Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

Och heden

11 april 2021

Veertien op een rij

Even verderop staan veertien tot aan de strot met papier gevulde vuilnisbakken, twintig tot dertig meter uit de hoek van de straat, rechts van ons huis. Dat hoort ook zo volgens een tegel met daarop de afbeelding van een kliko. Het is nu zondagavond en de bakken staan er vanaf donderdagavond of vrijdagochtend. Toen zouden ze geleegd worden, vanwege tweede paasdag vierentwintig uur later dan anders.
Je kunt je bak ook op de hoek links van ons zetten, maar dat is twee keer zo ver lopen. Daarom zet de helft van de bewoners van ons gedeelte van de straat de bakken links en de andere helft doet dat rechts. Die aan de linkerkant werden wel geleegd afgelopen donderdag. Daar staan de bakken dichter op de hoek.
Verderop in de straat werden vrijdag oude dakkapellen verwijderd en nieuwe geplaatst, met behulp van een hoogwerker. Zodoende zagen we meer auto’s achteruit langs ons huis rijden dan vooruit. De vuilniswagen zagen we helemaal niet. Die had allang in de gaten dat hij er niet door kon. Nu is dat amper een probleem: vuilniswagens negeren hier sowieso de verplichte rijrichting en dat kan ook makkelijk, want er komen niet veel auto’s langs. Pakketbusjes, de vuilniswagen en een auto van de verkeershandhavers die op zoek zijn naar inkomsten, dan heb je het wel gehad. Maar goed, geen vuilniswagen dus. Was het een gebrek aan betrokkenheid? Onnozelheid? Verborgen rancune? Het kan allemaal. Geen vuilniswagen maar wel volle bakken.

Toen ik vrijdagochtend - de hoogwerker was er nog niet - nog wat karton kwijt wilde in de eigen bak aan de straat, bleek die al vol te zitten. Terwijl ik de avond daarvoor een half volle kliko had neergezet. Dat was, blijkt nu, nog maar het begin, want toen ik zojuist langs de bakken liep, zag ik dat er al heel wat deksels niet meer dicht konden.
De bakken staan er namelijk nog steeds. Als een stil, maar zinloos protest, want geen vuilnisman in de wijde omgeving die zich hiervoor interesseert en het is nog maar zeer de vraag of iemand de gemeente een seintje gaf. Wel hebben alle bewoners heel bewust hun papierbak laten staan. De volgende papierlichting volgt pas over drie weken!

Het is zondagavond en dus moeten morgenochtend de bruine bakken aan de straat. Dan is het gft-afval aan de beurt. Vreemd genoeg staat er aan onze kant van de straat nog geen enkele bruine bak klaar, terwijl het al tegen achten loopt. Aan de ander kant van de straat staan ze al wel, maar daar staan uiteraard geen papierbakken vergeefs te wachten.

Het kan niet anders of straks en in ieder geval morgenochtend krijgen we hier te maken met een kliko-infarct dat zijn weerga niet kent. Er hoeft maar iets te gebeuren en de boel loopt finaal uit de hand, want donderdag zijn blik en plastic aan de beurt.

Ik voorzie een klassenstrijd waarbij de grote, rijke witte mannen woedend hun recht claimen op een geleegde bak, terwijl slecht betaalde, in andere wijken wonende vuilophalers het niet langer pikken om steeds maar voor dat goed verdienende volk daar in Tuindorp opzij te moeten, nu weer omdat ze voor een paar decadente dakkapellen precies de dag uitkiezen waarop een vuilnisman gewoon efficiënt zijn werk moet kunnen doen. En geen witte kakmeneer of –madam die een bak een keertje honderd meter verderop neerzet. Nee, dat zoeken die vuilnismannen zelf maar uit.

10 april 2021

Conrectorenclub

Lies en ik wonen honderd meter bij elkaar vandaan, maar ontmoeten elkaar vandaag via een laptop. Als ik de Zoommeeting inschakel, zit ze al klaar, haar neus op het scherm, de ogen achter haar leesbril schieten alle kanten op, want o, doet ze het wel goed? Ze doet het goed.
Ik niet. Krijg de camera niet op mezelf gericht. Intussen schuift Boxtel aan en word ik gebeld door de dochter van Lies om me vertellen hoe ik de camerastand kan corrigeren. We zouden met negen zijn, vanmorgen, maar met merkwaardig kabaal, beeld dat stilstaat, verdwijnt, weer verschijnt, gepiep, gezang lijkt het soms uit interstellaire sferen, komen af en toe tekenen vanuit Maastricht tot ons. Maastricht zou er niet bij kunnen zijn vandaag, maar heeft een afspraak omgezet. Via een hulplijn in Amerika komt het ook goed met Maastricht.

Ruim dertig jaar zien we elkaar jaarlijks, vorig jaar ging dat voor het eerst niet door. Nu proberen we de videotelefoon.
‘Ik herken jullie allemaal nog,’ zegt Friesland.
‘Het duurt nog geen minuut,’ vertelt Boxtel. ‘Je kijkt heel even wat vreemd naar elkaar, maar binnen de minuut is het oude beeld weg en is dat nieuwe oude gezicht een vertrouwd oud gezicht geworden. Alsof het altijd al zo was.’
Ik weet niet of het waar is. Ik vind ons oud geworden. Ooit volgden we als schoolleiders een cursus en de chemie tussen de deelnemers uit het hele land zorgde ervoor dat we elkaar zijn blijven ontmoeten. We zijn nu tussen de 84 en 63. Drie jaar geleden waren we nog voltallig. Nu is er een overleden, een tweede zit in een verpleeghuis, drie en vier haakten af, maar de anderen richten zich op de ontmoeting van volgend jaar.

Hier kolkten lump sum, de aanmeldingen, de invoering van ICT, verbouwingen, fusies, kerndirecties, basisvorming, Tweede Fase, Verzorging en Techniek, roosters, internationaliseringen, veertig, vijftig of zestig minuten, blokuren. We hielden het hele voortgezette onderwijs jarenlang tegen het licht.

‘Ik wil nog een keer vlammen,’ zegt de eennajongste uit Scheveningen.
‘Ik wil nog een jaar gewoon lesgeven en ben daarom uit de directie gestapt,’ zegt de jongste. Zij wil niet meer vlammen en zou liever een boek lezen, net als de anderen.
Maar de meesten lezen nauwelijks meer. De concentratie is weg. Er is onrust, verdriet ook dat afleidt, getob met gezondheid.

We laten elkaar ruim aan het woord.
We zijn veranderd. We zijn echt anders geweest en je kunt het ook zien.
‘Je bent nog steeds mooi!’ zegt Boxtel vrolijk tegen de jongste. Hij houdt de moed erin. Dat deed hij altijd al. Opgewekt en onconventioneel. Ik houd van Boxtel.
Boxtel is ook de fanatiekste lezer van het stel. Maar dat lukt hem dus niet, nu er al een jaar een foto bij hem op de kast staat, met een doosje en daarnaast altijd een vaasje met rozen. Daar kijkt hij naar.
‘Alleen zijn went niet,’ zegt Gouda.

Om twaalf uur houdt het op. We zijn nog niet klaar.
Zojuist vraagt Boxtel via de app of Het Mussolinikanaal van Antonio Pennacchi de moeite waard is.
‘Een schitterende roman,’ appt Gouda terug.

09 april 2021

Lunch

Dit schiet niet op. Besluit ik om een tien bladzijden durende cyclus gedichten te lezen van Les Murray, blijf ik al hangen bij de eerste regels. Het gaat om The Buladelah-Taree Holiday Song Cycle. Ik kan nu natuurlijk juichend gaan zitten beweren dat dit nu precies is wat poëzie met je doet, en ik hoop ook dat mensen die dit lezen zo’n opmerking óf beamen óf ter harte nemen door onmiddellijk een gedicht te gaan lezen. Maar de vlucht die mijn gedachten al na een paar regels nemen, is veel aardser, banaler. Dat spijt me. Ik was zo graag al lezend in geestelijke zin een andere kant op gegaan. Dat kan heel goed bij Les Murray. Zijn gedichten zijn als hijzelf: groot, zwaar, alledaags, woorden staan met hun poten in de modder en op hun kop hebben ze een zowel versleten als verschoten baseballcap.
Maarrrrr, bij dit verbale stampen op de grond ga je langzaam zweven. Hoe langer je leest, hoe langer ze mogen voortduren, die gedichten van Murray.

En dat ging dus bij de eerste regels al mis. Ik lees:
‘The people are eating dinner in that country north of Legge’s Lake;
Behind flywire an venetians, in the dimmed cool, town people eat Lunch.’


Er kwam een moment dat wij thuis tussen de middag niet langer warm aten. De schuld daarvoor moet gezocht worden bij mijn zussen, denk ik. Toen zij naar Den Haag fietsten om daar hun verdere onderwijs te volgen, zal er besloten zijn om warm en brood voortaan om te wisselen. Ik zal dus een jaar of zeven geweest zijn, toen. Daarom roept de gedachte van rode bietjes met speklapjes tussen de middag nu alleen maar onbegrip en zelfs een beetje weerzin op.

Dat geldt niet voor bloemkool of bonen met een riant stuk vlees en dat komt, voortschrijdend inzicht na twee regels poëzie, doordat wij op zondag wel warm bleven eten tussen de middag.En dat, realiseer ik me nu, gebeurde dus ook bij Dirk. Ik at op een zondagavond bij Dirk toen er iets met een ei was. Om een of andere reden kleeft aan dat ei een warme maaltijd, maar dat is helemaal niet zo. Het was zondag en dus had men net als bij ons vastgehouden aan de oude gewoonte van een warme maaltijd tussen de middag en brood om zes uur. Ik vond het al zo sneu: een ei bij de warme maaltijd, was dat in plaats van vlees? Zoiets kon toch niet op zondag? Nee, dat kon niet en zo was het ook niet. Een warm eitje bij je brood daarentegen is iets feestelijks.
Wat er met dat ei aan de hand was? Niks. Wel met mij en ik schaam me nog. Ik was nota bene de gast, maar met veel vertoon liet ik zien hoe je een eitje tikt door het stevig tegen mijn voorhoofd te slaan, rechtsvoor, om precies te zijn. Ik voel het nog. Het brak inderdaad en de dooier van het zachtgekookte en zojuist verongelukte eitje, maar ook wat eiwit, gleed langs mijn gezicht, over mijn wang, in mijn hals, over het boordje van mijn bloes en over mijn mooie donkerblauwe sweater.
De hele familie brulde van het lachen.
Toen ik in de keuken bezig was de schade weer enigszins te herstellen, riep Dirks vader dat ik straks zíjn eitje ook wel mocht proberen.

Ja, de poëzie nam me onmiddellijk mee op haar vlucht, maar deze middag was het dus niet een vlucht naar en door het ijle, ongrijpbare rijk der transcendentie, dat toch ergens zijn moet.

Les Muray, De plankenkathedraal. De Harmonie 2013

08 april 2021

Uitzicht op graf met uitzicht

In het maartnummer van het tijdschrift van de Groninger Kerken gaat het om de directe omgeving van oude kerken, dus ook over kerkhoven zoals die van Toornwerd, een klein dorp bij een goeddeels afgegraven wierde met daarop de toren van een lang geleden afgebroken kerk. Er gaat van de bewoners veel liefde naar deze plek. Zo lees ik ‘Ger verhuisde in 1992 van Middelstum naar Toornwerd. Middelstum werd hem te druk. ‘Tijdens de bouw van ons huis, zag ik vanaf de steigers mijn eerste begrafenis hier. De klokken luidden. Ik besloot meteen dat ik hier ook begraven wilde worden, met uitzicht op mijn huis.’ Ook Huib van der Stelt en zijn vrouw hebben hun graven al gekocht, nog net de laatste twee naast elkaar. Zij hebben zelfs al even proefgelegen om hun toekomstige uitzicht uit te proberen.’
Ik mag hopen dat ze naast elkaar komen te liggen, liefst graag hand in hand, maar dat zal wel niet kunnen.

Van de grootvader die ik niet gekend heb en wiens grafsteen ik onlangs opknapte, weet ik dat hij in de jaren voor zijn dood graag de nieuwe begraafplaats bij zijn wandelingetjes betrok. Hij heeft aangegeven waar hij begraven wilde worden en daar ligt hij al heel lang. Samen met zijn Cato. Wat haar rol was in de besluitvorming is me niet bekend. Wel weet ik dat ze daarmee jaren later zicht kregen op het huis van hun jongste zoon en diens gezin en in de stilte van de nacht zouden zij, mijn grootouders en mijn ouders met elkaar kunnen praten zonder hun stem te verheffen.

Dit is allemaal flauwekul. Als je dood bent, doen de zintuigen het niet meer. Dood is dood. Toch zit ons een hardnekkig sentiment in de weg. Op het kerkhofje van het Friese Sybrandahus staat een stenen bankje bij de kerkmuur, aan de zuidkant. Je hebt er een mooi uitzicht. Ik ben er al een paar jaar niet geweest, maar heb het regelmatig gezien. Jarenlang dacht ik dat het bankje een grafmonument was, wat me er niet van weerhield om af en toe te gaan zitten. Mogelijk heb ik de dode die eronder lag ook nog wel eens bedankt voor het gebruik van zijn bankje. Daar heb je het weer, dat hardnekkige sentiment. De laatste keer dat ik er was, kreeg ik te horen dat de eigenaar van het bankje nog leefde. Hij woonde, meen ik, in de stad Groningen, maar had deze plek uitgekozen en gekocht om er later begraven te worden. Hij had er het bankje alvast neergezet en af en toe bezocht hij de plek waar hij straks terecht zou komen, maar waarvan hij nu alvast kon genieten door op het bankje te gaan zitten.

Van mijn verre Haagse neef weet ik dat het perspectief van een postmortaal bestaan hem bezig houdt. Dat kan er een karaktertrek zijn, maar zijn lichamelijke conditie en zijn geloof nodigen er ook toe uit. Nu weet deze neef dat ik onlangs de belettering van het graf van mijn grootouders heb opgeknapt, voor hem zijn dat een oudoom en – tante. Misschien bracht dat hem er toe mij vandaag een foto van het graf van zijn ouders te sturen. Zij hebben een liggende steen. Maar op het graf stáát ook een steen, met de namen van de verre neef en zijn vrouw inclusief geboortedata. Hun koffers staan zogezegd al klaar.
Ik kan ze vertellen dat ik een aantal uitstekende watervaste viltstiften in huis heb om de sterfdata toe te voegen, als het zover is. Dat is nóg een zorg minder.

07 april 2021

Fruitvliegje

Dank je, ik knap weer aardig op. Maar wat ik allemaal heb moeten doorstaan! Alleen dit al: was het vrijdag? was het zaterdag? Hoe dan ook, ik lag overdag amechtig te bed en hapte naar adem toen er vlak voor mijn gezicht een fruitvliegje voorbij dwarrelde. Ik zag het, zeg maar, op het moment dat ik het niet meer zag. In plaats daarvan kriebelde er iets in mijn keel. Ik moest hoesten en slikken. Het vliegje heb ik nooit meer gezien. Ik denk dat het slikken hem fataal is geworden.
Ik weet het wel zeker. Nu was de hoestbui niet bijzonder ernstig en dus kon ik me even later in alle rust afvragen op welk moment het vliegje de geest gegeven zou hebben. Was dat al in mijn keel? Zou ik hem met mijn stembanden hebben doodgedrukt? Werd hij even later slachtoffer van de peristaltische bewegingen van mijn slokdarm? Hij zal toch niet levend in mijn maag terecht gekomen zijn om daar overweldigd te worden door bittere zuren en andere sappen? En zo ja, zou hij dan pogingen gedaan hebben om terug te keren, opnieuw langs de keel om vervolgens de vrijheid in gehoest te worden? Nee, dat kon niet.

Gisternacht denderde ik al heel snel in een diepe slaap, zoals meestal. Tijdens een droom waarin mijn dode moeder en dode zus een levendige rol speelden en ik door een raam en over een kade schreeuwde naar iemand aan de overkant van de vaart, verslikte ik me. Ik schoot meteen overeind om een tijdlang onbedaarlijk te blijven hoesten. Mente voerde een beker water aan en kort daarop een tweede. Het duurde lang voor de rust weerkeerde. Toen was ik al het bed uit geschoten naar de badkamer om er op de wastafel te steunen, na te hoesten, onbeperkt te drinken en mezelf diep in de ogen te kijken, want al was het donker, ik zag heus wel wie die vent in de spiegel tegenover me was.

Langzaamaan keerde de rust weer. Ik knikte mezelf toe en sjokte terug om weer naast de liefde te gaan liggen. Onderweg, op de korte overloop kreeg ik mijn dode zuster aan de lijn, het ging om een gesprek van veertig jaar geleden, toen zij nog jaren te gaan had. Ze belde om te vertellen dat mijn vader zich verslikt had toen hij een slokje nam van zijn jenever. Hij hoestte, kreeg geen adem, zijn hart begaf het en hijzelf volgde. Had ik zojuist mezelf wel gezien in die badkamerspiegel? Even later sliep ik weer.

‘Zitten er wel eens fruitvliegjes in de slaapkamer?’ vroeg ik Mente vanmorgen.
‘Nooit. Wel eens bij de fruitschaal in de keuken af en toe en bij sommige planten. Dat zou wel eens met de potgrond te maken kunnen hebben.’
‘Daar gaat het me nu even niet om. Ik vroeg me alleen af of ik me gisternacht in een fruitvliegje verslikt had.’ Ik vertelde haar over het voorval van vrijdag of zaterdag.

Nu slaapt de liefde meestal veel later in dan ik. Wat bij mij minuten zijn, zijn uren bij haar en zo waakt zij over me terwijl ik slaap.
‘Nee, je hebt je gewoon verslikt in je eigen verkoudheid. Ik hoorde het gebeuren. Je hoest vaker in je slaap.’
Ze lag naast me, maar bij haar geen geschreeuw naar de andere kant van een onbekende vaart langs een vreemde kade, geen vader die in de benauwenis weer even meesterft. Zelfs geen fruitvliegje.Het past me wel: dood door een fruitvlieg. Daar teken ik voor; datum vul ik later in.

05 april 2021

De verzoeking 2

Intussen erger ik me ook aan de correspondentie die het gevolg is van de vergissing. Direct na het telefoongesprek met de blauwe winkel krijg ik dit mailtje.

‘We hebben de aanmelding ontvangen. Je ontvangt tijdens klantenservice openingstijden binnen1 uur een mail met verdere instructies

Overzicht van je aanvraag Product: Sony LCJ-RXF hoes voor Sony CyberShot DSC-RX100 serie
Gewenste oplossing: Ruilen voor hetzelfde product
Reden van retour: er is een camera van sony (sony dsc rx100 m5a) van ongeveer 1100 euro geleevrd inplaarts van het hoesje.
Even geduld, we gaan direct voor je aan de slag.’



De spelfouten heb ik laten staan. Ernstig zijn ze niet, maar bij een strak imago hoort ook aandacht voor spel- en tikfouten, lijkt me. Bovendien lijkt het erop dat ik straks weer een camera krijg als ik om een tasje vraag. Met dit mailtje kan ik desondanks goed leven. Maar een uur later krijg ik dit bericht:


‘Voelt goed
Hoi Len,
Hebbes! We hebben de aanmelding van je retour met retournummer [dit en dat] ontvangen. We gaan direct voor je aan de slag en hebben de verzendinstructies voor jouw product klaargezet.Je kunt je product tot [dan en dan] naar ons terugsturen.’


Wat moet ik met die verschrikkelijke opening?
Voelt goed. Het voelt helemaal niet goed. Ik lig nota bene ziek in bed met een verkeerde bestelling, waarvoor ik van alles moet uithalen om die ongedaan te maken, alleen om een blauwe winkel ter wille te zijn. Ik voel me helemaal niet goed; zij misschien wel, maar dat voelen begrijp ik niet. Daarmee geef je aan dat iets ondefinieerbaars wel eens positieve gevolgen kan hebben, zoals je een getal onder de tien kiest om als enige het gebakje te bemachtigen dat nog over is. Je zegt ‘zes’, want dat voelt goed. Maar ik heb niet meegedaan aan een loterij, nee, ik heb iets besteld en kreeg het verkeerde, dat wil zeggen: ik vroeg om een kleinigheid en krijg per ongeluk iets groots en dat wil ik rechtzetten. Voelt goed? Nee.

Dan volgt ‘Hoi Len.’ Wie zegt dat? Ken ik u? Doe maar ‘Dag meneer,’of ‘Dag mevrouw’, want dat ben ik met mijn voornaam wel gewend, maar geen ‘Hoi Len’ en al helemaal niet na deze blunder.

Dan staat er ‘Hebbes’, met uitroepteken nog wel. Waar slaat dat op? Wat heb je, wie heeft er iets? Kreeg iemand onverdiend de hoofdprijs en stuurt die die daarom terug? Roep je ‘hebbes’ omdat je eindelijk weer eens zo’n onnozelaar te pakken hebt? Of ben je als afzender niet zo bedreven in het vinden van het juiste tekstformat en roep je hebbes als je dat format eindelijk vindt?

Kort daarop krijg ik een mailtje van de ‘manager tevreden klanten’, een standaardmailtje dat me vertelt dat klanttevredenheid een heuse obsessie is van de blauwe winkel en dat mijn reactie bijdraagt aan een nog grotere inzet van degene die mij zaterdagmiddag te woord stond. Ik klik het mailtje weg. Dit is wel een bijzonder klantonvriendelijk moment om me zoiets te sturen. Slordig, slecht en dom.

Vandaag wordt me verzocht een recensie te schrijven. Weer een automatische mail. Een basisschoolleerling uit groep vijf zou meteen gezegd hebben dat het erg onhandig is om dit mailtje in mijn digitale brievenbus te laten vallen. Wacht toch tot alles is afgerond. Maar goed, ik vul in dat ik niet tevreden ben.
Vandaar dat ik zojuist een tweede mailtje krijg. Men zal mijn recensie de komende zeven dagen niet plaatsen, zodat de blauwe winkel nog even tijd heeft om de kwestie naar tevredenheid op te lossen.Die zeven dagen respijt had men beter een mailtje eerder kunnen bedenken.
Blijven over dat misplaatste toontje en die krenterigheid. We hebben nog zeven dagen.

04 april 2021

De verzoeking

In mijn hoofd en eigenlijk door mijn hele lichaam regeert ruis. Dit vertel ik omdat ik zonder die ruis waarschijnlijk geen tasje voor mijn camera besteld had. Ik bedoel het kleine cameraatje dat ik een paar maanden geleden kocht, ook al in een opwelling.
In die staat van ruis dus ging ik, voor het naar bed gaan op vrijdagavond, op mijn mobieltje nog even na of er misschien niet een opvolger daarvan, van dat mobieltje, in de aanbieding was, of van het kampeerstoeltje waar ik een tijdje terug mijn oog op heb laten vallen. Ik had ook vijf minuten eerder naar bed kunnen gaan, maar dat deed ik dus niet.

Ik trof geen aanbieding van een mobieltje of stoeltje, maar bij een bekend bedrijf dat blauw hoog in het vaandel voert zag ik als ‘tweede kans’-aanbieding wel dat tasje voor mijn nog nieuwe cameraatje. Nog geen minuut later wist ik ook dat het de volgende dag bezorgd zou worden. Wat had ik gedaan? Ik heb al een tasje, minder gelikt misschien, maar wel geschikt.

Ik had mezelf verrast en die verrassing werd groter toen de bestelling zaterdag werd afgeleverd. Het was meteen te voelen: dit kon het tasje niet zijn en dat was het ook niet. Het was een nieuwe camera. Eentje die net als de mijne uitstekend in het tasje zou passen, van hetzelfde merk en van dezelfde serie, al ging het hier om een zeer geavanceerde variant van meer dan 1050 euro. Dat is twintig keer zoveel als ik voor het tasje had betaald.

Had ik dat? Jawel. Zowel bankrekening als mailbox lieten zien dat er een tasje was besteld en betaald en geen Sony DCS-100M5a. Heel ernstig werd het gevecht met het geweten niet, maar ik dacht het wel even: ik kon tevreden zijn met het resultaat van deze bestelling en niets meer laten horen. Ook kon ik deze luxe variant houden en zijn iets bescheidener en onlangs gekochte broertje doorverkopen voor een bedrag dat me in staat stelde een heleboel cameratasjes te kopen. Dat deed ik niet, maar ik dacht het wel. Ik zou natuurlijk ook mijn eigen, nog ongeschonden camera in de doos kunnen stoppen en retourneren, of: mijn zeven jaar oude cameraatje, dat ook van die serie is. Die cameraatjes zien er namelijk precies hetzelfde uit.

Ik kreeg de tijd om dit allemaal bedenken, want het duurde nogal lang voordat ik de klantenservice van het blauwe postorderbedrijf te spreken kreeg en toen het zover was, had men daar tijd nodig om de vergissing te verwerken. Het was geen probleem vond men daar: ik kon de camera terugsturen en dan kreeg ik alsnog mijn tasje, in dit geval een heel nieuwe tasje. Ik was er met mijn eerlijkheid vijf euro mee opgeschoten. Het was een nogal krenterige beloning voor het weerstaan van zoveel verleiding.

Twaalf was ik en ik fietste als brugklasser van school naar huis toen ik bij Ockenburg een portemonneetje zal liggen. Er zat zo’n tien gulden in. Aan de binnenkant was geschreven wie de eigenaar was en waar die woonde. Dat was in Monster en daarom fietste ik daar naar de Ahornstraat. Er deed een jongen open van een jaar of zestien. Hem liet ik het portemonneetje zien.
‘Hé, die is van mij,’ zei hij. Hij pakte het aan, controleerde de inhoud.
‘Nou, bedankt.’
Dat was het. Ik stond al weer voor een dichte deur. De lul had me in ieder geval een gulden kunnen geven, vond ik.

De doos kan na de paasdagen retour, maar is nog niet dichtgemaakt. Ik zou alsnog

03 april 2021

Kruisverhoor

Donderdagavond volgde ik niet de Sedermaaltijd van onze kerk, maar stemde ik af op de politieke zender om mee te maken hoe zich in de Tweede Kamer iets afspeelde dat me op punten deed denken aan de gebeurtenissen rond Pasen in het Jeruzalem van om en nabij het jaar 30.
Mark Rutte leek zelfs door zijn vrienden in de steek gelaten. Hun wegen scheidden. Dat gebeurt allemaal tijdens een debat gaande waarbij een enkeling aan waarheidsvinding doet, maar een meerderheid van het volk, dat zich door kamerleden laat vertegenwoordigen, heeft al lang een eindoordeel klaar: weg met die man, weg met die man.
Onze lieve Minister-President luistert, knikt, speelt met zijn mobieltje en ziet hoe het mes gescherpt wordt. De vergelijking is niet optimaal, zo zijn de rollen niet helemaal duidelijk. Ik zit een beetje met Pilatus bijvoorbeeld en met Petrus, al moet ik zeggen dat de heer Hoekstra nog het meest in hun buurt komt. Nu haast ik me te zeggen dat in het Bijbelse verhaal de twee P’s me in hun zwakheid sympathiek zijn, nou ja, sympathiek is niet helemaal het goede woord, laat ik zeggen dat ze op enig begrip van mijn kant kunnen rekenen. Dat is een. Twee is dat Hoekstra in deze kwestie zuiver, ook wel een beetje saai, redeneert, wat je van de 2 P’s en ook van veel in de Kamer aanwezigen niet kunt zeggen. Het overgrote deel van het volk is al klaar met denken, slaat zichzelf op de borst en dat is het.
Als het eenmaal Goede Vrijdag is, zegt Van der Staaij dat, ook daar ben ik blij mee. Het onderstreept de tragiek van wat er in ’s-Gravenhage gebeurt. Ik krijg meer en meer te doen met de man die Jezus speelt, met dit verschil dat ik daar doorgaans bij Rutte geen last van heb, maar ik heb nu eenmaal een zwak voor zwakken. Al vind ik dat het maar eens afgelopen moet zijn met deze Rutte.Aan Jesse Klaver kan ik geen bijbelse rol toekennen, maar wel verwoordt hij het duidelijkst waarom het wat mij betreft maar eens afgelopen moet wezen met deze premier: te veel te vaak. Klaver heeft het over een optelsom.
Waar ik nog een beetje mee zit, is het gedoe rondom die verkennende gesprekken. Daarvan is me veel niet duidelijk. Wat was oorbaar, hoeveel gewicht mag je die opmerkingen geven. Alles wordt door een meerderheid vertaald in louter leugen of onvergeeflijke domheid, maar dat weet ik niet. Er is rijtje rijp en rot en nog niet eens groen onder de arm van Ollongren vandaan naar buiten gekomen, dat eerst gewogen had moeten worden, het resultaat van een oriënterend roept-u-maar, waarvan je weet dat er vervolgens weggesnoeid moet worden, bijvoorbeeld omdat iets onjuist of stom of irrelevant is. Maar dat wordt allemaal nu weggezet als één bak ongerechtigheid. Dat bekt lekker maar zuiver vind ik dat niet.

Ik was er een tijd lang van overtuigd dat de grote Tuimelaar of Duikelaar weer onderuit zou gaan, maar nu niet meer boven zou komen.
Maar wat gebeurt er? Zijn vrienden hebben hem niet in de steek gelaten en nog voor Pasen is Rutte al opgestaan. De dierbaarste vriendin van Jezus zag in haar geliefde een tuinman en niet de man aan wie ze haar hart had verpand. Rutte fietst door Den Haag, met een ver over zijn oren getrokken wollen mutsje, wordt door iedereen herkend en hij zwaait vriendelijk.
Is dit al zijn wederkomst of is er sprake van uitstel en moeten we nog veertig dagen wachten op zijn afscheid?

02 april 2021

Pennewip

Multatuli begrijpt niet waarom het beroep van schoolmeester ‘zoo karig bezoldigd wordt.’ Het lijkt hem niet makkelijk om een klas te bestieren. Waarom worden mensen niet liever ‘serjant-instrukteur?’ vraagt hij zich af. En dan zegt hij: ‘Ook was ik liever dominee. Deze heeft toch altyd te doen met menschen die de zaak volkomen met hem eens zyn, en naar hem komen luisteren uit vrye keuze, terwyl de onderwyzer gedurig te kampen heeft met onwil en ‘n hoogst gevaarlyk mededingerschap van tollen, knikkers en papieren mannetjes, om nu niet eens te spreken van suikergoed, tandwisselen, roodvonk en zwakke moeders.’
Het citaat is misschien wat lang, maar ik heb het lef niet om het eerder af te breken.

De dominee triggert me, omdat ik mijn leven lang te horen krijg dat ik dominee zou (toen) dan wel had (nu) moeten worden. Maar dat zou een verkeerde keus geweest zijn. Als we dominee en schoolmeester op een fiets zetten, dan moet de eerste op een racefiets. Hij is leidt ons op de weg voorbij de verste horizon en anderen zijn de knechten die hem faciliteren, zij geven hem de snelheid waarmee hij als eerste kan aankomen om de volgers vervolgens op te wachten. De onderwijzer hoort op een trekkersfiets met volle tassen voor en achter, tentje mee, kookgerei. Zonder de weerstand die hem stevig op de weg houdt, valt hij om. Ik voel me meer zo’n trekker.

Tot zover de dominee, ik blijf bij de goedbedeelde schoolmeester. Die hoeft niet veel meer te weten dan wat hem ooit als kind zelf werd verteld en aangeleerd en van daarna is hem vanzelf voldoende bijgebleven om zijn leerlingen net iets voor te blijven. Bovendien: wat hij niet weet, vertelt hij niet, en wat hij verkeerd vertelt, blijft doorgaans onopgemerkt.
En stel, stel dat dat wel gebeurt en dat een leerling je wijst op een fout, dan kun je eenvoudig zeggen dat je nu al voor de zevende keer die ochtend een onjuistheid in je verhaal stopte en dat nu pas, eindelijk, zes fouten te laat één iemand van die hele slapende kudde een keertje iets opmerkt. En dan verzin je ter plekke een eerder gemaakte fout en verzucht je dat je die andere vijf maar laat zitten, maar dat het wel ‘jullie eigen stomme schuld is dat je nu met gemankeerde kennis je toekomst tegemoet gaat.’ Je bent eenoog en je hebt altijd gelijk.

Nog iets. ‘Die man weet alles,’ hoorde ik een leerling ooit zachtjes tegen zijn buurman zeggen. Hij had het over mij. Het uur daarna zou hij natuurkunde hebben, ik niet, ik zou weer een uurtje Nederlands draaien, want van natuurkunde weet ik niets en daar hoefde ik het ook nooit over te hebben.Ik ga door. Tegen die leerling zei ik dat ik geen geklets wilde. ‘Dat weet je toch? Waarom doe je dat dan… Ach, zeg maar niks ook. Ik zal je matsen en je deze keer geen strafwerk geven, maar gewaarschuwd ben je wel!’ De fouten liggen bij de leerlingen. Dat weet iedereen.

Kortom: onderwijzen is een ego-strelende aangelegenheid en het salaris dat schoolmeesters in 1862 ontving en dat tegenwoordig alle schooljuffen op hun bankrekening bijgeschreven krijgen, is het netto-resultaat van hun schoolse inspanningen, dus minus de therapeutische genoegdoening. Om maar iets te noemen. Er valt meer over te zeggen, maar de bel kan ieder ogenblik gaan.

01 april 2021

Wilde Ganzen

Natuurlijk bedankte de stichting Wilde Ganzen me allereerst voor eerdere giften. Ik vroeg naar de ware reden van het telefoontje. Het ging om een tientje per maand. Eerst werd duidelijk gemaakt dat arme gezinnen in Bolivia met een tientje hulp per maand in staat zijn de producten te verbouwen om in hun eigen onderhoud te voorzien en daarbij begeleid te worden. De kern was dus dat er een gezin maandelijks gesponsord zou worden. Dat de vertaalslag van deze hulp het mooie, ronde bedrag van tien euro opleverde moet een prettige bijkomstigheid zijn geweest.
Wel wilde ik weten waarom ik het idee moest hebben dat ik een gezin zou sponsoren. Wie of wat werd met dat idee gediend? Een echt antwoord kwam er niet. Wel werd met verteld dat ‘we’ op die manier mensen zouden helpen leren eigen producten te telen. ‘Wie zijn die ‘we’? wilde ik weten. Dat waren de mensen van Wilde Ganzen.
‘Dus mensen uit Amersfoort of Lisse die naar Bolivia zijn gegaan om daar de mensen te gaan helpen en ze te zeggen hoe ze het best hun groenten kunnen verbouwen en kippen kunnen houden?’‘Ja,’ zei de jongeman aan de andere kant van ons draadloze contact.
‘Dus ik moet betalen om witte mensen uit Europa naar Zuid-Amerika te laten reizen die vertellen hoe de mensen daar iets moeten aanpakken.’
Zo zou ik het kunnen zien.
‘En het is goed voor die armlastige Bolivianen om te zien dat niet andere Bolivianen dat doen, maar Europeanen?’
‘O,’ zei de Wilde Ganzenman, ‘nee, dat zijn inderdaad mensen uit Bolivia, maar het geld voor middelen en begeleiding komt van ons.’
‘Dus je vraagt me niet of ik een gezin wil sponsoren. Je spreekt me alleen maar aan als portemonnee en dat doe je door me een verhaal te vertellen over een Boliviaans gezin. Maar mijn tientje komt niet bij een speciaal Boliviaans gezin.’
‘Maar uw geld wordt heel goed besteed, hoor, en voor dat doel.’
‘En als ik vraag of ik niet af en toe een kaartje van een bepaald gezin uit Bolivia…’
‘Maar dat kan heel goed, meneer.’
De jongeman had al twee keer gezegd dat hij me begreep, maar hij begreep me niet; daarom vertelde ik hem dat ik geen kaart wilde. Juist niet, en ook wilde ik geen Boliviaans gezin sponsoren voor een tientje in de maand. Dat ik niet een tientje wilde betalen om dierbare gevoelens te koesteren en al helemaal niet om iemand in het verre, armlastige Weggistan ook maar even het idee te geven dat in Europa een of andere goeierd…

‘Ondersteunen jullie ook projecten waarmee je niet naar buiten treedt omdat dat politiek niet handig is, bijvoorbeeld, of omdat er geen mooi dierbaar verhaal van te bakken is…?’
‘Als u niet maandelijks een tientje wilt doneren, is dat prima, hoor meneer.’
Ik kreeg met de jongeman te doen.
‘Nee, doe dat tientje maar, maar ik hoef niet te weten waarvoor.’
‘Dat kan.’ Daarna vroeg hij of dit en dit mijn naam was en dat en dat mijn geboortedatum. Hij noemde Mentes naam en geboortedatum en dat vertelde ik hem.
‘O, maar dan veranderen we dat toch.’
‘Nee,’ zei ik. ‘Dit is beter. Dan geeft mijn vrouw het zonder het te weten en dan weten ze in Bolivia niet waar het geld vandaan komt. Ik zal het mijn vrouw niet vertellen en als u uw mond erover houdt in Bolivia, dan komt het met dat maandelijkse tientje wel goed. Want daar gaat het toch om.’
Ik weet niet of hij me heeft begrepen.

31 maart 2021

Wie mag er vandaag Lichtdrager van de dag zijn

De wandeling heeft rode sporen achtergelaten in mijn nek en op mijn rode armen. Ik voel het amper, maar het stemt me tevreden, die kleur op mijn lijf. Dat geldt voor de hele wandeling waarbij we het hadden over poëzie. Poëzie levert financieel gezien dan wel veel minder op dan het kamerlidmaatschap, maar o, wat heb je dan je ziel en zaligheid overgeleverd aan het kwaad. Toen ik weer thuis was, had ik nog even tijd om te kijken naar wat er in Den Haag gebeurde en plots verdween de wandeling boven Westbroek uit mijn bestaan, het mijmeren over poëzie, het gezelschap van mijn jonge vriend.
De ellende klemde vingers om mijn keel en ik moest weer waden door een wereld van statements waarvan ik de achtergrond niet meer doorgrond. Met een leider van het land die sjoemelt, ontwijkt, toedekt, over dingen heen praat. En met dat merkwaardige CDA, dat vijf- of zesstromenland dat alle kanten op golft en nergens toe leidt, dat huishouden waarvan je als buren voelt dat het een gezin is vol onderhuids gedoe. En je merkt het ook: ze zeggen er elkaar alleen gedag als ze zien dat je toevallig hun kant uit kijkt en soms dan ook niet. Ander beeld: het CDA is lange bemodderde lappen waar je doorheen moet.
Ik werd er zo mistroostig van.

En toen kreeg Lucille Werner als nieuw kamerlid een microfoon onder haar neus. Ze straalde en haar vrolijke gezicht, haar stralende ogen vermochten vele malen meer dan wat ze ooit bij de ballenbakken van Lingo hadden kunnen doen. Ze was een verademing. Zou zij, dacht ik, zou zij, zou niet Sigrid Kaag, maar Lucille Werner Onze Lieve Vrouwe van het Binnenhof worden? Even geloofde ik dat, nee, ik geloof het nog, ik wil het geloven.
Haar last is licht, haar juk is zacht, dacht ik. Het kon niet anders of het zou een feest moeten zijn voor het CDA om haar regelmatig door de gangen en zalen van de Tweede Kamer te mogen dragen. Niet omdat zij dat nodig zou hebben of zou willen, maar omdat het niet anders dan een feest kan zijn om dat te mogen doen. En iedere keer is dan een ander CDA-kamerlid Lichtdrager van de Dag, soms zelfs, na een goed overleg, mag zelfs iemand van een andere partij haar dragen. Soms ook mag Lucille zelf lopen en ook dan zal ze stralen, al was het maar omdat ze eindelijk weer even op eigen benen mag staan.

Iedere vergadering zou ik beginnen met een rondje waarin vier kamerleden haar vragen of ze goed geslapen heeft, of ze lekker heeft gegeten, toevallig nog een mooi stuk muziek heeft gehoord. En zij zou antwoorden en ook iets moois zeggen over een van andere kamerleden. Pas na deze ouverture, na dit Licht van de Dag, zouden de andere agendapunten volgen.

Het heil van het CDA, van de Tweede Kamer, van onze natie zou wel eens kunnen afhangen van Lucille Werner. Ik heb besloten nog meer van haar te gaan houden. Dat zou heel Den Haag ook moeten doen. De vuile was wordt er schoner van, regeerders en volksvertegenwoordigers worden zachter, eerlijker, vriendelijker, lucider.

Straks wandelt er lichte poëzie door de gangen van het Binnenhof.

30 maart 2021

Mefiboseth 3

In en om het dorp kon ik zo vijf, zes mensen aanwijzen met de naam Joop van den Heuvel, alleen dat al was een reden om bijnamen te gebruiken en bij de tuinder aan de Zwartendijk lag die nogal voor de hand, want hij liep mank, dus werd het Kreupele Joop van den Heuvel. De aanduiding ‘Kreupele’ had de achternaam overbodig kunnen maken. Ze hadden hem ook Joop Hobbel kunnen noemen, maar dat zou de man geen recht gedaan hebben; daarvoor was deze Joop van den Heuvel te statig. Hij mocht dan mank lopen en door de week tuinderskleren aan hebben, hij leek wel het meest zichzelf in een grijs kostuum. Je kon je niet voorstellen dat er ooit wel eens jij of jou was gezegd tegen deze tussen tomaten levende manke aristocraat. Maar toen mijn vader zich over het illegaal naar binnen gesmokkelde hondje boog en Mefiboseth zei, refereerde hij aan de tuinder aan wiens harde hand het hondje was ontsnapt.

Er waren heel wat Westlandse katten, tuinkatten, en daardoor kwamen er ook vaak jonkies en die gingen niet lang na hun geboorte ‘naar Wateringen.’ Zo heette het als de katjes samen met een steen in een zak terechtkwamen die vervolgens in een sloot werd gekieperd. Veel hondjes ondergingen hetzelfde lot. Van Kreupele Joop van den Heuvel ging het verhaal dat hij er ook niet tegenop zag om jonge beestjes heel hard tegen een muur te smijten. En dat verhaal kreeg ooit als vervolg dat de dominee van de Gereformeerde Kerk van het dorp, dominee Van Bekkum bij Kreupele Joop van den Heuvel langs ging om hem daarop aan te spreken. Hij zou het niet meer doen, al meende hij er wel op te moeten wijzen dat deze manier van opruimen veel vriendelijker was dan het gebruikelijke transport ‘naar Wateringen.’ Misschien is dat nog waar ook.

Maar het was ook waar dat we ons geen illusies hoefden te maken over lot van het hondje dat in ons gezin een leven tegemoet ging van zeventien jaar. Als mijn broer hem niet mee had genomen, dan zou hij nooit aan mijn vaders voeten zijn naam hebben gekregen. Hij zou waarschijnlijk diezelfde dag al dood geweest zijn en naamloos zijn weggewerkt.

Toen ik een paar maanden later met Mefi aan het wandelen was, kwam ik de zoon van Joop van de Heuvel tegen, die inderdaad dezelfde naam had als zijn vader. Deze zoon was een eind in de twintig. Hij wist natuurlijk van de herkomst van ons hondje en vroeg me hoe het heette. Ik had kunnen zeggen: ‘Nou, hij is net als jij naar je vader genoemd, maar dan anders.’ Alleen, dat durfde ik niet. Ik durfde zelfs niet te zeggen dat hij Mefi heette, want wie weet was ook in het gereformeerde gezin van de manke tuinder de naam en staat van die aan de dood ontsnapte zoon van Jonathan bekend.‘Peef’ zei ik daarom en gelukkig keek Mefi op omdat hij dacht dat ik hem riep.
‘Peef,’ zei Joop junior, ‘Peef, wat een rare naam.’
‘Maar hij luistert er wel naar,’ zei ik. En dat was waar, dat had de zoon van de tuinder zojuist zelf gezien.

29 maart 2021

Mefiboseth 2

Tafel en bed in plaats van de dood, dat stond de kreupele Mefiboseth te wachten, volgens het bijbelverhaal. Daarbij werd een belangrijke rol toegekend aan Ziba, vroeger een dienaar van Saul, de grootvader van Mefi B, en ook degene die David had verteld dat er nog een nazaat van deze koning in leven was. Deze Ziba én zijn familie kregen de opdracht om voor de kreupele man te zorgen en zo is het ook gegaan. Maar tijden veranderen en zo gebeurde het dat David moest vluchten en onderduiken voor zijn eigen zoon Absalom. Dat is weer een heel ander verhaal. Ook Mefiboseth had zich bij David willen voegen, maar daarvoor was hij wel afhankelijk van een ezel om op te zitten, zelf kon hij geen kant uit. Dat zou Ziba regelen, maar in plaats daarvan ging hij er met de zijnen vandoor naar David. Toen die hem vroeg waar zijn stiefzoon Mefi B was, vertelde Ziba dat die in Jeruzalem was gebleven en wel om van alle oproer te profiteren door als laatst overgeblevene van het vorige koningshuis een greep naar de macht te doen. David was ontzet, maar dankte Ziba voor zijn informatie door hem al het bezit van Mefiboseth te schenken.
Als na de val van Absalom blijkt dat zowel David als de zoon van zijn vroegere vriend bedrogen zijn door Ziba, krijgt de kreupele de helft terug. Waarom hij niet alles terug krijgt, begrijp ik niet, zoals ik nog minder begrijp dat Ziba de onrechtmatig verkregen andere helft mag houden. Mefiboseth zelf is daar niet mee bezig. Die is en blijft een en al dankbaarheid tegenover David, de man die als vorst zijn dood had kunnen afdwingen maar hem in plaats daarvan een man in bonus maakte. Het is een spannend verhaal, dat ook mijn vader heel goed kende. We gaan terug naar de hond van gisteren.

Op een zaterdagmiddag, begin mei 1963 kwam mijn broer thuis met een klein hondje. Daarmee was hij samen met zijn vriend Kees naar het asiel in Naaldwijk gegaan om het daar af te leveren; dit op verzoek van Joop van den Heuvel, een tuinder achter de Zwartendijk. Maar het asiel bleek dicht en daarom hadden ze het hondje maar meegenomen. Dan zouden ze het maandag, na het weekend dus, alsnog naar het asiel brengen. Als ik het mij goed herinner, was iedereen erbij toen mijn broer dat vertelde en bijna iedereen was vertederd. Alleen mijn moeder werd niet vrolijk van de actie van mijn broer. Iedereen wist ook dat zijn verhaal helemaal niet waar was. Ze waren helemaal niet bij het asiel geweest, hadden het zelfs niet overwogen. En Joop van den Heuvel, wisten we ook, zou er niet tegenop zien om het hondje samen met een baksteen of een paar gebroken bloempotten in een jutezak te stoppen, die dicht te knopen en hem vervolgens in het water van de Gantel te gooien die langs zijn tuinderij liep.
We begrepen dat we aan een charmeoffensief moesten beginnen: het hondje moest zo min mogelijk, liefst helemaal niet, binnen plassen, want mijn moeder hield van schoon en netjes. We moesten ook laten merken plezier in het hondje te hebben, maar niet te overdreven, want dat plezier moest wel een beetje geloofwaardig en bestendig overkomen.

Nog diezelfde middag gebeurde er iets. Mijn vader zat in een diepe stoel toen het hondje over zijn voeten liep. Mijn vader boog zich voorover, het hondje liet zich omvallen, pa kroelde over zijn buik en zei: ‘Zozo, Mefiboseth.’
Wij zeiden niets en keken toe, maar we wisten het: dit hondje blijft.

28 maart 2021

Mefiboseth 1

In het verhaal dat ik vandaag vertelde voor de Kinderpaasviering laat ik de hoofdpersoon David kennismaken met Dirk van Leeuwen. Voor de kleine David bestond geen model, al sliep er bij hem net als ooit bij mij een hond aan het voeteneind van het bed. Meneer van Leeuwen modelleerde ik losjes naar mijn Westlandse vriendje dat ik vanaf mijn vierde dagelijks zag en tegenwoordig nog maar een paar keer per jaar. Deze vriend komt vaker in stukjes voor, onder de naam Dirk. Ik stuurde hem gisteravond een link van de opname die er van de viering was gemaakt.
De ontmoeting tussen de kleine David en meneer Van Leeuwen, die het jeugdvriendje is van Davids opa (dat dan weer wel) heeft onder andere tot gevolg dat er een naam bedacht moet worden voor een hondje.

De echte Dirk appte naderhand dat het hem speet dat het hondje in het verhaal niet hinkte. Ook had hij verwacht dat ik het hondje in het verhaal Mefiboseth genoemd zou hebben. Het is geen moment in me opgekomen. Van zijn kant wist hij me overigens te vertellen dat hij, de echte Dirk dus, het met zijn kleinzoon over Mefiboseth had gehad. Dirks kleinzoon heet overigens David.
Mefiboseth was de hond die jarenlang bij me aan het voeteneind sliep. We vierden zijn verjaardag op 7 april en de hond paste met zijn geboortejaar 1963 keurig in de rij kinderen, want mijn oudste zus was van ’43, twee jaar later kwam de jongste zus, drie daarna, in ’48, kwam mijn oudste broer. Tussen nummer een en twee zat twee jaar, tussen twee en drie drie jaar, daarom ook werd ik vier jaar na mijn oudste en vijf jaar voor mijn jongste broer geboren. Na vijf volgt zes, dus als een volwaardig familielid werd in 1963 de hond in het gezin opgenomen. Het zou, na vele katten, onze eerste hond zijn, en onze laatste. Net als mijn grootvader vond deze hond jaren later zijn einde door niet uit te kijken bij het oversteken. Hij was toen zeventien, de hond, hè, niet opa; die was tachtig toen hij niet oplette. Enfin, die hond ging dus door het leven onder de naam Mefiboseth, meestal afgekort tot Mefi of Meef.

Hoe deze hond aan die merkwaardige naam kwam, vertel ik morgen, anders wordt het verhaal te lang, maar ik kan wel alvast beginnen iets te vertellen over de herkomst van die naam. Het is een prachtig verhaal, waarvoor we teruggaan naar de tijd van koning, jawel, David.
David wordt koning als het huis van zijn voorganger Saul is uitgeroeid. Ook diens zoon en Davids goede vriend Jonathan vindt daarbij de dood. Er is er maar eentje die de slachting overleeft en dat is de vijfjarige zoon van Jonathan, Mefiboseth. Zijn verzorgster vlucht met hem weg, maar laat het kind in haar paniek vallen zodat het jongetje voortaan kreupel door het leven moet. Hij leidt een teruggetrokken bestaan in het Land van Niets en dat is maar beter ook, want hij heeft als loot van een verdwenen koningshuis geen bestaansrecht.
Later krijgt David te horen dat er nog ergens een nazaat van Jonathan rondscharrelt, die is intussen al een man. Hij laat hem opsporen en naar het paleis halen. Mefiboseth gehoorzaamt maar begrijpt ook dat dit zijn einde zal zijn. Daarom is hij extra verbaasd wanneer koning David hem niet alleen de bezittingen van zijn vader en voorvader schenkt, maar hem ook opdraagt om voortaan met hem dagelijks aan tafel te gaan. Genade voor recht. Tafel en bed in plaats van de dood.Houd dit even vast.

27 maart 2021

Wat geschreven staat

Afgelopen dinsdag kon ik haar naam voor het eerst goed uitspreken. Niet Kasja en ook geen Olofgren, maar Kajsa Ollongren. Bijna had ik een aantal vrienden gebeld om mijn articulatorische vorderingen met ze te delen. Toen werd het donderdag.

Het gedoe rond Ollongren houdt me bezig. Om een of andere reden blijf ik het sneu vinden, gênant ook, ja, maar ook sneu. Dat ze misschien niet had moeten zitten vergaderen nadat ze getest was? Ik denk inderdaad dat een hoge boom niet boven de wet leeft, maar er juist rekening mee moet houden dat hij of zij meer wind vangt. Dus dat ze het deed, zou ik geen punt gevonden hebben als zij niet zo’n hoge boom was geweest. Voor hoge bomen geldt het woord van de Prediker dat we niet al te rechtvaardig moeten zijn en ook niet al te wijs, veel minder dan voor struiken.
Dat ze op slag vertrok toen de uitslag bekend werd, is correct. Zelf zou ik mijn jas nog hebben dichtgedaan, want het was frisjes en zij had iets onder de leden. Dat van die zichtbare papieren is een bedrijfsongeval. Als ik als scriba van de kerkenraad van een vergadering naar huis zou lopen (maar ja, dat gaat allemaal digitaal), papieren onder mijn arm, en een vertegenwoordiger van een aangrenzende kerk zou een telelens op me richten, dan zou er niets gebeuren: te klein, te onbeduidend. Ik zou een zieke Ollongren daarom niets kwalijk nemen als zij scriba van onze kerk was geweest. Maar dat was ze dus niet. Dat maakt het ernstiger. Toch vind ik ook dit nog steeds net iets meer sneu.

Als ik niet weet wat er door wie en wanneer werd gezegd, kan ik dat niet sneu of dom vinden, of wat dan ook, want ik weet het niet. Er was wel eens een schoolleidingsvergadering waarin we ons afvroegen hoe we van een docent verlost konden worden. Daarvan kwam nooit iets op papier. Zo discreet waren we nog wel. Gevolg was wel dat je daarmee ook minder snel een dossier kon opbouwen om iemand naderhand mee om de oren te slaan. Dat kon je alleen maar pareren door met iemand open kaart te spelen, hoe akelig dat ook was.

Hier stond wel iets op papier. Dat had nooit gemogen. Dat is niet sneu, dat is dom, heel dom.
En dan stond het ook nog op het papier van de verkeerde persoon. Dat is niet sneu, dat is niet dom, dat is niet fout, dat is een regelrechte overtreding. Van hoge bomen nog wel. Want hier had mevrouw Kajsa Ollongren, van wie ik de naam nu niet alleen goed kan uitspreken maar ook zonder fouten kan spellen, zich nooit mee kunnen en mogen inlaten. Volgens mij kunnen ze alleen maar binnen het CDA iets zeggen over Omtzigt, maar dan moeten ze dat vooral niet opschrijven, voordat de tijd en gelegenheid ernaar is om het er eerst met deze grote magneet van die bizarre partij over te hebben.
Het a4’tje onder de ministeriële arm zou een CDA-papier geweest kunnen zijn als er niet ook iets te lezen was geweest over de onderhandelingsstijl van de leider van die partij. Wilde een VVD die Omtzigt niet? ‘Want bij Omtzigt kun je niet door rood rijden.’

Misschien moeten we Ollongren wel dankbaar zijn voor haar domheid, ook al vinden we het sneu.
Omzigt spitte en spitte en bracht misstanden aan het licht. Ollongren stapt met een bundeltje papieren naar buiten en laat zo zien dat gekonkel echt niet deugt.

26 maart 2021

Middenberm

De twee keer twee rijbanen van de Kardinaal de Jongweg worden gescheiden door een middenberm. Die zal een meter of drie breed zijn. Begin- en eindpunt van de weg worden gemarkeerd door een rotonde, aan de westelijke kant is dat het Salvador Allendeplein, van de oostelijke kant zal ik het maar de Veemarktkant noemen, doorgaans zeg je alleen: bij de Veemarkt. Halverwege heb je nog een rotonde die Eykmanplein genoemd wordt.
In de middenberm aan de oostelijke helft staan honderden narcissen in volle bloei. Er zijn middenbermen niet ver hiervandaan die nog overdadiger staan te bloeien, ik geef het toe, maar al met al is het een feestelijk gezicht, daar langs die oostelijke helft van de Kardinaal de Jongweg: de groene grasmat en dan die op groene stengels daarbovenuit stekende proppen van een bijzonder geelachtig geel. Je kunt er als fietser of als automobilist langs rijden zonder er op te letten maar daarmee doe je de narcissen geen recht en jezelf tekort.Vanmiddag reed ik stapvoets (er is behalve een rotonde ook nog een kruispunt met stoplichten) langs de middenberm toen ik daar een jonge vrouw zag joggen. Dat was merkwaardig, want er loopt nooit iemand over die middenberm. Die zijn daar niet voor. Nu liep er dus wel iemand.

Vorige week stak ik met Klaas de Kardinaal de Jongweg over. We liepen naar de overkant om daar te gaan voetballen. We hebben het nu over de westelijke helft, waar geen narcissen staan, maar wel struiken. Er is daar geen oversteekplaats, maar je snijdt er wel een enorm stuk af om van ons huis bij het voetbalveldje te komen. Klaas vond het maar niks: zo’n drukke weg oversteken en ik voelde dat hij bij het doorsteken van de middenberm het idee had dat hij zich in de illegaliteit had begeven, dat zijn opa hem tot overtreding dreef. En zo was het ook. De middenberm van een drukke weg is er om niet te betreden.

En nu jogde daar over het gras van de oostelijk middenberm, tussen de links en rechts van haar bloeiende narcissen een jonge vrouw. Ze stak er niet over, maar nam de middenberm in haar volle lengte. Het kan niet anders of de vrouw trok de aandacht van de andere automobilisten. Dat kwam ook omdat ze een strak paars en lila trainingspak droeg. Alsof ze een paaseitje was, of een bazin van de paashaasjes, want zelf zag ze er niet uit als een eitje, of een in zilverpapier verpakt paashaasje. Het was een jonge vrouw, met een blozend gezicht. Het had een vrouw kunnen zijn die zojuist op een schaatsbaan en nieuw baanrecord heeft gevestigd en nu een microfoon van de NOS onder haar neus krijgt: blozend, rood, blij, hijgend. Zo’n gezicht dus.

Ik moest weer mee met de optrekkende file. Een kijkdoos, dacht ik toen. Dit is een mooi tafereel voor een kijkdoos. Je plakt propjes geel crêpepapier op stukjes van lichtgroene, bijna transparante rietjes. Die plak je op de bodem van de schoenendoos en die bedek je vervolgens met stroken groen crêpepapier. En van de zilverpapiertjes van paaseitjes maak je een figuurtje. Lila en paars. Behalve het kopje, dat moet roze zijn. Vergeet het kijkgaatje niet. Dek de doos af met vliegerpapier. Waarschijnlijk kun je daarvoor het best ook iets geels gebruiken.

Zo was het vanmiddag. Alsof ik even door een gaatje naar een andere wereld keek toen ik daar plotseling die vrouw tussen de narcissen zag joggen. In de middenberm van de Kardinaal de Jongweg.

25 maart 2021

De Mattheus on tour

Mijn zus is jarig. Ja, dankjewel. Vandaag lukt het me niet om haar te bezoeken, want ik ben niet alleen broer, ik ben ook grootvader en dat betekent dat ik op donderdagmorgen heen en terug slenter naar het speeltuintje om de hoek en ’s midddags haal ik een tweede kleinkind op en dan bezoeken we een andere speeltuin of we blijven thuis of wat dan ook.
Ik doe ook wel grotemensendingen op zo’n dag. Zo schreef ik vanmorgen een belangrijke brief en deze middag bracht ik sluitinkjes langs het raam aan om straks als de zomer losbarst en de zon vol op het glas wil kletteren daarvoor een doek te spannen. Dit in navolging van twee huizen verder. De buurvrouw kwam me tijdens het klusje nog even vertellen dat het wel vijf graden scheelt straks. Dat is mooi.
Als mijn zus nu om de hoek had gewoond, dan zou ik wel even langs zijn gegaan. En was ik niet de eerste of enige geweest dan had ik wel een bos bloemen bij haar door de brievenbus gepropt. Maar nee, ze woont hier ruim 130 kilometer vandaan.
Vroeger niet, toen was dat heel anders en woonden we bij elkaar in huis, zoals dat wel vaker gaat met broers en zussen. Maar op haar zeventiende vertrok ze en kwam ze intern als leerlingverpleegster in het voor een Westlands jongetje verre Den Dolder terecht. Ik was toen tien. Eerlijk gezegd kan ik me van haar verjaardagen in Monster niets herinneren. Later zijn we nog een jaar of wat stadgenoten geweest en het kan niet anders of ik ging naar haar verjaardag.
Maar nu reis ik al weer jaar en dag op en neer en dat combineer ik met de Mattheus, vroeger stond die op een bandje, daarna had ik cd’s bij me, nu klinkt die via mijn telefoon.
Ik denk niet dat mijn zus dat weet, dat ik in Donner und Blitze en met een bos bloemen op de achterbank naar haar toe rijd en mij in Tränen niedersetze als ik afscheid van haar heb genomen, maar zo is het dus wel.
Toen mijn andere zus nog leefde reed die een keertje mee, dat was nog in de tijd van de cassettebandjes. Zij vertelde van alles tijdens de reis heen en terug, terwijl ik tussen haar woorden bezig was naar de muziek te luisteren. Dat ik niets terug zei, viel haar blijkbaar niet zo op, dat ik zo onbeleefd was de muziek niet wat zachter te zetten waarschijnlijk wel, maar pas halverwege de terugreis drong tot haar door dat het geen zin had om ook maar iets te zeggen en zweeg ze, tot bij het uitstappen. ‘Wat ben jij een verschrikkelijke chagrijn,’ zei ze en toen gooide ze het portier dicht.Volgens mij was chagrijn niet het goed woord, maar dat ik me niet netjes had gedragen, begreep ik ook wel.
Mijn levende zus is overigens ook wel eens jarig op eerste of tweede paasdag, dan kun je rustig met me meerijden, dan draai ik geen Mattheus. Goed, vandaag komt dat er dus niet van, maar morgen rijd ik naar Drenthe voor een verjaarsbezoekje. Alleen. Vanwege corona, ja, maar het komt ook wel goed uit want onderweg ben ik toch niet te genieten, met mijn ogen op de weg, voeten op de pedalen, handen aan het stuur en mijn oren in de speakers.

24 maart 2021

Lezen met een mond vol tanden.

‘Er smelt iets hier, er explodeert iets daar. Er zoekt een virus naar overleving en hij vindt vogels, vissen, dieren, mensen. De vrijheid van het overleven is vooral onvrijheid van anderen. We consumeren of we worden opgegeten.
Bevrijd ons van de wetten van de natuur. Zo bidden wij.’

Vanavond verzorgde ik de vesper van onze kerk en daarin kwam deze voorbede voor. Dat verbaasde me niet, want ik had hem zelf geschreven. De gedachte lijkt me duidelijk: ik herken God niet bepaald als natuur, als natuurwetgever, waarin de norm van de overlever, van de sterkste geldt.

In zijn Ideën noemt Multatuli de Natuur dom (die hoofdletter neem ik even van hem over). ‘De Natuur hakt, snydt, stampt, heft, draait, maalt, samenstelt, verbrijzelt.’ Hij noemt de Natuur een werktuig (nu geen hoofdletter): ‘’t Is tuig dat werkt.’ Vervolgens begint hij over een door stoom aangedreven grote schaar van een koperplettery die voortdurend gaapt en hapt. Als er een plaat koper tussen de twee scherpe lange tanden wordt gelegd, dan knipt hij koperplaat, is er niets, dan hapt hij lucht, houd je een bevallig meisje van achttien jaar en met een slanke taille tussen de lemmetten, dan knipt hij een meisje. Dat vertelt hij in Idee 158. Tot zover kan Multatuli dus wel met me meebidden. Maar dan Idee 161:
‘Er ligt ’n bevestiging myner meening over de domheid van de Natuur, in het bij zoovelen bestaand geloof dat het intelligent-goddelijke aanvangt waar van haar wetten wordt afgeweken door ‘n “wonder.”

Men begrypt eerst de verstandelyke zelfbewusten wil van ‘n “God” als de Natuur schynt op te houden.
Daar die werking der Natuur nooit ophoudt, geen grenzen heeft, is er alzoo voor ’n God geen plaats. Wie aan God gelooft, moet wonderen aannemen, op straffe van inkonsekwentie. Een God zonder wonderen - d.i. ’n God die niet mag, kan of wil afwyken van de wetten der Natuur - is ’n overbodig Wezen.’

Twee Ideën verder: ‘Bidden is aan die schaar vragen of ze zoo goed wil zyn, ditmaal niet toe te happen omdat er iets tusschen haar kaken ligt, dat we graag wilden heelhouden.
Bidden zou dus, als ’t niet kinderachtig ware, een misdadige poging zijn om de Natuur te verlokken tot wanorde.’ Die laatste zin las ik een paar keer. Verderop noemt hij bidden: vragen of gisteren over mag.
In een gesprek met Multatuli zou ik het afleggen, want ik mag dan stoppen met citeren, hij gaat nog een hele tijd door. Ik heb weinig weerwoord. Natuurlijk kan ik het hebben over het mysterie van het geloof. Hij zou me Ideën lang met Mysterie om de oren slaan waardoor ik het woord in ieder geval een aantal jaren niet meer zou gebruiken. ‘Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen,’ zou ik Multatuli interessanterig in het gezicht kunnen slingeren.
Dat moet ik ook maar niet doen, hij zou me alle hoeken van de kamer laten zien.

Dat gebeurt er als ik Multatuli lees, ik ga zitten jamaren. En hij geeft me de kans niet om een eigen gedachte af te maken. Ik kan zijn snelheid alleen pareren door langzamer te lezen, maar het werkt niet.
De heer Douwes Dekker slaat ieder argument weg, prikt elke redenering door. Hij laat me lege handen en een mond vol tanden en gaat maar door. Jamaar…, zeg ik. Hij is alweer een alinea verder en ik moet blijven lezen.
Of hij me ooit echt zal overtuigen? Voorlopig zijn we nog niet uitgepraat. Nou ja, hij dan… Ik lees alleen.

23 maart 2021

Een per dag

Op de verre neef zit een aan-en-uitknop en dat is het dan. Om in zijn termen te blijven - hij is, dan wel was, elektrotechnicus: een schuifregelaar ontbreekt. Sinds kort staat hij weer aan en dat betekent dat ik dagelijks een mailtje van hem ontvang. Een enkele keer zoekt hij ook telefonisch contact. Zo’n gesprek kost tijd, maar een goede kant daarvan is dat daarbij veel gerelativeerd wordt van wat er in zijn mailtjes gebeurt, al was het maar vanwege zijn prettige stem en hij komt doorgaans vrij snel aan zijn zelfspot toe. Die mis ik wel eens in die mailtjes.

Aanleiding van het contact is het feit dat ergens op internet een genealogie staat, van ons beider familie uiteraard. Die staat op een site van iemand die ook weer verwant is. Dit familielid ter andere zijde had mij gevraagd of dat mocht. Ik heb die vraag toen doorgespeeld naar een van de twee opstellers ervan. Die vond het goed en dat heb ik doorgebriefd: ze vinden het goed.
Maar de verre neef vindt het niet goed, blijkt nu. Ook dat heb ik doorgegeven: onze verre neef vindt het niet goed.

