hier terechtgekomen toen er nog geen sprake was van nalatenschap maar van verhuizing, en dat dan al weer een jaar of twintig geleden.
Ik heb er dus twee en zou er eentje kunnen weggeven. Briefopeners genoeg hier in huize Borgdorff en allemaal met een verhaal. Maar ja… ze zijn alle twee mooi. Die van rimuhout heeft een nerf die wat meer tot de verbeelding spreekt, maar de andere is van het mythische kaurihout, dat zo wonderlijk sterk, licht en zacht is. En dan… wat zal ik anderen opschepen met een briefopener nu post mail heet.
Ze blijven hier, niet onder mijn bureau maar erop, ze mogen zinloos mooi liggen wezen, zoals bloemen op een veld achter de heuvel, die niemand ziet en ik toevallig wel.

03 februari 2020

NZexit

Afgelopen vrijdag ging ik met Lukas naar het strand bij Monster. Op het moment dat ik hem vroeg of hij zin had om met me naar het strand te gaan, liet hij prompt alles waarmee hij zat te spelen uit zijn handen vallen, hij ging rechtop staan en hij legde zijn hele ziel en zaligheid in de manier waarop hij het woordje ja uitsprak.
Het was me meteen duidelijk dat zijn verwachtingen in een klap veel te ver uittorenden boven wat hem te wachten stond, dus er moest getemperd worden. ‘Het is niet het strand zoals in Nieuw-Zeeland, hoor, op het eiland. Hier is het koud en de wind waait er hard, want het is winter, hè.’
Ja, ja, natuurlijk, dat begreep hij wel, zei hij, maar hij wilde wel. Het was wel duidelijk dat al dat begrip niet meer was dan lippendienst.

Toch was hij enthousiast toen hij de zee zag en het strand was veel groter dan hij had gedacht. Daar konden ze in Nieuw-Zeeland niet aan tippen. Zoveel zand. Hij kon niet wachten om met emmer, schep en vooral zijn graafmachientje aan de slag te gaan.

Maar het was wel erg koud en het stuivende zand leek vooral hem te grazen te willen nemen, wat ook wel een beetje zo is. Stuifzand heeft het vooral voorzien op honden en kleuters zoals hij.
Na tien minuten stelde hij voor om maar weer naar huis te gaan. Dat deden we, met een omweg, langs een pannenkoek en een goddelijke glijbaan.

In oktober brachten wij een paar dagen door op wat wij maar een onbewoond eiland noemden, in een baai aan de noordkant van het Zuidereiland. Die wij dat waren twee grootouders, een vader en een moeder en twee broertjes. Lukas was er in zijn element. Urenlang was hij in het zand in de weer met zijn autootjes, zijn diggers. De anderen hadden minder met dat speelgoed, maar vonden er ook hun element. Het kleine broertje door als kontschuivertje sporen in het zand te maken, de anderen door te wandelen, fantails te volgen, die onfotografeerbaar tussen een struik en een hemelhoge eucalyptus door de lucht dansten en doken. Het kleine kopergroene zee-egeltje dat ik als herinnering meenam, vond ik na een dag al fijngeknepen terug, maar het gave horentje, heeft het maandenlang uitgehouden op mijn bureau.

Na onze terugkeer rook het af en toe wel onaangenaam bij mijn bureau. Ik ben er regelmatig ondergedoken, maar in plaats van een veronderstelde dode muis vond ik allerlei losse blaadjes met aantekeningen, zes balpennen en ik ontdekte dat ik twee bijna identieke briefopeners had, maar de bron van de stank, vond ik niet. Totdat ik vanmorgen de paar losse stenen en de schelp van Jackett Island hergroepeerde. Mijn handen stonken. Het was die schelp.
Beneden heb ik hem een tijdje onder de kraan gehouden en vervolgens in een kommetje met hete zeepsop gelegd. Vanavond heb ik nog eens geroken en nu ligt de schelp dus in de vuilnisbak. Het kommetje heb ik voorzien van vers sop, want dat stinkt nu ook.

We zullen het met onze herinneringen moet doen.

02 februari 2020

Titaantje

Ik ging naar Pulchri om het werk van Ronald Raaijmakers te zien. Hij overleed vorig jaar, werd 70 jaar. Hij was al lange tijd ziek.
Rond 1970 kwam ik hem verschillende keren tegen, toen hij nog student was aan de Haagse Kunstacademie. Hij maakte deel uit van een groepje studenten die, het kon ook niet anders van dezelfde docenten les hadden gehad. Herman Berserik was de bekendste en in hun geval was Pieter Giltaij de invloedrijkste. Het waren de jongens van de sobere stillevens, de traditionele tekeningen met potlood en houtskool, en geaquarelleerde landschappen. Het ging ze om ruimte, om vlakverdeling. Hun werk was ingetogen, verstild. Een geruisloos protest tegen de tijd. Ze keken naar de Haagse School, naar Breitner en Israëls, Suze Roberston, Mankes natuurlijk, en allemaal keken ze naar Verster en maakten ze hun eigen napje met eieren. Intussen bewonderden ze ook Mondriaan en Theo van Doesburg. Het waren Titaantjes.
Ik kende de groep maar half; alleen Gerard was me zeer vertrouwd. Hij maakte deel uit van die jonge kunstenaars. Hun werk van toen is zeer herkenbaar en zelfs uitwisselbaar. Later zijn ze meer hun eigen weg gegaan, maar dat gemeenschappelijke verleden blijf je zien als je hedendaags werk van een van die jongens ziet.
Ronald koos voor stillevens. Hij bleef de oude potten, kannen, kruiken en flessen van vroeger trouw, maar voegde daar blik en kartonnen doos aan toe. Ik kwam zijn werk regelmatig tegen, bij Gerard, op wc’s met posters en flyers, op ansichtkaarten. Toen Ronald ziek werd, kreeg ik via Gerard weer meer over hem te horen. Gerard deed wekelijks boodschappen voor hem, op donderdag, meen ik. Vorig jaar gingen hij en ik naar een tentoonstelling in het Mauritshuis waar Gerard een paar dagen later ook met Ronald heen zou gaan. Bij ons bezoek bestudeerde hij alvast de route om te zien of hij ook als rolstoelduwer zijn weg zou kunnen vinden.

‘Zullen we straks naar Pulchri gaan? Ik ben in de buurt.’ Ik belde Gerard.
‘Dat lukt niet, ik zit in Zeeland, maar doe me een lol en ga er vooral meteen naartoe. Je doet er jezelf trouwens ook een groot plezier mee.’
Vanmiddag stond ik oog in oog met het werk van een Titaantje, het is maar een klein deel uit het werk van deze ‘Bavinck’. Het zag er zou vertrouwd uit. Veel was ‘n.t.k.’ Dat begreep ik wel.

01 februari 2020

Uiverhoeve

Langs de A28, niet ver van Hoevelaken, zie je, komend van Zwolle, aan je rechterhand de contouren van een boerderij, van het type dat je in deze omgeving wel meer ziet en in het verleden nog veel vaker zag. In dit geval gaat het om een plat geval, maar voor de doorsneeautomobilist staat daar een compleet driedimensionaal geval. Op de schoorsteen is, nu wel met diepte, een ooievaarsnest aangebracht. Het monument heet niet voor niets Uiverhoeve, net als de echte boerderij die hier vroeger stond.
Ik moet er altijd naar kijken als ik er langsrijd. Ik weet niets van de plek. Weet alleen dat het ‘monument voor een landschap’ er nu een jaar of wat staat en daarvoor niet. Verder kom ik niet. Zodra hij uit het oog, is hij ook uit hart en hoofd.

Vandaag stonden er twee ooievaars op het nest. Echte. Dat ontroerde me. Mogelijk heeft het ook met Schubert te maken, met een zieke zus, een zieke neef, een broer die plotseling voor het coronavirus uit moet vliegen, met het opstel van Rutger Bregman over het wassende water. Het besef dat ooievaars mogelijk niet eens meer naar het zuiden hoeven vliegen. Met het idee dat iemand een ooievaarsnest maakt en dat er na jaren inderdaad een paar ooievaars is dat daar belangstelling voor heeft. Het idee dat wat geen huis meer is, weer thuis kan worden. Ik kan proberen mijn ontroering te verklaren, maar wat het is, weet ik niet. Het onroert, dat beeld van die twee ooievaars op het nest op de schoorsteen van wat geen boerderij is.

* De Uiverhoeve is een kunstwerk van André Pielage

31 januari 2020

Op de fiets

Als voormalig schoolmeester wil ik natuurlijk ook mijn steentje bijdragen aan de onderwijsstaking en dat doet ik door een deel van de leerlingen die niet naar school kunnen vandaag onder mijn hoede te nemen. In dit geval is dat er eentje van vier. Hij heet Lukas en ik haal hem op voor een dagje uit. Hij zit graag voorop, op het zadeltje dat op de stang van mijn fiets is gemonteerd.

‘Waarom vallen we niet om,’ vraagt hij als we net de Rode Brug gepasseerd zijn. Ik vertel hem van de rijwielkunstige vaardigheden waarover ik beschik, maar daar gaat hij niet op in. Hij herhaalt zijn vraag en ik begrijp dat hij een natuurkundige uitleg verlangt, geen vrijblijvend geleuter.
‘Als je beweegt, dan ga je te snel om aan de zijkant naar beneden getrokken te worden. Ik kan niet naar voren vallen of naar achteren omdat ik met mijn trappers mijn wielen laat bewegen en die willen alleen vooruit als ik trap.’ Ik refereer aan de onderzetters groot en klein de we nogal eens over de tafel laten rollen, en aan de guldens uit het spaarpotje met oude munten. ‘Maar als ik heel langzaam fiets, dan wil de fiets omvallen. Net als de onderzetters en de centen. Daarom moet ik nu ook gauw een voet op de grond zetten, want het stoplicht staat op rood.’

‘Nee, bij rood moet je doorrijden en bij groen moet je stoppen,’ zegt Lukas.
‘Wat zullen we nou krijgen, nee nee, bij rood moet je stoppen en bij groen rijden. Dat heeft mijn moeder mij geleerd toen ik nog een kindje was.’
‘Ik heb het vanmorgen veranderd,’ zegt Lukas. ‘Nu moet je stoppen bij groen en rijden bij rood. Dus je moet nu doorrijden. Het licht is rood.’
We naderen een stoplicht dat juist in de wereld van de tweewielers zeer ongunstig bekend staat. ‘Ik denk dat de andere mensen het nog niet weten, dus daarom stop ik toch maar.’ Lukas zwijgt; blijkbaar accepteert hij mijn redenering.

