Klik op een regel onder "Inhoud" en open het betreffende verhaal.

Op een biedermeierige sokkel - Marskramerpad van Den Haag naar Scheveningen, maart 2017
Laat me niet lachen - Marskramerpad van Voorschoten naar Den Haag, februari 2017
Geen Eureka te vinden - Marskramerpad van Leiderdorp naar Voorschoten, januari 2017
Z o e t e r w o u d e - Marskramerpad van Rijnsaterwoude naar Leiderdorp, december 2016
White Christmas, december 2016
Een geboorte van Venus - Marskramerpad van Rijnsaterwoude naar Leiderdorp, december 2016
Geen namen - Marskramerpad van Rijnsaterwoude naar Leiderdorp, december 2016
Geen schilderij - Marskramerpad van Noorden naar Rijnsaterwoude, november 2016
Ontsporen - Marskramerpad van Breukelen naar Noorden, september 2016
Netels en Distels - Marskramerpad van Hollandsche Rading naar Breukelen, augustus 2016
Bril - Marskramerpad van Amersfoort naar Hollandsche Rading, augustus 2016
Bos geamputeerd - Marskramerpad van Terschuur naar Amersfoort, juni 2016
Fluitenkruid - Marskramerpad van Veenhuizerveld naar Terschuur, mei 2016
Edelhert - Marskramerpad van Kootwijk naar Veenhuizerveld, maart 2016
Kronkelweg - Marskramerpad van Hoenderloo naar Kootwijk, februari 2016
Print - Marskramerpad van Klarenbeek naar Hoenderloo(2), februari 2016
Kabouters bij Klarenbeek - Marskramerpad van Klarenbeek naar Hoenderloo, februari 2016
Niks - Marskramerpad van Deventer naar Klarenbeek, januari 2016
Tapijt - Marskramerpad van Lettele naar Deventer, december 2015
In de mist - Marskramerpad van Holten naar Lettele, november 2015
G-Zuna - Marskramerpad van Rijssen naar Holten, augustus 2015
Groenen - Marskramerpad van Enter naar Rijssen, juli 2015
De rug van Aat - Marskramerpad van Borne naar Enter, juni 2015
Leugen en bedrog - Marskramerpad van Deurningen naar Zenderen, mei 2015
Het lijden dan men vreest - Marskramerpad, december 2014
Gelikt - Trekvogelpad, november 2014
Veilig oversteken - Trekvogelpad, oktober 2014
In een boog - Trekvogelpad, oktober 2014
Voor licht en fotograaf - Trekvogelpad, juni 2014
Groen - Trekvogelpad, april 2014
Dit is geen dag - Trekvogelpad, 17 februari 2014
Weer leren kabbelen - Trekvogelpad, januari 2014
Het bankje van Bossley - Nieuw Zeeland, december 2013
Number 8 Wire - Nieuw Zeeland, november 2013
Kever op vliegenzwam - Trekvogelpad tussen Otterlo en Hoenderloo, oktober 2013
 

Op een biedermeierige sokkel  

Marskramerpad van Den Haag naar Scheveningen
1 maart 2017

De Zebraklok op het stationsplein van Den Haag Centraal ontbreekt. Die komt pas weer terug in 2019. Op afstand zien we nog wel Johan van Oldenbarnevelt, van dichterbij passeren we Johan de Witt, voor wie ik me nog steeds een beetje schaam. De man had een zoveel beter levenseinde verdiend. Schamen doe ik me ook voor Louis Couperus. Over zijn levenseinde zul je me niet horen, maar over de beeld wel. Het is me te sullig. Een onopvallende, maar mooie plaats aan de Kneuterdijk, heeft het wel, maar dat beeld. Waarom is Couperus niet gewoon lopend geplaatst, hier, over liever nog op de Mauritskade of in de Zeestraat? Langs Eline Vere komen we niet, niet langs de oude aan de Groot Hertoginnelaan en niet langs de nieuwe op het Spui. ‘Zo ik iets ben, ben ik een Hagenaar,’ zei Couperus en zijn romandochter Eline Vere is een Haagse, zo zij behalve wanhopig en ten dode bedroefd nog iets anders is geweest.

Er is veel beeld op luie wandeling van het Haagse station naar de beelden aan zee. Langs de Scheveningseweg, die vroeger ook nog Zeestraat heette, staat een buste van Constantijn Huijgens, in mijn ogen de grootste Hagenaar die de geschiedenis heeft gekend. Het is nogal een beeld van dertien in een dozijn en dat op een niet erg bemoedigende biedermeierige sokkel. Die man verdient minstens een tweede monument, groter en ten voeten uit en wat bij betreft met zijn hele gezin! Maar van dit beeld uit de late negetiende eeuw is mooi, langs de door hem bedachte, ontworpen, gepropageerde en later bezongen weg die Den Haag met Scheveningen verbindt.

Waar dat nieuwe beeld van het gezin Huygens zou moeten komen? Misschien in het Scheveningse Bos, eventueel bij Hofwijck in Voorburg, maar liever zie ik het op het Plein, waar hij ooit woonde en nog weer liever op Voorhout of Kneuterdijk. In gedachten zie ik daar lopen, een deftige man, die doet alsof hij niets of niemand opmerkt, maar zijn mondhoeken laten zijn dat hij alles en iedereen hoort en ziet. Als hij ook maar even kans ziet, zal hij er iets over schrijven, over de Haagse modefatjes die hij zag, zoals hij dat deed in Costelick Mal.

Het Marskramerpad laat Huygens’ beroemde weg links liggen om door de bosjes langs het Indisch monument te slingeren. Aan de overkant van de grote vijver zie ik het marmeren bankje van Verhuëll. Daar zijn de trouwfoto’s gemaakt van Mente en mij. Het bankje is leeg. Ik vraag me even later af waarom het indrukwekkende monument van Troelstra staat waar het staat. Dat, weer wat verderop, Corrie Vonk en Wim Kan naar het Kurhaus kijken kan ik me dan wel weer voorstellen, maar waarom mijn blik getrokken moet worden door een of ander stom Boeddhabeeld als we de zee naderen, is me een raadsel. De beelden van Tom Otterness zetten een punt achter het Marskramerpad dat vandaag begon bij een afwezige Zebraklok en nu eindigt bij de hekken van de boulevard. We kunnen niet bij de sprookjesbeelden komen vandaag. De boel is afgezet vanwege hijskranen die allerlei containers het strand op tillen. Het is 1 maart: de strandtenten worden geplaatst, een nieuwe toekomst breekt aan, voor Aat en mij dat van een ander wandelpad.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Laat me niet lachen  

Marskramerpad van Voorschoten naar Den Haag
1 februari 2017

Kabouters. We hadden het er nog over een paar dagen geleden. Of liever Mente begon erover toen we door een bos liepen. Tot op hoge kleutertijd heeft zij in ze geloofd en blijkbaar is ze nooit helemaal bekomen van de schrik toen zij zich realiseerde dat die bebaarde puntmutsen nooit verder gekomen waren dan prentenboeken en een enkel kinderliedje. Op mij hebben ze, meen ik me te herinneren, nooit veel indruk gemaakt. Ik keek natuurlijk ook wel over de schutting van de sprookjeswereld. Daarin mochten ze zich vrijelijk bewegen. Ook was ik verknocht aan de hoorspelen over Paulus de Boskabouter, maar verder dan die gesloten wereld van boek en radio kwamen ze nooit. Iedere kabouter die ik in de niet virtuele wereld tegenkwam was van beschilderd gips. Het is dan ook geen wonder dat je mij nooit over kabouters zult horen als ik door een bos wandel. En Mente dus wel.

Een doodenkele keer denk ik wel aan ze als ik door een bos loop, alleen of, zoals nu, met Aat. Maar dan alleen omdat ik dan bedenk dat Mente over kabouters was begonnen als zij mij nu gezelschap zou houden.

Vandaag lopen we door De Horsten. Ik ben onder de indruk van de dikke boomstammen. Het lijken kolossen van dikke spierbundels die uit de grond steken. De bomen zouden zomaar sterk genoeg kunnen zijn om zich uit de bodem los te worstelen, traag en stil maar met een onstuitbare kracht. En daar, iets verderop staat een boom waaraan ik zelfs kan zien dat die bezig langzaam, krachtig maar ongetwijfeld ook heel elegant de heuvel af te dalen. Hij is heel bescheiden, deze boom. Hij wacht tot Aat en ik hem voorbijgelopen hebben. Pas als wij uit zicht zijn verdwenen, zet hij een volgende stap.

Maar de kabouters van Mente. Daar moet ik toch een beetje om lachen.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Geen Eureka te vinden  

Marskramerpad van Leiderdorp naar Voorschoten
2 januari 2017

Dit stuk gaat nergens over en alles klopt. Als Aat en ik Voorschoten in lopen, begint het te regenen. Dat is het eindpunt van onze wandeling, dus we mogen niet mopperen.
Nieuwsgierig kijk ik links en rechts naar de winkels. Zou er in deze Voorstraat een winkel zijn met de naam Eureka? Henri Osewoudt, hoofdpersoon in De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans, heeft een sigarenmagazijn dat Eureka heet. Dat was in de Tweede Wereldoorlog. De roman is zo realistisch geschreven en ik ken het boek zo goed dat ik de winkel en de straat moeiteloos voor me kan zien, ook al kom ik nu pas voor het eerst in het centrum van Voorschoten.
Maar de naam is een leugen: ik vind helemaal niets van een Eureka. Mij staat trouwens bij dat de straat plaatselijk zo smal zou zijn dat de twee spoorbanen van de vroegere Blauwe Tram elkaar overlapten, maar zo smal is het hier helemaal niet.
Zou er ooit een winkel in Voorschoten zijn geweest die Eureka heette? Hermans zal de naam ooit zelf bedacht hebben, maar dat moet toch een reden zijn geweest voor iemand om zijn winkel later die naam te geven? Ik kom er niet uit, maar aan het eind van de Voorstraat schiet ik nog gauw even de straat op om een foto te maken van de zojuist afgelegde weg. We moeten doorlopen om de trein te halen, de lens van mijn camera is nat van de regen en ik krijg hem niet goed droog en er komt een auto aan. Ik druk af op goed geluk.
In de trein zoek ik op mijn mobieltje naar Eureka Voorschoten. Ik vind een internetbedrijf dat Eureka Connections heet, zie dat een aantal christelijke basisscholen uit deze omgeving betrokken is bij een Eureka project en als is nog wat verder zoek kom ik boekhandel Eureka tegen. Dat staat op de achterkant van een via internet te koop aangeboden ansichtkaart: Schoolstraat 52. De postzegel met Juliana is uit het midden van de jaren zestig, dus de kans is inderdaad groot dat winkel zijn naam ooit ontleende aan de roman van Hermans. Later is de winkel naar 156 verhuisd, lijkt het, waar nu een juwelier zit. In een nieuw pand, maar ook aan de Schoolstraat, niet de Voorstraat. In de volgende trein zoek ik verder en vind ik de route die de Blauwe Tram ooit had door Voorschoten. Die tram ging helemaal niet door de Voorstraat. Kortom ik beschikte over veel informatie, liep over van verkeerde informatie en veel is niet meer te achterhalen. Sigarenmagazijn Eureka heeft weliswaar nooit bestaan. Maar het heeft niet niet bestaan aan de Voorstraat, maar hij bestond niet aan de Schoolstraat; daar heeft het dus wél niet bestaan.
Gelukkig heb ik nu een mislukte foto van Voorschoten. Dus alles klopt, net als in De donkere kamer van Damocles van W. F. Hermans.
Zeer aanbevolen.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Z o e t e r w o u d e  

Marskramerpad van Rijnsaterwoude naar Leiderdorp 2 december 2016

We gaven de bomen hun namen, maar bleven twijfelen of het wel de juiste was. ‘In ieder geval,’ zei ik tegen Aat, ‘weet ik zeker dat dat daar de katholieke kerk van Zoeterwoude is.’ Nu maakte die zekerheid weer andere frustraties in mij wakker, want ik ben dan nog steeds een bezoeker van allerlei meestal oude kerken en kerkjes, maar toch minder trouw dan ik me ooit voornam. Dat is één. Twee is het halfslachtige voornemen ooit om die kerkjes niet alleen te fotograferen, maar ook na te tekenen. Door te tekenen, wist ik, duik je meer in een ding dan door het te fotograferen.

