Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

Stukje(s)

Het brandweermannetje

Voor Mente, 45 jaar bruid

Bij Vierville sur Mer, maar bijna alles is hier sur Mer, stoppen Henk en ik even voor een snicker en wat slokken orangina. Bij de ingang van een kasteel. Het gras naast de poort is kort. Er zijn twee paaltjes, eentje links en eentje rechts van de ingang. Even daarop zitten, als twee rustende wachters die elkaar niets te vertellen hebben? Erg uitnodigend ziet het er niet uit, maar het is amper de moeite waard om een stoeltje van de fiets te sjorren. Henk zit, zie ik nu, in het gras, twintig meter verderop.

Als ik zijn voorbeeld gevolgd heb, lijkt het me wel zo prettig om even te gaan liggen. Ik tob ik wat met mijn creatieve anatomie waarbij het hoofd, die weerspannige bol, haaks op het liggende lijf wil blijven staan, zo lijkt het. Maar als ik de klep van mijn pet stevig vasthoud, lukt het me om die zware bal toch rustig te laten zakken en langzaam ontrollen ook mijn schouders zodanig dat ik uiteindelijk ontspannen en tamelijk plat in het gras lig. En wegdoezel.

Dan, op wimperafstand, voel ik het gezicht van Mente. Ik zie haar, zo dichtbij dat ik haar ook met bril niet scherp in het oog krijg. Zien is voelen geworden, een beleven.
En weg is ze weer. Maar zo dichtbij even.

Het kan bijna niet anders of zij zou nu, duizend kilometer verderop, ook iets moeten voelen. Maar misschien maakt ze op dit moment de schuur wel schoon en vindt ze zomaar het brandweermannetje van Fisher Price dat we al jaren kwijt zijn. Ook dat is een moment van klein geluk, misschien wel van een heel ander niveau, maar ergens in de diepte zou het ons verbinden met elkaar. Zij in de schuur en ik hier op het gras.

O, de liefde. O, haar wonderlijke wegen.

Len Borgdorff

Een papegaaiduiker

Bij Marloes, zoals het hier heet, steekt plotseling een zeehond zijn kop boven water om daarna weer te verdwijnen. Wij blijven staan en even later zien we de zeehond opnieuw.
‘Het is geen zeehond,’ zegt Mente, ‘maar een zeeleeuw.’ Hoewel ik het niet goed kan zien, hebben we hier volgens mij toch echt te maken met een zeehond.
‘Nee, het is een zeelééuw. Geef het verrekijkertje eens.’ Het duurt even, maar dan komt het zeebeest weer tevoorschijn voor een hap lucht.
‘Het is een zeepáárd,’ zeg ik. Alles aan Mente maakt me duidelijk dat zij de kwestie tot op de bodem wil uitzoeken. Ze gaat op een steen zitten vanwaar ze in alle rust, gewapend met het verrekijkertje kan zitten wachten op de terugkeer van de zeeleeuw-die-een-zeehond-is-of-lijkt.

Ik zoek het alvast hogerop. Het lijkt wel of het smalle pad langs de kust me opzuigt. Ik wil zou wel veertig kilometer willen lopen vandaag. Maar al gauw sta ik al weer stil voor een foto. Zoiets gaat vanzelf. In de diepte zie ik Mente. Zij staat op van de steen en komt me achterop.

Eergisteren liep ons iemand tegemoet die zei dat hij zojuist een ijsvogeltje had gezien. Dat is Mente nog nooit gelukt, daarom hebben we toen tien minuten gelopen of we insluipers waren. Zonder resultaat.

Tot mijn verbazing trekt de ochtendnevel niet op, die wordt juist dikker: de overgang van water naar lucht vervaagt. Ik sta weer stil. Klik.
Als ik me omdraai, zie ik vaag maar onmiskenbaar een papegaaiduiker boven een struik uit steken. Ik maak meteen een foto, stel dan pas de camera goed in, doe een stap naar voren, als een panter op wandelschoenen, en klik opnieuw.
‘Wat doe je?’ vraagt Mente. Ze heeft me ingehaald. Ik kijk zwijgend maar vernietigend achterom en wijs vervolgens op de papegaaiduiker. Twee stappen dichterbij maak ik een volgende, veel betere foto.
Mente lacht. ‘Hij is niet echt.’ Ik kijk nog eens goed, zet weer een paar stappen en zie dan zelfs een tweede papegaaiduiker. Maar die is ook van steen.
Terwijl we verder lopen, vraag ik me af of de zeehond niet inderdaad een zeeleeuw is geweest.

