Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

Och heden

24 maart 2019

Gezoem aan de horizon

Als er tussen de middag een helikopter overvliegt, staat ze op van de bank en kijkt uit het raam. Ze kijkt links omhoog, rechts omhoog. Wij horen het zware geluid waarvan het me altijd weer verbaast dat iets dat zoveel herrie maakt zomaar in de lucht kan blijven hangen. Een vogel met dit lawaai zou dat niet voor elkaar krijgen. Hoe was dat bij de Pterosauriër? Dat zou de grootste vliegende ‘vogel’ geweest zijn. Helaas is die 66 miljoen jaar geleden al uitgestorven, dus moeten we het doen zonder historisch betrouwbare geluidsopnamen.
Zij is intussen weer gaan zitten, maar niet voor lang, want het geluid komt terug. Ik geloof niet dat ze nu wel iets ziet. ‘Ik word zenuwachtig van die dingen. Er kan zomaar iets zijn ergens.’ Op dat idee was ik nog niet gekomen, maar nu denken we aan maandag toen we uren lang het geluid van een helikopter boven ons hoofd hadden.

In Ja zuster, nee zuster is de helikopter een reddende hefschroefengel.
‘Daar is geronk aan de horizon, gezoem aan de horizon
´t Is een helikoptertje, hij heeft ons gezien
we worden opgehesen, eindelijk gered, eindelijk gered.’

Ik zing het liedje. ´Kom maar weer zitten. Wij zijn al gered. Of zullen we een stukje gaan fietsen?’
‘Goed idee. Wandelen. Leuk.’ We gaan naar buiten.

23 maart 2019

Kattenbak

Als kers op de taart van hun verhuizing namen onze nieuwe buren twee jonge katjes in huis en wat zijn ze leuk. De eerste maanden mochten ze de deur nog niet uit, maar die zijn nu voorbij.
Intussen heeft Nico onze tuin niet alleen van nieuw gras voorzien maar ook een hoek van de tuin flink opgeschoond en omgespit. Mente droomt ervan om daarvan iets moois te maken. Haar vingers jeuken. Er wacht onze tuin een mooie toekomst.

Iedereen is verrukt van de katjes. Als mijn dochter op bezoek komt, springen ze bij haar op schoot en een paar dagen later gaat mijn zoon ervoor op zijn hurken. Maar af en toe zie ik Mente naar buiten stuiven met een plantenspuit en ik zie ook waarom: de verse hoek is een ideale kattenbak geworden.
Zolang de katjes niet op dat lapje grond komen, vindt Mente het best, want, ach, het zijn van die leuke beestjes. Maar de sporen zijn duidelijk. En het onderscheid tussen hier wel mogen zijn en daar niet lijkt me te subtiel voor een kat. Daarom neem ik de rol op me om ksjt roepend en in mijn handen klappend naar buiten te sprinten als een van de twee onze tuin waagt te betreden. Als anderen mijn belachelijke voorbeeld niet volgen, wordt het niets. Ze hebben trouwens ook onze ouwe trouwe tuinpad in de smiezen gekregen.

Extra nieuwsgierig worden de katten als de driejarige Lucas een paar dagen bij ons logeert. ‘Die buren hebben nog een keigave zandbak ook,’ zien die katjes nu en alsof ik niet besta, lopen ze tussen mijn benen door naar de zandbak. Maar dat gaat zomaar niet. Ik klap in mijn handen, doe een snelle stap in hun richting. De twee kijken met geïnteresseerd aan. Pas bij een tweede stap en een ksjt, verdwijnen ze naar hun eigen tuin, waar ze me verbaasd gaan blijven aanstaren.

Na een paar minuten, ik sta in de keuken, lopen ze weer naar de zankbak, maar Lucas heeft ze in de gaten. Hij springt op, roept boeh en weg zijn de katten.
Helaas is zijn moeder hem vanavond komen ophalen. Toen ze de tuin in liep, kwamen de katjes enthousiast aangerend, maar Lucas sprong voor haar langs en riep heel hard boe.
‘Dat moet je zo doen, mama.’

22 maart 2019

Geef het Westland een stem

Mente heeft voor me gestemd de afgelopen week. Ze koos, in mijn geest, voor een partij die ik eigenlijk van plan was om eens over te slaan dit jaar. Een gelukkige vergissing, want het kan niet anders of hierdoor heeft Groen Links straks een zetel meer in de Eerste Kamer. Geen dank, geen dank.
Vandaag lees ik in de krant een artikel over het stemgedrag in het Westland, de streek waar ik werd geboren en waar ik voor het eerst stemde. Dat was in de tijd dat we naast de lijsttrekker van de Boerenpartij woonden.
Monster, in ’72 of ’73, dat weet ik niet meer precies.

Samen met mijn vader loop ik naar het stembureau. Dat is het lokaal waar ik als zesdeklasser een jaar doorbracht bij Meester Rijper. Het is de plek waar diezelfde bovenmeester mij een paar jaar eerder, acht ben ik dan, bij mijn haren grijpt en mijn hoofd voor het oog van zijn klas ritmisch tegen het dat van Evert Henk slaat onder het zingen van ‘Er zaten zeven kikkertjes.’ De klas van meester Rijper lacht hartelijk. Ook mijn broer lacht mee.
Twaalf of dertien jaar na die onzalige kikkertjes en acht of negen na het afscheid van de school, ben ik er weer, nu om te stemmen. Mijn vader voegt me met opzet voor iedereen hoorbaar en dwingend toe dat ik vooral op het CDA moest stemmen.
‘Ja pa, nee pa,’ zeg ik, even hoorbaar, maar wel vriendelijk, ‘het wordt PPR.’ Als we elk in een stemhokje staan, wordt er naast me gesist: ‘CDA.’ Lachend maak ik het vakje rood van de nummer één van de PPR. Het is namelijk tijd dat ook in het Westland het politieke licht een kans krijgt.
‘Kinderen,’ zegt mijn vader als we het stemlokaal uitlopen, dat klaslokaal van ooit, ‘je hebt er niks an.’Opnieuw wordt van achter een tafel tot stilte gemaand.

21 maart 2019

Vlerken

In 1821 laat Hegel de uil van Minerva vliegen, 200 jaar later laat Baudet hem landen. De vogel heeft in zijn nachtelijke vlucht blijkbaar het licht gezien. Ik meen dat een nachtuil het meer van zijn gehoor moet hebben.