Na het oversteken vraagt hij waarom een fiets niet uit elkaar valt. Er komen allerlei moeren en bouten en gelaste onderdelen aan te pas en dan zijn we thuis.
Als ik hem ’s avonds weer thuisbreng, vraagt hij opnieuw waarom een fiets niet omvalt als we fietsen. Even overweeg ik hem de mond te snoeren met zwaartekracht,middelpuntvliedende kracht en gyroscopisch effect. Maar de essentie is en blijft dat ik het zelf niet snap en dat vertel ik hem dan ook maar: ‘Het is een wonder, Lukas, een wonder.’
Hij knikt, maar geeft onverwacht een ruk aan het stuur: ‘Het licht is groen en dan moet je stoppen. Ik had dat toch veranderd vanochtend!’
‘Jawel, maar vroeger was ik een meester van school en daarom ga ik even staken. Nu!’

30 januari 2020

Gedichtendag

Een mailtje herinnert me eraan dat er cd’s moeten worden teruggebracht naar de Utrechtse hoofdbibliotheek. Ik ga er met een ruim ommetje (weilanden en een tweedehandsboekenzaak) naartoe. Vanaf 2 februari (wat jammer dat dat een zondag is) zullen de schijfjes die ik hier aflever voor 1 euro per stuk worden verkocht, want men stopt met het uitlenen ervan.

Omdat ik er toch ben, trek ik nog wel wat boeken uit de schappen waarvan ik me afvraag of ik die hier ooit zal inleveren. Nee, begrijp ik uit de woorden van Fred Penninga, want over een paar weken al gaat de boel hier dicht. Op 13 maart vindt de feestelijke opening plaats van de nieuwe bibliotheek, het oude postkantoor. Een prachtige plaats, maar ik word er wel een beetje onrustig van. Zou niet opnieuw het gebouw de tempel worden van een functie waaraan men over een aantal jaren geen behoefte meer heeft. Een huis voor het woord, noemt opperstalmeester Fred Penninga het. En dat vind ik al minstens even verontrustend, want ook daarvoor bestaan schitterende gebouwen die hun oude functie verloren zonder toe te komen aan een nieuwe volwaardige bestemming.

Het is gedichtendag vandaag en daarom is een deel van de bibliotheek aan de Stadhuisbrug ingeruimd voor een presentatie van het stadsdichtersgilde. Omdat ik er nu toch ben en ik de poëzie een warm hart toedraag, schuif ik aan bij de vijftien mensen die aanwezig zijn. Al vrij snel begrijp ik dat er vijf dichters zijn, een pianist, de directeur van de bibliotheek, twee medewerkers, een vriend en een vriendin van een van de kunstenaars en intussen vraag ik me af of ik nu niet al over de vijftien ben.

De toekomst is nu, wordt er gezegd. En ook gaat het dit middagje over afscheid en verhuizen. Ik word een beetje droef. Ik vrees voor de toekomst van het boek, maar de poëzie is al dood. Tenminste, als je haar bestaan afmeet aan de belangstelling die er voor is, en dat nog wel op een plek als deze en ook nog eens op deze donderdag de dertigste, ik bedoel: een bibliotheek en een gedichtendag.

Ik luister naar de vijf dichters, naar de muziek, maar omdat het programma wat uitloopt, moet ik toch voor het laatste woord weg. Dat doe ik stilletjes en zonder de mensen die ik verlaat ook maar een blik te gunnen. Dat is allemaal schaamte, schaamte van iemand die in zijn eentje zo ongeveer de helft vormde van het spontaan aanwezige publiek.

29 januari 2020

Voortdurend ongemak

‘Dus: óf je plaatst een ontroerend Auschwitzdocument en zet je in voor oorlogsoverlevenden nu, en tegen dit soort regimes, óf je ziet af van openlijk medeleven met wat 75 jaar geleden gebeurde, omdat je inziet dat je niets doet voor de slachtoffers van de oorlogen van vandaag.’ Dat is de heldere conclusie waarmee Désanne van Brederode afgelopen maandag een stuk op Facebook afsloot. Ik had het er toen ook al over.
Het stuk zit me dwars omdat Désanne van Brederode het gelijk aan haar kant heeft, het hart op de goede plaats heeft en jaloersmakend helder en doordacht een scherp licht op de werkelijkheid kan werpen. Nogmaals, Désanne heeft gelijk.
In Trouw van vandaag meent de schrijver van een ingezonden brief dat het de hoogste tijd wordt dat Rutte ook zijn excuses aanbiedt voor wat Nederlanders medewereldbewoners hebben aangedaan in de zeventiende eeuw. Ook deze Wil heeft gelijk.

Poetin van zijn kant verbindt Auschwitz wel met andere momenten in de geschiedenis, in dit geval het heden en daarom gedenkt hij wel de Holocaust in Jeruzalem, maar is hij zelf niet aanwezig bij de herdenking in Auschwitz. En dat omdat zijn Poolse evenknie omgekeerd niet aanwezig was in Jeruzalem waar hij, Andrzej Duda dus, anders Poetin zou moeten ontmoeten.

Mijn vergelijking is onzuiver, dat spijt me. Het leed in Syrië verdient onze aandacht en het verdient een onbeheersbaar schaamrood op onze kaken. En misstappen of ernstige tekortkomingen in wat we niet meer de Gouden Eeuw mogen noemen, verdienen onze aandacht.
En dat is heel iets anders dan het belang dat Poetin en Duda hechten aan hun politieke gezicht en waarvoor ze de herdenking van miljoenen slachtoffers opofferen.
De enige overeenkomst is: juist op het moment dat iets centraal staat dat onze aandacht verdient, wordt er iets anders bijgehaald om tot een afweging te komen. Ik probeer het even dichtbij te halen door het herdenken de naam te geven van Joop Citroen. Hij overleefde Auschwitz, maar zijn lange naoorlogse leven is in het teken blijven staan van wat hem in de oorlogsjaren overkwam.

Natuurlijk moeten Poetin en Duda zijn gedachtenis niet opofferen aan hun politieke gezicht en dat doen ze wel. En natuurlijk gaat het bij het gedenken van Syriërs en uitbuiten van mensen in het verleden van de Nederlanden om iets dat ook onze aandacht verdient. Maar liever niet op de dag dat het om Auschwitz gaat. Maar wel vandaag. Of morgen. Of alle twee.

28 januari 2020

Ezinge

Ver kom ik niet. Op mijn bureau liggen tientallen memoblaadjes en die moeten worden opgeruimd. Ik twijfel als ik ze lees. Moet ik iets maar weggooien, zal ik een lijstje maken van wat ik, om wat voor reden ook, maar beter niet vergeten kan.
Op het vierde blaadje staan evenzoveel losse aantekeningen. Eentje over de communicatiegroep van de kerk, nummers van buslijnen bij Harlingen en Sint-Jacobiparochie, een intussen al geschreven ‘poëtische brief’ die gezien de kras die er doorheen staat al is afgehandeld – geen idee wat ik ermee bedoeld heb trouwens - en OH Ezinge.

Díe aantekening voert ons terug naar een augustusdag in 1983. Rond half zes kom ik op mijn fiets aan in Ezinge. Een bordje bij de kerk vermeldt een sleuteladres. Ik ga erheen en bel aan bij de familie Dijkstra, tweehonderd meter verderop. Het is de heer Dijkstra die open doet, met volle mond. Hij zit weliswaar te eten, maar wil me graag terwille zijn, als ik een kwartiertje kan wachten. Hij wil wel rustig kunnen afeten. Dat is geen enkel punt natuurlijk. Ik heb nog niet eens de moeite genomen om de kerk van buiten te bekijken, dat doe ik dan eerst, want dat doe ik graag: kerken bekijken.

Meneer Dijkstra neemt alle tijd om me de kerk te laten zien. Er komen veel jeugdherinneringen langs, hoe hij hielp bij de afgraving van de wierde onder leiding van professor Van Giffen, rond 1930. We bekijken de teksten in de kerk. Hij vertelt graag wat hij weet en ik luister er naar.
We moeten, vindt hij, ook even de losstaande toren in. Als ik het geen bezwaar vind tenminste om langs de dode onder de toren te lopen. Ik vind het geen bezwaar. Wel groet ik de dode in zijn verse kist. Hij zal overmorgen begraven worden, vertelt meneer Dijkstra.

Later staan we op het orgelbalkon en kijken door een raam naar buiten. We zien het Reitdiep, een lint van glinsterend zilver dat naar goud neigt. Alle kleuren worden vol in de ondergaande zomerzon, het gras is van een groen waarvoor iedereen wel vegetariër wil worden, het rood van baksteenmuren maakt iedere bedenktijd van een eventuele koper overbodig en het is een wonder dat niet heel Ezinge naar het zilveren water is getrokken om zich daarin onder te dompelen.

Wij kijken ernaar, meneer Dijkstra en ik, de prater en het gewillige oor, maar nu staan we daar naast elkaar te staan en we kijken en we zwijgen en vergeten de tijd.

Meer gebeurt er niet.
Ik denk er graag aan terug.

* het memoblaadje kan weg

27 januari 2020

Herdenken

In Auschwitz ben ik nooit geweest. Romans, verhalen, foto- en filmreportages en vooral de herinneringen van een oude vriend, Joop Citroen, hebben het kamp wel dichterbij gebracht, maar ik ben er nooit geweest. Ik was een keer in Theresienstadt. Van Berlijn herinner ik me een bezoek aan een ruimte met haken aan het plafond waaraan in de Tweede Oorlog mensen werden opgehangen. Westerbork bezocht ik zowel op een mooie dag als in de regen.
Ik weet nog steeds niet wát ik heb bezocht.

Gisteravond zag ik hoe in het kamp van Auschwitz alles op alles wordt gezet om de barakken daar te conserveren. En niet alleen de barakken, ook de resten van voorwerpen die gedeporteerden daar ooit achterlieten omdat ze die, eenmaal vergast en verbrand, toch immers niet meer nodig hadden. Koffers, schoenen, een kammetje, een bril. Wat conserveer je daarmee? Een loos voorwerp, een herinnering, een sentiment?
Het openingsshot van het tv-programma: je staat bijna ter hoogte van een goederenwagon die ongetwijfeld meer dan 75 jaar oud is en in de jaren veertig een lugubere functie heeft gehad. In de verte zie je de ingang van het kamp. Je hoeft er nooit geweest te zijn om dit beeld te herkennen, deze Eiffeltoren van Polen. Het is de filmmakers makkelijk gemaakt. De entree van het kamp is bewust zo opgezet. Het ziet er allemaal esthetisch verantwoord uit, sereen. Nu volgt het moment voor de grote gevoelens.
Oude wagons maken het ons daarbij makkelijk. Dat komt door het bruin, dat komt ook daar het dunne laagje roest op de buffers bijvoorbeeld. Die nodigen uit voor een close up: de kleur, de matte glans, de structuur. Ik ben daar erg gevoelig voor.
Dat geldt ook voor de rails, zag ik in Westerbork. Die doen het heel goed op foto’s, of ze nu droog zijn of nat. En daar, in Drenthe, hebben de staven dan ook nog een fraaie vorm.