Ik was zeven en het was een zonnige zondagmiddag. Met mijn ouders reed ik naar Zoeterwoude. Daar woonde meneer Van Hofwegen, een zakenvriend van mijn vader die ons wekelijks bezocht, op donderdag. Vandaag zou zijn dochter zich verloven en blijkbaar was het contact hecht genoeg om ook ons uit te nodigen, al kende ik behalve de vader van het meisje niemand. Ik vond dat wel leuk, ook al omdat er op zondag verloofd werd. Roomsen deden dat zomaar. En nu offerden mijn ouders daar een middagdienst van onze eigen kerk voor op.
Toen we Zoeterwoude in reden, werd ik geïmponeerd door een gebouw waarvan ik niet wist dat het de Meerburgkerk was. Het was het in mijn ogen uitbundige lijnenspel van de koepel en het koor van de kerk. Zoiets vond je niet bij ons in Monster.
Bij de familie Van Hofwegen was ik blij met het taartje dat ik kreeg, maar toen dat op was bleef ik vooral zitten met al die mensen in de kamer en in de tuin. Daar werd ik zeer ongelukkig van. Wél viel me op dat ik vanuit die tuin nog een puntje van die kerk kon zien.

Dat was natuurlijk niet voor niets. Gelukkig had ik mijn schrijfblokje bij me en een balpen, want ik kreeg soms de onbedwingbare drang om kentekens te noteren, of huisnummers of telefoonnummers die ik ergens op een bord zag staan, of om de kop van een Duitse herder te tekenen of Donald Duck, dat kon ik namelijk erg goed, maar nu, vond ik, moest het die kerk worden. Volgens meneer Van Hofwegen kon ik niet verdwalen. Het was dan wel een minuut of tien lopen, maar meer dan de straat uitlopen, links afslaan en weer een stuk lopen was het niet. Mijn ouders vonden het goed, als ik maar bij die kerk bleef. Zij zouden me daar op de terugweg oppikken.
Kijken met je handen is heel iets anders dan kijken met je ogen. Maar als je denkt dat het een beetje lukt, dat kijken met je handen, dan word je een zeer gelukkig mens. Ik voelde me het lijnenspel van deze neoromaanse kerk ingezogen worden en mijn ouders troffen mij later in extase aan.
Op de terugweg hield ik het boekje angstvallig in mijn zak: een blik op mijn prestatie en ik zou kotsmisselijk worden, want ook met pilletjes werd ik makkelijk wagenziek.
Thuis sloeg ik het notitieblokje open en legde het op de kachel, want die was toch uit.
Dit was mijn tekening en dit was mijn kerk. ‘Z o e t e r w o u d e…, ‘fluisterde ik, ‘z o e t e r w o u d e.’
Ik gloeide.
Nu zie ik de kerk weer en ik denk met Nijhoff: ‘wij leven heel ons leven fout.’

Len Borgdorff

  Naar boven  

White Christmas

Natuurlijk had ik toch in mijn bed geplast. Toen de anderen al lang sliepen, lag ik in het duister nog ontheemd pogingen te doen om niet te veel te woelen, want daar blijf je alleen maar wakker van, had ik van mijn moeder geleerd. Ik hoorde het rustige lichte ademen van Jan en Sjouk. Zij lagen in een tweepersoonsbed. Anneliek lag in het bed boven mij.
Zij had nog één keer over de rand naar omlaag gekeken, naar mij. ‘Welterusten, Chrisje,’ had ze gezegd. Toen was ze gaan liggen en daarna had ik niets meer van haar gemerkt. Ik lag op haar plek. Dat was vanwege het ophalen. Zoveel had ik er wel van begrepen. Twee keer had Oom Abe me ’s nachts uit bed gehaald. Beide keren was ik nog droog geweest en had ik in de po geplast, maar nu was ik toch nat.

Gisteren, eerste kerstdag hadden vrienden van mijn ouders me opgevangen.

Ze hadden me na de kerk mee naar huis genomen en ’s avonds was ik naar mijn oom en tante in Den Haag gebracht waar mijn neefjes en nichtjes opvallend vriendelijk waren.

Draaien ging moeizaam nu en je kon ook horen dat de boel nat was; daarom bleef ik roerloos liggen. Het was nog donker, maar de anderen waren al wakker. Anneliek vroeg of ze even bij me in bed zou kruipen. Dat was vriendelijk bedoeld; dat wist ik wel. Bovendien was het haar bed. Ik was hier een vreemde. ‘De vreemdeling die in hun stede woonde.’ Ik merkte het ook aan Sjouk. Die veerde overeind om op zijn bed te gaan springen. Jan zei dat hij daarmee op moest houden. Ik voelde me radeloos.

‘Ik wil nog even slapen,’ zei ik. Anneliek leek het te begrijpen, maar Sjouk voelde niet voor enig begrip. Daarvoor was hij te jong, begreep ik: hij was pas vijf. Ik zeven. En ik had in bed geplast. Ik moest nu vooral niet gaan huilen.

Gelukkig kwam Oom Abe binnen. Hij nam Sjouk onder zijn arm en tegen Anneliek en Jan zei hij: ‘Aankleden jullie,’ en hij dreef ze het kamertje uit. Ik bleef alleen achter, durfde niet al uit bed te komen.

Eergisteravond had mijn vader een ongeluk gehad, op de avond voor Kerst, vlak bij huis. Ze hadden hem naar binnen gedragen. Er waren allemaal buren en vrienden gekomen en ze hadden de hele nacht bij zijn bed gezeten. De dokter was een paar keer langs geweest. Ik had ze zien sjouwen met mijn vader.

De volgende ochtend moesten wij naar de kerk. Ik had al grote zussen, dus voor de kerk waren geen vader of moeder nodig. Onderweg zag ik een spoor van bloed en in het gootje van een spoorrail was het zelfs nog niet helemaal opgedroogd.

Na de kerk waren de anderen naar huis gegaan en ik werd meegenomen door vrienden. Ik was te druk voor thuis. Mijn zussen en oudere broer niet en mijn kleine broertje al helemaal niet. Ik wel.

Ik klapte de dekens zorgvuldig terug, legde mijn natte pyjama onder het kussen en wilde net mijn broek aantrekken toen Oom Abe binnenkwam. Hij had droge kleren bij zich en een bakje water. ‘Trek die eerst maar uit, dan kunnen we je even wassen’

Uiteindelijk verscheen ik in de nieuwe trui en broek die mijn moeder vorige week voor me gekocht had en die we gisteren vergeten waren. Mijn moeder had dus toch nog aan me gedacht.

Over het bedplassen werd geen woord gezegd. Het was niet gebeurd.

Na de kerk putten Jan en Anneliek zich uit in het verzinnen van spelletjes om me te vermaken. Sjouk vond het vervelend, merkte ik, al die aandacht van zijn broer en zus voor mij. Die hielden maar niet op om te pimpampetten en te ganzenborden. En Jan probeerde me te leren dammen, wat ik wel lief bedoeld vond, maar ik kon er mijn kop niet bij houden, ook al omdat het juist mijn vader was die me dat aan het leren was.

Het was een bovenhuis en het was niet groot en er waren nog meer kinderen. Ik kreeg het benauwd.

Toen er een kersttafel werd gedekt, tilde tante Bettie mij op. Zij was de zus van mijn moeder, maar zij was veel jonger en ik vond haar ook mooier. Dat was een verademing. Ze wilde me laten zien wat voor lekkers er allemaal op tafel stond en hoe mooi Anneliek het aan het maken was. Ze had me langer mogen dragen, boven die kluwen van benauwende aandacht.

Na het eten zette Oom Abe een plaatje op met kerstliedjes. Er was een glimmende radio waarvan de bovenkant het deksel was van een platenspeler. Ik vond het een prachtig apparaat. Niemand mocht eraan komen, alleen Oom Abe. Maar ik mocht er heel dicht bij komen staan. Het toestel stond op een laag kastje zodat ik goed kon zien hoe onder het opengeklapte deksel de plaat zijn toeren maakte. Het waren de bekende liedjes die we vandaag, gisteren en die week ervoor op school eindeloos gezongen hadden. Ik stond er en ik bleef maar kijken naar het draaien van de plaat, kon er mijn ogen niet van af houden. Achter me dreigde het aanbod van meer en ander vertier indringender te worden, maar ik kon er niet op reageren. Nog steeds stond Oom Abe bij me. Maar niet meer om te voorkomen dat ik eventueel iets geks met het apparaat zou uithalen - de installatie was hem heilig, zoveel had ik wel door. Die Oom Abe met zijn veel te grote oren en mond en handen, die altijd maar naar woorden zoeken moest, bewaakte mijn territorium. Achter mij werd het rustiger. Het leek wel alsof iedereen uit de kamer verdwenen was.

‘Ik heb ook nog een nieuwe plaat,’ zei hij. Met een hendeltje haalde hij de arm van de platenspeler omhoog en schoof die opzij. Hij deed dat langzaam. Het waren de avondmaalshanden van Dominee van Gorcum. Voor de grote kwam een kleine plaat in de plaats. Het toerental ging van 33 naar 45. De naald zakte in de groef.

Als ik recht voor me uitkeek, zag ik door het raam hoe grauw het buiten was. Maar toen de muziek begon leek het even te gaan sneeuwen en, hoewel Oom Abe achter me stond, leek het wel of hij het was die zong van een witte Kerst. Het plaatje voor me glom, de kast van radio met platenspeler glom, ik voelde een Oom Abe achter me waar God nog een puntje aan mocht zuigen. Toen de man van het plaatje begon te fluiten, begon ik te huilen, zachtjes, beschaafd, zoals keurig opgevoede jongetjes dat doen. Schreien heette dat. Oom Abe legde zijn kolenschoppen op mijn scharminkelige schoudertjes.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Een geboorte van Venus  

Marskramerpad van Rijnsaterwoude naar Leiderdorp
2 december 2016

Er staat een ladder tegen de betonnen beschoeiing. Wij blijven staan, Aat en ik. Elk ogenblik kan er een drietand boven het water verschijnen en even later het hoofd en vervolgens de indrukwekkende gestalte van Poseidon, de vrolijke Poseidon. Wie weet wordt hij muzikaal begeleid door Triton and the Tritons. Omdat het 2 december is, moet ik denken aan Sinterklaas en zijn staf en hoe die boven de rand van dakgoot tevoorschijn zou kunnen komen, terwijl ik niets vermoedend uit een zolderraam naar buiten keek. Maar nu staan we in de modder langs de Wijde A. Het zou ook Ariël kunnen zijn. Zo noemde Disney de dochter die Poseidon pas in de negentiende eeuw kreeg van Hans Christian Andersen. Aat loopt verder, maar ik blijf staan: niet Ariël duikt op uit het water, maar de schone Mente. Het is ineens een verre zomer ooit, in Friesland. Mente is net negentien geworden en zij duikt op uit de Tjonger. Zij grijpt de ijzeren ladder om uit het water te komen. Ik sta, naast haar broertje, aan de kant en klap uit elkaar van verliefdheid. Ze trekt zich lachend langs de ladder omhoog. En een beetje te onstuimig. Het topje van haar bikini schiet omlaag en zij wordt een echte zeemeermin. Ik, ik, zij… Maar zij probeert ondertussen geschrokken met haar ene hand het bovenstuk van haar bikini weer op zijn plaats te krijgen, met de andere houdt ze het trapje vast. Haar broertje lacht haar uit.