Ik hoef niet lang te wachten op het woord boreaal. Het woord dat staat voor raszuiverheid. Zou het Wilhelmus weer plaats maken voor ‘Wien Neêrlandsch bloed door d'aderen vloeit, / Van vreemde smetten vrij’? Raszuiverheid: één lichaam zijn we. Wat van buiten komt is een bedreiging.
En Baudet is naar het front geroepen. Om aan te vallen, want om te bouwen zal het niet zijn. Dat doen soldaten niet. Net als Minerva steekt deze nieuwe volksleider zich waarschijnlijk graag in militair kleed. Alles in het leven verwezenlijkt zich nu eenmaal via strijd. Dat is de teneur. Strijd tegen wie niet uit het avondland komt, tegen de moderne architectuur en andere uitingen van ontaarde kunst, tegen alle landen om ons heen graag, tegen (en dat komt als braaksel uit zijn mond) ‘de afgod van de transitie.’

De orator wordt regelmatig onderbroken door een publiek dat zijn naam scandeert. De Wederopstanding wordt er zelfs bijgehaald, waar niet langer God de hand in heeft, maar een ‘wij’ bij wie ik me doodongelukkig voel en waarvan ik vrees dat het een pluralis majestatis is. Of is het een militaire horde? Bij de wederopstanding van Baudet staat niet Christus op als de vredevorst (en ik altijd maar denken dat dat de essentie was van het christendom), maar Nederland, dat kleine landje aan de zee. Met zijn Rembrandt, zijn handelsgeest, waterwerken en polders, zijn Stadhuis op de Dam, Erasmus en misschien ook zijn sensitieve socialist Herman Gorter. Maar dan ook met zijnkoloniën, zijn werkeloosheid van de jaren dertig, zijn antisemitisme, zijn armoedige jeneverslurpers,
zijn homofobie.

Ik word een muis van zoveel retoriek. Ik hoor het suizen van vlerken.

20 maart 2019

Dit is het land waar grote mensen wonen

Omdat er een dief was met een pistool moest iedereen binnen blijven. Daarom ook kon je helikopters horen. Die zochten de dief. In het verhaal van Liesje heette de dief een boef en dat zal waarschijnlijk de originele versie zijn geweest, maar bij Klaas was en bleef het een dief.
Maandag was een topdag voor Klaas. In het kleine stukje in de auto van huis naar school kreeg hij een dropje zodra hij er om vroeg. Daar begon het al mee. Eenmaal in het lokaal zag hij dat zijn naamkaartje op de stoel naast die van de juf lag. Er golfde een lach over zijn gezicht, van zijn kruin naar zijn kin, zag ik. Mijn aanwezigheid in de klas diende geen enkel doel meer; dat was wel duidelijk.
Kerels van vijf die naast de juf mogen zitten, hebben geen opa nodig.
Later, tijdens de gymles, kwamen dus die helikopters en kort daarop volgde het bericht dat ze niet naar buiten mochten. Ook niet terug naar hun gewone lokaal in het gebouw aan de overkant. Zo werd de gymles een lange spelletjesles, terwijl helikopters getrouwe de wacht hielden. En om kwart over twee kwam zowaar zijn vader speciaal vroeg van zijn werk om hem en Liesje op te halen.
Allemaal omdat er een dief was met een pistool. En toen, voor het eten, werd die nog gepakt ook.
‘Wat een leuke dag!’ zei hij in bed. Niemand sprak hem tegen, niemand nam hem mee naar ‘het land waar grote mensen wonen.’

19 maart 2019

Partiscap (2)

Om nog even op die partiscap van gisteren terug te komen. Mijn stukje van maandag was al af toen er vanaf het 24 oktoberplein die donkere wolk boven Utrecht kwam te hangen die nu nog niet helemaal weg is. Er zou zomaar sprake kunnen zijn van een terroristische aanslag. Ik vroeg me daarom af wat iemand zo onverdroten overlevert aan een bepaalde partij. Niet alleen idealen en vermeende bouwstenen voor een goede wereld die een groep mensen deelt, maar ook, en heel misschien nog wel meer, een gedeelde vijand. Je bent iemand door bij een groep te horen en die groep heeft bestaansrecht omdat anderen er niet bij horen, van minder allooi zijn. Dommer, elitairder, kortzichtig, los van de wereld, gelovig of juist niet, bubbelbelievers, onderbuikers of koppen zonder kip. Dat maakt niet eens zo veel meer uit. Het deugt niet wat die ander doet of zegt of wie hij of zij is en juist dat bevestigt het bestaansrecht van de eigen groep. Klinkt dit abstract en bloedeloos genoeg?

Er was gisteren een Turk voor nodig, een Baudet die een partijbijeenkomst toch door liet gaan, een Erdogan die de aanslag in Christchurch breed uitmeet, maar ook een Beatrice de Graaf die het allemaal wel heel goed voor haar beurt weet in de DWDD, wat toch wel een omineuze naam is, vooral voor een Westlander die daarbij meteen aan tomaten en sla denkt. De dag begon met stakingen, op zich al zo’n gevaarlijk fenomeen dat individuen op kan slokken. Aan het eind van de dag heb ik op Facebook iemand ontvriend. Steeds weer vond ik ergens iets van, jongleerde ik met kwalificerende en diskwalificerende ‘meningen alsof het niets’ (om de dichter Hans Andreus er ook nog even bij te halen).
Linksom of rechtsom, ik hoor ergens bij. Ik moet het me vaker afvragen: hoe ging het met de partiscap vandaag? Heb je je wel een beetje menselijk en niet vooringenomen gedragen, Borgdorff?

18 maart 2019

Partiscap

Omdat het te laat wordt om nog van de stad naar huis te lopen, klopt Mariken van Nieumeghen bij haar tante aan om te vragen of zij daar een nachtje mag logeren. De tante, de moeye, valt in haar hysterie woedend tegen haar nichtje uit. Mariken wordt voor alles uitgemaakt waarmee je een vrouw kunt kwetsen, met middeleeuwse equivalenten van termen die we nu nog wel kennen. Mariken is volledig overstuur en roept in het bos om hulp. Van wie? Dat kan haar niet schelen. Als er maar hulp komt. Desnoods de duivel.
Dat is niet zo handig, want een beetje duivel gaat onmiddellijk op zo’n suggestie in en zo leeft Mariken veertien jaar met de duivel. De gebeurt allemaal rond 1500.
Mij gaat het om de moeye. Zij is een aanhangster van de zoon de hertog van Gelre, en die is op zijn beurt de vijand van zijn vader. Zij hoort dus bij een partij van de zoon. ‘Partiscap’ wordt dat in laat Middelnederlands genoemd. En juist die onvoorwaardelijke overgave maakt haar gek. Ze kwetst Mariken en uiteindelijk, zo vertelt het verhaal, zal de moeye zelfmoord plegen.
Het woord komt nogal eens in me op als mensen zich onvoorwaardelijk verslingeren aan een standpunt, een ideologie of geloof. Partiscap.
In De kleine Johannes, nu 135 jaar oud, van Frederik van Eeden, komen de Vredemieren en de Strijdmieren voor. Over de Vredemieren lees ik: ‘Toen noemden zij zich Vredemieren en hielden allen vol dat de eerste Vredemier gelijk had; wie dat tegensprak beten zij op hun beurt in stukjes. Op die manier zijn tegenwoordig bijna alle mieren Vredemieren geworden, en de stukjes van den eersten Vredemier worden met zorg en eerbied bewaard.’