Mooi zijn ook de struikelstenen die je steeds vaker aantreft. Ik zag ze, meen ik, voor het eerst in Lübeck, in Harlingen heb ik er een maand terug weer een tijdje bij stil gestaan. Je kijkt vervolgens naar de huizen waar ze voor liggen.

Ik zit mezelf te wantrouwen op deze stille maandag vanmorgen, achter mijn stille bureau. We zijn met ons gedenken overgeleverd aan een onwaarachtigheid die onvermijdelijk is. Zelfs onze gevoelens van ongemak kennen een comfortzone, vrees ik. Het is maar goed immers dat je terugdenkt, denkt aan de mensen van ooit, hun ontreddering, hun dood.
Ik volg het programma van Raoul Heertje en Frans Bromet op zondagavond. Ze bezoeken Israël, land dat gebouwd is of herbouwd of bedacht werd op de fundamenten van vernietigingskampen en verhalen die eeuwen trotseerden, dat ingericht werd in het gebied van andere veroveraars en slachtoffers of de nazaten daarvan.

Désanne van Brederode is mijn gemengde gevoelens voorbij. Ze heeft gelijk. In haar Facebookbericht van vanmorgen lees ik:
‘Ben heel benieuwd hoe mensen dat kunstje voor elkaar krijgen: Auschwitz herdenken en niet stilstaan bij de gruwelijke oorlog in Syrië, die in maart al 9 jaar woedt, na enkel maar vreedzame protesten tegen een duivels regime (dat de martelpraktijken afkeek bij een voormalige Nazi-beul, in ruil voor protectie).’ En haar conclusie eindigt zo:
‘Dus: óf je plaatst een ontroerend Auschwitzdocument en zet je in voor oorlogsoverlevenden nu, en tegen dit soort regimes, óf je ziet af van openlijk medeleven met wat 75 jaar geleden gebeurde, omdat je inziet dat je niets doet voor de slachtoffers van de oorlogen van vandaag.’
Nogmaals, ik denk dat ze gelijk heeft. Dat denk ik vaker, ook als iemand heel iets anders zegt. Moet ik de mensen die omkwamen in Auschwitz inzetten voor een duidelijk standpunt inzake Syrië? Israël? Irak? Polen? Wat zou Joop Citroen daarvan gevonden hebben?
Gunter Demnig, de bedenker en vervaardiger van de stolpertsteine, al doet hij dat laatste niet meer alleen, kwam gisteravond ook even in beeld. Letter voor letter worden de naam en enkele andere gegevens van een persoon in het messingplaatje gestanst dat op de kop van een brokje beton is aangebracht. Met een hamer slaat hij op een staafje, letter voor letter. Het maken is een vorm van herdenken. Ik denk dat Demnig gelijk heeft en dat het goed is wat hij doet.
Het resultaat is fraai, ontroerend. En onvermijdelijk onwaarachtig.
Er zit een vervelend steentje in mijn schoen.

23 januari 2020

Dagobert

Er liggen twee guldens in de gang. Het is het begin van een spoor dat naar het midden van de kamer voert. Daar heeft een explosie plaatsgevonden van guldens, kwartjes, dubbeltjes en stuivers en drie rijksdaalders. Vijfguldenmunten zitten er niet tussen. Er staat een spaarpotje tussen, een opengebroken schatkistje van blik dat de Tweede Wereldoorlog nog heeft meegemaakt.
De kleine Dagobert die de oorzaak is van de geldfontein weet dat natuurlijk niet en wat geld inhoudt, daar heeft hij met zijn anderhalf jaar ook geen idee van, behalve dan dat je ermee kunt smijten, het in een bakje kunt doen en dat mensen het leuk vinden om het te geven of te krijgen. In ieder geval stopt hij van zijn kant iemand graag een munt toe, die hij even later weer komt opeisen.
Het spaarpotje is een groot succes, bij hem, maar ook bij de andere kleintjes die hier de afgelopen jaren over het parket schuiven of geschoven hebben. Ze spelen er allemaal op dezelfde manier mee en nooit stoppen ze geld in hun mond, valt me op.

Als kind deed ik dat wel en dat had tot gevolg dat ik een keer een dubbeltje inslikte. Dat vertelde ik aan Tante Henny. Omdat mijn vader en moeder met vakantie waren, hadden zij en oom Adriaan tijdelijk hun plaats ingenomen, aan tafel, in bed en in het geval van tante Henny ook in de keuken. Vanaf de volgende dag moest ik op een po poepen. Was dat gebeurd dan ging tante gewapend met twee vorken met de poep aan de slag. Na een dag of wat klonk er gejuich uit de keuken. Het dubbeltje was gevonden.
Later is er ook wel een kwartje naar binnen gegaan. Ik vertelde het mijn moeder en deed verslag van de exercitie van tante Henny. Nou, dat was zij niet van plan. Dat moest ik dan zelf maar doen en dan niet in de keuken maar in de wc.
Of ik dat kwartje ook gevonden heb, kan ik me niet herinneren. Wel weet ik dat ik tijdens mijn fecale expeditie steeds inniger van tante Henny ben gaan houden, maar ik gaf mijn moeder gelijk.

22 januari 2020

Agenda

Het is nu tien uur. Ik zit achter mijn bureau en buig mij allereerst over mijn agenda. Ik heb er twee.
Allereerst is er de agenda waarin ik mijn afspraken noteer. Ja, daar kijk je van op. Gisteren en eergisteren heb ik allerlei echte en onechte datumprikkers uitgezet en daarvan kan ik nu al de oogst binnen halen door mensen door te geven welk moment ze in hún agenda moeten reserveren en voor welk onderwerp. Meestal wordt er ook nog een locatie toegevoegd. Het is mijn lot dat ik me nogal vaak met dat soort dingen moet bezighouden. Maar ik moet vooral niet vergeten om al die afspraken ook in mijn eigen agenda te zetten. De mijne is digitaal, al jaren en ook ben ik nog wel eens van het ene type of merk agenda overgestapt of hoe je dat ook noemt, met als gevolg dat ik langs verschillende wegen en op allerlei apparaten mijn afspraken kan tegenkomen, al houd ik het hoofd koel door me te baseren op maar een van die talrijke mogelijkheden.
Onlangs wisselde ik van telefoon. Dat gebeurde niet voor het eerst, maar ik merkte dat bij de nieuwe telefoon mijn agenda dezelfde is gebleven en alle afspraken van jaren geleden vind ik er nog terug. Zo heb ik dat zelf ingesteld, zul je zeggen, en dat weet ik ook wel, maar dat het dan ook nog werkt allemaal vind ik een wonder. Het had zomaar mis kunnen gaan. Daar zou ik trouwens enkele intieme voorbeelden van kunnen geven.

Dat is de ene agenda. De andere, ook een digitaal fenomeen, is meer een takenlijstje. Hij stond op mijn Ipad en toen ik die een jaar of tien geleden begon te gebruiken, vond ik dat wel een handig ding. Je kunt de taken ordenen: klussen, thuis, uitstapjes, kerk, Liter, Kamer 23 en je kunt ze voorzien van een datum en uur, maar dat kun je ook later nog eens doen. Aan het begin van de week, en die begint doorgaans op zondagavond, plan ik de taken voor de komende dagen. Herhalingen ploppen vanzelf op en er zit veel herhaling in mijn bestaan. Koffie zetten en tanden poetsen en mijn geliefde beminnen, dat staat er allemaal niet in overigens. Vervolgens neem ik de lijst iedere dag even door, voor de fijne afstemming. Dat dus allemaal op die oude Ipad.

Mijn nieuwe mobieltje is van dezelfde leverancier als de digitale glasplaat en zo verscheen mijn takenlijst ongevraagd ook daar. Toen ik dat zag, was dat een klein momentje van vreugde.
Langer dan twee weken heeft die niet geduurd, want plotseling verdween alle informatie van de Ipad. Er plopte een mededeling tevoorschijn dat mijn apparaat te oud was en er geen update meer was om daarop mijn takenlijstje te kunnen blijven bijhouden. Dat kan nu dus wel op dat mobieltje. Maar zou die aan Apple verraden hebben dat ik nog zo genoot van mijn oude tablet?
Intussen vraag ik me af of ik nu wel een wat minder oude Ipad zal kopen of niet. Nu in ieder geval niet. Het scherm van mijn mobieltje licht namelijk op en ik lees dat ik naar mijn volgende klus moet; de gereserveerde tijd voor dit stukje voorbij is.
Onder de rubriek Thuis noteer ik nog gauw even: nieuwe Ipad, met een vraagteken. En ik zet er nog maar even geen datum bij.
Het is nu elf uur.

19 januari 2020

Nel

Vanwege de intrede van de nieuwe predikant bezocht ik gisterochtend de Domkerk. Nel was er ook. Ik had al naar haar uitgekeken, maar trof haar pas na de dienst. Ze stond met iemand te praten, gewapend met haar twee nordic walkingstokken en een kloeke tas om haar schouder. Ik ken Nel eigenlijk niet anders dan sjouwend met zware tassen. Tassen vol boeken en nakijkwerk waren dat vroeger. Ze liep dan van huis naar school en van school naar huis, met aan elke hand een zware tas, toch al gauw meer dan twee kilometer. Zij was mijn ‘moeder’ toen ik de eerste jaren lesgaf. We maakten samen proefwerken; zochten bijvoorbeeld een tekst uit, uit een krant of boek, redigeerden die een beetje en bedachten er vragen bij. We schreven dictees en verzonnen andere opdrachten. Als er iets getypt moest worden, dan dicteerde ik en zij tikte. Zij deed dat op normale spreeksnelheid en haar vingers vergisten zich zelden. Haar instructies voor de analyse van enkele verhalen heb ik nog niet zo lang geleden weggegooid. Het betekende wel dat ik dikwijls met Nel mee naar huis liep, ’s middags. Ik naast mijn fiets en Nel tussen haar twee tassen. Er was geen sprake van dat ze die afstond. Met een enkele tas zou de balans niet goed zijn en dat ik alle twee haar tassen op de fiets zou laden? Dat kon natuurlijk niet. Ik alles en zij niets. Ze was het trouwens gewend. Ze zag niet in waarom het anders moest nu ik meeliep. Die Nel.
Op school stond Nel in lokaal 206, ik in 208. Tussen de lessen door gingen onze gesprekken door op het punt waar we vijftig minuten daarvoor gestopt waren. ’s Avonds belde ze me regelmatig op.

