Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

Och heden

23 mei 2019

In Weimar konden we het niet eens worden. Dat lag meer aan … dan aan …, ik zeg het maar eerlijk. Moet je, was de vraag, wel altijd cadeautjes meenemen voor kleinkinderen? En zo ja, moet het dan juist wel of niet een souvenirtje zijn? Maar ja, een willekeurig poppetje van Lego, of een treintje uit de Thomasserie, wat moet je daar nou weer mee? En dan, waarom zou je zoiets kopen als je het vervolgens een paar honderd kilometer moet meenemen op de fiets en trein in en weer uit moet sjouwen? Ga dan even de stad in als je weer thuis bent.
Enfin, een stad later, in Jena, bleek … toch meer gelijk te hebben dan … en we werden beloond met een winkel waarin we alle twee ons hart konden op halen. Zelf zou ik geopteerd hebben voor die fraaie … als ik nog een jongetje was geweest, al wil ik hem nu eigenlijk nog wel, maar ja, veel te duur en te groot. … zag voor zichzelf iets kleins en dat kocht ... wel.
Voor de kleinkinderen slaagden we wonderwel. Voor … vonden we een …, voor … een …, voor … en … ...'s die uitwisselbaar zijn, dat bekijken we nog wel als we terug zijn. Bij nader inzien vond … het toch leuker om voor … een … te kopen, dus werd de … teruggezet. We zetten alles in een hoekje bij de kassa en moesten regelmatig teruglopen om de stand van zaken weer even paraat te hebben. Kwam… ineens op de gedachte dat we toch ook echt iets moesten kopen voor … Hoewel de verkoopster zei dat we met eentje konden volstaan, kochten wij liever twee … Maar kochten we nou die of die? Het werden die. Maar nu waren we nog niet klaar. Er moest nog één keer geruild worden, want … was net iets leuker dan …, in ieder geval voor … En dan hadden we nog niets voor …, terwijl die eigenlijk de makkelijkste was om iets voor uit te kiezen. Het werd een …, of een …, dat weet ik nu even niet meer.
Voldaan verlieten wij het winkeltje, met een rugzak vol puntjes, voor …, …, …, …, … en dus ook twee … voor … en natuurlijk het … dat … voor zichzelf kocht.

22 mei 2019

Sweet Sixteen

Boven elk stukje zet ik voor mezelf eerst de datum. Ik schrijf weliswaar 20190522, maar ik denk 22 mei en dan het jaar. Dit is een gereserveerde datum. Er zijn data waar verschillende mensen aanspraak op kunnen maken, maar dat geldt niet voor de 22ste mei. Die is van mijn zus. Ook nu ze al lang niet meer leeft.
Toen ik nog zes was, werd Ineke zestien. Met mijn vriendje Dick liep ik naar school. Natuurlijk vertelde ik hem dat mijn zus jarig was en dat ze zestien geworden was. Zestien! Het kan ook niet anders of hij heeft me er mee gefeliciteerd, maar blijkbaar was hij er toch niet genoeg van onder de indruk. Via de nieuwe Frans Halsstraat en de al even nieuwe Rembrandtstraat liepen we de Burgemeester Kampschoërstraat weer in, dus bij het gedeelte tussen de Gereformeerde Kerk en het politiebureau, waar de straat even een parallelstukje heeft, met een langwerpig plantsoen ertussen. We liepen weliswaar alle twee langs het parallelstuk, maar Dick op de ene en ik op de andere stoep.
De zon scheen niet. Er hing geen vlag bij het monument aan de kop van het plantsoen, er was kortom niets in deze wereld waaraan je kon zien dat mijn zus zestien jaar geworden was. Dat was een belangrijke leeftijd. Dan werd je groot. Dan kon je bij het meisjeskoor van Lex Karsemeijer dat op maandag altijd op de radio kwam, bij Sweet Sixteen. Dan kwamen er grote jongens die al bijna mannen waren op de proppen, met brommers en sigaretten en stoere haren. En die zouden nu dus allemaal voor mijn zus komen.
Natuurlijk begreep Dick zoiets niet. Hij had ook een oudere zus, maar die was maar twee jaar ouder dan wij. Ik nam Dick niets kwalijk.
In de klas ging ik het eens langs wie van mijn klasgenoten ook al een net zo grote zus hadden als ik. Daar schrok ik wel een beetje van. Niets in de wereld onderweg naar school of hier in de klas verried iets van de glansrijke gebeurtenis die vandaag plaatsgreep in huize Borgdorff. Een gebeurtenis die allereerst mijn zus betrof, dat wel, maar een deel van de glans straalde ook af op mij, en als dat niet te zien was, dan glansde het nog wel in me, in mijn hartje bijvoorbeeld.
En juist die glans nam wat af toen ik om me heen keek: Annemarie had niet alleen twee zussen die nog ouder waren maar ook een broer, Willie idem dito. En hoe zat het precies bij Leo en bij Leen 2? De oudste zus van Ina was trouwens net zo oud als mijn zus.
Ik had de juf nog wel willen vertellen van mijn jarige zus, maar zag er nu toch maar vanaf. Ik wilde het koste wat het koste bijzonder blijven vinden, een zus die zestien geworden was, en om dat zo te houden kon ik er maar beter niet met anderen over beginnen en zelf moest ik er ook in gedachten maar geen anderen bij betrekken. Dat is vandaag dus op de kop af zestig jaar geleden. Ik heb het er verder maar niet over dat Ineke 76 zou zijn geworden. Maar weten doe ik het wel! In mijn hartje glanst het een beetje, niet zozeer een aha- maar meer een achja-glansje.

21 mei 2019

De treden van de trap gaan op en neer, op en neer

De reis van Goethe naar Italië en de koop van het huis dat hij tot dan toe gehuurd had, zijn bepalend geweest voor een ingrijpende verbouwing. Zelf was ik vooral nieuwsgierig naar de trappen die hij, op grond van zijn ervaringen Italië, in het huis Am Frauentor had laten maken. Dat zouden trappen zijn waarvan je niet moe werd ze op en af te gaan. Maar zo is het niet.
Zonder te verhuizen, zonder ook maar iets aan mijn trappen gedaan te hebben. Het kan niet anders of heel lang zijn trappen geen bijzonder punt van aandacht voor me geweest. Jarenlang bewoonden we een bovenwoning aan de Catharijnesingel en daar moest je altijd een tamelijk steile trap op of af. 'k Heb er nooit over nagedacht.
Maar ooit, na een onaangenaam bezoek dat plaatsvond in een kamer op de eerste verdieping van een huis in Maarssenbroek, merkte ik dat ik de afdaling vervelend vond. De draai was verkeerd. Dat dacht ik toen nog. Zelf had ik altijd het geluk gehad te mogen wonen in huizen met trappen die een goede draai had, namelijk bij het afdalen tegen de klok in. Intussen woon ik, zonder te verhuizen en zonder iets veranderd te hebben, de laatste jaren in een huis met verkeerde trappen. Dat wil zeggen bij het afdalen. En dan vooral als je geen leuning kunt vasthouden. Dat heeft, zoveel is me wel duidelijk geworden met de diepte van de treden te maken. Als je een trap opgaat, is het geen probleem als je treden neemt met amper meer dan de punt van je voet, omdat traptreden nu eenmaal smal kunnen uitvallen. Maar zo makkelijk kom je er bij de afdaling niet vanaf: je kunt niet alleen maar op je hielen lopen als je naar beneden gaat. Daarom zet ik mijn voeten schuin op de treden. En dat loopt steeds vervelender. Mijn enkels, knieën en heupen protesteren.
In Leidsche Rijn ken ik een trap van een niet eens in het oog springend rijtjeshuis waarvan de traptreden net iets dieper zijn. Wat een verademing. Het is bijna een reden om te verhuizen.
En kijk, dat had Goethe allemaal al in de gaten in het laatste decennium van de achttiende eeuw. Dat had Italië hem geleerd. Hij liet daarom in zijn woning trappen aanbrengen met diepe treden, waarop je, op of neer, je volle voet kwijt kon, zonder die te verdraaien. En dat realiseerde hij zich allemaal al op een leeftijd waarop ik nog nooit over zoiets als een ideale trap had nagedacht. En zo was Goethe, maar wel dank zij de oude Romeinen, niet alleen zijn leeftijd maar ook zijn tijd ver vooruit.
Hij zorgde er verder voor dat de treden lager waren dan wij doorgaans gewend zijn. Ook dat is trouwens gebeurd in het huis in Leidsche Rijn waarvan ik het adres maar liever niet prijs geef.
Goethe heeft tot zijn dood op 82-jarige leeftijd in dat huis gewoond, in Weimar, hè. En altijd heeft hij die trappen kunnen blijven nemen. Inderdaad: een Goethiaans trappenhuis vraagt wel wat meer ruimte, maar je krijgt er veel gerief voor terug. In Leidsche Rijn zijn de treden ook wat minder hoog dan gemiddeld, maar zo ruim als in het Goethehuis is het er toch niet. Ik ben trouwens wel benieuwd of over tweehonderd jaar de treden net zo hard zullen kraken als in Weimar.

20 mei 2019

Goethe und Schiller

Vrijwel alle folders bij de toeristeninformatie laten op een foto een deel zien van het beeld van Goethe en Schiller en overal in de stad zie je op de verkiezingsposters de voltallige afdeling Weimar van de FPD allemaal even vrolijk voor het beeld van de twee grote dichters, wat de suggestie met zich meebrengt dat ook zij deze week op de FPD gestemd zouden hebben, als ze nog in leven waren. Al met al is het beeld alomtegenwoordig.
We zien dat hier twee goede vrienden staan, die in brons beiden de status van halfgod hebben bereikt. Met hun rechterhand houden ze samen een lauwerkrans voor zich. Goethe staat rechts van Schiller en hij heeft zijn linkerhand op de schouder van zijn veel jongere vriend gelegd. Daar is over nagedacht. Ze hadden natuurlijk ook hand in hand uitgebeeld kunnen worden, of met de armen om elkaars schouders geslagen. Maar dan waren het niet meer van die ongenaakbare halfgoden geweest.
De twee zijn even groot, maar in werkelijkheid was Goethe een halve kop kleiner dan Schiller. Was aan dat lengteverschil recht gedaan, dan zou Goethe de indruk gewekt hebben dat hij zich aan Schillers schouder moest ophijsen, alsof hij niet alleen letterlijk maar ook letterkundig de iets kleinere was van de twee. Ik vermoed dat het eerder omgekeerd was. En dan is er nog het leeftijdsverschil. Dat zou uiteindelijk nog veel groter worden, want toen Schiller in 1805 op 45-jarige leeftijd overleed, was Herr von Goethe al 55. Hij zou uiteindelijk 82 worden. Schiller heeft de laatste jaren van zijn korte leven gekwakkeld met zijn gezondheid. Maar in 1857 koos de Dresdener beeldhouwer Ernst Rietschel ervoor ze als gezonde helden op een sokkel te zetten, helden, vervaardigd uit brons dat afkomstig is van gesmolten kanonnen. Waaruit maar weer blijkt dat Constantijn Huygens gelijk had toen hij in de 17de eeuw schreef:
'Het puntje van een scherpe pen
Is 't felste wapen dat ik ken.'

Tien jaar geleden zag ik in een museum in Dresden een klein model van dit beeld in gips, een voorstudie van het grote beeld in Weimar. Wat me aan dat beeld het meest opviel, was dat de linkerhand van Goethe weliswaar op de rechterschouder van Schiller rustte, maar dat de arm weg was, afgebroken. Rücktsichtslos afgeschud door den Friedrich. Alsof hij zichzelf citerend zeggen wilde: 'Den dank […] begehr ich nicht.'

(Misschien dat ik daar nog een In Poësis over schrijf.)

19 mei 2019

Ernst von Gleichen

Onder aan de heuvel van Burg Gleichen heb je pension Freudenthal. Daar hadden we gisteren wat willen drinken, maar de tent was gesloten. Gelukkig was er een bankje in de buurt en we hadden nog water en een krentenbol: bij ons is het namelijk altijd feest. Bij dat bankje liet zich een gedicht lezen van Menandes. Die vertelt rond 1700 van een graaf die twee echtgenotes had. Deze Ernst zou tijdens de kruistochten gevangen genomen zijn en als slaaf te werk zijn gesteld bij een sultan. Hij was een voorbeeldige Thüringer en de sultan had een mooie dochter die verliefd op hem werd. Dat werd wederzijds en zij wilde hem wel helpen om te vluchten, maar dan zou ze met hem mee gaan en dan zou hij haar man moeten worden. Zo is het gegaan. Onderweg ging het stel nog wel even bij de paus langs die zijn zegen over het huwelijk uitsprak. Het dubbele huwelijk, want Ernest had negen jaar eerder zijn eerste echtgenote verlaten voor een vergeefse poging om het Heilige Land te veroveren.
Het was groot feest in Gasthof Freudenthal, dat toen dus wel open was. De twee echtgenotes accepteerden elkaar en er werd een extra groot bed gemaakt voor de drie echtelieden.
Vandaag zagen we de grafsteen van de in 1277 overleden graaf en zijn twee vrouwen. In de dom van Erfurt. De steen staat tegen de wand, niet ver van een beeld waar ik graag ook iets over zou vertellen, Wolfram, maar dat doe ik nu maar niet.
Toen die steen in de negentiende eeuw van het graf werd gelicht vond men overigens de skeletten van niet twee maar vijf vrouwen.
Het verhaal van de twee echtgenotes is eeuwen lang zorgvuldig in leven gehouden. Door mannen van adel die zich maar al te graag op Ernest en de pauselijke instemming beriepen als dat hun zo uitkwam, maar ook door nazaten die wel gecharmeerd waren van het exotische bloed dat ooit in nog veel adellijker aderen had gestroomd. Dat is het verhaal.
De waarheid? De twee vrouwen van Ernest waren beiden Deens. Nadat hij weduwnaar geworden was, trouwde hij opnieuw.
Maar dan blijven we nog wel zitten met die drie andere vrouwen in het graf. Omdat we toch ter plekke waren en omdat ik bij ieder kerkbezoek een koevoet en een schep bij me heb, ben ik meteen aan de slag gegaan om de boel zelf eens grondig te onderzoeken. Mente was het daar overigens niet mee eens. Omstanders hielden me tegen en ik heb de boel niet op de spits willen drijven. Ik vermoed overigens dat de drie andere skeletten van zijn kinderen waren of andere familieleden.

18 mei 2019

Burg

Even buiten Gotha al zien wij in de verte een kasteel op een berg, Mühlburg, en even later voegt zich daar, op een andere heuvel een tweede bij. Dat is Burg Gleichen. Ze staan daar in die hoogte, boven het bloeiende koolzaad dat als een brede branding bijna tot de wielen van onze fietsen reikt ontzettend pittoresk te wezen. Pas na twintig kilometer rijden we onder ze langs, maar dan komen we terecht in een driehoek van burchten, want nu is daar ook Veste Wachsenburg. Met zo'n naam kom je natuurlijk niet meer om de hier toch al alomtegenwoordige Luther heen. En Luther op zijn beurt kon niet om al die burchten heen te midden waarvan het opgroeide. Het is geen wonder dat zijn persoonlijke variant op psalm 46 'Eine feste Burg ist unser Gott' is.
Ik hoopte stilletjes dat hij dat lied op de Wartburg geschreven zou hebben, maar zo lijkt het niet te zijn. En in Erfurt, de stad waar ik dit stukje schrijf en waar Luther studeerde en tot monnik werd gewijd, al helemaal niet. Jammer.
Dat neemt allemaal niet weg dat al die hoog in de lucht optorende burchten tot zijn verbeelding gesproken moeten hebben. Dat kan niet anders. Zou hij ook het verhaal hebben gekend van de heer van Burg Gleichen die in zijn tijd met twee vrouwen in bed dook? En later in een graf in de Dom van Erfurt. Dat is de kerk waarin Luther tot priester werd gewijd.
We gaan er morgen eens naar kijken, want we zijn intussen in Erfurt gearriveerd. Ongetwijfeld heeft Luther er door de Johannisstrasse gelopen, de straat waar wij overnachten. En hij heeft er veel vaker over de Krämerbrücke gelopen dan wij. Ook dat is wel zeker. Maar nooit heeft hij door Erfurt gefietst. Wij wel.

17 mei 2019

Verzet

Ik heb met mijn fiets twee problemen, of het is één probleem dat twee kanten kent. Het zit zo. Als ik met een beladen fiets een klim moet maken, dan wil ik wel eens te laat schakelen om de ketting van het middelste naar het kleinste voorblad te krijgen. Als ik even niet oplet en unverfroren doortrap, schiet de ketting vast tussen het frame en dat voorblad. Vele mannen, maar vooral Henk wil ik hier met ere noemen, zijn in het verleden heel lang bezig geweest om mijn fiets en mij weer uit hun lijden te verlossen. Ook vorig jaar ben ik na een buitenlandse trektocht natuurlijk naar de fietsenmaker gegaan en opnieuw had het er alle schijn van dat de zaak weer in orde was. Ik kon gewoon schakelen en er liep geen ketting vast.
Kom ik bij de andere kant van het probleem. Ik had na dat laatste bezoek aan de fietsenmaker wel de indruk dat de ketting wat weigerachtig was als ik hem op het kleinste voorblad wilde zetten. Maar hij gehoorzaamde uiteindelijk toch. Kijk, in Nederland speelt dit allemaal niet: daar gebruik ik mijn fiets niet als verhuiswagen en ook doet zich nooit een situatie voor waarbij ik hunker naar het kleinste verzet van het kleine voorblad (dat is een tandwiel waarmee de ketting in beweging wordt gezet, niet het omslag van een tijdschrift). Het is er aangenaam plat.

Vandaag fietsten we een etappe in Thüringen, met halve bepakking. Hier zou het af en toe wel fijn zijn als ik naar het kleine voorblad kon schakelen, maar inderdaad, de ketting is met geen moed ook dat mensen die dit stukje lezen zich daar intussen grote zorgen om zijn gaan maken.
Dan kan ik je nu vertellen dat dat niet langer nodig is. Het ging allemaal goed. Weliswaar heb ik het kleinste voormogelijkheid van het middenblad af te krijgen; van midden naar groot en omgekeerd gaat prima, maar van het kleinste blad wil de ketting niet weten. Dat is in zoverre gunstig dat die in elk geval niet klemvast komt te zitten, maar de vraag was of ik zonder klein verzet de heuvels wel op kon. Ik verblad een keertje gemist, maar het lukte. Dat had, laten we eerlijk zijn, natuurlijk niet alleen te maken met de onvermoede krachten van mijn gespierde benen, maar ook met het vriendelijke land van Thüringen.
Dat was een hele opluchting en dan waren er ook nog die bloeiende koolzaadvelden, om maar iets te noemen, want er was nog veel meer.
Maar ja, de meevaller van vandaag biedt geen garantie voor de komende dagen. Dat niet.

16 mei 2019

Eisenach

Wanneer je voorbij de voordeur naar rechts gaat en honderd meter daarna weer kom je vanzelf op het pad dat door het bos en langs een berg naar de Wartburg voert. Het valt ons op hoe zwaar we zijn. We praten even met een dame die even vriendelijk als gezet is en die na ons gesprekje tamelijk rap met pasjes kleiner dan een pas haar weg vervolgt. Zij daalt af, wij hebben voorlopig nog een klim voor de boeg.
te stijgen.
De Wartburg. Het woord spreekt tot onze verbeelding. De eerste twee auto's van Mentes vader waren Wartburgs. Die kwamen dus hier vandaan. Het tehuis waar zijn moeder de laatste veertien jaar van haar leven doorbracht: De Wartburg, net als het huis waar vrienden van ons opgroeiden. Nee, dat is geen toeval. In de Wartburg, de naamgever van dat alles dus, de grote burcht waar Luther zijn nieuwe testament in het Duits vertaalde, en die Wagner aan zijn Tannhaüser hielp (om me hiertoe te beperken), kopen we een 3D-achtige kaart, waarop wisselend het eerste en het tweede type van de Wartburgauto is te zien, de eerste en de tweede van mijn schoonvader dus. Deze Wartburg is overigens ook de plek waar op de kop af 80 jaar en tien dagen geleden (we zijn eigenlijk net te laat) een elftal evangelische kerken een verklaring opstelden die de route aangaf die de christelijke kerk te volgen had om nu eindelijk eens definitief van haar joodse smetten bevrijd te worden. Op internet kom ik en passant getallen tegen van enkele honderden joden die hier ooit woonden, en een foto van de in de Kristallnacht verwoeste synagoge. Van de joden vind je nu hier en daar alleen nog maar een stolperstein.
Er is ook een gedenkteken van Duitse jongeren die nazisympathieën hadden en die na de oorlog gevangen zijn gezet. Een aantal werd in 1946 gefusilleerd, anderen kwamen om in een Russisch kamp, jaren later.
Het huis waar Bach geboren werd, Lutherstrasse 35, is niet het huis waar hij het levenslicht zag, wel de plek. Hij werd gedoopt in de kerk waar Luther af en toe gepreekt had. Bach woonde tot zijn tiende in Eisenau. Toen verhuisde hij, wees geworden, naar een oom elders. Hij heeft nog wel op dezelfde school gezeten als Luther.
Van Luther vind je hier veel meer: het Lutherhuis waar hij als scholier of student een paar jaar woonde en dus die 'meest Duitse van alle Duitse burchten'. Hij werd in de omgeving van Eisenau geboren en het stadje zelf is royaal met het verspreiden van uitspraken van de kerkhervormer waaruit moet blijken dat hij vooral een Eisenauer is. En kind van God, dat natuurlijk ook.

