Een zachte berm

Len Borgdorff schrijft en fotografeert

  Dagboekverslag over Assisi

En wat zij zongen was het Zonnelied   

25 Reisgenoten bezochten Assisi, 13 parochianen van de Pauluskerk, vijf oud-seminaristen, andere vrienden, en drie wijkgenoten uit de protestantse Tuindorpkerk. Ik ga mee met een bijzondere missie: leren houden van het Franciscus’ Zonnelied. De reis is nog veel aangenamer dan ik had verwacht. Wat wil je ook met zo’n omgeving, zulke verhalen en vooral, zulke reisgenoten. Maar de missie zelf is niet geslaagd.’ Hieronder het verslag van dag tot dag zoals ik dat, behalve het slot, ’s avonds aan de groep voorlas.

        Vrijdagochtend 22 september. Het Zonnelied van Franciscus bestaat in allerlei toonaarden. Gisteravond zongen we op een terras in Assisi een versie die ik niet kende, de tekstversie niet en ook niet de melodie. In elk geval gold dat laatste ook voor anderen, maar met zes coupletten en even vaak herhaalde refreinen werd onze muzikale trein steeds meer in zijn ijzeren spoor getrokken.
Geprezen O Heer, en geloofd en gedankt om Uw schepselen die U dienen; laudate e benedicete mi Signore, laudate.

We kennen die grote woorden wel. Religieuze muziek grossiert erin. De tien-minner die ik ooit was, zwolg van het ‘Heilig, heilig, heilig, Heere God almachtig, vroeg in de morgen wordt u mijn zang gewijd.’ Het lied kan me nog wel beroeren, maar dat heeft vooral met het zwelgen en schwärmen te maken van het jongetje dat ik ooit was, voor het overige glijden grote woorden langs me af als een druppel water over mijn fietstentje.
Nu heeft Franciscus er met zijn lied iets stoffelijkers van proberen te maken door te zingen van zuster maan, moeder aarde en broeder vuur, maar die merkwaardige intimiteit met elementen en hemellichamen is niet de mijne en bezingt hij niet zozeer ‘broeder zon’, maar wenst hij de Allerhoogste toe dat die door de vurige bal bezongen zal worden. Ik weet het, maar ook nu - ik luister tijdens het schrijven van dit stukje op de iPad naar wat varianten van het lied  - klinkt bij zuster dood in gedachten dwars door het koor de volledig naar de challemiezen geholpen stem van Marianne Faithfull, maar die zingt van Sister Morphine.

        Het is vrijdagochtend, acht uur. Ik zit weer op mijn hotelkamertje achter een bureau waarover ik mijn boerenbonte zakdoek als allesbedekkend tafelkleed gedrapeerd zou kunnen worden. Straks gaan we Assisi in, eerst naar het graf van Franciscus in de San Francesco, daarna naar de fresco's die wel of niet van Giotti zijn. Je kunt niet zeggen dat ik er niet alles aan doe om me het Zonnelied eigen te maken. Ik ben benieuwd wat ik er vanavond van vind.

        Het is inmiddels vanavond. Ik zag de tombe van Franciscus, een wat merkwaardig hoog opgetrokken bemuring van een waterput leek het, aan het eind van een kapel. Er stonden twee boodschappenmandjes voor waarin je de kaarsen kon deponeren die je aan het andere eind van diezelfde kapel kon kopen. Ik telde er in de gauwigheid tweeduizend. Die kaarsen koop je, leg je in een mandje en als het mandje vol is, wordt het, zo stel ik me voor, teruggebracht naar de ingang om daar het aantal van tweeduizend weer vol te krijgen. Zoiets zal wel gedaan worden door een franciscaner monnik, iemand die ooit een gelofte heeft afgelegd en nu het koninkrijk Gods dient door volle mandjes te legen en kaarsen te stapelen. In de traditie van Franciscus is geen enkel werk te nederig. In tegendeel, zou ik willen zeggen. Maar nader tot deze heilige bracht mij dit niet. En ook niet tot zijn Zonnelied.