Ze is nu 93 en in het zuidertransept zie ik haar staan praten. Ooit lang en heel erg dun, tante Sidonia, nu krom, de stokken steken bijna boven haar uit, maar ze is nog even dun. Alhoewel, de paarse jas van imitatiebont geeft haar wat volume. Ze krijgt er, samen met de royale baret in dezelfde kleur iets majesteitelijks door. Ze lijkt op koninging Elizabeth.
Dat ik dat nu pas zie!
Ze reageert enthousiast als ze me in het oog krijgt. Ik ben een beetje haar zoon. En zo gedraag ik me ook. De jongen die voortdurend de draak met haar steekt. Ze lacht erom, trekt zich er weinig van aan en stuurt regelrecht aan op een zwaar ethisch of religieus onderwerp.
Zij is een grande dame in de Domkerk. Daar was ze lang de hoofdopleidster van de gidsen en af en toe leidt ze er nog mensen rond. Er komen veel mensen op haar af om even met haar te praten. Ze stelt mij nog steeds voor als haar jongste collega, zoals ze dat ook in 1973 al deed toen ik voor het eerst op haar verjaardag kwam. Ik noem haar mijn mentor, of mijn schoolmoeder. Even gaat ze zitten, maar dat vindt ze maar niks, al die mensen die zich over haar heen moeten buigen om haar te spreken. Ze geeft de voorkeur aan een staande audiëntie.
Ik heb koffie voor haar gehaald. En ze weet het allemaal wonderwel te combineren: de twee stokken, de schoudertas die af en toe naar voren valt en het bekertje koffie. Dat ik ook nog een koekje voor haar heb meegenomen vertel ik haar pas een half uur later, als ze haar koffie op heeft.
‘En sta je daar dan nu al die tijd al mee in je handen? Eet het toch zelf op!’
Dat kan natuurlijk niet. Ik pak haar bekertje aan en stop het koekje tussen haar vingers. Zij neemt en eet.

Vanavond lees ik dat voor het eerst sinds maanden prins Andrew zijn moeder weer heeft begeleid naar de kerk.

18 januari 2020

In de Geertekerk

Mijn aanwezigheid bij de begrafenis had meer te maken met de kerkelijke pet die ik regelmatig draag. Waarschijnlijk zou ik anders ook niet zijn uitgenodigd. Dat neemt niet weg dat ik haar al enkele tientallen jaren ken, op school met twee van haar kinderen te maken had, leeftijd- en klasgenoten van mijn eigen kinderen en vroeger sprak ik haar regelmatig op verjaardagen. En nog wat, maar er zat dus al heel lang veel verleden tijd in onze relatie.
Nynke was even oud als ik en ze had een kanker waarover vorig jaar om deze tijd een toast werd uitgesproken omdat die overwonnen was.

Wat een klein half jaar later toch anders bleek te liggen. Dat zal rond de tijd geweest zijn dat ik te horen kreeg dat ik bestraald moest worden. Ik bevind me nog in de fase van de toast. Deze week ook kwam er weer een geval langs. Het gesprek dat het nieuwe slachtoffer en ik hadden, kende dezelfde luchtigheid die ik op prijs stelde toen ik een half jaar terug lijdend voorwerp was.

Nynke, zo begrijp ik, heeft zich er dapper doorheen geslagen. Ook haar geloof speelde daarbij een belangrijke en troostende rol. Dat is een chapiter waar ik doorgaans iets minder over hoor en zelf ook niet al te overvloedig over spreek, maar geloof – ik noem het liever vertrouwen – ligt me na aan het hart.
Natuurlijk probeer ik een moderne twijfelaar te zijn en op balorige momenten kun je mij horen zeggen dat als God niet zou bestaan ik toch nog in hem zou geloven, maar de essentie van mijn verhaal is dat het me niet zo goed lukt om te twijfelen. Met dat vertrouwen verandert er overigens bar weinig aan de vragen die bij je opkomen als de wereld en haar weedom en de door het overgrote deel van de mensheid geannexeerde wil van God ter sprake komen. Het spijt me.
Hoe dan ook: toen ik in juli bij herhaling in een weinig comfortabele tunnel geschoven werd en ‘God zegen de greep’ dacht, meende ik ook steeds instemmend gebrom te horen.

Van de week heb ik weer gelachen met Steven. Dat gebeurt vaker tijdens onze telefonades, waarbij we intussen via de computer van alles uitwisselen: foto’s, ontwerpen, teksten en ook een lied dat Steven momenteel instudeert. Ik moest eraan denken tijdens de dienst. Dit is een link voor de melodie en ik zet de woorden er maar even bij. Melodie

‘Do not be afraid, for I have redeemed you.
I have called you by your name;
you are mine.
When you walk through the waters,
I'll be with you;
you will never sink beneath the waves.
When the fire is burning all around you,
you will never be consumed by the flames.
When the fear of loneliness is looming,
then remember I am at your side.
When you dwell in the exile of a stranger,
remember you are precious in my eyes.
You are mine, O my child,
I am your Father,
and I love you with a perfect love.

In de Geertekerk vandaag waren zowel de echtgenoot als de drie zonen buitengewoon goed in staat hun gevoelens en herinneringen onder woorden te brengen. Veel predikantenbloed blijkbaar.
Het werd de aanwezigen makkelijk gemaakt. Toen het enige kleinkind genoemd werd, een jongetje van anderhalf, kwam ik plotseling niet meer in functie en drong tot me door dat wat zich hier afspeelde heel veel met mij te maken had. Kleine kinderen, daar zit mijn kwetsbaarste plek, denk ik.

Op weg naar huis, op de bloemenmarkt een vrolijke bos gekocht en die geschonken aan de vrouw die ze op onze gemeenschappelijke tafel heeft gezet.

17 januari 2020

Tekortschieten

Gisterochtend kocht ik en bakje narcisbollen bij een bloemwinkel in de buurt die ik zelden bezoek maar die wel gunstig gelegen was voor iemand die met de auto naar Zoetermeer moest.
De verkoopster vroeg me of ik op Blaucapel gewerkt had. Dat viel niet te ontkennen. Dan was ik meneer Borgdorff; ze herkende me aan mijn stem, zei ze. Ik weet het, met die bril en dat eeuwige petje over wat pierig haar getrokken waar ooit zo fraai een bos goudblonde lokken straalde, maak ik het de mensheid vrijwel onmogelijk om mij nog te herkennen. Vandaar die stem.
Ik vertelde dat zij mij niet geheel en al onbekend voorkwam. Ze noemde haar naam. Die herkende ik onmiddellijk. Hannah de Hoog. Maar vreemd genoeg drong zich vervolgens het beeld op van een heel andere leerling van ooit.
‘Ik moet er nog eens over denken, Hannah. Ik ga nog eens in mijn geheugen graven. Dat doe ik graag.’
Afrekenen deed ik door mijn mobieltje op het betaalapparaat te leggen. Klaar.

Met de narcisbolletjes reed ik naar de laatste tante in mijn leven. Tante had geen idee van mijn komst en toen ik er eenmaal was, wist ze ook niet altijd precies wie ik was, maar ik had een ontzettend Loosduinse kop. Dat in ieder geval. Ze schrok een paar keer als ze hoorde dat haar zus Annie, mijn moeder, al een aantal jaren dood is. ‘Of wist ik het nou toch wel? Ja, eigenlijk wist ik het wel.’
Mijn nicht was er ook, zo was het afgesproken en even later kwam ook mijn Zoetermeerse neef langs. Hij is net gepensioneerd, dus dan kan dat op een donderdagmorgen.

Met de nicht ging ik daarna nog even ergens lunchen. Dat deden we in het winkelcentrum tegenover het tehuis van de tante. Ik betaalde. Alweer op die snelle manier.
Thuis piepten mijn uitgaven van die dag tevoorschijn op het scherm van mijn mobieltje. Eén euro vijfennegentig voor het bakje en negen vijftig voor de lunch. Ik schaamde me voor mijn gierigheid. Schaamde me ervoor dat ik Hannah niet had herkend.
We leven alweer een dag verder, maar het zit me nog dwars.
Intussen weet ik wel wie me te binnen schoot toen Hannah mij haar naam noemde. Dat was Miranda de Hoog. Heel andere meid, van veel langer geleden ook. Ondanks dezelfde achternaam waarschijnlijk niet eens familie.

16 januari 2020

Siberische tjiftjaf

Zes keer schilderde Nicolaes Maes een variatie op thema luistervink. Daarvan hangen tot dit weekend nog drie exemplaren in het Mauritshuis en daarmee zou ik me vandaag hebben beziggehouden als ik niet eerst even een rondje was gaan fietsen. Bij de Kooijdijk waar een pad naar Fort Ruigenhoek voert (we bevinden ons dan in de omgeving van Westbroek) staan wat struiken, een bosschage. Er staat trouwens ook een bankje en daar ga ik af en toe zitten als ik iets moeten schrijven en het even niet lukt, een soort strafbankje dus. We hadden mooi weer vandaag, maar het zou te koud zijn geweest om er nu te gaan zitten. Te druk ook voor zijn geweest, want om het bosje stonden zeven mannen met fototoestellen waarop lenzen waren geschroefd waar ik alleen maar van kan dromen. Er kwam later gelukkig ook een vrouw bij.
Ik stapte voorzichtig af en voegde me in de kring, met een zakcameraatje waarvan ik op voorhand wist dat er geen enkele goede foto mee gemaakt zou worden, dus dat hoefde ik gelukkig niet eens te proberen.
Iemand wees me waar ik naar moest kijken. Ik zag het vogeltje. Een beige bolletje met iets donkerder vleugels en licht aangezette oogstrepen. Graag zou ik spontaan zelf bedacht hebben dat het hier ging om de Siberische tjiftjaf. Dat is een variant van de tjiftaf (dat zal je niet verbazen) maar deze variant komt hier heel zelden voor.
Zijn broedplek ligt een flink stuk oostwaarts, maar dat deed de naam al vermoeden. Doorgaans overwintert hij in Iran of Irak en misschien heeft hij dus om veiligheidsredenen voor dit gebied gekozen, deze keer.
Hoe ik dat allemaal weet? Dat het om een Siberische tjiftjaf ging, wist ik natuurlijk niet, maar die mannen met hun dikke camera’s wisten dat wel. De rest haal ik van internet en uit een kloeke vogelgids. Merkwaardig is wel dat in omschrijvingen ook verteld wordt dat ons Siberische vriendje minder geel en groen is dan de gewone tjiftjaf of dat zijn roep wel lijkt op die van de tristis. Dit schiet toch niet op. Over mij kun je bijvoorbeeld wel zeggen dat ik op mijn moeder lijk en dat mijn stem lijkt op die van mijn oudste zoon, maar krijg je op die manier een indruk van me als je mijn moeder niet hebt gekend en mijn zoon nooit hebt gesproken?
Gelukkig hebben we wat tekeningen en foto’s. Aan die van mij heb je niks, maar internet grossiert in prachtige opnamen van het vogeltje. Ook zijn er filmpjes met geluid, zodat je ook een indruk krijgt van het geluid van de tristis want daar doet de roep van de siberische tjiftjaf aan denken.
Wist je trouwens dat er ook een Iberische tjiftjaf is? Maar die zag ik dus niet, vanmiddag.
Ik zag trouwens wel mezen en dacht zelfs even dat de tjiftjaf wegvloog, maar dat was dus een mees. Dat had ik meteen door, want de vogelspotters gaven geen krimp die bleven met hun blik de tak fixeren waarop de tjiftjaf nog zat te zitten. En toen zag ik hem ook weer. Hoe had ik kunnen denken dat de vogel die wegvloog de tjiftjaf was. Waar blijf je als je niet eens meer weet hoe een kool- dan wel pimpelmees eruit ziet.
Over Koolmees gesproken… Toen we eergisteren over het Binnenhof liepen zagen we hem lopen, de minister dan. Hij stak een sigaret op. Dat viel me een beetje tegen.
Dat deed de tjiftjaf van vanmiddag niet en ik heb bijna een half uur staan kijken.