Nu moeten we voorzichtig zijn met openbaarheid van gegevens, dus de verre neef heeft een punt. Dat erken ik, dat erkent ook het familielid ter andere zijde.
Verschil is dat ik de kreten, noodkreten, waarschuwingen of hoe je het noemen wilt, alleen doorgeef als het familielid ter andere zijde en ik elkaar spreken; dat is een. Een ander verschil is dat ik nooit op diens site kijk of er al wat mee is gebeurd. Dat hoeft ook niet, want de verre neef doet dat al dagelijks.

Vanmorgen was er weer een bericht: waarom er op de site van het familielid ter andere zijde nog niets aan was gedaan; waarom ik niet op de afgelopen vijf mailtjes heb gereageerd? Ook dat klopt.En dat terwijl er in ieder mailtje ook wel iets staat waar ik iets mee kan. Zo heb ik ongevraagd een familielid op een honderd jaar oude foto kunnen traceren, maar ook kon ik een verkeerde persoonsaanduiding op diezelfde foto corrigeren. Alleen, ik spaar die reacties op.
Gisteren vroeg de verre neef me of ik een artikel uit De Standaard wilde lezen om er vervolgens mijn commentaar op te geven. Ik las het artikel, met de bedoeling om vandaag iets naar de verre neef te schrijven. Maar ik kan me van dat artikel niets meer herinneren, helemaal niets. Ik weet alleen nog dat ik me tijdens het lezen afvroeg wat voor verstandigs ik te berde zou kunnen brengen naar aanleiding van wat er stond. Dat weet ik ondertussen, namelijk helemaal niets.
Dat schreef ik hem vandaag, zoals ik hem ook vertelde dat mijn molen trager werkte dan de zijne en dat ik de rol van onderhandelaar bij een nog niet beklonken deal minder belangrijk vond dan mijn bijzonder prettige relatie met het familielid ter andere zijde.

De verre neef gaf me gelijk, zo liet hij me per omgaande weten in zijn tweede mailtje van vandaag. Wel speet het hem dat ik nooit in ga op de religieuze overwegingen die je ook ieder berichtje van hem tegenkomt. Maar vanmiddag gaf hij daar zelf het antwoord op. Hij schrijft: ‘maar daar hebben we wellicht of mogelijk nog een Eeuwigheid de Tijd voor.’ Kijk, dat vind ik geestig.

22 maart 2021

De tweede lentedag (2)

Toen ik de dag na het ongeluk uit school kwam, zat mijn vader in de kamer. Ik was ’s morgens om half acht de tuin uit gefietst om er een dag mee te maken waarvan ik me niets herinner tot het moment waarop ik de kamer in kwam en daar mijn vader zag. Die kon niet weg zonder auto. Dat begreep ik.
‘We zijn druk bezig geweest met je grapje van gisteren,’ en ik heb intussen ook een auto gehuurd. Nou, daar kan ik niet aan wennen. ’t Is een Fiat. Ik in een Fiat.’
Nu moest hij vanmiddag nog naar Hoek van Holland en naar een paar mensen aan de Maasdijk, dus hij zat al een tijdje te wachten, want ik moest hem rijden. Dat was niet voor het eerst, en de laatste keer zou het al helemaal niet wezen, maar dit moment was wel bijzonder, een dag nadat ik zijn auto zo heftig te grazen had genomen door er een andere wagen mee total loss te rijden.
O ja, moest in de loop van de week wel even bij de mensen langs die ik had aangereden, vond hij. Dat kon ik maar beter met de fiets doen. Een flinke bos bloemen was wel het minste waarmee ik daar moest aankomen.

Pa kon iemand jaren na dato aan een stommiteit herinneren, bij voorkeur op een moment dat er wel om gelachen kon worden, terwijl het toch een beetje stak. Hij verstond de kunst van het kleine venijn. Op de aanrijding van zondag 21 maart 1971 is hij nooit teruggekomen.

21 maart 2021

De eerste lentedag

Ongetwijfeld herinner je je nog dat ik in december 1970 mijn rijbewijs haalde; ik schreef er immers een stukje over. Nu fietste ik gisteren een rondje door de duinen en daarbij kwam ik tussen Kijkduin en Loosduinen door Ockenburgstraat en dus ook langs die omineuze plek van vandaag precies 50 jaar geleden, toen net als nu de 21ste maart op een zondag viel. Met mijn vriendinnetje had ik afgesproken dat ik haar met de auto van mijn vader zou ophalen. Daar ging dan wel een ritueel aan vooraf. Ik was bij mijn oudere broer al regelmatig getuige van geweest. Als je pa om de auto vroeg, zei hij steevast nee, maar twintig minuten later was het ja. Daar hoefde je niets anders voor te doen dan gedurende die twintig minuten bij hem in de buurt te blijven en onopvallend wat sip en teleurgesteld te doen. Geen woorden, geen zucht, nee, meer als iemand die zich in stilte afvraagt hoe hij een plotselinge tegenvaller het beste kan pareren en die daarvoor nog niet een-twee-drie een oplossing weet. Na twintig minuten mompelde mijn vader dan: ‘Pak die sleutel maar en rot alsjeblieft op.’

Op deze vroege zondagmiddag lag dat ingewikkelder. Pa lag in zijn stoel te slapen en slaap is heilig, dat weten we allemaal. Maar ik zou om half twee bij Mente zijn. Daarom moesten het ritueel maar een keertje overslaan. Ik pakte de sleutels en liep naar de garagebox, twee straten verderop. Daar stond de auto. Het kon allemaal ongemerkt gebeuren.

Zo zou het zijn gegaan als ik in de Ockenburgstraat had geremd toen de auto voor mij dat ook deed. Die wilde linksaf naar het crematorium maar moest wachten tot de stroom tegenliggers ophield. Ik had dat niet in de gaten en reed vol in op de achterkant van de Volkswagen voor me. Die sprong enthousiast weg, schoot tussen de tegenliggers door om op de zijweg tegen een geparkeerde vrachtwagen te botsen. Total loss. Intussen ontging het mij niet hoe mooi de motorkap van de auto van pa opkrulde. Fraaie, beige golven zag ik. Maar ik zag ook de oude man die op het voetpad plotseling een auto op zich af zag komen, ik zag zijn verbijsterde gezicht, rukte aan het stuur en botste even later niet tegen hem op maar tegen het bordje met de tekst crematorium. Het boog over de gehavende motorkap mijn kant uit.

Ik handelde snel. Voor politie en ziekenwagen zorgden anderen, maar binnen een minuut stond ik in een huis aan de telefoon om het thuisfront in te lichten.
‘Wat heb je nou toch gedaan, gek?’ riep mijn ontdane moeder. Ik reageerde er niet op, maar vertelde wel waar ik was.
Alsof ik de regisseur was van deze hele scene handelde ik de zaak ook administratief of door met schadeformulieren te wapperen, je bent de zoon van een verzekeringsman of je bent het niet.Later kwam mijn vader aangereden, met de garagehouder, Van den Burg. Hij sloeg zijn arm om me heen en zei dat een Borgdorff niet zonder zijn zeven beschermengelen kan, ‘maar in jouw geval had je er veertien op de motorkap zitten. Het is een wonder.’

Dat Mente intussen ook was gearriveerd, had ik wel in de gaten. Dat mijn en haar vader op deze plek kennis maakten niet. Daar was ik niet mee bezig. Wel met de mensen in de auto voor me. Ze werden met een ziekenauto afgevoerd. Het zou niets ernstigs zijn. Het was alleen maar voor de zekerheid.

Het was 1971 en de lente begon.

20 maart 2021

Viltstiften 4

Met mijn telefoontje kan ik mijn goede daad wereldkundig maken. Een foto via de familieapp zou voldoende wezen om te laten weten dat er hier op het kerkhof in Monster iets schoons was verricht. Ruim een maand geleden was ik de grafsteen van mijn grootouders te lijf gegaan met een schroevendraaier, een beiteltje en vooral met watervaste viltstiften en zo had ik ervoor gezorgd dat weer te lezen is wie er al tachtig jaar op deze plaats begraven liggen.

Pas vandaag kwamen de data van mijn grootmoeder aan de beurt en ook de tekst die ons vertelt dat hun leven Christus was en hun sterven gewin. Deze woorden vind je in het bijbelboek Filippenzen, om precies te zijn als het 21ste vers van het eerste hoofdstuk. Ook nu weer riep de tekst vragen op, over het leven van deze grootouders waarin veel gesappeld was, elders in de wereld gezocht was naar een nieuw bestaan, faillissementen, ziekte, veel ziekte, verlies van een kind en ten slotte een langdurige aftakeling die zou leiden tot een tamelijk vroege dood. Maar dat lees je dus niet in die woorden, dat hun leven Christus was. Het was wel zaak mijn kop bij het klusje te houden, want het beiteltje schoot snel een verkeerde kant op en de inkt kreeg je niet makkelijk weg.

De klus ging veel vlotter dan ik had gedacht en dat is maar goed ook, want toen ik dus mijn mobieltje pakte voor een foto, zag ik dat de app van mijn parkeermeter nog liep. Volgens die app stond mijn auto nog steeds aan de Jan van Galenstraat in Utrecht , daar was de bestuurder even uitgestapt voor het boeket bloemen waarmee hij een vriendin wilde verrassen. Meer dan vier minuten had dat niet geduurd. Daarna was hij naar De Bilt gereden, had er de bloemen overhandigd, koffie gedronken en zich erover beklaagd dat er geen appeltaart met slagroom was.

Er waren sinds het parkeren in de Jan van Galenstraat twee uren en veertig minuten verlopen, zag ik. De kosten waren opgelopen tot acht euro vijftig. Ja, het gemak van een app is een harde leerschool. En ik was hardleers, want dit was niet de eerste keer.

Nu moest ik niet de voldoening over mijn goede daad naar de gallemiezen helpen door over die stommiteit en dat verspilde geld te gaan simmen, maar dat viel even niet mee. Ik moest maar denken, dat mijn auto hier bij het kerkhof gratis geparkeerd stond en daar kon hij blijven staan als ik mijn rondje door de duinen zou fietsen, want de fiets was ook mee. Dat fietsen was gratis. ‘Het fietsen is gratis, het sterven gewin,’ mompelde ik.

Ik fietste langs bij oude vrienden en daar hoefde ik niet te betalen voor de thee, een reusachtige bonbon en een koekje.

De parkeerplaats bij het kerkhof kan worden afgesloten met een hek. Het was vijf uur geweest, dus stel je nou toch voor dat het hek al dicht zou zijn. Het zou toch niet!

Zo was het inderdaad niet en ook dat mocht pure winst heten. In de auto dacht ik nog even aan de woorden van Paulus, aan sterven als gewin. Hij zegt dat hij ernaar verlangt om te sterven, maar nu nog niet en hij gaat er ook vanuit dat het voorlopig niet zal gebeuren. Ja, zo kan ik het ook, zo wil ik ook sterven zien als winst, over zeventig jaar, als er niks meer functioneert en er ook niemand meer is om een bloemetje te brengen, of een kop thee bij te drinken. Die Paulus was een mooiprater.

19 maart 2021

Te laat

Mente kocht een kaart met veertig erop en legde die op mijn bureau. Aanstaande zondag viert een neef zijn verjaardag, daarom kan er wel een kaartje af. Ik maakte mijn klus af en begon aan een gelukwens. Nu heb ik onlangs ook een dia gedigitaliseerd waarop diezelfde neef mij vanaf zijn sleetje en vanonder zijn wollen muts diep in de ogen kijkt. Dat was een maand voor zijn vijfde verjaardag.

Het leek me heel onwaarschijnlijk dat hij dat plaatje kende, want zo ging het met dia’s: die werden veel minder verspreid dan foto’s. Daarom vond ik het een goed idee om een printje van de gedigitaliseerde versie te maken en die mee te sturen. Dat betekende: foto opzoeken, formaat vaststellen, even ruziën met het papier en de printer, maar toen had ik hem toch.

De kaart en de foto gingen in de envelop. Adres, schoenen, toch maar een jas. Als het een beetje mee zat, was ik toch nog op tijd.

Dat was ik niet. De bus zou na 17.00 uur geleegd worden, het was 17.07 en de volgende lichting zou plaatsvinden op maandag, na 17.00 uur. Eén dag na de verjaardag van de neef. Hij zou de kaart dus twee dagen te laat krijgen in plaats van één dag te vroeg!

Ik draaide me om, stapte het kruispunt op, en zag hoe aan het eind van de straat, niet meer dan honderd meter verderop het witte bestelwagentje van Post.nl de bocht nam. Ik stak automatisch mijn hand omhoog met daarin de kaart voor mijn neef. Het was een vergeefs gebaar. De bestuurder van het postwagentje had het niet gezien, helemaal niemand zag me daar staan. Niemand, terwijl het toch een schitterend beeld moet zijn geweest, die man daar midden op een kruispunt die wanhopig een brief in de lucht steekt en dan in de verte die auto die duidelijk maakte dat het te laat was. Dat het Nu Voor ALLES Te Laat, Voorgoed Te Laat was. De Wanhoop, de Tragiek. Iemand had een iconische foto kunnen maken, een onvergetelijk schilderij. Maar niemand zag mij.

Ik liet de kaart alsnog in de bus glijden. Het klonk hol.

Natuurlijk, een mailtje, een appje, een telefoontje is genoeg om… Ja, om wat? Om te zeggen dat ik eigenlijk op tijd, maar dat die verdomde PTT (en zo heet het niet, dat weet ik ook wel, maar ga nou niet zitten zeuren)… maar zo is het niet. Ik was te laat. Als ik niet die foto… Zo was het ook niet, als ik gewoon tien minuten eerder. Hoe dan ook, de neef zal denken dat ik pas op het idee van die kaart en die foto kwam toen ik langs via diverse glasplaten felicitaties zijn kant uit zag gaan. Dat heb ik maar te accepteren, maar dat valt me zwaar.

Het is nu nu. De neef is pas overmorgen jarig, de kaart is gepost en ligt hier vlakbij drie nachten lang in de brievenbus hier vlak bij. Alsof er niets aan de hand is. Wij weten beter:

het mes van de guillotine suist omlaag en niets houdt dat vlijmscherpe ijzer tegen.

18 maart 2021

Donderdag

Zo langzamerhand ben ik het kwijt, maar vandaag kwam het donderdaggevoel weer over me. Dat kwam door een telefoongesprek met mijn zus die me wist te vertellen dat onze vroegere werkster nog leeft. Ze is nu 101. Ook haar noemden we tante, maar dat was ze niet, want ze was geen familie, ook geen vriendin van mijn ouders en had ze nou maar als een Tante Hannie bij de televisie gewerkt, maar daar heeft ze nooit gesolliciteerd.

Donderdag werd donderdag op het moment dat ik tussen de middag uit school thuis kwam. Dan was alles anders. Naar. Er stond bijvoorbeeld een trap in de voorkamer. Er hingen kleden over de kloppaal in de tuin. Of die nare kattige slastem van tante Katrien snerpte je al toe dat je ergens niet lopen mocht, want daar was net gedweild. ‘Je wacht maar buiten tot het droog is.’

Met een stoel was doorgaans ook wel iets dus zitten kon je vergeten. Het was naar, vervelend en ellendig en tante Katrien was daar de personificatie van, met die kijfstem van d’r. Zij woonde aanvankelijk een straat achter ons, maar na onze verhuizing ging haar donderdagse klus bij ons gewoon door. Ik weet zeker dat ze niet meer kwam toen ik eenmaal naar de middelbare school ging. Nee, dat moet al eerder geweest zijn. Maar dat was al te laat: de donderdag bleef decennialang de vervelendste dag van de week, de dag van de ontregeling.

Tante Katrien was getrouwd met oom Jan. Dat was een heel ander geval, een aardige vent met diepe verticale plooien over zijn gezicht dat zo goed paste bij de lange leren jas die hij als motorrijder altijd droeg. Oom Jan kon prachtig tekenen; er hing een dorpspleintje van hem keurig ingelijst bij ons boven de kachel. En dat niet alleen, hij kon ook timmeren en lassen en zo kregen mijn grote broer en ik een prachtige kar. Het onderstel was van een kinderwagen, de bak was een groentekist, maar het stuur had oom Jan gelast en je kon er heel goed mee sturen. Ja, die kar is een verhaal apart.

Natuurlijk zal hij de leren jas niet altijd gedragen hebben, maar zo zie ik hem voor me. In die leren jas verongelukte hij met zijn motor. En die jas droeg hij ook toen de foto werd genomen die na zijn dood bij tante Katrien op het dressoir kwam te staan. Wij hadden die foto ook. Alleen draagt oom Jan op daarop niet meer zijn leren jas, maar een colbertje. Dat Hugo Liebe aangepast, de plaatselijke fotograaf die ook schilder was, of omgekeerd.

De tragiek van het verlies van die lieve oom Jan droeg tante Katrien met zich mee, dat merkte je nergens aan, maar het was wel zo, dus ik had met tante Katrien te doen. Alleen deed dat medelijden niets af aan mijn nare donderdaggevoel, dat gevoel van ontregeling, teveel zijn, niet welkom wezen, het niet goed kunnen doen, nee, dat medelijden kwam er juist bovenop: je moest het maar slikken. Zo leuk was het natuurlijk niet voor tante Katrien en haar twee kinderen.

Waar mijn moeder was? Ze was er gewoon bij; zij en tante Katrien deden alles samen op die vervelende donderdagen. Ik wist wel dat mijn moeder met me heulde. Ze knipoogde wel eens, maar ze zei niets.

Als ik op dondermiddags om half vier weer uit school kwam, liever met Dirk mee, of met een ander vriendje. Dat hielp amper: de donderdag was een mentale kwestie. Thursday is a state of mind.

17 maart 2021

Glimlach

Ik heb gestemd en ben niet gevallen. Nogal snel liep ik vanmorgen de deur uit om te gaan stemmen maar iets in mij was alert genoeg om rekening te houden met het kleine afstapje halverwege het paadje van de voortuin. Dat afstapje was er niet, al jaren niet meer, en zo raakte mijn rechtervoet de grond sneller, abrupter en voller dan ik gedacht zou hebben. Ik ‘struikelde over iets dat er niet lag en er ook niet behoorde te liggen.’ Het citaat komt vaker in me op als ik me met goede afloop verstap. Die goede afloop zal er ook wel aan bijdragen en volgens mij is het vooral dankzij dat spontaan opgeborrelde citaat dat ik meestal glimlachend verder loop. Er was verder niemand op straat op dat moment, dus niemand hoefde zich zorgen te maken om die man met die dwaze glimlach op zijn gezicht.

Het citaat vergezelt me al jaren, het ligt ergens keurig op een vaste plek in mijn bovenkamer, maar er hoeft maar iets te gebeuren en het springt tevoorschijn en altijd weer vind ik dat leuk. Het staat aan het begin van Ruitjespak. Dat is het tweede verhaal in de bundel De kleine parade, van Henriëtte van Eyk, maar ik las het in een leesboek voor tweedeklassers. Het verhaal is tot mijn vaste repertoire gaan behoren, al was het toen al wat gedateerd misschien. Nou en? Waarom zeg ik dat nou?

Zeven jaar geleden hebben we dat afstapje laten weghalen en kozen we voor een tuinpaadje dat iets meer helde. Mijn schoonvader, een negentigplusser toen, was al eens bijna gestruikeld, iemand had bijna zijn enkel verzwikt, maar toen Leen languit kwam te liggen, was het afgelopen. Toen hebben we het pad aangepast.

Op een avond in de week voor Kerst 2013 besloot Leen, hij woonde een eindje verderop, een kaartje bij ons in de bus te doen. Het was donker en het huis bood geen soelaas, want daarin brandde geen licht. Dat was ook niet nodig, wij zaten toen een paar maanden in Nieuw-Zeeland om pas na Kerst terug te komen. Geen licht dus. Maar dat opstapje halverwege het tuinpad was er wel en Leen zag het niet. Hij maakte een smak. Zijn neus werd nog diezelfde avond gehecht. De kerstkaart die hij al in zijn hand had, heeft onze deurmat nooit bereikt.

Pas een maand later hoorden we ervan en toen was ook duidelijk dat maar eens afgelopen moest wezen met dat verraderlijke af- dan wel opstapje. Zo is het gegaan.

Maar ergens, diep in mij, klinkt er dus automatisch een belletje dat me op het afstapje wijst. Ik heb geprobeerd de draadjes van dat mentale alarm los te trekken, maar dat is niet gelukt, zoals ook vanmorgen weer bleek. Het fantoomafstapje heeft gelukkig nooit een ernstige situatie opgeleverd, wel een leuk citaat dat spontaan opspringt als ‘ik struikel over iets dat er niet ligt en er ook niet behóórt te liggen.’

De glimlach bleef, ook toen ik het stembureau binnenliep, maar toen was dat omdat ik daar mee mocht doen aan het feest van de democratie, want dat is het als je stemmen mag, een feest.

15 maart 2021

Begonnen in Ideen van Multatuli

Het is hollen of stilstaan bij Multatuli. Ik heb tien ouwe blauwe bandjes met zijn Verzameld Werk en ben net begonnen aan deel 3; dat is de eerste bundel van zijn Ideen. In deel 2 sprak opnieuw het verhaal over Golgotha me aan, maar ik werd ook wel eens moe van het boek. De Ideen van het begin zijn nog vooral aforismen en uitlatingen, soms treffend, soms ook niet, al heeft dat ook te maken met hun leeftijd: ze zijn 150 jaar oud.
Een aantal is trouwens overbekend. De eerste bijvoorbeeld al:
1. ‘Misschien is niets geheel waar, en zelfs dat niet.’
Nummer 2 al minder: ‘Twee linker-handschoenen maken geen paar handschoenen; twee halve waarheden maken geen waarheid.’
Ik ben blij dat hij niet met een toepassing komt.

Moe werd ik in deel 2 van de manier waarop hij de opmerking of aantijging pareert dat hij het wel bijzonder veel over zichzelf heeft. Dan zijn zijn reacties wat flauw; bovendien heb ik ook wel een beetje last van zijn ik-gerichtheid en zijn eigendunk, al leveren die in de Ideen ook wel aardige momenten op. Van God moest hij niet veel hebben, maar dat weerhield hem er niet van om zich met Christus te vereenzelvigen, en dat op de manier van ‘ik en Christus weten er alles van.’
Idee 57 past in dat straatje: ‘Er is maar één weg ten hemel: Golgotha. Wie er wil komen langs anderen weg, is ’n infame smokkelaar.’
Dit idee geeft een onverwacht bruggetje naar iets anders wat hem hoog zit en dan gaat het om de belachelijkheid van sommige spellingregels. Zo fulmineert hij tegen de in zijn tijd nog gebruikelijke sch, niet alleen bij een woord als logisch, maar ook bij mensch en visch. Maar ook de slot-n van ‘anderen’ in bovenstaand Idee schrijft hij met tegenzin. Liever ook zou hij hollans schrijven in plaats van hollandsch. Dat brengt me natuurlijk bij een van zijn bekendste Ideen, namelijk nummer 41:
‘Ik leg me toe op ’t schrijven van levend hollandsch. Maar ik heb schoolgegaan.’

Tussen de Ideen veertig en de zestig heb ik meermalen een streepje gezet, zoals bij 48.
‘Een ruiter viel van ’t paard, en sinds dien tyd
Noemde ieder die van ’t paard viel zich ’n ruiter.’


Idee 50.
‘Ik paste een hoed, en zei: die maat is goed.
M’n kleine jongen had ’n hoedje noodig, en wou dezelfde maat hebben.
- Papa, je hebt gezegd die maat was goed.
Zoo’n kind.’


Ik heb het niet zo op bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden die een affect of een graad uitdrukken, daarom kan ik me vinden in Idee 51.
‘Wie me wat nadoet, is dikwyls m’n vyand, meestal vervelend en altijd ’n dwaas.’
Het zou zomaar een van zijn lijfspreuken zijn, maar hij is nog niet klaar met dit Idee. Hij vervolgt namelijk: ‘De adverbia in dit Idee zyn inkorrekt en schynen slechts te dienen om de maat van ’t vers voltemaken. Dit is by verzen dikwyls het geval, en niet met bywoorden alleen. Het overige is juist.’

Spelling en etymologie (ook al een stokpaardje) kom je tegen in 62 als hij vertelt dat hij er niet toe kan komen om ‘in ’t woord avend geen o [kan] plaatsen.’ Die o spreken we namelijk niet uit, ook etymologisch hoort hij niet in het woord thuis.

Flauw is hij dus ook zo nu en dan. In 58 vertelt hij dat er maar weinig boeken zijn waaruit je niet kunt leren hoe je niet moet schrijven. Meteen daarop zegt hij: ‘Neem één raad aan. Deze: dat ge geen raad aanneemt.’

14 maart 2021

Het recht is een vrouw

Bij de Poortstraat valt het geluid van de Nieuwe Kerk over me heen. Bij de tweede slag weet ik het weer: het klimaatalarm. Fijn dat ook de Nieuwe Kerk – de Utrechtse, dus niet die van Amsterdam of Delft - er aan meedoet. Terwijl ik verder fiets, hoor ik er nog twee, ik kan niet zeggen welke.
Onderweg wordt het gebeier overstemd door een vrouw die in de deur met een lepel op een deksel slaat. Blijkbaar is haar zojuist van de overkant toegeroepen: ‘Wat ben jij nou toch aan het doen, buuf?’ Want als ik passeer roept de dekselse meid dat ze dit doet voor het klimaatalarm. Zo zegt ze dat: ‘Voor het klimaatalarm.’ Volgens mij klopt de formulering niet helemaal, maar dat doet niets af aan de plotselinge liefde die in mij opwelt voor deze vrouw. En als ik op zoek zou zijn geweest naar een kerk, dan had ik vanwege het gelui vanmiddag misschien wel voor de Nieuwe Kerk gekozen. Andere deksels hoor ik overigens niet op mijn fietstocht. Wel signaleer ik later nog twee uitgediende demonstratieborden onder de arm van een man en een vrouw.
Daar had ik natuurlijk bij moeten zijn, bij de demonstratie. Gelukkig bedenk ik het me te laat; die tegen de verbreding van de A27 bij Amelisweerd van begin december leverde me enkele weken ongemak op en het is vandaag niet minder guur dan toen die zondag.

Ik kom ook nog langs het beeld van Vrouwe Justitia. Ze staat voor de rechtbank. Het is een mooi, eenvoudig beeld van Elselien van der Graaf. Waarom is al sinds de klassieke oudheid een vrouwe het symbool van gerechtigheid? Je kunt je even zo goed afvragen waarom Chronos een mannelijke god is, maar we hebben het nu over Justitia. En zou het niet interessant zijn om na te gaan of je inderdaad kunt zien dat dit beeld voor de Utrechtse rechtbank gemaakt werd door een vrouw? Ik merk dat ik dat wil. Daar zou ik het ook over kunnen hebben. Maar ik blijf tobben over die rare blinddoek. Ook als ik een foto heb gemaakt en weer verder fiets. Waarom een blinddoek en waarom dan bijvoorbeeld ook niet meteen dikke proppen in haar oren? Waarom moet de gerechtigheid blind zijn? Ik zou juist zeggen dat die goed uit haar doppen moet kijken. Niet doof maar ook niet blind. Vrouwe Justitia is Vrouwe Fortuna niet!
Na twee stoplichten, en bij een ervan zie ik dus die twee demonstratieborden oversteken, dringt tot me door dat de Vrouwe Justitia van Van der Graaf geen weegschaal draagt, maar ook geen zwaard in haar knuist houdt. Nu wordt het me toch een beetje te gortig: blind, geen afweging en ook geen vonnis. Gekker moet het toch niet worden.

Pas als ik thuis ben en de gemaakte foto’s nog eens bekijk, herken ik in de bevallige houding van de Stichtse Juus, een balans. Ze is zelf een weegschaal. Daarna is het zwaard een eitje: zoals het zwaard Excalibur van Koning Arthur in de rots stak, zo steekt deze Justitia als een zwaard in het plaveisel van het plein voor het gerechtsbouw. De vrouw identificeert zich met haar taak, nee, ze ís waar ze voor staat. Daar heb je geen attributen voor nodig, bij haar is alles inclusief. Misschien is dat de boodschap van de maakster.
Dan vermoed ik dat deze Juus van Elselien dwars door dat doekje voor haar ogen heen kan kijken.

13 maart 2021

Kijk eens hoe hoog wij zijn

Ik slaap er al een paar nachten slecht van. Niet omdat er op dit punt iets ernstigs aan de hand is, het viel juist allemaal heel erg mee, maar omdat ik dat wel even heb gedacht. Mijn gevoelige plek weer even een beurt kreeg. Ik denk dat die er niet minder op wordt. Met terugwerkende kracht komen er lang verleden huis-, tuin- en keukenongelukjes langs, met dit verschil dat ze ooit keurig hun beurt in de tijd afwachtten, maar nu simultaan hun slag slaan. De gebroken neus, de gehavende armen en kinnen, de abcessen, de hardnekkige longontsteking, het benauwde gepiep, de koliek.

Het was de hoogste tijd voor een bezoek aan de speeltuin om de hoek, vonden Markus en ik. We hebben het nu over eergisteren. Hij nam nog gauw even wat druiven en schoof toen zijn kinderstoel van tafel, een tripptrappgeval. Ik keek toe vanaf de bank, bezig mijn schoen te strikken. Markus duikelde voorover en plofte als een grote zomervrucht vol op de tegels van de keuken. Ploffen is een onomatopee. Ik geloof niet dat ik dat laatste op dat moment heb gedacht, want ik was de kamer al door gerend om hem in de keuken van de grond te rapen. Er moeten geen vijf seconden tussen gezeten hebben, maar dat was genoeg om zijn voorhoofd blauw te zien worden en een bult te zien ontstaan. Hij huilde onbedaarlijk, klemde zich aan me vast. Toen hij merkte dat oma intussen ook weer in de buurt was, wilde hij verhuizen.
Het huilen bleef. En toen dat op hield vielen zijn oogjes telkens dicht. De koude lap die ik op zijn voorhoofd legde, vond hij vervelend. Hij reageerde dus nog adequaat, maar dat veranderde niets aan de armzalige staat waarin hij verkeerde. Het draaien met die oogjes beviel ons niet, en dat die smak! Hij viel in slaap.

Zijn moeder werd opgetrommeld en we reden naar de dokter en daarna, na de nodige instructies, waaruit we begrepen dat het waarschijnlijk allemaal goed was afgelopen, konden we weer naar huis. Hij wilde naar zijn eigen huis.
Daar lag hij een uur later te zingen in zijn bed. Er was niets aan de hand. De nacht erna is zijn moeder volgens de aanbevelingen van de dokter een paar keer wezen kijken. Hij sliep als een os.Ik niet. Ik zag al die kinderen vallen, die keren dat handen te kortschoten. Steeds waren er weer die akelige regels van Rutger Kopland, uit de reeks ‘Bij de dood van mijn vader’. In het vierde gedicht, dat heet ‘Een lange wandeling’ lees ik:

[…] kijk
eens hoe hoog wij zijn. En inderdaad zij
zijn buiten bereik, al zij vielen,
ik zou hen moeten laten vallen.


En dat gebeurde, gisternacht en deze nacht opnieuw.

11 maart 2021

Wat niet is

Langs de weg staan bilboards met de heer Rutte erop. Er zijn verschillende foto’s: af en toe wijst hij naar me, maar meestal loopt hij me tegemoet met een koffiebekertje in de hand. Waarom is dat een wegwerpbekertje en niet bijvoorbeeld een aluminium beker? Is dat een statement? Twee keer voorzagen grappenmakers hem flauw genoeg van een vierkant snorretje. Terwijl Rutte niet eens lijkt op Charlie Chaplin. Ook mevrouw Kaag lacht me geregeld toe. Gelukkig zonder verminking. Dan kom ik nog veelvuldig de heer Baudet tegen. Doorgaans met een sticker op zijn neus en, kijk, dat vind ik nou weer niet zo erg. Dat er nog plakkers te vinden zijn die deze man op het schild van een bilboard tillen.
Ik wil het er verder niet over hebben.

Gisteravond zag ik op de BBC een man van een jaar of tachtig en ik wist het meteen: zo ziet onze Tommy van twee er over tachtig jaar uit!
Nu zijn er fotobewerkingsprogramma’s die je laten zien hoe je er als stripfiguur uitziet of je ziet hoe je over twintig, veertig of zestig jaar door het leven gaat. Maar op tv zag ik dus de Tommy, zoals ik hem bij leven nooit zal meemaken, al zou ik het kunnen proberen door de uitzending terug te kijken en dan wat foto’s te maken. Met die bewerkingsprogramma’s schakel je de hobbel van de tijd gewoon uit, als die programma’s betrouwbaar zijn, dus dan zou ik geen tachtig jaar meer hoeven wachten.

Dat kun je checken door een kinderfoto van jezelf, van je ouders of grootouders te gebruiken. Daarmee zou je te zien kunnen krijgen of iemand inderdaad wel haar of zijn eigen zelf is geworden of dat er ergens iets misging.
Als ik terugkijk naar oude foto’s valt me overigens op dat ooms en tantes van vroeger levenslang herkenbaar blijven en hier en daar zie je op de oude foto’s trekken terug van hun veel latere nazaten. Toch word ik vooral achterdochtig, want als ik van mij onbekende mensen een recente plaat zie én een jeugdfoto, dan lukt het vaker niet dan wel om gelijkenis te ontdekken. Ik hou het er maar op dat er in hun leven blijkbaar inderdaad iets misging, of dat omgekeerd iets onverhoopt toch nog goed gekomen is.
Al met al vrees ik het ergste voor die fotobewerkingen.

Mijn moeder vertelde wel dat ze zich ’s avonds op bed regelmatig had liggen afvragen wat haar kinderen later zouden gaan doen en ook hoe ze er zouden uitzien. Er had niets van geklopt, zei ze later. Natuurlijk vroeg ik haar of de uitkomst mee of tegen viel en ook wel wat ze dan wél had verondersteld indertijd, maar daar gaf ze geen antwoord op. Waarom niet? Wel vertelde ze vrolijk verder dat ze dat later ook weer deed met de kleinkinderen; ook bij hen kwamen dromen haar niet uit. Ik geloof niet dat ze overspannen verwachtingen had. Maar de voorspellende waarde ervan bleek nul.Bij Tommy zal het ook wel niet kloppen: die ziet er als tachtiger waarschijnlijk heel anders uit dan de man die ik op tv zag.

Als je nou die politici op hun bilboards met een fotoprogramma zou terugvertalen naar hun kleuterpendant om op basis daarvan een beeld van hun hun huidige kop te reconstrueren. Hoe zouden die er dan uit zien? Waarom zou ik dat willen weten? Ik kan het je niet zeggen. Wil ik het wel weten? Ik geloof van niet, maar we hadden afgesproken het daar verder niet over te hebben.

10 maart 2021

Lukaffff

Na een bezoek aan de speeltuin van het Griftpark rende Lukas nog even de heuvel op die we de teletubbyheuvel gedoopt hebben. Dat leek Markus ook wel wat. Die deed daar met zijn twee jaar veel over, maar wat gaf dat? Hij wilde nog een keer de helling op en af. Lukas, zag ik van een afstandje, kwam al dichter in de buurt van mijn fiets.

Daar stond hij niet meer toen ook Markus klaar was met de heuvel. Waar ik ook keek, ik zag geen Lukas. Was hij weer teruggegaan de speeltuin in? Had hij het pad achter me genomen, het pad voor me, was hij linksaf geslagen? Ik wist het niet. Vlug plantte ik de peuter op het zadeltje op de stang en fietste naar links. Ik zag geen Lukas, ook niet bij het volgende kruispunt. Het meest voor de hand lag het om hier rechtdoor te gaan en het brede pad te blijven volgen, al zag het pad links er leuker uit. Alleen, het pad naar rechts zou het goeie zijn, maar kon Lukas dat weten? We namen deze weg nooit als we naar het Griftpark gingen. Ik ging naar rechts. Tweehonderd meter verder zouden we in een wirwar van straten terecht komen en als al je niet hopeloos verdwaald was, kwam je bij een drukke weg uit. Het zweet brak me uit.

In de verte zag ik hem lopen. ‘Lukas!’ riep ik met een volume waar ik zelf van schrok. Markus niet, die vond het wel leuk en echode mijn roep: ‘Lukaf, Lukaf!’ Dat was niet nodig, want Lukas was al stil blijven staan, toen zijn naam onverhoeds uit de lucht kwam vallen. Hij stond uit, zo leek het, ook toen ik bij hem kwam. Ik had het over verdwalen, weglopen, schrikken. Lukas zei niets. Wel trok hij zijn been half behulpzaam op toen ik hem achterop tilde. Daar bewoog hij niet. Markus riep af en toe nog eens ‘Lukaf.’

Bij de schuur barstte Lukas in huilen uit. Ik trok hem tegen me aan en zei dat ik er niet aan moest denken dat ik hem kwijt zou zijn.

Ik lees verder in het boek van Jo Boer, Kruis of munt. Daarin dwaalt de zeven- of achtjarige Jopie tijdens een verjaarspartijtje door het park van het Haagse Zorgvliet. Ze speelden verstoppertje maar blijkbaar is men haar vergeten. Het houdt haar niet bezig. In plaats daarvan laat ze zich bedwelmen door het moment van bosanemoontjes en een eindeloos veld vol klokjesbloemen. Ze gaat er languit in liggen. Het duurt lang voor men haar gevonden heeft, maar nogmaals: dat houdt haar niet bezig.

Toen moest ik ineens weer denken aan onze Lukas van vijf, veertien dagen geleden. Natuurlijk had ik hem gevraagd waarom hij niet bij de fiets had gewacht. ‘Ik liep alvast de kant op naar huis,’ had ie later gezegd. Hij zou daar uit zichzelf nooit gekomen zijn, wist ik, maar dat zei ik toen niet en nu bedenk ik dat ik hem had moeten vragen wat hij allemaal bedacht had terwijl hij daar liep. Misschien ook had die harde stem die zijn naam de wereld in knalde als een steen zijn zieltje geraakt om dat eens flink te beschadigen. Misschien ook niet. Misschien bleef dat harde ‘Lukas!’ wel resoneren in het peuterhoofdje van zijn broertje Markus, en zou die er later nog eens aan terugdenken, zonder te weten waar die kreet toe had gediend. Misschien zou hij denken: toen die keer riep opa zo hard Lukas dat ie er plotseling nog was ook. Maar zo is het niet geweest.

09 maart 2021

Sprits

In de roman ‘Kruis of munt’ van Jo Boer sabbelt de vijfjarige Jopie op een koekje en dat bevalt me wel. Ze eet omzichtig de randjes van het koekje en daarna moeten een voor een de letters op het koekje eraan geloven. Ten slotte blijft er een restje van het spritsje liggen.

Dat lees is: spritsje, maar ik geloof niet dat het om een spritsje zou gaan. Vertel mij wat spritsen zijn. Maar wel rook bij het lezen onmiddellijk de spritsen van Voskamp en ik kreeg er ontzettend veel trek in. Een sprits is een koek van opgespoten deeg; daar dankt hij ook zijn naam aan. Van spritskoeken bestaan allerlei varianten, vierkant, rond, groot klein, recht of in een golfje gespoten of in een cirkel, maar de enige echte sprits, kan ik je vertellen, is de rozetsprits, waarbij een pinkdik gat in het midden geen vereiste is, maar wel bijdraagt aan de waardering van de sprits. En hij is groot. Ik moet me niet in de luren laten leggen door kinderlijke herinneringen die alles van vroeger groter, verschrikkelijker, mooier, lekkerder maken, dat weet ik ook wel, maar de meetlat van mijn geheugen laat het niet toe dat de diameter onder de tien centimeter komt. Ik houd het liever op twaalf en dan nog geloof ik niet dat ik overdrijf.

Dan heb ik het natuurlijk wel over de spritsen van bakkerij De Tijd, oftewel bakkerij Voskamp, op de hoek van de Helmstraat in Monster. Graag zou ik je willen aansporen om er nu onmiddellijk heen te gaan, maar dat heeft geen zin: je bent te laat; de bakkerij is er niet meer. Heel jammer is dat, want de spritsen van Voskamp waren groot, lekker en vers.

Ze hoorden bij de woensdagmiddag. Dan trokken van verschillende gezinnen de moeders en de kinderen naar een huis aan de Molenweg, dichtbij de bakkerij in kwestie. Het was meer regel dan uitzondering dat er op een gegeven moment kinderen op pad werden gestuurd om een zak spritsen te halen. Ik ging altijd mee. Achteraf begrijp ik ook waarom ik zo’n hang had naar de bakkerij en de spritsen die daar gebakken werden. Ik werd geboren in het huis ernaast. Er moet toen een oostenwindje hebben gestaan dat een zoete baklucht de kamer in blies waar ik geboren werd. Dat was in de vroege morgen van een zomerse dag, het moment waarop bakkers druk in de weer zijn. Vanwege het weer zal het raam een beetje open hebben gestaan.

Bakkerij De Tijd heeft lang bestaan en eerlijk gezegd verbaast het me dat de winkel er niet meer is. Internet voert me wel naar een hele keten van bakkerijen met de naam Voskamp. De oorsprong daarvan ligt in Spijkenisse en daarvoor moet je terug naar 1969. Toen kwam daar de eerste bakkerij Voskamp, zo vertelt de betreffende website me. Dat de geschiedenis verder teruggaat, naar Monster, vertelt de website niet. Maar dan zie ik een foto van de oprichter van de bakkerijen daar in en om Spijkenisse. Die kop ken ik. Heette die man niet Frans? Ik weet het niet, maar ik pak wel de telefoon om even daarna te horen dat bakkerij Voskamp inderdaad begonnen is door een Monsterse bakkerszoon, dus door mijn onbekende buurjongen. De spritsen van Voskamp bestaan dus nog.

Er komt een moment dat ik naar Spijkenisse rijd, om daar een pak spritsen te kopen. Dat doe ik op een woensdagmiddag. Mijn babytijd kende moedermelk en paplepel, jawel, maar via mijn kleine neusje zocht de geur van versgebakken sprits zich een weg naar het diepst van mijn geheugen.

07 maart 2021

Dia’s op zondag

‘Gedenk de sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat; daarop zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstmaagd, noch de vreemdeling die in uw stede woont. Want in zes dagen heeft Hij de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevenden dag. Daarom zegende Hij de sabbatdag en heiligde dien.’
Ik hoop maar dat ik correct heb geciteerd, ik deed het uit het hoofd.
Bij mij is alles liefdewerk, want om in mijn onderhoud te kunnen voorzien, hoef ik niets te doen. Dat neemt niet weg dat ik bepaalde dingen niet doe op zondag. Niet om den Heere welgevallig te zijn, sorry, maar omdat het een slimme regel is. Wel eentje waar ik niet consequent mee omga. Dat wil zeggen: ik ga er consequenter mee om wanneer er veel aan mijn fietsbel hangt, zoals de uitdrukking zegt. Om te beginnen is internet taboe. Dat scheelt al. Maar voor kerken-, schrijf- of ander werk moet je op zondag ook niet bij me aankloppen. Digitaal heeft sowieso vaak geen zin, want bij een kerkdienst gaat mijn mobieltje op de stille stand. Doorgaans vergeet ik daarna om het weer in te schakelen. Een zondag zonder computer is een betere zondag. Maar nogmaals: consequent ben ik niet en omdat ik er vandaag wel zin in had om weer wat dia’s te digitaliseren, kreeg ik toestemming, naar ik aanneem ook van hogerhand.
Dat digitaliseren gaat langzaam, maar omdat ik de prentjes meteen een beetje opknap, lijkt het juist snel te gaan, want op het digitaliseren van vier dia’s knap ik er twee en soms drie op, met als gevolg dat er een stuwmeer aan nog op te knappen foto’s ontstaat. Ik vind het leuk om te doen.
Vandaag bijvoorbeeld brachten we de voorjaarsvakantie van 1986 door in Ruinen en met Pasen waren we bij mijn moeder in Monster. Daar zag ik hoe de oudste yoghurt gelepeld kreeg uit die de vlaflipglazen. Ze waren even lelijk als onvermijdelijk, die eeuwige vlaflipglazen van mijn moeder! Nu zijn ze verdwenen. Geen idee wat ermee gebeurd is. Op binnenshuis genomen dia’s zie ik vaak een asbak. Daarin ligt vaak een pijp van me. In Monster stond er altijd een grote kristallen asbak, ongetwijfeld een relatiegeschenk. Ik vond hem wel mooi. Mijn moeder had er drie kleine viltjes onder geplakt. Zij was zuinig op haar spullen. En ik zie ergens een oude aardewerken melkkan, van een wit dat naar geel neigt, met kleine blauwe bloemetjes. Het zou met niet verbazen als die kan ook al door een eerdere generatie gebruikt werd. Ik zou nooit meer aan die kan gedacht hebben als ik er zojuist niet een stofje van had moeten afhalen, een digitaal stofje dan, van een digitale kan. De kan was niet alleen mooi, maar ook praktisch. Je kon er slagroom in kloppen, je kon hem als schenkkan gebruiken voor limonade, bowl of water. Bij hoogtijdagen met een extreem boeketgehalte diende hij ook wel als vaas. Ja, hij zag er zeer bescheiden uit, decent is het goede woord, maar wat was hij handig.
Die kan is me het dierbaarst. Ik hoop maar dat die niet in de Monsterse kringloopwinkel terecht is gekomen, maar dat een familielid hem mee naar huis heeft genomen die er nu heel blij mee is.

Zal ik toch het citaat uit de tien geboden nog even controleren?
Nee, niet doen op zondag doen we geen kerkenwerk.

06 maart 2021

Professor doctorandus

Uit Australië kwam vandaag een pakketje binnen voor ‘Prof Borgdorff.’ Ik vroeg me even af of dat een vergissing was of dat er opzet in het spel was. Was het een manier om de Australische afzender dan wel de Nederlandse bodedienst aan te sporen om vooral snel dan extra voorzichtig met deze bestelling om te gaan?

In 1965 begon ik het leven als een gevangenis te ervaren. Dat had alles met school te maken en de ellende was: alles wás school. De lesuren die je doorbracht, de weg erheen en altijd tegen de wind in weer terug om daarna dat vreselijke huiswerk te doen, dat ik uitstelde omdat het zo verschrikkelijk was, zodat het ook nooit afkwam. Voor ik het wist, zat ik een plaatje te draaien of bleek ik met een tekening bezig of ik staarde uit het raam.
Of ik pakte mijn atlas en volgde met mijn vinger de weg die ik zou gaan door de wereld. Ik zou een kampeerbusje kopen, een Volkswagenbus waarvan je het dak kon verhogen. Daarmee zou ik die hele wereld bereizen. Ik zou stukken naar kranten sturen en daarmee zou ik mijn reizende bestaan bekostigen. Op multoblaadjes begon ik alvast met mijn route. Die begon in Monster en daarna zou ik via Poeldijk, Wateringen en Rijswijk eerst een stuk van de E8 nemen om bij Arnhem het land te verlaten.
Ook moest ik weten wat ik in al die landen wilde gaan bezoeken. Daarvoor stuurde ik regelmatig een briefkaart naar een ambassade. Het telefoonboek van Den Haag hielp me daarbij enorm en in een la van mijn vader lag een dikke stapel voorgefrankeerde briefkaarten waarvan ik onopgemerkt gebruik kon maken.
Over Tsjecho-Slowakije, Polen en Zuid-Afrika kreeg ik al vrij snel prachtige informatie. Dat was mooi, maar er waren ook ambassades die niet reageerden. Veel meer succes had ik toen ik de briefkaarten niet meer met de hand schreef, maar een tikmachine gebruikte. Het woord ‘wereldreis’ verving ik door ‘een grote reis waarbij ik ook uw land wil bezoeken’ en voor de afzender gebruikte ik niet meer mijn voornaam, maar ‘Drs. L.’ Dat had succes. Ik kreeg ook wel landkaarten toegestuurd die me duidelijk maakten dat er ook in het buitenland veel meer plaatsen en wegen bestonden dan mijn Bosatlas suggereerde. Van Volkswagen kreeg ik een folder dubbel zodat ik mijn droomauto kon uitknippen om naast mijn bed te hangen: een tweekleurige bus, met uitgeschoven dak en twee mensen die ervoor zaten, op kampeerstoeltjes, bij een vuurtje. Een man en een vrouw. Dat stak ik er ook van op: ik zou niet alleen op reis gaan, maar met een vrouw. Nu was dat nog een meisje; daarom was het zaak om goed naar meisjes te kijken, want misschien zat daar mijn toekomstige reisgenote en geliefde wel tussen.

Dit leerde ik ervan. a. Je moest niet te beroerd zijn om de voorraad briefkaarten van je vader te blijven plunderen. Uiteindelijk had ik dan ook een bananendoos vol boekjes, folders, tijdschriften en landkaarten. Ik kon eindeloos zitten bladeren in wat er allemaal binnenkwam. Dat kwam wel goed.
b. je moest er goed op blijven letten dat je niet je gedroomde reisgenote mis liep.
c. Die Volkswagen was nog een puntje, maar ja, je kon toch pas op je achttiende je rijbewijs halen, dus dat had nog wel even tijd.
d. School werd van ondergeschikt belang. Studeren was helemaal niet nodig. Je hoefde alleen maar drs. voor je naam te zetten.

05 maart 2021

Bureaustoel

Dit stukje schrijf ik vanuit mijn nieuwe bureaustoel. Wel een moment om even bij stil te zitten. Twee maanden geleden kwam er een scheur in de zitting van de stoel die nu, gedemonteerd en wel, beneden in de gang staat om te worden weggevoerd zodra ik hiermee klaar ben. Die scheur is het resultaat van veelvuldig gebruik. Nu kun je dat makkelijk oplossen, in mijn geval: laten oplossen, met een nieuwe overtrek. Nadere inspectie leerde alleen dat ook de schuimrubberen laag daaronder, bedoeld om mijn billen te gerieven, bezig was om in poedervorm te verdwijnen. Dat verklaarde het stof op de grond, al was het meeste in de zijkanten van de bekleding blijven hangen. De stoel is nooit mijn liefde geweest. Het was een krijgertje, wat ook geldt voor het bureau waaraan ik zit, afkomstig uit een kantoor dat failliet ging. Daar zat zelfs nog een handig ladenblok bij. Ook het bureau is niet mijn meubilaire liefde, maar het is ongelofelijk praktisch: groot en het vult mijn werkkamer optimaal. Soms kijk ik wel eens stiekem naar andere bureaus, sterker nog: er staan er hier twee in huis, die me veel dierbaarder zijn, maar zo praktisch als dit bureau zijn die niet. Nee.
Dat gold ook voor die stoel. Gold, zeg ik, let op de verleden tijd.
Een vervanger was snel gevonden. Via Marktplaats, want daarop is een levendige handel in bureaustoelen.
Op zaterdagmiddag, anderhalve maand geleden, kocht ik er na wat gemopper over een losse leuning eentje voor 35 euro. Op zondagmiddag zette ik hem weer op Marktplaats, na wel even de leuning te hebben vastgedraaid. Het ding verdween tot mijn verbazing een uur later al weer uit mijn leven. Op de versleten stoel legde ik daarna een kussen en daarmee was de kous voorlopig af.

Totdat ik me erop betrapte dat ik op mijn mobieltje wel erg vaak naar een bureaustoel zocht, een nieuwe, want ineens had ik geen zin meer in een afdankertje. Heel, ik zeg héél, in de verte heeft dat met smetvrees te maken. Daar zet ik me natuurlijk als een flinke vent overheen, maar na de aankoop van de verkeerde stoel was ik er op dat punt blijkbaar anders over gaan denken. Ik weet niet precies hoe dat werkt. ‘Ik zou het maar doen,’ zei Mente toen ik haar een plaatje van een stoel liet zien, om precies te zijn een plaatje van de stoel waarin ik nu dus zit.

Ik moet nog een beetje wennen. Niet aan het uiterlijk: hij oogt veel fraaier dan zijn onttakelde voorganger in betere dagen deed, lichter, ranker, maar ook comfortabeler. Zonder bureau zit hij goed, maar rammelend op een toetsenbord is het nog wennen, de armleuningen bijvoorbeeld. Bij de vorige sloopte ik die eraf. Die zaten in de weg, maar ik merkte de laatste tijd dat mijn armen het zat werden om tijdens het tikken in het luchtledige te moeten bengelen.

Zijn voorganger gaat naar de vuilstort. Om hem makkelijker de trap af te krijgen heb ik hem uit elkaar gehaald. De bouten heb ik weer teruggedraaid, maar nu zie ik hier op de grond nog een borgringetje liggen. Ik heb de neiging om weer even een boutje uit te draaien en het ringetje erachter te zetten. Dat is onzin natuurlijk. Dat dient geen enkel doel meer. Ik zal het zo in de prullenmand gooien.
Ik merk dat ik dat een vervelend idee vind. Het kleine jongetje in mij steekt de kop op, het jongetje dat snoeppapiertjes liever in zijn zak houdt dan ze weg te gooien.
Niet zeuren: eerst dat ringetje weg en dan die ouwe stoel.

04 maart 2021

Jaren later

We komen in een klassieke opstelling terecht, elk in een van de negentiende-eeuwse stoeltjes aan weerszijden van een raam dat uitziet op een grote tuin. Het was me bij aankomst al opgevallen dat er veel meer sokkels in die tuin te zien waren dan beelden.
Blijkbaar werd er nog wel wat verkocht af en toe, maar de toevoer van nieuw werk was al geruime tijd gestopt. Het maakte duidelijk bij wie ik op bezoek ging.
Aan het hekje hing een bordje met in grote letters het woord gesloten. Daarboven hing een grote bel. Ik schrok van het geluid, het sloeg door mijn hoofd en het kon niet anders of aan de overkant van de Maas was het nog te horen.
Het bordje negeerde ik en zonder te wachten liep ik door, over het paadje langs de boerderij, naar een deur met een drukbel ernaast en een sleutel in het slot. Ik belde opnieuw. Nu hoorde ik juist niets. Ik wachtte niet. De deel stond vol met Afrikaanse beelden, het was ongelofelijk. Later die middag zou ik er nog een kwartiertje rondlopen, tussen die beelden maar vooral ook tussen zijn eigen werk.

Er waren veel verschillende deuren waar ik uit kon kiezen, verschillend ook in kleur en formaat. Ik riep zijn naam nog een keer en koos voor de breedste deur. Die ging open toen ik mijn hand uitstak naar de deurkruk. En zo stond ik even later met zijn hand in de mijne.

Een jaar lang kreeg er niemand een hand van en nu dit. Het was een prettige vergissing van twee kanten. Er was ook een vrouw. Zij zorgde voor koffie, zette later de bloemen die ik had meegenomen voor ons op het tafeltje en toen ging ze weg. Een jaar of dertig geleden was ze hier begonnen om wekelijks de boel een beetje bij te houden. Ze was verhuisd, had een eigen leven ingericht, maar de klus die ze als schoolmeisje deed, was ze blijven doen.

Ik moest niet op de bank gaan zitten, maar in de fauteuil tegenover hem, bij het raam.
‘Ik moet aan je wennen,’ zegt hij. ‘Heb ik je vijftig jaar geleden voor het laatst gezien?’ Dat klopte niet, het is bijna dertig geleden, maar hij had gelijk: de tijd dat we elkaar regelmatig zagen, ligt veel verder achter ons.

Hij is altijd mijn jongste oom geweest. En ik bewonderde hem. Toen ik een kleuter was, begon hij steeds meer toe te geven aan zijn behoefte tot tekenen, schilderen en later tot het maken van sculpturen. Bovendien begon hij in antiek te handelen. Kortom: hij deed wat goed was in mijn ogen, en wat hij deed wilde ik ook wel. Het was dan ook vanzelfsprekend dat hij me tien jaar later niet alleen van tekenopdrachten voorzag, maar ook materiaal daarvoor aanleverde. Eens in de maand trok ik dan met mijn mapje naar Delft en dan vond hij er iets van. Dat ik daarmee stopte, had onder meer te maken met mijn dierbare kunstzinnige vriend uit Den Haag, met wie ik toen al veel optrok. Die was mijn meerdere. Ik kon maar beter een kijker worden. De lessen verdwenen, het contact bleef, totdat ik naar Utrecht vertrok; totdat ook hij en mijn tante uit elkaar gingen. We zagen elkaar nog sporadisch en ten slotte niet meer.

Er zit intussen een heel leven tussen ons.
Als ik weg ga, vertelt hij dat hij een positieve mededeling voor me heeft.
‘Je bent goedgekeurd. Je mag terugkomen en daar hoef je niet lang mee te wachten.’

03 maart 2021

K-k-koud

Dit stukje schrijf ik met een koud hart, bevroren vingers en een glas gelukkig hete koffie. Voor ik op de fiets stapte, zat er al een agenda in mijn hoofd. Vandaar dat ik maar met het fietsen moest beginnen. Dan hadden we dat maar gehad. Daarom ook koos ik voor het rondje dat ik al dertig jaar fiets als ik niet over een route wil nadenken. Wel had ik nog gauw even mijn cameraatje bij me gestoken, je weet immers nooit wat je tegenkomt. Voor de ooievaars hoefde ik het niet te doen, maar stel je toch voor dat je een vliegend tapijt ziet, en je kunt het naderhand niet bewijzen.Ik zag geen vliegend tapijt, maar wel een beeld, een heel groot en lelijk beeld, maar toch stond ik even stil om het te fotograferen. Het batterijtje van de camera was leeg. Dat vond ik wel een geruststellende gedachte: nu kon ik gewoon doorfietsen en mocht ik momenten die schreeuwden om fotografische vereeuwiging negeren, lekker puh.
Maar Lex negeren kon ik niet. In geen zes jaren had ik hem gezien. Er stond nog wel een afspraak open maar die was nooit ingelost. Hij en ik fietsten enkele jaren samen naar en van school, waren vakgenoten en broeders in het management waarbij we zelfs een tijdlang een kamer deelden. Toen sloegen gezondheidsklachten, pensionering en nog het een en ander toe, allemaal redenen die het niet tot argument hoefden te brengen, maar van een ontmoeting kwam het niet meer. Een verhuizing en een ander telefoonnummer deden de rest. Zoals die dingen gaan.
Het was een vrolijke ontmoeting. Hartverwarmend, maar na een kwartier bleek toch dat ik voor een ontmoeting als deze iets te dun gekleed was. Ik fietste verder met een nieuwe afspraak en een vers telefoonnummer en een routebeschrijving naar de nieuwe woning.

Vijf minuten later belde na twintig jaar een Haagse achterneef die me vertelde dat zijn perspectief alleen maar aan de andere kant van de heuvel te vinden was, waar de eeuwige velden lagen. Hij had het niet over jachtvelden, de verre achterneef heeft als huismus niets van een jager in zich.
Was het een afscheidsgesprek? Ja, en nee, het ging over genealogie en rechten en registratie, en wat al niet. Misschien, bedacht ik, terwijl het gesprek in de verste verte niet iets van een punt liet zien, maar integendeel via familieleden die niet of juist wel deugen, in binnen- en buitenland, via voor altijd afgekochte grafrechten en gedeelde Haagse herinneringen alle kanten uit waaierde, misschien is dit gesprek over een parenteel die geen parenteel is maar een beknopte genealogie voor mijn achterneef wel belangrijker dan een gesprek over zijn aanstaande dood. En dan: hoe lang het gesprek ook mocht gaan duren, je kon na een pauze van twintig jaar niet zeggen dat hij me plat belde, ook al zou dit gesprek misschien wel een half uur gaan duren. Het werd 37 minuten en 14 seconden. Toen was ik al weer gaan fietsen, met het mobieltje in mijn hand, maar warm kreeg ik het niet meer. Ook daarna niet, toen ik een vergeefse poging daartoe deed door een sprintje te trekken.

En die agenda? Daar loopt het helemaal mis mee vandaag. Vermoedelijk horen we er wel iets over op het journaal en vind je morgen een berichtje in de krant.

Ziezo, in mijn vingers zit intussen weer een beetje beweging, maar ik heb het nog steeds ontzettend koud.

28 februari 2021

Viltstiften 3

We schrijven zondag en het is twee uur als ik mijn eerste streepje zet op de grafsteen van mijn grootouders. Het is een streepje aan de achterkant om te kijken of het werkt en, zo ja, hoe het dat doet.
Het werkt en het valt mee. Ook aan de voorkant. Dat er de afgelopen tachtig jaar erosie heeft plaats gevonden is duidelijk. We hebben het over een betonnen plaat, die met zijn snufferd op het zuidwesten staat, aan de rand van het kerkhof en dat op een plek waar je op rustige momenten de zee kunt horen. Wel staan er wat struiken en bomen ter beschutting, maar nu valt me bijvoorbeeld op dat het licht er ongehinderd doorheen valt. Dat zal voor een aanjagende wind ook gelden.
De inkepingen van de letters zijn ongelijk. Er is ook voor gekozen om verticale lijnen dik te maken, maar als er een diagonale lijn is, dan krijgt die voorrang, dus in dat geval is de schuine streep van de hoofdletter N dik en diep, en zijn de twee verticale poten dun. Bij twee schuine lijnen, dus bij de kapitale A, is de rechtse diagonaal dik, de andere niet.
De oorspronkelijke zwarte verf is goeddeels verdwenen. Verder zijn de diepe geulen vaak dieper geworden, terwijl de dunnere lijnen er vaak helemaal niet meer zijn. De meegebrachte schroevendraaier en een liniaaltje verrichten daarom belangrijk reconstructief voorwerk.
Aan de schreven van de letters valt niet veel eer meer te behalen; ze zijn hun scherpte kwijt. Maar het werk valt mee, en met het voorlopige resultaat ben ik zeer tevreden. Voorlopig, zeg ik, want ik ben nu op tweederde. Oma Cath. Borgdorff – Manuël mag dan wel weer een goed zichtbare naam op haar steen hebben, maar dat zij leefde van 10 – 12 – ’81 tot 19 – 12 – ’41 is nog een groot geheim.

Dat moet nog. En dat geldt ook voor de reclameboodschap onderaan de steen:
Hun leven was Christus
Hun sterven gewin.


Er zijn op de steen alleen kapitalen gebruikt, groot en klein kapitaal, en dat dan ook nog in verschillende grootten, als je begrijpt wat ik bedoel. Dat wordt priegelen en flink bukken de volgende keer.

Mijn broer komt me even opzoeken. We vragen ons af waarom er ‘Cath.’ staat bij oma, en niet C.; bij opa staat immers ook alleen een A.
Achter me, voorbij de genoemde struiken en bomen, achter de straat ook waar ik honderd keer mijn vaders auto heb staan wassen, zaten mensen in de tuin. Ze hadden het naar hun zin. In de uren dat ik met de steen bezig was, heb ik alleen maar gelach en vrolijke stemmen gehoord. Nu verbaast me dat niets, want het kwam uit de tuin waaruit vroeger ook altijd gelach en gepraat opklonk, namelijk dat van onze buren. Over de buren gesproken: die liggen hier ook, recht tegenover mijn grootouders.
Het dringt nu pas tot me door dat al die huiselijke geluiden, en dus ook die van ons, ja, ook die van mijn vrolijke vader, hier te horen waren.
Feitelijk heeft mijn vader zijn ouders niet alleen zijn leven, maar ook zijn dood lang binnen gehoorsafstand tot zijn beschikking gehad. Hij hoefde maar even te roepen en niet eens zo hard, en het zou hier te horen zijn geweest.

Ik ken mijn grootouders van het nachtkastje naast het bed van mijn ouders, aan de kant van mijn vader, dus links. Gek dat die grootouders die ik nooit heb gekend, altijd zo dichtbij zijn geweest. Alleen de dood zit er maar tussen, meer niet.

27 februari 2021

Ergens fietsen

Ik woon simultaan. Zo leef ik ruim dertig jaar na onze verhuizing nog steeds aan de singel, maar ook aan de kust. Ik kan je daar zelfs de plek aanwijzen waar ik woon: tegenover de watertoren tussen Monster en Loosduinen.
Toen ik vanmiddag op de fiets was gestapt, betrapte ik me er na een paar honderd meter op dat ik al verschillende keuzes had gemaakt. Nog steeds had ik er geen idee van welk rondje ik zou gaan fietsen, maar intussen waren er al een paar mogelijkheden afgevallen. Laten we zeggen dat mijn fiets bij gebrek aan navigerend initiatief van zijn berijder zelf een keuze had gemaakt voor links, rechts, dan wel rechtdoor. Ik liet hem zijn gang gaan. Wel stapte ik hier en daar af om een foto te maken, een overbodige foto van een plek die ik al vaker fotografeerde. Fotograferen is meer een geestesgesteldheid dan een activiteit. De meeste plaatjes verlaten de camera via de prullenbak.

Toen ik onderweg bleek te zijn naar landgoed Oostbroek nam ik het even over, want naar Oostbroek zelf wilde ik niet: daar waren we van de week al geweest en in het weekend is het er meestal druk. Toch sloeg ik af, om te kijken of de auto van Aat er misschien stond. Ook hij bezoekt het gebied namelijk af en toe. Zijn wagen stond er niet, wel stonden er genoeg fietsen om zelf inderdaad meteen weer te vertrekken en in een boog om Rhijnauwen te fietsen, wat ik toen overigens nog niet wist. De fiets had het weer overgenomen.

Als ik nu tegenover de watertoren achter de duinen had gewoond, zou ik via Monster het duinpad op zijn gegaan naar Kijkduin en dan, slingerend door Ockenburg, weer terug naar het huis-waar-ik-niet-woon. Ik reed daar graag als kind. Later zou het mijn dagelijkse weg naar school worden. Dat was, ernstig genoeg, juist in die jaren dat het pad door de duinen was afgesloten. Nog steeds voel ik me daarom tekort gedaan, ernstig tekort gedaan zelfs. Ik zeg het maar ronduit. Goed, dat zou dus het rondje zijn geweest als ik tegenover de watertoren zou hebben gewoond en eigenlijk fietste ik daarom vanmiddag door de duinen terwijl ik ook langs de Kromme Rijn reed en af en toe afstapte voor een foto, want o, wat deed het licht het goed op het water en door het riet!
Vanuit mijn Westlandse domicilie zou er trouwens weinig te kiezen zijn, veel minder dan hier in en vooral om Utrecht. Het rondje daar zou ook te kort voor me zijn.