Later, in de San Rufino, bezochten we het doopvont van waaruit zowel Franciscus als zijn vrouwelijk evenknie (ik zal het bij zoveel celibataire heiligheid maar niet over een rib hebben) werden gedoopt, Clara dus. Daar zaten heel wat fresco's en indrukwekkende façades van kerken tussen, maar de paradox van goud dat soms verworden was tot klatergoud aan de ene kant en Franciscus' armoedige levensstijl daar tegenover wil ik nu maar even laten voor wat die is. Intussen betrapte ik onze man uit Assisi op wat trekjes die mij doen denken aan zelfverminking. 'Doe je dondertje maar goed, want je zieltje zit er in,' zei mijn vader vroeger. Die liet zich van alles goed smaken. Uiteindelijk deed hij daar zijn dondertje helemaal geen goed mee, maar de manier waarop de grote Frans zich verwaarloosde en zijn lijf geweld aandeed, lijkt me er nou niet eentje waarop God zijn zegen zou laten rusten, deze regelrechte minachting voor het goede dat er ondermaans door God tot stand werd gebracht.
Toch was er een moment dat mij ontroerde: dat was bij de fresco van Franciscus en de kerststal. Waarover later misschien meer. Mag ik hopen.

        Ik heb op deze zaterdagmorgen van de 23ste september nog maar tien minuten, dus ik moet opschieten. Veel gelopen gisteren, en geslenterd en rondgekeken en gebabbeld en gepraat. Volle dag die uitloopt in een lange nacht waarvan ik maar weinig heb meegekregen en ik werd zelfs wat te laat wakker.
Ondanks de verzachtende opmerkingen dat heilig niets anders is dan heel, het geheel van goede en slechte kanten van een mens (dit wordt me ingefluisterd door iemand uit de groep die me wil leren om heiligen te accepteren), maar ik kan er niets mee als het om mensen gaat.
Bedenkingen bij Franciscus. Jawel, maar hij was wel te goeder touw, en beschikte over kwaliteiten die indrukwekkend moeten zijn geweest, ongetwijfeld, een in allerlei opzichten eeuwen overstijgend voorbeeld, als jij het zegt, maar heilig, nee. Liever niet ook, lijkt me als je kijkt naar de manier waarop die heiligheid vertaald wordt in beelden en verhalen die groteske vormen aannemen. Of ik daar niet ook van kan genieten? Je moest eens weten. Maar begint echte heiligheid niet waar al te menselijke verhalen en menselijk geronk niet meer de boventoon voeren? Enfin, nu mag ik met de bus mee.

        Die bracht ons, we leven inmiddels in de vroege avond van dezelfde zaterdag als in de vorige alinea, naar de Ermeo van Carceri waar je met een rugzak op verrast wordt door wat kruip-en-sluip-door, maar ook ingenomen kunt worden door de stilte van de beboste hellingen. Een aangename plek. Een heilige plek noemt Hans het zelfs. Zo ver zou ik niet willen gaan: dat heilig ligt me niet helemaal, maar aangenaam was het wel.
Franciscusverering is niet aan mij besteed; Maria gaat me al te ver, al ben ik steeds makkelijker onder de indruk van fraaie Mariabeelden (en die zijn we vandaag tegengekomen - uitroepteken), devotie die zich vertaalt in architectuur kan me enorm boeien, de devotie van anderen die zich vertaalt in verhalen en schilderijen waarin personen centraal staan ook, al moeten het maar geen praatjes of zoetige plaatjes worden.
Ik merk al schrijvend – het zal me toch niet overkomen! – dat ik me ergens rekenschap van probeer te geven tegenover mensen, misschien wel tegenover de groep mensen met wie ik reis en die voornamelijk katholiek zijn, die ik aardig vind, die aardig voor me zijn, maar voor wie ik ook de protestant ben. Maar wat ik zit te schrijven wordt me te groot, merk ik, te cerebraal. Ik moet hiermee stoppen. Ik wil geen reisverslag en geen overweging. Ben ik nou helemaal gek geworden. 