15 januari 2020

Jonge vrouw in een venster

De schilderijen van Nicolaes Maes hangen in een langwerpige zaal van het Mauritshuis. In de lengte zijn panelen aangebracht waaraan ook schilderijen hangen. Dat betekent dat je nogal makkelijk met je neus bovenop de werken komt te staan of anders met je kont iemand aan het wankelen brengt die naar een werk achter je staat te kijken.
Aan een van de korte zijden heb je als uitstulping een rond zaaltje. Ik moet bij de plattegrond steeds denken aan een omgevallen parfumflesje. Via de hals kom je van het rechthoekige flesje in de ronde stop en om verkeerstechnische redenen houd je links aan om vervolgens met de klok mee het rondje te lopen. Dat gaat vanzelf. En nu gebeurt het.

Als je zo tamelijk dicht langs de wand de hoek om komt, kun je een klap in je gezicht krijgen van een openstaand vensterluik. Dat gebeurt niet, maar de schrik heb je dan al te pakken en die stap achteruit heb je ook al gezet. En dan sta je pal tegenover een levensgroot geschilderde jonge dame die dromerig uit het venster kijkt. Jij ziet haar, zij van haar kant, is teveel in haar eigen dromerijen verdiept om jou meteen te zien. Terwijl jij misschien wel de minnaar bent met wie ze op dat moment, een moment dat trouwens al meer dan 350 jaar voortduurt, in gedachten avonturen beleeft vol passie en hartstocht.

Twintig jaar is Nicolaes Maes als hij dit schilderij schildert, van 96 bij 123 cm. In het Mauritshuis loop je haar dus bijna tegen het lijf. Ze leunt op een kussen in de vensterbank. Links daarvan hangen rijpe appels, eronder zie je perziken. Het venster is dus omgeven door symbolen van liefde en erotiek en de perziken hangen op een hoogte die suggestief genoeg is. Op het kussen zie ik trouwens ook een hartje afgebeeld.
Aanvankelijk, zo vertelt ons schilderkunstig onderzoek, was het meisje bezig met een brief en dan ligt het meer voor de hand om te zeggen dat ze peinst. Nu, zonder brief, kan ik haar niet anders zien dan als een meisje dat wegdroomt.

Maar dan is er, weliswaar van rechts, maar dat is tegen de leesrichting in en dus extra onverwacht, dat vensterluik, geschilderd in een zo heftig perspectief dat het uit het doek lijkt te steken. Je had er, de knik nemend van de rechthoekige fles naar de ronde stop, zo maar met je kop tegenaan kunnen knallen, als het geen trompe-l’oeil geweest zou zijn. Thuis ben ik daar altijd bang voor als ik van de kamer naar het keukenaanrecht loop. Daar zijn drie kastdeuren die open kunnen staan, geen geschilderde bedriegertjes maar stevig afgelakte panelen van hout waar ik zomaar tegenaan zou kunnen lopen. Dat is nooit gebeurd, tot op heden, maar meevallers uit het verleden bieden geen garanties voor de toekomst. Maar ik ben nu niet thuis. Ik sta in het Mauritshuis.

Heel even ben ik er een twintigjarige Maes. Mijn schoenen zijn aan de grond vastgespijkerd en mijn hart gaat tekeer, eerst vanwege een uit het niets opdoemend vensterluik maar onmiddellijk is er dat meisje, pal voor mijn neus dat, het venster heeft geopend om zich aan mij te openbaren te openbaren.

Maar ik ben geen twintig en ik heet geen Nicolaes Maes. Ik fluister de jonge schilder in dat hij nog even moet blijven staan. ‘Zometeen kijkt ze wel op en dan ziet ze jou.’ Zelf loop ik discreet door.

De kleine maar aangename tentoonstelling van Nicolaes Maes in het Mauritshuis is alleen nog deze week te zien.

14 januari 2020

Slapende oude vrouw

Of ze er zelf ooit geweest is, weet ik niet maar in het Mauritshuis kwam ik vandaag mijn overgrootmoeder tegen. Ze was naast haar kantkloswerk in slaap gesukkeld. Het viel me op hoe ze op haar kleindochter leek toen die de jaren van de zeer sterken was gepasseerd.
Ik heb Opoe van der Kruk nooit gekend, maar haar kleindochters kenden haar wel. Iedere morgen ging er voor schooltijd eentje even bij haar langs. Om de krant te brengen misschien of een eitje. Het is me ooit verteld maar ik ben het vergeten. Niet vergeten ben ik dat Opoe dan altijd in de Bijbel zat te lezen. Zo begon ze haar dag.
Gewoonlijk hangt de ‘Slapende oude vrouw’ van Nicolaes Maes in Brussel, maar nu hangt het schilderij tijdelijk in het Mauritshuis. De vrouw heeft haar bril afgezet en is in slaap gesukkeld. Ik denk niet dat ze echt lekker zit. Naast haar vormen kantkloswerk en Bijbel een fraai stilleven. Opvallend is dat we lezen dat de Bijbel openligt bij Amos, een van de kleine profeten die namens God allerlei verschrikkelijks afroepen over het uitverkoren volk. Die profeten eindigden doorgaans met troost. Als die Bijbel open ligt bij Amos, zoals je kunt lezen op de rechterpagina, dan vind je op de linker pagina het slot van een andere kleine profeet, Joël en op die bladzij is linksboven een ezelsoor aangebracht, wat suggereert dat we niet zozeer bezig moeten zijn met het geraas waarmee Amos begint, maar met de tirade aan het eind van Joël, waar staat dat God het lot, in de Statenvertaling staat ‘gevangenis’, zal keren. Daarin wordt, anders dan bij Jesaja, opgeroepen spaden tot zwaarden en sikkelen tot spiesen te slaan en dat allemaal om de volken te grazen te nemen die ooit Juda en Jeruzalem belaagden. ‘Maar Juda zal blijven in eeuwigheid, en Jeruzalem van geslacht tot geslacht.’

Ik vraag me af wat voor boekje de slapende vrouw onder haar hand in haar schoot heeft. Ook een Bijbel? Een kleinere? Met dezelfde weinig geruststellende passage?

De oude vrouw slaapt.
In zijn toelichting in 1976 bij dit schilderij schreef Eddy de Jongh dat het hier om een negatief exemplum gaat. Hij citeert een uitdrukking uit 1657: ‘Aen ’t verlies van den tijd hangt het verlies van de eeuwige zaligheyd.’ Met andere woorden: die oude vrouw moet niet zitten dutten, ze moet doorgaan met kantklossen of anders met het lezen van de Bijbel, waarin heil en onheil naast elkaar liggen, heil van de uitverkorenen die hun tijd ondanks hun leeftijd niet in ledigheid doorbrengen, en onheil voor ouderen die nota bene zo dicht in de buurt van de eeuwige zaligheid dan wel verdoemenis toch in slaap sukkelen.
Van mij mag die vrouw best even zitten slapen. Ik gun haar daarbij zelfs een makkelijker, voor het schilderij misschien wat minder fraaie pose.
Eén ding weet ik zeker: als mijn moeder of haar zusje in de jaren twintig en dertig bij opoe langskwamen, dan kloste ze geen kant, want dat heeft ze nooit gedaan, maar wel zat ze fier rechtop in de Bijbel te lezen.

De kleine maar aangename tentoonstelling van Nicolaes Maes in het Mauritshuis is alleen nog deze week te zien.

12 januari 2020

Gebroken vleugel

Bij de aardbeving in Christchurch in februari 2011 vielen 185 doden. Achter de nieuwe, tijdelijke cardboard cathedral daar is een veldje met daarop, in een vierkant, 185 stoelen, variërend van fauteuil tot krukje of Maxi-Cosi. Ze zijn allemaal wit gespoten. Het is een even indrukwekkend als sober monument.

Wat mij betreft zouden er in Iran rijen bankjes neergezet moeten worden op de plaats waar brokstukken neerkwamen van de UIA752. Betonnen bankjes, gestileerd, maar zo gegroepeerd dat ze zouden passen in het interieur van een vliegtuig. Dit om de 176 doden te gedenken. Bij Hrabove in de Oekraïne zou ook een dergelijk monument moeten komen, nu om de 298 passagiers te gedenken die omkwamen toen in juli 2014 de MH17 werd neergehaald.

En verder is het misschien een idee als er kleine gebroken vliegtuigvleugels in de handel kwamen. Ik denk even aan de speldjes van gebroken geweertjes uit de jaren dertig. Deze gebroken vleugels zouden moeten worden gemaakt van het materiaal waarmee vliegtuigen gebouwd worden, met daarop het nummer van een neergehaald vliegtuig, dus MH17 of UIA752, en dat dan op een ondergrond die dezelfde kleur heeft als de vleugel van het betreffende vliegtuig ooit had. Op de achterkant, inderdaad waar niemand het ziet, zou het woord ‘gerechtigheid’ gegraveerd moeten staan. ‘Justice’ mag ook. Zo zouden die speldjes moeten heten: gerechtigheidsspeldjes, pins of justice.

En dat we die dan dragen en blijven dragen totdat gerechtigheid het speldje overbodig maakt.
Op Wikipedia vind ik een lijstje van neergehaalde vliegtuigen die misschien ook in aanmerking komen voor een gebroken vleugel, een gerechtigheidsspeldje.

11 januari 2020

We zijn er nog

Dankzij de vooruitgang hebben wij in huize B aan de PRB te U nog uitzicht op een fraai gevulde kerstboom. Het verraderlijke snoepgoed is er gelukkig uit, maar de ballen en bellen, de lampjes en vooral de vele engeltjes doen het nog uitstekend. Dat geldt ook voor de boom zelf. Dank u. Eén tak is wat gaan doorbuigen onder het aanhoudend gewicht van een forse, zij het wel gewoon uit glas geblazen engel, maar het heeft er alles schijn van dat zij, tak en engel, het zullen rooien samen.
Op mijn fietstocht vanmorgen zag ik nog maar één kerstboom ergens in huis staan. Dat is een magere score, al moet ik toegeven dat ik de wijk uit fietste en me vooral heb voortbewogen op ruime afstand van menselijke bewoning. Veel ganzen gezien, meeuwen, spreeuwen, eenden, waterhoentjes, reigers in blauw en wit, twee ooievaars, meesjes van pimpel en kool, maar niet nog meer kerstbomen.