Maar als hij er niet geweest was, zou ze rustig het water uit geklommen zijn, zich bewust van de verpletterende indruk die haar verschijning op mij maakt, misschien zonder topje maar in elk geval zonder staart. De meteorologische winter is begonnen. De dag is grijs, het miezert en het is koud. Ik heb het warm. Ik haast me om Aat in te halen. ‘Dat had jij toen moeten doen,’ mompel ik tientallen jaren later tegen haar broertje, ‘doorlopen!’

Len Borgdorff

  Naar boven  

Geen namen  

Marskramerpad van Rijnsaterwoude naar Leiderdorp
2 december 2016

De vogels maken het ons niet al te moeilijk vandaag. We herkennen ze allemaal. Er zitten twee bergeenden die om aandacht vragen, even zien we een buizerd aan voor een sperwer, maar dat ligt aan onze bedruppelde brillenglazen. Er schiet nog iets geels uit de struiken, maar het is geen kwikstaart. Dat is de enige die het wat ons betreft zonder naam moet doen.

Nee, dan de bomen en struiken. Daarvan zien we er veel, maar de namen… Ja, een wilg, een es, een els. Maar het valt niet mee. En dat stemt me somber. Veertig jaar geleden al kocht ik boekjes over flora en fauna om onderweg niet meer voor verrassingen te staan en ik zeulde ze een tijd lang allemaal mee, tijdens fiets- en wandeltochten. Het werkte niet. Als ik al op een naam kwam, dan was ik die een volgende keer al weer vergeten. Jarenlang fietste ik ieder voorjaar een week met Gert door Duitsland Gert kende alle vogels. Hij hoorde ze, zag ze, herkende hun sporen. En hij vertelde het me allemaal. Daar had ik wat aan. Maar zonder hem, zo bleek kort daarop telkens weer, was ik niets.

Intussen weet ik dat het nu geen zin meer heeft om in mijn bovenkamer een voorraad aan te leggen van allerlei kenmerkende eigenschappen van gevederd of plantaardig spul en daar de sleutel aan toe te voegen om dat allemaal recht te doen door er de juist naam aan te koppelen. ‘Voor wie ik liefheb, wil ik heten,’ zegt Neeltje Maria Min. Maar veel floor en faun die ik liefheb, wil niet door mij geheten worden en zo zal het wel blijven. Dat is hard voor een man van taal.

’s Avonds doe ik thuis mijn beklag. ‘Maar ik vind het helemaal niet erg, hoor,’ zegt mijn springveertje, ‘als jij me anders noemt dan anderen.’ Ik neem nog een hap en kijk mijn lentekind dankbaar aan. ‘Dank je, parel van mijn bestaan, zon van leven, vreugde van mijn lendenen, kerstengel.’ ‘Als je het maar niet overdrijft,’ zegt zij en ze richt haar aandacht weer op het eten.

We zwijgen. Ik stel het me voor, dat ik elke boom een naam zou geven: houten hart, heksenhand, zoutpilaar, grondgraver. En dan de vogels: geelflits, scharminkel, kwakernaak, puntenslijper.

Het lijkt me toch niet zo’n goed idee. ‘Wat eten we eigenlijk?’ vraag ik mijn zoetekok. ‘Tja,’ zegt ze, iets met kikkerwten, sesamolie, en eh…’ ‘Laat maar.’ Het eten smaakt me niet, maar daarover zeg ik niets tegen mijn bottendesign, tegen de bloedsomloop van mijn bestaan, mijn hartslag, mijn goudblad, mijn fluweelzee, mijn heupflacon en ogentroost, zomerbries, ademtocht en hoogste lied, mijn majesteit en lippenstift en tongenstrik, mijn wandeling en thuis.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Geen schilderij  

Marskramerpad van Noorden naar Rijnsaterwoude
7 november 2016

Vorige week zag ik in het Gemeentemuseum in Den Haag twee schilderijtjes van Willem Roelofs en nog niet zo lang geleden werd ik bij een presentatie over Leo Gestel ook geconfronteerd met schilderijen die diens jeugdvriend Cornelis Vreedenburgh in dezelfde omgeving maakte. Omdat we vandaag onze wandeling in Noorden beginnen, lijkt het me leuk als aan tenminste één foto te zien zou zijn dat ik deze heb gelopen met een visueel deuntje van de Haagse School of van het Hollands impressionisme in mijn hoofd, volgens mij is dat zo’n beetje hetzelfde trouwens.

Maar telkens als ik de camera voor mijn snufferd hijs, realiseer ik me dat het er allemaal van geen kanten op lijkt. Verf is echt iets anders dan wat ik hier staat te doen: beeld kiezen, instellen en op een knopje drukken. Ik kan later thuis eventueel nog wat rommelen, maar het is echt iets anders: schilderen of fotograferen. En schilder is trouwens geen wandelaar en dat ben ik wel. Ik had een krukje mee moeten nemen en een nog warmere jas om uren op dezelfde plek te blijven en dan pas te klikken. Tegelijkertijd denk ik dat er ongetwijfeld heel schilders in de open lucht hebben gezeten die vervolgens ongelukkig met het resultaat van hun arbeid naar huis zijn teruggekeerd.

Daar heb ik geen last van. Ik ben hier om te wandelen en dat is wel zo prettig als het maar een graad of vier is.

Uiteindelijk ben ik nog het meest tevreden met een foto die niets te maken heeft met schilderijen van honderd jaar of meer geleden. Een asfaltweg en twee rood-wit gestreepte verkeerspalen in de berm van de weg. Alhoewel: misschien is die prachtige glanzende weg de moderne variant van water en lopen daar twee boerinnen in klederdracht langs. Zou mijn missie dan toch geslaagd zijn?

Len Borgdorff

  Naar boven  

Ontsporen  

Marskramerpad van Breukelen naar Noorden
28 september 2016

Als de witte reiger langs vliegt, valt me op dat het echt een reiger is. Hem ontbreekt de fraaie houding van vliegende ganzen, zwanen of ooievaars. Zelfs het vliegtuig dat even later overvliegt beweegt zicht sierlijker door de lucht. Daar staat tegenover dat de reigers niet van die hinderlijke sporen achter laat in de lucht. Hier tussen Joostendam en Veerkade, langs het Bijleveld loop je natuurlijk wel tamelijk dichtbij het epicentrum van het luchtverkeer in Nederland, maar dat maakt de witte condenskrassen er niet minder om. Ik heb er vaak een hekel aan, nu ook, en daarom geniet ik nog wat nu van de vlucht van de witte reiger. Maar daarbij word ik afgeleid door een torenvalkje dat tussen de wieken van de Spengense molen. Het torenvalkje laat ook geen sporen na en als de wieken van de molen zouden draaien, zouden die ook geen maar langzaam vervagende rooksporen achterlaten.
Als kind kon ik er met genoegen naar kijken als een vliegtuigje overvloog en vervolgens Roxy of Nivea in de lucht schreef. Langere namen kon men zich blijkbaar niet permitteren: de eerste letters zouden al diffuse vlekken zijn voor de laatste in de lucht verscheen. Voor de vliegtuigen van en naar Schiphol doet dat er allemaal niet toe. We zijn geen indianen en werken niet met rooksignalen, maar het is toch wel jammer dat al die van betekenis gespeende condensstrepen, deze residuen van niet helemaal toereikend menselijk vernuft, zo hinderlijk kunnen zijn voor een onschuldige wandelaar.
Lang leve de vogels, denk ik. We worden onderweg nog royaal getrakteerd op vliegende ganzen, klein spul en cirkelende buizerds in een blauwe lucht met vriendelijke wolkjes. Het zou een levenswijze moeten zijn: bestaan zonder hinderlijke resten achter te laten, een ontsporend bestaan. Zoals de vogels doen.
We hebben en mooie wandeling, een prachtig gebied en schitterend weer. Meer verkwikt dan vermoeid loop ik van de trein naar huis. Als ik de straat in kom zie ik mijn pas gewassen auto. En de royale schijtstreep die daarop is achtergelaten door wat misschien wel een reiger geweest is. Ik hef mijn ogen op naar de blauwe hemel. Geen wolkje, geen vogel, geen streep.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Netels en Distels  

Marskramerpad van Hollandsche Rading naar Breukelen
24 augustus 2016

Met onze maandelijkse wandeling zijn Aat en ik nu wel heel erg dicht bij huis. We lopen van Maartensdijk naar Breukelen en duiken bij Fort Tienhoven de graskade op, tegenover de Scheendijk. Nog geen week geleden fietste ik daar, op die Scheendijk. Voor de honderdste keer? Of is het meer? Nu loop ik, tien meter verderop. Het is een wereld van verschil.

Thuis werd ik voor gek verklaard. Wie gaat er op de heetste dag van het jaar twintig kilometer wandelen en dan ook nog door zoveel open veld. Daar zat, moest ik onderweg, toegeven wel veel redelijkheid in. In de wijde omtrek kilometers door de zon plat gebeukt land.

Maar op de grasdijk is geen plaats meer voor dat soort overwegingen. Daarvoor staat het gras te hoog. Er moet gewerkt worden. We slepen ons door wat we bij gebrek aan plantenkennis maar wilde rabarber noemen. We kijken niet meer een kilometer vooruit naar een mogelijk oriëntatiepunt, maar turen scherp naar de paar meter voor ons. We moeten opletten. Ik voel er weinig voor om mijn enkels te laten zwikken, maar in mijn korte broek wil ik ook graag de hoog opgeschoten brandnetels en distels vermijden. Tijdens het lopen neemt de tevredenheid toe. Weer ben ik het kleine jongetje dat zich een weg baande door struiken en andere begroeiing, maar ik ben ook de grote vent die toch behoorlijk behendig nog netels en ander agressief groen meestal weet te omzeilen, terwijl de wilde rabarber aangenaam langs mijn kuiten gaat.
En ik geniet ervan dat juist zo dicht bij huis, in een omgeving die ik zo goed ken. Een paar wandelschoenen kan zoveel verschil maken.

Aan het eind van de grasdijk gaan we linksaf een smal bospaadje in. Aan het eind, bij de Vecht, overwegen we nog even om het stuk nogmaals te lopen, dus terug naar Fort Tienhoven, maar we zijn verstandig en lopen braaf door naar een bushalte in Breukelen. ´We hadden het toch moeten doen,´ zegt Aat, ´dat gekke stuk nogmaals lopen.´ ‘Had dat eerder gezegd.’
De bus rijdt door.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Bril   

Marskramerpad van Amersfoort naar Hollandsche Rading
03 augustus 2016

Het moet toeval zijn dat de bril en de reflector samen op het paaltje terecht zijn gekomen. Misschien zijn ze er wel op het hetzelfde moment zijn neergelegd, maar dat moet dan ook het moment zijn geweest waarop ze elkaar hebben leren kennen. De reflector is een kapot en daarmee overbodig geworden, alleen nog maar geschikt om weggegooid te worden. Voor de bril ligt dat anders. Die wordt gemist! Het is een goede bril. Onze deernis voert niet zo ver dat Aat of ik hem even opzetten om te zien of het een leesbril is of een gewone bril. De kwaliteit van het montuur suggereert het tweede, maar de ervaring leert dat je een gewone bril niet snel verliest. Leesbrillen wel.

Een bewandelaar van het Marskramerpad heeft de bril zien liggen en is zo vriendelijk geweest om die op te rapen en goed zichtbaar op het paaltje te leggen. Niet dat dat bijdraagt aan een oplossing, want de wereld is ruim bedeeld met gevonden voorwerpen die vervolgens goed zichtbaar langs weg, straat of pad worden achtergelaten zonder dat de rechtmatige eigenaar die ooit terugvindt. Als verloren voorwerp hebben brillen, net als eenzame wanten, weinig kans op een goede, functionele toekomst. Het boek dat ik vorige week ergens in Duitsland in de trein liet liggen – het was een Duits boek, gelukkig – heeft misschien nog een nieuwe lezer gevonden, en misschien wacht zelfs mijn voorzetzonnebrilletje dat ik, ook vorige week, verloor terwijl ik langs de Oder fietste nog tweede leven, maar voor een bril op sterkte is dat niet waarschijnlijk.