Wel vroeg ik me puur particulier af waarom ik niet gegrepen word door het lied van de zon. Tegelijkertijd wilde ik graag tot een andere opvatting komen. Welnu. Ik was dichtbij Franciscus' doop en dood, zijn verkondiging, zijn daden, op de plek waar hij zijn lied dicteerde. Ik kocht een afdruk op perkamentachtig papier van zijn lied vandaag, maar het heeft mij niet dichter bij het gedicht en nauwelijks dichter bij zijn maker gebracht. Als Hans niet had gezegd dat Franciscus er op het eind van zijn leven spijt van had dat hij zichzelf zo had verwaarloosd, dan zou ik hem, nee, niet Hans, maar Franciscus natuurlijk, alleen maar een raardere kwibus zijn gaan vinden. En dat geldt niet minder voor Clara, een kwiba (?) met haar anorexiale verheerlijking. En dan te bedenken dat ik haar naam zo mooi vind. Het is niet anders. Naar de kleinkinderen stuur ik desondanks een kaart van Franciscus en de vogeltjes. Het lukt nog wel om die voor het avondeten op de post te doen.

        Maandag 25 september, zojuist ontbeten. Ik hoop niet betrapt te worden op consequent gedrag. Daar hebben we immers apparaten voor. In het Zonnelied begint Franciscus met een stevige lofprijzing voor God, die hij onder andere Bon Signore noemt, maar van wie hij twee regels verderop zegt dat geen mens het waardig is om de Allerhoogste, de Altisimo, bij naam te noemen. Enfin, dat kennen we. Het gebeurt in de Psalmen ook, zowel het een als het ander, de lofprijzing en het grossieren in namen voor een god die zich niet bij een naam laat noemen. En dat voel ik mee, zowel die lofprijzing als die enorme distantie tussen God en mens waardoor de eerste zich niet laat vangen in de naam die de ander voor hem bedenkt. Dit is trouwens een uitspraak die het verleidelijk maakt om met hoofdletters te goochelen. Een en ander. Maar ik zie dat het alweer tijd is. Postzegels kopen, tweede zending kaarten op de bus en dan van de ene naar de ander, van bus naar bus.