Het initiatief tot het aftuigen van de kerstboom in huize B komt nooit van mijn kant. Daarvoor moet je bij Mente zijn. Op 1 januari sneuvelden er al wat kerststukjes. De stapel boeken over Kerst ging weer naar boven. De kleedjes met elk hun eigen verhaal liggen opgevouwen en uitverteld weer op zolder. De adventsster mocht blijven tot de zesde januari, maar nog voor de middag lag hij opgevouwen op de salontafel. De strekking was duidelijk: ruim jij (dat ben ik) dat ding verder even op. Ik ga namelijk over de elektriciteit in huize B.
De kerstkaarten, hoewel elk jaar weer andere, kennen hun eigen strategie. Pas als er meer dan één dag geen kaart is gekomen, worden ze weggehaald. In tussen lag er ook vandaag nog een kaart bij de post, waarvoor ik H uit V graag even bedank.

Maar dan die kerstboom. Waarom staat die er nog? Dat heeft met het systeem te maken. De versiering van de boom verdwijnt nu al een kleine honderd jaar ergens voor in januari in drie kartonnen dozen die elf maanden later weer tevoorschijn worden getrokken. Op een onbewaakt moment nu, in de week voor Kerst, hebben we een aantal afsluitbare kratjes aangeschaft om de dozen te vervangen. De kratjes zijn van plastic, komen van een bekend Zweeds bedrijf en ze zijn doorzichtig, wat wel zo makkelijk is. Die kratten zijn er niet alleen gekomen voor de kerstspullen, maar ook voor een deel voor het speelgoed van de kleinkinderen en voor losse snoeren, stekkers en stekkerdozen en meer van dat spul.
Op deze manier gaan wij geordend, opgeruimd en transparant het nieuwe decennium in, hier in huize B. Maar nieuwe boxen vragen een andere dan de vertrouwde indeling en het is van belang om daar in één keer het juiste antwoord op te geven, want zoals je het de eerste keer opbergt, zo blijf je dat waarschijnlijk doen. En daar is Mente nog niet aan toegekomen.

Dat had te maken met scoutingbloesjes waarop insignes genaaid moesten worden maar meer nog met de sneeuwklokjes.
Die steken namelijk de kop weer op en van deze kleine bloempjes houdt Mente net zoveel en misschien nog wel een beetje meer dan van engeltjes in de kerstboom. Dus… om die bloempjes tot hun recht te laten komen heeft Mente de afgelopen dagen de hele tuin flink onder handen genomen, voor en achter. En inderdaad de sneeuwklokjes zijn een goed zichtbaar feestje geworden.

Ik heb daar wat minder aandacht voor en kijk vooral veel met plezier naar de versierde boom in ons huis. We knikken elkaar nauwelijks merkbaar maar veelbetekenend toe. We zijn er nog.

10 januari 2020

De toekomst

Met het oog op de toekomst is het belangrijk dat ik dit stukje nu schrijf. De ochtend ging gepaard met twee aangename ontmoetingen uit het verleden die voldoende stof bieden om lang bij stil te blijven staan en dat zou allemaal ook de moeite waard wezen. Maar dan zouden onherroepelijk de doden ter sprake komen die Mente en mij verbinden met de twee dames bij wie we waren. Dat is ze gegund, deze dierbare doden. Sterker: ik doe ze tekort door het niet over ze te hebben, maar ik hing alweer lang genoeg in het verleden de afgelopen dagen.
Dat zou niet nodig geweest zijn. Gistermiddag werd ik bijvoorbeeld uitgebreid door een vierjarige op sleeptouw genomen door het schoolgebouw dat hij sinds deze week bezoekt en waar hij niet alleen verslingerd is geraakt aan een maar matig kassaatje van Fisher Price, maar ook, een paar gangen verderop, bouwstenen heeft ontdekt waar die van Duplo maar kleine jongens bij zijn. Hele kleine jongens. Lukas trok me mee en liet me alle hoeken en gaten zien van het gebouw. Graag had hij het meegemaakt dat ik mijn schoenen zou uittrekken om samen met hem door het gymzaaltje van de school te draven, zoals hij had gedaan kort voordat ik hem ophaalde. Hij eet het gebouw op, die jongen, en heeft niet de minste belangstelling voor het verleden, al hoorde ik hem later nog wel even over ‘Vroeger, toen ik nog drie was.’ Lukas glimt de hele week al van toekomst, wat mij nadrukkelijk een bewoner maakt van het huis dat Voorbij, Voorbij heet.

Daarom ben ik achteraf toch wel een beetje blij met de twee blaren die ik opliep tijdens een wandeling door het hoge Friese land. Blaren liep ik drie paar wandelschoenen geleden voor het laatst op. Dat is heel lang en heel veel wandelkilometers geleden.
Zo meteen ga ik daarom naar de buitensportboer en mijn oude wandelschoenen gaan. Die wil ik laten zien. Met het oog op mijn toekomst als wandelaar. Misschien is een paar nieuwe zooltjes al genoeg voorlopig. En een paar nieuwe wandelsokken, want de paren die ik nu draag hebben weliswaar nog steeds geen gaten, maar ze lijden aan hiel- en teenverharding, vervilting heet dat, maar het woord vervilting is me te lief. Enfin, ook daarover moet een verkoper maar eens iets verstandigs zeggen. Er staat mij de komende uren veel verrassends te wachten. En dat wilde ik even kwijt.
Ik had natuurlijk even kunnen wachten met dit stukje en eerst naar de buitenboer kunnen gaan. Had ik daarna kunnen vertellen hoe een en ander was afgelopen en zou ik toch weer over het verleden hebben zitten zeuren.

O ja, als alles goed gaat, kook ik vanavond. De ingrediënten liggen al in de keuken.

09 januari 2020

Verjaardagen in januari

De verjaardagskalender op het toilet begint zijn nieuwe ronde. Alleen al in de eerste week vallen me de gaten op. Zo staat de overlijdensdatum van mijn schoonmoeder er nog niet op, terwijl het er op lijkt dat Onno intussen zijn 75ste verjaardag vierde afgelopen vrijdag. Was het maar waar.
Dan zijn er ook nog vriendjes van vroeger van wie ik, afgezien van Loek, nooit de naam op een kalender tegenkwam, maar nog maar al te goed weet wanneer ze jarig zijn. Gisteren was dat dus Loek. Zijn verjaardag op de achtste januari betekende niet alleen een feestje, maar ook de laatste pepernoot. Ik zorgde er op vijf december voor dat ik nog wat pepernoten overhield tot 8 januari. Onder pepernoten versta ik die hoekige, met dikke duimen geknede brokken, waarvan het deeg, eenmaal zachtgekauwd, zo tussen je tanden blijft zitten.
De vijfde december voorbij werden die dingen van steen, markeringen in de tijd, en van de smaak bleef vrijwel niets over.
Het was dan ook meer een ritueel experiment, dat bewaren van die pepernoten. Veel waren het er ook niet. Ik at er hooguit eentje in de week, maar de laatste nuttigde ik onderweg naar Loek. Het was de afsluiting van de kersttijd, zou je kunnen zeggen. Met Loeks verjaardag begon het nieuwe jaar pas echt.

Na Loek (kleuter- en lagere school) kwamen Aad en Gerrit. Met Aad zat ik al jaren op school, maar de overgang naar de middelbare, en dan vooral de fietstocht heen en terug, bracht ons nader tot elkaar. Hij was jarig op de dertiende van de dertiende, zei ik graag, en dat vond ik wel een goede grap, al kan ik me niet herinneren dat er ooit ook maar iemand om gelachen heeft. Halverwege de middelbare school liepen onze wegen uiteen.

Vandaag is Gerrit jarig. We waren een jaar of zes dikke vrienden. Samen vakantie vieren, samen in de tuin, samen verkering met twee vriendinnen. En toen was het ineens voorbij. Het was vooral een kwestie van onverenigbaarheid van karakters, al kom ik een doodenkele keer nog wel eens een schim uit het verleden tegen die zich erover verbaast mij te ontmoeten zonder dat Gerrit erbij is. Vandaag is hij dus jarig, onze Gerrit. Als hij nog leeft.

Nu is de eerste actuele verjaardag op de kalender die van Harm. Ik vraag me af waarmee ik hem kan gedenken. Ik heb nog twee dagen.

07 januari 2020

Zacht papier

Behalve sigarenbandjes en suikerzakjes (en postzegels, en sierranden van behangselpapier en vogelveren, schelpen, gedroogde bloemen en… en… en…) spaarde ik ook een tijdlang sinaasappelpapiertjes. Ik kom daarbij uit in 1960, ergens in het midden.

Ik was niet de enige die ze spaarde, nicht Ineke deed het ook. Ze woonde een kleine vijfhonderd meter verderop.

Graag ook breng ik mijn blauwe koffertje in herinnering, amper groter dan een schoenendoos. Het heeft me een aantal jaren vaak vergezeld en zich daarbij ontfermd over allerlei inhoud en dus ook over het sinaasappelpapier. De combinatie van koffer en deze inhoud was ideaal. De zachte dunne velletjes hadden al een verleden en een lange reis achter de rug als verpakking van een sinaasappel en dat verleden bleven ze ook na het glad strijken met zich meedragen. Ze namen meer ruimte dan ze zouden doen in ongebruikte staat. Ze waren donsachtig geworden. En ze roken lekker.

Zo liep ik dus op zaterdagmiddag, voor of na de padvinderij, met een vol maar toch vederlicht koffertje naar Ineke om te zien of we nog wat te ruilen hadden. Ineke was vier jaar ouder. De ruil was een familiegebeurtenis. We zaten aan de huiskamertafel en meestal zat Tante Nel er ook bij. Oom Jan keek toe vanuit zijn luie stoel. Mijn grote neef Ab was er doorgaans niet, maar er waren wel meestal een of twee andere nichten.

De sinaasappelpapiertjes kwamen te liggen op het dikke tafelkleed, waarvan vooral het goud van de opdruk me zo aansprak, en anders wel het oranje, geel of azuurblauw.

Er was veel licht in de kamer en er waren die vriendelijke mensen. Het tafelkleed was zacht en niets was mooier dan het zijdepapier dat voor ons lag en Ineke en ik waren het vanzelfsprekende middelpunt van wat zich op dat moment in die kamer afspeelde. Je moest wel uitkijken dat je je thee niet omgooide per ongeluk.