Het is tijd om even ergens te gaan eten. Bij de voordeur naar links en dan naar rechts, de lange straat in naar het centrum. Er zijn plaatselijke verkiezingen binnenkort. Aan elke lantaarnpaal hangt een affiche waaruit blijkt dat de nazi's weg moeten, dat groen belangrijker is dan beton, dat vacatures in Eisenau moeten verdwijnen als sneeuw voor de zon, en dat Eisenau geen vluchtelingen wil maar toeristen. We passeren twee partijkantoortjes.
Zodra je hier naar buiten stapt, wordt het leven een beetje zwaarder, of je nu naar rechts gaat om te klimmen of naar links om te dalen.
De asperges van gisteren waren voortreffelijk, benieuwd wat de pot ons straks schaft.

15 mei 2019

Kaarsje

Ik was niet van de kaarsjes, die walmende stokjes die je ergens achterlaat bij een beeld in een kerk. Ik vond het meer achterlaten dan gedenken. Lachgascapsules zoals je die tegenwoordig te onpas en te onpas ziet rondslingeren, als afgedankte residuen van wat misschien een mooi, maar wel erg kunstmatig moment is geweest, daar doen ze me een beetje aan denken, die kaarsjes. Je betreedt een gewijde ruimte, creëert er een momentje van mooi gedenken en hup, daar gaan we weer. Maar toen een paar jaar geleden een goede kennis zijn dochter verloor, kon ik het niet laten om een kaarsje voor haar aan te steken en dat op het lage kastje in de kamer neer te zetten. Er was geen ander middel om dichterbij het verdriet van anderen te komen, of dichter bij mijn vragen en mijn schrik. 's Avonds blies ik het uit en de volgende ochtend ging het weer aan. Zo is het gegaan.
Anders dan in de kerk vraagt een kaarsje thuis voortdurend om je aandacht. Het brandt als je de kamer in komt, weer uit gaat. Je oog valt er op. Iemand vraagt ernaar. En zo begon ik het kaarsje te ervaren als een ondersteuning van een voortdurend of telkens herbegonnen gebed. Voor de verongelukte dochter, voor haar vader, haar moeder en haar broer.
Sindsdien brandt er regelmatig een kaarsje voor iemand, soms branden er twee. Omdat iemand ziek is bijvoorbeeld, verdriet heeft, mentaal gedesoriëinteerd is, sterft.

Gisteren haalde ik fietstassen op bij Annelies en we namen onze zieke oud-collega's door. Dat moest wel. 'Ik zal voor ze bidden,' zei Annelies. Ze zegt het vaker. Ze doet het ook. 'Soms vergeet ik er wel eens een, als ik bid. Dan kom ik daar natuurlijk wel meteen op terug.' Ik zie het haar doen: ze loopt het paadje door de voortuin van Gods huis al af en ineens denkt ze aan Willem. Willem was ze helemaal vergeten! Ze loop terug en belt weer aan. Bij God.

Intussen zijn Mente en ik op reis. Er is geen woonkamer met een laag kastje. Blijft er niets anders over dan toch maar af en toe een kerk te in te lopen. Er zijn mensen om intens te gedenken.

14 mei 2019

Spoorwegovergang

Mijn eerste treinreis bracht me, samen met mijn grote zus, naar Den Dolder. Mijn jongste zus, wel bijna een mensenleeftijd van zeven jaar ouder dan ik, volgde er een verpleegstersopleiding, maar nu lag ze in een hospitaaltje van de Willem Arntzhoeve. Wij zochten haar daar op.
Ik ben al veel te vaak op dit stationnetje geweest om telkens aan die eerste reis te denken als ik er kom, maar vandaag dus wel. Ik hoef niet uit te stappen, maar we staan wel even stil.
Het lijkt me niet moeilijk om dit station te gebruiken voor een film die zich afspeelt in de jaren dertig. Het is een vriendelijk station en er is nog een ‘ouderwetse’ spoorwegovergang.
Toen mijn schoonouders hier nog woonden, maakten zij zich druk over het voornemen om deze overgang te sluiten en het verkeer om te leiden. ‘Dan moet ik iedere keer kilometers omrijden. En wat dacht je van de middenstand? Albert Heijn ziet het al gebeuren. Die kan zijn winkel hier wel sluiten. En daar komt wel de hele regio op af!’ Ik vermoed dat er nog wel een tunneltje gekomen zou zijn voor voetgangers en fietsers. Het zou me niet verbazen als de heer Heijn samen met andere belanghebbenden indertijd zwaarwegende argumenten tegen het plan hebben ingebracht. Hoe dan ook: mijn schoonouders zijn al jaren dood en de spoorwegovergang is er nog steeds.
De trein trekt weer op. Een betonnen elektriciteit of een ander doel dienend gebouwtje is gecamoufleerd met reusachtige foto’s van omgevallen of op omvallen staande bomen.
Wat ik zeg: je hoeft niet veel te doen om hier een film op te nemen die zich afspeelt in de jaren dertig.

12 mei 2019

Raadsel

Hoewel de katten van hiernaast onze tuin graag gebruiken als kattenbak, komt er op de gewraakte plek het nodige groen op. Dus wie weet valt het mee. Zou je denken. Maar die beesten worden wel groter en ze raken wat minder snel onder de indruk als ik ksjt roepend de tuin in kom. Wel hebben ze goed in de gaten welke denkbeeldige lijn onze tuin scheidt van de buren, want daar gaan ze zitten als ze besloten hebben onze tuin te verlaten , pal achter die lijn. Die geeft namelijk aan waar ik niet mag komen, daarom zijn ze daar veilig. Feitelijk leven wij gevangen achter die lijn, niet zij.
Een paar dagen geleden zag ik plotseling hoe zich door het hemeltje van onze schommelbank een forse bundel zonlicht stortte. Blijkt er een gat van dertig bij veertig in het afdakje te zitten. Ik heb de bovenkap er maar afgehaald.
Was het een van de buurkatten die dat heeft gedaan? Was het een meeuw? De kleine Dombo? Supergrover misschien? We weten het niet.
Wel zag ik vanmiddag hoe de twee katten van het dak van onze uitbouw via de afvalbak naar de grond sprongen.
Een paar dagen geleden kozen ze misschien wel een andere weg voor hun afdaling. Maar ja, we weten het niet. Het is een raadsel, een groot raadsel. Wel overweeg ik de kliko open te klappen. Dan zijn ze veilig, want daar kom ik niet in.

11 mei 2019

Systeemplafond

Mij mankeert niets, gelukkig. Dat er dit jaar ingegrepen moet worden, is alleen maar om ervoor te zorgen dat dat zo blijft. Die koorts en die ontsteking staan daar los van, die zijn alleen maar het gevolg van het onderzoek dat dat heeft uitgewezen, bijvangst. Vandaar dat ik even in het ziekenhuis kom te liggen, aan het infuus, en voor onderzoeken. En gelukkig, de antibiotica lijken hun werk te doen, de koorts daalt. Gaat de lever zeuren. Die heeft wat moeite met al het gedoe, gewoon omdat die altijd al de zwakste broeder onder mijn organen is geweest. In een rolstoel word ik door het ziekenhuis gereden voor een echo. Maakt die lever nu alleen maar overuren of is er meer aan de hand? De man die de stoel duwt, herken ik. Hij heeft elf jaar geleden mijn bed of rolstoel regelmatig van hier naar daar gereden.

Het onderzoekkamertje heeft geen ramen. Ik heb te doen met de bleke dame van de echo. Altijd in dit van zon en zonlicht verstoken hok. Ik moet haar ter wille zijn. ‘Nog even overleggen met de radioloog,’ zegt ze als ze klaar is. Ze legt een handdoek over mijn buik en vertrekt. Ik staar naar het systeemplafond. De eerste minuten ben ik alleen maar een willoze kom beslag met een lap erover, maar dan zweeft de geest weg over de wateren van de tijd en kom ik simultaan onder het plafond van 1994, 2008 en nu te liggen, voor een echo van het een, een endoscopie voor het ander en een biopsie van de lever of was het de prostaat? De geest zweeft, het plafond wordt donkerder.

Gelukkig begint mijn blaas te piepen: ‘Hoe lang nog?’ Kort geleden vroeg hij nog maar drie keer per dag om aandacht, en altijd op nonchalante wijze. Het stak niet op een half uur. Er kon nog wel wat bij. Ik ga zitten en duw de handdoek weg. Ik ben en blijf natuurlijk wel verantwoordelijk voor mijn blaas, ook als in het kamertje hiernaast het bleke meisje en de radioloog via een scherm zich buigen over alle rampspoed die de opnamen ongetwijfeld laten zien.

Na een half uur komt ze weer binnen. ‘Het spijt me, ik wacht nog steeds op de radioloog. Er zijn vier van deze kamers in gebruik en er is maar één radioloog.’
‘Ik wil wel wachten maar dan onder één voorwaarde.’ Ik zeg het hard en zie dat ze een beetje schrikt. ‘Dat u me nu onmiddellijk zegt waar de wc is.’ Ze lacht en wijst me de weg.

Een uur later ben ik onderweg van het ziekenhuis naar huis. De echo zag er goed uit. Mij mankeert niets. Ik voel me een rijtje dominostenen.

10 mei 2019

Maraboe

Gisteren was hij nog niet veel waard, al trok dat al vrij snel bij. Hij is een tanig mannetje. Zojuist, het is nog vroeg in de ochtend, liep hij langs mijn bed voor een toiletbezoek. Hij zag eruit als een maraboe, een heel vitale weliswaar, en ook een fleurige met zijn rode T-shirt en zijn boxer, maar toch een maraboe. Zo zien mannen er nu eenmaal uit als ze van een zekere leeftijd zijn.
Maraboes hebben met hun treurige gestalte, alsof ze, ook als het helemaal niet regent, kletsnat geworden zijn, een diepe indruk op me gemaakt. Ze zaten ergens bij een lodge in het Serengetipark. Ik liep daar op een morgen het huis uit en die beesten stonden langs het pad. Binnen handbereik, al bleef ik ze tamelijk onaanraakbaar vinden, die doodgravers.
Mijn buurman verheugt zich erop dat hij weer naar huis kan vandaag, naar zijn hondje Daisy. ‘Die springt een meter omhoog als ik straks thuiskom.’ Hij laat me een foto zien.
Hij is geen doodgraver, en ook geen maraboe, mijn kamergenoot. Daarvoor is hij veel te rood en te tanig. Droefgeestig is hij ook al niet, toch een handelsmerk van maraboes. Toch moest ik aan die beesten denken toen hij langs mijn bed liep.
Omdat je hier als codewoord regelmatig je geboortedatum moet oplepelen, weet ik dat de man een jaar jonger is dan ik. Dus het kan niet anders of ik zal er in dit ziekenhuis ook wel uitzien al een maraboe. Een blauwe in mijn geval.

07 mei 2019

Spel

De speeltuin is ons huis. Het grote terrein wordt gedomineerd door een houten bouwsel van torens, kronkelwegen en touwbruggen. We zijn er al vaker geweest, maar nooit waren we er alleen, Liesje en ik. Ze wijst waar het toilet is en waar de douche. Er is een aparte ruimte met allemaal computers. En ze zegt steeds ‘pap’ tegen me. Dat hoort bij het spel. Soms vergist ze zich en is het ze ‘opa.’ Meestal corrigeert ze dat. Ik verbaas met erover hoe makkelijk ze zich dit enorme complex eigen weet te maken als een woning waarin ze kind aan huis is. De bel, de keuken. ‘Pas op, laat de kat niet ontsnappen!’ Thuis hebben ze niet eens een kat, wel vissen. In deze woning huist al jaren een kat.
Vorig jaar moest ik haar nogal eens optillen, nu maar één keer. Ik kan me dus volledig richten op mijn eigen gebrek aan behendigheid. Ik voel er weinig meer voor om door een kronkelige ijzeren tunnel omlaag te suizen, maar kan het toch ook niet laten om af en toe een poging te doen om me ergens aan mijn armen omhoog te trekken. Het kabelbaantje waarmee je op een schijf aan een touw naar omlaag schiet, gooit me met een smak tegen de houten standaard aan het andere eind van de kabel. Als ik er tien minuten later weer langs loop, onderweg naar de badkamer, zie ik mijn schrijblokje in het zand liggen.
Voor de woonkamer moet ik kazematten beklauteren met vierkantje van touw waarin alleen de punt van mijn schoen in past. Daarom wordt de ijzeren toren geannexeerd. Gelukkig zit er een gat in het hek, anders hadden we honderd meter om moeten lopen. Die woonkamer blijft intussen een flinke klim. Maar met een mooi uitzicht.
Als er na meer dan een uur twee jongetjes de speeltuin in komen, is het tijd om weg te gaan. Het spel is uit.
‘Kom, pap, we stappen maar weer eens op de fiets.’

06 mei 2019

Vijf, vijf, vijf

Otto zit in een doorgangshuis. Vorige keer, op de verpleegafdeling van een ziekenhuis, begroette hij me met ‘Rooster.’ Dat viel me toen nog mee, maar als ik vandaag de lift uit stap, ziet hij me meteen en zegt hij Len. Hij kijkt even omlaag naar zijn rollator en noemt mijn voor- en achternaam. Dat had ik niet verwacht.
Een verzorgster stuurt ons naar een huiskamer. Daar kunnen we goed terecht. Otto is ongedurig. Hij gaat zitten, trekt een deken over zijn hoofd. Zou hij zich voor me willen verstoppen? Maar dat is het niet. De deken doet zich voor en dan moet je er iets mee, blijkbaar. Even later hangt de deken nogal asymmetrisch om zijn nek en schouders. Ik neem me voor geen vragen meer te stellen en dat valt niet mee. Hij reageert met knikken en hoofdschudden. Zegt ja, ja. Dan volgt er een woord dat nieuwsgierig maakt. Er gebeurt van alles in dat hoofd van hem, maar uiteindelijk besluit hij met ‘nee… nee.’
‘Ik verlang naar…’ zegt hij bijvoorbeeld, maar hij kan me niet vertellen wat hij verlangt. Intussen heb ik dat al wel gevraagd: ‘Waar verlang je naar, Otto?’ Ook als ik me inhoud, blijft hij haken naar woorden die zich niet meer laten vangen. Hij wordt onrustig, hijst zich moeizaam op aan zijn rollator, loopt wat rondjes en ploft dan weer neer op de bank. Als ik een verzorgster vraag hoe lang hij hier nog blijft, vertelt ze iets over het noorden. ‘Groningen,’ zegt Otto duidelijk. ‘Ga je naar Groningen?’ Ik heb alweer wat gevraagd.
‘Hellinga, Hellinga, Hellinga.’ Hij is weer rondjes gaan lopen. ‘Noem je jezelf altijd Hellinga of zeg je ook wel eens Otto tegen jezelf?’ Weer een vraag, maar nu zegt hij: ‘Ik praat nooit met mezelf.’ Even later repeteert hij ‘Ja, nee, ja, nee, ja, nee.’ Hij kijkt er ongelukkig bij. Intussen is hij weer gaan zitten en heeft hij zich ook al weer opgetrokken aan de rollator. Dan zie ik plotseling dat zijn naam op de rollator staat en in het mandje ligt een a4’tje met daarop heel groot ‘ja’ en ‘nee.’ Dat is het. Ik leg een blad met pictogrammen op het ja/nee-vel. Zijn gezicht ontspant en hij gaat weer zitten.
‘Het is 5 mei vandaag, Otto,’ zeg ik. Hij staat weer achter zijn rollator. Ik wijs naar de kalender. ‘Ik houd niet van 5 mei,’ zegt hij en hij gaat zijn rondjes lopen waarbij hij steeds vijf zegt. ‘Vijf, vijf, vijf, vijf, vijf.’ Hij kijkt naar de kalender. Totdat zijn blik valt op een leeg glas. Hij drinkt het nog leger. Daarna is er een beker aan de beurt die ook al helemaal leeg is voor hij hem aan zijn mond zet.
Misschien moet ik hem een volgende keer iets voorlezen, een verhaaltje of zo. Maar dan niet dit verhaaltje.

05 mei 2019

Vuilcontainer

Het zegt iets over de kwaliteit en de veelheid van gebeurtenissen in mijn bestaan, maar ik kom toch nog even terug op de vuilcontainer waarin wij ons restvuil deponeren. Dat is de derde keer in een maand. Vorige week bekende ik hoe bang ik was om in plaats van het vuil mijn pasje in de muil van de container te deponeren. Die angst wordt gedeeld, weet ik nu.
Die angst is reëel, hoor ik zojuist. Dat wil zeggen: vorige week gooide iemand niet daadwerkelijk een pasje in de muil van het grotendeels onderaardse monster, maar een bos met een aantal zeer gevoelige sleutels. Toen ik bekende dat ik al bang was voor het verliezen van mijn pasje, werd dat lachend weggewuifd. Een pasje verliezen stelt niets voor: je vraagt gewoon een nieuw pasje aan.
Maar dan die sleutelbos met precaire sleutels!
Hoe dan ook, in dat geval moet je dus de gemeente bellen en die stuurt een kraanwagen naar de container in kwestie. Het is wel zaak dat je er dan zelf ook bent. Niet alleen om nog meer te beseffen hoe stom je bent geweest, hoe schuldig je bent, maar ook om de verloren schat weer mee naar huis te kunnen nemen. Enfin, die kraanwagen tilt het meterslange monster waarvan we bovengronds dus alleen maar de snuit zien, omhoog. Dan wordt al het vuil op straat uitgestort. En dat kan veel vuil zijn, heel veel, aaaaadembenemend veel. En daar moet jij als domme sleutelwerper getuige van zijn. Nee, helpen hoeft niet, mag niet. De man van de kraan en de wagen doet het zelf. Je moet toezien hoe een ander de door jou veroorzaakte ellende moet oplossen.
Dat is nog erger dan het zelf oplossen. Zo werkt de gemeente. De overheid is een harde leermeester of –meesteres met een sadistisch trekje.
In dit geval zijn de sleutels teruggevonden. En tegen betaling van 50 euro kon de eigenaar ze weer meenemen. Dat is toch geen geld. Die man die het probleem voor je komt oplossen doet dit vijf keer in de week.

04 mei 2019

Labrador

Gisteravond sliep ik in als een blonde labrador. Met mijn poten onder mijn snuit. Het was onaangenaam. Ik was al een eind weggezakt toen er over mijn rug werd geaaid. Daardoor drong tot me door dat ik een hond geworden was. In die hond bewoog nog, maar zonder enige overtuiging, de schijngestalte van de mens die ik was. Ik stak mijn transparante hoofd nog uit de hondenkop.
Probeerde om te kijken naar de vrouw die me streelde. Hoopte ook weer wat meer naar het lichte rijk van de levenden terug te keren, want dan kon ik me omdraaien, niet als hond maar als de mens die ik was. Ik zou mijn armen om de vrouw slaan die nu achter me lag. Het lukte niet. Mijn menselijke hoofd loste op en daarmee de hoop om nog eenmaal mens te zijn. Mijn ogen gingen nog wel open, bruine hondenogen. Ogen in een kop die uitgeteld op hondenpoten ligt. Ogen die wel open zijn maar niets zien en ook nergens naar kijken. Hondenogen die alleen maar niet dicht zijn.
Het strelen hield op. Ik zakte verder weg. Een tikkeltje bedroefd, omdat ik wegzakte als een hond met de kop op de poten, terwijl ik liever een mens had willen zijn. Ik had het maar te accepteren.

03 mei 2019

De Verlatene

Het boek is uit. Jarenlang staat Carry van Bruggen in mijn boekenkast en vorige week verraste ik mezelf door De Verlatene eruit te trekken, een roman uit 1910, een boek van honderdentien jaar geleden. Dat is wel te merken ook. Aan het late naturalisme, de uitgebreide beschrijving van het joodse milieu toen en het gemak waarmee een amper verborgen, alwetende verteller tegen de personages aanschurkt, vooral de vier kinderen van Jacob Lehrer, een winkelier in een Zaans buurtje. Maar het leest als een trein.

De Verlatene is in de eerste plaats deze orthodox joodse Lehrer. Na het overlijden van zijn vrouw ziet hij hoe zijn kinderen elk op een volkomen verschillende manier op afstand geraken van het geloof zoals hij ze dat heeft voorgehouden. We volgen de vier in hun jeugd, waar op iedere straathoek en op ieder moment antisemitisme opduikt, ook uit de eigen kring. Schaamte ligt voortdurend op de loer en even later, geïnfecteerd door datzelfde antisemitisme, de zelfhaat. Ik heb steeds de neiging het woord ‘ongelofelijk’ te gebruiken, merk ik nu ik dat schrijf. Maar dat is helaas het verkeerde woord. Schokkend is beter, schokkend is ook de onontkoombaarheid van ontwikkelingen. Typisch naturalistisch inderdaad, met die hang naar onafwendbaarheid, die wordt gevoed door erfelijkheid, milieu en het moment waar er iets gebeurt. Maar het boek is te groot om bij theoretische modellen rond te blijven hangen. Jammer genoeg is die onafwendbaarheid ook wel eens veel meer dan een literair verschijnsel.