Als ik van Den Haag terugfietste naar Monster - we zijn nu weer terug in mijn kinderjaren - nam ik ter hoogte van de nu al voor de derde keer genoemde watertoren ook wel eens de Oorberlaan, een smal, onverhard weggetje dat naar de Made-, dan wel Madepolderweg voert, ook al onverhard. Nou ja, onverhard, de verharding bestond uit slakken en sintels met als gevolg dat ik er meer dan eens een lekke band opliep. Hier en daar en af en toe kon je ergens afslaan en dan kwam je ergens of nergens, was er een verrassende doorsteek of moest je terug. Ze zijn er nog steeds, die Oorberlaan en de Madepolderweg, maar ze lijken in niets meer op de laantjes die het ooit waren en die ik vanmiddag imaginair befietste toen ik de stad weer in reed om bij het voormalige Antonius rechtsaf te slaan en niet door te rijden naar het ongetwijfeld veel te drukke Wilhelminapark.
Of nee, niet ik besloot dat, dat deed mijn fiets.

26 februari 2021

Heuvel op en heuvel af

Op woensdag 20 januari werd een groot deel van de mensheid op slag verliefd op Amanda Gorman. De 22-jarige spoken-wordartieste droeg op indrukwekkende wijze haar gedicht The Hill We Climb voor tijdens de inauguratie van Joe Biden, je weet wel, die ontzettend witte man, die ook nog oud is en die bovendien vanaf die dag symbool zou staan voor het westen.
Twee dagen later stond er een vertaling in het Nederlands Dagblad, natuurlijk van Menno van der Beek, want hij kent de krochten van het Engels, verstaat de kunst van het dichten en hij is ongelofelijk snel.

Vandaar ook dat ik deze week niet onmiddellijk snapte waarom Marieke Lucas Rijneveld was gevraagd om het gedicht te vertalen, want er lag al lang een uitstekende vertaling klaar! Dat moest wel met de kleine bubbeltjes te maken hebben waarin ook de Nederlandse literatuur zich graag terugtrekt, want welke literaire BN’er leest bijvoorbeeld het ND? Nu houd ook ik veel van Rijneveld, dus ik gunde haar de opdracht die nota bene uit kringen van Gorman was voortgekomen. Wel jammer voor Menno en ook jammer van zijn vertaling.
Op internet kon ik die niet vinden en ook op zijn facebookpagina rept hij er met geen woord over. Ik begon zelfs te twijfelen. Had Menno dat gedicht wel vertaald en had ik die vertaling wel gelezen? Als witte, westerse babyboomer krijg ik een beetje de leeftijd waarop verbeelding en werkelijkheid door elkaar kunnen gaan lopen. Begint dat juist op het moment dat een nog wittere, nog oudere man die nóg westerser was, president werd van Amerika en die daarbij bemoedigd werd door een kleurrijke en getalenteerde jonge vrouw van 22?

Intussen heb ik de vertaling van Van der Beek weer voor me. Intussen heb ik ook de voordracht van Amanda Gorman opnieuw gehoord en gezien, maar dat is nadat Marieke Lucas Rijneveld haar opdracht heeft teruggegeven. Nu wordt het een heel ander verhaal. Zei ik al dat ik, net als zoveel andere mensen, veel van Rijneveld houd? Ja, dat zei ik al, maar nu heb ik ook nog eens met haar te doen omwille van de onverdiende kritiek die over haar is uitgestort. En ook bewonder ik haar: ‘Ik heb begrip voor de mensen die zich gekwetst voelen door de keuze van Meulenhoff om mij te vragen,’ zegt ze.
Nou, dat begrip kan ik nog niet opbrengen. Ik kan me die keuze voor Rijneveld allereerst heel goed voorstellen: zij vertegenwoordigt momenteel zo’n beetje in haar eentje de Nederlandse literatuur aan de andere kant van de plas; dat zal niet zijn omdat ze niet talig genoeg is en op literair gebied weinig voorstelt.
Nog erger vind ik het dat in de literatuur niet-literaire argumenten een rol spelen. Zo lang ik de vertaling van Rijneveld niet heb gezien kan ik er ook niets van vinden. Het zal er nooit van komen ook, en dat alleen maar omdat Rijneveld wit is en geen uitgesproken spoken-worddichteres, ondanks haar podiumkwaliteiten.

Als ik het goed begrijp mogen oudere witte westerse mannen zich alleen bezig houden met de dingen van oudere witte westerse mannen. Van haar kant had Amanda Gorman natuurlijk nooit bij die ouwe Biden moeten gaan staan. Dat gaat in tegen de wetten van segregatie! En dan komt ze ook nog met een pleidooi voor eenheid.
In de vertaling van de witte Van der Beek, geen babyboomer, maar wel een stevige nabrander daarvan, lees ik bij Gorman:
‘Onze wens is doelbewust een eenheid te laten ontstaan.
Een land te componeren uit alle culturen, kleuren, kansen en karakters van de mens.’

25 februari 2021

Viltstiften 2

‘verzekeringen’. De letters waren in een witstenen plaat gefreesd.
Mijn opdracht was tweeledig: ik moest de voorletters weghalen, want het bedrijf - met kantoor aan huis, zoals je intussen wel begrepen zult hebben - zou voortbestaan, maar dan met alleen die achternaam. Dat was een. De voorletters liet ik, met enige tegenzin overigens, verdwijnen onder witte verf. Opdracht twee kwam er op neer dat ik de overige tekst weer fris en duidelijk zou maken. Dat deed ik met zwarte verf. Een kleine vergissing liet zich makkelijk herstellen, want de witte steen was glad gepolijst, een doekje voldeed.

Intussen lag mijn vader op het kerkhof naast het huis met het bordje en ook niet ver van het graf van zijn ouders. Die lagen daar intussen al veertig jaar, waar boven hun neuzen een eenvoudige grafsteen stond, een dunne betonnen plaat met daarop kwijnende letters. Na het naambordje moest dat maar eens mijn volgende project worden, bedacht ik. Maar toen ik hoorde dat het graf in diezelfde jaren tachtig nog geruimd zou worden, zag ik daar vanaf.

Die steen verdween niet, het graf bleef. Mijn Amersfoortse neef deed een paar jaar geleden navraag en wist me naderhand te vertellen dat de grafrechten voor honderd jaar waren afgekocht, in 1938 al. Door mijn vader. Die had me indertijd dus kunnen vertellen dat de steen nog zestig jaar te gaan had. Maar ja, die kon me dat toen niet meer vertellen.

De eenvoudige steen van mijn grootouders verweert vrolijk verder. Af en toe schraap ik wat mos weg. Geen enkele letter en geen enkel cijfer kent nog een kruimeltje verf en het oppervlak van de steen wordt steeds ruller zodat er van smalle geultjes die ooit in de plaat gegraveerd werden, weinig meer over is.
Maar sinds het verhaal van de neef knaagt het als ik weer eens op het kerkhof van Monster kom en dat gebeurt geregeld. Stom genoeg dacht ik bij het opknappen steeds aan een kwastje en aan verf en dat maakte in mijn ogen de hele onderneming onmogelijk. Ik zou vlekken maken, de verf zou ongewenste sporen trekken in de poreuze steen. En hoorde het niet bij de natuur der dingen en de bijbelse woorden dat stof weer stof wordt, as weer as?

Maar toen zag ik van de week dus die man met viltstiften in de weer op het kerkhof in Oud-Zuilen. Hij had ook een paar beiteltjes bij zich en een schroevendraaier. Daarmee trok hij soms het spoor van de letters wat duidelijker in de steen, haalde hij oneffenheden weg, maar hij gebruikte dat gereedschap vooral als gummetje. Soms maakte hij namelijk een ongewenst haaltje en dat tikte hij dan voorzichtig weer weg.

Weg was het excuus om de grafsteen van de opa en oma die ik nooit heb gekend maar over te laten aan de wetten van as en stof.
Enfin, de stiften zijn besteld en natuurlijk ga ik ze ophalen.
Ik ben het echt van plan, al blijft het nog even de vraag of ik er ook daadwerkelijk aan begin.

24 februari 2021

Viltstiften

Zojuist een kantoorboekhandel gebeld en vrijdag kan ik de stiften ophalen.
Toen ik maandag bij de begraafplaats van Oud-Zuilen kwam, ben ik afgestapt om te zien hoe het bij Ari was. Ari overleed vorig jaar februari en dit jaar, ook in februari, zou hij zeventig geworden zijn. Ik moest regelmatig aan hem denken toen er opeens beschaatsbaar ijs lag. Hij zou er als een van de eersten op gestaan hebben.
Langs het pad van Ari trof ik twee andere bezoekers. Een man met een driewieler ontfermde zich over bloemetjes voor zijn vrouw en iets verderop zat een man bovenop een graf, dicht tegen de grafsteen. Het was van een intimiteit die me te denken gaf. Het leek wel of hij daar zat te picknicken. In elk geval had hij het zich gemakkelijk gemaakt met een kussen; er lagen doeken en er waren twee doosjes waarvan ik dacht dat er brood in zou zitten.
Na Ari liep ik nog een eindje om te kijken of ik het grafje van het nooit buitenbaarmoederlijk geleefd hebbende kind van een jongere collega kon vinden. Ik vond het. Mijn weg terug voerde langs de man die op een graf zat te picknicken.

Dat deed hij helemaal niet. Hij was bezig om met een viltstiften de letters van de grafsteen over te trekken zodat die weer leesbaar werden. Het ging om ondiep in de steen gegraveerde letters waarvan de verf intussen verdwenen was. En dat euvel ging deze man dus te lijf, niet met verf en kwastje, zoals ik gedacht zou hebben, maar met viltstiften.
Nu ik eenmaal met de man aan de praat was geraakt, was ook voor de man op de driewieler het ijs gebroken. Ook hij had zich blijkbaar afgevraagd wat die man toch uithaalde, daar bij die grafsteen. Hij bleek bestuurslid te zijn van de begraafplaats en van het een was het ander gekomen. Als er onleesbaar geworden stenen waren, dan trok men bij hem aan de bel en dan wilde hij die steen wel een beetje opknappen. Dat deed hij graag, al had hij er wel een beetje de pest in dat de letters op deze steen zo laag waren aangebracht. Hij was niet meer de jongste en het viel niet mee om in elkaar gedoken tien centimeter boven de grond op een beetje fatsoenlijke manier letters op een grafsteen weer zichtbaar te maken. Hij kreeg af en toe kramp, maar het was ook te veel gevraagd om telkens op te staan om even de benen te strekken. Dus maakte hij na elke letter of ieder cijfer wat gymnastische oefeningen om de boel nog enigszins soepel te houden. De naam was intussen klaar en met de geboortedatum was een begin gemaakt. Aan het jaartal was hij nog niet toe gekomen, maar ik kon goed zien dat het ook mijn geboortejaar was. Het jaar van overlijden was 2002.
Hij liet zien welke stiften hij voor welke stenen en graveringen gebruikte. Verder had hij nog wat beiteltjes en een schroevendraaiertje en een stoffertje om de ergste ongerechtigheid weg te werken.Ik was diep onder de indruk en dat gold ook voor de man op de driewieler. Dat bleek even later. Hij vertrok eerder dan ik, ik liep nog even langs Ari. Maar toen ook ik op mijn fiets stapte, kwam de man op de driewielfiets er weer aan. Hij had per ongeluk een gieter van het kerkhof meegenomen. Wat rammelt er toch zo? had hij zich afgevraagd. Het antwoord kreeg hij door even om te kijken.

Blijft de vraag waarom ik viltstiften besteld heb.

23 februari 2021

Mens sana in corpore sano

Op het strand bij Monster heb ik me vandaag vooral bezig gehouden met pogingen om een bal in een kuil te schoppen. De kuil werd met indrukwekkende duikvluchten verdedigd door Klaas. Als het geen leren bal was geweest, zouden we hem ongetwijfeld zijn kwijtgeraakt, zoals ooit de opblaasbare Niveabal van de vader van Klaas, toen die nog een jongetje was.

Zo’n bal ontsnapt maar net aan je vingers en begint dan voor je uit te dansen. De afstand stelt niks voor, je hoeft maar iets harder te rennen, de bal hoeft maar even een obstakel tegen te komen en je hebt hem weer. De afstand wordt intussen steeds iets groter. Toch blijf je rennen, ook al omdat je achter je zes ogen weet, die van het jongetje en zijn broertje en zusje, nee, acht ogen, want er is ook nog een moeder. Ten slotte was er nog een minuscuul blauw stipje, alleen waarneembaar voor betrokken kenners, en toen was ook dat er niet meer.

Nu mocht ik me revancheren dankzij een tas van Albert Heijn waarop de wind vat had gekregen. Hij kwam van een vrouw die honderd meter verderop had gezeten en nu achter de tas aan rende. Ik kon volstaan met de sprong en zo kreeg ik de vluchteling te pakken. Jawel, ik was een held. Dat vond die mevrouw ook.

Ik had me als voetballer en als ridder kranig geweerd en daarom kon ik met een vrolijk zingend hartje het strand verlaten. Daar kwam een vrouw ons tegemoet gerend. Ze ging in een rechte lijn naar de zee. ‘Kleren vergeten?’ riep ik nog, want met mij kun je lachen. Ze lachte erom. Een van de kinderen, was het nou Klaas of was het Liesje, ik weet het niet, vroeg iets aan me. En nog een keer. En nog een keer. Ik zei dat ze stil moesten zijn, omdat ik die vrouw moest bewonderen. Natuurlijk had ik me allang omgedraaid om te zien hoe dat ging. Bij de zee rende zij niet langer, maar liep ze, en niet eens aarzelend. Toen het water voorbij haar knieën was gekomen sprong ze zonder overtuiging een paar keer op en neer, vervolgens deed ze nog twee stappen en daar ging ze. Ze zwom met stevige slagen, zonder een greintje paniek, ik zag geen enkele onbeheerste beweging vanwege die plotselinge kou. Ik zag dat het goed was!

Er was altijd wel een enkeling geweest die dat deed, vroeger: zomer en winter, vrijwel elke dag van het jaar even de zee in, oom Lies bijvoorbeeld. Ik kon daar als kind ademloos naar kijken, naar zoveel onverschrokkenheid. Later, als ik groot was, zou ik dat ook doen. ’s Ochtends om zeven uur, voor het ontbijt, in een dikke badjas en met een handdoek naar zee, een duik nemen en dan terug voor een hete kop thee en een bord brinta. Ik ben er nog steeds te jong voor.

Onze karavaan ging langzaam. Er waren laarzen en schoenen vol zand en Tommy moest alle bankjes twee keer belopen, dus werden we ingehaald door de dappere vrouw van wie ik veel was gaan houden natuurlijk. Ze had nu een bodywarmer aan en ze belde met iemand. Ik denk dat ze haar vader belde in het verzorgingshuis, om te zeggen dat alles goed was.

We zagen allemaal hoe rood haar benen waren. Daar liep een gezuiverde mens, in wie zich het goede, het schone en het ware verenigden. Iemand dus die nooit Forum voor Democratie zou stemmen.

21 februari 2021

Kliko hier en kliko daar

Dat met de kleine kliko is me een belevenis van jewelste geweest. Nu staat ie weer langs de straat, alsof er niets aan de hand is, maar wij weten beter. Allereerst was het een heel gesjouw, want het bakje zat tot aan de rand toe vol met gft-afval. De meeste mensen hier hebben een grotere bak en die hebben we ook. Daarin gaat het tuinafval, dus de t, maar voor g en f gebruiken we de kleine. Soms zet je een bak langs de straat en dan is dat de laatste keer dat je hem zag. Bijvoorbeeld omdat de bak in de ingewanden van de vuilniswagen terecht is gekomen. Exit bakje, akelig voorbeeld van niet gescheiden afval. Zoiets gebeurt vaker met een kleine bak dan met een grote, leerde de ervaring ons. Maar er kan ook iets anders gebeuren. Luister.

Ons kleine bakje staat nog geen vier weken naast de keukendeur; het vervangt een ander bakje. Nu stond er langs de straat al weken een kapot bruin bakje en wat gebeurt er? Toen Mente ons bakje, ons eigen bakje, dat met die vrolijke groene strik, wilde meenemen, was het weg. Een dag later trof je er alleen nog dat bakje dat stuk was. Mente veronderstelde dat iemand het onze had meegenomen, waarschijnlijk de eigenaar van zijn onbruikbaar geworden broertje. Nu kun je daarvoor een hele buurtactie ondernemen, wij kozen ervoor de gemeente te bellen en te zeggen dat ons bakje stuk was. We moesten het gehavende exemplaar voor ons huis aan de straat zetten en dan zou dat op vrijdag 26 januari worden omgewisseld voor een nieuw. Die vrijdagmorgen, om kwart voor acht al, werden de bakjes omgewisseld en de maandag daarna al mocht het nieuwe bakje meedoen met het grote ophalen, een beetje voor spek en bonen weliswaar, want het had nog maar minder dan een halve week dienst gedaan. Maar toch. Toen ik het geledigde bakje op maandag weer ophaalde, zag ik daar ons vroegere bakje staan, het bakje met het vrolijke groene strikje. Natuurlijk had Mente gelijk gehad.

Goeie verf kon ik niet zo gauw vinden, maar wel een kloeke viltstift en daarmee schreef ik ons huisnummer op het deksel. Dat moest de mensheid ervan weerhouden om zich nogmaals wederrechtelijk de bak van een ander toe te eigenen.

Dit is nog niet het einde van het verhaal! Ik zei het al: ik heb zojuist flink moeten sjouwen met het nieuwe kleine bakje. Meer dan vorige week, meer ook dan de week daarvoor. Twee weken terug kwam, de avond ervoor nog, ik had de bak net aan de straat, via de Afvalwijzer het bericht dat de ophaaldienst van maandag zou komen te vervallen. Het rooster schoof niet op, nee, op maandag 8 februari werd er geen vuilnis opgehaald. Ik heb het halfvolle bakje teruggehaald.

Maar vorige week zondag meldde de Afvalwijzer dat het ophalen van maandag de 15de gewoon door zou gaan. De bak zat al behoorlijk vol, we waren zelfs al begonnen om wat vaker ook vuilnis bij het restafval te doen en dat valt onder een volkomen ander regime, dat begrijp je.

Vorige week glibberde ik opnieuw twee keer met een volle bak en ware doodsverachting via de poort naar de straat, zondagavond. En, maandagmorgen, weer terug naar de keukendeur; nadat ons via de Afvalwijzer het verzoek bereikt had om de bakken weer weg te halen, ook deze maandag was het weer te slecht om er met vuilniswagens op uit te trekken.

Waaruit maar weer blijkt dat je in deze wijk werkelijk van alles mee kunt maken.

20 februari 2021

Uif en Vaar

Zei ik negentien? Ja, dat deed ik, maar gisteren telde ik geen negentien maar twintig ooievaars. Ze stonden op dezelfde plek als die negentien een paar weken geleden en dat is dezelfde plek als de twaalf die ik telde toen ik van mijn laatste schooldag terugfietste naar huis.

Net als de vorige keer heb ik goed geteld en omdat ik nu ook een cameraatje bij me had, kon ik het thuis nog eens verifiëren. Steeds kom ik op twintig. Dat werpt de vraag op wie van die twintig de ooievaar is die er de vorige keer niet bij was. Ik kon hem er niet tussenuit pikken. De vraag is zelfs of er tussen de twintig ooievaars van gisteren niet nog meer zaten die er de vorige keer helemaal niet bij waren. Want ja, ik kan wel een beetje dierbaar zitten doen over een groep ooievaars, maar kennen doe ik ze niet. Wit, zwart, oranje, en dan nog iets met snavel, hals en poten, dan heb je het wel gehad.

Vanmiddag fietste ik een ander rondje, een dat grensde aan dat van gisteren. Hier had het ijs waarop vorige week nog schaatsers te zien waren plaats gemaakt voor een loket waar mensen op af doken om er een softijsje te bemachtigen. Een kilometer verderop zag ik drie, vier ooievaars, en honderd meter verderop stond nummer vijf. Ze zagen er vies uit, schmutzig, zou ik willen zeggen omdat dat woord in zijn klank iets van zijn betekenis verraadt. Hoe dat kon - en nu bedoel ik niet dat onomatopeese karakter van het Duitse woord, maar de vieze en wat verwaaide uitstraling van de ooievaars - weet ik niet. Zouden dit ooievaars zijn die van ver waren gekomen, zoals vroeger zo gebruikelijk was voor ooievaars? Ik denk van niet; daarvoor hebben zich ten noorden van de stad Utrecht al teveel ooievaars permanent gevestigd. Ik weet het allemaal niet en ze komen het me ook niet vertellen. zo weet ik dus ook niet of deze drie, vier en even later vijf ooievaars van vandaag gisteren nog deel uitmaakten van de twintig beesten op het weiland langs de Vecht.

Zegt de ene ooievaar tegen de ander: ‘Zou die mens daar, op die wielen, niet dezelfde zijn als die we gisteren langs de Vecht zagen?’

Zegt de andere ooievaar: ‘Moet je me eerst vertellen welke. Er zijn er zoveel en ze zien er allemaal hetzelfde uit. Het is al heel knap dat ik ze kan onderscheiden als mensen met en mensen zonder wielen. En ik veronderstel dat je net als bij ons ooievaars een verschil zou moeten kunnen zien tussen mannetjes en vrouwtjes, maar vraag me niet hoe dat zit, want daar weet ik het fijne niet van.’

Zegt de ene weer: ‘Het blijft merkwaardig spul, mensen, waartoe bewegen zij zich voort? Waarom buigt er nooit eentje voorover om iets eetbaars van de grond of uit het water te plukken. We hebben daarover nu al zo vaak een speciale vergadering belegd - niet waar, Uif - daar bij het weiland langs de Vecht, maar we komen er niet uit.’

‘Zegt de ander weer: ‘Zo boeiend zijn ze ook niet. Het moeten wezens zijn zonder doel in hun leven. Dat beent of wielt maar wat van links naar rechts of van rechts naar links en dat is het dan. Als je niet opschiet, Vaar, dan pik ik de worm in, hoor, die daar vlak voor je poten omhoog komt. Wel bij de les blijven.’


En inderdaad, ik fiets hier alleen maar om te fietsen. Ze hebben gelijk, Uif en Vaar, of hoe ze heten mogen.

19 februari 2021

Het woord en het licht

Het was half zeven. De zon had zich al teruggetrokken achter de huizen aan de overkant én achter wolken waaruit gestadig regen viel. Wij waren moe, mijn lief en ik. Uitgewoonde oppassers waren wij. Zelf droomde ik al wel van de anderhalve meterwereld waarin ik me met haar zou mogen terugtrekken straks. Dat zou voorlopig een droom blijven, want over een uur moest ik alweer achter een scherm zitten voor een onlinevergadering.

Toen ging de bel en wij hebben een vrolijke bel! Ik deed open en, zie, daar stond, in die duisternis buiten, in een regen die zelfs te lusteloos was om te stoppen, daar stond, in een van hemelwater als asfalt glimmend regenpak, de capuchon over het hoofd getrokken en bijpassende regenhoezen om de voeten, met een ferm uitgestoken lange arm, omdat hij nu eenmaal lange armen en ook benen heeft, om mij in een kloeke plastic zak van ’s lands grootste grootgrutter iets aan te reiken, daar stond een dominee.

Onderweg naar de deur had ik me afgevraagd wie er voor de deur zou staan en daarbij kwam ik op twee mogelijkheden. Het was de eerste.

Ik stak mijn hand uit naar het pakje. De man keek mij aan en zei:

‘De bijbel.’

Dat was alles. Ik pakte het pakje aan en dankte de bezoeker: ‘De dominee komt het woord brengen.’ Want zo was het: voor de deur stond de dominee en in het pakje zat een bijbel. Nu heb ik al een bijbel, je kunt hier in huis verschillende edities aantreffen zelfs, maar nu had ik juist deze nodig en die had ik niet, maar een goede dominee bezoekt zijn schapen en brengt dan altijd het juiste woord.

Hij had zich al weer omgedraaid toen ik de deur dichtdeed. Gesterkt liep ik de kamer in en vroeg me af wanneer er weer gebeld zou worden. Dat gebeurde niet, gisteravond, en ook nu nog wacht ik tevergeefs, al maak ik daar geen halszaak van. Ik wacht nu nog op het licht, op gloeilampjes voor de lamp boven de tafel, een ledvariant, om precies te zijn. Van de oude bolletjes zijn er een paar stuk.

Ik vertrouw er op dat het licht nog komt. Het gaat zoals de bijbel zegt: eerst is er het woord en het woord zegt: Er zij licht. En dan pas komt het licht, dat is dus anders dan bij het onweer. Dan volgt het woord op het licht. Dat brengt me bij donderpreken. Hoe zit het bij donderpreken? Ik denk dat daarbij het licht gewoon wegblijft. En wat gebeurt er als het licht inderdaad weg blijft en er geen bolletjes worden afgeleverd?

17 februari 2021

De engel

Mijn genegenheid voor Willem Engel kent geen voorjaar, zomer of herfst. Hij is een koude sneeuwengel. Als hij iets beweert, zal het wel niet kloppen, denk ik vrij gauw. Als hij iets vindt, wordt het voor mij extra moeilijk om het daarmee eens te zijn. Is dat vooringenomenheid? In ieder geval noopt Engel met zijn gedrag en zijn uitlatingen mij tot een voortdurend gewetensonderzoek, want ik wil mij in het leven niet door vooringenomenheid en antipathie laten leiden. Zo huist er dus een koude engel in mijn geweten.
Vandaag bezig geweest om het maandblad van de kerk in elkaar te zetten. Dat lijkt een eenvoudige klus, maar het is er wel eentje die mij zeven uren achtereen vastzet op een versleten draaistoel, met mijn vingers verkleefd aan het toetsenbord. Daarom was het een verademing toen de klus geklaard was en ik nog even van mezelf naar buiten mocht voor wat beweging en een beetje frisse lucht. Ik trof Jakob. Hij liet zijn hond uit.
Jakob neemt doorgaans onmiddellijk het woord en geeft het niet gauw terug. Bovendien heeft hij meningen. Noem iets en hij vindt er iets van en hij spreekt het uit ook. Ik ben het niet altijd met hem eens, maar waar het om de contraproductieve, bizarre en domme, ja, zelfgenoegzame kletspraat en acties van de heer Engel gaat, kan ik in alle gemoedsrust zwijgen en Jakob het woord gunnen.Jakob vertelde en ik liep met hem op. We liepen door een verlaten straat. De hond had een tak gevonden en voerde die mee. Dat maakte de hond rustiger en gaf Jakob gelegenheid om door te praten en daarbij het verkeer te overstemmen dat er niet was. Wel was er veertig, vijftig meter verderop een vrouw uit een zijstraat gelopen. Ze was nu bezig om over te steken en hoorde heel goed wat Jakob zei.
‘… dat een rechter tot zo’n uitspraak komt.’ Hier zwijgt Jakob even om de toon te vinden voor een tussenzin. ‘Het was nog een vrouw ook.’ De opmerking bereikt het kruispunt met groot gemak. De vrouw houdt haar pas in. Ze kijkt onze kant uit. Zal ze? Zal ze niet?
Ik schaam me een beetje voor wat de vrouw moet horen en vraag me af of ik nu Jakob terecht moet wijzen, al was het maar om de vrouw tegemoet te komen die zich ongetwijfeld plotseling overspoeld voelt door een golfje verontwaardiging. Maar waarom zou ik dat doen? Om Jakob terecht te wijzen? Om de mij onbekende vrouw ter wille te zijn? Om niet de verdenking van de vrouw op me te laden dat ik een wel erg gewillig gehoor ben als het gaat om een vrouwonvriendelijke opmerking? Moet ik naar de vrouw roepen dat hij (dus Jakob) in de omgang verder wel meevalt? De vrouw herneemt zich, loopt verder, maar kijkt nog wel een keertje onze kant uit. Ik doe niets. Ik zwijg. En de hond trekt ons verder.
Willem zou ongetwijfeld iets gezegd hebben. Waarschijnlijk niet iets waar ik het mee eens had kunnen zijn, maar hij had iets gezegd. En dat had ik dan van hem kunnen leren.
Wat ik zeg: er zit een koude engel in mijn geweten.
Tot zover. Al vroeg ik me later af hoe vaak mensen die vooral uit zijn op de honorering van hun eigen gevoelens en hun eigen gelijk, de woorden vrijheid en democratie in het vaandel voeren, terwijl ze daar waarschijnlijk alleen de eigen vrijheid en de macht voor het eigen volk, hun eigen soort mensen, bedoelen. Benieuwd wat Willem Engel daarvan vindt.

16 februari 2021

Puntmuts met boek

Ik moet nu wel heel erg opschieten, anders gelooft niemand me meer.
Sneeuw? Vorst? zullen ze zeggen. Welke sneeuw dan en welke vorst?
Toch lag er nog maar een paar dag geleden een laag sneeuw op het tafeltje naast de schommelbank, zo dik dat je niet kon zien dat op dat tafeltje en onder de sneeuw, onzichtbaar, een kaboutertje zit. Hij zit er op zijn paddenstoel en hij leest een boek. Natuurlijk heeft hij een rode puntmuts op. Hij is acht centimeter hoog, en dat is gemeten vanaf het tafelblad tot het puntje van die muts. Maar dat zag je dus niet. Zondag al kwam na bijna een week dat rode mutsje weer tevoorschijn. De sneeuw was daar iets ingezakt, waaruit maar weer blijkt dat het kaboutertje leeft. In zijn kaboutermuts verzamelt zich namelijk de warmte van zijn hoofd. Daardoor wordt de muts warm en dan smelt de sneeuw. Zo zit dat. Precies zoals bij zolders van huizen. Als die slecht geïsoleerd zijn, smelt de sneeuw eerder dan bij de huizen die de isolatie puik in orde hebben. De muts van de kabouter is ook niet goed geïsoleerd.

Je kunt je afvragen waarom het kaboutertje niet beweegt als hij leeft. Maar toevallig heb ik daarvoor twee verklaringen. Allereerst leest het kaboutertje een boek en blijkbaar is dat een heel spannend boek. Ten tweede, kabouters vermijden mensen en als ze mensen niet vermijden dan bevriezen ze. Zo zit dat dus.

Daar gaat het nu overigens helemaal niet om, het gaat erom dat de winter heel erg aanwezig was en dat straks niemand dat meer gelooft, zoals ook heel veel mensen niet in kabouters geloven. Vanmorgen, want ja het gaat heel snel, zat het kaboutertje op het tafeltje en hij las. Alsof er niets aan de hand was geweest. Er lagen nog resten sneeuw in de tuin, maar niet meer bij het kaboutertje. Wel was het tafeltje nog nat. Dat was het niet meer toen ik een paar uur later weer thuis kwam. Zei ik al dat het heel hard gaat, met die sneeuw en dat ijs? Vanmorgen, toen het tafelblad, nou ja, blaadje, nog nat was, fietste ik nog glibberend de poort uit en nam ik een wijde bocht naar rechts om niet onderuit te gaan. Maar twee uur later lag er alleen nog wat sneeuw op een afvoerrooster in de poort en het tafelblad was dus droog.
Een paar uur later, na een fietstocht waarbij ik halverwege het bos van Beukenburg nog even moest uitkijken, staken er in de tuin plotsklaps allemaal krokuspuntjes uit de grond alsof het de mutsen waren van kabouters. Dat waren het niet, hoor, want kaboutermutsen zijn doorgaans rood en rode krokussen heb je niet.

Welke winter van 2021? zeggen we over een paar dagen. Er was helemaal geen winter.
En als ik dan vertel van de kabouter in de tuin die in de sneeuw verdween terwijl hij zat te lezen in zijn boekje, dan zullen ze me meewarig aankijken, elkaar misschien bezorgd toeknikken. Misschien nemen ze de kinderen wel even apart en dan niet om te kijken of het wel goed gaat met die kabouter.

14 februari 2021

Gezellig ommetje

Een rondje Blauwkapel is het seniorenrondje van bewoners van Tuindorp. Je mag het ook wel nemen als je jonger bent, maar dan in sporttenue, met een flinke snelheid en het rondje moet deel zijn van een groter parcours.
Voor ons geldt dit allemaal niet, vandaag al helemaal niet. Het is veel belangrijker dat je ervoor zorgt niet uit te glijden. Vandaag lukt het ook om een groot deel van het rondje om fort Blauwkapel te schaatsen en dat hebben honderden mensen ontdekt, vooral jonge ouders met kinderen.
Zelfs het ongeluk op het ijs ziet er gezellig uit, met al die mensen in kleurige kleding. Er staat een kringetje dicht bij elkaar, zodat je amper kunt zien dat daar iemand op het ijs ligt. Daaromheen krabbelen kinderen en laten vaders en moeders met sleetjes achter zich aan hun ijzers groots schaatswerk verrichten en in een nog ruimere cirkel, niet meer op het ijs, maar op het besneeuwde en steeds gladder wordende wandelpad, tref je dus de mensen aan die even uitrusten of die bij de wandelende senioren horen, zoals wij.
Ik maak wat foto's en we raken aan de praat met een liesbreuk die gelukkig al weer een aardige tijd voorspoedig is hersteld. Ooit behaalde hij zijn Elfstedenkruisje en gisteren nam hij op zijn noren nog een keer de Molenpolder te grazen. Vandaag loopt hij gearmd met zijn nog herstellende blindedarmontsteking. Zij komt net uit het ziekenhuis en het mag een wonder heten dat ze hier nu al zomaar rond loopt. Wel ligt ons looptempo hoger, ondanks de foto's die ik af en toe maak.

Maar een half rondje later halen de liesbreuk en de blindedarm ons in omdat wij al een tijdje stilstaan om ons te verdiepen in een gebroken huwelijk van ooit een jongste collega, waarbij ons wordt verzekerd dat voor de kinderen alles goed geregeld is. Er wordt nog wat medisch leed aan toegevoegd en dat allemaal met een lach die past bij de strakblauwe lucht en de pret op het ijs en ook bij de vrolijkheid van de jongste dochter uit het gebroken huwelijk die sneeuwballen naar ons gooit, vooral naar Mente, want die gooit tenminste terug.

Al met al kost ons rondje fort bijna een uur en nog steeds, zien we nu, staat dat kringetje mensen op het ijs. Er zijn intussen twee ambulances gearriveerd. Natuurlijk zijn we nieuwsgiering, alleen niet genoeg om te gaan kijken wat er aan de hand is. In plaats daarvan verlaten we Blauwkapel en als we de wijk in lopen zien we de vrouw die ons zojuist voorbij liep, onderuit gaan. Het ziet er allemaal vriendelijk uit: ze loopt midden op straat en dan glijdt ze weg. Dat is het. Haar rugzakje zorgt ervoor dat zich blijft zitten en niet verder achterover valt.
Ik moet denken aan het porseleinen servies dat ik van de week in rugzakje meenam.
We hebben vanmiddag heel veel kinderen op de grond zien smakken; die krabbelen overeind en gaan vervolgens door met wat ze deden voor die val langskwam. Deze vrouw blijft zitten, alsof dat haar wel bevalt. Dat is niet waar. Ze ziet op het gladde stukje straat geen kans om overeind te komen. Wij helpen haar. Heel ernstig is het niet, al doet haar pols wel pijn, duizelig is ze ook en ze kan maar beter afzien van het geplande bezoek aan haar dochter in Hilversum. Ze noemt haar adres. Het lijkt ons beter als ik even de auto ophaal om haar thuis te brengen.

Toch zag het er allemaal zo vrolijk en vriendelijk uit vanmiddag, tijdens ons ommetje.

13 februari 2021

Ik ween om bloemen in de knop gebroken

Toen de adventstijd aanbrak kwam de liefde mijn kamer in en zij had een bol in haar hand, een kloeke amaryllisbol die ik voortvarend in een pot met aarde op mijn bureau heb gezet. Ik houd van de wilde, overrompelende schoonheid van de amaryllis, van het donkerrood dat nogal waaghalzerig tot ontplooiing kan komen. Nog geen dag later kwam de jongste ook al met een amaryllisbol.
‘O, je hebt er al een.’ Zij was een tikkeltje teleurgesteld. Ik niet, want twee amaryllissen is mooier dan een. Mijn teleurstelling kwam later, toen de bol op mijn bureau niets bleek te doen. Helemaal niets. Hij voelde zo zacht aan en zo zonder belofte dat ik hem maar heb weggedaan. Toen verhuisde de amaryllis van beneden naar boven en vervolgden wij vol goede moed onze weg naar Kerst. En inderdaad, we hadden een fijne, langdurige Kerst, maar niet eentje die werd opgevrolijkt door de rode bazuinen van een amaryllis. Intussen had ook nummer twee het laten afweten.
De jongste meende het verlies te kunnen compenseren met twee nieuwe bollen en omdat mijn kamer mogelijk niet een geschikte plek was, al zou ik niet weten waarom, bleven die beneden. Ook zetten we ze niet in een pot met aarde maar op een vaas met daarin een laagje water.
Dat die bollen pas met Kerst aan hun eigen advent begonnen, maakte de verwachting er niet minder op.

Dit wordt het moment om Klaas in te voeren. Toen hij met zijn vader voor Kerst een tuincentrum bezocht, zag hij een kerstroos. Hij pakte er een, waarvan hij vond dat zijn vader die maar moest kopen. Dat was een mooi cadeau voor opa en oma. Dat betekende dat we met de kerstdagen niet zonder plantaardig rood zaten. Deze roos kwam overigens ook beneden te staan. Daar staat hij nu niet meer, want kerstrozen verliezen voor Klaas’ oma net als de bijna gelijknamige bomen hun bestaansrecht. Ik heb dat niet; voor mij blijft ook in januari een kerstroos een wonder. Daarom staat die nu op mijn bureau, minder uitbundig rood dan eerst, maar hij brengt nog steeds veel vreugde.

Intussen heeft een van de amaryllisbollen van de tweede generatie flink zijn best gedaan. Gisteren telden we zeveneneenhalve bloem. Die halve achtste zou vandaag een hele geworden zijn. De andere bol is nog niet zo ver, maar alles wijst erop dat de twee parmantige groene penissen die daar uitsteken zich zullen ontpoppen als onstuimig rode flamencojurken. Zo komt alles toch nog goed…

… zou je denken, en inderdaad, op die laatste bol wil ik nog niet vooruitlopen, maar vanmorgen lag wel die andere bol op de grond. Hij moet vannacht niet van zijn tafeltje gevallen zijn maar er met inzet van ongekende kracht vanaf zijn gesprongen om vervolgens te pletter te slaan op de tegels van de woonkeuken.
Alsof er een grote plas bloed lag.
We zijn er nog ontdaan van. Van stengel twee was de achtste bloem afgebroken, de andere drie doen het nog redelijk, maar bij stengel één was er helemaal geen redden meer aan.

Al met al een hard gelag. Weken lang hebben we na de deceptie van de twee eerdere bollen de nieuwe belofte gestalte zien krijgen en nu dit. Natuurlijk kijken we uit naar de toekomst van de laatste bol, maar een onbekommerd uitzien mag het niet meer heten. Want komen ze wel uit, en als ze uitkomen, dondert dan opnieuw de boel niet om? We zijn onze onbevangenheid kwijt.

12 februari 2021

Bezichtiging

Het is een huis uit 1973. In dat jaar zijn de eerste en tot nog toe enige bewoners erin getrokken. Het ging om een echtpaar zonder kinderen. Hij overleed twee jaar geleden, misschien wel in dit huis. Op bed? In de kamer? Ik weet het niet. En zij is onlangs, na bijna vijftig jaar dus, naar een verzorgingshuis vertrokken. Daarom staat het huis nu te koop.

Ik vergezel de jongste bij een bezichtiging. Funda maakte al duidelijk in welke leeftijdsklasse we de bewoners van het pand moesten zoeken en het klopt helemaal. Er werd ooit gekozen voor bonte tegels. Er is weliswaar regelmatig iets vervangen, en de keuken is stevig verbouwd, maar veel van de jaren zeventig is nog herkenbaar.

De zolder is opvallend ruim, al geven moeten en verkleuringen van vloer en wanden aan, dat hier flink wat diepe kasten moeten hebben gestaan.
Ik moet aan meneer Verwoerd denken. Hij was ruim in de tachtig toen hij me een keer vroeg om even met hem naar zolder te lopen. Hij had wat boeken, brochures en kaarten waar ik vast wel wat aan had. Ik kwam op die zolder terecht in zijn wereld. Het was zijn seniorencave en dat was het al heel lang. Als hij voor het oog van de wereld niet een beetje representatief wilde zijn – en dat ging hem goed af, ik kende hem alleen maar van buitenshuis en altijd in kostuum – dan zat hij dus hier, tussen kasten en laden die hem elke keer opnieuw welwillend toeknikten, met een bureau en luie stoel en overal fotootjes.
Mijnheer Verwoerd is al tien jaar niet meer van deze wereld en ik heb zijn zolder nooit meer gezien. Maar op deze lege zolder verraden de verkleuringen, strepen op de vloer en nog niet opgevulde gaten in de muur dat hier een enorme kaalslag heeft plaatsgehad en ik heb even het idee dat ik in de onttakelde cave sta van meneer Verwoerd.
De makelaar vertelt dat een neef zich met de ontruiming heeft belast.

De jongste stelt zich intussen voor hoe er misschien een douche op zolder zou kunnen komen, of toch maar niet. Of dat zij en de schoonzoon hier op zolder zouden kunnen gaan slapen en de jongens dan op de benedenverdieping. In stilte bied ik de dode meneer en zijn verbannen vrouw mijn excuses aan.
Waarvoor?
Dat weet ik niet, maar de grond waarop ik sta, heeft nog iets van de heiligheid van anderen.

Voor wij naar binnen mochten, moesten we even wachten: er liepen nog andere kijkers in huis. Toen wij nog volop bezig waren, ging de bel, zo’n welluidend geval waarbij een hamer twee kloeke metalen buizen aantikt, eerst de een – ding – en dan wat lager de ander: dong, een mezzo en een contralto. Er is veel belangstelling voor het huis. En ieder doet in gedachten iets met de veel te nadrukkelijk aanwezige open haard, droomt van dubbel glas en gepleisterde muren en vraagt zich af wat ze met de glazen wand moeten waar de vorige bewoners zo trots op waren.

Als ik weer thuis ben en mijn kamer in loop, word ik even afgeleid door een gedachte die ik uitban: ‘Hou daar onmiddellijk mee op,’ mompel ik. ‘Onmiddellijk schrijf je met dubbel d en dubbel l; vergeet dat niet!’ voeg ik er aan toe, maar er is geen leerling meer die dat nog van me hoort.

10 februari 2021

Eierschaalporselein

Mijn zus maakte me erop attent; mijzelf was het serviesje altijd ontgaan. Wanneer je bij de Delftse zus van mijn moeder de kamer in liep, stond het op een buffet, recht tegenover de deur. Die deur ben ik vaak doorgegaan, maar een theeservies heb ik nooit gezien. Mijn zus wel en zij herinnerde het zich van opa, want voordat het bij Jo terechtkwam had het altijd in Loosduinen gestaan. Daar kwam ik ook vroeger, maar alweer: het serviesje is me nooit opgevallen. Toen mijn zus het een keer noemde, beloofde ik haar om er bij een volgend bezoek aan Jo eens op te letten. Dat deed ik, alleen was Jo er toen niet meer. Het serviesje wel. Ook mijn neef had nooit geweten wat de herkomst ervan was, maar mijn Drentse zus dus wel. En Jo zou het ook geweten hebben. Was het maar eens ter sprake gekomen, daar in Delft.

Mijn grootouders hadden vijf kinderen, maar weinig inkomsten en dus ook weinig fraais in huis. Beroemd is de regulateur die zij in 1912 als huwelijkscadeau kregen, een klok van dertien in een dozijn, waar geen kind ooit aan mocht zitten, en ook niet mijn oma. Alleen opa wond die op, vertelde mijn moeder. En ze vertelde van de loodlijn die strak langs de klok was getrokken. Toen mijn opa na zijn dodelijke ongeluk in 1965 daar niet meer toe in staat was, nam mijn moeder die rol op zich, maar met de nodige terughoudendheid. Het was immers niet haar klok, maar die van haar vader. Het moet een opluchting voor haar geweest zijn toen de zware taak van het opwinden kon worden overgedragen aan mijn broer. Hij verzorgt de klok al jaren, heel lang bij mijn moeder, nu al weer geruime tijd in zijn eigen huiskamer.

Maar over het servies van Japans eierschaalporselein valt geen enkel verhaal te vertellen. Wel kan ik zeggen dat er geen suikerpotje meer is en dat het servies nu vijf kopjes telt en drie schotels, dus er ontbreekt het een en ander. Van wat nog rest, is niet alles ongehavend gebleven. Ik denk dat ik met een geschatte verkoopwaarde van 25 euro eerder aan de hoge kant zit.

Mijn Leidse neef herinnerde zich mijn opmerking over het serviesje en zette het voor me apart. Zijn Amsterdamse zus nam het mee, we maakten tot vier keer toe een afspraak, en gisteren heb ik het serviesje bij haar opgehaald. Daarvoor moest ik door de sneeuw banjeren, gebruik maken van vertraagde treinen en wel negen keer zag ik mezelf uitglijden en als een ninja op mijn rug terecht komen. Mijn val zou in dat geval gebroken worden door mijn rugzak met daarin het porseleinen serviesgoed dat dun genoeg was om het aan scherven te blazen. Het idee van de ninja turtle beviel me overigens wel: dan was ik natuurlijk Leonardo, vernoemd naar mijn opa. Het moet louter genade zijn geweest dat het spul ongeschonden in Utrecht kwam.

Ik probeer er naar te kijken op de manier waarop mijn oma er in de jaren dertig naar gekeken moet hebben, daarna niet meer, want ze heeft van de jaren veertig nauwelijks iets meegemaakt. Ze moet de kwetsbaarheid en de zachte glans van de schildering erop gekoesterd hebben, dit kwetsbare antwoord op een hard bestaan, en ik hoop daarom dat de teloorgang van de drie schotels, het ene kopje en de melkkan iets is van na haar dood. Maar hoe het ooit in haar huis kwam, wat er mee gebeurde, wanneer het gebruikt werd, dat weet ik allemaal niet. Dat spijt me.

09 februari 2021

Een dag naar school

Liesje snakte ernaar om weer naar school te gaan. Klaas had daar minder last van, maar soms moet je de dingen nemen zoals ze zijn. Hun neefje Lukas keek er al dagen naar uit, maar in plaats daarvan werd hij gisteren per slee een eind de stad door gevoerd voor een oppas. Ik had met hem te doen. Vorig jaar sneeuwde het tien minuten en juist toen sleepte ik hem met de slee van ons huis naar het speeltuintje om de hoek. Daar op die slee memoreerde hij de ellende die hij het jaar daarvoor had moeten doorstaan. Toen nam ik hem na een bezoekje aan de speeltuin op de slee ook nog eens mee naar de spoorwegovergang een kilometer verderop. Lukas was tot voor kort heel erg van de treinen. Ik stribbelde tegen, wees hem op de kou en de ellende die die met zich meebrengt als je lang op een slee zit, maar hij zou en hij moest. Dat ging ook heel goed. We bezwaaiden tien treinen en toen vond ik het welletjes. Tot halverwege de terugweg naar huis ging het goed, maar toen werd het hem toch te bar. Ik heb de toen driejarige voor een deel gedragen, zodat ik in elk geval mijn armen om hem heen kon slaan, maar per honderd meter werd hij een kilo zwaarder en dan bungelde er ook nog zo’n ouderwetse houten slee achter ons aan. Enfin, hij wist het zich een jaar later haarfijn te herinneren en ik stelde me voor dat hij gisteren bezig was om aan zijn trauma nog meer handen en voeten te geven. En dat allemaal omdat hij toen niet naar school kon, terwijl dat wél was beloofd!

Vandaag ging dat feest wel door, al was dat weer op de slee. Zodra hij binnen was, bleef hij stokstijf staan en keek om zich heen. Noemde de namen van alle kinderen uit zijn klas die hij zag; klasgenootjes die hem blijkbaar extra dierbaar waren, noemde hij een paar keer. Zo zorgde hij voor een opstopping, want hij kwam niet op het idee om verder te lopen en bijvoorbeeld zijn jas uit te trekken.

Klaas van zeven had een lijst gemaakt van wat er allemaal mee moest naar school: zeven kilo boeken; een skibroek; vier handschoenen, pantoffels, brood, fruit, koek voor de juf, melk, water en een plan om minder te hoeven werken. Op een foto zie ik hoe hij en Liesje, maar ook met Tommy op de slee naar school worden getrokken. Liesje heeft een grote tas voor zich staan, maar Klaas niet. Op de foto zie ik ook zijn moeder: die trekt niet alleen een slee met twee jongetjes daarop, maar draagt ook nog een grote tas. Ik weet wat daar in zit. Waarschijnlijk past dit bij het plan van Klaas om zelf minder te hoeven werken.

Vanmiddag kwam Klaas thuis met een diploma, niet voor hemzelf, maar voor zijn vader en moeder, een ouderdiploma voor geduld, creativiteit, veerkracht, flexibiliteit, enthousiasme en doorzettingsvermogen.

Ook Lukas kwam thuis. Met waterpokken.

08 februari 2021

IC-handen

Als het sneeuwt, moet je wandelen en foto’s maken. Daarom trok ik zowel gisteren als vandaag de stad in om er foto’s te nemen die ik al vaker maakte van singels en grachten, maar dat geeft niet. Net als zondag had ik vanmiddag al gauw last van koude handen. Gelukkig kon ik met mijn handschoenen aan fotograferen. Gisteren liep ik naar de noordkant van het oude centrum, vandaag pakte ik de zuidkant en daarom fietste ik het eerste stuk.
Bij de singels was het drukker dan gisteren. Het viel me op dat her en der meiden van tussen de twintig en dertig op een sleetje de helling afgesjeesd kwamen. Opnieuw liepen er heel wat coffee to go bekertjes door het park en op de Springweg liep ik onder een sneeuwballengevecht door. Vanuit twee zolderramen werden vice versa ballen gegooid, niet door kinderen maar door volwassenen, dertigers. Ze maakten er werk van, gooiden een emmertje aan een touwtje een eindje verderop in de dakgoot en trokken dat vervolgens naar zich toe voor een nieuwe voorraad ammunitie.Om te fotograferen vond ik het licht niet ideaal, maar je kunt niet alles hebben.
Ik heb een met bont gevoerde muts die al jaren vrijwel nieuw ligt te wezen. Nepbont natuurlijk, maar dat zul je wel begrijpen. Die zette ik op, zodat ik de hele middag met een warme kop rondliep. Daar wisten mijn vingers niet van te profiteren.
Lastig begon het te worden op de fietstocht naar huis. De sneeuw was weerbarstig: er lagen harde verijsde klonten onder het wit en geslinger terwijl er auto’s langs je rijden, is niet praktisch, maar pas in de poort achter het huis liep ik vast en ontdekte ik dat ik mijn been niet over de rugleuning van het kinderzitje achter me gezwaaid kreeg. En dan die handen. Het op slot zetten van mijn fiets was nauwelijks te doen.
De grote ellende sloeg binnen toe. Met geen mogelijkheid kreeg ik de bontmuts losgeknoopt en het leek wel of mijn handen gegrepen werden door een houtversnipperaar. Het kind in mij werd wakker, dat ooit eerst vergeefs probeerde om de natte touwtjes van zijn doorlopertjes los te krijgen en eenmaal thuis zo ver mogelijk bij de kachel vandaan bleef omdat zijn vingers van de warmte leken te ontploffen.
Als welpje fietste ik een keer van Monster naar Naaldwijk. Daar kwam ik zonder handen aan, zo leek het. In mijn wanten trof ik blokjes pijn aan. In de keuken van het troephuis (zo noemen padvinders hun clubhuis) stond een pan water in de gootsteen. Dat was de remedie, wist ik: de warmte van een kachel maakte de ellende alleen maar erger, je kon je pijnlijke vingers maar beter onder een straal koud water houden. En nu stond daarvan een hele pan. Ik stak mijn handen erin en gilde het uit. Het was kokend heet water!
Dat was het niet. Het was ijskoud water.

Zestig jaar later sta ik weer met mijn handen onder de koude kraan en het water voelt heet. Mijn hoofd explodeert met die muts op mijn kop. Ik krijg hem los door de sluiting kapot te trekken. Pas als ik ook een appel op heb, kom ik weer een beetje bij. Uren later voelen mijn handen dik en moe, alsof ze nog maar net van de IC af mochten.

06 februari 2021

Een tas van Hoogvliet

Toen ik de deur open deed om mijn broer binnen te laten zag ik dat de grote plastic tas die hij in zijn hand had, er eentje van Hoogvliet was. Dat had ik door het smalle draadglasruitje niet zou gauw gezien, maar ik begreep wel wat er in die tas zat. Het waren de fotoalbums van onze ouders. Die waren niet zo trouw geweest in het bijhouden van foto’s, wat mij als kind altijd niet alleen een raadsel maar ook een bron van ergernis was. In de maanden voor hun dertigjarig huwelijk hebben we, dat wil zeggen, mijn Westlandse broer, Mente en ik uit hoeken en gaten en vooral twee schoenendozen de boel bij elkaar geraapt en geordend. We zijn ook nog op toernee geweest langs ooms en tantes en vrienden om namen, plaatsen en tijden te achterhalen. Daarna sloegen we aan het plakken. Dat begon met fotohoekjes, maar al vrij snel stapten we over op die handige lijmstiften van Uhu. Dat was iets nieuws.

Dertig jaar getrouwd vierde je in 1972 met een tompouce bij de koffie voor het gezin en voor een eventuele, al dan niet toevallige bezoeker, moet mijn moeder gedacht hebben. Nu viel die dag op een zaterdag en dat was een reden voor de mensen die wij hadden geraadpleegd om die ochtend op de koffie te komen, die het overigens ook weer hadden doorverteld zo hier en daar. Dit tot verbijstering van mijn moeder; zij wist niet dat de bakker al was ingeseind, zodat er al vrij snel voldoende gebak was voor iedereen. Het werd een onverwacht feest, voor mijn ouders, maar ook voor de bezoekers die niet op zo’n aanloop hadden gerekend. Toen al hadden de vijf nog zo gloednieuwe albums kunnen sneuvelen, want die gingen een paar uur lang van hand tot hand en overal kwamen verhalen los. Een gloriemoment voor de aanstichters van deze onverwachte vreugde was het natuurlijk ook, ik zeg het maar even.

Vanmiddag bracht mijn Westlandse broer de albums van onze dode ouders mee. Ik vraag me af of hij de betekenis van de tas van Hoogvliet wel doorgrondt. Mijn broer is een adept van deze winkelketen, maar deze nogal praktische verklaring doet geen recht aan de symbolische betekenis van de plastic tas.
Ooit, begin jaren zestig, brachten mijn ouders een week, misschien twee, door in een hotel in De Steeg en daar trokken zij op met een echtpaar uit Zoetermeer. Ze maakten met zijn vieren uitstapjes in het Gelderse en omdat Monster en Zoetermeer niet zo heel ver van elkaar liggen, kwamen ze daarna een tijdje af en toe bij elkaar op bezoek. Heel lang heeft dat niet geduurd. Vooral mijn moeder genoot van deze nieuwe vrienden. Vrienden en kennissen duikel je doorgaans voor je dertigste of vijfendertigste op. De kennismaking met het echtpaar Hoogvliet uit Zoetermeer maakte duidelijk dat de wereld toch iets minder gesloten was dan ze doorgaans dacht. Die relatie is verwaterd. Waarschijnlijk alleen maar omdat dat zo kan gaan. Ik weet nog van de prachtige kerstkaart die de familie Hoogvliet ooit stuurde: dik papier, alsof het geschept was, met een eigen tekst en namen daarop gedrukt. Die kaart maakte indruk op me: een eigen, gedrukte kerstkaart, een dubbele nog wel. Het maakte ook duidelijk dat die Hoogvlietjes hoger in de boom zaten dan die Borgdorffjes uit Monster. Dat ook.

Al met al kwam mijn broer langs met een beloftevolle tas en een vreugdevolle inhoud. Volgend jaar zijn mijn ouders tachtig jaar getrouwd en dan hoop ik voor belangstellende familieleden een digitaal samengesteld album van hun leven beschikbaar te hebben.

05 februari 2021

Bedelaar met kind en hond (1647)


Ik schreef een stukje en was daar niet tevreden mee. Daarna, tijdens een onlinebespreking, ging het over schilderijen die ondanks hun lichte linnen stuk voor stuk te zwaar aan de wand hingen vanwege alle betekenis die de schilder op het doek had aangebracht. Zo dreigde er een mismoedige avond en zo ver mocht het niet komen!
Ik pakte de roman met de aangename bladspiegel, maar het verhaal en ik konden elkaar niet vinden. Ik sloeg de krant op voor een puzzeltje waarvoor ik geen opening vond. Ik tilde de loodzware foliant waarvoor Rembrandt een leven lang had getekend en geëtst van tafel, ging met het boek op mijn knieën zitten en sloeg het open.

De man op de krijttekening heeft het niet getroffen. Hij is al 374 jaar blind en gaat bedelend door het leven. Om te bestaan zijn hem niet meer dan een paar snelle lijnen gegund. De kleine hond op de voorgrond, is nog het stevigst neergezet. Naast de bedelaar loopt de donkere vlek van een beschaduwd gezicht. Een kind, volgens de titel van de tekening. Ik geloof het graag.
Het vlak wordt vooral gevuld door de bedelaar. Wij zien hoe de streepjes van zijn ogen niet zien. Ook de andere vier ogen op de tekening zijn met enkele streepjes aangegeven, die ogen zien wel en ook dat zie je. Vanuit het vaag aangegeven midden van de tekening, het epicentrum van de bedelaar, lopen de lijnen; daar is het zenuwcentrum.

Opvallend na de hoed op het hoofd van de man, is de tweede hoed die hij in zijn linkerhand houdt. Het zal een bedelaarsnap zijn. Het is het midden van de tekening. Het kind kijkt ernaar. Waarom?
Om zijn pols heeft de man de lus van de hondenlijn geschoven. In zijn rechterhand heeft hij een lange stok. Iemand die niet ziet, heeft het druk.
De hond kijkt naar links. Het lijkt wel of hij naar de naam ‘rembrant‘ kijkt, zonder hoofdletter, zonder d ook, en niet met krijt geschreven maar met een pen. Zelfs een hond valt zoiets op. Of kijkt hij naar de later op het papier gestempelde letter G, of is het een C? Ik denk dat hij verder kijkt dan het papier groot is; misschien dat het kind dat ook wel doet: die twee hebben dezelfde kijkrichting. Er wordt al met al flink gekeken op de tekening met deze blinde bedelaar.
In werkelijkheid meet het tekeningetje 127 x 78 mm, dat is niks bij niks. In mijn boek is de tekening vier keer zo groot afgedrukt. Je zal en passant maar zo een hond tekenen. Je zal als bedelaar maar zo op het papier terecht gekomen zijn.

De tekening bevindt zich in Los Angeles. Daar hadden de man, het kind en natuurlijk de hond nooit van gehoord voor ze er terecht kwamen en Rembrandt al helemaal niet. Hij was al lang dood toen deze stad werd gesticht.

Ik kan niet zo gauw een afronding voor dit stukje bedenken en blijf wat langer kijken naar de tekening.

04 februari 2021

Carmiggelt en Ros

Ik vertelde gisteren dus dat de verzamelde boeken van Carmiggelt na jaren weer naast elkaar komen te staan in de boekenkast. Aan die verzamelreeks kleeft nog een geschiedenis die zonder gevolgen bleef, maar die me bij Martin Ros bracht, uitgever van de Arbeiderspers en dus van de boeken van Carmiggelt, en van Annie M.G. Schmidt. De flamboyante Ros heb ik drie keer gesproken. Hij heeft dat nooit geweten, dat van die drie keer.

Ik had ooit een gedicht van A.M.G. Schmidt op de radio gehoord dat me was bijgebleven en waarvan ik later dacht dat ik het goed kon gebruiken om een literaire avond op school mee te openen. De verzamelde gedichten van Schmidt en internet waren er nog niet. Ik belde De Arbeiderspers en kreeg Martin Ros aan de lijn. Of hij wist in welke bundel ik Mijnheer van Dalen zou kunnen vinden, zo heette dat gedicht, Mijnheer van Dalen. Hij wist het niet, maar ik trof het, zei hij, want Annie zat toevallig juist bij hem op zijn kamer. Er kwamen allerlei mogelijk titels van bundels langs, maar precies wist ook zij het niet. Een paar weken later vond ik het in een verzamelbundeltje van haar, ‘En wat dan nog?’ Dat was in juni 1983. Lang geleden, ja, maar, toch te laat voor die bewuste literaire avond.

Een kleine tien jaar later belde ik Ros opnieuw. Ik vond dat de tijd rijp was om de verzamelde verhalen van Carmiggelt uit te brengen. Ros was het met me eens, maar zag financiële beren op zijn weg. Ik vroeg me af of er niet een geldschieter te vinden was. Heineken bijvoorbeeld. Carmiggelt was een promotor geweest van het caféleven, dus mocht de hoofdleverancier van de gelukkige horeca wel eens iets terugdoen. Probleem was alleen, vond Ros, dat Carmiggelt van de jenever was, en niet zozeer van het bier. Distilleerders kon je minder makkelijk een poot uittrekken. Dat was een zuinige markt. Het gesprek duurde een half uur. Ik weet niet goed meer waar we het verder over hebben gehad, maar Martin Ros verstond de kunst om veel te zeggen.

De derde keer ging het om een ontmoeting in het Academiegebouw in Utrecht. Ros was een van de sprekers bij een symposium, waarvan ik bezoeker was. Dat verschafte ons beiden het recht op een broodje kroket en dat recht wilden we op hetzelfde moment op dezelfde plek laten gelden.
Over Carmiggelt hebben we het toen niet gehad en dat is heel vreemd, want ik heb nooit geweten dat men bezig was diens verhalenbundels uit te geven. Pas toen dat voorbij was en de boeken onverkoopbaar bleken, kwam ik er toevallig achter doordat boekenclub ECI met een pand in Hoog Catharijne de complete set aanbood voor 36 gulden. Dat wil zeggen: 23 bandjes met verhalen, een met de gedichten en een bandje waarin door derden zijn leven uit de doeken werd gedaan. Het was geen geld.
Ik nam de doos mee naar huis. Blij en droef tegelijk. Met deze uitgave had men Simon Carmiggelt recht gedaan, maar dat deze uitgave zo snel al in de ramsj terecht zou komen, was een onverdiend lot.

Af en toe pak ik nog wel eens een bundeltje met Kronkels, zoals de columns van Carmiggelt genoemd werden. Ze zijn wat gedateerd, inderdaad. Niet alles is even geslaagd, maar er is heel veel en heel veel blijft de moeite waard. In 2013 zou Carmiggelt honderd zijn geworden als hij niet in 1987 al was overleden. Het eeuwfeest ging gepaard met een gedundrukte selectie van zijn verhalen. Het bleef bij één druk.

03 februari 2021

Ze schuiven op en vallen af

Mijn werkkamer lijkt een oase van rust. De dingen lijken er hun plaats gevonden te hebben. Regelmatig moet de printer voorzien worden van nieuw papier, wat toch een hele belevenis is, maar er gebeurt nog meer. Links of voor mij (ik heb een L-vormig bureau en een draaistoel) knalt in het voorjaar groen uit de takken en er vliegt af en toe een vogel langs, maar inderdaad, dat is aan de andere kant van het raam. Aan de wand rechts daarvan voeren drie boekenplanken een stille strijd met de foto’s en tekeningen die daar hangen. Maken we nog een kwartslag dan kom je in de poëzie terecht. Daar komen regelmatig bundeltjes bij en dat gaat ten koste van een stoel die er stond en een kratje met tijdschriften. We draaien verder en werpen een blik op de boekenplanken waarop de wereld het meest tot stilstand lijkt te zijn gekomen. Maar misschien wordt daar wel de hevigste strijd gevoerd, want die planken zijn vol, helemaal vol. Het is de wand waar vooral romans en hun literaire neefjes en nichtjes wonen.
Ze staan op alfabetische volgorde, nu nog van A tot T, om precies te zijn tot en met het tweede deel van de Verzamelde Werken van Herman Teirlinck. Voor nummer drie en de volgende delen moet je naar zolder. Daar bevindt zich het slot van het literaire alfabet.

Dat is nog niet het hele verhaal. Voor meer informatie moet je namelijk weer deze kamer even uit, deze keer naar beneden. In de huiskamer vind je nog een boekenkast met voornamelijk romans, ook van A en in dit geval tot Z. Die boeken staan daar om redenen van schoonheid, actualiteit en/of dierbaarheid. Dat zijn de criteria, waarbij het eerste het zwaarst weegt en het derde amper, al mag je niet rekenen op al te consequent gedrag.
Bij nieuwe aanvoer moeten er boeken uit de kast beneden naar boven , naar de werkkamer. Die nieuwe aanvoer komt eerst op een bankje te liggen, maar als er een hele stapel ontstaat, moeten er maatregelen genomen worden. En dan begint het grote schuiven.
Gisteravond heb ik in alle wijsheid besloten om de verzamelde verhalenbundels van Carmiggelt allemaal van beneden naar boven te doen, naar mijn werkkamer. Daar staan al dertien banden, maar straks voegen die elf van beneden zich bij hen. In elke band zijn twee verhalenbundels opgenomen. Er is nog een 25ste bandje met daarin de gedichten van Carmiggelt, maar dat staat dus braaf tussen de gedichten.

Dat betekent dus dat Teirlinck naar een plank boven het trapgat op zolder verdwijnt. Dat is wel een sneue plek voor boeken, maar er zijn schrijvers die daar al heel lang staan, dus Teirlinck mag nog van geluk spreken. Bovendien staat zijn oeuvre eindelijk weer als een geheel bij elkaar. Ik zie trouwens dat ook Stijn Streuvels naar zolder moet. Ook in dat opzicht is het lot Teirlinck welgezind, want hij en Streuvels waren streek- en tijdgenoten, en complementaire tegenhangers.

Ook op zolder raken de planken vol. Ieder jaar houdt ergens in mijn kamer of op zolder de regel van tien huis. Dan moet er van elke tien boeken eentje in de doos voor kringloop of Boekwinkeltjes. Als een keuze al te moeilijk valt, dan mag ik een keer tien boeken overslaan, maar dan moeten er van de volgende tien titels twee weg.

Door de coronaperikelen staan al maanden twee dozen te wachten op een tweedehandsboekenzaak die open is. Ik hoor hoe in de verte een derde, nog lege doos komt aangestommeld.