        We leven tussen terugkeer en hopelijk niet al te bedenkelijk avondeten. Maar daar gaat het me nu even niet om. Het tauteken, daar wil ik het over hebben. Dat is ontleend aan het Hebreeuwse alfabet, waarvan het de laatste letter is, maar die tau schrijf je als een garagebox met gesloten deur. Bij Franciscus gaat het om de Griekse schrijfwijze, een enigszins asymmetrische hoofdletter T. Dit teken zou in Fonte Colombo door Franciscus zelf zijn aangebracht. Zonder twijfel heeft hij het als spoor op verschillende plaatsen achtergelaten, maar in dit geval wordt zelfs verondersteld dat het teken dat we nu nog terugvinden in een venster van hemzelf zou zijn. Het is het teken geworden van de Franciscanen en hun vrienden wereldwijd, van toen en van nu, al moge duidelijk zijn dat het ontleend is, aan de Antoniusbroeders. Het is een duidelijke verwijzing naar het kruis van Christus, als teken, vond Franciscus, van hen die in boetvaardigheid leven. Maar al voor Christus komt het voor, in Ezechiël, als teken van degenen die gered zullen worden. Dat lees ik allemaal in mijn reisgids, van Freeman. Ik weet overigens niet waarvan gered, want dat staat er niet bij. Het zal niet zozeer de hel zijn of een andere narigheid die ons na het leven te wachten zou kunnen staan, want daar hielden de profeten zich niet zo mee bezig. Iets om nog eens uit te zoeken misschien. Later.
Wat Hans er over zegt spreekt me wel aan. Het tauteken verschilt in zoverre van het gewone kruis dat de verticale lijn niet verder reikt dan de horizontale. Alles wat daar bovenuit gaat, manifesteert zich in en door het leven van onze door God gegeven  horizontale schepping. Daar zou de van huis uit protestantse theoloog Kuitert blij mee zijn: alles wat we over boven kunnen zeggen, komt van beneden, al bedoelde hij dat een tikkeltje minder hoop- en verwachtingsvol dan ik dat doe. Misschien is hij na zijn dood kortgeleden tot andere inzichten gekomen nu hij zelf van beneden boven gekomen is.
In datzelfde Fonte Colombo komt Franciscus ook met zijn  Regula Bullata, een vereenvoudiging en sanering van allerlei regels. Dat gebeurt in de ruimte met dat tauteken. Ja, er is alles aan gedaan om Franciscus bij God op schoot te krijgen als zijn tweede bijna even eniggeboren zoon, met een eigen kruisteken en nu ook nog als een Mozes die straight from heaven zijn regels ontvangt, terwijl we hem al als Elias tegenkwamen, vooral gisteren op fresco's maar ook vandaag ergens.
Maar ik moet weer terug naar het Zonnelied, waarvan ik zei dat het in tamelijk traditionele term de lof van God zingt en vooral huiverig is om de naam van God uit te spreken. Ook zei ik dat dat me aanspreekt omdat op andere momenten Franciscus door de traditie bij God op schoot wordt gezet. Zelf is hij daar minder op uit. Laat dat gezegd zijn.
Ik heb het niet zo op dat gebroeder en gezuster, vertelde ik eergisteren al. Van broeder vuur die mooi en sterk is en stoer en sterk. Op het moment dat Franciscus een afschrikwekkende medische ingrijp moet ondergaan waarbij door een gloeiend hete tang de druk van slapen zal worden weggebrand om verlichting te brengen voor zijn ogen, vluchten zijn vrienden weg, maar Franciscus - die het ongetwijfeld in zijn broek moet hebben gedaan van angst - bezweert zijn eigen wanhoop door het vuur ook nu als broeder vuur aan te spreken en die broeder te wijzen op het goeds dat hij in zijn mars heeft. Het is ongetwijfeld een bezwering uit angst. Of hij de arts in kwestie ook aanspreekt en hoe die reageert, meldt de historie niet. Zelf zou ik liever praten met de vrouw of man die het gereedschap hanteert dan met het medisch instrument, maar dat neemt niet weg dat ik affiniteit voel met een Franciscus die bang is. Voor mij is hij een held. Dat is iemand die iets niet durft maar het toch doet omdat hij weet dat dat het beste is.
Zo kom ik ook nader tot Franciscus als hij na de ingreep, tegenover zijn vrienden opgelucht reageert en zichzelf groot maakt door de ingreep te kleineren. Het zou zomaar kunnen dat al dat gezuster en gebroeder in het Zonnelied een manier is om dat wat ook angst in zou kunnen boezemen te bezweren, zoals je een hond waarvoor je bang bent vertelt dat die braaf is. Ik heb de gewoonte om als een blaffende hond mij het zweet op mijn rug bezorgt dat beest niet alleen vriendelijk toe te spreken, maar ook mijn open hand met de palm naar boven uit te strekken. Met zo'n hand kan ik dan even niks, maar die hond kan er wel in bijten. Deze onderdanigheid heeft me tot nog toe geen enkele beet opgeleverd maar me bij wandelingen wel ongeschonden over een boerenerf geholpen. In de middeleeuwen was men niet alleen meer overgeleverd aan de elementen, maar ook nu nog schijnen Italiaanse racefietsen een ziel te hebben waarover de wijwaterkwast moet. Zelf olie ik liever de ketting en vervang ik de remblokjes, maar toch brengt die merkwaardige, door animisme ingegeven behoefte van de middeleeuwer die Franciscus was, mij een beetje dichter bij het Zonnelied.

Jammer alleen dat het verhaal van het vuur wel erg veel lijkt op het lijdensverhaal van Christus. Ook hij wordt op het moment suprême door zijn vrienden verlaten omdat ze niet kunnen aanzien wat er met hun dierbare gebeurt, ook hij spreekt verzachtende woorden als de boel in Getsemané dreigt te escaleren. Ook hij reageert na de ingreep, een paar dagen later, vrolijk op zijn verbijsterde vrienden. Zou het trouwens toeval zijn dat op de buitenmuur van de ruimte waarin Franciscus zijn vuurproef moest doorstaan het statiemoment is aangebracht waarop Jezus aan het kruis gespijkerd wordt? Wij weten het niet, maar het is wel zo. Hoe dan ook: Franciscus wordt er opnieuw wel heel erg de tweelingbroer van de man die ooit in Bethlehem geboren werd. En dat brengt ons naar het volgende bezoek van vandaag: Greccio, waar Franciscus in 1223 Kerstmis vierde.  Maar voor vandaag is de maat vol.

