Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

Tijdens de wandeling

Luchttekenen   

Kustpad van Hoek van Holland naar Loosduinen
06 februari 2018

Kon ik maar luchttekenen. Luchttekenen is en plein air, dus op locatie, uit het hoofd tekenen wat er niet meer is. De wandeling vandaag voert langs plaatsen die ik maar al te goed ken uit de jaren vijftig en zestig. Dat begint al in Hoek van Holland. Weliswaar lopen we met een boog om mijn geboorteplaats Monster heen, maar als we ter hoogte van Westerhonk de duinen uit komen, is daar dat charmante witte huisje met de blauwe luiken. En daarachter ontstaat, zie ik, een complete woonwijk. Dat is waar vroeger tuinderijen waren. Zo herinner ik het me. Achter het witte huisje heeft lange tijd geen huis gestaan, maar dat is er wel geweest, een eenvoudig tuindershuis dat opvallend lijkt op het huis dat er niet lang geleden gebouwd moet zijn, maar veel kleiner.

Volgens mij was het oude tuindershuisje een kwartslag gedraaid ten opzichte van dit nieuwe huis. Als ik kon luchttekenen dan zou ik niet alleen over de vaardigheden beschikken om een tekentechnisch verantwoord product op papier te zetten. Maar mijn vingers zouden ook aangeven wat me minder helder voor de geest staat dan ik meestal denk, vingers met geheugen zogezegd. ‘Ik zie het nog voor me.’ Maar als ik probeer om me een gedetailleerde voorstelling te maken om door het heden heen het verleden scherp te zien, gaat het mis. En daar zou een luchttekenaar met luchttekenvingers geen last van hebben.

In dat huisje dat er al tientallen jaren niet meer staat en nu dus vervangen is door een vergelijkbaar huis, werd mijn grootvader geboren en hier was mijn overgrootvader tuinman. Later lopen Aat en ik door het park bij Kraayenstein. Een paar jaar geleden nog maar reed ik hier met mijn moeder en plotseling begon zij over zomeravonden dat ze met vriendinnen hierheen trok, naar de schuit van haar vader. De tijd dat er geen park was bij Kraayenstein, geen woonwijk, er waren tuinderijen. Op de hoek van de Ockenburghstraat, Lozerlaan en Loosduinse Hoofdstraat maak ik de laatste foto vandaag. Hier was geen Lozerlaan. Deze is later tot hier doorgetrokken. De Monsterseweg werd Wilhelminastraat, alleen de Ockenburgstraat, die was er al wel. En de fietsenmaker zat er ook al, maar in een ander pand: álle huizen van wat ooit de Wilhelminastaat was, zijn vervangen.

Terwijl ik de foto maak, wordt het even juli 1964. Opa komt zijn huis uit, met een pannetje voor de melk. Aan de overkant, bij fietsenmaker Orie staat de melkboer met zijn karretje, een ijzeren hond. Mijn opa steekt over. Ik zou hem nog toe willen roepen. Pas op! Er komt een motor aan! Maar hij hoort niet hoe iemand hem vanuit het verre februari 2018 toeroept. Even later rolt zijn pannetje over de straatstenen van de Wilhelminastraat en nog weer wat later geeft opa de geest. Niets is meer wat het was. Ik wou dat ik kon luchttekenen.

Via de Symfoniestraat, ooit Prins Hendrikstraat, gaan we naar de tram. Die staat ons al op te wachten. Ik stap in. Achter me gaan de deuren dicht. Aat drukt nog op het knopje. Vergeefs, de tram, twee geschrokken dames en ik vertrekken zonder hem.
Onderweg bekijk ik de tekeningen die ik in gedachten heb gemaakt vandaag. Luchttekeningen.

Len Borgdorff

Bunkers   

Kustpad van Maassluis naar Hoek van Holland
12 januari 2018

Bunkers doen dat. Ze maken bij de eerste aanblik het jongetje in me wakker dat avontuur ruikt. Het klauteren, de minachting voor opgelopen schaafwonden, soldaten, oorlogstijd, onhuis, geheim. Maar het kleine jongetje heeft zijn stoute schoenen nog niet aan of daar dringt zich de pislucht aan hem op. Vooral die lucht. Een bunker is een muziekstuk in pis grote terts.