Ik krijg het de laatste weken steeds benauwder van de partiscap van Vrede- en Strijdmieren.

17 maart 2019

Neus op Tabor

Vanmorgen werd in de kerk uit Lucas het verhaal van de Verheerlijking op de Berg voorgelezen. Dat verhaal komt ook in Mattheus voor, maar dat lazen we dus niet.
Jezus is met Jacobus, Johannes en Petrus op de Tabor geklommen, een soort dak van de wereld waarop iedereen zich dichter bij God waant. Hij bidt er en dan zien zijn drie vrienden hoe het gezicht van Jezus omstraald wordt door hemels licht. Dus inderdaad, dichter bij God. Dan voegen zich, ook al zo verheerlijkt, Mozes en Elia bij hem: twee coryfeeën uit het oude testament die een zo mysterieuze dood stierven dat je je kunt afvragen of ze wel gestorven zijn. In het geval van Elia is het bijbelse antwoord duidelijk nee; bij Mozes ligt dat minder duidelijk, maar de traditie zegt ook in zijn geval: nee.
Punt is dat ik het voor me zie, telkens weer als ik het verhaal hoor, die drie verheerlijkte gezichten. En ook de drie tenten die er niet zijn. Petrus stelt namelijk voor om drie tenten neer te zetten, voor elk religieus kopstuk één. Het blijft bij een voorstel. ‘Hij wist niet wat hij zei,’ zegt Lucas.
Maar dan is het al te laat: ik zie ze staan op die berg Tabor. Deze mislukte en mij zo dierbare poging van Petrus om deze schier hemelse situatie te bestendigen.
Vanaf de Tabor zie ik, heel in de verte en verre van indrukwekkend, Golgotha liggen. Er zijn een paar passages in de Bijbel waarbij me onmiddellijk een beeld in het oog springt. Alsof ik er met mijn neus net iets te dicht op zit. Het beeld blijft lang hangen.

16 maart 2019

Uut de liken zijn

Bij gebrek aan onderwijs, want daar zijn de meesten intussen veel te oud voor, bezoeken de leden van de Conrectorenclub Het Skûtsjemuseum in Earnewald. Een oud ogend houten gebouw waar op verzoek een lunch wordt geserveerd door een vrijwillige dame, waar een smid aan de slag gaat en een welbespraakte rondleider je het een en ander vertelt over de skûtsjes, die soms bij gebrek aan wind ook als trekschuit voortgetrokken werden door de vrouw van de schipper. En dat doen we dus na. Een enkeling hijst zich in het daarvoor bestemde tuig en trekt het schip voort door wat gewichten omhoog te trekken die de weerstand van de schuit moet voorstellen.
Er komt van alles langs. ‘Alles in de wind, alles in de wind, ’t is maar een schipperskind.’ In het voorgeslacht van mijn vrouw zitten Groningse schippers. Armoe troef, denk ik nu.
Er wordt een zeil getoond dat omstikt is met stevig touw, de like. Als dat touw los raakt van het zeil is het uut de liken. Ik ken die uitdrukking niet, maar twee van de drie Friese leden van de club wel, de derde Fries is namelijk een Rotterdammer. ‘Uut den like’ betekent doodmoe zijn. Thuis zoek ik het gezegde nog even op; daar verliest de uitdrukking een beetje zijn Friese karakter en wordt het ‘uit de liken geslagen zijn.’ Er wordt ons getoond hoe de kloten voor de bok kunnen komen. Wist ik ook niet. Tot vandaag wist ik zelfs niet waarom stuurboord stuurboord heet en bakboord bakboord. Je kunt het me rustig vragen, want nu weet ik dat wel.
Dan verlaten de conrectoren van ooit elkaar en zeilen zij door de storm terug naar plaatsen ver van Earnewald, maar Paul wint. Die moet nog naar Maastricht.

15 maart 2019

Tip voor het Rijksmuseum

Wim Hofman gebruikt reststroken van museumkarton om tekeningen en prenten op te maken. Het is een zelf opgelegde zuinigheid met prachtige resultaten. In het Rijksmuseum hangen talloze etsjes van Rembrandt die het formaat van een postzegel nauwelijks overtreffen. Dat zal ongetwijfeld niet alleen met artistieke zelfbeperking te maken hebben maar ook de toenmalige schaarste van papier en mogelijk ook van koperen platen. Het gevolg is intussen wel dat je het niet kunt laten om met je neus op het werk te gaan staan, wat het werk enorm ten goede komt. Ik zag vandaag een bezoekster die met een loep het werk langs ging. Het was druk genoeg daar in het Rijksmuseum om die loep te pakken te krijgen zonder dat er vervolgens een dader gepakt zou worden, maar ik ben een nette jongen.

Die kleine etsjes, maar het geldt ook voor veel schetsen, brachten me op een idee.
Als je nu eens 150 of 200 van die etsjes in origineel formaat los zou afdrukken op papier dat zweemt naar het oorspronkelijke. En die bied je als uitgever dan aan in een platte doos van 24 bij 30 of daaromtrent. Wat het aantal en de maten van de doos betreft, ben ik soepel. Maar ontdaan en ontstemd zal ik zijn als iemand dit briljante en om niet verstrekte idee op verkeerd papier uitvoert. Dus vooral niet het glanzende papier waarop de meeste kunstboeken worden gedrukt.

Het lijkt me heerlijk om thuis aan tafel te gaan zitten, met die doos voor je snufferd. Lamp erop, loep in de hand, iets drinkbaars binnen bereik. Ja, ik zou het wel weten als ik het Rijksmuseum was.