02 februari 2021

Boekje terugbrengen

Vanmorgen had ik willen fietsen. Buienradar adviseerde me om dat tot na de middag uit te stellen en ook de regenkleding in de gang wees in die richting. Die had de jongste daar uitgespreid om te drogen. Daarom bracht ik de ochtend achter de computer door met allerlei kerkelijk werk. Dat hoort nu eenmaal bij de dinsdag. Na de lunch regende het nog steeds en dat bracht me ertoe de auto vol te gooien met allerlei rommel waarvan ik al langer vind dat het naar de vuilstort moet. Dat ruimde op, maar de lucht bleef betrokken, dus boog ik me over een andere klus en zo werd het half vijf. Eerlijk gezegd had ik niet zo veel zin meer om te fietsen. Zal ik wel, zal ik niet, zo dronk ik mijn thee.

En toen viel mijn oog dus op de boekje dat Klaas gisteren had laten liggen. Hij moet een spreekbeurt houden over leeuwen en daar ging dat boekje dus over, want wie over leeuwen spreekt, moet ook iets weten over leeuwen. Ik had hem er een beetje bij geholpen, even en zo was het boekje hier blijven liggen. Het zal ik wel dan wel niet was ineens weg; er hing nog wat ondefinieerbaar vocht in de lucht, maar regen kon je dat niet meer noemen. Kortom: ik zat al op mijn fiets voor mijn theeglas helemaal leeg was, met het boekje onder de snelbinders. En ik werd beloond voor mijn ondernemingslust en kordaatheid, want ik reed een zonsondergang tegemoet waarbij de zon zelf weliswaar niet te zien was, maar die voerde wel duidelijk de regie over wat er zich aan de hemel aan licht en zilver en grijs liet zien in mooi opgehangen banen die langzaam van vorm veranderden.

Mijn verplichte fietsleven, van middelbare school tot middelbare school, en die tijd heeft 51 jaar geduurd, reed ik vooral van zuid of zuidoost naar noord dan wel noordwest en terug. Vooral de laatste vijftien jaar fietste ik naar school in de wetenschap dat ik het wonder van aurora achter de rug had. Als ik omkeek af en toe, zag ik wat ik miste. Aan het eind van de middag, als ik terugfietste naar huis, voltrok zich het wonder van de zonsondergang, maar ook die moest ik vooral ongezien achter me laten. Dat speet me, zoals het me ook spijt dat ik vanuit huis, midden in een overigens aangename woonwijk, noch van het een en ook niet van het ander veel te zien krijg.

Maar nu dus wel. Een ansichtenkaartenzonsondergang was het niet. Daar komt altijd bloed aan te pas, deze was ingetogen, maar niet minder schitterend.

Nadat ik het boekje had afgegeven, overwoog ik nog even om door te fietsen, nog verder naar het westen. Maar thuis wachtte de liefde, thuis wachtte een warme maaltijd en bovendien zou het al vrij snel donker worden, dus ik keerde de schoonheid van de dag opnieuw de rug toe. Toen ik hier de straat in reed, floepten de lantarens aan. Dat kunnen lantarenpalen namelijk: floepen.

31 januari 2021

Fly me to the moon

Als ik aan mijn bureau met de computer bezig ben, moet ik naar links draaien om naar buiten te kunnen kijken. Dat had ik er vanmorgen om kwart over acht wel voor over. Ik wilde het graag dag zien worden terwijl ik er op het toetsenbord een tekst uitrammelde. Om te beginnen had ik daarom de gordijnen open gedaan en nu zag ik hoe zich in het grijs boven de huizen aan de overkant af en toe een vogel liet zien die voorbij vloog. Maar vooral was daar de melkwitte, nou ja, gebroken witte schijf van een afnemende maar nog behoorlijk volle maan.

Plotseling ging die uit, alsof het een lamp was, een ledlamp, waarvan iemand had het knopje gevonden. Het licht van de maan was flets geweest, niet geschikt om een boek bij te lezen, maar nu deze lamp was uitgeschakeld, en nog wel zo plots, werd de lucht er iets lichter van, niet veel, maar wel een heel klein beetje. Was de maan gebroken wit, dan zou ik die lucht lichtgrijs noemen, maar met een zweem, nee, een zweempje geel.

Er zijn momenten dat ik een hekel heb aan de huizen aan de overkant. Daar had water moeten stromen of gras moeten groeien onder oneindige lucht. Als je hier een zonsondergang wilt meemaken moet je naar zolder en dan krijg je nog maar een zeer gemankeerde film te zien. Nu was dit geen zonsondergang, want die kom je ’s morgens weinig tegen, maar het abrupt uitschakelen van de maan is ook wat waard en bovendien mocht ik nog van geluk spreken dat ik op mijn kamer zat, want beneden had ik er helemaal niets van gezien. Die grijze lucht en de maan daarachter die niet meer te zien was, maar er nog wel was - mij maak je op dat punt niks wijs - liet mij verlangen naar meer. Intussen schreef ik dus een tekstje dat over heel iets anders ging.

Plotseling ging de maan weer aan - wie had dat nou gedacht - en aarzelend kwam er wat diepte in die nog iets lichter grijs wordende lucht. Geen ´Morning has broken´ maar desondanks een mooi, wat aarzelend begin van de dag. En dan die maan.

Fly me to the moon, zong ik, terwijl ik mijn kop bij de tekst probeerde te houden die ik bezig was aan de computer toe te vertrouwen.
Ik hoefde zelf niet verder te zingen, want in mijn hoofd nam Frank Sinatra het van me over.

[…] Let me play among the stars
And let me see what spring is like
On a-Jupiter and Mars

In other words, hold my hand…


Daar hield Sinatra op, want ik wist de tekst verder niet. Ik vond het trouwens een tekst van niks. Ik hoef niet tussen de sterren te spelen. Onzin. En ga toch weg met je voorjaar op Jupiter. En ik ben dol op liefdesliedjes en gelukkig houdt Mente mijn hand vaak vast, maar daar ging het nu allemaal niet om.

Het ging me alleen om die merkwaardige, die uitermate bescheiden, kwetsbaar ogende maan die zo maar weg was en onverwacht weer terug kwam.
Ik wilde ook helemaal niet naar de maan vliegen. Bewaar me! Maar erover zingen wilde ik wel. En dat deed ik dus.

Fly me to the moon
Padapapapadapapa
Doebiedappiedopie
Doebiedopiedappiedoe
Tadatatatada – oebiedoe
Tadatatatada…


Wel heb ik die tekst nog even extra goed nagekeken.

30 januari 2021

Een zilverreiger en een toegift

Mijn kleine camera vertoont kuren, mijn grote camera is groot en de camera van mijn mobiel is geen camera, kortom ik had niets bij me om het moment vast te leggen. Nu was het behoorlijk koud vandaag en al heb ik daar als fietser niet heel veel last van, mijn voeten en vooral mijn vingers kunnen er niet goed tegen. En dat - ik heb het nu alleen over die vingers - is onpraktisch bij het nemen van foto´s. Bovendien weet ik niet wat er gebeurd zou zijn als ik was gestopt.
Ik denk het wel te weten: ik zou waarschijnlijk een beetje ontgoocheld verder zijn gereden, nog even omkijkend of ik verderop in het weiland de zojuist opgevlogen zilverreiger weer zou zien neerdalen, want daar heb ik het over, over een zilverreiger die in de slootkant stond, vlak langs de weg. Ik zag hem al van een afstand zitten. Anders dan veel blauwe reigers vliegen deze zilveren neven en nichten al vrij snel weg als je in de buurt komt, maar deze dus niet.
Had ik een camera bij me gehad – en mijn mobieltje tel ik dus niet mee – dan zou ik al vroeg zijn afgestapt om een foto te maken. Vervolgens zou ik een paar stappen in de richting van de vogel gezet hebben om nog een keer af te drukken en zo verder. Deze Chevrolet onder de vogels zou vroeg of laat zijn vleugels uitgeslagen hebben om aan mijn aandacht te ontkomen, waarschijnlijk vroeg.Nu speelde dat dus niet. Niet de moeite om de vogel al klikkend dichter te naderen en ook niet het ongemak waarmee ik in mijn behoefte tot het vastleggen van een zilverreiger aan de slootkant dat beest zou opzadelen. Niets daarvan. Wel was ik wat langzamer gaan fietsen en de zilverreiger had niet langer aandacht voor de sloot, maar wel voor die man die steeds dichterbij kwam. We stonden oog in oog, dat wil zeggen: hij stond en ik fietste. Er trok een rilling door het reigerlijf, ik zag dat hij slikte. De slikbeweging gleed door zijn lange hals alsof hij net een kikker had ingeslikt, maar dat was niet zo. Het was de kikker van de spanning die daar door zijn lange nek sloeg.
Maar wegvliegen deed hij niet en ik passeerde hem op anderhalve meter.
Zo dicht was ik nog nooit bij een zilverreiger geweest. Hoera, riep het kleine jongetje dat in mij woont. Jawel, het was koud, ik voelde het aan mijn vingers. Maar misschien was het ook wel vanwege die kou dat de reiger niet was weggevlogen. Terwijl hij mij fixeerde, was hij in zijn kleine bovenkamertje bezig geweest met kansberekening: hoe groot is de kans dat die vent daar me te grazen wil nemen, hoeveel energie, te vertalen in voedsel, heb ik nodig als ik op voorhand al wegvlieg en wat moet in dit geval het zwaarst wegen? En! zou hij gedacht hebben, hoeveel kans op ontsnapping heb ik als die vent inderdaad kwaad in de zin heeft? Enfin, we kennen de uitkomst. Hij koos voor behoud van energie, vanwege de kou. En dat terwijl het voor mij handiger was om juist in beweging te blijven.
Een half uur later, langs de Vecht, zag ik in het weiland negentien ooievaars. Ook dat was een record. Je ziet er hier een, twee, drie, ook wel twaalf, en in juli 2015 telde ik er achttien. En nu dus negentien. Jawel.
Toen in 2015 had ik wel het kleine cameraatje bij me trouwens. Dat leverde slechte foto’s op.

29 januari 2021

Eenheid van plaats en tijd

Het fietspad van Groenekan naar de Nieuwe Weteringseweg voert door een lang gerekte strook die je amper een bos kunt noemen, zo smal is die. Hier en daar dijt ie wat uit, maar een groot deel is niet meer dan veertig meter breed. Omdat het pad over het midden van die strook voert en omdat aan weerszijden dus bomen staan, niet een rijtje of zo, lijkt het een bos. Het is er aangenaam fietsen.Aan de randen van de bosstrook, zowel links als rechts, vind je een onverhard wandelpaadje.
Nu het winter is en nu er meer gewandeld wordt dan we tot nog toe gewend waren, kun je daar mensen zien lopen.
Pas een paar maanden geleden kwam ik ertoe om daar zelf ook eens te wandelen, het oostelijk gelegen wandelpaadje maakt deel uit van een klompenpad. Ik wist wel dat het er was, maar verder dan weten kwam ik niet, tot in november dus. Sindsdien kijk ik ook wat uitdrukkelijker naar die paden en ik zie er dus mensen wandelen. Ik zei het al: het is winter en er wandelen ook daar meer mensen, maar toch weet ik wel zeker dat ik ook meer aandacht heb voor die paden nu ik die zelf heb belopen. Eerlijk gezegd heb ik het tamelijk druk tijdens het fietsen want ik moet natuurlijk ook de vinkjes in de gaten houden die er zich vooral in de wintertijd graag ophouden. Je moet bovendien goed naar die vinkjes kijken, want dan ontdek je af en toe dat er een vinkje tussen zit dat geen vinkje is maar iets anders. Ik weet dan natuurlijk niet wat het dan wel is en prent me wat kenmerken in om thuis op te kunnen zoeken met welk vogeltje ik te maken had. Ook het bestuderen van een vogelgids is vaak niet afdoende, want was het nu dit of was het dat en als ik eenmaal een naam heb, tjiftjaf, ben ik het een half uur later al weer kwijt.

En nu komen daar die wandelaars bij. Wat me bezig houdt, is die gelijktijdigheid, de eenheid van plaats en tijd en ook bijna van handeling. En allemaal eenzelfde soort kleren, dezelfde taal vaak en eerst wat ontbeten of koffie met iets erbij genomen en straks heeft ieder weer hetzelfde nieuws om naar te luisteren. Ondertussen leeft dat, lopend, fietsend, volkomen langs elkaar heen. Parallelle werelden die alles gemeen hebben en elkaar nooit raken. Het maakt je een vreemdeling in je eigen omgeving.

Vanmiddag weer: er liepen twee vrouwen, ze zagen mij niet. Ik van mijn kant zag hen wel, maar, zo realiseerde ik me, meer als fenomenen waarbij je snel afweegt of een groet wel de moeite waard is om ze daarna in je eigen gedachtewereld mee te nemen, als toevallige zetstukken voor gedachten waar je niets aan hebt, gedachten aan de parallelle werelden waarin wij leven, als mensen, als mens tegenover de vinken en misschien geldt dat ook wel voor de tjiftjaf tussen de vinken, die ook tussen de vinken alleen maar deel uitmaakt van het universum der tjiftjaffen.

Ik kwam meer mensen tegen en zal ook nog wel gegroet hebben hier en daar, maar hoewel ze haar haar geverfd had, zag ik bij de Hoogkampse Plas onmiddellijk dat daar de medekerkelijke schooljuf liep. Met haar heb ik nog een kwartier staan praten, terwijl mensen op fietsen of in wandelschoenen ons passeerden. Soms knikten we dan even, zonder verder aandacht te besteden aan die anderen.
Soms knikten we niet.

28 januari 2021

De Burgerwacht

In De donkere kamer van Damocles wordt hoofdpersoon Osewoudt tot zijn teleurstelling afgekeurd voor militaire dienst. Hij is een halve centimeter te kort. Dat geldt niet voor zijn evenknie. Dorbeck heeft zich bij de keuring uitgerekt. Nu is hij luitenant. Dat zijn in dit geval de meidagen van 1940.
Om toch iets te doen meldde Osewoudt zich bij de Vrijwillige Burgerwacht. Daar leerde je ‘exerceren. Hij leerde hoe hij een oud geweer moest laden, hij leerde autorijden en hij mocht een keer schieten met een oude revolver.’ Voor gepast idealisme, een diep doorvoeld besef van menselijke waarden en dito waardigheid moest je niet bij Hermans zijn, de schrijver van de roman. Ook bij Osewoudt ging het daar niet om, al liet hij zich dat als veronderstelling wel aanleunen. Voor hem was verzet een verzetje.

In 1952 ontstond een vergelijkbaar fenomeen, de Bescherming Bevolking, de BB, vrijwilligers op wie men in tijden van nood een beroep kon doen als de natie bedreigd werd. De organisatie heeft ruim dertig jaar bestaan. Er hing een waas van treurigheid omheen. Voor de instelling van de reservepolitie moet je terug naar dezelfde tijd. Deze georganiseerde politievrijwilligers zijn er nog steeds.Ik heb die twee altijd over een kam geschoren. Eerlijk gezegd heb ik ook nooit nagedacht over de BB en de reservepolitie. Ik herinner me nog wel het kleine bordje met het embleem van de BB op sommige deurposten en bij de reservepolitie dacht en denk ik nog steeds aan oom Jan. Een enkele keer zag ik hem in uniform, op Koninginnedag bijvoorbeeld, maar ook een keer dat er een wielerronde bij ons huis voorbij kwam. Oom Jan zat altijd statig op zijn fiets, maar met dat uniform werd hij wel bijzonder indrukwekkend. Als hij me zag, zwaaide hij, en ik hoopte maar dat ook anderen dat zagen, niet alleen dat hij zwaaide, maar ook naar wie. Ik was trots op oom Jan, maar ik wist ook van zijn zwakke rug. Dat hij zo rechtop op zijn fiets zat, had daar alles mee te maken: hij droeg een korset.
Nooit heb ik oom Jan gevraagd waarom hij bij de reservepolitie zat, maar wat zou hij gezegd hebben wanneer ik dat wel had gedaan? Zou oom Jan het over Koningin en Vaderland hebben gehad, die woorden met hoofdletters uitsprekend?

Op tv zie ik boeren, hardcore voetbalsupporters, leden van de rotary, scholieren en allerhande wijkbewoners. Ze zijn in de weer voor hun stad, hun land, hun wereld.
Allemaal Osewoudtjes, denk ik schouderophalend.
Allemaal oom Jannen, denk ik met gematigde bewondering.
Wat ga je doen? denk ik bij mezelf.

27 januari 2021

Papier hier

Bij mijn Drentse zus drink ik drie koppen koffie en eet ik twee koekjes en een broodje kroket. Intussen meandert het gesprek van de sneeuw in Polen, via de breedte van de Yangtze naar de bruiloft van de jongste. Ik wil haar het bijzondere verhaal vertellen van de bruidsjurk, maar dat kent mijn zus al. Ze vertelt dan dat onze moeder indertijd trouwde in de jurk van haar nicht, tante Sjaan Knoester. Die naam komt me vaag bekend voor. Aan deze tante worden vervolgens ook nog twee dochters gekoppeld. Zij zouden vroeger regelmatig bij ons gelogeerd hebben. Hier wreekt zich waarschijnlijk het leeftijdsverschil tussen zus en mij; ik kom niet verder dan een vage herinnering aan de naam van tante Sjaan Knoester. De namen van de dochters en hun logeerpartijtjes zeggen me niks. Wel pak ik mijn notitieboekje om op te schrijven wat de herkomst is van de bruidsjurk en omdat ik toch bezig ben, noteer ik ook meteen de namen van de dochters en de Haagse straat waar ze ooit woonden.

Als ik daarmee klaar ben, legt mijn zus drie lege schrijfblokjes voor me neer, met daarop naam en logo van het reisbureau dat mijn dode zwager ooit runde. Ze heeft er nog genoeg.
‘Tot voor kort beschreef ik die blaadjes aan alle twee de kanten. Als ik dat blijf doen, dan blijven er na mijn dood nog veel te veel over,’ zegt ze. ‘Daarom gebruik ik nu nog maar een kantje. Ik ben een verkwister geworden.’
Ik stop de boekjes dankbaar in mijn rugzak; het eten en drinken berg ik elders op.

’s Middags ga ik langs bij mijn vormgevende vriend in Zwolle. Ik krijg er thee in een beker en een schoteltje met daarop een gevulde koek. Ook ligt er een stapel boeken en kaarten voor me klaar. De vormgevende vriend zit nu eenmaal dicht bij het vuur en daaraan mag ik me regelmatig warmen.

Tussen de eerste en de tweede beker vraagt hij of ik die kleine bruine envelopjes nog zo leuk vind. Dat is inderdaad nog het geval; ik stel zelfs voor dat hij bij een volgende bestelling de kosten én de nieuwe voorraad met me wil delen. Zover is het nog lang niet. Hij heeft er nog meer dan genoeg, sterker, ik moet er maar een stapel van meenemen. Met een volle tas ga ik twee uur later de deur uit.

Intussen heb ik het formaat van de blaadjes van de schrijfblokje ingesteld ook op de computer, tien bij twaalf. Als ik dit stukje nu af maak, lettergrootte 11 gebruik en afsluit met dank en groet, dan kan daar nog net handgeschreven mijn naam onder. Ik druk de tekst uiteraard eenzijdig, maar wel twee keer. Het verhaaltje gaat op blaadjes van een Drents blokje in een Overijsselse envelop naar Ruinen en ik stuur eenzelfde setje naar Zwolle.

Bedankt en hartelijke groet van





PS Dit was geen goed idee. Printer is vastgelopen. Het feest gaat niet door.

26 januari 2021

Diasnijdertje

Rond 1980 stapte ik van foto’s over op dia’s en dat hield ik 25 jaar vol. Lang genoeg voor een kast vol dozen, die er allemaal even lelijk uit zien, maar veel liefde herbergen. Dat begon al met het moment van afdrukken. Iedere klik vroeg een financieel offer en dan was er nog het euvel van een vol rolletje halverwege een dag wandelen in verlaten natuurgebied. Dia’s waren weliswaar goedkoper dan foto’s die je meteen liet afdrukken, maar dan nog.

Bij het, ook al door zuinigheid ingegeven, ritueel hoorde vervolgens het snijden van de filmstroken. Daar was een apart apparaatje voor en dat maakte een onvergetelijk geluid want in het geheugen van de jongste klonk het spontaan toen ik vanmorgen over dia’s begon - ik zal straks uitleggen waarom. Dat geluid herinnerde ik me ook, maar de jongste rook de geur van een filmstrookje waar het mes doorheen gaat. Zij hielp me daar indertijd graag bij, vandaar. Ik zou daar nooit op gekomen zijn, op die geur, maar inderdaad, nu zij het zei, rook ik het ook. Gek genoeg rook ik het niet, zo leek het tenminste, in de grijze brij van mijn schedelzolder, maar in mijn neus. Wonderlijk toch.

Na het snijden, dat ik dus na zorgvuldige instructie, aan de kinderen overliet, klikte ik de dia’s in de daarvoor bestemde raampjes en met een watervaste fineliner schreef ik een code op de ingelijste dia die correspondeerde met de plaats in de slee waarin vijftig plaatjes pasten. Daarvan zaten er twee in een diadoos en elke doos had een nummer. Met arabische cijfers geschreven nummers waren voor de huis-, tuin- en keukendia’s en die waren in de meerderheid. Voor dia’s van oude kerken - die fotografeerde ik omstandig van binnen en van buiten - gebruikte ik romeinse cijfers; bij wandelpaden liet ik er twee letters aan vooraf gaan. Dus op een op het Pieterpad genomen dia werd PP4b36, zoiets.
Vervolgens noteerde ik op lijsten achter het nummer, de datum, de plaats en wat er voor de rest nog te vermelden valt. Van de dia hierboven, ik zoek het even op, kan ik je vertellen dat die genomen werd op 1 mei 2002 en dat gaat om het bij Limbricht genomen romaanse kerkje, direct naast het kasteel.
Die lijsten drukte ik af en zo heb ik niet alleen een kast vol dia’s maar ook een ringband vol lijstjes.

In de gedeelde nostalgische bui van afgelopen zondag pakte ik de diaprojector met ingebouwd uitklapbaar scherm, een stapel dozen met daarin ons verleden. In de prullenmand naast me verdwenen heel veel dia’s, maar van het Pieterpad van eergisteren, bleef toch de helft over.
Bij het kijken kon ik bij iedere dia precies het wie en wat en waar vermelden. Het was een en al vreugde zondagmiddag, daar op die bank.

‘Ga je er ook een boek van maken?’ wilde Mente weten. Dat wist ik nog niet. Daar moest eerst het grote digitaliseren aan vooraf gaan en dat is niet niks. Omdat we het erover hadden, zocht ik, niet voor het eerst, naar informatie over geschikte scanners en naar de mogelijkheid om dat uit te besteden. Die scanners zijn veel goedkoper dan een jaar of tien geleden, toen ik ook al eens keek. Gisterochtend belde ik de fotograaf en die vertelde met welk apparaat hij zelf zeer tevreden was. Daarvan had hij er trouwens eentje staan.

Nu niet meer, want dat ding staat nu naast mijn bureau. Inderdaad, het zal veel tijd kosten, maar het resultaat bevalt me.
In elk geval begrijp je waarom het vanmorgen even over een diasnijdertje ging.

24 januari 2021

Avondklok

In de tijd dat ik nog rookte, liet ik ’s avonds rond een uur of elf bij gebrek aan een hond mijn pijp nog even uit en dan kon het wel gebeuren dat ik nog ergens aanbelde voor een afzakkertje.
Eind 1940 voerden de Duitse bezetter hier een avondklok in, van twaalf uur ’s nachts tot vier uur in de ochtend. Die maatregel werd gecombineerd met de verplichting om huizen te verduisteren. Het doel daarvan heeft helemaal niets te maken met wat nu wordt beoogd met een avondklok. Daar komt bij dat het niet voor de hand ligt om bij deze middernachtelijke uren van avondklok te spreken. Dat deed men toen dan ook niet: de mensen hadden het over spertijd. In de loop van de oorlog ging die spertijd in allerlei gemeenten eerder in en werd het acht uur.
Hoe dat precies in het Westland zat? Als dit verhaal klopt, was het in de eerste helft van 1944 nog twaalf uur. Ik neem tenminste aan dat het zich in die tijd moet hebben afgespeeld.

Als jonge verzekeringsman ging mijn vader juist ook ’s avonds bij mensen langs, om premies te innen, als het even kon een nieuwe verzekering te slijten en het kon geen kwaad wanneer er daarbij ook iets te drinken was.
Voor zijn ongeluk in december 1959 kon mijn vader aardig wat drank verstouwen zonder dat dat echt merkbaar was. Daarna gaf zijn consumptie meer problemen, al realiseer ik me ook dat ik toen pas de leeftijd begon te krijgen om iets van zijn alcoholische genoegens te merken.

Een jaar of tien geleden pas vertelde mijn moeder me het verhaal dat mijn vader voor een gezellige afzakker als laatste klant Johan de Munnik bezocht, aan de Molenstraat. Dat was niet al te ver van zijn eigen huis aan de Varenstraat en zo kon hij nog net voor twaalven thuis zijn. Zowel de gast die hij was als de gastheer hadden het blijkbaar erg gezellig, want pas om half een hadden ze in de gaten dat de avondklok al lang was ingegaan. Dus namen ze er nog maar eentje.

En nog een. Uiteindelijk zocht de gastheer zijn bed op en mijn vader legde zijn hoofd op het dikke smyrna tafelkleed. Om vier uur kwam mevrouw De Munnik uit bed. Ze maakte hem wakker en vertelde mijn vader dat hij nu wel naar huis kon. Een tijdje later werd mijn moeder wakker van gerommel aan de voordeur. Ze is voor alle zekerheid maar achter hem aan de trap op gegaan.

Dat was nog in de tijd dat ze daar wel om kon lachen, voegde ze er aan toe, toen ze me het verhaal vertelde. Het deed met deugd haar bij deze herinnering even te zien glimlachen.

23 januari 2021

Binnenzak

‘Het Verraderlijke Hart’ is een verhaal van Edgar Allan Poe. Het is een heerlijk verhaal om voor te lezen, en dat heb ik vaak gedaan, maar daar gaat het nu niet om. Het gaat wél om het tikken van een hart, onder de vloer - ik zal niet in details treden en daarmee de clou verraden. Dat tikken klinkt eerst als ‘een horloge dat tussen watten ligt’. Je moet je daarbij een zakhorloge voorstellen, want het verhaal is bijna 200 jaar oud. Dat geeft misschien al antwoord op de vraag waarom het horloge tussen watten ligt, want zoiets ligt op zichzelf genomen niet erg voor de hand.
Intussen heb ik mijn eigen zakhorloge even tevoorschijn gehaald en even geluisterd. Zelfs als ik het tegen mijn oor houd, hoor ik niets. Dat verwondert me niets; er zit namelijk een batterijtje in. Maar ja, het secondewijzertje verspringt wel met kleine schokjes van tel naar tel en ook dat is blijkbaar niet te horen.
Nu ligt er op mijn bureau ook nog een oud zakhorloge. Het zal van Mentes grootvader geweest zijn; honderd jaar is het al gauw. Het ligt in het doosje waarin het ooit werd gekocht. Het horloge ziet er nog goed uit. Wel staat het stil en ik krijg het niet meer aan de praat. Dat is jammer, want zo kom ik niet nader tot het horloge uit 'Het Verraderlijke Hart'.
Nu ik het doosje weer open maak, valt de bekleding van het dekseltje omlaag. Onder het rode zijde tref ik stof aan die inderdaad aan watten doen denken, maar mijn onderzoekende geest is niet sterk genoeg om de boel nog verder uit elkaar te plukken.
Wel ben ik nu wel heel ver weg van de aanleiding van al deze wetenswaardigheden. Het ging namelijk helemaal niet om een al dan niet tussen watten liggend horloge dat wel of juist niet hoorbaar zou wezen en het ging dus al helemaal niet om het verhaal van Poe. Daaraan moest ik alleen maar denken door de woorden ‘horloge dat tussen watten ligt’ en daaraan moest ik weer denken vanwege mijn mobieltje.

Dat zit namelijk nog in mijn jaszak en die jas hangt beneden aan de kapstok terwijl ik boven zit, terwijl de deur van de kamer dicht is, dus als er een berichtje binnenpingelt, zelfs als hij als telefoon zijn carillon laat horen, zal ik dat niet in de gaten hebben, alsof het een horloge is ‘dat tussen watten ligt’, en anders dan de verteller uit het verhaal van Poe hoor ik het dus niet. Dat is een aangenaam verschil tussen hem en mij, want ook die verteller wilde dat hart, dat horloge, helemaal niet horen, maar hij hoorde het wel. Ik hoor mijn mobieltje niet. En dat is maar goed ook, want ik heb even helemaal geen zin in berichtjes of belletjes en op ongevraagde confessies vanuit mijn sociale omgeving zit ik ook niet te wachten. Ik wil helemaal niets op dat front. Nu even niet!

Het kan natuurlijk zijn, dat ik niets hoor omdat er niet gebeld wordt en er ook geen berichtjes komen. Misschien ook, als ik goed luister, hoor ik toch iets van het mobieltje, daar beneden in die binnenzak van mijn gewatteerde winterjas.
Die man in het verhaal hoorde trouwens zacht tikken onder de vloer, terwijl dat er helemaal niet was. Maar wacht even, hoor ik…
Nee, onzin. Weet je wat? Ik zet onmiddellijk een punt achter dit stukje en schakel dan mijn mobieltje uit en dat zonder eerst te kijken of er toevallig niet een bericht of oproep is waar ik echt op moet reageren.

22 januari 2021

Et in arcadia ego

Ook vanmiddag bleven ze liever bij hun lego, duplo, bij het touwtje waaraan ik een haakje had gemonteerd zodat Markus steeds met een ander autootje achter zich aan door de kamer kon paraderen. Ik was onverbiddelijk: we moesten echt ook naar buiten toe. En zo vertrokken we even later naar de speeltuin van het Lubroveldje, een paar honderd meter verderop. Een motiverend moment daarbij was dat Lukas net voor Markus’ neus het plastic loopfietsje kon wegkapen. Hij was weliswaar iets te groot voor dat fietsje, maar een broertje een hak zetten is ook wat waard. Lukas schoot weg, de tuin en daarna de poort uit, terwijl Markus achter hem aanrende, niet vanwege dat fietsje, hij was niet eens van plan geweest om daar iets mee te doen. Hij rende omdat hij een vent van twee is en omdat er iets voor hem uit ging waar hij achteraan kon rennen. Zoals een hond achter een bal of een stok aan gaat, zeg maar. Kortom, het tempo zat er gelukkig lekker in.
In de speeltuin kreeg Lukas navolgers toen hij met het fietsje steeds de hobbelige heuvel afracete en hij oogstte bewondering van een meisje doordat hij in staat was om op dat fietsje zittend ook weer het heuveltje op te kunnen komen. Bovenaan verloor Markus zich in een modderplas, een podderpas in zijn woorden, want Markus is dol op de p. En op plassen.

Toen de schommel vrij was, zo’n spinnenweb waar je als kind ook in kunt liggen, sjeesde Lukas daar naar toe. Het meisje schoot achter hem aan. Ze heette Elin en had een lichtblauwe viltstiftstreep op haar voorhoofd die er al de hele dag gezeten moet hebben, want hij was zijn hoogtepunt ver voorbij. Die streep stond haar goed.
Even later duwde ik Lukas en Elin, terwijl zij vriendelijk lagen te kibbelen. De een vond dat ik langzamer moest duwen, de ander wilde de schommel ‘onder de kop’ hebben. ‘Over de kop,’ zei ik. ‘Nee, niet zo hard,’ riep Lukas. De oma die bij Elin hoorde deed tot nog toe alsof ik niet bestond, maar toen ik om me heen keek om te zien waar Markus was – die was de schommel na een minuut al zat geweest – wees ze me wel waar hij was: hij had de speeltuin verlaten en stond nu bij het jeu-de-boulesbaantje. Matthias draagt graag een cap. Hij heeft er eentje met hondjes erop van Paw Patrol. Daar steken die petten van mij maar schriel bij af zou je zeggen, maar zo is het niet. Hij gaat liever met een pet van mij naar buiten. Het is een leuk gezicht: zo’n dreumes die zich verdiept in de gravel van een jeu-de-boulesbak, ergens in de verte, en dat onder een veel te grote pet.

Lukas en Elin kregen van het schommelen niet genoeg. Het gekibbel ging door, maar zonder overtuiging; het bracht ze zelfs in een staat die zweemde naar gelukzaligheid leek het, zo dicht tegen elkaar liggend op die schommel. Ik moest even aan Jeanette denken.
Et in arcadia ego, dacht ik. Het is een gevleugelde uitspraak, maar ik denk daarbij onmiddellijk aan boeken van Hella Haasse: De verborgen bron en De Ingewijden. Het eerste is een dun en door scholieren indertijd dus veelgelezen gevalletje dat handelt over de mysterieuze verdwijning van een kunstenares. Alleen haar kleren blijven achter én een tekening met daarop die Latijnse tekst. Elin Breskel heette die kunstenares, Elin, net als dat meisje.

Thuis trek ik de boeken uit de kast en leg ze op de leesstapel voor 2021. Dat heeft Hella Haasse wel verdiend.

19 januari 2021

Worüber man nicht reden kann…

Via What’s App kwamen gisteren twee foto’s binnen die duidelijk maakten dat de jongste en haar bruidegom aan de afgelopen zaterdag voltrokken echtverbintenis ook nog een huwelijksreis hadden gekoppeld. Eentje van ruim een halve dag en die voerde tot mijn verrassing naar mijn geboortedorp. Ze maakten er een strandwandeling, wat ondanks de kou wel een passende bezigheid is voor jonggetrouwden, maar vóór die tijd gingen ze nog even langs het graf van mijn moeder. Mijn vader ligt er ook, maar sinds het overlijden van mijn moeder wordt hij door zijn kleinkinderen amper meer als bewoner genoemd.
Op de foto zag ik dat er een bos bloemen bij het graf stond. Dat vond ik een sympathiek gebaar, dat wil zeggen: zolang ik het onderschrift niet had gelezen, want dat maakte duidelijk dat het bruidspaar zelf geen bloemen hadden meegenomen. Toen ik nog eens goed keek, herkende ik er de chrysanten in die ik er zelf drie weken geleden neerzette. Wat zeg ik? Nee, het was de woensdag voor Kerst, dus die bloemen stonden er dus al bijna vier weken.

De jongste vond het wel raar dat er niet ergens een toilet te vinden was op het kerkhof. Nu weet ik er wel eentje, maar daarvoor moet je de aula in en die is doorgaans gesloten. Er is ook nog een leuk ogend tuinhuisje en misschien hoort daar ook wel een wc bij, maar ik heb die een maand geleden niet kunnen vinden. Ik kan niet zeggen dat mijn blaas sinds mijn bestralingen van anderhalf jaar terug onberekenbaar is geworden, wel is het er een waarmee ik meer rekening moet houden dan ik gewend was, en nog steeds schiet ik daarin af en toe te kort. Vandaar dat ik dat zo goed weet, van die gesloten aula en van het gebouwtje voor de kerkhoveniers dat ook al geen soelaas bood.
Ten slotte vond ik een maand geleden een rustig plekje tegenover het graf van mijn grootouders, want die liggen er ook. Het bijzondere van die plek is dat je vandaar uitzicht hebt op het huis waar mijn moeder 46 jaar woonde. Nu in de winter zie je het extra goed.

Over de aangelegenheden van de blaas van woensdag 23 december heb ik het nooit met iemand gehad, maar vandaag was de jongste hier en nu blijkt dat zij gisteren, net als ik daags voor Kerst, vergeefs aan de deuren heeft gerammeld van aula en hoveniershuis. Ook zij vond een plek buiten waar zij haar blaas tot bedaren kon brengen. Ze koos hetzelfde hoekje en keek daarbij beter naar het vroegere huis van haar oma dan ik een maand geleden, begrijp ik intussen. Ik had het toen te druk met me te verontschuldigen tegenover mijn grootouders, die hier al lagen toen mijn leven nog verre toekomst was. En tegenover onze vroegere buurman en buurvrouw aan de Molenstraat, want die liggen in diezelfde uithoek begraven. Ook tegen hen heb ik sorry gezegd.

Vanmiddag fietste ik mijn inspectierondje door de polder, toen er zwermen kauwtjes voorbij vlogen. Geen spreeuwen, maar kauwtjes. Geen kraaien ook. Op het kerkhof van Monster zie je veel kraaien. Tegen de avond vliegen ze om de molen, daarna langs het raam waarachter jaar en dag mijn moeder zat, en dan weer terug naar de bomen van het kerkhof. Mijn moeder keek graag naar ze, naar de kraaien. Ik geloof niet dat ik een maand geleden kraaien heb gezien op het kerkhof, in het verslag van de jongste komen ze ook niet voor. Ik moest vanmiddag aan ze denken toen die kauwtjes voorbij vlogen.

17 januari 2021

Herinnering voor later

Toen ik vanmorgen wakker werd en goed luisterde, hoorde ik aan de andere kant van de muur, hoe Markus in zijn bedje lag te zingen. Er kwamen flarden van bekende melodietjes voorbij en soms ook stukjes tamelijk gehavende tekst. Op de melodietjes werd vrij geïmproviseerd en voor de tekst volstond meestal een nananana waar geen einde aan leek te komen. Toen we de slaapkamerdeur hadden opengezet konden we het beter horen. Het was een vriendelijk geluid. In het voorjaar kan ik wakker worden van vogels die de dag begroeten of luidruchtig afscheid nemen van de nacht. Dit peutersopraantje klonk veel aangenamer. Het was duidelijk dat het jongetje zelf nog half sliep. Af en toe kwam hij even op een hoger bewustzijnsniveau terecht, maar zodra een riedel in de herhaalstand kwam, wist je dat hij weer bezig was te verdwijnen. Maar nooit helemaal. Na drie kwartier werden de liedjes herkenbaarder en langzaam maar zeker nam het volume toe. Toen was het half acht. Dat viel niet tegen.

Niet lang daarna was ook zijn oudere broer van de partij en werd het tijd om verstoppertje te spelen in bed. Ee – tee – die – vie – zes – vihtien – ih plom! Lukas nam voor de gelegenheid de taal van Markus over.

Buiten verloren we het gevecht tegen de dooi. Het enige wat nog aan de sneeuw herinnerde toen de jongste en de schoonzoon thuis kwamen van hun bruidsvlucht, waren natte, bemodderde kleren over de verwarming.

De sneeuw had gisteren, na de bruiloft, even gezorgd voor een sprookjesachtig decor. Het bruidspaar, de vader en moeder van Lukas en Markus, hadden ’s avonds nog een wandeling langs de singel gemaakt, precies zoals Annette ze op de trouwkaart had getekend. Ook dit sneeuwfeest gehoorzaamde aan de wetten van covid 19 en duurde maar even. Op de foto’s krijgen huwelijk en sneeuw eeuwigheidswaarde. Als de kleine Markus groot is en terugblikt op vroeger, dan herinnert hij zich misschien een tijd waarin zijn vader en moeder ’s winters altijd trouwden, het voortdurend sneeuwde of waarin je het spannende gevecht tegen de dooi aanging. Een tijd ook waarin je je grootouders ergens onder dekens terugvond en waarin een helder kinderstemmetje fraai en onvermoeibaar varieerde op bekende kinderliedjes.

16 januari 2021

Met een zucht

De opmerking ontsnapte mijn schoonvader op de dag dat ook zijn andere dochter trouwde: ‘Hèhè, ‘alletwee die meiden getrouwd.’ In één adem voegde hij daar aan toe: ‘En zonder moetje.’
Hij had de pech dat hij dat juist op het moment zei dat er een stilte viel in het gezelschap. Het was tijdens de lunch, dus waarschijnlijk nam net iedereen een lepel soep of een hap brood. Hoe dan ook, zijn half gefluisterde opmerking, alleen bestemd voor zijn broer en schoonzus die naast hem zate,n bereikte ook heel veel andere oren. Maar opgelucht bleef hij, daar deed het gelach dat volgde op zijn opmerking niets aan af.

Van opluchting kon bij mij geen sprake van zijn toen er vandaag van twee kanten een jawoord klonk. Een moetje was er evenmin, wel waren er twee uit vrije wil in een prematrinoniaal tijdperk tot leven geroepen knulletjes. Andere tijden.
In plaats van met een gerust hart mijn dochter de deur uit te doen, zoals mijn schoonvader, en daarna hèhè te zeggen, zitten Mente en ik nu in het huis van de jongste en de man die we al jaren kennen maar nu plotseling schoonzoon heet, om ons daar bezig te houden met die jongens van ze.
Na een kort gevecht met misschien wel de enige sneeuw van deze winter eten wij patat, daarna taart, en na een filmpje en een verhaaltje gaan ze naar hun bed naar bed, zodat ook wij niet lang daarna uitgeput in een vreemd bed terecht kunnen. Vanuit hotel Karel V bereikt ons bericht dat de jonggehuwden zich daar uitstekend vermaken.
Hier treffen we na tandenborstel en washand een jongetje aan dat stilletjes van zijn eigen bed naar onze tijdelijke slaapplaats is geslopen. Middenin de nacht ploft hij opnieuw tussen ons in.
Hèhè, zeg ik mijn schoonvader na. Het klinkt heel anders en er is niemand die het hoort.

15 januari 2021

Onderstaande Och Heden bleef een jaar en drie maanden in portefeuille. Zaken veranderen.


Ligstoel met uitzicht

Geluk is waar je niets bent. Ik houd het mezelf graag voor en in dat opzicht kom ik in Nieuw-Zeeland nog meer aan mijn trekken dan in Utrecht. Of dat echt waar is? Er valt het nodige op af te dingen. In relationele sfeer ben ik vooral een kampeerder die na twee dagen al begint te zingen van zijn onafhankelijkheid om een week later vrolijk met de vuile was terug te keren in een centraal verwarmd huis en een goed bed.
Sinds eergisteren wordt er weer veelvuldig opa en pappa tegen me gezegd, om de doodeenvoudige reden dat ik dat ben. Het komt mij zomaar toe.
We zitten een paar dagen op een klein eilandje aan de rand van de Tasmanbaai. Langs het water staan twee ligstoelen die bij vloed met hun poten in het water komen te staan. Tot in de verte wisselen turquoise en zilver elkaar af, daarachter zie ik allerlei bruingroenen van heuvelrijen.
Toen Mente, onze jongste en haar kinderen gisteren dit uitzicht weer verruilden voor de veranda honderd meter verder, bleven Robert en ik achter op die twee stoelen aan het water. Waarover spraken zij, die twee, daar op die twee ligstoelen zo half in het water? Luister!

Het komt Robert wel uit dat we even alleen zijn, want hij heeft een belangrijke vraag. Zegt hij.
Om geld kan het niet gaan, bedenk ik. Daarvoor hoef je bij mij niet aan te kloppen. Misschien wil hij dat ik een brief voor hem schrijf, want zoiets vragen ze me af en toe. Dat is het ook niet.
Dan begint Robert te vertellen dat hij mijn dochter al zo- en zoveel jaren kent; hij combineert dat vrij snel met zijn, lees: hún toekomstplannen, en na een minuut of tien komt hij met de vraag om de hand van de jongste.
Nu hebben die twee samen een huis, een gedeelde bankrekening, een kat en twee kinderen, dus over die hand kan ik niet moeilijk doen, begrijp ik.
De vraag doet me plezier. Het huwelijk is in essentie een onpraktische instelling, zij hebben samen bovendien al zoveel praktische stappen gezet, dat ze makkelijk zonder een vereniging in de echt verder kunnen. Dat hadden ze dan beter eerder kunnen doen. Nu dient een huwelijk geen doel meer, dat wil zeggen geen enkel doel meer dan de rituele bezegeling van de relatie. En dat is wat mij betreft wel het punt waarop een huwelijk de moeite waard gaat worden.
De vraag van Robert doet me ook plezier omdat ik er helemaal niet toe doe. Die twee maakten allang geleden een keuze waar hun ouders volledig buiten stonden. En dan, wat is het voor onzin dat een volwassen vent aan een man gaat vragen om de hand van diens dochter? Ik kan ja of nee zeggen. Nee, zou niet goed zijn voor de verhoudingen, maar gevolgen voor de relatie van de jongste en de man naast me op de ligstoel zullen er niet van afhankelijk zijn. Waarom gaat mijn jongste trouwens niet naar Roberts moeder toe? Met dezelfde vraag, maar dan met geslachtsverandering.

Robert is tevreden met mijn ja en als ik even later in dat verband ook nog zeg dat hij mijn zegen heeft, dankt hij me hartelijk. Het woord zegen is belangrijk voor hem. En dat doet mij weer extra veel genoegen. Ik moet er even door aan Jakob denken die aan zijn oom Laban om de hand vraagt van diens dochter en daarvoor ook de zegen krijgt. Laban laat Jakob zeven jaar voor hem werken, dan mag hij de dochter trouwen. Ik kan niet zo gauw iets bedenken om Robert voor mijn karretje te spannen. Laban maakte het nog bonter door aan de deal een tweede dochter te koppelen voor nog eens zeven jaar. Afgezien van het feit dat ik geen tweede dochter heb, ligt dat tegenwoordig wat minder voor de hand.

Hoe dan ook: op de ligstoel zit een man van niets. Hij geeft toestemming voor iets waarover hij niets te zeggen heeft en gedraagt zich intussen als een vertegenwoordiger van een verdwenen patriarchale wereld door niet te zeggen dat de jongste bij Roberts moeder moet zijn en niet bij hem. Ook zou hij niet weten hoe hij de jonge man naast zich een poot zou hebben kunnen uitdraaien. Ach kom, dat zou hij niet willen.

Vandaag hebben Mente en ik op de jongens gepast en is Robert met zijn geliefde op stap geweest. Ze kwam terug met een ring om haar vinger.
In de koelkast zag ik zojuist een fles champagne liggen.

(Tot zover deze Och Heden uit oktober 2019. Wordt vervolgd.)

14 januari 2021

Open plek

De boom is terug naar de kweker; alleen de kerstkaarten laten nog zien dat aan deze sombere januarimaand een hartverwarmend december vooraf is gegaan. We komen dit jaar op 83 kerstgroeten van papier. Dat is meer dan vorige keer, waaruit wel weer blijkt hoe groot de behoefte aan contact en nabijheid is, al is het maar in de vorm van een kaartje. Misschien moet de overheid aan ‘januarizegels’ gaan denken. Die behoefte aan tekenen van leven zal er de eerste twee weken van januari niet minder op zijn geworden.

Natuurlijk neemt dit allemaal niet weg dat ook de linten met kaarten binnenkort zullen verdwijnen. De tekenen bedriegen in elk geval niet.
Gisteren merkte ik dat er een kaart gevallen was. Hij lag op de grond. Zoveel was duidelijk: voor de kerstpost was de herfst aangebroken. Wat ik bij boombladeren niet doe, maar met deze kaart wel, ik hing hem terug, me erover verbazend dat kerstwensen niet alleen seizoensgebonden maar ook seizoensgevoelig waren. Zou dat heus waar wezen?
Vanmorgen werd die vraag met ja beantwoord. Er was weer een kaart verdwenen, van hetzelfde lint als gisteren. De open plek was evident. Maar waar ik ook keek, nergens zag ik een kaart. Alsof de wind hem had meegenomen… Een al te grondige zoektocht stelde ik uit. De kaart was misschien achter de boeken in de boekenkast terechtgekomen. Daar zou ik dan later nog wel eens kijken. Verder dacht ik er niet aan, er zijn ook andere dingen.
Een halve dag later was die lege plek er nog. Dat van die boekenkast geloofde ik zelf niet, dat van de wind evenmin, wat het verdwijnen van die tweede kaart alleen maar merkwaardiger maakte.

Ik hield het nog even voor mezelf, maar ten slotte vertelde ik Mente wat voor vreemds zich had voorgedaan in de ons zo vertrouwde huiskamer.
‘Dat is de kaart van Annette,’ zei Mente.
En zo was het ook. Mente had die weggehaald, een lijstje gezocht en daarin de tekening gestoken. Mij vroeg ze vervolgens of ik die bij de andere kaarten wilde hangen, als eenentwintigste. Mevrouw Annette Fienieg heeft twee galerijen bij ons in huis, in de woonkeuken en op zolder. ‘Ik zal het zo doen,’ beloofde ik Mente. Gisteren dus.

Het verbaasde me niet dat ik geen verband had gelegd tussen de kaart die niet meer aan het lintje hing en het gevulde lijstje dat op de hoek van de tafel op me lag te wachten. Het is een van mijn talenten om samenhang over het hoofd te zien.
Wat ik na die mededeling wel onmiddellijk zag: de kaart die ik gisteren teruggehangen had, was terechtgekomen op de plek waar kort daarvoor nog die van Annette en Koos hing. Dat verklaarde ook waarom die andere kaart gevallen was.

Dat vond ik weer jammer. Ik zou het wel leuk vinden wanneer de linten in de kamer in januari langzaam zouden ontkaarten omdat de natuur erom vraagt. En dat ik dan de gevallen kaarten op zou rapen om in een doosje te stoppen. Een soort walnoten rapen zou het zijn, maar dan binnenshuis. Zo is het dus niet. Je moet het allemaal zelf doen.

Dat geldt ook voor de ingelijste kaart die op zolder komt te hangen. Dat brengt me weer bij de jaarlijkse vraag of ik een spijkertje in de pleisterlaag tik - dat gaat snel, als de pleister niet wegbrokkelt - of dat ik toch maar gaatje boor voor plug en schroefje. Ik zal er eens over gaan nadenken.

12 januari 2021

Mijn persconferentie

Ik heb nog een half uur en dan begint de persconferentie. Liever zou ik hem zelf geven, niet om te vertellen wat men besloten heeft, maar om te zeggen wat ik in mijn wijsheid heb besloten. Overigens wil ik ook wel uitsluitend als doorgeefluik fungeren, maar dan alleen wanneer de maatregelen me aanstaan. Sterker nog, dan laat ik ook de woordvoering graag over aan de heren Rutte en De Jonge. Daar heb je weer die bescheidenheid van mij die me zo charmant maakt.

Terzake. Stel je toch eens voor dat premier en minister zometeen vertellen dat de maatregelen van nu ook de komende drie weken van kracht blijven en dat we met dezelfde inzet doorgaan om het virus te pareren om vervolgens aan te geven dat we daarom ook onze aandacht kunnen gaan verleggen, namelijk naar de vluchtelingenkwestie.
De mensen die druk doende zijn in verband met het coronavirus moeten daar vooral mee door blijven gaan. Dat lijkt me nogal logisch. Maar als het om het vluchtelingenprobleem gaat, dan zijn er nog genoeg mensen over om daar eens hun tanden in te gaan zetten. Bijvoorbeeld politici. Bemoeienis met Moria is relevanter dan het eindeloze gehakketak over het vaccin dat er twee dagen eerder of later komt.

En als, maar daar hebben de landsdienaar en zijn baas minder over te zeggen, ook kranten en andere media eens wat minder met corona of met dat gedoe in Amerika bezig zouden zijn, door zich te beperken tot nieuwe ontwikkelingen op dat front, om ons in plaats daarvan de ogen te openen voor wat de vluchtelingenpandemie inhoudt, je weet wel, die ziekte met als belangrijkste symptomen honger, geweld, verdrijving en vlucht, en dat gekoppeld aan eigenbelang, lauwheid, laksheid onvermogen tot empathie van anderen - allemaal te plaatsen onder de noemer ‘ontoelaatbare onmenselijkheid’ - dan gebeurt er misschien eindelijk eens iets.

Ik denk ook dat het goed is voor de eigen gezondheid als we niet voortdurend bezig zijn met datgene waar al van alles aan wordt gedaan en dat ons desondanks blijft belemmeren. We staren ons blind op die ene vlek van eigen onbehagen. We zitten er met onze neus bovenop en daar groeit die vlek alleen maar van. We zouden er nog moedeloos van worden.

Van nadenken over menselijkheid en medemenselijkheid - dat zouden wel eens synoniemen kunnen zijn - worden we misschien weer een beetje meer mens dan gebeten hond.

Dus ik stel voor: op pagina 1 van de krant, en als hoofdartikel van de bijlage: vluchtelingen. Op bladzij 3 iets over Covid-19 en op 6 iets over Amerika.
Kijk, als er echt coronanieuws is, dan mag dat natuurlijk wél op de eerste bladzij. En misschien geldt dat ook wel voor nieuws uit Amerika. Daar ben ik nog niet helemaal uit.

Duidelijk? Duidelijk.
Dan laten we het hierbij voor vandaag.

10 januari 2021

Pas op dat je niet uitglijdt!

De vorst voerde Aat en mij gistermorgen door berijpt land. Dat was aangenaam voor de ogen, maar prettig ook voor de voeten. Niet alleen de paadjes langs de Kromme Rijn, ook de sporen die hier en daar dwars door een weiland waren getrokken, moeten de dag ervoor nog een modderboel geweest zijn die ongetwijfeld aan je schoenen zoog en tegelijkertijd van die gelegenheid gebruik maakte om dat schoeisel eens lekker onbeschaamd te bezoedelen. Nu gaf bevroren modder stevigheid en mijn schoenen bleven schoon.

Langzaam maar zeker verdween de rijp, maar de grond bleef hard en de wandeling bleef, weliswaar iets minder betoverend, erg aangenaam. Werd plotsklaps het stoere jongetje in me wakker of kwam het toevallig zo uit? Ging ik er misschien vanuit dat ik met mijn schoen dwars door het dunne laagje ijs zou trappen van wat je amper een plasje kunt noemen? Ik weet het niet, maar ik zette een voet vol op flinterdun gewaand ijs. Mijn schoen gleed weg en bijna kukelde ik achterover. Bijna. Maar de schrik van het moment was er. Dat is een schrik die je blijkbaar in staat stelt om wat bewegingen te maken, vraag me niet welke, die ervoor zorgen dat je je evenwicht bewaart, waarna je kunt doorlopen en kunt doen alsof er niets gebeurd is. Er was ook niets gebeurd. Maar tegelijkertijd met die opvlammende schrik en die reflexen van mijn lijf ontplofte er, heel klein, vreugdevuurwerk in mijn hoofd, omdat ik bezig was om uit te glijden op ijs. Die vreugde had niet zozeer met het glijden te maken, maar vooral met dat ijs. Als ik bijna was uitgegleden over een hondendrol dan zou er van binnen geen minivuurwerkje zijn ontstoken. Trouwens, als het een drol geweest was, dan zou ik er natuurlijk niet bewust mijn voet op hebben gezet, zoals ik wel deed bij dat bevroren plasje.
Het hield me daarna nog even bezig, dat vonkje vreugde. Dat had natuurlijk te maken met het feit dat het gevroren had. Dat vriezen uit die goeie ouwe tijd, waarin je nog zo gezellig onderuit kon gaan. Dat het toch nog even naar winter rook. Zoiets.

Vanmorgen maakte mijn eerste stap buiten de deur al duidelijk dat ik moest oppassen. Het ging nu niet meer om een klein plasje. Tweehonderd meter verderop lag een vrouw op straat. Er waren al twee mensen bij, en een hond, die het wel gezellig vond, die vrouw op straat.
Van de andere kant kwam Piet aangelopen. Hij was net als ik op weg naar de kerk. Er kwam een vrouw het huis uit gerend. Ze was op weg naar de vrouw midden op straat, dat was duidelijk.
‘Neem een plaid mee.’ Dat vond ze een goed idee. Ze draaide zich zo abrupt om dat ze bijna uitgleed. Bijna. ‘Doe nou rustig aan, waarschuwde ik, ‘één plaid is wel genoeg.’
‘Deze man is ook gevallen,’ zei Piet even later. ‘Het was een zij, een vrouw, daar op straat,’ verbeterde ik hem. Hij bleek het over zichzelf te hebben, want voordat hij naast zijn fiets was gaan lopen, was hij twee keer gevallen. ‘Of eigenlijk drie, want die tweede keer, ging ik bij het opstaan weer onderuit.’ Hij had een bebloede hand.

Bij het verlaten van de kerk liep ik Kees achterop. Hij schakelde net naar zijn stevige doorstapmodus dus ik wilde hem toeroepen dat… Toen gleed hij al weg. Ongeveer op de plek waar kort daarvoor de vrouw had gelegen. Ze was al weg, net als de hond die het allemaal zo gezellig vond. Nergens zag ik een plaid.

08 januari 2021

Groeten uit Monster

Vanmorgen bracht de post een bijzondere envelop. Allereerst was er het joueuze handschrift dat mijn naam en adres op de voorkant van de bruine envelop had geschreven. De achterkant vermeldde een postbusnummer en plaatsnaam, maar er zat vast geen zakelijke afzender achter. Vanwege dat handschrift en omdat de envelop met extra plakband was dichtgeplakt, zo consciëntieus dat ik met een briefopener nergens het begin van een opening kon vinden of maken. Het ging blijkbaar om iets kostbaars dat ik in geen geval mocht beschadigen. Deze ongenaakbare envelop met zijn stille geheim was goed voor mijn humeur.

Ik dacht aan mijn kunstzinnige vriend uit Den Haag, want daar kwam dit poststukje vandaan en het was afgestempeld in Rotterdam. Ik dacht aan een Rotterdamse kunstenaar van wie ik hier ook iets heb hangen. Die werkt ook regelmatig in Den Haag, weet ik. Zo betrapte ik me erop dat ik meende te maken te hebben met een kleine tekening of ets. Zaken waar ik bijzonder gevoelig voor ben. Voor olieverfschilderijen trouwens ook, maar daaraan hoefde ik niet te denken.

Alhoewel, onze Groningse vriendin, met ook al Haagse wortels, schetst met acrylverf op papier. Zou zij het zijn? Maar nee, haar schrift is hoekiger, voller ook. Intussen prikte ik met een klein scherp mes door een hoekje van de envelop en kon het grote opensnijden beginnen.

In de envelop zat een tweede die ik niet uit de eerste geschoven kreeg. Dat was dom. Het was niet een tweede envelop, maar nog dezelfde als die ik zojuist had geopend. Die was dubbelgevouwen en de randen waren als gezegd heel keurig afgeplakt. Van binnenuit biedt plakband nauwelijks weerstand en zo veranderde het formaat van de envelop van a6 in a5. Ik trof een stukje ribkarton aan van 10 bij 15 én een plat pakketje, zorgvuldig gewikkeld in vloeipapier. Een etsje, het moest de afdruk van een etsje zijn. Ik zag ook een visitekaartje. Ik las Gert. Aha! Gert! Vriend van Nieuw-Zeelandse Piet. En die woont tegenwoordig in Den Haag. We hebben sporadisch contact.

Het vloeipapier was vijf keer omgeslagen. Toen dat ongedaan gemaakt was, trof ik twee mapjes aan, met in elk daarvan een kaart uit Monster. Eentje uit 1901 en eentje uit 1918. Het werd me op slag duidelijk: dit was een heel andere Gert, en waarschijnlijk was het zelfs zijn Rachelle - haar naam stond ook op het kaartje - die het pakketje had verzorgd.

Ik had het kunnen bedenken, want ik had ze zelf besteld op Marktplaats. Was het alleen vergeten. Zoveel zorgvuldigheid had ik ook niet verwacht. Met het pakje ben ik de hele dag blij geweest.

Een van de kaarten toont de haven van Monster. Daar zijn tig kaarten van, maar deze spreekt me wel bijzonder aan, vanwege de verminkte toren -van de kerk ontbreekt trouwens het dak - en omdat er bij een van de schuiten een paar mannen staan, binnenschippers waarvan ik denk dat ze bij de familie Van Leeuwen hoorden.

De kaart is op 11 november 1901 op de post gedaan en waarschijnlijk nog diezelfde dag bezorgd bij, Mej. C.G van Leeuwen, Vaart, Monster. Oftewel: op de kaart staan drie Van Leeuwens en de kaart is dus naar een dochter des huizes gestuurd. Dat moet allemaal heel actueel geweest zijn toen, want de brand van de grote kerk was op 13 juli van datzelfde jaar.

Ik zie mejuffrouw van Leeuwen verbijsterd naar de kaart kijken, met daarop haar eigen huis, hun eigen schuit en ‘Kijk, pap, jullie staan erop!’ Een van de drie kerels grijnst. Hij stuurde de kaart naar zijn zus.

07 januari 2021

Bang

Vannacht zorgde de combinatie van lichamelijk ongemak en de bestorming van het Capitool ervoor dat ik veel wakker lag. Nu hoort dat gedoe in Amerika bij gisteren, alleen denk ik niet dat het voorbij is en dat maakt me onrustig en ongerust. In de VS is iets aan de hand waarvan geen Trump de aanstichter is en waarvan complottheorieën niet de verklaring of een deel van de verklaring zijn, maar symptoom. Er woelt een groot onbehagen door de mensen dat zich weliswaar vertaalt in merkwaardige opvattingen en raar gedrag maar dat je niet wegkrijgt door je daarop te richten en mensen te arresteren, af te zetten, met censuur te gaan bewerken.

In Nederland gunnen we het misschien een Baudet om als prins Carnaval een beetje de rol van een Trump – muis speelt olifant – te laten vervullen, maar ook hij is niet meer dan een symptoom van hetzelfde euvel dat in Amerika aan het licht komt. Ook hier woelt onbehagen dat alles en iedereen aangrijpt om zich te manifesteren. Het heet Lange Frans, of viroloog die een andere viroloog verkettert, feit dat opstaat tegen feit, of een buurman die zich opwindt omdat die De Jonge het vaccineren zo vertraagt en Nederland te schande maakt. Mensen zijn boos en winden zich op, niet omdat iemand iets verkeerd doet, nee, ze lijken dolblij met een blunder of een ongepaste uitspraak om boos te kunnen zijn en zich op te winden. Ik ben bang, niet voor de buurman, niet voor Baudet, niet voor Trump, ik ben bang voor wat er in mensen kan varen. ‘Wij zijn legio,’ zeiden de demonen in het Bijbelverhaal die huisden in een mens die zelf die demon niet was. Voor die demonen ben ik wel bang.

Het is ochtend en Lucas pakt een blaadje. Hij gaat een huis maken. ‘Tekenen?’ vraag ik. ‘Nee, bouwen,’ zegt hij en hij zet een ander blaadje haaks op het vel dat voor hem ligt. Het valt. Hij zet het weer overeind en legt nu aan de ene kant een lijmstift en aan de andere kant een stukje klei. ‘Nu blijft het wél staan.’ Aan zijn gezicht zie ik dat hij er niet tevreden mee is. Hij kijkt me aan. Ik pak het opstaande blaadje, vouw de randen, knip wat inhammetje en terwijl ik het op de ondergrond plak, knipt hij in de randen van een ander vel. ‘Wil je die ook doen?’ vraagt hij. We bouwen het huis. ‘Het is voor oma.’ Hij schiet de trap op en als hij even later terugkomt, vertelt hij dat hij Mente heeft gezegd dat ze nog even boven moet blijven tot hij klaar is. Ze vindt het prachtig.

Een uur later vraagt Lucas haar wat ze het mooiste vindt dat ze heeft. ‘Op het ogenblik vind ik het huisje dat jullie gemaakt hebben het allermooiste,’ zegt ze. Ik zie hoe zijn mondhoeken zijn oren veroveren.

Lucas is al weer weg, maar het huisje staat op tafel. Als we gaan eten zet Mente het op een ander tafeltje, heel voorzichtig.

Stel je voor dat er nu ineens een kudde olifanten de straat in dendert, of een boze buurman naar binnen stormt, omdat, omdat het virus van het onbehagen heeft toegeslagen.

Ik zag op tv hoe iemand een ruit insloeg met een schild.

06 januari 2021

Kerstboomverbranding

Toen de kinderen klein waren, eindigde een boom nog op de brandstapel. Daar ging een bomenjacht aan vooraf, het bomen rauzen. Dat was ook al zo aan het begin van de jaren zestig. Ik heb me als negen- of tienjarige eens het apenzuur gesjouwd aan een lange sliert met touw aan elkaar geknoopte bomen. Die sleepte ik van ons huis naar de Molenwei en dat zal toch iets meer zijn geweest dan een kilometer. Daar werden van alle kanten bomen verzameld. Het schijnt dat zoiets vanuit het dorp in optocht gebeurde, waarbij zelfs een van de twee plaatselijke fanfares de uittocht van de bomen begeleidde. Daar heb ik niets van meegekregen, want ik woonde buiten het dorp en de weg naar de plaats van verbranding was een buitenweg. Ik kan me geen andere bomensjouwers herinneren, ja, toen ik eenmaal bij de molen was, maar toen was het leed al geleden.
Per boom kreeg je een bonnetje en dat bonnetje werd een lootje. Hoofdprijs was een waardebon van tien gulden voor vlees bij slager Oosterveer. Een verschrikkelijke prijs. Ik ervoer het als een opluchting toen bij die prijs niet een van de nummers werd genoemd die ik in mijn hand had, alsof juist níet winnen de hoofdprijs was. Maar voor de tweede prijs had ik het winnende nummer in handen. Dat was een zaklamp! Nu had ik al een zaklamp, maar een padvinder als ik was, kon je natuurlijk best blij maken met een tweede. Er sloeg een golf van vreugde door me heen die sterker was dan de droefenis om de teloorgang van al de bomen die daar lagen te branden.

Nu valt het niet mee om als jongetje met een lootje door een menigte te dringen om bij iemand terecht te komen die je zou kunnen vertellen hoe je dat stukje papier kon omzetten in een heuse zaklamp. Weer was het lot me welgezind, want ik kende de man die lotnummers via een microfoon over de Molenwei en boven het geknetter van die betreurenswaardige bomen uit scandeerde. Dat was meneer Flinterman. En hij was toevallig ook de meester van de zondagsschool en dat niet alleen: meneer Flinterman wilde bij uitvoeringen van de zondagsschool, bij de zojuist voorbije kerstviering, maar ook bij middagjes voor ouden van dagen dat ik iets las, of een gedicht opzegde. Jawel, meneer Flinterman had het goed met me voor.

Toen ook de nummers voor een patatje bij snackbar Jansen bekend waren, kon ik meneer Flinterman aan zijn mouw trekken en alsof niet ik maar hijzelf die gave zaklamp had gewonnen, liep hij meteen met me mee, naar de elektrozaak van Koenders, een kleine winkel niet ver van de Molenwei. Die was gesloten op woensdagmiddag. En dat riep Koenders ook vanachter het raam toen Flinterman daarop had getikt. Daar had Flinterman niks mee te maken. ‘Die jongen heeft een zaklamp gewonnen!’ riep hij. En Koenders kon hoog of laag springen, Flinterman zag er op toe dat ik mijn zaklamp kreeg.
Het was een oranje lamp, veel fraaier, vrolijker, moderner dan dat platte ding thuis. Ik heb er nog jaren plezier van gehad.