(dit stukje stond ook in wandelkrant Te Voet)

Len Borgdorff

Netwerken

Alleen als ik rem, protesteert Klaas, maar niet erg overtuigend. Blijkbaar klem ik bij het intrekken van de handremmen zijn handjes iets te veel af. Maar hij houdt zijn handen onder de mijne en, ook al vriest het nu licht, van wanten wil hij niet weten. We zijn een symbiotische eenheid, zo samen op de fiets.
Daarom ook begrijp ik meteen waarom hij ineens over Dennis begint.
‘Dennis is toch een vriend van pappa?’ Dat vraagt hij niet zozeer, hij wil alleen maar bevestigd horen wat hij zegt. Dennis komt ter sprake, weet ik, omdat voorbij de rotonde, twee honderd meter verderop een bus optrekt van de halte waar we Dennis zagen instappen. Hij kwam binnen met vrouw en baby, het zal iets meer dan een maand geleden zijn. Klaas, Liesje en ik zaten toen in die bus.
Dennis kwam toen meteen bij ons zitten.
‘Ja, zeg ik, Dennis is een vriend van pappa.’ Maar voor Klaas is dat niet genoeg.
‘Het is toch een hele goeie vriend?’ Ik zou daar ter bevestiging een paar mooie voorbeelden van kunnen geven, van die hechte vriendschap, maar ik zeg alleen maar dat je dat wel kunt zeggen: ‘Een hele goeie vriend, Klaas.’
Die wil nog een stap verder. ‘Dennis is toch ook jouw vriend, Opa?’ Dat klopt wel een beetje. Dennis is niet alleen een oud-leerling van me, hij werd later ook een collega van me en omdat we dezelfde weg van huis naar school hadden af te leggen, fietsten we regelmatig samen op.
‘Ja, Dennis en ik zijn ook vrienden, Klaas. Dat klopt.’
‘Ik ben ook een vriend van Dennis,’ zegt Klaas en nu hij eenmaal op dreef is, heeft hij mijn instemming niet meer nodig.
‘En ik ben ook een vriend van Pappa en Pappa is ook een vriend van jou. En ook Liesje en mamma. En ik ben ook een vriend van jou.’ Nu krijg ik even de kans om tussen zijn redenering een ‘Hele dikke vrienden, Klaas, en dat zijn we al drie jaar’ te frommelen.
‘En Liesje en Mamma zijn ook mijn vrienden.’ Er wordt druk genetwerkt op de fiets en alle mensen worden vrienden. In een wereld met zoveel vrienden zal Klaas, met of zonder wanten, ’s zomers en in de winter, altijd warme handen houden.


Len Borgdorff

Vrienden

Als Klaas van net drie achter de keukenkastjes vandaan luid roepend de kamer in rent en ziet dat Loet, bijna één, niet alleen breed grijnzend toekijkt maar ook gearticuleerde geluiden laat horen die weinig betekenen maar wel erg enthousiast klinken, draait hij zich om,
verdwijnt achter het keukenblok en rent even later nog iets harder roepend opnieuw de kamer in. Loet lacht en springt op zijn moeders schoot en slaakt kreten: hij wil meer, meer. Zoveel begrijpt ook Klaas er wel van. Hij rent weer terug om dankzij het keukenblok onzichtbaar te worden. Daar is hij even stil. Hij blijft wat langer weg. Maar met nog meer vaart en nog meer geluid rent hij plotseling tevoorschijn. Loet schatert.

Klaas verdwijnt weer. Loet kijkt gespannen over de schouder van zijn moeder naar de hoek waarachter zijn neefje verdween. Er zijn meer mensen in huis, in de kamer en in de keuken. Maar van die andere mensen en hun gesprekken merken Loet en Klaas niets. Er volgen een vierde, vijfde, zesde keer. In de keuken zien ze steeds een peuter die even verstijft en dan luid schreeuwend de kamer in schiet.
Daar zien mensen twee jongetjes die alleen maar aandacht voor elkaar hebben en die helemaal gek geworden zijn.
De pauzes van Klaas worden langer. Om de spanning verder op te kunnen voeren, denken ze in de kamer. In de keuken weten ze dat het jochie steeds meer tijd nodig heeft om zich op te laden voor zijn volgende uitbarsting, waarmee hij tegelijkertijd de vorige wil overtreffen. De volgende brul is inderdaad nog hoger en harder dan de vorige. Hij rent, de armen wijd, de kamer in. Iemand roept: ‘Klaasje, je bloedt.’ Het bloed loopt over zijn bovenlip, langs zijn mond. Hij merkt het ook en dan is het over. Alleen Loet staat nog enthousiast te springen op de schoot van zijn moeder. Er worden proppen keukenpapier aangerukt, de kleine Klaas ligt uitgeteld en wit weggetrokken op de schoot van zijn moeder.

Loet begrijpt intussen dat hij niet meer hoeft te rekenen op een explosieve verschijning achter de keukenkastjes vandaan. Hij draait zich om, laat zich zakken op de schoot van zijn moeder en kijkt naar de bloedende Klaas, met een brede grijns. Als Klaas het ziet, lacht hij naar de kleine Loet. Vrienden.


Len Borgdorff