20 februari 2026

Hier in huis hangen hier en daar tekeningen of etsen die zo klein zijn dat je ze zomaar over het hoofd zou zien als er geen kloek passe-partout met daaromheen een lijst was geweest, niet opvallend, maar genoeg om jou te helpen ernaar te kijken, want die etsjes en tekeningen hangen er in al hun bescheidenheid om gezien te worden.
Zulke verhaaltjes zijn er ook, klein maar waardevol. Dit is het verhaal van Beatrice en Piet, hier uit de straat. Daar ken ik ze van, maar ook van een reisje naar Assisi jaren geleden. Beatrice en ik gingen ook mee en na die tijd kwamen we elkaar niet alleen regelmatig tegen maar stopten we ook voor een praatje, vaak ook met Piet. In de kerk zagen we elkaar als er oecumenische vieringen waren. Altijd groeten, altijd een praatje, nooit bij elkaar over de vloer.
Vorig jaar overleed Beatrice. Dat maakte me verdrietig. Ik was meer op haar gesteld geraakt dan je uit onze contacten zou kunnen opmaken, behalve als je goed naar ons gekeken had. Er trok altijd een onweerstaanbaar en brede glimlach over ons gezicht. Bij mij voelde ik die, bij Beatrice en ook bij Piet kon ik die zien.
Dat ze bij de familie De Jong – ik heb het hier namelijk over Piet en Beatrice de Jong – van kleine dingetjes hielden – beeldjes, plantjes –
kun je zien als je langs hun huis loopt. Je kunt je beperken tot de vensterbank. Vooral Beatrice was de verzamelaar. Zo kocht ze ooit een stel kaarsjes in een plastic houdertje, een soort devotielichtjes, met daarop een afbeelding van de heilige Martinus. De katholieke kerken in Utrecht vormen samen de Martinusparochie, wat niemand verbazen zal omdat Sint-Maarten de beschermheilige van onze stad is.
Nu, een jaar na het overlijden van Beatrice, vond Piet het tijd dat hij die Martinuslichtjes van Beatrice eens ging uitdelen. Hij zou ze geven, besloot hij, aan mensen van wie hij wist dat zijn Beatrice daar een zwak voor had.
Anderhalve week geleden was er een oecumenische kerkdienst en na afloop stond ik met mensen te praten toen Piet er zomaar tussen kwam. Hij stond pal naast me. Hij verontschuldigde zich, maar hij moest even iets kwijt. Hij was zo weer weg. In het kort deed hij het verhaal van de lichtjes van Beatrice en van zijn besluit. En dat terwijl hij me zo’n lichtje in mijn handen duwde. Hij maakte meteen aanstalten om weer te verdwijnen, maar was niet snel genoeg: ik kon hem met in mijn ene hand een kop koffie en in de andere het lichtje van Martinus, nog net een zoen geven.
Nu zijn wij flinke mannen, dat zul je begrijpen, dus er kwamen geen tranen. Niet bij hem en niet bij mij, maar het had niets gescheeld.
Het lichtje staat op het cilinderbureau, voor een rijtje boeken, als een miniatuurtje. Het ontroert me, vanwege Beatrice, die er niet meer is, vanwege Piet, met zijn gebaar.