14 maart 2019

Amnestie

' Jawel hoor,' zegt de man als ik hem gevraagd heb of hij iets over heeft voor Amnesty International. 'Even geld zoeken, want ik pin alles.' En na een korte aarzeling omdat hij merkt dat de wind vol op hem afstormt: 'Ik doe wel even de deur dicht.' Daar heb ik natuurlijk alle begrip voor.
Het begint een beetje harder te regenen, maar met deze goede jas en mijn puike pet kan ik dat wel hebben.
In de portemonnee van de man zitten alleen maar pasjes, stel ik me zo voor, en naamkaartjes van de zakelijke relaties die zich iedere dag opdringen aan de man die nu vanwege Amnesty zijn hele woning omwoelt voor het goede doel. In de keukenlaatjes vindt hij de munten voor karretjes van twee verschillende grote kruideniers. Dan gaat hij vermoedelijk naar boven, waar hij na een kwartier zelfs op zoek gaat naar de spaarpotten van zijn kinderen. Tevergeefs. Intussen app ik naar huis om te vertellen dat het wat later wordt. Na een half uur reageert mijn vrouw met de vraag waar ik sta. Ze komt me wat koffie brengen.
Terwijl ik een tweede kopje uit de thermosfles schenk, denk ik aan de arme man die nu ongetwijfeld op zolder op zijn buik achter een schot in het duister naar muntjes tast en stof hapt.
'Mag ik er even langs?' De vrouw heeft de sleutel al in de hand. Verstandig van haar: zo wordt ze niet zo nat. De deur is alweer dicht.
Gelukkig heb ik een sterke blaas. Ik bof maar. 'En dan kom ik ook nog op het lumineuze idee om deze belevenis van een collectant op mijn mobieltje te tikken. Zo doe ik twee dingen tegelijk. Deze jongen is niet voor een gat te vangen.

13 maart 2019

Wapperende blonde haren

’s Morgens om kwart over acht zit ik op de bank en lees ik de krant. Als zich in mijn linkerooghoek, op straat dus, iets beweegt, kijk ik automatisch op. Het gaat altijd om ouders die hun kinderen naar een basisschool in de buurt brengen. Er zit een vast patroon in.
Het meeste plezier beleef ik aan het echtpaar dat met twee kinderen vijftig meter verderop aan de overkant woont. Contact hebben we niet, al heb ik ooit wel eens met haar staan praten. Daarom weet ik dat zij als juristen in Bilthoven of De Bilt werken. Ze hebben altijd haast, maar vooral op een doordeweekse dag, om tien voor half negen. Dan rennen de twee ouders voorbij, snel, keurig en ernstig. Haar wapperende blonde haren en zijn spitse neus doen recht aan de snelheid waarmee ze voorbij rennen. Ze hebben elk een kind aan de hand en dat draaft zonder protest en ernstig mee.
Als ik een laatste slok neem van mijn koud geworden thee, komen de twee ouders terug, iets minder gehaast, maar nog altijd voortvarend en ernstig. En dat is het dan. Soms zijn er grootouders, heel soms brengt pa ze alleen naar school. Maar meestal zie ik ze met zijn vieren langsrennen. Dacht ik.

Wanneer ik dat voor het laatst gezien heb, dat kwartet in volle vlucht? Deze week nog niet misschien, maar vorige week wel. Zeker. Zou ik gezegd hebben.
Nu hoor ik dat de moeder rond nieuwjaar al overleden is. Veertig. Borstkanker. Die leek vorig jaar overwonnen, maar kwam eind vorig jaar in alle hevigheid terug.
Er kraakt iets van binnen.

12 maart 2019

Het boek, de kapper en de collectant

Er is iets met dat boek, maar ik weet niet wat en ik vraag er ook niet naar. Op de schoorsteenmantel staat een boek. De Lepelsnijder, van Marjolijn Hoff. We drinken onze koffie, gaan op weg voor de kunst en hebben het onderweg over Baudet, Wilders en Fortuyn en onze allergie voor grootsprekers die hun verstand ter beschikking van hun onderbuik hebben gesteld. Dat praat makkelijk, want we werden uit hetzelfde linkse hout van de jaren zestig, zeventig gesneden. Maar over het boek op de schoorsteenmantel hebben we het niet. Ik vraag er niet naar en Annette begint er niet over. Dat was gisteren.
Vandaag bel ik bij haar aan als collectant voor Amnesty. Annette doet open. Ik denk niet aan gisteren, niet aan het boek op de schoorsteenmantel, maar er is iets aan de hand. Ja, ze is naar de kapper geweest. Dat zie ik ook wel, maar waarom? Ik zeg niks. Koos komt de gang in: ' Annette is genomineerd met Marjolijn Hof voor de Woutertje Pietertjeprijs.' 'Het boek op de schoorsteen, je haar,' zeg ik. 'Ja, we mochten gisteren nog niets zeggen. We worden gefilmd voor een interview. Vandaar dat haar.' Dan gaat ze de kamer in om geld te halen.
'Ziezo, ik kom mooi binnen,' zeg ik tegen Koos. 'Annette is van huis uit al royaal, ik trotseer regen en wind voor het goede doel en dat heeft ze vast en zeker ook in de gaten en dan ook nog die nominatie.'
Voldaan loop ik even later hun paadje af. Zoveel inkomsten in een klap voor het goede doel en o, o, wat heb ik toch een mensenkennis.

11 maart 2019

Geen koffie in De Flint

Er is iets aan de hand met koffie. Net nu ik het patroon ontwaar, begint het te verbrokkelen.
Neem zaterdag. Thuis drink ik mijn eerste koffie, uit een glas, dan, in Delft, een kopje, maar in Naaldwijk kies ik plotsklaps thee om vervolgens bij de Zwartendijk weer koffie te drinken. ’s Avonds, weer thuis in Utrecht, nogmaals koffie uit een glas. Die thee in Naaldwijk is een fremkörper dat zich steeds meer aan mijn bestaan opdringt. Dat is wel jammer van de geografie van de koffie: weten waar je geweest bent omdat je er koffie gedronken hebt.
Vandaag begint de dag veelbelovend met koffie in de Raiffeisenlaan, om half tien al. Vervolgens gaan A en ik naar De Flint. Ik ben haar kunstrijder. Daar wordt ons géén koffie aangeboden! Nu heb ik daar ook nog geen trek in, maar het gaat erom dat bij ontstentenis van koffie ik bij wijze van spreken ook niet in Amersfoort geweest ben en zo ontstaat er een gat in mijn bestaan. Omdat mijn koffieteller het niet doet dus. Thuis komt het weer goed en als ik in Leidsche Rijn aanbel, staat er zelfs al een kop koffie voor me klaar. En vanavond druk ik in de Tuindorpkerk een kop tevoorschijn.
Ik zou mijn gaan en staan op deze aardkloot goeddeels beschreven kunnen hebben door alleen maar de plaatsen te noteren waar ik koffie dronk. Sluitend is het systeem niet, maar ik kom een heel eind. Jammer, dat ik me dit pas realiseer nu ik wat vaker voor thee kies.
Ik neurie ‘One more cup coffee for t he road.’ Bob Dylan.