Sinds ik een gewone bril heb, is het me niet meer overkomen, maar als fietser en als wandelaar – toen het Zuiderzeepad – ben ik twee leesbrillen kwijt geraakt, een goedkope en een dure. Ze zullen nooit meer gebruikt zijn. Zo gaat dat met brillen, merken we kilometers verderop. Daar zien we een tweede exemplaar; het hangt goed zichtbaar aan een bord van Staatsbosbeheer. De glazen worden langzaam overmeesterd door de natuur: ze zijn al groen.

Het nieuwe boekje van het Marskramerpad is net uit. Dan is het toch wel wat sneu voor de wandelaar die het boekje wil raadplegen maar moet constateren dat hij of zij onderweg zijn bril is kwijt geraakt.

Doet een vinder er goed aan om een gevonden bril op een duidelijke plaats langs het pad achter te laten? Wel voor andere wandelaars die er dan even hun gedachten over kunnen laten gaan, tijdens de wandeling.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Bos geamputeerd   

Marskramerpad van Terschuur naar Amersfoort
15 juni 2016

Plotseling is het bospad geen bospad meer, maar een modderige weg die voert door kaalslag. Doordat de regen niet meer wordt tegengehouden door rijk bebladerde bomen, zoals twee stappen geleden nog wel het geval was, is de overgang abrupt. Aanvankelijk ben ik onder de indruk van drie lange grasstengels die in al hun ijlte hoog boven de laag bij de grond afgezaagde stammen uit torenen. Dapper in de regen, denk ik eerst, en meteen daarop: het zijn verduurzaamde regenstralen. Maar als ik opkijk, zie ik de bosrand. Ik moet denken aan een stuk taart dat zojuist door een mes gekliefd is. En aan de Noordsingel in Rotterdam.

Daar woonden, in de late jaren zeventig, vrienden van ons. Wij woonden in een vergelijkbaar huis aan een Utrechtse singel. Maar ons huis toen maakte (en maakt nog steeds) van huizen in gesloten gelid, ook al was ieder huis anders. Zo was het ook geweest met dat Rotterdamse herenhuis, neem ik aan, maar niet in de tijd dat onze vrienden er woonden. Links en rechts waren de huizen weggesneden en van dit restant aan bebouwing zouden onze vrienden de laatste bewoners zijn. De zijkanten van het huis waren wel provisorisch gestuct, maar het bleven open wonden links en rechts en het huis bleef een triest sterfhuis, ook al werden er juist in die tijd twee kinderen geboren.

Daar moet ik aan denken nu ik voorbij de kaalslag aan mijn voeten het geamputeerde bos zie. Het zal wel een prijzenswaardig initiatief van Natuurmonumenten of het Gelderse Landschap zijn; er zal wel gezegd worden dat de natuur op deze manier juist weer een kans krijgt. Alsof natuurbeheer in Nederland iets anders is dan parkbeheer en tuinaanleg. En inderdaad zal deze nu misschien nog onthutste boszoom binnen niet al te lange tijd veranderen in een liefelijke aanblik. Maar ik vind het allemaal een beetje triest. Mensen kunnen iets niet echt mooi maken; dat wordt het pas weer als ze vertrokken zijn.

Als ik verder loop, bedenk ik dat ik dat gevoel vaak ook heb als mensen van de kapper komen. Ze verwachten een compliment maar hun hoofd is veranderd in een stukje onnatuur dat gelukkig niet lang daarna weer is gecorrigeerd door de natuur van ons lijf.

Overigens had ik vandaag over varens willen schrijven.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Fluitenkruid   

Marskramerpad van Veenhuizerveld naar Terschuur
8 mei 2016

Fluitenkruid is de slagroom op de taart van de lente. En omdat ik het niet eet, krijg ik er nooit genoeg van. Het is ondenkbaar dat ik bij deze wandeling van Veenhuizerveld naar Terschuur over iets anders zou schrijven.

Fluitenkruid heeft behalve een overdaad die toch onverzadigbaar is nog een voordeel boven slagroom. Het is tegelijkertijd ook bescheidener. Zo oogt het tenminste altijd op foto’s. Maar ook is het veel verrassender dan slagroom, want het verandert met iedere stap dat je dichterbij komt. Eerst is er een brede witte baan die zweeft boven een groene. Dan komen de golvende lijnen die bij een volgende stap het gevolg blijken te zijn van de vorm van de samenstellende delen, de schermbloemen. En die schermbloemen bewegen altijd. De befluitekruide berm is de Melkweg, maar elke plant is een veelheid van planetaire stelsels. En zo wordt elke stap die je nadert vooral een ruimtereis, die via een duizelingwekkende veelheid eindigt bij minuscule, fijn gevormde witte blaadjes. Wel is ruimtereis een veel te groot woord voor zoveel fijnheid. Een microruimtereisje.

‘Toen je nog in Zeist woonde,’ zeg ik tegen Aat, ‘fietste ik in mei regelmatig via een omweg door Rhijnauwen en langs Bunnik naar jullie toe om zolang mogelijk tussen het fluitenkruid te zitten. Op Inekes [Aats vrouw en mijn zus] verjaardag kon het fluitenkruid staan bloeien, maar het kon ook al over zijn hoogtepunt heen zijn. Daarom kwam ik in mei wel eens eerder al op bezoek. Je dacht misschien dat dat om jullie was, maar dat deed ik vanwege het fluitenkruid.’

Aat vertelt dan dat ook Ineke gek was op fluitenkruid. Als ik vervolgens tegen Aat zeg, dat de energiestoot die de aanblik van fluitenkruid kan geven wel concurreert met de in het oog springende kwetsbaarheid van klaprozen, constateert hij dat bloedbanden blijkbaar ook een plantaardige component kennen. ‘Het is of ik Ineke hoor,’ zegt hij. Mij valt me op dat hij Ineke zegt, niet Ien.

Daarna merken wij dat we al lang niet meer op de gemarkeerde route zitten, we lopen gewoon door. Ook hier is het fluitenkruid prachtig.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Edelhert   

Marskramerpad van Kootwijk naar Veenhuizerveld
30 maart 2016

Als het om vogeltjes gaat, kan ik me intussen goed beheersen. Ik weet nu wel dat ik veel meer zie als ik niet een foto probeer te nemen. Vogels moeten het me wel tergend makkelijk maken wil ik de lens op ze richten en die proberen scherp te stellen. Dan nog gaat het meestal verkeerd, maar dan heb ik tenminste mijn ogen al even de kost gegeven. Wij zijn nog maar amper op stap of er scharrelt al een boomklevertje langs het pad. Ik kijk en geef geen krimp. Later zal ik de veldleeuwerik rustig de gelegenheid geven om op te vliegen uit het hoge gras en vervolgens hoog in de lucht zijn zang te laten horen, maar als hij duizelingwekkend klein en ver en recht boven me blijft staan, wordt de verleiding te groot en maakt ik een toch een foto waarvan ik weet dat die moet mislukken: ik krijg het beestje niet scherp.

Dat is dan de tweede keer vandaag, want ruim daarvoor, een paar minuten na de boomklever al, zie ik in de verte twee edelherten ons pad kruisen. Aat heeft er beter zicht op dan ik. Maar ook ik zie de beesten heel goed. Met de camera kom ik niet verder dan een nauwelijks zichtbare vlek zonder kop. Dat was het achterste hert. Als ik jager was geweest en mijn camera was een geweer en het edelhert was een damhert geweest en de plaats zouden Noord-Hollands Duinen zijn wezen, had ik dan nog mogen schieten?

Een deel van die gedachte neem ik mee in een gesprekje met Aat. Die zegt op een gegeven moment dat het met die damherten daar wat anders is, want die horen daar niet thuis. Maar we realiseren ons dat dat een bedenkelijk argument is, want Syriërs en Marokkanen komen oorspronkelijk ook van elders. En waar halen wij het lef vandaan om als Westlanders in het midden van het land te wonen? Of zou het criterium niet gelden voor mensen, en waarom dan niet?

Aat weet te vertellen dat de populatie edelherten hier ook wel door jagers op peil wordt gehouden. Maar wat is dan het criterium? Een willekeurig getal, een aan een zekere hoeveelheid herten gekoppelde schade die blijkbaar niet acceptabel is. Bij meer diersoorten zullen dergelijke criteria gelden en daarover is goed nagedacht, maar waarschijnlijk niet door de herten, everzwijnen of legkippen zelf. En we hebben de indruk dat dergelijke criteria niet zijn opgesteld voor mensen. Dat is niet consequent, maar met die inconsequentie kunnen wij wel leven.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Kronkelweg   

Marskramerpad van Hoenderloo naar Kootwijk
29 februari 2016

De bus passeert halte Kronkelweg. Misschien rijden we er wel overheen, maar daar valt niet veel van te merken. In het bos bij Hoenderloo is dat anders. Ons pad slingert van links naar rechts en van omlaag naar omhoog. Dat slingeren is ook vaak nodig vanwege over het pad gevallen bomen.

Nu hoef je er weinig moeite voor te doen om langs deze dwarse bomen te komen. Daar hebben eerdere wandelaars voor gezorgd, al zal er een wandelaar zijn geweest die als eerste een weg langs een boom baande. Je ziet ook wel pogingen om de boom langs een andere weg voorbij te komen. Meestal is één route favoriet en zo niet, dan zal dat ook wel zijn reden hebben. De omgevallen bomen en slingerende paden hebben iets chaotisch. Soms zijn de bomen met wortel en al omgekukeld, maar ook waren stammen zo aangetast dat de boom het niet meer hield.

Het ziet er wat rommelig uit. Toch valt daar wel het nodige op af te dingen. Is chaos niet een iets andere ontmoeting van wetmatigheden dan je misschien verwacht zou hebben en waardoor weer nieuwe causaliteitsreeksen ontstaan? Om een of andere reden bijvoorbeeld drong een parasiet een boomstam binnen en er gebeurde een paar keer iets, of niet of half, waardoor de parasiet kon gedijen. Er is een verklaring voor het omvallen van een boom van een zeker merk, op een specifiek moment en ook voor de plek waar die valt, tot op de millimeter, dat laatste misschien door een mier op tak 27, waarbij je mag gaan afvragen waarom die mier daar op dat moment was. Enzovoort.

Zo ben ik geen toevallige wandelaar, maar loop ik hier dankzij een miljoenen jaren geleden begonnen reeks wetmatigheden die voortdurend en onontkoombaar interfereerde met andere reeksen. Dat kun je toeval noemen. Je kunt er ook een weergaloos verhaal over bedenken waardoor alles op zijn onontkoombare plaats valt: de kronkelweg is een bijzondere rechte weg, de omgevallen boom heeft altijd al een omgevallen boom moeten zijn en ik ben bedoeld om daar op deze schrikkeldag omheen te lopen.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Print   

Marskramerpad van Klarenbeek naar Hoenderloo(2), februari 2016


Langs een gedeelte van de Beekbergsche Beek ligt een betonnen fiets-en-wandelpad. Dat beton is ter plaatse in daarvoor bestemde vakken gestort. Ern terwijl wij daarop lopen, komen ons vanuit een druilerig grijs voetstappen tegemoet. Deze dag zou wel eens de eerste dag kunnen zijn waarop Aat en ik helemaal geen wandelaars tegenkomen. Maar die voetstappen zijn er wel. De schoenzolen zijn niet diep in het beton gezakt. Als fietsers zou je er niets van merken, als wandelaar voel je ze niet. zijn die voetstappen het resultaat van ongeduld of misverstand of is er opzet in het spel en heeft iemand moedwillig het toen nog niet helemaal uitgeharde beton betreden?

Als dat zo is, dan zou er een bijzonder patroon in het spoort te ontdekken kunnen zijn. Mij valt wel op dat er vrijwel altijd een voetstap te zien is op de naad van twee betonplaten en ook dat er een beetje wordt geslingerd, maar niet genoeg om te denken aan opzet en ook niet aan dronkenschap.