Gisteren zag ik in het nieuws weer hakenkruisen op graven. Er was een oproep om antisemitisme halt toe te roepen. 2019. Even zo goed wordt de term joods-christelijk regelmatig ronkend tevoorschijn gehaald in politieke en christelijke kring. Ik word daar altijd een tikkeltje nerveus van. Dit boek rechtvaardigt mijn nervositeit. Alsof er zoiets als een joods-christelijke traditie geweest zou zijn. Er is een anti-joodse-christelijke traditie. Hooguit werd er af en toe en hier en daar iets gedoogd.

Tussen 1910 en nu is er het veel gebeurd als het gaat om de manier waarop joden zijn bejegend en hoe onmogelijk het was om daaraan te ontsnappen.

Hoe dan ook. Dit boek had ik veel jaren geleden al moeten lezen. Dan had ik eerder tegen anderen kunnen zeggen dat ze De Verlatene van Carry van Bruggen eens zouden moeten lezen.

02 mei 2019

Scan

Met niet meer aan dan een onderbroek en een shirtje stel ik me voor aan de beide dames. ‘Ah, u heeft een cd’tje meegebracht. Dat zullen we zo proberen.’ Er is een strijkplank met twee stapels wasgoed. Daar kan ik nog wel bij als ik mijn hoofd op het bovenste stapeltje leg en mijn knieën over de stapel in het midden buig. Er volgen nog wat instructies die alleen maar tot doel hebben dat ik niet zal bewegen het komende half uur.

Ik heb John Prine meegenomen, The Tree of Forgiveness. Dat was vooral om niet de Arpeggione Sonata van Schubert te doen, in de uitvoering van Rostropovich en Britten. Die neemt Maria altijd mee als ze in de MRI moet. Die opname duurt namelijk even lang als de scan. Maria heeft jaren een abonnement op een MRI-scan gehad. Voor mij is dit de tweede keer en ik kan me bijna niets meer van die eerste keer herinneren.

In ieder geval niet het geluid dat zo’n scanapparaat maakt, ook als je oordoppen op hebt. Jaap adviseerde me gisteravond nog om Metallica mee te nemen. Ik dacht dat dat een grapje was, want ik heb niets met Metallica. Nu ik daar lig, op de strijkplank, in de pvc-buis, begrijp ik wat hij bedoelde. Af en toe komt John Prine de stiltes vullen. Hoe is het mogelijk, vraag ik me af, dat Maria iets van die Schubert heeft meegekregen?

Onderweg naar huis zet ik John Prine nog maar weer eens op. Ik weet eigenlijk niet eens zeker of de cd wel helemaal is afgespeeld. Dat zal wel niet. Maar hoe zat dat dan met Schubert?

We zijn weer thuis en ik probeer het uit: ik zet Schubert op en begin dit stukje te tikken. Benieuwd of het samenvalt, de tijd van de Sonata, met die van de scan en die van het schrijven van het stukje.
Wat ik al dacht: de Sonata is al lang bezig met de herhaling en ik zit nog achter de toetsen.

01 mei 2019

Prunus

Toch nog even over de prunusbomen in de straat, de Japanse kersen. Ze hebben onstuimig gebloeid dit jaar, maar het is voorbij. Lucas kijk beteuterd naar de straathoek waar een paar weken geleden nog maar grote hopen roze blaadjes lagen. Hij stak er zijn armen vol in en probeerde er sneeuwballen van te kneden. Die gooide hij naar me toe. Of hij gooide de roze sneeuw boven zich uit. Een week later waren die straathoeken nog steeds roze, maar veel schraler. Weer bakte Lucas er sneeuwballen van, maar, net als bij sneeuw die op zijn eind loopt, kwam er meer ongerechtigheid mee in de vorm van takjes en vooral zand. Ik had het lef niet om te zeggen: ‘Doe maar niet, Lucas.’
Betovering moet haar tijd hebben, al hield die op toen hijzelf een zanddouche nam. Door zoiets toe te staan, zou ik uit de grootvaderlijke macht ontzet kunnen worden. Lucas liet zich overigens wel heel makkelijk door me overtuigen.
Vandaag kijkt hij nog even naar die ene straathoek die er een week geleden nog maar zo’n speciaal talent voor had om veel roze op te vangen. Er ligt wat lef en laf onbestemd bruin in het zand.
Resoluut stap hij op zijn loopfietsje en schiet weg.

30 april 2019

Witte regen

De wisteria floribunda alba staat in volle bloei. Maar vanmorgen zag ik al wat witte blaadjes in het gras liggen. Er is dus haast geboden bij dit stukje. Ik weet nog van vroeger, een paar weken geleden, dat de prunusbomen hier in de straat, wat zeg ik?, in de hele wijk volop in bloei stonden. Op zaterdagmiddag hagelde het even en toen ik door dat slechte weer, dus ook te midden van die bloeiende bomen naar huis liep, was het een plezier om te zien dat het overdadige roze geen krimp gaf en stevig de takjes bleef vasthouden. Ze hebben die later zonder slag of stoot toch los moeten laten. Een klok stormt of hagelt niet, maar wint het altijd (al tijd, tijd). Alleen een kenner als ik weet dat die dunne drab in de straatgoot, achter geparkeerde auto’s, de schamele resten zijn van die grootse bloei.
En dan is er de roze azaleastruik die we dertig jaar geleden in het tuintje van Anne zetten. Ieder jaar is er wel een mooie middag juist in de tijd dat die weer vol in bloei staat. Ik ken geen fraaiere azalea, met een vollere bloei, deze struik. Die staat dus in mijn tuin, toevallig, en er is jaarlijks tenminste één middag waarop ik met plezierig gezelschap in de tuin zit en we de azalea kunnen bewonderen. Zelfs de kleinkinderen vonden hem mooi dit jaar, al hadden ze meer belangstelling voor de paaseieren die erin verstopt zaten. De struik staat intussen vol in groen blad en als we niet oppassen dromen wij al weer van volgend jaar.
En dan vergeet ik nog de magnolia aan de overkant. Ik kijk even door het raam: aan de onderkant zijn een paar blaadjes vergeten om af te vallen, maar je merkt het: ik was zijn onstuimige bloei al bijna weer vergeten.
En nu dus de witte regen, wisteria floribunda alba. Hij staat er prachtig bij. Maar laat ik dit nu maar meteen opschrijven, anders vis ik weer achter de gevallen blaadjes.

29 april 2019

Mailtje

Gisteren stuurde Koos me een tip voor Kamer 23. Vandaag weer. Dacht ik. Koos appt niet maar mailt en dat is maar goed ook, want dan voorzie je je berichtje van een titel. En die titel drong zich op via mijn mobieltje. Ik las: ‘Les Murray en W.G. van der Hulst’.
Bi… Nee, verder dan het begin van ‘bingo’ kwam mijn eerste reactie niet. Dus ik kan niet zeggen dat ik inderdaad even gedacht heb dat wij in Kamer 23 Les Murray en W.G. van der Hulst zouden ontvangen en dat ik ze bevragen mocht en ze zou mogen stimuleren om met elkaar in gesprek te gaan.
Dat zou gelukt zijn. Van Van der Hulst heb ik meermalen gehoord dat hij een aimabele, zeer goed benaderbare en open man was. Uit heel ander hout gesneden dan de Australische dichter Les Murray. Deze man met het uiterlijk van een vraatzuchtige boer kreeg, met juist de afwezigheid van enig poeha, door zijn gedichten vooral, maar ook door de verhalen eromheen zijn publiek in een paar seconden aan zijn lippen. Vervolgens vergat iedereen de tijd. Die twee zouden elkaar met alle verschillen heel goed verstaan.
En ze pasten volmaakt bij de formule van Kamer 23. Daar willen we dat een auteur van jeugd- en kinderboeken in gesprek gaat met schrijver van literatuur voor volwassenen. Maar goed, die gedachte maakte ik dus niet af, want W.G. van der Hulst is dood. Al jaren.
En Les Murray dus ook , las ik nu in het mailtje van Koos. Dat was overigens niet de reden waarom zij voor het eerst in de geschiedenis in één adem genoemd werden, wat misschien wel onterecht is. Koos wilde me vertellen dat Les Murray vandaag is overleden én hij vroeg zich af of ik misschien ergens Tippeltje had staan, een boek van W.G. van der Hulst.
Dat is niet het geval. Heel veel Van der Hulst, maar geen Tippeltje. Iemand anders misschien?
Hoe dan ook: het doet me genoegen dat Van der Hulst en Murray nu in één adem genoemd kunnen worden. We overwegen een gesprek in Hemel 23.

28 april 2019

Restvuil

Voor papier, gft en plastic en blik hebben we aparte kliko’s. Het restvuil gaat in containers die her en der in de wijk zijn opgesteld, nee, vooral ingegraven. Op straathoeken vormen ijzeren kubussen met een cilindervormige schuifklep het topje van wat als een ijsberg onder de stoeptegels te vinden is: de eigenlijke container. Naast de klep vind je de display waar je een speciaal pasje voor moet houden. Zodra je dat hebt gedaan, hoor je een zachte klik, er springt een lampje op groen en zonder enige moeite kun je de klep openschuiven en kijk je in het inwendige van de cilinder, die er van binnen wel een beetje uitziet als een mislukte haaienbek. Daar leg je de vuilniszak in, in die geopende bek. Je schuift de klep weer dicht. Je hoort nog wat geruststellend gerommel en klaar ben je. Soms gaat er een motor draaien om het vuil te vermalen. Tot zover het technische gedeelte.
Als er een zakje restvuil moet worden weggebracht, dan pak je het pasje en loop je naar de container die jouw pasje herkent. Dus zakje in de linkerhand, pasje in de rechterhand. Straatje, bocht, straat, hoek met container. Je houdt het pasje voor de display, die zich rechts van de klep bevindt en dan…
Ik ben rechts. In mijn linkerhand houd ik de vuilniszak. De rechter houdt het pasje voor het schermpje. Als vanzelf schuift die rechterhand de klep open. Ik doe alles met mijn rechterhand. Meer dan een dooie haak heb ik mijn linkerhand bij dit vuilnisritueel niet kunnen noemen.
Een paar weken geleden merkte ik dat de routine er intussen aardig inzat en vanaf dat moment breekt er ook een lichte paniek uit, want nu wordt het gevaarlijk. Het zou namelijk zomaar kunnen dat die actieve rechterhand even onverdroten de volgende handeling voor zijn rekening neemt en dus na het openen van de klep zich ook van zijn ballast ontdoet, en dus dat pasje in de haaienbek mikt. Meteen, ook weer met rechts, gaat de klep dicht. Klinkt er wat gerommel en sta ik daar, zonder pasje maar met in mijn linkerhand dat vuilniszakje.
Nee, het is nog niet gebeurd. Maar juist omdat ik bang ben dát het kan gebeuren ben ik bang dat het gebeurt.
Tegenwoordig houd ik daarom het raam in de gaten en als er iemand langskomt met een zakje restvuil, loop ik gauw met dat van mij naar buiten.
‘Goh, ga jij ook die kant op? Dan kun je die van mij net zo goed even meenemen.’

27 april 2019

Vrijmarkt

Een onverwacht aangename bijvangst van de uitbouw van tien jaar geleden is het zinken dak. Dat zit vlak onder onze slaapkamerramen en daarvan staat er altijd eentje open. Als het regent tikt het water gezellig op het dak en zo combineren we een aangenaam bed met de prettige associaties van een waterdichte tent in de regen. Ik slaap er goed bij in en op dit geluid wakker worden is een grote vreugde. Maar vanmorgen dus niet.
Vrijmarkt! Ik stelde me onmiddellijk al die kinderen voor in het park hier in de wijk, met hun doorsijpelde jurkjes op kletsnatte kleedjes. Met een stapel Donald Ducks alsof het pannenkoeken waren en met zelfgemaakte cup cakes die vloeibaar geworden waren.
Daar hoefde ik me toch niet druk om te maken. Ik zou toch niet naar de vrijmarkt gaan, want mij mankeert al dagen niets en daar ben ik flink beroerd van. Maar de teleurstelling van die kinderen die gisteren met mooi weer in bed gestapt waren met een vooruitzicht dat nu zo heftig gelogenstraft werd… Ik voelde me er schuldig over. Misschien wel omdat er niets aan te doen viel.
Al zou ik natuurlijk ergens een partytent… Ach nee, de parasol… Onzin. Ik nam het het zinken dak ernstig kwalijk dat het mij de afgelopen jaren zoveel vreugde had gegeven, maar me nu in de steek liet. Ik misgunde me met terugwerkende kracht alle plezier dat ik had beleefd aan het samenspel van vallende regendroppels en zinken dak.
‘Maar ik kan het niet helpen,’ kreunde het dak. ‘Het is de regen.’
‘Het is goed voor de natuur! Kijk, naar je gras, eikel,’ zei de regen.
Ik voelde me nog schuldiger. De regen viel niets te verwijten en het dak al helemaal niet.
Als ik op buienradar had gekeken, dan had ik dit hele stukje niet hoeven schrijven.
Later hoorde ik gestommel beneden. Kinderen stalden even wat spullen die ze hadden gescoord. Het kwam onderaan de trap te staan. Ze gingen vlug weer weg, voor een volgende ronde.
Als het was blijven regenen, was ik niet gestruikeld.

26 april 2019

Mij mankeert niets

Mij mankeert niets. Dank u. Enigszins beschaamd fietste ik aan het eind van de middag terug van een bezoekje aan de dokter. Mijn geblaf kreeg naar mijn idee wel een zeer verontrustend volume en ook de tijd die mijn hoestbui werd vergund vond ik verre van betamelijk. Dan deed het ook nog pijn aan mijn borst. Maar er is niets. Dus heb ik voor niks lopen zweten. Hersenspinsels die vlagen van misselijkheid. En ik zou vandaag nog wel helpen klussen in de kerk. Daar ben ik weer mooi vanaf gekomen.
In plaats van in de stad mee te drinken op de bevriende Oranjeridder bezocht ik de dokter. De tuinbonen heb ik niet geproefd. Op dit ogenblik stort iedereen, Mente, de buren, de hele stad, zich op de vrijmarkt. Ik ben alleen in huis. Ik kan ongehoord en ongezien de straat op lopen en roepen dat mij niks mankeert. Maar ik zeg niks hardop. Ik ga niet naar buiten. De muziek heb ik afgezet. Mijn boek is uit. Broom, trachitol, paracetamol.
Bovenaan de trap hijg ik even uit. De computer ontwaakt fris uit zijn slaapstand en op het scherm verschijnt het adagium van deze zesentwintigste april: mij mankeert niets.

25 april 2019

Geen ontmoeting

Even ter verontschuldiging: ik sta hier omdat er ergens achter me een kleinkind ronddwaalt. Ik begeleid op afstand, door afwezig aanwezig te zijn. Dus ben ik stil blijven staan bij dit hek dat het kinderparadijselijke Griftpark scheidt van de Blauwkapelseweg. Die befietste ik honderd jaar geleden dagelijks van huis naar school en weer terug. Op de heenweg kwam ik iedere morgen een tamelijk toegewijde ambtenaar tegen. Zo zag hij eruit. Dun, maar strak naar achteren gekamd haar, waar een schedel doorheen glom. Klein en met een huid die gretig reageerde op zonlicht. Bij koude dagen was er een halflange trenchcoat; in de zomer voldeed een middelblauw colbertje. Aktentas altijd in de linkerhand. Bril. Bril niet vergeten.
Soms kwam ik hem honderd meter later, soms honderd vroeger tegen, maar op de hoogte waarop ik dit sta te schrijven, zag ik hem het vaakst. Een ontmoeting kon je dit treffen niet noemen. Ik zag hem wel dagelijks, knikte hem na een paar jaar zelfs toe, maar ik geloof niet dat hij mij ooit heeft gezien.
Na vijftien jaar verhuisde ik en daarmee behoorde ook onze dagelijkse ontmoeting die geen ontmoeting was tot het verleden.
Ik heb hem overigens nog wel eens gezien, halverwege de jaren negentig, ter hoogte van De Gaard. In de lange tijd dat ik hem dagelijks, zag veranderde hij niet. De kleding, het kapsel, de tas, dezelfde bril. Maar die keer bij De Gaard was hij een oude man. Zijn dunne haar was pluiziger, hij had een kleinere bril. Hij droeg nog wel zijn aktentas, maar hij sleepte.
‘Opa!’ hoor ik roepen. Het klinkt ver weg en er zijn meer opa’s in het park, denk ik. Maar is het niet Lucas zelf die roept, dan zal het mijn geweten wezen.

24 april 2019

Stalin is dood

In ‘Huis in de Wijk’ keken we naar The death of Stalin, in een recensie van de NRC van vorig jaar aangeduid als een ‘schurende komedie.’ Trouw zette als kop boven de bespreking: ‘Het is ongemakkelijk lachen om 'The death of Stalin', maar Iannucci lost dat op.’ Maar er is helemaal niets opgelost.
De film begint nogal hilarisch en al vrij snel is de Sovjetleider dood. Dan, we leven 1953, breekt de strijd om het leiderschap los. Malenkov heeft formeel de beste papieren, de ongelooflijk wrede maar desondanks grappige Beria overtreft hem in prestige, maar de strijd pakt uiteindelijk uit in het voordeel van de gewiekste Nikita Chroesjtsjov. De film staat bol van machtswellust, eigenwaan, angst en een onbekommerde wreedheid die wel wordt verwoord in korte flitsende zinnetjes: ‘Dood haar het eerst, maar zorg ervoor dat hij het ziet. Daarna schiet je hem dood.’ En in een kort, maar onontkoombaar suggestief shot waarbij Beria langs een meisje loopt en zegt dat ze gewassen moet worden, dat er veel bloemen moeten komen. Vervolgens wordt het meisje door twee soldaten meegenomen. Daar moet ons lachje vandaan komen. Maar het is een van God verlaten wereld waar ik naar moet kijken in dat ‘Huis in de Wijk.’ De film is overgoten met een sausje Falty Towers. ‘Zwarte humor,’ zegt iemand. ‘Meer satire,’ zegt een ander. Alsof het om de juiste aanduiding van het genre gaat.
De film verwart me. De optelsom van wreedheid en cynisme kan ik nog wel aan, maar dat sausje, en dat ‘komedie’, hoe schurend ook, bevallen me niet. Ook ik moet af en toe meegrinniken om de manier waarop een situatie wordt neergezet: het concert dat een tweede keer moet worden uitgevoerd, Chroesjtjov in pyjama, de absoluut niet voor zijn taak geschikte Malenkov. Maar ik wil helemaal niet lachen. Ik wil ook niet dat een filmmaker mij een misplaatste lach opdringt of dat probeert. Ik vrees dat de film de feiten goed of in hun essentie goed weergeeft, maar bij het cynisme van die harde werkelijkheid van 1953 valt ook nu nog niets te lachen. Ik zou niet weten wat die regisseur heeft opgelost.
Na afloop ben ik blij dat ik alleen naar huis kan lopen.

23 april 2019

De moederschoot

We hebben Jo begraven. En zo begint het kringetje waarin mijn moeder opgroeide weer aardig compleet te raken daarboven. Het wachten is nog op de tweede dochter uit het gezin. Zij wordt per minuut zichtbaar meer van daar en straks. En toen. Haar kinderen zijn in het hiernumaals in druk beraad over hun moeder.
We voelen het allemaal: het gezin dat wij als derde generatie nooit anders dan van horen zeggen gekend hebben, is zich aan het hergroeperen. Bovenmaans, ondergronds of op een ons onbekende planeet die vandaag de aarde schampt. Jo was het jongste kind van dat gezin. Zij is overgestapt. Ze werd 91.
Er is een oude foto waarop ze op schoot zit bij haar moeder, een foto uit 1928. Moeder Betje zit links vooraan met de kleine Jo, Haar grote zus van 9 zit rechts. Achter hen staan de jongens. De een kijkt ernstig, de ander lacht. En laat ik Lenie niet vergeten, de enige die nu nog leeft. Ze staat, net drie, tussen haar moeder en haar grote zus in. Die houdt haar ene handje vast. Haar andere verdwijnt onder het jurkje van haar kleine zusje en ligt op het bovenbeen van haar moeder.
Toen Lenie wat ouder was dan hier op de foto, moest ze een paar maanden naar het sanatorium, lang genoeg voor het kleine zusje om de schoot van haar moeder als haar territorium te beschouwen. Dat was een schok voor Lenie toen ze terugkwam. Jo had haar plaats ingepikt.
Vandaag, of gebeurde het vorige week al?, is Jo weer op die schoot geklauterd. Zit ze weer als een klein meisje te zingen ‘Forever young, forever young’ want in de hemel zijn er geen aan leeftijd gebonden taalbarrières en iedereen kent daar hele stukken uit het oeuvre van Bob Dylan. Maar moeder Betje wordt onrustig. Het zal toch niet opnieuw gebeuren dat Lenie zich buitengesloten voelt. Ze kijkt over de rand. Lenie ligt te slapen in een ziekenhuisbed. Moet ze haar wakker maken?
Ze gaat in overleg. En alle kinderen hobbelen achter haar aan.
Pa geniet van het schoffelen in het hemels paradijs. ‘Mooi weer vandaag.’