In 2015 was ik onder anderen mentor van Jeroen Flinterman. Dat bleek de achterkleinzoon te zijn van meneer Flinterman uit Monster. Natuurlijk had hij zijn overgrootvader nooit gekend, net als zijn vader trouwens.
Dat klopt: meneer Flinterman overleed al in 1963. Ik was bij zijn begrafenis. Met de zondagsschool zongen we toen ‘Scheepke onder Jezus’ hoede’. Dat vond hij zo mooi. Ik niet, maar voor meneer Flinterman zong ik het met liefde. De zaklamp heeft hem ruim overleefd.

05 januari 2021

Vier dagen al

De test wees coronaloosheid uit. Er is sowieso veel loosheid deze eerste dagen van 2021, want de uitslag mag dan geruststellend zijn, zo’n resultaat betekent niet dat je je plotsklaps kiplekker voelt.Blijkbaar heerst er naast een gekroonde ook een ongekroonde griep.

Dat neemt niet weg dat de overstap van links naar rechts parkeren hier in de straat dit jaar vlekkeloos is verlopen. Ze is zelfs vrijwel volledig aan me voorbij gegaan. Buiten gebeurt het, ja, maar dan moet je wel door het raam kijken. Hier in de straat parkeert men in oneven jaren de auto’s links van de straat, en in even jaren rechts. Nu is links of rechts betrekkelijk. Uitgaande van de nummering zou ik ze moeten omwisselen, maar neem je als criterium de rijrichting van deze straat, in termen van de scheepvaart dus bak- en stuurboord, dan klopt het weer wel. Zo zit dat.

Je kunt met deze verhuizing pas een begin maken als er voldoende ruimte overblijft om, zij het zigzaggend, door de straat te rijden. Een overbuurvrouw van wie ik de naam niet weet, was de eerste, en een paar uur daarna, nadat Ellen van een paar huizen verderop (haar naam ken ik wel) even weg ging met de auto, kon ik de mijne strak voor die van de naamloze overbuurvrouw zetten. Feitelijk heb ik het niet over de hele straat maar alleen over het deel tussen de kruispunten waar wij wonen, en dat is een kwart gedeelte van de hele straat. Maar met dit deel is mijn wereld momenteel al groot genoeg.
Aan het eind van de straat stond ook al een auto rechts geparkeerd, zag ik. Daarna heb ik de ontwikkelingen niet meer bijgehouden. Dat wil zeggen: toen ik aan mijn volgende straatschouw toekwam, en dat zal zondagochtend geweest zijn, zag ik dat alle auto’s rechts, dat wil zeggen aan de even kant van de straat, stonden.
Daar komt meer bij kijken dan je denkt. Alle bij de auto’s horende mensen hebben regelmatig naar buiten gekeken om te zien of ze al naar de andere kant konden, dat met inachtneming van ruimte voor passanten om te slalommen zolang er in deze relatief smalle straat aan beide zijden auto geparkeerd stonden. Plotseling realiseer ik me dat ik toch iets meekreeg van die overgang. Er hebben drie auto’s moeite gehad om tussen de brokkelige rijtjes links en rechts te komen, waaronder een bestelbus van een pakjesbezorger. Dat ging gelukkig goed.

Ik heb niet gezien dat iemand daadwerkelijk zijn auto van links naar rechts bracht. Sterker: ik zie vrijwel niemand in de straat. Er zijn geen handen geschud met nieuwjaar, geen kussen uitgedeeld met buren links en rechts en van de overkant. Eerlijk gezegd is 2021 maar koud, kil, eenzaam en afstandelijk begonnen.
En nu ook nog dat gezeur over het niet op tijd zijn van vaccinaties. Wanneer kunnen ze in Kameroen beginnen? In april vorig jaar ging even het gerucht dat men Afrika als proeftuin voor nieuw ontwikkelde coronavaccins zou gebruiken. Dat gaf verontwaardiging. Terecht. Nu zal Afrika wel hekkensluiter worden. Maar in Nederland maken we wereldnieuws van een paar dagen vroeger of later. ‘Some are more equal than others.’

Dit heeft niets met links en rechts parkeren te maken, nee, toch is het wel bijzonder om je te realiseren dat je nu een heel jaar lang bij het inparkeren anderen bewegingen zult maken dan in het voorgaande jaar. Ook vraag ik me af waarom de auto’s in óneven jaren aan de kant met de éven huisnummers komen te staan, en omgekeerd. Daar zou iets aan gedaan moeten worden!

02 januari 2021

Voornemen

Van 2021 wordt om me heen alleen maar gezegd dat het niet op 2020 moet lijken. En die wens durven we amper de vader van een gedachte te laten worden. Er is meer hang naar afscheid dan gretig verlangen naar een hartstochtelijke toekomst.
Nu ben ik al heel lang geleden gestopt met roken, en drinken doe ik nauwelijks. Als ik wat te weinig beweeg, is dat steeds een tijdelijke aangelegenheid, dus om er een voornemen van te maken om in ’21 meer te bewegen, is te klein. Het is tijd voor een verrassend voornemen.
Met het oog op de toekomst heb ik intussen gisteren een huisje gereserveerd voor in april. Dat geeft een goed gevoel. Wie weet pikken we er nog een weekje in februari bij. Nu is dat is wel mooi toekomstgericht, maar de toon voor het komende jaar zal het allemaal niet zetten.

Wel heb ik wel wat voornemens voor anderen, voor het koningshuis bijvoorbeeld, en voor de regering. Nu is het nogal makkelijk om te zeggen dat we ruimhartiger moeten zijn met het toelaten van vluchtelingen, al was het maar om de taal de kans te geven zich op natuurlijke wijze verder te ontwikkelen.
Ik zeg dit omdat ik een boekje lees over de geschiedenis van de Nederlandse taal. Dat is een taal die, natuurlijk net als de huidige bewoners van Nederland, hun wortels ergens in Zuid-Rusland hebben. Voor hún komst stamden de meeste Lage Landers overigens af van mensen uit het Midden-Oosten. Ik houd met deze opmerkingen geen pleidooi voor omvolking, wel voor een samenleving waarin voldoende geventileerd wordt.

Nogmaals: dit is allemaal makkelijke, gratuite praat. Welke daad stel ik zelf? Kom met een kloek voornemen, jongeman!
Ik heb daar lang over nagedacht en ik ben eruit. 2021 mag wat mij betreft in het teken staan van Multatuli.
In een stalletje in de Markthof (heette het zo?) in Den Haag kocht ik geen honderd, maar wel op de kop af vijftig jaar geleden, zijn verzameld werk. Ik heb het over een oude editie daarvan, de Garmondeditie, in tien delen uitgegeven tussen 1900 en 1906. De set had ernstige waterschade geleden en daarom hoefde ik er nog geen tien gulden voor te betalen. Die gemankeerde deeltjes verklaren waarom ik er nooit toe kwam om te investeren in de editie waarmee vijftig jaar later Garmt Stuiveling begon en die uiteindelijk 25 delen zou bevatten, momenteel aangeboden op Boekwinkeltjes voor €125, ook geen geld.
Ik houd het bij de oude editie. Die staat niet voor niks al sinds mensenheugenis in mijn kast.
Dat is niet helemaal waar. Een jaar of tien geleden heb ik mijn aangetaste serie in een papiercontainer geknikkerd. Iemand had me namelijk uitgenodigd om bij het opruimen van de nalatenschap van haar ouders nog eens hun boekenkasten langs te lopen voordat een opkoper de resten zou meenemen. Op een plank stonden de mij vertrouwde Garmonddeeltjes, maar nu in een uitstekende staat, met die omslagen van een onweerstaanbaar blauw. In de delen plakte de vorige bezitter een kloek ex libris: M. de Bie. Ik heb hem nooit persoonlijk gekend, want hij is nogal jong overleden. Dierbaren van hem heb ik naderhand leren kennen. Zo is het gegaan.

Ik denk aan een maat van 2 – 1 – 2 – enz., waarbij de 2 voor ander werk staat en de 1 voor een deeltje Multatuli.
De Max Havelaar sla ik over, die kennen we wel.
Maar goed, eerst, twee andere boeken. Ik neem me voor om maandelijks iets te doen met Multatuli, al was het maar wat cirkelen om een citaat.

01 januari 2021

Van 20 naar 21

Vanwege een quarantainegeval ging de geplande oudjaarsvisite niet door. Uiteraard hebben we de vriendschap opgezegd. We zouden nog kunnen proberen anderen te laten invliegen, maar een avondje samen met Mente is geen straf, om er eens even een litotes tegenaan te gooien. We keken nog wel even tv, maar niet naar Youp en ook niet naar de Top 2000. Ik kan daarvoor natuurlijk prachtige argumenten voor op tafel gooien, maar het komt erop neer dat ik iets om een of andere reden minder aantrekkelijk vind als iedereen zich eraan verslingert. Hoezo arrogant?
Zelfs met oliebollen heb ik dat wel een beetje, maar dit culturele erfgoed laat ik me toch maar welgevallen, al was het maar om derden te kunnen sponsoren. De afgelopen jaren was dat steeds de scoutinggroep waaraan onze oudste zijn hart ooit verpande, deze keer - dat kan ook niet anders - ondersteunden we het restaurant van de middelste.
Het waren lekkere oliebollen; waren, zeg ik: ze zijn allemaal op. Wij kregen ze mee in zakjes waarop ‘met’ stond, wat betekende dat bij de bereiding bier was gebruikt. De jongste - met haar en haar grut waren we naar de oliebollenuitdeling gefietst - had porties besteld zonder bier, zag ik.

Wat me tegenviel was dat in het restaurant de Top 2000 aan stond. Ik merkte het omdat ik een overbekend nummer hoorde dat ik zelf nooit zal draaien. Ik keek de middelste vragend aan. Hij verontschuldigde zich: er waren nu eenmaal mensen aan het bakken die de Top 2000 wél leuk vonden. Ach, ik begrijp dat wel. Het waren jonge oliebollenbakkers. Ik heb er zelf ook ooit naar geluisterd naar die Top 2000. Inzicht moet groeien. Tot zover 2020.

2021. Toen ik gewassen en wel het nieuwe jaar tegemoet trad, hoorde ik Mente op zolder.
‘Ga maar beneden kijken,’ zei ze toen ik vroeg wat ze aan het doen was. Het mag een weinig voor de hand liggend antwoord lijken, ik ben voldoende ingevoerd om niet al te snel conclusies te trekken.
En inderdaad: beneden had het nieuwe jaar toegeslagen. Er waren kastjes, tafeltjes en stoeltjes verschoven, verdwenen en andere waren verschenen.
Eerst had ik gauw naar de kerstboom gekeken en naar de linten met kerstkaarten, want het idee dat die al zouden zijn weggehaald… De schrik sloeg me even om het hart. Ten onrechte. Boom en kaarten sierden nog steeds de kamer. Die strijd wordt nog even uitgesteld. Ik houd erg van boom en kaarten.

Later fietste ik de allervastste route - mijn rijwielcreativiteit schiet er inderdaad een beetje bij in - en constateerde dat er vandaag zo mogelijk nog meer wandelaars waren dan afgelopen zondag. Ik hield van al die mensen en graag zou ik zijn afgestapt om ze tenminste een hand te geven en ze te voorzien van de beste wensen voor het nieuwe jaar. Maar ja, Covid-19. Bovendien waren het er teveel, er was geen beginnen aan. Ik had kunnen volstaan met een paar joviaal toegeslingerde wensen, maar daarmee doe je gauw iemand tekort, en stel je eens voor dat er iets wordt teruggezegd en je verstaat het niet. Dan moet je afremmen, omkeren, en ‘wat zeg je?’ zeggen. Dat zou allemaal ongewenst oponthoud geven.

Thuis kwam de gerantsoeneerde hoeveelheid bezoek langs, pars pro toto voor de gehele mensheid, die ik ondanks mijn terughoudendheid op de fiets, een goed 2021 toewens. En sommigen een schop onder hun kont. Jawel, in enkele gevallen is dat beter. Maar dat zijn uitzonderingen natuurlijk.

31 december 2020

ZOZO

Beetje flauw maar ik vond 2020 ZOZO, waarbij ik voor alle mensen die de gewoonte hebben om mijn stukjes hardop te lezen, wel wil aantekenen dat je dat mompelend moet zeggen. Ik zeg dit omdat ik me er regelmatig op betrap dat ik zozo gebruik om kinderen te laten merken hoe diep ik onder de indruk ben van een van hun prestaties, bijvoorbeeld als ze op een vierde blokje ook nog een vijfde weten te stapelen zonder dat de toren omvalt. Dat zozo bedoel ik dus niet. Hier gaat het om de slecht gearticuleerde variant, passend bij een gerecht dat je wel at, maar nooit meer zult bestellen.
Ons wacht ZOZI. Dat bekt weliswaar minder dan ZIZO, maar juist die omkering biedt ook perspectief. Ziezo gebruik je ter afronding, bijvoorbeeld om aan te geven dat we 2020 tenminste gehad hebben. Juist daarom kun je ZOZI zien als een opmaat voor een jaar dat perspectief biedt. Geef daarom bij de uitspraak de tweede lettergreep het woordaccent.
20 – 20 klinkt bovendien als de stand van een slechte wedstrijd waarin blijkbaar van alles is gebeurd zonder dat het tot resultaat heeft geleid.

Jammer is wel dat onze jaarlijkse vogelkalender uit Nieuw-Zeeland nog niet is aangekomen. Dat leed laat zich goeddeels ongedaan maken doordat we die van 2016 nog hebben; toen vielen de data op dezelfde weekdagen als het komende jaar. Het gaat om een maandkalender. Het jaartal, 2016 dus, staat alleen op het omslag. Dus dat is in orde. De informatie op de kalender is nogal summier, want het gaat vooral om de foto’s van Nieuw-Zeelandse vogels. Wél geeft een simpel bolletje aan wanneer het volle maan is. Vijf jaar geleden was dat op 24 januari, zie ik, maar komende maand wordt dat de 28ste; een paar maanden later…
Ho, wacht even: 2016 was een schrikkeljaar, dus over twee maanden lopen we uit de pas. Ook dat nog.

Toen wij het nieuwe millennium in gingen, vierden we dat op 1 januari 2000. Toen begon de eenentwintigste eeuw. Dat is een beetje vreemd als je bedenkt dat wij (nou ja, niemand van ons was erbij) negenennegentig jaar eerder het begin vierden van de twintigste. Nu had die eeuw, ondanks een jaar minder, inderdaad genoeg aan zijn eigen leed, maar volgens mij zaten we er in 2000 een jaar naast.
Je kunt stellen dat morgen pas de jaren twintig beginnen, het derde decennium van deze eeuw. Dat komt wel goed uit voor mensen die snakken naar een schone herstart na het Covid-19-jaar.

Indertijd begon voor ons gezin 1960 nog sneu, na het ongeluk van mijn vader op de kerstavond van 1959. Ik bracht oud en nieuw door bij een oom en tante en plaste die nacht in mijn bed. Toen halverwege de nieuwjaarsdag – we keken naar skischansspringen – tante Nel mijn hemd in mijn broek terugstopte, voelde ze dat die nat was.
Gelukkig begonnen de echte jaren zestig een jaar later pas, in 1961. Nu zat ik met een droge onderbroek aan mijn vaders nieuwe bureau en schreef op een papiertje 1961. Vervolgens draaide ik dat om en weer stond er 1961. Ik schreef het nog een paar keer op, net zo lang tot de 9 en de 6 er echt hetzelfde uitzagen, maar dan verticaal gespiegeld.
We waren allemaal thuis. Achter me hoorde ik mijn ouders, mijn zussen en broers. Ik zat bijzonder gelukkig te wezen, daar aan dat bureau, met een klein papier en de roodgekleurde ganzenveer waarin een balpenstift gestoken was.
Het mocht wel altijd 1961 blijven.

30 december 2020

Rijbewijs

Vanaf een roze plaatje van plastic kijk ik mezelf aan met ogen die wat onzeker de lens van de camera zoeken. Ze zien het allemaal niet meer zo scherp, zonder bril. En voor de foto heb ik die moeten afzetten. De wazige ogen zijn weinig vertrouwenwekkend als je bedenkt dat zij op mijn rijvaardigheidsdiploma te zien zijn. Vijftig jaar lang is dat probleemloos verlengd, maar mijn nieuwe rijbewijs is nog maar zeven jaar geldig. Daarna zal er wat meer moeten gebeuren wil ik nog op een verlenging mogen rekenen.
De tweede helft van december 1970 zijn onvergetelijk: binnen twee weken legde ik beslag op de vrouw van mijn leven én op mijn rijbewijs. Dat laatste gebeurde op woensdag de dertigste.
Het had de dagen ervoor gesneeuwd. Op doorgaande wegen had je daar geen last meer van, in woonwijken wel.

Het lag voor de hand dat wij vanuit Rijswijk naar de Hoornbrug zouden gaan. Wij, dat zijn de examinator en ik. Hij besliste over links en rechts, ik reed. De Hoornbrug was onvermijdelijk wilde je op de grote weg komen. Toen tenminste.
Ik denk dat het nog geen tien minuten rijden was, van het CBR naar die brug.

Midden op de weg, vlak voor de brug, remde ik af en stonden we stil. De examinator werd boos.
‘Wat doe je nou toch? Je staat midden op de grote weg!’ riep hij.
Ik schrok van hem en kon even geen woord uitbrengen. In plaats daarvan wees ik, mijn hand nog aan het stuur, met mijn wijsvinger schuin omhoog naar een rood licht, bij de brug.
Toen zag hij het ook.
‘Verrek,’ zei hij, ‘wat stom van me. Ik had het niet gezien.’
Ik merkte dat hij ook mijn schrik niet had gezien. Hij was meer onder de indruk van dat vingertje dat als een understatement naar het licht bij de brug wees dat was gaan branden.

Ook toen de brug allang weer dicht was en de slagbomen weer waren opengegaan, bleef hij zich telkens weer kwalijk nemen dat hij dat licht bij de brug niet had gezien.
In Delft schoot ik vlak voor een fietser langs. De examinator zei dat ik wel even had mogen wachten en begon weer over het licht bij de Hoornbrug.
In Voorburg raakte ik bij het inparkeren een stoeprand.
‘Dat krijg je met die sneeuw,’ zei de examinator om zich vervolgens weer op zijn kop te krabben vanwege het licht dat hem was ontgaan, maar mij niet.

‘U bent niet bang en overziet de boel,’ zei hij toen ik de auto op het parkeerterrein van het CBR stil zette. ‘Maar u moet nog veel leren en dat kan alleen maar door veel te rijden. U bent geslaagd.’ In één keer.

Pas drie maanden later reed ik een auto total loss. Ik had niet gezien dat de remlichten van de auto voor me waren gaan branden.

29 december 2020

Werkboek

Je zou denken dat het oprakelen van een herinnering bij nader inzien helemaal geen vrolijke aangelegenheid is. Niet alleen omdat iets ‘voorbij, voorbij, o, en voorgoed voorbij’ is, maar ook omdat een detail vooral duidelijk maakt dat er van het grote geheel van ooit vrijwel niets meer over is: je bent zoveel vergeten.
Gisteren kwam ik tegenover mijn moeder aan tafel te zitten, terwijl ze me telkens het boekje met de plaatjes waarop spreekwoorden en gezegden werden uitgebeeld. Later realiseerde ik me dat er ook nog een ander boekje was geweest. En plotseling werd me duidelijk dat een detail, een scherf uit het verleden misschien wel op zijn zuiverst naar een essentie voerde waar ik tot nog toe geen idee van had.

De vrouw van rond de veertig die mijn moeder geweest is, had veel plezier in dat boekje met de zegswijzen en ze vond het heel erg leuk om daar aan tafel samen met mij mee bezig te zijn. Ik herinner me dat er later ook een ander boek tevoorschijn kwam, dun, slap kaft, iets groter dan a4, oranjebruin omslag met groene belettering. Het was een werkboek dat je leerde hoe je nota’s moest schrijven, wat een geschikte briefindeling was, hoe je een telegram moest opstellen. In de jaren dertig had mijn moeder een cursus gevolgd waarbij dit werkboek een rol had gespeeld. Er waren nog veel vellen met brief- en andere schema’s oningevuld gebleven. Dat liet mijn moeder me zien. Voor een jongetje van nog geen tien, ergens aan het begin van de jaren zestig kwam zo’n boek als dit uit de oudheid.
Maar toch ook weer niet. De bladzijden waren glad, mijn moeder had er ooit in geschreven, met een pen die ze telkens in een inktpot had moeten dopen en je kon zien dat ze haar uiterste best had gedaan om mooi te schrijven. En dan waren er de onbeschreven bladen, die blanke vellen uit een ver verleden die alsnog om invulling vroegen.
Waarom was mijn moeder naar dat werkboek op zoek gegaan? Waarom kwam ze er op een middag mee op de proppen terwijl mijn broers en zussen er niet waren?
Van toen weet ik nog alleen dat het me verbaasde dat mijn moeder dit had gedaan; dat zij zich ooit met handelscorrespondentie had bezig gehouden of had willen houden. Van haar jeugd wist ik dat ze op haar knieën vloeren boende, op een trapje ramen lapte, en kleedjes over balken gooide om die te kloppen, meestal bij andere mensen maar ook bij haar thuis, waar zij de oudste dochter was in een gezin met vijf kinderen en een moeder die tobde met haar gezondheid.

Heel veel later vertelde ze eens dat ze had gedacht dat ik de jongste in het gezin zou blijven. Mijn vader kon voor zijn kantoor wel hulp gebruiken en daarom zou mijn moeder een cursus voor de schrijfmachine gaan volgen en zich wat verdiepen in boekhouding. Het is er niet van gekomen. Ook vijf kinderen en een tamelijk bloeiend en steeds drukker wordend kantoor aan huis maakte haar tot moeder, huis- en ook gastvrouw. Zo is het heel lang gebleven. Het kantoor bleef aan huis totdat ze ver in de zeventig was.

Ver in de negentig was ze al toen ze ooit eens zei - we reden over de Leyweg en ze had net een huis aangewezen waar ze als tienermeisje als werkster had gewerkt: ‘Werkster, meer heb ik niet bereikt in mijn leven.’ We schrokken van de manier waarop ze dat ‘werkster’ uitsprak.
Nu pas begin ik dat moment te begrijpen dat we daar aan tafel zaten en zij me dat correspondentieboek liet zien. En ja, ik mocht er gewoon in schrijven van haar. Dat deed ik, met potlood, want het was iets bijzonders, dat boek, dat begreep ik.

Daar aan tafel zat een vrouw dus die ooit werkster was, die ooit een mislukte tuindersknecht tegen was gekomen die zijn heil zocht in het verzekeringswezen en daarin ook zijn weg leek te vinden. Samen met hem zou ze een toekomst opbouwen. Ze zou hem helpen met zijn zaak. Hij zou op pad gaan en zij zou achter het eikenhouten bureau dat nu hier op zolder staat, de administratie regelen. Een droom uit de late jaren dertig.

Er werd vervolgens veel gestorven, er kwam oorlog, er kwamen kinderen, mijn vader kon het wel alleen af en er was een achterneef die kon helpen.
Maar tien jaar later, in de jaren vijftig, was mijn moeder nog steeds jong en konden de plannen van vijftien jaar eerder alsnog worden waargemaakt, al kwam er nog een kind, al groeide de zaak zodanig dat er toch ook andere mensen in dienst genomen konden worden, al werd vooral na een ongeluk, haar man iemand om zorg voor te dragen.

Maar aan het begin van de jaren zestig zou het nog kunnen. Het leven begint bij veertig. Er was nog zoveel toekomst. Je zag het aan de auto’s die om het jaar vervangen konden worden, aan het moderne meubilair dat er kwam. Het grote stalen bureau, de grote archiefkast. En de kinderen waren allemaal naar school.

Die scherf uit het verleden, van toen, aan de tafel met dat werkboek laat zuiver zien hoe het leven er wat mijn moeder betreft uit had moeten zien. Het goed geklede gezin, het schone huis. En zij op het kantoor. Niet alleen om open te doen, gastvrouw te zijn en voor koffie te zorgen, maar ook om een brief te schrijven en op de juiste plek de juiste getallen te noteren.

28 december 2020

Kleine geschenken

Het is vierde kerstdag. Ik kies op deze maandag voor mijn allervastste fietsrondje en kom ontzettend veel mensen tegen, voornamelijk wandelaars, het zijn er echt onmaandags veel. Meestal met zijn tweeën, en dan weer vriendinnen. Honden zijn in de minderheid. Ik tel er tien. Nogmaals: het is meer een vierde kerstdag of een doordeweekse zondag dan maandag vandaag. Het verrast me dan ook om te merken dat de Jumbo en de fietsenmaker aan de overkant van het spoor gewoon open zijn.

Bij de rotonde aan de Overvechtse kant van het station zie ik de grote vrachtwagen aankomen van de Postcodeloterij. Je weet wel: die imitatie van de Coca Colatruck waarmee de kerstman door Amerika ronkt, heel rood en veel gloeilampen: die enorme bak die zo uitermate geschikt is voor het verkeerde kerstgevoel. Op de zijkant lees ik, dat er 54,9 miljoen gewonnen kan worden.
De grote Nationale Postcode Loterij stemt me droef vanwege de bedenkelijke sentimenten die erdoor worden opgeroepen. Het is vooral een Naast Potpiesloterij. Genoeg reden om niet mee te doen.

Maar ja, wie weet is hij net mijn straat doorgereden…
Ik vraag me af of dat wel kan. Zou hij niet alle geparkeerde auto’s geschampt hebben? Met 54,9 miljoen is dat niet iets om je druk over te maken. Maar mijn beschadigde auto zou, ondanks hetzelfde rood, niet delen in dit alles goed makende bedrag.
Het valt me op dat de vrachtwagen zo groot is dat hij de rotonde amper kan nemen. Het is een olifant in de porseleinkast van de goede smaak. De streekbus die er achter rijdt, wordt er een klein gevalletje bij dat als een behendige sprinter het verkeersplein neemt. Onhoorbaar ook, want de grote rode truck maakt behoorlijk wat herrie.

54,9 miljoen! Nu ik dit schrijf, kijk ik even op de site van de Postcodeloterij of er in mijn straat geen kloek geldbedrag gewonnen is. Nee, wel zou ik een Rituals Natural handcarepakket rijker zijn geweest als ik een lot had gehad.

Aan de Bankgiroloterij doe ik wél mee en ik krijg regelmatig een prijs. Vandaag nog: een tegoedbon van tien euro van de Hema en dan te bedenken dat ik er nog twee heb liggen van vijf euro. Dat is niet mis. En ik mocht anderhalve maand geleden twee boeken uitzoeken. Die keuzemogelijkheid is doorgaans verontrustend, maar gelukkig heb ik kleinkinderen. Dat zijn vijf prijzen in twee maanden tijd. Het is een fractie van wat ik maandelijks aan mijn twee loten kwijt ben.

Die prijsjes zijn, net als bij de Postcodeloterij, niet meer dan zoethoudertjes. Kleine geschenken onderhouden de vriendschap, denk ik. Maar er is helemaal geen sprake van vriendschap.
Nu is het voordeel van fietsen en van allerlei gewaarwordingen en gedachten tijdens zo’n fietstocht dat je die overwegingen alle kanten op kunt laten gaan. Dat gebeurt ook nu.

Jaren en jaren heeft die zegswijze niet door mijn hoofd gespeeld: kleine geschenken onderhouden de vriendschap.
Het brengt me terug naar de rechthoekige tafel in de achterkamer, dat was dus nog voor de ronde tafel er kwam. Mijn moeder zit aan een lange kant; ik zit recht tegenover haar. Ze heeft het boek met plaatjes van spreekwoorden en gezegden voor zich. Zij zoekt er eentje uit, schuift het boek mijn kant uit, terwijl ze een plaatje aanwijst. Ik moet raden om welke uitdrukking het gaat. Twee mensen kijken elkaar stralend aan terwijl de een de ander een klein pakje geeft. Ik zwijg. Zij vertelt om welk spreekwoord het gaat.

Om nooit te vergeten merk ik nu. Ik fiets met een warm kerstgevoel de poort in.

23 december 2020

Cakewalk

Plotseling maakt mijn agenda me duidelijk dat ik pas over een week een ritje naar Monster kan maken om daar een bezoek te brengen aan het graf van mijn ouders. Tenzij ik nu meteen in de auto stap.Mijn moeder overleed vijf jaar geleden, op eerste kerstdag. Nu hangt het niet zozeer van mij af of er een bos bloemen op het graf komt, ik heb een toeschietelijke broer, maar ik hecht nu eenmaal ook aan de uiterlijkheid van het gedenken; en vijf jaar is niet niks.
Zodra ik met een bos bloemen op de achterbank de stad uit rijd, kom ik, braaf achter het stuur gezeten en uiteraard onverminderd alert, op een emotionele cakewalk terecht. Een vriendelijke cakewalk is het: er komen allerlei herinneringen langs, die bij het passeren lichtjes toetsen van mijn emotionele klavier aantikken. Er borrelen tranen, ergens in een verre diepte. Dat doet me goed. Het is een geval van rechtvaardigheid, deze lichte versie van verdriet.
De hele weg houdt het niet op met regenen.

Vijf jaar geleden reed ik dezelfde weg, dat was ook op een woensdag de drieëntwintigste. Die dag en de nacht daarna waakte bij mijn moeder. ’s Avonds zei een verpleegkundige dat ik maar beter even een frisse neus kon gaan halen of zo, zij zou mijn moeder extra in de gaten houden.
Ik stapte in de auto en reed naar mijn kunstigzinnige vrienden in Den Haag. Zij waren niet thuis. Ook Dirk, met wie ik in mijn kinderjaren een siamese tweeling vormde, was er niet. Het was een vergeefse tocht. Waarom was ik ook in die auto gestapt?

Onderweg naar het graf kom ik langs de duinen waarin je tegenwoordig regelmatig mijn kunstzinnige vriend kunt aantreffen. Bij de watertoren rem ik af. Zal ik uitstappen en even rondkijken of ik hem ergens tref? Ik ken zijn favoriete plekken. Maar het regent nog steeds: hij zal er vast niet zijn. Veel tijd heb ik trouwens niet.

Toen ik die avond van vijf jaar geleden weer terug kwam, trof ik mijn moeder aan terwijl ze over haar rollator gekruld met de grootste inspanning van haar bed naar het toilet in de badkamer strompelde. Het was ongelofelijk dat ze dat nog voor elkaar kreeg. Ik heb haar opgetild en naar de badkamer gedragen. Na een uiteraard vergeefs bezoek aan de wc droeg ik haar terug en legde haar weer in bed.
Dat dragen is een fysieke herinnering geworden die ik regelmatig in mijn armen voel. Dat geldt ook voor de herinnering aan de pijn in mijn rug. Ik tilde haar die weken wel vaker uit en weer in bed en ervoer de pijn die daarvan het gevolg was als gerechtvaardigde pijn. Hij komt weer terug.

Bij het graf ben ik alleen maar bezig met de chrysanten. Weg is de cakewalk. Ik doe pa en moe de hartelijke groeten en weg ben ik weer. Wat wil je ook met die regen.? Halverwege rijd ik toch nog even bij mij broer langs. Hij werkt op een groot kantoor, maar daar is hij deze weken de enige aanwezige.

Pas als ik de stad weer in rijd, houdt het op met regenen.

22 december 2020

Liter 100

Ik merk dat ik er niet goed tegen kan. Op de mat valt Liter 100. Tien jaar was ik hoofdredacteur van dit mooie en bijzondere literaire tijdschrift. Twee jaar geleden heb ik me teruggetrokken, omdat ik niet als regelneef oud wilde worden. Dat heeft niet geholpen.
Mijn betrokkenheid bij Liter heeft al die tijd vooral in het teken gestaan van pogingen elke aflevering van Liter weer de moeite waard te laten zijn én nog meer mensen warm te laten lopen voor dit blad. Het eerste is goed gelukt, het tweede niet.

Nu valt dus nummer honderd op de mat, opnieuw een prachtige aflevering, maar vooralsnog ook het laatste nummer. Stilte staat er op het omslag. Gelukkig denkt men aan een doorstart, waarbij het blad een ander karakter zal krijgen, maar voorlopig wordt toch een punt gezet.

‘Ach, gatsie,’ zegt de jongste als ik haar het blad laat zien, haar wijs op het mooie open ruggetje en dat ook zeg: open ruggetje.
‘Ik kan er niet naar kijken!’ Zij is blijkbaar meer de moeder van jonge kinderen dan iemand die haar geld verdient met de propaganda voor het goede boek, al is het alle twee waar.
Ik voel het met haar mee, maar bij mij schuiven boek en geesteskind dichter naar elkaar toe.
Honderd afleveringen en niet langer levensvatbaar. Stilte.
Het nummer is extra dik. Ik zie dat de mij zo dierbare vormgever en telefoonmaat uit Zwolle er inderdaad iets moois van heeft gemaakt, zie veelbelovende namen. Werp een blik op het voorwoord van mijn Rotterdamse kompaan. En ik kan niet verder lezen.

In plaats daarvan ga ik voor het raam staan. Het miezert buiten. De wereld is grauw. Achter me staat de kerstboom met tien- en tientallen engeltjes, zit de jongste te werken, achter me ligt ook dat fraaie, fris ogende nummer honderd van Liter.

Als het blad even niet naar me kijkt, schiet ik naar boven en sla ik mijn vingers op de toetsen.

Voorbij, voorbij, o, en voorgoed voorbij.

Of toch niet? Van mij staat er ook een gedicht in, Liedje heet het. Zowel Steven als eindredacteur Tim vroegen of het gedicht niet moest eindigen met een punt. Dat was niet de bedoeling: het gedicht lijkt op te houden, alsof de avond valt, maar het gaat gewoon door. Het liedje raakt niet uitgezongen

21 december 2020

Geen bilharzia

Mijn kunstzinnige vriend uit Den Haag weet dat ik Wim Hofman een warm hart toe draag, ook de schrijver en de beeldend kunstenaar. Daarom had hij bij onze laatste ontmoeting een boekje bij zich dat hij in een kringloopwinkel was tegengekomen. ‘Lezing met lichtbeelden’, heet het, is van Wim Hofman en het bevat het korte levensverhaal van Ina van Belzen, die meestal Naaldje of Naadje genoemd werd. Het verhaal is kort, het leven van Naaldje was dat ook. Vandaag kwam ik er pas toe om het te lezen.

Naaldje wordt geboren in de Tweede Wereldoorlog, in Vlissingen en is 12 als ze moeder wordt. Ze komt als jonge vrouw in Tanzania terecht, waar ze zich ontpopt als weldoenster, eerst in Dar-es-Salam en daarna in de directe omgeving van Mwanza, aan het Victoriameer, dezelfde omgeving waar ik ooit anderhalve maand bivakkeerde, bij mijn zus en Aat, haar man. Ze woonden daar toen.

In het verhaal moet Naaldje na jaren terugkeren naar Nederland. Verondersteld wordt dat zij bij een zwempartij in het Victoriameer bilharzia oftewel schistosomiasis heeft opgelopen. Als gevolg daarvan kwam ze in een rolstoel terecht, broodmager intussen (dat was ze toch al); een aantal medische ingrepen hebben haar geen goed gedaan. Ze is dertig als ze overlijdt.

Bij het aanrecht zijn Mente en drie kleinkinderen bezig koekjes te bakken. Ik lees dit verhaal en denk aan mijn zus. Zij overleed tien jaar geleden, toen waren al jaren even onbekende als onvermurwbare krachten bezig haar gezondheid te ondermijnen. Ze sleepte zich voort achter een rollator of ze zat in een rolstoel, de rolstoel - omgekeerde wereld - waarin kort na haar dood haar moeder terecht zou komen.

Met Aat heb ook ik in het Victoriameer gezwommen, veertig jaar geleden. We waren bedacht op bilharzia, maar er zouden plekken zonder de wormen van zoetwaterslakken die zo makkelijk een menselijk lichaam binnendringen om dat te ondermijnen. Van mijn zus vraag ik me af of zij daar ooit gezwommen heeft. En dan nog iets: zou er met Naaldje niet iets anders aan de hand geweest kunnen zijn? Die rolstoel van haar associeer ik niet onmiddellijk met bilharzia. Intussen triggert het me wel: Mwanza, Victoriameer en vervolgens een merkwaardige ondermijning van iemands gezondheid. Zouden Naaldje en mijn zus eenzelfde onduidelijke tropische ziekte hebben gehad?
Voor de aftakeling van mijn zuster zijn we uiteindelijk niet verder gekomen dan minder of meer aannemelijke veronderstellingen.

Even later zit ik aan tafel: de koekjes moeten ook versierd worden; daar kan ik heel goed bij helpen. Ik denk aan mijn zus, had niet verwacht dat Wim Hofman me haar kant op zou sturen.

Zijn boekje is nummer 118 uit de zogenaamde Slibreeks, in 2006 uitgegeven in Middelburg. Ik weet bijna zeker dat mijn kunszinnige vriend en zijn vrouw de lerares het boekje ergens in Zeeland op de kop hebben getikt.

De koekjes zijn lekker. De kinderen zoet.

20 december 2020

Demonstratie in Nergenshuizen

Eerst even de coördinaten, dan hebben we die maar gehad: 52°08'28.5"N 5°09'47.9"E, bij carpoolplaats Maartensdijk, Nieuwe Weteringseweg bij Groenekan, gemeente De Bilt, langs een wat weggemoffeld fietspad. Geen epicentrum, nergens van.

Toen ik gistermiddag de stad uit reed, de polder in, besloot ik joggers te gaan tellen en daarbij na te gaan of er meer vrouwen dan mannen aan het joggen zijn geslagen, want die indruk heb ik. Het aantal joggers viel ontzettend tegen: verder dan een man en twee vrouwen kwam ik niet. Percentueel gezien een mooie opsteker voor mijn veronderstelling, maar getalsmatig heb je hier niks aan. Wel vreemd, ik had er veel meer verwacht, al stapte ik pas na half vier op de fiets. Ik sluit niet uit dat ik al fietsend mijn voornemen vergeten ben. Ik weet namelijk dat ik me ook heb zitten afvragen waarom ik geen enkele zilverreiger zag. Anderhalve week geleden waren dat er zes in ditzelfde gebied.

Ik vertel dit om aan te geven dat ik in een staat van vrijblijvende, aangenaam verloren mijmering en allenigheid terecht gekomen was. Halverwege Maartensdijk verliet ik de polder, nam een klein stukje langs de provinciale weg, bekommerde me daarbij nog even over het gesloten restaurant, al werd er wel gekookt. Het rook er aangenaam. Ik nam het viaduct over de A28 en kwam zo op dat altijd wat verloren stukje fietspad in de oksel van de A28 en genoemde Nieuwe Weteringseweg.

Daar stond een open aanhangwagen waarop al gauw een stuk of twintig witte gedaanten: witte kleding en een wit masker. Langs de kar was een spandoek gespannen met daarop NOS = fake news. In de smalle strook gras aan de andere kant van het fietspad, maar ook daarop, stond een dertigtal mensen, mensen van de Guerilla Mask Force. Ik moest wel oppassen. Iemand riep ‘Liefde, vastberadenheid…’ en nog iets, maar dat ben ik weer kwijt. Ik weet alleen dat ik het er niet mee eens was. Er werd instemmend gebromd en meegeroepen. Ik slingerde tussen de demonstranten door. De mensen op de kar mogen er spookachtig hebben uitgezien, van mezelf heb ik de indruk dat niemand me überhaupt ook maar even in de gaten heeft gehad.

Even meende ik ze te moeten vertellen dat Sinterklaas dood was, gestorven aan corona. Ik heb het niet gedaan. Achteraf heb ik daar spijt van. Al met al blijft het een merkwaardige gewaarwording: die minidemonstratie op de afgelegen plek. Ik kan een verklaring bedenken; dat het een verzamelpunt was om vandaar naar de grotere demonstratie te vertrekken, maar dat doet weinig af aan die merkwaardige gewaarwording. Een stoplicht midden in de woestijn. Zoiets. Compleet met roepende.

Vanmorgen werd ik gebeld, om kwart voor tien. Toen ik opnam kwam ik in contact met gekraak, dat ik vrij snel kon identificeren als een hand in een broekzak. Op de display had ik gezien dat het mijn mij dierbare Haagse vriend en kunstenaar was. Ik riep hem, bij zijn voornaam, zijn achternaam, bij zijn beroep en roeping, vriend riep ik en dierbare vriend. Er gebeurde niets.

Ik vond het wel een goed begin van de dag. Geruststellend ook dat hij er nog is en zelfs in zijn onderbewustzijn nog contact met me legt. Dat is toch mooi.

Maar bevreemdend is het ook, een vriend te kennen tot in zijn broekzak, net zo vreemd als een demonstratie ter hoogte van heg noch steg en nergens huizen met maar één iemand die dat opmerkt, in dit geval een fietser die joggers zocht en zilverreigers.

19 december 2020

Union 1 en 2

Het groene brommertje was mijn derde brommer, er gingen - simultaan - twee buikschuivers aan vooraf. Dat waren overtollig geworden paarden uit de stal van mijn vaders koeriers, dus mij hoorde je niet zeuren. Bovendien was het een aardig statement tegen alle Puchs, Tomossen en Mobyletjes waarop je geacht werd rond te tuffen. Maar dat deed iedereen al.
Ze hebben me weinig vreugde gebracht, die brommers.

Ik reed er al op toen ik vijftien was, maar de stad ging ik er niet mee in. Dat veranderde op die zomerse, maar desondanks tamelijk sombere dag waarop ik zestien werd. Van mijn ouders kreeg ik wat toen een duikershorloge heette, een geavanceerd geval, met voor mij tot dan toe onbekende toeters en bellen. Mijn zus gaf het me namens hen, want paps en mams zelf vierden vakantie in Italië.
In de loop van de ochtend reed ik voor het eerst legaal op de roodbruine Union, en met dat prachtige, bijzondere horloge om mijn pols, over de Laan van Meerdervoort om een bezoek te brengen aan het Gemeentemuseum. Daar kwam ik graag. Met de brommer moest dat een eitje zijn. Dat was het niet en bij het museum ben ik ook niet aangekomen, want toen ik de bocht nam om de Fahrenheitstraat in te slaan, slipte ik in een tramrail en maakte een geweldige schuiver, die me behalve wat pijnlijke ledematen een onherstelbaar verminkt horloge opleverde.

Ik kan me niet herinneren dat zich ook maar iemand met me bemoeide. Dat krijg je als je geen Puch rijdt. ‘People just ain’t no good,’ ook niet voor iemand die op zijn zestiende verjaardag met zijn bakkes op het asfalt ligt, en dat waarschijnlijk alleen maar omdat hij op een voor Hagenaars en –nezen verkeerde brommer rijdt. Ik zou het anders ook niet weten.
’s Avonds belden mijn ouders en ze wilden graag weten wat ik van mijn cadeau vond. Ook dat nog. Ik weet niet meer wat ik gezegd heb, wel dat ik het er met mijn zus uitgebreid over heb gehad wat ik het beste kon doen als ze belden. Het meteen vertellen of juist niet. Terwijl ik dit schrijf, komt dat gevoel van toen weer terug: vertel ik het wel of niet als ze bellen? Alsof ik weer zestien ben en elk ogenblik de telefoon kan overgaan. Maar ik ben helemaal niet jarig en mijn ouders bellen al in geen jaren meer.

Van die brommers herinner ik me vooral dat er altijd wat mee was. Ik ontwikkelde wel handigheid in het uit elkaar halen en weer in elkaar zetten van de motor. Daar begreep ik helemaal niets van, maar als ik de boel maar demonteerde, alles schoonmaakte en een evt. kapotte zuigerveer verving om vervolgens het hele zaakje weer in elkaar te zetten zoals ik het aangetroffen, dan deed hij het wel weer een tijdje. Er waren zelfs mensen die dachten dat ik er verstand van had. Mijn moeder wist wel beter. Als ik in de tuin bezig was met een brommer deed zij ook bij hoge temperaturen de keukendeur dicht om mij niet te horen schelden en vloeken. Ik bedoel de deur van keuken naar tuin. De andere, van de keuken naar de gang, ging pas dicht, als ik in de keuken mijn handen stond schoon te schrobben. Ook daar kon ik vreselijk schelden: ik had een grote hekel aan vieze handen. Misschien was dat nog wel het ergste van die rotbrommers, dat je er vieze handen van kreeg.

Mijn eerste racefiets, ontdekte ik later, kon er ook wat van.

18 december 2020

Empo

Ook met het groene brommertje wist ik geen innige relatie op te bouwen. In de tweeënhalf jaar dat ik brommer reed was dit de derde. De eerste twee waren overbodig geworden gevallen van mensen die bij mijn vader werkten. Die ruilde ik na ruim een jaar ellende in voor een nieuwe Empo. Op een vrijdag in oktober haalde ik hem op en reed ermee van Monster naar Wanneperveen. Via Utrecht, waar ik een nachtje overbleef bij mijn zus, honderd meter van de plek waar ik later vijftien jaar zou wonen. Na een paar dagen, het was herfstvakantie, reed ik terug, weer via Utrecht.
Nu was het niet de bedoeling dat ik daar opnieuw zou overnachten, maar daar kwam het wel van. Na het avondeten wilde het brommertje niet starten en vervolgens brak de startkabel. Pas de volgende ochtend kon ik bij een fietsenmaker terecht, Ekeris aan de Gansstraat. Het was onze eerste ontmoeting. We zouden er in de loop der jaren misschien wel twintig fietsen kopen.

Mente kan zich het groene brommertje niet herinneren, en toch weet ik dat ze een keer bij me achterop heeft gezeten. Dat was in de zomer van 1970, een half jaar voor ons grote gebeuren, toen een grote vriendengroep een examenfeest wilde verplaatsen van Scheveningen naar mij, in Monster. Nu was dat brommertje volstrekt ongeschikt om iemand achterop te hebben. Zoiets betekende: op een ijzeren rekje pijnlijk door elkaar geschud worden, want vering kende het ding niet. Achterop zitten was niet alleen oncomfortabel, het was nog gevaarlijk ook. In een nacht van vrijdag op zaterdag ergens aan de voorkant van 1970 sjeesde ik langs de Scheveningseweg, terwijl Simon, een vriend, bij me achterop zat. We waren in een vrolijke bui, ik in ieder geval wel en ik voerde het hoogste woord daar voorop dat groene geval. Pas toen ik geen antwoord kreeg op een vraag, drong tot me door dat Simon helemaal niet meer achterop zat. Op de grond zat hij wel, midden op het fietspad, een paar honderd meter terug. Hij moest nog bijkomen van de schrik en van de pijn. Blijkbaar had ik een hobbel genomen en daarbij was Simon gelanceerd.

Dus die zomer een paar maanden later, was ik in de wolken toen Mente niet alleen op datzelfde Scheveningse feest aanwezig was, samen met haar broer, maar ook dat ze wel bij mij achterop wilde naar Monster. In de wolken, zei ik, maar wel bezorgde wolken, want stel je toch eens voor dat zij net als Simon van mijn Empootje geslingerd zou worden.

Het is niet gebeurd en nogmaals: Mente heeft geen enkele herinnering aan het brommertje en dus ook niet aan de tocht. In december 1970 kreeg het leven een wending waarvan ik tot op de dag van vandaag de zonnige gevolgen ondervind, maar daar heeft het brommertje nauwelijks meer een rol gespeeld, want bij die ingrijpende verandering hoorde ook mijn definitieve afscheid van de brommer en de keuze voor levenslang fietsen. Het behalen van mijn rijbewijs en een vader die scheutig was in het uitlenen van zijn auto speelde daarbij ook een rol, maar dat is een ander verhaal.

Het starten van het brommertje was vaak een ellende. Ik hoef nog steeds weinig moeite te doen om weer te voelen hoe een gloeiend hete knalpijp precies het stukje blote huid tussen sok en zoom van mijn rechterbroekspijp wist te vinden. En dat gedoe met vette en parelende bougies.
De brommer ruilde ik in voor een nieuwe racefiets, een Motobecane. Ook die zou niet al te lang daarna voor ellende gaan zorgen.
Maar de liefde was daar!

17 december 2020

Mundum theatrum est

We spijbelden. We gingen niet ieder naar onze eigen school, maar bezochten op de donderdagochtend van 17 december 1970 om tien uur al het HOT, het Haags Ontmoetingscentrum voor Theaterkunst. Daar waren we beiden regelmatig geweest, maar nooit samen. In deze voormalige gereformeerde kerk aan de Oranjebuitensingel kon je ook terecht voor allerlei koffievarianten en tosti’s.
Mente nam de tram vanuit het Statenkwartier, ik stapte met hetzelfde doel in Monster op mijn brommertje. Het was een grauwe decemberdag, zoals we nu ook meemaken. Bij een stoplicht, niet ver van mijn eindbestemming, stak Boer Koekoek over. Meer kan ik me van die tocht niet herinneren. Ik merk dat ik überhaupt veel minder van die dag weet dan mij lief zou zijn. Ik was dan ook ontzettend gespannen terwijl ik op mijn groene damesbrommertje naar het HOT reed. Mijn leven hing af van de komende uren. Zo voelde dat. Nou ja, zo was het.
Ik weet bijvoorbeeld niet meer wie er het eerste was. Wel dat we niet lang daarna naast elkaar in een hoekje zaten, aan een grote tafel. Verder was er niemand. Het was nog vroeg.

Vanaf april 1968, we waren toen vijftien, hadden we af en toe om elkaar gecirkeld, Mente en ik. We hadden een knipperlichtrelatie waarbij het licht veel langer uit was dan aan, maar intussen had Mente zich voor mij ontwikkeld tot de maat der vrouwen. Niet lang daarvoor had ik een verkering verbroken omdat ik merkte dat het meisje niet genoeg op Mente leek. Dat klinkt drastisch en heftig en zo voelde ik het toen ook. Mente of niemand, zo werd het.
De weken voor die bijzondere ontmoeting in het Hot hadden we eerst wat briefcontact gehad en dat was uitgelopen op enkele ontmoetingen waarbij we het vooral over elkaars beslommeringen hadden zonder het ook maar even over ons samen te hebben.

En toen besloten we zomaar om ook dat eens te doen. Dáárom spijbelden we dus, op de voorlaatste dag voor de kerstvakantie.
Van het gesprek herinner ik me vooral dat het volstrekt onnavolgbaar was. Ik had het lef niet om op te staan en als een flinke vent te zeggen: ik wil jou, helemaal en voor altijd! Stel je toch voor dat Mente zou zeggen dat dat voor haar toch wel wat anders lag. Dan hoefde ik nooit nergens meer op te rekenen. Het was nu of nooit. Dat nooit beangstigde me.
Via een melig, goddank niet afgemaakt verhaal over de prinsesjes Kar en Bo en Naadje - wat iets verraadt over de eetgewoonten bij de familie Borgdorff in die tijd - werd duidelijk dat er nu echt iets moest gebeuren.
Ik bleef onduidelijk, maar stapje voor stapje, van ‘ik wil je graag blijven zien’, ‘meer dan zien’ en ‘eigenlijk voor altijd’ en ‘jij en ik’ werd het Mente duidelijk wat ik bedoelde en was dat waar zij op zat te wachten. Volgens mij werd het pas duidelijk toen ik me voorover boog en haar op haar mond kuste.

Later liepen we over het Malieveld naar het Maerlantlyceum, waar Mente moest oefenen voor een kerstuitvoering van haar school. Zij in haar fraaie, lange oranje-bruine, wollen jas, die haar nog slanker maakte dan ze toch al was, die haar zo goed stond en die erg onpraktisch oogde, ik in een witte canvas jas met grote bontkraag en een grote zwarte veeg vanwege dat verdomde brommertje van me. Pas eergisteren vertelde ze me dat ze dat een stomme jas vond.

We liepen innig verstrengeld over dat wijde Malieveld, moesten nog leren onze gemeenschappelijke cadans te vinden. Dat is gelukt.

15 december 2020

Het is een wonder

De kerstboom die ons dit jaar gezelschap komt houden is een bijzonder geval. Ik zou haar une arbre dansante willen noemen. De boom vraagt om de Franse taal. Nu is arbre van huis uit een mannelijk woord, maar dan is deze arbre is een dochter, en nog wel een dansende dochter. Ze heeft de vormen van een vrouw en ze is volop in beweging.

Dat is ze niet. De vele engeltjes, de ballen, de lichtjes die ze draagt, het hangt allemaal keurig stil te hangen. En toch danst ze. Ze mag dan met een flinke kluit in een grote bak verankerd zijn, ze lijkt te dansen. De stam rijst niet keurig op uit het midden van die fraaie rode bak, maar scheurt in een diagonaal langs de rand.
Dat lijkt op een onhandigheid van de planters, maar zo is het niet. Ik heb dat gecontroleerd. Met al die kronkelingen naar de top zou je aan een mismaakte boom en dus aan een miskoop kunnen denken, maar zo is het dus niet. Het is een dansende boom. In stilstand. Het is een wonder. Nogmaals: je ziet geen enkel engeltje trillen, je hoort geen glazen klokje klingelen, altijd staat de boom stil. En toch lijkt het alsof ze beweegt, je komt haar tegen in haar beweging, als een door Degas geschilderde ballerina.

Het is een wonder dat ze met zoveel flair niet over de rand van de rode bak kiepert waarin ze haar ene been heeft gezet. Ongetwijfeld heeft ze nog een ander been, zoals je bij danseressen van Degas soms ook maar één been ziet, zonder dat je een tweede been mist. Dat been is er wel, zelfs als het niet geschilderd is.

Er wordt in alle verstilling iets groots verricht, hier in huis. En het ziet er naar uit dat de dansende boom dit weken vol zal houden. De boom is veel spannender dan de tv aan de andere kant van kamer. Daarop beweegt van alles wat er niet is, terwijl het scherm onbeweeglijk is. Onze ballerine de Noël daarentegen neemt je mee in haar beweging. Ongrijpbaar, maar niet virtueel, nee, ze is juist zeer aanwezig op haar kleine rode podium, waar ze keer op keer niet van af valt. Kijk, nu al weer.
Had ik al gezegd dat het een wonder is? Het is een wonder.

14 december 2020

Geheime missie

Wel ziek, geen corona, maar wel beperkende maatregelen. Daarom kies ik voor de illegaliteit. Als Mente is weggefietst om zich over kleinkinderen te ontfermen, trek ik buitenwereldbestendige kleding aan, sjor een rugzak om en fiets de poort uit. Even verderop staat de schoolmeester. Hij zwaait naar me. Ik stop en vertel hem dat hij mij niet heeft gezien. Dat belooft hij.
Bij de Kinderboekwinkel staat een rij, net als vorige week. Deze is langer, maar gelukkig minder hardnekkig. Koos en Annette komen even bij me staan. We wisselen wat titels uit, waar ook de vrouw voor me zich mee bemoeit. Haar suggestie neem ik mee, die van Koos trouwens ook, maar dat boek is er niet. Op mijn beurt raad ik de vrouw voor me aan om Monkie van het echtpaar Schubert te kopen. Geen kind mag zonder dat boek het leven in.
Dorothee, de dame van de winkel, doet me nog twee suggesties aan de hand en ik vertrek weer, om later weer terug te komen, want ik laat er mijn notitieblokje liggen, al weet ik dat dan nog niet. Als ik naar buiten loop, is Annette al vertrokken. Ik zie haar even later bij boekhandel Bijleveld. Daar komt opnieuw Koos naast me staan. Ik vertel hem dat mijn missie geheim is. Ik word geacht in bed te liggen dan wel op de bank te hangen. Hij zal zwijgen, belooft hij.
Bij Bijleveld binnen heerst schielijkheid onder het personeel, merk ik. Telkens moet er wel iemand ergens bij een plank zijn waar een klant voor staat die ze vooral niet willen storen. Daarom buigen ze zich om vanaf een afstand te zien of het gezochte boek er staat, of iemand duikt snel achter nietsvermoedende knieholten langs om een greep te doen, niet naar die knieën, maar naar de rug van een boek.
Omdat ik al vrij snel een boek op het spoor ben dat onder de boom mag, denkt elk van de drie personeelsleden wel een, en eentje zelfs twee keer, dat ik wil afrekenen, terwijl ik nog vijf cadeaus te gaan heb. ’t Is allemaal geen sinecure, maar uiteindelijk loop ik met een volle rugzak de winkel uit en bedenk ik dat mijn notitieblokje nog in de Kinderboekwinkel moet liggen. Dat is dom en slim tegelijk. Dom omdat het gebeurde, slim omdat ik het nu al door heb.
Dom is weer dat ik één boek teveel heb gekocht. Dat merk ik thuis pas. Dat kan ik dus pas na 19 januari ruilen. Als de winkels dan al weer open mogen. Zo werpt mijn geheime missie al een schaduw over het jaar dat nog gebaard moet worden.
Thuis tref ik een knipperende telefoon. De jongste heeft gebeld. Dat betekent ook dat zij nu weet dat ik niet thuis was. Ik bel haar terug, natuurlijk alleen maar om haar in het onzalige complot van de illegaliteit te betrekken.

Maar het zou kunnen zijn dat iemand anders mij ook gezien heeft en daar vrolijk over begint. Daarom lijkt het me wel zo verstandig om er nu even over te schrijven.
Als Mente straks weer thuis komt, hang ik kortademig op de bank. Ze zal vragen of er nog wat geweest is. Natuurlijk is er niets geweest. ‘O ja,’ zal ik zeggen, ‘ik heb nog wel een stukje geschreven. Misschien is het handig als je dat nog even nakijkt. Mag ook na het eten, hoor.’
Ik krijg een app’je van de schoolmeester. Hij vraagt of mijn missie geslaagd is. Ik weet niet waarover hij het heeft. Ik ben de hele middag thuis geweest.

13 december 2020

Kerstboom zonder rug

Terwijl hoest en snot en tergende vermoeidheid mij tussen de lakens hielden gisteren, kochten Annette en Jaap de geplande kerstbomen, eentje voor Annette dus, en eentje die niet voor Jaap was bestemd maar voor ons. Ik heb begrepen dat dat gepaard is gegaan met veel gesjouw en zoveel naaldverlies dat men ook de hele auto maar heeft uitgezogen en de vloer in huis heeft gedweild. Mij is dat goeddeels ontgaan, slaap won het van mijn bemoeizucht.

Vanmorgen was het al vanmiddag toen ik wakker werd. Nu de boom stond, kon ik er in ieder geval wel de lampjes in doen, dat was wel het minste wat van mij verwacht mocht worden. Daarna kon Mente aan de slag met de echte versiering. Dat is haar taak. Mente is erg van de engeltjes, wat je bij ons vooral terugvindt in de kerstboom. Het zou aanmatigend zijn als ik me daarmee bemoeide. Mente weet ongetwijfeld wat het beste is voor de boom en voor de engeltjes. Het resultaat is er dan ook naar.

Toch kon ik het niet laten om ondanks mijn wankele staat - nee, geen corona, zo weten we intussen - even naar buiten te stappen om te zien hoe de boom er vanuit de achtertuin uitziet. Dat is een gevoelig punt. Mijn voorbije dagelijkse fietstochten van huis naar school en - aan het vroeg vallende eind van de dag - van school terug naar huis, waren in de decembermaand tochten in het duister. Het betekende zelfs wel dat ik dagen achtereen bij daglicht niet even naar buiten kon maar in plaats daarvan de dag en zijn licht in een schoollokaal aan mij voorbij moest laten gaan.

Op zich hoefde een fietstocht door het donker geen straf te heten – alles liever dan in de auto; het was alleen jammer dat aan buiten zijn geen daglicht meer te pas kwam. Wel was het fijn om thuis te komen. Dan stond het eten al klaar en als ik de achtertuin in kwam, zag ik in de kamer, bij de achtergevel die zo fraai versierde kerstboom. Een punt van aandacht daarbij was dat die niet met zijn rug naar de tuin zou staan. Nu heeft een boom van zichzelf geen rug, maar die krijgt hij wel wanneer die als kerstboom niet rondom versierd is. Die kans loop je als je hem alleen vanuit de kamer bekijkt. Het is wel gebeurd dat we de tuinkant als een te verwaarlozen achterkant beschouwden en dat heeft zich gewroken toen ik een keer thuiskwam en bij de schuur al zag dat de kerstboom mij helemaal niet welkom heette. Een paar lampjes omdat dat nu eenmaal niet anders kon, maar wel slordig verdeeld, en twee, drie balletjes. Dat was het wel zo’n beetje.
Dat was een akelig gezicht.

Let wel, ik zeg niet dat Mente dat toen niet goed heeft gedaan, het versieren. Met de lampjes was het ook helemaal mis en het kan zomaar zijn dat ik tot die tijd ook een groot deel van het versieren voor mijn rekening nam. Ja, vroeger deed ik behalve de lampjes ook de ballen en Mente daarna de engeltjes. Nu weet ik het weer. Misschien is dat wel veranderd nadat ik de kerstboom op een blote rug had betrapt.
Ik kom al een aantal jaren niet meer in het donker thuis uit school, maar als dat wel zo wezen zou, dan nog had ik zeer tevreden kunnen zijn met het resultaat van dit jaar. De boom ziet er aan alle kanten piekfijn uit.

Piekfijn, is dat geen kostelijke grap voor een boom zonder piek?

12 december 2020

Niet met jou mee

‘Dag juffrouw, ik ga niet met jou mee.’
De oorlog is afgelopen. Joop is ooit afgevoerd, zit nog opgesloten in een kamp in Polen, maar daar heeft Sophie geen idee van. Zij, op haar beurt is ondergedoken geweest in Brabant en in Leiden. Hun zoontje Robbie werd ooit ergens ondergebracht. Hoe het hem vergaan is, weet Sophie ook niet, maar ze komt uiteindelijk in Landsmeer. Je leest het allemaal in het boek dat de twee in 1988 uitbrachten, Duet Pathétique.
Sophie loopt een huis in waarvan de deur openstaat. ‘Het eerste dat ik daar zag was een klein jongetje: dat was Robbie! Er was geen twijfel mogelijk! Hij zat lief te spelen. Ik ging naar hem toe, hij keek op en zei: ‘Dag juffrouw, ik ga niet met jou mee.’

Ik hoor het Sophie, die wij overigens Fiet noemden, nog zeggen, met haar heldere, meisjesachtige, stem. Een onvergetelijke stem ook. ‘Dag juffrouw, ik ga niet met jou mee.’ Het klonk parmantig zoals Fiet dat zei; misschien heeft Robbie het ook zo gezegd, al was het maar om dat hem was ingewreven om zo te reageren als een vreemde vrouw of man hem zou aanspreken.

Vorige week kreeg De kaalvreter, de debuutromen van Machteld Siegmann, de CLO Byblosprijs. Toen lag het boek al op mijn leesstapeltje. De mij dierbare psychotherapeut had het voor me meegenomen, dus ik moest het wel lezen. In De De kaalvreter is de hoofdpersoon Leie Rook, die als Leie Blum ooit met een lege koffer werd achtergelaten bij een familie Hardeman en als dochter in dat gezin leeft tot haar huwelijk in 1958. Als jonge tiener krijgt ze te horen dat haar joodse ouders haar hebben moeten afstaan in de oorlog. Leie heeft nog een vage herinnering aan een vrouw die na de oorlog de boerderij van Hardeman opzocht en in het Duits lief bedoelde opmerkingen tegen Leie maakte die haar alleen maar beangstigden. De vrouw logeerde nog even bij de familie. Op een dag vond men haar aan een hanenbalk op zolder. Pas veel later, in 1974, Leie is dan 35, dringt tot haar door dat die vreemde vrouw de persoon was op wie ze altijd, vergeefs, heeft gewacht: iemand zou haar moeten halen. Haar moeder.

Tussen Robbie en zijn ouders is het goed gekomen, voor zover wanneer jonge ouders en kinderen door collectieve mensenwaanzin zo verminkt worden. Joop en vooral Fiet bleven verminkten, hun leven lang. De tijd maakte van Robbie een succesvol man; ik heb hem onvoldoende gekend om te weten wat er allemaal in hem heeft gespeeld. De verstandhouding tussen de pleegouders en de familie Citroen is heel lang uitstekend gebleven. Verwijdering ontstond er pas veel later, toen de pleegouders naar Zuid-Afrika verhuisden en zij steeds meer de juistheid van de apartheidspolitiek gingen verdedigen. Joop heeft daarover alleen maar gezegd dat hij dat niet begreep, het betreurde, maar dat zij de liefhebbende redders bleven van zijn Robbie.

Nu ik De kaalvreter lees, probeer ik me voor te stellen wat er gebeurd was als men Robbies eerste impuls, maar ook die van de pleegouders die veel van hem waren gaan houden, had gehonoreerd: niet met jou mee.

De roman van Siegmann gaat daar niet op in. Dat is een keuze. Wel eentje die het boek een beetje ongrijpbaar voor me maakt. Siegmann kan deze geschiedenis gerust nog eens gebruiken, maar dan rond de vraag, waarom men heeft laten gebeuren wat er gebeurde.
Ook dat wil ik graag lezen.

Sophie en Joop Citroen, Duet pathétique, belevenissen van een joods gezin in oorlogstijd: 1940 – 1945, Utrecht 1988. Machteld Siegmann, De kaalvreter. Amsterdam 2019.

11 december 2020

Even wachten nog

Er is veel gedreutel en gewarrel en ander gelijksoortig onaangenaams. Door hoofd, keel en longen graaft een naar, slijmerig beest zich een weg. Ik blaas en tier, snuif stevig wat zoutoplossing naar binnen , ik slik broom en drink veel water om te voorkomen dat het zijn weg vindt naar die diepe holtes en holtetjes van geniep. Mijn kaakholtes zijn klein, er ontbreekt er zelfs eentje en de wegen ernaartoe zijn, ook na een chirurchische verbreding ooit, niet meer dan smalle paadjes. Ik zou daar niet over moeten klagen, want het ongemak is in het verleden veel groter geweest en het jaar 2020 was een voor mij opvallend gezond jaar. Dat heeft allemaal met Covid-19 te maken.

Maar nu vergroot datzelfde Covid-19 mijn onbehagen. Zo zouden Annette en ik in mijn riante arrenslee naar het verre Groenekan rijden om daar twee kerstbomen in te slaan, eentje voor haar en haar dierbare en eentje voor Mente en mij.
Onderweg zouden mensen zich hebben kunnen verlustigen in het rinkelen van de vrolijke belletjes en het zachte gebries van een paard en wij zouden zingen. Geen Mariah Carey, geen Jingle Bell Rock, nee, wij zouden de engelkens door het luchtruim laten zweven, juichen en jubelen zouden wij en de dagen prijzen en God roemen. Ook zouden de mensen langs de weg zien hoe mooi de bomen waren die we hadden gekocht.

