Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

Fantoom wekelijks

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
0 meter  24-08-2015

Het is vooral de kunst om in het gareel te komen en daarbij de tijd te bewaken. Vandaag ben ik weliswaar keurig om kwart over zes wakker geworden, maar toch sta ik vier minuten later op dan gepland: vier over half zeven.
Zal ik me eerst wassen of maak ik eerst mijn eten klaar? Het eerste gaat sneller, scheelt namelijk een extra keer trap af en op, als ik mijn fietssleuteltje niet kwijt ben tenminste. De nacht dwarrelt nog door mijn hoofd, met daarin een geniepig tweedeklassertje met een witte cap op. Hij ziet dat hij met een voldoende voor Nederlands wèl net over is en daarom heeft hij zijn grote, kaalgeschoren vader opgetrommeld door hem allerlei al dan niet gemaakte procedurefouten op de, in zijn geval korte, mouw te spelden. Dat zou van de vijf een zes moeten kunnen maken. Als het jochie achter me loopt, geeft hij mij stiekem een tik op mijn billen. Ik draai me om, grijp hem stevig bij zijn arm en dwing hem een andere kant op te lopen. ‘Daarheen jij,’ zeg ik. Zijn vader ziet dat.

En dat zie ik… Ik had beter om kwart over zes al uit bed kunnen stappen. Dat was rustiger geweest. Ik etaleer mijn toiletspullen op de wasbak: tandpasta en –borstel, scheerolie en –mes, twee washandjes, haarborstel, tubes en flesjes met crème. Voor nieuws, weer en verkeer ben ik te laat, hoor ik als ik de radio aanzet, maar dat wist ik al.
Om 6.48 uur, ik heb nog steeds het goede tempo niet, sta ik naakt in mijn werkkamer. Daar kleed ik me aan om Mente niet wakker te maken. De zomer en het feit dat ik niet echt naar school ga, geven me de kans om een minuut in te lopen. Ik loop naar beneden, tas om mijn schouder.

Sap, thee en dan zeven boterhammen klaarmaken, drie kaas, twee vleeswaar en twee jam. Ik heb twee boterhammen op voor ik het aanrecht verlaat. Ik moet niet staande eten, vindt Mente, maar die slaapt nog. Mijn thee drink ik schielijk en te heet, terwijl ik de krant doorblader. Staande.
Het is al bijna half acht als ik het huis verlaat. Jammer, ik had al een kilometer verderop moeten zijn. O ja, schuursleutel vergeten. Even terug.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
200 meter  31-08-2015

Na 150 meter kan ik kiezen: rechtsaf of rechtdoor. De laatste jaren rijd ik de straat helemaal uit, behalve als me een auto tegemoet komt. Op de terugweg volg ik het alternatief via de Regentesselaan.

Intussen ben ik de spinnenwebben in de poort al weer vergeten. Ik maak vandaag als eerste gebruik van het poortje, dat is wel duidelijk. Terwijl ik de schrik van het eerste web nog verwerk, rijd ik het tweede al kapot, maar voor het derde weet ik nog net op tijd omlaag te duiken en mijn hand boven mijn hoofd te houden. Ik scharrel met mijn vingers door mijn haren als ik de stoep af fiets, hopelijk zijn kleverige draden nu weg.
Hoewel Petra en ik op dezelfde school werken en even laat beginnen, zie ik haar zelden in de kamer staan. Maar vandaag wel. Zij vertrekt later, want ze neemt de auto. En ik wil graag voor achten op school zijn, wat vandaag niet meer kan lukken. Recht tegenover Petra woont mijn huisarts, we treffen elkaar vaak op dit punt en roepen elkaar dan een prettige dag toe,

maar vandaag is Erik ongetwijfeld al binnen. Gerard, van weer drie huizen verder, is al weg, want ik zie zijn auto niet meer staan.Anneke is heeft de gordijnen nog niet open. Dat is eigenlijk altijd zo op dit tijdstip.
De twee honden die rond dit tijdstip meestal worden uitgelaten, zijn er ook niet.
Tot besluit neem ik een minuut om het aantal fietsen te noteren dat ik langs zie gaan op de straat waar ik naartoe rijd. Het zijn er drie. En een brommertje. Daarop, zie ik, zit Kelly, een collega Frans. Dat is waar ook: die heeft de fiets verruild voor een brommertje. Zwak.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
400 meter  07-09-2015

Er komen per minuut echt meer dan drie fietsers langs, maar veel indrukwekkender is het aantal auto’s aan de overkant. De Meester Sickeszlaan vormt de zuidrand van Tuindorp. Als je hier woont, heb wel het geluid van die auto’s, maar het uitzicht is ruim en aangenaam. De zogenaamde Sickeszsloot is tamelijk breed en dan heb je aan weerskanten daarvan nog flinke stroken groen.

In de winter wordt de sloot druk beschaatst door kleine kinderen. Het kan niet anders of honderden kinderen hebben hier leren schaatsen, ook de mijnen, al zijn dat geen schaatsers geworden.
Het is intussen alweer jaren geleden dat er kon worden geschaatst en nu al helemaal niet. De bomen staan vol in het groen, er staan berenklauwen bij het water. En, zie ik hier voor het eerst, reuzenbalsemien. Die plant zag ik voor het eerst toen we met het gezin, twintig jaar geleden, door België fietsten, langs het Albertkanaal. Ik heb toen nog stukjes (nee, geen stekjes) mee naar huis genomen om te determineren, of liever: te laten determineren door buurman Peter. Je bent niet voor niks bioloog.

Later werd de reuzenbalsemien aangenaam gezelschap tijdens fietstochten langs de Weser en vooral de Elbe en nog maar twee weken geleden genoot ik ervan in Engeland. Ik houd van de fris-zoete geur. Vanaf de straat kun je die niet ruiken, daarom loop ik er even heen. Wel oppassen voor de hondenpoep.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
600 meter  14-09-2015

Deze bushaltes bestaan pas een paar jaren, maar ze zijn een uitkomst. En dat alleen vanwege de klok. Op het paneel zou ook vermeld moeten worden over hoeveel minuten een bus arriveert, maar met die informatie is vaak iets mis. Dat interesseert me ook niet, want ik fiets. Mij gaat het om de tijd.

Natuurlijk keek ik ook thuis al op een klok, maar er loopt er beneden niet een helemaal goed en trouwens, wanneer keek ik ook alweer? Heb ik daarna nog mijn thee opgedronken en hoe heet was die? Moest ik nog een appeltje pakken, of moest ik juist een appeltje terugleggen omdat ik al eentje appeltje in mijn tas gestopt had, of die van gisteren zat er nog in. Van alles… En dan is daar nog de onberekenbaarheid van mijn tempo.
Maar hier komt alles goed. En 200 meter verder weet ik tot op de minuut nauwkeurig hoe laat ik op school de personeelskamer zal binnenstappen (zou binnenstappen).

Ik fiets een kilometer in 3.5 minuut.=, moet nu nog 9.2 kilometer, zeg maar negen, maakt 9 x 3.5 = 4 x 7 + 3.5 = 31.5 minuten. Het is nu 7.25 volgens de klok, dus stap ik tussen vier en drie voor acht de personeelskamer in, want het afstappen en naar binnenlopen is op een of andere in die ene kilometer bij 3.5 minuut verdisconteerd. Dan ben ik vandaag een beetje laat, want liever arriveer ik net voor 7.55 uur op school. Dat is geen probleem. Gewoon iets sneller fietsen. Van deze eenvoudige opdracht word ik een stuk rustiger.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
800 meter  21-09-2015

Ik ben er al voorbij. Bij de 600 begint het grote zusammenraffen. Daar rollen wat getallen uit en daar reageert mijn lijf dan op. Zelf hoef ik vervolgens helemaal niets te doen. Mijn benen verzorgen het trapwerk en mijn hoofd mag dwalen, slapen, het maakt niet uit. Maar eerst dat rekenwerk.
Het is iedere dag dezelfde som en dezelfde uitkomst.

Soms ook vergeet ik te kijken op de klok bij de bushalte. Dan volgt enige zelfverwijt en direct daarop het besef dat het allemaal niks uitmaakt. Maar ook in dat geval wordt de 800 meter ongemerkt gepasseerd.
Je zult er maar wonen, op de plek waarop ik al 800 meter onderweg naar school ben, bijvoorbeeld in de flats aan de overkant van waar ik fiets. Wonen op een plaats waar iedereen langskomt, op de fiets of in de auto – want druk is het hier wel – maar niemand kijkt, ik tenminste niet, alle jaren dat ik hier langskom al niet.
Als kind keek ik vanuit mijn slaapkamer over Westlandse kassen en zag ik honderden meters verderop een huis.


Daar woonden mensen uiteraard. Maar wie? Wat gebeurde er in dat huis? Het hield me bezig. Ik droomde van het huis, droomde van de mensen, dat ik er zelf woonde. Maar deze flats, ik heb er nooit naar gekeken. Wat heb ik allemaal gemist?
Zouden ze mij daar iedere ochtend gezien hebben? Die man met altijd dat petje en altijd die rode fiets?

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
1000 meter  28-09-2015

Er is een ernstig gebrek aan lucht, aan hemels licht. Het zal nog een paar kilometer duren voor ik in de ruimte fiets. Hier richten blikken zich horizontaal. Ik ben een kilometer onderweg en kom bij de saaie viaduct waar de NS er zoveel van heeft neergelegd. Deze scheidt, net als de spoorlijn die er in oostelijke richting over loopt Overvecht van al gauw drie andere Utrechtse wijken. Het is er druk en anoniem. De viaduct heeft geen naam, wel een jaartal, 1992, maar hij is van een akelige tijdloosheid.

Ik denk dat er voor die tijd ook al een onbeduidende viaduct lag. Ik weet het niet goed meer.
Hoe het aan de zuidkant van de viaduct heet, weet ik ook niet. Kardinaal de Jongplein of –plein, Talmalaan misschien. Of heet het hier als Brailledreef en wordt er zo een stukje Overvecht voorbij de tunnel gesmokkeld. Mijn gevoel zegt Kardinaal, maar bij nader inzien ligt Braille meer voor de hand.
Het zou me niet verbazen als de meesten van de duizenden mensen die hier dagelijks rijden, niet eens weten dat de Brailledreef die naam heeft. Er zijn geen huizen. Misschien heeft de ingang van de rioolreiniging een nummer en eindje verderop staat nog een vergeten blok loodsen. Dat moet via een site met postcodes zo te achterhalen zijn.

Dit is de plek van het anonieme werkvolk, tien fietsers en 25 auto’s per minuut, momenteel.
De onderdoorgang zelf is enkele keren moment van bezinning geweest. Hier besloot ik wel om toch alvast maar een regenbroek aan te trekken. Een enkele keer draaide ik om om alsnog de auto te pakken. Ik kan me niet herinneren hier ooit geschuild te hebben. Vandaag hoeft dat zelfs geen punt van overweging te zijn: het is droog. Maar de mensen bewegen zich onder een grauwe hemel waar niemand naar kijkt.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
1200 meter  05-10-2015

Even wachten, er komt teveel op me af. Gelukkig staat het stoplicht op rood. Nu is het vooral belangrijk om alles rustig te nemen. Eerst maar eens wachten op groen. Dit stoplicht doet het wel, maar mijn achterlicht niet. En zoiets moet in orde zijn. Ik kan er niet tegen als iets niet goed werkt. Vaak is ligt het niet eens aan de batterij maar aan vocht. De helft van de fietsers rijdt trouwens nog zonder licht, valt me op.

Dan is er nog die droom van een toets in Vwo 5. Ik moest hem op de valreep afnemen, stond op het punt te vertrekken naar Rügen (= Nieuw-Zeeland, in mijn droom dan), maar mijn zoon kwam maar niet opdagen en die leerlingen rekenden op die toets. Pas halverwege had ik in de gaten gekregen dat de helft een mobieltje raadpleegde; dat is dodelijk bij een toets over zinsconstructies en stijlfiguren. Kwam Joost nog eens met een bijdehante opmerking, waarop ik veel te geërgerd reageerde.
Er zijn veel vrachtwagens hier, ze ronken en ze stinken. En ten slotte moet ik ook nog beslissen of ik rechtsaf ga of rechtdoor. Rechtdoor zijn ze, een eindje verderop, bezig met het fietspad en linksaf kom ik langs de boten van het Zandpad.

Als Dennis nu voor me uit zou fietsen, zou ik linksaf slaan. Dat is zijn route. Konden we samen naar school, maar hij verkiest sinds het voorjaar al de auto.
Ik ga rechtdoor. Vroeger werd ik altijd wat droevig van het fietsen langs de hoerenboten van het Zandpad en die droefenis mengde zich met de weeë geur van de rioolzuivering.Weliswaar zijn de boten al lang verlaten en ruik je de rioolzuivering ook hier, maar ik ga toch maar liever rechtdoor, ondanks het opgebroken fietspad dat op me wacht. Het wordt al lichter, blijkbaar reden de vrachtwagens op een kluitje, want ze zijn al weg. Ook de droom verdwijnt. Ik bedenk dat Joost vorige jaar al examen deed, dat hij me toen zelfs nog een cadeautje gaf, dus als er al wat geweest zou zijn, dan was dat allang bijgelegd. Ik had hem indertijd helemaal niet in Vwo 5. Ach, dromen.
Ik ruik geen rioolzuivering. Het wordt een lekker frisse ochtend. Zo eentje dat je mag fietsen zonder zweet op je rug.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
1400 meter  12-10-2015

Weliswaar zijn de keuzes over een mogelijke route nu wel gemaakt en is mijn lijf intussen al aardig naar mijn fiets gaan staan, zodat je zou denken dat ik nu wel verder kan op de automatische piloot, dromend of met een scherp oog voor inspirerende details. Maar zo is het niet. Natuurlijk kreeg ik honderd meter de tijd om mij bezig te houden met de drie nieuw gebouwde flats die ik passeer en me af te vragen hoe het is om te wonen in een van die glazen kubussen op een kunstmatig teletubbyheuveltje, maar dan is daar de vriendelijk ogende oversteek bij de Zamenhofdreef.