De eerste bunkers in het Staalduinse Bos komen me niet bekend voor. `Klopt,´ zegt Aat, ´dit deel was in onze tijd militair terrein. Daar konden we niet bij komen.´ De wandeling door het bos voert ons, zoals heel veel tussen Maassluis en Hoek van Holland, naar het verleden, naar de tijd ook dat er nog veel meer bunkers waren, rond 1960. Telkens weer joelde een bunker me toe, maar al vrij snel wist ik van de verschrikking ervan. De lucht, maar ook wat je aantrof. Duisternis, smalle gangen. Er was altijd fikkie gestookt, er lagen soms lege bierflesjes, vaker scherven ervan. En toen mijn broer me een kapotje (van een condoom had ook hij nog nooit gehoord) aanwees en iets vertelde over de functie daarvan en dat een bunker een ideale plek was voor geile jongens en meiden, was het uit.

Die smakeloosheid stond zo ver af van wat ik me kon voorstellen bij de genegenheid tussen een jongen en een meisje! Ik was geen onnozelaar die in een koets door het land zou reizen en razen met een glazen muiltje om de enige echte ware sprookjesprinses te vinden, maar toen de banaliteit tot me doordrong van wat er in een bunker kon gebeuren, wist ik dat zo’n onnozele prins me oneindig veel nader was dan een patat en bier verslindende Westlandse tuindersknecht die zijn troel een bunker in voerde.

Ik moest ineens denken aan Okke Jager, de in de vroege jaren zestig jonge en populaire televisiedominee. Op tv vertelde hij eens van een Chinese mandarijn die na zijn huwelijk de nacht doorbracht door alleen maar de arm van zijn bruid te strelen en te kussen. Of dat de linker arm was of de rechter weet ik niet meer, maar het was er maar een. De andere zou later volgen. En zo zouden zijn bruid en hij elkaar langzaam en in steeds groter verrukking en met steeds intenser verlangen nader komen. Hoe oud ik toen was? Tien? Twaalf? Zoiets.

Hoe kom ik toch op Okke Jager, vraag ik me af als we het bos uit lopen, maar als mijn oog valt op een zoveelste bunker, weet ik het weer. De aanzet van verrukking bij het zien van een bunker heeft het nooit kunnen winnen van de walging die erop volgde. En al heb ik de arm van de mandarijn al lang achter me gelaten, van de week heb ik met veel plezier een tijdje zitten kijken naar de vrouwenhand die op de mijne lag, terwijl we naar het nieuws keken. Ik bedoel: terwijl er een van de twee naar het nieuws keek.

Len Borgdorff

Het Rambonnetpad   

Kustpad van Hellevoetsluis naar Brielle
08 december 2017

Als je Rambonnet heet, kan het niet anders of je werd op hoog niveau gebaard en zou het leven in en uitgaan op dure sloffen. Niet alleen naar Jean Jacques Rambonnet, ook naar andere familieleden met die naam zijn wegen of weggetjes genoemd, niet alleen het Rambonnetpad van Westvoorne. Onze Rambonnet was een hoge officier bij de Marine die zijn jonge jaren op de militaire vloot bij Nederlands Indië doorbracht, waarbij hij de Willemsorde kreeg uitgereikt, later Minister van Oorlog zou worden, maar ook enkele andere ministeries zou leiden, om zich in 1920, hij is dan 56, door Prins Hendrik te laten strikken als grote voortrekker (hoofdverkenner) van de Nederlandse padvinderij. Dat blijft hij tot 1937, het jaar waarin in Nederland de memorabele World Jamboree plaatsvindt. Het jaar ook waarin, in Naaldwijk een padvindersafdeling werd opgericht onder de naam Rambonnetgroep.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat er meer plaatselijke padvindersafdelingen waren en zijn met die naam: deze Rambonnet was de Nederlandse Baden Powell!

Aat en ik staan even stil bij het bordje Rambonnetpad. ‘Wie was die Rambonnet?’ Aat meent het geweten te hebben, maar dat moet dan al lang geleden zijn. De vraag houdt ons bezig omdat Aat in de tweede helft van de jaren vijftig lid werd van die padvindersclub in Naaldwijk. In 1961 kwam ik bij die club, als welpje eerst. Later zou ik me als verkenner onder Aats gezag plaatsen, en dat was er weer de oorzaak van dat hij mijn zus leerde kennen. Zodoende belopen we meer dan een halve eeuw later als zwagers het Kustpad. Even voor de goede orde: dat danken we dus niet aan Rambonnet, maar wel aan de naar hem genoemde scoutinggroep uit Naaldwijk.