Omdat de klachten alleen maar toenemen en ik me gisteren, op aandringen van de rest van de mensheid, heb laten testen, zat deze mooie jaarlijkse tocht er niet in. Daarom staat er nu nog geen boom in de kamer of in de tuin, ook niet bij Koos en Annette. Die boom zit wel in ons hoofd, als een stekelig gemis.
Met diezelfde arrenslee had ik de deuren van geliefden langs willen gaan om stilletjes een hartverwarmende wens door de bus te laten glijden. De kaarten liggen klaar, staan pontificaal op mijn takenlijstje en bonken in mijn kop. Achter de computer houd ik mij onledig met allerlei organisatorische klusjes die altijd al graag een route afleggen via mijn levensweg. Nu vergissen mijn vingers zich van nature al regelmatig en dat wordt niet minder, maar met een snotkop is het met de bedrading die snel en doeltreffend denkwerk mogelijk maakt ook niet goed gesteld.
Dat is de bittere waarheid.

Het zou de geest ontlasten als ik dus wel op de arrenslee had kunnen klimmen voor een kaartje hier en een kersboom daar en ergens naar binnen te stappen voor een kop koffie.

Ook het telkens weer raadplegen van mijn mobieltje om te zien of de negatieve uitslag er al is, leidt tot improductiviteit en maakt het moeilijk om me een beetje te concentreren. Morgen moet ik nog van alles regelen. De boom en de kaarten komen hopeloos in het gedrang.
‘Misschien is de uitslag straks wel positief,’ zegt Mente. Ik moet even slikken.

Nu ik dit stukje tik, komt er een berichtje binnen. Wacht even.
Nee, geen uitslag. Het is een bijbeltekst, zonder aanhef, zonder commentaar ook. Ik weet wel hoe dat zit: ik had erom gevraagd, omdat ik dan niet hele teksten hoef over te tikken. Toch kijk ik er wel een beetje van op nu op het scherm van mijn mobieltje spontaan de tekst van psalm 2 tevoorschijn springt:

Waartoe leidt het woeden van de volken,
het rumoer van de naties? Tot niets.

Goed, ik zal proberen in te binden en mijn lot wat kalmer te dragen.

10 december 2020

Fles keutels

‘Een fles bloemkolen kende ik wel, maar dit…’
De buurman kijkt me een beetje verdwaasd aan.
‘Bloemkolen?’ Hij begrijpt me niet.
‘André van Duijn,’ probeer ik nog. Vergeefs. Blijkbaar was de buurman vijfentwintig jaar geleden niet bezig met de Buurtsuper van Van Duijn.

Zij van hiernaast zijn net terug van een paar dagen Drenthe. Dat doen ze vaker en tijdens hun Drentse dagen zorgen wij voor de katten. Ik bedoel: dan zorgt Mente voor de katten. Zijn de buren weer terug, dan wordt er regelmatig even aangebeld.
De buurman heeft een pakje bij zich dat duidelijk laat zien dat er een flesje inzit. Drentse vlierbessensap gok ik, maar het blijkt te gaan om een flesje echte Drentse schapenkeutels, volgens het etiket dan. Dat is het moment waarop ik dus zonder succes de fles bloemkolen in de strijd gooi.
Overigens zitten er helemaal geen schapenkeutels in de fles; het zijn dropjes, van die zachte kokindjes. Die hebben inderdaad wel iets weg van schapenkeutels, maar de associatie is nieuw voor me. Het is wel verwarrend: drop in een fles voor appel-, peren- of wat voor sap dan ook, en daar dan ‘schapenkeutels’ op zetten.
Zou daar in Vledder, Roden of Dwingeloo iemand op het idee gekomen zijn als André van Duijn in zijn Buurtsuper niet een klant had gehad die om een fles bloemkolen had gevraagd?

De schapenkeutels zijn dropjes. Zo zien ze eruit en zo smaken ze ook, merken we meteen. De buurman bedankt; hij hoeft geen drop. Misschien is dat wel een teken, bedenk ik later.
‘Dat had je niet moeten doen,’ zegt Mente en daarmee bedoelt ze niet dat dit het verkeerde cadeautje is, want dat is het niet. Wij zijn dol op drop.

Lang geleden, de buurman moest nog geboren worden, waren zwartwitdropjes populair. Bolletjes met een scherpe, ik vond, betoverende smaak. Nogal brossig, ze konden makkelijk op je tong uiteenvallen. En ze leken op konijnenkeutels. Of liever omgekeerd.
Wij waren net terug uit een duinbos, Ockenrode. Daar kwamen we vaak, ook deze zondagmiddag. Wie die ‘we’ waren? Mijn vader waarschijnlijk, broers, zussen misschien ook, maar in elk geval was mijn vriendje Dirk er bij. En mijn moeder natuurlijk, want zij gaf ons in het bos zo’n zakje met salmiakbolletjes. Zij leken inderdaad op de konijnenkeutels die we volop tegenkwamen. We raapten er een stel op en namen ze mee.
Eer we weer thuis waren, was er van de oorspronkelijke inhoud van de zakjes niet veel meer over. We gooiden een handje keutels bij de resterende dropjes in het zakje. We hadden een plan.

En dat konden we meteen uitvoeren, want toen we de poort achter ons huis in liepen, troffen we Ireen aan, mijn buurmeisje, twee jaar jonger dan wij. Ik deed alsof ik nog zo’n salmiakballetje uit het zakje plukte en in mijn mond stopte.
‘Zo is het wel genoeg, hoor,’ zei ik. ‘De rest is voor jou.’
Ireen plukte ook een dropje uit het zakje. Het was een dropje. Het tweede dropje was dat niet.
Ze spuugde het uit en begon te huilen. Dirk en ik hadden dikke pret.
Dat spijt me. We hadden niet moeten lachen, we hadden verbijsterd moeten reageren, alsof we niet begrepen wat er aan de hand was.

De schapenkeutels zijn nog niet op. Er zou zomaar een echte in de fles kunnen zitten.

09 december 2020

Onderscheid

‘Ik heb nu toch ook mijn meerdere moeten erkennen,’ zei de mij dierbare psychotherapeut en hij vertelde dat een collega van hem benoemd was tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. We reden over mij niet erg bekende smalle weggetjes en ik zat achter het stuur, dus ik hoefde niet onmiddellijk te reageren, maar zijn opmerking gaf me stof tot nadenken.
De psychotherapeut en ik ontvingen dit jaar een koninklijke onderscheiding, zaten twee maanden later in dezelfde shift van mensen die hun lintje kregen uitgereikt. De mij dierbare psychotherapeut werd ridder, ik lid. Als lid hoor je bij het voetvolk, je bent een soort onderscheiden werkster, om even te refereren aan een gedicht van Achterberg. Natuurlijk hebben we dat onderscheid wel tegenover elkaar uitgespeeld, waarbij ik hem duidelijk maakte dat mijn lidmaatschap iets zegt over de mij kenmerkende bescheidenheid en dat dan tegenover een ridder die hoog te paard er alles aan doet om gezien te worden. Waarop hij me dan weer zei dat hij erg blij voor me was dat ik het onderscheid tussen ons twee op deze manier een voor mij acceptabele plaats kon geven.
Nu maakte hij met zijn opmerking duidelijk dat het onderscheid tussen ons voor hem blijkbaar nog speelt, wat wel blijkt uit het feit dat ik achter het stuur zat als een Ab Doderer en hij zich liet rijden als een Freddy Heineken. Maar wel gezellig samen ontvoerd.

Tijdens onze fietstocht door het koude, mistige en royaal berijpte Groene Hart was van dat onderscheid niets te merken. We gingen als gelijken met elkaar om.
Dat wil zeggen. Ik haalde hem op en daar kon ik even zijn fietsdrager onder de kapstok bewonderen. Die was veel lichter dan de mijne; hij zag er ook veel geavanceerder uit. Die van mij is handig, maar je tilt je er een breuk aan.
Intussen is de mij dierbare psychotherapeut ook eigenaar van de Rolls-Royce onder de fietsen, een Santos, en dan nog wel eentje met rohloffnaaf. Jawel. Ik tilde hem op mijn drager en merkte hoeveel lichter die was dan mijn Snelfiets. Ach ja, de ridder en het lid.

Misschien is onderscheid juist relevant als verschil in kwalitatieve zin amper een rol speelt. Ik denk dat de mij dierbare psychotherapeut dat aangaf toen hij zei dat hij in sinds vorige week iemand zijn meerdere moest erkennen. Dat was een hem dierbare collega en plotsklaps was daar dat onderscheid. De een schildert, de ander speelt piano; dat is een verschil. Jij hebt een zeven en ik een acht is een onderscheid. De acht merkte dat op het moment dat zijn buurman een negen kreeg. (En een tien buigt voor een elf, al was het maar om die bijzondere puntoren eens van dichtbij te zien.)

Na de smalle weggetjes ging het allang weer over iets anders. Mijn vingers hadden de kou bij het fietsen maar met moeite doorstaan, bij hem waren het zijn tenen. In de auto terug ontdooiden ze gelukkig. Over het leuke gevoel van de stukjes ijs die van de bomen gleden en soms tegen onze oren tikten hadden we het. Over Flakkee, bevindelijkheid, over demonen ook, de PvdA en de Christen Unie, vrijgemaakten die zich Gereformeerd noemen, en daaraan toevoegen: dus vrijgemaakt.
En over de volgende keer dat we weer gaan fietsen. Wie weet wel dezelfde route, in omgekeerde richting. We moeten ook nog een keer naar Oeke.

08 december 2020

Guilty pleasures

Gelukkig vond ik zojuist op de site van Radio 4 als cd van de week ‘Per la notte di Natale: Italian Christmas Concertos’. Dat is maar goed ook, want op radio 4 zelf is het maar huilen met de pet op. Er is een schat aan klassieke kerstmuziek, genoeg om vele decembermaanden mee te voorzien. Doe dat dan! We hebbben tien of elf maanden over om andere muziek te horen.
Ik wil de weg naar Kerst bewandelen met een zich zuiverend hartje, maar dan moet ik daar muzikaal wel bij geholpen worden. In mijn wanhoop zocht en vond ik, op het nippertje, toch nog heil bij Radio 4 dankzij deze cd. Maar een aparte speellijst met kerstmuziek vind ik nog niet, wel eentje met zgn. guilty pleasures. Jammer. Dat is een vervelende term. Je geeft er iets mee aan waar je maar beter niet te koop kunt lopen. Of je suggereert dat is verkeerd terwijl dat helemaal niet zo is. Nee, je wilt niet van slechte smaak beticht worden terwijl iets toch je smaak is en daarom offer je sommige muziek die je graag hoort publiekelijk op, enkel om je eigen gezicht te redden. Dat is laf. Waarom zou ik ‘Cent milles chansons’ een guilty pleasure noemen? ’t Is trouwens ook erg sneu voor Frida Boccara. Bij nummer 1 op de lijst, Whiter shade of pale, vind ik het wat moeilijker, maar dat zit hem meer in de ‘pleasure’ dan in de vraag of die wellicht ‘guilty’ is.
Als opmaat naar Kerst, en daar gaat het nu even om, is het een slechte start. Val een hartje dat zuiverheid en reinheid zoekt niet lastig met een misleidende, dan wel hovaardige term als ‘guilty pleasures.’ Bij de Intratuin in Ter Aar is een leuke Madurodamachtige en dus ook weer ‘guilty pleasure’-gevoelige opstelling van een dorpje met allerlei winterjolijt. Maar je wordt er intussen gek gemaakt door een kakafonie van tinkeldinkeldeuntjes afkomstig van mechanisch bewegende molens, schaatsertje en wat al niet. Let wel: die komen niet uit het miniatuurdorpje voor je, maar van de schappen achter je. Daar kun je allerhande beweeglijk kerstspul kopen, voor een bedrag van 40 tot 100 euro, ook een Coca Colatrein bijvoorbeeld. En dat is allemaal zo slecht voor het zuivere, voor het goede ontvankelijke kersthartje.

Vandaag ontvangen wij onze eerste kerstkaart, met dank aan mijn zus. Het is een witte correspondentiekaart met daarop een zelf gehaakte kerstboom en een persoonlijke, met de hand geschreven boodschap. Zo hoort het. Mijn zus komt uit een goed nest, dat merk je meteen.
Ik streef een zuiver en rein hartje na met Kerst, en daar helpen kaarten enorm bij. In dat opzicht is mijn hart trouwens bijzonder groot. Het mooist zijn uiteraard de persoonlijke kaarten zoals die van mijn zus, handgemaakt en/of hoofdbedacht, maar een bij het Kruidvat gekochte kaart met een sneeuwpop aan de ene kant en aan de andere alleen maar een naam is ook goed. Of een online bestelde hallmarkkaart.
Slecht daarentegen zijn kerstgroeten die via de mail binnenkomen, behalve als ze afkomstig zijn van een negentigplusser, want dat dwingt weer bewondering af. Voor het overige is een digitale groet eerder een demonstratie van gemaktzucht en een gebrek een persoonlijke betrokkenheid bij de ontvanger. Geen pleasure, wel guilty. Ik delete ze doorgaans knarsetandend. Doorgaans, en dat zegt al genoeg, komen die dingen pas op het laatst binnen, als dat hartje van je bijna de gewenste staat van zuiverheid heeft bereikt. Dan plopt er toch nog zo’n gratuite kerstwens in je mailbox. Bah.
Niet doen.

06 december 2020

Gaan en komen

Het is alweer de tweede zondag van advent en dat betekent dat in de kerk het tweede kaarsje aangestoken wordt. Ondanks zijn oorsprong, zijn naam en zijn status bij leven, ondanks de vele kerken die naar hem zijn genoemd, ondanks ook de icoon bij ons in de kamer met daarop zijn beeltenis is alle heiligheid om Sint-Nicolaas heen verdwenen. In kerken gaat het om Bethlehem en Jeruzalem en niet om Madrid of een stoomboot. Aan het begin van de kerkdienst hebben we een storing van de geluidsinstallatie. We horen een snel getik, alsof het paardenvoetjes zijn. Trippeltrappeltrippeltrap… Weg is hij.

Op straat zie ik later het jongetje van twee huizen verder bezig om met een afstandsbediening zijn jeep over het asfalt te laten scheren. Hij kan zelfs tegen niet al te hoge stoepranden op waarna hij als een agressieve teckel een aanval op mijn voeten lijkt te gaan doen. Voor het zover is, kukelt het autootje van het trottoir en ligt het ondersteboven wanhopig met zijn wieltjes te draaien. In de loop van de dag wordt duidelijk dat er bijzonder veel stepjes cadeau zijn gedaan door de sint. Alle kinderen zijn buiten en allemaal hebben ze een step.

Gisteren heeft Mente de sinterklaasvitrine leeggeruimd. Het dringt pas tot me door als het bezoek is vertrokken.
’s Middags, na een kom heerlijke soep, vertrek ik om halverwege aan te sluiten bij de stoet fietsers die van het Jaarbeursplein naar Rhijnauwen trekken om hun ongenoegen te laten blijken over het weer van stal gehaalde, onzalige en met de jaren alleen maar onvanzelfsprekender geworden plan om de A27 te verbreden en zo de schrale long die de stad Utrecht nog meer geweld aan te doen. Tegen rokers die het benauwd krijgen en hoesten, zou je zeggen: stop met roken. Minister Cora van Nieuwenhuizen vindt zoiets een slecht advies en haalt liever die hele long weg. Dan houdt het hoeste wel op. Het is droefmakend.

Als ik bij de grote weide van Rhijnauwen mijn fiets gestald heb, loop ik achter een Jozef en Maria aan. Hij loopt op blote voeten, zij laat een lange rok om haar benen zwaaien. Als ik ze heb ingehaald, kijk ik even om. Nee, geen Jozef en Maria. Jammer.
Het doet me plezier een aantal oud-collega’s tegen te komen. ‘We moeten niet moe worden,’ zeggen Hendrik en ik tegen elkaar. ‘Over twintig jaar staan we hier weer.’ Dat spreken we af. ‘Hopelijk om te vieren dat we met elkaar tot betere inzichten zijn gekomen.’ Het is koud. Koud genoeg om naar een warme stal te verlangen. Koud genoeg om je te warmen aan ontmoetingen en aan de enthousiaste woorden van jonge mensen. Aan het gezelschap van Hendrik die me aanvankelijk niet eens herkende. Ik voel me naast hem een wat oudere, uitermate tevreden herder. Er is trouwens ook een kar die soep verstrekt, maar een tweede keer soep laat ik aan me voorbijgaan.

Er ligt nog een stukje banketstaaf op het aanrecht en een klein zakje pepernoten, zie ik als ik weer thuis kom. Die noten zijn voor vanavond bij de koffie. Ik zie ook dat Mente intussen de adventsster heeft gevonden. Als ik die voor het raam gehangen heb, fluit ik op mijn vingers. Niet om het paard Ozosnel terug te roepen, maar om de drie koningen uit dat zo ver weg gelegen oosten duidelijk te maken dat ze op hun kamelen kunnen stappen om deze kant uit te komen.

05 december 2020

Weg

‘O, er ligt hier trouwens iets voor je.’ Mijn dochter kwam de kamer binnen en gaf me een amaryllisbol, ingepakt weliswaar maar dat in het kristalheldere cellofaan dat iedere bloemist wel op de rol heeft.
Er zat een briefje aan en daarop stond een gedichtje waarvan vooral de ondertekening interessant was. ‘Sint’ stond er onder dat gedicht.
Dus dat was niet zomaar een toevallige, voor mij bestemde bloembol, dit moest de ouverture zijn voor een heuse sinterklaassymfonie. Alleen, waarom maar één bol? Waren er dan niet nog meer pakjes?
We liepen de tuin in. De bol had op de tuintafel gelegen, vertelde mijn dochter.
Waren er dan geen cadeautjes?
We liepen naar de poort. Lucas in zijn pietenpak liep voorop. We vonden niets, niet in de tuin en ook niet in de poort. In de schuur kon niet, al wist Lukas wel te vertellen dat daarin vorig jaar de pakjes lagen. Maar de schuur zat op slot.
Nee, toch niet, hij zat niet op slot. Toen we onverrichterzake van het poortje de tuin maar weer instapten, stond de schuurdeur op een kier.
‘Ik heb ze gevonden,’ riep Lukas. ‘Kom ‘s kijken, allemaal pakjes. Zakken met cadeautjes.
Ik maakte een foto van Lukas met zijn verhitte, intense en stralende kop.
Even later bleek dat hij nog net een glimp van de sint had gezien en ook van een paar pieten. Dat zijn zijn collega’s in spé, want zoveel weet hij wel: als hij groot is, wordt hij eerst brandweerman en daarna piet, een combinatie die mij wel handig lijkt.
Na de pakjesparade - waarbij ik inderdaad het door mij verlangde vultpotlood kreeg, waarvoor dank, en ook nog bedankt voor de amaryllisbol, Sint - nam ik de foto’s nog eens door die ik die avond had gemaakt. Die van de in zijn bol van aangename verbijstering opgenomen Lukas aan het begin is er een om te bewaren, zoals ik ook een foto heb uit 1986. Daarop zie je een gespannen Jaap van ruim drie jaar over de daken uitkijken, omdat zijn broertje de sint daaroverheen had zien rijden, op zijn paard.
Het heeft er alle schijn van dat jongetjes die zoiets verzinnen er zelf in geloven, de magie van de fictie, wat heel iets anders is dan fake news. Bij zulk nieuws gaat het niet om magie maar om duivelse bezwering. Voor het een kun je terecht bij de betere boekhandel, voor het ander kun je beter contact opnemen met een psychotherapeut. Als het al geen geval van hersenkrimp is. Bij kinderen hoeven we daar nog niet mee bezig te zijn. Daar zit nog zoveel gezonde groei in.
Dat kinderen helemaal opgaan in de wereld van de sint verbaast me niet, wel dat ze zo spontaan met hun eigen aanvullingen en ‘waarnemingen’ daarop komen. Ik zie Jaap nog, zoals hij door het dikke glas dat als hek diende voor het dakterras met zijn ogen vergeefs probeert om de sint die zijn broer voor hem oplepelde, te recreëren. Hij was teleurgesteld.
Om mee te bewegen met Lukas z’n leugenachtige waarneming van een sint en wat pieten die hij had gezien, ben ik nog even de poort in gelopen. Waarom hoopte ik tegen beter weten in toch een fleurig broekje van een piet om de hoek van de poort te zien verdwijnen? Er was niets. Ik maakte er zelfs een foto van, van die lege poort, want je weet maar nooit. Ik heb hem later nog aan Lukas laten zien.
Ik had pech gehad, volgens Lukas, want toen ik die foto nam waren ze al lang weg.
Ik begrijp dat ik alert moet blijven.

04 december 2020

Kleine mislukte god

Een paar jaar later nam ik deel aan dat wat voor mijn kleine broertje nog een groot geheim moest blijven. Ik mocht de pakjes voor de voordeur zetten. Daarna moest ik daar hard op bonzen en vervolgens wegrennen. De poort door. Om het echt te laten lijken, zou ik mijn zelfgemaakte roe van rode takken meenemen en ook zou ik een papieren mutsje opzetten dat een echte piet niet zou misstaan. Ik had ze al klaargelegd op de vuilnisbak, want dat was de bedoeling. Ik zou toevallig even in de tuin zijn. Omdat er iets met de kat was of zo. Ik wist wel dat niemand iets te zien zou krijgen van de twee attributen op de vuilnisbak, want ik moest mijn taak ongezien uitvoeren, maar als je voor piet speelt, moet het wel een beetje lijken.
Samen met mijn vader zette ik de twee zakken voor de voordeur. Nu moest ik vlug omlopen, de poort door. Dus eerst de lange tuin, dan links achter de huizen langs van ons blok, weer links naar de weg en ten slotte links en dan voor de huizen langs.
Maar ik was slim en lenig, dus in plaats van door de poort een hele U te lopen, klom ik snel over het muurtje aan de ander kant. Hup, hup, springen en hup via het brede pad van de buren, naar de voordeur. Het ging voortreffelijk. Op de terugweg zou ik hetzelfde doen. Het zou zo snel gaan: als ik een beetje geluk had, zat ik alweer in de kamer terwijl de anderen nog bij de voordeur naar die twee zakken stonden de kijken. Mijn grote broer zou zich ongetwijfeld hardop afvragen of hij niet nog ergens een piet zag.

Ik schoot ons voortuintje in, bonkte hard op het gebobbelde glas van het tweede ruitje van boven. Mijn vuist ging er dwars doorheen. Voorzichtig trok ik hem terug. Bloed aan alle kanten. De deur ging open. Ik zei nog manhaftig dat ik een piet had gezien, maar vooral herinner ik me de grijnzende kop van mijn grote broer. In de keuken ontfermden mijn moeder en een zus zich over de bloedende vuist. Zaten er geen splinters meer in? Mijn vader was op zijn knieën bezig om de scherven op te vegen. Allemaal omdat ik… Pa had ook al een stuk karton achter het gat geplakt toen ik met een verbonden hand de kamer in mocht, waar mijn broertje gebiologeerd naar de twee zakken zat te kijken. Alle consternatie was hem op deze bijzondere avond ontgaan.

Ik voelde me die avond een kleine mislukte god, met die overbodige roe, dat rare petje en vooral dat verband om de hand waarmee ik zo gretig de voor mij bedoelde pakjes had willen uitpakken.

De volgende dag al kwam er een nieuw ruitje. Weer bobbeltjesglas, maar van een iets andere structuur. De dag daarna zag het nieuwe ruitje er nog steeds iets anders uit. En dat is jaren zo gebleven. Een treiterig ruitje was het, dat tweede ruitje van boven.

Op Streetview zie ik dat het huis een andere voordeur heeft. Bij de buren niet. Dat was ook niet nodig. Die deur heeft nog keurig vier ruitjes van hetzelfde bobbelglas.

03 december 2020

Of hij bestaat

Sinterklaas blijft me bezighouden en dat terwijl mij al vrij vroeg duidelijk verteld is dat hij niet bestond. Was ik zes of zeven, zit ik me af te vragen. Wel weet ik waar het gebeurde. Dat was in de Choorstraat in Monster. Nu woonde ik zelf in die straat, maar dat was in het gedeelte buiten het dorp, terwijl je dit verhaal moet situeren ter hoogte van de woninginrichting van Piet Kuijvenhoven, een oudoom. Het was ochtend en we waren op weg naar school, mijn broer en ik, en toen vertelde hij het me. Niet eens zozeer als een geheim dat hij met me wilde deelde of een voorzichtige poging mij in de andere wereld te doen geraken. Hij zei vol bravoure dat al dat gedoe rond de sint maar flauwekul was. Hij was mijn grote broer, van tien of van elf, dus hij zou het wel weten. Ik hield me groot en zei dat ik dat allang wist.

Sinterklaas had afgedaan, maar toen het heerlijk avondje aanbrak en er op de voordeur werd gebonkt, en mijn moeder me stimuleerde om met haar mee te gaan om te kijken wat er aan de hand was, liep ik wel mee de kamer uit, maar verder durfde ik niet. Een confrontatie met Piet of Sint bleek toch teveel gevraagd. Ik dook de keuken in en verstopte me achter een muurtje om vandaar heel voorzichtig af en toe om een hoekje te kijken wat er aan de andere kant van de gang gebeurde. Dat lukte slecht, want daar stond de rest van het gezin samengedrongen in de opening van de voordeur en er zat een knik in de gang.
Ik herinner me nog de koelte van de gele tegeltjes in de keuken. Daar had ik mijn wang tegenaan gedrukt. De tegeltjes boden me troost omdat ik me ervoor schaamde dat ik toch niet had gedurfd. Omdat mijn oplaaiende angst me verbijsterde, de angst voor iemand die niet bestond en dat dat was omdat hij wél bestond.
De voordeur ging weer dicht en mijn ouders, zussen en broer sleepten goed gevulde kussenslopen mee. Ze keken me allemaal lachend aan. Ze lachten me toe, ze lachten me uit, het was alletwee waar, zoals het ook waar was dat Sinterklaas niet bestond, ook al bestond hij wel.

Blijf ik zitten met de vraag wanneer dat nou geweest is. Dat ik zeven was, lijkt me nogal onwaarschijnlijk, want ik was nogal jong van Sint los, dat weet ik wel. Dus zes? Misschien was ik zelfs nog maar vijf. Want waarom zou ik door de Choorstraat langs oom Piet lopen als ik naar de lagere school liep? Dat deden we nooit. Dan sloegen we altijd veel eerder al rechtsaf de Kampschoërstraat in. Maar voor de kleuterschool achter De Wilde liepen we verder door de Choorstraat. Bij mijn schooltje liep mijn broer dan door naar zijn eigen school. Dat was iets om, maar niet veel.

Wat ik zeg: Sinterklaas blijft me bezighouden.

02 december 2020

Scheet

Pieten hebben de meeste lol als je er eentje aan zijn uitgestoken vinger trekt. Dan duiken ze met hun mond in hun elleboog en doen het geluid van een scheet na. Dat is lachen.
De eerste keer dat ik dat zag op het Sinterklaasjournaal, was ik verbijsterd over zoveel stompzinnige viezigheid.
Het is een oude grap, dat met die vinger. Mijn vader had er veel plezier in. Maar als je bij hem aan zijn vinger trok, waren de gevolgen ernstiger. Hij liet een echte scheet.
Dat vond ik verschrikkelijk en dat vond mijn moeder ook. Anderen konden er de lol blijkbaar wel van inzien. Er was in elk geval altijd iemand te vinden die op diens verzoek aan de uitgestoken wijsvinger van mijn vader trok. En dan kwamen altijd luidruchtig telkens weer bedenkelijke gassen vrij.
‘Acht gat,’ riep ik dan en liep de kamer uit.
‘Viezerik,’ zei mijn moeder.
Mijn vader kon er, vond hij, niets aan doen. Er trok nu eenmaal iemand aan zijn vinger. O, wat had ie dan weer een lol. Het gebeurde zo vaak dat ik er toch ook een zekere bewondering voor heb gekregen. Bij Pa zat de kracht van een grap in de herhaling. Daar heeft zijn nageslacht de nodige herinneringen aan over gehouden.
Regelmatig zei hij, alsof hem van ver een lang vergeten voorval te binnen schoot: ‘Wij hadden thuis een kabinet.’ Dan lagen we alweer krom over de tafel. Vorige week zei mijn broer het plotseling en weer lachten we. Later moest ik er wel over nadenken hoe het verhaal verder ging, want dat vervolg kwam er bijna nooit.

Die Pieten proesten dus in hun elleboog als iemand aan een vinger trekt en daarna lacht iedereen. Dat doe ik intussen ook. Het wordt pas leuk als kinderen het doen. Vorige week stak Markus me een vingertje toe.

‘Tekke, Opa.’
Dat proesten in een elleboog zat er bij hem nog niet in, dus dat deed zijn broertje maar. We lachten alle drie. Ik weet niet of dat broertje - ik heb het over Lukas - weet wat dat geproest moet voorstellen. Als dat wel zo is, dan zal hij er vast en zeker de grootste lol om hebben, want hij aardt naar zijn overgrootvader.

Voor mij ligt het vriendenboek van Lukas’ vriendje Miel, het is een Dinovriendenboek. Daarin lees ik dat Lukas later Piet en brandweerman worden wil. Bij zijn favoriete sport staat ‘scheten laten.’ De bladzij eindigt met de vraag ‘wat ik voor jou wens.’ Het antwoord dat Lukas zijn moeder heeft gedicteerd: ‘Veel samen scheten laten.’

Ik moet aan Komrij denken. Die laat een gedicht eindigen met deze woorden:
‘O, nergens heerste er ooit zo'n rust. Slechts
Af en toe klonk uit een urn een kreet.’


Denkend aan mijn dode vader maak ik er maar even dit van:
‘O, nergens heerste er ooit zo'n rust. Slechts
Af en toe klonk uit een graf een scheet.’


Van de mijn vader dierbare Maarten Luther zijn de woorden ‘Aus einem verzagten Arsch kommt kein fröhlicher Pfurz’. Daar maakte diezelfde Gerrit Komrij van: ‘Uit een treurige reet komt geen vrolijke scheet.’ Nou, Pa, zo kan die wel.

01 december 2020

Ik ben toch zeker sinterklaas niet

Om de uitstroom van leerlingen en de opstopping van wachtende ouders, grootouders en begeleiders van de BSO te spreiden hanteert de school van Lies en Klaas verschillende eindtijden. Die variëren van twee uur tot half drie. Lies mag om tien over twee naar buiten, maar ze is nooit de eerste van haar klas. Ik kijk omhoog naar het lokaal van juffrouw Gemmeke. Er brandt geen licht. Volgens mij is het leeg.
Het lokaal daar schuin onder en meer mijn kant op niet. Daar zit juffrouw Gemmeke wél.
Tien jaar geleden zat ze een paar jaar bij mij in de klas, samen met Moniek. Intussen staan ze al enkele jaren voor de klas op de basisschool van Lies en Klaas. Het zou leuk geweest zijn als die bij een van de twee jufffen in de klas hadden gezeten, maar zo is het niet.
Ik kijk de juffrouw recht aan. Volgens mij ziet ze mij ook, maar zeker weten doe ik het niet, want ze praat gewoon door tegen de klas. Als ik zwaai zwaait ze terug. Ze ziet me dus wel. Nog steeds praat ze door. Dat ging haar tien jaar geleden ook al goed af. Ik herinner me nog dat ze vertelde juf te willen worden. ‘Mooi zo,’ had ik gezegd, ‘dan is het onderwijs gered.’ Ik hoop dat ze er nog heel lang plezier in mag hebben.

De kinderen zitten met hun rug naar me toe, maar plotseling niet meer. Ze kijken allemaal mijn kant uit, springen vervolgens van hun stoeltjes en drukken hun gezichten tegen het raam. Ze zwaaien allemaal naar me.
Ik voel me een beetje als Sinterklaas, terwijl al die kinderen uitbundig zwaaien en de juf het raam opendoet. Ik zwaai terug, bescheiden, zoals dat past bij sinterklaas, ik knik ze ook toe, voorzichtig, want mijn mijter mag niet vallen.
‘We zijn bezig met gedichten,’ roept de juf, ‘dus u komt precies op tijd!’ Ik betrap me erop dat mijn mondhoeken naar mijn oren trekken.
Even later gaan de kinderen weer zitten. Ik kijk om me heen en zie hoe andere ouders naar me kijken. Alsof ik echt sinterklaas ben.

Dat geldt niet voor Liesje die over het schoolplein op me af rent. Dat is te zeggen…
Later in de middag vraagt zij me of ik haar kan helpen met een gedichtje voor een klasgenoot, voor Lot. De surprise is al klaar. Op school is met een vragenlijstje al wat voorwerk verricht en zo weet ik dat Lot dol is op het hondje van de buren, van sushi houdt, graag tekent. Lies zorgt voor aanvullende informatie.

Als we het gedicht af hebben, schrijf ik mijn naam eronder: Sint.
‘Doe maar ‘Liefs, Sint,’ zegt Lies.
Dat doe ik, Sint meent het immers goed.

29 november 2020

Niet verder vertellen

Om zowel onze middelste als de horeca te ondersteunen fietste ik vanmiddag naar een restaurant aan de zuidkant van de stad, dichtbij Station Vaartscherijn. In het geval van de middelste dient die ondersteuning zowel een maatschappelijk als een vaderlijk doel. Het blijven je kinderen, nietwaar.
Daar komt bij dat we minder langdurig en ook niet culinair creatief in de keuken hoefden te staan. Punt vier: het ophalen van het eten liet zich heel goed combineren met mijn behoefte om even te gaan fietsen.

Op de terugweg fietste ik over het Ledig Erf, waar ik gisteren nog als toeristische wandelaar had gelopen, en vorige week met de jongste de film van Freek de Jonge bezocht. Dat was in het Louis Hartloopercomplex, maar in de tijd dat ik er honderd meter vandaan woonde, was dat nog een politiebureau.

Op een koude februariavond in 1980, denk ik, kwamen Mente en ik uit het Academisch Ziekenhuis, toen net als onze woning te vinden aan de Catharijnesingel, twee- driehonderd meter lopen, dan had je het wel gehad. We hadden een collega bezocht. Aan de overkant hoorden we geroep. Daarom staken we de weg over. Het was niet goed te zien wat er aan de hand was. Ik liep het talud af naar het water, was al bezig mijn jas uit te trekken. Mente was intussen weggerend, ons huis voorbij, naar het politiebureau.
Het leek me wel stervenskoud, dat water. Er lag een dun laagje ijs op. Het geroep klonk akelig en serieus. Er was hulp nodig! Ik tuurde en tuurde en kreeg steeds meer de indruk dat er niet iemand in het water lag. Dat vond ik een hele geruststelling, eigenlijk meer voor mezelf dan voor het slachtoffer. Ik had mijn jas al weer aan en rende alsnog achter Mente aan. Het geroep moest uit het park aan de overkant van het water komen. En daar kwam je toen alleen via het Ledig Erf.
Even voorbij het politiebureau zag ik twee agenten voor me uit rennen, Mente rende tussen ze in. Twee tellen later haalde een derde me in.

Op het pad door het park troffen we elkaar, bij de kermende man die daar lag. Toen de agenten hem voorzichtig overeind trokken, zagen we zijn bebloede kop. De man was ladderzat en dat was hij niet voor het eerst: één agent herkende hem als een bewoner van een van de Zeven Steegjes. Ze zouden hem naar huis brengen. Dat kon niet vond de man, want zijn vrouw was jarig. Ook moesten we haar niet vertellen dat hij gevallen was en al helemaal niet dat hij had gedronken. Naar het bureau om daar opgeknapt te worden en bij te komen, wilde hij ook niet.
Uiteindelijk sjouwden twee agenten hem mee naar huis. Ze hadden hem beloofd zijn vrouw niet te vertellen dat hij een borreltje had gedronken en dat hij was gevallen. Dat zou waarschijnlijk ook niet nodig zijn. Mente en ik keerden huiswaarts. Bij het politiebureau nam de derde agent afscheid van ons. Hij ging naar binnen, door dezelfde deur als ik vorige week, voor de film van Freek de Jonge, samen met de jongste. Die wilde voor de film begon nog wel een glas wijn. Dat hadden ze niet. Ze schenken in deze tijd geen alcohol. Ik wilde koffie, net als die maandagavond in februari 1980. Dat was er wel.

Zojuist fietste ik daar dus weer langs en moest ik weer even denken aan die man die niet in het water lag.

27 november 2020

Dochter en vader

Ik citeer: ‘[…] met instemming van de dame op de foto stuur ik je niet zonder trots de foto van Janna samen met de oude vertrouwde wijsgeer in het Rotterdamse. […] Binnen vijf jaar student af, waarbij ze dan ook nog een tussenjaar heeft genomen, waarin ze ontzettend heeft genoten en veel opstak.’
Om geen reclame te maken, sla ik een stukje over. Daardoor wordt het vervolg van het citaat een tikkeltje duister, maar de essentie is duidelijk: ‘Dus de komende twee jaar werkend en dik betaald ervaring opdoen.’

Aan het woord is de heer Sander Molenkamp, vader van Janna. Meneer Molenkamp stuurde mij gisteren een mailtje met daarbij ook een foto van zijn dochter. Zij staat naast Erasmus en in haar hand heeft ze haar bul.

Janna is de laatste leerling die ik toesprak als onderwijsman. Dat was bij haar diploma-uitreiking vijf jaar geleden. Ik was haar mentor. Als docent is het mooi pronken met je goede leerlingen. Niet terecht, natuurlijk want voor hen is een leraar volstrekt overbodig. Daar zijn het goede leerlingen voor. Kijk, als ze zich verslingeren aan iets waar ze zonder jou niet gebeurd zou zijn, is het iets anders. Zo is het niet. Janna heeft een bul in haar handen, niet haar eerste dichtbundel.

Dat neemt niet weg dat we erg gelukkig met elkaar zijn geweest, Janna en ik, in dat jaar dat voor ons beiden het laatste jaar op de middelbare school zou zijn. Dat heeft weer alles, of in ieder geval heel veel, met haar vader Sander te maken. Bij hem sloeg de herinnering toe toen hij hoorde dat zijn dochter bij mij in de klas kwam, dat was in de vierde. Daarvoor moeten we naar 2012. Hijzelf was in 1973 bij me in de klas gekomen. Dat was mijn eerste jaar. H31 was een heerlijke klas, waarvan het me moeilijk viel om ze niet als leeftijdgenoten te zien, want zo kon ik mezelf met mijn 21 jaar toch wel zien.

Havo 31, maar ook leerlingen uit die jaarlaag, bleken een hecht stel; ze zijn elkaar om de vijf jaar blijven ontmoeten. Op die manier hielden ze de herinnering aan hun vroegere docenten levend, ook aan die jonge vent met die goudblonde haren tot op zijn schouders.
Ik bleef voor altijd jong en veelbelovend.

Janna en ik konden het dus goed vinden met elkaar. Zij was een dochter van die jongen uit die leuke klas van ooit en ik de held uit het jeugdsentimentele repertoire van haar vader.

Sander heb ik weliswaar ook ontmoet als de vader van Janna, maar telkens als ik aan hem terugdenk, is hij weer die vrolijk kijkende jongen met zijn corduroyjackie. Het zou me niet verbazen als ik in zijn ogen de man met de leeuwenmanen ben gebleven. Ik hoop het stilletjes.

Het kan niet anders of Janna heeft dit allemaal door. Zij is een slimme meid. En zij geniet ervan hoe die steeds ouder wordende kerels in hun dromen dezelfde jongetjes blijven die ze ooit waren, ik bedoel: die ze ooit denken te zijn geweest.

Gefeliciteerd, Janna! Groeten aan je vader.

26 november 2020

Stoute kinderen

Tijdens het Sinterklaasjournaal van woensdagavond bood sint publiekelijk zijn excuses aan voor de vroegere hardvochtigheid. Ooit zag hij er niet tegenop om stoute kinderen in de zak mee te nemen naar Spanje. Dat zou hij nooit meer doen. Als statement ensceneerde hij de terugkeer van het laatste stoute jongetje, dat luistert naar de naam Bernard het Stoute Kind, ongetwijfeld genoemd naar een bekende bewoner van wat nu het Pietenhuis is.
In mijn kinderjaren kon je volgens de verhalen als stout kind naast transport naar Spanje nog rekenen op een flinke tuchtiging met de roe, verblijf in een ellendig Spaans cachot waar je brood met spinnen en grijze muizen eten moest. Ten slotte ging je in de pepernotenmolen, wat erop neer kwam dat jouw resten het jaar daarop door andere kindertjes verorberd werden.
Dus als sint al eerder kindertjes weer naar huis heeft laten gaan, was dat als pepernoot.

Met dit optreden plaatst Sint zich in de rij van mensen die zich uitgebreid meenden te moeten verontschuldigen het afgelopen jaar. De koning, de spoorwegen, de overheid, deze week alweer. Vanwege Indonesië, de slavernij, de Jodenvervolging, het gerommel bij de belastingdienst. Ook de PKN begon zonder goed te kijken naar haar eigen achterban op de trom te slaan.
Nu dus ook de sint. We moeten er mee oppassen: straks zijn verontschuldigingen niks meer waard. Om van gezeur af te zijn zei ik op mijn werk ook wel eens sorry.
‘Inderdaad, dat was stom, had ik niet moeten doen. Sorry.’ Dan even zuchten en daarna: ‘Het volgende punt op de agenda zijn de overgangsnormen […]’
Ziezo, klaar.

Bij sint vroeg ik me af of hij ook met excuses zou komen over het houden van gekleurde bedienden. Die kwestie lijkt belangrijker. Dat deed hij niet en ik hoop ook dat het er nooit van komt. In de bubbel die Sinterklaas heet, mag van alles gebeuren, maar het moet niet de plaats zijn waar we afrekenen met wat in de bubbel van de Nederlandse samenleving moet worden opgelost.
Wel vroeg ik me nog even af waarom Sinterklaas dat nou deed, die excuses aanbieden vanwege die stoute kinderen. Knorren, zakje peper met wat zout, de gard, in de zak naar Spanje en de pepernotenmolen zijn toch al lang verleden tijd? Of niet?

Bij verontschuldigingen zijn twee, vaak drie partijen betrokken. Om met dat laatste te beginnen: regelmatig biedt iemand ook namens anderen excuses aan, de premier namens Nederland, maar Willem Alexander noemde op 4 mei ook zijn overgrootmoeder. Dat was niet namens Nederland, maar veel Nederlanders schaarden zich achter zijn uitspraak. Dat was goed. De PKN-baas deed iets dergelijks namens de PKN en schoffeerde daarmee talloze mensen die zich met de kerk verbonden wisten en die hun leven gaven of bereid waren dat te doen om andere mensen te redden, ik denk vooral aan joodse mensen. Dat vond ik minder goed.

Excuses zijn er vooral vanwege de doelgroep. In het geval van de sint moeten zijn excuses bedoeld zijn voor de groep die getergd door het leven gaat door het idee dat sint in staat zou zijn - of zou zijn geweest - tot deportatie van minderjarigen. Wie zouden er dan echt gevoelig zijn voor dergelijke excuses? Niet de nabestaanden van gedeporteerde kinderen, want het is nooit gebeurd. Sint heeft nooit kinderen afgevoerd, domweg omdat hij niet bestaat.
Nee, wat sint hier doet, is een boreale complottheorie waarmee een deel van de Nederlandse ouders en andere volwassenen als een virus kinderen menen te moeten besmetten, onschadelijk te maken. Niet door het te ontkennen, want dan zou hij de ouders en grootouders van kinderen in deskreditet brengen. Daarom neemt hij alle schuld op zich en belooft hij dat hij het nóóóóit meer zal doen. Waaruit niet alleen blijkt dat hij de taal der kinderen spreekt, maar ook dat hij in zijn zelfopoffering een christelijke heilige is.
Wel een beetje een schijn-heilige, want lijden is er in zijn geval niet bij.

22 november 2020

Leren fietsen

Doorgaans ben je het gelukkigst als je niet aan jezelf denkt. Dat vind ik en ik heb het leerlingen graag voorgehouden.

Toen ik de oudste leerde fietsen - op de stoep langs de Catharijnesingel, door de Vaartsebuurt en langs de Westerkade weer terug - was dat een behoorlijk vermoeiende aangelegenheid. Niet voor het jochie op zijn fiets, maar voor zijn vader. Maar na een paar rondjes had hij het onder de knie. Die rondjes waren wel over een paar weken verdeeld.
Nummer twee leerde fietsen toen we bezig waren met de verhuizing. Ik maakte me klaar voor een partijtje rennen in een zeer ongelukkige houding, maar we waren de poort nog niet uit of mijn hand vertelde me dat ik de fiets niet meer hoefde vasthouden.
Zo voorspoedig ging het niet met de jongste. Die was nogal onzeker. Ze hield zich meer bezig met de angst dat ik zou loslaten en dat zei ze ook steeds: ‘Niet loslaten, pappa, niet loslaten.’ En ik hijgde dat ik haar niet los zou laten.
Ik heb wel een paar keer woord gehouden, maar het moment brak aan dat ik moest roepen dat ik haar niet los zou laten, omdat ze al enkele tientallen meters voor me uit was gefietst. Toen ze het door had, was de triomf groter dan de schrik of de deuk in het vertrouwen in haar vader.

Met het leren fietsen van de kleinkinderen heb ik minder bemoeienis. En ik begrijp nu ook waarom.
Vandaag kwam Lukas aangefietst. Met een helmpje natuurlijk. En onder dat helmpje een glimmende kop, want dat had hij toch maar mooi gefikst. Aan zijn moeder kon ik zien dat ze nog geen moment had kunnen loslaten. Ik had met haar te doen: twee kilometer gebukt rennen met een jongetje dat zwaar de verkeerde kant op leunt. En nu moest ze ook nog terug.
‘Weet je wat, ik loop straks met je mee terug. Dan houd ik hem ook wel een paar keer vast.’ Lukas vond dat wel een goed idee, al was het maar omdat zijn moeder hem had verteld dat opa Len haar en haar broers had leren fietsen.

Al na honderd meter liep ik te hijgen als een paard. En dan vond Lukas het ook nog eens leuk om zijn handrem te gebruiken. Als je snel loopt, heb je minder problemen met het evenwicht, maar dan loop je wel erg ongelukkig te rennen; ga je langzamer… Ach, ik hoef je niks te vertellen.
Iets in mij vertelde me dat het leuk was: een kind dat leerde fietsen, straks zou hij als op vleugels zijn weg vinden door de wereld en wat is er nou mooier dan dat te doen op een fiets. En dat ik daar ook nog de hand in mocht hebben. Ik, de man die al meer kinderen had leren fietsen.
Maar ik was meer bezig met mijn adem, de pijn in mijn handen, meer met mezelf, en zo geraakte ik steeds verder af van wat op geluk zou kunnen lijken.
Ook al omdat mijn prestige achteruitvloog. Ik wist het, ik voelde het. Liep hier nu de vader die zijn kinderen, ook de jongste, had leren fietsen? Was dit nu de opa over wie mamma verteld had dat hij de kinderen leerde fietsen?

Een tot droefenis stemmend scharnierpunt in mijn bestaan was het, het moment waarvan straks gezegd zou worden: toen begon het. Hij was na honderd meter al buiten adem.

Thuis likte ik mijn ego en pakte ik een droog hemd.

21 november 2020

Sinterklaasloosheid

De fietstocht door het veengebied voltrok zich in een grauwe, een lege wereld die me deed verlangen naar ergens een glimp van Sinterklaas. Bij het fietstunneltje even boven Oud-Zuilen stond wel een paard te wachten, Ozosnel was het niet en ook zat niet de sint op zijn rug; het was een vrouw, in grijs en bruin. Een vrouw te paard laat mij doorgaans niet onberoerd, maar het is anders wanneer je droomt van de man in het rood. Dit paard was trouwens bruin.
Waarschijnlijk liet de vrouw haar paard wachten om paniek te voorkomen, want toen ik het paard voorbijreed en de tunnel in schoot, kwamen me twee mensen tegemoet met een middelgrote hond. Niet eentje die de indruk wekte op het zaaien van paniek, maar je kunt in dit opzicht blijkbaar niet voorzichtig genoeg zijn.

Voorbij het tunneltje was ik dit voorval (er viel niets voor) al weer kwijt, maar nu ik de dag doorneem, blijf ik hangen aan de grijsheid ervan en de sinterklaasloosheid dus. Dat bracht me er ook toe om na de venen door te rijden naar de bloemenmarkt op het Janskerkhof, in het hartje van de stad. Nergens zag ik in de oude straten een vreugde die rook naar pepernoten. Ik kocht van de weeromstuit een flinke bos saaie, namelijk bruine bloemen. Om de onontkoombaarheid van een leegte zonder kleurrijke sint te benadrukken. Waarschijnlijk, want het ging onbewust.

Thuis was het gezelliger, met de door Mente ingerichte sinterklaasvitrine en het werd extra gezellig toen Koos en Annette kwamen eten. Ook in een blauwe trui lijkt Koos op Sinterklaas en Annette had een pakje voor ons, in de vorm van bloemen die wél vrolijk waren.
Koos vertelde hoe zijn moeder pepernoten in de zak van haar schort had en die van achter de gang deur de kamer in gooide. Het was een schort met twee voorzakken. In de andere zak bewaarde ze haar kleingeld en daar dacht ze even niet aan.
Plotseling regende het in de kamer dubbeltjes, stuivers en kwartjes. Wat een feest was dat daar in Loosduinen. Even later kwam ook de pepernoten.
Maar moeder M wist haar vergissing snel op te lossen. Ze stapte de kamer in.
‘Wat is hier toch aan de hand? Is Sinterklaas langs geweest? En o, wat fijn dat Sinterklaas ook een keertje aan mij gedacht heeft en me wat geld stuurt. Dat hebben we hard nodig. Maar de pepernoten zijn voor jullie, hoor.’

Ik stelde het me voor, de moeder van Koos in de gang, met haar schort voor. Misschien had ze wel een mijter op, al denk ik van niet. Misschien stond er zelfs een paard in de gang, ja, ja, een paard in de gang.

Toen Koos en Annette vertrokken wuifden we ze na. Ik zong zachtjes ‘Dahag, dahag’ en ging toen neuriënd verder.

20 november 2020

Spekkoper

Mijn oudste nicht vertelde me ooit dat ze zulke goede herinneringen had aan haar opa en opoe in Monster. Ze was vaak bij ze; logeerde er ook. Het waren zulke lieve mensen, zei ze, en ze wist nog goed hoe ze met opa wandelingetjes maakte door de omgeving. Telkens kwamen ze dan iemand tegen en dan maakte opa een praatje.
Bij die bezoekjes en logeerpartijtjes hoorde een gevoel dat Fieke haar lange leven - ze is nu 88 - al kan oproepen, alleen al door de herinnering eraan op te halen. Dat deed ze ook in het boek dat mijn verre nicht onlangs over haar grootouders en overgrootouders schreef; daarin komt tante Fieke aan het woord.
Duidelijk is dat herinneringen aan die Monsterse opa en oma een belangrijke en dierbare plek innemen bij Fieke. Wel vraag ik me af wat er van de herinnering in concreto overblijft. Er is een klein meisje dat aan de hand loopt van haar opa. Veel meer zal het waarschijnlijk niet worden. De opa van Fieke overleed toen zij vijf jaar was. En dat is het.

Je begrijpt dat dit projectie is. Van de wandeling die ik gisteren maakte met een kleinkind van twee, weet die later helemaal niets meer. Ook haalde ik er eentje met de fiets van school. Die wordt dit jaar nog vijf. Dat op de fiets zitten is wel een dingetje voor kleinkinderen. Dat bevalt ze, maar dan wel graag voorop.
Stel je nou eens voor dat ik niet uitkijk bij het oversteken en dat een van de kleinkinderen over honderd jaar terugblikt op haar of zijn opa. Dan zou het zomaar kunnen zijn dat ze niet verder komen dan een man op een fiets die hobbeldebobbel zei, als hij over een hobbel of bobbel reed. En dat was leuk. Misschien kijken ze er wel dromerig bij, die ouwe kleinkinderen van me.
Van alle andere wapenfeiten uit mijn bestaan weet niemand meer iets, ik mag alleen nog even voortleven als een fietsende hobbeldebobbel.

Mijn oma overleed in 1941 en toen was Fieke negen jaar. Ze was - hoe dat precies zit, is me niet volkomen duidelijk - tijdelijk ondergebracht in een gezin schuin tegenover haar opoe en de kinderen die daar nog in huis woonden. Oma leed aan ms, had al jaren in een rolstoel gezeten en moest nu in bed verpleegd worden, door de drie jongste, nog niet getrouwde kinderen.
Fieke speelde op de stoep, aan de overkant, hooguit honderd meter verderop, toen de voordeur bij haar opoe openging. Even later zag ze hoe door dragers een kist naar buiten werd gedragen en daarachter liepen haar ooms en tantes. Toen zag ze opeens ook haar ouders. Ze heeft niets gezegd; ze hebben haar niet gezien.

Ik heb hier allemaal vragen bij, maar die hebben weinig zin: dit is het beeld van een grootmoeder dat nu al tachtig jaar meegaat: ze wordt in een kist naar buiten gedragen en de hele familie komt er achteraan. De rest is weggevallen. Misschien speelde ze met iemand, misschien haalde de tijdelijke pleegmoeder haar meteen binnen. Was er een koets? Heeft ze het wel zo gezien?

Stel het je toch eens voor.
‘Wat herinner je je nog van je grootmoeder?’
‘Nou, ik was aan het spelen en toen droegen ze haar het huis uit.’

Dan komt die wandelende opa er nog heel goed af, ook al heeft ze die minder lang gekend. En ik, straks? Als een enkel kleinkind zich mij over tachtig negentig jaar nog herinnert als de fietser die bij iedere kuil hobbeldebobbel roept, ben ik spekkoper.

19 november 2020

Krak

Uit Nieuw-Zeeland namen we vorig jaar vijf kiwi’s mee. Dikke platte schijven hout die allemaal in een iets andere vorm gezaagd zijn en een vrolijk kleurtje hebben. De bedoeling is dat je ze op elkaar stapelt en dat ze dan niet omvallen. Ik vermeld dit omdat het sinds onze terugkeer een vrijwel dagelijkse bezigheid is om ze weer op te stapelen. Het ligt niet voor de hand dat je dat steeds op dezelfde manier doet en daar leg ik me zelfs op toe. Ondanks mijn trillende handen lukt het me steeds weer om met een nieuwe variant te komen en denk maar niet dat ik het me daarbij gemakkelijk maak.
Zojuist deed ik dat voor de derde keer vandaag: kleinkinderen kunnen er niet van af blijven, maar het lukt ze ook niet om een torentje van de kiwi’s te maken dat niet omvalt. Ik kan je vertellen, dat ik nu op het bovenste poppetje zelfs een knikker heb gelegd.
Het bouwsel gaat vandaag nog plat. Het staat namelijk op een laag kastje waarvan de regelmatig gebruikte laden een beetje klemmen. Dat is dus vragen om ongelukken. Maar we kunnen ermee leven.
Een teleurstelling is dat de kiwi’s van nogal goedkoop hout zijn gemaakt en daarom brak er vandaag een snavel. Niet voor het eerst. Die snavel heb ik gelijmd.
Er breekt wel meer de laatste tijd en altijd zijn kinderhanden daarvan de schuld. Bij de kiwi’s, maar afgelopen maandag verloor een plastic paard van Sinterklaas zijn staart. Die heb ik weer gelijmd. Pogingen om de voeten van plastic poppetjes die lid zijn van de familie Pluis weer definitief aan de lijfjes te krijgen zijn mislukt, maar de houten schoolbus houdt het tot nog toe vol.

Markus ontdekte dat je daar op kan gaan zitten. Zo kon hij door de kamer rijden.
Opeens brak de bus in tweeën. Hij bleef even beduusd op de grond zitten, ook wij hadden dit niet zien aankomen. Hij stond op, keek niet eens meer naar de bus, maar wees wel achteloos naar in twee delen uiteengevallen stukken achter hem en zei ‘Oma maken’ en daarna ‘Opa maken.’
Dat viel nog niet mee; zelfs mijn lange lijmklemmen schoten tekort. Alleen een ingewikkelde constructie waarbij lijmtangen, workmate, stukje hout en wat touw gecombineerd werden, leek iets uit te halen. Nu rijdt de bus weer, al heb ik er niet veel vertrouwen in. Het gaat niet om echt hout maar om mdf. En het is weliswaar geen raadsel waarom de uitstekende motorkap en de rest van de bus geen eenheid vormen - dit is een goedkope oplossing -, maar het is toch raar dat er niet tenminste één grondplaat is gebruikt. Nu ben ik zelf ook in gebreke gebleven. Ik had natuurlijk wat deuvels moeten aanbrengen voor ik de boel weer aan elkaar lijmde. Daarvoor was ik te lui.
Voorlopig ziet de bus er weer patent uit. En misschien blijft dat wel langer zo dan ik een paar dagen geleden dacht, want vandaag heeft Markus niet meer naar de bus omgekeken.

Voor de kiwi’s is hij nog te klein. Dat geldt niet voor zijn broertje, want dat is degene die vandaag naar de omgevallen toren wees en zei: ‘Doe jij dat maar, oop.’ Ja, zo noemt hij me, en Mente is oom. Toen zag ik dus ook dat er weer een snavel gebroken was. Wat ik zeg: slecht materiaal, net als die bus. Want je hoort me natuurlijk niet zeggen dat mijn eigen kleinkinderen alles stukmaken. Dat zijn schatten.

18 november 2020

Ruup

De telefoon gaat. Hoewel ik midden in een bos zit, kan ik maar beter even doorfietsen. Juist hier, op dit moment, zijn ze bezig om met kettingzagen een flinke boom om te krijgen. Waar het geluid verstomd is en een bankje staat, bel ik terug.
Het is de dochter van Ruup. Zij vertelt dat de geliefde van haar vader is overleden. Ruup is behoorlijk van streek; allerlei fysiek en mentaal ongemak speelt op.

Ooit was Ruup mijn oom, maar honderd jaar geleden verloor hij die functie toen mijn tante en hij uit elkaar gingen. Geleidelijk aan verdween Ruup uit beeld, vooral toen er een nieuwe liefde in zijn leven kwam. Dat begon in de zomer van 1985 en zou uitgroeien tot een gelukkig huwelijk.
Mijn moeder en de vrouw die wel mijn tante bleef, komen uit een gezin van vijf kinderen die allemaal trouwden. Zo kreeg je vijf vrouwen en vijf mannen. Van die mannen brachten we in juli ’85 de vierde naar het graf; geen heeft de 70 gehaald.

Ruup en ik liepen samen van de aula naar het graf toen mijn voormalige oom opmerkte dat hij er maar goed aan had gedaan om te scheiden. ‘Anders was ik de volgende geweest.’
Het is inderdaad anders gelopen. Zijn eerste vrouw is overleden en nu overleeft hij dus ook de vrouw met wie hij, zoals ik zijn dochter door de telefoon hoor zeggen ‘leefde als yin en yang.’
Een scheiding die onherroepelijk fantoompijn op zal leveren. Ik denk aan de bekende regels die je terugvindt in Sotto Voce, dat gedicht van Vasasis: ‘En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.’

Naast de computer thuis hangt de foto van een vrolijk gezelschap, die dateert uit de tijd dat Ruup nog mijn oom was. Hij kijkt me, zoals iedere dag, vrolijk lachend aan.
Ach, Ruup.

17 november 2020

Schrijfles

We zitten in de auto, Klaas en ik. Hij vertelt dat hij binnenkort weer met een gel-pen mag schrijven. Dat is nu al de vijfde keer dit schooljaar. Als je netjes geschreven hebt, krijg je een sticker. Vijf stickers betekent dat je een keer met een gel-pen mag schrijven in plaats van met potlood. Dat is hem nu dus al vier keer overkomen en omdat hij intussen na de laatste keer alweer vier stickers bij elkaar geschreven heeft, kan het niet anders of hij mag binnenkort weer aan de slag met een gel-pen. Die heb je met en zonder glittertjes. Mét mag er dan misschien wat spectaculairder uitzien, Klaas kiest liever voor de gewone gel-pen. Die schrijft lekkerder.
‘Lekkerder dan potlood?’ wil ik weten.
Potlood schrijft het prettigst, veel prettiger dan een gel-pen. Daar komt bij dat je een verschrijving van je potlood makkelijk ongedaan kunt maken door even te gummen. Daar staat tegenover dat een gel-pen wel een eer is. Klaas is wel gevoelig voor prestige. Hij kan me precies vertellen hoe vaak klasgenoten al met gel hebben geschreven. Hij is topscoorder, begrijp ik.

Schrijven met balpen mag nog helemaal niet. Je schrijft met potlood en alleen na vijf stickers mag je een keer met een gel-pen schrijven, niet met balpen. Dat wil zeggen: twee jongens die vorig jaar ook al in groep 4 zaten, maar die zijn blijven zitten, mogen wel met balpen schrijven. Dat is dus blijkbaar ook een kwestie van tijd.
Klaas moet toegeven dat Kevin, een van de twee zittenblijvers, beter en vaardiger schrijft dan hij, maar ja, die doet dat dan ook al een jaar langer.
Toch heeft de juf onlangs gezegd dat als Kevin zo doorgaat hij volgend jaar weer blijft zitten.
‘Dat vind ik niet zo’n goeie opmerking van de juf, Klaas,’ zeg ik.
Hij is het met me eens en weet me te vertellen dat ook de andere juf – je hebt tegenwoordig altijd tenminste twee leerkrachten voor een groep - ook niet erg te spreken was over de opmerking van juf Jeanette. Bovendien, zo vertelt hij, is Kevin in taal en in schrijven behoorlijk goed, alleen met zijn rekentoets ging het verkeerd, en niet voor het eerst.

Klaas kijkt er niet naar uit om straks met balpen te schrijven. Thuis doet hij dat natuurlijk wel eens, maar potlood vindt hij fijner. Dat doet me genoegen.
Ik denk terug aan mijn eigen verkeerde juf. Die heette juffrouw Bijkerk. Of ze in het onderwijs gebleven is, weet ik niet. Wel weet ik dat ze het op mijn lagere school niet veel langer dan een jaar heeft uitgehouden. Haar pinnigheid kwam ook voort uit haar onvermogen om orde te houden. Dat was wel een beetje sneu. Van juf Jeanette heb ik niet de indruk dat zij ordeproblemen heeft, ook geloof ik dat Kevin niet altijd even aardig is, wat ik me bij een zittenblijver wel een beetje kan voorstellen. Prestige.
Het lijkt me onmogelijk om na te gaan of juffrouw Bijkerk en juffrouw Jeanette misschien wel familie zijn. Oma en kleindochter misschien?
Vroeger hadden leerkrachten alleen maar achternamen, van voren heetten ze allemaal juf of meester. Tegenwoordig hebben juffen en meesters juist geen achternamen meer. Dat is wel een beetje jammer.

‘Weet je nog een cryptogram, opa?’ Klaas is duidelijk aan iets anders toe. Hij verdient ook wel een poep-en-piesopmerking, vind ik. ‘Hij is geen kromme poeper,’ zeg ik. Hij weet niet wat het is. ‘Een scheidsrechter. En wat is een zure plant met stekels en op wielen?’

‘Een Citroën Cactus.’
Nu is hij aan de beurt.

15 november 2020

Weer in het land

De man wilde net in zijn auto stappen toen hij mij in het vizier kreeg. Samen met Kees liep ik vanmorgen aan de overkant van de straat waar de man woonde. Hij aarzelde, zag ik, moest hij iets tegen me zeggen of niet? Ik knikte hem daarom bemoedigend toe.
‘Sinterklaas?’ zei hij ten slotte.
‘Zijn de pakjes goed terecht gekomen?’ vroeg ik hem op mijn beurt. Dat was zo.

Gisteravond liep ik dezelfde weg. Het was donker, maar op het stille kruispunt voor me zag ik, omstraald door het licht van de lantaarns, een oudere dame rondjes rijden op een driewielfiets. Was ze de weg kwijt? Nadat ze me had gezien, maakte ze nogmaals een rondje. Er was iets aan de hand, dat was wel duidelijk. Nu kwam ze naar me toe.

‘Dag meneer,’ zei ze, ‘mag ik u iets vragen?’ Ze keek me even aan en vervolgde: ‘Sinterklaas is vandaag in het land gekomen…’
Even vroeg ik me af welke weg ze kwijt was, een geografische of een mentale. Ze stapte van haar driewieler en diepte uit een fietstas drie cadeautjes op: twee chocoladeletters zonder pakpapier; in het pakje met papier zat ongetwijfeld een boek.
‘Dit zijn pakjes voor de mensen die op nummer 15 wonen.’ Ze wees naar een huis vijftig meter verderop.
‘Maar ze passen niet door de brievenbus. Wat erger is: als ik bij de voordeur ben aangekomen via hun tuinpad en eer ik mijn fiets heb gekeerd, hebben ze mij misschien al in de gaten. En als ik de pakjes voor de deur leg en mijn fiets al heb omgedraaid voor ik aanbel, dan nog kunnen ze mij zien wegfietsen. Maar ze mogen niet weten dat de pakjes van mij komen.
‘Ik zal ze afgeven.’

Dat vond ze heel fijn. Ik moest maar zeggen dat een oude heer mij die pakjes had gegeven met het verzoek ze op nummer 15 af te geven.
‘U bedoelt een oude dame,’ veronderstelde ik. Misschien was ze inderdaad een beetje de weg kwijt, maar meteen schaamde ik me voor die gedachte en ik corrigeerde mezelf: ‘O, u bedoelt een oude heer met een mooie witte baard.’
‘En een indrukwekkende rode hoed,’ vulde zij aan.
Ik nam de cadeautjes over en zij bedankte me voor mijn hulp.
‘Nee, ik bedank u. Ik kom straks thuis met een mooi verhaal.’

Toen ik even later de pakjes had afgegeven en bij nummer 15 het tuinpad weer afliep, voelde ik hoe mijn rug zich rechtte en hoe waardig ik mijn weg vervolgde. Wel merkte ik dat mijn rechterhand, alsof het om een automatisme ging, de steun zocht van een stok, een stut, een staf.