        Dinsdagochtend is het, 26 september. Hans - we tellen er twee in onze groep; de ene en de andere en hier bedoel ik één van de twee - gaat thuis later naar bed en daardoor wordt hij nu wat vroeger wakker dan hij gewend is, te vroeg om al uit bed te stappen, want buiten dat bed valt weinig te ondernemen. Assisi zelf is nog in duisternis gehuld en het ontbijt laat nog op zich wachten. Toch zit hij, monter en fris, al als enige aan het ontbijt als ik binnenkom; ik ben nummer twee vandaag. Hij vertelt me hoe hij de, laten we zeggen, blessuretijd in zijn bed half slapend en half mijmerend heeft doorgebracht. Dat uurtje was een uurtje ter meerdere glorie van Franciscus. Niet alleen was hij onder de indruk van de literaire kwaliteiten van de man van het dal van Spoleto, van diens visie, bewogenheid, maar ook om zijn strategisch vernuft. Om alle mogelijke, ook, maar niet alleen, uit louter enthousiasme voortkomende, wildgroei bij zijn vrienden, vriendinnen en andere volgelingen te voorkomen, stelde hij voor de Franciscanen regels op. Vervolgens deed hij dat ook voor de Clarissen en later volgde een derde orde voor leken. Zo stelde hij de toekomst veilig. Maar hij kreeg het daarbij ook nog voor elkaar dat de paus zijn orde, zijn beweging, accepteerde. Ten slotte stelde hij de mensen jaarlijks in de gelegenheid om de opgestelde regels nog eens tegen het licht te houden en waar gewenst  bij te schaven. 'Het kapittel' zegt de andere Hans, die intussen naast me is komen zitten. Er gebeurt veel met me terwijl ik mijn eitje leeglepel. Ik ben me bewust van mijn bewondering voor deze twee Hanzen, hier naast en tegenover me aan het ontbijt, merk ook dat zij zich tegenover mij als protagonisten voor de heilige Franciscus willen opstellen omdat ik me wel eens over hem uitlaat zoals een recalcitrante puber of protestant dat kan doen. En dat allemaal nog voor de klok acht keer slaat. Intussen, tijdens datzelfde eitje, daalt mijn bewondering voor Mark Rutte die een formatie maanden lang laat voortslepen en zegt dat je naar de oogarts moet als je een visie hebt. En Merkel komt langs met haar overwinning die een stap terug is. Zou zij iets kunnen met Franciscus en met dat wat Hans in die verlengde nacht heeft bedacht? Misschien moeten die twee maar eens met elkaar praten, Merkel en Hans. Ik gun Merkel namelijk wel een goed en prettig gesprek. Bij Rutte, als Hans ook hem bezoekt, mag het zich beperken tot een goed gesprek.
Dat van ons, dat zich uitbreidde van twee naar vier gesprekspartners, want ook Nico is een van ons geworden inmiddels, glijdt naar andere onderwerpen totdat Hans 1 constateert dat hij weg moet om met gepoetste tanden nog aan de mis deel te nemen in de San Francesco.

Ik loop even later terug naar mijn kamer. Daarvoor moet ik eerst het hotel uit om 50 meter verderop het gebouw via een andere ingang weer in te gaan. Die ingang is gesloten maar ik heb een sleutel en het is een vreugde die te gebruiken. De sleutel zelf is licht, dat is al één ding, maar vreugdevol is vooral de welwillende manier waarop het slot reageert als je de sleutel omdraait. Er klinkt een vrolijke, zeer meegaande klik. Het slot juicht op de wijze van sloten, maar nooit heb ik zo'n gretig slot meegemaakt. De klik van het openen is muziek in mijn oren, de trilling in mijn vingers een stille lust. In het gebouw tegenover dit hotel is een deur met net zo'n slot, merkte ik gisteren toen daar iemand naar binnen ging. De weg van binnen naar buiten levert dezelfde sensatie op. Nu moet je op een koperen knop drukken. Daar reageert het slot al even gretig op, met hetzelfde slotenlied. Alleen al dit deurslot is een reden om Assisi te bezoeken. En als je er dan toch bent, ik kan je ook sommige toiletten in deze omgeving aanbevelen, waarbij het spoelmechanisme in werking wordt gesteld door een klein nikkelen staafje onder de stortbak. Dat zoveel subtiliteit zoveel geraas te weeg kan brengen. Een mirakel! Misschien moeten we de wereld wel minder hufterproof, wel kwetsbaarder maken om mensen te leren wat subtieler daarmee te laten omgaan en er dan ook wat meer van te genieten. Zoiets als de regels van Franciscus: niet teveel, redelijk, en de mensen erbij betrekken.