De tekenen lijken niet te bedriegen als ik op nog geen minuut lopen vanaf het bordje Rambonnetgroep een voordeur zie waarop vier kloeke, maar onder ons gezegd niet erg fraaie, Franse lelies zie, het symbool van de padvinderij. We bevinden ons kortom in een padvinderij minnende omgeving en dat doet ons goed.

Thuis kost het me weinig moeite om meer de weten te komen over de naamgever van onze vroegere padvindersgroep, maar als ik even verder kijk, ontdek ik dat Rockanje, en dus ook Westvoorne, als burgemeester ene Frederik Lodewijk Johan Eliza Rambonnet heeft gekend. Het pad heeft helemaal niets met de scoutingvoorman te maken.

Het is nog erger, ontdek ik. Ruim een halve eeuw lang meende ik in de Franse lelie ook het symbool van scouting te mogen zien. Nu pas lees ik dat dit onjuist is. De grote padvinder Baden Powell zelf ontwierp een logo waarbij hij de naar het noorden wijzende kompasnaald als uitgangspunt gebruikte.

Zoveel is wel duidelijk: wij bouwen onze zekerheden op misverstanden en achter de beleliede voordeur woont geen akela.

Len Borgdorff

Lag er bij jou geen lijk?   

Kustpad van Hellevoetsluis naar Brielle
08 december 2017

De kou en de harde wind gaan me al tijdens reis met trein, metro en bus niet alleen in de kouwe kleren zitten, maar doen ook een stevig beroep op mijn blaas. Onderweg kijk ik een paar keer vergeefs of er egens een toilet is waarvan een bezoekje zich laat combineren met de vertrektijd van het ene vervoermiddel of het andere. Dat is niet het geval, maar gelukkig kan ik op dit punt veel hebben.

We lopen van de bushalte naar de plek waar we anderhalve maand geleden voet op Voornse grond zetten, het beginpunt van onze wandeling. Ik ben blij als ik een plek zie waar ik ongemerkt mijn blaas de ontspanning kan bieden waar die zo naar snakt.

Terwijl mijn blaas zich oplucht, dwalen mijn ogen naar de morsige ondergrond van de struiken. Een leeg bierblikje, wat schamele snippers van ooit bakjes voor de een of andere snacks geweest zullen zijn. Het ziet er onder de begroeiing allemaal wel erg mistroostig en viezig uit. Een plek waar zomaar ergens een stuk arm uit de grond zou kunnen steken. Of wat ooit een arm was. Ik waan me even de figurant waarmee de aflevering van een Engelse politieserie vaak opent. Ik zou mijn zwager terugroepen, want die is echt niet voor mijn plasje blijven wachten. Eén van ons zou 112 bellen, Ik zie de politie al aankomen, de boel wordt met linten afgezet. Zou er een kop koffie zijn voor de geschrokken man die ik ben? Dat zou ik wel lekker vinden. ‘En dan te bedenken dat we gezellig een dagje zouden gaan wandelen. Hoe moet dat nou, Aat?’ vraag ik aan mijn zwager.

Maar er is geen lijk, ook geen stukje, zelfs een dooie veldmuis ontbreekt. Er komt geen politie en Aat… Waar is Aat gebleven?

Die staat een eindje verderop tussen de struiken. Echte mannen.

‘Lag er bij jou geen lijk in te struiken?’ vraag ik.

Aat heeft er niet op gelet.



Len Borgdorff

Wat vliegt daar   

Kustpad van Ouddorp naar Hellevoetsluis
05 oktober 2017

‘Wat zeg je?’ roep ik terug. ‘Het is windkracht zes!’ Aat heeft zijn mobieltje er even bij gehaald om een getal aan onze wandeling te kunnen toevoegen. Intussen komt de wind uit het noordwesten, weet hij me nog te vertellen. Dat voelde ik al wel, al dacht ik voor ons vertrek vanmorgen nog dat we op vleugels over het Haringvliet zouden gaan. Dat valt een beetje tegen. Een paar jaar geleden fietste ik hier van noord naar zuid met een stevige tegenwind die me nog een petje had gekost. De wind stond nog bij me in het krijt, zou je denken.