10 maart 2019

Geen weer

Tegen het onstuimige weer van deze zondag houden principes geen stand en daarom zit ik achter de computer. Ik ben online en bereid twee fietstochten tegelijk voor: in mei twee weken door Thüringen en in juni tussen Parijs en Bretagne. De vitrage achter mijn bureau hangt geruststellend stil.
Overnachtingsadressen in Duitsland zijn gemakkelijk te vinden. Ik bekijk foto’s op internet van steden en stadjes die we willen befietsen.
In Erfurt schuift de zon voor de wolken. Verderop in een mij onbekend bos begint het te regenen. Nog vóór Weimar ben ik naar beneden gelopen voor mijn regenbroek. Die ligt op het bankje bij de voordeur. Ik trek hem aan en ga weer achter de computer zitten, maar zonder ruitenwissers, merk ik, is er niets meer te zien op het scherm. Daarom doe ik, weer beneden, ook maar een regenjack aan en om te voorkomen dat ik allemaal regen in mijn ogen krijg, zet ik meteen maar een pet op. Het lukt me om een paar hotels te boeken. Gelukkig kan ik digitaal betalen, zodat ik hier niet met natte bankbiljetten hoef zitten rommelen.
Halverwege de geplande rit door Thüringen ben ik nu en ik vraag me af of ik wel verder moet gaan. Dit is toch geen weer om met een fietstocht bezig te zijn.
Daarom kijk ik nog maar even naar de reis naar Frankrijk en terug. We willen de fiets meenemen in de trein. Daar is het tenminste droog. Maar zodra we Gare du Nord uit komen, valt de regen in bakken op ons neer. Als ik niet onmiddellijk stop, gaat het ook beneden nog lekken.
Ik kan die reizen maar beter plannen als het weer droog is.

09 maart 2019

Bedeesde narcissen

De kranten op de balie liggen er ter vertroosting. Twee NRC's, twee AD's, een Trouw en Het Parool ligt bovenop. Die krant zal bestemd zijn voor iemand die vanuit Amsterdam of Diemen naar dit Delftse verzorgingshuis geloodst is. Dichter bij een van de kinderen of zo.

Het huis heeft alleen maar een binnenkant. Door de ramen zie je een parkeerplaats, wat heggen en bomen en dat is het wel. Een buiten de eigen tijd en ruimte geplaatste capsule met daarin, onder voor oma gemaakte kindertekeningen, een anoniem bed.

Ik zit in het restaurant met hier en daar aan een tafeltje iemand van negentig en een dan wel twee 70-minners die het bruisende heden voorstellen.

De bloemen op de tafeltjes zijn echt: ik schrik er bijna van. Ze staan er zo stil en zo braaf. Ze zullen wel verder uikomen, maar uitbundig zal hun bloei niet zijn. Bedeesde narcissen.

Gelukkig liggen die kranten op de balie, doorkijkjes naar een heden waarin nog iets gebeurt. Maar ze zijn nog niet opgehaald. Het nieuws staat in de wachtrij. Ik weet niet eens of wachten wel het goede woord is. Een eerlijker woord schiet me even niet te binnen.

08 maart 2019

Stok

Aan de overkant past oma op vandaag. De oudste is, denk ik, naar school gebracht en nu komt ze terug met nummer twee. Het kost oma moeite om de voordeur open te krijgen. Daar gebruik je meestal twee handen voor. Eentje om de sleutel in het slot te steken en een om de deurknop vast te houden en, als de sleutel eenmaal is omgedraaid, de deur open te duwen.
Met die stok in haar hand wordt het allemaal wat moeilijk voor oma. ‘Hier is je stok,’ zegt ze tegen haar kleinzoontje. Dat hoor ik niet, maar dat laat zich van achter mijn computer allemaal makkelijk bedenken.
Het jongetje vindt het geschikt.
Straks, aan het eind van de dag, vindt paps of mams een stok in de gang. Misschien verdwijnt die meteen in de gft-bak, misschien blijft die nog een paar dagen liggen. Ik zou navraag kunnen doen. Ik doe het niet. Wel zie ik mijn eigen kinderen met takken torsen. En honden, Duitse herders vooral, met een tak in hun bek. Waartoe?
Waarom rapen mensen en dieren takken op en nemen ze die mee?
Aan de overkant is alles en iedereen binnen. De deur gaat dicht. Tijd voor iets anders.

07 maart 2019

Het land waar alle laarsjes rood zijn

Je kunt het je toch niet voorstellen geen Nederlander te zijn en een leven te moeten leven zonder bij een giraf niet ook onmiddellijk rode laarsjes voor je te zien en het jongetje dat iedere morgen bij wijze van ontbijt met een trapje op zijn schouders naar die giraf toekomt om hem een klontje te geven en om even bij te praten. En je zal maar als giraf je leven lang door Tanzaniaanse savannen lopen zonder weet te hebben van het jongetje dat jouw andere helft is.

Leven is meestal gemankeerd bestaan. Dat weten wij. Maar dus niet in Nederland waar iedereen zich ten diepste een Dikkertje Dap weet. Daar zijn alle laarsjes rood, ook als ze blauw zijn. Daar zijn de ladders diervriendelijk. Daar kunnen mensen rekenen, mooie poppetjes tekenen en ieder kent er de eerste drie letter van het Nederlandse alfabet: A, M, G. Is dat niet knap?