De verleiding om ergens sporen achter te laten, is soms niet te weerstaan. Nooit heeft iemand er ooit iets van gezegd, hoe demonstratief ik mezelf toen ik heb verraden, maar ik heb nog jaren moeten zien hoe ik de pas gestucte buitenmuur van de keuken van de buren niet met rust kon laten en er met mijn vingertjes een voor doorheen trok.

Een fraaier spoor vond ik in het Kuinderbos in een kloostermop, restant van een burcht die daar heeft gestaan. In die grote baksteen stond een kinderhand afgedrukt waarvan de vingers diep in de klei waren gedrongen. Zeshonderd jaar ouder moet die afdruk al gauw zijn, waarschijnlijk kun je er een eeuw bij optellen. De steen heeft lang naast mijn bureau gestaan, maar nu ligt hij al jaren in de schuur. Het wordt tijd om de steen weer eens een hand te geven.

Zo lang zullen deze voetstappen in beton niet zien blijven. Misschien zij ze over een jaar al niet meer herkenbaar. Aandoenlijk zijn overigens ook de afdrukken van boombladeren in het beton. Ook die konden het blijkbaar niet laten. Net kinderen.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Kabouters bij Klarenbeek   

Marskramerpad van Klarenbeek naar Hoenderloo, februari 2016


Vorige keer stopten we bij station Klarenbeek, vandaag pikken we daar de draad weer op en zo lopen we twee keer over het pad dat station en Marskramerpad met elkaar verbindt. Beide keren kan ik het niet laten om foto’s te maken van de vele kabouterhuisjes en dito meubeltjes die in en om de bomen te zien zijn. Maar het resultaat is mager en thuis verwijder bijna alle plaatjes weer. Betovering laat zich moeilijk vastleggen.

Nu droom ik erover hoe ik hier met mijn kleinkinderen heen zou kunnen gaan, al is dat wel een lange reis voor een zo beperkte attractie. Maar wat zeg ik? Heeft het treinlandschap van Oom Wim (ik kom uit de tijd dat iedere kennis van mijn ouders die geen buurman was oom genoemd werd), op het kind dat ik was niet een betoverende indruk gemaakt die nu, honderd jaar later, nog niet is uitgewerkt?
Ook daar ging het om stoeltjes, tafeltjes en wat al niet. Het mooiste intussen daarvan was het feit dat er aan gewerkt moest worden: veranderd, gerepareerd, uitgebreid. Het proces bepaalde in sterke mate de kwaliteit van het product.


Dankzij internet weet ik nu dat daarin is voorzien, want afgelopen zomer hebben onverlaten heel veel vernielingen aangericht in het kabouterbos. Het toeval wil dat ik van beide wandelingen een foto over heb van hetzelfde tafereel en nu pas dringt tot me door dat in januari de ladder is vernield.
Terug naar internet. Daar zie ik dat het Kabouterbos een eigen Bosblad heeft, in ieder geval is er een editie van augustus 2013 te vinden.
Op een foto van dat blad is ook Opa Jan te zien. Dat dacht ik al: de ooms van ooit zijn de opa’s van nu. Misschien moet Opa Len hier toch nog maar eens naartoe, maar voorlopig lopen hij en Zwager Aat naar Hoenderloo. Alles op zijn tijd. Bosblad

Len Borgdorff

  Naar boven  

Niks   

Marskramerpad van Deventer naar Klarenbeek, januari 2016


In het noorden sloeg de winter toe, maar tussen Deventer en Klarenbeek slaat niets. Hier heerst grijze rust. De saaiheid, de niksigheid van een nieuwjaar dat weliswaar nog niet helmaal is bijgekomen van de vermoeienissen van het oude, maar die zijn wel voorbij.

Op oudejaarsdag begroef ik mijn moeder. Dat was een dag na de geboorte van mijn kleinzoontje, haar elfde achterkleinkind. Nu, op 4 januari loop ik over drassige paden. Het is meer sukkelen, ik loop zoals ik mij voel.

De omgeploegde grond hier mist de hoekigheid en de al even markante staalblauwe glans van Zeeuwse klei. Het is nog allemaal niks vandaag. De vochtige lucht niet, het grijze licht niet en deze lege lappen grond dus ook niet.

Er is nog niks. Het is een kwestie van doorlopen.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Tapijt   

Marskramerpad van Lettele naar Deventer, december 2015


Als je tussen de bomen loopt, moet je wel goed kijken waar je je voeten neerzet, want de grond is drassig, niet zomaar vochtig met een gladde bovenlaag. Je kunt met je schoenen makkelijk tien centimeter wegzakken. Nu kunnen die schoenen daar wel tegen, maar het loopt bijzonder ongemakkelijk om steeds je voeten te moeten ontworstelen aan een ondergrond die er blijkbaar behagen in schept ze vast te zuigen. Die grond nodigt daar het meest toe uit waar blijkbaar verschillende keren grote landbouwmachines hebben gereden.

Maar dan is er het blad. Het heeft de afgelopen maand vaak gestortregend en dat heeft de grond zo week gemaakt, maar het heeft ook gestormd en af en toe was het koud. En daardoor is het meeste blad nu wel van de bomen en de struiken. Het blad van beuk en Amerikaanse en Hollandse eik krijgt langzaam maar zeker allemaal dezelfde bruine kleur, maar het gedraagt zich als een tapijt, hoogpolig dan wel. Een daarmee wordt het zelfs leuk om je voeten daar te zetten waar ze in de modder zouden worden vastgezogen zouden worden, als die dikke laag bladeren er niet was geweest. De tijd is voorbij om de bladeren met je voeten omhoog te trappen. En als je kaplaarzen aan had, zou je niet meer in de verleiding komen om eens stevig in plassen te gaan lopen stampen. Het is de laatste daad van het blad.

2015 is ook het jaar waarin ik nog meer van blad ben gaan houden.

Len Borgdorff

  Naar boven  

In de mist   

Marskramerpad van Holten naar Lettele, november 2015


Het is Allerzielen en we lopen door de mist, de hele dag. Er zijn berichten dat er niet ver van hier een heldere lucht moet zijn, maar daarvan merken wij niets. In de mist zie je niet dat er elders geen mist is.
Van deze verlaten en verlate maisplant maakte ik verschillende opnamen. De boom op de achtergrond is de laatste van een rijtje, iets verderop staan een boerderij en een mestkar en daar tussendoor zie je dan die ene maisplant, er is weinig kleur en het beetje kleur dat er is kan makkelijk weggehaald worden door er een zwartwitopname van te maken. Dat heb ik allemaal gedaan, maar ik kies voor deze foto.
Van de zomer fietste ik een paar keer langs een maisdoolhof. Dat was nog in de tijd dat het onbestaanbaar leek dat er ooit één plant zou overblijven en al helemaal zou niet duidelijk zijn welke dat dan worden zou. Ik stelde me voor hoe het zou zijn om daar doorheen te lopen.
Ik zei het al: het is Allerzielen. Hier staat één nog maar amper levende ziel die tot zijn of haar verbijstering constateert dat alle andere planten zijn verdwenen. Ik denk aan mijn moeder, aan die toevallig als laatste overgebleven maisplant in een verzorgingstehuis in Monster. Het mensje. Of zou ze denken dat ze er nog wel zijn maar dat ze het niet goed meer ziet door de mist waarin zij leeft?
Die plant, waarom staat die daar trouwens nog? Vond de grote maaier het leuk om op deze onmetelijke vlakte één plant te laten staan? Heeft hij het niet gezien? Gebeurde het per ongeluk en was het niet de moeite waard om dat ding ook maar weg te halen?
En dan die boom. Ik was van plan om een foto te maken waarop alleen die ene maisplant stond. Toch nam ik er meer. En nu kies ik voor een foto met ook die boom, maar er staan meer bomen naast.
Aat is intussen verder gelopen. Ik zie hem niet, maar dat is geen probleem. Die vind ik wel weer.

Len Borgdorff

  Naar boven  

G-Zuna   

Marskramerpad van Rijssen naar Holten, augustus 2015


Een weg door het bos hoort bij vakantie en rust. Op of langs een weg door het bos gebeurt nooit wat. Hoeveel marskramers er ook zijn overvallen en hoeveel mensen er ook zijn verdwaald en hoeveel dieren er ook een verschrikkelijke dood stierven, een weg door het bos is rust, stilte, paradijs van voor de industriële revolutie. Bomen, bomen, zandsporen, paaltjes, hier en daar een boerderijtje en desnoods een watermolen.
Iedere keer kom ik iets onverwachts tegen op of langs zo’n weg door het bos. Ik neem het waar, verbaas me, en de volgende keer ga ik weer met het beeld op stap dat ik me als achtjarige gevormd heb van boswegen.

Toch heb ik al vaker oude auto’s gezien bij een huis in het bos. Maar hier, bij G-Zuna, gebeurt meer. Ik blijf stokstijf staan. Rond een vijver staat een groepje terreinwagens alsof ze willen pootjebaden maar bang zijn dat het water misschien te koud is voor hun gevoelige voorwielen. Of te diep. Daar horen zulke stoer ogende wagens geen last van te hebben, zou je denken, maar juist die aarzeling maakt ze aandoenlijk. Ik weet het, het is maar een kwestie van compositie. Ik neem een foto van de auto’s om de vijver en zie dan dat er nog veel meer van die terreinwagens op het erf staan, en ook in het bos. Door de bomen waarachter ze zich lijken te verstoppen, krijgen ook die wagens van het G-type menselijke trekjes. De eigenaar van het bedrijf moet een leuke vent zijn, denk ik.

Maar Aat is doorgelopen, dus ik moet nu echt achter hem aan.
Over de bosweg komt een meisje aangelopen met een fiets aan haar hand. Lekke band. ‘Ach, arme meid,’ zeg ik.
‘Mag ik u vragen waarom u dat huis daar fotografeerde?’ ‘Nee, ik nam foto’s van de auto’s. Ze staan om de vijver en in het bos alsof het mensen zijn.’ Het meisje straalt. ‘Daar woon ik,’ zegt ze. ‘Dat is het bedrijf van mijn vader. G-Zuna.’
‘G-Zuna,’ zeg ik haar na. De binnenband van haar achterwiel is tussen velg en buitenband tevoorschijn gepiept, maar de zon straalt uit haar ogen en, zie ik, tussen haar lippen schitteren de sterren van een beugeltje. Leuke vader, leuke dochter.
Nee, ik hoef geen terreinwagen, maar als ik er een zocht, dan wist ik het wel.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Groenen   

Marskramerpad van Enter naar Rijssen, juli 2015


De mooiste passage uit Bernlefs gedicht In mijn kamer hangt onder een luchtrooster in de muur een reliëf van J. J. Schoonhoven vind ik de titel. Rooster en reliëf zijn beide wit en ze lijken ook wat vorm, ja, wat compositie betreft, ongetwijfeld veel op elkaar. Ik ken het luchtrooster in Bernlefs toenmalige woning weliswaar niet, maar het werk van Schoonhoven wel. Even terzijde: er is op het ogenblik het een en ander van te zien in het Stedelijk Museum van Amsterdam.
Wat Bernlef heeft met het wit van Schoonhoven en zijn luchtrooster en trouwens ook met de sneeuw van Eskimo’s, heb ik deze week, niet voor het eerst, met groen. Met groenen.
Gisteren bijvoorbeeld zat ik ergens tussen Utrecht en Westbroek. Ik was van de fiets gestapt om rustig te kijken naar het spel van licht, wind en talloze groenen. Toen ik daar een foto van wilde maken, schoof er een wolk voor de zon en moest ik wachten. Maar waarop? Het spel ging immers gewoon door. Een omfloerste zon, een iets steviger wind en weer andere varianten van groen die mais, gras, riet en sloot lieten zien.
Nu, langs de Regge, treur ik mee met de schilder die al die schakeringen vangen wil, maar het is treurnis voor de vorm. Die schilder zoekt het maar uit! Als ik straks thuis al dat groen bekijk op de foto’s die ik vandaag maak, zal ik regelmatig zeggen dat het zo helemaal niet was. Ik kan er niet mee zitten. Ik zal vast wel hier en daar de boel wat oplichten, contrasten afzwakken of versterken, kleuren wat verzadigen of juist niet. Het zal er allemaal niet toe doen. Ook al omdat foto’s niet bewegen. Hier buiten is het windstil vandaag, maar die stilte hangt aan het gewas en ligt op gras en aardappelveld en op het water. Windstilte is ook wind. Op foto’s is geen windstilte want er is geen wind. Interessant hè.
Voorlopig loop ik langs de Regge, langs tientallen groenen die stilstaan en toch groeien of toch stromen. Groen betekent dat je mag doorlopen, maar niet te snel en je moet goed uitkijken naar nog meer groen.