En dan te bedenken dat ik dat petje toen in mijn binnenzak had gestopt. Blijkbaar was het door de malende bewegingen van mijn benen naar boven gekropen. Met zoveel wind hoef ik er niet op te rekenen dat ik mijn petje naar vier jaar weer terug zou vinden. Het was al zot genoeg om zoiets maar even te denken. We lopen dapper door. Het haar mag wit geworden zijn en ook wat dunner. Maar wat dat laatste betreft heb ik hem ruim ingehaald. Ja, dat haar houdt me bezig.

Af en toe komt er een slagregen langs, stevig maar te kort om te beklijven. De wind blaast de dam onmiddellijk droog en de wereld schoon, de lucht is kraakhelder en het water is van gepoetst zilver, van het beton van de dam kun je zo eten, lijkt het. Maar dan zie ik een dood rat liggen, op het fietspad. En om de rat is het nat en drabbig.

Even voorbij de dam zit een grote troep vogels op het land, twee soorten meeuwen: witte meeuwen en kokmeeuwen, de witten bij de witten en de koks bij de koks. Ze zullen niet blijven zitten als we dichterbij komen. Wat zal er een energie vrijkomen als ze zometeen opvliegen. Ik houd mijn camera klaar. Kijk, daar gaat de eerste, de tweede, nog twee en ja hoor, het regent vogels. Altijd leuk voor een foto.

De zilveren scherven in de lucht verdringen het beeld van de zompige rat en even meen ik zelfs mijn petje tussen de meeuwen te zien, dat petje van vier jaar geleden dan, want zijn opvolger heb ik deze keer nog beter opgeborgen.

Len Borgdorff

Waar blijft de tijd   

Kustpad van Renesse naar Ouddorp (2)
04 oktober 2017

We hebben de wind in de rug en dat is gunstig. Een wandeling over het strand is altijd prettig. Van welbehagen heb ik mijn petje in mijn zak gestopt. Ik voel de wind aan mijn haren trekken, alsof ik nog de knul van ooit ben met de lange lokken. Alsof, zeg ik. Maar ik herinner me het blond dat voor mijn ogen dansen kon nog goed.

Het lijkt even alsof ik mijn leven grotendeels op het strand wandelend heb doorgebracht, starend naar het zand voor mijn voeten, zoals nu, de aandacht voor de schelpen, maar met een schuin oog voor hardere stukken strand waarop het makkelijker loopt, met de wonderlijke zee de dreunt of stilte maakt, licht is of dreigend donker. Ik loop hier een potje tijdloos te wezen. Met als aangename variant dat er vandaag geen weg terug is, dus straks hoeven we niet tegen de wind in met ogen vol zand.

Tijdloos, zei ik. Dat wil zeggen dat ik er weer de hond uitlaat, ik met mijn vader van de poffertjestent op Kijkduin naar Monster terugloop, of in stille verliefdheid met Marjo juist naar Kijkduin toe ga, met Aart naar Hoek van Holland, waar mijn broer me vertelt wat neuken is, ik met de kinderen bij Ouddorp of op Texel loop of weer bij Monster. Ik loop in zeven levens, lijkt het, tegelijk, maar zolang ik de zee links houd en de duinen rechts kan ik niet verdwalen en houd ik de wind in de rug.

Len Borgdorff

Sorry Klaas   

Kustpad van Renesse naar Ouddorp
04 oktober 2017

In Assisi fotografeerden Klaas en ik vorige week regelmatig dezelfde dingen, maar we keken anders. Ik ben meer een kijker die het maar niet kan laten een camera te schuiven tussen mijn neus en dat wat ik zie, een bestendiger van het moment probeer ik te zijn, iemand die zich verbind met wat hij ziet. Klaas is juist een echte fotograaf. Hij is bezig met technische mogelijkheden te stoeien: wisselende sluitertijden, belichting van punt a projecteren op punt b, ga maar door.