22 april 2019

Gelijke tobbers

In de krant van afgelopen zaterdag lees ik opnieuw dat de ongelijkheid tussen man en vrouw terug te vinden is in alle culturen en dat ze van alle tijden is. En dat ten onrechte. Ik zal er niets tegen inbrengen.
Wat volgt is een schuchtere aanvulling.
Zou het namelijk ook niet zo zijn dat die ongelijkheid misschien – o, ik loop hier op glad ijs, als eieren zo groot! – pas opspeelde als de ene partij maatschappelijk wat hoger op de ladder stond dan de andere, zodat dat – o, eieren – misschien wel bepalender was voor de ongelijkheid tussen de seksen dan het sekseverschil als zodanig? Zoals mijn opa (de ene) buiten in de regen paaltjes in de grond moest slaan omdat het geen weer was voor de beesten om ze uit de stal te halen en te verweiden, door mijn opa. Die overigens een jongetje was, geen meisje, maar ook geen rund.
En hoeveel beter waren de omstandigheden voor mijn opa’s (de ene zowel als de ander) in vergelijking met die van de oma’s? Welke carrièremogelijkheden hadden die twee. De ene opa met zijn paaltjes en de ander met een leven lang op zijn knieën op het land in de weer met slaplantjes, waspeen, spruitjes en nooit dat het wat opleverde? Intussen veranderden de oma’s oude kleren van grote mensen in nieuwe broekjes en jurkjes voor de kinderen, maar wel van oude stof, en ze maakten pap en ze stonden met een stok in een wastobbe te beuken. En geld was er altijd niet.
En de kinderen? De jongens? De meisjes? Tot hun twaalfde naar school, dat was het uiterste en daarna werken voor de kost. Dweilen bij een deftige dame, of met je vingers de grond in of sjouwen. Ik zou ze het artikel van afgelopen zaterdag willen laten lezen. Willen weten wat zij ervan zouden vinden. Maar ik krijg ze maar niet te pakken.

21 april 2019

Soep

We hebben sinds kort zes nieuwe soepkommen. Elke kom heeft een eigen kleur. De eerste keer dat we uit de nieuwe kommen aten, koos ik de rode, mijn dochter wilde de roze kom en Mente kreeg de grijze. De keren daarna at ik soep steeds uit de rode en Mente uit de roze of de grijze kom. Die keuze werd toen vooral logistiek bepaald. Omdat ik altijd de rode neem, staat die dus na de afwas bovenop de stapel.
Vandaag kwam het nageslacht de opstanding van Christus vieren. Ieder had meer meegenomen dan we met elkaar op konden en alles was lekker, maar daar gaat het nu niet om. Ik beperk me even tot de soepkommen. Onze vorige soepkommen hadden mijn liefde niet. Ze waren groter dan nodig, lomp en op hun buik stond in kloeke letters ‘soep’. En ze waren uitwisselbaar. Dezelfde bleke kleur. Alleen door een oor kwijt te raken wist een kom zich van de anderen te onderscheiden, maar in dat geval lag de kom de volgende dag in de vuilnisbak.
Gisteren zette ik de afgewassen kommen weer terug en troostte de nooit gebruikte groene, blauwe en gele dat ook zij morgen aan hun bestemming zouden geraken en gevuld zouden worden en belepeld. Vanmiddag zag ik dat de rode kom als eerste werd gepakt, door mijn oudste zoon. Ik wilde me afvragen wat hem er toe gebracht zou kunnen hebben om juist die kom te pakken. En zou dat dan iets gezegd hebben over onze verwantschap? Al waren er meer verwanten. Maar hij was de eerste die soep nam en de rode kom stond bovenop de stapel. Zo eenvoudig is het.
Toch is er met die kleur een nieuw fenomeen in mijn soepeetgedrag gekomen.
O ja, we hebben ook gekleurde eetkamerstoelen en onze tuinstoelen hebben ook allemaal een andere kleur. De kamerstoelen hebben een vaste plaats om de tafel en die plaats is maar gedeeltelijk gekoppeld aan wie er op zit. Zo zit ik…

O, je bent al gestopt met lezen.

19 april 2019

Om u te dienen

We lopen in Delft even langs de kerk van waaruit Jo volgende week begraven zal worden. Dan heb ik alvast een idee van route en tijd. Daarna wandelen we langs grachten waar het zonlicht er iets moois van maakt.
‘Het is bijna kitsch,’ zegt Micha.
‘Gelukkig is het echt. We hoeven ons er niet voor te schamen. En ik zal er geen foto van maken.' Ik vind het wel een beetje jammer dat ik geen camera bij me heb. Ik ben wat slordig op dat punt de laatste dagen. Op het station nemen we afscheid. Micha moet naar Leiden, ik naar Utrecht.

Vanuit de trein is de wereld adembenemend groen. Er dreigt weer droogte, maar daar is niets van te merken. Het lijkt wel alsof de trein tot zijn knieën door het gras waadt. Ik zou moeten uitstappen, een bus moeten pakken om hier te gaan wandelen. Maar thuis ligt een agenda te zeuren.
Ik vind troost in een man in de verte. Hij fietst door het groen en ziet de trein rijden waarin ik zit. Ik besluit dat hij ervan geniet, van het groen, maar ook van de geel-blauwe rups verderop die voor wat afwisseling zorgt.
Dankzij mensen als ik rijdt er een trein en die trein pleziert de man op de fiets en misschien nog meer fietsers en wandelaars.
Ik heb een dienende functie vandaag. Ik fotografeer niet, ik fiets niet, wandel niet, ben zelfs geen figurant in het decor. Ik dien.

18 april 2019

De zwaaiende man

Hun belangstelling is minimaal. Lucas is nog even langs het raam gelopen. Dat wel. Meer om van het gezeur van zijn oma af te zijn. Hij heeft zich alweer op de treintjes gestort. Marcus heeft met zijn negen maanden nog niets in te brengen. Hij zit op mijn arm. Ik meen dat hij zich realiseert dat het zijn papa is die aan de overkant in een auto stapt. Ik laat Marcus’ armpje heen en weer wapperen. Dat vindt hij wel grappig, al kijkt hij intussen niet meer naar het raam maar naar zijn broertje.
En zo wuiven Mente en ik vriendelijk naar een enthousiast zwaaiende schoonzoon. Hij heeft zijn raampje er zelfs helemaal voor open gedraaid. Het laatste wat ik van hem zie is zijn hand uit het raam. Alsof hij niet wil stoppen met zwaaien. Maar goed.

Als ik half uurtje later met Lucas naar het speeltuintje loop, zie ik hier en daar mensen met elkaar staan praten. Zij vormen de schamele resten van wat zo te zien een complete volksoploop moet zijn geweest. Er zijn zelfs mensen op de fiets deze kant uit gekomen om getuige te zijn van iets dat ons blijkbaar is ontgaan.
‘Ik ga er donderdag altijd wat later voor naar min werk,’ zegt een straatgenoot van 200 meter verderop, als ik vraag wat er aan de hand is geweest.
‘Hoezo later?’ vraag ik.
‘Ik wil de zwaaiende man natuurlijk niet missen.’ En terwijl hij vertelt van de man die op donderdagochtend om acht uur zwaaiend langs de intussen tot een menigte uitgegroeide groep mensen rijdt, trekt hij zijn mobieltje tevoorschijn om me een foto te laten zien. Van mijn schoonzoon. Ik sta nog versteld te wezen als hij zijn jasje heeft open geknoopt. Hij draagt een T-shirt met daarop de afbeelding van een zwaaiende Jeroen. En hij is niet de enige met zo’n shirt, zie ik. Er zijn mensen om ons heen komen staan en van shirts in allerlei kleuren zwaait Jeroen ons toe.
‘Papa,’ zegt Lucas verbaasd.
De mensen lachen, want dat zou iedereen wel willen, het zoontje zijn van de zwaaiende man.

17 april 2019

Het is allemaal heel gewoon

Met haar gesloten ogen is ze heel erg afwezig. Ongetwijfeld heeft ook zij als peutertje haar handjes voor haar ogen gehouden en zei iemand, haar moeder, stel ik me maar even voor: ‘Waar is Jopie dan?’ En dan deed ze die handjes omlaag. ‘Ah, daar is Jopie weer.’
Haar vingers zijn opvallend wit. De rug van haar hand is verkleurd. ‘Daar gaan je bijverdiensten, Jo,’ mompel ik. ‘Nooit meer spruitjes schoonmaken.’ Jo zegt niets terug. Tegen Susan had ze nog gezegd: ‘Nu ben ik dood en nu praat ik nog.’ Ze zegt niets meer. En ze hoeft ook niet haar handen voor haar ogen te houden om te doen alsof ze er niet is. Ze is manifest afwezig in deze rouwkamer. Ik heb er niets meer te zoeken. Haar niet in elk geval.

‘Vind je het niet vreemd, dit huis zonder haar? Ik wel. Ik vind het heel vreemd.’ Michael heeft me binnengelaten en ik loop wat door de woonkamer terwijl hij koffie maakt. Haar sta-opstoel is weg. De kamer vormt even de contouren van haar afwezigheid. Ze is hier minder weg dan in het rouwcentrum. Maar de dingen zijn gewoon wat ze zijn. Er dwarrelt een los snoer over de vloer op de plek waar haar stoel stond. Het is allemaal heel gewoon.

16 april 2019

Notre Dame

28 ansichtkaarten heb ik van de Notre Dame. Ik heb ze zojuist geteld. Ze zitten al jaren ergens in een la. Ze zijn allemaal van de buitenkant. Nietszeggende kaarten. Maar kerkkaarten bewaar ik.
Op mijn zeventiende liftte ik naar Parijs. Op een vrijdagochtend in juni werd ik in Reims meegenomen door de priester die me in een voorstad van Parijs afzette. Ik heb nog een hele tijd gelopen, waarbij me vooral grote borden met reclame voor Levi’s jeans opvielen. Om die broeken de juiste pasvorm te geven, moest je er, volgens die reclame, mee in een badkuip gaan zitten. Ik had dat nooit gedaan, maar was wel een paar keer met een lange spijkerbroek in zee geweest. Maar zee had je niet in Parijs. Via de metro kwam ik bij de Notre Dame en die ben ik ingelopen. Ik heb de Notre Dame verschillende keren gezien, maar dit is de enige keer geweest dat ik er binnen ben geweest. Dat verbaast me.
Ik vond de kerk toen vooral heel erg groot en ik miste er de betovering die andere grote kerken bij me hadden opgeroepen. De Nieuwe en de Oude Kerk van Delft, de kerk van Brielle bijvoorbeeld. Die kerken hadden me een gevoel gegeven er thuis te horen. Ik was een kerkuil. Buitenlandse kerken behoorden nog niet zo tot mijn repertoire. De Notre Dame was de eerste.
Maar ik liep er alleen maar verloren in rond te lopen. In die kerk was ik anoniemer dan erbuiten, in de straten en in het park waar ik ook niets of niemand kende. Het was mooi weer, die vrijdagmiddag in juni 1970, maar binnen was het koud. Deze kerk had me niets te bieden, die grote onpersoonlijke en ongenaakbare en kille en onaandoenlijke kolos.
Waarom ben ik later niet nog eens naar binnen gelopen?

15 april 2019

Krelis

Er lopen wat dingen door elkaar vandaag. We passen op de kleinkinderen, er is nog wat na-ijlen van het een en wat voorbereiden van het ander, maar om kwart voor acht in de ochtend al, juist als ik de auto inparkeer, gaat mijn telefoon. Susan belt om te zeggen dat haar moeder is overleden, mijn tante Jo.
Een grote schrik is dat niet, maar wel maakt het me treurig. Intussen is Klaas al naar buiten gerend, want vandaag zijn Mente en ik oma en opa. Hij danst om de auto. Mente neemt hem mee naar binnen. Een uur later belt Michaël op, juist als ik voor mijn eigen huis bezig ben de auto in te parkeren. Hij belt om te vertellen wat ik al weet: Jo is dood.
Op een foto op Twitter ontdek ik dat de knuffel die de zoon van Ester gisteren op naar Kamer 23 verloor, een gebreide Ieniemienie was. Het is een pop met een verraderlijk hoog Jo-gehalte. Ooit kreeg mijn broertje een gebreide, slungelige pop die Krelis heette. Die had Jo voor hem gemaakt. Jaren daarvoor had mijn oudere broer ook een gebreide clown van haar gekregen die Jodocus genoemd werd. De namen kwamen altijd van Jo. Toen ik later bij Jo logeerde, bleek er trouwens ook een vrouwelijk pendant van Krelis te bestaan: Grietje. Dat was de pop van mijn nichtje, product van dezelfde breipennen en handen als de boer en de clown.
Bij Lientje lag het anders. Dat was de knuffel die, tientallen jaren later, mijn dochter als kleuter bij zich had toen we een keer bij Jo op bezoek waren, bij Annes oudtante dus. ‘Kijk nou toch,’ zei Jo, ‘je hebt Lientje meegebracht! Wat leuk.’ Maar de pop heette helemaal geen Lientje, al weet niemand meer hoe Lientje heette voor ze Lientje heette.
Toen ik vanmorgen na het eerste telefoontje bij Liesje en Klaas binnenkwam om ze naar school te brengen, keken ze wel even, twee tellen, eerbiedig naar me omdat hun oma ze al verteld had wat voor telefoontje ik zojuist had gekregen. Maar wie die tante Jopie nou was… De zus van oma Annie, ja, maar die overgrootmoeder was ook al aardig weggezakt. ‘Tante Jopie was de mevrouw die alle dingen en dus natuurlijk ook poppen een naam gaf. Weet jij wie Lientje is?’ Dat wisten ze: dat is de knuffel van de moeder van hun neefjes Lucas en Mark. Dat weet iedereen. ‘Nou, die naam heeft Lientje gekregen van tante Jopie.’
‘O die.’
Enfin, vanavond heb ik een vesper verzorgd en gebeden voor mensen zonder naam, want hoe moet dat nu Jo er niet meer is om daar iets aan te doen? en toen ik op mijn mobieltje keek, stond ook de Notre Dame nog in brand. We repeteren daarna met de cantorij voor Pasen en Goede Vrijdag. At random zogezegd. Er lopen wat dingen door elkaar vandaag.

14 april 2019

Wat zijn de namen?

Gisteren had ik even het idee dat we er goed aan zouden doen om de bomen in de straat een naam te geven. Die gedachte had onmiddellijk tot gevolg dat mijn bovenkamer bekropen werd door een muzikale oorwurm. ‘Man gave name to all the animals,’ van Bob Dylan. Het liedje behoort niet tot mijn favorieten, maar een oorwurm is het wel. De varkens worden er varkens genoemd, en de koeien gaan in dat liedje voortaan als koeien door het leven. Dan is er tot slot nog een even misleidend als verleidend dier waarvan de naam verzwegen wordt. De oorwurm komt in het lied niet voor.
Vanochtend meende ik het lied weer kwijt te zijn, maar omdat er twee kinderen gedoopt werden, en de predikant er wat langer bij stilstond dat God ons bij name kent en dat die naam van ons ook in zijn boek geschreven staat, drong de oorwurm weer onverdroten binnen. Een van de kinderen heette Max en ik dacht onmiddellijk aan Max van Weezel. Zo gaat dat met namen. Hoe eigen zijn ze.
Een verschil is wel dat bij Bob Dylan de mens aan allerlei diersoorten een naam geeft: pig, cow, bear. Maar hij heeft geen individuele namen in de aanbieding.
’s Middags was er een gesprek met Ester Naomi Perquin en Bibi Dumon Tak. Waarin we het hadden over de vraag wie Richard was en of wij allemaal niet een soort Richard zijn of juist dat Richard niet Godot is. Bibi Dumon Tak vond zichzelf een eekhoorn en ze was ervan overtuigd dat Ester dat ook was. Intussen was Esters zoon onderweg naar Utrecht, op station Alexander zijn knuffel kwijtgeraakt. Daarvan bleef alleen de naam achter: Ieniemienie. Koos Meinderts was een hond. En zo werd het een hutspot van eigen- en soortnamen, van mensen, dieren en dingen, als een knuffel een ding is.
Jo gaf alles een naam: de wasmachine heette Jet. ‘Geef maar aan Jet,’ zei ze bijvoorbeeld als er iets in de was moest. Hoe zou het met haar zijn? Met Jo. Ik moet er maar gauw weer heen. Naar de tante die alles en iedereen tot leven bracht door het een naam te geven.

13 april 2019

Knuffelprunus

We keken vanavond naar ‘Wild New Zealand’. Daarin loopt een Maori door een reusachtig oerbos dat je misschien wel kent van een bezoek aan Nieuw-Zeeland of van ‘The Lord of the Ring. De man staat stil, zegt iets dat ik niet kan verstaan maar de boom waarvoor hij staat misschien wel. Het is een kolos van eeuwen. Dan loopt de man naar de boom toe en duwt hij zijn gezicht tegen de schors voor een hug, een hongi. Vanaf de bank kan ik niet zo gauw een reactie bij de boom bespeuren. De man heeft een even serieus als aardig gezicht. Alleen al door zijn verschijning heb ik niet de neiging het onzin te vinden wat die man daar doet.

Vanmiddag sneeuwde en hagelde het, niet lang, wel heftig. Er trok een straffe koude wind door de straten. In de nawee van de neerslag liep ik onder zwaarbeladen prunusbomen naar huis. Hun bloesem is zo vol, zo dik, zo intens van kleur ook dat het bijna een wonder mag heten dat takken en stam er niet van doorbuigen. En het is een wonder dat er ondanks de hagel en de wind nog niets van die volle bloesem op de grond ligt. Ondanks het weer gaat dit particuliere bloemencorso gewoon door. Alsof ik als enige daarvoor de straat zou zijn opgegaan. En al lijk ik op weg naar wat met zoveel groots entree wel het paradijs moet wezen, ik ben dus gewoon op weg naar huis. Om die bomen en met al hun indrukwekkend vertoon recht te doen, zouden ze allemaal een eigen naam moeten hebben, dacht ik toen. Misschien die van een bewoner van het dichtstbij gelegen huis, van de dochter des huizes of de vrouw. Ze bloeien namelijk onbedaarlijk roze.

Ik had ze natuurlijk ook allemaal even kunnen knuffelen, zoals de Maori dat deed, maar dat bedenk ik nu pas, nu het donker is en het tijd is om naar bed te gaan.

12 april 2019

Knieën

Zojuist dit stukje herlezen en bovenstaande alinea’s verwijderd. Het gaat immers niemand iets aan hoe mijn geliefde en ik hom en kuit en ook het naadje kennen van elkanders lurven. Laat dat maar ons zoete geheim blijven. Voor mijn knieën ligt dat anders, dus dat stuk over de knieën blijft staan. Hier komt het.

Heel anders is het met de knieën. Althans de mijne. Die zijn hard en ze knikken niet. Vurige werkpaarden zijn het die ik vooral in toom moet houden. In mijn familie liggen knieën gevoelig. Dat komt van mijn moederskant. Altijd gedoe met stokken, knarsen, kraken en opereren. De mijne zijn doerakken die onverhoeds een gemene aanval kunnen doen op het tere vlees van mijn dierbare. Dus leve de lurven, maar op het punt van mijn knieën kan ik maar beter terughoudend zijn. Ik mag me verheugen in de bewondering van mijn bruid, maar dat met dien verstande, dat zij mijn knieën daarbij meer op de koop toe neemt dan dat ze er voor kiest om af en toe al haar liefdevolle aandacht aan ze te wijden. Zo is het niet. Mijn lurven vindt zij nooit bij mijn knieën.

Zelf ben ik overigens niet ontevreden met die twee (ik heb er namelijk twee, een linker en een rechter). Ze houden het al heel lang aardig vol en ik kan er nog gerust mee op de foto. Dat vertel ik ze natuurlijk ook wel als ze weer eens te horen krijgen: ‘Au, ga weg met die knieën.’ Inderdaad, ze zijn wat onhandig, maar nou ja, het kan niet alles lurf zijn wat de klok slaat. Toch?

11 april 2019

De bezem

‘Ik vond vannacht een tientje en net toen ik het wilde oprapen, werd ik wakker.’ Ik heb het mijn vader al heel lang niet horen zeggen, maar toen hij nog niet dood was, zei hij het vaak. Zelf kan ik me geen mooie dromen herinneren, met of zonder teleurstellend slot. Mijn dromen liggen vaak dichtbij de werkelijkheid en vrolijk maken ze me nooit. Wakker worden kan een opluchting zijn, maar vaker blijft er iets van het gedroomde ongemak nazeuren. Zo droomde ik vannacht dat ik dodelijk moe was en eenmaal wakker duurde het een tijdje voordat ik me een beetje uitgerust voelde. Vraag me niet waar die moeheid vandaan komt. Geen idee.
Later, ook vannacht, droomde ik dat ik door de school liep die tegenwoordig Rietveld College heet. Een ander gebouw dan vroeger, met leerlingen die ik niet kende uiteraard, maar ik herkende ook geen enkele collega daar. En dat was wederzijds. Ik kan beter zeggen, dat niemand me in de gaten leek te hebben.
Ik voelde me schuldig terwijl ik daar door het gebouw liep, maar ook toen ik wakker werd. En zelfs ook weer toen ik vanochtend naar de schuur liep. Waarom schuldig? Ineens wist ik het: omdat ik geen les meer gaf. ‘Onzin,’ zei ik tegen de bezem toen dit tot me doordrong. De bezem vond dat ook. Dat luchtte me een beetje op.