Dat is de verraderlijkste van de hele route, al wacht ons bij Maarssenbroek ook nog het een en ander. Maar dat is voor later.
Bij deze T-kruising ligt er een plantsoen tussen de beide rijrichtingen. Het verraad zit hem in het feit dat er van links twee rijbanen samenkomen. Dus je kijkt naar links, ziet geen auto en steekt over, maar dan blijkt er nog een tweede links te zijn. Een baan voor het verkeer dat vanuit noordelijke en een baan dat vanuit zuidelijke richting de Zamenhofdreef opgaat. En de bocht die de auto’s kunnen nemen, is zo riant aangelegd dat die makkelijk met een snelheid van 50 km genomen kan worden.

Uiteraard staan er stoplichten, maar dat is doorgaans niet het eerste waar een fietser op let, die heeft het hier al druk genoeg met te zien of er niet een auto aankomt. Bovendien word je hier afgeleid door fietsers die van verschillende kanten plotseling tevoorschijn kunnen komen.En dan, vlak dat niet uit, is er nog het papegaaiengedrag: een fietser, of die nu de ene kant op gaat of de andere, inspireert anderen om ook te stoppen of ook door te fietsen. Het gevaar zit dus in de eerste oversteek; de tweede, met verkeer naar rechts is veel duidelijker, maar je zult eerst heel goed moeten opletten om het tot die tweede te brengen en je niet moeten laten afleiden. Ook niet door de straatverlichting die plotseling uitfloept, zoals nu.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
1600 meter  19-10-2015

Even ben ik een reiziger in ontijd, om te variëren op een boektitel van Hugo Raes. Het is maandagmorgen, bijna half acht, dat wel, maar het is 19 oktober. Ik ben op weg naar school, maar het is herfstvakantie en volgende week om deze tijd is het nog geen half zeven. Het is 2015. Ik ben op weg naar school, maar heb daar helemaal niets te zoeken. Dat is voorbij. Ontijd en onplek, want onplek is er ook.
Allereerst omdat dit gedeelte van het fietspad al een tijdje is afgezet. Ik had net als de andere fietsers het pad aan de overkant moeten nemen. Daarom is hier niemand, behalve ik. Er zijn werkzaamheden, zeggen de borden, de vele hekken, de hopen zand en stapels tegels, maar er zijn helemaal geen werkzaamheden. Wel hoor ik aan de overkant, achter de bomen en struiken, een vrachtwagen. Dat is bij de rioolzuivering. Maar zou die nog wel gebruikt worden? Ik ruik niets. Ik heb het altijd een vreemde plaats gevonden voor zo’n bedrijf, ingeklemd tussen woonwijken.

Aan deze kant van de weg, achter de brede sloot en de bomen en struiken, hoor ik veel meer. Al is daar op 1600 meter niets van te zien. Er zijn machines bezig. Ik rijd een stukje door naar een brug. Daar is een doorkijk naar tientallen laadstations voor vrachtwagens. Ik kan me niet herinneren dat ze gebruikt werden. Er moet nog een bedrijf zitten voor kantoormeubelen, volgens een bordje, en er zou een theatertje zijn. Ik ga het bruggetje over, zie een al jaren ongebruikt gebouwtje dat, lees ik, een restaurant was. Ik zie vergeten fietsen, verroeste tuinstoelen. Ik fiets om de laadstations heen, naar de achterkant. Volgens mij wordt er nog gewoond, al brandt er nergens licht. Ik werp een verliefde blijk op een oude Renault Estafette die als camper dienst deed.

Doet? Over een paar jaar zal hier wel een nieuw woonwijkje zijn neergezet. Maar nu nog niet. ‘Ik houd het meest van de halfland’lijkheid’ zo laat Vestdijk zijn gedicht Zelfkant beginnen. En twee regels later schrijft hij: ‘van fabrieksterreinen / waar tusschen arm’lijk gras de lorrie rijdt,…’
Ik geniet van de loosheid, de overbodigheid van deze plek. Deze onplek in de ontijd. Of liever, van tijd en plaats die aan de regels zijn ontsnapt. De dag moet nog beginnen en nu ben ik al een escapist. Heerlijk.
Nog een stukje uit het gedicht van Vestdijk:
‘Want ‘k weet, er is waar men het leven slijt
En toch niet leeft, zwervend meer eenzaamheid
Te vinden dan in bergen of ravijnen.’

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
1800 meter  26-10-2015

Hekken en verkeersborden maken het onmiskenbaar duidelijk: je mag hier niet zijn, fietsend niet, lopend niet, helemaal niet. Maar ik kan ze nog even negeren. Een volgende keer wordt het misschien moeilijker, maar voorlopig kan ik me nog heel makkelijk voorstellen dat ik al fietsend kijk naar de stoplichten in de verte en dat die blik desgewenst een onmiddellijke impuls geeft aan mijn benen om stevig te accelereren.

Het oversteken van de Einsteindreef is goed te doen. Voor fietsers staat het licht tamelijk lang op groen en al kan ik niet precies vertellen wat er wanneer gebeurt met lichten en ter reguleren verkeersstroom, het zit allemaal blijkbaar wel in mijn systeem, net als bij de andere fietsers die hier moeten oversteken.
Als je onverhoopt moet wachten bij rood licht is dat trouwens niet eens zo heel erg, want je staat daarmee een doel te dienen. Je voorkomt een ongeluk door 35 auto’s te laten passeren. Iedere fietser verdient na de oversteek een onderscheiding en een artikeltje in het Stadsblad of de Utrechtse editie van het AD.

Maar hier, op de 1800 meter, is het zaak om te kijken of je een tussensprint niet toch nog het groen haalt, het laatste groen van deze herfst.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
2000 meter  02-11-2015

Ik ben veilig aangekomen aan de overkant en heb de laatste stoplichten van de reis achter de rug. Over alles hier om me heen zou ik iets kunnen zeggen: over het voormalige ziekenhuis links waar ik ooit met mijn bloedende dochtertje naar binnen rende en waar kleine Jasper crepeerde van de pijn; over de zwemdiploma’s die de jongens haalden in het zwembad recht voor me, over de gesprekken die ik voerde in het gebouw rechts, waar het bureau gevestigd is van de scholen waarvoor ik 42 jaar werkte.

Maar ik kijk om, naar de kruising die ik zojuist overstak. Redouan haalde de overkant niet. Het zal in ’98 of ’99 geweest zijn. Hij zat toen al niet meer op Blaucapel, de school waar ik toen werkte. Ik heb veel met hem te stellen gehad en hij blijkbaar met mij, want enkele jaren na zijn ongeluk kwamen er wat jongens op me af bij de Jumbo in Overvecht. Ik kende ze niet, maar zij mij wel. Ze wisten wie ik was en hoe ik heette. Ook konden ze mij vertellen dat Redouan mij een keer had opgesloten in mijn kamer, zodat ik uit het raam had moeten klimmen om mezelf te bevrijden. Zelf was ik daar niet van op de hoogte maar ik heb de jongens uitvoerig bedankt voor hun informatie.

Wèl weet ik dat ik in die kamer aan de grond genageld stond toen Peter naar binnen was gekomen om me te vertellen dat zijn vriend Redouan zich de middag daarvoor had doodgereden op het kruispunt bij het ziekenhuis. Dit kruispunt. Ik zag het voor me.
Met een vaart van al gauw 50 kilometer was hij met zijn brommer overgestoken alsof de kruising er helemaal niet was. Er had een vriend achterop gezeten die het er levend vanaf had gebracht. Die had aan Redouans jas gerukt en geroepen dat hij helemaal gek was en dat hij moest stoppen. Peter stond te trillen op zijn benen. Hij had tranen in zijn ogen. ‘De gek,’ riep hij, ‘die achterlijke gek.’
Op deze kruising denk ik vaak aan Redouan, maar ook aan Peter. Hoe zou het met Peter zijn?

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
2200 meter  09-11-2015

Zowel aan het begin als aan het eind van de weg naar school kom ik langs een overdekt zwembad. In Maarssenbroek is dat Bisonspoor, hier in Overvecht De Kwakel.
Beide zwembaden zijn onder meer vanwege een verbouwing zeer lang gesloten geweest. Daar heb ik niet onder geleden, want ik houd niet van overdekte zwembaden waar je wel in kunt. De geur, de geluiden. Misselijkheid, hoofdpijn en een huid die nu al geïrriteerd reageert, terwijl ik helemaal niet van plan ben om naar binnen te gaan.

Vóór de verbouwing van De Kwakel kwam ik er overigens een tijdlang wekelijks omdat de jongens er zwemles hadden en omdat het een geliefde plek was (en misschien nog wel is) voor kinderfeestjes, iets wat ik wel nooit zal begrijpen.
Na de verbouwing dacht ik aanvankelijk dat het bad van naam veranderd was: Las Palmas staat er in kloeke, verlichte, felgroene letters op de gevel. Maar boven de ingang staat, iets minder prominent. Lhohifushi maar daarvan doet de verlichting het niet. Of is zojuist de verlichting uitgegaan, want ik zie nu dat intussen ook de andere namen niet meer verlicht worden. De boel is ongetwijfeld aangesloten op een bijdehand sensortje.


De andere namen zijn al even exotisch. Carvoeiro lees ik iets meer naar rechts en in weer een ander lettertype en ook wat verder naar achter lees ik Varadero. Nu wordt het interessant. Welke namen kom ik nog meer tegen? Senggini zie ik en Miami, Sosua, Bentota, Tossa de Mar, Patong, Beruwela, Kalutera. Als ik wat terugga, zie ik ook nog Candidacasa. Je weet wel dat leuke toeristische vissersdorpje op Oost-Bali.
Jawel, een zwembad met internationale allure in de een multiculturele wijk die Overvecht is. Maar waarom juist deze namen? Geen Scheveningen of Domburg. Geen Bodrum en Olüdir, geen Agidir en zelfs geen Casablanca? Maar het bad, weten wij, heet geen Las Palmas of Lhohifushi, maar De Kwakel, een leuke historische naam, denk ik voor deze van oudsher waterachtige omgeving. Maar die naam vind je nergens op de gevel. Wel wordt het eetcafé – daar kun je ‘sportief genieten’ – De Kwakelaer. Met een a en een e.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
2400 meter  16-11-2015

Hier is het rustiger. Een breed fietspad met een dito voetpad ernaast scheiden de terreinen van zwembad en ziekenhuis. Het voormalig terrein van het voormalige ziekenhuis Overvecht moet ik zeggen, want de boel gaat volledig op de schop. Er komen huizen.

De struiken links zijn nu zowel aan de voor- als achterkant afgezet met hekken, maar zo was niet: er was nauwelijks hek en veel meer struikgewas.
’s Morgens vroeg zag ik daarachter computerschermen flikkeren, daarna werd ik er eens toegezwaaid door een oud-leerling die er haar kamer had. Nog weer later, een half jaar terug nog maar, had mijn zoon er zijn zelf gebrouwen bier opgeslagen.
Maar vooral had ik hier aandacht voor de kippen en twee hanen die onder de bij de struiken rondstruinden.
En juist hier, op deze hoogte, was er tussen de struiken een kleine open plek. In het midden stond regelmatig een vrouw, tassen aan haar voeten. In een fraaie cirkel om haar heen stonden de kippen, de twee hanen, duiven en een kat.

De vrouw strooide brood en zaad. De dieren trippelden naar het dichtstbij op de grond gevallen strooisel en keerden, achteruit, weer terug in de cirkel. Geen gesis, gekoer, getok, gepik of geduw. Alles verliep ordelijk, want ieder wist dat ie zijn deel wel krijgen zou. De eucharistie.
Ook op de terugweg zag ik het wel. Het avondmaal. Soms ook zag ik de vrouw aan komen lopen of weglopen, met haar tassen. De kat een meter achter haar. Het kan ook negentig centimeter geweest zijn.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
2600 meter  23-11-2015

Ik sla linksaf de Belo Horizontedreef in. Hoe kwamen ze ooit op het idee om deze combinatie van fiets- en voetpad waar geen enkel huis aan staat Belo Horizontedreef te noemen? Het is een naam die als muziek in me opklinkt zodra ik de bocht neem, waarbij ik wel even rekening houd met mogelijke bladergladheid. Maar meer ben ik op zoek naar de ogen kat die vrolijk op jacht gaat naar wuivend gras, een weerbarstig kevertje of een eventuele muis.

Ook vandaag is hij er niet. Hij zal intussen toch niet oud geworden zijn?Haaks op de – laat het me nog eens zingen – de Belo Horizontedreef staat een flat. Daar woont of woonde die kat waarschijnlijk en ik zou daar ook graag wonen: te midden van zoveel groen en boom, want achter de flat is een fraai park. Dat is dus rechts van de Belo Horizontedreef. Links van de Belo Horizontedreef zijn sportvelden. Nu liggen ze er leeg bij, maar ’s middags worden ze bespeeld en begin juni kan het er aan het eind van de middag bijzonder druk zijn omdat hier een startpunt is van de Avondvierdaagse. Iets om altijd weer rekening mee te houden als ik naar huis terugfiets. Dan kan het zo klinken van al die kinderen, daar bij de Belo Horizontedreef.