‘Als je nu zo doet, dan…’ of ‘Je kunt ook…’ en telkens weer ‘Je hoeft je camera niet uit te zetten; dat kost alleen maar tijd bij de volgende foto.’ Ik leer veel van hem.

Hier op de Brouwersdam geeft Klaas nog steeds zijn instructies. ‘Als je nou…’ hoor ik hem zeggen. Maar hij is er helemaal niet. Ik loop hier met Aat en die zal het worst wezen wat ik uithaal met mijn camera; hij loopt gewoon door. ‘Dat moet ik onthouden,’ dacht ik vorige week telkens wanneer Klaas met lichte hapering van zijn eerste woorden weer met een ferm afgeronde tip kwam. Maar vandaag maakt hij zijn zinnen niet af bij gebrek aan aanwezigheid en ik verval in het oude patroon: stilstaan, eerst vergeten de camera aan te doen, door de knieën, willekeurig aan de knoppen draaien.
Sorry Klaas.

Len Borgdorff

In de regen   

Kustpad van Vrouwenpolder naar Westenschouwen
15 augustus 2017

De tweede dag van onze wandeling: geen zon, maar regen. We lopen door de groenen duinen boven Burgh-Haamstede. Buienradar laat een smalle strook van regen zien, met een enkele felle rode punt die als een oudtestamentische wolk boven ons blijft, maar wij volgen rood-witte merktekens die op paaltjes en bomen zijn aangebracht. Het is trouwens geen wolk van vuur, maar van niet aflatende regen. En de wolk volgt ons, niet omgekeerd, als een baldadig kind of een losgelaten hond, die weliswaar voor je uitloopt, maar telkens omkijkt en als hij merkt dat je een ander pad neemt, even terugrent om weer voor je uit te lopen. Heel even leek het droog te worden, maar de wolk, het kind en de hond regenen weer vrolijk verder.
Gisteren, droog, windstil en 24 graden, waren op de Oosterscheldekering de bejaarde e-bikers niet aan te slepen en het viel niet mee om bij Westenschouwen een plekje op het strand te vinden. Nu zie je om het kwartier iemand die onder een paraplu loopt met een hond in de buurt die echt even naar buiten moest om de blaas te ontspannen.

Het is een andere wereld. Aat loopt met een paraplu. Ik zie hem af en toe hannesen als hij weer een paadje tussen de struiken in moet, maar bewonder ook de handigheid waarmee hij zo’n ding opent en sluit. Ik zit verstopt in een capuchon die ik telkens weer over mijn hoofd moet trekken omdat ik hem zonder het te weten blijkbaar weer eens van mijn hoofd heb getrokken.
Mijn overbodige GPS vertoont kuren: het touchscreen doet de raarste dingen nu er water op valt en ook mijn camera is van streek. Alles is zinloos gedoe.

Bij iedere stap komt veel lichter zand tevoorschijn, alsof je al lopend een schilletje van de grond lostrapt. Maar de dieren zijn ontspoord. Er zijn drollen die glimmen van versheid, zo lijkt het. Je zou denken dat het paard, het rund, het edelhert misschien, niet meer dan drie meter bij je vandaan kan staan. Dat zie je dus als je een capuchon op hebt: nat zand en glimmende drollen; de blik is omlaag gericht. Aat, met paraplu, ziet meer. ‘Zag je die reeën daar staan schuilen?’ vraagt hij vrolijk. ‘Wat voor kleur hadden ze?’ vraag ik om mijn gebrek aan opmerkzaamheid te maskeren. Aat geeft nog antwoord ook: ‘Bruin.’ ‘Dan zouden het zomaar reeën geweest kunnen zijn.’ Intussen ben ik weer wat alerter en dan zie ik in de verte in een flits twee reeën rennen. ‘Heb je ze gezien?’ Ik heb ze gezien. ‘Er lopen hier behalve reeën ook edelherten, zag ik aan de sporen.’ Aat is een meester in de regen. Hij ziet niet alleen alles, hij kan er ook nog een naam aangeven.

Kletsnat stap ik in Renesse in de bus. Nat van binnen en van buiten. Gelukkig heb ik droge kleren in mijn rugzak. In de bus kleed ik me om. Ik zie de mensen kijken. Niemand die iets zegt.