Len Borgdorff

  Naar boven  

De rug van Aat   

Marskramerpad van Borne naar Enter, juni 2015


Ik schreef een stukje over de rug van Aat, maar ik ben het kwijt. Meestal bedenk ik tijdens de wandeling waarover ik zal schrijven. Maar het gemak waarmee zich een mogelijk onderwerp aandient, heeft me wat gemakzuchtig gemaakt. Daarom kwam ik pas op het idee om iets te schrijven over Aat en zijn rug toen collega en verwoed fotograaf Huub mij vertelde dat een foto spannender blijft als er, groot of klein, mensen op staan.
Ik twijfelde daaraan. Het mensen kunnen makkelijk afleiden van de lijnen en de kleuren van een landschap bijvoorbeeld. Als ik foto's neem, loopt Aat meestal voor me. Nu kijk ik ook naar links, rechts en achter me, dus het valt me niet moeilijk om Aat niet te zien. Als we naast elkaar lopen en ik stop voor een foto, dan doet Aat dat ook. Om niet door mijn beeld te lopen.
Toch gebruik ik Aat regelmatig als ornament in het landschap en ik ben blij met de kleur van zijn rugzak, die van iets teveel aangelengde ranja, een prachtige kleur. Dat bracht me op een ander punt.
Aat moet namelijk niet al te groot op de foto staan. Ik maak ook wel foto's waarop iemand heel geprononceerd aanwezig is. Maar dan ben ik met andere foto's bezig. Op het omslag van de Marskramerpadgids vind je een plaat met twee mooie en even sportieve jonge dames die, naar ik veronderstel, ergens bij Soest lopen. Die foto dient een duidelijk doel. De dames wandelen met veel plezier, als sportieve en aangename verschijning door de natuur. Als die meiden, zo wil de foto me waarschijnlijk vertellen, de lopers van zo'n pad zijn, dan willen wij allemaal wel het Marskramerpad lopen. Maar ik zou deze foto nooit uitvergroot op mijn kamer willen hebben. De geliefde van een van de dames wil dat weer wel, veronderstel ik. Deze foto zonder de dames of met die dames veel verder weg, mag wel boven mijn bureau.
In dat verloren gegane stukje ging ik ook in op het mogelijke verschil tussen foto's en schilderijen. Daar liet ik allerlei briljante overweging over los. Maar, als gezegd, het stukje is weg.
Een probleem was wel dat toen ik het stukje afhad, ik vergeefs zocht naar een foto van ergens in het Twentse land. Wel vond ik er eentje waarop hij door een tunnel loopt, bij Borne. Grappig is wel dat ik ook een foto maakte van die tunnel zonder Aat. Die was weliswaar wel scherp, maar te saai en daarom verwijderde ik die al voor ik nog maar enig idee waarover dit stukje zou gaan.
Daarom deze keer een foto die niet helemaal past bij een stukje dat verloren ging.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Leugen en bedrog   

Marskramerpad van Deurningen naar Zenderen,mei 2015


Het is 4 mei en ik denk aan Armando’s schuldige landschap. Niet dat het iets met elkaar te maken heeft. De term ‘schuldig landschap’ valt me in omdat ik langs de Deurninger Beek loop die binnen een strak bepaald kader de gelegenheid krijgt om spontaan toe te geven aan de oernatuurlijke drang van een waterstroompje.
Ik loop hier voor het eerst, maar het kan niet anders of twintig jaar terug zag het er hier heel anders iets, ook natuur. Ik vergelijk het maar met het Utrechtse Noorderpark, dat zich in alle natuurlijkheid niet laat vergelijken met wat daar jaren her natuurlijk was. Natuur liegt. Er is geen natuur, er zijn parken, ingericht naar arbitraire menselijke wensen. Het land suggereert authenticiteit en er is zelfs een grote organisatie die een vierkante leugen trots tot eigennaam verkozen heeft: Natuurmonumenten. Welke natuur? Monument waarvan? Constructie en willekeur van het moment! Ik loop er met veel plezier en geniet.
Intussen zoekt Aat vergeefs naar pinksterbloemen die niet te wit of dat worden als hij ze gefotografeerd en wel nog eens bekijken wil op zijn computer, laptop, iPad of afgedrukt. Ik zeg hem dat dat een kwestie is van handig fotoshoppen, maar nee, hij blijft zoeken naar de pinksterbloem met de ideale en multimediaresistente kleur. De pinksterbloem die wel beantwoordt aan Aats beeld van de kleur van een pinksterbloem, ook al moeten daarvoor de duizenden pinksterbloemen van vandaag worden afgewezen.
Schuld, leugen, bedrog. Het is een heerlijke dag en een verrukkelijk gebied vol prachtig groeien en bloeien.

Len Borgdorff



  Naar boven  

Het lijden dat men vreest   

Marskramerpad van Bad Bentheim naar Losser, december 2014

We kunnen bij de Dinkel verrast worden door hoog water. Als we niet willen waden, en dat willen we niet, want we wandelen op 29 december, dan is er een omweg mogelijk. Dat lees ik de avond tevoren. Als we zekerheid willen, dan kunnen we contact opnemen met de VVV. Ik stuur een mailtje, maar het is onzinnig om te denken dat iemand op zondagavond 28 december namens de VVV van Denekamp hierop zal reageren.

We zouden natuurlijk kunnen proberen om het ergste voor te zijn door meteen maar een alternatieve route te kiezen, maar dat gaat me te ver. Nee, we tarten het lot en volgen de route zoals die is aangegeven. Het onheil kan echter op een gemene wijze toeslaan, begrijp ik uit de beschrijving. In het boekje staat dat bij de grens Duitsland – Nederland het zandpad overgaat in een betonweg. Dat klinkt riant, jawel, maar juist die betonweg voert naar de Dinkel en die zou ’s winters inderdaad zover buiten zijn oevers getreden zijn dat we niet droog over komen.

We trotseren vandaag gladde stukken: de sneeuw van gisteren en eergisteren is aanvankelijk gaan smelten, maar daarna des te verraderlijker weer opgevroren. We lachen erom. Maar intussen hangt dat stukje bij de Dinkel als een donkere dreiging over onze tocht.

Er is niets aan de hand. Opgelucht maak ik een foto van de plaats waar het gevaar had kunnen toeslaan. Voor de Dinkel zelf, de rivier die het land volledig veroverd had kunnen hebben, haal ik niet eens meer mijn toestel tevoorschijn.

Len Borgdorff

  Naar boven  


Gelikt   

Trekvogelpad, november 2014


 … 't mag nu niet lijken,
Alsof 'k voor zoveel moois ondankbaar ben.*

Wij lopen de laatste etappe van het Trekvogelpad.
Onze weg van Bergen aan Zee naar Usselo vonden we vooral dankzij het rood-witte teken dat in een bebouwde omgeving op lantaarnpalen of verkeersborden is aangebracht en elders met twee likken verf meestal op een boom werd gezet. Er is, dat zal wel duidelijk zijn, veel meer elders dan bebouwing als je een wandelroute loopt, dus de likken verf domineren.
Maar steeds vaker maken de markeringen deel uit van prachtig ontworpen paaltjes. Daar keek ik een paar wandelingen geleden nog met bewondering naar, maar al wandelend heb je ook tijd om over onbelangrijke zaken te mijmeren en zo begonnen die chique markeringen me tegen te staan.
Luxe vergt onderhoud. Door in plaats van een lik verf aparte paaltjes met soms heuse dakjes erop te gebruiken, geef je niet alleen meer geld uit, maar leg je ook een claim op de toekomst. Tot nog toe kon je een 65-plussende vrijwilliger met twee busje verf en twee kwasten het bos in sturen. Maar straks komen er allerlei ambachtslui, beleidsmakers en werkvoorbereiders aan te pas. De remmende voorsprong slaat toe, de kosten rijzen de ban uit. En zo kan de overhead de core business, het wandelen dus, zelfs onmogelijk maken.
Aat en ik zijn benieuwd of deze ontwikkeling wordt doorgezet en, zo ja, of het allemaal wel goed afloopt: eerst met die gelikte maar om omslachtig onderhoud vragende paaltjes en ten slotte met het grote wandelen. Daarom hebben wij besloten om niet te stoppen nu we het schitterende Trekvogelpad hebben gelopen. Volgende maand gaan we weer op stap, nu als Marskramers.

Len Borgdorff

*… 't mag nu niet lijken,
Alsof 'k voor 't vroeger moois ondankbaar ben.
De begintekst is een variatie op de slotregels van het gedicht Violenbed van J.A. dèr Mouw.


  Naar boven  

Veilig oversteken   

Trekvogelpad, oktober 2014

Als je wilt oversteken, is een goed zichtbare hes erg handig. Maar ik vraag me af of het veel uithaalt als je de rups bent van een Meriamborstel, die als vlinder veel minder opvalt.. Ik zie de rups duidelijk als we ’s ochtends van het Haaksbergerveen naar Eibergen fietsen, van het eindpunt naar het beginpunt van de wandeling die Aat en ik willen maken.
Het heeft zojuist flink geregend, maar daar heeft de overstekende rups blijkbaar niet onder geleden. Ook heeft hij, en dat is een veel groter wonder, geen last gehad van de trekkers met grote aanhangwagens erachter. Er zijn er zojuist wel vijf langsgekomen, ook langs de rups.
In de middag, tijdens het lopen, zien we er weer eentje. Niet alleen heeft het diertje een langharig jasje in fosforescerend geel, hij steekt aan zijn achterlijfje ook nog een rode vlag omhoog. Hij lijkt optimaal beveiligd, maar hij blijft kwetsbaar en vooral klein.
Als we verder lopen worden we ingehaald door opnieuw een trekker beladen met vermalen resten van maisplanten. De trekker blijft staan om het pad bij een boerderij in te slaan. Van het erf komt juist een andere trekker met lege wagen aan. De volle trekker rijdt een stukje vooruit om de lege de weg op te laten draaien. ‘O, rups,’ denk ik en ik kijk even om.
Dan, zie ik, rijdt de wachtende trekker een eindje achteruit. Daar moet ergens die rups kruipen, als die nog kruipt. Er is meer weg, dan band, probeer ik mezelf moed in te praten. De trekker rijdt een stukje vooruit, maar om de bocht te kunnen nemen, moet die toch weer wat naar achteren. Nu probeer ik mezelf te troosten met de gedachten dat het profiel van de banden zo diep is dat een rups zelfs daaronder vandaan kan komen zonder kwetsuren. Maar intussen rijdt de beladen trekker wel vier keer achter- en vooruit. Als hij uiteindelijk het pad opdraait, vraagt Aat of ik ook nog naar de afloop wil gaan kijken.
Dat moeten we maar niet doen.