Mijn kinderen liepen ook vanaf hier mee toen zij nog meededen aan de Avondvierdaagse. Zij moesten dus beginnen aan de Belo Horizonte Dreef, van af de plek waar, bij wijze van spreken, een fraaie horizon hen wenkte. Bij elke stap die ze zetten, dreef die een stapje van ze weg, zoals dat een horizon betaamt.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
2800 meter  30-11-2015

Rechtsaf de Vechtdijk op. Vorig jaar is men maanden bezig geweest om de oevers van de Vecht te verstevigen. Dat betekende dat alle woonboten hier tijdelijk elders hebben gelegen, bomen en grotere struiken verwijderd werden en dat alle aanbouwsels en schuren verdwenen of plaats maakten voor iets anders. Om maar iets te noemen.
Het betekende ook dat fietsers hun route een tijdlang moesten verleggen omdat zij er hier niet door konden. En dat betekent weer dat ik het als een voorrecht mag beschouwen hier weer te kunnen fietsen.

En dat betekent weer dat ik het als een voorrecht mag beschouwen hier weer te kunnen fietsen.
Maar het is wel 30 november. Straks een begrafenis en ik lees zojuist dat er is ingebroken in de Gereformeerde Kerk van Monster, de kerk van mijn jeugd. Dat is gisterochtend al gebeurd, maar ik hoor het pas een half uur geleden. Daar kan ik me zo kwaad om maken!
Op school hield ik collega's en leerlingen voor dat ze van half november tot Kerst zichzelf extra goed in de gaten moesten houden, want in de maand voor Kerst is er altijd rottigheid en juist in die tijd heb je de neiging om daar te geprikkeld op te reageren. Conflicten in of met een klas, met klasgenoten of collega's liggen klaar als droog vuurwerk.


Een paar weken geleden is hij overleden, Johan Snijders, de rector van mijn vorige school. Hij zei: 'Als je Kerst eenmaal hebt gehaald, dan lukt de rest van het jaar ook wel.' Hij bedoelde met dat jaar overigens een schooljaar. Ik fiets weer verder richting Niftarlake en hoop maar dat ze daar 'zacht zijn voor elkander, kind,' om Adriaan Roland Holst even uit zijn doodsslaap te halen.
(Het citaat van Roland Holst komt uit Zwerversliefde. Dit lijkt me wel een leuke link: vooraf-het-gedicht-zwerversliefde)

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
3000 meter  07-12-2015

Vanwege de datum en het weer (het regent mot) zou ik het kunnen hebben over de regenhoezen die ik vijftien jaar geleden kreeg van Sinterklaas. Met die hoezen hield ik als het regende ook mijn schoenen droog. Ik gebruik ze nog.
Ik ga wel vijftien jaar terug, maar dan vanwege de plek. Volgens mij zijn ze hier toen meer dan een jaar bezig geweest met de verbouwing van de boerderij en het tot woonruimte omtoveren van aangrenzende schuur en hooiberg.
Vrijwel altijd stond er een grote bestelbus, oud en der dagen zat. Daarop stond gekalkt in grote letters van oranje menie:
Annelies,
Wil je met me
trouwen?
Bart
Het kon zo donker niet zijn of je kon dit lezen. En dat deed ik, iedere dag, op de heenweg en op de weg terug. Al heel kort daarna kwam erachter te staan, in even grote, nu witte letters:
Niet doen!
Je vader

De eerste keer dat ik het las, schoot ik in de lach. Op de terugweg weer, want ik was het alweer vergeten. Maar de volgende ochtend las ik de complete tekst opnieuw, alsof het weer de eerste keer was. Vreemd genoeg moest ik er op andere momenten regelmatig aan denken en als ik voor de klas weer eens probeerde uit te leggen wat poëzie is en hoe die werkt, gebruikte ik ook steeds deze tekst op die auto en die toevallige fietser die zich dag na dag liet verrassen door die tekst en dan in de lach schoot.
De boerderij is intussen aan een volgende verbouwing toe misschien en de bestelbus is al jaren weg. Ik fiets nog steeds grijnzend langs. Zo werkt poëzie.



Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
3200 meter  14-12-2015

Ik mag dan op de plaats zijn waar ik jaar in en jaar uit meestal te vinden was rond deze tijd, maar kloppen doet het niet. Om te beginnen ben ik afgestapt en dan sta ik ook nog eens te rommelen met een camera en een statief. Door de lens zie ik meneer Bonk aan komen fietsen. Ik herken hem meteen. Ik klik voor een tijdopname en ga weer rechtop staan, klaar om hem te groeten.
Al die jaren zijn we elkaar onderweg tegengekomen, op de heenweg en vaak ook terug. Ik ben bij hem thuis geweest om over zijn zoon te praten die ik van 2000 tot 2002 in de klas had. Altijd hebben we elkaar gegroet.


Toen ik in juli voor de laatste schooljaar van het jaar en van mijn leven maakte, zijn we zelfs afgestapt en hebben we elkaar de hand geschud. Hij was jaloers op me, zei hij toen. En ik heb hem bemoedigd met de woorden dat het gewoon een kwestie was van doorfietsen.
Nu is het december en het is donker.
‘Goedemorgen,’ zeg ik. Hij schrikt.
‘Goedemorgen, meneer Bonk,’ maar het noemen van zijn naam werkt averechts. Dat had ik niet verwacht.
Hij versnelt en kijkt als hij voorbij is nog even schielijk om.
Een geest ben ik, een spook. Een fantoom.

Len Borgdorff

(PS De twee witte vlekken op het pad zijn de lamp en de weerschijn daarvan van de fiets van meneer Blonk. Omdat het een tijdopname is, zijn fietser en rijwiel zelf onzichtbaar geworden. Dus zo bezien ben niet ik een fantoom maar is hij dat. Het is allemaal een kwestie van perspectief en perceptie in dit leven.)

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
3400 meter  21-12-2015

'Alles verrot – niet de betovering.'
Het zal niet precies zo zijn gegaan, maar het is wel zo in mijn hoofd gaan zitten. Op de lagere school werden we af en toe meegenomen naar het handwerklokaal, een lichte, heerlijk ruikende ruimte op zolder die ook nog eens goed verduisterd kon worden en daarmee uitermate geschikt was voor het vertonen van lichtbeelden. Het apparaat waarmee dat gebeurde, was een gewone diaprojector en zo heette het ding ook, maar ik ervoer het toch meer als een echte toverlantaarn.

In dat lokaal zal ooit een serie met plaatjes van de prachtige buitens langs de Vecht zijn vertoond. Vooral de theekoepels langs het water vond ik adembenemend.
Thuis had ik weliswaar een hut achter in de tuin waarin ik me graag terugtrok, maar dat was, werd me duidelijk bij het zien van deze lichtbeelden, maar een zwakke afspiegeling van mijn ware biotoop. Zag ik toen ook de theekoepel waar ik nu dagelijks langs fiets? Ik heb dat al die jaren gedacht, ja. En als het niet zo is geweest, dan nog is het intussen al heel lang wél waar.
O, daar te zitten om wat te knutselen te tekenen of te schrijven, of me bezig te houden met alles wat ik ooit verzamelde (postzegels, suikerzakjes, sigarenbandjes, sigarettendoosjes, boeken, ansichtkaarten, bladeren, tot bootjes gevouwen kranten,

schelpen, stukken steen uit een kasteel, botjes, stukken krijt, mooi hout, schriften en notitieblokjes, staalboeken met behang) of om uit het raam te kijken terwijl het regende, zoals nu, en dan hardop in mezelf te praten en niemand die dat in de gaten had.
Daar staat de koepel waar ik zo van droomde, hier hoor ik, maar we moeten verder, verder fietsen, onze droom voorbij.

Len Borgdorff

De openingszin komt uit Herfsttafel 1 van Jan Kuijper.
 
Over het zandbakje dat op school stond.
 Het was een tafel; binnen ronde rand
 lag bovenop een kleine hoeveelheid zand.
 't Gebeurde eens per jaar, en wel op grond
 van 't onderricht over ons eigen land,
 dat meester heel de klas de gang op zond.
 Hij toonde er hoe Holland 't water weerstond,
 in 't bakje scheppend uit de vrije hand.
 
 Oktober bracht het bakje in de klas.
 Winter- en Afsluitdijk werden geslecht,
 op 't zand kwamen herfstbladeren terecht,
 er kwam een paddestoel uit elke tas
 en nam zijn plaats in in de heksenkring.
Alles verrot - niet de betovering.


(Sonnetten, 1973)

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
3600 meter  28-12-2015

Het is de Klopvaart, dit brede water rond fort De Klop, maar ik noem het het Zwanenwater. Jarenlang zwommen er twee zwanen rond. Soms kwam ik ze iets verderop tegen, dan waren ze een eindje in de richting van Oud-Zuilen gezwommen, ook gingen ze een enkele keer zuidwaarts. Eén keer zwommen ze langs de Lauwerecht. Niet getweeën, maar als vijftal, want dat gebeurde ook. Er kwamen jaarlijks eieren en die kwamen bijna altijd uit. Daar ging dan wel de indrukwekkende bereidheid tot opoffering vooraf om wekenlang te gaan zitten broeden. Als er een vakantie tussen zat - voor mij dan, niet voor de zwanen – fietste ik er wel heen om te zien hoe het met ze ging. Ik nam geen brood of ander eten voor ze mee.

Het is niet eens in me opgekomen. Wel zag ik dat er ’s winters vanuit een huis aan het Zwanenwater goed naar de vogels werd omgekeken. Het nest lag altijd op de plaats die je op de foto kunt zien, meestal meer aan de waterkant, maar ook een keer pal aan de weg. Dat leek problemen te geven als de moeder met haar kroost onder de vleugels op het nest zat.
Vader kon vervaarlijk blazen en daarbij zijn vleugels uitslaan, maar met een combinatie van een grote boog en iets meer snelheid viel er altijd langs te komen. Vader zwaan leek na verloop van tijd ook minder overtuigd van de noodzaak al te veel vertoon.
Er kwam ook wel eens een tweede nest in augustus of september. Je zag de kinderen groter worden en nog een tijdlang ergens in de buurt zwemmen.
Ik maakte er die jaren een gewoonte van om in het redactioneeltje van het tweewekelijkse personeelsblad van de school, maar ook in het blad voor de ouders, regelmatig verslag te doen van het wel en wee van de zwanen en dat had weer tot gevolg dat collega’s die niet zo goed wisten wat ze tegen me moesten zeggen (ik houd niet van voetbal), maar vroegen hoe het met de zwanen was. Ik werd door collega’s de zwanenman genoemd.
Toch heeft niemand dat gememoreerd bij mijn afscheid van school en dat vond ik sneu voor de zwanen, vooral omdat het niet goed met ze is afgelopen. De zomer van 2010 was warm. Zwembad De Kikker, een water van een ander fort bij Utrecht, werd gesloten vanwege botulisme. Toen ik in de laatste week van de zomervakantie weer eens naar school fietste, zag ik een dode zwaan drijven. Het leek alsof hij zijn kop in het water had gestoken om iets eetbaars uit de diepte op te pikken, maar zijn kop bleef onder water. Het was een van de vier al grote jongen, van dat jaar. De andere drie zwommen in hun buurt. De ouders zag ik niet.
’s Middags kwamen er drie koppen niet meer boven. Toen ik de volgende dag weer langsfietste, zag ik dat de drie zwanen waren weggehaald, maar nummer vier dobberde nog rond, ook zijn kop kwam niet meer boven water.
Nog twee jaar heeft collega Anna beweerd dat het zwanenpaar weer had gezien, aan de andere kant van de Klopvaart, waar ze altijd de hond uitlaat. Ik ben een keer gaan kijken en ik weet het: alle zwanen zijn wit, de ene zwaan is de andere, maar hier niet. Dit waren niet mijn zwanen. En in wat ooit het Zwanenwater was, zwemmen geen zwanen meer.

Len Borgdorff

Onderstaande foto’s zijn uit 2006.



___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
3800 meter  04-01-2016

De J.M. de Muinck Keizerbrug is vernoemd naar J.M. de Muinck Keizer, ooit directeur van een gietijzerfabriek die vooral bekend werd onder de naam Demka. Dat is een afkorting van De Muinck Keizer. Er is ook een J.M. de Muinck Keizerlaan, niet toevallig gelegen in Zuilen, want daarheen verhuisde J.M. de Muinck Keizer zijn bedrijf vanuit Hoogezand-Sappemeer. Maar genoeg over J.M. de Muinck Keizer.

Het regent in Nederland minder vaak dan je zou denken. Dat weet ik omdat ik ’s ochtends de auto pak wanneer er regen valt. Ik hoef maar zelden de fiets te laten staan. Wel kan er onderweg alsnog het een en ander uit de lucht komen. Je moet niet alles voor willen zijn. Die pech overkomt je trouwens vaker op de terugweg.Hoe dan ook: de J.M. de Muinck Keizerbrug biedt uitkomst. Hier kun je afstappen om je regenkleding aan te trekken. Dat gebeurt vaak in eenzaamheid, maar het kan ook zijn dat het stukje onder de brug een schuilplaats is voor heel fietsers die niet kletsnat willen worden.
Ook ’s nacht, ook als het niet regent, kan hier van alles gebeuren, zie ik aan de scherven van een fles Bacardi, twee lege bierflesjes, platgetrapte blikjes en een paar heel kleine plastic zakjes.

Ik kijk nog even of er het blad van een marihuanaplant op staat afgedrukt, maar dat is niet zo. Honderden peuken maken duidelijk dat filtersigaretten het echt gewonnen hebben van de shag.Er is geen enkele reden om hier langer te blijven. Het regent niet meer en er jaagt een koude wind door dit tochtgat. Ik fiets weer verder.
Onthoud die naam: J.M. de Muinck Keizerbrug.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
4000 meter  11-01-2016

Ze zijn er niet en als ze er zouden wezen, dan is het nog te donker om ze te zien: de ooievaars, de scholeksters en kievieten en meeuwen en zelfs de koeien, maar die zijn er sowieso niet in januari. Er is niets.