10 april 2019

Dop

Tot het grote ben ik niet in staat vandaag en zo wordt wel het huis gestofzuigd, hang ik twee schilderijtjes op en doe ik andere dingen die geen hond zullen interesseren.
Bij deze lamlendigheid past ook het besluit om met Mente de stad in te gaan voor soepkommen. We weten precies welke, maar houden niet van digitaal bestellen. Zodoende.
Zeven winkels later zoek ik thuis toch maar mijn heil bij Bol.com. Ik zou dan ook een desillusie rijker zijn geweest als we niet ook even bij Emma B aan de Oudegracht naar binnen waren gelopen. ‘Ik heb hier, toen ik nog jong was, wel eens gevraagd om de dop voor de poot van zo’n tuinstoel,’ vertel ik. Hoewel het minstens een half jaar geleden is, weet de vrouw achter de balie het nog. Ze heeft het dopje zelfs ergens voor me klaar liggen. Even later komt ze terug, met een dop die ik vervolgens niet hoef te betalen.

En dankzij deze dop heb ik intussen ook de tuin zomerklaar gemaakt. De tafel is weer in elkaar geschroefd en snuffelt aan de tegels van het terras. De stoelen vragen zich schoongemaakt en wel af of ze vorig jaar op dezelfde plek stonden en de vierentwintig poten staan op vierentwintig doppen.
Er zijn dagen die een veel minder zichtbaar resultaat opleveren. En die al maanden in mijn achterhoofd zeurende dop is per vandaag omgezet in een wapenfeit waarvoor ik graag verwijs naar de rechtervoorpoot van de lichtgroene stoel.
En dat dus dankzij Emma B aan de Oudegracht te Utrecht.

09 april 2019

Het is de natuur

‘Bijen, zegt u. Geen wespen?... Nee, nee, daar beginnen we niet aan. Bijen vernietigen we niet. Die moeten worden verplaatst. Dan moet u een imker bellen. Die zal dat graag voor u doen.’
Vroeger, in de zomer van 2018, toen hij nog twee was, kostte het Lucas moeite om de grote stap van de keuken naar de tuin te zetten, of omgekeerd. Die vertraging beschermde hem tegen de bijen die rond de achtergevel dansten en helemaal geen aandacht hadden voor wat zich het huis in of uit bewoog. Door wat gaten dicht te stoppen bleef het aantal bijen gering. Het is nog maar de vraag of Lucas ze in de gaten heeft gehad, vorig jaar.
Nu zijn ze terug en ze lijken onze gevel behoorlijk interessant te vinden.

Tweede telefoontje. Nu bel ik een imker. ‘Wees blij, meneer, bijen in uw tuin. Dat is de natuur op zijn best. Nee, daar kom ik niet voor. We laten de natuur de natuur, hè. Kijk, als er nou een hele tros komt te hangen, wil ik wel eens komen kijken. Nee, gewoon een beetje voorzichtig zijn. Niks aan de hand. Dertig, veertig, zegt u? Fijn toch! Ze komen niet binnen, hoor. ’t Is de natuur.’

Als ik naar de slaapkamer loop om Mente te vertellen dat ze niks doen en niet binnenkomen, is ze juist bezig er eentje voorzichtig uit de slaapkamer te drijven. We zetten meteen een hor voor het raam. Even later vliegt er eentje door de keuken. We hangen het vliegengordijn maar weer op. Dat voorkomt ook dat Lucas, die als driejarige over de drempel de tuin in kan sprinten, bijen aan het schrikken maakt. En we moeten er vooral heel ontspannen over praten. Niks aan de hand, joh. En dat tegen een jongetje dat al steigert van een lieveheersbeestje. ‘Hij is níet lief. Hij is een beestje!’
We wachten maar af.

08 april 2019

Het leven is een strijd

Boven probeert een vijfjarige jongen zich te handhaven tegenover zijn zus van zeven en haar vriendinnetje van zes door zeer luidruchtig te zijn. Zij zitten op zolder, ik zit beneden. Alleen hij is te horen. Niet dat er een reden voor hem zou hoeven zijn om te denken dat hij zich moet handhaven. De meisjes spelen braaf en hij mag gewoon meedoen. Ze rijgen kraaltjes.
Twee uur geleden liep een spelletje kidsmonopoly dat hij met zijn oma speelde uit op een fiasco, want o, het idee dat hij zou verliezen. Hij speelt verwoed vals, en dat tot zijn eigen verdriet, maar het moet, het moet. Een paar keer dreigt hij in huilen uit te barsten. Het leven is een zenuwslopende competitie strijd, van eten of gegeten worden.
De speeltuin is maar een tijdelijk alternatief, want juist als hij er is, zijn daar teveel gegadigden voor de draaimolen. Hij wil weer weg. Zijn zus en haar vriendinnetje blijven achter in de speeltuin.

Rust komt er als we een boekje maken. Het begint met een paar losse tekeningen van hem en van mij, maar dan moet een getekend jongetje een naam hebben die hij zelf kan schrijven. Het wordt Tim. We tekenen verder en als we er elf hebben, is het klaar. Dan begint zijn verhaal. Bij iedere tekening moet een tekst geschreven worden. Hij dicteert, ik schrijf. De rollen zijn duidelijk. Er is geen concurrentie, bij gebrek aan onderspit valt er niets te delven.

En nu zitten ze dus op zolder en hij praat heel hard en ik schrijf dit stukje, maar daar kan ik maar beter mee stoppen, want ik geloof dat hij nu bezig is om te laten zien dat hij al een grote jongen is door stoer met spullen te gaan gooien.

07 april 2019

Restvuil

Of ik nog even het vuilniszakje wil wegdoen, vraagt ze. Voor dit verhaal moet je wel een beeld hebben van het stratenplan van de wijk waarin ik woon.
Onze straat is een van de tamelijk lange straten die lopen van zuid naar noord, ongeveer een meter of vijftig van elkaar. Deze straten worden hier en daar doorsneden door kortere. Die gaan van west naar oost. Ja?
Goed, ik woon halverwege zo’n lange straat, zeg straat M. Als ik de voortuin uitloop en rechtsaf sla, kom ik na vijftig meter bij de hoek van een dwarsstraat. Ga ik weer rechtsaf, dan kruis ik dus vijftig meter verderop straat N. Welnu, op die kruising, wel even oversteken, staat de vuilcontainer. Om daarin je vuil kwijt te kunnen, heb je een pasje nodig. Vergeet dat niet, anders moet je die 200 meter nog een keer lopen. Mijn grote angst is overigens dat ik ooit een keer niet het vuilniszakje in de container mik, maar mijn pasje. Maar dat er doet nu even niet toe.
Wél dat er achter de huizen poorten lopen, brandgangen. Er zijn momenten dat ik die verkies boven een wandeling over de stoep. Als het regent bijvoorbeeld. Of in een geval als dit. Eindelijk zijn we bij het verhaal.

Ik loop met het zakje de voortuin uit en sla rechtsaf. Dan zie ik in de verte Joris lopen. Ook hij heeft een zakje in zijn hand en het is duidelijk dat we op weg zijn naar dezelfde container. Als ik doorloop, zal hij me zien. Dan moet ik even wachten tot ook hij bij de kruising is en dan lopen we samen op naar de container, praten daar nog wat en daarna gaat het weer naar onze straat, straat M. Hij slaat er rechtsaf en ik ga naar links.
Joris is een prima vent. Aardig. Echt waar. Maar hij ademt veel in zijn verhalen en er zit veel uh en eh in. Dat gaat allemaal ten koste van de snelheid van het gesprek. Een ontmoeting betekent dat ik minstens vijf minuten later thuis kom dan gepland en ik heb plannen waarbij ik ook die vijf minuten wil kunnen gebruiken.
Hij heeft me nog niet gezien. Daarom sla ik vóór de dwarsstraat vlug rechtsaf het poortje in. Dat ren ik door en bij straat N, spurt ik naar de container. Ik kijk niet of Joris er al aankomt, ook niet als het zakje is geloosd en ik terug loop, weer naar het poortje natuurlijk. Ik heb hem toevallig gewoon niet gezien, zogezegd.
Maar misschien is Joris wel om de hoek blijven staan wachten tot ik weg was. Ik kan ook zo vreselijk lang van stof zijn.

06 april 2019

Cartoon

‘Hier kocht ik ooit een ingelijst poster van Koningin Beatrix, van Andy Warhol.’ Die herinneren zowel Anne als Mente zich. ‘Die hing op je kamer op school.’ We praten door, we lopen verder over de nachtelijke boulevard van Scheveningen.
‘Op die kamer had je ook een cartoon hangen, een tekening met de koppen van allemaal docenten.’ Het duurt een tijd voor die tekening op mijn kamer weer een beetje boven komt drijven. Misschien heb ik die nog wel ergens, in een archiefdoos, achter de boeken in de boekenkast. Er komt meteen een naam boven: Lodewijk Koster. Er werd veel meer gecartooneerd op school, en of hij de maker van het groepsportret is dat Anne zich herinnert, weet ik niet.
Ik heb hem later nog wel eens ontmoet, in de trein. Hij gaf toen les op een middelbare school, biologie. Maar de Lodewijk die ik in mijn herinnering voor me zie, is veertien. Blonde pony, kloeke oren en grote, helderblauwe en vooral vriendelijke ogen. Iedereen mocht Lodewijk. Het is al laat als we thuis komen, te laat om de boekenkast te slopen vanwege een mogelijke cartoon. Al heeft de tijd veel opgeslokt. Ik denk trouwens niet dat dat groepsportret van hem was, maar het zou wel leuk zijn.

Vandaag vind ik tussen de mails die ik wil wegwerken, een berichtje van LinkedInmail. Of ik me wel aan Loko Cartoons wil verbinden. Er lijkt niets duisters achter te zitten, dus ik ga er op in. Dan ga ik weer verder met de resterende mailtjes. Vervelend werk. Ik ben nog niet klaar als er van die Loko Cartoons wéér een berichtje binnenkomt. En jawel. Achter die naam blijkt die vriendelijke jongen schuil te gaan.
Nu spring ik wel op om te kijken of er niet ergens in een verstopte archiefdoos nog een tekening van Lodewijk te vinden is. Maar stel je eens voor dat ik in een opruimbui de hele mikmak heb weggegooid. Dat overkomt me namelijk wel eens. Zolang ik niet kijk, heb ik nog de illusie het verleden bij de hand te hebben. Dus ik zoek niet verder.
Leuke jongen overigens, die Lodewijk. Ik merkte het wel als hij me zat na te tekenen, al liet ik dat niet merken. Natuurlijk niet. Wel ging ik wat rechter zitten. Ik wilde niet graag met een kromme rug getekend worden.

05 april 2019

Ik wil naar huis

De laatste weken zei ze telkens weer: Ik wil naar huis. Ze werd 85 jaar. Vandaag was ik bij haar begrafenis. Ik kende de vrouw niet, ik was er voor haar zoon.

Ik las ooit ergens als grapje dat op iemands graf een pijl was gezet met de tekst: naar huis gegaan. Die pijl wees, als ik het wel heb, omlaag. Als puber moest ik daar wel om lachen. Later kwam ik op kerkhoven varianten van die tekst tegen, zonder een pijl omlaag natuurlijk, maar ook niet omhoog en zeker niet bedoeld als grapje. De hemel, een hemelse hemel, heb ik niet afgezworen, wel ben ik steeds verder af komen te staan van het idee van een hiernamaals. Een leven na dit leven, waar je ooit thuis komt, houdt me niet zo bezig.

Maar nu namen we afscheid van iemand die uitdrukkelijk naar huis had gewild, die blijkbaar een postmortale omgeving voor ogen had waar ze in haar element zou zijn. Alsof ze dat niet was in Broek op Langedijk, met haar man, haar kinderen en kleinkinderen. Maar daar was ook de loden last van een onwillig, pijnlijk en vermoeid lijf. Dat wel. Zij wilde naar huis.

Bij de afscheidsdienst zingen we ‘Loop ik met gesloten ogen naar het onbekende land’ en dan herinner ik me opeens een late wandeling ooit. We lopen over dat gedeelte van een al lang donkere Molenweg dat we de Ma noemen. Mijn zus Elly van veertien en haar vriendin Nely. Ik loop tussen ze in. Ik ben zes of zeven. De meisjes praten met elkaar. Ze denken niet aan mij, maar houden me bij de hand. We lopen niet te snel en niet te langzaam. Ik heb het gevoel alsof ik zweef, al moet ik wel zelf lopen en al ben ik moe. Het is alsof ik er niet bij ben, maar ik ben er wel. Ik voelde me zeer gelukkig. Misschien is dat wel een wandeling naar het huis waar de vrouw heen wil. Wat zat er in haar hoofd, wat voelde ze bij dat ‘huis’?

Naderhand. Mente vindt het maar een matig stukje. Zal ik het maar wegdoen onder het motto ‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen’? Maar dan hoor ik Brahms. ‘Wie lieblich sind deine Wohnungen.’ Dat huis, wat is dat voor een huis? De vraag blijft.

03 april 2019

Conifeer

Houtvesters, houthakkers, boomkappers, snoeiers, boomverzorgers, er zit geen woord tussen dat me goed bevalt, maar hoe ze ook heten, ze waren er wel. Ze zijn nu even weg, maar komen zo weer terug. Er staat nog 1,66 conifeer aan de overkant. Ik zit op de eerste rang. De vier bomen die moeten verdwijnen, staan tussen de twee huizenblokken aan de overkant, recht tegenover het raam. Ze torenen/torenden al een meter of vier boven de nok van de daken uit. Er was geen directe aanleiding om te zeggen dat ze weg moesten, maar dat er wel eens iets mis zou kunnen gaan, werd met die hoogte steeds minder onwaarschijnlijk.

De overburen rechts hadden meer met de bomen, die van links meer met het risico dat ze begonnen te vormen, maar men werd het eens. De bomen zouden ook goed onze kant op kunnen vallen en dat wilden we niet. Hier in huis waren we ook niet volstrekt unaniem: van mij mochten ze blijven, Mente had ze liever weg. Maar een echt onderwerp van gesprek is het nooit geweest.

De mannen met de kettingzagen wisten te vertellen dat de bomen dertig jaar waren. Dat betekent dat wij hier de aanplant nog meegemaakt zouden hebben. Ik kan het me niet herinneren. Ik kan me geen bomen herinneren die er niet waren en ook geen kleine boompjes, maar zo moet het wel geweest zijn. Wél herinner ik me dat ik vlak na de verhuizing voor het raam beneden stond en mismoedig naar buiten staarde. Naar die huizen aan de overkant, al dat steen, die weinig verheffende opritten. Ik miste het uitzicht op het park langs de singels. Veertig verschillende bomen stonden er. En waar was het water? Daarvoor had ik asfalt gekregen om op uit te zien.

Kijk, de mannen zijn weer terug. Benieuwd of de laatste boom de avond nog haalt.

In de verte zie ik Rob. Hij woont een straat verder. Ook hij staat voor het raam. We zwaaien naar elkaar. Wacht eens, dat deden we dertig jaar geleden ook.

02 april 2019

Het Ros Beyaert

Op de schommel van het Maximapark kun je met zijn vieren achter elkaar zitten. Liesje kiest voor het tweede zitje en ik neem het achterste. Daar gaan we. Als ze achterom kijkt, verschijnt een tevreden lach op haar gezicht: ik doe goed mee en we hebben de juiste cadans samen.
‘Het lijkt wel een paard,’ zeg ik, ‘een lang paard. Langhors. Ken je dat paard? Uit Pluk van de Petteflet. Maar er is een verhaal dat nog veel ouder is, wel duizend jaar oud en dat gaat ook over een lang en groot paard, het Ros Beyaert. Ros betekent ook paard, net als hors.’ Niets wijst erop dat Liesje naar me luistert. Ze beweegt van voor naar achter zonder ook maar even te haperen.
Er is intussen een meisje van een jaar of vijf bij de schommel komen staan. Ze knikt als we vragen of ze er ook op wil. We stoppen en zij klimt voorop. Als we de draf er weer flink in hebben, komt er een jongetje vlak bij ons op de grond zitten. Ook hem vertel ik dat deze schommel een paard is, dat het Ros Beyaert heet en dat het fijn is als hij ook mee wil rijden, want dat vindt het paard het leukst. Dat zie je wel, want hij heeft nog een stoeltje over. ‘En als we met zijn vieren op dit paard zitten dan zijn we de Vier Heemskinderen.’ Hij wil wel, zo lijkt het, maar hij komt er niet toe om daar voor uit te komen. Hij kijkt me verwachtingsvol aan, maar hij blijft op de grond zitten. ‘Weet je wat? We stoppen even en dan kun je ook op het paard.’
‘Geen paat, sommel,’ zegt hij en dan loopt hij weg.
‘Ik wil op het kabelbaantje,’ roept Liesje.
‘Ik ook,’ zegt het meisje.

01 april 2019

Telbaarheid

De dag begint met telbaarheid. Nog blind tel ik de enen van mijn geliefde, dan de tweeën. Controleer de textuur van haar huid en haast me niet. Buiten hoor ik een enkele vogel, twee, binnen hoor ik dat zij nog even slapen wil.
In de badkamer zet ik de radio aan, meestal radio 4, in het weekend 1. Ik leg de attributen klaar. Tandpasta, altijd eerst de tandpasta, waarschijnlijk omdat ik daar de dag mee eindigde. Tandenborstel. Crème. Scheerolie, scheermes. Neusspray, van harte aanbevolen: een apothekersflesje met stuifdop, gevuld met water en keukenzout. Kam. Bodymilk. Washand hoog, washand laag. Zeep ligt al klaar. Twaalf. Dat is het.
Volgt de verzorging. Eerst de tanden. Zodra de pasta op de tandenborstel zit, verdwijnt de tube in het bakje in de la onder de wastafel. Elf. Poetsen. Tien. Ik was me met koud water en zonder washand. Blijft tien. Volgt de scheerolie. Olie weg. Handen wassen. Scheren. Scheermes afspoelen en weg. Haren kammen. Kam weg. Zeven. Gezicht en bovenlijf wassen met de lichte washand. Washand uitspoelen en aan haakje hangen. Onderlijf wassen met donkere washand. Uitspoelen, aan het andere haakje hangen. Haar had ik al gekamd, zie ik. Afdrogen, de handdoek hangt naast de washandjes. Neusspray. Drie. Gezicht insmeren met crème. Dan de rest van het lijf met een combinatie van crème en bodymilk. Als ik klaar ben, ligt alleen de zeep nog op de wastafel. Twee, een. Radio uit. Nul.
Aankleden: hemd, onderbroek, drie, vier vijf. Ontbijten, het brood, de thee, alles is telbaar en overzichtelijk. Langzaam, langzaam groeit er voldoende weerbaarheid om koel en onversaagd een nieuwe dag aan te gaan en open te staan voor talloze indrukken.

31 maart 2019

Margret

Een paar dagen en ook een paar musea verder blijf ik toch zitten met dat bezoek aan De Pont. Bij Marlene Dumas kom ik Marlene Dumas tegen. In tientallen, honderden, tekeningen, heb ik werk van haar gezien, in Amsterdam, Utrecht, Zwolle, in bladen. Aan mijn maat Bas vraag ik om een paar zeer verschillende personen te noemen. Hij doet dat. ‘Maar zoals al die mensen in jouw hoofd zitten, zijn ze misschien wel meer Bas dan zichzelf. Nee, ze zijn helemaal niet zichzelf, want ze zijn niet hier. Ze zijn Bas.’ En zo zijn al die portretten Dumas. Kunnen we een ander wel een ander dan onszelf laten zijn?
We lopen verder, kunnen buiten zitten voor een lunch, en later lopen we door een zaal met tientallen foto’s met het close-upportret van telkens dezelfde vrouw. Ze komt net uit het water. De portretten zijn in verschillende series onderverdeeld die onderling amper verschillen maar waarop we spontaan commentaar gaan leveren. En alle foto’s zijn verschillend, zij het minimaal. Ik moet denken aan een vriend van me die bijna vijftig jaar geleden zijn kamer volgehangen had met fotoseries van zijn vriendin. Foto’s die amper van elkaar verschilden. Door die herinnering vergeet ik te kijken naar de maker van de foto’s.
Maar een paar dagen later loop ik dus nog rond met die foto’s, al die foto’s van hetzelfde gezicht. Een indrukwekkende reeks van onspectaculaire foto’s. Het meisje zit in mijn hoofd, al is ze het niet. Er gebeurt het tegenovergestelde van wat we bij Dumas tegenkwamen. Daar blijft van alle verschillende portretten Dumas over, hier heb ik een hoofd vol van een meisje dat zich niet grijpen laat. De maakster zal een Duitse fotografe zijn. Duits. Vrouw. Het meisje is een Duitse zwemster van 22 jaar.
Op internet kan ik niets vinden. Daarom bel ik het museum, om te ontdekken dat ik niet goed gekeken heb op de site van het museum. Ik veronderstelde bij het scrollen door de kunstenaars dat het om een fotografe ging, dus ook bij de collectie van Roni Horn klikte ik verder omdat er grafiek en ruimtelijk werk verscheen. Had ik naar beneden gescrold, dan… maar ik had me al een beeld gevormd over de maker van de foto’s. Het blijkt dus Roni Horn te zijn, een Amerikaanse. Het water waaruit het gezicht van de 17-jarige Margret tevoorschijn komt, bevindt/bevond zich in IJsland. ‘You are the weather’ heet de serie; honderd portretten zijn het.