Len Borgdorff


  Naar boven  

In een boog   

Trekvogelpad, oktober 2014

WaterBoog - Malou Busser en Niek Verschoor

De boog bij de Buurserbeek doet Aat denken aan de bogen van de bovenleiding van het spoor bij Maartensdijk. Ik denk aan iets anders.
Dat heeft te maken met het water, de boog, maar mogelijk ook met de kleur die vandaag zou overheerst: geel, zacht, transparant geel. Zoals urine dat kan zijn. Daar moet ik dan ook aan denken, aan een pisboog. En zo denk ik weer aan mijn vriendje Dick.
Wij hebben regelmatig langs een sloot gestaan en als we daar dan stonden wisten wij ons lid van de KVP. Dat zeiden we dan ook tegen elkaar. KVP stond voor Kampioen Ver Pissen. Maar het was duidelijk dat ik nooit verder kwam dan de tweede plaats. Het was werkelijk fenomenaal om te zien hoe ver hij kon piesen. Van de sloot die bij hem achter het huis langs liep, wist hij zelfs de overkant te halen. Dat zou nu niet meer lukken, al was het maar omdat die sloot gedempt is.

Terwijl ik een deel van de boog ook van dichtbij fotografeer, herinner ik me een verhaal dat Dick mij vorig jaar, dus ruim vijftig jaar later, vertelde. Hij had op een avond flink geborreld en daarom moest hij 's nacht zijn bed en de camper uit.
Daar werd zijn kleinzoon wakker van. 'Wat ga je doen, Opa?' vroeg die. En toen Dick dat vertelde, moest de jongen ook ineens heel nodig. Nu speelde het geborrel van de avond hem nog zoveel parten dat hij er niet voor voelde ergens een wc op te zoek. Daarom liep hij met het jongetje het aangrenzende weiland in en deed daar zijn broek een eindje omlaag. De jongen volgde hem na. Terwijl ze daar zo stonden wees Dick hem allerlei sterren aan en noemde namen van die vreemde configuraties in de hoge donkere lucht.
'Ja,' zei Dick, 'die jongen vertelt natuurlijk later aan zijn kinderen en kleinkinderen dat hij vroeger altijd 's nachts in het open veld ging plassen en dat ze dan de sterrenhemel aftuurden.'
Ik had hem toen niet verteld dat hij voor mij al veel eerder al plassend tot mythische proporties was uitgegroeid.
Ik verliet beek en dijk en daalde af naar het lager gelegen bos. Daar stond Aat, bij een boom, met de rug naar me toe.

Len Borgdorff


  Naar boven  

Voor licht en fotograaf

Trekvogelpad, juni 2014

Met mais het heb ik een beetje te doen. Het mag dan een rendabel gewas wezen, een wandelaar kan er maar weinig waardering voor opbrengen. Het is van een grauw groen, staat in de zomer veel te hoog om nog iets te kunnen zien en is van een ontmoedigende onmetelijkheid van hetzelfde. Waar zijn de klaprozen, de korenbloemen en andere kruiden, waar de vlinders en zangvogeltjes?

Pas wanneer de mais weggehaald is, wordt het op het land weer een beetje leuk. Dan zie je de modderige voren waaruit in een vast patroon de stoppels steken. Mistroostig, ja, maar mistroostigheid is gevoel en dat willen we als we wandelen: gevoel.

Gelukkig voor de maisplanten zijn ze met zijn vele duizenden aanvankelijk ook nog een tijdje klein. Dan zie je dezelfde patronen als later, na de oogst, maar nu als belofte in een vers groen. Wat jong is, is meestal aandoenlijk, ook het kind van vervelende ouders is dat of een heel klein krokodilletje, ook het jonge maisplantje. En de monotonie van straks heet nu nog onbaatzuchtigheid en dankzij licht en perspectief lijkt vandaag vanuit chaos voor mijn voeten iets verderop een patroon te ontstaan. Nog weer verder gaan de kolonnetjes speels verschillende kanten uit. Allemaal jonge soldaatjes, die plantjes, kindsoldaatjes. Vandaag zijn ze niet op weg naar invasie of ondergang voor volk of vaderland, vandaag doen zij mee aan een parade ter ere van het licht en van de fotograaf.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Groen

Trekvogelpad, april 2014

Zo zag het eruit. Pubers zouden zoiets graag tekenen: een boom voor de helft in blad en de andere helft kaal, de zomer- en de wintervariant van dezelfde boom. Waarom pubers zoiets graag tekenen? Omdat tot ze doordringt dat verschillende vormen van existentie één essentie hebben misschien? Of omgekeerd… dat wat vast lijkt te staan veranderlijker is dan je zou denken? Dat loop ik wel te bedenken, maar hier is iets heel anders aan de hand. Het is eind april en hier staat zowel het linker- als het rechterdeel van de boompartij in vers voorjaarsblad. Maar deze boomgroep bestaat uit verschillende bomen. De wereld ziet er niet alleen veel zomerser uit, zo voelt ze ook: het is warm en het zou me niet verbazen als het straks gaat regenen. Het gras doet mee aan de zomerse suggestie. In lange stroken van een andere tint groen liggen hopen gras over het gekortwiekte lichte groen. Het ziet er allemaal een beetje kunstmatig uit: als een schilderij van een puber die zichzelf, de wereld en zijn verftechniek aan het verkennen is. Maar als dit landschap echt om de compositie en de variaties in groen gemaakt zou zijn, had ik de contrasten iets meer aangezet en de horizontale stroken gras voor mijn voeten nog rechter gelegd. Ik maak een foto en als ik verderloop besluit ik om dat vanavond eens uit te proberen: de plaat iets vervormen en de verschillen in groen iets steviger neer te zetten. Het resultaat van dit voornemen valt me tegen. Ik mis de schuine lijn en ook wel het vogeltje aan de rand van de onbewerkte foto. Een vogeltje dat 's middags nog aan mijn aandacht ontsnapte.

Len Borgdorff


  Naar boven  

Dit is geen dag

Trekvogelpad, februari 2014

Dit is geen dag. Grijs kun je hem niet eens noemen, wel grauw. Het is niet koud, er staat geen wind. Het is gewoon een februaridag van niks, terwijl het er met een beetje zon heel anders zou uitzien. Wat we onderweg tegenkomen, stelt ook al bijzonder weinig voor of stemt niet tot vreugde. We lopen van Loenen naar Brummen. Het laatste wat we vorige maand zagen, was de Kleine Waterval van de Vrijenberger Spreng. Die was niet bijzonder indrukwekkend, maar de Grote moest nog komen. Dat gebeurt vandaag. Maar die staat helemaal droog.
Langs een bospad zien we even later een krans van veren, duivenveren wel te verstaan. Van het beest dat daarin vervat zat, is niets terug te vinden. Het is stil in het bos, geen vredige stilte, maar een doodse. Ik zou het geritsel van een wegvluchtende vos hebben willen horen. Of het zachte geklater van een watervalletje. Zelfs de kleurige tempel van Sada Shiva Dham met zijn vele ongeluide bellen maakt met niet vrolijker. Wat een verlaten boel. Toch staat er een deur half open en zie ik een fiets.
Aat is intussen doorgelopen. Ik tref bij een klein oorlogsmonumentje dat herinnert aan een Franse piloot die hier in 1945 de dood vond. Nee, vrolijk word je er niet van. En het gaat nog even door. Zo passeren we een bostuin met allerlei vogelkastjes, zelfs een droefmakende flat.

Verderop is een doorgang gedicht met prikkeldraad met daarnaast een bordje ‘verboden toegang’, allemaal overbodig want die doorgang is één grote modderpoel. Er zou geen doorkomen aan zijn. Waar geen prikkeldraad is, vind je schrikdraad. Ik zie de weinig uitnodigende aansluitingen.
Bij Eerbeek buigen we af en slenteren door buitenwijken die bij weer als dit altijd al zo mistroostig zijn. Het zal toch niet gebeuren dat we niet ergens koffie kunnen drinken of misschien zelfs een Jumbo in moeten sluipen voor een gestolen bak zwart uit zo’n kartonnen bekertje!
We vinden een heerlijke bak met prima appelgebak en als we Hall naderen komt er zowaar meer licht in de lucht. De kerk van Hall staat er prachtig bij, met bijpassende bruine beukhaag. Naast de kerk, langs een oprijlaan naar een boerderij uit 1898 staan enkele vrolijk makende macabare beelden en het Leusveld tussen Hall en Brummen ligt er mooi bij. Vlak voor Brummen zien we zelfs nog het eerste veulen van dit jaar. Maar een paar honderd meter verder moeten we bij de spoorbomen wachten om de trein te laten passeren waar we zo graag in hadden willen zitten. We nemen de sprinter naar Zutphen van een half uur later, je weet wel, dat is die trein waarin ik mijn petje laat liggen.

Len Borgdorff

  Naar boven  

Weer leren kabbelen

Trekvogelpad, januari 2014

Het heeft nog even geduurd, maar intussen is er een vermoeidheid en weerzin over me gekomen die me bijzonder slecht uitkomt. Na zes weken rondrijden en rondlopen in Nieuw-Zeeland, onder optimale weersomstandigheden en los van de hectiek waar mijn collega’s het over hebben als ze terugkijken naar de laatste anderhalve maand van het afgelopen jaar, zou je toch denken dat ik juist een toonbeeld van gezonde en bruisende energie moet zijn. Zo zie ik er ook wel uit: bruingebrand en met een frisse kop, zeggen ze. Maar ik vind alles wat op me afkomt maar vermoeiend en ik heb helemaal geen zin om iets aan te pakken.
Gisteren zijn Aat en ik wezen wandelen, van Hoenderloo tot iets voor de Grote Waterval bij Loenen.
De ochtendzon stond laag op deze januarimorgen en dat speelde ons parten, maar het gaf ook mooi licht. Nederland is heel erg plat. Toen we de tachtig meter hoge Schenkenshul bestegen – nee, van beklimmen kan geen sprake zijn – dacht ik terug aan de Buggle die Pieter, een andere zwager, en ik kort geleden beklommen, hoe uitdagend moeilijk dat ging en hoeveel wind je ving op de top. Dat waren nog eens tijden. Voorbij de Schenkenshul liepen Aat en ik langs de Vrijenberger Spreng. Ik maakte er een foto van om te laten zien hoe schriel dit beekje afsteekt tegen de vele snelstromende beken en rivieren die ik in Nieuw-Zeeland ben tegengekomen. En dan was er ook nog die waterval, de Kleine Waterval, die samen met de Grote een eindje verderop een voor Nederland spectaculaire val van 15 meter maakt. Ik moest denken aan de Huka Falls waar op een bepaald punt 200 duizend liter water per seconde doorheen geperst wordt. Wat een verschil. En dan de heldere, lichtblauwe kleur ook van dat bruisende water in vergelijking met het bruine getuttel hier in deze week.
Aan de Grote Waterval kwamen Aat en ik niet eens toe. De nabijheid van een bushalte lonkte.
De hele dag heb ik de Veluwe en Nieuw-Zeeland vergeleken. Hoe ze daar bomen hebben waarbij die van de Veluwe in het niet verdwijnen, maar toch ook hoe ze daar net zo goed modieus streven naar een oorspronkelijke begroeiing die ten koste gaat van latere aanplant waarvan je na honderd jaar of meer wel kunt zeggen dat die tot de eigen natuur zijn gaan behoren. Tussen de Grote en de Kleine Waterval bijvoorbeeld lagen honderden stammen van omgehaalde naaldbomen, maar we zagen ook de aanplant van beukenbomen. Ik hou meer van beuken dan van dennen, maar die dennen brengen wel andere vegetatie en ook vogels met zich mee die ik niet graag zou missen. Ook in Nieuw-Zeeland wil mensen soms te rigoureus de natuur aanpakken en aanpassen 'omdat dat natuurlijker is.'
Maar goed, Aat en ik liepen enkele uren door een stil land, over modderige paden, langs een onnozel beekje en over een nauwelijks opgemerkte heuvel.
Toen ik vanmorgen de foto’s bekeek van gisteren, ging er een zekere troost uit van de gewoonheid van die ik daarop zag. Het landschap kwam daarmee, tegemoet aan mijn stemming van vermoeidheid en weerzin om al het grote dat me te wachten staat weer aan te pakken. En zo kijk ik terug op een aangename therapeutische wandeling waarbij ik tenminste niet oh en ah hoefde te zeggen bij 200 honderd liter water per seconde. Dat is prachtig en veel indrukwekkender ook, heus. Maar nu even niet.