Daarom heb ik alle tijd om me te realiseren dat ik ook de plaquette van Belle van Zuylen niet heb opgemerkt.Dat is ook niet verwonderlijk want het is me een raadsel hoe men ooit op die plek, half onder een brug, naar het water toegekeerd en dan ook nog in een kronkel van de Vecht, tussen woonarken in, een zo onleesbare gedenkplaat heeft kunnen, ik moet zeggen, durven aanbrengen.
Misschien is de achttiende eeuwse schrijfster Belle hier misschien wel net zo vaak is langsgekomen als ik, pendelend tussen het zomerverblijf in Oud-Zuilen en het winterverblijf aan de Utrechtse Kromme Nieuwegracht.
‘Je n’ai point de talents subalternes’ staat er op de gedenkplaat, absoluut geen talent voor ondergeschiktheid dus. Onderweg naar school ben ik me die spreuk steeds meer gaan toe-eigenen. Langzaam maar zeker heb ik me de afgelopen tien jaar losgemaakt van alle taken die te maken hadden met leiding geven, coördineren en representeren om me zogezegd te beperken tot de essentie van onderwijzen: lesgeven.

Maar steeds meer ontdekte ik ook mijn onvermogen tot ondergeschiktheid. En dat van anderen die kwamen bovendrijven of omhoog sprongen om goed leiding te geven. Dat heeft het al met al wel minder moeilijk gemaakt om afscheid te nemen.
Maar nu doen we weer even alsof ik naar school fiets en zie ik weer op tegen de rol van ondergeschiktheid aan de domheid en willekeur die op me liggen te wachten en die ik nader met een snelheid van 17,5 kilometer per uur.
Het kan zijn dat ik ergens rechtsaf sla waar ik linksaf moet. Dat zou zomaar kunnen.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
4200 meter  18-01-2016

Tegenover de Zuilense flatjes langs de Vecht is het min zeven graden. Dat is het niet altijd, maar nu wel. Beweging is een probaat middel tegen kou, maar omdat ik hier moet afstappen, heb ik me ook maar extra warm gekleed. Het is nog donker, al wordt het tijdens het nemen van de foto’s en nu bij het schrijven wat lichter.

De Vecht trekt zich nog niets aan van de kou, maar op het slootje achter de bomen ligt een laagje ijs en het zojuist nog in duisternis gehulde weiland begint grijs op te lichten. Een meerkoetje dat krijsend wegvluchtte, ligt me, zie ik nu, vanaf het veilige water op een even veilige afstand te bekijken.
Door de lucht gaan zwermen meeuwen en kraaien. Ik hoor ze vooral, het zien is nog wat lastig.
Als dit Ierland was /zou ik beter kijken* dacht ik ooit toen ik na een lange en mooie vakantie dit stukje van mijn dagelijkse route weer aflegde. De regel komt me sindsdien vaker tegemoet hier.

Na mijn aller-, allerlaatste schooldag vorig jaar ben ik nog afgestapt omdat er acht ooievaars*** in het weiland stonden.
Nu ik hier zit te schrijven, bedenk ik opeens dat er tien jaar terug andere bomen** stonden en nu ik terugkijk, zie ik ook dat de nieuwe generatie momenteel stevig gesnoeid wordt. 'Kleine boompjes worden groot. Ik weet nog dat jullie bij me op schoot zaten.' Maar wacht even!

Daar rent een witzwarte kat door het weiland met een enorme zwerm kraaien achter zich aan. Dat beest moet doodsangsten uitstaan. Hij duikt een slootkant in. De kraaien strijken neer, maar komen niet meer dichterbij de kat.
Tijd om verder te fietsen. Ik zie een ooievaar. Ik zal hem nog even opschrijven, maar camera en statief zijn al ingepakt.
O ja, het is koud. Was ik bijna vergeten.

* Als dit Ierland was /zou ik beter kijken is de tekst van gedicht Bij Loosdrecht van K. Schippers.
** De tweede foto is van september 2005
*** Foto 3 is van juli 2015

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
4400 meter  25-01-2016

In gedachten heb ik Belle van Zuijlen wel zien lopen over deze weg van Oud-Zuilen naar Utrecht of omgekeerd. Ook heb ik haar wel eens in een diligence zien zitten, waarbij ik meteen moest denken aan het ongemak van de reis per koets waarmee Hildebrand in de Camera Obscura zijn Familie Stastok laat beginnen. Deze Vechtdijk was in Belles tijd een onverhard laantje.

Ik zeg het er maar even bij.
Aan de mogelijkheid van een reis per trekschuit dacht ik pas toen hier een aantal jaren geleden een wat al te forse vlaggenmast kwam te staan. Dat was het dan ook niet, het was een rolpaal. Prompt zag ik een plaat van Jetses voor me (maar het was Isings). Prompt ook bevond ik me in een wereld die me als Westlands jongetje rond 1960 onbereikbaar leek: de Vecht met zijn buitens en dan ook nog tweehonderd jaar terug. Ieder moment kon er een Amsterdamse koopman in retraite opduiken.
Maar zo’n begoocheling houdt het maar even uit, ook al omdat ik me tegelijkertijd begon te schamen.

Een rolpaal is een paal waarlangs het touw van een schuit wordt geleid. Op die manier wordt de schuit in de bocht van een rivier of vaart niet tegen de kant getrokken. Maar ik wist dat niet. Voor mij was de Rolpaal een plek tussen Poeldijk en Honselersdijk waar ik, ook al rond 1960, na een paar keer moest ontdekken dat vissen helemaal niets voor me was. Wel was ik gecharmeerd van het woord. Rolpaal.

Dat het niet alleen maar de aanduiding van een plaats was, wist ik niet. Niet erg, maar dat ik me dat nooit heb afgevraagd tot hier deze rolpaal werd neergezet… Beschaamd fiets ik weer verder.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
4600 meter  01-02-2016

O wonder! Het beeld begint te trillen, de vochtige duisternis van deze later wintermorgen maakt plaats voor het zachte licht van de achternamiddag van een vroege zomerdag en in de verte fiets ik mezelf tegemoet, weg van school naar huis, terwijl op de plaats van mijn echte ik, niet ik fiets maar een vrouw. Ze komt maar langzaam dichterbij, slingert steeds heviger en uiteindelijk rijdt ze pal voor me de berm in en landt in overvloedig mals zacht gras. Ze is buiten bewustzijn. Het is typisch een geval van 112 en gelukkig heb ik mijn mobieltje bij me. Waar ik mij bevind, wordt er gevraagd.
Langs de Vecht, een 200 meter ten noorden van het oude gemeentehuis van Zuilen, niet het dorp

Oud-Zuilen, maar de wijk. Maar ik ben nu aan de andere kant van de Vecht, hè, aan de oostkant, zeg maar. Het heet hier Vechtdijk, denk ik. O, binnen een kwartiertje, zegt u?
De vrouw komt bij en vraagt wat er aan de hand is en waar ze is? Ik vertel het haar. Ze vindt het maar een vreemd verhaal en zakt weer weg. Er passeren fietsers. Ze lijken zich niet af te vragen of ze kunnen helpen en fietsen door.
Maar een grote zwarte BMW X5 stopt wel. En daaruit stapt in al haar verpletterende schoonheid zuster Lethe, al heet ze ongetwijfeld anders. Zij buigt zich tegenover mij over de vrouw die vraagt wat er is en waar ze ligt. En wij, zuster Lethe, en ik, dokter Leonardo, vertellen het haar.
Het zal niet het hart zijn van de vrouw, denken wij, en ook een hypo van een diabetespatiënt lijkt ons onwaarschijnlijk. Ik denk dat het hongerklop is, een lege maag en weinig suiker laten zich niet goed combineren met een fietstocht. Zoiets. Maar voor de appel en de Snicker in mijn schooltas is de vrouw nog te ver heen.
Ondertussen dwalen mijn ogen naar de glanzende kolen van zuster Lethe, naar haar volle lippen en waarom zit zij zo voorovergebogen tegenover mij?
‘Hoe over 't brandend blind bazalt
Vind ik de weg naar Lethe?’ zingt het zacht in mij.
‘O alles te vergeten
Eer de avond valt!’*
Maar zij vraagt zich af waar 112 toch blijft. Ik bel opnieuw. Het lijkt wel alsof ik meer dan twintig minuten geleden niet ook al belde.
De vrouw in het gras vraagt zich af wat er aan de hand is en waarom zij hier ligt. ‘Waar ben ik?’ Ik zou haar kunnen zeggen dat ze in de veilige handen is van zuster Lethe en haar dokter Leonardo.
Ze zakt weer weg en Lethe en ik kijken elkaar aan, zuchten en zien als wij opkijken met grote snelheid een gele motor naderen en voordat die bij ons stilstaat, zien we ook een ziekenwagen dichterbij komen. We staan dan al overeind, de vrouw van de BMW en de man van de rode fiets. Wij groeten de dokter en de twee verplegers, groeten ook de vrouw die ondersteund door twee broeders naar de ambulance loopt. Ik geef het fietssleuteltje van de vrouw aan een verpleger en fiets weg.
Nooit meer zag ik Zuster Lethe. De vrouw in het gras nog wel, nog jaren. Wel een paar keer per maand, soms ’s ochtends als ze van Maarssen naar Utrecht fietste, soms aan het eind van de middag, als ik dat deed. We groeten elkaar nooit. Zij zou niet weten wie ik ben.
Misschien kom haar zo meteen weer tegen.

Len Borgdorff

* Dit zijn de openingsregels van het gedicht ‘Lethe’ van P.C. Boutens. Zie bijvoorbeeld: www.dbnl.org

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
4800 meter  08-02-2016

De lantaarns zijn zelfs al uit. Dat komt niet door het lengen van de dagen, maar doordat ik te laat op deze plaats aankom.
Twintig minuten geleden was ik nog wel keurig op tijd. In gedachten ging ik al fietsend mijn gangen na als ik op school zou zijn, straks op 8 februari 2006 of 2014.

Toen ik ter hoogte van het voormalige ziekenhuis de Einsteindreef was overgestoken, de plaats dus waar ik zo regelmatig moet denken aan Redouan en Peter (zie 2000 meter), hoorde ik, een doffe smak. Dit was nu, 8 februari 2016 om half acht. Ik wist meteen wat er gebeurd was.
Bij het omkijken zag ik allereerst het karretje van de gemeentedienst. Daarin moest een man zitten die het allemaal had zien gebeuren. Even verder zag ik een vrouw uit een auto stappen. Dé auto. De vrouw droeg een lichte hoofddoek. Dat viel op in het donker. Op het asfalt zag ik twee bulten in een waaier van kranten. De fiets herkende ik als zodanig eerder dan de man in de zwarte jas met de capuchon die daar lag.

Ik fietste terug, maar voor ik arriveerde waren er al meer mensen. Ze stapten uit hun auto en van hun fiets.
Nu ik twee meter van de man vandaan ook een petje zag liggen, vroeg ik me af hoe de man dan een capuchon op kon hebben. De vrouw met de hoofddoek kwam aarzelend dichterbij. Daardoor zag ik nu pas dat het een man was met een hoodie. Twee bussen en een politiewagen zetten een deel van het kruispunt af. De ambulance kwam. Ik was overbodig. Wel kon ik nog een foto maken, maar dat deed ik niet. Ik fietste verder, naar de 4800 meter, naar hier om op te schrijven wat er gebeurde op 8 februari 2016, dat is in het jaar dat ik een keertje niet naar school ga. Niet vandaag. Ik ga terug naar de plaats waar waarschijnlijk niets meer te zien is.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
5000 meter  15-02-2016

Waar ben ik ook al weer? Op mijn weg naar school zijn tijd en ruimte weliswaar met elkaar getrouwd, maar het is een vreemd huwelijk, vol verwarring en stille conflicten en ook hun kinderen zijn gemankeerd.
Tweehonderd meter geleden, dus een week terug was het op 4800 meter ineens tijd om stil te staan en uiteindelijk zelfs terug te rijden naar de tweeduizend, waar het ook al niet meer was zoals het was.
Nu zit ik precies tussen de bebouwing van de Utrechtse wijk Zuilen en het dorpje Oud-Zuilen, het meest landelijke punt van de route, zou je kunnen zeggen, al heb ik dat landelijke gevoel al een paar kilometer lang.

Ik ben afgestapt, heb een foto gemaakt (zonder statief – dat scheelt weer) en daarna een droge sloot en een rij bomen genomen om op een toevallig bankje dit stukje te schrijven. Ik zit met mijn rug naar de Vecht, vanwege dat bankje. Volgens mij is het vakantie.
Vanmorgen kon ik zonder licht op stap. De afgelopen keren stopte ik ergens in de duisternis en kon ik vervolgens zonder licht weer verder fietsen. Dat vond ik jammer. Waar ik van kon genieten was het moment waarop onderweg de lantaarns uitgingen. Zodra dat gebeurde, boog ik me voorover om mijn dynamo van het voorwiel te trekken. Zodat ik in dubbele zin lichter kon doorfietsen.

Iedere dag kwam dat moment iets vroeger en iets minder ver op de route.Alsof ik en het licht zich samen inspanden in de strijd tegen de nacht. En die wonnen we nog ook. Nu blijkt die strijd zonder mijn aandeel even succesvol geleverd te kunnen worden. Verder ben ik ook nog eens beroofd van dat heerlijke gevoel dat past bij de eerste, en vaak enige, maandagmorgen van een schoolvakantie.
Over het modderige pad voor mijn voeten komt een jongetje aangefietst. Hij heeft een rugzak op. Ik hoor de klok van het Oud-Zuilense kerkje acht uur slaan. Dat jongetje is op weg naar school! Het ís helemaal geen vakantie. Ik ben de draad helemaal kwijt. Ik moet maken dat ik weg kom en zorgen dat ik op tijd niet op school kom.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
5200 meter  22-02-2016

Omdat ik vroeg was, kon ik het me wel permitteren om een paar honderd meter terug even stil te staan. Dat doe ik wel vaker op de weg naar school, om een foto te maken bijvoorbeeld, maar vandaag stapte ik af voor de ganzen.
Het zijn er dertig. Ooit waren er veel meer. Dan stonden ze midden op de weg zodat je tussen de blazende snavels heen moest laveren, maar verder dan geblaas kwamen ze niet, ook niet als er jongen waren. Die waren er de afgelopen jaren al nauwelijks: eieren werden geschud, meeuwen en kraaien wisten de nesten voortdurend te belagen en hadden altijd wel een keer succes.