14 november 2020

Knoeiboel

Het was niet bij juffrouw Rumpt, maar je hoort me ook niet zeggen dat het bij juffrouw Bijkerk was, al vermoed ik van wel. Ik zat in de tweede of derde klas - groep vier of vijf zeggen we nu - toen het me eindelijk lukte. Op mijn rapport stond voor schrijven een 6- en als het meezat, werd dat wel eens een 6. Dat betekende ook dat ik nooit in aanmerking kwam voor het schrijven met rode inkt. Dat was wel het doel dat ik nastreefde. Als je een keer met rood mocht schrijven dan had je de keren daarvoor een uitzonderlijke prestatie verricht op het gebied van de schoonschrijverij. Daarvoor had ik niet de motoriek; wel de wil. Het was dan ook een staaltje van dws, door wilskracht sterk, dat het mij lukte een keer met rode inkt te schrijven. Het schuifje van het in de schoolbank ingebouwde inktpotje bleef dicht, daarin zat ordinaire blauwe inkt. Ik kreeg een klein flesje rode inkt voor me op tafel. Mijn kroontjespen had ik natuurlijk extra goed schoon gemaakt.
Bij de lus van de eerste de beste f spatte de inkt; ik vloog uit de bocht. Rode inkt leek veel dunner dan blauwe waaraan ik gewend was. Hoe ik daarna ook mijn best deed, het lukte me niet om niet te spatten. Had ik niet dagen achtereen met mijn tong tussen mijn tanden zitten ploeteren? Nu zag ik de beloning daarvoor volkomen uit de hand lopen.
De juffrouw, van wie ik zeker weet dat het niet juffrouw Rumpt was, maar van wie, hoe waarschijnlijk het ook is, ik ook niet met zekerheid kan zeggen dat het dus juffrouw Bijkerk was, reageerde boos. Wat maakte ik er een verschrikkelijke knoeiboel van. Begreep ik wel dat met rood schrijven een eer was? Nou, ik hoefde er niet op te rekenen dat ik nog eens met rood zou mogen schrijven.
Thuis wisten ze waarschijnlijk niet wat voor rommel ik maakte van mijn schrijfschrift, veronderstelde ze. Dan werd het de hoogste tijd dat ze dat nu wel te weten kwamen. Ik moest daarom mijn schrift mee naar huis nemen.
‘Laat je vader of moeder maar een handtekening zetten onder de rommel die jij van je schoolspullen maakt.’
Ik was al diep bedroefd, nu was ik geschokt. Ik had een bijzonder sterk ontwikkeld gevoel voor de grilligheid waarmee mensen zonde aan kon kleven. Daarvan was dit een bewijs. Ik had het goede gewild, maar het kwade gedaan. Zo ging dat met zonde, die kleefde je aan zonder dat je dat wilde.
Blijkbaar zouden mijn ouders erg boos worden, anders had de boze juffrouw van wie ik dus niet zeker meer weet of het juffrouw Bijkerk was, in haar toorn en daaraan gekoppelde ondoorgrondelijke wijsheid - want je was juf of je was het niet - besloten om die handtekening als de ultieme straf op te leggen.

Thuis durfde ik het schrift niet te laten zien. Ik zei niets. Tenminste niet tegen mijn vader of moeder, maar toen ik het te benauwd kreeg, en ik telkens weer in huilen uitbarstte, vertelde ik mijn grote zus wanhopig wat er aan de hand was.
Ik moest haar het schrift laten zien. Ik had het verstopt in een kastje op mijn kamer.
‘Wacht maar, ‘ zei ze. Ze kwam even later terug met een balpen, sloeg het schrift op en onder het mislukte rood zette ze een handtekening die zich niet liet onderscheiden van die van mijn vader.
Ineke nam mijn zonden op zich. Ik haar in dankbaarheid.

13 november 2020

Met dank aan Theo

Inktfles

Het afscheid van school ging onder andere gepaard met een fles inkt. Die kreeg ik van Theo. Heel lang was hij directeur geweest van een basisschool, maar na zijn zestigste wilde hij zijn werk in het onderwijs afronden als leraar Nederlands op een middelbare school. En zo is het gegaan. Van zijn vorige leven hield hij nog wel een fles over met daarin een liter inkt. Gimborn, vertelt het etiket. Daarop lees ik ook dat het gaat om uitwasbare inkt. Dat geeft wel te denken: inkt met een ingebouwde delete-knop. Die fles zat nog in zijn doos.

En die fles, in zijn nog niet geopende doos, kreeg ik. Dat vond hij wel een passend cadeau. Dat vond ik ook: het geschenk kwam dan ook meteen hoog in mijn persoonlijke lijst van Topcadeaus Aller Tijden. De doos staat op zolder, de fles staat als ornament in de huiskamer.
Maar niet alleen om gezien te worden. Ben je gek! Ik gebruik die inkt en dat doe ik in het volle besef dat die fles bepaalt hoeveel tijd van leven mij nog gegeven is, de inktfles als zandloper. Dat is niet niks. Welnu, maak je over mij maar geen zorgen, ik heb nog alle tijd. De fles is plat, een rechthoekig geval, maar de hals is rond, dat snap je zelf ook wel. Ik zit nu halverwege hals en romp van de fles, dus het echte werk, het grote slobberen moet nog beginnen. En dan te bedenken dat die fles nu al meer dan vijf jaar hier in huis staat.
Om de fles open te krijgen, moet je de dop de andere kant opdraaien dan je bij schroefdoppen gewend bent. Dat heeft uiteraard een diepere, symbolische betekenis, al weet ik even niet welke dat dan is.

Intussen heb ik al een heel avontuur beleefd met de fles. Mijn vulpen, ik bedoel nu de Aurora, dus niet de Lamy, heeft een slim navulbaar reservoir en dat zit op de plek waar je ook een inktpatroon in de pen kunt steken, het is dus, anders dan bij de Lamy, een los, in de pen vastgeklikt reservoir. Bij het vullen moet je aan een knopje draaien en dan zuigt de pen de inkt uit de fles. Dat is een keer niet goed gegaan. Heus, ik maak hier in Utrecht van alles mee! Toen schoot het reservoir los van de rest van de pen, of liever, het kostbaarste gedeelte van de pen verdween in de peilloze diepte van de nog vrijwel volle inktfles. Ja, ja, dat was me wat.

Gelukkig ben ik een handige jongen die niet voor één gat te vangen is, dus ik goot met een trechtertje de inkt over in een andere fles en zo kreeg ik het bijna verdronken deel van de pen weer te pakken. Je begrijpt dat ik daarna de handeling in omgekeerde richting herhaalde. Daarom staat er nu weer een bijna volle inktfles in de kamer. Alsof er niets gebeurd is. Maar wij weten wel beter.

Sinds die tijd staat er op mijn bureau een klein glazen inktpotje met een dekseltje dat de gewone kant opdraait. Het potje wordt gevuld vanuit de grote Gimbornfles en vanuit dat potje vul ik nu de pen. Je moet het maar bedenken.

Ik kan je het gebruik van vulpennen aanbevelen. Inktpatronen zijn helemaal niks: vulpen imiteert balpen. Nee, vullen doe je van uit een grote dan wel kleine plas, een mer à boire. Dat is geen probleem. Wel is het belangrijk dat je ergens in huis een klein trechtertje tot je beschikking hebt.

12 november 2020

De vulpennist

Mijn vader was juist een uitgesproken balpennist. Bij zijn 25-jarig jubileum als verzekeringsman, dat was op 15 november 1962, kreeg hij onder andere twee vulpennen. Pièce de résistance was het gouden horloge dat hij vanaf die dag in ’62 tot aan zijn dood dagelijks heeft gedragen. Een van mijn broers doet dat nu of hij heeft het in een la liggen.
Dat laatste overkwam de twee vulpennen al op 16 november 1962. Die kwamen in een lade van zijn bureau terecht. Ik keek er af en toe naar. Blijkbaar waren vulpennen zo chic dat je er maar beter niet mee kon schrijven. Zoals mijn moeder jarenlang prachtige tafellakens in de kast had die ze niet gebruikte omdat dat zonde was. Zoiets paste wel bij mijn moeders zuinigheid, maar dat was niks voor pa. Die had gewoon niks met vulpennen, alleen realiseerde ik me dat aanvankelijk niet. De ene pen was beige met een metalen dop en je kon er losse inktpatronen in doen, een moderne pen waar ik in stilte verlekkerd naar keek. De andere zag er veel traditioneler uit: zwart, met twee gouden sierringen om de dop, en een gouden clip. De pen moest in een inktpotje om inkt in het daarvoor bestemde reservoir te krijgen. Zowel het uiterlijk als de techniek ervan vond ik nogal ouderwets. Het was een mooie pen, dat wel. Bovendien stond er een L op, van Lamy, maar ook van Len en dat sprak me wel aan. Aan de zijkant was onopvallend het logo van de schenkende verzekeringsmaatschappij gedrukt, de gestileerde zwaluw van de Goudse. Een merkteken dat me nog steeds bekoort, ook al omdat de inspecteur van de Goudse, meneer Hoop, zo’n bijzonder aardige man was.

Toen ik twee jaar later naar de middelbare school ging, nam mijn vader me mee naar een kantoorboekhandel. We gingen voor kaftpapier, etiketten, schriften, een etui en nog het een en ander en tot slot haalde pa de beige pen tevoorschijn. Daar moesten inktpatronen in.
Heel lang heb ik niet met de vulpen gedaan. Een jaar misschien. Lang genoeg om vertrouwd te raken met het wisselen van de inktpatronen en om van kleur te veranderen. Toen was het afgelopen: hij lekte onstelpbaar.
Een paar jaar later keerde ik terug naar de vulpen. Ik had het gehad met balpennen.
De zwarte pen uit 1962 werd pas twintig jaar daarna, na de dood ook van mijn vader, voor het eerst gebruikt. Die pen heb ik nog, hij vlekt aan mijn vingers.
Nee, dan zijn evenbeeld. Dat kreeg ik toen ik 25 jaar in het onderwijs zat, als betaalde kracht, bedoel ik dan, want ik kwam al op mijn derde op school. Ik werd toen 46, dat is net zo oud als mijn vader toen hij zijn vulpennen kreeg. Die dingen waar hij niks mee deed en ik dus wel.

De beige vulpen met metalen dop bleek achteraf een geval van dertien in een dozijn. Met de zwarte pen van pa die ik later ging gebruiken, was ik voorzichtiger. Die liet ik thuis. In plaats daarvan grossierde ik op school in goedkope vulpennen, maar wel altijd vulpennen. Daarom leek het mijn collega’s een goed idee me eindelijk eens een goeie te geven en zo kom ik aan mijn tweede zwarte pen, een Aurora, een veel beter product dan de Lamy van pa. Ik koester hem en ik neem hem vrijwel nooit mee. Daarvoor schakelde ik over op de multidisciplinaire vulpotloden die ik steeds kwijtraakte.

Wel kocht ik voor de nieuwe onmiddellijk een vulreservoir om inkt uit een glazen potje te zuigen, een aangenaam ritueel.

11 november 2020

Vulpotlood

Aan een fraai vulpotlood ben ik niet besteed. Daarom vraag ik me af wat er geworden is van de vulpotloden waarop ik me tussen 1998 en 2012 om de een of twee jaar trakteerde. Liggen ze al jaren anderen goed in de hand. Dat zou fijn zijn.
Ik had vooral een zwak voor het vulpotlood dat zich liet combineren met een paar verschillende balpenstiften. Die van Lamy bevielen me uiteindelijk het best. Binnen de twee jaar was ik zo’n pen wel weer kwijt. Aanvankelijk beschouwde de mensheid een dergelijke pen annex vulpotlood als een leuk cadeau. Alcoholische geschenken bevielen me niet, dure pijptabakken vielen af toen ik stopte met roken, boeken kocht ik toch wel, dus zo’n pen was wel wat.
Je zou denken dat het daarom maar goed is dat ik ze regelmatig kwijtraakte; zo bleef dit schrijfgerei een cadeau dat altijd weer in een behoefte voorzag. Zoals bloemen, tabak, drank en boeken ook geen einde kennen. Maar voor een pen seeku potlood gelden blijkbaar andere criteria, want de mensheid maakte me gaandeweg steeds onontkoombaarder duidelijk dat ik daar niet nog eens op hoefde te rekenen.
De laatste combipen kocht ik zelf, maar toen ook die verdwenen was, sloot ik me aan bij de groep van verbitterde ex-gevers. Ze hadden gelijk: ik was zo’n pen niet waard.

Mijn leven heeft vijf jaar geleden een dusdanig ingrijpende wending genomen dat een vulpotlood gecombineerd met wat verschillende balpenstiften niet langer nodig is. Die multipennen met potloodstift waren zo handig bij het corrigeren van allerlei op papier gekalkte producten van leerlingen. Dat doe ik niet meer en wat ik nog wel corri- of redigeer, gebeurt meestal op een computer.
Toch voel ik me nog erg senang bij gewoon schrijfwerk. En dat het liefste met een vulpen of een potlood. Over die vulpen maak ik me geen zorgen. Daar zal ik nu niet over uitweiden: de vulpen bewaar ik liever voor een andere keer. Maar dat vulpotlood is iets anders.

Er is een goedkoop vulpotlood van Pentel, waar ik gelukkig al langer aardig mee uit de voeten kan. Het ding heeft heel wat duurdere combi-exemplaren overleefd.
Ik kreeg ooit van een collega, een handvol vulpotloden, maar die zijn allemaal op zeker moment in een prullenmand terecht gekomen. Dat geldt ook voor de vulpotloden die ik een paar jaar geleden bij de Action kocht. Die waren me aanbevolen. Nou, ik vind ze drie keer niks.
Het doordrukmechanisme van een vulpotlood mag dan vernuftig zijn, vaak is het ook erg kwetsbaar. Soms verbrokkelen de stiftjes in het reservoir en dat kan veel gedoe opleveren. En wat dacht je van het gummetje dat bovenin onder het drukknopje verborgen zit: bij de Pentel zakt het vroeg of laat weg en later of nog later worden die gummetjes een beetje korrelig. Intussen maken de smalle breekbare stiften en die gummetjes een vulpotlood zo aantrekkelijk. Een klein onderzoekje in een pennendoosje levert gummetjes op van vier verschillende merken, allemaal getuigen van een droefstemmend verleden.

En toch... Gisteren vroeg de jongste wat ik wilde hebben van de Sint. Sint geeft per volwassen persoon doorgaans zo’n vijftien euro uit en nu valt me op dat je voor die prijs geen multidisciplinair schrijfwapen kunt kopen, maar een beetje een appetijtelijk vulpotlood voor zo’n spilzieke gebruiker als ik ben, zit er toch wel in. Ik denk dat ik dat maar eens aan de Sint ga vragen. En dat doe ik dan via de jongste. Die twee hebben wel een aardige verstandhouding.

10 november 2020

De snelheid van een bruine vlek

Het wandelpaadje voert langs een sloot die je een paar weken geleden niet gezien zou hebben. Toen zat er nog veel te veel blad aan de struiken die pad en water scheiden. Nu zie ik in een flits hoe er een bruin vogeltje voor me wegvlucht. Hij maakt een halve boog over het water en verdwijnt in het blad onder de struiken en in de slootkant. Hij is bruin en ik meen iets te bespeuren van zwarte strepen. Het gebeurde alleen zo snel.
Een tweede vogel flikt het ook. Nu van zo dichtbij dat het wel lijkt alsof hij uit mijn scheenbeen tevoorschijn schiet, de struiken in, ook in een halve boog het water over. Ook hij is weg. Weer bruin en opnieuw de suggestie van zwarte strepen. De zwarte strepen zouden wel eens een gebrekkige vertaling van mijn ogen kunnen zijn. Misschien zijn die strepen geen eigenschap van de vogel, maar van zijn snelle beweging. Daardoor begin ik ook te twijfelen aan het bruin. Waren het wel bruine vogeltjes. Is het bruin niet de beginstand van trage ogen die pas iets gaan zien als het eigenlijk al weg is? Bij mijn camera merk ik wel eens dat hij een fractie van een seconde nodig heeft om een veranderde situatie (meer of minder licht bijvoorbeeld, scherp stellen) te verwerken. Is het zoiets?
Ik zou me al lang, secondes lang, met iets anders beziggehouden hebben, als er niet even plotseling, een anderhalve verder bij me vandaan opnieuw een vogeltje door de struiken wegschiet, alleen gaat deze niet naar de sloot toe, deze kruist mijn pad en plotsklaps herken ik hem als een pimpelmees. Eerst is er een snel bewegend vlekje, dan een grijs voor me langs schietend vogeltje dat ik vervolgens kan vertalen in een pimpelmees, door met terugwerkende kracht te zien dat hij geen zwart kopje heeft. Het vogeltje zelf is al weg.
Ik kom weer terug op de bewegende vlek. Zag ik ook bij de derde vogel eerst een bruine vlek? Werd die grijs omdat ik het vogeltje wat langer goed kon zien. Ging dat intussen wel zo snel dat de gewaarwording van de bruinheid van de vlek niet eens meer tot mijn bewustzijn door kon dringen? Dan zouden die twee eerdere vogeltjes net zo goed grijze pimpelmeesjes geweest kunnen zijn, die zo snel weer verdwenen dat de gewaarwording niet verder kwam dan het eerste, dus bruine stadium.

Ik bevind me op vertrouwd terrein en ik weet dat ik hier 's winters massa's vinkjes tegen kom. Dat zou dus ook kunnen: dat die twee eerste vogels vinkjes waren. Maar dat kan ik alleen maar denken, omdat ik toevallig weet dat zich hier in barre tijden talloze vinkjes verzamelen. Dat heeft niets meer te maken met wat mijn ogen zagen. Bruine vlekken met zwarte strepen.

Zou mijn bril bijdragen aan die mogelijke vertekening en gebrekkige perceptie? Maar zonder bril zou ik er helemaal niets van bakken.

Ik mag mijn bril trouwens wel weer eens schoonmaken.

Dat deed ik vanochtend nog.

Er schiet in een flauwe helling maar met adembenemende snelheid een bruin vogeltje uit de struiken voor me langs over het pad en het duikt zo de dikke deken in van het gevallen blad. Het zou me niet verbazen als hij ondergronds nog even doorschiet. Wat een snelheid.
Zou hij nu vastzitten, in de grond, een halve meter onder het bladerdek?
Nee, daar is waarschijnlijk een rotonde. Die neemt hij en dan komt hij met dezelfde vaart weer uit het bladerdek tevoorschijn.

Daar ga ik niet op wachten.

08 november 2020

Schilderstok

 

Ik blader weer wat verder in het grote boek van Rembrandt en kom bij een tekening uit 1636. Eentje in bruine inkt, waarop een schilder van zijn stoel is opgestaan om wat afstand te nemen van zijn werk. Daar staat hij nu achter. De attributen waarmee hij aan het werk is heeft hij nog in zijn handen: rechts twee penselen, links een schilderstok. Wie de schilder zou kunnen zijn, weet ik niet, maar hij is rechtshandig en hoogstwaarschijnlijk gaat het om een fijnschilder, in ieder geval is hij bezig met een het schilderij waarbij enige precisie om de hoek komt kijken. Of het zou hier gaan om een nogal trillerige schilder.

Ik heb nog nooit nagedacht over een schilderstok. Het zou me niet verbazen als ik er in het echt nog nooit eentje heb gezien. Op schilderijen kom je ze vaker tegen. Ook weet ik waarvoor ze gebruikt worden, dat is ook niet moeilijk om te bedenken, maar nogmaals: ik heb me er nooit mee beziggehouden. Daarom vroeg ik me bij deze tekening ook even af hoe zo’n stok zou heten. Schilderstok leek me een passende benaming, en zo blijken die dingen ook te heten. Maar schrijf je dat nu met één s of met dubbel s? Mijn voorkeur gaat uit naar een enkele s; die hoort dan bij de stok. Bij een dubbele denk je aan een stok voor schilders, bij een enkele is het een stok die je gebruikt bij het schilderen. Met een dubbele s bestaat de samenstelling uit een samenvoeging van twee zelfstandige naamwoorden; bij één s is het eerste deel de stam van het werkwoord schilderen, zoals in griezelfilm. Dat ligt het meest voor de hand.
Daar denkt de dikke Van Dale over: in het lemma bij schildersezel, gaat het verder met, …genootschap, dan …gereedschap, …schildersgezel, allemaal woorden waarbij het iets vanzelfsprekender is om bij het eerste deel aan een schilderende persoon te denken dan aan de activiteit van het schilderen, maar bij de …kwast en het …mes wordt dat al moeilijker. Toch vragen die woorden om een dubbele s. Het rijtje gaat door tot …stok. Dan houdt de riedel op en gaan we naar het volgende lemma: schilderstuk. Met andere woorden: volgens Van Dale schrijf je schildersstok, dus met twee keer een s in het midden.
Merkwaardig. Stel je voor dat je tegen de muzikale stok van een dirigent geen baton zegt, heb je het dan over dirigentenstok of over een dirigeerstok? Ik blader door een ander deel van de dikke Van Dale en kom op dirigeerstok. Een dirigentenstok kom ik niet tegen.
Taal is geen logica. Dat wisten we al, maar het blijkt maar weer. Opvallend is wel dat ik het woord schilderstok op internet niet met dubbel s tegenkom. In Het Groene Boekje staat het niet.
Ik houd het op schilderstok. Zo’n ding, doorgaans een meter lang, wordt dusdanig, vaak diagonaal, over een schilderij gelegd dat de schilderende hand van de kunstenaar er een beetje op kan rusten en bij precisiewerk heb je op die manier een vastere hand. De stok is ook handig om rechte lijnen mee te trekken. Om beschadiging van het schilderslinnen (met verbindings-s) te voorkomen is een zijde van de stok afgetopt met een zacht bolletje, met een lapje erom.
Ze worden nog steeds gebruikt, die stokken. Ze zijn zelfs te koop, al lijkt het me niet moeilijk om er even zelf eentje te maken.
In het Duits zijn ze er ook. Daar heet zo’n stok Malstock. Geen Maler(s)stock. Ik bedoel maar.

07 november 2020

Vierentwintig

Het vertrouwde rondje dat me vrij snel bij de Vecht brengt, leverde een schoolplaat op met een weiland met daarin veel meeuwen, kraaien, kauwen, waterhoentjes, ganzen natuurlijk, wat koeien op de voorgrond en twee ooievaars. Geen twaalf, want ook dat kan je hier overkomen. Hoe dan ook veel gevogelte en dat in fraai licht onder een tamelijk strakke novemberlucht. Dat licht was ook goed voor de veelkleurigheid van de bomen langs de rand.
Ik ben niet afgestapt voor een foto, al had ik een cameraatje in mijn hand. Ik heb hier al vaak genoeg dezelfde foto gemaakt. Maar een fraaie schoolplaat was het wel vandaag, zo eentje van M.A. Koekkoek.
Druk was het wel. Wat werd daar veel gerend, gelopen en gefietst. Ik fiets er al zo lang zo vaak dat ik het me een beetje heb toegeëigend. Ik vond het fijn om er zoveel mensen te zien die genoten van hun uitje op zaterdagochtend. Fijn ook dat die vogels en koeien bereid waren om ook deze dag voor een aantrekkelijk decor te zorgen. Dat kunnen mensen in deze tijden goed gebruiken. Het weer is ons dit jaar sowieso zeer ter wille geweest.
Bij Oud-Zuilen slingerde ik via de molens in de richting van de Maarsseveense Plassen. De molens draaiden. Met de wieken in het zeil is dat een mooi Hollands plaatje in het hart van Utrecht, maar ik wil wel even kwijt dat dit plaatje helemaal niet vanzelfsprekend is. Een paar jaar geleden is de kleinste van de twee molens, de Buitenwegse molen, namelijk volledig afgebrand. Wat we nu zien is een replica van de molen uit 1830. Ik zie het verschil niet met zijn voorganger. Een kenner doet dat wel, al was het maar omdat er bij de herbouw is teruggegrepen naar de Dekkerwieken die in 1931 zijn aangebracht. Later werden die vervangen door andere, maar men voelde zich blijkbaar meer thuis bij hun voorgangers. Misschien heeft dat wel te maken met het feit dat die wieken van Dekkers in de oorlog zwart geschilderd zijn; dat was om geen oriëntatiemogelijkheid te zijn voor Britse vliegtuigen die op weg waren naar Duitsland om daar hun onaangename bagage te lozen.
Mogelijk zijn om die reden ook van deze nieuwe oude molen de wieken zwart gemaakt. Die zwartheid viel vandaag extra op, want de ook al zwarte zeilen waren opgezeild en de wieken draaiden, die vier wieken van de Buitenwegse én die van zijn grote buurman de Westbroekse molen uit 1753. Dat is trouwens een grondzeiler.
Bij Maarsseveen ben ik wel afgestapt. Er golfde een slinger ganzen door de lucht als een teer gedicht, op rijm. Hoe zouden de ganzen langs de Vecht naar hun overvliegende soortgenoten kijken, vroeg ik me af. Die langs de Vecht brengen zomer en winter in hetzelfde weiland door en sukkelen naar de rivier voor een rondje zwemmen en steken een pootje of een vleugel op als ze me zien. Ze kennen me onderhand wel.
Zo’n slinger, hoog in de lucht, is wel even wat anders dan rondbanjeren op een lap gras. Geen V was het, maar een meanderende staart. De afstand tussen de vierentwintig ganzen, ik heb ze ook maar even geteld, veranderde alleen als een gans aanstalte maakte om de slinger even te verlaten. Die versnelde dan en voegde een of twee ganzen verderop weer in. Maar goed, dat weet je vast wel. Ik vond het mooi om naar te kijken.
Bij Fort Ruigenhoek zwom er van alles in het water. Onder andere kuifeenden. Ook hiervan telde ik er vierentwintig. Dat is aardig wat voor kuifeenden.

06 november 2020

Give me some truth

Plotseling duwde ik met veel kracht de rechtertrapper omlaag, overrompeld door woede. Ik weet niet of je het ‘Give me some truth’ kent van John Lennon, maar dat nummer lijkt halverwege te beginnen. Je zit er meteen midden in. Zo ging het met dat fietsen ook: ik zat er ineens midden in. En door mijn hoofd ratelden plotsklaps woorden van Lennon.

‘I'm sick and tired of hearing things
From uptight, short sighted
Narrow-minded hypocritics
All I want is the truth
Just gimme some truth

I've had enough of reading things
By neurotic, psychotic
Pig headed politicians
All I want is the truth
Just gimme some truth […]’

In het nummer gaat het over hypocritics, prima donnas en politicians. Voor mij wordt steeds Trump bedoeld, ook al is het nummer al vijftig jaar oud. Zelfs de ‘short-haired, yellow-bellied son of Tricky Dicky’ heet Trump. Ik kan het niet helpen. Wat ben ik die verschrikkelijke leugenaar toch zat.
Op Nos.nl keek ik vanochtend naar de compilatie van de momenten waarop verschillende nieuwszenders reageerden op Trumps ongegronde beschuldigingen van fraude bij het tellen van de stemmen. MSNBC, CBS, ABC en CNBC lieten via een voice over weten dat de beschuldigingen van Mr President ongegrond waren. Enfin, ik hoef het er niet over te hebben, want je weet het al.
Maar op die fiets schoot het door me heen en ook wist ik dat die grote bek er weer een draai aan zou geven om alles wat vies en krom is weer recht te praten.

En wat er ook gebeurt: de ellende houdt niet op. Het feit dat er een nek-aan-nekrace plaatsvindt in het land van de onbegrensde mogelijkheden maakt al duidelijk dat de dwaasheid, de zotheid, de waanzin er onverbiddelijk heeft toegeslagen. Ook als Trump niet wint, woekert de narigheid voort en geen 78-jarige kan daar korte metten mee maken.

Ik moet het hier helemaal niet over hebben. Gelukkig bracht die fiets me wel snel thuis, terwijl ik John Lennon op de repeat maar bleef horen smeken om de waarheid, ‘ik wil alleen maar de waarheid.’

Ik heb een vierdelige compilatie met nummers van Lennon. ‘Give me some truth’ staat als nummer vijf of cd 2. Die draaide ik toen ik thuis kwam. De stem van Lennon is een verademing. Na dit vijfde nummer volgde ‘Oh my love.’ Het ontroerde me. Maar ja, daarna kwam dat vervelende ‘How do you sleep’ waarin Lennon zijn vroegere kompaan McCartney een hak zet. Weer een geval van jammer. Wil ik het ook niet over hebben.

Laten we het er maar op houden dat ik ook vandaag weer erg tevreden was met mijn fiets.

05 november 2020

Mm-mm

‘Heteplop,’ zegt Markus als hij een vliegtuig hoort en hij wijst naar boven. Ik verbeter hem, want wat hij hoort, is geen helikopter maar een vliegtuig.’‘Heteplop,’ zegt hij nogmaals, met zoveel stelligheid dat ik even aan mezelf twijfel. Misschien hoor ik het niet goed, maar als ik nog eens goed luister naar het langzaam wegstervende geluid, weet ik het zeker: het was een helikopter.
Misschien betekent zijn heteplop intussen zowel vliegtuig als helikopter, al geloof ik dat toch niet, want hij als hij vla of yoghurt eet vraagt hij nadrukkelijk om het fiete; dat is een lepeltje in de onmiskenbare vorm van een vliegtuig.
Markus staat nog aan de goede kant van het leven. Het zijne kent nog geen enkel trauma. Zijn twee jaar oudere broertje kan al het nodige vertellen van Covid-19, Markus heeft daar nog geen idee van. Dat is zijn wereld niet. In zijn wereld lopen geen links- en rechtsextremisten rond en van een onrustbarende opwarming van de aarde heeft hij geen idee. Wat is aarde trouwens?
We lopen door het bos. De twee honden die we tegenkomen, noemt hij ‘tee wauwau’. Ja, zeg ik, twee honden. Zo heb ik me dat aangeleerd: je corrigeert een kind door te beamen wat hij bedoelt en vervolgens zijn woorden in fatsoenlijk Nederlands te herhalen. Alleen bij ‘hun hebben’ mag je ingrijpen, maar dan zijn kinderen al vier.
Markus is het niet met me eens. ‘Neehee, opa, tee wauwau!’ Omdat hij verderop nog een hond ziet, zegt hij hard ‘wauwau, wauwau’. Al eerder viel me op dat hij volhardt in zijn eigen woordkeus, zoals je in sommige gezinnen wel meemaakt dat een van de ouders Engels spreekt met de kinderen en de ander Nederlands. De monden en de oren van de kinderen kunnen in zo’n geval moeiteloos schakelen. De poes bij Markus thuis wordt door zijn ouders en zijn broer ‘poes’ genoemd; Markus zegt nog steeds ‘maumau’. Nieuw is dat hij nu aan het verbeteren slaat. Als een kleine Trump zet hij de wereld naar zijn hand: van nu af aan zeggen we geen hond meer, maar gewoon ‘wauwau.’ Straks vliegen er alleen maar heteplops door de lucht. Er zit iets beslists in zijn gedrag, hier in het bos. Ik zie het ook aan de manier waarop hij zijn eigen buggy voortduwt, waarbij ik alleen mag helpen als hij echt vastzit. Buggy is overigens diddie.
Weer vliegt er een vliegtuig over. Hij roept hard heteplop. Markus is een zacht mannetje. Zo voelt hij aan, zo gedraagt hij zich doorgaans en zo kan hij ook praten. Tot voor kort leek praten op een zacht neuriën. Taal was muziek en hij had er blijkbaar gevoel voor.
Dat komen we vandaag niet tegen. Hij heeft een harde stem. Heteplop! Hij hoeft het niet eens te roepen. Er zit een enorme versterker in zijn kleine donder. Het lijkt ook wel alsof ook het vliegtuig hoog in de lucht er van geschrokken is, want het geronk verdwijnt bijzonder snel.
De diddy (vroeger heette dat ding dus buggy) zit vast in een dikke laag beukenblad. Ik raap wat beukennootjes op. Als ik er twee gepeld heb, eet ik er een op. Hij krijgt de andere. Hij aarzelt even, maar dan stopt hij hem in zijn mond.
Even later wroet hij met zijn handjes door de bladeren. Die nootjes bevallen hem wel. Hij komt er telkens eentje brengen die ik dan voor hem moet pellen.
‘Lekker hè, die beukennootjes.’
Hij beaamt het. ‘Ja,’ zegt hij.
‘Beukennootjes,’ zeg ik. ‘Dit zijn beukennootjes. Kun je dat zeggen?
Hij knikt en bromt ‘Mm-mm.’

04 november 2020

Verstoppertje

Door een speling van het lot kon ik vandaag met Lukas alsnog naar het Spoorwegmuseum. Op school was hij trots geweest op zijn Marshallpak, dat hem omgetoverd had in de heuse brandweerhond uit de serie Paw Patrol, maar hij wilde andere kleren aan voor het Spoorwegmuseum: hij ging daar niet voor gek lopen, zeg.
Het was er stil, ook tegen de verwachting in van het personeel. Je zou denken dat mensen op woensdagmiddag, met een sluiting van enkele weken in het vooruitzicht, nog gauw een bezoekje meenemen. Zo was het dus niet en dat gaf ons alle ruimte. Ook om verstoppertje te spelen. De eerste twee keren verlinkte hij zichzelf al voordat ik was uitgeteld. De derde keer dat hij zich verstopte, riep hij ‘doortellen!’ Ik begreep dat hij wat verder weg een trap af ging, naar een ondergrondse tunnel. Daarna was ik aan de beurt. Hij vond me niet. Of liever: ik zag hem nergens meer. Uiteindelijk liep ik terug naar de buutplaats. Ik was wel een beetje ongerust.

‘Ik zag je wel, hoor.’ Aan de andere kant van het kinderspoortje kwam hij ineens tevoorschijn. ‘Eerst zat je daar, achter dat bord, toen daar en toen ging je weer naar het bankje.’ Nu was ik weer aan de beurt. Deze keer moest ik niet tot honderd, maar zelfs tot tweehonderd tellen. Ik begon bij elf.
’21, 73, 98, 98 en een half, 116, 189, 190, nogmaals 190, 197 en dan 346. Wie niet weg is, is gezien! Ik kom!’
Mensen zouden zich hebben kunnen afvragen wat die idiote man in zijn eentje zat te doen, daar op dat bankje. Maar er was niemand meer om zich wat dan ook af te vragen. Alleen heel in de verte zat een oma zich verschrikkelijk te vervelen. Dat zag ik toen ik na vijf minuten vergeefs zoeken langs haar liep. Dat verveelde gezicht was er nog steeds toen ik later weer terug liep. Ik beklom de rotspartij bij de glijbanen, spiedend als een roofvogel op zoek naar prooi. Ik ging het gebouw weer in, liep naar links (wat Lukas nooit zou doen) en weer naar rechts (wat hij zeker wel zou doen). Ik vond hem niet. Het kon niet anders of ik was inmiddels op zoek naar een jongetje in heftige paniek.

Ik ging weer terug naar buiten. In de buurt van de verveelde vrouw bleef ik staan. Zou ik haar vragen of zij het afgelopen kwartier een jongetje had gezien dat… Natuurlijk had ze jongetjes gezien, het museum was niet helemaal uitgestorven, maar hoe moest ik Lukas beschrijven? Een donkerblauw jasje zegt niks, ook niet als de rits en de binnenkant van de capuchon een lichtgevend oranje kleur hebben. Ik hoorde twee keer zacht getik tegen metaal. Ik liep achter de vrouw langs naar de uiterste hoek van het terrein. Daar kwam het getik vandaan. En daar vond ik Lukas. Hij keek mee triomfantelijk aan.
‘Ik had me goed verstopt, hè.’ Weliswaar was hij me uit het oog verloren toen ik het gebouw in was gegaan, maar voor de rest had hij me voortdurend in de gaten kunnen houden. Hij had al eerder getikt trouwens. Lukas was de echte winnaar en hij wist het.

Er stond ondertussen een medewerkster van het museum bij de oude vrouw.
‘Ik vind er hier niks aan, in dit museum. Ben er finaal op uitgekeken. Er is hier niks.’
Als je op dat jongetje had gelet, dacht ik, zou je jezelf een gouden middag bezorgd hebben. Die slimme kleuter met zijn sullige opa. Het gebeurde onder je neus, truttebol dat je bent.

03 november 2020

Constable

Zonder ongeluk geen geluk en daarom waren we blij dat we voor vandaag hadden afgesproken. Hadden we een andere dag afgesproken, dan zou het hele feest niet zijn doorgegaan. Dus liepen mijn kunstzinnige vriend en ik vandaag met gezichtsmaskers door het Teylers Museum. Camera’s in de aanslag alsof het revolvers waren. Niemand was onder de indruk van ons. Het was behoorlijk druk en het viel niet altijd mee om de juiste afstand te bewaren, dus dat de musea dicht gaan kan ik me wel voorstellen, al vind ik dat heel jammer. Vooral ook omdat ik Lukas had beloofd om weer eens naar het Spoorwegmuseum te gaan. Hij wilde vorige week al.

Maar mijn kunstzinnige vriend en ik waren dus mooi op tijd om het werk van John Constable te bekijken. Voor mij behoorde hij tot de beschuitrolschilders, maar daar ben ik toch van teruggekomen.
Beschuitrolschilderijen zijn meestal landschapsschilderijen die het net niet helemaal zijn, schilderijen waarvan er dertien in een dozijn passen en dan zijn ze alle dertien ook nog wel goed, maar je raken, doen ze niet echt. De term gebruikte ik als kind al. Eerlijk gezegd weet ik niet eens zeker of het klopt, maar volgens mij is er rond 1960 een actie geweest waarbij op de bovenkant van een beschuitrol een plaatje van een schilderij was afgebeeld. Misschien kon je ze zelfs wel sparen. Stel je dat eens voor: je trekt een plaatje van een schilderij van een beschuitrol. Dat is natuurlijk verkeerd, dun en te glad papier en dan is er ook nog wat lijm gebruikt zodat je scherpe vouwen of kreukels krijgt als je de boel lostrekt en dan moest je daarna nog met gluton aan de slag om ze in een album te krijgen. Kortom: er gebeurde van alles met die minireproducties wat een regelrechte aanval op de schilderkunst mag heten. En dan overheerste op die afdrukjes ook nog die ellendige groene zweem.
Het effect was averechts: je zou er nog een hekel aan schilderijen door kunnen krijgen.
Beschuitrolschilderijen, dat betekende voor mij grote droefenis.

Mijn vooringenomenheid vandaag stond al op een laag pitje, maar ze was nog niet helemaal weg. Dat bleek terwijl we ons overgaven aan de expositie. De bewondering voor de heer Constable groeide. Schilders worden een stuk boeiender waar je iets van hun obsessie tegenkomt. En die zit in de herhaling. De vaste thema’s. Bij Constable heb je de enorme behoefte om echte wolkenluchten uit zijn vingers te laten komen. Dat werkte. Zijn luchten werden echte luchten, maar op een schilderij volstrekt zich dan het wonder dat licht en lucht en zelfs beweging niet zozeer van verf en het resultaat van een kwast is, als een stoel of een oor.

Tussendoor was er een zaal met Nederlandse schilders uit Constables tijd en dat vond ik wel weer een beetje jammer voor de Engelsman. De beschuitrolassociatie kwam weer een beetje om de hoek kijken. Heel eventjes maar.

De noodzakelijke afstand en de mondkapjes maakt een vrolijk gesprek onmogelijk en dus besloten we naar buiten te gaan en wat door Haarlem te wandelen. Er joegen wolken door de lucht waarvan Constable ongetwijfeld een paar keer marvellous van zou hebben geroepen. Maar er kwam ook flink wat regen uit, dus liepen we al gauw in de Grote Kerk. Daar was niemand!

Vanuit de trein zag ik hoe er licht over de weiden vlaagde. Constable, dacht ik. En toen: nee, Ruysdael. Dat was wel weer jammer voor Constable. Maar ik reed door een schilderij en zo voelde het ook met die adembenemende lap textiel op mijn snufferd.

01 november 2020

Dorien en het Ruprechtorgel

Ik zat op de achterste rij en keek omhoog naar het orgel, naar de jonge vrouw die tussen regendruppels door kan lopen zonder nat te worden. Ze zat met haar rug naar ons toe en begon aan het vijfde van de zes stukken die ze deze middag zou spelen. Arvo Pärt was aan de beurt, met My heart ’s in the Highlands, gebaseerd op een laat achttiende-eeuws gedicht van de Schotse dichter Robert Burns.
Het orgel klinkt bescheiden en daar is het lichte, ook al achttiende-eeuwse Ruprechtorgel uit de Tuindorpkerk heel goed in, terwijl de organiste er op haar beurt heel goed in is om een orgel licht, sober en melancholiek te laten klinken als de muziek daar om vraagt, zoals nu.
Dat Dorien niet alleen muzikale vingers heeft, maar ook een bijzonder aangename sopraan is, wist ik al; ze had het drie stukken eerder al laten horen door iets van Dowland te zingen, waarbij ze zich liet begeleiden door gitaar.
Ik was er niet op bedacht dat de vrouw achter het orgel die daar de minimal melancholy van Pärt uit de orgelpijp liet druppelen zelf zou gaan zingen. Met de rug naar ons toe.
Bij de inzet van ‘Farewell to the Highlands, farewell to the North’ vroeg ik me nog even af of het niet wat harder kon. Bij het tweede vers ‘The birth-place of Valour, the country of Worth’ was ik blij dat dat niet gebeurde. Er gleed een ijlheid door de kerkzaal waarvan de kaarsvlammen hun adem inhielden.

Jammer dat er geen herhaaltoets was. Ik had ik natuurlijk ‘bis, bis’ kunnen roepen, maar mijn opvoeding hield me tegen, ook de coronaregels maakten teveel enthousiasme lastig.
Misschien dat ze na afloop, hoopte ik, toch nog een van de stukken zou herhalen. Dat was niet zo.

Naderhand mompelde ik tegen de gitarist dat die Dowland fantastisch was. En dat was ook zo. ‘Ja, de Bob Dylan van de zestiende eeuw, zei hij om mij ter wille te zijn.’ Daar ging ik niet op in, want ik bedoelde mijn opmerking als opmaat voor mijn bewondering voor Doriens vertolking van Pärt. Gitarist David zei dat hij er de vorige week al zo van onder de indruk was. Omdat het concert vanmiddag vanwege de coronabeperkingen een herhaald concert was, hoorde hij het voor de tweede keer. Hij had het nu nog mooier gevonden en hij gunde mij ook een tweede keer. Dan zou hij ook weer luisteren, want een derde keer zou hij het ongetwijfeld nog mooier vinden.

Nu wil het geval dat Dorien Schouten dinsdagmiddag op Radio 4 te horen is met een eigen werk. Ik weet niet of ze al een keuze heeft gemaakt en ook niet of er een goede opname is gemaakt van haar vertolking van dit My heart’s in het Highlands. Als dat zo is, dan zou ik het wel weten.

Thuis luister ik nogmaals naar het stuk. En nog eens. Een nog een keer. Maar het is niet het orgel van de Tuindorpkerk, de handen van Dorien zijn het niet en ook mis ik haar sopraan.

Ik wacht op dinsdagmiddag.

31 oktober 2020

Shell 2 T – deel twee

Om nog even terug te komen op de foto en de tekening van gisteren: stel je toch eens voor dat er bovenin het mandje van de vrouw op de tekening van Rembrandt inderdaad een blik tweetaktolie van Shell had gelegen, dan zou de strekking van de tekening finaal onderuit gehaald worden. Nu voert die tekening ons naar het wanhopige kind en om diens plotselinge verdriet in te kaderen, een oorzaak en een gevolg te geven, zien we de hond en de troostende vrouw. De hond snapt er echt niks van, de vrouw gaat volledig op in haar rol van troosteres. Het mandje aan haar arm laat hooguit zien dat ze daar bepaald niet mee bezig is. Het zou kunnen dat het kind straks, als de man met het tekenblok weer weg is, een stuk van die appel krijgt, zodat achter het hele incident met de hond een punt gezet kan worden. Maar ook dan leidt de appel niet af van de gebeurtenis, van het verdriet van het kind. Dat zou anders geweest zijn als er een blik tweetaktolie in het mandje had gelegen, of een zojuist aangeschafte kandelaar. Die noem ik maar even omdat we niet in het anachronisme moeten blijven hangen.
Bij de jongens, de glimlachende vriend en de clowneske knul met het verband om zijn kop, is dat anders. De foto is deel uit gaan maken van een serie foto’s rond het thema feest. De clown met zijn verband ziet er gek genoeg uit om je van alles af te vragen, maar dat doen we niet omdat dat blik olie boven zijn hoofd zweeft. Als het blik echt met een klap op zijn kop terecht zou komen, zou dat bijzonder pijnlijk en bepaald niet feestelijk zijn. Maar het is zo dwaas om iemand met zo’n blik op zijn kop te meppen dat we rustig kunnen aannemen dat dat niet zal gebeuren.

Ik moet je iets bekennen. De jongen met het verband lijkt als twee druppels water op een knul die ik een jaar of dertig geleden in de klas had. Ik heb zijn naam nog paraat. O, wat kon die jongen lollig zijn, met zijn flaporen. En wat kon die vervelend wezen. Stoute en vervelende kinderen werden toen naar mij toe gestuurd. Hem kreeg ik vrijwel dagelijks op mijn kamer.
Achter alle loltrapperij zat veel boosheid en wat een ellende vond hij die flaporen van hem. Ik herinner me dat ik hem en zijn ouders heb geadviseerd om een boksbal voor hem te kopen, dan kon hij thuis, op zolder, zijn overtollige energie, maar ook zijn agressie een beetje kwijt. Die boksbal is er ook gekomen.
Het idee om iets aan zijn oren te laten doen, kwam niet van mij, maar dat is wel gebeurd. Toen hij in de derde klas zat, zijn ze wat dichter bij zijn hoofd gezet.

Ach ja: als je maar lang genoeg naar een plaatje kijkt, kun je overal wel een verhaal uit persen en daarmee de situatie naar je hand zetten. Maar met dat blik tweetaktolie is dat hele verhaal van de clown die achter zijn grijns en uitgestoken tong een triest bestaan verbergt, volstrekte onzin geworden.
Op de foto is het alleen maar feest en nog eens feest. Dat is het onderwerp. In dit geval het zogenaamde kolderieke feest. Dat is een belangrijk sub genre, waarvan deze foto dankzij dat rare blik een mooi voorbeeld is.

30 oktober 2020

Shell 2 T

 

In het Rijksmuseum is een tentoonstelling te zien met werk van Ed van der Elsken. Het gaat om foto’s rond het thema Feest die hij een jaar of zestig geleden bundelde voor een boek. Dat kwam er toen niet. Die schade wordt ingehaald door de expositie en de daarbij verschenen catalogus. Verschillende kranten besteden er aandacht aan en in tenminste drie gevallen wordt daarbij ook de foto afgedrukt van twee jongens van een jaar of dertien. Ze kijken lachend in de lens. Een jongen speelt voor vrolijke lachebek, al geeft zijn in verband gewikkelde hoofd daar op zich weinig aanleiding toe. De jongen heeft een flapoor. Misschien zelfs wel twee, maar dat is vanwege dat verband niet te zien. Maar het verband laat wel een behoorlijke bobbel zien waar je het linkeroor mag verwachten. Misschien heeft hij de stand van het ene oor laten corrigeren en is over twee weken het andere aan de beurt.

Mij houdt vooral het blik bezig boven het hoofd van de vrolijke jongen, die vanwege de foto ook nog zijn tong uitsteekt. Het gaat om een plat blik waarop te lezen staat dat er tweetaktolie in zit van Shell. Links in het beeld zie je de hand die dat blik ondersteboven vasthoudt, alsof het een hamer is waarmee de clown ieder ogenblik een flinke klap op zijn kop kan krijgen. De jongen rechts van de lachebek kijkt ook vrolijk, maar daar blijft het dan ook bij. Hij houdt zijn vriend vast. Het lijkt erop dat hij net als zijn vriend geen idee heeft van dat vervaarlijke olieblik.

Het is een intrigerende foto, die me een fietstocht lang heeft bezig gehouden. Ik mag dan een verklaring kunnen bedenken voor het verband, maar ik weet niet of die klopt. Het verband kan net zo goed gefaket zijn. Maar vooral dat blik olie blijft intrigeren. Bij een zorgvuldige enscenering had ik me nog een nephamer kunnen voorstellen, maar een blik tweetaktolie van Shell is iets anders, en dat dan met zo’n hand uit het niet.

Voor ik op de fiets stapte, kwam ik, in een tijdschrift, nog een pentekening tegen van Rembrandt. Daarop ontfermt een vrouw zich over een klein kind dat schrikt van een hond. Had Rembrandt een camera gehad, dan zou hij bij wijze van spreken een fotootje van het tafereel hebben genomen. De vrouw heeft ook nog een mand aan haar arm. Ik zie een appel. Blijkbaar komt ze net van de markt of zo. Ik kijk naar die appel en kom pas met die veronderstelling over dat marktbezoek als ik me voorstel dat Rembrandt in plaats van een appel ook een blik tweetaktolie had kunnen tekenen.

Nee, dat had hij niet. De tekening van Rembrandt mag zijn verwerkt in een toevallig tafereel dat hij zag, het resultaat is een bedachte compositie.
Bij Van der Elsken lijkt zich een ongeprogrammeerde, spontane werkelijkheid voor te doen. Die twee lachende jongens, met dat verband, zullen wel de aanleiding zijn geweest voor de foto. Dat blik olie is bijvangst. Op het moment dat de fotograaf klikt, doet de lachebek extra lollig door plots zijn tong uit te steken; een derde persoon wil ook grappig zijn en doet dat met wat hij toevallig bij de hand heeft: het blik olie dat hij voor zijn vader moest halen. Voor zijn brommer.

Bij een tekening vraag je je af of je iets wel of niet moet toevoegen; bij een foto of je iets ja dan nee moet weghalen.

 


29 oktober 2020

Wasrekje

We zagen gisteravond op de BBC het programma Repair Shop. Daarin leveren mensen allerlei spul af dat ze dierbaar is, maar het is ook kapot en daarom moet het gerepareerd worden. Mente moest bij het kijken denken aan het wasrekje uit haar kinderjaren.
Vooral in het noorden van het land kwam je die dingen tegen, maar dan in het groot, ik schat twee bij twee meter. Je zag ze in het verleden nogal eens bij een boerderij op het erf staan, of in het gras dat vaak tot aan de gevel liep. Een dubbel raamwerk was het, met dwarslatten. De standers stond schuin tegen elkaar. Ze waren wit geschilderd. De onderste dertig centimeter van de vier poten waren zwart. Het zou me niet verbazen als die onderkanten vroeger geteerd werden.
Mentes wasrekje was bedoeld voor poppenkleertjes en mat dertig bij veertig centimeter. Ik gebruik de verleden tijd; dat is niet terecht: ik heb het zojuist nagemeten. Bij haar rekje zijn de uiteinden van de dwarslatjes rood afgewerkt.
Mente was als kind een poppenmoeder; poppen hebben kleertjes; die moeten gewassen worden. Vandaar ook dat ze een klein machientje had (en nog heeft). Dat bracht haar overgrootvader - ik zeg óvergrootvader - op het idee om een wasrekje voor zijn Haagse achterkleindochtertje te maken. Zij logeerde vaak bij hem in het Groningse Winsum en had dan altijd een vrachtje poppen bij zich.

Vanmorgen kwam Mente de keuken in om het rekje schoon te maken. Ze had het van zolder gehaald. Het zag er nog goed uit. Terwijl ik haar zo bezig zag met spons en sop, verscheen er een oude man van 95 in de keuken. Zo oud moet Mentes overgrootvader in ieder geval geweest zijn toen hij zijn wasrekproject startte. Het aanrecht veranderde in een werkbank; de keuken werd een hoek in een grote schuur. De oude man scharrelde wat rond, trok hier en daar latjes van verschillende dikte tevoorschijn, mat met potlood en duimstok het een en ander uit en begon te zagen. Toen ging hij even weg. Plassen deed hij in de grup, koffie dronk hij in huis.

Na de koffie schaafde hij de hoeken van de balkjes die hij als staanders wilde gebruiken een beetje rond weg en hij spijkerde de scharniertjes vast die hij had gevonden in een kistje op een plank. Hij moest maar een kleine hamer gebruiken met die smalle latjes en kleine spijkers. Wacht, hij kon beter eerst wat inkepingen in de balkjes beitelen. Dat gaf meer stevigheid als de dwarslatjes daar gedeeltelijk in vielen. Hij had geen haast. Hij wilde het voor het middageten af hebben, zodat hij na zijn middagdut met het schilderen kon beginnen.

Met de zwarte poten van de staanders en de rode uiteinden van de dwarslatjes ging hij de volgende morgen pas aan de slag, toen de witte verf droog was. Hij vond het een leuk werkje. Het poppenmoedertje zou er vast heel blij mee zijn. O, bij nader inzien was het wel zo handig om een haakje te gebruiken om de staanders niet weg te laten glijden. Hij had nog wel iets, maar moest wel even zoeken.

De overgrootvader loste weer op, vanmorgen in de keuken. De werkbank werd weer een aanrecht.
Mente spoelt de spons uit.
‘Ziezo,’ zegt ze en ze hangt een vaatdoek over het wasrekje.

27 oktober 2020

Kastanjes

Er komt een zoete geur uit sommige kastanjes. Een paar weken geleden heb ik met Markus bij de Jordanlaan kastanjes geraapt en daar ben ik ’s middags, toen Lukas uit school was, druk mee in de weer geweest. Er moesten poppetjes gemaakt worden, honden, katten, spinnen, schildpadden. De kinderen gingen blij met een vracht geschenken naar huis om er daarna niet meer naar om te kijken.
Dat pleit voor ze, want al die kneuterige huisvlijt levert nu eenmaal weinig schoons op.

Een paar weken later ontdekten Lies en Klaas de schaal met kastanjes, want van wat we een tijdje terug raapten was nog niet de helft gebruikt. Zij wilden er meteen aan de slag. En zo zaten we even later aan tafel. Op sommige kastanjes zat een dun schimmellaagje, dat je met een doek meteen weg kreeg. Ook viel me op dat de bruine schil wat stugger was geworden.
Lies en Klaas liggen een paar jaar voor op hun neefjes, zij zijn al acht en zes, én ze herinnerden zich nog goed hoe dat ging, vroeger, toen ze nog jong waren, dat poppetjes maken. Toch werd ik binnen de kortste keren gebombardeerd tot enige echte gaatjesmaker. En ik moest met een tangetje de lucifers op lengte maken, maar ze bemoeiden zich wel met het ontwerp en zij staken de lucifer in de gaatjes.

Bij dat gaatjes prikken viel me die geur op. Die was nieuw voor me. Ook viel me op dat sommige kastanjes voorbij die stugge schil soms heel zacht en in andere gevallen juist heel hard waren. Als kastanjoloog maakte ik sprongen in mijn kennis.
Dat is wel wat laat, want op het gebied van kastanjepoppetjes heb ik een lange carrière achter de rug. Die begon bij de enorme boom tussen het huis van mijn vriendje Dirk en mij in. Toen kwamen de eerste poppetjes. Overigens hielden we van variatie. We fietsten soms zelfs naar Ockenburg voor eikels en beukennootjes en in plantsoenen plukten we rozenbottels.

Er moesten kinderen komen voor ik me weer bukte om kastanjes op te rapen. Zowel het kerkhof aan de Utrechtse Gansstraat als dat van Monster waren vruchtbare akkers. Thuis sloeg het grote fröbelen weer toe. Ook nu zijn de jaren weer vriendelijk voor me, maar hoe het over vijf jaar is… En komt er ooit weer een golf? Laat ik het zo zeggen: mijn moeder heb ik nog wel meegemaakt terwijl ze een boekje van Bruna aan haar achterkleinkinderen voorlas, maar voor het betere kastanjewerk moest je toen niet meer bij haar zijn. Mijn moeder fröbelde niet veel, al was zij het die liet zien dat rozenbottels een leuke kop met haar konden worden, of een pijpenkop. Sowieso was mijn moeder van de rozenbottels: daar maakte ze vieze jam van.

Maar goed, Lies en Klaas zijn naar huis. Ze hebben alle kunstwerken in een tasje meegenomen. De nog ongebruikte kastanjes heb ik er meteen maar bij gekieperd. Een weeïge, zoete geur? Hier in de kamer merk ik daar niets meer van. Hoe dat nu in Leidsche Rijn is, weet ik niet.

25 oktober 2020

Zondag

Iedereen deed braaf een gezichtsmaskertje voor en rommelde daarna wat met het pompje voor de handgel. Daarna waren er twee diakenen, elk achter een eigen tafel met schoteltjes waarop links minuscule bekertjes met sap en rechts met wijn, en een stukje matse. Je kon ook een klein servetje meenemen naar je plaats. Voor, achter of naast je, overal kon je je schoteltje kwijt en ook je jas, want het was niet de bedoeling dat je gebruik maakte van de garderobe. Op je plaats mocht je je masker af, maar de aanwezigen hadden elkaar toch al lang herkend. Dertig bezoekers en twaalf medewerkers, verspreid over een ruimte waar een paar honderd mensen kunnen zitten.

We waren in de ruimte verloren mensen geworden, kwetsbaar, klein. Thuis zat een klein veelvoud van de mensen in de kerk om de viering via de computer te volgen. De instructies voor brood en wijn waren ook voor thuis doorgegeven, samen met het verzoek om deze avondmaalsviering tegelijk met de mensen in de kerk te volgen. Ik hoopte maar dat ze dat zouden doen.

Er schoten me regels te binnen van Okke Jager:

Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens

Verraadt ons aller angst zich niet
in wie het leven weerloos liet?

De glasglans stemt de blazer mild.
De kaarsvlam vormt de hand tot schild.

De krokus wijst beton zijn grens.
Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens.

Over de aanwezigheid van God begon de voorganger zijn overweging met de woorden: ‘God is niet alomtegenwoordig.’ Dat zei hij een negentiende-eeuwse rabbi na; maar die voegde daar aan toe: ‘God is waar iemand hem zoekt.’ Een variant op ‘Ubi caritas et amor, Deus ibi est.’

We vierden het avondmaal, ieder in de schulp van zijn eigen plek. Daar werd God gezocht, op de plaatsen waar de mensen zaten. Daartussen, en overal waar de anderhalvemeterregel de gebiedende wijs was en dus niemand zat of stond, was ook God niet.

Iedereen stak tegelijk het stukje van de matse in zijn mond; je kon het horen. Van de wijn of het sap in de vingerhoedgrote bekertjes hoorde je niets.

Het was een viering met die verspreid voorkomende mensen die God zochten en die zich niet liet vinden waar geen mensen zaten.

24 oktober 2020

Bezorgdiensten

Er kwamen gistermiddag via de familieapp vanuit de dierentuin leuke opmerkingen over Tommy bij een tijger, maar een uurtje later - en dat kwam dan weer niet op de app, kreeg de oudste geen beweging meer in zijn toch al koppige knie. Pijnlijk was het ook.
Onderweg naar het ziekenhuis werden wij gebeld, want behalve een knie, was er gelukkig ook een vrouw en die ging mee naar het ziekenhuis, maar er waren ook drie kinderen die moesten eten en daarna naar bed.
En zo kwamen we bijna gelijktijdig aan bij het Antonius in Leidsche Rijn, daar hevelden we de kinderen over.

Er werd goed voor ons gezorgd: toen we bij het huis van de kinderen aankwamen verscheen ook de bezorgservice van de plaatselijk snackbar.
Vanochtend constateerde ik dat mijn printer nog steeds geen boe of bah meer zei. Waarschijnlijk lag het aan de adapter en dus moest ik in de stad maar eens gaan kijken naar een nieuwe; en dat voor een bijna twintig jaar oude printer.
Toen ging de telefoon. Het been van de oudste was nog even halsstarrig als de dag daarvoor, maar er zou vandaag een nieuw bed worden bezorgd voor zijn vrouw en hem. Dat leek ons geen combinatie: over de vloer kruipen met een been dat wel pijnlijk wilde zijn, maar niet wilde bewegen, en dan ook nog drie kinderen. Vier, er was een vriendinnetje gekomen.

Dus sloeg ik de printer over om na de lunch (voor je eten wordt altijd goed gezorgd bij de oudste), toen het bed net was bezorgd, aan de slag te gaan. Was het een Ikeabed? Nee, het was geen Ikeabed, maar er ontbraken wel 32 schroefjes, dikte 3 en een lengte van vijftien millimeter.
‘Die heb ik nog wel ergens, waarschijnlijk,’ zei de oudste.
‘Waar?’ vroeg ik vergeefs, want hij strompelde al op zijn net aangeschafte krukken naar het schuurtje.
‘Dat heeft geen zin,’ zei hij toen ik aanbood te zoeken. Of dat sloeg op zijn onnavolgbare wijze van opbergen of op wat de ervaring hem geleerd heeft over de speurzin van zijn vader, weet ik niet. Hij vond een heleboel schroeven die net niet goed waren en ook de buurman kwam met schroefjes die toch iets te lang waren. Nu waren die schroefjes bedoeld voor de puike laden die onder het bed geschoven zouden kunnen worden, dus dat kon in ieder geval in elkaar worden gezet. Eerlijk gezegd heb ik geen idee meer van het kort daarvoor afgevoerde bed, maar van dit bed heb ik een scherp beeld. Voor mij zouden die laden niet hoeven.

Daarna toch nog even naar de stad vanwege die printer, waar ik wilde weten hoeveel een adapter met een serieel snoer zou kosten. Ik vertelde om wat voor printer het ging.
‘Als ze nog leverbaar zijn, meneer, als ze nog leverbaar zijn.’
‘Dat was de vraag niet. Ik wil weten hoeveel zoiets kost.’
‘Als ze nog leverbaar zijn, meneer.’
‘Ja, maar stelt u zich eens voor dat zo’n adapter nog leverbaar is, hoeveel kost me die dan?’
Twintig euro, gokte hij, draaide zich om en liep weg. Een snelle raadpleging op mijn mobieltje leerde dat ze nog wel leverbaar zijn, maar 35 euro kosten. Die investering vond ik te riskant voor een printer die ik kocht toen dit millennium nog in de luiers zat. Ik heb nog even naar nieuwe printers gekeken.
Ik ga niet met een grote doos op de fiets. Daarom heb ik zojuist online een nieuwe besteld.
Bij een andere winkel: die verkoper had niet zo lomp mogen weglopen.

23 oktober 2020

Tausend kronen

Het biljet vertelt me dat de Oesterreich – Ungarische Bank mij onmiddellijk tausend Kroner uitbetaalt als ik dat wil, mits ik het biljet in kwestie kan overleggen. Daar staan ook een plaats en een datum bij: Wenen, 2 januari 1902. Het is een kloek biljet van 19 bij 13 centimeter en omdat ik er als tiener een hele stapel van terugvond in een oude hutkoffer, was dat genoeg om er mijn hele kamer mee te behangen. Dat heb ik ook gedaan. Daar kreeg ik vrij snel spijt van; het leek wel alsof er iemand meekeek die dat helemaal niet leuk vond, dus erg lang hebben ze er niet gehangen. De kleine stukjes plakband die ik gebruikte, lieten zich gelukkig makkelijk verwijderen. En zo vormden de biljetten weer de stapel die ze al tientallen jaren was geweest. Waar die nu is? Ik heb geen idee. Ik heb nog twee biljetten over van de enorme oogst.
De stapel kwam in de familie toen mijn opa in één keer alle koeien die hij had meegevoerd kon verkopen. In de nacht was hij met zijn koeien van Dinteloord naar Willemstad gelopen, waarbij een of twee van zijn jongens, jonge kinderen nog, hem hielpen. Vandaar ging het met de boot naar Rotterdam en daar gingen de beesten in een veewagon naar Hoek van Holland, waar opa zijn waar in één transactie helemaal kwijt raakte voor een flink pak geld.
In de trein terug naar huis kreeg hij te horen dat de waarde van de kroon desastreus gekelderd was.

In een boek dat mijn verre nicht over de familie schreef vind ik een kopietje van een bericht in een plaatselijke blad dat voor Aart Borgdorff uit Dinteloord faillissement is aangevraagd. Dat was in 1925, en het heeft ongetwijfeld te maken met de ongelukkige transactie die zoveel behangpapier opleverde.

Mijn vader heeft altijd trots willen zijn op zijn vader. Die was immers handelaar en gemeenteraadslid. Zijn ouders hadden zelfs in Zuid-Afrika gewoond en zijn opa had niet heel ver van Dinteloord vandaan zelfs een kerk en een school opgericht. Van die dingen. Maar zijn vader was er ook de reden van dat de kleine Rius (mijn vader dus) door andere jongens werd nageroepen met ‘baardaap, baardaap’, omdat de oude Aren, die dus geen Aart heette, een baard droeg. Daar kwam nu dat oneervolle faillissement nog bij. De geteisterde veehandelaar deed nog wel wat klusjes, maar financieel werd het gezin vooral afhankelijk van wat de kinderen inbrachten en zo zocht het gezin enkele jaren later zijn heil in het Westland. De plek waar de desastreuze bankbiljetten veertig jaar later nog even de muren van een tienerkamer zouden sieren, en dat op nog geen vijftig meter afstand van het graf van de man die ze ooit bij zich had gestoken. Hij zou ze bij wijze van spreken hebben kunnen zien hangen. Een pijnlijke gedachte.

Nu lees ik het boek van de verre nicht. Zij heeft het over Duitse marken, maar dat waren het dus niet. Ik zal haar verrassen en haar meteen even een scan sturen van de gewraakte biljetten. Daarom leg ik mijn twee exemplaren in de printer.
Die doet het niet.

‘Als ik nog eens petten ga verkopen, word iedereen zonder kop geboren.’ Dat zou volgens opa Aren gelden voor iedere Borgdorff. Mijn vader wilde daar niet van weten, maar hij heeft het me wel verteld en ik denk dat opa Aren gelijk had: ik ben zelfs niet in staat om een kopietje te maken van waardeloos geworden geld.

22 oktober 2020

Excuses

Wanneer zowel een koning als een minister-president publiekelijk excuses aanbieden voor een reis naar code geel, wanneer de protestantse kerken van datzelfde land in diezelfde week schuld belijden voor wat zij 75 jaar geleden hebben gedaan of juist hebben nagelaten toen joden werden vervolgd en weggevoerd, dan zijn dat grote dingen. Groter in ieder geval dan de orale winden die aan de andere kant van de grote plas een president omstandig laat. Ook daar is een lef voor nodig die mij ontbreekt.
Voor fiere grootheid moeten we weer even terug naar de plek waar een staatshoofd nog grotere woorden gebruikt om lucht te geven aan zijn verontwaardiging als er in zijn land een leraar is onthalsd. Of zijn dat woorden die groot moeten zijn omdat de angst en de schrik in zijn land zo groot zijn dat hij die met veel beslistheid van taal moest toedekken?
Ik zou dat ook wel willen. Groot schrijven over grote dingen. Zeggen: luister maar naar mij: ik weet hoe het zit en ik zal je zeggen wie de ware profeet is en wie de valse, wat waarheid is en hoe je de dwaalleer kunt ontmaskeren en ik zal jullie de weg wijzen. Maar het is me allemaal te groot.
Ik zit vandaag tussen de duploblokken, probeer vergeefs een autootje te repareren en een peuter te vinden die zich verstopt heeft achter een heg.