Len Borgdorff

Duinroos   

Kustpad van Vrouwenpolder naar Westenschouwen
14 augustus 2017

‘Zo noemde mijn vader me vroeger wel, Duinroos.’ Als we, door de duinen wandelend, een struik met duinrozen tegenkomen zegt Mente het telkens weer. Ze zei het al toen The Beatles nog bij elkaar waren, ze zegt het nu Justin Bieber al wat ouder wordt, en altijd op dezelfde manier. Het is een haar dierbare herinnering dat is wel duidelijk en blijkbaar werd dat ‘duinroos’ niet te pas en te onpas gebezigd, maar bleef het gereserveerd voor bijzonder momenten. Onze Duinroos was een kind toen haar vader haar zo noemde. Ik heb het hem nooit horen zeggen. De Duinroos zelf gebruikt al vanaf het eerste moment de verleden tijd: noemde, en benadrukt dat door ook ‘vroeger’ in het citaat mee te nemen. Ik heb het altijd een toepasselijke naam gevonden. Mijn lief heeft iets fragiels dat mij van meet af aan is blijven ontroeren en dat zal haar vader ook in haar gezien hebben. Tegelijkertijd staat de duinroos fleurig kwetsbaar te wezen waar andere bloemen het laten afweten. Het is, tegen de verwachting in, dus ook een taaie rakker, die duinroos.

Ik zal haar nooit Duinroos noemen, hoe toepasselijk die naam ook is. Ik sta immers buiten de herinnering van een vader met een dochtertje. ‘Zo noemde mijn vader me vroeger wel, Duinroos.’ Er is een tijd geweest dat het op mijn lippen lag om te zeggen dat ze me dat al enkele tientallen keren had verteld, maar dat heb ik nooit gedaan. Een uitgesproken goede herinnering bevestigt het goede van nu. Of geeft wat ruimte aan gevoeld gemis, dat kan natuurlijk ook. Bijvoorbeeld van een vader die er intussen niet meer is.

Maar ook tijdens deze wandeling over de Neeltje Jans, terwijl ze er helemaal niet bij is, hoor ik Mente bij het zien van de witte duinrozen toch zeggen: ‘Zo noemde mijn vader me vroeger wel, Duinroos.’ Ik zou nu natuurlijk vlug naar Aat kunnen rennen (hij loopt altijd door als ik stilsta voor een foto) om te vertellen dat Mente vroeger door haar vader Duinroos werd genoemd en dat ze dat altijd zegt als we duinrozen zien en dat ik het haar nu ook hoor zeggen, terwijl ze er niet eens bij is. Maar dat doe ik niet. Ik schrijf het liever even op.

Len Borgdorff

Bramen   

Kustpad van Vrouwenpolder naar Westenschouwen
14 augustus 2017

De gretigheid waarmee Aat op plukbare bramen afvliegt, overtreft de mijne. En dat terwijl ik toch een zekere naam heb opgebouwd op dit gebied. Het zit in de familie zou je kunnen zeggen, al is Aat vertegenwoordiger van het koude deel daarvan. Dat geldt trouwens ook voor Mente van wie ik weet dat ze op dit moment elders in het land bezig is om met een vriendin struiken te plunderen. Maar kleinzoon Luuk van anderhalf is zonder meer erfelijk belast. Hij gaat door roeien en door ruiten om een rijpe braam van een struik te krijgen. Maar ja, die zijn hier niet, Mente en Luuk. Aat is er wel. We lopen door de Zeeuwse duinen en al zitten de mooiste bessen op plaatsen waar we absoluut niet bij kunnen, er zijn er genoeg om onderweg te verorberen.

Ook mijn moeder is er niet. Natuurlijk niet: zij is een paar jaar geleden overleden en toen dat gebeurde was ze al veel te oud om zich nog op bramen te storten. Maar er waren andere tijden en toen waren er ook bramen die geplukt moesten worden, die erom schreeuwden om in een van de door mijn moeder meegebrachte emmers terecht te komen.
Zij plukte ze niet om onderweg wat te snoepen te hebben, haar ging het om het grote werk van eindeloze potten jam, flessen sap en bakjes saus. En ook al stond de zon bandend aan de hemel, wij moesten met haar mee om in een stevige lange broek en liefst een oud jek, in elk geval iets met lange mouwen, de struiken te trotseren en ook naar de zwarte glanzende vruchten te reiken die met een zeker dedain hingen te hangen met het idee dat zij van mensenvingers gevrijwaard zouden blijven. Nou dan kenden ze mijn moeder en haar voor de bramenpluk afgerichte kinderen niet!