Ook zag ik wel wel hoe ganzen in een fuik werden gedreven die eindigde in een bestelwagen. Zo werden ze afgevoerd. Ik kan hier rustig over schrijven, want waar ik nu zit, gebeurt niets. Het is wel duidelijk dat het vakantie is.
Daar hebben de vele vogels om me heen geen weet van. Voor me vliegen twee reigers over het water alsof het zwanen zijn die elk moment op het water kunnen neerstreken. Of is het ín het water? Het doet er niet toe: het zijn reigers, ze zwenken en gaan vervolgens elk een eigen kant op, zoals het reigers betaamt, ieder voor zich. In de verte hoor ik auto’s en herhaaldelijk valt er een druppel op mijn papier.

Belangrijkste wapenfeit tot nog toe blijft de ontmoeting met de ganzen, al stonden die niet op de weg, maar in het weiland achter de sloot. Wel maakten ze aanstalten om naar me toe te komen, maar ik had geen brood bij me.
Ik vergis me: er is nog een wapenfeit. Ik kwam opnieuw meneer Bonk tegen en hij groette. Hij groette niet terug, nee, hij nam het initiatief. Maar dat gebeurde dus allemaal honderden meters terug. Hier, hier bij Oud-Zuilen gebeurt niets.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
5400 meter  29-02-2016

Sinds 1966 mag Oud-Zuilen zich officieel beschermd dorpsgezicht noemen. Als ik toen van het bestaan ervan had geweten, zou het misschien wel mijn grote droom zijn geweest om hier ooit te wonen. Ik ontdekte het dorpje pas tien jaar later en had in die tijd met heel andere dromen en nachtmerries te maken. Weer later, in de jaren negentig, toen Oud-Zuilen tamelijk vast onderdeel werd van een bijna dagelijks fietstocht, had ik het dromen weliswaar nog niet verleerd,

maar blijkbaar was ik realistisch genoeg om wonen in deze van overheidswege beschermde omgeving daarvan geen deel meer te laten uitmaken. Nu pas staat het jongetje dat ooit zo vol was van oude kastelen en vooral kerken en van woonhuizen die eeuwen wisten te trotseren weer in mij op en omdat dromen vrij zijn, kies ik ook meteen maar een huis uit. Dat wordt dan niet Swaenevecht of Zuylenburg (of moet ook deze naam nog archaïserender gespeld worden), maar het met die grote ramen waarschijnlijk moeilijk warm te houden Klein Zuylenburg, dat ondanks die naam nog behoorlijk groot is. Maar een klein huis, liefst direct voorbij de brug is ook goed.

Ik zit hier op een bankje voor Swaenevecht. Op een deur aan de zijkant kleeft een grote sticker die mij vertelt dat www.booking.com dit etablissement als B&B-gelegenheid met een 9.2 aanprijst. Ik ben er nooit binnen geweest, maar ik kan het me alleen al op grond van de omgeving al helemaal voorstellen, ook op dat natte bankje en in de kou.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
5600 meter  07-03-2016

Dit stukje zal over de liefde gaan. Dat staat niet in mijn notitieblokje. Ik bedenk het pas als ik verder rijd en me ineens herinner hoe ik vannacht even wakker werd. Mente stapte weer in bed er sloeg een grote golf van genegenheid door me heen. Verder kwam ik niet, ik moet onmiddellijk weer ingeslapen zijn.
Vandaag combineer ik mijn weg naar school met een bezoek aan de garage. Dat betekent dat de fiets nu nog achterop de auto staat en dat ik straks mij weg per fiets zal vervolgen.
Op 5600 meter loop ik park Groenhoven in, restant van een oud buiten.

De theekoepel staat er nog en de begroeiing is bijzonder aangenaam. Straks zullen de bosanemoontjes er weer bloeien en, zie ik nu, in 2013 werd er een linde geplant ter gelegenheid van de kroning van Willem Alexander. Er speelt spontaan een verkeerd melodietje door mijn hoofd. Ik maak foto´s om zo meteen meer over het park te vertellen. Ik heb mijn verhaal nu wel. Maar als ik in de auto (wat me niet helemaal zint) de eerste zin heb genoteerd van wat dit stukje had moeten zijn, komt er een ouder paar aangelopen, stevig in de zeventig. Zij draagt jas, muts en sjaal, hij doet het met alleen maar een vest. Ze stappen op de auto af die voor de mijne gepasseerd staat.

Ze stralen, hij nog meer dan zij. Zou het om een nieuwe liefde gaan? Is zij vannacht voor het eerste bij hem gebleven en gaat ze nu weer weg? Maar ze heeft niets anders in haar handen dan haar autosleutels.
Waarom zou het trouwens een nieuwe liefde moeten zijn? Ze opent het linkervoorportier en stapt in. Hij trekt resoluut het andere voorportier naar zich toe en pakt een ijskrabber. Hij stort zich op de bevroren ruiten. Dat doet hij handig en zonder verlies van die glimlach. Het kan niet anders: dit is de liefde. Als hij klaar is, werpen de twee elkaar nog een innige blik toe. Er wordt niet gezoend. Hij blijft hier, zwaait nog even naar haar terug naar huis. In het voortuintje draait hij zich nog even om maar hij loopt door naar binnen. Begrijpelijk, het is koud en hij draagt alleen maar een vest. Pas dan weet ik dat ik niet over het prachtige parkje Groenhoven zal schrijven, maar over deze twee. Dan pas ook denk ik aan mijn camera, te laat.
En nog weer later denk ik aan vannacht.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
5800 meter  14-03-2016

In het straatje hierachter woont een leerling en een paar huizen verderop woont een jongen die twee jaar terug examen deed. Langzaam maar zeker kom ik in een gebied waar ik meer leerlingen en collega´s kan tegenkomen. Tien jaar geleden trokken er meer leerlingen van Utrecht naar Maarssen, maar tussen de verschillende gemeenten en besturen zijn intussen ´prijsafspraken´ gemaakt. Nu zit ik in de vroege ochtend ook niet zo op ontmoetingen te wachten. Een vrolijk hoi bij het passeren, vind ik meestal wel genoeg. ´s Middags ligt dat anders, dan zoek ik zelfs gezelschap om mee huiswaarts te fietsen. In de ochtend zijn er maar een paar mensen die ik hebben kan.

Lin bijvoorbeeld, al is dat al weer een jaar of tien geleden. Het gebeurde ook niet vaak, want meestal zag Lin met haar scooter het schoolplein op tuffen als ik al in mijn lokaal voor het raam stond, maar een paar keer per maand haalde zij me ter hoogte van Overvecht al in en dan reden we samen op. Zij op haar scootertje, ik op de fiets.
Lin was een leerling. Collega´s die ik ’s ochtends hebben kan zijn er ook, maar de meesten vond ik lastig omdat die zo gauw ter zake konden komen. Terwijl ik nog een paar kilometer en nog meer tijd had om langzaam klaar te zijn voor de temperatuur van het schoolse leven, duwden zij me, zo leek het, in één keer in het nog veel te koude bad van school. Nu heb ik liever een koud bad dan een warm, maar ik moet daar dan wel in mijn eigen tempo naartoe kunnen groeien.
Ik sta op de Daalseweg die wordt geflankeerd door riante huizen. Eén woning is zojuist onder voorbehoud verkocht voor zeven ton, maar dan heb je bijvoorbeeld wel twee badkamers waarvan eentje met een dubbele douche. Zo kun je elkaar nog eens leuk tegenkomen.
De kans dat ik hier in deze straat een reisgenoot tref is overigens heel klein, want zo er al mensen via Oud-Zuilen naar school fietsen, dan nog pakken ze juist hier meestal een andere straat dan ik. Het is trouwens verschrikkelijk koud vanochtend. Ik wil weer verder. Hoor, het kerkklokje van Oud-Zuilen! Het is al acht uur. Ik had al op school kunnen zitten met een kop hete koffie in mijn kouwe knuisten. Lekker.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
6000 meter  21-03-2016

Vannacht een paar keer wakker geworden vanwege, laten we zeggen: vanwege onbestemde zwaarte. Ik ben daarom blij dat meneer Blonk me zojuist weer tegemoet fietste in duidelijk morgenlicht. Hij glimlachte breed, stak zijn hand op en riep goedemorgen. Heel anders dus dan toen we elkaar op 3200 meter¹ in duisternis passeerden. Hier op 6000 meter hang ik tussen twee werelden: rechts een weiland omzoomd door bomen, nog kaal en stil, met in de verte, in de top van de hoogste boom drie kraaien. Hun zwarte vlekken tarten de wet van de zwaartekracht, want ze moeten op het uiteinde van de dunste twijgjes zitten, die ik niet zien kan.

Links zie ik door struiken heen voortdurend auto’s gaan: ze remmen af en trekken op vanwege een rotonde. De onrust van deze auto’s wordt versterkt door het geraas over de onzichtbare Zuilense Ring.
Ik hang de laatste weken weer heftig rond in Het Veer van Martinus Nijhoff² en dan vooral in de tweede strofe. Ja, ik heb vannacht gedroomd van mijn moeder, meer van haar overleden zijn dan van haarzelf en van Luuk, de kleinzoon die de dag voor de begrafenis van zijn overgrootmoeder werd geboren. Vorig jaar om deze tijd overleed mijn schoonvader. In de week van zijn overlijden presenteerde ik met Jantine op school het zogenaamde PWS-gala, een feest waarop de school een aantal leerlingen uitroept tot Ozziewinnaars, dat zijn de makers van de beste Profielwerkstukken. Het was een bruisende avond. Ik genoot ervan, zoals ik afgelopen zaterdag erg genoot van de uitreiking van CLO Juryprijs die ik mocht presenteren. Ik mis het podium een beetje. Gisteren ook sprak ik een oud-leerling en, waarachtig, vannacht zag ik hem weer voor me in de klas, hij was veel smaller dan zoals ik hem dertig jaar later weer ontmoette. Ik zit op de bagagedrager van mijn fiets te schrijven in het notitieblokje voor me op zadel. Er passeert een meisje, een oud-leerling. Dat was toch Sanne? Ze herkent me niet. Voor haar besta ik alleen maar in lokaal 208 van de school die ze een eeuwen geleden alweer, in 2013, verliet. De man in de berm met dat zwarte petje en die rode fiets kan ik niet zijn.
De stilte rechts mengt zich niet met de onrust links, ze slaan pijnlijk door elkaar heen, en dat doen verleden en heden vandaag ook. Het klettert en knettert in mijn kop.

Als ik verder fiets, zie ik dat de Buitenwegse molen bij Oud-Zuilen volledig is afgebrand. Het dreigt een treurige dag te worden, maar bij fort Ruigenhoek zitten twaalf puttertjes op me te wachten om me net als meneer Blonk een beetje op te vrolijken. En wij dan? roepen de kraaien, de reigers de ooievaars. Zie je ons dan niet? Stil nou, mompel ik, gun me toch die puttertjes.

Len Borgdorff

 ¹ - Zie Fantoom 3200 meter
 ² - Het Veer van Martinus Nijhoff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
6200 meter  28-03-2016

Waaien deed het al flink en nu ik stilsta, begint het ook te regenen. Ik sta hier onbeschermd en kijk rond in een vreemde wereld. School zat heel erg in mijn hoofd tot nog toe. Omdat ik me niet lekker voelde, overwoog ik vanmorgen nog om de fietstocht er bij in te laten schieten en dus, laten we zeggen, niet naar school te gaan. Die gedachte maakte me onrustig. Als ik nog een A2b zou hebben, zou die ongetwijfeld vrijdag een toets krijgen waarvoor ik nog wel twee lessen nodig had, en in A4 rekenden ze op een presentatie en dat nog afgezien van andere zaken die uitstel moeilijk konden verdragen. Het zou ook betekenen dat ik de hele ochtend in bed moest liggen met een malend hoofd dat de schade door een andere planning probeerde te herstellen maar waarin ook allerlei onaangenaams opborrelde waar ik nog even geen rekening had gehouden. Uiteindelijk werd de onrust zo groot dat ik ondanks tweede paasdag en ondanks mijn al maanden voortdurende schoolloosheid uit bed stapte en daarom sta ik nu hier en plotsklaps ben ik school kwijt.
Links voor me liggen sportvelden. Ze liggen er al jaren en we hebben er ooit sportdagen gehouden. Rechts bevindt zich een tot voor kort in een uithoek weggedrukte boerderij.
Voor me lag ooit industrieterrein dat daarna jaren braak lag en plaats bood aan één reiger die ik bijna een naam was gaan geven omdat hij en ik daar de enige levende wezens leken, en in mei, juni zag ik er een onafzienbare hoeveelheid klaprozen, die bronnetjes van vreugde en teken zijn van onvervulbaarheid van verlangens.
Maar braak en grondzuivering volgde het grote bouwen en nu staat er het dorp Op Buuren, geschreven met een onwaarachtig archaïserende dubbele u. De bebouwing is eclectisch, hybridisch, anachronistisch, hoe moet ik de bouwstijl noemen? Het is hier al met al een vreemde plek en dat bevalt me wel.
Ik kijk nog even om naar de rotonde die ik zojuist overstak. Fietsers hebben er geen voorrang, maar er is altijd wel een auto die voor je stopt en van de weeromstuit remt ook verkeer van de andere kant voor je af. Vandaag speelt dat allemaal niet: er rijdt niemand.