Ik moet er aan denken nu ik zie dat er in de fruitschaal mandarijntjes liggen met wat ik toch maar sinaasappelpapiertjes blijf noemen. Die dunne velletjes ben ik altijd blijven verbinden met het koffertje op zaterdagmiddag en het ruilen met Ineke, aan die tafel aan de Emmastraat waar alles zou licht en rustig was. Vandaag begrijp ik ineens waarom.

In de weken vanaf Kerst tot halverwege januari, precies zestig jaar geleden, logeerde ik er. Dat had te maken met het ongeluk dat mijn vader overkwam op de avond van de 24ste december. Ik voelde me toen verbannen uit mijn huiselijk paradijs, maar was er tegelijkertijd ook wel blij mee dat anderen zich om me bekommerden. Ik merkte ook dat men vooral heel aardig tegen me probeerde te zijn.

Die hele ruilactie zal een half jaar later gespeeld hebben. Voor mij lag het logeren al ver achter me, maar voor hen was ik het jongetje dat een half jaar daarvoor weken lang in het gezin had meegedraaid. Het jongetje dat toen zo uit zijn doen was.

06 januari 2020

Weinig mis

Het hangt er wel een beetje van af hoe ik ga zitten, maar Radio 4 stoort. Daarom zet ik de radio op mijn bureau maar weer uit. Jammer.
Deze maandag laat Annette op haar site een paar fraaie etsen zien. Als ik ze goed wil bekijken op het scherm, beginnen de scherpe lijnen te beven, ze worden onscherp. Het doet pijn aan mijn ogen. Ik klik ze weg.
Door de vitrage zie ik hoe er een spreeuw in de boom zit voor mijn raam. Spreeuwen zijn mijn lievelingsvogels. Ik leg nu even niet uit hoe dat komt. Deze spreeuw zat er al toen de radio nog aan stond; ik kan niet goed zien of ie nu naar me toegewend zit of omgekeerd. Ja, nu pas, nu er iemand iets door de bus gooit en hij wegvliegt: hij zat met zijn rug naar me toe.

Er is een oud-leerling van me overleden. 53. ALS. Ik geloof niet dat ik haar na haar middelbare schoolperiode nog heb gezien al zat ze jaren bij me in de klas. Of we elkaar bevriend hebben op Facebook weet ik niet eens, al kwamen we elkaar daar wel af en toe tegen, als delers van vrienden en dan stuurden we elkaar een groet. De lijnen liepen via haar literaire zus. Met haar moeder, ook jong overleden, zat ik nog even in een poëzieleesclubje.

Mirjam had felle ogen als brugklasser. Ze kon goed lezen, schrijven en acteren. Voor dat laatste moest je bij mijn collega Jan de Bruin zijn. Ik herinner me nog een klein rolletje in het jaarlijkse toneelstuk. Deze keer was zij de koningin: niet alleen van het toneel van dat jaar, maar ook ín het stuk speelde zij die rol. Ik moest, en ik weet echt niet meer wat de ins and outs waren, opdraven als zanger. Misschien om haar met een blues tot rust te brengen. De tekst kwam ongetwijfeld van Jan, de melodie draaide ik in elkaar met Dirk Hoekstra, dat was in een kwartiertje gepiept. Met een paar simpele akkoorden waren we er zo mee klaar. Ik moest zo laag mogelijk zingen.

Ze keek me indringend aan vanaf haar hoge troon en ik zong mijn lied. Het stuk werd drie of vier keer opgevoerd die week en ik ben ongetwijfeld een van de avonden gebleven, maar de andere keren fietste ik ervoor naar school, zong mijn liedje voor Mirjam Schaap, en fietste weer terug naar huis.

Er is weinig mis met vandaag. Een beetje ontdaan, dat is alles. Niet iets om het over te hebben.

05 januari 2020

Schrale troost

Het gesprek met de nicht gisteren eindigde met foto’s van Nieuw-Zeeland, want daar gaan zij en haar man binnenkort weer heen. Maar voor het zover was, bleven we hangen bij de naweeën van de oorlog. Zo kwam oma Van der Veen de schok van de dood van haar man niet te boven. Hoewel die al in september ‘44 was omgebracht, moest de familie nog twee jaar wachten voor duidelijk werd wat hem was overkomen. Die twee jaren van spanning waren teveel voor de grootmoeder. Zij overleed kort nadat bekend was geworden wat haar man was overkomen.
De moeder van de nicht trok in bij een bevriend gezin. Daar kwam als maat van de zoon des huizes ook een jongen over de vloer die zijn oog liet vallen op deze nieuwe, kordate huisgenote van zijn vriend en haar oog bleef rusten op deze jongeman. We kunnen kort zijn: vandaar dat nu de nicht als onze nicht op de bank zat.

Mijn schoonouders hebben elkaar leren kennen in Brabant, in de oorlog, toen Mentes vader daar ondergedoken zat, maar wel af en toe naar de kerk ging en daar minder op de preek lette dan op het meisje voor hem.
Mijn ouders waren net een paar jaar ouder dan mijn schoonouders en dat luistert nauw. Zij waren al anderhalf jaar verloofd toen de Duitsers Nederland binnenvielen. Je kunt dus rustig stellen dat Hitler in ieder geval op geen enkele manier ook maar het kleinste handje heeft gehad in mijn verwekking.
Dat neemt niet weg dat er heel wat mensen rond moeten lopen die er zonder de Tweede Wereldoorlog niet zouden zijn geweest. Mente, haar nicht en ook haar man wist te vertellen dat ook hij de vrucht was van een door de oorlog bepaalde ontmoeting. Dat was dus drie van de vier.

Zijn verhaal schoot er bij in, omdat we het ook nog zouden hebben over Nieuw-Zeeland en we niet onbeperkt de tijd hadden vanwege een jarig kleinkind van hun kant dat nog bezocht ging worden en daarna was er nog de verjaardag van de neef die vernoemd was naar de schietende oom uit het stukje van gisteren.
De neef, het kleinkind van de nicht, maar ook onze kinderen en kleinkinderen, een heel volk intussen dankten, drong tot me door, zijn bestaan aan de Tweede Wereldoorlog. Toen ze vertrokken waren, had ik even de neiging om mijn schoenen en jas aan te doen en aan te bellen bij de buren links, rechts, aan de overkant en nog een paar. Ik wilde wel weten of ook daar niet mensen woonden die er niet geweest zouden zijn als hun ouders, grootouders of (afhankelijk van wie de deur open deed) overgrootouders elkaar niet hadden leren kennen door de grillen van die oorlog.
Misschien had, schrale troost, die dan toch ook nog iets goeds voortgebracht.

Ik ben toch maar binnen gebleven,

04 januari 2020

Zozo

De grootvader van onze nicht zat in het verzet en is in de oorlog gefusilleerd en haar vorig jaar overleden moeder vond het haar lange leven lang niet nodig om vakantie te vieren in Duitsland. Meer wist ik niet.
Maar nu Mentes nicht en haar man op visite zijn wil ik toch wel eens wat meer weten. De nicht vertelt dat haar grootvader en een van haar ooms in het verzet zaten. De andere oom was daarin niet actief maar de bezigheden van zijn vader en broer straalden wel op hem af. Ook hadden de twee jongemannen de leeftijd om opgepakt te worden voor de Arbeitseinsatz. We leven dan in 1944. Opa van der Veen is architect en hij heeft onder het huis een onvindbare schuilplaats gemaakt voor de jongens en voor zichzelf. Wel is er voor de nodige ventilatie een minuscuul raampje of luikje dat in de achtertuin pal boven de grond uitkomt. Alleen als dat openstaat, kun je het zien.

De familie wordt verraden en op een vroege morgen vindt er een overval plaats. Vader staat de Duitsers te woord, maar dan heeft hij al op het geheime belletje gedrukt waarmee de jongens gewaarschuwd kunnen worden in hun schuilplaats. De Duitsers doorzoeken het hele huis, maar vinden niets. Pas als een van de soldaten de tuin in gaat, ziet hij het kleine luikje. Het staat nog open. Hij slaat alarm. Daarvan worden de jongens wel wakker. De Duitser schiet. De verzetsbroer heeft een pistool en schiet terug. Vervolgens breken de jongens uit en brengen zichzelf in veiligheid. Er blijft wel een stukje vinger achter in de tuin.
De vader wordt meegenomen. Als zijn dochter nog even naar hem toe wil, al was het maar om afscheid te nemen, wordt ze weggeslagen. In september, als de Duitsers vanwege Bijltjesdag in paniek raken en kamp Vught moet worden ontruimd, worden veel gevangenen snel doodgeschoten, ook vader Van der Veen.
Het belletje of het raampje? De jongens verwijten het vooral zichzelf dat ze niet alert genoeg geweest zijn en zo hun vader de dood in hebben gestuurd. De student aan de Technische Hogeschool in Delft stopt zijn studie en gaat theologie studeren. De ooms van onze nicht, we hebben het over de voor ons koude kant van haar familie, hebben die gebeurtenissen in ‘44 nooit los kunnen laten. Ze zijn intussen al jaren dood.

Sinds Zwarte Schuur van Oek de Jong, met de ernstige misstap van de 14-jarige hoofdpersoon Maris, maar ook met de schuld die zijn vrouw ervaart als het gaat om de dood van haar eerste man, kom ik het telkens tegen, een dramatische gebeurtenis die iemands verdere leven bepaalt. Ook hoe een omgeving wordt meegezogen. In het boek de dochter van de verongelukte man. Ik denk aan de ouders van de twee jongens die vuurwerk afstaken. Ze zullen nooit meer die flat wonen. De vrouw die de bank in het trappenhuis neerzette? Ze moet verhuizen. En dat is nog maar één ding.

Ik heb geen behoefte aan om na te gaan wat er via sociale media aan geslachtsdelen, ziektes en manieren van executie worden genoemd om de jongens, de vrouw en hun dierbaren te kwalificeren. Aan het wereldnieuws waarin ook al een lijk de voorpagina’s haalt, durf ik me niet te wagen. Zojuist stuurde Pieter me een fotootje van hun huis in Nieuw-Zeeland, op drie uur vliegen van Australië. De lucht is er bloedrood.

Twee-punt-nul-twee-punt-nul is begonnen. Klaasje las op nieuwjaarsdag per ongeluk ‘zozo.’
Tot nu heeft hij het gelijk aan zijn kant.