Tijdens onze wandeling naar het station vertelt Jos van zijn verblijf in Amerika waar hij leefde onder de vleugels van Henri Nouwen. Vreemd genoeg rijst uit zijn verhaal het beeld op dat ik heb van Franciscus. Mogelijk een geval van epische concentratie. Het leven in de omgeving van Nouwen moet zeer inspirerend geweest zijn, maar ook verstikkend, maak ik op uit het verhaal van Jos. Grote mensen zijn namelijk ook ingewikkelde mensen. Later in Spoleto in en om de dom kom ik op adem van de weergaloze ruimte, de fresco's van Lippi, maar, het spijt me bijna om dit te zeggen, vooral van de prachtige tegelvloer. Er is ook een aan Franciscus toegeschreven briefje waarin hij zijn vriend zegt dat die niet zo moet zeuren. Dus blijkbaar kon Franciscus zelf schrijven. Daar was ik aan gaan twijfelen. Maar voor iemand met literaire kwaliteiten is het een tamelijk  onbeholpen briefje. Bovendien bevestigt dit het beeld dat door het gesprek met Jos opdoemde: Franciscus zou ook weleens een onmogelijke mopperpot geweest kunnen zijn voor zijn vrienden en medewerkers.

Dat briefje brengt me weer bij het Zonnelied. Hij heeft het niet geschreven maar gedicteerd. Dat zal ongetwijfeld te maken hebben gehad met zijn oogkwaal. Misschien heeft zijn schrijver er redactioneel wel heel veel aan moeten doen. Ik heb ook wel eens werk van iemand onder handen genomen die vervolgens constateerde dat hij toch maar weer iets prachtigs had geleverd terwijl ik daar dan met enig ongenoegen, maar zwijgend, het mijne van dacht.
Ach, het zal afgunst zijn, want toen ik zojuist op mijn hotelkamer kwam, vond ik op mijn iPad alweer een uitnodiging voor de presentatie van een dichtbundel a.s. zaterdag, Broederlief, zusterlief zal de bundel heten. En waarom? Omdat de daarin opgenomen gedichten geïnspireerd zijn door het Zonnelied. Ook mij werd gevraagd om aan die bundel mee te werken, tot vervelens toe. En echt, ik heb het geprobeerd, maar het lukte niet. Er blokkeerde iets. Dus je begrijpt al dat gemopper over Franciscus en zijn lied is afgunst, is ingegeven door onvermogen.
En wel denk ik dat ik iets moet doen met Franciscus en de kerststal van Greccio, maar dan moet er nog wel heel wat gebeuren. Negen maanden is te lang, maar negen weken kan het zomaar worden voor er een gedichtje is. Als het ervan komt. Wat haal ik me op mijn hals.

        Wij zitten in het vliegtuig dat ons brengt van Rome naar Schiphol. Het is de woensdagavond van 27 september. Hans vertelde me vandaag van een schilder die ergens, in een hoog gewelf een schilderij maakte. Hij had het verhaal van de andere Hans. De verfijning, de schoonheid van het schilderij was onovertroffen. De schilder gebruikte een penseel met maar één haar, zodat je een detaillering in het schilderij kon tegenkomen die zijn weerga nauwelijks kent, je kon bij de krulletjes van de afgebeelde personen haartje voor haartje onderscheiden. Onwillekeurig denk ik even aan de lyrische priester en zijn uitleg bij het Lam Gods in Gent, maar dit terzijde. Een vriend van de schilder ziet met hoeveel overgave en inzet die zijn niet geringe talenten gebruikt daar hoog in het gewelf en hij gaat maar door. De vriend is onder de indruk van het resultaat maar ziet ook dat de schilder zich het hoofd breekt over zaken die geen mens beneden ooit zal zien. ‘Het is schitterend, wat je daar maakt, maar eis niet het onmogelijke van jezelf. Je wilt dingen die je hier beneden niet te zien krijgt.’ De schilder roept terug: ‘Maar ik schilder niet voor jou, niet voor de mensen, ik schilder voor God.’
Waarom Hans me dit vertelt, is wel duidelijk. Ook het Zonnelied is een lied voor God, niet voor de mensen. Mensen zoals ik zal mogelijk veel van de schoonheid ontgaan, niet het Zonnelied schiet te kort, maar ik. Ik bewonder Hans’ overgave, geniet van het verhaal, gun God het recht om zonder enig voorbehoud van het lied te genieten, maar voor mijn houding tegenover het lied betekent het niets, al denk ik, hier hoog in de lucht, tussen die prettige groep medereizigers, met genoegen terug aan de prachtig fresco’s die ik heb gezien. ‘Pinturicchio,’ mompel ik. Schildertje.