Vogels onderweg: nijlganzen met vijf kuikens, ganzen met een nest met drie eieren, een distelvinkje (vreemd genoeg niet meer), één ooievaar, reigers, aalscholver, iets wat toch echt een fitis geweest moet zijn, grappig waren twee forse heggen die luidruchtig stonden te tsjilpen, zonder dat zich een mus liet zien.) Nog even naar aanleiding van de naam van de reiger: Lees Mijn vader inspecteerde de Nijl! van Anton Koolhaas, een vergeten novelle.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
6400 meter  04-04-2016

Ik moet orde op zaken stellen. Er dwarrelt en tuimelt teveel door het hoofd. Verplichtingen, toezeggingen. Afgelopen vrijdag ben ik onrustig huiswaarts gefietst, maar langs de Vecht raakte ik de week langzaam kwijt en in de loop van de zaterdag verdween zelfs de laatste vuilprop van school. Dat had ik te danken aan het moedige besluit - het was om 13.00 uur - om de samenvatting van A6 na te gaan kijken. En wel nu.
Erger dan nakijken is de moeite die het kost om de weerzin daartegen te overwinnen. Maar als het eenmaal zover is, lijkt het nakijken zelf een oase van rust. Het was toch Gorter dat ons vertelt dat het verlangen naar het ding teerder is dan het ding? Zo is het, omgekeerd, ook met weerzin.

Als dat corrigeren voorbij is, uren later soms, lijkt het wel of aan alle schoolse verplichtingen is voldaan. Doe ik van de tien klussen en klusjes één hele stevige, dan verdwijnen de andere negen achter de horizon van onrust en geweten.
Tot maandagochtend. Nu word ik besprongen door wat ik meende achter me gelaten te hebben. Het zicht op de wereld raak ik volledig kwijt, hier fietst een verkokerd brein, een driftige calculator, een systeemneuroticus. Fietsend ga ik mijn lessen langs, de tussenuren, de tijd na de lessen en ieder moment prop ik vol met één van die hijgerige bronnen van onrust en andere voornemens. Zo bezweer ik mijn tollerige hoofd en onrustige buik. Een voor een, Len, mompel ik ter bemoediging, one thing at a time. Een voor een, een voor een. Hier fietste jaren iemand die hier niet fietste.

Zodra ik afstap en stilsta verandert alles. Al fietsend bedacht ik wat ik hierboven schreef. Maar nu? Aan de overkant zijn nog de rustige sportvelden, al hoor ik de werkzaamheden van de overkant van het Amsterdam-Rijnkanaal. Intussen word ik hier overspoeld door al dan niet door hun ouders gedragen kinderen en ze groeten me allemaal. Het wemelt plotseling ook van de middelbare scholieren. Ze gaan van rechts naar links (Broklede?) en van links naar rechts (CGU of Niftarlake?). Het is echt een dorp geworden, dat Op Buuren. Er wonen mensen en die leven nog ook.
Honderd meter verderop knalt een vrolijke cabriolet op een zo te zien prachtige fiets. De fietser blijft even liggen. Drie huizen verder, waar ik vaak net zo’n fiets zag staan als mijn zoon heeft, komt een man de deur uit. Hij groet me. Het is ongelofelijk, maar hij lijkt nog op Simon ook. Dan kijkt hij de andere kant op, waar de aangereden fietser intussen is opgestaan. De chauffeur helpt hem. De man die Simon lijkt, trek zijn fiets tevoorschijn - precies de fiets die ik verwacht had – een zet zijn dochtertje in het zitje. Zij lijkt niet op mijn kleindochter.
Maar kijk, de aangereden fiets wordt achterin de cabriolet geschoven en automobilist en fietser stappen allebei in.
Soms lossen mensen hun problemen samen op in deze wereld.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
6600 meter  11-04-2016

Jeremias en Dennis trekken op school maar ook in hun vrije tijd met elkaar op. Dat voert – merk ik tot mijn genoegen – niet zover dat ze elkaar ook ’s morgens al opzoeken om samen de goeddeels gelijke route van huis nog school af te leggen. Jeremias fietst, niet als ik, langs de Vecht en Dennis neemt de Amsterdamse Straatweg. Dat verklaart misschien ook waarom ik Jeremias op weg naar school nooit tegenkwam en Dennis wel, namelijk op het punt dat we nu naderen, want over honderd meter sla ik rechtsaf de Straatweg op en dan kan het zijn dat Dennis, van links komend, bij het stoplicht staat te wachten. Hij is een van de weinigen die ik ’s ochtends wel kan hebben als gezelschap. Daarom zou ik het leuk vinden als Dennis juist langs in de verte langs zou fietsen als ik een foto sta te nemen.
En dat gebeurt nog ook!
Maar mijn vreugde en de kou die mijn toch al moeizamer wordende vingers parten speelt, zorgen ervoor dat ik niet op de opnamenknop druk, maar op het aan-uitknopje ernaast. En terwijl Dennis rustig verder fietst en uit zicht verdwijnt, schuift de lens even rustig en onverbiddelijk naar binnen.
Ik maak alsnog een foto, maar zonder Dennis en wat teleurgesteld berg ik de camera op. Als ik me omdraai, word ik uitbundig begroet door Jeremias.
Intussen houd ik mijn camera weer wat meer binnen bereik en terwijl ik dit stukje schrijf kijk ik telkens op, naar de Straatweg: misschien komt Bea nog langs. Die is altijd wat later.
Vergeefs.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
6800 meter  18-04-2016

Natuur is voor tevredenen en legen.¹’ Van natuur kun je langs de Straatweg weinig meer merken. De eerste jaren dat ik naar school fietste, een andere school, vanaf een ander adres en trouwens ook op een andere fiets, moest ik dwars door de stad en dat beviel me. Natuur was eigenlijk alleen interessant op een goed schilderij, zei ik toen met meer overtuiging dan de waarheid kon verdragen, maar het was wel zo dat ik kon genieten bebouwde straten en ook van halflandschappelijkheid, van industrieterreinen waar functionaliteit en toeval elkaar in schoonheid tegenkwamen.

Zoals hier. En ik waardeer het opnieuw, inclusief het voorbij razende verkeer (o ja, ik liftte vroeger veel), maar voor die waardering moet ik dus wel een lus naar vroeger maken.
Achter de bouwsel aan de overkant van het Amsterdam-Rijnkanaal rijden wel treinen, maar hun geluid wordt altijd overstemd door autoverkeer en werkzaamheden langs het kanaal. Ze kunnen je daarom makkelijk ontgaan, maar als ik er een zie, zie ik ook altijd wel ergens een schip dat het kanaal bevaart.
Volstrekt automatisch wordt dan de jukebox in mijn hoofd ingeschakeld en klinkt Trains and boats and planes² van Dionne Warwick, met die irritante klik waar in het midden van de jaren zestig orkesten voor lichte muziek zich aan verslingerden.
Voor de Dritte im Bunde hoef ik mijn best niet te doen, want even verderop staat al jaren een sportvliegtuigje op een dak, dus ik hoef de lucht niet af te speuren.
Trains and boats en planes, nu voor het zestiende jaar in rij een ongewenste hit in de jukebox van Borgdorffs Bovenkamer.
Luister maar.

Len Borgdorff

 ¹ Het begin van Bloems bekendste gedicht De Dapperstraat: Bloems
 ² Dionne Warwick Trains and boats and planes: Trains etc.

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
7000 meter  25-04-2016

Zodra het om onderwijs gaat krijgen woorden als geloof en religie voor mij een heel andere, een negatieve betekenis. Ik denk dan vooral aan ´niet weten´ en toch maar doen, onvoldoende nadenken over de consequenties, een gebrek aan nuance en begeleiding voor docenten, bij herhaling iets roepen totdat iedereen het nazegt, iets te rigoureus afdwingen met formele maatregelen. Veel geblaat en weinig didactiek.
De invoering van de Tweede Fase indertijd bracht ook het studiehuis uur met zich mee. Er waren van wat vakken uren afgeschraapt, ook van Nederlands, en die werden ingezet als uren voor zelfstudie en studieus overleg in een studiezaal. Meestal was die, ook op de school waar ik werkte, gekoppeld aan de bibliotheek (die we mediatheek moesten noemen). Er moest toen steeds een docent aanwezig zijn, om leerlingen verder te kunnen helpen als er vragen waren. Dus ook op mijn rooster stond een studiehuisuur, en wel op maandag het eerste uur.
Nu is maandagmorgen kwart over acht niet het moment waarop zestienjarigen er in alle vrijheid voor kiezen om zich in grote zaal in een studieboek te storten, dus zaten Patricia, de bibliothecaresse (die niemand overigens mediathecaresse noemde), en ik daar meestal samen. Zij zorgde voor de koffie en samen namen we het weekend door, of we vonden wel iets anders om over te praten. Heel soms was er toch een leerling en nog somser vroeg iemand of we even stil konden zijn.
Op dit moment passeer ik het huis waar Patricia woont. Het is maandagmorgen kwart over acht. Zou het te vroeg zijn om aan te bellen voor een kop koffie?

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
7200 meter  02-05-2016

Ik zeil de brug af waarvan ik sinds vorige week pas weet dat hij Op Burenbrug heet, met één u gelukkig. De afdaling is vriendelijk en dat is ook de klim, al is het wel verstandig om iets meer kracht te zetten: behoud van tempo maakt fietsen lichter.
Meestal hebben jongetjes uit de onderbouw van de middelbare school het te druk met elkaar om zich met zoiets bezig te houden en daarom zoef ik ze voorbij, bedacht op een onverwachte slinger van een van hun fietsen. Maar eenzame brugjongens kunnen er helemaal wat van, die leven zo verdroomd dat het nog een wonder is dat ze hun fiets in balans weten te houden. Totdat zo’n brugslak merkt dat ik bezig ben hem in te halen.
Dan schiet hij, eensklaps wakker geschud, vooruit om mij vooral voor te blijven en na het hoogste punt van de brug gaat dat helemaal makkelijk en snel. Je begrijpt dat ik verblik nog verbloos en me keurig aan mijn eigen snelheid houd van achttien, vooruit in de afdaling even 22 kilometer. Als hij slingerend omkijkt, constateert de komeet vergenoegd dat onze afstand behoorlijk groot is geworden.
Maar als hij dat twintig seconden later weer doet, ziet hij dat ik al weer dichterbij gekomen ben. Weet versnelt het jongetje, zij het met iets minder overtuiging. En dat herhaalt zich tot ik hem straks, bij de 7800 meter weer in haal. Als een onbewogen beweger. Als een ding, nee, alsof het niet gebeurt. We kijken strak voor ons uit. Groeten niet. Ik besta niet meer voor de jongen. En hij niet voor mij. Lucht passeert lucht.
Maar we weten wel beter.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
7400 meter  09-05-2016

Het huis tegenover mij, Olde Hoeven, is waarschijnlijk van alle gemakken voorzien. De oprit wordt gemarkeerd door twee pilaren met op elk een versteende fruitmand. Archaïserend, want nieuw, waaruit dan wel weer veel liefde blijkt. Veel ouder is de ingang tien meter verderop, schuilgaand in een heg, de pilaren daar zijn van die buikige negentiende-eeuwse gevallen. Dat ik dit huis ooit meelijwekkend lang leeg heb zien staan, verbaast me nog steeds niet. Niet vanwege de fabriek ernaast waar glas-, papier- en ik-weet-niet-wat-voor-andere afvalbakken geproduceerd worden, al helemaal niet vanwege het Amsterdam-Rijnkanaal dat achter het huis stroomt, maar wel vanwege de ongelofelijk drukke Straatweg en al helemaal vanwege de Zuilense Brug waarover het verkeer via Utrecht de weg naar Amsterdam zoekt en die dus voor veel lawaai zorgt. Het viaduct (brug is een eufemisme) houdt het huis permanent gevangen in veel schaduw en biedt een dodelijk uitzicht.
Maar ik zit aan de overkant van de Straatweg, op een muurtje, met achter mij Vecht en Dijk, een achttiende-eeuws landhuis, gelegen aan de Vecht. Ja, Vecht en Kanaal zijn beide onzichtbaar, maar stromen hier maar vijftig meter van elkaar. Fascinerend, maar ook dodelijk vanwege die brug die geen brug is maar een viaduct.

Hier bevond zich ooit een indrukwekkend landgoed, maar nu? Het is toch niet mogelijk om te midden van overdonderend geluid een plek van stilte te handhaven. Het is de meest onbegrijpelijk plek op mijn weg naar school. Zoveel schoonheid en zoveel lelijkheid, zoveel verleden en zoveel geschiedenisloosheid. Toen ik nog een rode Renault Scenic had, stond er hier ook altijd eentje: alsof ik daar woonde…
Ik zou gillend gek worden. Toch hoop ik dat anderen daar anders over denken en dat het anachronisme dat Vecht en Dijk heet zich nog lang weet te handhaven.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
7600 meter  16-05-2016

Of op de afvalbakken, glas- en andere containers langs de openbare weg altijd de naam van de producent vermeld waag ik te betwijfelen. Daar heb ik eerlijk gezegd nooit op gelet. Wel is de kans groot dat de bak hier vervaardigd werd, bij Bammens. Weliswaar nodigt dit deel van de Amsterdamse Straatweg er weinig toe uit om naar links of rechts te kijken, maar vandaag heerst de rust, het is tweede pinksterdag. Op doordeweekse dagen is het hier druk en dan komst er op deze plek ook nog eens verkeer bij dat het bedrijfsterrein op of af wel, of dat kiest voor het parkeerterrein aan de andere kant van de weg, wat weer tot gevolg heeft dat hier veel mensen oversteken. En o ja, honderd meter verder is ook een onoverzichtelijke rotonde. Maar rustig of druk, er is geen excuus: de enorme afvalbak links langs de weg kan je moeilijk ontgaan.
En toch, terwijl ik dit schrijf, begint het achtjarige jongetje dat ik ooit was zich in me te roeren en ik ga me steeds meer schamen. Waarom heb ik nooit de moeite genomen om op een container of afvalbak elders in den lande naar de naam van de producent ervan te zoeken? Daarmee doe ik niet alleen dit al meer dan honderdvijftig jaar oude bedrijf maar ook Maarssen tekort. Want stel je nou eens voor dat Nederland bezaaid is met bakken van Bammens, dan straalt zoiets ook af op de plaats waar het bedrijf gevestigd is.
Het laat zien waarin dit bescheiden dorp groot is!
Vroeger gloeide ik wel een beetje als ik ergens op de grote weg, ter hoogte van het verre Utrecht bijvoorbeeld, een vrachtwagen zag rijden van Van Spronsen uit Monster. Uit Monster ja, dat bescheiden Monster waar toevallig wel mijn wieg stond, maar waar dus ook die grote vrachtwagens van Van Spronsen vandaan kwamen of naartoe terug keerden, toevallig wel. Maar nooit checkte ik afvalbakken op hun herkomst.