30 maart 2019

Gat vullen

Bij het programma Spijkers met Koppen in café Florin treedt de Wild Romance op, je weet wel: van Herman Brood and his Wild Romance. Ooit had je Herman Brood, dan een tijd niks en dan de Wild Romance. Jos en ik komen binnen tijdens een korte soundcheck. Er staan wat mannen op een geïmproviseerd podium die nog dezelfde kleren dragen als veertig jaar geleden. Een deel heeft zelfs nog het kapsel van toen. Mij zou dat niet meer lukken. Ze drinken, koffie of thee, of water, valt me op.

Het klinkt goed, maar de geringe uitstraling van de zanger steekt wel schril af bij die van zijn illustere voorganger. Is mijn eerste indruk. Maar zingen kan die. Hij heeft zich verstopt achter een niet erg indrukwekkend kapsel en een grote stalen bril met spiegelglazen. Hij manifesteert zich, zo lijkt het, als een sjabloon, als het gat dat de voorman van deze band ooit achter liet.
Bij Spijkers met Koppen wordt altijd geopend met de muzikale gast of gasten en die treedt of treden vervolgens vier keer op met telkens één nummer.

Die zanger had ik dat al gezegd? ja, dat zei ik al, maar ik herhaal het kan zingen. Mijn mobieltje vertelt me dat hij Edgar Koelemeijer heet. Hij heeft nu naast een stem ook een naam. Maar nog geen gezicht. Bij het derde nummer ga ik ergens anders staan en van daar zie ik dat Dany Lademacher, gitarist van het eerste of tweede Romance-uur, een flinke inbreng heeft en dat Edgar Koelemeijer daar behoorlijk rekening mee houdt. Die knul doet waar hij goed in is: zingen en in een band ieder zijn eer geven.

Bij het vierde nummer begin ik te geloven dat de man met de geringe uitstraling niet alleen een prima zanger is, maar ook in zijn zogenaamde afwezigheid een voortreffelijke rol vervult. Hij is Herman Brood niet. Hij probeert ook niet om Herman Brood te zijn. Geen Brood dus, maar Koelemeijer. Er komt gelukkig nog een vijfde nummer, als toegift, van Dany Lademachers Wild Romance. Saturday Night.

29 maart 2019

De bezem

Achter het landhuis ligt een groot terras. De okerkleurige gladgepolijste tegels lichten op in de ochtendzon, alleen bij de balustrade slaan repen schaduw toe. Een vrouw opent de dubbele deuren en komt even later naar buiten met een bezem in haar hand, een strobezem. Ze begint te vegen. Er valt er niets te vegen. De tegels zijn schoon. Toch verzamelt zich wat vuil voor de bezem. Ze veegt van buiten naar binnen, naar het midden van het terras, eerst langs de gevel, waar langzaam maar zeker een donkere wal van vuil ontstaat, langs de balustrade rechts, dan aan de voorkant van het terras, waar de balustrade onderbroken wordt door een brede trap van twee treden, en ten slotte links. Op het terras ligt, een meter van gevel en balustrades vandaan, een vierkante wal.
De vrouw veegt verder: ze duwt de wal aan alle kanten een meter verder naar binnen. Ze werkt steeds trager. De bezem van stro kan de weerstand van de wal niet meer aan. De vrouw verdwijnt door de deur en komt terug met een harde bezem, eentje met korte haren. Er ontstaat een kleiner, hoger vierkant.
De vrouw haalt er een schep bij en werpt het vuil verder naar het midden van het terras. De zon staat veel hoger aan de lucht, de schaduw is niet meer dan een optische verdikking van de balustrade.
Als het vierkant weer een meter kleiner is, klimt de vrouw op de wal en schept ze het vuil nog meer naar het midden. Soms zoekt ze verlichting van haar werk door opnieuw de buitenste randen van het terras te vegen. Zo ontstaat om de hoge kleine lijst een ruimere die veel lager is, maar die wel groeit. Als ze opnieuw de binnenste wal op klautert, ligt de berg met vuil helemaal in de schaduw van het huis.
Het is nog lang niet donker als de vrouw verdwenen blijkt te zijn. Ook de schep is niet meer te zien. De harde bezem wel. Die staat naast de gevel direct naast een van de openslaande deuren, de linker.

28 maart 2019

Geteld

Bij de kassa van het winkeltje staat een vrouw iets te tellen. Ik zit er dichtbij en toch zie ik niet goed wat zij telt. Sleutelhangers, naambordjes, platte treintjes op een kartonnetje? Wij zijn in het Spoorwegmuseum en ik zit met een boek niet al te ver van de speeltafel waar Lucas niet bij vandaan te sleuren is.
Zitten er genoeg van die nog onbekende attributen in een zakje, dan legt de caissière daar met de nodige behendigheid een knop in en ze plakt er een sticker op. Als ze dan ook nog met dikke groene viltstift een ook al duister teken heeft aangebracht, wordt het toonbankje volgestort met een volgende partij en wordt het grote tellen hervat. De vrouw beweegt haar lippen en ondanks al het rumoer om me heen, het is vandaag drukker dan gewoonlijk, hoor ik het zachte geruis van de getallen die ze uitspreekt. Ik moet me inhouden en niet mee gaan tellen. Ze is verzonken in haar ritueel. Ze zou me niet opmerken als ik nu naar de balie liep en tegenover haar ging staan. Wel als ik luidruchtig om wisselgeld zou vragen, 50 centstukken voor het speelgoedtreintje tien meter verderop dat wat bromt en piept en hopt als je er een muntje instopt. Ik zou dat kunnen doen als een zakje voor twee-derde gevuld is. Dan zou ik meteen zien wát ze aan het tellen is. Maar ik ben een grote vent, dus dit doen wij niet.
Er zijn veel basisschoolkinderen, twee meter verderop ligt een baby aan de borst. Baby, leerling, moeder, de tellende vrouw aan de balie is het allemaal geweest en al die stappen in haar bestaan hebben geleid naar de balie waaraan ze ik-weet-niet-wat aan het tellen is. Ik ben getuige van een bijzonder moment.

Later zie ik dat het inderdaad sleutelhangers waren die ze telde. Ook ontdek ik dat het gehobbel in het speelgoedtreintje, niet meer 50 cent kost, maar één euro. Dat is een fikse verhoging, vooral als je bedenkt dat als je een paar maanden geleden niet een halve maar hele euro door het gleufje van de trein liet vallen, een kind niet op twee maar zelfs op drie ritten werd getrakteerd. Het kan niet anders of dat Spoorwegmuseum wordt stinkend rijk. Die sleutelhangers zullen ook wel goed lopen.

27 maart 2019

Ondiep

De Boerhaavelaan in de Utrechtse wijk Ondiep ligt er mooi bij vanochtend. De platanen ogen fris en jong in het scherpe licht en omdat er een ruime middenberm is, staat er een mooie, ook al strakke en op deze morgen veelbelovend blauwe lucht boven. Je mag het gerust een hemel noemen vandaag. Dat combineert allemaal mooi met de kleuren van het zwembad dat sinds een jaar of vijf die middenberm siert. Witte tegels, blauwe tegels, randen van zwarte tegels en drie betonnen startblokken, precies wat een zwembad moet zijn. Afmetingen, gok ik van 7 bij 14 meter. Als het zwembad al een diepte heeft, dan is het die van een soepbord. Intussen ziet het er erg realistisch uit, zo echt dat ik in gedachten mensen startblokken zie beklauteren. Ze buigen zich voorover.
Maar het is geen zwembad! wil ik roepen. Het is een grapje! Een grapje van de maker, Teun Castelein.
Het zwembad dat geen zwembad is, maar een kunstwerk, knipoogt naar de naam van de wijk: Ondiep. Historisch gezien valt er meer over te zeggen. De wijk heeft zijn naam namelijk te danken aan de manier waarop hier ooit de Vecht door het land stroomde dan wel sijpelde, in de tijd dat die rivier nog geen dijken kende; hier had je een ondiepte in de Vecht. En dan was er, veel later, ook nog een badhuis om de hoek van de plaats waar je nu het ondiepe zwembad vindt.
Een paar honderd meter verderop, aan de Van Hoornekade, heb je trouwens een Romeinse schuit die opduikt uit water dat geen water is, maar daar kom ik niet langs vandaag. Ik moet de andere kant op, met het beeld van iemand die achter me enthousiast van een van de startblokken in het water duikt. Dat zijn geen grappen.

26 maart 2019

Schipperskind

Om de andere grootvader van een paar kleinkinderen te helpen verzamel ik wat losse aantekeningen over het voorgeslacht van mijn geliefde. Het gaat om het voorgeslacht van haar opa Van der Laan uit Groningen.

Dat waren schippers, zie ik. In ieder geval waren de in 1876 geboren Berend van der Laan en diens vader Jan Berends van der Laan uit 1838 dat.
Anderhalve week geleden kreeg ik in het Skûtsjemuseum in Earnewâld iets te horen over het bestaan van een schipper, zo’n 150 tot 200 jaar geleden. Hard werken, weinig inkomsten, en opgepropt in kleine ruimtes. En nog gevaarlijk ook.
Als er geen wind was, vertelde de vrolijke gids zijn gehoor, dan werd het zeilschip een trekschuit en het paard, het paard dat was de vrouw. Dus het zou zomaar kunnen dat de overgrootmoeder of betovergrootmoeder van mijn geliefde met een brede leren band voor de borst voortploeterde over het jaagpad.
In ‘Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp’, dat al heel lang vergeten maar grappige boek van Heere Heeresma, komt naast een steigerende Solex ook een melkboer voor. Zijn kar, je leest er makkelijk overheen, wordt getrokken door zijn vrouw. Ik zag het voor me en ik moest erom lachen, toen, in die vroege jaren zeventig. Vanmiddag fietste ik langs een rolpaal langs de Vecht, zo’n paal om trekschuiten van de oever te houden. In mijn verbeelding stapte er geen elegant paardje voor een trekschuit uit, maar was het misschien Hemmina Tel of haar moeder Jetkse Warners Cazemier die moeizaam een vrachtschuit voorttrok. Toen lachte ik niet. Hun negentiende-eeuwse gezichten waren naar de grond gericht. Ze zagen me niet.

25 maart 2019

De groeitekening

Het ruikt naar verf en dat is geen wonder, want Danny is op zolder wezen schilderen vandaag. Danny noemt zijn opdrachtgever geen meneer of Mendé, maar meester, want zo noemde hij hem ook toen hij nog bij hem in groep 8 zat. Dat was in de tijd dat het schooljaar begon met een paar lijnen op het linkerdeel van het schoolbord. Je kon niet zien wat het was.
Elke dag als de kinderen binnenkwamen waren er weer wat lijnen en kleuren aan toegevoegd en zo ontstond een gracht, de Oudegracht, met op de achtergrond de Domtoren. Er kwam een kerk, een plein en een bloemenstalletje. Daar stonden zonnebloemen in emmers, en een week later werden het dahlia’s, asters en chrysanten. De bladeren aan de bomen werden geel. Later bleken ze weggeveegd en op de grond getekend. Er kwam een pakjesboot in de gracht te liggen, je zag hier en daar een zwarte piet en later stond er een kerstboom op het plein, het voorjaar kwam, de pakjesboot was allang weg, maar nu zag je de rondvaartboot. Er zat een vogel op een nest. Iedere dag was de tekening weer anders en als groep 8 in juli de school verliet, verdween ook de tekening. Op de eerste schooldag stonden er een paar lijnen op het linkerdeel van het bord.
Mendé staat al lang niet meer voor de klas en Danny heeft al jaren een schildersbedrijf. Dat schilderen zat niet in de familie. Tekenen en schilderen, daar had hij plezier in gekregen in het jaar dat hij naar die tekening op het bord had gekeken, waaraan iedere dag iets veranderde.
‘Het was ook lekker spul om mee te tekenen. Vierkante krijtjes. Mooi spul. Goed van kleur ook.’
Morgen komt Danny de zolder afmaken bij de meester.

24 maart 2019

Gezoem aan de horizon

Als er tussen de middag een helikopter overvliegt, staat ze op van de bank en kijkt uit het raam. Ze kijkt links omhoog, rechts omhoog. Wij horen het zware geluid waarvan het me altijd weer verbaast dat iets dat zoveel herrie maakt zomaar in de lucht kan blijven hangen. Een vogel met dit lawaai zou dat niet voor elkaar krijgen. Hoe was dat bij de Pterosauriër? Dat zou de grootste vliegende ‘vogel’ geweest zijn. Helaas is die 66 miljoen jaar geleden al uitgestorven, dus moeten we het doen zonder historisch betrouwbare geluidsopnamen.
Zij is intussen weer gaan zitten, maar niet voor lang, want het geluid komt terug. Ik geloof niet dat ze nu wel iets ziet. ‘Ik word zenuwachtig van die dingen. Er kan zomaar iets zijn ergens.’ Op dat idee was ik nog niet gekomen, maar nu denken we aan maandag toen we uren lang het geluid van een helikopter boven ons hoofd hadden.

In Ja zuster, nee zuster is de helikopter een reddende hefschroefengel.
‘Daar is geronk aan de horizon, gezoem aan de horizon
´t Is een helikoptertje, hij heeft ons gezien
we worden opgehesen, eindelijk gered, eindelijk gered.’

Ik zing het liedje. ´Kom maar weer zitten. Wij zijn al gered. Of zullen we een stukje gaan fietsen?’
‘Goed idee. Wandelen. Leuk.’ We gaan naar buiten.

23 maart 2019

Kattenbak

Als kers op de taart van hun verhuizing namen onze nieuwe buren twee jonge katjes in huis en wat zijn ze leuk. De eerste maanden mochten ze de deur nog niet uit, maar die zijn nu voorbij.
Intussen heeft Nico onze tuin niet alleen van nieuw gras voorzien maar ook een hoek van de tuin flink opgeschoond en omgespit. Mente droomt ervan om daarvan iets moois te maken. Haar vingers jeuken. Er wacht onze tuin een mooie toekomst.

Iedereen is verrukt van de katjes. Als mijn dochter op bezoek komt, springen ze bij haar op schoot en een paar dagen later gaat mijn zoon ervoor op zijn hurken. Maar af en toe zie ik Mente naar buiten stuiven met een plantenspuit en ik zie ook waarom: de verse hoek is een ideale kattenbak geworden.
Zolang de katjes niet op dat lapje grond komen, vindt Mente het best, want, ach, het zijn van die leuke beestjes. Maar de sporen zijn duidelijk. En het onderscheid tussen hier wel mogen zijn en daar niet lijkt me te subtiel voor een kat. Daarom neem ik de rol op me om ksjt roepend en in mijn handen klappend naar buiten te sprinten als een van de twee onze tuin waagt te betreden. Als anderen mijn belachelijke voorbeeld niet volgen, wordt het niets. Ze hebben trouwens ook onze ouwe trouwe tuinpad in de smiezen gekregen.

Extra nieuwsgierig worden de katten als de driejarige Lucas een paar dagen bij ons logeert. ‘Die buren hebben nog een keigave zandbak ook,’ zien die katjes nu en alsof ik niet besta, lopen ze tussen mijn benen door naar de zandbak. Maar dat gaat zomaar niet. Ik klap in mijn handen, doe een snelle stap in hun richting. De twee kijken met geïnteresseerd aan. Pas bij een tweede stap en een ksjt, verdwijnen ze naar hun eigen tuin, waar ze me verbaasd gaan blijven aanstaren.

Na een paar minuten, ik sta in de keuken, lopen ze weer naar de zankbak, maar Lucas heeft ze in de gaten. Hij springt op, roept boeh en weg zijn de katten.
Helaas is zijn moeder hem vanavond komen ophalen. Toen ze de tuin in liep, kwamen de katjes enthousiast aangerend, maar Lucas sprong voor haar langs en riep heel hard boe.
‘Dat moet je zo doen, mama.’

22 maart 2019

Geef het Westland een stem

Mente heeft voor me gestemd de afgelopen week. Ze koos, in mijn geest, voor een partij die ik eigenlijk van plan was om eens over te slaan dit jaar. Een gelukkige vergissing, want het kan niet anders of hierdoor heeft Groen Links straks een zetel meer in de Eerste Kamer. Geen dank, geen dank.
Vandaag lees ik in de krant een artikel over het stemgedrag in het Westland, de streek waar ik werd geboren en waar ik voor het eerst stemde. Dat was in de tijd dat we naast de lijsttrekker van de Boerenpartij woonden.
Monster, in ’72 of ’73, dat weet ik niet meer precies.

Samen met mijn vader loop ik naar het stembureau. Dat is het lokaal waar ik als zesdeklasser een jaar doorbracht bij Meester Rijper. Het is de plek waar diezelfde bovenmeester mij een paar jaar eerder, acht ben ik dan, bij mijn haren grijpt en mijn hoofd voor het oog van zijn klas ritmisch tegen het dat van Evert Henk slaat onder het zingen van ‘Er zaten zeven kikkertjes.’ De klas van meester Rijper lacht hartelijk. Ook mijn broer lacht mee.
Twaalf of dertien jaar na die onzalige kikkertjes en acht of negen na het afscheid van de school, ben ik er weer, nu om te stemmen. Mijn vader voegt me met opzet voor iedereen hoorbaar en dwingend toe dat ik vooral op het CDA moest stemmen.
‘Ja pa, nee pa,’ zeg ik, even hoorbaar, maar wel vriendelijk, ‘het wordt PPR.’ Als we elk in een stemhokje staan, wordt er naast me gesist: ‘CDA.’ Lachend maak ik het vakje rood van de nummer één van de PPR. Het is namelijk tijd dat ook in het Westland het politieke licht een kans krijgt.
‘Kinderen,’ zegt mijn vader als we het stemlokaal uitlopen, dat klaslokaal van ooit, ‘je hebt er niks an.’Opnieuw wordt van achter een tafel tot stilte gemaand.

21 maart 2019

Vlerken

In 1821 laat Hegel de uil van Minerva vliegen, 200 jaar later laat Baudet hem landen. De vogel heeft in zijn nachtelijke vlucht blijkbaar het licht gezien. Ik meen dat een nachtuil het meer van zijn gehoor moet hebben.

Ik hoef niet lang te wachten op het woord boreaal. Het woord dat staat voor raszuiverheid. Zou het Wilhelmus weer plaats maken voor ‘Wien Neêrlandsch bloed door d'aderen vloeit, / Van vreemde smetten vrij’? Raszuiverheid: één lichaam zijn we. Wat van buiten komt is een bedreiging.
En Baudet is naar het front geroepen. Om aan te vallen, want om te bouwen zal het niet zijn. Dat doen soldaten niet. Net als Minerva steekt deze nieuwe volksleider zich waarschijnlijk graag in militair kleed. Alles in het leven verwezenlijkt zich nu eenmaal via strijd. Dat is de teneur. Strijd tegen wie niet uit het avondland komt, tegen de moderne architectuur en andere uitingen van ontaarde kunst, tegen alle landen om ons heen graag, tegen (en dat komt als braaksel uit zijn mond) ‘de afgod van de transitie.’

De orator wordt regelmatig onderbroken door een publiek dat zijn naam scandeert. De Wederopstanding wordt er zelfs bijgehaald, waar niet langer God de hand in heeft, maar een ‘wij’ bij wie ik me doodongelukkig voel en waarvan ik vrees dat het een pluralis majestatis is. Of is het een militaire horde? Bij de wederopstanding van Baudet staat niet Christus op als de vredevorst (en ik altijd maar denken dat dat de essentie was van het christendom), maar Nederland, dat kleine landje aan de zee. Met zijn Rembrandt, zijn handelsgeest, waterwerken en polders, zijn Stadhuis op de Dam, Erasmus en misschien ook zijn sensitieve socialist Herman Gorter. Maar dan ook met zijnkoloniën, zijn werkeloosheid van de jaren dertig, zijn antisemitisme, zijn armoedige jeneverslurpers,
zijn homofobie.

Ik word een muis van zoveel retoriek. Ik hoor het suizen van vlerken.