06 maart 2019

In handen gevallen van Caravaggisten

Let op de handen, had Thijs gezegd voor ik de Caravaggisten bezocht in het Centraal Museum. Dat heb ik gedaan, twee maanden geleden, en vandaag deed ik het voor de derde keer. De eerste keren waren de handen geaderd, vuil, gelooid door de zon, de nagels waren vaak indrukwekkend. Vandaag maakten ze vooral deel uit van de compositie. Cirkels, diagonalen, driehoeken, ik zag het allemaal. En dat zonder me te ergeren aan dat technische kijken, want dat kan ik nogal gauw doen als iemand probeert mijn ontroering te reduceren tot een rekensom. Zoals het me ook snel te veel kan worden als die lijnen ook uitdrukkelijk een betekenis aan het schilderij willen geven. Handen op een rijtje, de diagonaal van ogen die allemaal naar hetzelfde kijken. Maar vandaag kwam ik allemaal kleine schilderijtjes tegen van alleen maar handen. Vingers om een stok, een kleed, een fluit, een zwaard. Vingers gestapeld alsof het om een stilleven gaat, verstrengelde vingers. Handen die licht vangen. Handen die dansen, zo lijkt het wel op het schilderij van Christus en de schriftgeleerden van Jusepe de Ribera. Wat waren al die handen mooi.
Bij de kaartspeelster zie ik dat zij rond 1620 haar hand net zo houdt als een kaartspeler dat vierhonderd jaar later doet. Situaties vragen om een gebaar dat boven de tijd uit gaat. Ik voel haar gebaar in mijn eigen hand. We zijn ondergeschikt aan de gebaren van alle tijden. Zo telt een jonge Jezus met een duim langs de vingers van zijn andere hand de argumenten af die de schriftgeleerden tot stilte zullen brengen. Er valt niets tegenin te brengen: duim en vingers zeggen genoeg.
En dan is daar die verschrikkelijke vinger van Judith van Valentin de Boulogne. Ze wijst met de wijsvinger van haar rechterhand naar omhoog, maar het is niet de vinger van een engel die zegt dat God in het geding is, het is de vinger van een IS-strijder. Voor zo’n vinger zou je onmiddellijk het pand moeten verlaten. Aan haar linkerhand hangt het hoofd van Holofernes. Angstaanjagend. Bij Esau en Jakob, een schilderij van Ter Brugghen, is dan wel verraad in het spel maar in het licht van een kaars geven zes handen een mooie balletuitvoering.

05 maart 2019

De kuifeend

De kuifeend dankt zijn naam aan de afhangende kuif aan de achterkant van zijn kop; hij heeft een blauwgrijze snavel, maar mij valt allereerst op dat hij zwart-wit is en het indrukwekkendst vind ik wel zijn gouden oog, een stralende knop in dat zwarte kopje. Ik zag hem zojuist. Hij zwom me tegemoet in de sloot langs het fietspad. Ik zag hem van verre en stapte af. Hij zwom onverdroten door, al verlegde hij zijn koers van het midden van het water naar iets dichter onder de overkant. Hij is alleen. Ik kijk goed om me heen. Geen andere kuifeend. Het is de eerste die ik dit jaar zie en de eerste die ik hier tussen Groenekan en Westbroek tegen kom.

Ik had mezelf eerlijk gezegd een grutto beloofd voor vandaag, maar het moet blijkbaar een kuifeend wezen. Ik stap opnieuw af, bij een bankje, om op te schrijven dat ik een grutto had willen zien, maar dat het een kuifeend werd. Maar ik zag ook scholeksters, twee, en in een weiland verderop kieviten, een heel clubje, ook de eerste van het jaar. Een zilverreiger zie ik nu pas, terwijl ik dit schrijf. Vanaf mijn bankje staat hij halverwege de rechte lijn die ik naar de toren van Westbroek kan trekken. Er zijn er meer hier, maar deze geeft wel mooi licht in de lage, heldere koude zon.

Nu komt er ook nog een torenvalkje boven het weiland te hangen. ´t Is allemaal een kwestie van geduld. Ik kijk of hem een maaltijd ten deel zal vallen, maar het bidden helpt blijkbaar niet. Of toch! Hij duikt omlaag, is even weg en dan zie ik hem weer. Hij vliegt vlak boven de grond en verdwijnt, achter de wal van een sloot vermoedelijk. Ik heb niet kunnen zien of hij iets gevangen heeft. Ik zie een tweede zilverreiger en vlak voor me land een blauwe. Maar daar blijf ik niet voor zitten. Het wordt me te koud.

Als ik nu dezelfde weg terugfiets, zie ik die kuifeend misschien nog een keer. Misschien is ie toch niet alleen.

04 maart 2019

De meerkoet

Klaas houdt met zijn hand mijn wijsvinger vast en ik heb mijn hand om die van hem gevouwen. We lopen van school naar huis en de harde wind hebben we in de rug. Op het moment dat verderop het voetgangerslicht op groen springt, heeft hij zich al losgerukt en trekt hij zijn sprint. ‘Kom nou, opa, oversteken!’ Dat is zinloos, weet ik.
Toch klikt er iets in mijn hoofd dat zegt dat ik moet rennen, maar het signaal bereikt mijn benen niet meer, zoals dat wel onmiddellijk gebeurt bij de vijfjarige Klaas. Als het stoplicht weer groen wordt, lopen we hand in hand verder.

‘Straks waai ik nog in het water, opa.’
‘Doe maar, geeft niets, ik kan reddend zwemmen.’
‘Echt waar?’
‘Ik heb al honderd kinderen en vissen als reddend zwemmer uit het water gered. Nee, duizend.’
’t Is maar dat hij het weet. Zijn opa rent niet, maar zwemmend redt hij als de beste.

Klaas is meer onder de indruk van het golvende water waar we nu langs lopen. Dan zien we een meerkoet de diepte in duiken. Even later komt hij weer boven.
‘Zag je dat?’ Klaas zag het ook. Weer verdwijnt de meerkoet.
‘Hij zoekt eten,’ zeg ik.
‘Ik denk dat hij het eten uit zijn mondje heeft laten vallen en het nu weer opraapt,’ veronderstelt Klaas.
‘Dat zal het zijn.’

03 maart 2019

Valkenbos

Vanaf het Diakonessenhuis in Zeist fietsen we eerst door het Lyceumkwartier. Dat staat op een bord aan het begin aan de wijk en waarom die wijk zo heet laat zich makkelijk raden, want even later komen we langs het Christelijk Lyceum. Dat is geen verrassing.

Dan zijn we de wijk al weer uit en vertelt een ander bordje ons dat we nu Valkenbosch in rijden. En dan pas krijgen de Valkenboskerk en de Valkenboskade in Den Haag een betekenis, valkenbos. Valken en bos. Waarom heten die kade en kerk zo? Net als in Zeist gaat het in Den Haag om een hele wijk die zo genoemd werd. De Haagse wijk heeft iets oudere papieren, met huizen van rond 1910, maar dat scheelt maar een jaar of tien, vijftien met wat we hier in Zeist aan woningen tegenkomen. Blijft die Zeister sch aan het eind van de naam wel een vreemd, archaïsch, om niet te zeggen archaïserend moment, maar dat houdt me verder niet bezig.