Len Borgdorff


  Naar boven  

Het bankje van Bossley

Nieuw Zeeland, december 2013

Ik zou het niet erg vinden als ik nu een gedicht kon schrijven, maar dat zit er even niet in. Een gedicht schrijf ik als dat moet, als er een deadline is. Of als het moet van het nog niet bestaande gedicht.
Ik heb wel ergens een aantekening voor een gedicht en de plek waar ik nu zit, had niet inspirerender kunnen zijn: aan het water en bij een nu even ondergelopen strand waar straks, bij eb, weer de mooiste schelpen te vinden zijn. Daarover zou het gedicht namelijk gaan, over het vinden van schelpen. Maar goed, het zit er nu nog niet aan te komen.
We verblijven vier dagen aan de Orua Bay, in huisjes verbouwd en ontworpen door Pete Bossley, Kiwi-architect, vriend van Pieter en Martine. Ik eet en drink en slaap in zijn huis,maar ik ken hem niet. In zijn eenvoud, strakheid, efficiency, gestileerde afwerking en vooral het uitbuiten van licht wijst alles hier erop dat deze Pete veel zal rondlopen met ideeën, plannen en dat hij soms mogelijkheden ziet voor iets wat helemaal geen vraag of probleem was. Is dat de Kiwi-ingenuity waar ik het over had? Ik denk het niet. Die komt om de hoek kijken bij een praktisch probleem dat een dito oplossing verlangt. Toen Pieter en ik een paar uur geleden een vergeefse poging deden ergens een krant te scoren, zagen we dat iemand als brievenbus een oude magnetron had gebruikt. Dat is de oplossing van een Nr 8 wireman.
Bij Bossley ging het heel anders. Ik stel me voor dat hij een keertje op zijn terras zat, naar het water keek dat tegen de grote stenen onder hem klotste en toen bedacht dat een bankje op die stenen wel handig was. Dat het een ideale plek was om te zitten, maar ook om te liggen, of iets daar tussenin. Dat je er ook iets op kwijt moest kunnen, een glas, een boek, een handdoek, en ook dat iemand er even bij moest kunnen komen zitten. Ook moest het passen in de omgeving, linksom (in harmonie) of rechtsom (als spannend contrast). Of misschien zelfs allebei. Hij zal een potloodje gepakt hebben, iets hebben opgeschreven of - dat is in zijn geval waarschijnlijker - geschetst. Dat was dat.
Later is dit bankje er gekomen. Eerst als ontwerp en toen, bij de verwezenlijking ervan, als een bankje dat net iets afwijkt van het ontwerp. Dat is het bankje waarop ik nu al een paar uur zit, naar het water staar en waar ik dit stukje zit te tikken, op mijn tablet, want ja, dat kan ook. Het is een zeer geslaagd bankje, een soort gedicht dat rustig mocht ontstaan.

Len Borgdorff


21 december 2013, Orua Bay, Nieuw-Zeeland
De foto is gemaakt door Pieter de Zeeuw

  Naar boven  

Number 8 wire

Nieuw Zeeland, november 2013

Ik ben geen filmliefhebber. 'The world's fastest Indian' ken ik dan ook niet, maar Pieter en Joof wisten er vorige week zo aanstekelijk over te vertellen, dat ik mij heb voorgenomen om die te gaan bekijken zodra ik weer in Nederland ben. Hoofdpersoon in de film is een eigenzinnige, lees maar echte, Kiwi, gespeeld door Anthony (of zonder h) Hopkins. De zonderlinge man heeft een aantal eigenaardigheden: hij knutselt graag, is weinig ingevoerd in de dagelijkse bureaucratische en administratieve beslommeringen en hij plast dagelijks tegen zijn citroenboom. Dat laatste zou de smaak en de kleur van de citroenen ten goede komen. Mij zou dat niet eens verbazen. De grote droom van deze Kiwi is om met zijn oude Indian, dat is het merk van een motorfiets, ooit eens deel te nemen aan races op de uitgestrekte zoutvlaktes bij het Amerikaanse Salt Lake City. Zijn pogingen om dat voor elkaar te krijgen, zijn zo onconventioneel en werken zozeer op de lachspieren van iedereen met wie hij te maken krijgt, dat men uiteindelijk overal mee instemt, al was het maar omdat het zo leuk lijkt om deze man de risee van de wedstrijden te laten worden.
Voor hij vertrekt, geeft hij zijn buurjongetje de opdracht om dagelijks tegen de citroenboom te plassen, wat die jongen inderdaad doet, en als zijn moeder hem eens vraagt wat hij toch steeds in de tuin van de buurman doet, nu die weg is, en hij dat uitlegt, vindt zij het allemaal prima.
Als de wedstrijd begint, krijgt de zonderlinge Kiwi, die schlemiel met zijn aftandse motor, veel aandacht. Aanvankelijk lijkt het niks te worden en iedereen lacht. Totdat hij gas geeft. Uiteindelijk wint hij de race met een snelheidsrecord dat sindsdien niet meer geëvenaard is. Het verhaal schijnt nog historisch te zijn ook. Ik ben op dit moment verstoken van internet en andere middelen om het verhaal op zijn juistheid te controleren.
Later hadden wij het over de Kiwi ingenuity, de vindingrijkheid van Nieuw-Zeelanders, om met beperkte middelen iets op te lossen. Zo iemand wordt ook wel een Number 8 Wire Kiwi genoemd. Number 8 wire is ijzerdraad van een bepaalde dikte en een beetje een Kiwi heeft dat altijd bij de hand en lost er problemen mee op. En inderdaad: opstapjes, loszittende ramen en deuren, haakjes, traliewerk, alles wat op een of andere manier aan elkaar moet zonder dat eventueel beter verbindingsmateriaal voorhanden is, wordt aan elkaar gemaakt met dik ijzerdraad, meestal number 8 wire.
Maar het number 8 wire-idee reikt verder. Een Kiwi probeert altijd met simpele middelen iets te vervangen of te maken en hij zal niet gauw iets volledig vervangen als hij zich kan beperken tot een onderdeel. Zo zag ik ergens een bermversteviging gemaakt van oude olievaten die met zand waren gevuld en deursluitingen zijn bijvoorbeeld een verzameling van allerlei stijlen: een nikkelen schuifje uit 1980, een gedeukt deurknopje uit 1938 en een slot uit 1913, dicht bij elkaar op dezelfde deur. Die hybride stijl, die vintage aanpak, die elders mode is, zit er hier ingebakken.
Een Kiwi lost graag iets op met simpele middelen die wel efficiënt zijn en hij of zij lost ze graag zelf op. Een Kiwi is ook pragmatisch. Zo misten Mente en ik twee weken terug een dinertje bij mevrouw Jacqui. Waren we er geweest dan hadden we konijn gegeten, die ochtend door haarzelf geschoten in de tuin omdat konijnen haar groenten opeten. Nu verloste zij zich van het konijn, had ze vlees te eten en kon ze daarbij ook de groenten gebruiken die het konijn niet meer had kunnen verorberen. De volgende dag aten we vis, die ochtend gevangen door onze gastheer, niet met een hengel of een net maar met een speer. De buurman van Pieter en Martine, in de grote stad Auckland, eet uitsluitend maar dan ook uitsluitend groenten uit eigen tuin.
Een echte Kiwi redt zichzelf. Als leerlingen een jaar of tien zijn, gaan ze naar een tweejarige opleiding waarbij praktische vakken als tuinieren en koken belangrijk zijn, ze worden getraind in zelfredzaamheid. Nu las ik vorige week dat Kiwi-kids het op het gebied van taal, wiskunde en science het helemaal niet zo goed doen, veel lager zitten dan die uit Oost-Aziatische landen, ook een stuk lager dan Nederlandse scholieren, maar misschien vinden ze hier die praktische kant, die zelfredzaamheid belangrijker. Intussen geniet ik er wel van om tekenen te vinden van de Number 8 Wire-mentaliteit.
Vandaag zag ik in Wellington in het prachtige museum Te Papa een motor, een racemotor, in 1992 gemaakt door een amateur John Britten: de lichtste en snelste motor ooit, met een motorblok dat verder niet bestaat. Het is de Britten V-1000. Hij hangt in een grote zaal, als een pronkstuk, noem het maar een nationaal monument.

Overigens neem ik me voor om voortaan niet meer te vragen waar het toilet is, maar waar ik de citroenboom kan vinden.

Len Borgdorff


november 2013, Nieuw-Zeeland

  Naar boven  

Kever op vliegenzwam

tussen Otterlo en Hoenderloo, oktober 2013

Ik weet heus wel dat er mooiere vliegenzwammen zijn, met halfronde bolle hoeden, rood met witte stippen. Maar de kever zat op de steel en onder de hoed van deze paddenstoel. Het is niet anders. Het gaat hier om een mestkever. Bij een vorige wandeling zagen we er grote hoeveelheden. Soms waren die bij tientallen te vinden in de paardenmest die Aat en ik regelmatig moesten ontwijken. We zagen toen veel levende maar ook veel dode kevers. ‘La Grande Bouffe’ leek het wel. Zowel de aanblik als de gedachte aan de gelijknamige film vervulden me toen met walging. Dat zwelgen, verschrikkelijk.
Een eenzame kever in een keurig omgeving vind ik veel interessanter.

Onderweg naar Otterlo had de buschauffeur de ruitenwissers aan moeten doen, maar toen wij uitstapten, regende het niet meer, al was de wereld nog behoorlijk nat en hing er veel vocht in de lucht. Zou de kever in de steel van de paddenstoel geklommen zijn om te schuilen voor de regen? Dat hoopte ik maar. Een kever met enigszins menselijke trekjes, dat is toch leuk. Schuilen voor de regen en dan niet in de gaten hebben dat de regen al is opgehouden omdat je zit te dromen, over mest bijvoorbeeld.
Of zat die kever daar omdat hij van de paddenstoel wilde eten? Was hij onderweg naar de sporen en de plaatjes aan de onderkant van de hoed? Een mestkever eet alles waar de verrotting of de vertering al enig werk heeft gedaan, ook paddenstoelen, maar deze zag er nog kloek en vitaal uit.
Toen ik Aat weer had ingehaald, vertelde ik hem wat ik had gefotografeerd. Volgens hem waren er wel mooiere paddenstoelen om een foto van te maken. Dat was wel zo, maar mij ging het om die kever onder de hoed. Nu is het niet eens zo moeilijk om de kever met een fotoprogramma te kopiëren en vervolgens ook op de steel te zetten van een veel fraaiere, ook gefotografeerde zwam.
Van die gedachte werd ik wat somber. We kwamen op onze wandeling door de Hoge Veluwe honderden, nee, duizenden paddenstoelen tegen. Mooie, lelijke exemplaren, fraaie en minder fraaie formaties. Wat als het me zou gaan om alleen de fraaiste foto van de fraaiste paddenstoel en een dito foto van een dito mestkever? Ik moest er niet aan denken.
Als ik zou kunnen tekenen, zou dat anders liggen. Dan zou ik een levensechte kever in zijn meeste bevallige houding op de allerbevalligst getekende en ingekleurde vliegenzwam kunnen zetten. Natuurplaatjes die we allemaal wel kennen van wenskaarten en verjaardagskalenders.
Maar het mooiste van deze wandeling was juist dat ik tijdens het lopen ook dit zag: een kever die net iets te dicht al onder de hoed zat van een niet al te fraaie vliegenzwam. En temidden van veel ander moois, gewoons en lelijks zag ik dat en daar was dit een foto van. Het was niet een plaatje van wat ik niet had gezien. Nee, dit had ik gezien en dit vond ik leuk.

Len Borgdorff

  Naar boven