20 maart 2019

Dit is het land waar grote mensen wonen

Omdat er een dief was met een pistool moest iedereen binnen blijven. Daarom ook kon je helikopters horen. Die zochten de dief. In het verhaal van Liesje heette de dief een boef en dat zal waarschijnlijk de originele versie zijn geweest, maar bij Klaas was en bleef het een dief.
Maandag was een topdag voor Klaas. In het kleine stukje in de auto van huis naar school kreeg hij een dropje zodra hij er om vroeg. Daar begon het al mee. Eenmaal in het lokaal zag hij dat zijn naamkaartje op de stoel naast die van de juf lag. Er golfde een lach over zijn gezicht, van zijn kruin naar zijn kin, zag ik. Mijn aanwezigheid in de klas diende geen enkel doel meer; dat was wel duidelijk.
Kerels van vijf die naast de juf mogen zitten, hebben geen opa nodig.
Later, tijdens de gymles, kwamen dus die helikopters en kort daarop volgde het bericht dat ze niet naar buiten mochten. Ook niet terug naar hun gewone lokaal in het gebouw aan de overkant. Zo werd de gymles een lange spelletjesles, terwijl helikopters getrouwe de wacht hielden. En om kwart over twee kwam zowaar zijn vader speciaal vroeg van zijn werk om hem en Liesje op te halen.
Allemaal omdat er een dief was met een pistool. En toen, voor het eten, werd die nog gepakt ook.
‘Wat een leuke dag!’ zei hij in bed. Niemand sprak hem tegen, niemand nam hem mee naar ‘het land waar grote mensen wonen.’

19 maart 2019

Partiscap (2)

Om nog even op die partiscap van gisteren terug te komen. Mijn stukje van maandag was al af toen er vanaf het 24 oktoberplein die donkere wolk boven Utrecht kwam te hangen die nu nog niet helemaal weg is. Er zou zomaar sprake kunnen zijn van een terroristische aanslag. Ik vroeg me daarom af wat iemand zo onverdroten overlevert aan een bepaalde partij. Niet alleen idealen en vermeende bouwstenen voor een goede wereld die een groep mensen deelt, maar ook, en heel misschien nog wel meer, een gedeelde vijand. Je bent iemand door bij een groep te horen en die groep heeft bestaansrecht omdat anderen er niet bij horen, van minder allooi zijn. Dommer, elitairder, kortzichtig, los van de wereld, gelovig of juist niet, bubbelbelievers, onderbuikers of koppen zonder kip. Dat maakt niet eens zo veel meer uit. Het deugt niet wat die ander doet of zegt of wie hij of zij is en juist dat bevestigt het bestaansrecht van de eigen groep. Klinkt dit abstract en bloedeloos genoeg?

Er was gisteren een Turk voor nodig, een Baudet die een partijbijeenkomst toch door liet gaan, een Erdogan die de aanslag in Christchurch breed uitmeet, maar ook een Beatrice de Graaf die het allemaal wel heel goed voor haar beurt weet in de DWDD, wat toch wel een omineuze naam is, vooral voor een Westlander die daarbij meteen aan tomaten en sla denkt. De dag begon met stakingen, op zich al zo’n gevaarlijk fenomeen dat individuen op kan slokken. Aan het eind van de dag heb ik op Facebook iemand ontvriend. Steeds weer vond ik ergens iets van, jongleerde ik met kwalificerende en diskwalificerende ‘meningen alsof het niets’ (om de dichter Hans Andreus er ook nog even bij te halen).
Linksom of rechtsom, ik hoor ergens bij. Ik moet het me vaker afvragen: hoe ging het met de partiscap vandaag? Heb je je wel een beetje menselijk en niet vooringenomen gedragen, Borgdorff?

18 maart 2019

Partiscap

Omdat het te laat wordt om nog van de stad naar huis te lopen, klopt Mariken van Nieumeghen bij haar tante aan om te vragen of zij daar een nachtje mag logeren. De tante, de moeye, valt in haar hysterie woedend tegen haar nichtje uit. Mariken wordt voor alles uitgemaakt waarmee je een vrouw kunt kwetsen, met middeleeuwse equivalenten van termen die we nu nog wel kennen. Mariken is volledig overstuur en roept in het bos om hulp. Van wie? Dat kan haar niet schelen. Als er maar hulp komt. Desnoods de duivel.
Dat is niet zo handig, want een beetje duivel gaat onmiddellijk op zo’n suggestie in en zo leeft Mariken veertien jaar met de duivel. De gebeurt allemaal rond 1500.
Mij gaat het om de moeye. Zij is een aanhangster van de zoon de hertog van Gelre, en die is op zijn beurt de vijand van zijn vader. Zij hoort dus bij een partij van de zoon. ‘Partiscap’ wordt dat in laat Middelnederlands genoemd. En juist die onvoorwaardelijke overgave maakt haar gek. Ze kwetst Mariken en uiteindelijk, zo vertelt het verhaal, zal de moeye zelfmoord plegen.
Het woord komt nogal eens in me op als mensen zich onvoorwaardelijk verslingeren aan een standpunt, een ideologie of geloof. Partiscap.
In De kleine Johannes, nu 135 jaar oud, van Frederik van Eeden, komen de Vredemieren en de Strijdmieren voor. Over de Vredemieren lees ik: ‘Toen noemden zij zich Vredemieren en hielden allen vol dat de eerste Vredemier gelijk had; wie dat tegensprak beten zij op hun beurt in stukjes. Op die manier zijn tegenwoordig bijna alle mieren Vredemieren geworden, en de stukjes van den eersten Vredemier worden met zorg en eerbied bewaard.’

Ik krijg het de laatste weken steeds benauwder van de partiscap van Vrede- en Strijdmieren.

17 maart 2019

Neus op Tabor

Vanmorgen werd in de kerk uit Lucas het verhaal van de Verheerlijking op de Berg voorgelezen. Dat verhaal komt ook in Mattheus voor, maar dat lazen we dus niet.
Jezus is met Jacobus, Johannes en Petrus op de Tabor geklommen, een soort dak van de wereld waarop iedereen zich dichter bij God waant. Hij bidt er en dan zien zijn drie vrienden hoe het gezicht van Jezus omstraald wordt door hemels licht. Dus inderdaad, dichter bij God. Dan voegen zich, ook al zo verheerlijkt, Mozes en Elia bij hem: twee coryfeeën uit het oude testament die een zo mysterieuze dood stierven dat je je kunt afvragen of ze wel gestorven zijn. In het geval van Elia is het bijbelse antwoord duidelijk nee; bij Mozes ligt dat minder duidelijk, maar de traditie zegt ook in zijn geval: nee.
Punt is dat ik het voor me zie, telkens weer als ik het verhaal hoor, die drie verheerlijkte gezichten. En ook de drie tenten die er niet zijn. Petrus stelt namelijk voor om drie tenten neer te zetten, voor elk religieus kopstuk één. Het blijft bij een voorstel. ‘Hij wist niet wat hij zei,’ zegt Lucas.
Maar dan is het al te laat: ik zie ze staan op die berg Tabor. Deze mislukte en mij zo dierbare poging van Petrus om deze schier hemelse situatie te bestendigen.
Vanaf de Tabor zie ik, heel in de verte en verre van indrukwekkend, Golgotha liggen. Er zijn een paar passages in de Bijbel waarbij me onmiddellijk een beeld in het oog springt. Alsof ik er met mijn neus net iets te dicht op zit. Het beeld blijft lang hangen.

16 maart 2019

Uut de liken zijn

Bij gebrek aan onderwijs, want daar zijn de meesten intussen veel te oud voor, bezoeken de leden van de Conrectorenclub Het Skûtsjemuseum in Earnewald. Een oud ogend houten gebouw waar op verzoek een lunch wordt geserveerd door een vrijwillige dame, waar een smid aan de slag gaat en een welbespraakte rondleider je het een en ander vertelt over de skûtsjes, die soms bij gebrek aan wind ook als trekschuit voortgetrokken werden door de vrouw van de schipper. En dat doen we dus na. Een enkeling hijst zich in het daarvoor bestemde tuig en trekt het schip voort door wat gewichten omhoog te trekken die de weerstand van de schuit moet voorstellen.
Er komt van alles langs. ‘Alles in de wind, alles in de wind, ’t is maar een schipperskind.’ In het voorgeslacht van mijn vrouw zitten Groningse schippers. Armoe troef, denk ik nu.
Er wordt een zeil getoond dat omstikt is met stevig touw, de like. Als dat touw los raakt van het zeil is het uut de liken. Ik ken die uitdrukking niet, maar twee van de drie Friese leden van de club wel, de derde Fries is namelijk een Rotterdammer. ‘Uut den like’ betekent doodmoe zijn. Thuis zoek ik het gezegde nog even op; daar verliest de uitdrukking een beetje zijn Friese karakter en wordt het ‘uit de liken geslagen zijn.’ Er wordt ons getoond hoe de kloten voor de bok kunnen komen. Wist ik ook niet. Tot vandaag wist ik zelfs niet waarom stuurboord stuurboord heet en bakboord bakboord. Je kunt het me rustig vragen, want nu weet ik dat wel.
Dan verlaten de conrectoren van ooit elkaar en zeilen zij door de storm terug naar plaatsen ver van Earnewald, maar Paul wint. Die moet nog naar Maastricht.

15 maart 2019

Tip voor het Rijksmuseum

Wim Hofman gebruikt reststroken van museumkarton om tekeningen en prenten op te maken. Het is een zelf opgelegde zuinigheid met prachtige resultaten. In het Rijksmuseum hangen talloze etsjes van Rembrandt die het formaat van een postzegel nauwelijks overtreffen. Dat zal ongetwijfeld niet alleen met artistieke zelfbeperking te maken hebben maar ook de toenmalige schaarste van papier en mogelijk ook van koperen platen. Het gevolg is intussen wel dat je het niet kunt laten om met je neus op het werk te gaan staan, wat het werk enorm ten goede komt. Ik zag vandaag een bezoekster die met een loep het werk langs ging. Het was druk genoeg daar in het Rijksmuseum om die loep te pakken te krijgen zonder dat er vervolgens een dader gepakt zou worden, maar ik ben een nette jongen.

Die kleine etsjes, maar het geldt ook voor veel schetsen, brachten me op een idee.
Als je nu eens 150 of 200 van die etsjes in origineel formaat los zou afdrukken op papier dat zweemt naar het oorspronkelijke. En die bied je als uitgever dan aan in een platte doos van 24 bij 30 of daaromtrent. Wat het aantal en de maten van de doos betreft, ben ik soepel. Maar ontdaan en ontstemd zal ik zijn als iemand dit briljante en om niet verstrekte idee op verkeerd papier uitvoert. Dus vooral niet het glanzende papier waarop de meeste kunstboeken worden gedrukt.

Het lijkt me heerlijk om thuis aan tafel te gaan zitten, met die doos voor je snufferd. Lamp erop, loep in de hand, iets drinkbaars binnen bereik. Ja, ik zou het wel weten als ik het Rijksmuseum was.

14 maart 2019

Amnestie

' Jawel hoor,' zegt de man als ik hem gevraagd heb of hij iets over heeft voor Amnesty International. 'Even geld zoeken, want ik pin alles.' En na een korte aarzeling omdat hij merkt dat de wind vol op hem afstormt: 'Ik doe wel even de deur dicht.' Daar heb ik natuurlijk alle begrip voor.
Het begint een beetje harder te regenen, maar met deze goede jas en mijn puike pet kan ik dat wel hebben.
In de portemonnee van de man zitten alleen maar pasjes, stel ik me zo voor, en naamkaartjes van de zakelijke relaties die zich iedere dag opdringen aan de man die nu vanwege Amnesty zijn hele woning omwoelt voor het goede doel. In de keukenlaatjes vindt hij de munten voor karretjes van twee verschillende grote kruideniers. Dan gaat hij vermoedelijk naar boven, waar hij na een kwartier zelfs op zoek gaat naar de spaarpotten van zijn kinderen. Tevergeefs. Intussen app ik naar huis om te vertellen dat het wat later wordt. Na een half uur reageert mijn vrouw met de vraag waar ik sta. Ze komt me wat koffie brengen.
Terwijl ik een tweede kopje uit de thermosfles schenk, denk ik aan de arme man die nu ongetwijfeld op zolder op zijn buik achter een schot in het duister naar muntjes tast en stof hapt.
'Mag ik er even langs?' De vrouw heeft de sleutel al in de hand. Verstandig van haar: zo wordt ze niet zo nat. De deur is alweer dicht.
Gelukkig heb ik een sterke blaas. Ik bof maar. 'En dan kom ik ook nog op het lumineuze idee om deze belevenis van een collectant op mijn mobieltje te tikken. Zo doe ik twee dingen tegelijk. Deze jongen is niet voor een gat te vangen.

13 maart 2019

Wapperende blonde haren

’s Morgens om kwart over acht zit ik op de bank en lees ik de krant. Als zich in mijn linkerooghoek, op straat dus, iets beweegt, kijk ik automatisch op. Het gaat altijd om ouders die hun kinderen naar een basisschool in de buurt brengen. Er zit een vast patroon in.
Het meeste plezier beleef ik aan het echtpaar dat met twee kinderen vijftig meter verderop aan de overkant woont. Contact hebben we niet, al heb ik ooit wel eens met haar staan praten. Daarom weet ik dat zij als juristen in Bilthoven of De Bilt werken. Ze hebben altijd haast, maar vooral op een doordeweekse dag, om tien voor half negen. Dan rennen de twee ouders voorbij, snel, keurig en ernstig. Haar wapperende blonde haren en zijn spitse neus doen recht aan de snelheid waarmee ze voorbij rennen. Ze hebben elk een kind aan de hand en dat draaft zonder protest en ernstig mee.
Als ik een laatste slok neem van mijn koud geworden thee, komen de twee ouders terug, iets minder gehaast, maar nog altijd voortvarend en ernstig. En dat is het dan. Soms zijn er grootouders, heel soms brengt pa ze alleen naar school. Maar meestal zie ik ze met zijn vieren langsrennen. Dacht ik.

Wanneer ik dat voor het laatst gezien heb, dat kwartet in volle vlucht? Deze week nog niet misschien, maar vorige week wel. Zeker. Zou ik gezegd hebben.
Nu hoor ik dat de moeder rond nieuwjaar al overleden is. Veertig. Borstkanker. Die leek vorig jaar overwonnen, maar kwam eind vorig jaar in alle hevigheid terug.
Er kraakt iets van binnen.

12 maart 2019

Het boek, de kapper en de collectant

Er is iets met dat boek, maar ik weet niet wat en ik vraag er ook niet naar. Op de schoorsteenmantel staat een boek. De Lepelsnijder, van Marjolijn Hoff. We drinken onze koffie, gaan op weg voor de kunst en hebben het onderweg over Baudet, Wilders en Fortuyn en onze allergie voor grootsprekers die hun verstand ter beschikking van hun onderbuik hebben gesteld. Dat praat makkelijk, want we werden uit hetzelfde linkse hout van de jaren zestig, zeventig gesneden. Maar over het boek op de schoorsteenmantel hebben we het niet. Ik vraag er niet naar en Annette begint er niet over. Dat was gisteren.
Vandaag bel ik bij haar aan als collectant voor Amnesty. Annette doet open. Ik denk niet aan gisteren, niet aan het boek op de schoorsteenmantel, maar er is iets aan de hand. Ja, ze is naar de kapper geweest. Dat zie ik ook wel, maar waarom? Ik zeg niks. Koos komt de gang in: ' Annette is genomineerd met Marjolijn Hof voor de Woutertje Pietertjeprijs.' 'Het boek op de schoorsteen, je haar,' zeg ik. 'Ja, we mochten gisteren nog niets zeggen. We worden gefilmd voor een interview. Vandaar dat haar.' Dan gaat ze de kamer in om geld te halen.
'Ziezo, ik kom mooi binnen,' zeg ik tegen Koos. 'Annette is van huis uit al royaal, ik trotseer regen en wind voor het goede doel en dat heeft ze vast en zeker ook in de gaten en dan ook nog die nominatie.'
Voldaan loop ik even later hun paadje af. Zoveel inkomsten in een klap voor het goede doel en o, o, wat heb ik toch een mensenkennis.

11 maart 2019

Geen koffie in De Flint

Er is iets aan de hand met koffie. Net nu ik het patroon ontwaar, begint het te verbrokkelen.
Neem zaterdag. Thuis drink ik mijn eerste koffie, uit een glas, dan, in Delft, een kopje, maar in Naaldwijk kies ik plotsklaps thee om vervolgens bij de Zwartendijk weer koffie te drinken. ’s Avonds, weer thuis in Utrecht, nogmaals koffie uit een glas. Die thee in Naaldwijk is een fremkörper dat zich steeds meer aan mijn bestaan opdringt. Dat is wel jammer van de geografie van de koffie: weten waar je geweest bent omdat je er koffie gedronken hebt.
Vandaag begint de dag veelbelovend met koffie in de Raiffeisenlaan, om half tien al. Vervolgens gaan A en ik naar De Flint. Ik ben haar kunstrijder. Daar wordt ons géén koffie aangeboden! Nu heb ik daar ook nog geen trek in, maar het gaat erom dat bij ontstentenis van koffie ik bij wijze van spreken ook niet in Amersfoort geweest ben en zo ontstaat er een gat in mijn bestaan. Omdat mijn koffieteller het niet doet dus. Thuis komt het weer goed en als ik in Leidsche Rijn aanbel, staat er zelfs al een kop koffie voor me klaar. En vanavond druk ik in de Tuindorpkerk een kop tevoorschijn.
Ik zou mijn gaan en staan op deze aardkloot goeddeels beschreven kunnen hebben door alleen maar de plaatsen te noteren waar ik koffie dronk. Sluitend is het systeem niet, maar ik kom een heel eind. Jammer, dat ik me dit pas realiseer nu ik wat vaker voor thee kies.
Ik neurie ‘One more cup coffee for t he road.’ Bob Dylan.

10 maart 2019

Geen weer

Tegen het onstuimige weer van deze zondag houden principes geen stand en daarom zit ik achter de computer. Ik ben online en bereid twee fietstochten tegelijk voor: in mei twee weken door Thüringen en in juni tussen Parijs en Bretagne. De vitrage achter mijn bureau hangt geruststellend stil.
Overnachtingsadressen in Duitsland zijn gemakkelijk te vinden. Ik bekijk foto’s op internet van steden en stadjes die we willen befietsen.
In Erfurt schuift de zon voor de wolken. Verderop in een mij onbekend bos begint het te regenen. Nog vóór Weimar ben ik naar beneden gelopen voor mijn regenbroek. Die ligt op het bankje bij de voordeur. Ik trek hem aan en ga weer achter de computer zitten, maar zonder ruitenwissers, merk ik, is er niets meer te zien op het scherm. Daarom doe ik, weer beneden, ook maar een regenjack aan en om te voorkomen dat ik allemaal regen in mijn ogen krijg, zet ik meteen maar een pet op. Het lukt me om een paar hotels te boeken. Gelukkig kan ik digitaal betalen, zodat ik hier niet met natte bankbiljetten hoef zitten rommelen.
Halverwege de geplande rit door Thüringen ben ik nu en ik vraag me af of ik wel verder moet gaan. Dit is toch geen weer om met een fietstocht bezig te zijn.
Daarom kijk ik nog maar even naar de reis naar Frankrijk en terug. We willen de fiets meenemen in de trein. Daar is het tenminste droog. Maar zodra we Gare du Nord uit komen, valt de regen in bakken op ons neer. Als ik niet onmiddellijk stop, gaat het ook beneden nog lekken.
Ik kan die reizen maar beter plannen als het weer droog is.

09 maart 2019

Bedeesde narcissen

De kranten op de balie liggen er ter vertroosting. Twee NRC's, twee AD's, een Trouw en Het Parool ligt bovenop. Die krant zal bestemd zijn voor iemand die vanuit Amsterdam of Diemen naar dit Delftse verzorgingshuis geloodst is. Dichter bij een van de kinderen of zo.

Het huis heeft alleen maar een binnenkant. Door de ramen zie je een parkeerplaats, wat heggen en bomen en dat is het wel. Een buiten de eigen tijd en ruimte geplaatste capsule met daarin, onder voor oma gemaakte kindertekeningen, een anoniem bed.

Ik zit in het restaurant met hier en daar aan een tafeltje iemand van negentig en een dan wel twee 70-minners die het bruisende heden voorstellen.

De bloemen op de tafeltjes zijn echt: ik schrik er bijna van. Ze staan er zo stil en zo braaf. Ze zullen wel verder uikomen, maar uitbundig zal hun bloei niet zijn. Bedeesde narcissen.

Gelukkig liggen die kranten op de balie, doorkijkjes naar een heden waarin nog iets gebeurt. Maar ze zijn nog niet opgehaald. Het nieuws staat in de wachtrij. Ik weet niet eens of wachten wel het goede woord is. Een eerlijker woord schiet me even niet te binnen.

08 maart 2019

Stok

Aan de overkant past oma op vandaag. De oudste is, denk ik, naar school gebracht en nu komt ze terug met nummer twee. Het kost oma moeite om de voordeur open te krijgen. Daar gebruik je meestal twee handen voor. Eentje om de sleutel in het slot te steken en een om de deurknop vast te houden en, als de sleutel eenmaal is omgedraaid, de deur open te duwen.
Met die stok in haar hand wordt het allemaal wat moeilijk voor oma. ‘Hier is je stok,’ zegt ze tegen haar kleinzoontje. Dat hoor ik niet, maar dat laat zich van achter mijn computer allemaal makkelijk bedenken.
Het jongetje vindt het geschikt.
Straks, aan het eind van de dag, vindt paps of mams een stok in de gang. Misschien verdwijnt die meteen in de gft-bak, misschien blijft die nog een paar dagen liggen. Ik zou navraag kunnen doen. Ik doe het niet. Wel zie ik mijn eigen kinderen met takken torsen. En honden, Duitse herders vooral, met een tak in hun bek. Waartoe?
Waarom rapen mensen en dieren takken op en nemen ze die mee?
Aan de overkant is alles en iedereen binnen. De deur gaat dicht. Tijd voor iets anders.