Zou op beide plaatsen ooit een bos geweest zijn waar veel valken huisden, een heus valkenbos? Ik geloof er niks van. Het moet een deel van het bos geweest zijn waar valken huisden. Een paar bomen niet al te ver van elkaar. Zou het met de valkenjacht te maken hebben? Opnieuw twijfel ik. Ik geef Den Haag in dat opzicht meer kans dan Zeist.

Waarom heb ik bij het Loosduinse Kraayenstein altijd gedacht aan vogels die er hun nest hadden, zoals ik bij de naam Kraaijenveld ook onmiddellijk die zwarte vrienden in gedachten zag opvliegen en neerstrijken. Vinkenburg, spreeuwenberg, ravenstein, arendshorst. Er moeten heel wat toponiemen uit het ei gekropen zijn.

Over Valkenbosch en Valkenbos lees ik, terug in Utrecht en rijp voor een kop thee, dat de wijknaam is ontleend aan een landgoed van die naam. In het Haagse geval heeft ook een boerderij die naam gedragen en die heeft misschien wel oudere papieren dan het landhuis. Maar die kan ik zo gauw niet vinden.

02 maart 2019

Bevrijd het bos!

Van Steven kreeg ik een prent met zeven dikke zwarte vormen die op het papier een gratie hebben die me blijft bekoren. Dansers, bomen. Vormen. Ik weet nog niet waar, maar die prent van Steven moet aan de muur. Om te beginnen moet hij worden ingelijst.

Een paar weken lang heb ik ernaar gekeken, maar vanmorgen wist ik het. Het moest een zwarte smalle lijst worden, dan een donker passe-partout, dan een rand parelgrijs karton en dan dus de prent. Een fietstocht naar de Oudegracht bracht onmiddellijk soelaas en een paar uur later stond ik over mijn bureau gebogen, met liniaal en mes. Het resultaat zette ik beneden op een standaard. Dat was vanmiddag.

Nu is het avond en ik zie dat het allemaal niet deugt. De prent zit klem als een bosje in aanrukkende stedelijke bebouwing. Het bos moet bevrijd worden!

Ik heb een mooi zwart aluminium lijstje van dertig bij veertig in de aanbieding.

01 maart 2019

Doelgroep

Als we binnenkomen, is de Fiets en Wandelbeurs nog maar net begonnen, maar er zitten al heel wat mensen achter de ooit uit Duitsland geïmporteerde biertafels. Het ziet er allemaal zo gezapig en armoedig uit. Allereerst is daar die adembenemende grijsheid, waarvan een deel - zo doen we dat altijd als we uitgaan - zijn eigen koffie en kuch heeft meegenomen. Het alternatief is al even droefmakend. Koffie drink je uit kartonnen bekers en het grote feest van een dagje uit kan alleen maar bezegeld worden met een grote koek die – eenmaal uit het cellofaan geplukt – klef, klam en alleen maar zoet is.
Bij het Franse blok vragen we naar informatie voor de route van Parijs naar de Mont Saint-Michel. Als we het blok met desks maar langslopen, komen we er vanzelf, vertelt een middelbare Fransman met buik ons en hij wijst naar rechts. Zo lopen we met de wijzers van de klok het blok langs tot we na een tijdje uitkomen bij de laatste tafel vóór onze informant.
‘Ik wil niet meer naar Frankrijk,’ zeg ik tegen Henk. ‘Het zijn allemaal proleten, met een gele hesjes of een onbetaalbaar maatpak.’ Maar het meisje achter het tafeltje kijkt ons stralend aan. Emma Conte heet ze en in rap Frans vertelt ze alles wat wij maar willen weten over de Veloscénie, want zo heet de route die wij in gedachten hebben.
Als we alles weten van de trajecten, de accommodatie, de mogelijkheden van aan- en afvoer en nog meer, complimenteert ze ons met ons Frans. Ze is nog zo jong, Emma, dat haar compliment me ineens heel oud maakt. Binnenkort kom ik ongetwijfeld in een verzorgingstehuis waar zuster Emma me in het Frans een pluim geeft als ik niet alleen mijn koffie heb gedronken en de koek heb opgegeten, maar ook mijn bordje helemaal leeg heb.

28 februari 2019

Schutting

Straks vangen jullie geen zon meer, zeg ik tegen de plantjes en bloemen die nu nog grotendeels in de aarde verborgen zijn. Je zult het licht zoeken, maar er zal alleen maar schaduw zijn. ‘Er komt een schutting.’ De nieuwe buren willen achter in hun tuin ook een terras maken, net als wij en dan kan een beetje privacy geen kwaad. Dat begrijp ik.
De vorige buren hielden zich dichter bij de achtergevel op, waar al een schutting stond. Vanaf ons eigen achterterras had ik uitzicht over twee tuinen. Mensen zag ik doorgaans alleen op afroep, als er een van de buren even een praatje kwam maken.
Ook de walnootboom vertel ik dat hij over niet al te lange tijd niet meer zo mooi in de ruimte zal staan, maar dat er een schutting rakelings langs zijn stam zal komen. Hij ziet er sterk en gezond uit. Hij kan het wel hebben, denk ik, maar ik meen hem toch te horen zuchten.

Misschien zullen door die schutting de jonge katjes van de buren onze tuin niet als kattenbak gaan gebruiken, probeer ik mezelf te troosten. Misschien ook juist wel: een wc met een duidelijke afscheiding vind ik zelf immers ook erg prettig, en waarom zouden die katten dat ook niet zo over denken? Via de geschakelde schuren naar de buren, achter de walnootboom of de hoge varens. Niemand die het ziet. Poepen en weer weg.
Hup op de schuur. Dag buur.

27 februari 2019

Leraar Nederlands

Als ik had geweten dat lesgeven me zoveel plezier zou geven, dan had ik er de eerste jaren nog meer van genoten. Ik kwam namelijk ooit, zeg maar per ongeluk, voor de klas met het voornemen daar zo snel mogelijk te verdwijnen. Voor een echte baan. Wel viel me vrij snel op dat ik het leuker vond dan ik had gedacht, dat lesgeven, maar toch lag het professionele paradijs waarschijnlijk elders. Maar voor het zover was, moest ik eerst maar eens afstuderen. En toen ik dat voor elkaar had, kwamen er andere dingen op mijn pad: een musical zus, een actie zo, een werkgroep dit, een reisje dat…
Met als gevolg dat ik dertig jaar later begon te verzuchten dat ik de eerste jaren nog meer genoten zou hebben van mijn werk als ik had geweten dat lesgeven me zoveel plezier zou geven. Dat zei ik al.