Altijd wordt het weer augustus, altijd komen er weer bramen. Tevreden loop ik verder, van bramen verzadigd.

Len Borgdorff

Hier werd iets groots verricht   

Kustpad van Vrouwenpolder naar Westenschouwen
14 augustus 2017

Als het om de beschrijving van de Oosterscheldekering gaat, begint de wandelgids te ronken. Ik heb het over Nederlands Kustpad Deel 1, in wandeltermen is dat LAW 5-1. Lees maar even mee: ‘Een nog niet geheel uitgerolde mat zou onherroepelijk verloren gaan als de getijdestroom er vat op zou krijgen,’ staat er. En dat is niet niks, want we hebben dan al gelezen dat de ondermatten 200 bij 40 meter meten en de bovenmatten 60 bij 30.
Voor het leggen van die matten werd trouwens een speciaal mattenlegvaartuig ontworpen, de Cardium, en dat vaartuig is al even speciaal als de Mytilus en bijvoorbeeld toplaagstorter Trias.

Eerder befietste ik de kering bij een felle tegenwind. Het werd een memorabele tocht waarbij ik vervuld raakte van mijn eigen kunnen, maar vandaag, wandelend op een aantrekkelijke, windstille dag en na lezing van de tekst uit het boekje, bladzijde 60 en 61 om precies te zijn, ben ik vooral onder de indruk van wat hier aan groots verricht is. Ondanks de blauwe lucht en het licht dat de wereld zo vriendelijk kleur geeft vandaag, schakelt mijn uitzicht over op zwart-wit en steeds nadrukkelijker hoor ik hoe Philip Bloemendaal de tekst uit het boekje hardop herhaalt. Ik ben beland in een Polygoonjournaal en als een klein jongetje zwel ik van trots om wat die Nederlanders hier tot stand hebben gebracht. En één van hen ben ik.
Maar ach, waartoe ben ik in staat? Zelfs een poging om de zichtbare bouten en moeren te tellen gaat me al boven de pet.

YouTube

Len Borgdorff

Kees en Arie   

Kustpad van Groede naar Dishoek
1 april 2017

Vanaf de veerboot volgen we de kade van Vlissingen. Daar horen nog wel een paar slingeringen bij, maar niet lang nadat we Michiel de Ruyter gedag hebben kunnen zeggen, krijgen we te maken met een lange boulevard waaraan links de Westerschelde en rechts een onafzienbare rij huizen, nee, appartementen, pensions, hotels. Moest ik een cijfer geven voor deze huizen, dan kwam ik niet boven een gemiddelde zes uit. Maar dankzij het nabijgelegen oude centrum en vooral die machtige zeearm voor de deur, met zijn schepen af en aan, komt er daar een flinke bonus bovenop.

Al wandelend zijn we wel wat gaan detoneren met onze omgeving. Hier hoor je een bejaard echtpaar te zijn, of een trosje kinderen om je heen te hebben of een hond aan de lijn mee te zeulen. Een rugzak en stevig wandelschoenen doen het minder. Zeker is in ieder geval dat Kees en Arie er niet lopen. Wel zou ik ze zo maar ergens voor een raam kunnen zien staan. Drie keer per jaar huren de twee broers voor een kamer of appartement aan deze boulevard. Dat doen ze al heel lang. Andere vakantiebestemmingen kennen ze niet meer. Vanuit hun appartement hebben ze een goed zicht op de schepen die opstomen naar Antwerpen of het continent verlaten, beter dan vanaf de boulevard zelf. Daar kan het weer je trouwens parten spelen.
Voor het raam van hun appartement weten ze wat ze te doen staat. Arie tuurt scherp door een ongelofelijk dure kijker die ze speciaal voor deze hobby hebben aangeschaft. Zodra hij de identiteit van een schip weet, de naam ziet en de vlag herkent, dreunt hij die op en Kees herhaalt wat hij hoort. Check en dubbelcheck. Waarop één van de twee zegt dat ze die al hebben. Of nog niet, of al misschien. Daarover geeft Kees bescheid. Hij duikt in de laptop, ook voor het raam. Daarin staan alle schepen geregistreerd die ze tot nog toe hebben waargenomen. Als het even kan met foto. Kees brult het resultaat van zijn bevindingen naar zijn broer Arie alsof zijzelf bij roerige zee op de brug van een schip staan. Om eentonigheid te vermijden wisselen ze regelmatig. Dan doet Kees de kijker en Arie de laptop.
Na een of anderhalve week rijden ze samen terug naar hun huis in de Alblasserwaard.