07 maart 2019

Het land waar alle laarsjes rood zijn

Je kunt het je toch niet voorstellen geen Nederlander te zijn en een leven te moeten leven zonder bij een giraf niet ook onmiddellijk rode laarsjes voor je te zien en het jongetje dat iedere morgen bij wijze van ontbijt met een trapje op zijn schouders naar die giraf toekomt om hem een klontje te geven en om even bij te praten. En je zal maar als giraf je leven lang door Tanzaniaanse savannen lopen zonder weet te hebben van het jongetje dat jouw andere helft is.

Leven is meestal gemankeerd bestaan. Dat weten wij. Maar dus niet in Nederland waar iedereen zich ten diepste een Dikkertje Dap weet. Daar zijn alle laarsjes rood, ook als ze blauw zijn. Daar zijn de ladders diervriendelijk. Daar kunnen mensen rekenen, mooie poppetjes tekenen en ieder kent er de eerste drie letter van het Nederlandse alfabet: A, M, G. Is dat niet knap?

06 maart 2019

In handen gevallen van Caravaggisten

Let op de handen, had Thijs gezegd voor ik de Caravaggisten bezocht in het Centraal Museum. Dat heb ik gedaan, twee maanden geleden, en vandaag deed ik het voor de derde keer. De eerste keren waren de handen geaderd, vuil, gelooid door de zon, de nagels waren vaak indrukwekkend. Vandaag maakten ze vooral deel uit van de compositie. Cirkels, diagonalen, driehoeken, ik zag het allemaal. En dat zonder me te ergeren aan dat technische kijken, want dat kan ik nogal gauw doen als iemand probeert mijn ontroering te reduceren tot een rekensom. Zoals het me ook snel te veel kan worden als die lijnen ook uitdrukkelijk een betekenis aan het schilderij willen geven. Handen op een rijtje, de diagonaal van ogen die allemaal naar hetzelfde kijken. Maar vandaag kwam ik allemaal kleine schilderijtjes tegen van alleen maar handen. Vingers om een stok, een kleed, een fluit, een zwaard. Vingers gestapeld alsof het om een stilleven gaat, verstrengelde vingers. Handen die licht vangen. Handen die dansen, zo lijkt het wel op het schilderij van Christus en de schriftgeleerden van Jusepe de Ribera. Wat waren al die handen mooi.
Bij de kaartspeelster zie ik dat zij rond 1620 haar hand net zo houdt als een kaartspeler dat vierhonderd jaar later doet. Situaties vragen om een gebaar dat boven de tijd uit gaat. Ik voel haar gebaar in mijn eigen hand. We zijn ondergeschikt aan de gebaren van alle tijden. Zo telt een jonge Jezus met een duim langs de vingers van zijn andere hand de argumenten af die de schriftgeleerden tot stilte zullen brengen. Er valt niets tegenin te brengen: duim en vingers zeggen genoeg.
En dan is daar die verschrikkelijke vinger van Judith van Valentin de Boulogne. Ze wijst met de wijsvinger van haar rechterhand naar omhoog, maar het is niet de vinger van een engel die zegt dat God in het geding is, het is de vinger van een IS-strijder. Voor zo’n vinger zou je onmiddellijk het pand moeten verlaten. Aan haar linkerhand hangt het hoofd van Holofernes. Angstaanjagend. Bij Esau en Jakob, een schilderij van Ter Brugghen, is dan wel verraad in het spel maar in het licht van een kaars geven zes handen een mooie balletuitvoering.

05 maart 2019

De kuifeend

De kuifeend dankt zijn naam aan de afhangende kuif aan de achterkant van zijn kop; hij heeft een blauwgrijze snavel, maar mij valt allereerst op dat hij zwart-wit is en het indrukwekkendst vind ik wel zijn gouden oog, een stralende knop in dat zwarte kopje. Ik zag hem zojuist. Hij zwom me tegemoet in de sloot langs het fietspad. Ik zag hem van verre en stapte af. Hij zwom onverdroten door, al verlegde hij zijn koers van het midden van het water naar iets dichter onder de overkant. Hij is alleen. Ik kijk goed om me heen. Geen andere kuifeend. Het is de eerste die ik dit jaar zie en de eerste die ik hier tussen Groenekan en Westbroek tegen kom.

Ik had mezelf eerlijk gezegd een grutto beloofd voor vandaag, maar het moet blijkbaar een kuifeend wezen. Ik stap opnieuw af, bij een bankje, om op te schrijven dat ik een grutto had willen zien, maar dat het een kuifeend werd. Maar ik zag ook scholeksters, twee, en in een weiland verderop kieviten, een heel clubje, ook de eerste van het jaar. Een zilverreiger zie ik nu pas, terwijl ik dit schrijf. Vanaf mijn bankje staat hij halverwege de rechte lijn die ik naar de toren van Westbroek kan trekken. Er zijn er meer hier, maar deze geeft wel mooi licht in de lage, heldere koude zon.

Nu komt er ook nog een torenvalkje boven het weiland te hangen. ´t Is allemaal een kwestie van geduld. Ik kijk of hem een maaltijd ten deel zal vallen, maar het bidden helpt blijkbaar niet. Of toch! Hij duikt omlaag, is even weg en dan zie ik hem weer. Hij vliegt vlak boven de grond en verdwijnt, achter de wal van een sloot vermoedelijk. Ik heb niet kunnen zien of hij iets gevangen heeft. Ik zie een tweede zilverreiger en vlak voor me land een blauwe. Maar daar blijf ik niet voor zitten. Het wordt me te koud.

Als ik nu dezelfde weg terugfiets, zie ik die kuifeend misschien nog een keer. Misschien is ie toch niet alleen.

04 maart 2019

De meerkoet

Klaas houdt met zijn hand mijn wijsvinger vast en ik heb mijn hand om die van hem gevouwen. We lopen van school naar huis en de harde wind hebben we in de rug. Op het moment dat verderop het voetgangerslicht op groen springt, heeft hij zich al losgerukt en trekt hij zijn sprint. ‘Kom nou, opa, oversteken!’ Dat is zinloos, weet ik.
Toch klikt er iets in mijn hoofd dat zegt dat ik moet rennen, maar het signaal bereikt mijn benen niet meer, zoals dat wel onmiddellijk gebeurt bij de vijfjarige Klaas. Als het stoplicht weer groen wordt, lopen we hand in hand verder.

‘Straks waai ik nog in het water, opa.’
‘Doe maar, geeft niets, ik kan reddend zwemmen.’
‘Echt waar?’
‘Ik heb al honderd kinderen en vissen als reddend zwemmer uit het water gered. Nee, duizend.’
’t Is maar dat hij het weet. Zijn opa rent niet, maar zwemmend redt hij als de beste.

Klaas is meer onder de indruk van het golvende water waar we nu langs lopen. Dan zien we een meerkoet de diepte in duiken. Even later komt hij weer boven.
‘Zag je dat?’ Klaas zag het ook. Weer verdwijnt de meerkoet.
‘Hij zoekt eten,’ zeg ik.
‘Ik denk dat hij het eten uit zijn mondje heeft laten vallen en het nu weer opraapt,’ veronderstelt Klaas.
‘Dat zal het zijn.’

03 maart 2019

Valkenbos

Vanaf het Diakonessenhuis in Zeist fietsen we eerst door het Lyceumkwartier. Dat staat op een bord aan het begin aan de wijk en waarom die wijk zo heet laat zich makkelijk raden, want even later komen we langs het Christelijk Lyceum. Dat is geen verrassing.

Dan zijn we de wijk al weer uit en vertelt een ander bordje ons dat we nu Valkenbosch in rijden. En dan pas krijgen de Valkenboskerk en de Valkenboskade in Den Haag een betekenis, valkenbos. Valken en bos. Waarom heten die kade en kerk zo? Net als in Zeist gaat het in Den Haag om een hele wijk die zo genoemd werd. De Haagse wijk heeft iets oudere papieren, met huizen van rond 1910, maar dat scheelt maar een jaar of tien, vijftien met wat we hier in Zeist aan woningen tegenkomen. Blijft die Zeister sch aan het eind van de naam wel een vreemd, archaïsch, om niet te zeggen archaïserend moment, maar dat houdt me verder niet bezig.

Zou op beide plaatsen ooit een bos geweest zijn waar veel valken huisden, een heus valkenbos? Ik geloof er niks van. Het moet een deel van het bos geweest zijn waar valken huisden. Een paar bomen niet al te ver van elkaar. Zou het met de valkenjacht te maken hebben? Opnieuw twijfel ik. Ik geef Den Haag in dat opzicht meer kans dan Zeist.

Waarom heb ik bij het Loosduinse Kraayenstein altijd gedacht aan vogels die er hun nest hadden, zoals ik bij de naam Kraaijenveld ook onmiddellijk die zwarte vrienden in gedachten zag opvliegen en neerstrijken. Vinkenburg, spreeuwenberg, ravenstein, arendshorst. Er moeten heel wat toponiemen uit het ei gekropen zijn.

Over Valkenbosch en Valkenbos lees ik, terug in Utrecht en rijp voor een kop thee, dat de wijknaam is ontleend aan een landgoed van die naam. In het Haagse geval heeft ook een boerderij die naam gedragen en die heeft misschien wel oudere papieren dan het landhuis. Maar die kan ik zo gauw niet vinden.

02 maart 2019

Bevrijd het bos!

Van Steven kreeg ik een prent met zeven dikke zwarte vormen die op het papier een gratie hebben die me blijft bekoren. Dansers, bomen. Vormen. Ik weet nog niet waar, maar die prent van Steven moet aan de muur. Om te beginnen moet hij worden ingelijst.

Een paar weken lang heb ik ernaar gekeken, maar vanmorgen wist ik het. Het moest een zwarte smalle lijst worden, dan een donker passe-partout, dan een rand parelgrijs karton en dan dus de prent. Een fietstocht naar de Oudegracht bracht onmiddellijk soelaas en een paar uur later stond ik over mijn bureau gebogen, met liniaal en mes. Het resultaat zette ik beneden op een standaard. Dat was vanmiddag.

Nu is het avond en ik zie dat het allemaal niet deugt. De prent zit klem als een bosje in aanrukkende stedelijke bebouwing. Het bos moet bevrijd worden!

Ik heb een mooi zwart aluminium lijstje van dertig bij veertig in de aanbieding.

01 maart 2019

Doelgroep

Als we binnenkomen, is de Fiets en Wandelbeurs nog maar net begonnen, maar er zitten al heel wat mensen achter de ooit uit Duitsland geïmporteerde biertafels. Het ziet er allemaal zo gezapig en armoedig uit. Allereerst is daar die adembenemende grijsheid, waarvan een deel - zo doen we dat altijd als we uitgaan - zijn eigen koffie en kuch heeft meegenomen. Het alternatief is al even droefmakend. Koffie drink je uit kartonnen bekers en het grote feest van een dagje uit kan alleen maar bezegeld worden met een grote koek die – eenmaal uit het cellofaan geplukt – klef, klam en alleen maar zoet is.
Bij het Franse blok vragen we naar informatie voor de route van Parijs naar de Mont Saint-Michel. Als we het blok met desks maar langslopen, komen we er vanzelf, vertelt een middelbare Fransman met buik ons en hij wijst naar rechts. Zo lopen we met de wijzers van de klok het blok langs tot we na een tijdje uitkomen bij de laatste tafel vóór onze informant.
‘Ik wil niet meer naar Frankrijk,’ zeg ik tegen Henk. ‘Het zijn allemaal proleten, met een gele hesjes of een onbetaalbaar maatpak.’ Maar het meisje achter het tafeltje kijkt ons stralend aan. Emma Conte heet ze en in rap Frans vertelt ze alles wat wij maar willen weten over de Veloscénie, want zo heet de route die wij in gedachten hebben.
Als we alles weten van de trajecten, de accommodatie, de mogelijkheden van aan- en afvoer en nog meer, complimenteert ze ons met ons Frans. Ze is nog zo jong, Emma, dat haar compliment me ineens heel oud maakt. Binnenkort kom ik ongetwijfeld in een verzorgingstehuis waar zuster Emma me in het Frans een pluim geeft als ik niet alleen mijn koffie heb gedronken en de koek heb opgegeten, maar ook mijn bordje helemaal leeg heb.

28 februari 2019

Schutting

Straks vangen jullie geen zon meer, zeg ik tegen de plantjes en bloemen die nu nog grotendeels in de aarde verborgen zijn. Je zult het licht zoeken, maar er zal alleen maar schaduw zijn. ‘Er komt een schutting.’ De nieuwe buren willen achter in hun tuin ook een terras maken, net als wij en dan kan een beetje privacy geen kwaad. Dat begrijp ik.
De vorige buren hielden zich dichter bij de achtergevel op, waar al een schutting stond. Vanaf ons eigen achterterras had ik uitzicht over twee tuinen. Mensen zag ik doorgaans alleen op afroep, als er een van de buren even een praatje kwam maken.
Ook de walnootboom vertel ik dat hij over niet al te lange tijd niet meer zo mooi in de ruimte zal staan, maar dat er een schutting rakelings langs zijn stam zal komen. Hij ziet er sterk en gezond uit. Hij kan het wel hebben, denk ik, maar ik meen hem toch te horen zuchten.

Misschien zullen door die schutting de jonge katjes van de buren onze tuin niet als kattenbak gaan gebruiken, probeer ik mezelf te troosten. Misschien ook juist wel: een wc met een duidelijke afscheiding vind ik zelf immers ook erg prettig, en waarom zouden die katten dat ook niet zo over denken? Via de geschakelde schuren naar de buren, achter de walnootboom of de hoge varens. Niemand die het ziet. Poepen en weer weg.
Hup op de schuur. Dag buur.

27 februari 2019

Leraar Nederlands

Als ik had geweten dat lesgeven me zoveel plezier zou geven, dan had ik er de eerste jaren nog meer van genoten. Ik kwam namelijk ooit, zeg maar per ongeluk, voor de klas met het voornemen daar zo snel mogelijk te verdwijnen. Voor een echte baan. Wel viel me vrij snel op dat ik het leuker vond dan ik had gedacht, dat lesgeven, maar toch lag het professionele paradijs waarschijnlijk elders. Maar voor het zover was, moest ik eerst maar eens afstuderen. En toen ik dat voor elkaar had, kwamen er andere dingen op mijn pad: een musical zus, een actie zo, een werkgroep dit, een reisje dat…
Met als gevolg dat ik dertig jaar later begon te verzuchten dat ik de eerste jaren nog meer genoten zou hebben van mijn werk als ik had geweten dat lesgeven me zoveel plezier zou geven. Dat zei ik al.

Ik zei niet dat ik dat het gaat om lessen Nederlands. Dat vak kent zoveel verschillende elementen. Andere vakken zouden daar hun vingers bij aflikken. De laatste jaren werd ik wel wat droevig van allerlei ondoorgrondelijke regels, definities en behoeften om zaken te reglementeren. En dodelijk was het koesteren van de koudwatervrees bij het lezen van boeken. Het werden er zo weinig dat de meeste leerlingen nooit aan hun kilometers kwamen. Jammer.
Maar het vertellen bleef. Voor creatieve, en dus leuke! Opdrachten was altijd ruimte. En een docent Nederlands moet vooral manifest laten blijken dat het onmogelijk is dat iemand lezen niet leuk vindt. Lezen is namelijk leuk en wie vindt van niet, die moet gewoon meer lezen. Dat werkt. Een beetje docent is namelijk een beetje gek, ongevaarlijk weliswaar, maar ook ongeneeslijk. Leerlingen nemen dat op de koop toe.

Als ik had geweten dat Nederlands geven me zo lang zoveel plezier zou geven, dan had ik er de eerste jaren nog meer van genoten.

25 februari 2019

Halfpipe

De ochtend moet nog bijkomen van een vrieskoude nacht als we naar de kruidenier lopen. Wij bestaan uit een meisje van zeven, een jongen van vijf, een oma die achter een kinderwagen loopt en een opa. Het is vakantie en dus zie je van allerlei zijden babyboomers tevoorschijn komen die in de weer zijn met klein grut. Maar je vindt ze niet bij de halfpipe halverwege onze terugweg.

Het vraagt wat oefening, maar dan lukt het het meisje om deze u-vormige barrière lopend te nemen, dat wil zeggen, om via een van de bijna steile wanden op het platformpje bovenaan te belanden. Die van vijf oefent ook niet voor niks; met een kontje van zijn opa lukt het hem ook. Die opa gaf het voorbeeld. Dat hij daarbij uitgleed en het vervolgens voor gezien hield, maakte de uitdaging alleen maar groter. Uitglijden doen die kinderen ook, maar vallen is bij hen alleen maar leuk. Het ziet er allemaal soepel uit en ze lachen.

Ze krijgen er maar niet genoeg van en rennen steeds weer tegen de wand op om zich even later vanaf het platform naar beneden te laten glijden of te rollen. Hun succes is aan het kleren af te lezen: roestvegen en modder. Grootouders hoeven niet de kleren van hun kleinkinderen te wassen.

24 februari 2019

Toekomst

Er ligt veel toekomst in de achtertuin. Een deel van het gras is afgestoken en vormt een grote hoop. Halverwege de helling daarvan is een kiepwagen van Fisher Price blijven steken en op de top staat de bestuurder van een brandweerwagen. ‘Hij heeft een heel mooi uitzicht,’ zegt Lucas van drie. Lucas houdt van het woord uitzicht, zoals hij ook van het woord bovenleiding houdt, maar er rijden helaas geen treinen door de achtertuin.

Gisteren mochten de nieuwe katjes van onze nieuwe buren voor het eerst naar buiten. Vandaag rennen ze door onze tuin, over die machtige bergen. Er is een tweede hoop oude graszoden bijgekomen. ‘Dit wordt ongetwijfeld hun kattenbak,’ zegt Mente, ‘voor de komende vijftien jaar.’ Ze denkt ongetwijfeld aan de tuin van straks, met verse borders en nieuw gras.
‘Maar dan komt er wel een schutting.’
Jaren heb ik die tegen kunnen houden en nu zullen die kleine katjes met hun vrijheidsdrang en poeplust mij ook nog van mijn vrijheid en uitzicht beroven.

23 februari 2019

Lesrooster en tussenuur

‘Lesrooster,’ zegt Otto. Hij heeft me een tijdje aan staan staren. ‘Dag, Otto,’ heb ik gezegd toen ik binnenkwam. En toen begon dat staren en krabden zijn vingers over zijn kale kop. En dan komt ineens dat lesrooster eruit.
De vorige keren zei hij nog ‘Aha, de dichter.’ Misschien weet hij mijn naam niet eens meer; ik ben al tevreden met dat lesrooster.
‘Ik had een tussenuurtje, dus ik dacht…’

‘A, ja, een tussenuur…, ja, een tussenuur.’ Er gebeurt van alles in dat hoofd van Otto, maar er komt niets uit. Hij knikt als hij tussenuur zegt. Hij wil er op reageren. Zijn ogen lichten op. En worden weer dof. Hij schudt zijn hoofd en zegt nee. ‘Nee…, nee.’ Er werd iets aangeraakt van binnen, maar het verdwijnt voor hij er iets mee kan. Zo blijft hij even later kauwen op ‘distributie’. Ook dat woord komt en gaat. Dan ‘Veertien dagen geleden…’ Hij zegt het een paar keer. Ik maak het verhaal af. Veertien dagen geleden ben je hier gekomen. ‘Ik moest hier komen, maar nu…’ En: ‘Het is een sprong in het duister.’ ‘Weer en tegenweer,’ en hij grijnst zowaar als hij zegt dat er nu meer tegenweer is.

Als er eten voor hem wordt neergezet, pakt hij zijn mes en begint ermee te eten. De verzorgster geeft hem een vork. Hij eet alsof het voor het eerst is in de veertien dagen dat hij hier zit. Eerst het vlees, dan de stamppot, daarna de appelmoes uit het schaaltje naar zijn bord. En dan het toetje. Allemaal met zijn vork. Er gaat niets verloren. Hoewel hij schrokt, valt er nauwelijks iets van zijn vork en als dat gebeurt, pikt hij het onmiddellijk. Hij is heel handig met die vork.

Op zijn kastje ligt zijn scheerapparaat. Ik kan me voorstellen dat hij zich een paar keer per dag scheert. Zijn kin en wangen zijn helemaal glad. Zoals hij eet zo zal hij zich ook scheren. Voor mij heeft hij nauwelijks aandacht meer. Ook als het eten op is weet hij nog de kleinste kruimel met zijn vork te pakken te krijgen. ‘Ja, ja,’ zegt hij als ik beloof binnenkort weer eens langs te komen.
Wanneer ik door de gang loop, hoor ik hoe hij met zijn vork tegen zijn bord tikt.