Len Borgdorff

Voor meer informatie kun je terecht op: bammens.com. Leuk is het 65 jaar oude promotiefilmpje over de vervaardiging van vuilnisemmers: promotiefilmpje

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
7800 meter  23-05-2016

Ik rijd langs de Friezenbuurt, een wijkje dat zijn naam dankt aan arbeiders uit Friesland die mee verhuisden naar Maarssen toen een kleine eeuw geleden de UTD zich daar vestigde.
Maar ik heb mijn hoofd meer bij eendjes. Een paar weken geleden, ik zat ik in Italië, stuurde Ingeborg me een foto van de eendjes van 2016. Dat zit zo. Iedere jaar komen er in de binnentuin van de school eendjes uit hun ei. Via de personeelskamer, een gang en een stukje schoolplein worden ze, vooral door voortvarende conciërge Nico, naar buitenwater geleid. Dat gebeurde al een jaar of twintig.
Het eerste jaar dat ik dat mee mocht maken, was 2001. De reactie van het personeel op die gebeurtenis, maar ook de manier waarop er naar het grote uitkomen werd toegeleefd, zorgden er voor dat ik me hier ineens helemaal thuis voelde.
Er waren wel schoolregels, beleidsplannen, ik was de verbazing nog niet te boven over een stafraad die nog jaren zeventigachtig parlementje wilde spelen, er werd gemopperd, kortom er was een organisatie die evengoed kleurrijk kon zijn als bloedeloos, maar door de zorg om de eendjes werd me duidelijk dat hier betrokken mensen rondliepen. Ik geloof bij organisaties minder in de letter, ook niet als mensen de kwaliteiten van hun eigen club gaan benoemen (‘wij hebben zorg voor onze leerlingen’, ‘wij zijn een warm bad’ en andere prietpraat), maar des te meer in de toevallige geest die over mensen vaardig wordt als er wat eendjes van hen afhankelijk zijn.
Een paar weken geleden kreeg ik dus dat berichtje van Ingeborg en dat deed me goed, Maar toen ik vroeg of er meer kleintjes waren dan de drie op de foto, appte zij terug dat de eendjes niet zo’n item waren op school. Men hield zich bezig met andere dingen.
Sindsdien maak ik me zorgen over de school.


Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
8000 meter  30-05-2016

Nu ik dichter bij school kom, hoor ik er steeds minder bij. Fietsers op weg naar hun werk of naar school kijken vreemd op van de man op het walletje dat fietspad en rijweg van elkaar scheidt. Hier zit men niet, hier trapt men zich voort. Dit is geen plek om te zijn, maar deel van de lijn die voert van zeer variabel A naar een iets minder variabel B, al denken de bewoners van nummer elf, het huis tegenover mij, daar waarschijnlijk iets anders over.
Bij de afdaling van de brug een kilometer terug werd ik ingehaald door collega Jerry. We fietsten een stukje gelijk op. De ongevraagde hoogtepunten van school betroffen het plotselinge vertrek van de rector, waar op school verder eigenlijk niet veel van te merken was, de verplaatsing van het eindexamengala naar een andere locatie en het naderende afscheid van college Paul. Toen moest ik afstappen om dit stukje te schrijven.
Collega Ronnie fietst langs. De blik is gericht op een punt dat minstens tweehonderd meter verder ligt, de oren gaan schuil onder een koptelefoon. Hij ziet me niet. En even later toch weer wel. Vijftig meter verderop draait hij zich om een roept alsnog een groet. Even plop ik op uit de randen van zijn bestaan.
Er passeert er een groepje en als het voorbij is hoor ik nog net iemand tegen zijn bentgenoten zeggen: ‘Hé, dat was…’ De rest verwaait.
Marije die vorig jaar in A2c zat fietst bevreemd glimlachend langs. Wat doe ik hier ook?
Maar dan stopt Paul. ‘Ik had het net over je met Jerry,’ zeg ik. Dat boeit hem maar matig. Hem houdt meer de vraag bezig of ik verkeersteller geworden ben. Dat ben ik niet, maar ik zit hier prima. We spreken af dat hij vanaf het volgende schooljaar naast me komt zitten. Maar hij doet dat liever op een terrasje ergens in Maarssen.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
8200 meter  06-06-2016

Dit is een gevaarlijk punt op de route, vooral voor fietsers die van Maarssenbroek naar Utrecht gaan. (‘Hé, Len!’ –‘Hoi.’) De afdaling van de Hoge Brug zorgt voor een aantrekkelijké snelheid , maar pal voor de rotonde moet je ineens rechtsaf en oversteken. Zelfs (‘Goedemorgen mees!’ – ‘Voor jou ben ik meneer!’) je hand uitsteken, onontbeerlijk, is al een handeling die niet zonder risico’s is.
Het fietspad ligt langs de weg, links. Dus automobilisten op dit toch al onoverzichtelijke punt kunnen plotsklaps geconfronteerd worden met overstekende fietsers juist op het moment dat ze opgelucht de rotonde menen te kunnen verlaten. En die overstekende fietsers komen niet van links of rechts, nee zij reden twee tellen geleden nog maar met je op of ze kwamen je tegemoet en en nu, tussen wallen, struikjes en heggen vandaan, zetten zij hun voorvork voor je bumper. (‘Dag meneer!’ – ‘Hallo.’).
Een paar jaar geleden kwam ik op weg naar huis de Hoge Brug afgezeild. Ik stak mijn hand uit, de automobilist die mij tegemoet kwam, gaf me met een elegant gebaar te kennen dat hij me gezien had en dat ik rustig kon oversteken. Maar ik zag ook de auto (‘Wat zit Borgdorff daar nou toch te doen?’ ‘Hoezo Borgdorff?’ …) achter hem en stopte toch. Waarop de auto met de elegante chauffeur plotseling een sprong maakte en op de plaats terecht kwam waar ik zou zijn geweest als ik van mijn rechten als verkeersdeelnemers gebruik had gemaakt. Nu bleef de schade beperkt tot ingedeukte bumpers en kapotte lampen. Dat denk ik; ik ben rustig om de auto’s heen gefietst.
Het verbaast mij iedere keer weer dat hier zo weinig ongelukken (Getoeter en een zwaaiende hand, zie ik) gebeuren. Onze lieve Heer zal aan dit plein zijn handen vol hebben. ‘Echt weer een geval van mensenwerk.’

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
8400 meter  13-06-2016

De Hoge Brug biedt uitzicht op het Amsterdam-Rijnkanaal en dat kanaal is de poort naar de wereld. Op de lagere school, in het klaslokaal dat er uitzag als al een klaslokaal van ruim een halve eeuw geleden hing uiteraard een wandkaart van Nederland en die kaart was nieuw. Er was meer nieuw op school: wij mochten een keer met balpen schrijven en hoewel wij nog in schoolbanken moesten schuiven, zat mijn broertje al in een klas met losse tafels en stoelen. Het meeste was oud, zelfs de meester was over de vijftig, maar er zat een nieuwe wereld aan te komen, ze rukte aan haar ketenen om zich te bevrijden en zich vol op ons te storten.
Dat de wandkaart nieuw was kon je niet alleen zien aan de Noordoostpolder, maar ook aan het Amsterdam-Rijnkanaal . Dat had de uitgever erop af laten drukken. Op de kaart ontbrak weliswaar ons dorp, ook al had de meester met rode pen een dikke stip gezet, maar het kanaal dat net zo jong en veelbelovend was als ik en de wereld die mij wachtte, stond er echt op. Dit kanaal, deze verbinding tussen de hoofdader van Europees welvaren en de stad die ooit zelfs de belangrijkste stad van de wereld was.
Toen wij op een zondagmiddag terugreden van Utrecht, maar het kan ook Amersfoort geweest zijn, naar die stip in het westen die de meester zelf op de kaart moest zetten, kwamen we over het Amsterdam-Rijnkanaal. Mijn vader zei het. Ik zei niks, maar was diep onder de indruk. Ik was waar ik was en dat was op de brug over het Amsterdam-Rijnkanaal. Zoveel euforie had de Maastunnel mij nooit gegeven.
De volgende ochtend vond ik een moment om met mijn vinger over die veelbetekenende lijn op de kaart in het lokaal te gaan. Mijn wereld, een nieuwe wereld.
Jaren later liep ik eens bij Dar es Salaam naar de Indische Oceaan, samen met mijn zus. ‘Ah,’ riep ik, ‘het Amsterdam-Rijnkanaal!’ Zij begreep me niet.
En nu sta ik op de Hoge Brug. Mijn manen wapperen in de wind. Ik spring op mijn fiets. De wereld roept, de nieuwe wereld. Mijn wereld.


Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
8600 meter  20-06-2016

Dennis reed me zojuist voorbij. Hij toeterde een keer, waarschijnlijk een automatisme zodra hij me herkende. Hij toeterde een tweede keer, waarschijnlijk om aan te geven dat het echt voor mij bedoeld was en dat ik meer eens goed moest kijken, want dan zou ik zien dat hij, Dennis, het was die de claxon bediende. Ik herkende zijn auto en toen hij op 8200 meter de rotonde nam, zag ik ook even zijn gezicht. Hij keek om, een gevaarlijke manoeuvre daar. Als ik niet als fantoomdocent onderweg naar school geweest zou zijn, maar als vertegenwoordiger van de real reality, zou ik waarschijnlijk ook de auto gepakt hebben vandaag, want het regent. En anders had ik als zoveel anderen een onherkenbaar makend regenpak aan gehad, mét de regensloffen om mijn schoenen die ik in 2000 van Sinterklaas kreeg. Nu zit ik kletsnat op de fiets, wel met een petje, maar ook met slippers en een korte broek. Een outfit die me voor passerende leerlingen al even onherkenbaar maakt.
In de afdaling van de Hoge Brug is het even uitkijken geblazen omdat een gedeelte van het fietsersvolk ineens rechtsaf kan slaan en dus afremt en vanwege de bocht even naar links uitwijkt. Nu is rechtsaf slaan minder riskant dan naar links gaan (wat hier helemaal niet kan), maar toch…
Wel vraag ik me af waarom een deel van de kinderen rechstaf gaat. Ik herken een aantal gezichten terwijl ik hier sta als gezichten van de school waar ook ik naartoe onderweg ben. De weg naar rechts betekent dat je niet langer profiteert van de aangename afdaling, sterker nog: na de bocht naar rechts volgt een tweede en na een steilere afdaling van veertig meter moet je scherp naar links. Dat is helemaal niet comfortabel. Zo moet je langs het winkelcentrum met allerlei vertroebelend oversteken en die route is nog iets langer ook. En kijk, daar gebeurt het. Twee vriendinnen naast elkaar. De rechter wil rechtdoor en de linker rechtsaf. Die draait spontaan haar voorwiel in de trapper van haar vriendin. Gelukkig blijven ze nog overeind.
Gelukkig levert de boom waaronder ik sta te schrijven enig soelaas, maar mijn boekje wordt nat en de inkt loopt bij het schrijven meer uit dan ik verwacht zou hebben van een balpen. Het liefst zou ik even hebben aangebeld bij Willeke, maar nu is het daarvoor nog veel te vroeg. Daar had ik droog, met een kop koffie en met riant uitzicht beschrijven wat er na 8600 meter op de weg naar school allemaal gebeurt.
Langs de Vecht zag ik trouwens grauwe ganzen met kuikens. Dat is in geen jaren meer gebeurd. Wel waren er altijd witte en grauwe ganzen, en in het voorjaar zag ik eieren en werd er gebroed, maar nu pas zag ik daarvan weer enig resultaat. Ze struinden door het natte gras op zoek een droge plek waar koffie geserveerd wordt.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
8800 meter  27-06-2016

