12 januari 2026

Vorige week zaterdag – negen dagen geleden alweer – haalde Sam voor mij een koffiekan in huis. Die zou ik een paar dagen later wel mee naar mijn eigen huis nemen. Dat is niet gebeurd, omdat ijs en weder niet ons dienden, maar wij het hoofd hadden te buigen voor ijs en sneeuw. Jammer van die uitgestelde koffiekan, maar er stond veel goeds tegenover, in de vorm van voetstappen in de sneeuw, de koppeling van een sneeuwwandeling aan schouwburgbezoek en vooral eten in een restaurant aan de overkant daarvan, nog meer vreugden. Én de kerstboom bleef langer in huis. Vanmorgen maakte ik de foto boven dit stukje en nu pas, terwijl ik dit schrijf, tuigt Mente de boom af. Aftuigen is overigens een vervelend woord; liever: zij haalt de versiering eruit (ik daarna de lampjes). Met een zeker mededogen zag ik tijdens mijn wandelingen op straathoeken heel wat hopen met afgedankte kerstbomen. Ze zouden opgehaald worden, maar daar zag de vuilnisdienst blijkbaar te veel tegenop met al die sneeuw en die gladheid. Dus de bomen bleven waar ze waren neergekwakt. Ondankbaar jegens de bomen en onbeschoft* jegens buurtgenoten, maar dat zijn geen verrassende bevindingen. Daar staat dan dit weer tegenover: toen ik vorige week wandelingen maakte in de buurt en soms wat verder weg en bij mensen naar binnen keek, viel me juist op dat er nog heel veel bomen in de kamers stonden. En ik vermoed dat in die huizen dezelfde overwegingen hebben gespeeld als bij ons. ‘Waren de mensen als ik zo wijs, de wereld was een paradijs,’* zeg ik graag en ook nu voelde ik me daarin bevestigd. Ik vertel dit
met gepaste bescheidenheid. Nog iets over de wandelingen: de meeste mensen die ik tegenkwam, keken me glimlachend aan en groetten. Zomaar, hoefde ik niks voor te betalen.
Wij hebben een boom met een kluit. Die boom gaat straks weer terug naar het hoveniersbedrijf waar we hem kochten. Daar wordt hij weer teruggezet in de grond. De tijd moet dan leren of diezelfde boom het redt en over een, twee of drie jaar weer uitgegraven kan worden. Begrijp me goed: we huren die boom niet. Straks, daags na Sinterklaas, koop ik bij dezelfde hovenier een boom die mij aanspreekt. Het zou wel heel toevallig wezen als dat een boom is die ik ooit eerder kocht, maar het zou kunnen. Eventueel.
Een teruggeplaatste spar. Kon ik maar op nog meer fronten zo makkelijk mijn geweten sussen als met een boom die na een onderbreking van een maand verder leeft in de hem eigen biotoop. Ik weet wel beter. We kunnen niet zonder schuld leven, al was het maar omdat ik de boom met de auto terug breng. Samen met die van Annette, dat dan weer wel. Zij rijdt overigens, anders dan bij de aankoop, niet mee. Dat is begrijpelijk. Daarmee mist ze wel het aangename moment waarop de blote kerstbomen in een hoekje van het hoveniersbedrijf worden neergezet waar al andere teruggebrachte bomen staan. Twee jaar geleden werden de toen daar verzamelde bomen juist weggehaald toen ik onze boom afleverde. Ze werden ver naar achteren gereden, naar de velden waar sparren goed kunnen gedijen.
Nu de vorst verdwenen lijkt en de wortelkluit niet onmiddellijk bevriest, mag de boom wel weer naar buiten om achter Groenekan in de grond gezet te worden. Misschien rijd ik er vanmiddag even heen, anders morgen.
* Mente heeft liever dat ik dit woord niet gebruik.
** Een even persoonlijke als scherpzinnige variant op een tegeltjeswijsheid.
Waren alle mensen wijs,
de aarde zou zijn een paradijs.