Ik bewonder scherpe pennen, gekoppeld aan kritische geesten van heldere koppen. Ook ik roep 'Leve de republiek' als het woord Griekenland valt, maar schrik ervan: alsof ik de doodstraf weer zou willen invoeren als iemand mijn fiets steelt, waarbij ik wel even kwijt moet dat ik aan beide fietsen zeer gehecht ben.
Ik lees wat een ander schrijft over een politicus die pas na vijf dagen zijn afschuw uitspreekt over de aanslag in Parijs en daarbij ? en let nu heel goed op! ? niet het rake woord islamist gebruikt maar het verdoezelend vage extremist om de dader aan te duiden.
Ik lees hoe een dichter de baggertent van vooringenomenheid openzet, eenvoudig door op Facebook een krantenartikel te plaatsen over kerken die wel meer dan dertig plaatsen aanbieden om de vieringen bij te wonen.
Ik bewonder de cabaretier die zich met het grootste gemak ontpopt tot onderzoeker, wetenschapper, tot expert op elke week weer een ander terrein en een mening verkondigt alsof het niets is.
Ik kan het allemaal afdoen met 'Zersägen, das kann jeder, aber ganzmachen, das ist schwer', maar dat is niet helemaal eerlijk. Eerlijker is het om gewoon toe te geven dat ik voor zoveel overtuiging, zoveel gemakkelijke lef en zoveel vermogen tot analyse te klein ben.

Maar ik zou het ook zo graag willen: schuld belijden, de grote waarheid verkondigen, de weg wijzen uit de duistere benauwenis naar het land van louter licht en roepen 'En nu is het afgelopen met die Covid-19, zijn jullie nou helemaal gek! En dat in Nagorno-Karabach moet ook afgelopen wezen. Nu!' Soms heb ik heel even het gevoel dat ik dat kan. Dan spring ik op om mijn pen wil pakken en struikel ik over een duploblok of over een beukennoot.

Het spijt me.

20 oktober 2020

Rijbewijs

Op mijn nieuwe rijbewijs draag ik geen bril. Zoals het een krasse kerel betaamt, zou je denken, maar dat komt door de fotograaf. Van hem moest ik mijn bril afzetten. Bij mijn paspoort, twee jaar geleden hoefde dat nog niet, misschien zijn de instructies veranderd, misschien ook komt het door de bril. Toen droeg ik nog een randloos geval, nu zijn mijn ogen ingeblikt.

Een paar jaar geleden kwam mij een pasfotootje van mijn opa onder ogen. Het zou me niet verbazen als hij daarop mijn leeftijd heeft. Hij zag er tenminste jonger uit dan de man die in mijn herinneringen rondspookt. Als het klopt wat ik zeg, dan betekent het dat opa’s fotootje rond mijn geboorte genomen is. Nogmaals hij zag er jonger uit dan de man die ik me herinner. Dat is een troost. Maar dat neemt niet weg dat hij er oud uit zag. Dat realiseerde ik me toen ik naar mijn eigen recente pasfotootje keek, waarvan nu een afdruk op mijn rijbewijs staat. In mijn mond staan weliswaar nog fier mijn eigen tanden overeind. Dat kon je bij opa niet zeggen. Bij hem stonden de tanden van de tandarts fier in roze plastic gevat op een kastje bij het bed. Hij had zijn gebit nooit in. Maar die ogen en de bescheiden maar desondanks wat slordige wenkbrauwen…
Voor zijn rijbewijs heeft opa geen pasfoto’s nodig gehad, want dat had hij niet. Ook niet voor een paspoort. Voor zover ik weet, is opa nooit in het buitenland geweest; veel verder dan Driebergen zal hij niet gekomen zijn, en daar had je ook in de jaren vijftig vanuit Loosduinen geen paspoort voor nodig.

Mijn nieuwe rijbewijs is nog zes jaar en acht maanden geldig, zie ik. Geen tien jaar. Het werd me bij het loket in het stadskantoor meegedeeld. Ik gedroeg me als een flinke vent en liet niets blijken van de schok die toen door me heen ging. Niet langer om de tien jaar een ander rijbewijs. De volgende keer is weliswaar pas over zeven jaar, maar daarna om de vijf. Het grote aftellen is begonnen. Ook hier, want dat was het al. Niet voor niets krijg ik een pensioen en AOW waarbij op basis van kansberekening is vast gesteld hoe lang ik nog te leven heb.

Bij het afhalen van mijn rijbewijs moest ik even mijn gezichtsmasker afdoen. Waarschijnlijk om te zien of ik mijn tanden niet op het nachtkastje had laten liggen. Ik had de neiging om mijn mond wijd open te sperren, te wijzen en dan te zeggen: allemaal echt. Dat deed ik natuurlijk niet. Ik ben niet gek. Ik zei ook geen aaaah, zoals bij de dokter. Wel vroeg ik of ik mijn oude rijbewijs, met een kloek ponsgat erin, dat wel, mee mocht nemen. Dat mocht niet.

Vijftig jaar rijbewijs, bijna dan, want in de loop der jaren is de uitgiftedatum van een vernieuwd rijvaardigheidsdiploma telkens iets naar voren geschoven. In werkelijkheid haalde ik mijn rijbewijs op 30 december 1970, bij lichte vorst en sneeuw op de straat. Dat rijexamen herinner ik me nog goed. Anderhalve week later vond ik mijn papiertje bij de post en stapte ik in mijn vaders auto. Dat was wel even schrikken, achter het stuur: dat ding was veel groter dan het kevertje waarin ik had gelest. Maar het ging goed. Pas twee maanden later zou ik een auto total loss rijden, met mijn vaders auto inderdaad. Maar dat is weer een heel ander verhaal.

19 oktober 2020

Thuis

We zijn weer thuis en het was geen telefoontje maar een mailtje dat zojuist binnen kwam:
‘Goedemorgen Len,
Goede week gehad op Ameland? Wat betreft komende zondag: […]’
Ik zal er eens naar kijken.

Voor we vertrokken, kwam eerst de eigenaar van het appartement nog even langs en later de eigenares. Bijna had ik gezegd: zijn vrouw, maar dat slikte ik nog op tijd in. Of het koperwieken waren die ik regelmatig in de tuin had gezien, kon hij niet vertellen, hij wist wel dat de vogeltjes die zich tegoed deden aan de zonnebloempitten koolmeesjes waren en dat er achter de dijk rosse grutto’s zaten.
Hij vertelde ook dat in dit deel van de boerderij vroeger zijn grootouders woonden, maar dat ’s winters de hele familie hierbij introk om hutje bij mutje wat warm te blijven. En hij maakte in dat kamertje - en daarbij wees hij iets rechts van ons - altijd zijn huiswerk. Later deed zijn zoon dat daar; die zat nu in de schuur te werken. Hij werkte in Arnhem en woonde in Zutphen, maar omdat hij vanwege Covid tot thuis werken was veroordeeld, was hij maar teruggekeerd naar zijn vrienden en zijn ‘man’s cave’ op Terschelling. Mede dankzij Covid konden we ook met de vrouw des huizes een praatje maken. Er was een studiedag voor de school waar zij werkte. Dat betekende dat ze met haar collega’s de hele dag op afstand zou moeten ‘teamen’. Daar werd ze zeer ongelukkig van; daarom hadden haar collega’s gezegd dat ze niet mee hoefde doen. Duidelijk een leeftijdsdingetje, maar dat zei ik maar niet.

Op de boot viel het niet moeilijk om te kiezen tussen koud of benauwd: we gingen buiten zitten kleumen; dat paste ook wel bij het slot van het tweede boek van Raynor Winn waarin zij en haar Moth en twee vrienden een variant op de overwintering op Nova Zembla bedenken door te gaan wandelen en kamperen op IJsland als de winter toeslaat.

In Harlingen wachtte ons warme thee bij onze zwager en schoonzus en thuis was de huiskamer erg groot. Dat maakte de thuiskomst feestelijk. Een vakantie vond ik als kind pas geslaagd als het huis zich bij thuiskomst onverwacht iets anders manifesteerde. Een aangename gewaarwording, die ging weer samen met het idee dat je dus lang en intensief genoeg weg was geweest om én terug te zien op een fijne vakantie én blij te zijn dat je weer thuis was.
Dat idee heeft me nooit helemaal verlaten. Dingen die mij bij thuiskomst aangenaam troffen waren het heldere licht in een kamer (bijvoorbeeld na een huisje of tent in de bossen), de hoogte en zachtheid van de vloer of de koelte van het huis.

Nu was dat dus de ruimte van het huis. Ik was er dik tevreden mee en dat was ik ook met de temperatuur. Vorige week zondag sprak ik de thermostaat toe en vertelde hem dat hij pas weer moest aanslaan op maandag 19 oktober om 15.00 uur. Dat heeft hij gedaan, want het was lekker warm in huis en omdat de kou van de boot uren lang in onze botten was blijven zitten, was dat extra prettig.
Prettig was ook dat de borden bijzonder koud aanvoelden toen ik die uit een keukenla plukte. Dat bewees maar weer dat de verwarming zich inderdaad keurig aan de afspraak had gehouden en pas vanmiddag was aangeslagen. Ik heb er wel twee eerst 30 seconden in de magnetron en daarna pas op tafel gezet.
We zijn weer terug. In het huisje op Terschelling zitten andere mensen op de bank.

18 oktober 2020

Heen en weer

Of Terschelling en ik elkaar wat beter hebben leren kennen de afgelopen week? Er was Terschelling sowieso niets aan mij gelegen; zelf weet ik het nog niet zo goed. Wel vind ik het jammer om morgen hiervandaan te moeten, terug naar verplichtingen waar ik best wat langer van verschoond had willen blijven. ‘Zo, een weekje weg geweest, dus. Ameland toch? O, Terschelling? Leuk gehad? Mooi! Maar waar ik je voor bel…’
Zover is het nu nog niet: we zitten nog op Terschelling en ik kom net terug van een gemankeerde wandeling; nog niet halverwege ben ik omgekeerd, omdat het me niet handig leek om in het donker mijn weg door bos en duin te zoeken. Dat speet me, ik was liever doorgelopen. Vandaag fietste ik weer naar de eendenkooi bij Hoorn, nu met Mente. Wat we zien van Terschelling zijn wat fragmenten en die zien we dan allemaal in de tweede of derde week in oktober en dat betekent dat in de tuin van de boerderij waar we bivakkeren de dahlia’s in volle bloei staan, alsof dat altijd zo is, en dat de koolmeesjes zich hier het hele jaar door te goed doen aan de pitten van de enorme rij uitgebloeide zonnebloemen. Willekeurige plekken, allemaal gezien in een en dezelfde week van hetzelfde jaar. Kennst du das Land wo die Dahlien blühen?
Ik heb een tijdje stilgestaan bij het bosje om een goudhaantje te fotograferen. Dat is niet de meest Terschellingse vogel, maar hij is wel leuk en klein. En te beweeglijk om een fatsoenlijke foto te krijgen. Zo heb ik de hele week op dit eiland zo’n beetje ervaren. Het vogeltje zat in een struik die wordt geruimd om ruim baan te maken voor de rugstreeppad die veel Terschellingser is.

Ik moest deze week een paar keer aan Johan Snijders denken, ooit mijn baas op school. Hij had, toen hij nog onderbaas was, een foto in zijn kamer hangen van een naambordje. In hout uitgesneden, inderdaad, nogal padvinderachtig, las je: Snijderspad.
Later, toen hij wel baas was en ik onderbaas, kampeerde ons gezin drie weken op Terschelling, niet ver van het Snijderspad, een uitkijkpunt bij Hee. Ik herkende de naam en zag ook dat het naambordje vervangen was door een professioneler, maar veel saaier bordje. Ik maakte er toen een foto van en gaf hem daarvan naderhand een afdruk . Die heeft nooit in zijn kamer gehangen: zijn naam stond immers ook al op de deur.

Nu zag ik er een plaat staal waarin behalve de naam en het logo van Staatsbosbeheer ook de naam Snijderspad is uitgespaard. Ik heb het gezien, maar heb het bord niet gefotografeerd; ik ben zelfs niet afgestapt. Het had geen zin: Johan is enkele jaren geleden overleden. Was dat niet zo, dan had ik hem waarschijnlijk een appje gestuurd.
Alweer eentje, zou hij waarschijnlijk gedacht hebben.

Maar ik had het wel moeten doen. Ik had wel moeten afstappen, had die foto wel moeten maken. Waarom was ik te beroerd om even de duintop van het Snijderspad te beklimmen, trouwens? Morgen hebben we daar geen tijd meer voor.
En dan, ik wil die eendenkooi bij Hoorn ook wel eens in het voorjaar zien. En die dahlia’s en die uitgebloeide zonnebloemen ook. Om maar iets te noemen. En ik moet die wandeling nog afmaken. Ik heb trouwens nergens een rugstreeppad gezien! En waarom heb ik niet gezwommen? En opnieuw liep ik niet eindeloos door voorbij paal 19. Watje.
Er valt op Terschelling nog veel onvolkomenheid op onvolkomenheid, tekort op te kort, fragment op fragment en toedoe op toedoe te stapelen. We moeten terug.

17 oktober 2020

Kooiker

Of ik dat echt zou willen, vroeg Mente, nog eens teruggaan naar de slaapkamer uit mijn kindertijd om daar uit het raam te kijken. Zijzelf had er helemaal geen behoefte aan om nog eens een bezoek te brengen aan het huis waar ze als kind woonde, aan het Haagse Chrysantplein. Aanleiding voor vraag en opmerking was het stukje van gisteren. Uitzicht op een klein sprookjeshuis had mij nieuwsgierig gemaakt. Dat resulteerde in een bezoek aan de plek waar dat huisje stond en daardoor moest ik denken aan het uitzicht van mijn slaapkamer ooit en aan een droomhuis uit mijn jeugd. Graag zou ik nog eens uit dat raam kijken, vertrouwde ik de mensheid gisteren toe.
Nu gaf die lang verleden slaapkamer mij uitzicht over bijna het hele Westland. De vuurtoren van Hoek van Holland heb ik al vaker gememoreerd, de kerken van Naaldwijk kon ik in mijn fantasie bijna aanraken, ook de Nieuwe Kerk van Delft kon ik regelmatig zien en als ik maar ver genoeg uit het raam zou hangen, had ik ook de kerk van Poeldijk gezien. Natuurlijk wil ik dat uitzicht nog wel eens meemaken. Al was het maar omdat ik eigenlijk niet goed meer weet of ik de Bartholomeus van Poeldijk nu wel of niet kon zien.
Wat dat droomhuis betreft: daarvan waren er drie en alle drie zag ik ze bijna dagelijks; alleen voor dit huis moest ik bij het slaapkamerraam zijn.

Ik zou het daar gisteren niet over gehad hebben, als ik had geweten wat voor huisje het is dat zo mijn aandacht trekt als ik in Lies uitkijk over de polders. Nu weet ik dat wel. Het huisje staat bij de eendenkooi van Formerum en het wordt verhuurd als recreatiewoning. De andere zes eendenkooien op Terschelling zijn veel beter bewaard gebleven, werd me nadrukkelijk verteld door iemand die me vervolgens naar Hoorn stuurde omdat je daar een gaaf gerenoveerde kooi hebt, waar je nog kunt rondlopen ook. Ik zou mezelf een groot plezier doen door in het voorjaar terug te komen. Dan zou mijn informant me er graag persoonlijk rondleiden.

Als blikvanger wint de kooi van Formerum het, maar wat een oase is die van Hoorn. Bomen en struiken met bijbehorende vogeltjes en in fraaie najaarskleuren verbergen een grote rechthoekige plas met daarin als extra attractie twee eenden waarvan mijn mobieltje suggereert dat het toppers zijn.
De kooi bij Hoorn heeft net zo’n huisje als die bij Formerum, even sprookjesachtig, maar meer dan een plek om te schuilen en je boterham te eten is het niet. Het is een ideale plek.

Zeelui voeren vroeger tot hun 55ste; daarna bleven ze aan wal en werden ze vaak kooiker.
Voor dat varen ben ik gelukkig te oud, maar dat kooiker zijn lijkt me wel wat. Beetje rommelen met al te enthousiast groeiende bomen en struiken en met de takken daarvan de vanggaten van de plas bijhouden. Op je gemak een pijp stoppen, want dat zou ik als kooiker onmiddellijk weer gaan doen, en dan regelmatig de koffie nog eens opwarmen en in een kroes gieten en dan ouwehoeren met een andere kooiker. Op eenden letten hoefde niet meer. Eendenkooien zijn immers cultuurgoed en cultuurgoed staat voor wat niet langer echt is; er worden helemaal geen eenden meer gevangen. Wat die pijp betreft: die zou ik alleen maar stoppen, als een vorm van cultuurbehoud, niet meer aansteken natuurlijk. Roken? Dat doen we niet; dat is zo premillenniaal.
Plotseling vind ik dat wel een beetje jammer, even. Minder moeite heb ik met die opgewarmde koffie die ik stiekem in de bosjes zou gooien.

16 oktober 2020

Keuken met uitzicht

Het appartement combineert keuken, huis- en eetkamer op een oppervlakte van vier bij drieënhalf en toen ik me uitrekte vanmorgen sloeg ik met mijn handen tegen het plafond. Daar staat een weids uitzicht tegenover. Ooit droomde Mente van een keuken met uitzicht. Het bleef bij een droom, behalve deze week dus.
Boven het aanrecht nodigen ramen je uit om de polder in te kijken, een verademing die kan duren van ochtendrood tot avondrood. ‘s Morgens, als ik de gordijntjes open doe betrap ik vlak onder het raam de vogels die ik koperwieken noem, al ben ik niet overtuigd van mijn eigen determinatie. De dag door – maar een groot gedeelte daarvan tref je ons aan op onze fietsen of in onze wandelschoenen – speelt nu eens het zonlicht en dan weer de wind zijn mogelijkheden uit op de lucht en het gras en steeds is er prettig samenspel van lijnen (slootjes, hekjes, weggetjes).

In de verte wordt al dat groen van de polder onderbroken door een ruime boompartij met een huisje. Het oog vertelt ons dat het vlak voor de waddendijk ligt, maar niet of het wel echt een huisje is. Vanmiddag zijn we er naartoe gefietst. Dat viel nog niet mee, want ook in dat opzicht had het oog ons bedrogen. Het ligt halverwege de boerderij waarvan we een stukje huren en de de dijk. Dat is één; twee is dat de diagonale lijnen van de percelen en hun begrenzing ons parten speelden bij de oriëntatie, maar we zijn er gekomen. Het is een bijzondere plek. De laatste tweehonderd meter moesten we door een weiland lopen voordat we werden begroet door een hond die vooral enthousiast was. We hebben om het bosschage heengelopen, op gepaste afstand, want het lijkt me verschrikkelijk voor een bewoner om dagelijks weer een stel nieuwsgierige toeristen op je erf te zien. Behoefte aan bezoek zal vast niet de reden zijn waarom iemand ervoor kiest om op zo’n plek te verblijven. Die iemand is trouwens een man en het huisje, want dat is het, is zo klein dat het niet voor de hand ligt dat er ook nog een vrouw of een andere man woont: vergeet niet dat er in ieder geval een kloeke hond is en die vraagt ook ruimte.

Als kind was ik geïntrigeerd door een huis dat ik vanuit mijn slaapkamerraam kon zien. Het stond ruim 500 meter verderop. Het was omsloten door het glas dat het Westland zo groot en lelijk heeft gemaakt. Het heeft dan ook lang geduurd voor ik het huis vond. Het was mijn sprookjeshuis. Dat er kinderen woonden was me wel duidelijk, want een enkele keer zag ik een vlieger bij het huis. Ook begreep ik dat ik de mensen die er woonden zou herkennen als ik ze zag. Ook zij woonden immers net als wij net buiten Monster.
Toen ik rond mijn tiende het juiste pad eindelijk had gevonden, bleek dat ook te kloppen: er liep een meisje bij het huis dat me gedag zei. Ze vond het blijkbaar niet vreemd me daar te zien.
Vooral de onbereikbaarheid van dat huis is me bijgebleven.

Dat was toen en vandaag is vandaag, vrijdag, kwart voor zes in de avond om precies te zijn. Ik kijk weer naar het huisje in de verte, tussen de bomen. Het ligt er in het aangename avondlicht weer even sprookjesachtig en onbereikbaar bij als vanochtend, toen we er nog niet geweest waren.

Ik zou dolgraag weer eens uit het slaapkamerraam kijken om naar dat sprookjeshuis bij Monster te kijken, dat onbereikbare eiland in een zee van glas.

15 oktober 2020

Kaasschaaf

Als we ergens een huisje of appartement huren, nemen we regelmatig onze eigen kaasschaaf mee. Dat hebben we deze keer niet gedaan, want het is ook een beetje raar. Wél ging het stuk kaas mee dat nog in de koelkast lag. Dat was wel zo praktisch.
Juist dat stuk kaas maakte me eergisteren duidelijk hoe fijn het is om een goeie kaasschaaf bij je te hebben.
De meeste huishoudens kennen een kaasschaaf waarbij ik me afvraag hoe de mensen die daarvan dagelijks gebruik maken gelukkig kunnen zijn. Wij gingen ooit ons huwelijk in met een kaasschaaf uit Noorwegen, eentje met een tinnen handvat met Noorse motieven.
Van meet af aan droeg ze bij aan ons geluk. We hoefden maar even elders te ontbijten om te weten wat anderen met kaasschaven aan ellende hebben uit te staan. Je moet veel kracht zetten om door de sleuf in het blad van de schaaf een ordentelijke plak kaas tevoorschijn te laten komen. Dat had, en heeft nog steeds, te maken met de wijze waarop die sleuf in het blad is aangebracht. Meestal is dat een rechttoe rechtaan getrokken sleuf waarvan de randen strak en uiteraard evenwijdig van elkaar lopen. Er is ook een variant waarbij de sleuf niet recht is maar een flauwe s-vorm aanneemt, al zie je die amper meer. Onze Noorse schaaf had ook een rechte gleuf. Het verschil was dat de randen ervan niet strak waren maar ribbelden. Zoiets levert gezellige plakjes op waarbij die een vriendelijke associatie met de ribbels op het strand oproepen. Dat is mooi meegenomen, maar veel belangrijker is het gemak waarmee zo’n plakje zich tevoorschijn laat snijden met zo’n schaaf, zo’n Noorse schaaf dus.
De schaaf met het tinnen handvat ging twintig, dertig jaar mee; toen brak het blad af. Toen ook schaften wij maandelijks en soms meer dan maandelijks een nieuwe kaasschaaf aan. We probeerden traditionele gevallen, maar ik herinner me ook een geavanceerd geval met een strak gespannen draad en een rollend cilindertje. Dat ding gaf dikkere plakken; vervelender was dat het snaartje vrij snel brak.

De Noorse kaasschaaf kwam in ons leven door onze Noorse schoonzus. Nu was die niet meer onze schoonzus toen de kaasschaaf brak, maar de relatie was dusdanig dat we haar wel konden vragen om bij gelegenheid weer een kaasschaaf uit Noorwegen voor ons mee te nemen.
Dat is gebeurd en intussen doet de nieuwe Noor, nu met een eenvoudig grenenhouten handvat, ook al meer dan twintig jaar zijn werk uitstekend.

Ik kan je Terschelling aanbevelen, of de Achterhoek, of Thüringen of Bretagne, maar als het om kaasschaven gaat, moet je echt naar Noorwegen.

Het stuk dat we uit Utrecht meebrachten, droeg dinsdagochtend nog de charmante sporen van de ons zo vertrouwde schaaf en de schaaf die we in Lies aantroffen, leverde bij het ontbijt met het grootste gemak, twee, drie ordentelijke plakken. De vierde ging al moeilijker. De kaas begon te golven. Daardoor leek de schaaf af en toe over de kaas uit te glijden. Kijk, dat gebeurt je niet met een Noorse schaaf.

De meegebrachte kaas is intussen op en de Terschellinger kaas die we gekocht hebben, smaakt minstens zo lekker. Ook bij dit nieuwe stuk werden de eerste plakken moeiteloos afgeleverd, maar daarna begon het moeizame trekken en het onbeheerste golven van de kaas.
We genieten van Terschelling. Voor een volgend uitje noteer ik alvast: kaasschaaf.
En eigen koffiefilter. Maar dat is weer een ander verhaal.

14 oktober 2020

Verrassing

Gisteren genoten we in West in een horecagelegenheid van een lunch. Dat zou voorlopig het laatste bezoekje aan een restaurant zijn.

Tijdens die memorabele lunch draaide de wind. We waren door bos en duin van Lies naar West gefietst in de veronderstelling dat we straks, op de terugweg, riant langs de Waddendijk terug konden zeilen. Zo ging het niet, maar we hebben er ook niet onder geleden.
Een paar uur daarvoor kwam die wind nog onmiskenbaar uit het zuidwesten. Dat merkte ik toen ik aangekleed en wel bij het aanrecht stond om thee te zetten. In het groen dat direct achter het raam boven het aanrecht begint, zat een zwarte vogel met een kuif. Vooruit: kuifje, maar wel onmiskenbaar. Kortom een vogel om even op te zoeken.
Toen hij zich omdraaide blies de al genoemde zuidwestenwind het kuifje weg en bleek de vogel een merel te zijn.
Vanmorgen schoof ik de gordijnen open en het blad van de wilg in de verte wilde overduidelijk naar het zuidwesten toe. In het gras zaten tien, vijftien vogels waarvan ik nu zeker wist dat het geen merels waren, al waren deze even groot. Ze waren bruin, hadden een duidelijke tekening en bij de borst waren zij rood.
Kramsvogels! dacht ik. Foto! dacht ik vrijwel gelijktijdig. Op de camera zat niet de goeie lens, maar als het om vogels gaat, moet je eerst klikken en dan pas denken.
De ruiten hebben dubbel glas en dat kan een fotograaf parten spelen, maar voor de vogels in het gras vormde dat glas geen enkele belemmering. Hoorde ze het klikken van het fototoestel, zagen ze mijn bewegingen? Ik weet het niet, maar de een na de ander vloog weg en mij bleef niets anders over dan de thee op te schenken en te kijken of het inderdaad kramsvogels waren die ik had gezien.
Het waren koperwieken. Bij de omschrijving op de wadvogelapp, lees ik dat je een grote kans hebt ze aan te treffen. Ook lees ik dat het een wintergast is en omdat we nog maar in oktober leven, maakt dat de trefkans iets kleiner en dus het geluk van deze ontmoeting een tikkeltje groter.

Ik ben er wel blij mee, met die koperwieken. Mentes grootmoeder bracht haar laatste jaren door in de Koperwiek, een verzorgingstehuis in Bilthoven, dat zijn naam niet ontleende aan het besef dat wij allen ten diepste trekgasten zijn, maar aan het feit dat het complex aan de Koperwieklaan lag, zoals je aan de overkant de Bosuillaan had. Regelmatig, als we er voor een bezoekje aan oma naar binnen liepen, vroeg ik me af hoe een koperwiek er uit zag. Die vraag was ik al kwijt voor ik een voet op de eerste traptree had gezet, dus aan een antwoord kwam ik nooit toe. Nu dus wel. Ik denk dat oma er de hand in had.

In de zomer van 1997 kampeerden we op Terschelling. Op een ochtend hing er een briefje bij het kantoortje van de camping met een mededeling voor ons. We moesten oma bellen. Nu hadden we er toen nog drie, dus we begonnen met de verkeerde, maar nummer twee was raak. We waren gebeld vanuit de Koperwiek. Er was niets aan de hand met oma, toen 94, maar ze had besloten om een flink bedrag aan ons over te maken. Daarom wilde ze een banknummer en ze wilde er wel even voor bedankt worden, zo was oma.

Op het strand hebben we naderhand met de kinderen iets gedronken met gebak erbij.
Nu weet ik hoe koperwieken er uit zien en ik denk aan oma.

13 oktober 2020

Terschelling

Vroeg ik me ooit af wat Terschelling betekent en waarom het zo heet? Nee, dat vroeg ik me nooit af en dat verbaast me. Anders dan Schiermonnikoog kent Terschelling een lange politieke en economische geschiedenis en Schiermonnikoog mag zich dan wel verheugen in een veel toeristische en een klein beetje culturele belangstelling, Terschelling verslaat op dat gebied zijn duizenden. Maar nogmaals, waarom het zo heet, heb ik me nooit afgevraagd. Dat geldt ook voor de namen van de drie andere Waddeneilanden, al zal Vlieland geen verrassing opleveren en Ameland waarschijnlijk ook niet. Maar dat zoek ik straks uit, na dit stukje, niet nu.
Terschelling betekent aan of bij de schelling en de oorspronkelijke betekenis van schelling is scheiding of grens. Dat komt mooi uit, want hier houdt Friesland en in vroeger tijden Holland echt op.

Dat van Schiermonnikoog leerde ik van meester Rijper. Nou ja, hij was de eerste die ik het heb horen vertellen, maar niemand viel mij dus lastig met de herkomst van het woord Terschelling. Overigens heette dat oorspronkelijk Wicsele. Duizend jaar of langer geleden groeiden er een eiland en een zandplaat aan elkaar. Het eiland heette Wicsele en de zandplaat Schelling.

Dat vind ik allemaal op internet, maar dat ik begon na te denken over de naam heeft te maken met een boek dat ik aantrof in een appartement in Lies, dat is een dorpje op Terschelling en het appartement maakt deel uit van een boerderij. In dat boek lees ik hoe op 19 augustus 1666 de Engelsen een enorme Hollandse vloot in de brand staken. Dat gebeurde tussen Vlieland en Terschelling, in de 17de eeuw een belangrijke doorgang voor koopvaardijschepen; Harlingen, Vlieland en Terschelling speelden bij de handel met de Oostzee een belangrijke rol.
De dag daarop, op 20 augustus dus van dat omineuze jaar, staken de Engelsen in West een aantal huizen in brand, in het volle vertrouwen dat de wind hun werk af zou maken. Dat vertrouwen werd niet beschaamd: exacte getallen ontbreken maar het zullen bijna 200 huizen zijn geweest die in de as werden gelegd. Veel mensen verloren daarbij het leven. In het boek over die droefstemmende rampen kwam ik de naam Schelling een enkele keer tegen in een andere combinatie dan het vertrouwde voorzetsel en toen pas dacht ik: hé… Zo is dat gekomen.
In West zelf troffen wij vandaag niets dat herinnerde aan de desastreuze slag en de verschrikkelijke brand de dag daarop, al moet ik zeggen dat we het museum daar niet binnen zijn gelopen. Dat komt er misschien nog van.

We zitten in Lies. Waarom dit dorp zo heet, weet ik ook al niet, maar wel kan ik je vertellen dat de naam een bijzondere betekenis moet hebben voor de jongen die met zijn moeder langs het plaatsnaambord fietste. Nee, die met zijn moeder afstapte bij dat bord. De jongen zette zijn fiets onder het bord en probeerde dat via die fiets te beklimmen, terwijl zijn moeder er met haar mobieltje foto’s van maakte. Het lukte niet, dat klimmen. Daarom zei de moeder dat de jongen maar onder het bord moest gaan staan en dat deed hij.
Wat een teleurstelling voor hem dat hij niet als een ridder te paard op Lies zat, maar een beetje lullig onder dat bord moest staan. Zo ging hij op de foto.
Voor de moeder en haar zoon was zonder meer duidelijk wie of wat Lies was.
Ik weet nog steeds niet waarom het hier zo heet.
Aangenaam is het er wel.

11 oktober 2020

Bietjes

Niet alleen de spruitjes die we straks eten hebben een bijna sacrale betekenis gekregen, ook bietjes hebben dat. Bietjes of krootjes. Dat alleen al maakt deze rode knollen zo bijzonder, in geraspte staat, maar ook als dunne plakjes kan ik ze aanbevelen. Willlem hoorde bij De Soos, dat is de inner circle van gezinnen in mijn kinderjaren waarbij de ouders met elkaar bevriend waren maar ook de kinderen vriendjes of vriendinnen waren van elkaar. Willem trok veel op met mijn grote broer en daarom zat ook hij regelmatig bij ons aan tafel. Ook die keer dat we kroten aten en die lustte hij niet. Mijn vader barstte in lachen uit. Dit waren helemaal geen kroten, zag Willem dat dan niet? Nou ja, ze leken er inderdaad wel een beetje op, maar ze smaakten heel anders. Hier ging het namelijk niet om kroten, dit waren bietjes. Willem hoefde ze niet te eten, maar hij moest het wel even proberen, al was het maar om te merken dat ze inderdaad heel anders smaakten dan kroten.
En zo was het ook. Willem at ze met smaak, ook toen hem duidelijk werd dat hij beduveld was.
Ik kende mijn vader en was dus een van de ingewijden, maar juist daarom ervoer ik het als een wonder. Het wonder van de transsubstantiatie. We lachten er allemaal wel om, ook Willem en ook ik, maar hier was toch iets gebeurd waarvan de smaakpapillen leken te getuigen. Het was het raadsel, de al dan niet magische kracht, van de taal.
Aan krootjes dan wel bietjes is het wonder blijven kleven. Doorgaans veer ik niet enthousiast op als er bietjes op het menu staan, maar eenmaal aan tafel vind ik ze altijd weer lekkerder dan ik me had voorgesteld. Bietjes vallen altijd mee. Het zijn troostrijke knollen.

Ze zijn ook onlosmakelijk verbonden met een donderdagavond in november, helemaal aan het begin van de jaren tachtig. Na de spruitjes, terwijl ik met een onwillige brugklasleerling aan de telefoon zat, schoot Mente voorover en kroop over de vloer: de weeën waren begonnen.
Niet veel later sjeesden we in ons rode autootje naar het ziekenhuis waarbij Mente tijdens een wee de bietjes langs dezelfde weg weer kwijtraakte waarlangs ze naar binnen waren gekomen. Ze bleken de wegbereider van ander rood waarmee, via een heel andere kanaal, onze oudste geboren werd.
Het lijkt me niet verstandig om dit als een metafoor te zien, dat zou te ver gezocht en misschien ook wat onsmakelijk zijn. Dat laatste zou ik juist jammer vinden, ik heb liever dat ook hier het wonder het laatste woord heeft, in dit geval van de geboorte.

Bij de bietjes hoort overigens wat mij betreft altijd gefruite ui en wat schijfjes appel doen het ook heel goed.

10 oktober 2020

Spruitjes

Mijn moeder zou vandaag 102 geworden zijn. Het valt me niet moeilijk om een herinnering aan haar op te diepen; ze is lang genoeg bij ons geweest om veel herinneringen na te laten. Toch verschuif ik de aandacht naar haar jongere zus Jo. Dat komt door de spruitjes op het aanrecht, een vooruitwijzing naar de zondag. Die dag is in de beleving van Mente in ieder geval erg gevoelig voor spruitjes en misschien smaken ze dan ook wel het lekkerst. Dat vinden wij namelijk alle twee van spruitjes, dat ze lekker smaken. Graag met een kerriesausje. Champignons en kastanjes doen het er ook lekker bij, maar de spruitjes zijn al genoeg om er de zondag feestelijk me af te ronden.
De vorige keer dat we spruitjes aten, een paar zondagen geleden, zei Mente dat ze bij spruitjes altijd aan Jo moest denken. Tante Jo was ooit de buurvrouw van een groenteboer die zijn zaak dichtbij de Delftse Prinsenhof had. Heel lang geleden, misschien al wel vijftig jaar terug, kwam het ervan dat Jo de groenteboer hielp door spruitjes voor hem schoon te maken. Dat is inderdaad een werkje en blijkbaar zijn er mensen die dat schoonmaken liever overslaan en er daarom geld voor over hebben als een ander dat voor ze wil doen.
In deze verstrekkende service had Jo dus de hand en ze bleef dat doen tot het laatst van haar leven. Daarvan getuigden ook de vlijmscherpe mesjes die ze in de keukenla had liggen en waaraan ik me nog niet zo lang geleden flink sneed toen ik met een van die mesjes een pak koffie open maakte. Of ik Jo daadwerkelijk met die spruitjes aan de slag heb gezien, weet ik niet. Het kost me alleen geen enkele moeite om me haar voor te stellen, met een bak spruiten, een bak voor het snijdsel, een pan voor de spruiten en dat zo bescheiden en vriendelijk ogende maar uiterst vervaarlijk mesje in haar hand. Ze zit in haar sta-op-stoel en maakt schoon.
Als ik het in werkelijkheid nooit gezien heb, dan nog hebben we er vaak over gepraat. Ze heeft me bijvoorbeeld wel eens verteld hoeveel ze ervoor kreeg. Hoeveel, zeg ik, maar ik vond het bijzonder weinig, al weet ik niet goed wat een reëel bedrag is voor het schoonmaken van spruitjes, ook al omdat ik ook niet weet hoeveel een groenteboer aan inkomsten heeft. Jo zelf vond het ook niet veel, maar ze was er tevreden mee en zij telde de bedragen bij elkaar op en zo kwam ze via honderd euro per maand op meer dan duizend per jaar en dan klonk het plots als een aanzienlijk bedrag. In magere jaren was dat bedrag een welkome aanvulling voor het huishoudgeld, later zette ze ook wel geld apart om er bijvoorbeeld een kunstwerk van een aankomend kunstenaar van te kopen. Spruitjes voor de kunst. Je begrijpt dat Jo me ook na haar dood nog zeer dierbaar is.
Daarom was ik ook blij met de opmerking van Mente dat zij bij de feestelijke zondagse spruitjes aan Jo moest denken.

De mesjes zullen weg zijn, de pan en de bak ook. De handen zijn opgeborgen. Jo is uitgediend. Maar nu ik de spruitjes op het aanrecht zie liggen, weet ik dat ons morgen een feestje wacht. De herinnering aan Jo past daar goed bij.
Mijn moeder is daar ook blij mee, krijg ik zojuist door.

09 oktober 2020

Geriefhoutbosje

Het geriefhoutbosje is een aangename plek voor zangvogels, maar ook voor dassen, vertelt een informatiebord in de buurt. Dat verklaart niet waarom er ‘gerief’ staat. Ik ben hier zojuist afgestapt om ongestoord en ongezien te plassen en het resultaat bevalt me uitstekend, maar ook in die richting moet je niet zoeken als je van de hoed en de rand van het indrukwekkende woord geriefhoutbosje wilt weten.
Er staat een bankje en daar maak ik graag even gebruik van om te vertellen dat zich onderweg bijzonder weinig vogels hebben laten zien. Meerkoeten, ja, zwanen ook , maar al veel minder en vaker verder, aalscholvers tegen de wind in, maar wat er ook vloog, som van al die vleugels bleef ver onder het gemiddelde.
Dat ik geen enkele das zie, verbaast me niks. Ik zie nooit een das. Maar wat zangvogeltjes had toch best gekund. Ik zie ze niet, al hoor ik ze wel, in de verte, in het riet.

Nee, niet in het riet, merk ik nu ik een eindje de kant van het geluid op gelopen ben. Ze zitten in een rododendron die zich verbonden heeft met een braamstruik. Daar zitten ze en het moeten er een heleboel zijn, al zie ik er vrijwel niets van. Soms een snel flardje tussen de blaren en de takjes. Af en toe schiet er een vogeltje waar dan ook vandaan de struik in. Het zijn kleine vogeltjes, dat is nu eenmaal het lot van zangvogels en ze zijn van een bruin dat ook al echt bij zangvogels hoort, maar vraag me niet welke.
Ik neem het geluid op met mijn mobieltje -twintig seconden lijkt me wel genoeg - en loop terug naar het bankje bij het geriefhoutbosje.
Een vervelend, beleerderig en erg antropocentrisch woord. Archaïsch ook. Dat ‘gerief’ hoort bij ‘hout’ en zorgt voor een bosje met geriefhout. Maar het hout gerieft helemaal niet meer. Boeren gebruikten takken als bonenstaken, als weidepaaltjes en als brandhout; ik lees het allemaal op het informatiebord dat steunt op twee palen die echt niet van geriefhout zijn gemaakt. Dat geldt ook voor weidepaaltjes aan de overkant van de sloot. Reken er ook maar niet op dat hier brandhout wordt gehakt.
De namen van de in het bosje aanwezige bomen worden ook vermeld. Ik ga ze even langs. De zwarte els: check; de schietwilg: eh, dat schiet- zegt me even niets; toch maar check; zomereik: check. Naar de lijsterbes moet ik even zoeken, maar: check. Een meidoorn? Die zie ik niet zo gauw. De vlier wel: check dus.
Er liggen veren in het bosje, ongetwijfeld van een duif waarmee waarschijnlijk een buizerd aan de haal ging. Die hier in dit bosje dus aardig aan zijn gerief gekomen is. De duif dan weer niet.
Maar kom, het boekje gaat weer dicht. Ik stap weer op.

Iets verder: ik denk dat het mussen waren, in die rododendron.

Nog iets verder: ik weet het wel zeker.

Weer verder: ik zou me moeten schamen.

Op de terugweg: ja.

08 oktober 2020

Door de wijk

De twee neefjes nodigen uit tot een vergelijkend warenonderzoek. We hebben met deze even oude jongetjes nogal ongelijk vlees in de kuip. Op maandag passen we op krijger Tommy met zijn onbedaarlijke hang naar zijn oma, terwijl bij dromer Markus, zo merken we op donderdag, opa met stip op nummer een staat. Daarom viel het afgelopen maandagochtend niet mee om Tommy mee te krijgen naar het speeltuintje. Hij wilde bij oma blijven. ‘s Middags, toen een oudere zus en een vriendin ook aandacht vroegen, wilde hij wel mee met opa. Iets verderop is een speeltoestel, dat ik maar een zwevend tapijt zal noemen: een lange rubberen loper die aan meters uit elkaar gelegen uiteinden aan palen is bevestigd; halverwege wordt de mat ondersteund door een rollende cilinder. Zwevend tapijt is wel een leuke benaming; hoe zo’n geval in het echt heet, weet ik niet.
Tommy vindt hem fantastisch, vooral als er een plasje water in ligt. Hij is in tegenstelling tot zijn neef vast ter been en vindt gedragen worden doorgaans iets voor watjes, niet iets voor hem, behalve dan als het om oma gaat.
Na het zwevend tapijt wilde hij lopen, gewoon lopen, de huizen langs. Bij de speeltuin hebben die geen voortuintjes maar wel bellen die op kinderhoogte zijn aangebracht. Als ik nee zeg, belt hij niet, maar als ik geen nee zeg en ook toevallig niet kijk, doet hij dat wel. Het feit dat ik hem dat verbied, hoort bij het spel. Daarom kijkt ik af en toe expres een andere kant op. Dat is tamelijk risicoloos, heb ik intussen gemerkt, want je ziet vrij snel of er iemand thuis is. Ik was als kind een fervent belletjetrekker, maar toen was ik ouder en maakte juist de onbetamelijkheid ervan dat bellenlellen zo aantrekkelijk. Ik hoop dat Tommy dat ook nog eens zal ervaren, maar dan ga ik niet mee.
Als klein jongetje liep ik graag door poorten. Dat heeft Tommy ook. Hij probeert alle deuren. Vaak zitten ze op slot, maar niet altijd. Ik was als kind veel voorzichtiger dan hij. Ik keek liever door kieren of sleutelgaten. De kans om op al te enthousiaste of vervaarlijke honden te stuiten was toen groter.
Nu is het donderdag. Markus ging zojuist met me op stap. Met zijn minuscule loopfietsje. Het regende net even niet. Ik liep half achter hem. Markus rent niet, maar wijst blijmoedig alles aan dat ook maar even zijn aandacht trekt en benoemt het dan. Dat kom ik bij Tommy niet tegen. Die beperkt zich tot ‘die, die’ als hij ergens je aandacht op wil vestigen. Markus ziet, fofo’s, baadjes, bommen, huis, deur, auto’s en vroemvroems, hij hoort elke tatu en als hij een plas ziet, roept hij ‘kijk, kijk, jegen, wate’ en ‘lase aan’ en dan stapt hij op en rijdt hij drie keer door de plas. Net als zijn neefje trouwens, maar die staart vervolgens niet dromerig naar zijn spiegelbeeld.
Hij viel twee keer met zijn fietsje. De eerste keer stapte hij welgemoed weer op, de tweede keer kwam hij toch met zijn mond op straat. Ik heb hem naar huis gedragen, fietsje in de andere hand.
Thuis zette hij zijn knuffels op de bank, ging er naast zitten, riep ‘deken’ en toen ‘opa hier.’ Ik aaide hem over zijn kale bolletje. Dat deed ik bij Tommy ook, maandag. Onder een dikke bos krullen voelde ik een enorme bult. ‘Boet’ zei Tommy toen ik hem aaide. Dat woord kent hij wel. Daar heeft hij al zoveel ervaring mee. ‘Het is gehecht, hoor,’ vertelde zijn moeder geruststellend.

07 oktober 2020

Groen

Vanaf de bank keek ik naar de achtertuin. Het telefoongesprek vergde niet al te veel aandacht en gunde me alle tijd om vanaf de ene kant van de kamer door de ruiten achter te kijken en plotseling bijzonder blij te zijn met zoveel vol groen daar achter het glas. De witte regen deed afgelopen zomer met zijn matige bloei zijn naam amper eer aan, maar dat kon je je bijna niet voorstellen als je de gulheid van het groen zag waarmee hij nu de pergola volledig onzichtbaar maakte. Het gras leek te roepen om honden of kinderen die er doorheen kwamen rollen. En dan was er de notenboom, veel zware vrucht en wat een blad en allemaal groen. Een paradijselijke nazomer.
Seizoensveranderingen waren in vroeger dagen niet mijn sterkste kant. De frisheid van jong groen viel me al zwaar omdat ik wist dat die vergeefs was; al die subtiele groenen van april, mei en ook nog wel in juni zouden verworden tot een massief en onontkoombaar groen. De maanden die volgden waren er alleen maar om te laten zien dat ik gelijk had.
En nu was dat gevreesde groen er. Volledig. Het zou nog maar één ding doen: verkleuren, afvallen en ten slotte verdwijnen.
Maar vorige week, want dat was het moment waarop ik op de bank aan de telefoon zat, genoot ik van die volheid en omdat het gesprek voortduurde, bleef ik er naar kijken en zag ik dat al dat groen weldegelijk nuances kent.

Sinds vorige week kijk ik iedere dag naar het groen in de tuin. Tot zondag overheerste het nazomerlijke groen en eigenlijk is dat er nog wel, alleen ontstaan er de laatste dagen plukjes geel die ik misschien nog wel meer lichtgroen moet noemen. Dat heet herfst. Intussen is het grasgroen anders groen dan dat van de witte regen, of de Gelderse roos, walnoot, de sering, de vergeefs levende druivenrank en de beukenhaag.

Gisteren waren Gerard en José hier. Heel, heel lang geleden schilderde Gerard regelmatig buiten. Aquarellen. De vellen had hij met papieren plakband kletsnat op een plaat geplakt. Door het drogen spanden die bladen zich. In het grote groen van Holland of Friesland ging hij daar dan mee aan slag. Ik ging wel eens mee. We deelden het plezier van mijn auto en van elkaars gezelschap. In de buitenlucht ging Gerard aan de slag en het papier raakte zo doordrenkt van allerlei schakeringen waterig groen dat je het board met het daarop gespannen vel goed horizontaal moest houden. In de kofferbak stutten we de plaat met een plaid, maar ook ging Gerard wel eens eerst in de auto zitten. Ik wachtte gedienstig en als hij eenmaal goed zat gaf ik hem uiterst voorzichtig de plaat met al dat vloeibare groen aan. Hij hield het liever op schoot. Op eieren reden we vervolgens naar huis. Natuurlijk liep de boel hier en daar toch uit of het liep door elkaar. Daar wist een latere natte kwast wel weer raad mee.
Het was gezellig gisteren. En nu ik weer naar het groen kijk, denk ik aan een schilderij van Gerard, een schilderij in wording. Ik kijk heel voorzichtig, want de wereld is nog nat.
De genade van zoveel groen begon dus een week geleden toen ik aan de telefoon zat. Ik pieker me suf, maar ik kan je niet meer vertellen met wie en ook niet waarover we het hadden. Wel weet ik goed wanneer het was: woensdag tussen drie en vier. Dat weet ik omdat ik toen naar dat groen keek in de tuin.

06 oktober 2020

Halve waarheden en gemakzucht

De druk wordt zwaar. De kapper van Den Bommel weet te melden dat de moeder van Jantje *, Chrisje, niet een textielwinkeltje had aan de Voorstraat, maar dat het om een winkeltje ging aan de Molendijk. Hij heeft het zelfs over een klein winkeltje. Daar verkocht ze wat koffie en thee, wasmiddelen, waarvan vooral de Sunlightzeep hem is bijgebleven, tabaksartikelen, waaronder naast rookwaren ook pruimtabak. En snoep verkocht ze ook. De kapper weet te vermelden dat hij altijd een snoepje kreeg als hij er voor zijn moeder boodschappen deed. Daarbij zei Chrisje steevast: 'Hier, voor een zoete mond.' Dat is een uitdrukking om te onthouden.
De kapper helpt me en passant aan wat data rond ons zeer in de verte gedeelde familielid Jan Bakelaar, een mooie aanvulling voor de genealogie.
Intussen drukt het zwaar: die verkeerde nering en dat niet eens in de goede straat.

Erger wordt het door het mailtje van mijn zwager, wandelmaat en webmaster. In het stukje van zondag** vertel ik dat me in Tanzania ooit verteld werd dat men daar voor blanken de term onmensen gebruikte, ter onderscheiding van wat de oorspronkelijke bewoners van het land zélf waren, namelijk mensen. Hij veronderstelt dat in dat gesprek het woord mzungu is gevallen en dat klopt. Ik herinnerde me dat woord. Sterker: ik heb het afgelopen zondag gebruikt maar het later weggehaald. En ik zal je vertellen waarom.
Als je op internet zoekt naar de betekenis van mzungu, kom je op 'buitenlander' (dat is doorgaans een blanke). Letterlijk betekent het woord: iemand die doelloos of zinloos rondzwerft.
Toen ik dat las, haalde ik het woord uit mijn tekst, want deze betekenisomschrijving paste niet in mijn verhaal. Bovendien: de betekenis die ik daar ooit te horen kreeg in een klein Afrikaans dorp was echt die van 'onmens'. En die past bij de strekking van mijn verhaal. Maar ja, dat klopte dus niet helemaal, merkte ik zondag dankzij internet. Ik liet mij dienen door het gemak en haalde het woord weg. Dat bespaarde me een mogelijke discussie. Het heeft niet geholpen: mijn zwager, hij woonde toen in Tanzania, begreep onmiddellijk welk woord er gebruikt moest zijn.
Dat bedoel ik: de ene lezer draagt je fouten na, de ander wijst je op je gemakzucht.

Vandaag kwam een levenslange vriendschap op bezoek. Er kwam veel heden en verleden en gedeelde belangstelling langs, dus we kunnen nog wel even voort, al kreeg de lange lunch een onverwacht venijnig slot. Had ik gelezen, dat in het Vaticaan een kardinaal de boel voor vele miljoenen had opgelicht. Daarbij was ook 20 miljoen van de privérekening van de paus weggesluisd. Ik had het niet gelezen.
'Maar je leest de krant toch wel?' Inderdaad, ik lees de krant toch wel, maar dit bericht was me blijkbaar ontgaan.
Blijft de vraag hoe het mogelijk is dat een paus die niet een gouden kruis van de Bijenkorf, maar liever een houten pendant van Leen Bakker draagt, en die een op maat gemaakte pausmobiel inruilt voor een overjarige Renault 4, 20 miljoen op de bank heeft staan. Op zijn pri-vé-re-ke-ning! Pee, er, ie, vee, ee!
Ik wist het niet.
'Dat moet je dan maar eens uitzoeken en daar moet je dan over schrijven.'
Nu zijn ze weer weg en ik kijk wat mismoedig naar de achtertuin.
Ik controleerde feiten niet, zette de realiteit gemakzuchtig naar mijn hand en schrijf over walnoten waar ik me op het echte werk zou moeten storten.
Ik kijk naar het grasveld: de walnoten laten me in de steek.

* Zie de OH van 3 oktober
** En 4 oktober

04 oktober 2020

Vreemdelingen

Als we ons heel erg vervelen, kunnen we altijd nog gaan meedoen bij De Rijdende Rechter, al zullen de buren daar dan wel het initiatief voor moeten nemen. Onze walnootboom staat namelijk op ons terrein, en is dus onze boom, maar hij staat amper veertig centimeter van de erfgrens. Dat zou twee meter moeten zijn. Niet als die er langer dan twintig jaar zou staan, maar zover zijn we nog niet.
Deze boom staat er een jaar of tien, denk ik. Hij kwam in de plaats van een grote blauwspar die heel abrupt en op zeer mysterieuze wijze aan zijn einde kwam. Niet lang daarna kwam de notenboom er. Zijn eerste zes jaren had hij bij een kweker doorgebracht. Onze buren stemden van harte in met de komst van de boom. De erfscheiding speelde niet zo'n rol, ook al omdat er toen nog geen schutting was. Intussen zijn de instemmende buren verhuisd. Ze hebben de afgelopen week nog wel een zak walnoten gekregen van wat ooit toch ook een beetje hún boom was. Wat ooit aan hun kant viel, was ook voor hen.
De nieuwe buren zijn even inschikkelijk. Intussen staat er wel die schutting, maar daar lachte de boom om en vrolijk laat hij zijn noten ook voorbij de erfgrens vallen. Die zijn nog steeds voor de buren. En met die buren hebben we dus afgesproken dat we ons gaan melden bij Meester Visser of die andere man als de verveling toeslaat. Dat moet dan wel binnen tien jaar gebeuren, begrijp ik.

De noten die bij de buren vallen, doen hun naam eer aan. Ik leg het uit. Het woorddeel '-wal' betekent Keltisch, maar dat is een toegespitste betekenis. Oorspronkelijk is het de aanduiding voor alles wat en vooral iedereen die niet Germaans was en dat waren in negen van de tien gevallen die verrekte Kelten.
Even een verhelderend zijspoor: in Tanzania vertelde iemand me ooit dat in zijn taal de eigen groep werd aangeduid met een woord dat mens betekende, in ruimere zin betekende het alle donker gekleurde mensen zoals men die van oudsher kende. De blanken werden aangeduid met een woord dat niet-mens, desnoods onmens betekende.* Het werd me lachend verteld: ik was de enige witte in verre omtrek. Zo werkt het dus: je hebt een wij en je hebt de anderen. Het woord 'Wales' en ook 'Wallonië' danken er hun naam aan, wat me wel een beetje verbaast, want dat zou betekenen dat ze zich de 'aanduiding' van vreemdeling eigen hebben gemaakt.
Dan wordt het nu echt tijd om terug te keren de notenbomen. Die kwamen oorspronkelijk voor in Zuid-Europa, niet-Germaans gebied dus, waar vreemde wezens een vreemde taal spraken (koeterwaals) en bomen hadden met vreemde noten, die daarom walnoten werden genoemd. Het zijn de noten van de anderen, van de vreemdelingen. En dat zijn altijd je buren: de Kelten naast de Germanen, de romaanse volkeren naast diezelfde Germaanse stammen en dus ook de mensen van nummer 20 naast en tegenover de vreemdelingen van nummer 18.
Daarom ook zijn de noten die hier naast in de tuin vallen vreemde noten, walnoten, terwijl omgekeerd de noten die wij op ons erf rapen voor die van hiernaast de vreemde noten zijn, ook weer walnoten. Maar heel andere, ook al komen ze van dezelfde boom, vallen ze gelijktijdig en smaken ze hetzelfde, het zijn heel andere noten dan die van de buren. Dat is toch duidelijk! Anders waren ze wel daar op de grond gevallen.
Da's logisch.

* Ik heb twijfels bij deze uitleg.

03 oktober 2020

Jan van Chrisje

De dag voor mijn bezoek aan kapper Bakelaar in Den Bommel, veertien dagen geleden, had ik nog wel even gekeken of zijn naam, en daarmee familie van hem, ook in de genealogie van de mijne voorkwam. Ik vond twee verschillende Bakelaars. Beiden hadden zich gelieerd aan een Borgdorff, maar dan eentje van de tak van de broer van mijn overgrootvader, geen directe familie dus.

In 1916 trouwde Johanna Christina Borgdorff met Pieter Bakelaar en ruim een jaar later werd hun zoon Jan geboren. Johanna Christina is de vrouwelijke variant van Johannes Christiaan en die naam kom je niet vaak, maar zelfs heel erg vaak tegen in de stamboom van de Borgdorffen. Vrijwel alle mannen met die naam luisteren als je Chris roept. Dat blijkt ook te gelden voor de moeder van Jan Bakelaar.
Zij had een textielzaak in de Voorstraat, een zoon en een man.
Als ik de kapper goed begrepen heb, is dat de goede volgorde. Hij wist te vertellen dat Jan van Chrisje familie van hem was. Zo zei hij dat. Hij had het niet over Jan of over Jan Bakelaar, het was: Jantje van Chrisje. Zo werd de jongen en later de man altijd genoemd, tot zijn dood in 1968, dus oud is hij niet geworden. Moeder Chrisje heeft hem overleefd, nipt. Zij overleed in maart 1969, een maand later zou ze 81 geworden zijn.
In het genealogieboekje kent Jan Bakelaar, Jan van Chrisje dus, geen vervolg. Dat zal een puur praktische reden hebben. Het boekje volgt de mannelijke lijnen en dat maakt het nageslacht van Chrisje niet interessant genoeg. Als dat de reden mocht zijn, zou dat wel jammer wezen en ook niet terecht.
Intussen heb ik de kapper zojuist even gebeld om hem te vragen of zijn verre familielid nog trouwde en kinderen had. Hij weet me te vertellen dat Jantje geen broers of zussen had en nooit een partner heeft gekend. De eenzaamheid op bladzij 13 van wat een parenteel heet, is veelzeggend.
Er staat: ‘Uit dit huwelijk:
1. Jan Bakelaar, geboren, 11-11-1917 te Den Bommel, overleden 1968.’
Het cijfer 1 is nomineus: het maakt het gemis van een nummer twee voelbaar. Droefmakend is ook het ontbreken van een exacte overlijdensdatum.
En dan heette deze Jan Bakelaar in het dorp waarin hij het levenslicht zag en waar het hem ontvlood Jantje van Chrisje.
Dat lag ook voor de hand, vertelde de kapper. Niemand kwam om Chrisje heen. Zij was een zeer aanwezige vrouw, een instituut, geen BN’er weliswaar, maar wel een BB’er, een bekende Bommelse.
‘Een echte Borgdorff,’ zei de kapper bij mijn bezoek twee weken terug.
Ik wilde wel weten wat dat was.
Dat waren mensen waar je niet omheen kunt. Op een of andere manier vestigen ze altijd de aandacht op zichzelf. ‘Dat gaat gewoon zo.’
Even dacht ik aan Willem Engel, aan Dorien Rose Duinker en andere influencers waar ik zo huiverig voor ben.
Op de bank bij de kapper nam ik me voor om me heel bescheiden op te stellen.

Waarom ik op deze grijze morgen aan Jantje moet denken, weet ik niet. Net als zijn vader leefde hij tot in de dood in de schaduw van Chrisje, zo’n Borgdorff waardoor anderen niet aan het licht komen.
Misschien waren ze wel heel gelukkig met elkaar. Dat kan ook. Ik weet het niet.

02 oktober 2020

Walnoten opschenken

Terwijl ik koffie zet, kijk ik de tuin in om te zien of er weer wat noten liggen. Het worden er minder, maar als het water nog maar net kookt, kom ik de keuken in met zeven vers geraapte bruine knollen. Koffie gaat hier op de klassieke manier waarbij een echte oudhollandse hand het water opgiet en er even gewacht wordt op het moment dat het de moeite loont om opnieuw water op te gieten. Dat duurt niet lang, maar wel lang genoeg om te constateren dat het gras buiten, er mooi groen bij ligt en ook dat de walnootboom nog vol in blad zit, al verkleurt er hier en daar wat blad. Tussen het blad hangen nog wat beloftes van noten en dat in drie varianten: in volledig gesloten bolster, veel vaker een open gesprongen bolster en, drie, als noot waarvan de bolsterslippen blijkbaar al op de grond gevallen zijn. Het dringt, na een tweede keer opschenken, tot me door dat ik naar de boom sta te kijken zoals iemand naar een peuter of kleuter kijkt die aan zijn of haar zorgen is toevertrouwd. Dus zoals ik naar de oren of de schoenen van mijn kleinkinderen kijk. Verschil is dat ik de boom met rust laat, al pluk ik een doodenkele keer een noot uit de boom, als ik daar bij kan. Even komt mijn moeder weer langs: ze heeft een washandje in haar hand en daarmee valt ze mijn oor aan. Een punt van de washand dringt hardhandig door in alle gootjes, gangetjes, heuvels en dalen die een oor rijk is. Het is zeer onaangenaam, ook al is het goed bedoeld. Gelukkig duurt het niet lang, ongelukkig genoeg had ik twee oren. Ik schrijf dat, niet omdat ik die oren niet meer heb, maar omdat mijn moeder me niet meer met een washandje te lijf gaat, al heel lang niet meer. Al heel lang behoor ik bij de groep van belagers. Goed, daar zal de boom geen last van hebben. Maar ik betrap mezelf erop dat ik hem bekijk zoals ik dus naar kinderoren kijk.
Met drie keer opschenken is de koffie klaar.
Er staan nu twee ondiepe manden met noten op de grond. De kans om een beeld te krijgen van een totale oogst is allang verkeken. Mente heeft her en der al zakjes met noten uitgedeeld, hopelijk met de mededeling dat je ze beter nog een week of drie kunt laten drogen.

Intussen krijg ik foto's van de oogst in Oeken. Daar hebben vrienden een tuin waarbij die van ons in het niet valt, met daarin een walnotenboom waar de onze van zou schrikken en slikken, zo overdonderend groot. Mijn vriend de computerman heeft er misschien wel een dagtaak aan en als die noten niet zo'n tijdelijke aangelegenheid zouden wezen, zou ik hem voortaan misschien maar beter de notenman kunnen noemen.
Op één van die foto's? wacht, ik schenk even koffie in, en dan zoek ik die even op? zit hij gehurkt voor een platte bak met noten. Zoals een jongetje op de grond speelt met zijn auto's, of nee, met zijn elektrische treintje.
De mededeling bij de foto's is geruststellend. Als die van ons op zijn, dan kunnen we altijd nog bij de computerman en de hem dierbare sociaal werkster terecht.

Ik had nog iets over de herkomst van het woord walnoot willen schrijven. Dat moet ik maar even uitstellen. Misschien morgen, misschien ook niet.
De brievenbus kleppert. Dat zal een klein jongetje wezen. Kijken hoe het met zijn oren is.

01 oktober 2020

Zat

Ook deze week ontrolt zich het leven als een geknoopt tapijt met lijnen, motieven en kleuren die kinderen in de jaren vijftig (toen die tapijten er nog waren) ertoe brachten om daar een compleet wegenplan in te zien waarover ze hun autootjes konden laten rijden. Dit beeld dank ik aan gisteravond toen zo'n kleed en een daarbij behorende auto bij een Biltse vriendin boven kwam, die als kind nooit met poppen speelde maar wel met auto's (en eigenlijk was het er maar eentje). In die herinnering was het kleed geen beeld, maar kleed, én plattegrond. Het was niet het beeld van iets wat steeds maar terugkeert, zoals dat ook in het leven gebeurt.
Ik gebruik dit beeld van het kleed om de boel wat te relativeren, want zolang de banen, de krullen, de cirkels, de vierkantjes, de bloemmotieven, het wit, donkerrood, zwart, blauw en bruin er zijn, kent het bestaan voldoende variatie om draaglijk te zijn. En zo is het ook.
Maar als ik alle variatie weg zou denken van dat kleed, om alleen die vorm en die kleur over te houden die deze week dominant waren, dan komt dat neer op iets tussen bruin en zwart en afgebroken lijnen, en in niets uitlopende krullen. Dat is het gevoelskleed van deze week.

Ik mag niet klagen, en dat probeer ik nu ook echt niet te doen, maar ik word meneer Covid en mevrouw Corona meer dan zat. Heel onaangenaam zijn ze niet voor me geweest: ze hebben niet aangebeld en ik heb amper levensingrijpende maatregelen hoeven nemen om ze buiten de deur te houden, nogmaals het kleed kent veel vormen en kleuren, maar ik word het zat.
Het gepraat erover, de briefjes bij de winkels, de schermen, de onmogelijkheid om zomaar een museum in te stappen, de intekenlijsten, die smerige, stinkende, nare, desinfecterende gel. Het geregel voor de kerk, de onmenselijke vergaderingen.
En dan moeten we nu ook alles wat we voorzichtig aan het opbouwen waren weer afbreken. Er waren een toneelvoorstelling, een concert en een festival, een bijzondere vergadering. Er waren ideeën en mogelijkheden. Je belt die en die op, chartert hem of haar, regelt hier en handelt daar en zo verder en dan zijn er weer van die maatregelen.

En dan is het toch maar beter dat het niet door gaat of op een onaantrekkelijke manier. En dan moet je daar iets van vinden. En dan zegt een ander dat het wel kan en je zou zelf ook willen dat het nog wel door kon gaan, maar je denkt dat het niet kan, en dan zeg je toch dat het misschien inderdaad wel kan en dan even later realiseer je je dat het niet kan en dan zeg je dat ook, maar dan lees je dat je zelf hebt gezegd dat het wel kan en dat zou je ook willen; daarom zei je dat het wel kon, maar nu zeg je dat niet meer en je vindt het stom dat je vierentwintig uur geleden iets anders dacht en zei, en niet omdat je er toen nog anders over dacht, maar omdat je anderen ter wille wilde zijn bijvoorbeeld, maar omdat je het zei waren anderen het er mee eens, maar je had je mond moeten houden, je had er eerst nog eens goed over moeten nadenken, je had je beter moeten laten informeren. En al die tijd zit dat dus in je hoofd, terwijl je walnoten raapt, terwijl je een pak koopt, terwijl je gaat lunchen met een psalmist, een peuter op de wip zet.

Nogmaals het levenskleed kent deze week veel schakeringen, ik weet het, ik weet het heus wel. Ik zie ze ook wel. Dat hoef je me heus niet te vertellen, hoor. Hou toch op!