Of ze er ook zijn nu wij over de boulevard lopen, durf ik niet te zeggen. Ik zie nergens twee mannen voor het raam staan, maar ik word natuurlijk ook erg afgeleid door die indrukwekkende zeeschepen aan mijn linkerhand. Mochten ze er toch zijn, dan nog is het uitgesloten dat zij ons zien. Wie let er nu op twee mannen met rugzakken op de boulevard van Vlissingen als er zoveel groots te zien valt.

Len Borgdorff

Automatiseren   

Kustpad van Sluis naar Groede
31 maart 2017

Boven ons tafeltje hangen twee grote taalkaarten waarop een aantal spel- en taalregels zijn samengevat. Dat ze in dit eetcafé hangen is niet verwonderlijk, begrijp ik, als ik lees dat dit hier vroeger de bewaarschool van Groede was.
Ongetwijfeld hebben de kaarten ooit in een klaslokaal gehangen, maar dat zal niet hier geweest zijn. We zitten dan wel heel dicht bij Vlaanderen, het heet hier niet voor niets Zeeuws-Vlaanderen, maar ik denk toch dat onmiskenbaar Vlaamse kaarten als deze over de grens gehangen zullen hebben, niet hier. Zo is er sprake van ‘Onze grote Vlaamse dichter Albrecht Rodenbach…’ en we lezen dankzij Sint-Niklaas waar we een streepje moeten plaatsen.

‘Wist jij dat allemaal al?’ vraag ik Aat. Hij vindt het maar een ingewikkelde toestand, al die taalregels. Voor mij is het gesneden koek, maar ik moet wel denken aan momenten waarop ik plotseling een regel moest uitleggen over bijvoorbeeld open en gesloten lettergrepen. Dat was toch iets voor groep vier, vijf? dacht ik dan. Ik heb dat wel vaker: eerst stekelig reageren. Maar ik wist natuurlijk ook wel dat het dodelijk zou wezen als ik zoiets stoms zou zeggen als ‘Weet je dat dan niet?’ of, ook heel erg: ‘Maar dat is toch heel eenvoudig!’ Dan nog liever een geamputeerde tong, maar beter was het om te zeggen: ‘Weet je wat, ik leg het uit.’ Of het ging over de dubbel ee aan het eind van sommige woorden, die elkaar maar niet konden loslaten, ook als je het woord verboog van zee naar zeeën,

of combineerde met de speciaal voor deze spellingregel geschapen zee-egel en zee-eend. Door de getormenteerde smoeltjes van goedwillende brug- of tweedeklassers drong dan pas tot me door wat taalregels konden aanrichten in het leven van jongeren. Ooit tekende Dick Bruna een affiche van Nijntje met daarboven de tekst: ‘Ik hoop dat de speling verandert wort.’

Het eten was lekker en voor zover ik weet hebben wij ons daarbij moeiteloos aan de regels gehouden die er bestaan rond eten en drinken. Ik beet niet op mijn tong of lip, verslikte me niet, wist zonder problemen mijn vork steeds weer naar mijn mond te brengen. Ja, ook het slikken ging me goed af en ik haalde een afgesneden stukje biefstuk wel door de daarvoor bestemde saus en bijvoorbeeld nooit een keertje door mijn bier. Alles ging keurig en zonder nadenken, geautomatiseerd.

Toen we opstonden, kregen de kaarten boven ons tafeltje weer aandacht. Dankbaar voor het feit dat spreken, eten en drinken ons zo goed af waren gegaan, liepen we naar onze kamer boven. Na zoveel voorspoed zou het met het slapen ook wel goed komen.

Len Borgdorff