03 januari 2020

Van Nellesteijn

Waar we elkaar eerder hadden gezien, meneer Van Nellesteijn en ik, wisten we niet, maar de tram leek ons uiteindelijk nog het meest waarschijnlijke. Lijn 3 van de HTM, of anders lijn 6. Niet dat het er toe deed, maar het kwam nu eenmaal zo ter sprake bij onze nadere kennismaking.
Niet meteen overigens, we waren al even in gesprek. We zaten schuin tegenover elkaar, bij de hoek van een vierkante tafel waaraan geen einde leek te komen.
Het is een aangename opstelling voor een gesprek. Je hoeft elkaar niet voortdurend in de snufferd te kijken en je hoeft ook niet je best te doen om eens een keertje niet op de blik van de ander te stuiten, terwijl je tegelijkertijd ook gelegenheid hebt om elkaar even veelbetekenend, vragend of relativerend aan te kijken.
Dat meneer Van Nellesteijn in de naaimachines zat, wist iedereen. Hij verdiende zijn brood met de verkoop van de meest geavanceerde gevallen, al liet hij zijn ziel en zaligheid meer hangen aan de enorme collectie oude naaimachines. Daarmee had hij heel wat bekendheid gekregen en dat maakte hem tegelijkertijd succesvol als verkoper van nieuwe modellen. Nogmaals, dat wist iedereen. Het staat uitgebreid beschreven en komt veelvuldig terug in het boek waarvan Van Nellesteijn de hoofdpersoon is.
Ik had een verzoek ingediend voor een interview met hem en daarin was toegestemd.

Hoewel ons gesprek geanimeerd was en we bij onze eerste kop koffie al toe waren aan een tweede stuk appelgebak, was ik nog niets op het spoor gekomen dat ik als lezer nog niet wist. Wel merkte ik dat het niet meeviel om een bevredigende reactie te krijgen op wat ikzelf voor de hand liggende vragen vond.
Zo kon ik bijvoorbeeld - zo’n gesprek levert ook spanningen op - even niet op de naam van de auteur komen en die vroeg ik daarom aan hem.

‘Auteur? Auteur? Wat bedoel je met auteur?’
Ik legde hem uit wat dat was alsof ik te maken had met een kind van vier of jonger.
‘O, bedoelt u dat? Maar dat is toch volstrekt irrelevant, zo’n schrijver. Die bestaat in zekere zin niet eens. En als die dat wel doet, dan leeft hij een volstrekt minderwaardig en onbeduidend bestaan. Zij of hij, ik weet eigenlijk niet of de behoefte tot schrijven genetisch bepaald is, zit maar een beetje vegetatief op een stoel te zitten en rommelt wat met papier of met knoppen waarop letters staan en maakt zichzelf met iedere pagina nog overbodiger dan bij de vorige. Een schrijver… Verschrikkelijk.’
Hij was in gemompel vervallen, nu viel hij wel een halve minuut stil.

‘Maar wat betreft die moord aan de Laan van Meerdervoort…’
Ik onderbrak hem. Over de toedracht en de nabetrachting daarvan had het boek me alles al verteld. Zelf had Van Nellesteijn al aangegeven dat hij tussen hoofdstuk 11 en 12, toen die moord moest hebben plaatsgevonden, niet in beeld was. ‘Ik was toen elders. En zelfs dat niet.’
Nogmaals, ik was niet geïnteresseerd in die moord. Ik wilde weten hoe Van Nellesteijn handen en voeten had gekregen, eerst van vloeibare en daarna opgedroogde inkt en ten slotte van literair bot en bloed.
‘Maar die auteur…’ begon ik.

‘Och heden, hou toch op over de auteur. Die bestaat niet. Die is het tegenovergestelde van wat ik ben. Die auteur is verleden en de tijd zal leren of hij ook toekomst had. We kennen hem of haar niet… Ik heb ingestemd met dit gesprek omdat ik veronderstelde een gesprek te mogen voeren met een gelijkgestemde geest. Vanwege uw naam.
Ik ben een voortdurend heden. Dat is wat ik ben.’
‘Maar uw historische collectie naaimachines dan?’
‘Zoals je die vindt op bladzij 23, 75, 92 tot en 95 enzovoort enzovoort? Dat is voortdurend heden. Leest u er bladzij 23, 75 en verder maar op na.’
‘En die tram?’
‘Daar lijkt u een punt te hebben. Geef ik toe. U kent de zesde herziene druk nog niet. Komt binnenkort uit. Bij ons kopje koffie past wel een derde appelgebakje, vindt u ook niet?’

02 januari 2020

Ondag

We kwamen regelmatig langs een speeltuin, onderweg naar het Spoorwegmuseum. Lukas stelde telkens wel voor om even af te stappen, maar eigenlijk was hij het wel met me eens: dit was geen weer voor een speeltuin.

In het museum (maar eigenlijk ben je dan al halverwege) maakten we een moment van de entree. Een paar dagen geleden werd Lukas namelijk vier en daarom heeft hij een kindermuseumkaart. Vandaag zou de kaart voor het eerst gebruikt worden. De jongen die de kaartjes knipte had het druk, maar hij had blijkbaar voldoende training achter de rug of beschikte over voldoende invoelend vermogen om aan het momentum bij te dragen door Lukas te feliciteren.
Op het buitenterrein van het museum nam die nog even een glijbaan. Daar hield hij een natte kont aan over en dat vond hij maar niks. Had hij een paar tellen gewacht, dan hadden anderen de twee glijbanen voor hem drooggegleden. Het kleine treintje wilde hij nog per se in, maar hij zat te blauwbekken in zijn wagonnetje.
Dat weerhield hem er niet van om toen we thuiskwamen – en hij zat voorop, zonder wanten – nog even in de achtertuin te voetballen. Ik deed mee, maar was liever meteen naar binnen gegaan. Met een kerstboom in de buurt is het leven een stuk aangenamer.

Ik moet er nog aan wennen, aan dat 2020, maar het klinkt wel als een uptempo. Misschien heeft dat ook te maken met al die twee-punt-nullen waarmee de afgelopen jaren werd gestrooid. Maar toen gisteren Klaas (6) een tekst voorlas en 2020 per ongeluk uitsprak als zozo, had dat een teken kunnen zijn. In ieder geval voor vandaag.

Toch was het een bijzondere dag, er wordt namelijk een tijdperk afgesloten. Een kind zit doorgaans twee jaar voorop bij me op de fiets, van zijn tweede tot zijn vierde. Tot nog toe werd de kleuter dan verdrongen door een volgende generatie, maar dat is nu nog even niet het geval. We hebben nog een half jaar. Maar belangrijker is dat die kinderen dan naar school gaan en grootouders door omstandigheden in de richting van de periferie van de leefwereld beginnen te schuiven.
Daar is in de beleving van Lukas nog absoluut geen sprake van, maar ik denk dat ik het over een paar weken al zal merken.

We hebben er op geen andere manier aandacht aan besteed, aan het memorabele van deze dag natuurlijk. Alleen in het museum vroeg een grootmoeder hoe oud Lukas was.
‘Ben je drie?’ vroeg ze. Ze had natuurlijk moeten vragen of hij al vier was.
‘Ik ben vier,’ zei Lukas en als bewijs rukte hij vier vingers uit zijn Brusselse wafel met slagroom en stak die in de lucht. ‘Deze week geworden,’ voegde ik er aan toe om de vrouw een beetje tegemoet te komen, al had ze dat eigenlijk niet verdiend.
‘O,’ zei ze, ‘dan ga je naar school.’
‘Ja, maandag.’
Dus Lukas wist het allemaal.
Misschien verklaart dat waarom hij op alles nee zei, de tweede helft van de middag. Ook tegen de pannenkoeken die hij uiteindelijk in een paar minuten op had, op deze memorabele ondag.

01 januari 2020

Vuurwerk

Bij het fort verkochten de scouts oliebollen en flappen. Kleinzoon Klaas van zes was er ook; hij stak me nog gauw het muziektentje uit de AH-serie toe, want hij had gezien dat we die nog niet hadden. Wist hij het zeker? Hij wist het zeker en hij had inderdaad gelijk, zag ik later.
Onderweg van huis naar fort, op de fiets, viel me op dat er in de wijk meer en harder geknald werd dan vorig jaar. Dat heeft met leeftijd en geslacht te maken. Jongetjes tussen de negen en de vijftien zijn gevaarlijk.
Er stoof een vrouw het huis uit omdat de Tesla stond te loeien. ‘Wat is er mama!’ schreeuwde het meisje van zes dat de paniek van haar moeder aanvoelend en daarin in meegaand achter haar het tuinpaadje afholde. ‘Er is vuurwerk tegen de auto gegooid.’ Ik nam aan dat het wel meeviel. De daders waren zojuist de hoek om gerend en verschansten zich nu in het poortje waar ik net uit kwam. Zei ik daders? Er was er maar eentje, een jongen van twaalf, schat ik, en er waren drie kinderen van negen die met hem mee renden, twee meisjes en nog een jongen. Ze hadden de paniek in hun ogen. De daad van het vuurwerk ging ze te boven.
Een paar honderd meter verderop knalde een afvalbak uit elkaar, aan de overkant van het water. Weer een dader van twaalf en drie jongere volgelingen, iets groter dan die van de Tesla. De dader liep met pokerface verder. De anderen lachten hard om het onverwachte effect, maar keken intussen schuldbewust naar de man die aan de andere kant van het water langs fietste. Die was op weg naar de oliebollen en hij had nog geen muziektentje in zijn zak. Die kinderen verslingeren zich aan iets dat groter is dan zij zelf zijn. Tovenaarsleerlingen waren het.
Ik was zelf ooit een meeloper, vooral Henk kon er wat van, van vuurwerk afsteken. Ik zocht mijn heil bij Henk, die intussen ook een gevaar was voor zichzelf. Nu fietste ik langs Henkies links en rechts met een trosje kleintjes in hun kielzog en met indrukwekkend en onbeheersbaar explosief materiaal in zakken en handen.

Vorige week deed Bram een stap naar me toe en trok hij mijn kraag recht. Twee dagen later knoopte Martijn het onderste knoopje van mijn gilet los. Zo hoorde dat, zei hij. Siem bevestigde dat door nadrukkelijk instemmend te knikken toen hij zag dat ik wat vreemd opkeek van deze goedbedoelde handtastelijkheid. Vanmorgen draaide David het speldje op mijn revers recht. En gistermiddag dus stopte Klaas van zes me de muziektent toe waarvan hij wist dat we die nog niet hadden. Er wordt, met andere woorden, goed voor me gezorgd en dat geeft vertrouwen voor 2020. De mensen kijken naar me om alsof ze mijn moeder zijn. En kinderen die vuurwerk afsteken kijken me schuldbewust aan. Maar ze gaan wel door.

In Arnhem heeft men elkaar gelukkig nieuwjaar gewenst vannacht, in een flat aan het Gelderseplein. Een uur later twee doden, een man van 39 en een jochie van vier, de twee anderen uit het gezin zwaargewond.
De daders hebben gisteren ongetwijfeld heel wat afgestoken en ze voelden zich de binken, al bleven ze wel dicht bij huis. De Flat. Het zou zomaar de titel kunnen zijn van een roman, van een tragedie zonder eind. Ik stelde me voor hoe een van die jongens over dertig jaar terug zou gaan naar het Gelderseplein, misschien wel voor het eerst, en dan omhoog zou kijken naar de flat, het trappenhuis, de liftkoker. Schichtig, bang om gezien en herkend te worden.