God bestaat en het ziet ernaar uit dat ik ook de volgende keer, of ik nu wil of niet, iets zeggen moet over de gevaren die een fietser hier bij Maarssenbroek heeft te trotseren, ook nu intussen auto- en fietsverkeer eindelijk volkomen gescheiden zijn.
De afdaling die 400 meter geleden op de Hoge Brug werd ingezet, nadert hier haar voltooiing. Fietsers hebben ondertussen genoeg tijd gehad om een enorme snelheid te ontwikkelen. Maar de flauwe s-bocht waarin de afdaling eindigt is ook deel van een kruising. Fietsers die op hun dooie gemak van rechts de woonwijk uitfietsen, hebben voorrang! Gelukkig maken deze fietsers om veiligheidsredenen doorgaans geen gebruik van dat recht, weet ik uit ervaring en zie ik nu telkens bevestigd, maar een ongeluk is altijd uitzondering op de regel.
Iets verderop, bij het stukje van volgende week, ronden fietsers uit tegengestelde richting met een eigen afdaling net achter de rug een haakse bocht die elke verkeersdeelnemer het uitzicht belemmert. Nu pas valt me op dat werkelijk iedereen de bocht afsnijdt en dus steeds gebruik maakt van het deel van het fietspad dat voor de tegenliggers is bedoeld. Veel fietsers, kleine brugklassers op hoge fietsen met grote voorbagagedragers – o, wat ziet het er allemaal alarmerend onbeholpen uit – komen relaxt pratend en freewheelend maar met hoge snelheid naast elkaar de Hoge Brug af gezeild, terwijl ze zich laten inhalen door solistische wielrijders die extra moeten bijtrappen om te voorkomen dat ze niet op een naderende tegenligger knallen. Intussen passeren Bea en Jerry. ‘Hallo!’ roept Bea verrast. Dat is waar ook, eind vorig jaar kocht ze een nieuwe fiets, een blauwe. Ik was het vergeten.
Zij komen zo meteen op school. Ze lopen naar binnen en zien nog juist Liesbeth van de administratie met koffie haar kamer binnenglippen, zoals iedere ochtend om acht uur. En als ze de personeelskamer in lopen horen ze de schaterende lach van Erica en Jantine, bij de tweede statafel, terwijl Uberto even iets in de koelkast legt. Het zijn vaste patronen.
Maar hier op 8800 meter dringt weer eens tot me door dat die zogenaamde patronen, die suggereren dat het leven zijn vaste, slome en weinig enerverende gang gaat, schijn zijn. Ze bestaan bij de gratie van een zeer alerte voorzienigheid die er met een uitgebreide engelenschare de handen aan vol moet hebben om ervoor te zorgen dat duizenden en nog eens duizenden ongelukken niet gebeuren.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
9000 meter  04-07-2016

De wereld glanst op de veren van de ganzen, op de snavel van de reiger in de verte en op de vacht van de konijntjes die ik in het weiland zie scharrelen, maar de ooievaars zien er vuil uit. Waarom staan ze trouwens zo dicht bij de ganzen? Een vredig tafereeltje, jawel, maar ik vertrouw die ooievaars niet helemaal. Zijn er nog ergens ganzeneieren of kleine gansjes misschien?
Bij de 7000 meter zie ik Bea fietsen. Ik doe wat ik altijd doe ter voorbereiding van een ontmoeting op de fiets en snuit mijn neus. Dan pas haal ik haar in. We fietsen we samen verder, hebben tweeduizend meter de tijd om haar schooljaar door te nemen. Zij geeft dat een plus. De leeuwen en beren die vorig jaar haar pad leken te kruisen zijn op ruime afstand overgestoken of werden weggejaagd. Nu nog een paar dagen rapport- en andere vergaderingen en wat opruimen en dan zit het er weer op. En inderdaad. Het is opvallend stil onderweg. Geen leerling meer te bekennen. Voorbij de bocht waarover ik toch maar niet zal schrijven, legt ze haar hand op mijn arm. Ze had me al eens willen spreken. Het kwam er niet van, maar dat gaat binnenkort toch echt gebeuren. Ze belt wel. Dan fietst ze verder.
Terwijl ze verdwijnt, neemt een gevoel van onbehagen me in beslag dat me de afgelopen tijd al vaker parten speelde en dat gisteren een enorme impuls kreeg toen ik sprak met de grootvader van Tim. ‘Hoe gaat het met Tim?’ vroeg ik en opa vertelde me dat hij met zijn studie ging stoppen. Hij haalde het eerste jaar wel, maar de studie technische bedrijfskunde in Eindhoven bracht hem niet wat hij ervan verwacht had. Nu zou het wiskunde worden, in Utrecht, lekker dichtbij. Maar stond Tim op mijn lijstje van doorstomers! Dit is een tegenvaller.
Twee weken geleden was ik op het examenfeestje was van een leerling die het vorig jaar niet had gehaald maar nu wel. Daar bleek dat drie van de tien daar aanwezige oud-leerlingen binnen het jaar met hun studie waren gestopt. Eén was er volstrekt voorspelbaar, maar voor die anderen gold dat al veel minder. Het ging hier om vwo-leerlingen, en dan te bedenken dat bij havisten uitval en studiehopperij nog veel erger is . Al jaren. En we lossen het maar niet op.
Alsof we leerlingen op de middelbare school een diploma laten halen om ze daarmee binnen de kortste keren met verkeerde verwachtingen op hun bek te laten gaan. Dat ergert me en het ergert me ook dat ik daar dus blijkbaar ook in mijn laatste schooljaar niets aan heb weten te doen. Ik gun iedereen het recht om door schade en schande groot en wijs en oud en desnoods invalide te worden, maar hier lijkt het erop dat het onderwijs moedwillig een valkuil in het systeem heeft gegraven.
Maar goed, de zon schijnt. Alleen die ooievaars bij de ganzen vertrouw ik niet helemaal. Ik fiets terug om te kijken of het wel goed gaat daar. Ja, ik heb het druk. Drukdrukdruk.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
9200 meter  11-07-2016

De Hoge Brug is onvermijdelijk. Ik heb er alle begrip voor dat men daar de fietsers flink laat klimmen en in een duizelingwekkende vaart omlaag duwt, terwijl bochten en ander verkeer hen in levensgevaar brengen.
De pedalerende diehards moeten vervolgens via fly-overs ook nog doen alsof ze, onder veel minder idyllische omstandigheden, enkele Limburgse heuvelen nemen. Men wil fiets- en autoverkeer van elkaar gescheiden houden, dat begrijp ik. Maar waarom gaan de auto’s dan niet de lucht in, waarom mogen niet de fietsers de platheid van het Maarssenbroekse bestaan bevestigen? Het zou met geluidsoverlast en energieverbruik te maken kunnen hebben, maar ook als er een reden is, dan nog verandert dat niets aan het feit dat ik me hier, boven op de fly-over, los van mijn aarde en ver van de hemel, ontheemd voel.
Ontheemd en gevangen. Langzaam maar zeker fiets ik een fuik binnen, hekken links en rechts. Ik kan geen kant meer op.
Nu heb je doorgaans geen tijd om dit allemaal te bedenken als je hier fietst. Hoe dichter bij de school, hoe drukker het namelijk wordt. Meestal moet ik hier drie naast elkaar fietsende, giechelende meiden passeren.
Ze slingeren met hun veel te grote fietsen, met bebloemde sturen en een zinloos maar angstaanjagende krat op de voorvork. Ze liggen waarschijnlijk nog op bed, elk zonder de ander om mee te giechelen en te slingeren.
Ik mis ze.
Alleen iemand die niet naar school hoeft, gaat erheen, eenzaam zwevend tussen niets en nergens.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
9400 meter  18-07-2016

Bovenop het appartementencomplex bij het zwembad zit een meeuw. Hij zit er al een tijdje zachtjes maar onmiskenbaar te klagen. Misschien wacht hij wel op het brood dat scholieren doorgaans nonchalant naast een prullenmand gooien. Maar dan wacht hij tevergeefs, want ze komen niet vandaag. Nog weken en weken zullen ze weg blijven. ‘Ga terug naar de kust,’ roep ik. De meeuw luistert niet.
Ik heb Maarssenbroek altijd een onaangename plaats gevonden. Lelijke huizen in een labyrint van woonerven waarvan iemand claustrofobisch of gevoelloos wordt, misschien zelfs wel pvv’er.
Na schooltijd zie ik wel eens leerlingen zitten die hier in de buurt wonen, op een bankje bij het water waarin wat eenden zwemmen die intussen alle hoop op een carrière hebben opgegeven.
Nu zijn pubers van zichzelf al een meelijwekkend ras, maar dat zijn ze helemaal als ze op een bankje in Maarssenbroek zitten, naar eenden kijken en zeggen moeten: dit is mijn thuis.
Ik heb altijd erg met ze te doen gehad, met die Maarssenbroekse pubers. Dat zal ook wel de reden zijn waarom ik hier ziel en zaligheid aan mijn leerlingen heb gegeven.
Nu liggen ze nog te slapen, straks slepen ze zich uit hun bed, slenteren ze misschien naar een bankje aan het water of lopen ze doelloos rond in winkelcentrum Bisonspoor.
Wat is de zin van hun bestaan, zonder hun school, zonder hun docenten?

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
9600 meter  25-07-2016

‘Afremmen…, stoppen…, goed kaaikuh…. Doorfietsuh.’
Er rijden een moeder en haar dochtertje voorbij. Het meisje, niet ouder dan vijf, krijgt en passant haar eerste verkeersles. Ze komt niet op het idee om niet naar haar moeder te luisteren. De twee kunnen recht oversteken en de houten brug nemen. Niks aan de hand.
Dat is anders wanneer je ’s winters links- of rechtsaf moet slaan om dit bruggetje te nemen, want de kans op gladheid op deze plaats ligt ver boven het Nederlands gemiddelde. Daar ben je niet op bedacht, met als gevolg dat ik hier veel leerlingen, zo dichtbij de school, onderuit heb zien gaan. Zelf is het mij nooit overkomen, niet hier.
Ik moet aan Anouk denken. Die kwam een keer te laat in de les, een vrijdagochtend in de winter, het eerste uur, jaren geleden. We zaten in een computerlokaal. Ze kwam binnen met een groot gat in haar broek en een verse wond. Een echte schaafwond omzoomd door een gat dat niet door de producent al voor verkoop van de broek was aangebracht. Ik liet Anouk binnen zonder om een telaatbriefje te vragen.
‘Meneer,’ vroeg ze na aan minuut of tien, het klonk aangeslagen, ‘mag ik alstublieft even naar huis voor een andere broek?’ ‘En dan weer diezelfde brug over, zeker?’ ‘Ja,’ zei ze, ‘ik zal voorzichtig zijn.’
Het was niet echt, dat aangeslagen toontje niet, die braafheid niet. Het waren ijdelheid, escapisme en puberteit; daarom vroeg ze dit en dat dan met een toontje waarmee ze niet alleen haar docenten om haar vinger te winden wist te winden, maar ook zichzelf. Als je zielig doet, word je het ook.
‘Als je maar voor het eind van dit uur terug bent.’ Zo is het gegaan.
Toen Anouk aan het eind van het schooljaar niet overging naar havo 5 verliet ze de school. Ooit, in de mavo-brugklas was er haar alles aan gelegen geweest om in havo 2 terecht te komen. Dat was haar gelukt, maar in havo 3 sloeg de puberteit toe, kwam dat zielige toontje. En toen ze in havo 4, om precies te zijn: op die vrijdagmorgen in december of januari, wist ik dat ze het niet zou redden.
Maar goed, waar hebben we het over. Het is juli, de brug is droog en de school is dicht.

Len Borgdorff

___________________________________________________________________________

Ik leg de jarenlange weg naar school opnieuw af. Elke week schuif ik 200 meter op.
9800 meter De laatste! 01-08-2016

Alles is uit de kast gehaald om ervoor te zorgen dat ik me hier nooit meer zal vertonen. Het hek waardoor ik altijd, alsof het een artiesteningang was, het plein op fietste is op slot. Er wordt wel gedreigd met cameratoezicht. Ik voel me miskend: ik moet de motoren uitdoen, maar ik heb niet eens een e-bike en zelfs met deze fiets lukt het me niet om door het hek te komen. ‘Verboden toegang voor onbevoegden’ staat er ook nog eens. Nu heb ik al 43 jaar een lesbevoegdheid, maar dat zullen ze wel niet bedoelen. Ik denk dat ik linksom of rechtsom tot de onbevoegden gerekend wordt en niet welkom ben. Waarom hangt er trouwens niet een bordje met ‘Hartelijk welkom op het Niftarlake College’?
Graag zou ik gebruik gemaakt hebben van het afdakje dat ooit werd aangebracht om docenten ter wille te zijn die het roken niet konden laten. Dat verloor zijn functie jaren geleden al toen de school besloot van gebouw en plein een rookvrij terrein te maken. Zelf ben ik nog veel langer rookvrij, maar dat maakt het er allemaal niet uitnodigender op: om bij het afdakje zou ik toch eerst dat onneembare hek door moeten.
Het regen intussen steeds minder zacht. Zelfs mijn Parkerpennetje glijdt over het natte papier van het notitieblokje zonder amper een spoor van inkt achter te laten. Gelukkig bieden de bescheiden eiken nog enige beschutting en nu hoop ik maar dat daar geen eikenprocessierupsen in zitten.
Dat zouden dan de enige zijn die hun opwachting maken bij mijn aankomst. Er is hier niemand.
Vannacht droomde ik van de eerste dag na de vakantie. Ik stond toch weer voor de klas, maar ik had geen boeken. Vwo 5 kon ik nog aan het werk zetten, maar pas nadat ik om zonder boeken toch te imponeren en niet bij voorbaat al te verliezen wat ik nog te winnen had, twee jongens op de gang had gezet, wat in het gunstigste geval hooguit een ontmoedigende overwinning oplevert. Via mij onbekende kruip-en-sluip-doorgangetjes vond ik mijn weg naar de administratie, met mensen die ik niet kende en die me niet aan boeken konden helpen. En een lesrooster hadden ze ook niet. Wat had ik hier nou aan? Waar was de hulp van collega’s? Iemand had me mijn boeken moeten brengen! Herry had dat moeten doen! O nee, die was met pensioen. Ik wist ook wel beter: ik moest het bij mezelf zoeken. Het is allemaal een kwestie van goed voorbereiden. Ik had dit zelf voor kunnen zijn. Goed voorbereiden, daarmee begint het en daarmee eindigt het.
Gelukkig heb ik een regenjas meegenomen. Ik heb hier niets meer te zoeken. Ik ga naar huis.


Len Borgdorff