Ik kan mijn benen niet kwijt maar kan het nu toch niet laten om Luther en Calvijn er even bij te halen. Bij hen wordt er van alles aan gedaan om iedere schijn van volmaaktheid blijvend geweld aan te doen. Luther word gereduceerd tot anti-semiet en Calvijn tot de moordenaar van Michael Servet. Franciscus lijkt daar aan te ontkomen. Of dat terecht is? Ik denk dat ze in heilig- of onheiligheid niet voor elkaar onderdoen. Ze hebben alle drie geen heiligheid nagestreefd, niet in de zin tenminste dat ze hier op aarde het hemelse certificaat van ‘heilige’ zouden krijgen uitgereikt. Verschil is wel dat de twee reformatorische kerkvaders juist aan het begin staan van een traditie die van dergelijke bemoeizucht met mogelijk hemelse beslissingen juist niets moest hebben. En zo ontberen de Duitser en de Fransman waarmee de Italiaan ruim bedeeld werd: heiligheid. Heiligheid is niet alleen een dikke laag die de drager ervan vrijwaart van mogelijk kritische noten, nee, het is nog veel meer: het is juist een voedingsbodem voor vergoddelijking die gepaard en die kan niet bestaan door verhalen die prachtig, maar lang niet altijd geloofwaardig zijn. Franciscus overstijgt de kritiek.
Van de literaire kwaliteiten van het kattenbelletje in Spoleto hoef je niet onder de indruk te zijn, maar het bestaat al duizend jaar en ook ik heb gisteren 50 cent (die ik overigens kreeg van één van mijn reisgenoten) gedoneerd om het briefje te zien. Dus dat krabbeltje moet intussen vele duizenden euro’s hebben opgebracht. Het Zonnelied, dat wel literair ademt, is dus geschreven, nee ontsproten aan het brein van een soort god, althans in de ogen van velen. Misschien verklaart dat wel waarom het zo populair is. Ik zou me moeten inhouden. Wie ben ik dat ik me laatdunkend zou uitlaten over een lied dat al duizend jaar wordt bewonderd en dat op duizenden melodieën wordt voortgezongen? Of is het omgekeerd en worden we kritiekloos, juist omdat het van Franciscus is en omdat het al bijna een millennium rondzingt?

Dat heeft ook met de innigheid ervan te maken. De goede bedoelingen. Ik zie het allemaal. De traditie van het lied, de beelden, de betrokkenheid bij de schepping, het bewonderenswaardige godsvertrouwen dat uit het lied spreekt. Echt, ik heb er intussen alles aan gedaan om affiniteit met het lied te krijgen. Ik heb het lied gezongen, ik heb geprobeerd me te laten inspireren door het lied, ik ben in de voetsporen van Franciscus getreden, bezocht de plaats waar hij het lied geboren liet worden. Maar de deur blijft dicht. Het spijt me.

        * Naschrift
Als ik twee weken later bij de kleinkinderen op bezoek ben, vraagt de driejarige of ik dat ben, die man op de kaart. ‘Dus er is toch iets gebeurd’ denk ik. Als ik nu ja zeg, bespaar ik mezelf een heleboel ellende en hoef ik niet uit te leggen wie die man dan wel is, die Franciscus, en waarom ik een kaart van deze man heb gestuurd.

Len Borgdorff

De vertaling van het Zonnelied en informatie over Franciscus:
Gerard Pieter Freeman, Umbrië, In de voetsporen van Franciscus. Valkhoff Pers [Nijmegen], 2017
Fiet van Beek en Wim Zijlstra (red.) Zusterlief Broederlief. Uitgeverij Anderszins 2017.