Ik zei niet dat ik dat het gaat om lessen Nederlands. Dat vak kent zoveel verschillende elementen. Andere vakken zouden daar hun vingers bij aflikken. De laatste jaren werd ik wel wat droevig van allerlei ondoorgrondelijke regels, definities en behoeften om zaken te reglementeren. En dodelijk was het koesteren van de koudwatervrees bij het lezen van boeken. Het werden er zo weinig dat de meeste leerlingen nooit aan hun kilometers kwamen. Jammer.
Maar het vertellen bleef. Voor creatieve, en dus leuke! Opdrachten was altijd ruimte. En een docent Nederlands moet vooral manifest laten blijken dat het onmogelijk is dat iemand lezen niet leuk vindt. Lezen is namelijk leuk en wie vindt van niet, die moet gewoon meer lezen. Dat werkt. Een beetje docent is namelijk een beetje gek, ongevaarlijk weliswaar, maar ook ongeneeslijk. Leerlingen nemen dat op de koop toe.

Als ik had geweten dat Nederlands geven me zo lang zoveel plezier zou geven, dan had ik er de eerste jaren nog meer van genoten.

25 februari 2019

Halfpipe

De ochtend moet nog bijkomen van een vrieskoude nacht als we naar de kruidenier lopen. Wij bestaan uit een meisje van zeven, een jongen van vijf, een oma die achter een kinderwagen loopt en een opa. Het is vakantie en dus zie je van allerlei zijden babyboomers tevoorschijn komen die in de weer zijn met klein grut. Maar je vindt ze niet bij de halfpipe halverwege onze terugweg.

Het vraagt wat oefening, maar dan lukt het het meisje om deze u-vormige barrière lopend te nemen, dat wil zeggen, om via een van de bijna steile wanden op het platformpje bovenaan te belanden. Die van vijf oefent ook niet voor niks; met een kontje van zijn opa lukt het hem ook. Die opa gaf het voorbeeld. Dat hij daarbij uitgleed en het vervolgens voor gezien hield, maakte de uitdaging alleen maar groter. Uitglijden doen die kinderen ook, maar vallen is bij hen alleen maar leuk. Het ziet er allemaal soepel uit en ze lachen.

Ze krijgen er maar niet genoeg van en rennen steeds weer tegen de wand op om zich even later vanaf het platform naar beneden te laten glijden of te rollen. Hun succes is aan het kleren af te lezen: roestvegen en modder. Grootouders hoeven niet de kleren van hun kleinkinderen te wassen.

24 februari 2019

Toekomst

Er ligt veel toekomst in de achtertuin. Een deel van het gras is afgestoken en vormt een grote hoop. Halverwege de helling daarvan is een kiepwagen van Fisher Price blijven steken en op de top staat de bestuurder van een brandweerwagen. ‘Hij heeft een heel mooi uitzicht,’ zegt Lucas van drie. Lucas houdt van het woord uitzicht, zoals hij ook van het woord bovenleiding houdt, maar er rijden helaas geen treinen door de achtertuin.

Gisteren mochten de nieuwe katjes van onze nieuwe buren voor het eerst naar buiten. Vandaag rennen ze door onze tuin, over die machtige bergen. Er is een tweede hoop oude graszoden bijgekomen. ‘Dit wordt ongetwijfeld hun kattenbak,’ zegt Mente, ‘voor de komende vijftien jaar.’ Ze denkt ongetwijfeld aan de tuin van straks, met verse borders en nieuw gras.
‘Maar dan komt er wel een schutting.’
Jaren heb ik die tegen kunnen houden en nu zullen die kleine katjes met hun vrijheidsdrang en poeplust mij ook nog van mijn vrijheid en uitzicht beroven.

23 februari 2019

Lesrooster en tussenuur

‘Lesrooster,’ zegt Otto. Hij heeft me een tijdje aan staan staren. ‘Dag, Otto,’ heb ik gezegd toen ik binnenkwam. En toen begon dat staren en krabden zijn vingers over zijn kale kop. En dan komt ineens dat lesrooster eruit.
De vorige keren zei hij nog ‘Aha, de dichter.’ Misschien weet hij mijn naam niet eens meer; ik ben al tevreden met dat lesrooster.
‘Ik had een tussenuurtje, dus ik dacht…’

‘A, ja, een tussenuur…, ja, een tussenuur.’ Er gebeurt van alles in dat hoofd van Otto, maar er komt niets uit. Hij knikt als hij tussenuur zegt. Hij wil er op reageren. Zijn ogen lichten op. En worden weer dof. Hij schudt zijn hoofd en zegt nee. ‘Nee…, nee.’ Er werd iets aangeraakt van binnen, maar het verdwijnt voor hij er iets mee kan. Zo blijft hij even later kauwen op ‘distributie’. Ook dat woord komt en gaat. Dan ‘Veertien dagen geleden…’ Hij zegt het een paar keer. Ik maak het verhaal af. Veertien dagen geleden ben je hier gekomen. ‘Ik moest hier komen, maar nu…’ En: ‘Het is een sprong in het duister.’ ‘Weer en tegenweer,’ en hij grijnst zowaar als hij zegt dat er nu meer tegenweer is.

Als er eten voor hem wordt neergezet, pakt hij zijn mes en begint ermee te eten. De verzorgster geeft hem een vork. Hij eet alsof het voor het eerst is in de veertien dagen dat hij hier zit. Eerst het vlees, dan de stamppot, daarna de appelmoes uit het schaaltje naar zijn bord. En dan het toetje. Allemaal met zijn vork. Er gaat niets verloren. Hoewel hij schrokt, valt er nauwelijks iets van zijn vork en als dat gebeurt, pikt hij het onmiddellijk. Hij is heel handig met die vork.

Op zijn kastje ligt zijn scheerapparaat. Ik kan me voorstellen dat hij zich een paar keer per dag scheert. Zijn kin en wangen zijn helemaal glad. Zoals hij eet zo zal hij zich ook scheren. Voor mij heeft hij nauwelijks aandacht meer. Ook als het eten op is weet hij nog de kleinste kruimel met zijn vork te pakken te krijgen. ‘Ja, ja,’ zegt hij als ik beloof binnenkort weer eens langs te komen.
Wanneer ik door de gang loop, hoor ik hoe hij met zijn vork tegen zijn bord tikt.